summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/38397-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '38397-0.txt')
-rw-r--r--38397-0.txt6071
1 files changed, 6071 insertions, 0 deletions
diff --git a/38397-0.txt b/38397-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..7d69055
--- /dev/null
+++ b/38397-0.txt
@@ -0,0 +1,6071 @@
+The Project Gutenberg EBook of Verspreide Opstellen, II, by Jan Ligthart
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Verspreide Opstellen, II
+
+Author: Jan Ligthart
+
+Release Date: December 24, 2011 [EBook #38397]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, II ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+ +---------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+ | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+ | moderniseren. |
+ | |
+ | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+ | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
+ | hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de |
+ | verwijzing. |
+ | |
+ | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+ | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: |
+ | met of zonder trema of koppelteken. |
+ | |
+ | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
+ | _cursief_. |
+ | |
+ | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+ | aangebrachte correcties. |
+ | |
+ | De illustratie op blz. 67 is beschikbaar bij de html-versie |
+ | van dit e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
+ | |
+ | Het eerste deel van 'Verspreide Opstellen' is als e-boek |
+ | no. 38396 beschikbaar is via Project Gutenberg: |
+ | https://www.gutenberg.org/ebooks/38396 |
+ | |
+ +---------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ VERSPREIDE OPSTELLEN
+
+ VAN
+
+ JAN LIGTHART.
+
+ II.
+
+ UITGEGEVEN VOOR HET LIGTHART-COMITÉ DOOR
+ J. B. WOLTERS' U.M.—GRONINGEN, DEN HAAG, 1917.
+
+
+
+
+In deze serie zijn verschenen:
+
+ JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, I _2e dr._ ƒ 0,70
+ JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, II - 0,70
+ JAN LIGTHART, In Zweden _2e dr._ - 0,95
+
+en zullen in den loop van 1918 of 1919 verschijnen:
+
+ JAN LIGTHART, Over Opvoeding, I.
+ JAN LIGTHART, Over Opvoeding, II.
+ JAN LIGTHART, Jeugdherinneringen.
+
+
+
+
+TER INLEIDING.
+
+
+Is er een wezenlik verschil tussen kinderen en volwassenen? Of
+ligt niet, wat bij de laatsten meer samengesteld verborgen en
+ineengestrengeld is, open en bloot bij het kind, zodat het zich in meer
+duidelike en sprekende trekken vertoont. Het kind is de jonge mens en
+menselike aandriften en neigingen openbaren zich in zijn daden en vinden
+in zijn woorden uitweg. De kenner van het kind wordt zo mensenkenner.
+Gelijk een leerling, die in zijn natuurkundeboek in enkele trekken een
+werktuig getekend ziet en door het schetsmatige zijn aandacht leert te
+bepalen bij de hoofdzaken, zo doorziet men in het kind de hoofdlijnen
+van het gebouw der menselike ziel. De kindervriend ontwikkelt zich tot
+mensenvriend, de kinderkenner tot mensenkenner.
+
+Bij Jan Ligthart is deze overgang duidelik merkbaar, en zij komt uit
+in het werk, dat mevrouw Ligthart in deze bundel heeft verzameld, en,
+dat naast enkele stukken uit _School en Leven_ ook enige bevat, die
+als hoofdartikel zijn verschenen in _Het Nieuws van den Dag_ met de
+ondertekening: Mr. Jan. Hij was in die stukken opvoeder van mensen.
+
+Wat had Jan Ligthart toch tot opvoeder gemaakt? Zeker, hij was kwekeling
+geweest aan een Amsterdamse school en had aan de z.g.n. stadslessen zijn
+opleiding tot onderwijzer ontvangen. Hij had dus wel wat over opvoeding
+gehoord en gelezen, ook later, toen hij voor de hoofdakte studeerde.
+Maar dat weten maakte hem toch geen opvoeder, kon niet het hart vormen,
+dat hem sierde.
+
+Wat hij had aan mensen- en levenskennis, had hij allereerst door
+_zelfervaring_. Deze wijze man was een kwajongen geweest, die speelde
+en stoeide in Amsterdams straten, en genoot van de dwaasheid der jeugd,
+en die, onder moeilike levensomstandigheden—(een heel brave, maar niet
+sterke vader kon het gezin niet op zijn maatschappelike hoogte houden
+en alle zorg niet weren)—welke hem niet verborgen bleven, toch het
+paradijs der kindsheid niet uitgedreven werd. Hij was een opgeschoten
+jongen geworden met verliefde en dichterlike stemmingen, peinzend over
+God en wereld. Hij kwam in de school, hij vond vrienden en liefde, maar
+verloor zijn levensbeschouwing en vast Godsgeloof, dat onderzocht werd
+met crities verstand. Hij werd schoolhoofd, man, vader, en het geluk
+klopte aan zijn deur: drie kinderen werden hem geschonken, in zijn
+arbeid vond hij zijn vreugde, in anderen helpen zijn zegen.
+
+Maar ook hier viel de schaduw in het licht. Hij treurde om
+maatschappelike kwalen en gebreken: hij was verenigingsman en
+maatschappelik strijder; alle bewegingen, wier roepstem hij tekent
+op pagina 115 en 116,—sociale werkzaamheid, vrouwenbeweging,
+geheelonthouding, rein leven, dierenbescherming en vegetarisme—hadden
+zijn sympathie, en bij hem was sympathie steeds daad en zelfgevend
+offer. Zijn hart kromp onder onrecht, onrecht, der natuur van het kind
+aangedaan in domme of liefdeloze onderwijsinstellingen, in de grote
+maatschappij in telkens nieuwe vorm bedreven. Zo was voor hem het leven
+naast genietend arbeiden strijdend worstelen.
+
+Hij hield lezingen, schreef met Scheepstra en anderen, leesboeken voor
+de kinderen, opvoedkundige artikelen voor hun ouders en meesters. Hij
+oogstte daarmee vriendelikheid, zelfs roem, in binnen- en buitenland.
+Twee maal deed hij een reis naar het Noorden, om er voordrachten te
+houden, de Koningin raadpleegde hem over de opvoeding harer dochter.
+Maar naast al die waardering had hij de spot te verduren van wie hem
+niet konden begrijpen, de onverdraagzaamheid der naijverigen, de
+verdraaiing van woord en gedachte door onnadenkende vluchtigheid of
+lasterzieke achterklap.
+
+Beurtelings had hij de vrucht en de mislukking van zijn arbeid gezien
+en had hij arbeidende geleerd, dat wij ons moeten beperken. De rust in
+maanden, dat ook hij „overrekt” scheen, schonk de gelegenheid, diep te
+beseffen, dat wij ons geluk moeten bouwen op andere dan uitwendige
+factoren.
+
+Zo was voor hem, die zo eerlik tegenover zich zelf stond, en niet alleen
+de verantwoordelikheid voor zijn woorden en daden, maar ook voor zijn
+neigingen en begeerten gevoelde, het leven zelf de school des levens
+geworden. Hij verstond de wereld en de andere mensen, omdat hij zichzelf
+verstond. En dat innerlike verstaan maakte hem allereerst tot opvoeder.
+Achter al dit werk schuilt, meer dan achter enige tot nu verschenen
+bundel des schrijvers persoonlike ervaring. Het is een bundel van
+zelfopenbaring, ook—van zelfopenbaring in het goede. Maar dat was de
+auteur zich niet, wij zijn 't ons wel bewust.
+
+Ligthart was—en dit was de twede factor, die hem opvoeder maakte—een
+zeldzaam goed mens. Er was een ongewone vereniging in hem van moed
+en zachtmoedigheid, van waarheidszin en tedere mensenliefde, van
+volhardende trouw en spontane ontvankelikheid voor frisse indrukken, van
+idealen, van optimisme en gezonde zakelikheid. Zijn moed kwam uit, als
+hij optrad tegen onrecht. Als jong onderwijzer bezocht hij een cursus
+voor de hoofdakte. Terwey, de taalleraar, kon geen rook verdragen en
+dus was 't roken verboden in de lokalen. Als het tóch gebeurde, kwam de
+concierge het verbieden. Op een keer werd de man met spot ontvangen.
+Toen barstte de zwakke Ligthart in verontwaardiging los en hij verweet
+ze allen, dat zíj, die gehoorzaamheid eisten van hun kinderen, een man
+hoonden, die zijn plicht deed en dat zij zelf nóch konden gehoorzamen,
+nóch een offer konden brengen voor hun leermeester.—Daar was een man,
+die dong naar een betrekking en Ligthart's voorspraak vroeg. Ik acht
+je geschikt, was het antwoord, maar ik acht een ander meer geschikt,
+en vind, dat die er meer recht op heeft. Zo was zijn woord en
+waarheidsliefde, steeds onbezweken in al de duizend kleine voorvallen
+van het leven, waarin ze geëist worden, en dikwijls moeiliker zijn te
+volbrengen dan bij een grote gebeurtenis. Hij was tevens zo zacht en
+teer. Had iemand misdreven, dan kon hij zo'n innig medelijden hebben.
+Hij keurde altijd de zonde af, de zondaar had hij altijd nog lief.
+_Blijvend._ En dat vind ik het grootste, het meest wonderbaarlike in
+Ligthart. Wij, zijn vrienden, hadden de volstrekte overtuiging, dat hij
+ons nooit zou laten schieten. Men bouwde op hem. Men zou hem, met het
+oog op zijn gezondheid, soms sparen, maar nimmer kon de gedachte zelfs
+post vatten, dat hij wel eens niet zou willen helpen, dat het hem te
+lastig zou worden, dat hij, in afkeer van bedreven kwaad, zich zou
+afwenden van de mens. Ten opzichte van zijn vriendentrouw en blijvende
+liefde had men het gevoel, dat men anders alleen tegenover zijn
+moeder heeft. En die trouw was geen sleur, was niet ontstaan uit
+een temperament, dat hecht aan het oude—alleen omdat het oud is.
+Integendeel. Ligthart was steeds open voor nieuwe dingen, bezig met
+nieuwe plannen voor nieuwe scholen en boeken, nieuwe kennissen en
+vrienden makend, door nieuwe studies zijn inzichten verrijkend. Met
+blijde vreugde nam hij dat nieuwe op, verwerkte het, paste het aan bij
+zijn kennis en zijn onderwijs. Toen hij warm was geworden voor de zaak
+der zending, moest hij er van verhalen, moest hij anderen opwekken, om
+er ook in de school van te verhalen. Toen hij het Christendom opnieuw
+ontdekte en veroverde—Christendom als liefdebetonende macht en niet als
+enig uiterlik stelsel,—moest hij ook daar van spreken.
+
+Van nog een derde combinatie sprak ik: idealisme, optimisme en gezonde
+zakelikheid. Ligthart hoopte en geloofde. Hij vertrouwde op het goede
+in de mens en hij wist het op te wekken. Tegenover zijn mildheid kon de
+gierige niet vrekkig blijven; waar hij hartelik was en zich gaf, kon de
+deftige zijn afstand niet zo bewaren, als hij gewoonlik deed. Waar hij
+met de kinderen joelde en jubelde en stoeide, waar hij kind was onder
+en met de kinderen, daar stak zijn geest anderen aan. Waar hij tijd,
+moeite, geduld over had, waar hij vergaf en vergat—deze man kon
+werkelik totáál vergeten, dat men iets kwaads tegen hem gedaan
+had—daar kon men zelf niet nalaten, iets van het zijne te geven, toorn
+en wrok als onedel te voelen.
+
+Maar dit idealisme was nuchter en zakelik.
+
+Allereerst kende hij de menselike natuur in zijn zwakheden, in zijn
+verdorvenheid.
+
+Hij zag ook de rechte verhoudingen. Hij wilde, dat men zich binnen de
+grenzen van zijn kracht, zijn kennen en kunnen zou houden: te ver reiken
+brengt mislukking, en smart, voor ons zelven en anderen. Hij genas, niet
+door mystieke voorschriften, door diepe redenering, maar door liefdevol
+meevoelen en practiese raad. Hij gaf zijn adviezen met het oog op het
+werkelike leven. Zelf een onbaatzuchtig man, die eigenlik totaal niet
+aan geld hechtte, dan om er goed mede te kunnen doen, pleitte hij altijd
+voor behoorlike levensvoorwaarden der onderwijzers. Vroegen rijke ouders
+hem, iemand aan te wijzen, die hun kind les zou kunnen geven, dan deed
+hij dit graag, maar bepaalde meteen, dat zij hun liefde voor hun kind
+en hun waardering van 't onderwijs zouden uitdrukken in een ruime
+schadeloosstelling. Graag het goede prijzend en waarderend, ontgingen
+hem geen fouten, en hij had een aardige manier, om iemand er aan te
+herinneren. Voor mijn correspondentie met hem maakte ik bijv. gebruik
+van briefkaarten met zijn adres er op gedrukt (in onsmakelike grove
+letters had een drukker mij die geleverd). Toen op een keer mijn
+handschrift al te onduidelik was geworden, zelfs voor zijn geduldig
+lezen, schreef hij mij, dat ik met mijn grote letters meer eerbied had
+voor de ogen van de post dan voor de zijne. Hijzelf zou trouwens de
+keuze der letter niet aan den drukker overgelaten hebben. Hij was
+verliefd op nauwkeurigheid. Elke kleinigheid had zijn belangstelling:
+wat hij deed, deed hij goed. Voor alles zette hij zich, gaf hij zich
+moeite. Een gewone felicitatie bij geboorte, huwelik, examen, wist hij
+toch altijd nog een persoonlik cachet te geven. Een voorbeeld. Toen Mr.
+J. Limburg in 's Gravenhage bij de Kamerverkiezing viel tegen den heer
+Ter Laan, maar daarna in Friesland werd herkozen, telegrafeerde hij een
+vierregelig vers, waarin o.a.:
+
+ Zuid-Holland werpt hem uit, door al te links bewegen,
+ Maar Friesland vangt hem op....
+
+Hij hield van een woordspel.—Zo wist hij een zekere bekoorlikheid bij
+te zetten aan zijn practiese wenken, wist zijn diepe ernst door een
+goede dosis humor vriendelik te tinten.
+
+Zo was Ligthart een goed, een zeldzaam mens, en, zich zelf van zijn
+bizondere waarde niet bewust, gaf hij in zijn zelfopenbaringen zoveel
+heerliks te aanschouwen, dat hij ook daardoor een opvoeder werd.
+
+ * * * * *
+
+Gegeven eenmaal zijn aanleg, maakte de levenservaring omtrent anderen
+opgedaan, hem tot zielszorger. Als men tot hem kwam om raad te vragen
+over de opvoeding van een kind, dan ontdekte hij al spoedig dat vele
+oorzaken van moeiten niet in het kind, maar bij de ouders lagen. Dan
+moest hij de ouders er wel opmerkzaam op maken, dat hun angst het kind
+onrustig maakte, hun ongeduldig voorwaarts dringen meer eiste, dan het
+kind geven kon, hun slappe wil en weke toegeeflikheid ongehoorzaamheid
+en brutaliteit als uitlokte en opriep. Dan kreeg hij belijdenissen, die
+hem een diepe blik deden slaan in de zielsnoden en het levensleed van zo
+menig mens. Achter schijnbare kalmte, deftige redeneringen, gewichtig en
+groot doen, vond hij hongerende zielen, onrustige geesten. Hij trachtte
+ze tot evenwicht te brengen, door ze op hun werk en hun plicht te
+wijzen, door ze met gezonde zin de zakelike noodwendigheden van 't leven
+onder 't oog te brengen. Ligtharts troost in dergelijke gevallen was een
+strenge, en daarom een louterende troost. Hij verbloemde de ellenden van
+'t leven noch gaf hoop op een smarteloze toekomst. Hij wilde, dat de
+wereld en zijn moeite in ons eigen innerlik overwonnen zouden worden,
+dat wij, boven de dingen staand, door hen ongedeerd zouden verder leven.
+
+Niet de moeilikheden ontvluchten, ze overwinnen in volhardende arbeid,
+dat was zijn leuze, en daarmee bemoedigde hij en sterkte hij.
+
+ * * * * *
+
+Ligthart was dus ook opvoeder, raadsman, leidsman van volwassenen. Hij
+was het door recht van geboorte en usantie: het leven had zijn aanleg in
+deze richting ontwikkeld. Al vroeg, door hem een vader te schenken van
+sterke, zedelike beginselen, die als natuurlike vanzelfsprekendheid
+leefden in het gezin Ligthart, maar anderen, de schoondochters bijv.
+dadelik opvielen als iets bijzonder achtenswaards. Zijn moeder was de
+zon van zijn leven: met onbegrensde verering hing hij aan haar en zij
+zat portret voor het beeld der moeder, dat hij hier schetst als ideaal
+der vrouw.—Versterkt werd zijn aanleg door het levendige opvoedkundige
+denken, dat in Den Haag heerst: bij de stichting der meeste scholen,
+die iets nieuws probeerden in Den Haag, was hij meer of minder betrokken
+als bestuurslid of adviseur.
+
+Maar Ligthart mocht ook opvoeder zijn door droit de conquête: hij had
+zijn roem veroverd.
+
+Hij had met een zwak gestel en met een beperkte tijd, waarover anderen
+ook nog ruimschoots beschikten, zo heel veel tot stand gebracht, en hij,
+die in zijn jeugd zo zwak was, dat zijn familie vreesde, dat hij niet
+volwassen zou worden, dat hij als jong onderwijzer niet in een stuk van
+zijn huis naar school kon wandelen, doch onderweg moest rusten, wist
+toch nog zo wijs met zijn kracht om te gaan, dat hij 56 jaar werd.
+
+Hij was een levenskunstenaar. Hij wist zijn tijd te verdelen, hij wist
+arbeid en rust af te wisselen, hij wist te remmen, als 't nodig was. Hij
+was een virtuoos in de arbeid door deze beginselen toe te passen: alles
+dadelik zo goed mogelik te doen en niet te doen, wat niet in zijn aard
+lag. Plichtsgetrouwheid, arbeidsvreugd en bescheidenheid, bescheidenheid
+ook hierin, dat hij steeds medewerkers zocht: dat gaf hem de rust, dat
+het werk toch gedaan werd, als de kracht hem ontzinken kon.
+
+Welaan, deze man mocht in _School en Leven_, in _Het Nieuws van den Dag_
+spreken tot duizenden en tienduizenden, optreden als wijsheidsleraar.
+Wat hij verkondigde, had hij zelf in het leven geleerd en toegepast.
+
+ * * * * *
+
+Dikwijls, als ik iemand spreek, die over een ander schreef of sprak,
+hoor ik, in persoonlik gesprek, minder prettige dingen, „maar die zeg of
+schrijf je zo niet”. Ik stel er prijs op, te zeggen, dat het beeld, dat
+ik van de mens Ligthart ontwierp als inleiding tot deze bundel, zeer
+onvolledig en schetsmatig is, maar alleen in deze zin, dat mijn woorden
+mij vaal en grijs schijnen bij de heerlikheid van den man, die ik
+vijftien jaren gekend heb in allerlei betrekkingen en die ik nooit
+ontmoette zonder zijn diepe invloed te ondergaan. Het is mij een
+weemoedig en tot dankbaarheid stemmend voorrecht, deze bundel van mijn
+vereerde vaderlike vriend bij ons publiek in te leiden: mogen zij hem
+ter hand nemen met de gedachte, dat hier een mens tot hen spreekt, een
+ziel.
+
+ * * * * *
+
+Het is Pinksteren en er was iets van Pinkstergloed in Ligthart.
+Vertolken wilde hij goddelik en christelik leven. Is dat nieuw? Neen,
+hij beweerde het niet. Misschien ging het hem als de apostel, die zeide,
+dat hij „dezelfde dingen” had te zeggen. Maar Ligthart bracht ze tot
+zijn volk en zijn tijd in zodanige vorm en zo bezield met zijn eigen
+persoonlikheid, dat het eeuwig menselike hier verschenen in een
+tijdelike concrete omlijning, die het stempelde tot eigen, fris en
+oorspronkelik werk.
+
+ 's Graveland, Pinksteren 1917. R. C.
+
+
+
+
+I. ZIELSONTWAKEN.
+
+
+Niet het kind in de wieg kan _mensch_ heeten, ook al lacht en schreit
+het; niet de knaap in de schoolbank, ook al denkt en gevoelt hij, al
+ontwikkelt zich zijn taal met zijn geest. Eerst wanneer
+
+ „bei der Leidenschaft Ruf der Jüngling erwachet,
+ Und des Bewusztseins Blitz dämmernd die Welt ihm erhellt”,
+
+eerst dan wordt het kind _mensch_. Dan spiegelt zich alles af in zijn
+ziel en wekt daar tal van vragen, waarvan de knaap geen flauw vermoeden
+had. Wanneer het _Bewustzijn_ als een bliksemstraal te voorschijn
+springt uit den dommelenden, droomenden geest, en een flauw schemerlicht
+werpt over alles, dat zich om en in ons bevindt, dan, bij dien dageraad
+des zielelevens, ontvangen we pas _besef_, schoon nog zwak: besef van
+onzen toestand op aarde, besef van ons stoffelijk en geestelijk bestaan,
+besef van verwantschap onzer ziel met andere menschenzielen, besef van
+onze nauwe betrekking tot de omringende wereld, tot de gansche grootsche
+schepping, tot den bewusten of onbewusten oorsprong aller dingen, tot de
+werkende kracht of den scheppenden God.
+
+Bij den eenen mensch is dit ontwaken een zachte, geleidelijke overgang;
+langzaam, schier onmerkbaar, rijst de bleeke zon van 't zelfbewustzijn
+aan den donkeren, maar rustigen hemel des zielelevens; zoete melancholie
+murmelt het morgenlied.
+
+Bij den anderen echter gaat deze kentering gepaard met woedende stormen;
+hemel en aarde wankelen op hun grondvesten; alles hult zich in diepe
+duisternis; nergens is licht, nergens vastheid; angst, radeloosheid,
+wanhoop, trekken als geesten der nacht het hart binnen en heerschen daar
+onbeperkt, tenzij er een vriendelijke stemme, ruischend om het hoofd,
+met zachten klem gebiedt:
+
+ „toch niet bezorgd te wezen.”
+
+Zooals bij de wisseling der seizoenen de natuur in opstand geraakt en de
+voorjaarszon door bliksemstralen en donderslagen wordt aangekondigd, zoo
+voeren bij de voornaamste wisseling der levenstijdperken vaak allerlei
+machten een geweldigen strijd in de ziel.—Herhaaldelijk lezen we in
+den Bijbel, dat aarde en hemel in beroering zijn, dat alle elementen in
+onderlingen kamp zijn losgebroken, wanneer de God des Hemels zich aan de
+Aarde vertoont, wanneer het Licht der Schepping door de wolken breekt,
+die Hemel en Aarde scheiden. Maar evenzeer herhaaldelijk, neen duizend
+en duizenden malen zien we in de harten onzer medemenschen, dat ook dáár
+de chaos schijnt weer te keeren, wanneer de goddelijke vonk van 't
+zelfbewustzijn als uit de krachtige aanraking van den geest met de
+wereld ontspringt en schittert door de nevelen der kinderlijke
+droomwereld. Onder barensweeën wordt de mensch „wederom geboren.”
+
+Daar zijn er ook, die van dit alles niets verstaan. Misschien..... zijn
+deze de „normale”, de gezonde menschennaturen. Misschien ook zijn ze de
+gelukkigste, doch, in ieder geval, de _grootste_ zijn ze niet. De
+hoogste aristocratie des geestes heeft in den strijd, dikwijls tot
+stervens toe gewond, den ridderslag ontvangen.
+
+
+
+
+II. VERTROUWEN.
+
+
+Laatst ontving ik een brief van een jonggehuwde vrouw, die haar
+eersteling verwachtte. Maar 't was geen brief vol blijde hoop. Er lag nu
+reeds een schaduw over dat toekomstig geluk. Er was twijfel aan eigen
+geschiktheid voor de verantwoordelijke taak van het moeder-zijn. „Zal
+ik ooit in staat blijken, het teere wezentje, dat straks in mijn armen
+ligt, op te voeden tot een braaf en gelukkig mensch?” Die zorg drukte
+de blijdschap der zoete verwachting neer. „Het lijkt me zoo uiterst
+moeilijk, een kind naar behooren op te voeden. En toch, dit is immers
+onze dure plicht, waar wij dat nieuwe schepseltje in 't aanzijn hebben
+geroepen?”
+
+Toen heb ik de schrijfster geantwoord, dat ze blijkbaar veel te veel
+waarde hechtte aan haar eigen beteekenis, aan haar eigen invloed, aan
+de middelen eener weloverdachte, beginselvaste opvoeding, en te weinig
+vertrouwen had in het kindje, dat ze nog krijgen moest. Niet dat ik haar
+zorgeloosheid toewenschte, maar wel de onbezorgdheid, die vrucht is van
+geloof en vertrouwen. Er is in tijden als de onze, waarin op allerlei
+gebied het redeneerend verstand heerschappij wil voeren, te weinig
+geloof. Ik bedoel niet: geloof in een of andere theologische of
+politieke of oeconomische leerstelling. Aan dàt geloof is waarlijk geen
+gebrek. Ook niet aan het geloof in paedagogische dogma's. Hooren we niet
+dagelijks en uurlijks bij allerlei principes en grondstellingen zweren?
+Maar geloof in den zin van _vertrouwen_.
+
+In ieder kind bloeit, stil verborgen, een wonderbloem. Terwijl uw
+zuigeling daar in de wieg ligt—zoo'n lekkere dikkert!—ontkiemt en wast
+daarbinnen iets heel teers en fijns. Ge ziet er aanvankelijk nog niets
+van. En zelfs kan het jaren duren, eer het zich aan U, eer het zich
+aan zichzelf openbaart. Maar toch is het er, reeds van den beginne af.
+Want als het er niet was, vanwaar zou het dan later komen? Dat is het
+persoonlijke, het eigene, het individueele, het eenig hem toebehoorende,
+ja _dat is uw kind_. Niet het lichaampje, dat door u met zooveel zorg
+wordt gereinigd en gevoed, niet het verstand, dat door u met zooveel
+kennis wordt opgebouwd—neen, uw kind is geen samenstel van stof of van
+begrippen. Wie daarop bouwt, komt tenslotte bedrogen uit. Want de stof
+is zelfzuchtig, en begrippen zijn hard en koud. Maar in die stof, en als
+onzichtbare heerscheres over die begrippen, leeft en werkt de _ikheid_,
+de niet te omschrijven onbekende, de ziel. Zij alleen is uw kind. En
+haar kunt ge vervangen noch veranderen. Integendeel, zij zal alles
+beschouwen en wijzigen naar de bizondere eigenschappen van haar aard.
+Doch ge kunt op haar vertrouwen. En ge móét op haar vertrouwen. Als
+ergens in het mensch-zijn zich iets van de Godheid doet bespeuren, dan
+is het daar.
+
+Toen De Genestet een leelijk trekje ontdekt had in het hart van zijn
+lieveling, maakte hij zich daar bekommerd over, en zon op allerlei
+middelen, om dat kwaad te bestrijden. Maar zijn wijsheid schoot te kort.
+Toen bad hij, en wachtte. En zie—„'t hooghartig zondaresje” kwam uit
+zichzelve tot hem, „nederig en klein.” Wie had dat wonder bewerkt? Niet
+de paedagogische middelen van den vader. Doch zelf getuigde deze: „Meest
+werkt de _macht ten goede_, door God in 't hart gelegd.” Vertrouw op die
+macht ten goede.
+
+ * * * * *
+
+Daar zit ge op een avond bij de wieg van uw eersteling. De ademhaling
+van het slapend kleintje gaat zoo rustig. Met een kleurtje op de wangen
+ligt het daar. En in uw eigen ziel is de vrede, die van dit blozend
+koontje straalt en uit die blonde lokjes licht. Wat zalig gevoel! Geen
+zorg voor de toekomst kwelt u, geen besef van eigen onvolmaaktheid drukt
+u neer. Ge denkt er wel niet aan, maar de overtuiging leeft toch in u,
+dat menschelijke wijsheid vaak het wonderbloempje der kinderziel doet
+welken, menschelijke wijsheid, die zoo vaak dwaas ingrijpen is in het
+stille werk Gods. Ge vat uw taak wel ernstig op, maar verwacht niet
+_alle_ heil, zelfs niet het _meeste_ heil van uw middelen. Er is
+vertrouwen in u gekomen, vertrouwen in de _macht ten goede_, thans reeds
+werkend in dat jonge zieltje. En zwijgend geeft ge u over aan de
+weldadige kalmte van dat stille vertrouwen.
+
+
+
+
+III. DE TWEEDE.
+
+
+Er was eens een vrouw, die nooit den zin van haar man deed.
+
+Men zal zoo zeggen: Dat is zoo'n bijzonderheid niet, zulke vrouwen zijn
+er meer. En zelfs zijn er mannen, die nooit den zin van hun vrouw doen.
+
+Maar zoo bedoel ik het niet.
+
+Ik wilde zeggen, dat die vrouw _altijd_ den zin van haar man deed. En
+ongedwongen, met haar volle hart. Echter niet, dan nadat ze eerst drie
+minuten haar eigen zin had gedaan.
+
+Haar eerste opwelling en haar eerste woord was steeds: „Hè neen!” Maar
+dan volgde bijna geregeld, na een heel kort poosje, de tweede opwelling
+en het tweede woord: „Nu ja dan maar!”
+
+„Vrouw, willen we een uurtje gaan wandelen?”
+
+„Hè neen!”
+
+De weigerverzuchting was begrijpelijk. De man was klaar met zijn werk en
+had wandellust. Maar de vrouw moest nog even wat in orde brengen en wou
+dan juist, moede van het gedribbel, een oogenblikje rustig gaan zitten,
+de krant inkijken. Hij wou zich wat bewegen. Zij eens even bekomen.
+
+De man was echter een wijze. Sommigen zeggen: een slimmerd.
+
+Hij klaagde niet, dat zijn vrouw „ook nooit” instemde met zijn
+voorstellen. Hij dreigde niet, dat hij dan „in vredesnaam” maar alleen
+zou gaan. Hij zweeg. En drie minuten later hoorde hij: „Nu, wil je
+graag? Laten we dan maar gaan!”
+
+Hij had op de tweede opwelling vertrouwd, en niet te vergeefs. Zóó sterk
+en zóó zeker, dat hij nu zelfs grootmoedig dorst worden:
+
+„Neen, neen, als jij moe bent en liever thuisblijft...” Doch niettemin
+liep hij al naar den kapstok en greep reeds naar zijn hoed.
+
+Die grootmoedigheid der mannen beperkt zich, gelijk we weten, tot het
+bewaren van den edelen schijn. Daarmee hebben ze hun offers aan de
+zelfverloochening gebracht. En spoedig wandelden man en vrouw samen
+buiten, hij een en al ontspanning, zij niet zonder inspanning. Toch
+durfde de edele huichelaar nog vragen, of ze 't nu niet heerlijk vond en
+of hij niet goed had gedaan, met haar uit huis te jagen. Want gelijk we
+andermaal weten, mannen willen niet alleen hun zin, ze willen ook gelijk
+hebben.
+
+De vrouw gaf hem gelijk. Nu ze eenmaal over de eerste opwelling
+heen was en de tweede had opgevolgd, viel het haar gemakkelijk op
+dien weg verder te gaan. De moeilijkheid bestond voor haar niet in de
+opoffering—offeren is het ademhalen der vrouwelijke natuur—maar in het
+maken van de onverwachte wending.
+
+En dit is toch ook begrijpelijk. Wij allen leven onder zekere invloeden,
+ervaren daarbij bepaalde stemmingen, ontwikkelen in harmonie daarmee
+bepaalde gedachtengangen, vormen min of meer bewust onze bepaalde
+plannen voor de allernaaste toekomst, en zitten dan midden in een vrij
+samengestelde constructie van innerlijk leven. Ons denken, gevoelen,
+willen, fantaseeren maakt een bepaalde kaleidoscopische figuur, en als
+iemand, door zijn ingrijpen, daarvan een andere figuur wil maken, is het
+noodig, dat de cylinder van onze psyche een halven draai wentelt. Dat nu
+valt ons niet altijd licht. Het brengt ons uit ons doen. En het kost ons
+dientengevolge eenige minuten van bezinning en zelfoverwinning, eer we
+er toe komen. Vandaar het verzet van zoo menige „eerste opwelling”. En
+wijs is de man, doch ook de vrouw, die op de tweede wacht.
+
+ * * * * *
+
+Het niet-aanstonds voldoen aan iemands wil, zelfs het niet-onmiddellijk
+gehoorzamen van kinderen en ondergeschikten, behoeft volstrekt niet
+tegen hen te getuigen. Integendeel—het kan juist bewijzen, dat ze
+zich met hun heele hart aan hun werk hebben gegeven, zoodat ze daaraan
+met tallooze draden verbonden zijn. Los te zijn van zijn taak is een
+twijfelachtige deugd, ook al is het geriefelijk als iemand zich daardoor
+snel richten kan naar onze wisselende bevelen. Beter is het, aldus één
+te zijn met zijn arbeid, dat het verband maar niet zonder inspanning
+verbroken wordt. We wachten liever op de tweede opwelling van een
+ernstig werker, die zich in zijn arbeid verliest, dan gediend te worden
+door mechanische onverschilligheid.
+
+Er is echter nog een ander gebied, waar de tweede opwelling van veel
+ernstiger beteekenis is, waar de eerste onwil niet voortkomt uit wat
+meermalen een deugd mag heeten, maar uit den donkeren afgrond eener
+booze natuur; niet als het antwoord der vasthoudendheid op een vraag of
+een gebod, maar als de spontane reactie op de prikkels van 't leven.
+Daar is die onwil dan ook eigenlijk niet _onwil_, maar slechte wil.
+
+Leelijke neigingen kronkelen als giftige slangen in de diepte van menig
+menschengemoed. Zinnelijke lusten doen begeeren naar het verbodene. Nijd
+en gierigheid willen den ondergang van een medemensch. We verfoeien
+onszelf om de ontzettende opborrelingen onzer innerlijke boosheid.
+Het recht van den rijke, de reinheid der onschuldige, de roem van
+den begaafde—ze bestaan niet voor de laaghartige verlangens onzer
+onbeheerschte zelfzucht. Dat recht wordt verkracht, die reinheid besmet,
+die roem belasterd, door duizenden en nogmaals duizenden eerlijke,
+brave, edele naturen, in de eerste opwelling van hun zondig hart. Hoe
+zou de wereld er uitzien, wanneer eens plotseling openbaar werd het
+verborgen leven der ongeremde begeerten. En hoe, wanneer deze aanstonds
+in daden werden verwezenlijkt!
+
+Er zijn maar weinige begenadigden, die, als eenmaal Hij, naar wien
+de christenheid zich noemt, onbekommerd kunnen leven naar de eerste
+aanwijzingen van al hun neigingen. Dat was een leven uit God. Uit deze
+bron der heiligheid kon niets onheiligs voortvloeien. Wij, overigen,
+mogen al dankbaar zijn, wanneer we nu en dan eens gehoor mogen geven
+aan een eerste opwelling. Meestal moeten we haar in bedwang houden,
+met geweld terugduwen, en een oogenblik, doch soms ook uren en dagen,
+wachten, totdat de tweede, en in haar ons beter ik, is doorgebroken. Ons
+beter ik, dat wellicht juister ons verbeterd ik kon heeten. Immers, het
+is de vrucht der zedelijke, der christelijke opvoeding, die zich in deze
+correctie onzer natuurlijke aandriften openbaart.
+
+Het is raadzaam voor onszelf niet maar onnadenkend naar eerste opwelling
+te oordeelen of te handelen, doch 't is niet minder plicht onze
+medemenschen niet maar aanstonds te schatten naar hun onvoorbereid
+doen en hen te houden aan hun rasse uitspraken. Menigeen is veel beter
+dan hij schijnt, en veel zachter dan hij oordeelt. Deze uitingen
+vertegenwoordigen niet zijn geheele persoonlijkheid. Er werken ook
+andere elementen in hem. Gun ze den tijd naar buiten te komen en schort
+uw oordeel op. Het is een der groote schaduwzijden van onze haastige
+polemieken in vergadering en dagblad, dat zij den strijd doen voeren
+tusschen de ongezuiverde machten der eerste opwellingen. Hoeveel mooier
+en edeler kon het karakter van ons huiselijk en maatschappelijk leven
+worden, als bezonnenheid haar louterende werking had verricht.
+
+In Engelsch-Indië leefde eens een grijze weldoener, die als een heilige
+werd vereerd. Op zekeren dag begaf zich een jongeling tot hem en vroeg:
+Wat moet ik toch doen, om heilig te worden zooals gij?
+
+Toen opende de oude zijn levensboek voor het eerbiedig oog van den
+jongere, en daarin stonden te lezen de verachtelijkste en laaghartigste
+misdaden. „Dat heb ik alles misdreven,” zei de heilige man. „Zoo door en
+door zondig is mijn hart.”
+
+De jongeling sidderde, alsof hij een adder had aangeraakt.
+
+„Maar”, ging de grijsaard voort, „ik heb het alleen misdreven in
+gedachten. Het waren mijn eerste opwellingen. Ik heb die echter
+telkens weer laten wegzinken in den onreinen poel, waaruit ze waren
+voortgekomen. En daarna schonk God mij de kracht Zijn wil te
+volbrengen.”
+
+De jongeling ging heen. Nu wist hij het: men wordt geen heilige, dan
+door zelfbeheersching, loutering gehoorzaamheid. En waar de eerste
+opwelling ons verraderlijk verrast, zij alle zedelijke kracht
+geconcentreerd op—de tweede.
+
+
+
+
+IV. DE MOEDER.[1]
+
+[1] Overgenomen uit: „De Vrouw, de vrouwenbeweging en het
+ vrouwenvraagstuk”. Ingenaaid ƒ 9,60, gebonden ƒ 12,50. Uitgave
+ van de Uitgevers-Maatschappij „Elsevier”, Amsterdam.
+
+
+Terwijl ik dit schrijf, staat er een portret naast me. Het is van een
+72-jarige vrouw.
+
+De aanwezigheid van dit portret is geen uitzondering, want altijd,
+wanneer ik schrijf, is het bij me. Maar even heb ik op te zien, en het
+ziet mij aan, vriendelijk zacht, berustend en bemoedigend.
+
+Ook des nachts is het in mijn onmiddellijke nabijheid. Nauwelijks word
+ik 's morgens wakker, of die oogen zeggen mij goeden morgen. Eens, ruim
+tien jaar geleden, moest ik voor gezondheid een halfjaar naar buiten.
+Mijn vrouw was bij me. Maar zij ook, de vriendelijke oude. In slapelooze
+nachten was ook zij een stille troosteres, die opwekte met hoop en
+vertrouwen. Zij liet haar gansche verleden tot mij spreken: een verhaal
+van toewijding, smart, vertwijfeling, trouw, strijd, zege.
+
+Nooit gaan we sedert op reis, of zij gaat mee. Het is ons zoo vreemd,
+als zij alleen achterblijft. En we zouden het stellig niet zoo rustig
+vinden, als zij niet alles met ons meemaakte.
+
+Eén ding spijt ons slechts: dat zij van haar aanwezigheid niet zoo kan
+genieten als wij, dat aan dit stukje papier elke bewustheid ontbreekt.
+Wat zou ze zich menigmaal verheugen!
+
+Maar toch ook: wat zou ze zich menigmaal bedroeven! En bovenal: wat zou
+ze zich vaak bekommerd maken over haar kinderen!
+
+Neen, het is goed, dat zij geen besef heeft van het haar omringende
+leven. Het is genoeg, dat _wij_ ervaren den invloed, die nog nu van haar
+beeld uitgaat en die hieraan door haar leven verzekerd is.
+
+Hoe is het aan dit leven gelukt, aldus het graf te overwinnen?
+
+Simpel door moeder te zijn, niet anders dan moeder.
+
+Het is zoo eenvoudig. Duizenden en millioenen vrouwen hebben die
+levenstaak en daarin dezelfde macht.
+
+Maar of iedere moeder zich goed van haar taak kwijt?
+
+Er zijn er, die liever concerten aanhooren dan 't gebabbel hunner
+kinderen, liever een mooi boek lezen dan een kinderhart. Er zijn er, die
+aanstonds moe worden als haar kind veel te vertellen heeft, maar gansche
+middagen kunnen luisteren naar de verhalen van vriendinnen. Er zijn er,
+die de moedertaak eigenlijk niet voldoende vinden om een vrouwenleven te
+vullen en niet naast maar boven de verzorging der kinderen hun meesten
+en besten tijd geven aan geldverdienen, kunst of wetenschappelijk werk.
+Dan wordt de moedertaak grootendeels overgedragen aan gehuurde vreemden
+en verliest daarmee, wat haar juist zoo'n stillen, duurzamen, krachtigen
+invloed geeft: het moederlijke. Men behoeft niet te verwachten, dat in
+zulke gevallen moeders portret nog een menschenleeftijd na haar dood aan
+de volwassen kinderen tot steun en opwekking kan wezen. Moeder leeft
+niet _na_ haar sterven, omdat ze als moeder eigenlijk ook niet geleefd
+heeft _voor_ haar sterven.
+
+ * * * * *
+
+Het is nu eenmaal zoo: de vrouw wordt niet moeder door het voortbrengen
+van kinderen, maar alleen door zich aan die kinderen te geven en blijde
+toe te laten, dat de kinderen zich aan haar geven.
+
+Wie oog heeft voor de schoonheid en de redelijkheid der natuur, moet wel
+steeds met bewondering zien naar een zuigend kind aan de moederborst. Ik
+weet in geen enkel beeld of feit de verhouding tusschen moeder en kind
+mooier en juister uit te drukken.
+
+Het kind moet gevoed worden. Hoe eenvoudig, en toch hoe wondervol, dat
+het kind zelf, alleen door het feit van zijn geboorte, de moederborst
+doet zwellen, de melkklieren in werking stelt. De borst groeit uit in
+zulk een vorm, dat ze als 't ware naar het kind heen trekt, en de kleine
+vlijt zich zoo gemakkelijk in moeders arm, bij het warme, zachte
+lichaam, en zuigt. Hoe is het mogelijk, dat moeders, anders dan in nood,
+in de plaats van haar malsche, warme, mildvloeiende natuurbronnen de
+harde, koude flesch hebben geschoven. Dat is reeds afstand doen van de
+moedertaak. Voor niets ter wereld had de vrouw ooit de natuur moeten
+verloochenen, hààr natuur, en haar voor de kinderen, en alleen voor de
+kinderen gevormde borst mogen vervangen door een flesch met een speen.
+
+Zooals de moedermelk vanzelf komt met het kind, zoo worden in het
+moederhart ook allerlei sentimenten wakker, die slechts gewacht hebben
+op de eerste kinderkreten. Een drang tot verzorgen, tot koesteren
+openbaart zich, waaraan de jonge moeder slechts heeft te gehoorzamen, om
+aanstonds tusschen de kleine en haar het verbroken stoffelijke contact
+geestelijk te herstellen.
+
+Er zijn moeders, die het eigenlijk zonde van haar gaven en talenten
+achten, haar zuigelingen te verzorgen. Die kleine wezentjes voeden,
+reinigen, wasschen, dat kan een ander even goed en misschien nog beter;
+den tijd en de kracht daaraan besteed, kan moeder vruchtbaarder
+gebruiken door te schilderen, te musiceeren, te studeeren, geld te
+verdienen. Die kindertjes merken toch niet, wie ze behandelt. En later,
+als het geestelijk leven ontwikkeld moet worden, is het voor moeder
+vroeg genoeg om op te treden.
+
+Maar wie zoo redeneeren, hebben het mis. Dat zegt reeds haar eigen
+moederinstinct, dat haar, ondanks al die schijnware motieven, naar
+het kind heen drijft. Een moeder, die haar zuigeling aan vreemden
+toevertrouwt, om zelf „nuttiger” dingen te doen, verloochent haar
+innigst wezen. Zij voelt dit heel goed, maar laat zich van den weg
+brengen door eenzijdig geredeneer.
+
+Wie het kind wascht, wie het schoone luiers omdoet, wie het voedt,
+geeft middelerwijl ook haar gansche persoonlijkheid. In hààr handen,
+in hààr stem, in de wijze waarop zij het kind hanteert, toespreekt,
+aankijkt, leeft hààr geest, hààr gemoed, hààr liefde. Zoo weeft ze in
+haar woorden, in haar liedjes, in haar manieren, in haar geheele zijn
+en doen een breede verbinding tusschen het kind en haar, een onzichtbare
+navelstreng, waardoor haar geestelijk leven het kind toevloeit. In het
+eerste jaar, reeds in de eerste maanden en weken, begint de moedertaak,
+omdat dan de moederinvloed begint. En wie dit tijdperk niet telt is als
+de man, die de gletscherbeekjes van geen belang acht voor de rivier,
+omdat je in die ondiepe, water-arme dingetjes toch niet varen kunt.
+
+ * * * * *
+
+Een moeder in de huiskamer te midden van een kring kinderen van
+verschillenden leeftijd is een compleet landsbestuur: vereenigde
+wetgevende en uitvoerende macht. En dan is ze nog veel meer. Eigenlijk
+ken ik maar één beeld, dat haar beteekenis juist weergeeft: zij is de
+zon van dit kleine wereldje.
+
+Het is niet noodig, dat ze zich aanhoudend met de kinderen bemoeit.
+De zon staat stil en straalt. Zoo kan moeder rustig op haar plaatsje
+zitten en door haar tegenwoordigheid licht en warmte brengen in de
+huiskamer-atmosfeer. Daarbij groeien de kinderen verstandelijk, maar
+vooral zedelijk.
+
+Moeder preekt niet. Ze verbiedt weinig. Ze geeft het voorbeeld van
+welwillendheid, inschikkelijkheid, opoffering, werkzaamheid. Ze stemt
+aldus het veelsnarig instrument van het huisgezin. En bij die stille
+muziek geniet vader. En onder haar invloed komen ook de dienstboden.
+
+Ik kan me niet voorstellen, hoe men speciaal de huismoeder een sloof kan
+noemen en haar taak als iets minderwaardigs beschouwen. Zeker, het werk
+kan haar wel eens over 't hoofd loopen, maar dat overkomt den man ook,
+hetzij hij minister is, journalist, koopman of predikant. Wie heeft
+echter zijn dagtaak te verrichten in een kring, die zoo rechtstreeks
+zijn sympathie heeft, als de moeder? Elk lid van 't gezin behoort haar
+als 't ware toe, is een deel van haar zelf. Zij drijft altijd „eigen
+zaken”.
+
+En die zaken zijn van een opwekkende verscheidenheid. Vervelend? Het
+huismoederbestaan vervelend en eentonig? Haar leven, altijd zoo binnen
+vier muren bekrompen? Maar ieder kind brengt toch zijn eigen aard mee
+en daarin zijn eigen behoeften? Een gezin van vier kinderen is al een
+rijkdom aan verscheidenheid, voldoende om een geest bezig te houden
+en dag aan dag met nieuwe toestanden en verhoudingen en problemen te
+boeien. Telkens onder 't opgroeien der kinderen komen er in dezen
+kleinen levenden caleidoscoop andere figuren te voorschijn, en eer kan
+men zeggen, dat het moeder wel eens te machtig wordt, alweer opnieuw
+raad te schaffen en oplossing te bewerken, dan dat ze verdrogen zou door
+de doodende eenvormigheid van een uurwerkarbeid.
+
+Elk kind brengt zijn eigen aard mee en vraagt dienovereenkomstig zijn
+eigen behandeling. Vergelijk daarmee het administratieve werk van menige
+„zelfstandige” vrouw, die „zich zelf” kan wezen in een „onafhankelijke”
+positie buitenshuis. Niemand zal ontkennen, dat ook deze arbeid
+geestverfrisschend _kan_ wezen, maar moet daartegenover de taak
+der huismoeder geestdoodend zijn? Moeilijk zal men, vrees ik, een
+arbeidsveld voor de vrouw vinden, dat zoo alle gaven van geest en gemoed
+vordert en ontwikkelt, als het terrein der huiskamer. De kinderen worden
+opgevoed door moeder, maar juist hierdoor groeit moeder zelf uit,
+ontplooit zij zich. Onze eigenschappen komen alleen te voorschijn,
+als ze door het leven worden opgeroepen, en slechts in de practijk
+kunnen zij gesterkt en gelouterd worden. Aldus wordt het individu
+een persoonlijkheid. En den besten kans op vorming van eigen leven
+hebben zij, die dagelijks met anderen hebben te verkeeren bij heel
+vertrouwelijken omgang. In dit opzicht is de moeder zeker buitengewoon
+begunstigd. Hoe men ooit zulk een positie als iets minderwaardigs kan
+beschouwen, is mij een raadsel.
+
+ * * * * *
+
+„Als ik uit de kleine kinderen ben, krijg ik wat meer tijd,” meent
+menige huismoeder. Ik hoop voor haar, dat ze ongelijk heeft. En waar
+alles naar behooren gaat, zal de toekomst haar ook in 't ongelijk
+stellen. De kinderen worden grooter, maar kunnen moeder nog niet missen.
+Ze raadplegen haar bij hoeden en japonnen, bij boorden en dassen.
+„Moeder, hoe vindt u, dat die das staat?” vraagt de 18-jarige jongen,
+die tien minuten lang voor den spiegel heeft gestaan en tenslotte
+zekerheid wil hebben door moeders oordeel. Moeder heeft haar jongen
+altijd vrij gelaten in zijn eigen smaak, zich nooit tusschen haar zoon
+en zijn das geplaatst—gelijk ze zich ook nooit tusschen hem en zijn
+meisje zal dringen: _hij_ moet het weten—maar hiervan is 't gevolg
+juist, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders meening heeft
+ingewonnen, haar uitspraak heeft vernomen, en zijn vrijheid geniet in
+het handelen naar moeders hartewensch. Had zij geboden, hij had zich
+verzet. Nu zij, liefdevol meelevend, vrij heeft gelaten, voelt hij zich
+aan haar gebonden.
+
+Het gevolg is, zeiden we, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders
+meening heeft ingewonnen. En hieruit blijkt, dat ook moeder geen rust
+krijgt bij 't opgroeien van haar kroost. „Als ik uit de kleine kinderen
+ben.....” Jawel, maar een rechtgeaarde moeder komt _uit_ de kleine
+kinderen, om _in_ de groote kinderen te zitten. En hebben de kleine haar
+handen gebonden—„handenbindertjes” noemt ons volk aardig dat onbeholpen
+grut—de groote binden haar hoofd en hart, waar ze bij alles moeders
+raad en belangstelling behoeven.
+
+Een mooi gezicht is een jonge moeder met een kind aan de borst.
+Niet minder mooi, de huisvrouw te midden van een kinderschaar.
+Dat kleine goed scharrelt wel overal rond, maar als kuikens om de
+klokhen. Nauwelijks dreigt er eenig gevaar, van welken aard ook, of
+ze zoeken veiligheid onder moeders vleugels. Maar van een eigenaardig
+schoon, onopgemerkt door de oppervlakkigheid, doch verrukkelijk voor
+scherpziende belangstelling, is de verhouding tusschen de half- en
+heel-volwassen kinderen en de moeder. Er is een bizonder humoristisch
+element in deze verhouding, dat een glimlach wekt en tegelijk ontroert.
+
+Zij—de moeder—kan tegen dat groote goed niet meer op. Die jongens,
+die meisjes, ze zijn lichamelijk en geestelijk zoo ontwikkeld. De baard
+ontspruit, de boezem zwelt. Ze heeten in de buitenwereld heeren en
+dames. En ze zijn ook zoo knap. In wis- en natuurkunde zweven ze als
+in vliegmachines onzichtbaar hoog boven moeders hoofd, ver uit haar
+horizon. „Neen, Moeder, daar weet U nu heelemaal niets van.” En
+moeder berust daarin met gelatenheid. Over de nieuwste boeken in de
+wereldliteratuur hebben ze haar oordeel. „Neen, Moeder, heusch, dààrin
+bent U een beetje ouderwetsch.” En ze zijn ook in maatschappelijke
+vraagstukken veel dieper doorgedrongen, dan moeder, die er eigenlijk
+nooit in doorgedrongen is, omdat ze nooit een leeraar heeft gehad,
+die zijn sociaal-politieke inzichten ontwikkelde voor zijn onrijpe
+leerlingen. Ze zijn in alle opzichten moeder de baas: in lichaamskracht,
+in kennis, in ontwikkeling, in inzicht. En moeder denkt er het hare van:
+die zelfoverschatting is eigen aan dien leeftijd, kom, laat ieder de
+dwaasheid van zijn jaren genieten.
+
+Doch zie nu, als die krachtige, verstandige, inzichtvolle
+zelfstandigheden in moeilijkheid komen, in zeer reëele moeilijkheid.
+Dan draaien ze om moeder heen, dan zijn ze onrustig, dan verliezen ze
+die sterk gevoelde zekerheid, en zijn weer de afhankelijke kinderen
+van ouds. Bij moeder schreien ze hun nooden uit, bij haar zoeken ze
+troost en voorlichting, al hun zelfstandigheid lost op, waar die met
+een verantwoordelijkheid gepaard gaat, die het onervaren hart niet
+dragen kan. Het is zoo gemakkelijk te redeneeren, te oordeelen, te
+veroordeelen, te phantaseeren, en zoo uiterst moeilijk te leven. In
+het redeneeren en phantaseeren, in het oordeelen en veroordeelen, zijn
+ze moeder verreweg de meerdere, maar als het op leven aankomt, als de
+problemen niet aan het hoofd of de phantasie, doch aan de daad oplossing
+vragen, dan moet moeder er bij komen, de onmisbare, en uit den nood
+helpen.
+
+Dat is het humoristische in deze verhouding, dat de waanwijze
+zelfstandigheid om uitredding drentelt om de bescheiden hulpvaardigheid
+en, na de verlossing, straks toch weer in haar zelfoverschatting
+vervalt. Ach, wat hebben juist die ouderen moeder nog dringend noodig!
+
+ * * * * *
+
+Een moeder is een wezen, dat alle waardeering verdient en zich goedig
+moet laten welgevallen, dat alle waardeering haar onthouden wordt. Haar
+invloed is zoo weinig tastbaar en meetbaar, dat hij der grove zelfzucht
+ontgaat. Maar 't is een moeder niet om waardeering te doen, 't is haar
+alleen te doen om moeder te zijn naar den drang van haar instinct. En
+ook alleen dan heeft zij succes.
+
+Principiëel kan niemand moeder zijn. Men is het krachtens natuur en
+aanleg.
+
+Eén der kenmerken der moeder is toewijding, zelfverloochening. Eigenlijk
+drukt dit laatste woord nog niet zuiver de bedoelde eigenschap uit. Het
+doet nog denken aan opzet, bewustheid, inspanning. Een moeder behoeft
+haar zelf niet te verloochenen, omdat ze geen zelf heeft. „Al mijn
+égoïsme zijt gij,” laat Hildebrand iemand zeggen. Dat is Moedertaal. Een
+moeder bestaat niet, alleen haar kinderen bestaan, en gelijk haar borst
+voedingsbron werd voor den zuigeling, werd dit heel haar bestaan
+levenslang voor de kinderen. Haar wezen is wijden.
+
+Zóó is de Moeder. En waar zij zoo is, behoeft zij zich nooit bekommerd
+te maken over paedagogiek. Zij brengt paedagogiek voort. Die vloeit uit
+haar toegewijd leven. Die roept het kind in haar wakker als moedermelk.
+De mannen der wetenschap gaan tot haar en zien haar de paedagogiek af,
+die zij, onbewust van haar gave, zoo maar als levensrealiteit
+uitstroomt.
+
+Maar dit geschiedt alleen, als zij waarlijk moeder is. Want er zijn ook
+veel onechte moeders, nog veel meer dan „onechte” kinderen. Die willen
+leven voor zichzelf, ja, begeeren dat de kinderen voor haar leven, alsof
+de zuigeling moeder moest worden. Dit zijn echter geen moeders, alleen
+voortbrengsters van kinderen.
+
+De echte moeder zorgt altijd voor haar kinderen, zelfs nog na haar dood.
+
+Een zeer goede vriendin schreef mij over de onoverkomelijke
+moeilijkheden, om in haar armoede een nieuwe woning te huren; woordelijk
+stond in dien brief na het droeve verslag van alle vergeefsche pogingen:
+„Verleden week was ik wanhopend, tot ik op een nacht met Moeder bezig
+was en ik haar hoorde zeggen: „Kind, verlies den moed maar niet, je komt
+er wel weer door.” En toen ik den volgenden dag er op uit trok, vond ik
+een woning.”
+
+Voor de volkomen waarheid hiervan sta ik in, want die vriendin was mijn
+zuster, en haar moeder de mijne. Haar brief—zij weet het zelf niet—heb
+ik bewaard als een schitterend bewijsstuk van wat een echte moeder
+vermag, en wanneer ik dit citaat hier aan de openbaarheid prijs geef,
+het is—opdat het alle moeders zal overtuigen van haar buitengewone
+beteekenis voor de kinderen, en opwekken tot de heerlijke, gezegende
+taak, goede Moeders te zijn.
+
+
+
+
+V. HEBT GE IETS VOOR UW KIND OVER?
+
+
+Maar dát is een krenkende vraag.
+
+Zou een moeder, een Moeder, niets over hebben voor haar kind?
+
+De vraag moge krenkend zijn, misplaatst is ze niet.
+
+Er zijn toch moeders, die voor haar kind niet eens het zoogen over
+hebben. Dat bindt haar te veel. Dat maakt haar ook niet mooier. En dus
+nemen ze een min. Kan 't minder? Moeders, die niet eens de melk willen
+geven aan 't kind, dat door zijn komst die melk heeft doen vloeien, dat
+die melk voor zichzelf heeft bereid. Moeders alzoo, die het kind zijn
+rechtmatig eigendom onthouden.
+
+Stel u eens voor, dat een Vader het kapitaal, dat zijn kind van een
+familielid geërfd heeft, niet ten bate van zijn kind beheert, maar
+verdonkeremaant.
+
+Maar die Vader besteelt zijn kind immers en is strafbaar voor de Wet?
+
+Juist. En de Moeder, die de voedselbron, door de nieuwgeborene geopend
+als _zijn_ voedselbron, moedwillig verstopt? Besteelt zij haar kind
+wellicht niet? Alleen is zij niet strafbaar voor de Wet. Doch men kan
+kwalijk zeggen, dat zij voor haar kind iets over heeft, zij, die begint
+met den hulpelooze van zijn recht te berooven.
+
+Het klinkt hard, maar er zijn honderden en duizenden moeders, die
+_niets_ voor haar kind over hebben. Eigen gezondheid ontzien terwille
+van het kind? Bezoeken en bezoeksters laten varen ten bate van 't
+kind? Concerten en tooneelstukken prijs geven ten behoeve van 't kind?
+Maatschappelijke plichten laten rusten ten gerieve van het kind? Niets
+van dit alles. Het kind moet dan maar missen, als een van beiden iets
+missen zal: missen de gezondheid, de nabijheid, de zorg zijner moeder.
+En overgelaten worden aan eenzaamheid en vreemden. Menig kind is in zijn
+eigen huis te vondeling gelegd.
+
+
+
+
+VI. WAARHEID IN DE OPVOEDING.
+
+
+I.
+
+Wat ik nu ga schrijven, zou ik even goed te boek kunnen brengen, wanneer
+ik lid was ener roverbende en daar, wegens ongeschiktheid voor alle
+andere en degeliker arbeid, was aangesteld tot rover-pedagoog.
+
+Doch wat goed is voor rovers en moordenaars, kan toch kwalik worden
+aangeprezen voor brave mensen als wij zijn, die op generlei wijze roven
+en moorden, die zelfs niet, kwaadsprekend en lasterend, iemands eer
+en goede naam stelen, noch simpellik de waarheid smoren om aldus een
+mededinger te treffen?
+
+Hoor eens, we mogen van geldrovers niet slechter denken dan van
+eerrovers, en de lijfmoordenaars niet lager stellen dan de zieledoders,
+en zulks alleen, omdat de eerste hun plunder- en vernielingswerk
+meer in het stoffelike bedrijven en de laatste bij hun gewetenloos
+bedrijf slechts nog een beetje huichelachtiger zijn. Dat gaat niet
+aan. Ook georganiseerde _dieven_ hebben kinderen, die opgevoed behoren
+te worden, d. w. z. naar de gangbare praktijk in de zeer brave kringen
+der maatschappij: grootgebracht voor 't geldverzamelen. Ook roversjeugd
+heeft leiding nodig. En waarom zou er zulk een reuzenverschil moeten
+bestaan tussen de pedagogiek in het door flakkerende flambouwen
+verlichte rovershol en die in de koud-wit electries verlichte huiskamer?
+Dressuur tot het een of dressuur tot het ander, dressuur is toch
+dressuur?
+
+Evenwel, ik wil erkennen, dat er in de geordende samenleving ook nog wel
+mensen voorkomen, die meer op het zedelik heil dan op het maatschappelik
+succes van hun kinderen achtgeven, die in de allereerste plaats vragen
+hoe ze hun kinderen braaf kunnen maken, en dat zulk een zorg in de
+kringen der struikrovers de gemoederen niet bezwaren zal. Maar, ook
+bij de aanvaarding van dit verschil in opvoedkundig doel, kunnen we
+handhaven de mening, dat een pleidooi voor _waarheid in de opvoeding_
+evenzeer gerechtvaardigd is, zonder bekeringstendenzen, in een rovershol
+als in een bedehuis. En hieruit blijkt dan onmiddellik, hoe het
+behandelde onderwerp geen pedagogies probleem van de eerste rang is.
+Zulk een toch zou geen opgroei tot misdadigheid kunnen gedogen, laat
+staan bevorderen. Het zou als onmisbare eis stellen: aankweking tot
+deugd. En uit de toepasbaarheid en wenselikheid van de gestelde
+opvoedingsregel, onafhankelik van elk opvoedings_doel_, volgt zijn
+minderheid in rang, hetgeen niet zeggen wil: zijn minderwaardigheid.
+_Waarheid in de opvoeding_ is een opvoedings_middel_, waaromtrent de
+meest tegenstrijdige partijen het eens kunnen zijn, die dadelik uiteen
+zouden gaan, waar het bijvoorbeeld de vraag gold: Wat _is_ waarheid.
+Gelovigen en ongelovigen, materialisten en idealisten, vrijdenkers en
+dogmatici, christenen en heidenen, mensenredders en moordenaars—allen
+kunnen, voorzover ze aan opvoeding doen, daarin de waarheid als
+onmisbaar middel eren en aanwenden. En zo ben ik wel verplicht, bij
+voorbaat de verwachting der lezers niet al te hoog te spannen. Dat mooie
+woord Waarheid—en de mooie zaak zelve—is misschien, allermisschienst,
+nog meer tuis in het hol der beroepsmisdadigers, dan in het hof der
+fatsoenlike wereld, en waarborgt dus geenszins Goedheid.
+
+Nu behoeven we de waarde van dit opvoedingsmiddel echter al weer niet
+te miskennen. Ook als we _goede_ mensen willen vormen, is het ons
+onmisbaar, en gaarne houden we ons daarom aan de raad van onze wijze
+Beets:
+
+ Zoo ge u goede menschen op wilt voeden,
+ Veins niet. Wie ge ook zijt, wees die ge zijt.
+ Waar de kinderen een rol vermoeden,
+ Zijt ge 't spel en al uw invloed kwijt.
+ Aan wiens blik de waarheid zich onttrekken,
+ Hoe de leugen zich verbergen moog',
+ 't Godlijk en het kinderoog
+ Zullen beide ontdekken.
+ De eerste deugd is waarheid. Heb dan moed,
+ Waar te wezen, gij zijt groot en goed.
+
+ * * * * *
+
+Of de waarheid de eerste deugd is, willen we voorlopig in 't midden
+laten, maar dat niet velen „den moed” bezitten, om de roem van „groot
+en goed” te zijn te veroveren, dát wordt ons bij een rondblikken in de
+wereld, ook in de kleine wereld der huiskamer, al gauw duidelik. Reeds
+in haar _gedragingen_ tegenover _kleine kinderen_ missen de meeste
+moeders de moed om waar te zijn. 't Klinkt vreemd, maar de volwassen
+vrouwen zijn dan _bang_ voor de drie- en vierjarigen.
+
+Daar is kleine Mientje. Driejarig kindje, is ze haar moeder al te
+machtig. 't Is bedtijd, en Moeder wil haar uitkleden. Maar 't kleintje
+speelt daar zo prettig en is geheel in haar spel verloren. Nu ziet
+Moeder er tegen op, het kind uit haar spel te halen, niet—omdat
+ze daarmee een heerlik genot stoort en haar lieveling een ogenblik
+ontstemmen moet, maar omdat de kleine dan gaat schreeuwen en zich
+verzet. Moeder ziet op tegen het konflikt en zegt met een stem, die, zo
+natuurlik mogelik, geen argwaan kan wekken: „Kom eens hier, Mientje, je
+jurkje is los, dan zal Moeder het vastmaken.”
+
+Mientje laat even haar schatten liggen en gaat naar Moeder. Maar
+in plaats het jurkje vast te maken, maakt Moeder het juist los, en
+onderdehand praat Moeder wat vriendelike woordjes, die de aandacht van
+het speelgoed afleiden. 't Gelukt haar aldus, zonder strijd, het meisje
+uit te kleden en straks naar bed te brengen, en als 't kindje er goed en
+wel in ligt, heeft Moeder een dankbaar, blijmoedig gevoel, dat ze met
+zoveel takt—ze noemt dit takt—een huilbui heeft voorkomen.
+
+Maar verdient die handelwijze nu afkeuring? vraagt iemand verbaasd. Is
+het niet juist lief en handig van Moeder, om én het kind én zichzelf wat
+narigheid te besparen? Kom, kom, wie dit onwaarheid noemt in Moeders
+gedrag, heeft toch alle kijk op het leven en zijn eigenaardige eisen
+verloren, en is véél te principiëel. Onwaarheid! Wat een groot woord bij
+zulk een luttel geval!
+
+En toch—het _is_ onwaarheid. Dat voelt Moeder in haar binnenste
+heel goed. En al bespeurt het kind van dit bedrog nog niets, het zal in
+zijn gevolgen verderfelik blijken. Het typeert de houding, die Moeder
+tegenover het kind aanneemt, een houding van om-de-tuin-leiderij, en
+daar die houding _voortvloeit uit vrees_, zal ze ook bij ernstige
+gevallen en in volgende jaren worden aangenomen, en dan het vertrouwen
+van 't kind in Moeder verzwakken. Dit is het fatale, dat Moeder reeds
+vroeg het gans natuurlike en volkomen vertrouwen van 't kind verzwakt
+in stede van het in toenemende mate te versterken, zodat het ontbreekt,
+wanneer het kind, jong meisje geworden, zich geheel aan Moeder behoorde
+te geven.
+
+En Moeder gáát voort op die weg.
+
+We weten, hoe naar het voor kleine kinderen is, als Moeder 's avonds
+uitgaat. Vader, dat hindert niet, als Moeder maar tuis is. Maar Moeder
+moet toch wel eens uit, en om nu de gemoedskalmte van 't kleintje
+niet te verstoren—of _zichzelf_ enige moeilike ogenblikken te
+besparen?—verzwijgt ze haar uitgang en laat het kind in onwetendheid.
+Zulke kleine kinderen hebben echter fijne voelhorens. Aan iets ongewoons
+in het gedrag van Moeder merken ze, dat er iets dreigt. Een andere
+japon, een andere broche, wat vroeger eten, misschien iets onrustigs,
+iets haastigs in de bewegingen, een gejaagd bevel aan de dienstbode—'t
+is de kleine niet ontgaan en plotseling klinkt de vraag: „U gaat toch
+niet uit?”
+
+„Wel neen, hoe kom je er aan!”
+
+„O, ik dacht het.” Het kind kan geen rekenschap geven, is zich niet
+de gang van haar redenering bewust, maar het heeft de nadering van de
+uitgang even stellig gevoeld, als het popelblad de nadering van een
+schier onmerkbare luchtstroming. En het beweegt, het trilt. Maar Moeder
+herleidt de fijne waarneming—hoe dankbaar moest ze haar opmerken!—tot
+inbeelding. Ze lochent het feit en stelt, gelijk ze dat noemt, het kind
+gerust.
+
+We willen hier niet de nadruk leggen op de verwaarlozing van het
+ontluikend verstand, waar dit, zuiver waarnemend, moedwillig op een
+dwaalspoor wordt geleid. 't Is uitsluitend te doen om de verkrachting
+van het zo broodnodige vertrouwen in het jonge zieltje. Straks, als 't
+meisje slaapt, zegt Moeder: „Ziezo, ze slaapt rustig” en dan gáát ze
+uit, het slapende kind bedriegend. „Ze slaapt.” Dat is Moeder genoeg.
+Een slapend kind weet niet en behoeft dus niet geëerd te worden. Maar
+dat slapende kind kan wakker worden en om Moeder roepen. En dan? Dan
+moet het dienstmeisje komen of een zuster, en die moet zeggen, dat
+Moeder tóch uit is.
+
+„En Moeder had gezegd van neen.”
+
+„Kom, ga nu maar rustig slapen, dadelik komt Moeder tuis, ze is maar
+eventjes een boodschap,” troost de vreemde.
+
+Het kind schreit. Misschien schreit het ook niet. Wat doet het er toe.
+Die tranen zijn gauw gedroogd. Maar héél zeker voelt het, dat Moeder
+het bedrogen heeft. Dit gevoel is een gemoedservaring. Het geeft er
+zich geen rekenschap van, maar het veroordeelt Moeder. Het laat Moeder
+los. En wat nooit langs de weg der redenering in het kleine hoofdje kon
+worden gebracht, heeft Moeder door haar daden in 't kleine hart gevoerd:
+de overtuiging, dat Moeder niet te vertrouwen en 't kind met zijn noden
+dus bij haar _niet_ veilig is.
+
+Jonge moeders, in domme argeloosheid aldus handelend, weten niet,
+hoeveel opvoedingsinvloed zij verspelen in die eerste levensjaren. En
+dan durven ze later nog te klagen, dat de kinderen met hun belangen naar
+vreemden gaan!
+
+Er zijn erger en ernstiger gevallen dan de geschetste, ofschoon hier de
+onderscheiding van erg en erger eigenlik niet bestaat, daar ze alle,
+principiëel, even ernstig zijn: bedriegen van 't vertrouwende kind. Maar
+de omstandigheden kunnen het ene geval aangrijpender maken dan het
+andere.
+
+Een klein meisje moest voor een operatie naar 't ziekenhuis. De moeder
+bracht haar weg, maar verzweeg het doel van 't bezoek. Ze gingen maar
+eens een visite maken bij een kennis daar, en dus stapte het kind vrolik
+mee naar en in 't grote gebouw. Was dat nu niet wijs van die moeder? Nu
+had het kind toch helemaal geen angst gekend!
+
+Een verpleegster begreep al spoedig, dat Moeder het kind iets had wijs
+gemaakt, en nam het patiëntje over. Maar hoe moest Moeder nu met goed
+fatsoen wegkomen? Het kind zo maar alleen achter laten? O, dit zou veel
+te vreeselik zijn voor——'t arme kind. Tenminste, dit dacht Moeder.
+Wellicht zag Moeder tegen zulk een afscheid echter nog meer op voor
+zichzelf. Zulke moeders „kunnen nooit een kind zien lijden” en bewijzen
+daarmee een overgrote teerheid voor—zichzelf.
+
+Het beste was dus, dat Moeder even koekjes ging kopen. Dan zou ze gauw
+terugkomen. En inmiddels zou 't kindje even bij die lieve juffrouw
+blijven.
+
+En Moeder ging weg, het huis uit, de straat op, koekjes kopen.
+
+Het kind bleef alleen achter, wachtende, wachtende, of Moeder terugkwam
+met de koekjes.
+
+De verpleegster moest het ontkleden, naar de dokter brengen, op de
+operatie-tafel leggen.
+
+Waar bleef Moeder met de koekjes?
+
+Angstig dwaalden de oogjes rond. Ze zochten Moeder.
+
+O, we weten het, Moeders kunnen niet bij een operatie zijn. Dát spreekt
+vanzelf. Maar moeten ze zo, met leugens het kind paaiend, zichzelf
+ontzien?
+
+Het heet alles in 't belang der kinderen, wanneer moeders ze in allerlei
+min of meer ernstige en zelfs in heel onschuldige gevallen met een
+leugentje geruststellen. Maar ik geloof dit niet. Ze liegen, om
+zich-zelf uit de moeilikheid te redden, uit gemakzucht en eigenliefde.
+
+ * * * * *
+
+Hoe had dan in al deze gevallen gehandeld moeten worden?
+
+Toen het voor kleine Mientje tijd was, om naar bed te gaan, had Moeder
+moeten zeggen: „Kom, lieve Mien, nu zullen we de poppen eens naar bed
+brengen, want Mientje moet ook gaan slapen.” Of als ze winkeltje
+speelde: „Nu moeten we de winkel sluiten, want de mensen gaan naar bed.”
+
+Men behoeft de waarheid juist niet onaangenaam te zeggen. In de eerste
+plaats al niet, omdat ze niet altijd onaangenaam is, ook al schijnt ze
+dit. Het naar bed moeten schijnt onaangenaam voor kinderen, die volop
+genieten van hun spel, maar 't behoeft dit niet te wezen. Buitengewoon
+veel hangt er van af, hoe de moeder, van jongs af, dit verwisselen van
+spel met slaap heeft „gestemd”. Er zijn moeders, die het in 't spel
+der kinderen hebben opgenomen, zodat de kinderen het zelfs een pretje
+vinden, zichzelf uit te kleden—zichzelf!—„zelf” hun kleertjes op te
+vouwen en neer te leggen of uit te hangen, en dan „zelf” in bed te
+klauteren. Het is verwonderlik, hoe alleen reeds dit „zelf” mogen doen
+de plicht tot een genot kan maken.
+
+Een jonge moeder schreef me: „Wanneer ik iets van mijn kinderen (7 en 4
+jaar) gedaan wil hebben, wat ik weet dat ze naar vinden, geef ik geen
+bepaald gebod, maar kleed 't als een spelletje in, fantaseer er een
+klein verhaaltje omheen. Zo b.v. wanneer de kroes melk leeggedronken
+moet worden, is die kroes de electriese tram van Amsterdam naar
+Zandvoort. Soms is 't een „sneltrein”, soms stopt hij te Sloterdijk,
+Halfweg en Haarlem.”
+
+Ziedaar—dit is pedagogiek van de hoogste rang. Die vloeit uit het
+moederhart, evenals de melk uit de moederborst.
+
+Maar nu schrijft deze moeder er nog bij: „Nu wordt mij vaak de opmerking
+gemaakt: dat moet je niet doen, je moet je kortweg laten gehoorzamen,
+niet door omwegen.”
+
+Ik denk, dat deze opmerksters haar eigen zuigelingen zuurkool met spek
+te eten geven. En als ze „Onze lieve Heer” waren geweest, hadden ze het
+bevruchtingsproces zeker nooit ingeleid met kleurige bloemen, maar
+kortweg uit het hout een vrucht doen uitpuilen, zo'n bruin uitwas.
+Waartoe al die omwegen?
+
+Men verwarre toch niet waarheid met kilheid, en verbeelding met leugen.
+De leugen zit nooit in de vorm, maar altijd in het wezen. Toen Moeder
+Mientje tot zich riep, om het jurkje vast te maken, bracht Moeder
+het kind in de waan, dat ze aangekleed werd, en ze werd uitgekleed.
+Moeder stuurde het gedachteleven van het kind in een richting, precies
+tegengesteld aan de richting der werkelikheid. Dat moet tenslotte op
+ontnuchtering en wantrouwen uitlopen. Maar als Moeder gezegd had: „Ik
+hoor boven een ledikantje piepen en dat vraagt: waar blijft mijn lieve
+Mientje? En ik hoor een kussentje fluisteren: Ik ben zo alleen, waar
+blijft mijn lieve Mientje?” dan had zij de gedachten van het kind in de
+lijn der werkelikheid gebracht en 't kindje _niet_ bedrogen; dan had ze
+de roepstemmen van de plicht tot zonnestraaltjes gemaakt, zoals onze
+Vader in de hemelen dat ook doet, als hij de wereld tot werkzaamheid
+aanzet.
+
+Ik geloof héél zeker, dat Moeders—die zich waarachtig aan het wezenlik
+heil hunner kinderen wijden—zuivere pedagogiek „voortbrengen”.
+Zodra een kind geboren is, beginnen bij Moeder de melkklieren het
+voedingsvocht af te scheiden. Niet vroeger, niet later, maar juist op
+tijd. Zo geloof ik ook, dat Moeders een geheim soort „opvoedingsklieren”
+hebben—de Wetenschap zal ze nog wel eens ontdekken, net zo goed als
+het lang onbekende evenwichts-orgaan—en dat deze hun geestelike melk
+afscheiden, zodra de geest van het kind erom vraagt. De weg wordt Moeder
+gewezen door haar zuiver Moederinstinkt—als ze maar echt van het kind
+houdt. Men hore dit evenwel goed: van het _kind_. Niet van zichzelf.
+Moeders, die een uitgang verkiezen boven de gemoedsrust van haar
+kind—dat zijn de echte niet. Zij hebben ons omtrent de opvoeding
+niets te leren. Zij scheiden geen pedagogiek af. En als ze toch met
+beginselen—mijn hemel, met beginselen! alsof de beginselen, de
+beginnen, niet even geheimzinnig verborgen waren, als het begin der
+wereld!—als ze dan toch met beginselen aan het redeneren trekken, denk
+ik: altemaal denkweefsels, om uw naaktheid te dekken.
+
+ * * * * *
+
+Verre intussen van mij, te menen, dat alles met zachtheid móét
+geschieden. Wanneer Mientje—reeds bedorven door toegevendheid—Moeder
+laat aanpraten, acht ik het veel beter, dat Moeder er haar rust en de
+huiselike vrede en zelfs een burengerucht aan waagt, dan dat ze zich
+niet gehoorzamen laat. Want ongehoorzaamheid is misschien wel de
+grootste fout. Laat Mientje maar schreeuwen, desnoods het huis bij
+elkaar, maar als Moeder zegt: naar bed, dan moet ze naar bed. Daar helpt
+geen lievemoederen aan. Niet Mientje, maar Moeder moet de baas blijven.
+
+Het blijkt telkens nodig, dit nadrukkelik te verklaren, omdat de
+mensen zachtheid en wijsheid steeds weer verwarren met toegevendheid en
+slapheid. Doch men kan de baas blijven zonder al die strijd, volgens de
+oude leer: Fortiter in re, suaviter in modo: wees sterk in de zaak, wees
+zacht in de manier. En een der eisen voor die zachtheid is, dat men zich
+richt naar de geestes- en gemoedsgesteldheid van hen, die geleid moeten
+worden. Dat sluit geen bedrog in en geen waarheid uit.
+
+De moeder, die uitging en haar kind bedroog, deed absoluut verkeerd. Dan
+nog beter de andere, die kort en goed zegt, dat ze uitgaat en dat het
+kind daar niets tegen te reclameren heeft. Dan weet het kind tenminste,
+waaraan zich te houden. Maar er is ook een derde houding mogelik: de
+waarheid zeggen zonder het kind pijn te doen, zelfs met de willige
+medewerking van 't kind te winnen. En van deze derde houding bezitten
+sommige moeders het heerlike geheim, dat haar zo maar zonder pedagogiese
+voorlichting geopenbaard is.
+
+Moeder brengt zelf het meisje naar bed, en zegt: „Moesje moet vanavond
+uit. Zul je rustig blijven slapen?”
+
+„Hè Moeder, moet u uit?” klinkt het teleurstellend. „Waar naartoe?”
+
+En nu vertelt Moeder de hele geschiedenis, ook of ze 't prettig vindt of
+niet, ook of Vader meegaat, ook hoe laat ze vertrekt en of ze gaat
+wandelen dan wel per tram of rijtuig—ze vertelt alles tot op een
+haartje, zodat het kleintje de hele uitgang volgen kan.
+
+„En hoe laat komt u terug?”
+
+„Dat weet ik nog niet precies. Misschien om tien uur, misschien wordt
+het wel elf.”
+
+„Komt u me dan nog even toedekken?”
+
+„Ja hoor, dan kom ik je nog even toestoppen. Nu, nacht schatje!”
+
+„Nacht Moeder!”
+
+„Zul je lekker slapen?”
+
+„Ja Moeder!”
+
+En 't kind legt haar hoofdje rustig neer, zeker omtrent de naaste
+toekomst, zeker—ook in haar slaap. En Moeder gaat rustig uit, ook zeker
+dat haar lieveling rustig zal inslapen en niet verdrietig worden kan
+door een vergeefs roepen om Moeder, als ze eens door een nare droom
+onrustig mocht ontwaken.
+
+Bedenken de moeders van het leugentje wel, wat het _is_ voor een kind,
+wakker te worden, om Moeder te roepen, een ander gezicht te zien, en te
+ervaren, dat Moeder het bedrogen heeft? En zij die voorzichtigheidshalve
+zwijgen, weten zij wel de rust die van het spreken uitgaat? Zij vrezen
+door inlichting de rust van 't kind te verstoren. Juist omgekeerd. Mits
+zij heel vroeg begonnen zijn, het kind in te lichten omtrent alles wat
+het rechtstreeks betrof, en hiermee trouw zijn voortgegaan, zullen ze
+ondervinden, hoe dit vertrouwen _in_ het kind wordt beantwoord door
+vertrouwen _van_ het kind, en hoe hieruit voortvloeit een trouwhartig,
+eerlik samenwerken, waarbij de kleine volstrekt niet in offervaardigheid
+behoeft achter te staan bij de grote. Ach, men kent de kinderen niet.
+Vaak valt op hen veel vaster te rekenen dan op volwassenen. Mits men
+niet begonnen is met hun naief vertrouwen al vroegtijdig te vergiftigen.
+
+ * * * * *
+
+Moelik, uiterst moeilik kan het vallen, een kind, dat ter operatie naar
+een ziekenhuis moet, eerlik de waarheid te zeggen. En toch, ons gemoed
+komt er tegen in opstand, wanneer een moeder, een Moeder, zich met
+koekjes-koperij aan haar liefdetaak onttrekt. Wie kan het kind in nood
+en dood meer—ik zeg niet practiese hulp, maar meer zedelike bijstand
+verlenen, dan de vrouw, die dag aan dag, van de geboorte af, met het
+kind heeft meegeleefd en met wie het innig vertrouwd is? Moeders
+nabijheid is dan, juist dán, kracht voor de kleine. En die kracht
+onthoudt de Moeder haar kind uit teergevoeligheid voor zichzelf.
+
+Hoe geheel anders kan de Moederliefde handelen, als ze echt is en niet,
+naar Paulus' woord, zichzelf zoekt.
+
+Het was een jongetje van negen jaar. Plotseling kreeg het kind hevige
+koortsen, meer dan veertig graden hoog. De dokter kwam, achtte
+darmontsteking mogelik, oordeelde onderzoek in een ziekenhuis
+noodzakelik.
+
+„Wat zegt de dokter, Moeder?”
+
+„De dokter denkt, dat het blindedarm-ontsteking is.”
+
+„En wat wil hij nu?”
+
+„Hij wil je doen opereren in het ziekenhuis.”
+
+„Laten we dan maar dadelik gaan, Moeder.”
+
+Het werd gezegd met dat hoge, strakke stemmetje, dat Moeders wel kennen,
+die bij 't ziekbed van een kind hebben gezeten, met dat schijn-opgewekte
+koorts-stemmetje. En Moeder deed een rijtuig voorkomen, wikkelde haar
+jongen in een wollen deken.
+
+„Mag ik mijn fluit meenemen, Moeder?”
+
+„Zeker.”
+
+En hij nam zijn fluit mee, die hem ook in bed steeds verzelde.
+
+De pleegzuster legde hem in zijn bedje.
+
+Toen móést Moeder weg.
+
+„Zuster,” zei het kind, „u hoeft niet in de kamer te blijven. Als ik u
+nodig heb, zal ik wel fluiten. Want ik heb mijn fluit bij me. Kijk u
+maar.”
+
+Moeder móést weg. Maar ze ging naar de wachtkamer, en bleef daar wachten
+één, twee uur, al maar wachten—totdat ze eindelik geroepen werd, en
+horen moest, dat het hopeloos was.
+
+Toen barstte ze niet in wanhoopsklachten uit. Ze dacht alleen aan haar
+kind.
+
+Ze zette zich aan 't bedje, hield het hete handje vast, koelde het
+gloeiende hoofdje, en kalmeerde haar ijlende lieveling met vriendelike
+woordjes, leidde het dwalende geestje.
+
+Zo bleef ze de hele nacht waken, zichzelf geheel vergetende, geheel
+gevende, niet als een offer, maar als een zaligheid, dat ze bij haar
+kind mocht blijven, zijn gezichtje zien, zijn stemmetje horen.
+
+ * * * * *
+
+Toen het kind in de morgen stierf, legde ze het handje neer.
+
+En toen pas ging ze heen.
+
+ * * * * *
+
+Deze moeder had haar kinderen met Waarheid opgevoed. Ze had hen niet
+alleen met het leven, maar ook met het sterven vertrouwd gemaakt.
+Behoort de dood niet bij het leven? En ze heeft er rijkelik haar
+loon voor gekregen: van hen die nog leven dag aan dag een volkómen
+vertrouwen, en van de teer-sterke knaap die heengegaan is: een
+wondervolle zelfstandigheid in uren, dat de krachtige man bezwijkt.
+
+
+II.
+
+In hun _gedragingen_ tegenover de kinderen dienen de ouders waarheid te
+betrachten, en dit beginne al bij de wieg. Wie een zuigeling bedriegt,
+ent hem in met wantrouwen.
+
+Aleer we nu willen nagaan, hoe het opgroeiend kind, dat met andere
+kinderen en volwassenen in aanraking, in wrijving, in strijd komt, over
+die anderen en zichzelf met waarheid moet leren _oordelen_, is het
+nodig, tegen een algemeen voorkomende fout te waarschuwen, juist omdat
+die fout in het oog der waarheidsliefde een deugd lijkt.
+
+Het verkeer van kinderen onderling brengt botsingen mee—dit kan niet
+anders. Vele opvoeders menen nu goed te doen, wanneer ze deze botsingen
+altijd heel ernstig behandelen om daarbij—alsof ieder nesterijtje een
+Dreyfuszaak was—de waarheid te doen zegevieren. Onze grootouders
+maakten van die kinderkibbelarijen niet zo'n drukte. Ze zeiden, heel
+kalmpjes: „Laat maar stil doodbloeden.” En ze hadden gelijk.
+
+Hoe zorgvuldiger men een geschil behandelt—gelijk een wond, die men
+reinigt en verbindt—hoe „gevoeliger” het wordt. Laat het maar
+onverzorgd, zodat het bloed er gans en al uit wegvloeit. Dan bloedt het
+vanzelf dood.
+
+Wat konden onze voorouders dat toch wijs en tekenachtig zeggen. Ze
+verzorgden die konflikten, door ze onverzorgd te laten. Wij doen ze
+uitgroeien, door overmaat aan gewichtigheid. En dit geldt zelfs bij
+geschillen tussen volwassenen, die—schrijver dezes ingesloten—toch
+niet meer dan grote kinderen zijn.
+
+Er zijn mensen te over, ernstige, brave, waarheidlievende, diepzinnige
+mensen, die ieder geschil door redenering willen oplossen, anders—zo
+zeggen ze—blijft er toch wat zitten. Daarom pluizen ze hun
+geschilpunten uit, geven er hun beschouwingen bij, ontdekken telkens
+nieuwe elementen, wroeten in de aard van hun tegenpartij, en hebben
+ten slotte gelijk. Met deze metode bereiken ze echter precies het
+tegengestelde gevolg, van wat ze heetten te beogen. In plaats van het
+geschil op te lossen, wordt het door de ontleding in zijn bestanddelen,
+door de blootlegging van zijn finesses, steeds scherper, helderder,
+bewuster. Het bloedt niet dood, maar leeft op. En dank zij de
+zorgvuldige behandeling, groeit het uit tot een diepgaande vete.
+
+Er zijn ook mensen—oppervlakkige naturen!—die hun geschillen niet
+uitredeneren, maar afzoenen. „Kom, geef me maar een hand, en laten we 't
+vergeten en vergeven.” Deze oppervlakkigen konden echter wel eens véél
+dieper zien, dan de anderen. Zij konden wel eens begrijpen, dat er bij
+die geschillen ook psychiese faktoren in 't spel zijn, die zich niet in
+een redenering laten omzetten, gevoelens, die misschien redeloos, maar
+in elk geval onberedeneerbaar zijn. Ze konden wel eens instinktief
+weten, dat juist bij de redenering de fijnste, de verborgenste
+grootheden buiten bereik blijven en haar afwezigheid de hele konklusie
+vals maakt; dat juist in die onmeet- en zelfs voor velen onmerkbare
+grootheden de werkzaamste faktoren aan het analyserend verstand ontgaan.
+
+Geschillen tussen echtgenoten over wederzijdse familie—geen
+zeldzaamheden—worden nooit door redenering opgelost. Het bloed kruipt,
+waar het niet kan gaan, en de scherpe kritiek der ene partij, al is ze
+juist, roept in de andere partij gevoelens wakker, die zich verzetten
+tegen een toch altijd eenzijdige beoordeling: het scherpziend is
+meestal ook een voorbijziend verstand.
+
+Twisten tussen onderwijzers en ouders over de kinderen lopen nooit
+bevredigend af. Die moeder voelt heel iets anders dan de onderwijzer, en
+beiden redeneren voortdurend langs malkaar heen, ieder zijn eigen rails
+volgend.
+
+In al zulke gevallen doet men beter, een geschilpunt los te laten en
+over te geven—hetgeen niet zeggen wil: de tegenpartij naar de mond te
+praten. Dan zal, wanneer de gemoedsrust teruggekeerd is, ervaring
+bewerken, wat ons opdringend betogen juist tegenhield. Polemiseren
+concentreert eenzijdig alle licht op één punt, en maakt daardoor de
+juiste kijk op het geheel onmogelik.
+
+Wanneer dit waar blijkt bij volwassenen, is het ons toch een
+waarschuwing, om de geschilletjes tussen kinderen niet te vertroebelen
+door onze helderheid. Ga niet als een Hof van Arbitrage hun kleine
+kibbelarijen behandelen. We zijn toch ook niet zo dom, de zwevende
+wolkjes te fixeren, die een ogenblik de zon verduisteren. Een beetje
+wind, wat regen, en de wolkjes zijn weg, de zon schijnt weer. Laat er
+desnoods een moment tumult zijn in de kinderkring, laat er wat tranen
+vloeien, dat geeft opluchting. Wat zegt ons volk dat weer prachtig: het
+lucht op! Maar het redeneerzieke principe wil niet van zo'n opluchting
+weten. Nu, laat het zich, in zijn _grondigheid_, dan aan de grond vast
+redeneren!
+
+Een kind holt, op de speelplaats, midden uit zijn spel naar de
+onderwijzeres, en roept, de vinger omhoog: „Juffrouw, Willem trekt
+aldoor aan ons touw!”
+
+„O!” zegt de juffrouw. „Zeg maar, dat hij het _niet_ doen mag, hoor!” En
+in dat _niet_ legt ze al het gewicht van haar persoontje.
+
+Bevredigd holt de aanklager weg, en twee minuten later speelt hij met
+Willem, is de touwtrekkerij glad vergeten.
+
+Dat had een Hof van Arbitrage nooit bewerkt.
+
+Dit houdt geen rekening met de vluchtigheid der stemming. En stemming
+is, in haar snelle vergankelikheid, machtiger dan zichtbaar feit.
+
+Het Hof rekent met feiten. Het leven met stemmingen.
+
+En daarom—echtgenoten—zoent uw geschillen af.
+
+ * * * * *
+
+Dus moeten we onrecht onrecht laten en de bedeesde kinderen onbeschermd
+doen overheersen door de brutale?
+
+Dit is ook weer de bedoeling niet.
+
+Wanneer in een gezin of een klas enkele kinderen met harde,
+brutale zelfzucht de baas spelen over anderen, gaat het niet aan de
+gerechtvaardigde klachten terug te wijzen. Een volwassen vrouw vertelde
+me eens, hoe haar gehele jeugd bedorven was door de meedogenloze,
+onbeschaamde baasspelerij van een nog wel jonger zusje. Wanneer er dan
+dientengevolge twist ontstond tussen de kinderen, twist die alleen
+ontstaan was door de aanmatigende dwingelandij van die ene, werd deze
+niet door de ouderlike macht binnen de perken gehouden, maar heette
+het altijd: Waar twee kijven, hebben beiden schuld, en werden, zonder
+onderzoek, de kinderen, soms nog wel met klappen, in hun verward
+wereldje terug geworpen. Dat was dan een triomf voor de brutaliteit,
+die natuurlik voortging met de vrijheid en de vreugde der anderen te
+verstoren.
+
+In zulke gevallen hebben de volwassenen tot dure en onafgebroken plicht,
+de brutaliteit der baasspelerij aan banden te leggen, de broertjes
+en zusjes te beschermen. Dit moet nadrukkelik gezegd worden, omdat
+gemakzucht en ook vrees menigmaal de ouders weerhouden tegen die
+baasspelerij op te treden. Vader en Moeder—het klinkt vreemd, maar ze
+durven dat kind niet aan. En wanneer ze, in een driftvlaag, al eens hun
+macht ontwikkelen, er wordt hier een aanhoudende waakzaamheid, een
+onverzwakte spanning vereist, en daartoe zijn ze in staat noch bereid.
+Zo worden de alledaagse kinderen de dupe der taaie tirannieke natuur. Zo
+wordt het heerlikste levenstijdperk onherstelbaar bedorven. Ieder kind
+heeft maar één jeugd. Laten we die gebruiken, maar toch ook ontzien.
+
+Evenwel, jeugd verdedigen en beschermen tegen harde aanmatiging is nog
+iets anders dan van ieder kibbelarijtje een gewichtigheid maken. Het een
+en het ander te onderscheiden zij ieders wijsheid overgelaten. We willen
+nu met ons onderwerp voortgaan en overwegen, in hoever de _waarheid_
+ontzien moet worden bij het _oordelen_ onzer kinderen over andere
+kinderen en volwassenen.
+
+Er zijn mensen, die van zulk oordelen in 't geheel niet willen weten.
+Het past kinderen niet te oordelen over hun ouders en onderwijzers zo
+heet het dan. Zij hebben te zwijgen en te luisteren.
+
+Dit heeft mij altijd heel zonderling in de oren geklonken. Ik meende
+altijd, dat ontwakend verstand zich juist door waarnemen en oordelen
+kenmerkte en dat we dit ongepaste dus als gunstige verschijnselen
+moesten begroeten.
+
+Zo kan men wel zeggen: Het past kinderen niet, op te merken. Maar ze
+hebben nu eenmaal ogen, en die gebruiken ze. Die ogen schijnen daarbij
+met hersenen in verband te staan en die gebruiken ze ook. Wie dat
+opmerken niet wenst, moet dan maar bidden, dat Onze lieve Heer zijn kind
+blind maakt, en wie het denken en oordelen niet begeert, moet eigenlik
+verdrietig zijn, dat zijn kind niet idioot is.
+
+Opmerken en oordelen behoort bij het uitbottend geestesleven, en dat
+kinderen, die met andere kinderen en ook met volwassenen omgaan, d. w.
+z. met hen vaak in wrijving komen, daarbij de wezenlike of vermeende
+fouten dier volwassenen zien en zich hieraan stoten, spreekt zo vanzelf,
+dat we—wel verre van dit te willen smoren, het met blijdschap moeten
+constateren, en er rekening mee houden.
+
+Met smoren komt men er niet. Men verstikt het oordeel niet en ook niet
+de uiting. Het normale verstand blijft werken, al menen wij met ons
+gebod de geestelike machine te hebben stop gezet. En waar we in onze
+tegenwoordigheid de uiting niet dulden, daar zal deze haar weg zoeken
+buiten onze tegenwoordigheid. Wat, in heerlike openhartigheid, ons werd
+meegedeeld, wordt nu aan vriendjes verteld: „Het hart wil een klager
+hebben.”
+
+Onbegrijpelik is de struisvogeldomheid van zulke het-zwijgen-opleggende
+ouders en onderwijzers. Ze moesten toch uit hun jeugd weten, dat
+kinderen spreken _moeten_, en dat de woorden, die het oor der opvoeders
+gesloten vinden, daarom niet ongesproken blijven. Die woorden worden nu
+alleen tot anderen gericht en dragen daarbij meteen het vertrouwen aan
+die anderen over. Weten de ouders aan wie? Zijn ze ervan overtuigd, dat
+die vertrouwden het beter met hun kind bedoelen, dan zijzelf?
+
+Laat uw kinderen hun hele hart uitzeggen, _tegenover u_. Ook hun
+onbarmhartige kritiek op kameraadjes, onderwijzers, dominees, op—uzelf.
+
+ * * * * *
+
+Het eerste voordeel dier openhartigheid is, dat de kinderen bij u
+blijven. Het tweede, dat ge ze leert kennen, gelijk ze zijn, en niet
+zoals ze zich uit eerbied voor uw gezag behoren te huichelen. Het derde,
+dat ge nu, door uw rijper en milder oordeel, invloed op het hunne kunt
+oefenen.
+
+Wanneer een kind in een geschil met een ander kind of met een
+volwassene—dienstbode, onderwijzer, familielid—ongelijk heeft,
+moet dit zonder beperking door de ouders worden gezegd. Dit is niet
+steeds gemakkelik. Vooreerst al niet, omdat het kind een partijdige
+voorstelling van de zaak geeft: zijn eigenbelang, zijn bewogen gemoed
+benevelden de zuivere kijk op het geval, en niet uit leugenachtigheid,
+niet in welbewuste bedriegerij, maar door onvoldoende kennis en verkeerd
+voelen zag het de feiten onjuist en gaf ze onjuist terug. Wie in zulke
+gevallen, beter wetende, het kind toevoegt: _Je liegt_, doet het
+onrecht. Het kind liegt niet, het zegt _zijn_ waarheid, en 't kan niet
+helpen, dat deze een valse weerspiegeling van de werkelikheid geeft.
+Ouders, het kind kennende, altans behorende te kennen, dienen dan beter
+te weten en de ogen van 't kind te openen voor zijn ongelijk.
+
+Maar, en dit is het tweede en veel grootere bezwaar, vele ouders zijn
+al even verblind als het kind zelf. Waar het hun eigen kroost betreft,
+zijn ze onmiddellik geneigd, dit gelijk te geven. 't Gaat ook al weer
+onopzettelik, doch dit maakt het bijna te erger—niet in zedelike,
+maar in verstandelike zin. Ze kunnen van hun kind geen kwaad horen,
+omdat ze er geen kwaad van kunnen geloven. Vooral moeders zijn in dit
+opzicht merkwaardig—ik zeg niet onwillig, maar onmachtig. Ons aller
+zelfverblinding, waar het eigen gebreken betreft, wordt schitterend
+overtroffen door de verblinding der moeders, waar het haar kinderen
+geldt.
+
+Men moet de waarde dezer verblinding niet onderschatten. Inderdaad—hoe
+vreemd het menigeen toeschijne—deze in de natuur der mensen liggende
+onmacht, om zichzelf en de geliefde personen te zien gelijk ze zijn,
+heeft grote waarde. Ze houdt het geloof, het vertrouwen staande in het
+goede der menselike natuur. Zolang iemand nog in ons gelooft, zijn
+we niet verloren. Dit geloof, ook waar het ongegrond schijnt, roept
+verantwoordelikheden wakker, en deze weer alle nog beschikbare krachten
+ter opheffing uit een gezonken staat. Alléén door in misdadigers te
+geloven, redde Jezus hen. Bij Hem ging dit niet gepaard met blindheid
+voor hun zonden. Hij zag het kwade—én het goede. Doch ook waar moeders
+het kwade niet zien—ongetwijfeld een fout!—is toch het geloof in het
+goede een deugd, een onmisbare faktor in hun opvoedingstaak. Hoe zouden
+ze kunnen verbeteren, waar ze het goede niet onderstelden?
+
+Die verblinding der ouders mag ons dus niet ergeren, al moeten we
+beproeven, deze sluier weg te nemen, zonder het geloof in de aanleg
+tot verbetering te verzwakken. Slagen we hierin, en zien de ouders
+hun kinderen zoals ze zijn, dan reikt de ouderlike invloed nog veel
+verder. Dan kunnen ze hun kinderen tot _zelfontdekking_ brengen, een
+der moeilikste, maar nodigste vermogens. En dan beschikt de opvoeding,
+ook de zelfopvoeding, over een der werkzaamste krachten. Naast geloof
+in eigen louteringsvatbaarheid, is er nodig: zelfkennis, echte,
+onvertroebelde, exacte zelfkennis. Het klassieke voorbeeld van de
+profeet Nathan hebben we daarom na te volgen: eerst het oog openen voor
+de realiteit en de lelikheid van het gepleegde kwaad, en daarna het
+onweerspreekbaar, verpletterende, maar in zijn verplettering reddende:
+_Gij_ zijt die man!
+
+ * * * * *
+
+Moeiliker wordt het, wanneer de kinderen in hun geschillen gelijk
+hebben en wanneer dit dan is tegenover volwassenen, die in hun positie
+gezag en moraliteit vertegenwoordigen: onderwijzers, predikanten. Dienen
+we dan de ouderen zogenoemd te handhaven en de jongeren de mond te
+snoeren? Nooit! Er is maar één ding te handhaven en hoog te houden:
+de Waarheid. Wie haar verkracht, verkracht ook de zedelike natuur der
+kinderen. Wie haar eert, voedt zijn kinderen op.
+
+De schromelike dwaling is echter weer, dat men meent door het eren der
+waarheid de eerbied voor personen te kort te doen en hun zogenoemd gezag
+te ondermijnen. Kinderen moeten in hun opvoeders een soort heiligen
+zien, zo meent men. Vader kan geen fouten hebben. Wat Vader doet, is
+goed, _omdat_ Vader het doet. In Vader is de deugd belichaamd, zijn
+leven is de zichtbare norm voor der kinderen zedelik streven.
+
+Ik acht dit gewoonweg onzin. Indien Vader wezenlik zo'n heilige is—we
+willen het echter voor de kinderen niet hopen—welnu, laat de kinderen
+hem dan aanbidden. Gelukkig evenwel is er in de meeste gezinnen niet
+veel kans op. En zo kunnen de kinderen daar niet alleen zijn gewoon
+menselike fouten zien, maar ook gadeslaan—wat een prachtige gelegenheid
+voor zijn opvoedkundige theorieën!—hoe hij deze bestrijdt. Dan leren
+de kleinen zeker nog meer van zijn worstelend overwinnen, wat ook hún
+roeping is, dan van zijn ongerepte heiligheid, die ze toch niet kunnen
+bereiken en die eenmaal, ook voor hun oog, ontmaskerd zal worden.
+
+Laat de kinderen veilig weten, dat de volwassenen gebreken hebben, waar
+ze die gebreken met eigen ogen zien en aan eigen stemming ervaren. En
+haasten we ons, die gebreken te erkennen, wanneer de kinderen er de dupe
+van zijn geworden, en zelfs, waar ze die alleen maar hebben opgemerkt.
+Doch—laten we het bij die erkenning niet doen blijven! Er is dan, juist
+dan, nog iets meer te doen.
+
+Kinderen zijn in de hoogste mate onbillik in hun oordeel. Dit is
+echter niet te wijten aan een zekere hardheid of aan een tekort aan
+rechtvaardigheidsgevoel, maar aan onwetendheid. Zij hebben, door hun
+gebrek aan levenservaring, niet genoeg kennis van het innerlik leven der
+volwassenen, leggen daardoor veel te weinig gegevens in de schaal, en
+hierdoor worden we bij hun wegerijen te licht bevonden. Een dergelijke
+onzuivere gewichtsbepaling merken we op, wanneer volwassenen malkander
+wegen. Mevrouwen en dienstboden beoordelen malkander gewoonlik onjuist,
+officieren en soldaten, gehuwden en ongehuwden, ouders en kinderlozen,
+zelfs mannen en vrouwen. De een kent het werk, het leven, de moeiten
+van de ander niet, en nu ligt het in de menselike natuur die altijd te
+onderschatten. Eigen taak voelen we zwaar en gewichtig—geen wonder,
+die hebben we ook te vervullen. De taak van de ander tellen we licht.
+Waarlik, in dit opzicht zijn we vaak niets beter dan de kinderen. Ook
+wij voelen andermans druk niet op onze eigen schouders en zijn in ons
+oordeel onrechtvaardig uit domheid.
+
+We moeten leren, ons in anderen te verplaatsen. En dit moeten we ook
+onze kinderen leren. Bedrieg ze niet met schijn, ontzeg ze ook niet het
+recht tot oordelen. Maar leer ze, wanneer ze een deel der werkelikheid
+zien, de _volle_ werkelikheid zien. Dan zal hun ergernis vaak veranderen
+in medelijden, hun kritiek in waardering, en veroordeling plaats maken
+voor zelfbeschaming.
+
+ * * * * *
+
+Een onderwijzer heeft een kind in drift een ruw woord toegevoegd of
+zelfs een klap gegeven. Het kind klaagt er tuis over, 't voelt zich
+onbillik behandeld.
+
+Leg het nu niet het zwijgen op; zeg niet, dat het met die
+„kletspraatjes” niet moet aankomen; beslis ook niet zonder onderzoek:
+„dan zul je 't wel verdiend hebben.” Laat het kind uitpraten en, als het
+in 't algemeen geloofwaardig is, geef het dan gelijk in zijn klacht en
+keur met hem die handelwijze af. Zeg gerust: „dat had meneer niet moeten
+doen, dat is verkeerd van hem.” Ge zult eens zien, wat dat het kind een
+kalmte geeft, en hoe het daarna gaarne bereid is, met u te zoeken naar
+een verklaring, een verontschuldiging van die uitval. Meneer heeft de
+avond te voren nog laat zitten studeren, hij moet gauw een examen doen,
+hij is wat moe; hij had hoofdpijn; zijn vrouw, zijn kind was ziek,
+hij heeft een deel van de nacht gewaakt; hij is teleurgesteld in een
+verwachting—oorzaken te over, die een kind begrijpen kan, omdat ze hun
+aequivalenten hebben in het kinderleven, en die het kind, als men ze hem
+maar eerst bewust maakt, gaarne ter vrijpleiting van zijn onderwijzer
+wil aanwenden.
+
+Acht iemand zich te hoog, om op die manier voor zijn gedrag te worden
+vrijgepleit—door een kind?
+
+Of vreest men, dat het kind daardoor in eigenwijsheid en
+eigengerechtigheid het kinderlike zal verliezen, als rechter vonnissend
+over volwassenen en de zonden zijner meerderen grootmoedig vergevend?
+
+Wat heeft men dan toch weinig vertrouwen in de kracht der waarheid, in
+de natuurlike goedhartigheid van 't kind, en in de doorwerking van zijn
+eigen invloed.
+
+Ik heb het eens bijgewoond, hoe een predikant het ontgelden moest, omdat
+hij zich boos had gemaakt op een catechisant: „En dominé zegt zelf, dat
+we altijd geduld en liefde moeten betonen. Hij geeft ons een mooi
+voorbeeld, hoor!”
+
+De vader zei: „Ja, dat is zeker al een heel slecht voorbeeld. Die man
+deugt eigenlik niet voor zijn taak. En is hij altijd zo?”
+
+„Neen, gelukkig niet. Maar een dominé behoorde toch eigenlik _nooit_ zo
+te wezen.”
+
+„Daar heb je gelijk aan. Toevallig weet ik, dat Dominé Zondag tweemaal
+gepreekt heeft en in 't middaguur nog bezoeken heeft gehad; dat hij
+Maandag zeven uur gecatechiseerd heeft, Dinsdag de hele voormiddag
+in zijn wijk armen en zieken heeft bezocht, Dinsdagnamiddag drie uur
+catechisatie heeft gehad, Dinsdagavond Bijbellezing heeft gehouden,
+Dinsdagnacht bij een stervende is geroepen, Woensdagmorgen weer zieken
+heeft bezocht, en nu vind ik met jou, dat hij, al was hij dan ook
+wat moe, Woensdagmiddag niet boos had mogen worden, ook al gaf een
+catechisant daar aanleiding toe. Een dominé moet nu eenmaal volmaakt
+zijn, en catechisanten hebben geen plichten.”
+
+„O neen, zo bedoel ik het niet.”
+
+„Hoe dan? Ik geef je immers toe, dat Dominé niet het recht had, boos te
+worden?”
+
+„Ja maar, als hij dan zo moe was, is dat toch wel een beetje te
+begrijpen, en die jongen leert ook nooit zijn les.”
+
+Ziedaar de macht der waarheid. Het eerlik uitgesproken oordeel werd
+aangehoord, aanvaard, toegelicht, teruggenomen. De aanklager werd
+pleitbezorger, doch zou dat nooit geworden zijn, als men hem het recht
+der aanklacht ontzegd had.
+
+Gunt ge uw kinderen het recht, ook over úw daden te oordelen?
+
+Overbodige vraag: ze oordelen, of ge ze het recht toekent of niet.
+
+Maar gunt ge ze de vrijheid, dit oordeel uit te spreken?
+
+Dringend zou ik u raden: doe het toch, want—nog eens—anders doen ze
+het bij vreemden.
+
+Vader wil niet, dat de kinderen aan de ontbijttafel lezen. Terecht. Ook
+niet, dat ze dan nog even hun les nakijken. Alweer terecht. Het boek zit
+de boterham in de weg.
+
+Maar nu leest hij zelf onder 't ontbijt de krant....
+
+Of hij hieraan goed of verkeerd doet, laten we in 't midden. Maar hij
+doet het, en de kinderen zien het.
+
+„Nu leest u zelf de krant,” zegt er een, „en wij mogen niet lezen, omdat
+het ongezond is.”
+
+Wat zal Vader zeggen? „Wil jij je brutale mond wel eens houden”?
+
+Neen, dat zegt hij niet.
+
+Hij zegt alleen: „Je hebt gelijk. Dat moest Vader ook niet doen. 't Is
+voor mij ook niet goed.” En hij legt de krant neer.
+
+Of hij geeft de verklaring: „Vader móét de krant even doorkijken, en
+anders heeft hij geen tijd. 't Is jammer genoeg.” Als hij met die
+verklaring tenminste niet liegt.
+
+'t Is wonderlik, hoe bevredigd de vrije kritiek wordt door zulk een
+eerlik antwoord.
+
+En hoe het gezag—het echte!—erdoor wordt bevestigd.
+
+
+III.
+
+Natuurlik ontveins ik mij niet het gevaar, aan het bespreken van de
+fouten der volwassenen verbonden. Zelfs is het niet zonder bedenking,
+het gedrag van kameraadjes aan ontleding en beoordeling te onderwerpen.
+Het oog wordt zo veel te veel gescherpt op het zien van anderer
+tekortkomingen en zou er ongemerkt op uit gaan, die op te sporen en te
+ontdekken. Daarom begon ik het vorige artikel met de waarschuwing, toch
+vooral niet van ieder kibbelpartijtje een gewichtig geval te maken, dat
+„ernstig” behandeld moet worden, en wil ik ook nu nog eens nadrukkelik
+verzekeren, dat naar mijn mening het dringen in eens anders daden
+en omstandigheden alleen dan gerechtvaardigd is, wanneer het kind
+toch reeds geoordeeld heeft en wij het tot zuiverder, billiker,
+rechtvaardiger, liefdevoller oordeel willen brengen. De waarheid zeggen
+en zoeken betekent niet: zich telkens weer met de zaken van een ander
+bemoeien. Wanneer er lelike motieven moeten worden blootgelegd, laat het
+dan de verkeerde motieven zijn, die bij 't kind zelf gewerkt hebben.
+Daardoor kan het zelfkennis verwerven, zelfkritiek oefenen en heeft het
+ten slotte geen tijd zich te spitsen op de fouten van anderen, gelijk
+onze christelike maatschappij dat pleegt te doen—uit naastenliefde.
+
+Tans gaan we over tot de bespreking van een derde punt van ons
+onderwerp. Eerst beschouwden we onze _gedragingen_ tegenover de
+kinderen; daarna het _oordelen_ van de kinderen over personen; nu komen
+we tot de kinder_vragen_ en, in verband daarmee, onze antwoorden.
+
+Die vragen betreffen de problemen, welke natuur en mensenleven het kind
+voorleggen.
+
+Er is, in 't algemeen, tweeërlei reden, waarom we ze eerlik
+beantwoorden. Een kind verlangt te weten, anders vroeg het niet. Vragen
+is een uiting van weetbegeerte. Kennis, voor zover ze uit zuivere
+weetbegeerte voortvloeit, is in de regel heilzaam. We moeten evenwel een
+beperking maken, omdat er ook kennis gezocht wordt ter wille van slechte
+neigingen. Iemand kan b.v. willen weten, waar clandestiene drankverkoop
+is, om zich te kunnen bedrinken. We denken nu echter alleen, aan weten
+uit neutrale weetbegeerte, en dan is het in de regel nuttig, als dit
+weten bij kinderen bevorderd wordt.
+
+Nog belangrijker echter is de tweede reden, waarom eerlike antwoorden
+worden aanbevolen. Zij gronden en versterken het vertrouwen van 't kind
+in zijn opvoeders. We kunnen niet genoeg doen—en laten!—om ons dit
+te verzekeren. Van het vertrouwen moeten we het hoofdzakelik hebben.
+De opvoeder is lange tijd _de voedingsbodem van 't kind_. Met al de
+fijne vezeltjes van zijn geestelik leven voelt het zich in de ouderen
+geworteld. Al zijn vastheid, zijn zekerheid, zijn veiligheid, zijn
+gerustheid hangt hiervan af. Daarom is het zo schandelik roekeloos, dit
+vertrouwen te verzwakken.
+
+Zuivere kennis is zeker niet te versmaden, maar meer en oneindig meer
+dan deze is het vertrouwen, dat zelfs voor een goed deel de waarde der
+kennis bepaalt. Veel van onze kennis toch is napraatkennis. We _weten_,
+wat ons _gezegd_ is. _De betrouwbaarheid van de zegger is dus de macht
+van onze kennis._ Heet kennis macht, die macht wordt dan voor een
+overgroot deel ontleend aan het vertrouwen in de persoon, wiens zedelike
+autoriteit voor ons de kennis tot ontwijfelbaarheid heeft gemaakt.
+
+ * * * * *
+
+Het komt natuurlik vaak voor, dat we op kindervragen het antwoord niet
+kunnen geven, omdat we 't zelf niet weten. Dan erkennen we dit gulweg.
+Alle groothouderij is klein. Het geeft onze houding iets innerlik
+onzekers en ontneemt haar met de vastheid de kracht, wanneer we een
+schijn pogen te bewaren. Ook al zou het kind uitroepen: „Weet u dát niet
+eens? O, wat bent ú dom!”—dan aanvaarden we dit oordeel met blijmoedige
+berusting: „Ja kind, het is treurig.” Ten hoogste kunnen we beloven, het
+antwoord te zoeken, als we daar kans toe zien, maar niemand is gehouden
+alles te weten en bij ernstige problemen is het óók een weten, als men
+weet, dat men iets niet weet. Zo ver brengt de pedante domheid het maar
+zelden.
+
+In vroeger jaren heb ik meermalen horen beweren, dat de volwassenen voor
+de kinderen de volmaaktheid dienden te vertegenwoordigen, en zij hierom,
+waar het wezen natuurlik ontbrak, toch de schijn moesten ophouden. Vader
+moest alles kunnen, alles weten. Dat boezemde de kinderen eerbied in.
+Dat hield zijn gezag hoog. Dat zou hen aansporen tot navolging van dit
+hoge voorbeeld. Wellicht is deze mening nog hier en daar de moeder of de
+dochter ener onware verhouding, ook tussen volwassenen en volwassenen.
+Ik acht haar uit een opvoedkundig oogpunt verkeerd. Schijn bedriegt, óók
+hem die de schijn aanneemt en die er een vals gevoel van meerderheid
+aan ontleent. Schijn geeft iemand een gevoel van zekerheid, dat hem
+aanstonds onrustig maakt, als de waarheid dreigt door te breken. _In de
+waarheid staat men onwankelbaar._ Ons kennisgebied, ons machts-terrein,
+ze behoeven niet uitgestrekt te wezen. Erkennen wij, weinig te weten,
+weinig te kunnen, als we van dit weinige maar _zeker_ zijn. Dan worden
+we in dit weinige ook geëerd. Alle wáárlik nuttig weten en kunnen is
+bruikbaar, is brood en achting waard, en verwerft die ook. Als ze maar
+_echt_ zijn!
+
+In dit vertrouwen moeten de kinderen opgroeien, en daarom moeten
+de ouderen het _door hun leven_ de jongeren inboezemen. Wat een
+geflodder zien we nog vaak met kleurige lappen van vertoon. Wat een
+voornaamdoenerij, wat een voorwenderij. Het is of een schoolmeester zich
+vooral schamen moet een schoolmeester te zijn. Hij moet een „meneer”
+zijn, hij moet „over alles” mee kunnen praten. En wie een gewoon burger
+is, moet de allures aannemen, alsof hij tot de aristokratie behoorde. My
+house is my castle, zegt de Engelsman. Ik zeg: mijn ambt is mijn eer en
+mijn stand is mijn trots. Wees wat ge zijt, maar wees dat goed. En als
+ons gehele leven, en _dus_ ook onze opvoeding, in die toon staat, dan
+kunnen we tegenover kinderen ook zonder enig bezwaar onze onwetendheid
+belijden. Ze zúllen ons geen domheid verwijten, zelfs niet in de diepte
+van hun hart.
+
+Wie nu uit deze regelen afleidt, dat we geen verplichting hebben
+ons zo knap mogelik te maken, ook ter wille van de kinderen; of dat
+we met onze onwetendheid te koop moeten lopen; of dat we altijd
+maar de schoolmeester moeten uithangen; of een andere gans niet
+bedoelde dwaasheid, dat we b.v. trots moeten zijn op onze fouten
+en achterlikheden, die heeft, om de waarheid te zeggen, het gezegde
+niet precies begrepen. Ik heb gezegd, altans gemeend: poets uw ijzer,
+uw tin, uw koper blinkend, en hebt ge goud, laat dan ook dit glanzen,
+alleen—werk niet met klatergoud. En waar uw kinderen iets vragen, dat
+gij niet weet, wapper dan niet met een flikkerend schijnsel, indien ge
+geen rustig helder licht kunt doen stralen. Handhaaf uw gezag en
+vermeerder hun eerbied door te erkennen: ik weet het niet.
+
+ * * * * *
+
+Doch als we het wél weten, dan zijn we er daarmee nog lang niet. Dan
+rijzen voor óns de vragen: kúnnen we en mógen we het kind wel de
+waarheid zeggen. Het gaat niet aan, zo maar boudweg te verklaren,
+zogenaamd „principiëel”: de waarheid is altijd heilzaam. Met zulke
+algemeenheden—ze heten dan echter heel gewichtig principes—schermt
+de domheid, en daar kan ze dan een reuzensucces mee hebben in een
+vergadering van mensen, die dolgraag de waarheid horen, als deze anderen
+ontmaskert, maar zich woest verweren en het als groffe onbeschaamdheid
+uitkrijten, wanneer hunzelf de waarheid wordt gezegd. Neen, de waarheid
+is niet altijd heilzaam en we dienen wel degelik eens rustig te
+overwegen, wanneer we haar de vragende kinderen kunnen geven of moeten
+onthouden.
+
+Er zijn gevallen, waarin de kinderen door ontoereikend verstand ons
+antwoord niet zouden begrijpen. Dan behoeven we echter niet te liegen,
+maar antwoorden eenvoudig: „Dit is te moeilik voor je, dit begrijp je
+nog niet,” en dan zeggen we hierin toch de waarheid. Het is evenwel
+opmerkelik, hoe sommige kinderen met dit antwoord niet tevreden zijn en
+aandringen: „Zeg u het toch maar eens, misschien begrijp ik het wel.”
+Zulk een aandrang wijze men toch vooral niet met zekere korzeligheid
+of gekrenktheid terug. Hij getuigt heel gunstig voor de leergierigheid
+der kinderen. En wellicht hebben ze gelijk. Kinderen kunnen vaak meer
+begrijpen, dan wij vermoeden. Beproef maar de verklaring te geven. Gaat
+deze boven hun bevatting, dan zijn ze eerlik genoeg, om aanstonds te
+zeggen: „Neen, scheid u maar uit, ik begrijp het toch niet.” Doch lukt
+het u, door de zaak _heel eenvoudig_ voor te stellen, hun opmerkzaamheid
+te boeien, hun weetgierigheid te bevredigen, dan zult ge eens ervaren,
+welk een dankbare leerlingen ge hebt, en uit hun verdere vragen zien,
+dat ze inderdaad begrepen hebben. Wanneer wij zo zeggen: „Dit is te
+moeilik voor je”, moesten we meermalen eigenlik zeggen: „Dit kan _ik_
+je niet eenvoudig genoeg maken.” Oefenen we onszelf in deze kunst, dan
+blijkt al gauw menige schijnbaar ingewikkelde zaak geheel binnen het
+bereik van een normaal kinderverstand te liggen.
+
+Met een paar voorbeelden willen we dit toelichten.
+
+Een kind loopt met Vader of Moeder op straat en ziet, hoe een zwaar
+ijzeren blok tussen twee palen telkens omhoog wordt getrokken, om dan op
+een paal neer te vallen. Ze zijn aan 't heien. Al wat _beweegt_, trekt
+de aandacht der kinderen, dus ook dat rijzende en vallende blok. „Wie
+trekt dat toch omhoog?” vraagt het kind. „Dat doet die machine,” is 't
+antwoord. Menig vragend kind, en zelfs menig vragend volwassene, is
+hiermee voldaan. Hun geest is te traag, om dieper door te dringen.
+„Die machine” is de volle bevrediging van hun verlangen naar oplossing
+van 't raadsel. Geef hun ter verklaring van honderderlei omringende
+geheimzinnigheid maar altijd een „machine”, en ze zijn content. Maar
+er zijn ook kinderen, die dan verder gaan en vragen: „Hoe kán dat?”
+
+Nu ligt voor de meeste ouders het antwoord voor de hand: „Dát kan ik
+je niet uitleggen,” en dit zeggen ze te beslister, omdat ze zelf die
+machine niet begrijpen. Machines schijnen voor vele mensen, vooral
+voor vrouwen, iets ontoegankeliks te hebben. Dames, die bij haar
+theosofiese gesprekken niet terug deinzen voor verklaringen van
+absoluut ontoegankelike mysteries, schrikken voor een machine als voor
+een onoplosbaar probleem terug. Dat werktuig in zijn arbeid stap voor
+stap te volgen, te zien, te begrijpen, is hun raadselachtiger, dan de
+opvolgende incarnaties door de loop der volmaakt in het duister liggende
+eeuwen.
+
+Maar onze jonge moeders kunnen ook die geheimzinnige „machine”
+benaderen, als ze maar eens naar hun eigen waterketel kijken. Dat deksel
+gaat, als het heiblok, ook telkens op en neer. Wie duwt het op? De stoom
+in de ketel. Wie doet het vallen? Zijn eigen zwaarte, als de stoom
+ontsnapt is. En wie maakt die stoom? Dat doet het vuur onder de ketel.
+Dus wie duwt _eigenlik_ het deksel op? Het vuur.
+
+Onderstel nu eens, dat ik aan een gezelschap van jonge moeders vroeg:
+Jullie hebt nu alle tot je 18e jaar onderwijs genoten, op de lagere
+school, op de middelbare school, op het gymnasium, _wie kan met vuur
+een zwaar stuk ijzer optillen_, dan zou ik misschien meer verbaasde
+gezichten zien, dan heldere antwoorden vernemen. En toch had ik ze maar
+even mee te nemen naar de keuken, misschien naar de teeketel op het
+gaskomfoor in de kamer, om ze het ei van Columbus te doen zien. Zó
+dichtbij ligt vaak de oplossing van duister schijnende problemen. James
+Watt zag als jongen de toekomstige stoommachine in de waterketel van
+zijn tante.
+
+Bind nu eens aan de knop van het deksel een dun draadje. Leid dat b.v.
+over de leuning van een stoel. Hang aan de andere zijde der draad een
+lucifer. Dan gaat deze met het deksel op en neer. Iets als ons heiblok.
+
+Welke jonge moeder maakt zich niet sterk, dit haar vragend vijfjarig
+ventje duidelik te maken? Moeders zijn knapper, dan ze zelf weten. Als
+ze maar niet op school hadden gegaan! Daar is die knapheid vaak in
+geleerdheid verduisterd!
+
+Bij elke machine hebben we maar twee vragen: Welke kracht brengt haar in
+beweging? En: Hoe wordt die beweging overgebracht?
+
+De eerste vraag brengt ons naar de kracht van stromend water, stromende
+lucht, spieren van mens en dier, spanning van stoom, electriciteit.
+Natuurlik kunnen we dan weer verder vragen: Wat dóét het water stromen,
+de lucht waaien, en zo verder. Dan reizen we van het stromende water
+naar de zon, die eerst dit water als damp omhoog heeft gevoerd en zo
+veroorzaakte, dat het daarna als regen of sneeuw de bergtoppen bezocht;
+dan waaien we met de winden naar de zon, die luchtlagen verwarmde en
+daarmee het evenwicht in de atmosfeer verstoorde, zodat nu de dampkring,
+waaiende, herstel van dat evenwicht zoekend, en passant onze molens
+doet draaien; dan doet de stoom ons in het vuur de wondere eigenschap
+ontdekken, dat door verbinding van koolstof met zuurstof warmte
+ontstaat, en leidt die koolstof ons weer naar de zon, door wier energie
+zij uit de lucht in het plantenlichaam is gekomen; dan stijgen we
+met de spieren van mens en dier ook al naar de zon, de krachtcentrale
+onzer aarde; dan vinden we telkens weer in dit middelpunt van ons
+planetensysteem het eindpunt onzer vragen, en—het beginpunt van nieuwe
+vragen. Vragen naar de oorsprong der kracht brengt ons telkens aan een
+ander adres, maar lost natuurlik het mysterie der kracht niet op.
+
+Hoe de beweging wordt overgebracht is al heel gemakkelik na te gaan, zo
+gemakkelik, dat ik me meermalen met verbazing heb afgevraagd, hoe een
+deel der onderwijzerswereld toch zo verbijsterd is geworden door het
+inwendige van mijn houtzaagmolen en daarna zelfs nijdig op mij, dat ik
+ze in dat gewirwar had gebracht, alsof ik het boze opzet had gekoesterd,
+kollega's daar tot planken te doen zagen. Bekijken we eens rustig
+bijgaande tekening, dan zien we, hoe dood-eenvoudig onze goede windmolen
+van binnen is, veel eenvoudiger dan ons eigen lichaam, dat door
+diezelfde boze mensen met de kinderen wordt ontleed, alsof ze er alles
+van wisten.
+
+[Illustratie: De lezer volge bij deze doorsnede eens rustig de weg van
+ de wieken naar de zaagramen, zonder nog de verklaring te lezen.]
+
+De windmolen is evenals het zeilschip de oplossing van het probleem, hoe
+we de wind werk voor ons kunnen laten verrichten. De wind vaart maar als
+een woestaard door onze boomgaarden, over onze huizen, smijt vruchten
+af, bomen om, schoorstenen naar beneden, kunnen we die sinjeur niet van
+vijand tot vriend maken en zijn kracht tot ons voordeel aanwenden?
+
+De eerste eis is natuurlik, die kracht op te vangen. Dat geschiedt het
+best in grote lappen, in zeilen.
+
+Zie nu de molen. Zijn vier wieken zijn met zeilen bedekt en staan wat
+schuin tegen de wind, zodat die er op los blaast en ze wegduwt. Ze
+kunnen echter niet weg, ze zitten vast in een zware as. Nu moeten ze wel
+in de rondte draaien, net als een steen aan een touw. En de as draait
+mee.
+
+Daar hebben we de kracht al opgevangen en omgezet in een draaiende
+beweging. Met die beweging kunnen we nu verder werken. Willen we ermee
+hijsen, dan binden we een touw aan de as en de wind trekt onze lasten
+op, terwijl het touw om de draaiende as wordt opgerold. Doch nu willen
+we er planken mee zagen. Hoe spelen we dat klaar?
+
+Om de as brengen we een rad met tanden. Deze draaien met de as mee en
+grijpen onderdehand tussen de staafjes van een liggend rad, dat op die
+manier op zijn beurt in de rondte wordt geduwd. Draait het, dan draait
+de spil mee, waar het aan verbonden is, en beneden aan de spil ook een
+tweede rad. De tanden van dit laatste grijpen weer tussen de staafjes
+van een staand rad, dat ook begint te draaien en in zijn wentelende
+beweging een lange horizontale ijzeren kruk doet delen, die dwars door
+de hele molen ligt. Sommige stukjes van deze kruk zijn wat uitgebogen.
+Juist daar zijn er stokken los aan verbonden. Die stokken draaien met de
+boogjes mee, omhoog, omlaag, en daardoor gaan de zaagramen, onder aan
+die stokken, ook omhoog, omlaag. Leg er een boom voor, en ze zagen hem
+aan planken. „Ze”—maar dat is dan eigenlik de wind, die langs de weg
+van wieken, as, asrad, spilrad, spil, onderste spilrad, krukrad, kruk en
+kolderstokken[2] de zaagramen op en neer beweegt.
+
+[2] De naam kolderstokken is wel heel aardig: die stokken kolderen of
+ draaien. Heeft een paard ook niet soms de kolder in de kop?
+
+Is nu dat overbrengen der kracht niet gemakkelik te volgen? En dit wordt
+er niets moeiliker op, als we in plaats van tandraderen, wielen met
+drijfriemen hebben en de wrijving van de lederen riem de duwende dienst
+der tanden verricht.
+
+Zal de molen goed wind vangen, dan mogen de wieken niet te klein zijn
+en moet hij dus vrij hoog gebouwd worden. Hiervan is het gevolg, dat
+hij verschillende zolders heeft—hoe kan de molenaar anders in de kap
+komen. Eigenaardig zijn die zolders benoemd naar de voornaamste delen
+van 't werktuig, die zich op die zolders bevinden, gelijk men op de
+tekening zien kan. Nu is het natuurlik niet nodig, dat een leek die
+namen kent, maar is er iets bizonders in de namen as, spil, kruk, raam?
+Alleen de kolderstokken zijn vreemdelingen, maar deze worden heel aardig
+geïntroduceerd door kolderende paarden.
+
+Nog eens—'t is de bedoeling niet, iemands geheugen te belasten met vele
+namen, doch alleen werd hier de vraag gesteld: Is het zo moeilik in een
+dergelik werktuig het overbrengen der kracht te volgen? Ik hoop, dat
+zelfs moeders antwoorden: „Wel neen! Als je 't maar weet!” Welnu, laat
+de school zorgen, dat zulke eenvoudige kennis iemand niet terugschrikt.
+
+ * * * * *
+
+Er zijn vragen, die gemakkeliker schijnen, doch veel moeiliker zijn.
+Dat zijn de vragen, die alleen door _levenservaring_ beantwoord kunnen
+worden, en deze is voor een kind ja wat ontoegankeliker dan een
+werktuig. Hier komt men er niet met een waterketel, een draad, een
+lucifer, of een tekening, en het is een der grote domheden van de
+redeneerpedagogiek, dat ze kinderen door mededeling en redenering
+wijsheid heeft willen inprenten, die alleen door levenservaring kan
+worden verworven.
+
+Die redeneerpedagogiek heeft met veel goede bedoeling veel onvruchtbaar
+werk gedaan en gaat hiermee nog trouw voort bij ouders, die menen dat
+verstandelike voorlichting steeds mogelik, voldoende en plichtmatig is.
+Een paar eenvoudige voorbeelden kunnen het tegendeel bewijzen.
+
+Wie acht zich in staat aan een kind een zuiver denkbeeld te geven van
+verliefdheid? Dit kunnen we zelfs niet aan een volwassene. Verliefdheid
+leren we alleen maar kennen door verliefdheid, en wie nooit echt
+verliefd is geweest zal dit gevoel nooit begrijpen, ook al heeft hij
+zijn zilveren bruiloft gevierd met de beste en mooiste vrouw van de
+wereld, al is hij mijnentwege tweemaal getrouwd geweest. Verliefdheid is
+de verrukkelikste en de gevaarlikste, de zaligste en de noodlottigste
+bedwelming ter wereld. Wie nooit verliefd is geweest, heeft een hemel
+op aarde gederfd—mijn vader zei van verliefden te recht: ze zijn in de
+zevende hemel—maar zulk een misdeelde kan daardoor dan ook niet over
+verliefdheid meespreken en mag over verliefden niet oordelen. Doet de
+onverlaat dit toch, en spot hij b.v. met de heerlike dwaasheden van
+jonge verliefden of bederft hij hun kleurig minnespel door het grauw
+van zijn nuchterheid en de rauwheid van zijn tirannieke bemoeizucht,
+hij verdient op zijn oude dag tot over zijn oren hopeloos verliefd te
+worden, opdat hij ervare en met schade en schande—ik zeg niet: wijs
+worde, maar de gelegenheid hebbe, de dwaasheid zijner nuchterheid in de
+wijsheid der verliefdheid onschadelik te maken.
+
+Zullen we een kind op zijn vragen aan 't verstand pogen te brengen,
+waarom die jongelui „zo gek” doen? Al zit in de rups een vlinder
+verborgen, laat de rups rups, rondscharrelen door het malse groen.
+Wanneer de tijd daar is, zal hij vanzelf wel zijn vleugeltjes ontplooien
+en zijn vlinderweelde leren kennen. Een kruipend diertje zal nooit het
+vliegen begrijpen.
+
+Jonge moeders en vaders moesten uit hun eigen verliefdheidsperiode—ik
+hoop, dat ze er nog telkenkeer in leven?—genoeg geleerd hebben, om met
+hun opgroeiende kinderen niet over onderwerpen te spreken aan hun jaren
+en ervaren vreemd. En anders kunnen ze die les nog trekken uit hun
+ouderlike gevoelens. Wat een moeder is, weet je pas als je moeder bent,
+en daar een man nooit dit voorrecht zal hebben, dient hij met gepaste
+bescheidenheid zijn vrouw dwaasheden te laten begaan in de omgang met
+haar kinderen. Ook hem is niet volkomen aan 't verstand te brengen,
+wat er in een moederhart leeft en werkt, al kan hij 't in begrijpen
+een heel eind brengen, wanneer hij zich herinnert, wat hem als kind
+zo weldadig in moeders handelen aandeed. Dan zal hij daar liefheidjes
+en onredelikheidjes ontdekken, die tans zijn wijze vaderpedagogiek zou
+willen veroordelen, maar die hem als knaap verkwikt, gekoesterd en
+gesteund hebben. Maar ten volle zijn vrouw als moeder begrijpen, het
+lukt hem nooit. Hij zie er daarom maar wijzelik van af en tevens van
+elke poging, om zijn kroost, redenerende, in de wereld der volwassenen
+binnen te leiden.
+
+ * * * * *
+
+Doen de mensen dat dan?
+
+Het komt mij voor van wel. En het schijnt me zelfs toe, dat ze de
+laatste decenniën als gevolgen van het intellectualisties streven daarin
+al aardig ver zijn gegaan.
+
+Kinderen leren oordelen over de geheel-onthouding, het militarisme, het
+socialisme. De volwassen drijvers zijn uiterst bang, dat de jeugd hun
+ontsnapt, en stichten kinderverenigingen met komplete programma's. De
+kleinen memoriseren een nieuw soort catechismussen en redeneren—als in
+de slechte godsdienstige opvoeding—ganse beschouwingen na.
+
+Het is ons aller plicht, kinderen te oefenen in matigheid, in afkeer van
+gevaarlike prikkels, in vredelievende gezindheid, in gemeenschapszin.
+Die eigenschappen hebben ze reeds als kind nodig, in de huiskamer, in
+de buurt, op school, bij spel en werk. Maar daarom zijn ze nog niet in
+staat over het alcoholvraagstuk, het soldatenwezen, het kapitalisme te
+oordelen. Hoeveel kennis van de menselike natuur, van volkeren in hun
+onderlinge verhoudingen, van oeconomiese faktoren wordt er vereist, om
+die problemen te doorzien, te overzien, in hun oplossing te beinvloeden.
+Maar tegenwoordig schijnt die kennis gemeengoed te zijn van de massa.
+Beheerst door een ongetwijfeld prijzenswaardig hunkeren naar het heil
+der mensheid, weet nu iedere arbeider, iedere kantoorklerk, iedere
+schoolmeester de bedwelmingsprikkel te bezweren, de oorlog op te
+ruimen, de geldmacht te vernietigen. Je stemt maar vóór dit en
+tégen dat, en we zijn er. De ingewikkeldste vraagstukken, waar de
+gecompliceerdheid en boosheid der menselike natuur ons voor plaatst,
+worden in cursusvergaderingen gemakkelik opgelost. En om die oplossing
+te verhaasten worden ook al kinderen tot overtuigde en bewuste
+medestrijders gemaakt.
+
+Ik eer natuurlik de nobele bedoelingen, ik sympathiseer gehéél met de
+zedelike drijfveren, maar krijg toch de indruk, dat men torens bouwt van
+dominostenen. Dit nu is geen kwaad in de kinderkamer, daar is het één
+en al spel. Maar als men waant, in die torens te kunnen wonen, komt men
+bedrogen uit. We behoeven niet eens zo heel hoog te klimmen, reeds
+gelijkvloers zijn ze onbruikbaar.
+
+Al die Babeltorens, uit beginselen en stelsels opgetrokken, zijn zo
+bedriegelik. Redenerende in vergadering of op papier, doen we ze netjes
+en snel verrijzen. Doch straks storten ze ineen bij de spraakverwarring
+der praktijk. Veiliger en vruchtbaarder dunkt het me daarom, steeds in
+het klein te beginnen met de _toepassing_. _Leef het beginsel uit._
+Dan blijkt zijn levenskracht, zijn echtheid, zijn vruchtbaarheid. Dan
+ervaren we onmiddellik de onverbiddelike contrôle en kritiek van het
+leven en worden daardoor wijs.
+
+Gemakkeliker is het echter, te redeneren. Dat geeft ons het
+plezier van 't verstandelik opbouwen, het genot van een zuivere
+hervormingsbraafheid, en 't eist geen opoffering van neigingen en lusten
+in het gewone leven van huiskamer en werkplaats. Doch wil men inderdaad
+in en door zijn kinderen het heil der toekomstige mensheid bevorderen,
+dan schijnt mij de aangewezen weg: Praat ze niet vroegrijp met allerlei
+ongepeilde beginselen en ongewogen algemeenheden en onbegrepen
+theorieën, maar doe ze dag aan dag ervaren—ervaren!—wat het betekent,
+een verkeerde lust te beheersen, een slechte neiging te bedwingen,
+een lelike stemming onder de knie te krijgen, een onedel gevoel op te
+lossen. Kinderen, die zich strijdend geoefend hebben in zelfverbetering,
+verrijken de mensheid—maar denken later niet zo eenvoudig over
+„maatschappelike hervormingen”. We leren—door dóén.
+
+ * * * * *
+
+Soms antwoorden we dus niet, omdat de kennis alleen door levenservaring
+kan worden aangebracht, een ander maal bovendien, omdat het juiste
+antwoord het kind al te hevig kan aangrijpen, zijn gemoedsrust
+verstoren, zijn verbeelding bezoedelen.
+
+Er zijn allerlei lichamelike en zedelike ziekten onder de volwassenen,
+waarover we met het kind niet spreken.
+
+Dat is nog al natuurlik, zal men zeggen. Maar zó natuurlik is dit niet.
+
+De kinderen horen op school, lezen wellicht op een aanplakbiljet, dat
+er een jongetje vermoord is. Het signalement van de vermoedelike dader
+wordt beschreven, het waarschijnlike motief voor zijn misdaad aangeduid.
+Nu komen de kinderen tuis en vragen, gelijk dat bij een goede verhouding
+vanzelf spreekt: „Maar Moeder, waaróm heeft die man dat jongetje
+vermoord? Wat had hij eraan?” Ze begrijpen, dat er een duistere
+bedoeling achter ligt, hebben misschien reeds enige bizonderheden
+gehoord, weten dat de man het kind met lekkernijen, met beloften, met
+een beroep op lieve kinderlike hulpvaardigheid heeft meegelokt, het
+water over, langs stille zandwegen, door de weiden, in de duinen. En
+voelende, dat zulk een gevaar ook hen zou kunnen bedreigen, vragen ze
+met onrustige aandrang: „Waarom dééd die man dat dan?”
+
+Moeten we nu spreken van abnormale sexuele neigingen?
+
+„Natúúrlik niet!” roept men weer, en nu nog beslister dan zo even.
+
+Doch hierop luidt mijn antwoord weer: „Zo natuurlik is dit niet.”
+
+'t Ging goed, wanneer onze kinderen alleen maar door zulk een geval,
+daar heel in de verte, nu en dan iets van die afdwalingen vernamen.
+Doch vergeten we niet, dat de gevaren henzelf bedreigen, en dat vaak
+de teerste en liefste en welwillendste kinderen er het slachtoffer van
+kunnen worden. Vergeten we niet, dat ons zwijgen oorzaak kan zijn, dat
+onze eigen kinderen... Ouders krimpen ineen bij de gedachte, dat hun
+jongetje aan zulke zielsangsten en lichaamsmarteling ten prooi zou
+kunnen zijn. Maar wat dóén ze, om het, naar hun vermogen, te behoeden?
+Het aangrijpende geval, in de kranten vermeld, geschiedde „daar heel in
+de verte”. Maar deze „verte” was in die kring zelf vreselike
+dichtbijheid.
+
+Driemaal in mijn leven ben ik in aanraking geweest met dit gevaar.
+
+De eerste maal betrof het mijzelf. Als kind van dertien jaar stond ik,
+bij schemeravond, op de Nieuwmarkt te Amsterdam, te kijken naar een
+„boekenstalletje”. Een jongeman van ruim 20 jaar kwam bij staan en begon
+een praatje. Ik vond dit vreemd, maar gaf antwoord. Zwijgen zou toch
+onbeleefd zijn geweest. Toen deed hij erg familiaar met zijn handen,
+kneep me heel vriendschappelik, en zei allerlei dingen die me niets
+aanstonden, alle van sexuele aard. Ik verstond en begreep, verstandelik,
+heel goed, wat hij zei, maar doorzag het niet. Het beviel me echter
+niets, maakte me onrustig, en ik ging weg. Maar hij liep mee, vroeg of
+ik naar huis ging, waar ik woonde, zei dat hij ook die kant uit moest.
+Ik kon hem natuurlik niet wegsturen en evenmin ontlopen, ofschoon mijn
+bevreemding en afkeer steeds groter werden door zijn vuile praatjes en
+onbeschaamde vieze voorstellen. Natuurlik kan ik die hier niet herhalen,
+_ofschoon het heel nuttig kon zijn ouders eens te zeggen, wat hun
+kinderen soms moeten horen van vreemden, als de opvoeders zwijgen_. Maar
+daarvoor is het hier de plaats niet. Alleen wil ik nog mededelen, dat
+hij ongeveer vijf minuten me bleef vergezellen en toen eindelik afdroop
+op mijn hardnekkig en beslist weigeren. In mijn eentje ging ik naar
+huis. 't Was inmiddels donker geworden en ik had nog wel een kwartier te
+lopen langs een gedeeltelik heel stille weg. Bang was ik absoluut niet,
+'k had ook geen aasje idee van 't gevaar dat me van zo nabij bedreigd
+had. Daarvan begon ik pas iets te beseffen, toen ik tuis alles vertelde.
+Mijn moeder werd wit van schrik. Allen luisterden met ontzetting en
+waren innig dankbaar, dat ik niet meegegaan was. Maar nog zei niemand
+me, wat die man gewild en beoogd had. Men gaf me alleen de algemene
+inlichting, dat zulke mensen heel lelike dingen doen, en daarbij de
+waarschuwing, nooit met ze mee te gaan. 't Gevaar was nu voorbij.
+
+Ik wil niet beweren, dat mijn ouders me hadden behoren in te lichten.
+Dit wil ik nog geheel in 't midden laten. Alleen moet ik opmerken, dat
+het mislukken van de schandelike pogingen voor een groot deel gedankt
+kon worden aan de grove, onhandige manier van de man. Had hij het
+slimmer, voorzichtiger aangelegd, niets onbehoorliks gezegd, alleen een
+beroep gedaan op mijn hulpvaardigheid, dan—schijnt het me nu toe—had
+ik hem gaarne geholpen en had ik hem zeker, vol vertrouwen, langs stille
+wegen begeleid. Zijn onbeschaamde, familiare manier van spreken en doen
+was mijn behoud. Maar hij had fijner kunnen optreden.
+
+We brachten—mijn vrouw, ik, en de kinderen—eens een zomervacantie
+buiten door, toen in het stil en afgelegen hotel een heer zich
+aanmeldde. Hij praatte met de kinderen der gasten en vroeg de weg.
+Een der kinderen, een vriendelik, bereidvaardig jongetje van zes
+jaar vertelde hem alles van de planten die hij geplukt had,
+lief-vertrouwelik, gelijk sommige kinderen dat kunnen doen, en was
+aanstonds klaar om met meneer een eindje op te lopen en hem zo de weg
+te wijzen. Gelukkig kwamen juist de volwassenen, die met de kinderen
+een wandeling zouden maken, en moest ook het kleine ventje mee, die er
+echter hartzeer van had, dat hij die meneer niet had kunnen helpen.
+Later, na de terugkeer van de wandeling, vernamen de ouders van de
+hotelknecht, dat de veldwachters „die meneer” hadden meegenomen wegens
+pogingen tot onzedelikheid met een boerejongen.
+
+Hier zien we, hoe gevallen, heel in de verte, ons soms heel dichtbij
+kunnen naderen, en behoedzaamheid plicht is. Achten we het al niet
+nodig en zelfs verkeerd, kinderen bizonderheden mee te delen, uit vrees
+daarmee blijvend hun verbeelding te verontreinigen en hun gemoed te
+verontrusten, een algemeen en zeer beslist verbod om _nooit_ met vreemde
+mensen mee te gaan, is toch haast onvermijdelik.
+
+En eenmaal is het mij in mijn onderwijzersloopbaan gebeurd, dat
+ik mee heb kunnen helpen, een oud-leerling, een fijn en braaf
+kind, te beschermen tegen de zeer verleidelike en voor de ouders
+bedriegelik-mooie aanbiedingen van een rijk heer. Dit leek nu inderdaad
+heel onschuldig. Mag een rijke zich niet het lot van een arme jongen
+aantrekken, hem uit zijn sfeer ophalen, en voor zijn toekomst zorgen? De
+ouders werden bang bij 't mooie aanbod, ontvingen van betrouwbare zijde
+nog tijdig een waarschuwing, en waren het met mij eens, dat arme jongens
+hun toekomst met hard werken moeten veroveren en die niet moeten
+ontvangen uit de handen van rijke meneren.
+
+De moeder vertelde, toen 't gevaar voorbij was, dat de kameraden van de
+jongen hem precies verteld hadden, wat „die smerige vent” op het oog
+had. „Meester, ze hebben 't hem zo maar ronduit gezegd.”—En weet hij
+'t nu? „Ja hoor.” En waarom hebben zijn vader en moeder niet met hem
+gesproken? Die zijn er toch het naast toe? „Ja, waarom! Dat moest een
+mens eigenlik doen. Maar Meester, dat durf je dan niet.”—Waarom niet?
+
+ * * * * *
+
+Is het mogelik en daarbij goed, kinderen de volle waarheid te zeggen in
+sexuele vragen. De volle waarheid kan men hun natuurlik nooit geven, en
+dat niet zo zeer uit een oogpunt van kiesheid, maar omdat de _volle_
+waarheid insluit en allereerst eist: de sexuele neigingen en driften.
+Deze zijn _de_ hoofdzaak van het probleem, en hierover kan niemand
+inlichting geven dan het leven zelf. Hier geldt wat ik reeds van
+verliefdheid en moederliefde zei: de realiteit is hier niet _het
+physies gebeuren_ en nog minder _de kennis daarvan_, maar _het psychies
+ervaren_. En zo zou men iemand van deze geheimenissen _alles_ kunnen
+zeggen, met het gevolg, dat hij er nog niet het _echte_ van wist.
+De mysteries van ons gemoeds- en neigingenleven worden niet door
+verstandelike voorlichting, maar alleen door levenservaring geopenbaard.
+
+Wat er overblijft en eigenlik alleen mee te delen valt, is een stuk
+natuurwetenschap. En nu wil ik wel eerlik verklaren, dat ik niet
+begrijpen kan, hoe iemand daar enig bezwaar in kan zien. Het gehele
+bevruchtingsproces bij planten, dieren en mensen is—natuurkundig
+bekeken—niets anders dan de samenbrenging van twee verschillende
+cellen. En ik begrijp bij al de haren op mijn hoofd niet, wat daar vies
+of onkies in kan wezen. De weg, waarlangs die samenbrenging geschiedt,
+is in 't ene geval wat anders dan in 't andere, maar dit is alleen een
+kwestie van physiologiese bouw.
+
+Wanneer men met kinderen van opeenvolgende leeftijden—en dat kan al
+op het vierde jaar beginnen—platen van het inwendig menselik lichaam
+bekijkt, behoeft men maar simpel de luchtpijp, de longen, de slokdarm,
+de maag, de darmen, het hart, de aderen, de urinewegen, de baarmoeder,
+de eierstokken aan te wijzen, en daarbij, in overeenstemming met de
+leeftijd der kinderen, te vertellen, waartoe die organen dienen,
+om al spoedig te ervaren, dat de kinderen het ene orgaan even
+belangrijk vinden als het andere, en in _geen enkel opzicht_ aan de
+geslachtsorganen en hun funkties meer belangstelling wijden dan b.v. aan
+die der spijsvertering. Alles is hun even (of even weinig) interessant.
+
+Men kan heus op alle vragen, die de kinderen in deze materie tot ons
+richten—op alle!—heel eerlik antwoorden, mits men vroegtijdig beginne
+en niet gewichtig-geheimzinnig, maar eenvoudig-wetenschappelik
+antwoorde.
+
+Vroegtijdig beginnen. Hebt ge ooit gemerkt, dat kinderen 't vreemd
+vonden, dat Vader een baard had en Moeder niet? dat de zon overdag
+scheen en 's nachts niet? dat vissen zwommen en duiven vlogen? dat
+stenen vielen en pluisjes zweefden? Kinderen wennen bijna al te
+gemakkelik aan de wonderen om hen en in hen. Maar als ze op hun tiende
+jaar voor 't eerst een neger zien, dan kijken ze vreemd op. Wacht niet.
+Wie wacht, vermeerdert ieder jaar de moeilikheid. Doch wie vroeg begint,
+ontmóét zelfs geen moeilikheden, dan wellicht in zijn eigen verdorven
+natuur.
+
+En maak geen nodeloze ontroeringen. Ik houd er niet van, als Moeders
+zo buitengewoon teer en uiterst behoedzaam, in een schemerhoekje, over
+deze dingen met de kinderen spreken en daarbij zelfs hun eigen pijnen en
+weeën te berde brengen, om het kind tot liefde en dankbaar medelijden
+te stemmen. Zo maken ze stemming en zogenaamd eerbiedige schroom. Zeg
+de dingen zakelik, niet bruut, niet ruw, maar wel nuchter, fris. Kweek
+zakelike belangstelling, zo blijven de kinderen het best geestelik
+gezond. Broeikasstemming kweekt exotiese gewassen.
+
+ * * * * *
+
+Het heeft me altijd verbaasd en geërgerd, wanneer fatsoenlike en zelfs
+godsdienstige mensen het geslachtelik leven onbetamelik en vies vonden.
+Hoe nu? Heeft God het dan niet aldus ingericht, en hebben wij ons voor
+Gods werk te schamen? Zouden wij het misschien nog op 't ogenblik God
+willen verbeteren? Al is het waar, dat de zonde dit terrein tot haar
+bedervende en vernielende werking kiest, die zonde openbaart zich
+hier wellicht het snelst en het zichtbaarst, maar waarlik niet in
+haar ernstigste karakter. Zij sluipt ook het gebedsleven binnen, het
+geestelike verkeer met God, en vergiftigt de ziel met opborrelende
+bewondering voor eigen welsprekendheid bij het openlik belijden
+van eigen onmacht. Zullen we ons nu schamen voor het gebed? Onze
+arbeidzaamheid, ons winnen van het dageliks brood, weet zij tot gierig
+opzamelen te doen ontaarden, waarbij we een medemens laten verkwijnen.
+Zullen we nu afkerig worden van werken en winnen? De zonde vergiftigt
+iedere openbaring van zinnelik en geestelik leven en dan dunken mij de
+hoogmoed, de nijd, de gierigheid ja wat heillozer dan de zinnelike
+afdwaling.
+
+Zoals God onze lichamelike funktiën heeft ingericht, hebben wij ze te
+aanvaarden en te eren en te bewonderen. Wat zouden wij er dan bezwaar
+tegen inbrengen, ze—physiologies—met onze kinderen te bespreken?
+Wie het doet met eenvoud, oprechtheid, zonder gewichtigdoenerij, zal
+ervaren, dat noch de reinheid, noch de fijnheid van het kinderlik gemoed
+er ook maar iets bij heeft in te boeten, en beide juist veel echter en
+mooier worden.
+
+Vergissen we ons evenwel niet. Het gaat hier alleen om _waarheid in de
+opvoeding_. Want wie menen mocht, dat in de eerlike voorlichting de
+_zedelike opvoeding_ bestaat, komt bedrogen uit. Als dát waar was,
+zouden alle mediese studenten wel engelen van reinheid moeten zijn.
+En hoe wensenswaard we dit mochten achten in hun eigen belang en dat
+hunner toekomstige vrouwen en kinderen, we mogen het op grond van hun
+wetenschappelike opleiding toch maar zo grif niet aannemen. Kennis
+heet macht. We mochten willen, dat het, op dit gebied, waar bleek.
+Dan viel de zedelike opvoeding, ook de zedelike zelfopvoeding, ja wat
+gemakkeliker. Kennis waarborgt in geen enkel opzicht morele gezindheid,
+morele kracht, niet eens wijs beleid. Alleen heiliging der neiging kan
+ons helpen. En die wordt niet door kennis verkregen.
+
+Waarom we dan toch op kennis aandringen?
+
+Omdat ze later onmisbaar is en ze het best geleidelik met vroegtijdig
+wennen wordt aangebracht, en dan door de ouders zelf. Het kind vraagt en
+zal blijven vragen, en ontvangt het geen antwoord van zijn ouders, dan
+zullen vriendjes en vriendinnetjes het zelfs ongevraagd inlichten. Hoe?
+Dat is toch wel algemeen bekend: onjuist, onrein, met zeer gevaarlike
+bijmengselen voor gemoed en verbeelding, die—en men vergete dit toch
+niet—het kind in een apart wereldje doen leven, verwijderd van zijn
+ouders. Niet ouderlike voorlichting, maar de troebele bron der geheime
+mededeling bederft enorm veel kinderreinheid en kinderbegrip, die beide
+ontzien en zelfs gebaat zouden zijn door tijdige opheldering van de
+alleen bevoegden. In donker vermenigvuldigen zich vele schadelike
+bakteriën, die door 't zonnelicht gedood worden.
+
+
+IV.
+
+Wees waar in uw gedragingen tegenover uw ook nog heel kleine kinderen.
+
+Gun dezen waar te zijn in hun oordelen over anderen.
+
+Geef naar waarheid antwoord op hun vragen.
+
+Deze drie voorschriften werden in de eerste drie artikelen aanbevolen.
+
+Er zijn volwassenen, ouders, die er niet van willen weten.
+
+Waarom niet?
+
+Uit gemakzucht en lafheid, zijn we geneigd te zeggen. Ze zijn te traag
+en missen de moed, om met de sleur te breken.
+
+Zeker, dit komt veelvuldig voor, doch eer we hierover ons veroordelend
+vonnis vellen, willen we aan het goede in deze „gemakzucht en lafheid”
+recht doen wedervaren.
+
+Niet iedereen heeft aanleg, gelegenheid en tijd, om zich ernstige
+opvoedingsproblemen in te denken. Is het dan niet voorzichtiger, zich
+bij 't oude te houden, waarbij men zelf niet verongelukt is, dan met
+onvoldoend inzicht en ontoereikende kracht een nieuwe weg in te slaan,
+waarvan het minstens nog twijfelachtig moet heten, of hij naar het doel
+leidt?
+
+Onze ouders hebben ons ook allerlei praatjes wijs gemaakt, met velerlei
+kluitjes in 't riet gestuurd, en honderd malen het zwijgen opgelegd,
+maar ze meenden het toch goed met hun kinderen, hebben ze met liefde
+gekoesterd, hard voor ze gewerkt, ten slotte ze met ere grootgebracht.
+Zullen wij nu hun opvoedingspraktijk willen critiseren en verbeteren?
+
+Hun manier moge dan haar gebreken hebben, duizenden en millioenen hebben
+er zich wel bij bevonden. Dit is geen principe, maar een ervaring. En
+deze ervaring heeft bewijskracht. Wanneer de massa, in wie toch het
+zelfbehoudsinstinkt werkt, met een gerust hart zekere paden volgt,
+gedachte- en critiekloos, zijn daar zeker wel goede redenen voor te
+vinden, ook al is men zich die niet bewust. Sleur is vaak: instinktief
+vertrouwen in de wijsheid van 't voorgeslacht.
+
+Met laatdunkende geringschatting wordt vaak van de „oude paden”
+gesmaald. Dan heet het, dat we niet laks en lauw het „platgetreden pad”
+moeten bewandelen en „nieuwe wegen” moeten zoeken. Maar het zou er
+treurig met ons en met de vooruitgang uitzien, als we telkens door zand
+en hei en woud en moeras nieuwe wegen moesten banen. We volgen heel
+verstandig de wegen, door onze voorgangers platgetrapt, uitgehakt,
+aangelegd, al verzuimen we niet ze te verbeteren en daarnaast de
+nodige nieuwe wegen aan te leggen. Verguizing van het voorgeslacht is
+ondankbaar en dom, loopt uit op schade en schande, en het is niet alleen
+wijs en voorzichtig, wanneer jonge ouders gedachteloos het voorbeeld
+hunner eigen ouders volgen, indien ze niet van een betre gedragslijn
+overtuigd zijn, maar er spreekt ook een eerbiedvol vertrouwen uit,
+dat—hoewel niet bestand tegen een onbarmhartige maar in zijn
+verstandelikheid toch bekrompen critiek—én de ouderen én de jongeren
+eert. Er is toch, ondanks het gemis aan wat men noemt „waarheid in de
+opvoeding”, een geest van gehechtheid aangekweekt, die op slot van
+rekening ja wat meer levensgeluk meebrengt dan een helderheid van
+inzicht, die de harten koud heeft gelaten.
+
+ * * * * *
+
+Wat als gemakzucht veroordeeld wordt, is dus meermalen vertrouwenvolle
+voorzichtigheid, die zich aan 't beproefde oude houdt en dit met zijn
+deugden en gebreken overneemt, waar de critiek heeft gezwegen en de
+drang tot reiner practijk ontbroken.
+
+Zo is het verwijt van lafheid ook vaak ongegrond. Zeker, menigeen durft
+niet de eenvoudige waarheid te zeggen, hij is er niet bij grootgebracht
+en huivert er nu voor terug. 't Is hem, alsof hij zich in een vreemd
+land begaf, waar in het duister der onbekendheid allerlei gevaren
+dreigen, in ieder geval zich telkens nieuwe moeilikheden voordoen,
+waarop hij niet gerekend had en waarvoor hij niet berekend is. Maar
+mogen we deze vrees lafheid noemen? Er spreekt veeleer zelfkennis en
+wijze behoedzaamheid uit.
+
+Er is bij velen een angstig terugdeinzen voor de naakte, de geheel
+naakte waarheid. Is dit lafheid? Het kan evenzeer schaamte zijn en
+eerbiedige schroom.
+
+Het Paradijsverhaal laat de eerste mensen bedekking hunner naaktheid
+zoeken, niet tegen de koude, niet ter bescherming tegen letsel, maar
+uit ontwaakte schaamte na bedreven kwaad. Zondebesef maakt het hun
+onmogelik, zich onbevangen te geven, gelijk ze zijn. En is dit tans, met
+ons, nog niet volkomen hetzelfde? Wie durft zich gehéél te geven, gelijk
+hij is? Alleen de schaamteloosheid, die geen oog heeft voor eigen grote
+tekortkomingen, of de zuivere onschuld. Maar wij overigen, we hullen
+ons in allerlei klederen van schijn, dekken ons met de vijgebladeren
+van vormelike braafheid, omdat we ons innerlik, met al zijn zondige
+bewegingen, niet eens tegenover ons zelf in zijn naakte waarheid durven
+vertonen. We huiveren terug voor zulk een waarheid. En terecht.
+
+Want wij kunnen de Waarheid niet dragen. Wanneer wij, door één woord uit
+te spreken, eens plotseling _alles_ zouden zien, _alles_ horen, _alles_
+weten, alle gedachten in alle mensenhoofden kennen, alle neigingen in
+alle mensenharten, het gehele verleden, de volle toekomst, wie zou dat
+woord durven uitspreken? Dan zouden we de gehele werkelikheid, en daarin
+de waarheid hebben. Doch eer we er een millioen malen millioenste deel
+van zouden ontvangen hebben, zouden we al bezweken zijn. Alleen de
+oppervlakkige domheid durft de „naakte waarheid” aanvaarden, omdat ze
+haar toch niet ziet.
+
+Vertrouwen, schaamte, schroom weerhouden menigeen—ook al is hij zich
+zelf de aard dezer remming niet bewust—de aanbevolen drie voorschriften
+te volgen. Wel verre van dit te misprijzen, moet men gelukkig zijn met
+de aanwezigheid en de uitwerking dier gemoeds-realiteiten. Zij zijn
+de schatbewaarders onzer beste geestelike goederen. Zonder haar
+behoudszucht zou de vooruitgang ons al te licht in 't moeras brengen. En
+veel meer te vrezen is de voorthollende nieuwlichter, die bezwaren noch
+gevaren ziet, dan de aarzelende „duisterling”, zelfs al wordt hij als
+„conservatief” gebrandmerkt, die niet waagt, omdat hij er anderen niet
+gaarne aan waagt.
+
+ * * * * *
+
+Kunnen we het goed recht bepleiten en waardering gevoelen voor de
+opvatting van behoudszucht, waar deze kort en goed verklaart: „onze
+ouders waren ook niet dom” en daarmee van een verandering in velerlei
+levenspraktijk niet weten wil, niet zo welwillend zijn we gestemd
+tegenover de mening, die de waarheid uit de opvoeding weren wil, omdat
+ze de dood zou zijn voor alle poëzie. Want hier wordt eenvoudig wat
+geleuterd.
+
+„Alles wordt zo nuchter, zo prozaïsch,” klaagt de in 't proza der
+vormelikheid verdorde ziel, „wanneer het kind niet meer in Sint Niklaas
+geloven mag en precies moet weten, dat Oom Willem maar voor Sint Niklaas
+_speelt_; wanneer het niet meer mag uitzien naar de ooievaar, die
+broertjes brengt, of zich voorstellen, hoe zusje uit de kool kruipt;
+wanneer het horen moet, dat zusje in moeder groeit—o, shocking!—en
+hoe dat lieve kindje ontstaan is uit de vereniging van twee cellen;
+wanneer de sprookjes uit de kinderwereld verjaagd worden, de elfen en
+de kabouters, de betoverde prinsessen en de wonderdoende tovenaars en
+alle verdere bekoorlik- en griezeligheden. Dan blijft er tenlaatste
+niets meer over dan sommen en zinsontledingen en geraamten van bladeren,
+dieren en menselike wetenschap. En dan wordt het zo kil en zo donker in
+het jonge gemoed.”
+
+Is de klacht gegrond?
+
+Al aanstonds niet, waar ze vreest voor 't verbannen der sprookjes. Het
+vertellen dier kleurige verbeeldingen kan heel best gepaard gaan met
+„waarheid in de opvoeding.” Of dieren kunnen spreken, is geen vraag. Ze
+kúnnen spreken, zowel onder elkander als tegen de mensen. Dat weet ieder
+die met dieren omgaat, al dringt hij niet door tot de finesses van hun
+taal. Een verhaaltje met pratende dieren is natuurlik verdicht, maar
+kan niettemin evenzeer waar zijn als een, ook verdicht, verhaal met
+pratende mensen. En zijn er geen elfen, geen kabouters, geen betoverde
+prinsessen? De wereld is er vol van, al zien ze er niet steeds precies
+zo uit als de phantasie van ons dichterlik gemoed ze uitbeeldt.
+Lieftallige zegenende natuurtjes, kleine kwelgeesten, lelike eendjes
+die ten slotte mooie zwanen blijken, ze omringen ons, dag aan dag, en
+onze fout is alleen, dat we ze alleen maar zien in de vertellingen,
+dat we niet dichterlik genoeg zijn om ze in de levende werkelikheid te
+aanschouwen. Die klagers en klaagsters over het prozaische der nuchtere
+waarheid zijn eigenlik echte prozamensen, zo door en door prozamensen,
+dat ze de verbeeldingen van anderen behoeven, om daarmee hun lege
+gemoedshuis te meubileren.
+
+De sprookjes blijven dus en alleen uit erbarmen met het kind besparen
+we dit de ijselikheden van grootmoeders-verslindende-wolven, zoals we
+het tere gemoed ook niet willen verscheuren met de angsten van kleine
+knaapjes, in de greep van sexueel krankzinnige moordenaars. Niet het
+verbeeldingrijke is de grief tegen vele sprookjes van Grimm, maar het
+grove, gevoelloze, schokkende, en we verhalen evenmin met aangrijpende
+aanschouwelikheid de ontzettendheden van het slagveld, de epidemieën,
+of de gevangenissen, als die uit de sprookjeswereld. Hier gaat het niet
+om waarheid of onwaarheid, maar om de hygiëne van het kinderlik
+gemoedsleven.
+
+Dat de jeugd van wonderdoende tovenaars vervreemd wordt, wanneer de
+waarheid haar strenge eisen stelt, kan alleen opkomen in het brein der
+breinloze onnozelheid. Is niet het ontspruiten van iedere zaadkiem een
+wonder en het openen van iedere bloemknop? Wie tovert daar uit de zwarte
+grond die groene stengels met die kleurige kelken? Daar droppelen wat
+nevels op de aarde, daar spelen wat gouden stralen over die donkerheid,
+en er verrijzen groene zuiltjes, zwevend van lenigheid, en waarop zich
+rode en gele en blauwe offerschalen ontplooien, die bedwelmend zoete
+geuren omhoog zenden. En het grootste wonder bij dit wonder is, dat
+we de toverwereld zien, zonder dat de tovenaar zelf aanwezig schijnt.
+Een man, die uit een lege hoed levende vogels schijnt te halen,
+gapen we met eerbied aan. Doch zie nu, daar ontstaat vanzelf—kan
+het toverachtiger?—vanzélf een weelde van vormen en kleuren en
+geuren, en we zien het niet, en zo al, dan aanvaarden we het als een
+„vanzelfsheid”, waaraan alle wonder vreemd is. Alleen onze blindheid
+voor de toverwereld der werkelikheid klaagt over armoede te midden van
+de rijkdom, en het zijn weer, vrees ik, de misdeelde zielen, die voor de
+gekunsteldheid der menselike tovenaars pleiten, omdat ze instinktmatig
+voelen alles te verliezen, waar dit maakwerk hun ontvalt. 't Is echter
+wat veel gevergd, hun hol gelawaai, hun conventioneel gekerm, hun
+grootwoordige gevoelloosheid te respekteren als bewijzen hunner warme
+liefde voor het wondervolle. Zolang er leven is, is er wonder, en ieder
+vliegje, zwevend door de kamer, is met zijn gazen vleugeltjes of waar
+het straks langs de vensterruit wandelt, een zwevend sprookje, een
+wandelend mysterie.
+
+ * * * * *
+
+Het is verre van mij, sprookjes en wonderverhalen te willen verbannen,
+doch men vergete toch niet, dat deze niet verteld worden als antwoorden
+op kindervragen. Geheel iets anders is het met de ooievaarshistorie en
+de Sint Niklaasmanifestatie. Hier wordt niet als vertelseltje, niet als
+toneelspel, maar als werkelikheid aangeboden en onbevangen aangenomen,
+wat geen werkelikheid is. Bij 't verhaal van de wolf en de zeven geitjes
+weten de kinderen heel goed, dat het „een verhaaltje” is, en geen moeder
+heeft er plezier in, haar kind met alle geweld te doen geloven, dat de
+geitjes weer levend te voorschijn kwamen, toen de buik van de wolf werd
+opengesneden. Het kind luistert en leeft mee, alsof het waarheid was,
+maar wéét het tegendeel, en de moeder laat het daarbij. Maar zelfs als
+het kind uit zichzelf begint te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die
+bisschop en niet meer kán geloven, dat een ooievaar een kindje door de
+lucht kan dragen, doen de volwassenen nog hun best, deze twijfel te
+onderdrukken, vrezende het feest dan al zijn heerlikheid en de geboorte
+al haar reinheid te doen verliezen, beide van hun „heerlike poëzie” te
+beroven. Dit nu wijst op een averechtse opvatting van poëzie, volgens
+welke deze onmogelik zou wezen zonder zulke geloverijen in overgeleverde
+voorstellingen.
+
+Poëzie is een _kracht_ in de mens. Zij openbaart zich in verbeeldingen
+en materialisaties. Zo kunnen de scheppingen van het voorgeslacht de
+poëzie vertolken van vergane eeuwen. Maar in zichzelf zijn ze geen
+poëzie.
+
+Men kan wel zeggen, dat in ieder kind deze kracht werkt. Een jonge
+moeder schrijft me van haar vierjarig dochtertje: „Op 't ogenblik
+amuseert ze zich nog al eens met vijf kleine dochters en twee kleine
+broertjes, die enkel in haar verbeelding bestaan, maar waarvoor ze
+toch in Gouda blauwe en witte jurken gaat kopen, waarvoor ze kleren
+strijkt, die ze te eten geeft en in het bad stopt.” Waar komen al deze
+dochtertjes en broertjes vandaan? Wie maakt ze zo werkelik, dat Anneke
+jurken voor ze koopt en deze zelfs strijkt? Behoeft de moeder daarvoor
+'t kind iets wijs te maken? Wel neen, 't kind maakt zichzelf iets wijs,
+en dit is de ware aard der poëzie: deze kracht heeft scheppingsvermogen.
+Poëzie komt van een werkwoord, dat _maken_ beteekent, zij maakt iets,
+zij schept, zij beeldt uit, zij geeft stemming gestalte, zij maakt
+neiging tot droom en droom tot levensrealiteit. En _deze_ poëzie maakt
+het mensenkind rijk te midden der armoede.
+
+Heeft niet elke moeder die kracht in haar kinderen zien werken? Ze is
+niet verbeelding. Ze _gebruikt_ verbeelding. Deze is haar dienaresse. Ze
+is niet schoonheid. Ze tovert schoonheid. Ze is, wat de levenskracht in
+de natuur is. Ze is scheppingsvermogen, opborrelend uit de geheimzinnige
+bron van het leven zelf. En gelijk die levenskracht in de natuur de
+sprookjes der bloemen- en dierenwereld voor onze ogen als reëele
+schoonheid doet verschijnen, zo roept zij uit de donkere aardbodem der
+kinderziel de sprookjes van kindertjes in blauwe jurkjes, die grote
+reizen maken in de spoortreinen der stoelen.
+
+Nooit heb ik kinderen—én mensen!—gelukkiger gezien, dan wanneer
+ze hun eigen scheppingsdrang konden volgen. Verloren in arbeid,
+maakten ze, rustig gelukkig, hun mooie, ook wel hun constructieve
+verbeeldingen—kleine ingenieurs—tot zichtbare en tastbare
+werkelikheid. Dan waren ze aan het dichten. Dan werkte de Poëzie
+in hen. En deze Poëzie kon door de verhaaltjes van wolven en elfen
+en Sint-Niklazen wel van haar oorspronkelikheid verliezen, door de
+ooievaarshistorie wel in voorvaderlike banen geleid of misleid worden,
+maar behoefde dit verbeeldingsmateriaal niet, om te worden gewekt of
+gevoed.
+
+Men versta mij nogmaals wel: ik bestrijd hier niet het vertellen van
+deze dingen, ik betwist alleen, dat zij nodig zouden zijn, om wat poëzie
+te brengen in de kinderwereld.
+
+En zo vreze men dus niet, door zuiver-zakelike inlichtingen, door
+eerlik-nauwkeurige antwoorden de poëzie in de kinderziel te doden. Het
+kind gebruikt de verworven kennis als bouwstoffen voor zijn scheppingen.
+Doch laten we nu de zaak niet omkeren. Wanneer het kind toverpaleizen
+maakt van stoven en prinsessen van poken, wanneer kiezelsteentjes tot
+uitgezochte versnaperingen worden en nietsigheden tot prachtdingen,
+wanneer het uit de lucht vriendjes en vriendinnetjes oproept en met
+deze phantomen ernstige gesprekken voert en zelfs vrolike spelletjes
+speelt, dan moeten wij niet zeggen: dat alles bestaat niet, dat is maar
+verbeelding, want dan vergrijpen we ons evenzeer aan de ziel van het
+kind, als wanneer we deze met leugens menen te vormen. We moeten het
+goed beseffen: rijmende regels maken geen gedicht en conventionele
+voorstellingen geen poëzie. Het gedicht zingt zelf zijn rythmiese
+regels, de poëzie roept zelf haar verbeeldingen op, en beide komen, als
+vogelgejubel uit verliefde keeltjes, als schone uitlevingen van het
+bewogen gemoed.
+
+
+V.
+
+Waarheid in de opvoeding, zo zeiden we in het begin, is slechts een
+middel.
+
+_Slechts_ een middel.
+
+Maar welk een heerlike vrucht kan het ons bezorgen.
+
+Als we jegens elkander steeds _waar_ zijn, groeit er een steeds dichter
+_onderling vertrouwen_ op.
+
+En dit vertrouwen geeft aan 't onmisbaar verkeer met mensen—in 't
+gezin, in school en kerk, in de fabriek, in de... Staten-Generaal!—zo'n
+veilig rustgevoel.
+
+Onderling vertrouwen is een geestelike atmosfeer, weldadig en
+vruchtbarend.
+
+Evenwel—hoe verkwikkend en sterkend, dit vertrouwen is toch ook weer
+slechts een middel.
+
+Wanneer de leden onzer roverbende volkomen op malkaar kunnen rekenen,
+volkómen, is hun dit wel zeer geriefelik in 't bedrijf, maar waarborgt
+het in geen enkel opzicht hun zedelike vooruitgang.
+
+Het is verwonderlik, hoe vele zogenoemde deugden eigenlik alleen
+bruikbaarheden zijn, middelen die voor een zeker doel „deugen”,
+maar met waarachtige zedelikheid niets te maken hebben. Waarheid en
+vertrouwen—'t zijn woorden met een edele klank, vertegenwoordigen ook
+wel mooie eigenschappen, de vraag is echter: welk doel beogen we ermee?
+
+Heiliging van ons zelf en anderen?
+
+Dan is 't goed.
+
+Doch zedelik verderf van onszelf en anderen?
+
+Ook dit kan door waarheid en vertrouwen worden beoogd en bereikt.
+
+Een goudstuk kan God of de Duivel dienen. Bouwen we er kroegen en
+bordelen van of weeshuizen? In zichzelf heeft het geen waarde. En zo is
+'t ook met de goudstukken van vele zogenaamde deugden. Wat bouwen we er
+mee op?
+
+Wat bouwen we met waarheid en vertrouwen in onze kinderen op?
+
+Het is niet de zon der waarheid, het is niet de dampkring van 't
+vertrouwen, die beslissen over de toekomst. Dezelfde zon, dezelfde
+dampkring doen giftplanten en voedingsgewassen uitgroeien.
+
+Zon en dampkring zijn slechts middelen.
+
+De aanleg, in de zaadkorrel verborgen, is het zijnde, het bepalende.
+Daarvan hangt de aard van het gewas af. En de hoofdvraag is dus in de
+opvoeding: Wat doen we met de aanleg van 't kind?
+
+Kunnen we die beinvloeden?
+
+Kunnen we die _veranderen_?
+
+Dit laatste lijkt onmogelik.
+
+Er kan alleen sprake zijn van een bevorderen en belemmeren. Een kweken
+of verstikken van aanwezige eigenschappen.
+
+Zoals een kind geboren is, _is_ het geboren. Het heeft in zijn aanleg
+zijn bestemming.
+
+Is er dan geen „wedergeboorte” mogelik?
+
+De grenzen van dit opstel gedogen niet de behandeling van deze vraag.
+Ze wordt hier alleen gesteld, om ons eraan te herinneren, dat het
+gewichtigste probleem der opvoeding, de zedelike vorming, op een ander
+gebied ligt dan we nu hebben betreden.
+
+Wie omtrent de mogelikheid van aardverandering, van wedergeboorte, een
+belangrijk boek raadplegen wil, leze: „Gebroken aardewerk” van Harold
+Begbie.[3] Eén citaat kan volstaan, om de betekenis van dit werk te
+doen uitkomen: „Wat wij ook van het verschijnsel zelf mogen denken, het
+feit staat vast, dat door hetgeen wij bekeering noemen, menschen die met
+bewustheid het verkeerde doen, die slecht en ongelukkig zijn, op eens
+met hun vrijen wil het goede doen en zich gelukkig gevoelen. Het brengt
+geen _verandering_ te weeg maar een _omkeering_ in aard. _Het schept
+een nieuwe persoonlijkheid._ De uitdrukking „wedergeboorte” is geen
+rhetorische overdrijving, maar _een feit uit het gebied der zielkunde_.”
+
+[3] Naar het 250ste duizendtal van de Engelsche uitgave door G.
+ Akersloot. Utrecht, H. Honig. 1912. Prijs ƒ 1,25.
+
+Men zal erkennen, dat deze uitspraak aan beslistheid niets te wensen
+overlaat. En daarbij vergete men niet, dat de schr. leerling is van
+Prof. William James, de psycholoog, aan wie hij zijn boek „met
+bewondering en eerbied” opdraagt.
+
+Deze kwestie brengt ons in het hart der zedelike opvoeding en we
+hopen er, naar aanleiding van het genoemde boek, onze aandacht aan
+te schenken. Wellicht moeten we dan tot de conclusie komen, dat de
+„wedergeboorte” toch niet een „nieuwe persoonlikheid” schept, maar
+verborgen elementen der oude persoonlikheid heeft doen uitschieten.
+We kunnen ons onmogelik een te-voorschijn-komen van een nieuwe aard
+voorstellen en het feit zelf verliest toch niets van zijn aangrijpende
+betekenis, wanneer we aannemen, dat in de bekeerde latente eigenschappen
+zo krachtig zijn opgetreden, dat ze de verschijning der persoonlikheid
+als 't ware een geheel nieuw karakter hebben gegeven.
+
+Hoe het zij, we kunnen noch wensen er op 't ogenblik dieper op in te
+gaan. We moesten echter nóg eens duidelik uitspreken, dat de vorming
+der morele persoonlikheid beheerst wordt door andere faktoren dan door
+„waarheid in de opvoeding”, al is dit „middel” belangrijk genoeg, om,
+eer we eindigen, zijn betekenis ook nog toe te lichten in de omgang met
+de oudere kinderen van 14–20 jaar.
+
+ * * * * *
+
+Met jongelieden van deze leeftijd volkomen waar om te gaan, valt vele
+volwassenen moeilik, moeiliker dan met kinderen beneden die leeftijd.
+
+Dit is geen wonder.
+
+Jonge kinderen, als ze naar belangrijke dingen vragen, vragen haast
+altijd uit voorbijgaande nieuwsgierigheid. Hun weetgierigheid is meer
+een geestelik spelletje dan uitvloeisel van diepgevoelde hartedrang. Ze
+willen iets weten, omdat plotseling een vraag _vóór_ hen oprijst. Maar
+de vragen rijzen niet zo _in_ hen op. Wanneer ze antwoord krijgen, zijn
+ze dan ook onmiddellik tevreden en laten de pas verworven wijsheid
+straks weer gemoedelik schieten. Ze hebben geen flauw besef van de
+belangrijkheid hunner vragen en van het gewicht der antwoorden.
+
+Niet alzo is het bij de jongelieden. Bij hen wordt het ernst. En daarom
+kunnen vele ouders gemakkeliker waar zijn met de kleintjes, dan met
+de groten. Bij die kleintjes blijft het toch maar aan de oppervlakte.
+Die denken niet door. Die staan geheel in hun eigen kinderwereldje,
+brengen daar de wijsheid der volwassenen heen en herleiden ze tot
+kinderproporties. Ze maken van alles iets kinderliks, omdat ze de
+gevoelens en denkbeelden der ouderen niet kúnnen verstaan.
+
+De jongelieden echter gaan met hun _ervaringen_ gaandeweg in de wereld
+der volwassenen over. Zij komen ons physies en psychies hoe langer
+hoe dichter bij. Zij vragen niet uit speelse nieuwsgierigheid, zoals
+zonnestraaltjes even door 't lover trillen, maar uit levensbehoefte,
+gelijk wortels in de grond dringen om voedsel te halen en een
+stevige stand te verzekeren. Hun opmerkingen zijn gekleurd door hun
+persoonlikheid, die zich in steeds helderder en scherper trekken
+openbaart. En de ouders voelen, dat langzamerhand gelijken hen naderen,
+zij het ook dat deze nog vele kenmerken van onrijpheid vertonen. Dit
+maakt vele ouders onrustig en ze ontwijken hun opgroeiende kinderen.
+
+Daardoor doen ze die opgroeiende kinderen te kort.
+
+Over 't algemeen worden onze „jongelingen” en „jonge meisjes”
+opvoedkundig niet zo goed verzorgd als de „kinderen”. Hun halfslachtige
+positie typeert hun hele leeftijd en komt reeds uit in het gemis van een
+eigen naam. Er zijn kinderen en volwassenen. En daar tussen in?
+
+Heeft men er wel eens aan gedacht, hoe impopulair de namen „jongelingen”
+en „jongedochters” zijn? We durven ze haast niet te gebruiken. Met heel
+veel gemak spreekt iedereen over kinderen, maar we voelen aanstonds
+enige en soms grote stroefheid in onze spraakwerktuigen, als we 't
+over jongelingen en jongedochters moeten hebben. Die woorden willen
+ons niet familiaar worden en schijnen zich alleen tuis te gevoelen
+in deftige verbindingen als „Christelijke Jongelingsvereeniging” en
+stijve toespraken. Voor dit opgroeiend geslacht hebben we geen eigen,
+vertrouwlike, inheemse namen, waarmee het volk in al zijn lagen voor
+den dag durft komen, en de wetenschappelike opvoedkundige schrijvers
+der laatste jaren vergasten ons op het woord _pubers_. Al herinnert
+dit woord eraan, dat deze knapen en meisjes in de puberteitsperiode
+zijn, is het daarom een woord, waarmee een gewone liefhebbende moeder
+haar kinderen kan aanduiden? „Uw jongens en meisjes zijn gelukkig de
+kinderleeftijd te boven, mevrouw!”—„Ja, meneer, dat zijn gelukkig al
+pubers.” Neen, dat gaat niet.
+
+Dan maar liever gesproken van „jongemannen”, „jongeheren”, „jongedames”,
+al bewijzen deze woorden duidelik, dat de betrokkenen geen eigen namen
+bezitten, maar tevreden moeten zijn met die der volwassenen voorafgegaan
+door het beperkende „jonge”. Te groot voor een servet en te klein voor
+een tafellaken, moeten ze het stellen zonder eigen disdoek en zich in
+vredesnaam met het tafellaken der ouderen maar leren zindelik houden.
+Ze hebben een eigen positie, een eigen karakter, eigen noden, maar deze
+worden niet derwijze erkend, dat er ook eigen namen, eigen rechten,
+eigen voorzieningen komen.
+
+Laat de eigen namen dan weg blijven, indien de eigen rechten maar
+toegekend en de eigen voorzieningen verschaft worden. Nog oneindig meer
+dan bij de opvoeding der kleinen is waarheid nodig in de omgang met de
+groten. Voor hen kan het een levensredding zijn.
+
+ * * * * *
+
+Doch nu wordt er van de ouders grote zelfverlochening geeist. Hoe
+gaarne ze ook zagen, dat de jongelui de ideeën, idealen, beschouwingen
+der ouders deelden, ze moeten het kunnen verdragen, dat het precies
+omgekeerd is en de jongeren met hun denkbeelden en toekomstplannen
+lijnrecht tegenover hen staan.
+
+Vader en Moeder zijn steeds rechtzinnig godsdienstig geweest en hebben
+hun kinderen trouw in die geest opgevoed. Nu komt er echter twijfel in
+de harten dier kinderen. Een maar al te verklaarbare twijfel. Hun gemoed
+komt in opstand tegen de voorstelling van een God, die zoveel zonde en
+ellende toelaat ondanks zijn liefde en almacht, hun verstand heeft geen
+vrede met het aannemen van waarheden, die strijden met rede en natuur.
+Ze kunnen onmogelik geloven, dat water in wijn veranderd wordt en een
+dode opgewekt, en alles in hen verzet zich tegen een Vaderliefde, die
+een enige Zoon aan het Kruis doet nagelen, om door dat offer te voldoen
+aan de eis der gekrenkte rechtvaardigheid. Zij zouden zelf zo geheel
+anders doen, zij zouden geen „wonderen” nodig hebben om hun goddelikheid
+te bewijzen en deze goddelikheid liever getoond hebben in het
+_voorkomen_ van de zonde bij de mensenkinderen, dan in het offeren van
+een enig kind nadat die mensenkinderen eerst in de zondeval waren
+gelopen.
+
+Ze voelen er iets zo bitter, bitter oneerliks in: eerst de mensen
+scheppen met eigenschappen, die hen zéér zeker zullen doen vallen en hun
+daarna die val verwijten en ze ervoor straffen. En dan nog aan te nemen,
+dat de niet alleen almachtige dit gans anders had kunnen inrichten, maar
+de alwetende dit alles reeds van te voren wist, dat Hij, aleer de mensen
+in 't aanzijn te roepen, reeds wist dat zij vallen zouden! Hoe, in
+vredesnaam, blijft er voor die arme verdoolden, wier lot reeds lang te
+voren bepaald was, enige verantwoordelikheid over voor bedreven schuld!
+Indien hier schuld is, dan voorwaar niet bij deze slachtoffers, wier
+lot was voorzien en voorzegd, en die, door goddelike almacht gedwongen,
+door een goddelik raadsbesluit genoodzaakt, wel móésten vallen! Waren
+de mensen zondenvrij gebleven, dan ware het goddelike raadsbesluit
+niet uitgevoerd! De ongehoorzaamheid in het Paradijs was dus, in
+eeuwigheidslicht beschouwd, eigenlik gehoorzaamheid. De eerste mensen
+gehoorzaamden, en juist door hun overtreding, aan hetgeen de almachtige
+reeds van eeuwigheid her besloten had. Maar moest hun die
+„gehoorzaamheid” dan als vergrijp worden toegerekend?
+
+Het is voor rechtzinnig gelovende ouders smartelik, als hun kinderen
+met deze critiek tot hen komen, te smarteliker, waar zij er ongoddelike
+machten in zien werken, eigengerechtigheid en geestelike hoogmoed,
+eigenwillige dienst des verstands, en vrezen dat de zielen, in de greep
+van Satan, verloren zullen gaan. Voor waarlik gelovenden openbaart zich
+hier niet een „verschil van zienswijze”, waarover te redeneren valt,
+maar een _zwenking in zielerichting_, die—als God het niet verhoedt—op
+verderf, op eeuwige rampzaligheid moet uitlopen. Oppervlakkig ongeloof
+denkt hier zo licht over en ziet slechts een onderscheid van
+beschouwing. Maar hoe voelen ongelovige ouders het, als hun meisjes,
+hun huwbare dochters, aldus redeneren: „Die sexuele zelfbeheersing is
+eigenlik onzin. Wij zijn geschapen met drang naar het moederschap. Aan
+die drang moeten we voldoen. Dat is niet alleen gans rein en natuurlik,
+het is zedelike plicht, het is gehoorzamen aan levensroeping. Huweliken
+zijn maar menselike instellingen, verre daarboven gaat de zuivere
+bevrediging van de spontane, ongereglementeerde behoefte onzer
+scheppingsrijpe natuur. En in plaats van zonde is het deugd, wanneer een
+meisje een onecht kind krijgt. De onechte kinderen zijn juist de echte.”
+Houdt een moeder, al is ze nog zo vrijzinnig, haar hart niet vast,
+wanneer die gedachten in haar dochter opkomen? En hoe denkt die uiterst
+verlichte vader erover, wanneer zijn achttienjarig kind, in eerlikheid
+van overtuiging, die „weg der natuur” op wil? Gedachten zijn maar niet
+ijdele hersenspinsels, het zijn de verstandelike lijnen en figuren,
+waarin zich de gemoedsbewegingen, de neigingen, aan het bewustzijn
+openbaren. En het is alleszins begrijpelik, wanneer de verlichtste
+vrijzinnigheid onrustig wordt, wanneer dergelike gedachten door
+jonkvrouwlik verlangen worden gevormd en geuit: Er dreigt voor ouders
+en kind—zij het nog slechts in de verbeelding—nameloze ellende, een
+volkomen verbrijzeld leven. Doch hoe, lieve vrijzinnige, moet het dan
+ouders te moede zijn, die, in door u aangemoedigde en geprezen critiek
+op geloofswaarheden, de donkere wolken zien aandrijven van een noodweer,
+dat, losbarstend, _eeuwige_ ellende veroorzaakt in een volkomen
+verbrijzeld zieleleven? Gevallen meisjes zijn nog op te richten, de
+gevallen engelen zijn onredbaar in de afgrond gestort.
+
+ * * * * *
+
+In critiek op geloofswaarheden openbaart zich een zielerichting, en
+deze is het, die gelovige ouders met angst vervult. Te meer reden voor
+die ouders, om aan zulke critiek niet het zwijgen op te leggen. Laat
+de jongeren maar uitzeggen, volkomen eerlik uitzeggen, wat er in hen
+omgaat. Dan hebben de ouders de beste gelegenheid, invloed te oefenen.
+
+Doch ik zou nog verder willen gaan. Laat de jongeren niet alleen zeggen
+wat ze denken, maar, kunnen ze niet meer bidden, verplicht ze dan
+niet tot een huichelend vertoon; voelen ze zich in de kerk niet meer
+tuis, dwing ze dan niet tot kerkbezoek. Er is geen groter zonde dan de
+leugen en terecht wordt Satan de vorst der leugenen genoemd. Leugen is
+duisternis. En wie zich in de duisternis rustig voelt, zoekt nooit naar
+het licht. Liever openlik bekend en getoond, wat er in ons omgaat, dan
+een schijnleven geleid, dat anderen en ons zelf bedriegt.
+
+Dit geldt ook in gevallen, wanneer, juist omgekeerd, de kinderen tegen
+de zin der ouders, zeer rechtzinnig worden. Het „Leger des Heils”
+vindt men heel mooi, vooral sinds de Generaal aan vorstelike hoven
+is ontvangen, maar men acht het toch minder wenselik, dat zijn eigen
+kinderen er in dienst nemen: dan is er iets dweepzieks en zelfs iets
+ordinairs in. Zie nu toch: in plaats dat de ouders zich verheugen over
+de ernst hunner kinderen, welke geen vrede heeft met vrome praatjes maar
+pas rust vindt in _doen_—de daad is toch pas de waarachtige uitzegging
+van ons zijn—tonen die ouders zich bang voor eerlikheid en zien ze hun
+kinderen maar 't liefst streberig afstevenen op een mooie, voordelige
+en vooral fatsoenlike positie. Ze willen hun kinderen wel doen aannemen
+tot lid van een kerkgenootschap en behoorlik naar de kerk zien gaan,
+dat staat netjes, is ook meermalen niet onvoordelig, maar hun meisjes
+te zien meetrekken met „het Leger” of hun jongens te horen praten van
+„zendeling-worden”—dat geeft zo'n akelig gevoel van onrust.
+
+Niet anders is het, wanneer de jongeren in het sociale en politieke
+leven een andere richting willen inslaan dan de ouders, wanneer de
+dochter voor vrouwenkiesrecht gaat ijveren en de zoon zich bij de
+sociaal-democratie aansluit. Dan loopt menig ouder langs het water van
+'t leven, als moeder kip, toen een van haar kuikentjes niet in 't droge
+zand bleef scharrelen, maar brutaal te water ging. Angst, angst, angst,
+dat het kind verdrinken zal. Maar als dit kind nu in 't water zijn
+element vindt?
+
+Jongeren, als ze _echt_ zijn, móéten rood zijn, rood in godsdienst,
+rood in politiek, rood in ieder opzicht. Rood is de kleur van de
+dageraad. We weten immers dat dage_raad_ letterlik wil zeggen
+dage_rood_? Wat jong is, kent het leven niet, kent zichzelf niet, ziet
+alleen zijn ideaal van volmaaktheid en wil dit verwerkeliken. Heerlike
+jonglingschap! Wat jong is, gelóóft! Gelooft, ook al zegt het van
+geloof niets te willen weten. Gelooft in gelijkheid, in broederschap,
+in sociale rechtvaardigheid, in den adel der menselike natuur, in
+verwerkeliking van humanitaire denkbeelden, in een hemel op aarde! En
+_dit_ geloof is _echt_ gelóóf. Het is niet een verstandelik voor waar
+houden, niet het gevoelloos onderschrijven van een belijdenis, van een
+programma, maar het is een in 't diepst der ziel overtuigd zijn, het
+is een volkomen _gemoedsverzekerdheid_. Ach ja, ze menen wel, recht
+verstandelik te zijn en hun opvattingen zuiver te kunnen beredeneren,
+maar dat nemen we op den koop toe. Hoofdzaak is, dat ze het geloof in
+zich hebben als een gemoedskracht, die hen drijft en sterkt. En dit
+geloof, al kleedt het zich vaak, naar de eisen van deze tijd, in
+sociaal-democratiese denkbeelden, is het behoud der mensheid. Daardoor
+ontspruit in elke nieuwe lente der mensheid nieuw groen. Zonder dat zou
+de boom tenslotte niets hebben dan dorre, verkleurde bladeren, en
+sterven.
+
+Daarom, maak u niet bekommerd, als uw kinderen „rood” worden. Verheug
+u veeleer. Mits ze het _echt_ zijn. Mits ze vol zijn van barmhartig
+meegevoel, niet alleen machtig in de critiek, maar bovenal bewogen door
+reddingsliefde tot al wat zwak en misdeeld is. Werkt deze _liefde_ in
+hen, geloof gij dan maar dat ze met christendom zijn ingeënt, ook al
+menen ze, door verkeerd begrip, voor 't ogenblik op het christendom te
+moeten afgeven. Verkeerd begrip is wel een droevig ding, maar véél
+droeviger is een verkeerde harteneiging. Dat begrip komt wel weer
+terecht, maar er moeten geweldige krachten komen, om een zelfzuchtige te
+bekeren, dat is: om te keren, tot een toewijdende. Waar toewijding is,
+is het beste wat een mens hebben kan. Terecht zingt een onzer psalmen:
+„Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen,” en durft zelfs
+getuigen: „Daar woont Hij zelf.”
+
+Daar woont Hij zelf. Stouter kan het niet gezegd worden. Maar dan moeten
+we er ook wel diep van doordrongen zijn, dat er zuivere liefde werkt
+en niet anders dan deze. Wie zich „rood” noemt en dit meent te moeten
+tonen door schampere critiek, lasterend ondermijnen, boosaardig verdacht
+maken, felle haat, die is een niet minder groot huichelaar dan de
+schijnvromen die hij bestrijdt. Want ook hij, onder de vlag van het
+mensenminnend idealisme, dient slechts zijn eigen zelfzucht van een zeer
+laag gehalte.
+
+Wanneer nu onze opgroeiende kinderen, gedreven door liefdevol medelijden
+en edele rechtvaardigheidszin, zich—zij het in kortzichtigheid—stellen
+tegenover onze godsdienstige of sociale of staatkundige beschouwing
+en zich zelfs willen aansluiten bij onze tegenpartijders, behoeven we
+daarover niet te treuren en past ons in geen geval dwang, die hen tot
+een onoprechte positie verplicht. Onze beste houding is: de kinderen
+volle vrijheid te geven, en ze daarbij de eis te stellen: Wees wat ge
+zijt, maar wees het echt.
+
+ * * * * *
+
+In de gelijkenis van „De verloren zoon” wordt ieder getroffen door de
+blijdschap, waarmee de vader zijn berouwhebbend kind weer ontvangt.
+Het kind is van de vader afgedwaald, heeft al zijn geld verkwist in
+„liederlik leven”, en keert daarna pas terug. De twijfel is volkomen
+begrijpelik, of dit berouw wel het echte is. De zoon komt tot inzicht,
+als hij niet meer heeft, honger moet lijden, en zich niet eens mag
+voeden met zwijnendraf. Letterlik uit armoede zoekt hij zijn vader weer
+op, en zijn berouw komt pas in de bitterste nood. De vader vraagt echter
+niet, of de omstandigheden dit berouw niet een beetje verdacht maken.
+Hij laat zijn kind niet eens de tijd, woorden van berouw te uiten. Toen
+hij zijn zoon van verre zag, werd zijn hart door medelijden bewogen,
+liep hij zijn kind te gemoet, viel hem om de hals, en kuste hem. En
+wanneer de verarmde verkwister uitroept: „ik heb gezondigd tegen de
+hemel en voor u en ben niet meer waard, uw zoon te heten”, is het
+antwoord niet een verwijt, een strafpredikatie, een instemming, zelfs
+niet een dankuiting voor dit blijk van berouw, maar zegt de vader tot
+zijn knechten: „Haalt aanstonds het beste feestkleed en trekt het hem
+aan,” en laat hij—een feestmaaltijd aanrichten!
+
+Die vader is prachtig en we mogen ons maar innig gelukkig prijzen, dat
+ook ons berouw niet krities onderzocht wordt, wanneer we ten slotte
+uit de zelfbewerkte ellende, uit de smartvolle gevolgen onzer zonden
+vluchten naar zulk een Vader, die ons ook nog aannemen wil als we „uit
+armoede” tot hem komen.
+
+Toch is deze trek van vaderliefde niet het enige, wat ons deze
+gelijkenis zo geliefd maakt. Heel in 't begin komt in de houding van
+de vader iets naar voren, dat niet minder opmerkenswaard is en door
+velen voorbij wordt gezien. Wanneer de zoon zegt: „Vader, geef mij mijn
+kinderlik erfdeel” horen we alleen, dat de vader het goed onder de twee
+verdeelde. En wanneer de jongste zoon daarna ver weg reist naar een
+vreemd land, horen we niet, dat zijn vader hem dit verbood.
+
+Deze houding van de vader is zeer zeker ongewoon. Zullen er veel
+vaders zijn, die zonder bezwaar hun kinderen het hen toekomende
+geld uitbetalen? Zullen de meesten zich niet gegriefd tonen, als
+een ongehuwde zoon—zonder dat zijn „zaken” het eisen—zijn erfdeel
+opvraagt? Zal dit niet verwijdering geven tussen vader en kind? En wat
+zal daarna de vader doen, als zijn zoon met dit geld de wereld intrekt,
+om ervan te genieten? Zal de bezorgdheid over de toekomst van zijn kind
+niet verergerd worden door de vrees voor het verlies van zijn geld? Met
+het uitbetalen van het kinderlik erfdeel bracht de vader en zijn zoon én
+zijn geld in gevaar. En toch deed hij het.
+
+En we horen niet, dat hij erbij murmureerde. We horen alleen, dat hij
+het deed op het vragen van zijn zoon. De zoon vroeg en de vader gaf. En
+meent ge, dat de vader de zinnelike neigingen, de lichtzinnige aard van
+zijn kind niet kende? De vader gaf, hoewel hij—ja misschien wel, omdat
+hij zijn kind kende; hoewel—misschien omdat hij de toekomst voorzag. De
+vader gaf en liet zijn kind gaan.
+
+Nog eens, deze houding is ongewoon. Ze is niet menselik. Dat durven
+we niet. We zijn te bang, voor ons geld en voor ons kind. Wie van ons
+durft een heel erfdeel te wagen aan de levensvorming van zijn kind?
+We zetten liever het kapitaal voor hem vast. En wie durft—de vraag is
+diep-ernstig, al schijnt ze ongerijmd—wie durft de maatschappelike
+welvaart, de goede naam, de gezondheid van 't kind te wagen aan zijn
+zedelik heil? We zetten ook liever het kind vast in verboden en
+angstvallig bewaarde schijnbraafheid.
+
+Wie heeft zijn zoon zo lief, dat hij hem kan zien verongelukken, wetende
+dat alleen ervaring hem wijs, smart hem beter kan maken?
+
+Neen, ik vraag niet: Wie wil zijn kind ongelukkig maken? Ik vraag ook
+niet: Wie ziet met blijdschap, dat een kind zichzelf ongelukkig maakt?
+Ik weet veel te goed, dat het ouderhart wegkrimpt van smart, als het
+kind verongelukt.
+
+Maar ik vraag: Wie durft het voorbeeld van de vader uit de gelijkenis te
+volgen? Wie durft zijn geld, zijn goed, zijn naam, zijn gemoedsrust,
+zijn liefde eraan te wagen, als hij weet, dat zijn eigenzinnig,
+lichtzinnig, genotlievend kind slechts gered wordt door ondergang?
+
+Dat durft alleen, wie het zedelik louteringsproces hoger stelt dan
+de glimmendste schijnbraafheid; wie het om de waarheid en niets dan
+de waarheid te doen is; wie zijn kind de leerschool van 't leven kan
+insturen en niet vraagt naar het schoolgeld, maar naar de grote les die
+daar geleerd wordt en die de verloren zoon bij zijn tuiskomst _uit eigen
+hart_ opzei zonder dat iemand ze hem had voorgezegd: „Vader, ik ben niet
+waard uw zoon genaamd te worden, maak mij tot een van uw huurlingen.”
+
+ * * * * *
+
+Het komt niet in me op, iemand de ouderzorg van een „verloren zoon” toe
+te wensen, maar die zorg kan men niemand besparen aan wie ze opgelegd
+is. In dat geval is er voor hem een troost: De „verloren zoon” is
+dikwels de verloren zoon niet. Hij komt weer terecht na en zelfs door
+zijn afdwalen. Maar de eigengerechtige, naijverige, wangunstige oudste
+broeder, die zo braaf, voor zichzelf zorgend, bij zijn vader bleef,
+hij is de eigenlike verloren zoon, verdwaald in geestelike hoogmoed
+en zelfzucht. Het is de vraag, of hij—ofschoon hij dageliks met hem
+omgaat—ooit zijn vader vindt. Jezus had het meest te kampen met de
+Farizeeërs.
+
+Maar dan is er toch ook iets te doen, om, als de gevaarlike jaren komen,
+het gevaar voor afdwalen te verminderen.
+
+Herhaaldelik hebben we er op gewezen, hoe waarheid in 't verkeer met
+de kinderen vertrouwen kweekt. Wie dit vertrouwen van jongsaf doet
+aanwassen in kracht en zuiverheid, zal ervaren hoe het én de opvoeders
+én de jongemensen tot steun kan zijn. Het is heerlik te zien, hoe
+opgroeiende jongelingen en jongemeisjes dan met al hun noden bij de
+ouders komen. Met _al_ hun noden.
+
+Ik wéét het, hoe in zulke gevallen jongelingen met hun godsdienstige
+worstelingen en, wat misschien nog meer zegt, met hun strijd tegen
+zinnelike driften bij bij hun vader kwamen, deze om raad, om bijstand
+vroegen, ook in het bestrijden van geslachtelike zwakheden, hoe ze hun
+vader alles beleden, uit eigen beweging, en de maatregelen toepasten,
+door vader aanbevolen, hoe ze met vaders hulp streden en overwonnen.
+
+Ook wéét ik, hoe verliefde en verloofde meisjes alles met moeder
+bespraken, zo eenvoudig, zo oprecht, zo rein, en met een gemakkelikheid,
+die voor de meerderheid der mensen een ondenkbaarheid is.
+
+De meerderheid der mensen? Het ontbreekt hun aan ernst, aan moed, aan
+waarheidsliefde. De fout is niet bij de jongeren. Als zij bij waarheid
+worden grootgebracht, zijn ze in niets verlegen, om ermee bij de ouders
+te komen. Maar de ouders zijn verlegen. Die vervreemden hun eigen
+kinderen van hen. En daarvan openbaren zich later vaak de treurige
+gevolgen.
+
+Slechts een heel kleine minderheid, slechts betrekkelik zeer weinige
+ouders durven onafgebroken volkomen waar met hun kinderen om te gaan.
+Doch zij zullen weten, hoe het vertrouwen, reeds vroeg ontwikkeld,
+later, als van alle kanten de gevaren dreigend kwamen opzetten, de
+zegenrijkste vruchten droeg.
+
+Wie vertrouwen wil maaien, dient het tijdig te zaaien.
+
+Niet overal, waar het aan waarheid ontbrak, vertoonden zich noodlottige
+gevolgen. Gelukkig. Maar dit mogen we veilig zeggen: zeer vele
+misstappen met de daaraan verbonden smarten hadden voorkomen kunnen
+worden, indien de ouders de liefde, de wijsheid, de moed hadden bezeten,
+de zelfverlochening en soms ook de zelfopoffering, om _gedurende de
+ganse opvoeding hunner kinderen_, van de wieg tot de bruiloftskoets, de
+waarheid te doen heersen.
+
+Ik zou het verloofden en jonggehuwden, op grond van rijpe ervaring, wel
+op 't hart willen binden: Waag het maar. Ge zult eens zien, hoe innig
+en rijk de omgang tussen u en uw kinderen wordt. Bezwaren? Ze bestaan
+niet, ze vernevelen, verijlen, vervluchtigen. Vrees maakt ze massief,
+vertrouwen doet ze verdampen. En dan zult ge ook ervaren hoe ge,
+derwijze uw kinderen opvoedend, tevens uzelf opvoedt. Want waarheden,
+die we onze kinderen moeten zeggen, houden onszelf onder tucht.
+
+ * * * * *
+
+„De eerste deugd is waarheid.”
+
+We hebben dit oordeel van Beets aanvankelik in 't midden gelaten. Nu we
+echter onze beschouwingen hebben geëindigd, willen we die uitspraak nog
+even onder de ogen zien. Is waarheid de eerste deugd?
+
+Het komt mij voor van niet.
+
+Wie zich alleen door waarheid laat leiden en in de eerste plaats met
+haar te rade gaat, doet vaak nodeloos pijn.
+
+Het is waar, dat uw gelaat lelik is, dat uw neus uw gehele uiterlik
+ontsiert. Is het nodig, dat ik u deze mijn mening vooral niet onthoud?
+
+Grofheid, hardheid, onbeschaamdheid besparen ons menige krenkende en
+kwetsende ervaring niet, zogenoemd in dienst der waarheid. Dan menen ze
+aan de waarheid verplicht te zijn, ons vooral het onaangename te zeggen.
+Het aangename? Dat zou op vleierij kunnen lijken. Maar het onaangename.
+Dat is eerlik.
+
+Ik geloof niet, dat dergelike eerlikheid goed doet. Ze maakt de spreker
+gevoelloos en onbarmhartig, berokkent de hoorder nodeloos verdriet.
+
+Waarheid is een gevaarlike eigenschap, wanneer ze niet terzij wordt
+gestaan door kiesheid en liefde. Dan is ze een scherp mes, dat niet
+alleen zieke plekken opereert, maar ook in 't gezonde vlees snijdt en
+het lichaam verminkt. Ze ontstemt, verbittert, verhardt, wekt wrevel en
+weerwraak.
+
+Waarheid moet ons heil beogen en alleen met dit doel aangewend worden.
+Zij moet voortvloeien uit liefde en geleid worden door liefde. Zij moet
+_dienares_ wezen der Liefde. Eerst dan kunnen we haar zonder bezwaar
+gebruiken.
+
+Dienares. Het lijkt een vernederende positie. De Waarheid—dienares! De
+Waarheid—waar de mensen zo groot van opgeven!
+
+En toch, het is niet anders. Zij is middel. In dienst der
+boosaardigheid, der haat, een vreselik middel. In dienst der Liefde een
+heilmiddel.
+
+„Al ware het”, zegt Paulus, „dat ik de talen der menschen en der Engelen
+sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of
+luidende schel geworden.
+
+„De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet
+afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet
+opgeblazen.
+
+„Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen,
+zij verdraagt alle dingen.”
+
+Kennis—zij zal te niet gedaan worden. En gelukkig, want wij,
+hardvochtige waarheidszeggers, „wij kennen ten deele.”
+
+Maar „de liefde vergaat nimmermeer”.
+
+„En nu blijft”, zegt de apostel ten slotte, niet waarheid, maar „geloof,
+hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.”
+
+
+
+
+VII. AFKEURING EN WAARDEERING.
+
+
+Hoe weldadig werkt na afkeuring de waardeering. Doch hoe eigenaardig en
+hoe droevig, dat in 't menschenleven bijna altijd de eerste voorop gaat.
+'t Lijkt wel, of de menschen die u iets onaangenaams te zeggen hebben
+zich hiermee moeten haasten. Verzwijgen kunnen ze 't niet: dat zou
+hun „eerlijkheid” niet gedoogen; en ze gebruiken de eerste de beste
+gelegenheid—of ongelegenheid—om u te believen, gelijk ze meenen, doch
+eigenlijk om u te grieven. En als ze u dan getroffen hebben, diep
+getroffen, dan zwijgen ze en gaan heen.
+
+Maar dan komt de milder gestemde, die ook oog voor uw goede
+eigenschappen heeft, en aarzelend, schuchter waagt hij het, u van zijn
+ingenomenheid te spreken. Den brief, dien hij reeds voor u geschreven
+had, heeft hij weer vernietigd, omdat hij vreesde van vleierij te worden
+beschuldigd of misschien van huichelarij. Niet waar, de eerlijkheid
+gebiedt ons alleen, onze naasten te kwetsen. Streelen is veinzen. Doch
+gelukkig, zulke „veinzers” zijn er nog, en de verscheurde brief moge al
+niet in uw handen komen, na maanden wordt er een tweede geschreven en
+die bereikt u wel.
+
+
+
+
+VIII. ZAAKONDERWIJS.
+
+
+Zaakonderwijs—o, daar meent die man mee, dat je de kinderen alles echt
+moet laten zien, en dat je geen woorden moogt gebruiken.
+
+Wie zo spreekt, nu, die heeft het glad mis.
+
+Geen woorden gebruiken?
+
+Maar dat doe ik op dit ogenblik toch zelf, nu ik zaakonderwijs ga geven
+over zaakonderwijs.
+
+Hoe zou een leraar in geschiedenis de zaken uit het verleden kunnen
+meedelen zonder woorden?
+
+Als die man aan zijn jongens verhaalt van Napoleons tocht naar Rusland,
+zo levendig, dat de jongens er met hun hele hart bij zijn, dan _geeft_
+hij zaakonderwijs, zo mooi als je 't maar denken kunt.
+
+En als hij zijn jongens bracht bij oude gevels, dus bij de dingen, en
+hij opende hun ogen niet door zijn woorden, of hij liet ze documenten
+zien, b.v. handschriften, die ze niet begrepen, dan gaf hij _geen_
+zaakonderwijs.
+
+Zaakonderwijs—dat is, je leerlingen bij de werkelikheid brengen, zó,
+dat ze haar zien, de werkelikheid van het nabije of het verre, in plaats
+of tijd, op zinnelik of geestelik gebied. En daartoe gebruiken we de
+dingen, de modellen, de afbeeldingen, maar naast en zelfs bij dat alles
+toch ook de woorden. En daartegenover staat: formalisties onderwijs,
+waar geen leven in zit en dat geen leven wekt.
+
+We gaan samen naar het Rijksmuseum, ik wijs u Rembrandt's Staalmeesters
+en zeg: Dit is een wonder van schoonheid. Gij zegt: die mannen met die
+hoeden? Van dat mooie zie ik niets. En toch is het zo, houd ik vol, want
+heel de wereld zegt het.
+
+Heb ik u nu bij Rembrandt's schoonheid gebracht? Rembrandt was er in
+al zijn schoonheid, en gij waart er ook. Gij stondt tegenover elkaar.
+Maar er was geen aanraking. Die schoonheid bleef voor u verborgen.
+Ondanks uw geopende ogen zaagt ge niet. En nu bedoelt zaakonderwijs:
+uw ogen te openen, dat ze _wel_ zien. Zolang Rembrandt's schoonheid
+u niet ontroerd heeft, is al uw opgeven daarvan maar napraterij,
+formalisme, dode kennis. Daarom vordert zaakonderwijs twee dingen: de
+vatbaarheid van de leerling om te begrijpen, te gevoelen, en de kunst
+van de meester, om die vatbaarheid in werking te brengen. De gevoelige
+plaat moet er zijn èn 't zonnelicht, en anders krijg je nooit een
+photografie. De hele kunst van onderwijzen bestaat in het wekken der
+geesten, zodat de leerlingen—kleine en grote—zelf de stoffelike en
+geestelike realiteiten gaan zien en ervaren. En wie zulk onderwijs
+geeft—Fröbelonderwijzeres, leraar, predikant, professor—die geeft goed
+zaakonderwijs.
+
+Onze gehele school, lagere en hogere, zit vol van pakhuiskennis. Kisten
+en balen vol worden geladen en overgeladen. Dat goedje leeft niet, 't is
+alles netjes ingepakt ter verzending. Hoeveel studenten in de letteren
+komen in aanraking met de ziel der dichters, verklankt in hun taal?
+Ze „leren” literatuur, zoals onze kleine studentjes in de lagere
+school leren: „Op de kleigrond worden verbouwd tarwe, haver, bonen,
+suikerbieten, vlas, cichorei, enz.” Hebben ze die, al is 't in de
+schooltuin bij de botanieles, ooit leren kennen? Neen, nimmer, tarwe
+niet, haver niet, bonen niet, suikerbieten niet, vlas niet, cichorei
+niet, en enz. ook niet. 't Hoeft ook niet, als ze 't maar kunnen
+opzeggen.
+
+Daartegen nu gaat het pleiten voor zaakonderwijs. Niet tegen het
+opzeggen, maar tegen het _enkel_ opzeggen. Tegen de vernisbeschaving.
+Tegen de schijncultuur.
+
+
+
+
+IX. DE W.
+
+
+Alles stroomde de stad in. Uit de buitenwijken zag je overal donkere
+rivieren van saamgedrongen menschen zachtjes door de straten vloeien,
+over de pleinen en bruggen, naar het centrum: zwarte stralen van een
+vreemde komeet, die, door de kern uitgezonden, nu weer werden
+ingetrokken.
+
+Hoe dichter je het midden der stad naderde, hoe dichter de massa werd,
+totdat eindelijk, in 't hart der stad, op het ongeveer ronde plein,
+een groote schijf van rusteloos krioelend leven alles ontving en na
+warrelende wiegeling weer uitstuurde.
+
+'t Was een feestavond, de stad was schitterend geïllumineerd, en
+natuurlijk het schoonst op het oude, uitgestrekte hoofdplein en in de
+voorname winkelstraten.
+
+De menschen zochten het licht, evenals de avondvlinders.
+
+Misschien was ik de eenige, die tegen den stroom introk. Al dat
+geflikker en geschitter, al die vurige lijnen en lichtkleurige slingers,
+al die stralende schoonheid kon me ditmaal niet bekoren, en ik ging,
+alleen, uit de heete volte naar de koelte, de leegte en de donkerheid
+van een nieuwe arbeiderswijk in een afgelegen grensgedeelte der stad.
+
+'t Was daar donkerder dan gewoonlijk. Alleen de straatlantaarns
+brandden. Het licht in de winkelkasten had men maar niet aangestoken: er
+zouden vanavond toch geen koopers komen en de winkeliers waren zelf ook
+de stad in.
+
+De huizen hadden een ongezellig voorkomen. De meeste vensters waren
+donkere vlekken. Slechts spaarzaam zag je door een neerhangend gordijn
+wat gelig schijnsel. Dat was bij oudjes of zieken.
+
+Een vredige rust omving me. Hoe stil was het hier. Ik hoorde mijn eigen
+voetstappen. Tusschen twee lantaarns was het donker genoeg, om hoog,
+heel hoog, de sterren te zien—fijnstralende goudpunten in blauwzwarten
+hemel—koele lichten der eeuwigheid.
+
+Toen sloeg ik een zijstraat in, en daar zag ik, in de verte, lichtjes.
+Lichtjes aan den voorgevel van een huis. Een illuminatie!
+
+Een eenzame illuminatie midden in de verlatenheid.
+
+Ik ging er heen. 't Was een W van rood-geverfde latjes. Vier vetglaasjes
+in de bovenste rij, drie in de middelste, twee in de onderste. Met
+elkaar negen. 't Waren er niet veel, maar ze brandden alle zuiver. En
+ze werden niet overschitterd door helgele flikkering van vlammend gas
+of koudwitten glans van booglampen. Ze hadden hier het rijk alleen.
+
+Boven de W waren twee bochten van geplooid vlaggedoek, met wat
+sparregroen, en aan beide uiteinden oranjestrikken, als ter weerszijden
+van een paardekop.
+
+En onder de W zat op een stoel, naast de huisdeur, een jongetje van een
+jaar of tien: eenzaam figuurtje bij de eenzame illuminatie.
+
+Ik bleef staan, om de verlichting rustig te bekijken.
+
+Toen stond het jongetje op, maar nam eerst een paar krukken terzij van
+zijn stoel. Daarna wentelde hij zich met een eigenaardige slappe
+slingering naar mij toe, en stond met een paar zwaaitjes naast me.
+
+ * * * * *
+
+Hij wachtte blijkbaar dat ik wat zeggen zou, verwachtte wellicht een
+woordje van lof, en daarom zei ik: „Wat een mooie W! En wat branden ze
+mooi!”
+
+Toen kwam het mondje los, helder jongensstemmetje in de straatstilte, en
+ik hoorde de heele geschiedenis.
+
+Die W had hijzelf gemaakt, met zijn vader. Eerst hadden zij een paar
+latten gekocht, en die hadden ze in stukken gezaagd, precies op maat, en
+die hadden ze aan elkaar getimmerd, een echte W. En 't was een groote,
+want toen hij op de tafel lag, staken de punten aan alle kanten buiten
+den rand uit. Maar dat kon Meneer wel zien. „Hij is bijna zoo groot als
+ik.”
+
+Met liefdevollen trots keek de jongen naar zijn W op.
+
+En toen had hij hem mogen verven, heelemaal alleen, rood, ziet u wel.
+En vader had er de ijzertjes in gestoken—eerst gaatjes geboord—en
+hem opgehangen. Dat vlaggedoek had moeder genaaid, op de machine, drie
+banen. En die strikken, daar, op zij, ziet u, had moeder ook gemaakt.
+
+Kind—dacht ik—wat ben jij gelukkig!
+
+En toen had vader er vanavond de vetglaasjes ingezet en die tegen donker
+aangestoken. En ze brandden dadelijk mooi.
+
+Waar vader was? O, die was met moeder naar de illuminatie kijken. Zijn
+zusje was ook mee. Maar hij kon natuurlijk niet. 't Was te vol. Maar
+dáárom had vader met hem samen ook een illuminatie gemaakt.
+
+Was hij dan alleen thuis? Neen, grootmoeder zat binnen. Maar die zat
+zeker een beetje te slapen. Ze was ook al oud. Maar daar straks was ze
+toch buiten geweest en ze had de W natuurlijk ook zien branden en ze
+vond het ook prachtig.
+
+Zoo vertelde hij me alles. Hij zag wel, dat ik veel belangstelling had
+en dat ik genoot. Maar hij dacht, dat het alles zijn mooie W gold. Hij
+kon ook niet vermoeden, dat ik belang stelde in _hem_ en genoot van
+_hem_. Wat was hij? Maar die W!
+
+Toen ik afscheid genomen had, ging het eenzame figuurtje weer zitten,
+dicht bij zijn W, zijn eigen W, door vader en hem zelf gemaakt. Voor
+ik aan 't eind der straat den hoek omsloeg, keek ik nog eens om. Het
+jongetje was niet meer te onderscheiden; maar zijn eenzame verlichting
+straalde nog op een afstand, midden in de omringende schaduwen.
+
+ * * * * *
+
+Weer ging ik in mijn eentje verder door de stille straten, maar nu
+stadwaarts. En ik dacht: Zouden er vanavond velen zoo innig en zoo
+rustig en zoo dankbaar van de illuminatie genieten als dat lamme kind?
+Vaders liefde straalt hem uit de negen lichtjes tegen. En symboliseert
+de eerste letter van den naam onzer Koningin hier niet ook de
+Weelde van zijn eigen Werk? Het zelfgemaakte, het eigene, het niet
+overschitterde—is dat niet de reine bron van zijn onvermengd genot?
+
+Wat maken we het ons toch moeilijk! En hoe vaak wordt onze
+levensblijheid vergiftigd door jaloezie en nijd!
+
+De straatlantaarns verspreiden hun waaiers van geel licht nog over mijn
+verlaten weg. Maar als ik, in de schaduw tusschen twee lichtwaaiers,
+omhoog zie, tintelen daar weer de stille sterren. Die behoeven wat
+duisterheid om gezien te worden, als de vreugde van het eenzame
+jongetje.
+
+
+
+
+X. HET GELUK.
+
+
+I.
+
+Het geluk is een stemming.
+
+Dat is dus iets heel ijls.
+
+Je kunt het niet pakken, niet vasthouden, niet vóór je zetten, niet bij
+je steken, niet opsluiten.
+
+Het is als het aroma van een bloem.
+
+Maar dan eigenlijk nog precies het tegenovergestelde.
+
+Want de bloemengeur is iets zwevends, we kunnen hem opvangen,
+verdichten, vloeibaar maken, meedragen, er ons mee verkwikken wanneer we
+willen.
+
+Doch het geluk is niets, absoluut niets. Men kan niet zeggen: het
+is minder dan het denkbaar kleinste stofdeeltje, want dan zou het,
+bij toeneming, bij vermenigvuldiging, misschien nog éénmaal op te
+vangen zijn, op de fijnste punt van de fijnste naald. Maar het is
+met geen stofdeeltje te vergelijken, het is met niets in de wereld te
+vergelijken, het bestaat niet in de wereld. Zelfs niet in het heelal.
+'t Is dan ook onzin te spreken van het ijle geluk. IJlheid en dichtheid
+komen alleen te pas in de wereld der stof. Wat ijl is moet onder
+omstandigheden ook dicht kunnen worden. En zoo moeten we dus onze
+uitspraak, dat het geluk iets heel ijls is, weer intrekken. Het is iets
+volmaakt anders. Het is—dat is het meest juiste wat we er van kunnen
+zeggen—het is niets.
+
+En toch is het zoo werkelijk als dit blad papier, zoo reëel als een
+tafel. We nemen het zoo zeker waar, als dien stoel, als dien schreeuw,
+als dien geur. We zien het niet, hooren het niet, ruiken het niet. Maar
+het is er, en zóó stellig, dat we soms den stoel niet zien, den schreeuw
+niet hooren, den geur niet ruiken, omdat we alléén oogen en ooren hebben
+voor het geluk. Ja, àl het bestaande, àl het omringende verdwijnt dan
+voor het geluk, dat eigenlijk „niets” is, maar dan alléén bestaat, en
+het zoogenaamd werkelijk bestaande wordt niets.
+
+Het is dus dwaasheid te spreken van kleiner dan een stofdeeltje. Het
+geluk is reusachtig groot. Het neemt den omvang aan van kamers, van
+huizen, van straten, van pleinen, van wouden, van wolken, van het
+luchtruim. Het vult een hoekje van een eenzaam hutje en het gansche
+heelal. Wáár we dan liggen of wandelen of zweven, overal ontmoeten we
+het.
+
+Als het zoo werkelijk en zoo groot is, kunnen we het ons toch wel
+toeëigenen? Dat beproeven de menschen dan ook, honderden en duizenden en
+millioenen. Misschien wel allen. Dan gieten ze het in een glas en noemen
+het drank. Dan tellen ze het uit in een kist en noemen het geld. Dan
+vlechten ze het tot een krans en noemen het roem. Maar als ze dan het
+glas ledigen, was 't geluk er juist uit verdwenen. En als ze 't geld in
+de hand houden, voelen ze 't geluk niet meer. En als de krans hun hoofd
+siert, drukt hij met zorg, angst, wangunst, omdat het geluk, nog net
+tijdig, aan de lauwerbladeren ontsnapt was.
+
+Het is een wonderlijke verschijning, dat onwerkelijke en toch zoo
+waarachtig werkelijke, dat ongrijpbare en toch alom aanwezige, dat
+eeuwig gezochte en eeuwig ontvluchtende.
+
+ * * * * *
+
+Wat is het een zegen, dat het geluk maar een stemming is.
+
+Ware het een goudklomp, dan zouden we er om moeten strijden en ten
+slotte zouden alleen de sterken het in hun bezit hebben.
+
+Ware het een hooge rang, dan was het nooit voor een laaggeborene en
+eenvoudig aangelegde beschikbaar.
+
+Ware het een kunstwerk, dan konden alleen de artisten er naar streven.
+
+Maar het is zoo iets vaags en algemeens als de dampkringslucht. Je hapt
+maar en je hebt het. Of je zwak bent of sterk, arm of rijk, simpel of
+wijs, alledaagsch of begaafd, je hapt maar. Keizer of landlooper, het
+geluk is bij ieder en voor ieder, zooals het water om de visschen.
+
+Doch zóó is het toch niet precies.
+
+'t Is niet _om_ ons, maar _in_ ons. En het trekt er niet van buiten in,
+maar moet van binnen uit ontwikkeld worden. Bloemen ademen geuren uit.
+Zoo ontvloeit als een opwekkend aroma aan ons innerlijk leven de
+geluksstemming.
+
+Nu is het de moeite van 't opmerken waard, hoe dat innerlijk proces
+onafhankelijk kan werken van allerlei buitenafsche invloeden, hoe
+deze zelfs vaak ontbindend en bedervend invreten in dien teeren,
+nauw-luisterenden groei daar binnen. Rijkdom, rang, roem, ze vernielen
+het geluk, dat zoo rustig wasemde in bescheiden, nederigen, vergeten
+staat. Zinnestreeling, zielsbekoring, ze vergiftigen de vredige
+stemming, die, tot stralende verrukking gestegen, inzinkt tot donkere
+dofheid. Kracht doet in overmoed, wijsheid in zelfvergoding het geluk
+vervluchtigen. Zoo werkelijk als het is, zoo schuw. Het vliedt voor een
+schim. Maar ook, ondanks zijn teerheid, kan het sterk zijn als diamant.
+Het weerstaat ziekte, armoede, vernedering, zelfs gezondheid, rijkdom,
+verheffing. Het blijft trouw in tegenspoed, zelfs in voorspoed. Het
+ontplooit zijn stemmingsschoon onder alle, de meest tegenstrijdige
+omstandigheden, het is de schijnbaar grillige, onafhankelijke heerscher,
+die zijn troon stelt waar hij wil.
+
+De naar 't uiterlijk misdeelden soms begenadigend, de naar 't uiterlijk
+bevoorrechten zijn zegen onthoudend.
+
+Voor ieder toegankelijk, door niemand te dwingen.
+
+En toch door zoo weinigen anders dan kortstondig genoten.
+
+Waarom?
+
+We willen toch wel het geluk?
+
+Ik vrees, dat velen meenen, dat het een goudklomp, een hooge rang, een
+kunstwerk is, en dat ze nu altijd maar den verkeerden kant uitkijken.
+
+Slechts een stemming. God heeft het zijn kinderen wel gemakkelijk
+gemaakt. Waarom maken _zij_ het zich zoo moeilijk?
+
+
+II.
+
+Het geluk is slechts een stemming.
+
+Doch is dit een voordeel?
+
+Een stemming....
+
+Ware het liever goud of rang of kunst of kracht, dan konden we, met een
+vast doel voor oogen, het wellicht door volhardende inspanning
+veroveren. En als we het dan eenmaal hadden, dan hádden we het ook.
+
+Of, nog beter, ware het kennis!
+
+Dat zou inderdaad het beste zijn. Want kennis kan immers iedereen
+verwerven?....
+
+Hoe zullen we in vredesnaam ons een stemming verzekeren!
+
+Zij mag dan zoo eenvoudig, zoo overal en altijd beschikbaar en
+bereikbaar wezen, hoe krijgen we ze, hoe onderwerpen we haar ons, hoe
+verzamelen we haar in een accumulator?
+
+Zij is niet aan gezondheid, rijkdom, eer gebonden. Maar waaraan dan wel?
+
+Ze is ook niet aan ziekte, armoede, schande verknocht, anders konden
+we, als de vroegere monniken en bonzen en derwischen, ons lichaam
+verwaarloozen, zelfs kerven, de woestijn in trekken en de bespotting der
+wereld winnen.
+
+Ze stoort zich niet aan kennis. Zelfs niet aan deugd.
+
+Dat laatste is wel het droevigste, het bitterste, wat er is: Het
+geluk stoort zich niet aan deugd. We zijn hulpvaardig, inschikkelijk,
+waarheidlievend, eerlijk tot op een penning—en toch niet gelukkig? En
+daar zijn anderen: zelfzuchtig, hardvochtig, leugenachtig, oneerlijk—en
+toch wel gelukkig?
+
+Doet het er dan niets, niets aan toe, wat we zijn of hoe we zijn, wat we
+doen of hoe we dat doen?
+
+Loopt er dan nergens een grenslijn door de physieke, de oeconomische, de
+sociale, de geestelijke, de zedelijke wereld, zoodat we met zekerheid
+kunnen zeggen: Aan deze zijde waait onafgebroken de zoele wind van het
+geluk? Hier, waar de palmen en olijven wassen, daar stijgen ook de
+wierookgeuren der geluksstemming?
+
+Wanneer er nu eens een mensch was, gezond, sterk, welvarend,
+hooggeplaatst, veelwetend, verstandig, wijs, braaf—zou hij gelukkig
+zijn? Zou het geluk 't product zijn van al die factoren? Of zou er één,
+één heel geringe invloed kunnen werken, die dit productsgeluk tot in 't
+hart vergiftigde?
+
+ * * * * *
+
+Er schijnt een grenslijn te zijn, maar die volgt niet de punten, door
+ons aangegeven. Ze loopt door den leeftijd, en scheidt kinderen van
+ouderen.
+
+Kinderen ziende, in hun vrijen, niet door volwassenen beroerden staat,
+moeten we wel onder den indruk komen: Wat zijn zij gelukkig!
+
+Een arm schooiertje, nauwelijks vijf jaar, drentelt in zijn havelooze
+plunje door de straat. Het motregent. Een dame, achter de ruiten,
+beklaagt het arme kind. Hij hoort dit gelukkig niet en zingt: Weg met de
+Sociale, leve Willemien, de handen in den zak, den mond wijd open. Van
+Sociale weet hij niet, van Willemien evenmin. Maar er zingt iets in hem
+en dat pakt de klanken die toevallig in de lucht zweven.
+
+Twee kleine meisjes, vierjarigen, loopen op het trottoir. Ze steken de
+straat over, kleine scheepjes, drijvend in de menschenzee. Eensklaps
+rolt, onvoorzien, een zwaarbeladen kar vlak bij hen. Nu komen ze op een
+meneer af, een wildvreemde, en geven hem een handje. Vol vertrouwen.
+Doch pas is 't gevaar geweken, of ze laten den meneer weer los en
+vervolgen hun tocht. Zonder bedanken. Ze zeggen niet eens: Dag Meneer!
+Ze reizen onbekommerd door 's levens moeilijkheden en grijpen de hulp
+aan van 't oogenblik.
+
+Een familie is met één slag van schatrijk straatarm geworden. De ouders
+zijn der wanhoop nabij, de dochters zitten gebroken, met roodbeschreide
+oogen. Het groote landgoed met villa, koetshuis, personeel—alles weg.
+Er komen gedachten aan zelfmoord. Alleen de zevenjarige Henri voelt er
+niets van, en speelt op zijn fluit. „Maar Henri, hoe kun je fluiten, je
+weet toch dat we nu arm zijn,” zegt een zuster, zacht-verwijtend. „Mag
+een arm jongetje dan niet fluiten?” vraagt Henri.
+
+Een meisje van vijf jaar zoekt kiezelsteentjes in den tuin, platte.
+Dat zijn guldens, en daar koopt ze allerlei dingen voor, ginds in den
+winkel van den kastanjeboom. Ze koopt zich rijk met niets. Dan toovert
+ze, van haar guldens, kinderen die naar school gaan, en de school is
+daar in dien hoek, op het plaatsje achter 't huis.
+
+Zou er op de geheele wereld iemand met zijn edelsteenen goedkooper,
+volkomener, veiliger gelukkig zijn dan dit kind met haar
+kiezelsteentjes? Is er één opera-zanger ter wereld, die onbezorgder
+geniet dan dit zingende schooiertje? Gaan er ooit meisjes in dreigend
+gevaar—vertrouwenvoller naar vreemde meneeren? En waar is een wonderer
+tooverfluit, dan die in de vingers van den rijken armen Henri?
+
+Nergens bloeit het geluk, de zuivere stemming, zoo rijk, zoo natuurlijk,
+zoo onafgebroken als in de kinderwereld. Hildebrand heeft verhaald van
+kinderrampen, maar waren die niet hoofdzakelijk uit de wereld der
+volwassenen geimporteerd?
+
+Wie gelukkig wil zijn, blijve een kind. Dan zingt hij zijn vreugde uit
+in den motregen, vertrouwt op de hulp van het moment, werkt zich niet
+ziek voor diamanten en hecht meer aan de fluit, die hem trouw blijft,
+dan aan 't landgoed, dat zich verspeculeeren laat.
+
+Indien gij niet wordt gelijk deze kleinen, gij zult het koninkrijk der
+hemelen geenszins binnengaan.
+
+ * * * * *
+
+Een kind blijven, opnieuw een kind worden, is dat mogelijk?
+
+Blijven—dat wordt den kinderen moeilijk genoeg gemaakt, door Ooms,
+Tantes, Grootouders, door hun eigen Ouders, door het heirleger van
+volwassenen. Dezen—men rekent ze soms tot de opvoeders—roepen door
+geschenken de hebzucht, door sieraden de ijdelheid, door lof de
+eerzucht, door vleierij de jaloezie wakker. Het kind is niet gelukkig,
+als het niet een schat van speelgoed, mooie kleeren en de bioscoop
+heeft. Men wekt begeerten, maakt ontevredenen.
+
+Opnieuw een kind worden—dan moeten we ons onttrekken aan de zuiging
+der wereld, die ons hardnekkig voeren wil in haar sfeer van kostbare
+en rustroovende zotheden. Wij moeten durven zingen, zonder te letten
+op haar critiek; durven genieten van de weiden, de boomen, de wolken,
+de sterren, de vogels, gelijk het kind van zijn steentjes; de
+vredestemming van een eenvoudig genot hooger schatten dan de zorg van
+een omvangrijk bezit; en ons durven loslaten in 's levens zee, onder
+alle omstandigheden vertrouwende op een Macht, die wij bij de hand
+kunnen vatten.
+
+Zullen we dan verzekerd zijn van altijd-durend geluk?
+
+Licht komt alleen uit tegen duister. Geen geluksstemming zonder ervaring
+der smart. Deze laatste zal ons niet bespaard blijven. Maar het is
+droevig te zien, hoeveel menschen de zuivere stemming verjagen, die
+ze wilden verwerven, gelukzoekers in het land van zorg, schijn en
+slavernij, waar 't geluk niet te vinden is.
+
+
+
+
+XI. DOE HET GOEDE. EN DAT GOED.
+
+
+Een strenge eisch?
+
+Niet zoo erg.
+
+Er staat immers niet: Doe al het goede. Er staat ook niet: Doe het
+moeilijkst goede.
+
+Er staat alleen: Doe het goede. Welnu, doe dat dan.
+
+ * * * * *
+
+Er staat een bak aardappelen om te schillen. Schil die.
+
+Of dat dan iets goeds is?
+
+Wel, natuurlijk. Er moet toch gegeten worden? En daartoe zijn toch
+aardappelen noodig. En die moeten toch eerst worden geschild?
+
+Aardappelen-schillen, dat is: medewerken aan het onderhoud van het
+menschelijk geslacht. En zou dat niet iets goeds zijn?
+
+Sommigen denken bij het woord goed aanstonds aan de zelfverloochening
+van een heilige.
+
+Ten onrechte. Dan kwam de meerderheid onzer nooit aan het goede toe.
+
+Maar goed is: Schoenen poetsen, vaten wasschen, bedden opmaken,
+administratie bijhouden, kinderen verzorgen, een scheepsdek schrobben,
+den vloer vegen, tuinboonen doppen, onkruid wieden, zieken oppassen,
+orde handhaven, vleesch braden, huizen bouwen, schoenen lappen. En
+duizend dingen meer.
+
+We hebben de hand maar uit te strekken en het goede ligt onder haar
+bereik. Overal omringt het ons. Gelukkig. Zonder een heilige te zijn,
+kan ieder onzer dag aan dag het goede doen.
+
+Doe dat dan. En doe het goed.
+
+Poets de schoenen—zoo, dat ook de randen en de hakken glimmen. Wasch
+de vaten—zoo, dat alle vet verdwenen is, ook uit de hoekjes. Maak de
+bedden op—zoo, dat een mensch lekker ligt. Voer de administratie—zoo,
+dat alles er behagelijk uitziet en uitmunt door nauwkeurigheid. Braad
+het vleesch—zoo, dat het niet verbrandt. En lap de schoenen—zoo, dat
+er geen pennen of spijkers door steken.
+
+Doe uw werk onberispelijk, hoe eenvoudig het zij. De eisch is uiterst
+bescheiden. Alle noodig en nuttig werk is goed.
+
+Maar och———
+
+In een groot gebouw had men een werkvrouw, die de vloeren inderdaad
+onberispelijk schrobde. Als zij een vloer gedaan had, was deze blank.
+
+De vrouw werd eindelijk te oud en te zwak voor haar werk. Toen zocht men
+jonge krachten, die haar taak konden overnemen. Men beproefde het met
+frissche, jonge meiden, met jeugdige weduwen, zelfs met jonge mannen,
+glazenwasschers van beroep. Maar niet één schrobde de vloeren blank. Ze
+flodderden en dweilden, maar als den volgenden morgen de vloer droog
+was, zat hij nog vol vuile strepen en vegen en plekken. En langs de
+randen der muren was het één donkere lijn van vuil.
+
+Al die jonge, krachtige menschen, die zich voor werkvrouw uitgaven,
+waren niet in staat een vloer te schrobben. Ook niet de deskundige
+glazenwasschers. En de oude werkvrouw bleek een unicum geweest te zijn.
+
+Het goede doen? Er zijn zeker genoeg bereidwilligen.
+
+Het goede _goed_ te doen? Dit geschiedt alleen door de zeldzame
+uitzonderingen. De overgroote meerderheid is niet in staat, meer dan
+zestig procent der eischen te voldoen.
+
+ * * * * *
+
+Er was een arme jongen, die door het sterven van zijn vader al vroeg uit
+geldverdienen moest. Hij werd loopjongen in een winkel. Pakjes bezorgen,
+dat was inderdaad een uiterst bescheiden werk. Volgens sommigen heb je
+daar geen verstand voor noodig, zooals b.v. voor het inschrijven van
+bestellingen, optellen van posten, klaarmaken van rekeningen. Verstand
+is pas noodig, zoodra er geschreven en gerekend moet worden. Maar onze
+jongen bleek toch dat overbodige verstand te gebruiken. Eer hij uit den
+winkel ging, keek hij opmerkzaam de adressen na, trok nog eens aan de
+touwtjes, of ze behoorlijk toegeknoopt waren, sorteerde de pakjes,
+zoodat hij er een paar meer kon dragen dan een ander, bepaalde een
+vlugge route. Door dit alles was hij reeds vlug met zijn werk gereed.
+Zelfs kon hij nu en dan vergissingen voorkomen, door tijdig de
+onderstelling te opperen, of een zeker voorwerp wel aan dàt adres moest
+worden bezorgd. Hij wist, door ervaring, hoe en waarmee bepaalde klanten
+bediend moesten worden. Zijn aandacht zat in zijn werk en dwaalde niet,
+onder 't loopen, naar alle gevalletjes, die buiten zijn taak lagen. En
+zoo werd hij een nadenkende, eigenlijk een voordenkende loopjongen.
+
+Natuurlijk sprongen zijn verdiensten gauw in 't oog. Een loopjongen,
+die geen standjes behoefde te krijgen voor stommiteiten, dat was al
+een wonder, maar een, die pluimpjes verdiende met verstandige zorg
+en gewetensvolle trouw, dat was een mirakel. Onze vriend had zelf
+geen aasje idee van eenige bijzondere verdienste; het sprak voor hem
+vanzelf, dat hij zijn werk goed deed; het controleeren van adressen en
+inpakkerijen kon hij eenvoudig niet nalaten; hij had er bovendien een
+zeker plezier in, de kortste route te vinden en onderweg rekening te
+houden met tal van bijzonderheidjes, zoo bijv. met het feit, dat meneer
+A. op bepaalde uren niet thuis was of mevrouw B. het snelst hielp
+tusschen tweeën en halfdrie. Zijn werk zat vol problemen, en zonder
+dit als iets gewichtigs te beschouwen, was hij aanhoudend bezig, die
+problemen te stellen en op te lossen.
+
+Die jongen klom op tot winkelbediende, tot eersten bediende, tot chef
+van een groot magazijn, tot directeur eener reusachtige zaak. Hij had
+ook leger-commandant kunnen worden of eerste minister. Dat hing maar
+van omstandigheden af. In welke richting hij zijn levensarbeid had
+gevonden, hij zou er geslaagd zijn en een der hoogste trappen bereikt
+hebben, terwijl zijn vroegere kameraden het niet verder hadden gebracht
+dan van loopjongen tot loopknecht. Vele menschen maken alleen promotie
+in leeftijd en als het van hen afhing, zouden ze niet eens ouder worden.
+
+ * * * * *
+
+Er zijn mededingers naar allerlei betrekkingen, die het in een aantal
+prachtige aanbevelingen zoeken. Ze leggen letterlijk een verzameling
+van getuigschriften aan, alsof de leegte van een vacante plaats met
+zoo'n pakket gevuld moest worden. Iedere sollicitatie wordt gerugsteund,
+om niet te zeggen voortgeperst, door de dringende en haast dwingende
+opsomming van hun deugden. Die getuigschriften lezende—als men er den
+tijd voor af kan nemen—vraagt men zich met verbazing af, waarom al die
+vroegere patroons toch zulk een rijkbegaafde hebben laten schieten. Men
+zou zoo denken, dat iedere chef overgelukkig behoorde te zijn met zulk
+een medehelper. Doch al de overige bezitters zijn blijkbaar niet
+naijverig geweest op dit kleinood en hebben het in schitterende
+verpakking doorgezonden.
+
+Maar één getuigschrift is er, dat absolute waarde heeft: het
+getuigschrift, dat een patroon iemand niet missen wil, omdat hij hem
+bijna niet missen kàn. Ten slotte komt de ondergeschikte dan niet met
+zijn verzoek bij de superieuren, maar komen dezen met hun aanbod bij
+den ondergeschikte, in wien ze superieure gaven waardeeren.
+
+Het heet, dat men in onzen tijd er komen moet met kruiwagen en reclame.
+'t Is mogelijk, dat in bureaucratische kringen, waar zelfstandigheid
+niet gewenscht, zelfs niet geduld wordt, de aanbeveling het vaak wint
+van de verdienste: machineraderen kunnen gemakkelijk een andere,
+schijnbaar voorname plaats in het raderwerk innemen, ze passen overal.
+Maar waar het maatschappelijk leven nog niet verbureaucratiseerd is,
+waar nog gewerkt en geworsteld moet worden, waar persoonlikheden noodig
+zijn en geen raderen, waar men niet slechts behoeft te „loopen”, maar
+genoodzaakt is te presteeren, daar helpt kruiwagen noch reclame, daar
+zouden onbenullige middelmatigheden de zaak ten gronde richten, daar
+baat slechts één aanbeveling, de aanbeveling van éígen werk, dat van
+verstandelijke gaven getuigt; maar bovenal van den zedelijken dwang: het
+goede _goed_ te willen doen.
+
+
+
+
+XII. OVER-RECKT.
+
+ 'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten:
+ Op 't slijten komt het aen.
+
+ CONSTANTIJN HUYGENS.
+
+
+„Rusten maar”, zei de dokter. „Rusten maar. Is veertien dagen niet
+genoeg, dan een maand. Is een maand niet genoeg, dan drie maanden. Is
+drie maanden niet genoeg, dan een halfjaar. Ja eigenlijk—zoo besloot
+hij—eigenlijk moesten de menschen in dezen tijd, die 't wat erg druk
+hebben, of—klonk het er ietwat verwijtend bij—die zich wat erg druk
+maken, zoo om de zes jaar er eens een halfjaar uit, heelemaal eruit! Dat
+zou ze opknappen!”
+
+De patiënt, tot wien hij die kleine speech hield, lag maar geduldig
+te luisteren en maakte onderdehand het plan, dat hij, als hij 't
+eens voor 't zeggen kreeg, zoo'n halfjaar vacantie om de zes jaar zou
+proclameeren. Maar om 't zoo ver te brengen, dat zijn invloed dit kon
+bewerken, moest hij niet rusten, maar werken. En zijn onrustige geest
+was al weer bezig.
+
+„Neen”, zei de dokter, „rusten is niet volslagen luieren, maar
+onverplichten arbeid verrichten, arbeid, die niet van je geëischt wordt,
+die je niet jaagt en drijft, en dien je kunt laten liggen als de ambitie
+verflauwt. Rusten is: met kalmte en opgewektheid bezig zijn.”
+
+„Mag ik lezen?”
+
+„Welzeker, maar nog liever boomen omhakken. Doch je mag ook wel lezen,
+maar neem dan iets anders dan waarin je den laatsten tijd verdiept bent
+geweest.”
+
+En de man van 't werkend rusten greep een deel van Huygens. Hij had al
+meermalen ondervonden, wat kalme opgewektheid er in de verzen van dezen
+zeventiend'eeuwer leeft en hoe die uit de verzen op den lezer overgaat.
+
+De zakelijke Huygens, de man van het werkelijke leven, de blijmoedig
+belangstellende dichter, die de mysteriën van 't aardsche leven vol
+vertrouwen aan God overlaat en zich aan zijn dagelijksche plichten
+wijdt, deze moest zijn invloed weer eens doen gelden op een der zonen
+van den onrustigen nieuweren tijd. Kom, kloeke, kalme, krachtige
+voorzaat, spreek nog eens tot een uwer „overspannen” nakomelingen en
+giet hem iets in van uw vrede en sterkte.
+
+Zullen we samen Hofwijck bezoeken? Daar is misschien het stille plekje,
+waar we buiten de beslommeringen der Hofstad weer langzaam op adem
+kunnen komen. Aanlokkender naam dan Hofwijck is er niet voor wie de rust
+behoeft, geen prettiger gezelschap dan dat van Huygens voor wie het
+leven, de natuur, 't menschelijk vernuft in gelijken mate bemint. Naar
+Hofwijck dan. Terecht zingt de dichter zelf: „Eens moet het Hof_wijck_
+zijn.”
+
+ * * * * *
+
+Zie, daar dwalen we al door de lanen van het rustige Buiten en zijn met
+den gastvrijen eigenaar in gesprek. We klagen hem onzen nood, en klagen
+daarbij de eeuw aan, die met zijn spoor en telegraaf, zijn boot en
+telephoon, met zijn fluitende of bengelende stoomtram tot zelfs in de
+afgelegenste hoekjes van 't land, den mensch nergens met rust laat.
+
+Al dat krantengeschrijf, met ochtend en avond nieuwe emoties; al die
+wereldberoeringen, dagelijks overgebracht in iedere huiskamer; al die
+lectuur, die den dokter in zijn coupé en den reiziger in de trein
+zelfs niet loslaat, en die straks de voetgangers op den openbaren weg
+vergezelt en hen maakt tot lezende wandelaars en renners, die geen
+seconde tijd ongebruikt willen laten voor hun geestelijke inwikkeling;
+al dat gevecht in 's lands vergaderzaal en 's volks meeting—'t
+vermoordt ons.
+
+Lezend en tobbend over de Dreyfuszaak, zijn we bezig ons zelf tot
+bannelingen te maken uit den kring van het rustige, vreedzame, kalme
+leven; levend en strijdend in den boerenkrijg, laten we ons kwetsen en
+dooden zonder een slagveld te hebben betreden.
+
+Belangstellend in alle gewichtige feiten van den dag, verliezen we 't
+belang van ons eigen leven uit het oog.
+
+En zoo raken we ten slotte—overspannen.
+
+Ja overspannen, dat is een woord en een kwaal van den nieuweren tijd.
+
+Vroeger kende men dat niet.
+
+Toen was 't leven gezonder.
+
+Toen waren de menschen krachtiger van zenuw en spier, beter van bloed.
+
+Toen groeide en bloeide een forsch geslacht van fiksche mannen en
+blozende vrouwen en dartele, joelende kinderen.
+
+Toen was 't de tijd voor bakkers en brouwers en kende men geen
+specialisten voor allerlei kwalen, zenuwartsen, zenuwinrichtingen,
+zenuwbaden, en de hemel weet wat gezenuw of gezemel nog meer!
+
+Toen...
+
+Doch de luisterende dichter legt onze ratelende tong een oogenblik het
+zwijgen op; hij begrijpt uit dat onafgebroken gepraat wel, dat we
+overspannen zijn, doch kalmeerend voegt hij erbij: „Ook ik,
+
+ 'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten.”
+
+Maar nu staan we verslagen. Hoe? Hij? Hebben we wel goed verstaan? Een
+der kloekste zonen van dat kloeke voorgeslacht, zou hij overspannen zijn
+geweest?
+
+Doch hij spreekt niet van „overspannen”—hij spreekt van
+„over-reckt”—is dit mogelijk iets anders?
+
+Doch neen, of we de snaar te sterk spannen of te sterk rekken, 't komt
+beide op hetzelfde neer. Oorzaak en gevolg zijn ook in beide gevallen
+dezelfde: we willen een hoogen, helderen toon doen klinken, en—
+
+ „de snaer, die heldste luijdt,
+ Scheidt d'eerste menighmaal van leven en van Luijt,
+ Verkracht en over-reckt.”
+
+Willen we alle snaren van leven en luit zoo lang mogelijk behouden,
+laten we dan—een toontje lager zingen!
+
+ * * * * *
+
+Ja, laten we een toontje lager zingen.
+
+We willen ook zooveel, en dat vele willen we zoo gauw.
+
+We willen in ons huisgezin ideale ouders voor onze kinderen zijn, hen
+opvoedend met liefde en wijsheid; we willen van die kinderen alles
+nagaan, ieder trekje van hun aard kennen en de juiste middelen
+aanwenden, om de zich openbarende gebreken reeds vroegtijdig den kop
+in te drukken. Ideale ouders, ter vorming van ideale kinderen!
+
+En we willen voortreffelijke onderwijzers zijn, die van ieder kind
+der klasse een studie maken, en de fouten der leerlingen in den grond
+trachten te verbeteren; onderwijzers, die van de tallooze kleinere en
+grootere conflicten en mislukkingen de oorzaak steeds bij zichzelf
+zoeken en dientengevolge gebukt gaan onder de neerdrukkende macht eener
+onafgebroken zelfveroordeeling.
+
+En we willen, ons ergerend aan allerlei misstanden en wanverhoudingen
+in de organisatie der onderwijswereld, gruwend van de examenvloek
+die een groot deel van ons onderwijs met lamheid slaat, walgend van
+de methodiekvergoding met haar overschatting van de verstandelijke
+ontwikkeling, verontwaardigd over de lakschheid en de lamlendigheid,
+waarmede zoovelen voortgaan jaar in jaar uit de jeugd van een heel
+geslacht te kwellen en te bederven, toornend over de zelfzucht en
+de gemakzucht, waarmee dressuur gehandhaafd blijft tegenover den
+schreeuwenden eisch der jonkheid naar een natuurlijken groei—we willen
+gansch ons onderwijs hervormen en daartoe al wat zich aan 't onderwijs
+wijdt bezielen met hervormingsijver.
+
+En we willen nog meer. Ook buiten de school klinken ons noodkreten in 't
+oor, en we mogen, we kúnnen ook daarvoor onze ooren niet sluiten.
+
+De arbeider roept ons op, en vraagt, indien we hem dan waarachtig
+goedgezind zijn, waarom we niet meewerken aan de opheffing van zijn
+loonslavernij.
+
+En de vrouw roept ons op, en vraagt, indien we dan waarachtig de
+vrijheid van _elken_ mensch liefhebben, waarom we ons niet mede
+aangorden tot den strijd voor háár recht, om ook in wettigen en
+wettelijken zin meer te zijn dan een misdadiger of een idioot.
+
+En de geestdriftige kampioen voor onthouding aller zin- en
+zielbedervende prikkels, de liefdevolle en onvermoeide bestrijder van
+drankgebruik—dat in elken vorm drankmisbruik is—hij wendt zich tot
+ons met al de kracht van zijn overtuiging en al de warmte zijner
+menschenmin, en vraagt, waarom we van verre blijven staan bij den strijd
+tegen dien kanker der huiselijke eendracht en der volkswelvaart.
+
+En zij, die niet het dier wenschen op te offeren aan den lust en de
+luiheid van den mensch, maar die integendeel een deel van zichzelf
+willen geven ten behoeve van het geminachte en mishandelde schepsel, dat
+redeloos genoemd wordt door hen die 't in hun redeloosheid vertrappen,
+ook zij vragen uw instemming, uw steun, uw medewerking.
+
+En de vriend van den wereldvrede roept ons op, en overtuigt ons, dat we
+niet slechts het zilver onzer beurs, maar ook de warmte van ons hart,
+de scherpte van ons verstand, de kracht van ons woord aan de groote en
+goede zaak der volkrenliefde moeten wijden.
+
+Och, overal en altijd hooren we de noodkreten der lijdenden en zachtkens
+daar tusschen door de teere liefde-klanken der helpers. En verwijtend
+vraagt ons geweten, waarom we niet mee arbeiden door de stille werking
+van ons voorbeeld, waarom we ons niet mede scharen onder de vaan der
+moderne kruisvaarders en met hen optrekken naar het heilige land van
+eendracht, liefde, geluk.
+
+En we móéten luisteren en mede-arbeiden. We moeten luisteren en mede
+optrekken. De lendenen omgord!
+
+Liever bezweken op den donkeren, moeilijken weg, dan in zelfzuchtige
+koestering het leven genoten!
+
+ * * * * *
+
+Liever bezweken......
+
+Liever bezweken? En zij dan, die in de eerste plaats recht op onze zorg
+hebben, de kinderen, die wij in 't aanzijn hebben geroepen? Moeten die
+dan maar aan hun lot worden overgelaten? Of aan de zorgen van anderen
+opgedragen?
+
+En de vrouw, die lief en leed met ons deelen zou en die we nu voor 't
+leed alleen laten zitten?
+
+Niet elke mensch heeft _recht_ om te bezwijken.
+
+Wie eenmaal zekere ernstige verplichtingen op zich heeft geladen, dient
+te zorgen, dat hij die verplichtingen kan nakomen. En trouw in het
+kleine is beter dan mislukking in het groote.
+
+Alleen hij, die de volle beschikking heeft over zichzelf, mag zijn
+geheelen persoon wijden, desnoods opofferen aan het algemeen welzijn.
+Doch ieder, die de belangen van andere personen of zekere instellingen
+te behartigen heeft, dient _hiervoor_ in de eerste plaats zijn
+krachten te besteden en te sparen. Wat hem, na _arbeid_ èn _rust_
+èn _ontspanning_ dan nog aan krachten overblijft, mag hij—moet
+hij—aanwenden ten behoeve dier tallooze misdeelden, wier nood zoo
+dringend om zijn bijstand roept.
+
+De wijsheid der Ouden: _Est modus in rebus_[4] geldt niet alleen bij de
+bevrediging onzer lichamelijke behoeften en zinnelijke neigingen. Er
+is onmatigheid in eten en drinken, doch er is ook onmatigheid in—'t
+bestrijden der onmatigheid.
+
+[4] Er is een maat in alle dingen.
+
+Wie als vurig ijveraar voor de geheel-onthouding tenslotte zijn
+gezondheid verwoest en zijn gezin dreigt te ruïneeren, zondigt door
+onmatigheid. En de droevige gevolgen dezer zonden laten zich—als
+altijd—niet wachten.
+
+Wie de belangen van tallooze goede instellingen op maatschappelijk
+gebied met zooveel kracht verzorgt, dat hij tenslotte zijn heel gewone
+dagtaak niet meer met blijmoedigheid kan verrichtten, zondigt evenzeer
+door onmatigheid. En er is iets tragi-komisch in, dat de man, die de
+wereld hervormen wil, zijn eigen nederigen arbeid moet laten liggen,
+niet door oorspronkelijk gemis aan kracht, maar door overschatting van
+kracht.
+
+Dit zijn heel nuchtere opmerkingen en overwegingen, doch de feiten
+dwingen ons wel eens naar die overwegingen te luisteren en er ons
+voordeel mee te doen. We kennen er te velen, die, wanend of wetend te
+werken voor andrer heil, dien arbeid zagen uitloopen op eigen en andrer
+onheil.
+
+En onze tijd is in dit opzicht een gevaarlijke tijd, die 't op de snelle
+slooping van ons levensmateriaal schijnt toe te leggen. Er is dan ook
+geen twijfel aan, of naast de roepstemmen om hulp zullen straks steeds
+meer en luider ook de waarschuwende stemmen klinken, dat de helpers zich
+niet tot hulpbehoevenden mogen maken. Een ieder kenne zijn kracht.
+
+Dat overigens ook vroeger eeuwen het euvel der overspanning hebben
+gekend bewijst wel het woord van een zoo wijs en ervaren man als
+Huygens. En niet minder treffend spreekt het uit den raad, ons door
+Schiller gegeven:
+
+ Thue was Recht ist, mein Freund, und dabei lasz es bewenden,
+ Und enthalte dich, ja, alles was Recht ist, zu thun.[5]
+
+[5] Vrij vertaald, luidt dit distichon:
+
+ Doe het goede, mijn vriend, en stel u daarmee tevreden,
+ En onthoud er u van, alles wat goed is te doen.
+
+Is in deze regels onze fout niet volkomen naar waarheid gesignaleerd?
+We zijn niet tevreden ermee, dat ons gewone werk de critiek van een
+nauwgezet geweten kan doorstaan—ofschoon ons dat al moeite en strijd
+genoeg kost—neen, we willen _al het goede_ doen. We willen niet ons
+zelf en ons klein kringetje verzorgen, maar liefst de geheele menschheid
+verheffen. We willen niet de bescheiden menschentaak vervullen, maar we
+willen een Godsarbeid voor onze rekening nemen. En onze onvolmaaktheid
+schiet jammerlijk te kort.
+
+ * * * * *
+
+Maar wat zullen we dan? Onze ooren toestoppen, waar de nooden der
+misdeelden om leniging of opheffing schreien? Onze oogen sluiten, waar
+zij pijnlijk dreigen te worden aangedaan door de ellende van anderen?
+Onze harten verharden, waar 't recht gekrenkt wordt en onze
+naasten—toch immers maar „vreemden!”—daarvan 't slachtoffer worden?
+Lijdzaam berusten in tal van voor anderen—maar dan toch onze
+naasten!—noodlottige toestanden?
+
+Er is een zinrijke legende, waarin de straf der liefdelooze
+zelfgenoegzaamheid ons waarschuwend wordt voor oogen gesteld.
+
+ * * * * *
+
+Petrus was in den hemel opgenomen. Doch de hemelsche zaligheid was voor
+hem niet onvermengd, zoolang zijn moeder nog de pijnen der hel moest
+doorstaan.
+
+Toen smeekte hij Gods Zoon, dat Deze ook zijn moeder liet opvoeren. Maar
+Jezus weigerde. Ieder bewerkt zijn eigen zaligheid. En de moeder van den
+apostel zou niet gelukkig zijn, als ze te midden der zaligen verkeerde.
+De wangunst van haar liefdeloos hart zou alle hemelvreugde vergallen.
+
+Doch Petrus hield aan met smeeken, en eindelijk zond Jezus een engel
+naar omlaag, om de vrouw te halen.
+
+Toen de engel in de hel afdaalde en de moeder van Petrus onder de armen
+nam, om haar met hem te doen opstijgen naar de zalige gewesten, klemden
+zich vele verdoemden aan het lichaam en de kleederen der geredde vrouw
+vast in hun wanhopig verlangen, om uit de hellesmart verlost te worden.
+
+En de engel voerde ook hen mee, en steeg met die allen snel omhoog.
+
+Maar de moeder van Petrus gunde dien anderen de zaligheid niet, die haar
+deel beloofde te worden. En ze rukte een dier rampzaligen los en deed
+hem in de diepte der hel nederploffen.
+
+Toen verminderde de vaart van den engel merkbaar en met meer inspanning
+dan te voren voerde hij zijn last omhoog.
+
+Nogmaals wist de wangunstige vrouw een harer gezellen van haar kleed los
+te rukken en te doen wegtuimelen in den afgrond.
+
+Doch al weer vertraagde aanstonds daarop de vlucht van den engel, en
+werd zijn vleugelslag zwaarder en moeilijker.
+
+Toch, trouw aan zijn plicht, droeg hij de vrouw en allen die aan haar
+kleed hingen, gestadig hooger, hoewel de kracht zijner blanke wieken
+scheen te verzwakken naarmate de moeder van den apostel steeds meerderen
+van zich wist af te slingeren. Zoolang zich echter nog één aan haar
+kleederen vastklemde, zoolang leidde de tocht, zij 't ook immer
+langzamer, naar den hemel.
+
+Eindelijk naderden ze den hemelpoort. Bijna was de heilstaat bereikt.
+Met zwaren wiekslag torste de engel nog twee doemelingen, de moeder van
+Petrus en nog een, die zich met inspanning van alle krachten had weten
+te beschermen tegen de woeste pogingen der helsche nijd. Doch ook dien
+eenen kon de wangunstige niet in haar zaligheid doen deelen en op 't
+laatste oogenblik nog wist zij de handen los te wringen van den
+ongelukkige, waardoor deze in de diepte stortte.
+
+Maar toen ook was de kracht van den engel gebroken. Aan den rand van den
+hemel, kon hij zich geen handbreed meer omhoog heffen. Langzaam daalde
+hij, doch spoedig al sneller en sneller, totdat hij, aan den ingang van
+den afgrond teruggekeerd, de vrouw in de hel deed wegzinken.
+
+In deze moeder van Petrus is de liefdeloosheid wel in haar gruwzaamste
+vorm. 't Is niet de koude zelfgenoegzaamheid, die gevoelloos is voor het
+leed en de vreugde van anderen, maar de vale nijd, die zelfs bij eigen
+zaligheid de vreugde van anderen niet kan dulden. Maar die daarmee dan
+ook eigen zaligheid verspeelt.
+
+Dit is het treffende in deze legende, dat de vrouw den hemel zou zijn
+binnengegaan, als zij ook maar een enkele had willen meedragen. Als in
+haar hart dus _eenig_ liefdegevoel voor de mede-rampzaligen had geleefd.
+
+En dit beseffen we zoo diep.
+
+Niet de liefde, die ons betoond _wordt_, is de koesterende gloed van ons
+leven. Doch de liefde, die wijzelf betoonen. Die ontwikkelt in ons de
+inwendige warmte, zonder welke ons bestaan koud en vreugdeloos is. Geen
+lijdelijk ontvangen van liefde schenkt blijvend geluk. Al bestraalt
+de zomerzon den stillen vijver den ganschen dag, na een enkelen nacht
+van duisternis is de watervlakte weer koel. Doch het borrelende en
+bruischende, altijd werkende water der warme bronnen heeft geen
+zonnekoestering van noode. Schoon diep verborgen in den donkeren grond,
+het springt kokend en dampend naar omhoog, zingend het lied van zijn
+eigen warme levensvreugde. Alleen het actief schenken van liefde werkt
+in ons duurzame zaligheid.
+
+Maar ook hierin dienen wij maat te houden. Er is ook inwendig vuur, dat
+verteert.
+
+
+
+
+XIII. „HEDEN OVERLEED PLOTSELING....”
+
+
+Hoe dikwijls lezen we dat tegenwoordig in de doodsberichten. En hoe vaak
+ook onder de nieuwstijdingen. Een spreker zinkt ineen in den katheder,
+een dokter bij het ziekbed van een patiënt, een predikant bij de
+geopende groeve, een minister bij een feestmaal. Terwijl ze gereed,
+terwijl ze bezig waren anderen te bezielen, te genezen, te troosten,
+ja, met een geestige tafelrede aan hun lippen te boeien, stonden ze
+op den rand van 't graf. Ze wisten het niet, niemand wist het, en tot
+ontroering der omgeving vielen ze, eensklaps, in den donkeren dood.
+
+„Heden overleed plotseling...”
+
+Zoo sterven er velen in dezen tijd van telegraaf en telefoon.
+
+Lange brieven en lange ziekbedden, we hebben er geen tijd meer voor.
+
+Even, heel kort, een zaak afhandelen met het andere einde der aarde, met
+de andere zijde van 't graf.
+
+Het leven en sterven in telegramstijl.
+
+Hartverlamming—zeggen de doktoren.
+
+O natuurlijk, wat zou 't anders wezen. Wanneer het hart niet verlamd was
+en door bleef werken, zou het leven niet gevloden zijn. Ten slotte is
+het altijd hartverlamming.
+
+Maar hoe komt het, dat bij zoo velen, en dan menigmaal zoo vroeg, het
+hart zijn diensten weigert? Wat is de oorzaak dier hartverlamming?
+Het zijn niet oude, afgeleefde menschen, bij wie het hart na meer
+dan zeventigjarigen arbeid zijn taak heeft verricht—dezen verlaten
+ons langzaam, voetje voor voetje. Hun levensolie is opgebrand, het
+vlammetje wordt flauwer en flauwer, de verkoolde pit knettert in zwakke
+opflikkeringetjes en gloeiende vonkjes, en dan is het stil, rustig en
+stil. Ze zijn heengegaan, moede, vredig. Het was hun tijd.
+
+Het zijn ook niet kinderen, jongelingen, wier hart bezweek in den strijd
+tegen een overmachtigen vijand, die 't bloed bedierf en niet wijken
+wilde uit dit onmisbare levensvocht—zij strijden, strijden tot het
+laatste oogenblik toe, en geven zich pas gewonnen als alle kracht
+verbruikt is. Zij hebben zich geweerd met al de energie van hun jonge
+leven, doch konden 't niet volhouden in den ongelijken kamp. Zij sterven
+op het slagveld na soms schier eindelooze worsteling.
+
+Maar 't zijn de mannen in de kracht van hun leven, weldoorvoed,
+gespierd, blozend van gezondheid. Als door een verraderlijken bandiet
+plotseling beslopen en met een dolksteek in 't hart getroffen, storten
+ze neer. Niemand verwachtte het, ook zij zelf niet. Men noodigde hen uit
+tot eervolle taak, droeg hun verantwoordelijken last op. Zij stonden op
+hun post, fiksch, forsch, betrouwbaar. Wie zou ook maar in de verste
+verte vermoeden, dat deze krachtige geest, dit gezonde physiek nog
+slechts door een fijnen zijden draad aan het aardsche leven was
+verbonden? Niemand immers? Vrouw, kinderen, vrienden, allen rekenden
+op den man, die bijna nooit ziek was, alleen nu en dan wat nerveus,
+wat prikkelbaar, wat overspannen door overmaat van werk, van
+verantwoordelijkheid. En zie, daar valt hij uit hun midden weg.
+
+ * * * * *
+
+Het wordt tijd, dat we leeren rekening houden met het onberekenbare, dat
+we het onverwachte gaan verwachten. Waar de uitzonderingen zich
+vermenigvuldigen, vormen zich nieuwe regels.
+
+Wel heeft Jeremia al geklaagd, dat de mensch „vlucht als een schaduw”
+en zong de Psalmist van de bloem, die „'s morgens bloeit en 's avonds
+afgesneden wordt”, wel waarschuwde Christus, dat „de ure komt als een
+dief in den nacht”, maar deze stemmen schijnen in het algemeen meer te
+herinneren aan het kortstondige, vergankelijke van al het aardsche, dan
+aan het plotseling sterven, gelijk dat uit de doodsberichten tot ons
+spreekt.
+
+Gewis, het scheidingsoogenblik heeft den mensch wel altijd verrast. We
+leven zoo met heel ons hart in de dingen dezer wereld, dat de geest ze
+nog vasthoudt en er mee blijft verkeeren, wanneer het lichaam zich reeds
+bijna geheel van de aardsche verhoudingen heeft losgemaakt. Stoffelijk
+wegstervende, blijft de geest nog gehecht aan de sfeer, die hij verlaten
+moet. En dan komt de dood—niet het einde van het physieke leven, maar
+het geestelijk loslaten van al het aardsche—wel altijd nog plotseling.
+
+Het eensklaps breken echter van den levensdraad bij naar 't oog gezonde
+en krachtige naturen, dit schijnt steeds meer te wijzen op een ziekte
+van de nieuwere tijden. Het is een dood zooals het leven was.
+
+Ons leven, is het niet een voortdurende snelle wisseling van denken,
+doen, gevoelen? We denken niet rustig door, maar onze gedachten
+verbrokkelen en verstrooien zich als telephoongesprekken. Snel vernemen,
+vlug begrijpen, ras besluiten. En 't lichamelijk verkeer is vooral niet
+minder veranderend dan het geestesleven. We vliegen met electriciteit
+door de straten, door 't land, door de lucht. Alles gaat plotseling,
+met onverwachte wendingen. Geen wonder, dat ook het gemoed zijn kalmte
+verliest, vervreemdt van een vredige, gelijkmatige stemming, en leeft
+bij schokken. Een _leven_ van plotselingheden—een plotseling _sterven_.
+Het is in harmonie met elkaar. De laatste schok komt even onverwacht als
+de vorige. Het is het telegram van den Dood, met „Antwoord betaald.”
+
+Zal de mensch zich accommodeeren naar het onrust-tempo, waarin de
+verbijsterende zegepralen der techniek zijn leven hebben gezet? Zal hij
+de kalmte van zijn geest, den vrede van zijn gemoed weten te bewaren,
+desnoods te herwinnen, onder de telkens opjagende dwarrelwinden van de
+moderne cultuur? Of zal de Dood voortgaan, zich aan te passen bij zulk
+een schokbestaan?
+
+„Bereid uw huis, want gij zult sterven.” We kennen dit woord. Er is
+in onze eeuw meer dan ooit reden, het in gedachten te houden. Doch we
+zouden er gaarne een woord aan toevoegen: Bereid ook uw hart. En dit in
+meer dan één opzicht.
+
+Bereid uw hart, opdat het gereed zij wanneer de ure komt.
+
+Doch ook: Bereid uw hart, opdat het bestand zij tegen de
+levenswisselingen. Het leven wordt immer rijker, voller, sneller,
+onrustiger, gejaagder. Te midden daarvan dient ons gemoed rustig te
+blijven, of de levensduur vermindert met den levensrijkdom. We moeten
+tegen de emotie-wekkende invloeden van daarbuiten een gemoedsvrede
+ontwikkelen, die bestand is tegen de elkaar onafgebroken opvolgende
+prikkels. Anders verkeert alle beschavingswinst in verlies.
+
+De veer in het uurwerk stoort er zich niet aan, of dit uurwerk zelf
+met bliksemsnelheid wordt voortbewogen, of het stijgt dan wel daalt,
+onophoudelijk zwenkt of in regelrechte vaart voortstuift. Zij heeft haar
+eigen spanning. Eenmaal opgewonden, weet ze alleen van een geleidelijk
+afwerken van haar taak.
+
+Er is reden te over, dat we de veer van ons fijnbewerktuigd organisme
+leeren ontzien.
+
+Hoe?
+
+De hygiënisten zullen wel menigen goeden raad hebben: geen prikkelende
+dranken, geen heftige emoties; wel geregelde rust, wel kalme
+ontspanning.
+
+Wij hebben er één raad bij: het door hooger levensopvatting aankweeken
+van een gemoedsrust, die alle onrust der tijden verdraagt, trotseert,
+onbewogen langs zich heen doet gaan. „Saevis tranquillus in undis”.
+Rustig te midden der woedende golven: De levensleus van den grooten
+Zwijger.
+
+
+
+
+XIV. DE SCHOOL EN DE ZENDING.
+
+
+I.
+
+Wat heeft nu de School met de Zending te maken, en dan nog wel de
+Openbare School? Hierover zullen we het toch wel eens zijn, dat de
+Zending in de Openbare School niet thuis hoort. Zij zou daar de Joden,
+de Ongelovigen ergernis geven en dus de neutraliteit schenden. Wie de
+Zending op het leerprogramma brengt der Algemene Volksschool, begaat
+daarmee wetsschennis.
+
+Zou het? Dan zijn wij allen schenners der wet en schenders
+der neutraliteit, en dan moeten al onze geschiedenisboekjes
+veroordeeld worden. Want wij allen bespreken de Zending bij ons
+Geschiedenisonderwijs en alle geschiedenisboekjes handelen er over.
+Echter——'t is de Zending _naar ons toe_ en niet de Zending _van ons
+uit_.
+
+Is de laatste echter iets anders dan de eerste?
+
+Alle kindertjes van alle openbare scholen horen, zo ongeveer op hun
+negende of tiende jaar, dat onze voorvaderen heidenen waren, dat ze
+voor stenen beelden knielden, dat ze aan afgoden offerden, en dat er
+toen zendelingen in ons land kwamen, die er het christendom predikten.
+Ook wat de gevolgen daarvan waren. Dat enkele van die zendelingen
+wreedaardig vermoord werden. Maar dat er ook kerken werden gesticht
+en kloosters en scholen. En dat door de monniken de landbouw en de
+tuinbouw veel verbeterd werden, en de ziekenverpleging, en verschillende
+bedrijven. Dat door diezelfde monniken kunsten en wetenschappen werden
+beoefend en hierdoor het volk ook geestelik ontwikkeld. Dat eindelik
+door die volgelingen van Christus de jeugd werd onderwezen, niet alleen
+in lezen en schrijven, maar ook in de christelike leer en zeden,
+zodat de bewoners van ons land stoffelike, verstandelike en zedelike
+verheffing aan de invoering van het christendom, dus aan de Zending,
+te danken hadden. Zonder Zending geen School. Dus ook ònze school heeft
+haar bestaan oorspronkelik aan die Zending te danken. Zou zij er nu over
+moeten zwijgen? Neen, terecht verhaalt zij er van en met dankbaarheid.
+
+Maar die Zending heeft niet stil gestaan. Toen ze hier in de Noordelike
+landen het Christendom had gebracht en verbreid, was haar taak niet
+afgelopen. „Predikt het Evangelie aan alle creaturen”, had Jezus gezegd.
+En terwijl ze hier nog steeds voortgaat, eeuw in eeuw uit, in de
+christenwereld christenen te maken, arbeidt ze nu ook in alle oorden der
+aarde, onder roden en gelen en bruinen en zwarten, om er de zegeningen
+van het christendom te brengen. Van _deze_ Zending wordt op de school
+echter gezwegen, althans op de openbare school. Waarom? Ik denk, dat
+men zich hiervan nooit rekenschap heeft gegeven, maar dat het niet
+om beginselredenen geschiedt. Ik vermoed, dat dit zwijgen samenhangt
+met de aard van ons Aardrijkskundig onderwijs, dat veel meer aandacht
+geschonken heeft en nog schenkt aan de examineerbare kaartkennis en de
+natuurkundige verschijnselen in land en zee en dampkring, dan aan de
+mensen en hun leven. Volkenkunde—de echte, die de mensen ziet werken
+voor hun spijs en drank, ziet bouwen aan hun woning, ziet leven met hun
+stam- en gezinsgenoten, ziet jagen en strijden, ziet bidden en offeren
+en toveren, ziet dobbelen en drinken; Volkenkunde—de echte, die de
+mens schildert in zijn velerlei betrekking tot de natuur, de medemens,
+de godheden,—deze Volkenkunde is nog bij lange na geen gemeen goed
+bij ons Aardrijkskundig onderwijs op de lagere, en zelfs niet op
+de middelbare en de hogere scholen. En nu komt het mij voor, dat dit
+staatkundig-natuurkundig karakter van ons Aardrijkskundig onderwijs er
+schuld aan heeft, dat, met het volksleven, ook over de Zending gezwegen
+wordt. Wie de heidenlanden volkenkundig behandelt, móét wel over de
+Zending spreken, ware 't alleen omdat heel veel van onze kennis dier
+streken en volken, naast de reizigers, ook aan de zendelingen te danken
+is. Men kan wel bijna zeggen: geen reiziger, die zo intiem met de
+inboorlingen meeleeft als de zendeling, geen dus ook, die zo bekend is
+met de uiterlikheden van dat leven en met de volksziel, die achter deze
+uiterlikheden verborgen is en zich er door openbaart. Zodat, gelijk
+de Zending ons heel wat Volkenkunde heeft aangebracht, deze ons ook
+natuurlikerwijze met de Zending in aanraking brengt. Doch, al ware het
+niet door dit verband, dan nog is het plicht van ons, en voor de school,
+kennis te nemen ook van de hedendaagse arbeid der Zending om de hoogst
+belangrijke taak, welke zij in cultuurhistories opzicht verricht.
+
+ * * * * *
+
+In het lijvige en rijk geïllustreerde boek[6], dat de heer T. J. Bezemer
+ons via de firma J. B. Wolters over Oost-Indië heeft gegeven, verwijst
+de schrijver ons voor zijn bron over Midden-Celebes naar de opstellen
+van de zendeling Alb. C. Kruyt, geplaatst in de Mededeelingen van het
+Nederlandsch Zendelinggenootschap. De heer Kruyt heeft dan ook niet
+alleen als zendeling, maar ook als kenner van de Toradja's, de
+koppensnellers van Midden-Celebes, een welgevestigde naam. Hij is
+een der velen, wier nuchter-ideale arbeid tot uitbreiding van het
+christendom, door zijn rijkdom van feitenkennis de wetenschap der
+volkenkunde ten goede is gekomen en wiens streven reeds daarom de
+belangstelling en steun der „neutrale” wetenschap verdient. Doch al
+ware dit niet zo, dan nog zou het werk der Zending—zo zei ik—ook de
+bijstand van „neutraal” Nederland verdienen, om zijn hoge waarde voor de
+vorming der inboorlingen.
+
+[6] Door Nederlandsch Oost-Indië. Schetsen van land en volk, bewerkt
+ door T. J. Bezemer. Met een inleiding van J. F. Niermeyer, en
+ ongeveer 300 illustraties en kaarten. Groningen, J. B. Wolters,
+ 1906. Prijs, geb. ƒ 7.50.
+
+Wij, onwetende napraters, hebben in de regel zo'n totaal verkeerd
+idee van de Zending. We denken, als we heel welwillend zijn, aan wat
+goedaardige, ietwat dweepzieke naturen, die daar te midden van de
+heidenwereld staan te preken, de christelike leer te verkondigen, zo
+ongeveer als dat bij ons de straatpredikers doen. We zien voor ons
+geestesoog een blanke man, omringd door zwarte inboorlingen, en hen de
+weg der zaligheid wijzend, vol geloof aan wonderbare bekeringen. En
+dan vinden we dat van die mannen heel edelaardig, maar toch ook wat
+onnozel. Wellicht hebben de verdichte verhalen en illustraties uit
+onze vaderlandse geschiedenisboekjes schuld aan deze voorstellingen.
+En spotternijen als van Multatuli, die onze Nederlandse vrouwen in
+devote stemming _winter_sokjes liet breien voor arme (en _warme_!)
+negerkinderen, zullen aan een zuivere voorstelling van de zaak ook geen
+goed hebben gedaan. Doch, door welke oorzaken ook, een feit is het, dat
+in het onkerkelik Nederland een volkomen foutieve voorstelling heerst
+van de Zendingsarbeid en dat er mede daardoor alle belangstelling voor
+ontbreekt.
+
+Laat die heidenen maar gelukkig zijn in hun natuurstaat, zeggen we met
+goedhartige onkunde, ze hebben genoeg aan hun vruchten, hun velden, hun
+hutten, hun heerlike natuur en hun eenvoudige zeden, wat wilt ge die
+mensen nu meer geven, dan ge ze ontneemt? In plaats van hun idyllies
+leventje brengt gij ze een beschaving van kruit en jenever. Laat hen met
+rust. En indien ge met alle geweld hun kennis wilt vermeerderen, hun
+zeden verzachten, randt dan toch in elk geval hun godsdienst niet aan.
+Vrijheid van godsdienst, vrijheid van geweten, is een van de schoonste
+vruchten der nieuwere tijden, waarvoor we Willem de Zwijger en zijn
+medestrijders nog tans dankbaar zijn, laten we dat kostbaar bezit der
+latere eeuwen in eere houden ook in de heidenwereld, en die mensen de
+vrijheid gunnen hun god of goden te dienen op hun wijze.
+
+Al dit gepraat lijkt heel mooi en verstandig. Er is slechts één gebrek
+bij, dat het n.l. geheel buiten de werkelikheid omgaat. De voorstelling
+van de Zending deugt niet, en dat liefelike leventje van eenvoudige
+wilden, vreedzaam en vergenoegd levende te midden eener rijke en
+stemmende natuur, is even onwaar als de roman van Paul en Virginie.
+Indien er hier geleuterd en gefantaseerd wordt, het is niet door de
+zendelingen, die met een warm hart en een koel hoofd arbeiden op het
+terrein zelf, maar wel door hun ondeskundige bespotters en bestrijders.
+En wie hiervan overtuigd wil worden, leze eens de zeer zaakrijke en
+heldere opstellen van Ds. J. W. Gunning (De beteekenis der Christelijke
+Zending voor onze Koloniën) en van Dr. N. Adriani (De Zending in
+Midden-Celebes.) Deze artikelen, oorspronkelik verschenen in de
+Tijdspiegel van Nov. 1908 en Onze Eeuw van Sept. 1908, en nu in één
+bundeltje verenigd, kunnen elk oprecht belangstellende een zuiver beeld
+geven èn van de heidenwereld èn van het werk der Zending. Men zal er o.
+a. uit leren, dat neutraliteit bij de aanraking met die wereld eenvoudig
+onzin is, daar iedere gebeurtenis, reeds de eenvoudige vestiging van
+een vreemdeling, het bouwen van een huis of het aanleggen van een weg,
+onmiddellik ingrijpt in de godsdienst dezer voorouder-vereerders, waar
+elke nieuwigheid de wraak der voorouders over de hoofden van hun
+nageslacht roept. En ook, dat niet-invoering van het christendom
+uitloopt op uitbreiding van het Mohammedanisme met zijn veelwijverij,
+dus in geen geval op het handhaven van een ideale natuurstaat—die niets
+ideaals heeft.
+
+Gaarne zou ik ter bewijsvoering van het hier gezegde hele bladzijden
+overschrijven, maar dat gaat niet. Laat ik volstaan met de toelichting
+bij die ideaal-natuurstaat, dat er nog de godsoordelen in volle
+werkelikheid heersen. „Het doel van het godsoordeel is,” schrijft
+Dr. Adriani, „eene zaak door de goden te laten uitmaken. Laat men dit
+geschieden, doordat elk der partijen iemand aanwijst die voor hen eene
+lans in den grond zal steken, waarbij hij die het diepst steekt de zaak
+voor zijne partij heeft gewonnen, dan wordt vooraf, met een klein offer
+de Aarde opgeroepen, om de zaak te beslechten. Duikt men om het langst,
+dan zijn het de watergoden die de zaak uitmaken. Maar het allermeest
+laat men de beklaagde een vinger in de kokende hars steken; vertoont die
+vinger na eenigen tijd blaren of wonden, dan is het bewijs der schuld
+geleverd. Men begrijpt dat maar zelden iemand aan dit godsoordeel
+ontkomt en het is zeker ook wel daarom zooveel meer gebruikelijk dan de
+andere, bij welke de kans te worden vrijgesproken gelijk staat met die
+van veroordeeld te worden. Men wil degenen die van hekserij worden
+verdacht met alle geweld ter dood veroordeeld hebben en geeft hun dus
+niet de kans daaraan te ontkomen. Geschiedt het een enkelen keer toch,
+dat iemand door dit godsgericht als onschuldig wordt aangewezen, dan
+vervallen zijn aanklagers in eene boete. Het doodvonnis wordt niet door
+den stam voltrokken. Men wil zijne eigene familie niet dooden en noodigt
+daarom een anderen stam uit, het vonnis te komen voltrekken. Het is niet
+moeilijk voor zoo iets liefhebbers te vinden. Vooreerst waren er altijd
+zwervende benden van den stam Napoe in de buurt, die steeds bereid waren
+een doodvonnis te voltrekken, omdat daarop als belooning voor hen stond
+den schedel in een hunner godshuizen te brengen, te wijden en op te
+hangen. Zoozeer was het medebrengen gewenscht van een schedel, d. w. z.
+van een stuk menschenlichaam en dus van een stuk levenskracht, waardoor
+genezing aan de zieken, lang leven en gezondheid aan de gezonden werd
+gebracht en die tevens een bewijs was van de dapperheid dergenen die den
+schedel medebrachten, dat het voor elken troep Napoeërs schande was naar
+hun land terug te keeren zonder althans één schedel mede te brengen.
+Doordat het slachtoffer niet tot de familie behoorde, behoefde men het
+niet te sparen. En voor elk der deelnemers was het zaak, door althans
+één houw op het lichaam van den veroordeelde te geven, deel te hebben
+aan de terechtstelling. Het gevolg was, dat de executie neerkwam op
+een langzaam doodmartelen, wel niet uit wreedheid uitgevoerd, doch
+ook niet uit barmhartigheid nagelaten. En dat deze terechtstellingen
+demoraliseerend werken moesten, kan wel vooral hieruit blijken, dat men
+met opzet jonge knapen daaraan liet deelnemen, om hun den natuurlijken
+tegenzin tegen bloedvergieten te doen overwinnen en hen zoodoende dapper
+te maken.”
+
+Tot zo ver de schrijver, doctor in de taal- en letterkunde van den O.-I.
+Archipel. Men zal toestemmen, dat dit staaltje van rechtspleging niet
+getuigt van idylliese verhoudingen. En nu is het wel waar, dat er ook in
+onze christelike, beschaafde maatschappij nog velerlei ongerechtigheid
+en wreedheid gevonden wordt, maar het is toch een groot verschil, of
+zulk kwaad er is _krachtens_ de godsdienst, zoals daarginds, of
+_ondanks_ de godsdienst, zoals hier. Aan het christendom—ik zeg niet
+aan „een” christelike „leer”—heeft onze samenleving onnoemelik veel
+goeds te danken, ook de heidenwereld zal er door stijgen, en alleen
+reeds hierom verdient de Zending de zedelike en geldelike steun ook der
+„ongelovigen”, wie het te doen is om uitbreiding van, laten we alleen
+maar zeggen, de menselikheid op aarde.
+
+Men hoeft er geen ogenblik aan te twijfelen, of die wrede gebruiken
+gevolgen zijn van de godsdienst der inboorlingen. Hieromtrent worden
+we èn door Ds. Gunning en door Dr. Adriani afdoende ingelicht. Ook
+het koppensnellen is geheel en al uitvloeisel van de godsdienstige
+opvattingen. Een strijd tegen ruwheid en wreedheid van zeden móét dus
+een strijd tegen de godsdienst zijn. Zonder het christendom komt men
+er niet. En dat mag gerust uitgesproken worden ook in de school. De
+kinderen mogen weten, dat wij, die door het christendom zijn opgetrokken
+uit de onkunde en wanzeden der heidenwereld, met ditzelfde christendom
+hebben te arbeiden in de heidenwereld van nu. En dat kunnen we hun best
+aan 't verstand brengen, mits we eerst zelf voldoende op de hoogte zijn.
+De onwetendheid omtrent dit onderwerp is echter groot, en niet alleen in
+de schoolwereld, ook zelfs in de kerk. In de Theologische Revue van 20
+Sept. j.l. schrijft Ds. C. N. Scharten uit Doesburg: „de predikanten
+en evangelisten weten zelve vaak zoo bitter weinig van de Zending. Het
+wordt in den laatsten tijd wel iets beter, maar waarlijk het ziet er met
+onze zendingskennis vaak nog treurig uit. Wij hebben allereerst zelf te
+zorgen, dat wij er wat van af weten.”
+
+Waar een predikant zo iets getuigt, behoeft het schuldgevoel van de
+onderwijzers nog niet zo groot te zijn. Maar toch, ook door ons is een
+plicht verzuimd.
+
+
+II.
+
+Als kind heb ik genoeg van de Zending gehoord. En toch heb ik er toen
+geen flauw idee van gekregen. Op de Zondagschool stond altijd een
+gegoten ijzeren negertje, dat met zijn hoofd knikte als we een cent in
+zijn busje gooiden, en dan hing er op die Zondagschool een plaat met
+zwartjes aan de muur, waarop o. a. een zwart figuurtje neergeknield voor
+een blanke meneer. Meer is mij van die Zending niet bijgebleven, dan
+alleen nog de naam Soendanezen. Het schijnt, dat toentertijd juist de
+zending onder de Soendanezen nog al aan de orde was.
+
+Van het leven der heidenen hoorde ik niets. Slechts galmende klachten
+over die arme, verdoolde schapen, die „de Heere Jezus niet kenden”,
+rolden onze kinderoren en kinderharten binnen. Ik onderstel, dat die
+goede zondagschoolmijnheren er zelf niets meer van wisten. En zo bleef
+de vrucht van dit werken op ons kindergemoed beperkt tot een vaag
+medelijden met de arme heidenen, die „hongerden naar het Evangelie”, en
+tot de wekelikse zendingscent voor het knikkende negertje.
+
+De bedoeling zal wel goed geweest zijn, maar met grote woorden en
+zalvende taal komt men er niet. Ik denk, dat de flauwe en steeds
+verflauwende belangstelling bij kinderen en volwassenen, zelfs bij
+onderwijzers en predikanten, dan ook voor een groot deel te wijten is
+aan de averechtse wijze, waarop door onkundigen die belangstelling
+is—en misschien nog wordt—opgewekt en onderhouden.
+
+Hoe komt het, dat wij, jongens, alles van de roodhuiden afwisten?
+Omdat we met hen rondzwierven door de wouden, ter jacht en ten oorlog
+trokken, om het vuur de vredespijp rookten en in de tent beraadslagingen
+hielden; omdat we met hen een wilde oorlogsdans uitvoerden of in
+doodse eenzaamheid letten op alle verdachte geluiden in de grootse
+geheimzinnige natuur; omdat we, in één woord, met hen meeleefden. Nu
+mag dat meeleven weinig te maken hebben gehad met de werkelikheid, en de
+phantasie van schrijvers als Cooper en Aimard ons een bedriegelik, een
+volkomen verkeerd beeld hebben gegeven, dat doet aan de methode niets
+af. Niemand behoefde ons op school of zondagschool voor de Indianen te
+winnen. Dat waren onze vrienden, voor wie we vader en moeder zouden
+hebben verlaten.
+
+Zeker, er was aan deze Indianen-vriendschap een steekje los,
+en misschien wel twee. Te veel verkeerde hartstochten werden in
+ons opgeroepen. Onze neiging was veel meer, gans de christelike
+beschaving prijs te geven voor die romantiese heerlikheden, dan om die
+beklagenswaarde rode broeders te winnen voor het Evangelie en te doen
+delen in onze voorrechten. Naar de schatting van ons jongenshart was er
+niets zo zalig in de wereld, dan om het zoontje van „den Zwarten Arend”
+te wezen. En daarvoor zouden we graag school en zondagschool hebben
+opgeofferd, hoe christelik beide ook mochten heten en zelfs voor een
+klein deeltje ook waren. Maar, nog eens, dit veroordeelt de methode
+niet. En die was: door uitbeelding van het leven dwingen tot medeleven
+en aldus belangstelling wekken en kennis aanbrengen.
+
+Ware deze methode bij kleinen en groten ook gevolgd, waar het er om
+te doen was, hoofden en harten voor de Zending te winnen, ik maak mij
+sterk, dat het succes groter zou zijn geweest. Doch, gelijk ik reeds
+opmerkte, het ontbrak de leiders aan zaakkennis en daardoor waren ze
+niet in staat, hun luisterende leerlingen in de vreemde wereld te
+verplaatsen, tot meelevende belangstellenden te maken en zo in hen de
+ware christelike barmhartigheid en reddingsliefde wakker te roepen ten
+opzichte van die in hun ellende gekende medeschepselen. Het gevoel, in
+ons ontwikkeld, was te hol, te leeg, te loos, en zakte dientengevolge
+gauw ineen. De stemming was te veel een zeepbelverschijning, doordat het
+voorwerp onzer liefde niet concreet genoeg was. Algemeenheden omtrent
+arme negertjes, die „nooit iets van de Heer Jezus” horen, werkten even
+weinig uit als algemeenheden omtrent ballingen in Siberië, slaven in
+Afrika, armen in onze eigen woonplaatsen, gewonden en gesneuvelden op
+'t slagveld en andere ellendigen in de „broederschap der mensheid.” Het
+concrete grijpt ons aan, roert ons gemoed, zet de driften in werking.
+Een „Negerhut van Oom Tom” overstemde duizend preken en betogen. Oom Tom
+kon men lief krijgen en in hem zijn millioenen natuurgenoten. Zo nu moet
+ook door het concrete heidenleven het christenhart worden bewogen tot
+helpen.
+
+ * * * * *
+
+Er ligt voor onze kinderschrijvers nog een prachtig terrein braak in
+de zendingsarbeid te midden der inboorlingen op Celebes, Halmaheira en
+andere eilanden van onze Archipel. De blanke man, alleen de wildernis
+intrekkende, nu niet met het geweer onder de arm, maar met de liefde in
+het hart. Dat kan iets boeiends, leerrijks, en tevens iets verheffends
+worden. Die tropiese natuur, de bossen, de bergen, de dieren, de
+riviertjes en watervallen, en dan de bewoners in hun hutten, in hun
+tuinen, en op hun tochten; de opening der zending, 't verkeer met de
+kinderen, straks een school en een ziekenhuisje te midden van deze
+wereld—wat een mooi materiaal voor een kinderboek. Het toneel al
+even belangwekkend als de spelers. Doch wie zich door deze stof voelt
+aangetrokken, zorge voor ernstige voorbereiding, zodat zijn verhaal
+niet wat vroom geleuter is, maar een zuiver beeld geve van de in zijn
+eenvoud zo aangrijpende werkelikheid. De aard der inboorlingen moet met
+ethnografiese trouw worden teruggegeven, de veranderingen in die aard
+door het christendom met zielkundige juistheid.
+
+Moeilik? Zeer zeker, zo'n taak is moeilik, vooral wanneer alle kennis
+niet met schoolmeesterachtige opdringerij worde meegedeeld, maar
+natuurlik verwerkt in het leven der personen. Doch even zeker is hier
+een dankbare taak te vervullen, te dankbaarder, omdat men niet alleen
+de kinderen, maar ook de volwassenen er een dienst mee bewijst. Want,
+al is er voor de leergrage en goedwillende volwassenen reeds heel wat
+materiaal voorhanden, dit bevindt zich niet in zulk een vorm, dat
+het gemakkelik kan worden gebruikt. Het is niet ieders gave, uit vele
+verslagen en mededelingen in tal van losse afleveringen de stof bijeen
+te garen, die men behoeft. Gemakkelik kan men ook predikanten hun
+onkunde in dezen verwijten, doch waar ook predikanten een zo uitgebreid
+lectuur- en studieprogram hebben, als onze tijd schier elke beschaafde
+voorlegt, kan men ook van hen moeilik vergen, dat ze uit verspreide
+gegevens zich een volledig en juist zendingsbeeld samenstellen.
+
+Daarom—de schrijver, de kunstenaar moet aan het werk. En zolang deze
+zich laat wachten, altans de volkenkundige auteur. Een prachtig boekje,
+om ons enig inzicht te geven, tal van veroordelen bij ons op te ruimen,
+en onze belangstelling te wekken, noemde en roemde ik reeds „Zending
+in Ned. Indië” door J. W. Gunning en Dr. H. Adriani. Een andere zeer
+lezenswaardige brochure is „Het Ned. Zendelinggenootschap. Wat het doet
+en wat het wil.” Dit korte geschrift is rijk voorzien van kaartjes
+en plaatjes. En wie zich oriënteren wil omtrent de „Hedendaagsche
+Zending in Onze Oost” schaffe zich het aldus genoemde boekje aan.
+Dit is een „Handboek voor Zendingstudie, samengesteld door den Ned.
+Studenten Zendings-Bond”. Het beslaat 275 blz., bevat 20 illustraties
+met zendingskaart, en is voor ƒ 1.25 geb. in linnen bandje (fr. p. p.
+ƒ 1.40) uitsluitend verkrijgbaar bij het Bestuur van den Ned. Stud.
+Zend.-Bond, de heer J. W. Gunning J.H.zn., Oude Delft 210, Delft.
+(Aanvragen per postwissel ad ƒ 1.40.) Dit handige en keurige boek
+bevat geen volkenkundige bizonderheden, maar geeft alle inlichtingen
+omtrent de Protestantse Zending in onze Oost en daarbij noemt het tal
+van bronnen, waaruit de weetgierige zijn kennisdorst kan lessen. Als
+verzamelwerk is dit een uitnemende legger, die telkens geraadpleegd kan
+worden en dan, waar hij zelf niet de gewenste inlichtingen verschaft,
+toch de weg hiernaar aanwijst.
+
+Niet vergeten mag ook worden, hoe wijlen de heer Nijland, hoofd ener
+chr. school te Utrecht, in de voortreffelike handleiding bij zijn platen
+over N.-Indië ook een belangrijk hoofdstuk aan de Zending heeft gewijd
+bij de plaat van Madjawarna (Modjowarno) in Oost-Java.
+
+En nu willen we ten slotte nagaan, waar en hoe we de Zending in onze
+school ter sprake kunnen brengen.
+
+ * * * * *
+
+Het best geschiedt dit, dunkt mij, overeenkomstig het idee van de heer
+Nijland, bij de aardrijkskunde van onze Oost. Wanneer deze in het zesde
+leerjaar aan de orde is en zich niet beperkt tot het aanleren van wat
+namen van eilanden, zeeën, straten, plaatsen, rivieren en residentiën,
+wanneer ze door platen, lectuur[7] en het levende woord van de
+onderwijzer, die eilanden tot begroeide en bevolkte landschappen maakt,
+heeft ze daar een kostelike gelegenheid, de Zending niet ééns, maar
+herhaalde keren ter sprake te brengen en in haar waar karakter te doen
+kennen. En dan knoopt ze, als vanzelf, aan deze arbeid herinneringen
+vast aan ons verre verleden, toen de Zending in onze landstreken
+dezelfde dienst verrichtte, welke ze nu in de tropiese gewesten vervult.
+Zo wordt dan het heden om de evenaar een toelichting bij het verleden in
+de gematigde luchtstreken en dankt de Geschiedenis wat verheldering in
+haar schemerdonker aan de Aardrijkskunde. Men beweert altijd, dat het
+Verleden het Heden moet verklaren. Het komt mij voor, dat er voor het
+omgekeerde evenveel, zo niet meer te zeggen is.
+
+[7] B.v. het bizonder mooie boekje over Ned. Indië door J. L.
+ Hooftman en K. G. Houwen. In het 2e deeltje B., dat van Java en
+ de Buitenbezittingen vertelt, vinden we bizonderheden over de
+ Zending op Java en in de Minehassa. Al is het onderwerp moeilik,
+ toch zou ik bij een herdruk het boekje nog verrijkt willen zien
+ met een hoofdstuk: „Een zendeling aan de arbeid.” Wellicht vinden
+ de schrijvers hiervoor geschikte stof in het meermalen genoemde
+ opstel van Dr. Adriani over de arbeid onder de Toradja's in
+ Midden-Celebes. Door dit opstel heb ik ook een enigszins andere
+ opvatting van het koppensnellen gekregen, dan de schr. geven bij
+ de bespreking van de Bataks.
+
+Bij het lezen der treffende bizonderheden in het opstel van Dr. Adriani
+werd ik—zonder dat de schrijver daar enige opzettelike aanleiding
+toe gaf—telkens en telkens met mijn gedachten naar onze voorouders
+verplaatst, de tropiese wouden werden verdrongen door onze noordelike
+bossen, de open hutten in het warme klimaat door de besloten ruimten bij
+ons, en de donkerkleurige inlanders, de Toradja's, door de blonde,
+goudgelokte Germanen. Alleen de zendelingen waren in mijn oog dezelfden,
+altans gelijken: vredige, arbeidzame, toewijdingsvolle naturen. In Kruyt
+en Adriani herleefden Bonefacius en Winfried, in de tijdgenoot zag ik de
+voorganger terug van veertien eeuwen her. En de moeilikheden van tans
+deden mij de zwarigheden van toen beter begrijpen. Doch ook de middelen
+van tans wierpen een licht op de toen gevolgde wegen.
+
+We zeggen het onze geschiedschrijvers maar trouw na, dat de zendelingen
+de heidense gebruiken en feesten aanwendden om er de nieuwe godsdienst
+door ingang te doen vinden, en dan kunnen we het denkbeeld niet geheel
+onderdrukken, dat hier iets onoprechts in gelegen was, dat er wat slimme
+politiek onder school. Voor ons gevoel was het niet: een kloek en
+onomwonden planten van het kruis te midden van de talloze afgoderijen,
+maar het leiden langs een zoet lijntje naar andere begrippen bij oude
+vormen. En bij al onze bewondering voor de zendelingen, was hierin toch
+iets, dat ons minder behaagde. Doch lees nu eens wat Dr. Adriani
+schrijft over de wijze van vertellen der zendelingen:
+
+„Het is eene gewoonte van Europeanen in Indië en Nederland de
+Zendelingen te verwijten, dat zij aan de Inlanders allerlei duistere
+dogma's leeren, die hen op geenerlei wijze ontwikkelen, integendeel hun
+geheugen met ballast bezwaren. Moeilijk is het deze voorstelling te
+bestrijden, omdat men het eenige middel niet of bijna niet kan aanwenden
+en dat zou zijn: de menschen te verzoeken zelf eens tegenwoordig te zijn
+bij het onderwijs; doorgaans kunnen zij het in het geheel niet volgen en
+dus blijven zij maar liever bij hun vooroordeel. Ik wil hiertegen dan
+ook geen strijd aanbinden, maar u alleen deze vraag stellen: Indien men
+de landstaal gebruikt, is men dan niet gedwongen zich te beperken tot
+hetgeen men in die taal kan zeggen? Is het feit dat de Zending zich
+bedient van de landstaal niet een bewijs dat zij zich aan banden wil
+leggen, dat zij niet wil zeggen, wat men in de landstaal niet kan
+zeggen, dat men niet wil doorredeneeren in zijn eigen gedachtenkring,
+maar zich bepalen tot dien welke men in de landstaal kan beheerschen?
+Men mag toch aan menschen, die zich met veel moeite deze beperking
+opleggen, niet verwijten, dat zij geen ernst maken met de praktijk? Het
+moge waar zijn, dat het gebruik der landstaal een ruimer veld opent voor
+geestelijk verkeer met den Inlander, het is niet minder waar, dat juist
+dat gebied er buiten valt, waarop de Europeaan zich het gemakkelijkst
+zou bewegen, omdat hij daarop de baas is. Een Europeaan nu, die zijn
+taal wil opgeven, maar niet zijn gedachtenkring als hij werkelijk in
+geestelijk verkeer met de Inlanders wil komen, beproeft het onmogelijke;
+hij zou de Inlandsche taal moeten wringen in een vorm in welke zij geen
+Inlandsche taal meer is. En het zijn gewoonlijk de Europeanen, die
+meenen het recht te hebben eene Inlandsche taal naar hunne denkwijze in
+te richten, die aan de Zending verwijten de Inlanders met duistere
+dogma's te kwellen.”
+
+In dit verweer tegen het laatstgenoemde verwijt lezen we te gelijk de
+verklaring, waarom de huidige en vroegere zendelingen zich steeds moeten
+aansluiten bij de gedachtenwereld en dus ook zoveel mogelik bij de
+zeden en gebruiken der heidenen: het enige gemeenschapsmiddel, de taal,
+verplichtte hen reeds daartoe. Denken we hier wel eens aan bij onze
+geschiedenislessen? Dat ook toen de zendelingen onder de Friezen en
+Saksen zich van het Fries en het Saksies moesten bedienen? En dat ook
+zij daardoor beperkt waren tot hetgeen in die talen verstaanbaar was te
+maken?
+
+Het is ontroerend te lezen, hoe langs de draden der taal de zendelingen
+langzaam, heel langzaam contact krijgen met de inlanders en hoe ze die
+draden zelf moeten spinnen uit de woordvezeltjes, die ze in 't verkeer
+met de inlanders opdoen. Van die inlanders zelf moeten ze zo het middel
+krijgen om hen te bereiken, te bewerken, te veranderen. Wat kost dit een
+tijd, een inspanning, een geduld, een toewijding, een onvermoeidheid,
+een geloof! Eerst zijn en voelen de zendelingen zich de leerlingen
+van de inlanders, om langs die weg hun leermeesters te worden. En de
+inlanders beseffen aanvankelik heel wel hun meerderheid, een meerderheid
+op alle gebied van kennen en kunnen. Doch gaandeweg gaan ze hun
+minderheid gevoelen, en dan ervaren ze bij intuitie, dat het op hun
+innerlik leven is gemunt, dat ze zich moeten verdedigen om te blijven
+wie ze waren. Is het, naar alle waarschijnlikheid, ook niet aldus gegaan
+in de lage landen bij de Noordzee?
+
+Niet minder ontroerend is het te lezen, hoe de zendelingen door middel
+van de school, d. i. dus door de kinderen, een nauwer contact krijgen
+met de ouderen. We horen, alweer, in de geschiedenislessen als iets
+doodgewoons aan, dat de zendelingen hier scholen stichtten, maar we
+hebben er geen aasje idee van, wat dit eigenlik inhield. Scholen
+stichten, d. i. de kinderen trekken, de kinderen wennen, de kinderen
+winnen, en aldus dichter bij de ouders komen. „Toen”, schrijft Dr.
+Adriani, „de scholen, na eenige jaren van tobben, goed aan den gang
+waren, hadden wij ook het genoegen te merken, dat de kinderen stemming
+voor ons maakten. Kwamen wij een dorp in, de kinderen toonden hunne
+blijdschap en gaven te kennen dat wij hun welkom waren. Zij maakten
+er een gebeurtenis van en de ouders lieten zich vaak aansteken door
+de stemming der kinderen. Wetende dat wij hunne kinderen iederen dag
+een poos onder onzen invloed hadden, begonnen de ouders te gevoelen
+dat zij belangen met ons gemeen hadden en het wel en wee der kinderen
+was dikwijls een onderwerp van gesprek tusschen hen en ons.” En dan
+vertelt Dr. A. verder, hoe de kinderen steeds meer belangstelling
+kregen in allerlei wat ze van de zendelingen konden leren, beproefden
+eigenaardigheden van hun taal uit te leggen, en zelfs behulpzaam waren
+bij het samenstellen van Bijbelse leesboeken.
+
+Natuurlik is alles, wat daar op Celebes geschied is, niet maar een
+simpele herhaling van hetgeen bij de invoering van het christendom in
+ons land is gebeurd. Doch het hoofdfeit is hetzelfde: de aanraking der
+christelike beschaving met een heidense samenleving. En mij dunkt, het
+moet ook voor onze schoolkinderen belangwekkend en verhelderend zijn,
+als ze bij de bespreking der Zending in Indië nog eens herinnerd worden
+aan de Zending in de landen der Duitsers en daarbij in de gelegenheid
+worden gesteld, enkele parallellen te trekken.
+
+Te ver mogen we bij dit trekken van parallellen niet gaan. Wie b.v.
+zeggen zou, dat die inboorlingen tans aan het begin van hun beschaving
+staan evenals wij 18 eeuwen geleden, en dat zij over nog eens 1800 jaar
+zullen zijn, wat wij nu zijn—die zegt meer dan hij verantwoorden kan.
+Voldoende is het, dat wij enige overeenkomst zien en hiervan gebruik
+maken, om het verleden toe te lichten door het heden.
+
+
+
+
+XV. „EEN LIEFLIJKE NAAM”.
+
+
+Hij kende de namen Jezus Christus alleen als vloek.
+
+Zijn vader vloekte, zijn moeder, zijn oudere broers, de buren, zelfs
+zijn zusje. En dus vloekte hij ook, reeds als klein jongetje.
+
+Alleen één buurvrouw, een jong vrouwtje, dat altijd bij haar werk zong,
+had bij die namen wel eens een fijnere gemoedssnaar doen trillen dan die
+van driftige boosheid. Zij kende een heel repertoire van liederen waarin
+ze haar Heiland verheerlijkte, en zond de hulde van haar hart, door
+open deur en venster, vaak jubelend de buitenlucht in. Zoo had het
+buurjongetje wel eens gehoord van een lieflijken naam, die ruischt langs
+de wolken, maar die lieflijke naam naderde hem overigens niet anders dan
+als rauw scheldwoord.
+
+Dit veranderde niet, toen hij ouder werd. Zijn kameraden vloekten, op 't
+werk, in de herberg, op straat, in huis, overal. Ook onder dienst werd
+gevloekt, en niet enkel door de soldaten, doch vooral niet minder door
+de onder-officieren en de officieren, gelijk in het burgerlijk leven de
+heeren voor de arbeiders niet onderdeden en hen meermalen overtroffen.
+
+Op deze wijze was Jezus Christus met dien man door 't leven gegaan.
+Aldus kon men merken, dat deze man niet in de heidenwereld, maar in een
+„Christelijke maatschappij” was opgegroeid.
+
+Tot op zekeren dag.
+
+Hij was nu over de zestig, had vrouw noch kind, stond—ach neen,
+slingerde alleen over de wereld, was meer dronken dan nuchter, kende
+de politiebureaux beter dan de kerken en had in onze Christelijke
+samenleving nog nooit den Christus ontmoet. Tot op zekeren dag, toen
+hij, in dronkenschap aangereden door een automobiel, gewond naar het
+ziekenhuis werd vervoerd. De chronische ziekte van het alcoholisme had
+men tot nog toe alleen in politiehokken behandeld; een gekneusd been
+opende de deuren van het ziekenhuis. En toen hij daar zoo rustig lag,
+toen hoorde hij het ruischen van den lieflijken naam.
+
+Dat ging zoo. Een jong meisje van misschien achttien jaar kwam iedere
+week met bloemen in de zaal. Dan ging ze alle bedden langs, zette bij
+elken patiënt een tuiltje frissche bloemen, knikte de zieken vriendelijk
+toe en verdween weer. Soms bleef ze een poosje, om dezen of genen met
+zachte stem wat voor te lezen, een mooi verhaal of een hoofdstuk uit den
+Bijbel. En telkens, als ze er geweest was, liet zij de kranken achter,
+verkwikt door haar bloemen, haar welluidende stem, haar lieflijke
+verschijning.
+
+Ruwe harten verteederden onder den invloed van deze zorgende zachtheid.
+Ze begrepen die vredige toewijding niet, maar dat was ook niet noodig.
+Ze vergaten hun ellende van nu, vergaten gehéél de ellende van 't
+verleden, vergaten ook de ellende die weer in de toekomst dreigde, waren
+volkomen onder de bekoring dier reine liefde. Ze ervoeren de balsemende
+en louterende macht van het Christendom; ze kwamen in aanraking met
+Christus, maar ze konden Zijn naam nog niet spellen en noemden Hem; lief
+meisje.
+
+Toch hoorden ze het lieflijke ruischen.
+
+ * * * * *
+
+Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden dit niet weten,
+dat dit _Christendom_ was. Ze meenden—_indien_ ze hieromtrent iets
+meenden—dat „Christendom” onafscheidelijk verbonden was aan preeken en
+catechiseermeesters en gezang, maar niets te maken had met bloemen en
+vriendelijke knikjes. Het Christendom—o ja, dat had je in de kerken,
+in die groote, eenzame steenen gebouwen, waar alleen een zeker soort
+menschen op Zondagmorgen naar binnen ging, daar moest je lid van wezen,
+als van Artis bij voorbeeld, maar dat stond heelemaal buiten een
+ziekenhuis. In een ziekenhuis kwamen zieken en dokters en verpleegsters,
+en dat meisje—dat was alleen maar „een lief meisje”, dat had eigenlijk
+in het ziekenhuis niets te maken.
+
+Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden het niet weten,
+dat zoo ook Jezus, de Christus, in het ziekenhuis dezer wereld eigenlijk
+niets te maken had. Hij kwam er, Hij zag er de lichamelijke, maar
+vooral de zedelijke ziekten: de zelfzucht in haar leelijke vormen van
+hebzucht, eerzucht, heerschzucht, afgunst, nijd, haat. Hij ging er naar
+binnen en bracht er de bloemen Zijner liefde, de sterkende blikken van
+Zijn zegenend oog, de schoone verhalen van Gods Vaderliefde. Hij bracht
+die _Liefde zelve_ in Zijn _leven_. Hij openbaarde haar in Zijn daden,
+Hij lichtte haar toe in Zijn woorden. Hij wierp de dronkaards, de
+bedwelmden van allerlei aard, ook die der eigengerechtigheid, niet in
+een donker hok, opdat ze daar hun roes zouden uitslapen en straks weer
+dieper wegzinken, maar Hij riep ze allen tot Zich, die vermoeid en
+belast waren, allen, opdat Hij ze rust zou geven. Zoo ging Hij het
+zondenhuis der wereld in en bracht er de verkwikkende, de genezende, de
+reddende Liefde. Wat eerst alleen lieflijk ruischte langs de wolken des
+hemels, zweefde nu, als engelenzang, door de menschheid heen, over de
+velden der aarde. En het was heerlijk om te hooren, behalve voor hen,
+die in het liefdelied een verwijt, een aanklacht, den dood van hun
+zelfstreelend en zelfverheerlijkend Ik vernamen, daarvan niet hooren
+wilden en dan ook inderdaad meenden, dat die stem „hier niets te maken
+had” en haar het zwijgen oplegden aan het kruis. Tevergeefs. Want door
+de eeuwen heen bleef haar toon trillen door de zedelijke wereld, bewoog
+en beweegt ook nu nog de menschelijke harten.
+
+Wanneer de oude dronkaard dit alles geweten had, hij zou het Christendom
+anders geëerd hebben dan in godslastering en het wel aanstonds herkend
+hebben in „dat lieve meisje.” Nu begon het hem pas langzamerhand te
+schemeren, als zij hem voorlas uit wat hij „haar boekje” noemde. Hij
+formuleerde 't zich wel niet zoo scherp, maar 't werd hem toch flauw
+bewust: zij was een gezant, zij was een vertegenwoordigster, zij was een
+brengster—in daden—van de Blijde Boodschap. In haar kwam tot hem de
+Herder, die niet rustte eer hij 't verloren schaap had; de Meester, die
+zijn jongeren geleerd had, dat hij zachtmoedig was en nederig van hart;
+de Koning, die 't uitsprak: „Voorwaar zeg Ik u, voor zooveel gij dit
+één van deze Mijne minste broeders gedaan hebt”—hongerigen spijzigen,
+dorstigen laven, naakten kleeden, vreemdelingen herbergen—„zoo hebt gij
+dat Mij gedaan.”
+
+In haar kwam Christus tot hem.
+
+En toen zij, op Kerstmis, zong van: „Er ruischt langs de wolken een
+lieflijke naam,” hoorde hij niet alleen het lieflijke ruischen, maar kon
+hij dien naam ook spellen. En daarvoor gebruikte hij dezelfde letters,
+die eerst zijn vloeken hadden gevormd. Maar nu had hij ook het levende
+Christendom ontmoet.
+
+„O, Kerstnacht, schooner dan de dagen!”
+
+
+
+
+XVI. WORSTLENDE.
+
+
+We hadden de locomotief onder handen—wij, dat zijn de kinderen der
+hoogste klasse en hun onderwijzer. We hadden gezien hoe in de vuurhaard
+door verbranding van steenkool, dat is dus door _oxydatie_ van de
+koolstof, warmte was ontwikkeld. Ook hoe die warmte, dat is dus
+eigenlijk die _oxydatie_, het water in den ketel tot stoom had omgezet.
+Ook hoe de spanning van dien stoom, dat is dus eigenlijk die warmte, dat
+is dus _die oxydatie_, den zuiger in beweging bracht, en deze de wielen,
+en deze de locomotief, en deze den heelen trein.
+
+Daar reed de trein, twintig en meer zwaar beladen wagens voortgetrokken
+door de locomotief, neen door den zuiger, neen door de stoomspanning,
+neen door de warmte, neen door de verbranding van steenkool, dat is dus:
+door een scheikundige verbinding. Een chemisch proces, het eenvoudige
+proces dat zich ook voor onze oogen vertoont, wanneer een simpel
+lucifertje brandt, dit bracht ons met duizelende snelheid de wereld
+rond, ons en honderden medereizigers, ons en honderden centenaars
+vracht.
+
+Waren we bij die oxydatie al bij de bron der kracht? Of moesten we nog
+dieper doordringen? Reeds rees de vraag naar de vorming der koolstof,
+van dat krachtdragend en straks krachtbarend element, en we zagen hoe
+die koolstof bij uiterst kleine hoeveelheden in de chlorophylkorrels
+der groene plantendeelen werd gevormd, doch alleen—onder den invloed
+van het zonnelicht. Bleven de trillende stralen weg, dan konden de
+groen-minnende[8] korrels noch groen vormen, noch uit het in de lucht
+zwevende koolzuurgas de koolstof losmaken en deze, met opgezogen water
+verbonden, als vaste stof in de plant binden. Geen kool dus in de plant
+zonder zonnekracht. En deze was het alzoo ten slotte, die de trein in
+beweging bracht, die ons voorttrok, ons en heel de menschheid.
+
+[8] Chloros = groen; phyl = minnend.
+
+Wanneer de kinderen tot zulk een inzicht komen, duizelt het hun soms een
+oogenblik. Aan hun oogen is iets te zien. Daar straalt ontroering uit.
+Een andere ontroering dan wanneer ze hun dertig plaatsjes in Gelderland
+zonder haperen hebben opgezegd. Ook deze voldoening zij hun gegund.
+Maar ze haalt niet bij het moment van verheffing, van hartsverheffing,
+wanneer ze de dagelijksche dingen uit hun omgeving, het voortsnellen
+van een spoortrein, van een hooger niveau zien, als met nieuwe oogen
+aanstaren.
+
+De Zon trekt de trein voort. De Zon beheerscht de plantenvoeding, dus
+ook de dierenvoeding, dus ook ons leven. De Zon is de levensbron der
+Aarde. Zonder haar geen groen, geen kleur, geen leven. Zonder haar—hier
+niets dan een duistere, kille woestenij. Is het wonder, dat de oude
+volken de Zon aanbaden? Dat er een Zonnegod was? Een Zonnedienst?
+De Menschheid knielde voor haar Voedster, haar Onderhoudster, haar
+Oorsprong.
+
+Haar oorsprong? De mensch zag niet verder. Wie bij de zon eindigt,
+is als de reiziger, die bij een tusschen-station uitstapt. Neen,
+hier is het eindpunt niet van onze reis, hier het beginpunt niet van
+ons bestaan. Verder moeten we, altijd verder, van zonnestelsel tot
+zonnestelsel.
+
+Doch nu begint het ons eerst recht te duizelen. Bij de grenzen onzer
+kennis beseffen we het diepst onze onwetendheid. En daar buigt de mensch
+het hoofd. Niet voor den Zonnegod. Maar voor dien God, die ook de Zon
+heeft geschapen, die het gansche Heelal regeert. Al zien wij Hem niet,
+wij gelooven in Hem. In Hem voelen wij den Oorsprong van alle Zijn, de
+bron onzer levenskracht. En zooals de planten, onbewust of in vage
+bewustheid, de bladeren naar het zonlicht keeren, vanwaar hun groei
+en hun sterkte komen moet, zoo richt de menschenziel zich naar haar
+Oorsprong, zuchtend en zoekend naar Goddelijk licht.
+
+Wellicht vindt deze of gene het een weinig oneerbiedig, om niet te
+zeggen profaan, dat we een religieuse beschouwing verbinden aan iets zoo
+materiëels als een locomotief. Maar is een locomotief, omdat het een
+werktuig is, dan iets minderwaardigs? Openbaren zich in dit werktuig
+niet evenzeer de wonderen als in de organische wereld? En spreken we
+niet van organische, d. i. bewerktuigde wereld, omdat we juist bij
+planten en dieren de _werktuigen_ als een kenmerkend deel onderscheiden
+tegenover de anorganische natuur? Ach, wie God alleen ziet in kerken en
+heilige boeken, alleen in bloeiend en zingend leven, hij verruime zijn
+blik. Overal, overal is God. In het nietigste stofje werkt Zijn kracht.
+Geen mechanisme, of het is een nabootsing van hetgeen de mensch in de
+gecompliceerde mechanismen der levende schepping heeft ontdekt. Waar we
+ook beginnen, stijgend langs stralen van zonnelicht worden we naar den
+Oorsprong heen geleid.
+
+ * * * * *
+
+Dezelfde locomotief, die ons naar de Zon heenvoerde als de trekkende
+kracht van treinen, als de beheerscheresse dezer aarde, bracht ons nog
+een andere waarheid aan 't licht. Waarom, als de trein nu toch al zoo
+zwaar was, waarom nu nog de locomotief zoo vreeselijk zwaar gemaakt? Dan
+werd de vracht toch immers nog grooter? Dan viel er toch immers nog meer
+voort te trekken? Dan was er dus immers nog meer krachtsontwikkeling
+noodig? Gaf dat niet verlies aan brandstof en wat dies meer zij?
+
+De kinderen kwamen al spoedig zelf met de opmerking dat de locomotief
+wel erg zwaar moest wezen, om de wielen tegen de rails te drukken. Want
+anders zouden de wielen wel ronddraaien, maar ze zouden langs de rails
+glijden en de locomotief zou niet vooruitgaan. Die zwaarte was noodig.
+Daardoor kwam er tegenstand, wrijving. En die _tegenstand was voorwaarde
+van vooruitgang_. Zelfs, hoe zwaarder trein de locomotief had voort te
+trekken, hoe zwaarder ze zelf moest wezen. De tegenstand groeit met de
+belangrijkheid der taak.
+
+Onderstel, dat er geen wrijving was, onze voeten zouden niet kunnen
+staande blijven, we zouden niet kunnen voortkomen. Een spiegelend
+ijsveld ware de aarde, waarop geen beweging mogelijk was. Waar geen
+wrijving is, zou ze gemáákt moeten worden.
+
+In het materiëele willen we dit graag gelooven, daar spreekt het ook zoo
+duidelijk. Maar in het moreele? En in het geestelijke? Daar zijn we maar
+al te zeer geneigd, om over de moeilijkheden te klagen en de bezwaren
+te verwenschen. Toch geldt het ook hier, dat de wrijving voorwaarde
+van vooruitgang is. Zullen we geestelijk en zedelijk groeien, dan toch
+alleen door geestelijke en moreele krachtsinspanning, en die kunnen
+we ons niet bij recept voorschrijven, maar die moeten van ons door
+de levensomstandigheden _geëischt_ worden. Wanneer van alle kanten de
+moeilijkheden op ons af komen, kunnen we daaronder wel eens gebukt gaan.
+Maar het zijn de grootste geesten, het zijn de helden der menschheid,
+die in toestanden van hopeloosheid en radeloosheid ten onder dreigden te
+gaan, om straks gesterkt het hoofd weer op te heffen.
+
+Wanneer het leven ons iets leeren kan, dan is het wel dat we alleen
+worstelende krachten winnen. Wie de worsteling vervloekt, vervloekt
+zijn eigen verbetering. Wie de worsteling ontvlucht, zinkt weg in
+verslapping. We behoeven daarom de moeilijkheden niet te zoeken, we
+behoeven het gevaar niet te beminnen. Wie 't gevaar bemint, valt er in,
+zegt Augustinus. Maar iets anders is het, het gevaar te zoeken en te
+beminnen, iets anders de moeilijkheden, die 't leven op onzen weg legt,
+aan te pakken. Dit is onze plicht, sterker, hierin ligt ons heil. En
+al lijkt het op 't eerste gezicht ongerijmd, al kost het vaak schier
+bovenmenschelijke zelfbeheersching in verloochening van ons rustig
+geluk, we moeten zelfs dankbaar kunnen zijn voor de smartvolle zorgen
+als prikkels tot zelfverbetering, lijden ter loutering.
+
+Het spreekt van zelf, dat niet in deze woorden met de kinderen werd
+gesproken, maar wel in dezen geest, en dat daarbij ervaringen werden
+bewust gemaakt uit het kinderleven, dat al zoo rijk is aan verleidingen,
+ontvluchtingen, inzinkingen, misschien ook overwinningen. Bijna alles
+wat in het leven der volwassenen werkt, gist ook al in het leven der
+kinderen, zij het natuurlijk in andere sterkte. Wie dit niet ziet,
+phantaseert de kinderen „kinderlijker” dan ze zijn. Hun onschuld is
+onrijpe schuld. De groote waarheden zijn daarom ook voor de kleinen. En
+al vroeg mogen ook zij beseffen, dat de worsteling noodig is ter
+overwinning. Alleen daardoor wordt de Jacob een Israël.
+
+
+
+
+XVII. VOLHARD!
+
+
+Er is een mooi puntdicht van Staring, dat zich veroordeelend richt tegen
+hen, die meenen zonder inspanning hun doel te kunnen bereiken. Met een
+vlugge pen—ach, pennen zijn vaak vlugger dan voor 't heil van den
+schrijver en 't genot van den lezer wel goed is—heeft iemand eenige
+vellen papier volgeroffeld, en nu verbeeldt hij zich, meesterwerk te
+hebben geleverd. Doch Staring ontneemt hem die illusie.
+
+ Zulk _roffelwerk_ zou onverganklijk leven?
+ Neen vriend, _geschoeid_ won Bilderdijk
+ Het _steil_ der kunst, maar achter hem in 't _slijk_
+ Blijft gij met uw _pantoffels_ steken.
+
+Staring mocht meepraten. Onvermoeid arbeidende aan zijn gedachten en
+zijn gedichten, rustte hij niet, aleer beide rijp waren. Laten we alleen
+eens een oogenblik nauwlettend acht geven op de beelden en woorden in
+dit simpele, vierregelige versje, dan zien we daar aanstonds, hoe
+Staring de daad bij 't woord gaf.
+
+Hebt ge wel eens roffelwerk gezien? Waarschijnlijk niet want dan zoudt
+ge bekend moeten wezen met den arbeid van den timmerman. Een van zijn
+werktuigen heet nl. een roffel. Het is een schaaf waarmee allereerst
+het ruwste van de planken worden afgeschaafd voor ze een nauwkeuriger
+behandeling ondergaan. Zoo'n afgeroffelde plank ziet er dus nog slordig
+uit. Natuurlijk, er is nog slechts weinig zorg aan besteed. Vandaar dat
+de figuurlijke beteekenis van afroffelen op slordig, onnauwkeurig werken
+wijst. En wie nu het roffelwerk wil overbrengen op literair gebied,
+heeft daarmee reeds zichzelf veroordeeld.
+
+Neen, zoo gauw en gemakkelijk komen we er niet. Wie het stijgende pad
+der kunst wil betreden, rekene er op, dat het beklimmen van den berg
+inspanning eischt en ruste zich uit tot den tocht. Niet „op onze
+slofjes” bereiken we den top. _Geschoeid_ won Bilderdijk het hoogtepunt,
+waarop Staring hem ziet. Maar wie meenen mocht, op _pantoffels_ B. te
+kunnen navolgen, blijft beneden in de modder steken.
+
+Ik wil niet beweren, dat Staring hier uitmunt door oorspronkelijke
+beeldspraak. Doch ieder zal wel erkennen, dat de oude beelden, die we
+dagelijks gebruiken en die overal in de volkstaal leven, door Staring in
+volle klaarheid gezien en toegepast zijn, zoodat hij aan 't oude weer
+nieuw leven heeft geschonken. Al schreef Staring maar twee regels, die
+regels mochten woord voor woord opgenomen en gewogen worden. Ieder woord
+had zijn volle gewicht.
+
+Dit bereikte hij natuurlijk niet door er maar op los te schrijven.
+Door nadenken en overwegen verdiepte en verhelderde hij zijn gedachten,
+door oefening en aanhoudende zelfcritiek kuischte hij zijn taal. Daarom
+mogen we zeggen, dat Starings werken zijn uitspraken bevestigen. En
+daar vloeit tevens uit voort, dat Staring-lectuur, zeg mijnentwege
+Staring-studie, een heilzamen invloed kan hebben op de vorming van het
+jonge geslacht. Men heeft het zoo vaak over de „vormende waarde” der
+literatuurbeoefening. Welnu, wie nog zoekt naar de wijze, waarop die
+vormende waarde tot haar recht kan komen, beproeve maar eens door middel
+van Staring zijn leerlingen oog en eerbied te doen krijgen voor
+volharding.
+
+ * * * * *
+
+Aan die deugd is in onzen tijd meer dan ooit behoefte. Zenuwzwakke
+naturen, gelijk we er vele tellen, zijn vaak alleen sterk in
+opwindingen. Alles moet bij vlagen en ingevingen gaan. En als de
+inspiratie niet werken wil, komt er niets. Inspiratie heet de eenig
+betrouwbare drijfkracht. Zij stempelt den arbeid met het merk der
+genialiteit.
+
+Natuurlijk zal niemand de beteekenis van een krachtige aandrift
+loochenen. Maar wie meenen mocht, dat zij den volhardenden arbeid missen
+kan, komt bedrogen uit. Reeds meermalen heeft men getracht, de natuur
+van het genie te bepalen, doch, hoe verscheiden de karakteristieken ook
+zijn mogen, in één opzicht stemmen alle overeen: Geen genie zonder
+volharding. Alle groote mannen waren sterk... in het overwinnen van
+moeilijkheden. En dit laatste is iets anders, dan het drijven om zijn
+telkens wisselenden zin te krijgen.
+
+ Hoe wreed zij 't ook vervolgen tot den dood,
+ 't Genie blijft toch d'omstandighêen te groot,
+
+zegt Potgieter.
+
+Volharding en veranderingszucht staan tegenover elkaar. De eerste is het
+kenmerk van kracht, de laatste van zwakheid. Met groote ambitie begint
+iemand soms aan een nieuwe taak, liefst aan de uitvoering van een zijner
+_eigen_ vele nieuwe plannen. Hij leeft bij zijn phantasie, en in die
+phantasie ziet hij alleen maar het mooie en aantrekkelijke. Doch nu
+komt de werkelijkheid en daarmee rijzen van alle kanten moeilijkheden,
+waarvan hij te voren geen flauw vermoeden had. Aanvankelijk tracht
+hij de moeilijkheden te overwinnen, doch spoedig geeft hij 't op.
+Hij ontwijkt de steenen, die hij moest opruimen om zijn weg te kunnen
+vervolgen, en de lust ontzinkt hem. 't Mooie plan wordt opgegeven, een
+nieuw gevormd, en de jonge arbeider komt verzwakt uit den strijd terug.
+
+Het spreekt vanzelf, dat niet alle strijders evenveel kracht hebben.
+Doch hieruit mag niet volgen, dat de sterke voortzetten en de zwakke
+opgeven moet. Opgeven voert tot bezwijken. Ook de zwakke moet vóórtgaan.
+Hij kan 't niet zoo snel, als zijn bevoorrechte medestrijder. Dat
+hindert niet. Dan gaat hij maar langzaam, desnoods veel langzamer.
+Maar... vooruit! Niet een nieuw pad ingeslagen, omdat de gang langs het
+oude te zwaar valt. Ook op dat nieuwe pad liggen de moeilijkheden. En ze
+wachten u reeds, al ziet ge ze niet. Overál zijn ze. En ge ontvlucht ze
+niet, door ze te ontwijken, maar door ze te overwinnen. Van Haren zegt
+het zoo mooi van de smart: „We zullen den oceaan oversteken, om haar te
+ontkomen. Maar aan gindsche kust staat ze reeds, en wacht ons op.” En
+zoo is het ook met de bezwaren, aan onze taak verbonden. Juist wie ze
+ontvlucht, raakt er onder. Doch wie ze aandurft en aanpakt, wordt hun
+meester. Dat niemand zich toch door een gevoel van zwakheid late
+terneerslaan en ontmoedigen. Haast is niet noodig. Haast u _langzaam_.
+Aan de taaiheid is evenzeer de zege verzekerd als aan de kracht.
+Taaiheid is kracht. Zij is de kracht in pasmunt, teergeld op den langen
+arbeidsweg. En de vraag is niet: Wat bereikt ge op het moment, maar wel:
+Wat zult ge aan het einde van uw leven bereikt hebben.
+
+ * * * * *
+
+Beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ja, hier is wel iets
+waars in. Maar wanneer men tien en twintig keer ten halve keert, dan
+komt men altijd op dezelfde plek terug. Dan zal men niet dwalen, doch
+ook niet vooruitkomen. En de dwalende ontdekt nog wel eens gansch nieuwe
+gezichtspunten en kan—verder op den rechten weg gerakend—tot de blijde
+ervaring komen, dat hij een eind gevorderd is. Doch de terugkeerder
+wordt een stilstaander. En stilstand is de dood. Ik zou zeggen: Beter
+half gewonnen, dan heel verloren. Wie de eerste helft gewonnen heeft,
+bemeestert wellicht ook de tweede.
+
+Er is niets zoo ontzenuwend voor den zenuwzwakke als het weifelmoedige
+en aarzelende. Maar dat wordt niet bestreden—doch integendeel
+bevorderd—door koppigheid en doordrijven. Het is verwonderlijk, hoe
+zulke naturen vaak sterk zijn in de bevrediging van hun lusten. Maar
+hierbij drijven ze dan op den krachtigen stroom hunner neigingen
+en slepen daarbij nog anderen mee. Dan wordt voor wilskracht en
+volharding aangezien, wat integendeel groote wilszwakte is. Zoowel
+bij zelfbeheersching als bij zelfbevrediging wordt vaak groote kracht
+ontwikkeld. Maar in 't eerste geval is het de sterkende kracht van een
+stalende tucht en in 't laatste de verterende woede van een laaiende
+drift. Daardoor werkt zelfbevrediging menigmaal verslappend. En juist op
+dit gebied geldt het, dat men liever ten halve keeren moet dan geheel te
+dwalen. Men kan er bijna zeker van zijn, dat we ons op den goeden weg
+bevinden, als er van ons iets _geëischt_ wordt en we in de vervulling
+dier eischen, zij het met opoffering van menigen lust, onze
+zelfbevrediging vinden in gewetensrust.
+
+Doch het was mijn bedoeling niet, dieper op dit onderwerp in te gaan. Ik
+wilde alleen, mijzelf en anderen er nog eens van doordringen, dat er in
+onzen tijd van stemmingen en sentimenten dringend behoefte is aan die
+geesteskracht, welke zich in volharding openbaart. In de school en in de
+geheele opvoeding kan zij aangekweekt worden, door de kleine en groote
+kinderen met blijde opwekking te nopen of met zachten dwang te noodzaken
+tot een telkens herhaalde krachtsinspanning, die kleine en groote
+moeilijkheden weet te boven te komen. Overhaasting is ook hier niet
+noodig. De overhaasting in onderwijs en opvoeding is al te vaak de dood
+voor rustige kracht. De haast van onzen tijd loopt uit op revolutiebouw,
+op flodderwerk. Ze werkt met rijgdraden, en meent daarmee te kunnen
+volstaan. Doch waar de opvoeding niet voor één seizoen, maar voor 't
+leven, voor de eeuwigheid arbeidt, daar behoeft zij zich niet door
+haast te doen bederven. Ouders, die hun kinderen waarachtig liefhebben,
+en onderwijzers, die hun leerlingen niet behoeven klaar te stoomen,
+kunnen de jeugd maar weinig meegeven, dat van blijvender waarde is voor
+verstandelijke en zedelijke ontwikkeling dan de kracht der Volharding.
+
+Zij houdt aan den arbeid en is daardoor tevens een heilzame meesteresse
+der tucht. Alle begin is moeilijk, zegt een onzer twijfelachtige
+volksmeeningen. Soms is 't waar. Doch heel dikwijls is ook 't begin
+gemakkelijk en valt juist het volharden zwaar. Daarom lezen we zoo
+terecht: Alleen wie volhardt tot den einde toe, die zal zalig worden.
+En mocht Schiller schrijven: Nur Beharrung führt zum Ziel.
+
+
+
+
+XVIII. „VREDE OP AARDE”.
+
+
+O natuurlijk, nu smaalt de menigte: „Dat Kerstevangelie is onzin. Vrede
+op Aarde? Zie maar in 't rond. Oorlog en niets dan oorlog. De Englenzang
+in Bethlehems velden is een lieflijke waan. Twintig eeuwen lang hebben
+de kinderen der menschen het lied nagezongen, maar het bleef bij zingen.
+Juist de beide volken, die het Kerstfeest met zulk een zoete vroomheid
+vieren, hebben zich in onzen tijd het krachtigst gewapend. Waar is
+de „Weihnachtsbaum” meer algemeen geëerd dan in Duitschland? Iedere
+huiskamer ziet zijn vreedzame vlammetjes branden. Maar ieder huisgezin
+heeft thans zijn mannen naar 't oorlogsveld gezonden. Daar donderen
+de kanonnen dit jaar het antwoord op het lied uit de wolken. En welke
+natie stuurt haar „Christmaswishes” veelvuldiger de wereld in dan de
+Engelsche? Kerstwenschen? Ze worden door de „dreadnoughts” overgebracht
+en de heidenen uit Azië zullen ze, op Engelands kosten, wel in het
+christelijk Europa bezorgen. Vrede op Aarde? Schijn en huichelarij dat
+heele christendom, die heele leer der liefde. Geen englenzang daalt
+uit de wolken, maar bommen regenen uit den hemel neer, om wat er nog
+vreedzaam op de velden der aarde leeft te vernietigen. Vrede? Haat,
+wraak, oorlog, verwoesting op aarde! Dát is de waarheid. En niets
+anders.”
+
+Zoo smaalt—en zoo dwaalt de menigte.
+
+Ze dwaalt. Het Kerstevangelie is volkomen waarheid gebleken, ondanks al
+de woedende oorlogen, die sedert gevoerd zijn. En ook nu kan men zijn
+ongereptheid zelfs te midden van het kanongebulder zien. Er is vrede
+op aarde. Maar... „onder de menschen waarin God welbehagen heeft!” Zoo
+luidde ook het engelenlied. Daar is in dien stillen, in dien heiligen
+nacht niet gezongen, dat van nu aan de aarde vol vrede zou wezen, zoo
+min als later Jezus—tóch de Vredevorst!—van zichzelf getuigen zou, dat
+Hij allen strijd zou beëindigen.
+
+„Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard,” sprak Hij,
+met goddelijke beslistheid, waaraan de latere tijden volle recht hebben
+gedaan. Maar hoewel Hij het zwaard bracht, mocht Hij toch vredevorst
+heeten en konden de engelen zijn geboorte aankondigen als het uur,
+waarin de Vrede op Aarde was neergedaald. Dat zou zijn leven
+bewaarheiden en dat hééft zijn leven bewaarheid.
+
+Of was het in Zijn ziel niet vrede? Hij werd bespot, beschimpt, veracht,
+maar het verstoorde den vrede niet in zijn gemoed. Hij werd gescholden,
+belasterd, verdacht gemaakt, maar het kon de klare rust zijns harten
+niet vertroebelen. Hij werd geslagen, met doornen gekroond, gekruisigd,
+maar het deed geen oogenblik zijn vertrouwen in Gods vaderliefde
+wankelen. Hij bad voor zijn vijanden: „Vader, vergeef het hun, want
+zij weten niet wat zij doen.” Was dit alles niet een onweerspreekbaar
+getuigenis, dat in zijn ziel de vrede woonde? Zijn leven scheen
+vernietigd, zijn streven vruchteloos, zijn arbeid ijdel—toch vrede.
+Onbegrepen door zijn leerlingen, in de uiterste ure zelfs door een
+zijner beste discipelen verloochend, door al zijn jongeren verlaten,
+eenzaam en veroordeeld achtergebleven—toch vrede. In dezen „Gezalfde
+des Heeren” was het in volle werkelijkheid: Vrede op Aarde. De englen
+hadden geen juister naam kunnen aankondigen.
+
+ * * * * *
+
+Een onjuiste vertaling van het Lukasevangelie heeft ons langen tijd doen
+lezen en zingen: „Vrede op aarde! In de menschen een welbehagen!” Maar
+dat staat er niet in het oorspronkelijke Grieksch. De bekende Duitsche
+vertaling van Weissacher zegt: „Preis sei in der Höhe Gott, und auf
+Erden Friede unter Menschen des Wohlgefallens.” Dat is duidelijk genoeg,
+zoowel als de woorden van prof. Oort in onze Leidsche vertaling. Neen,
+zoo gemakkelijk gaat het niet. Wij zouden wel willen zondigen op
+duizenderlei wijze: vloeken, drinken, boeleeren, eergierig, geldgierig,
+heerschzuchtig zijn, het recht vertrappen, de armen vertreden, de
+ellendigen doen bezwijken en bij alles—vrede op aarde, opdat we vooral
+ongestoord onzen gang konden gaan. Maar hoe kan in vredesnaam—ja, in
+naam des Vredes!—God in zulke menschen een welbehagen hebben? Dat is
+immers onmogelijk? Hoe kan ooit een heilige Macht vrede hebben met
+zooveel onheiligs! Zeker: Vrede op Aarde. Maar... „onder die menschen
+waarin Hij welbehagen heeft!” Dat is dus onder de menschen, waarin de
+geest van Zijn heiligheid werkt. Doch overal elders krijg. Terecht.
+Zonde kan geen vrede baren.
+
+Jezus was een mensch, waarin God welbehagen had. Vandaar in Hem vrede.
+En dien vrede kunnen we nog zien, zelfs in de loopgraven van 't slagveld
+en tusschen de fluitende kogels. Hoeveel martelaren hebben in vroeger
+eeuw, te midden der vlammen, van dien vrede getuigd! Het is zoo volmaakt
+onjuist van vrede te spreken, als er alleen maar geen kanonnen-oorlog
+is. Waar vijandschap is, wantrouwen, onafgebroken bewapening, daar
+is geen vrede, daar is het aanhoudend oorlog, met alleen kortere of
+langere wapenstilstanden. Vrede is een gemoedstoestand. Omringd door een
+paradijsrust kan het menschenhart onrustig zijn. Terwijl alles om hem
+heen vredig is, woelt er onvrede in zijn binnenste. En rondom kan dood
+en verderf woeden, de stad in puin geschoten worden, het huis boven zijn
+hoofd instorten, en toch de mensch vrede hebben. De vraag is alleen:
+Heeft God in u een welbehagen.
+
+Heeft Hij? Onderzoek het door de vraag om te keeren: Hebt gij een
+welbehagen in God? Neen, laten we ons niet verschuilen achter kerkelijke
+termen. Wie in God gelooft, weet, dat Hij heilig is en rechtvaardig.
+Welnu, hebt gij de heiligheid lief, zoodat alle onheilige begeerten
+in u—ge kent ze wel—u een voortdurende smart zijn? Hebt gij de
+rechtvaardigheid lief, waaràchtig lief—niet met woorden—zoodat ge
+voor haar offers wilt brengen: uw maatschappelijke rust, uw fortuin, uw
+goeden naam bij de menschen, althans wat men zoo noemt. Hebt ge _aldus_
+God lief? Of wilt ge liever „Gods welbehagen” genieten in een leventje
+van liefdeloosheid, zelfstreeling; de heele wereld genieten en Gods
+zegen op den koop toe? Ons zelfbehagen en Gods welbehagen, die gaan
+nooit samen, tenzij ons „zelf” eerst de reinigingskuur der
+zelfverloochening heeft doorgemaakt.
+
+Er _is_ vrede op aarde. Maar of de aarde eenmaal vol vrede zal
+zijn? Niet, wanneer de ongerechtigheid toeneemt. Want „doordat de
+ongerechtigheid toeneemt, zal de liefde van velen verkoelen” en dus
+de haat aanwakkeren. Maar „wie volhardt tot het eind, die zal zalig
+worden.” Slechts hij die in eigen ziel vrede op aarde gevonden heeft,
+kan de vrede op aarde brengen.
+
+Hoe?... Dat is de boodschap van den stillen, den heiligen nacht.
+
+Kerstmis, 1914.
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+ Blz.
+
+ I. Zielsontwaken 1
+
+ II. Vertrouwen 4
+
+ III. De Tweede. (N. v. d. D.) 7
+
+ IV. De Moeder 13
+
+ V. Hebt ge iets voor uw kind over? 25
+
+ VI. Waarheid in de Opvoeding 27
+
+ VII. Afkeuring en Waardeering 117
+
+ VIII. Zaakonderwijs 118
+
+ IX. De W. (N. v. d. D.) 121
+
+ X. Het Geluk. (N. v. d. D.) 126
+
+ XI. Doe het goede. En dàt goed. (N. v. d. D.) 135
+
+ XII. Over-reckt 141
+
+ XIII. „Heden overleed plotseling...” (N. v. d. D.) 154
+
+ XIV. De School en de Zending 159
+
+ XV. „Een lieflijke naam”. (N. v. d. D.) 181
+
+ XVI. Worstlende 186
+
+ XVII. Volhard! 192
+
+ XVIII. „Vrede op Aarde”. (N. v. d. D.) 199
+
+
+
+
+ +-----------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: ons moeten beperken De rust in |
+ | C: ons moeten beperken. De rust in |
+ | B: uiterlik selsel,—moest hij |
+ | C: uiterlik stelsel,—moest hij |
+ | B: oonspronkelik werk. |
+ | C: oorspronkelik werk. |
+ | B: des zielevens, ontvangen we |
+ | C: des zielelevens, ontvangen we |
+ | B: Ik ben zo alleen. waar |
+ | C: Ik ben zo alleen, waar |
+ | B: zijn opvoedkundige theoriëen!—hoe |
+ | C: zijn opvoedkundige theorieën!—hoe |
+ | B: hun eigen verliefheidsperiode—ik |
+ | C: hun eigen verliefdheidsperiode—ik |
+ | B: lichten in de omgang met met |
+ | C: lichten in de omgang met |
+ | B: kind verdrinken zal, Maar als |
+ | C: kind verdrinken zal. Maar als |
+ | B: beetje te slapen Ze was ook |
+ | C: beetje te slapen. Ze was ook |
+ | B: zijn eigen nderigen arbeid moet |
+ | C: zijn eigen nederigen arbeid moet |
+ | B: dogma's te kwellen. |
+ | C: dogma's te kwellen.” |
+ | B: enkele paralellen te trekken. |
+ | C: enkele parallellen te trekken. |
+ | B: ziet zijn vreemdzame vlammetjes |
+ | C: ziet zijn vreedzame vlammetjes |
+ | B: door de „draednoughts” overgebracht |
+ | C: door de „dreadnoughts” overgebracht |
+ | B: wankelen, Hij bad voor zijn |
+ | C: wankelen. Hij bad voor zijn |
+ | |
+ +-----------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Verspreide Opstellen, II, by Jan Ligthart
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, II ***
+
+***** This file should be named 38397-0.txt or 38397-0.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/8/3/9/38397/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.