diff options
Diffstat (limited to '38397-0.txt')
| -rw-r--r-- | 38397-0.txt | 6071 |
1 files changed, 6071 insertions, 0 deletions
diff --git a/38397-0.txt b/38397-0.txt new file mode 100644 index 0000000..7d69055 --- /dev/null +++ b/38397-0.txt @@ -0,0 +1,6071 @@ +The Project Gutenberg EBook of Verspreide Opstellen, II, by Jan Ligthart + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Verspreide Opstellen, II + +Author: Jan Ligthart + +Release Date: December 24, 2011 [EBook #38397] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, II *** + + + + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + + + + + +---------------------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | + | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | + | moderniseren. | + | | + | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | + | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | + | hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de | + | verwijzing. | + | | + | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | + | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: | + | met of zonder trema of koppelteken. | + | | + | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | + | _cursief_. | + | | + | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | + | aangebrachte correcties. | + | | + | De illustratie op blz. 67 is beschikbaar bij de html-versie | + | van dit e-boek op https://www.gutenberg.org/ | + | | + | Het eerste deel van 'Verspreide Opstellen' is als e-boek | + | no. 38396 beschikbaar is via Project Gutenberg: | + | https://www.gutenberg.org/ebooks/38396 | + | | + +---------------------------------------------------------------+ + + + + + VERSPREIDE OPSTELLEN + + VAN + + JAN LIGTHART. + + II. + + UITGEGEVEN VOOR HET LIGTHART-COMITÉ DOOR + J. B. WOLTERS' U.M.—GRONINGEN, DEN HAAG, 1917. + + + + +In deze serie zijn verschenen: + + JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, I _2e dr._ ƒ 0,70 + JAN LIGTHART, Verspreide Opstellen, II - 0,70 + JAN LIGTHART, In Zweden _2e dr._ - 0,95 + +en zullen in den loop van 1918 of 1919 verschijnen: + + JAN LIGTHART, Over Opvoeding, I. + JAN LIGTHART, Over Opvoeding, II. + JAN LIGTHART, Jeugdherinneringen. + + + + +TER INLEIDING. + + +Is er een wezenlik verschil tussen kinderen en volwassenen? Of +ligt niet, wat bij de laatsten meer samengesteld verborgen en +ineengestrengeld is, open en bloot bij het kind, zodat het zich in meer +duidelike en sprekende trekken vertoont. Het kind is de jonge mens en +menselike aandriften en neigingen openbaren zich in zijn daden en vinden +in zijn woorden uitweg. De kenner van het kind wordt zo mensenkenner. +Gelijk een leerling, die in zijn natuurkundeboek in enkele trekken een +werktuig getekend ziet en door het schetsmatige zijn aandacht leert te +bepalen bij de hoofdzaken, zo doorziet men in het kind de hoofdlijnen +van het gebouw der menselike ziel. De kindervriend ontwikkelt zich tot +mensenvriend, de kinderkenner tot mensenkenner. + +Bij Jan Ligthart is deze overgang duidelik merkbaar, en zij komt uit +in het werk, dat mevrouw Ligthart in deze bundel heeft verzameld, en, +dat naast enkele stukken uit _School en Leven_ ook enige bevat, die +als hoofdartikel zijn verschenen in _Het Nieuws van den Dag_ met de +ondertekening: Mr. Jan. Hij was in die stukken opvoeder van mensen. + +Wat had Jan Ligthart toch tot opvoeder gemaakt? Zeker, hij was kwekeling +geweest aan een Amsterdamse school en had aan de z.g.n. stadslessen zijn +opleiding tot onderwijzer ontvangen. Hij had dus wel wat over opvoeding +gehoord en gelezen, ook later, toen hij voor de hoofdakte studeerde. +Maar dat weten maakte hem toch geen opvoeder, kon niet het hart vormen, +dat hem sierde. + +Wat hij had aan mensen- en levenskennis, had hij allereerst door +_zelfervaring_. Deze wijze man was een kwajongen geweest, die speelde +en stoeide in Amsterdams straten, en genoot van de dwaasheid der jeugd, +en die, onder moeilike levensomstandigheden—(een heel brave, maar niet +sterke vader kon het gezin niet op zijn maatschappelike hoogte houden +en alle zorg niet weren)—welke hem niet verborgen bleven, toch het +paradijs der kindsheid niet uitgedreven werd. Hij was een opgeschoten +jongen geworden met verliefde en dichterlike stemmingen, peinzend over +God en wereld. Hij kwam in de school, hij vond vrienden en liefde, maar +verloor zijn levensbeschouwing en vast Godsgeloof, dat onderzocht werd +met crities verstand. Hij werd schoolhoofd, man, vader, en het geluk +klopte aan zijn deur: drie kinderen werden hem geschonken, in zijn +arbeid vond hij zijn vreugde, in anderen helpen zijn zegen. + +Maar ook hier viel de schaduw in het licht. Hij treurde om +maatschappelike kwalen en gebreken: hij was verenigingsman en +maatschappelik strijder; alle bewegingen, wier roepstem hij tekent +op pagina 115 en 116,—sociale werkzaamheid, vrouwenbeweging, +geheelonthouding, rein leven, dierenbescherming en vegetarisme—hadden +zijn sympathie, en bij hem was sympathie steeds daad en zelfgevend +offer. Zijn hart kromp onder onrecht, onrecht, der natuur van het kind +aangedaan in domme of liefdeloze onderwijsinstellingen, in de grote +maatschappij in telkens nieuwe vorm bedreven. Zo was voor hem het leven +naast genietend arbeiden strijdend worstelen. + +Hij hield lezingen, schreef met Scheepstra en anderen, leesboeken voor +de kinderen, opvoedkundige artikelen voor hun ouders en meesters. Hij +oogstte daarmee vriendelikheid, zelfs roem, in binnen- en buitenland. +Twee maal deed hij een reis naar het Noorden, om er voordrachten te +houden, de Koningin raadpleegde hem over de opvoeding harer dochter. +Maar naast al die waardering had hij de spot te verduren van wie hem +niet konden begrijpen, de onverdraagzaamheid der naijverigen, de +verdraaiing van woord en gedachte door onnadenkende vluchtigheid of +lasterzieke achterklap. + +Beurtelings had hij de vrucht en de mislukking van zijn arbeid gezien +en had hij arbeidende geleerd, dat wij ons moeten beperken. De rust in +maanden, dat ook hij „overrekt” scheen, schonk de gelegenheid, diep te +beseffen, dat wij ons geluk moeten bouwen op andere dan uitwendige +factoren. + +Zo was voor hem, die zo eerlik tegenover zich zelf stond, en niet alleen +de verantwoordelikheid voor zijn woorden en daden, maar ook voor zijn +neigingen en begeerten gevoelde, het leven zelf de school des levens +geworden. Hij verstond de wereld en de andere mensen, omdat hij zichzelf +verstond. En dat innerlike verstaan maakte hem allereerst tot opvoeder. +Achter al dit werk schuilt, meer dan achter enige tot nu verschenen +bundel des schrijvers persoonlike ervaring. Het is een bundel van +zelfopenbaring, ook—van zelfopenbaring in het goede. Maar dat was de +auteur zich niet, wij zijn 't ons wel bewust. + +Ligthart was—en dit was de twede factor, die hem opvoeder maakte—een +zeldzaam goed mens. Er was een ongewone vereniging in hem van moed +en zachtmoedigheid, van waarheidszin en tedere mensenliefde, van +volhardende trouw en spontane ontvankelikheid voor frisse indrukken, van +idealen, van optimisme en gezonde zakelikheid. Zijn moed kwam uit, als +hij optrad tegen onrecht. Als jong onderwijzer bezocht hij een cursus +voor de hoofdakte. Terwey, de taalleraar, kon geen rook verdragen en +dus was 't roken verboden in de lokalen. Als het tóch gebeurde, kwam de +concierge het verbieden. Op een keer werd de man met spot ontvangen. +Toen barstte de zwakke Ligthart in verontwaardiging los en hij verweet +ze allen, dat zíj, die gehoorzaamheid eisten van hun kinderen, een man +hoonden, die zijn plicht deed en dat zij zelf nóch konden gehoorzamen, +nóch een offer konden brengen voor hun leermeester.—Daar was een man, +die dong naar een betrekking en Ligthart's voorspraak vroeg. Ik acht +je geschikt, was het antwoord, maar ik acht een ander meer geschikt, +en vind, dat die er meer recht op heeft. Zo was zijn woord en +waarheidsliefde, steeds onbezweken in al de duizend kleine voorvallen +van het leven, waarin ze geëist worden, en dikwijls moeiliker zijn te +volbrengen dan bij een grote gebeurtenis. Hij was tevens zo zacht en +teer. Had iemand misdreven, dan kon hij zo'n innig medelijden hebben. +Hij keurde altijd de zonde af, de zondaar had hij altijd nog lief. +_Blijvend._ En dat vind ik het grootste, het meest wonderbaarlike in +Ligthart. Wij, zijn vrienden, hadden de volstrekte overtuiging, dat hij +ons nooit zou laten schieten. Men bouwde op hem. Men zou hem, met het +oog op zijn gezondheid, soms sparen, maar nimmer kon de gedachte zelfs +post vatten, dat hij wel eens niet zou willen helpen, dat het hem te +lastig zou worden, dat hij, in afkeer van bedreven kwaad, zich zou +afwenden van de mens. Ten opzichte van zijn vriendentrouw en blijvende +liefde had men het gevoel, dat men anders alleen tegenover zijn +moeder heeft. En die trouw was geen sleur, was niet ontstaan uit +een temperament, dat hecht aan het oude—alleen omdat het oud is. +Integendeel. Ligthart was steeds open voor nieuwe dingen, bezig met +nieuwe plannen voor nieuwe scholen en boeken, nieuwe kennissen en +vrienden makend, door nieuwe studies zijn inzichten verrijkend. Met +blijde vreugde nam hij dat nieuwe op, verwerkte het, paste het aan bij +zijn kennis en zijn onderwijs. Toen hij warm was geworden voor de zaak +der zending, moest hij er van verhalen, moest hij anderen opwekken, om +er ook in de school van te verhalen. Toen hij het Christendom opnieuw +ontdekte en veroverde—Christendom als liefdebetonende macht en niet als +enig uiterlik stelsel,—moest hij ook daar van spreken. + +Van nog een derde combinatie sprak ik: idealisme, optimisme en gezonde +zakelikheid. Ligthart hoopte en geloofde. Hij vertrouwde op het goede +in de mens en hij wist het op te wekken. Tegenover zijn mildheid kon de +gierige niet vrekkig blijven; waar hij hartelik was en zich gaf, kon de +deftige zijn afstand niet zo bewaren, als hij gewoonlik deed. Waar hij +met de kinderen joelde en jubelde en stoeide, waar hij kind was onder +en met de kinderen, daar stak zijn geest anderen aan. Waar hij tijd, +moeite, geduld over had, waar hij vergaf en vergat—deze man kon +werkelik totáál vergeten, dat men iets kwaads tegen hem gedaan +had—daar kon men zelf niet nalaten, iets van het zijne te geven, toorn +en wrok als onedel te voelen. + +Maar dit idealisme was nuchter en zakelik. + +Allereerst kende hij de menselike natuur in zijn zwakheden, in zijn +verdorvenheid. + +Hij zag ook de rechte verhoudingen. Hij wilde, dat men zich binnen de +grenzen van zijn kracht, zijn kennen en kunnen zou houden: te ver reiken +brengt mislukking, en smart, voor ons zelven en anderen. Hij genas, niet +door mystieke voorschriften, door diepe redenering, maar door liefdevol +meevoelen en practiese raad. Hij gaf zijn adviezen met het oog op het +werkelike leven. Zelf een onbaatzuchtig man, die eigenlik totaal niet +aan geld hechtte, dan om er goed mede te kunnen doen, pleitte hij altijd +voor behoorlike levensvoorwaarden der onderwijzers. Vroegen rijke ouders +hem, iemand aan te wijzen, die hun kind les zou kunnen geven, dan deed +hij dit graag, maar bepaalde meteen, dat zij hun liefde voor hun kind +en hun waardering van 't onderwijs zouden uitdrukken in een ruime +schadeloosstelling. Graag het goede prijzend en waarderend, ontgingen +hem geen fouten, en hij had een aardige manier, om iemand er aan te +herinneren. Voor mijn correspondentie met hem maakte ik bijv. gebruik +van briefkaarten met zijn adres er op gedrukt (in onsmakelike grove +letters had een drukker mij die geleverd). Toen op een keer mijn +handschrift al te onduidelik was geworden, zelfs voor zijn geduldig +lezen, schreef hij mij, dat ik met mijn grote letters meer eerbied had +voor de ogen van de post dan voor de zijne. Hijzelf zou trouwens de +keuze der letter niet aan den drukker overgelaten hebben. Hij was +verliefd op nauwkeurigheid. Elke kleinigheid had zijn belangstelling: +wat hij deed, deed hij goed. Voor alles zette hij zich, gaf hij zich +moeite. Een gewone felicitatie bij geboorte, huwelik, examen, wist hij +toch altijd nog een persoonlik cachet te geven. Een voorbeeld. Toen Mr. +J. Limburg in 's Gravenhage bij de Kamerverkiezing viel tegen den heer +Ter Laan, maar daarna in Friesland werd herkozen, telegrafeerde hij een +vierregelig vers, waarin o.a.: + + Zuid-Holland werpt hem uit, door al te links bewegen, + Maar Friesland vangt hem op.... + +Hij hield van een woordspel.—Zo wist hij een zekere bekoorlikheid bij +te zetten aan zijn practiese wenken, wist zijn diepe ernst door een +goede dosis humor vriendelik te tinten. + +Zo was Ligthart een goed, een zeldzaam mens, en, zich zelf van zijn +bizondere waarde niet bewust, gaf hij in zijn zelfopenbaringen zoveel +heerliks te aanschouwen, dat hij ook daardoor een opvoeder werd. + + * * * * * + +Gegeven eenmaal zijn aanleg, maakte de levenservaring omtrent anderen +opgedaan, hem tot zielszorger. Als men tot hem kwam om raad te vragen +over de opvoeding van een kind, dan ontdekte hij al spoedig dat vele +oorzaken van moeiten niet in het kind, maar bij de ouders lagen. Dan +moest hij de ouders er wel opmerkzaam op maken, dat hun angst het kind +onrustig maakte, hun ongeduldig voorwaarts dringen meer eiste, dan het +kind geven kon, hun slappe wil en weke toegeeflikheid ongehoorzaamheid +en brutaliteit als uitlokte en opriep. Dan kreeg hij belijdenissen, die +hem een diepe blik deden slaan in de zielsnoden en het levensleed van zo +menig mens. Achter schijnbare kalmte, deftige redeneringen, gewichtig en +groot doen, vond hij hongerende zielen, onrustige geesten. Hij trachtte +ze tot evenwicht te brengen, door ze op hun werk en hun plicht te +wijzen, door ze met gezonde zin de zakelike noodwendigheden van 't leven +onder 't oog te brengen. Ligtharts troost in dergelijke gevallen was een +strenge, en daarom een louterende troost. Hij verbloemde de ellenden van +'t leven noch gaf hoop op een smarteloze toekomst. Hij wilde, dat de +wereld en zijn moeite in ons eigen innerlik overwonnen zouden worden, +dat wij, boven de dingen staand, door hen ongedeerd zouden verder leven. + +Niet de moeilikheden ontvluchten, ze overwinnen in volhardende arbeid, +dat was zijn leuze, en daarmee bemoedigde hij en sterkte hij. + + * * * * * + +Ligthart was dus ook opvoeder, raadsman, leidsman van volwassenen. Hij +was het door recht van geboorte en usantie: het leven had zijn aanleg in +deze richting ontwikkeld. Al vroeg, door hem een vader te schenken van +sterke, zedelike beginselen, die als natuurlike vanzelfsprekendheid +leefden in het gezin Ligthart, maar anderen, de schoondochters bijv. +dadelik opvielen als iets bijzonder achtenswaards. Zijn moeder was de +zon van zijn leven: met onbegrensde verering hing hij aan haar en zij +zat portret voor het beeld der moeder, dat hij hier schetst als ideaal +der vrouw.—Versterkt werd zijn aanleg door het levendige opvoedkundige +denken, dat in Den Haag heerst: bij de stichting der meeste scholen, +die iets nieuws probeerden in Den Haag, was hij meer of minder betrokken +als bestuurslid of adviseur. + +Maar Ligthart mocht ook opvoeder zijn door droit de conquête: hij had +zijn roem veroverd. + +Hij had met een zwak gestel en met een beperkte tijd, waarover anderen +ook nog ruimschoots beschikten, zo heel veel tot stand gebracht, en hij, +die in zijn jeugd zo zwak was, dat zijn familie vreesde, dat hij niet +volwassen zou worden, dat hij als jong onderwijzer niet in een stuk van +zijn huis naar school kon wandelen, doch onderweg moest rusten, wist +toch nog zo wijs met zijn kracht om te gaan, dat hij 56 jaar werd. + +Hij was een levenskunstenaar. Hij wist zijn tijd te verdelen, hij wist +arbeid en rust af te wisselen, hij wist te remmen, als 't nodig was. Hij +was een virtuoos in de arbeid door deze beginselen toe te passen: alles +dadelik zo goed mogelik te doen en niet te doen, wat niet in zijn aard +lag. Plichtsgetrouwheid, arbeidsvreugd en bescheidenheid, bescheidenheid +ook hierin, dat hij steeds medewerkers zocht: dat gaf hem de rust, dat +het werk toch gedaan werd, als de kracht hem ontzinken kon. + +Welaan, deze man mocht in _School en Leven_, in _Het Nieuws van den Dag_ +spreken tot duizenden en tienduizenden, optreden als wijsheidsleraar. +Wat hij verkondigde, had hij zelf in het leven geleerd en toegepast. + + * * * * * + +Dikwijls, als ik iemand spreek, die over een ander schreef of sprak, +hoor ik, in persoonlik gesprek, minder prettige dingen, „maar die zeg of +schrijf je zo niet”. Ik stel er prijs op, te zeggen, dat het beeld, dat +ik van de mens Ligthart ontwierp als inleiding tot deze bundel, zeer +onvolledig en schetsmatig is, maar alleen in deze zin, dat mijn woorden +mij vaal en grijs schijnen bij de heerlikheid van den man, die ik +vijftien jaren gekend heb in allerlei betrekkingen en die ik nooit +ontmoette zonder zijn diepe invloed te ondergaan. Het is mij een +weemoedig en tot dankbaarheid stemmend voorrecht, deze bundel van mijn +vereerde vaderlike vriend bij ons publiek in te leiden: mogen zij hem +ter hand nemen met de gedachte, dat hier een mens tot hen spreekt, een +ziel. + + * * * * * + +Het is Pinksteren en er was iets van Pinkstergloed in Ligthart. +Vertolken wilde hij goddelik en christelik leven. Is dat nieuw? Neen, +hij beweerde het niet. Misschien ging het hem als de apostel, die zeide, +dat hij „dezelfde dingen” had te zeggen. Maar Ligthart bracht ze tot +zijn volk en zijn tijd in zodanige vorm en zo bezield met zijn eigen +persoonlikheid, dat het eeuwig menselike hier verschenen in een +tijdelike concrete omlijning, die het stempelde tot eigen, fris en +oorspronkelik werk. + + 's Graveland, Pinksteren 1917. R. C. + + + + +I. ZIELSONTWAKEN. + + +Niet het kind in de wieg kan _mensch_ heeten, ook al lacht en schreit +het; niet de knaap in de schoolbank, ook al denkt en gevoelt hij, al +ontwikkelt zich zijn taal met zijn geest. Eerst wanneer + + „bei der Leidenschaft Ruf der Jüngling erwachet, + Und des Bewusztseins Blitz dämmernd die Welt ihm erhellt”, + +eerst dan wordt het kind _mensch_. Dan spiegelt zich alles af in zijn +ziel en wekt daar tal van vragen, waarvan de knaap geen flauw vermoeden +had. Wanneer het _Bewustzijn_ als een bliksemstraal te voorschijn +springt uit den dommelenden, droomenden geest, en een flauw schemerlicht +werpt over alles, dat zich om en in ons bevindt, dan, bij dien dageraad +des zielelevens, ontvangen we pas _besef_, schoon nog zwak: besef van +onzen toestand op aarde, besef van ons stoffelijk en geestelijk bestaan, +besef van verwantschap onzer ziel met andere menschenzielen, besef van +onze nauwe betrekking tot de omringende wereld, tot de gansche grootsche +schepping, tot den bewusten of onbewusten oorsprong aller dingen, tot de +werkende kracht of den scheppenden God. + +Bij den eenen mensch is dit ontwaken een zachte, geleidelijke overgang; +langzaam, schier onmerkbaar, rijst de bleeke zon van 't zelfbewustzijn +aan den donkeren, maar rustigen hemel des zielelevens; zoete melancholie +murmelt het morgenlied. + +Bij den anderen echter gaat deze kentering gepaard met woedende stormen; +hemel en aarde wankelen op hun grondvesten; alles hult zich in diepe +duisternis; nergens is licht, nergens vastheid; angst, radeloosheid, +wanhoop, trekken als geesten der nacht het hart binnen en heerschen daar +onbeperkt, tenzij er een vriendelijke stemme, ruischend om het hoofd, +met zachten klem gebiedt: + + „toch niet bezorgd te wezen.” + +Zooals bij de wisseling der seizoenen de natuur in opstand geraakt en de +voorjaarszon door bliksemstralen en donderslagen wordt aangekondigd, zoo +voeren bij de voornaamste wisseling der levenstijdperken vaak allerlei +machten een geweldigen strijd in de ziel.—Herhaaldelijk lezen we in +den Bijbel, dat aarde en hemel in beroering zijn, dat alle elementen in +onderlingen kamp zijn losgebroken, wanneer de God des Hemels zich aan de +Aarde vertoont, wanneer het Licht der Schepping door de wolken breekt, +die Hemel en Aarde scheiden. Maar evenzeer herhaaldelijk, neen duizend +en duizenden malen zien we in de harten onzer medemenschen, dat ook dáár +de chaos schijnt weer te keeren, wanneer de goddelijke vonk van 't +zelfbewustzijn als uit de krachtige aanraking van den geest met de +wereld ontspringt en schittert door de nevelen der kinderlijke +droomwereld. Onder barensweeën wordt de mensch „wederom geboren.” + +Daar zijn er ook, die van dit alles niets verstaan. Misschien..... zijn +deze de „normale”, de gezonde menschennaturen. Misschien ook zijn ze de +gelukkigste, doch, in ieder geval, de _grootste_ zijn ze niet. De +hoogste aristocratie des geestes heeft in den strijd, dikwijls tot +stervens toe gewond, den ridderslag ontvangen. + + + + +II. VERTROUWEN. + + +Laatst ontving ik een brief van een jonggehuwde vrouw, die haar +eersteling verwachtte. Maar 't was geen brief vol blijde hoop. Er lag nu +reeds een schaduw over dat toekomstig geluk. Er was twijfel aan eigen +geschiktheid voor de verantwoordelijke taak van het moeder-zijn. „Zal +ik ooit in staat blijken, het teere wezentje, dat straks in mijn armen +ligt, op te voeden tot een braaf en gelukkig mensch?” Die zorg drukte +de blijdschap der zoete verwachting neer. „Het lijkt me zoo uiterst +moeilijk, een kind naar behooren op te voeden. En toch, dit is immers +onze dure plicht, waar wij dat nieuwe schepseltje in 't aanzijn hebben +geroepen?” + +Toen heb ik de schrijfster geantwoord, dat ze blijkbaar veel te veel +waarde hechtte aan haar eigen beteekenis, aan haar eigen invloed, aan +de middelen eener weloverdachte, beginselvaste opvoeding, en te weinig +vertrouwen had in het kindje, dat ze nog krijgen moest. Niet dat ik haar +zorgeloosheid toewenschte, maar wel de onbezorgdheid, die vrucht is van +geloof en vertrouwen. Er is in tijden als de onze, waarin op allerlei +gebied het redeneerend verstand heerschappij wil voeren, te weinig +geloof. Ik bedoel niet: geloof in een of andere theologische of +politieke of oeconomische leerstelling. Aan dàt geloof is waarlijk geen +gebrek. Ook niet aan het geloof in paedagogische dogma's. Hooren we niet +dagelijks en uurlijks bij allerlei principes en grondstellingen zweren? +Maar geloof in den zin van _vertrouwen_. + +In ieder kind bloeit, stil verborgen, een wonderbloem. Terwijl uw +zuigeling daar in de wieg ligt—zoo'n lekkere dikkert!—ontkiemt en wast +daarbinnen iets heel teers en fijns. Ge ziet er aanvankelijk nog niets +van. En zelfs kan het jaren duren, eer het zich aan U, eer het zich +aan zichzelf openbaart. Maar toch is het er, reeds van den beginne af. +Want als het er niet was, vanwaar zou het dan later komen? Dat is het +persoonlijke, het eigene, het individueele, het eenig hem toebehoorende, +ja _dat is uw kind_. Niet het lichaampje, dat door u met zooveel zorg +wordt gereinigd en gevoed, niet het verstand, dat door u met zooveel +kennis wordt opgebouwd—neen, uw kind is geen samenstel van stof of van +begrippen. Wie daarop bouwt, komt tenslotte bedrogen uit. Want de stof +is zelfzuchtig, en begrippen zijn hard en koud. Maar in die stof, en als +onzichtbare heerscheres over die begrippen, leeft en werkt de _ikheid_, +de niet te omschrijven onbekende, de ziel. Zij alleen is uw kind. En +haar kunt ge vervangen noch veranderen. Integendeel, zij zal alles +beschouwen en wijzigen naar de bizondere eigenschappen van haar aard. +Doch ge kunt op haar vertrouwen. En ge móét op haar vertrouwen. Als +ergens in het mensch-zijn zich iets van de Godheid doet bespeuren, dan +is het daar. + +Toen De Genestet een leelijk trekje ontdekt had in het hart van zijn +lieveling, maakte hij zich daar bekommerd over, en zon op allerlei +middelen, om dat kwaad te bestrijden. Maar zijn wijsheid schoot te kort. +Toen bad hij, en wachtte. En zie—„'t hooghartig zondaresje” kwam uit +zichzelve tot hem, „nederig en klein.” Wie had dat wonder bewerkt? Niet +de paedagogische middelen van den vader. Doch zelf getuigde deze: „Meest +werkt de _macht ten goede_, door God in 't hart gelegd.” Vertrouw op die +macht ten goede. + + * * * * * + +Daar zit ge op een avond bij de wieg van uw eersteling. De ademhaling +van het slapend kleintje gaat zoo rustig. Met een kleurtje op de wangen +ligt het daar. En in uw eigen ziel is de vrede, die van dit blozend +koontje straalt en uit die blonde lokjes licht. Wat zalig gevoel! Geen +zorg voor de toekomst kwelt u, geen besef van eigen onvolmaaktheid drukt +u neer. Ge denkt er wel niet aan, maar de overtuiging leeft toch in u, +dat menschelijke wijsheid vaak het wonderbloempje der kinderziel doet +welken, menschelijke wijsheid, die zoo vaak dwaas ingrijpen is in het +stille werk Gods. Ge vat uw taak wel ernstig op, maar verwacht niet +_alle_ heil, zelfs niet het _meeste_ heil van uw middelen. Er is +vertrouwen in u gekomen, vertrouwen in de _macht ten goede_, thans reeds +werkend in dat jonge zieltje. En zwijgend geeft ge u over aan de +weldadige kalmte van dat stille vertrouwen. + + + + +III. DE TWEEDE. + + +Er was eens een vrouw, die nooit den zin van haar man deed. + +Men zal zoo zeggen: Dat is zoo'n bijzonderheid niet, zulke vrouwen zijn +er meer. En zelfs zijn er mannen, die nooit den zin van hun vrouw doen. + +Maar zoo bedoel ik het niet. + +Ik wilde zeggen, dat die vrouw _altijd_ den zin van haar man deed. En +ongedwongen, met haar volle hart. Echter niet, dan nadat ze eerst drie +minuten haar eigen zin had gedaan. + +Haar eerste opwelling en haar eerste woord was steeds: „Hè neen!” Maar +dan volgde bijna geregeld, na een heel kort poosje, de tweede opwelling +en het tweede woord: „Nu ja dan maar!” + +„Vrouw, willen we een uurtje gaan wandelen?” + +„Hè neen!” + +De weigerverzuchting was begrijpelijk. De man was klaar met zijn werk en +had wandellust. Maar de vrouw moest nog even wat in orde brengen en wou +dan juist, moede van het gedribbel, een oogenblikje rustig gaan zitten, +de krant inkijken. Hij wou zich wat bewegen. Zij eens even bekomen. + +De man was echter een wijze. Sommigen zeggen: een slimmerd. + +Hij klaagde niet, dat zijn vrouw „ook nooit” instemde met zijn +voorstellen. Hij dreigde niet, dat hij dan „in vredesnaam” maar alleen +zou gaan. Hij zweeg. En drie minuten later hoorde hij: „Nu, wil je +graag? Laten we dan maar gaan!” + +Hij had op de tweede opwelling vertrouwd, en niet te vergeefs. Zóó sterk +en zóó zeker, dat hij nu zelfs grootmoedig dorst worden: + +„Neen, neen, als jij moe bent en liever thuisblijft...” Doch niettemin +liep hij al naar den kapstok en greep reeds naar zijn hoed. + +Die grootmoedigheid der mannen beperkt zich, gelijk we weten, tot het +bewaren van den edelen schijn. Daarmee hebben ze hun offers aan de +zelfverloochening gebracht. En spoedig wandelden man en vrouw samen +buiten, hij een en al ontspanning, zij niet zonder inspanning. Toch +durfde de edele huichelaar nog vragen, of ze 't nu niet heerlijk vond en +of hij niet goed had gedaan, met haar uit huis te jagen. Want gelijk we +andermaal weten, mannen willen niet alleen hun zin, ze willen ook gelijk +hebben. + +De vrouw gaf hem gelijk. Nu ze eenmaal over de eerste opwelling +heen was en de tweede had opgevolgd, viel het haar gemakkelijk op +dien weg verder te gaan. De moeilijkheid bestond voor haar niet in de +opoffering—offeren is het ademhalen der vrouwelijke natuur—maar in het +maken van de onverwachte wending. + +En dit is toch ook begrijpelijk. Wij allen leven onder zekere invloeden, +ervaren daarbij bepaalde stemmingen, ontwikkelen in harmonie daarmee +bepaalde gedachtengangen, vormen min of meer bewust onze bepaalde +plannen voor de allernaaste toekomst, en zitten dan midden in een vrij +samengestelde constructie van innerlijk leven. Ons denken, gevoelen, +willen, fantaseeren maakt een bepaalde kaleidoscopische figuur, en als +iemand, door zijn ingrijpen, daarvan een andere figuur wil maken, is het +noodig, dat de cylinder van onze psyche een halven draai wentelt. Dat nu +valt ons niet altijd licht. Het brengt ons uit ons doen. En het kost ons +dientengevolge eenige minuten van bezinning en zelfoverwinning, eer we +er toe komen. Vandaar het verzet van zoo menige „eerste opwelling”. En +wijs is de man, doch ook de vrouw, die op de tweede wacht. + + * * * * * + +Het niet-aanstonds voldoen aan iemands wil, zelfs het niet-onmiddellijk +gehoorzamen van kinderen en ondergeschikten, behoeft volstrekt niet +tegen hen te getuigen. Integendeel—het kan juist bewijzen, dat ze +zich met hun heele hart aan hun werk hebben gegeven, zoodat ze daaraan +met tallooze draden verbonden zijn. Los te zijn van zijn taak is een +twijfelachtige deugd, ook al is het geriefelijk als iemand zich daardoor +snel richten kan naar onze wisselende bevelen. Beter is het, aldus één +te zijn met zijn arbeid, dat het verband maar niet zonder inspanning +verbroken wordt. We wachten liever op de tweede opwelling van een +ernstig werker, die zich in zijn arbeid verliest, dan gediend te worden +door mechanische onverschilligheid. + +Er is echter nog een ander gebied, waar de tweede opwelling van veel +ernstiger beteekenis is, waar de eerste onwil niet voortkomt uit wat +meermalen een deugd mag heeten, maar uit den donkeren afgrond eener +booze natuur; niet als het antwoord der vasthoudendheid op een vraag of +een gebod, maar als de spontane reactie op de prikkels van 't leven. +Daar is die onwil dan ook eigenlijk niet _onwil_, maar slechte wil. + +Leelijke neigingen kronkelen als giftige slangen in de diepte van menig +menschengemoed. Zinnelijke lusten doen begeeren naar het verbodene. Nijd +en gierigheid willen den ondergang van een medemensch. We verfoeien +onszelf om de ontzettende opborrelingen onzer innerlijke boosheid. +Het recht van den rijke, de reinheid der onschuldige, de roem van +den begaafde—ze bestaan niet voor de laaghartige verlangens onzer +onbeheerschte zelfzucht. Dat recht wordt verkracht, die reinheid besmet, +die roem belasterd, door duizenden en nogmaals duizenden eerlijke, +brave, edele naturen, in de eerste opwelling van hun zondig hart. Hoe +zou de wereld er uitzien, wanneer eens plotseling openbaar werd het +verborgen leven der ongeremde begeerten. En hoe, wanneer deze aanstonds +in daden werden verwezenlijkt! + +Er zijn maar weinige begenadigden, die, als eenmaal Hij, naar wien +de christenheid zich noemt, onbekommerd kunnen leven naar de eerste +aanwijzingen van al hun neigingen. Dat was een leven uit God. Uit deze +bron der heiligheid kon niets onheiligs voortvloeien. Wij, overigen, +mogen al dankbaar zijn, wanneer we nu en dan eens gehoor mogen geven +aan een eerste opwelling. Meestal moeten we haar in bedwang houden, +met geweld terugduwen, en een oogenblik, doch soms ook uren en dagen, +wachten, totdat de tweede, en in haar ons beter ik, is doorgebroken. Ons +beter ik, dat wellicht juister ons verbeterd ik kon heeten. Immers, het +is de vrucht der zedelijke, der christelijke opvoeding, die zich in deze +correctie onzer natuurlijke aandriften openbaart. + +Het is raadzaam voor onszelf niet maar onnadenkend naar eerste opwelling +te oordeelen of te handelen, doch 't is niet minder plicht onze +medemenschen niet maar aanstonds te schatten naar hun onvoorbereid +doen en hen te houden aan hun rasse uitspraken. Menigeen is veel beter +dan hij schijnt, en veel zachter dan hij oordeelt. Deze uitingen +vertegenwoordigen niet zijn geheele persoonlijkheid. Er werken ook +andere elementen in hem. Gun ze den tijd naar buiten te komen en schort +uw oordeel op. Het is een der groote schaduwzijden van onze haastige +polemieken in vergadering en dagblad, dat zij den strijd doen voeren +tusschen de ongezuiverde machten der eerste opwellingen. Hoeveel mooier +en edeler kon het karakter van ons huiselijk en maatschappelijk leven +worden, als bezonnenheid haar louterende werking had verricht. + +In Engelsch-Indië leefde eens een grijze weldoener, die als een heilige +werd vereerd. Op zekeren dag begaf zich een jongeling tot hem en vroeg: +Wat moet ik toch doen, om heilig te worden zooals gij? + +Toen opende de oude zijn levensboek voor het eerbiedig oog van den +jongere, en daarin stonden te lezen de verachtelijkste en laaghartigste +misdaden. „Dat heb ik alles misdreven,” zei de heilige man. „Zoo door en +door zondig is mijn hart.” + +De jongeling sidderde, alsof hij een adder had aangeraakt. + +„Maar”, ging de grijsaard voort, „ik heb het alleen misdreven in +gedachten. Het waren mijn eerste opwellingen. Ik heb die echter +telkens weer laten wegzinken in den onreinen poel, waaruit ze waren +voortgekomen. En daarna schonk God mij de kracht Zijn wil te +volbrengen.” + +De jongeling ging heen. Nu wist hij het: men wordt geen heilige, dan +door zelfbeheersching, loutering gehoorzaamheid. En waar de eerste +opwelling ons verraderlijk verrast, zij alle zedelijke kracht +geconcentreerd op—de tweede. + + + + +IV. DE MOEDER.[1] + +[1] Overgenomen uit: „De Vrouw, de vrouwenbeweging en het + vrouwenvraagstuk”. Ingenaaid ƒ 9,60, gebonden ƒ 12,50. Uitgave + van de Uitgevers-Maatschappij „Elsevier”, Amsterdam. + + +Terwijl ik dit schrijf, staat er een portret naast me. Het is van een +72-jarige vrouw. + +De aanwezigheid van dit portret is geen uitzondering, want altijd, +wanneer ik schrijf, is het bij me. Maar even heb ik op te zien, en het +ziet mij aan, vriendelijk zacht, berustend en bemoedigend. + +Ook des nachts is het in mijn onmiddellijke nabijheid. Nauwelijks word +ik 's morgens wakker, of die oogen zeggen mij goeden morgen. Eens, ruim +tien jaar geleden, moest ik voor gezondheid een halfjaar naar buiten. +Mijn vrouw was bij me. Maar zij ook, de vriendelijke oude. In slapelooze +nachten was ook zij een stille troosteres, die opwekte met hoop en +vertrouwen. Zij liet haar gansche verleden tot mij spreken: een verhaal +van toewijding, smart, vertwijfeling, trouw, strijd, zege. + +Nooit gaan we sedert op reis, of zij gaat mee. Het is ons zoo vreemd, +als zij alleen achterblijft. En we zouden het stellig niet zoo rustig +vinden, als zij niet alles met ons meemaakte. + +Eén ding spijt ons slechts: dat zij van haar aanwezigheid niet zoo kan +genieten als wij, dat aan dit stukje papier elke bewustheid ontbreekt. +Wat zou ze zich menigmaal verheugen! + +Maar toch ook: wat zou ze zich menigmaal bedroeven! En bovenal: wat zou +ze zich vaak bekommerd maken over haar kinderen! + +Neen, het is goed, dat zij geen besef heeft van het haar omringende +leven. Het is genoeg, dat _wij_ ervaren den invloed, die nog nu van haar +beeld uitgaat en die hieraan door haar leven verzekerd is. + +Hoe is het aan dit leven gelukt, aldus het graf te overwinnen? + +Simpel door moeder te zijn, niet anders dan moeder. + +Het is zoo eenvoudig. Duizenden en millioenen vrouwen hebben die +levenstaak en daarin dezelfde macht. + +Maar of iedere moeder zich goed van haar taak kwijt? + +Er zijn er, die liever concerten aanhooren dan 't gebabbel hunner +kinderen, liever een mooi boek lezen dan een kinderhart. Er zijn er, die +aanstonds moe worden als haar kind veel te vertellen heeft, maar gansche +middagen kunnen luisteren naar de verhalen van vriendinnen. Er zijn er, +die de moedertaak eigenlijk niet voldoende vinden om een vrouwenleven te +vullen en niet naast maar boven de verzorging der kinderen hun meesten +en besten tijd geven aan geldverdienen, kunst of wetenschappelijk werk. +Dan wordt de moedertaak grootendeels overgedragen aan gehuurde vreemden +en verliest daarmee, wat haar juist zoo'n stillen, duurzamen, krachtigen +invloed geeft: het moederlijke. Men behoeft niet te verwachten, dat in +zulke gevallen moeders portret nog een menschenleeftijd na haar dood aan +de volwassen kinderen tot steun en opwekking kan wezen. Moeder leeft +niet _na_ haar sterven, omdat ze als moeder eigenlijk ook niet geleefd +heeft _voor_ haar sterven. + + * * * * * + +Het is nu eenmaal zoo: de vrouw wordt niet moeder door het voortbrengen +van kinderen, maar alleen door zich aan die kinderen te geven en blijde +toe te laten, dat de kinderen zich aan haar geven. + +Wie oog heeft voor de schoonheid en de redelijkheid der natuur, moet wel +steeds met bewondering zien naar een zuigend kind aan de moederborst. Ik +weet in geen enkel beeld of feit de verhouding tusschen moeder en kind +mooier en juister uit te drukken. + +Het kind moet gevoed worden. Hoe eenvoudig, en toch hoe wondervol, dat +het kind zelf, alleen door het feit van zijn geboorte, de moederborst +doet zwellen, de melkklieren in werking stelt. De borst groeit uit in +zulk een vorm, dat ze als 't ware naar het kind heen trekt, en de kleine +vlijt zich zoo gemakkelijk in moeders arm, bij het warme, zachte +lichaam, en zuigt. Hoe is het mogelijk, dat moeders, anders dan in nood, +in de plaats van haar malsche, warme, mildvloeiende natuurbronnen de +harde, koude flesch hebben geschoven. Dat is reeds afstand doen van de +moedertaak. Voor niets ter wereld had de vrouw ooit de natuur moeten +verloochenen, hààr natuur, en haar voor de kinderen, en alleen voor de +kinderen gevormde borst mogen vervangen door een flesch met een speen. + +Zooals de moedermelk vanzelf komt met het kind, zoo worden in het +moederhart ook allerlei sentimenten wakker, die slechts gewacht hebben +op de eerste kinderkreten. Een drang tot verzorgen, tot koesteren +openbaart zich, waaraan de jonge moeder slechts heeft te gehoorzamen, om +aanstonds tusschen de kleine en haar het verbroken stoffelijke contact +geestelijk te herstellen. + +Er zijn moeders, die het eigenlijk zonde van haar gaven en talenten +achten, haar zuigelingen te verzorgen. Die kleine wezentjes voeden, +reinigen, wasschen, dat kan een ander even goed en misschien nog beter; +den tijd en de kracht daaraan besteed, kan moeder vruchtbaarder +gebruiken door te schilderen, te musiceeren, te studeeren, geld te +verdienen. Die kindertjes merken toch niet, wie ze behandelt. En later, +als het geestelijk leven ontwikkeld moet worden, is het voor moeder +vroeg genoeg om op te treden. + +Maar wie zoo redeneeren, hebben het mis. Dat zegt reeds haar eigen +moederinstinct, dat haar, ondanks al die schijnware motieven, naar +het kind heen drijft. Een moeder, die haar zuigeling aan vreemden +toevertrouwt, om zelf „nuttiger” dingen te doen, verloochent haar +innigst wezen. Zij voelt dit heel goed, maar laat zich van den weg +brengen door eenzijdig geredeneer. + +Wie het kind wascht, wie het schoone luiers omdoet, wie het voedt, +geeft middelerwijl ook haar gansche persoonlijkheid. In hààr handen, +in hààr stem, in de wijze waarop zij het kind hanteert, toespreekt, +aankijkt, leeft hààr geest, hààr gemoed, hààr liefde. Zoo weeft ze in +haar woorden, in haar liedjes, in haar manieren, in haar geheele zijn +en doen een breede verbinding tusschen het kind en haar, een onzichtbare +navelstreng, waardoor haar geestelijk leven het kind toevloeit. In het +eerste jaar, reeds in de eerste maanden en weken, begint de moedertaak, +omdat dan de moederinvloed begint. En wie dit tijdperk niet telt is als +de man, die de gletscherbeekjes van geen belang acht voor de rivier, +omdat je in die ondiepe, water-arme dingetjes toch niet varen kunt. + + * * * * * + +Een moeder in de huiskamer te midden van een kring kinderen van +verschillenden leeftijd is een compleet landsbestuur: vereenigde +wetgevende en uitvoerende macht. En dan is ze nog veel meer. Eigenlijk +ken ik maar één beeld, dat haar beteekenis juist weergeeft: zij is de +zon van dit kleine wereldje. + +Het is niet noodig, dat ze zich aanhoudend met de kinderen bemoeit. +De zon staat stil en straalt. Zoo kan moeder rustig op haar plaatsje +zitten en door haar tegenwoordigheid licht en warmte brengen in de +huiskamer-atmosfeer. Daarbij groeien de kinderen verstandelijk, maar +vooral zedelijk. + +Moeder preekt niet. Ze verbiedt weinig. Ze geeft het voorbeeld van +welwillendheid, inschikkelijkheid, opoffering, werkzaamheid. Ze stemt +aldus het veelsnarig instrument van het huisgezin. En bij die stille +muziek geniet vader. En onder haar invloed komen ook de dienstboden. + +Ik kan me niet voorstellen, hoe men speciaal de huismoeder een sloof kan +noemen en haar taak als iets minderwaardigs beschouwen. Zeker, het werk +kan haar wel eens over 't hoofd loopen, maar dat overkomt den man ook, +hetzij hij minister is, journalist, koopman of predikant. Wie heeft +echter zijn dagtaak te verrichten in een kring, die zoo rechtstreeks +zijn sympathie heeft, als de moeder? Elk lid van 't gezin behoort haar +als 't ware toe, is een deel van haar zelf. Zij drijft altijd „eigen +zaken”. + +En die zaken zijn van een opwekkende verscheidenheid. Vervelend? Het +huismoederbestaan vervelend en eentonig? Haar leven, altijd zoo binnen +vier muren bekrompen? Maar ieder kind brengt toch zijn eigen aard mee +en daarin zijn eigen behoeften? Een gezin van vier kinderen is al een +rijkdom aan verscheidenheid, voldoende om een geest bezig te houden +en dag aan dag met nieuwe toestanden en verhoudingen en problemen te +boeien. Telkens onder 't opgroeien der kinderen komen er in dezen +kleinen levenden caleidoscoop andere figuren te voorschijn, en eer kan +men zeggen, dat het moeder wel eens te machtig wordt, alweer opnieuw +raad te schaffen en oplossing te bewerken, dan dat ze verdrogen zou door +de doodende eenvormigheid van een uurwerkarbeid. + +Elk kind brengt zijn eigen aard mee en vraagt dienovereenkomstig zijn +eigen behandeling. Vergelijk daarmee het administratieve werk van menige +„zelfstandige” vrouw, die „zich zelf” kan wezen in een „onafhankelijke” +positie buitenshuis. Niemand zal ontkennen, dat ook deze arbeid +geestverfrisschend _kan_ wezen, maar moet daartegenover de taak +der huismoeder geestdoodend zijn? Moeilijk zal men, vrees ik, een +arbeidsveld voor de vrouw vinden, dat zoo alle gaven van geest en gemoed +vordert en ontwikkelt, als het terrein der huiskamer. De kinderen worden +opgevoed door moeder, maar juist hierdoor groeit moeder zelf uit, +ontplooit zij zich. Onze eigenschappen komen alleen te voorschijn, +als ze door het leven worden opgeroepen, en slechts in de practijk +kunnen zij gesterkt en gelouterd worden. Aldus wordt het individu +een persoonlijkheid. En den besten kans op vorming van eigen leven +hebben zij, die dagelijks met anderen hebben te verkeeren bij heel +vertrouwelijken omgang. In dit opzicht is de moeder zeker buitengewoon +begunstigd. Hoe men ooit zulk een positie als iets minderwaardigs kan +beschouwen, is mij een raadsel. + + * * * * * + +„Als ik uit de kleine kinderen ben, krijg ik wat meer tijd,” meent +menige huismoeder. Ik hoop voor haar, dat ze ongelijk heeft. En waar +alles naar behooren gaat, zal de toekomst haar ook in 't ongelijk +stellen. De kinderen worden grooter, maar kunnen moeder nog niet missen. +Ze raadplegen haar bij hoeden en japonnen, bij boorden en dassen. +„Moeder, hoe vindt u, dat die das staat?” vraagt de 18-jarige jongen, +die tien minuten lang voor den spiegel heeft gestaan en tenslotte +zekerheid wil hebben door moeders oordeel. Moeder heeft haar jongen +altijd vrij gelaten in zijn eigen smaak, zich nooit tusschen haar zoon +en zijn das geplaatst—gelijk ze zich ook nooit tusschen hem en zijn +meisje zal dringen: _hij_ moet het weten—maar hiervan is 't gevolg +juist, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders meening heeft +ingewonnen, haar uitspraak heeft vernomen, en zijn vrijheid geniet in +het handelen naar moeders hartewensch. Had zij geboden, hij had zich +verzet. Nu zij, liefdevol meelevend, vrij heeft gelaten, voelt hij zich +aan haar gebonden. + +Het gevolg is, zeiden we, dat de jongen geen rust heeft, eer hij moeders +meening heeft ingewonnen. En hieruit blijkt, dat ook moeder geen rust +krijgt bij 't opgroeien van haar kroost. „Als ik uit de kleine kinderen +ben.....” Jawel, maar een rechtgeaarde moeder komt _uit_ de kleine +kinderen, om _in_ de groote kinderen te zitten. En hebben de kleine haar +handen gebonden—„handenbindertjes” noemt ons volk aardig dat onbeholpen +grut—de groote binden haar hoofd en hart, waar ze bij alles moeders +raad en belangstelling behoeven. + +Een mooi gezicht is een jonge moeder met een kind aan de borst. +Niet minder mooi, de huisvrouw te midden van een kinderschaar. +Dat kleine goed scharrelt wel overal rond, maar als kuikens om de +klokhen. Nauwelijks dreigt er eenig gevaar, van welken aard ook, of +ze zoeken veiligheid onder moeders vleugels. Maar van een eigenaardig +schoon, onopgemerkt door de oppervlakkigheid, doch verrukkelijk voor +scherpziende belangstelling, is de verhouding tusschen de half- en +heel-volwassen kinderen en de moeder. Er is een bizonder humoristisch +element in deze verhouding, dat een glimlach wekt en tegelijk ontroert. + +Zij—de moeder—kan tegen dat groote goed niet meer op. Die jongens, +die meisjes, ze zijn lichamelijk en geestelijk zoo ontwikkeld. De baard +ontspruit, de boezem zwelt. Ze heeten in de buitenwereld heeren en +dames. En ze zijn ook zoo knap. In wis- en natuurkunde zweven ze als +in vliegmachines onzichtbaar hoog boven moeders hoofd, ver uit haar +horizon. „Neen, Moeder, daar weet U nu heelemaal niets van.” En +moeder berust daarin met gelatenheid. Over de nieuwste boeken in de +wereldliteratuur hebben ze haar oordeel. „Neen, Moeder, heusch, dààrin +bent U een beetje ouderwetsch.” En ze zijn ook in maatschappelijke +vraagstukken veel dieper doorgedrongen, dan moeder, die er eigenlijk +nooit in doorgedrongen is, omdat ze nooit een leeraar heeft gehad, +die zijn sociaal-politieke inzichten ontwikkelde voor zijn onrijpe +leerlingen. Ze zijn in alle opzichten moeder de baas: in lichaamskracht, +in kennis, in ontwikkeling, in inzicht. En moeder denkt er het hare van: +die zelfoverschatting is eigen aan dien leeftijd, kom, laat ieder de +dwaasheid van zijn jaren genieten. + +Doch zie nu, als die krachtige, verstandige, inzichtvolle +zelfstandigheden in moeilijkheid komen, in zeer reëele moeilijkheid. +Dan draaien ze om moeder heen, dan zijn ze onrustig, dan verliezen ze +die sterk gevoelde zekerheid, en zijn weer de afhankelijke kinderen +van ouds. Bij moeder schreien ze hun nooden uit, bij haar zoeken ze +troost en voorlichting, al hun zelfstandigheid lost op, waar die met +een verantwoordelijkheid gepaard gaat, die het onervaren hart niet +dragen kan. Het is zoo gemakkelijk te redeneeren, te oordeelen, te +veroordeelen, te phantaseeren, en zoo uiterst moeilijk te leven. In +het redeneeren en phantaseeren, in het oordeelen en veroordeelen, zijn +ze moeder verreweg de meerdere, maar als het op leven aankomt, als de +problemen niet aan het hoofd of de phantasie, doch aan de daad oplossing +vragen, dan moet moeder er bij komen, de onmisbare, en uit den nood +helpen. + +Dat is het humoristische in deze verhouding, dat de waanwijze +zelfstandigheid om uitredding drentelt om de bescheiden hulpvaardigheid +en, na de verlossing, straks toch weer in haar zelfoverschatting +vervalt. Ach, wat hebben juist die ouderen moeder nog dringend noodig! + + * * * * * + +Een moeder is een wezen, dat alle waardeering verdient en zich goedig +moet laten welgevallen, dat alle waardeering haar onthouden wordt. Haar +invloed is zoo weinig tastbaar en meetbaar, dat hij der grove zelfzucht +ontgaat. Maar 't is een moeder niet om waardeering te doen, 't is haar +alleen te doen om moeder te zijn naar den drang van haar instinct. En +ook alleen dan heeft zij succes. + +Principiëel kan niemand moeder zijn. Men is het krachtens natuur en +aanleg. + +Eén der kenmerken der moeder is toewijding, zelfverloochening. Eigenlijk +drukt dit laatste woord nog niet zuiver de bedoelde eigenschap uit. Het +doet nog denken aan opzet, bewustheid, inspanning. Een moeder behoeft +haar zelf niet te verloochenen, omdat ze geen zelf heeft. „Al mijn +égoïsme zijt gij,” laat Hildebrand iemand zeggen. Dat is Moedertaal. Een +moeder bestaat niet, alleen haar kinderen bestaan, en gelijk haar borst +voedingsbron werd voor den zuigeling, werd dit heel haar bestaan +levenslang voor de kinderen. Haar wezen is wijden. + +Zóó is de Moeder. En waar zij zoo is, behoeft zij zich nooit bekommerd +te maken over paedagogiek. Zij brengt paedagogiek voort. Die vloeit uit +haar toegewijd leven. Die roept het kind in haar wakker als moedermelk. +De mannen der wetenschap gaan tot haar en zien haar de paedagogiek af, +die zij, onbewust van haar gave, zoo maar als levensrealiteit +uitstroomt. + +Maar dit geschiedt alleen, als zij waarlijk moeder is. Want er zijn ook +veel onechte moeders, nog veel meer dan „onechte” kinderen. Die willen +leven voor zichzelf, ja, begeeren dat de kinderen voor haar leven, alsof +de zuigeling moeder moest worden. Dit zijn echter geen moeders, alleen +voortbrengsters van kinderen. + +De echte moeder zorgt altijd voor haar kinderen, zelfs nog na haar dood. + +Een zeer goede vriendin schreef mij over de onoverkomelijke +moeilijkheden, om in haar armoede een nieuwe woning te huren; woordelijk +stond in dien brief na het droeve verslag van alle vergeefsche pogingen: +„Verleden week was ik wanhopend, tot ik op een nacht met Moeder bezig +was en ik haar hoorde zeggen: „Kind, verlies den moed maar niet, je komt +er wel weer door.” En toen ik den volgenden dag er op uit trok, vond ik +een woning.” + +Voor de volkomen waarheid hiervan sta ik in, want die vriendin was mijn +zuster, en haar moeder de mijne. Haar brief—zij weet het zelf niet—heb +ik bewaard als een schitterend bewijsstuk van wat een echte moeder +vermag, en wanneer ik dit citaat hier aan de openbaarheid prijs geef, +het is—opdat het alle moeders zal overtuigen van haar buitengewone +beteekenis voor de kinderen, en opwekken tot de heerlijke, gezegende +taak, goede Moeders te zijn. + + + + +V. HEBT GE IETS VOOR UW KIND OVER? + + +Maar dát is een krenkende vraag. + +Zou een moeder, een Moeder, niets over hebben voor haar kind? + +De vraag moge krenkend zijn, misplaatst is ze niet. + +Er zijn toch moeders, die voor haar kind niet eens het zoogen over +hebben. Dat bindt haar te veel. Dat maakt haar ook niet mooier. En dus +nemen ze een min. Kan 't minder? Moeders, die niet eens de melk willen +geven aan 't kind, dat door zijn komst die melk heeft doen vloeien, dat +die melk voor zichzelf heeft bereid. Moeders alzoo, die het kind zijn +rechtmatig eigendom onthouden. + +Stel u eens voor, dat een Vader het kapitaal, dat zijn kind van een +familielid geërfd heeft, niet ten bate van zijn kind beheert, maar +verdonkeremaant. + +Maar die Vader besteelt zijn kind immers en is strafbaar voor de Wet? + +Juist. En de Moeder, die de voedselbron, door de nieuwgeborene geopend +als _zijn_ voedselbron, moedwillig verstopt? Besteelt zij haar kind +wellicht niet? Alleen is zij niet strafbaar voor de Wet. Doch men kan +kwalijk zeggen, dat zij voor haar kind iets over heeft, zij, die begint +met den hulpelooze van zijn recht te berooven. + +Het klinkt hard, maar er zijn honderden en duizenden moeders, die +_niets_ voor haar kind over hebben. Eigen gezondheid ontzien terwille +van het kind? Bezoeken en bezoeksters laten varen ten bate van 't +kind? Concerten en tooneelstukken prijs geven ten behoeve van 't kind? +Maatschappelijke plichten laten rusten ten gerieve van het kind? Niets +van dit alles. Het kind moet dan maar missen, als een van beiden iets +missen zal: missen de gezondheid, de nabijheid, de zorg zijner moeder. +En overgelaten worden aan eenzaamheid en vreemden. Menig kind is in zijn +eigen huis te vondeling gelegd. + + + + +VI. WAARHEID IN DE OPVOEDING. + + +I. + +Wat ik nu ga schrijven, zou ik even goed te boek kunnen brengen, wanneer +ik lid was ener roverbende en daar, wegens ongeschiktheid voor alle +andere en degeliker arbeid, was aangesteld tot rover-pedagoog. + +Doch wat goed is voor rovers en moordenaars, kan toch kwalik worden +aangeprezen voor brave mensen als wij zijn, die op generlei wijze roven +en moorden, die zelfs niet, kwaadsprekend en lasterend, iemands eer +en goede naam stelen, noch simpellik de waarheid smoren om aldus een +mededinger te treffen? + +Hoor eens, we mogen van geldrovers niet slechter denken dan van +eerrovers, en de lijfmoordenaars niet lager stellen dan de zieledoders, +en zulks alleen, omdat de eerste hun plunder- en vernielingswerk +meer in het stoffelike bedrijven en de laatste bij hun gewetenloos +bedrijf slechts nog een beetje huichelachtiger zijn. Dat gaat niet +aan. Ook georganiseerde _dieven_ hebben kinderen, die opgevoed behoren +te worden, d. w. z. naar de gangbare praktijk in de zeer brave kringen +der maatschappij: grootgebracht voor 't geldverzamelen. Ook roversjeugd +heeft leiding nodig. En waarom zou er zulk een reuzenverschil moeten +bestaan tussen de pedagogiek in het door flakkerende flambouwen +verlichte rovershol en die in de koud-wit electries verlichte huiskamer? +Dressuur tot het een of dressuur tot het ander, dressuur is toch +dressuur? + +Evenwel, ik wil erkennen, dat er in de geordende samenleving ook nog wel +mensen voorkomen, die meer op het zedelik heil dan op het maatschappelik +succes van hun kinderen achtgeven, die in de allereerste plaats vragen +hoe ze hun kinderen braaf kunnen maken, en dat zulk een zorg in de +kringen der struikrovers de gemoederen niet bezwaren zal. Maar, ook +bij de aanvaarding van dit verschil in opvoedkundig doel, kunnen we +handhaven de mening, dat een pleidooi voor _waarheid in de opvoeding_ +evenzeer gerechtvaardigd is, zonder bekeringstendenzen, in een rovershol +als in een bedehuis. En hieruit blijkt dan onmiddellik, hoe het +behandelde onderwerp geen pedagogies probleem van de eerste rang is. +Zulk een toch zou geen opgroei tot misdadigheid kunnen gedogen, laat +staan bevorderen. Het zou als onmisbare eis stellen: aankweking tot +deugd. En uit de toepasbaarheid en wenselikheid van de gestelde +opvoedingsregel, onafhankelik van elk opvoedings_doel_, volgt zijn +minderheid in rang, hetgeen niet zeggen wil: zijn minderwaardigheid. +_Waarheid in de opvoeding_ is een opvoedings_middel_, waaromtrent de +meest tegenstrijdige partijen het eens kunnen zijn, die dadelik uiteen +zouden gaan, waar het bijvoorbeeld de vraag gold: Wat _is_ waarheid. +Gelovigen en ongelovigen, materialisten en idealisten, vrijdenkers en +dogmatici, christenen en heidenen, mensenredders en moordenaars—allen +kunnen, voorzover ze aan opvoeding doen, daarin de waarheid als +onmisbaar middel eren en aanwenden. En zo ben ik wel verplicht, bij +voorbaat de verwachting der lezers niet al te hoog te spannen. Dat mooie +woord Waarheid—en de mooie zaak zelve—is misschien, allermisschienst, +nog meer tuis in het hol der beroepsmisdadigers, dan in het hof der +fatsoenlike wereld, en waarborgt dus geenszins Goedheid. + +Nu behoeven we de waarde van dit opvoedingsmiddel echter al weer niet +te miskennen. Ook als we _goede_ mensen willen vormen, is het ons +onmisbaar, en gaarne houden we ons daarom aan de raad van onze wijze +Beets: + + Zoo ge u goede menschen op wilt voeden, + Veins niet. Wie ge ook zijt, wees die ge zijt. + Waar de kinderen een rol vermoeden, + Zijt ge 't spel en al uw invloed kwijt. + Aan wiens blik de waarheid zich onttrekken, + Hoe de leugen zich verbergen moog', + 't Godlijk en het kinderoog + Zullen beide ontdekken. + De eerste deugd is waarheid. Heb dan moed, + Waar te wezen, gij zijt groot en goed. + + * * * * * + +Of de waarheid de eerste deugd is, willen we voorlopig in 't midden +laten, maar dat niet velen „den moed” bezitten, om de roem van „groot +en goed” te zijn te veroveren, dát wordt ons bij een rondblikken in de +wereld, ook in de kleine wereld der huiskamer, al gauw duidelik. Reeds +in haar _gedragingen_ tegenover _kleine kinderen_ missen de meeste +moeders de moed om waar te zijn. 't Klinkt vreemd, maar de volwassen +vrouwen zijn dan _bang_ voor de drie- en vierjarigen. + +Daar is kleine Mientje. Driejarig kindje, is ze haar moeder al te +machtig. 't Is bedtijd, en Moeder wil haar uitkleden. Maar 't kleintje +speelt daar zo prettig en is geheel in haar spel verloren. Nu ziet +Moeder er tegen op, het kind uit haar spel te halen, niet—omdat +ze daarmee een heerlik genot stoort en haar lieveling een ogenblik +ontstemmen moet, maar omdat de kleine dan gaat schreeuwen en zich +verzet. Moeder ziet op tegen het konflikt en zegt met een stem, die, zo +natuurlik mogelik, geen argwaan kan wekken: „Kom eens hier, Mientje, je +jurkje is los, dan zal Moeder het vastmaken.” + +Mientje laat even haar schatten liggen en gaat naar Moeder. Maar +in plaats het jurkje vast te maken, maakt Moeder het juist los, en +onderdehand praat Moeder wat vriendelike woordjes, die de aandacht van +het speelgoed afleiden. 't Gelukt haar aldus, zonder strijd, het meisje +uit te kleden en straks naar bed te brengen, en als 't kindje er goed en +wel in ligt, heeft Moeder een dankbaar, blijmoedig gevoel, dat ze met +zoveel takt—ze noemt dit takt—een huilbui heeft voorkomen. + +Maar verdient die handelwijze nu afkeuring? vraagt iemand verbaasd. Is +het niet juist lief en handig van Moeder, om én het kind én zichzelf wat +narigheid te besparen? Kom, kom, wie dit onwaarheid noemt in Moeders +gedrag, heeft toch alle kijk op het leven en zijn eigenaardige eisen +verloren, en is véél te principiëel. Onwaarheid! Wat een groot woord bij +zulk een luttel geval! + +En toch—het _is_ onwaarheid. Dat voelt Moeder in haar binnenste +heel goed. En al bespeurt het kind van dit bedrog nog niets, het zal in +zijn gevolgen verderfelik blijken. Het typeert de houding, die Moeder +tegenover het kind aanneemt, een houding van om-de-tuin-leiderij, en +daar die houding _voortvloeit uit vrees_, zal ze ook bij ernstige +gevallen en in volgende jaren worden aangenomen, en dan het vertrouwen +van 't kind in Moeder verzwakken. Dit is het fatale, dat Moeder reeds +vroeg het gans natuurlike en volkomen vertrouwen van 't kind verzwakt +in stede van het in toenemende mate te versterken, zodat het ontbreekt, +wanneer het kind, jong meisje geworden, zich geheel aan Moeder behoorde +te geven. + +En Moeder gáát voort op die weg. + +We weten, hoe naar het voor kleine kinderen is, als Moeder 's avonds +uitgaat. Vader, dat hindert niet, als Moeder maar tuis is. Maar Moeder +moet toch wel eens uit, en om nu de gemoedskalmte van 't kleintje +niet te verstoren—of _zichzelf_ enige moeilike ogenblikken te +besparen?—verzwijgt ze haar uitgang en laat het kind in onwetendheid. +Zulke kleine kinderen hebben echter fijne voelhorens. Aan iets ongewoons +in het gedrag van Moeder merken ze, dat er iets dreigt. Een andere +japon, een andere broche, wat vroeger eten, misschien iets onrustigs, +iets haastigs in de bewegingen, een gejaagd bevel aan de dienstbode—'t +is de kleine niet ontgaan en plotseling klinkt de vraag: „U gaat toch +niet uit?” + +„Wel neen, hoe kom je er aan!” + +„O, ik dacht het.” Het kind kan geen rekenschap geven, is zich niet +de gang van haar redenering bewust, maar het heeft de nadering van de +uitgang even stellig gevoeld, als het popelblad de nadering van een +schier onmerkbare luchtstroming. En het beweegt, het trilt. Maar Moeder +herleidt de fijne waarneming—hoe dankbaar moest ze haar opmerken!—tot +inbeelding. Ze lochent het feit en stelt, gelijk ze dat noemt, het kind +gerust. + +We willen hier niet de nadruk leggen op de verwaarlozing van het +ontluikend verstand, waar dit, zuiver waarnemend, moedwillig op een +dwaalspoor wordt geleid. 't Is uitsluitend te doen om de verkrachting +van het zo broodnodige vertrouwen in het jonge zieltje. Straks, als 't +meisje slaapt, zegt Moeder: „Ziezo, ze slaapt rustig” en dan gáát ze +uit, het slapende kind bedriegend. „Ze slaapt.” Dat is Moeder genoeg. +Een slapend kind weet niet en behoeft dus niet geëerd te worden. Maar +dat slapende kind kan wakker worden en om Moeder roepen. En dan? Dan +moet het dienstmeisje komen of een zuster, en die moet zeggen, dat +Moeder tóch uit is. + +„En Moeder had gezegd van neen.” + +„Kom, ga nu maar rustig slapen, dadelik komt Moeder tuis, ze is maar +eventjes een boodschap,” troost de vreemde. + +Het kind schreit. Misschien schreit het ook niet. Wat doet het er toe. +Die tranen zijn gauw gedroogd. Maar héél zeker voelt het, dat Moeder +het bedrogen heeft. Dit gevoel is een gemoedservaring. Het geeft er +zich geen rekenschap van, maar het veroordeelt Moeder. Het laat Moeder +los. En wat nooit langs de weg der redenering in het kleine hoofdje kon +worden gebracht, heeft Moeder door haar daden in 't kleine hart gevoerd: +de overtuiging, dat Moeder niet te vertrouwen en 't kind met zijn noden +dus bij haar _niet_ veilig is. + +Jonge moeders, in domme argeloosheid aldus handelend, weten niet, +hoeveel opvoedingsinvloed zij verspelen in die eerste levensjaren. En +dan durven ze later nog te klagen, dat de kinderen met hun belangen naar +vreemden gaan! + +Er zijn erger en ernstiger gevallen dan de geschetste, ofschoon hier de +onderscheiding van erg en erger eigenlik niet bestaat, daar ze alle, +principiëel, even ernstig zijn: bedriegen van 't vertrouwende kind. Maar +de omstandigheden kunnen het ene geval aangrijpender maken dan het +andere. + +Een klein meisje moest voor een operatie naar 't ziekenhuis. De moeder +bracht haar weg, maar verzweeg het doel van 't bezoek. Ze gingen maar +eens een visite maken bij een kennis daar, en dus stapte het kind vrolik +mee naar en in 't grote gebouw. Was dat nu niet wijs van die moeder? Nu +had het kind toch helemaal geen angst gekend! + +Een verpleegster begreep al spoedig, dat Moeder het kind iets had wijs +gemaakt, en nam het patiëntje over. Maar hoe moest Moeder nu met goed +fatsoen wegkomen? Het kind zo maar alleen achter laten? O, dit zou veel +te vreeselik zijn voor——'t arme kind. Tenminste, dit dacht Moeder. +Wellicht zag Moeder tegen zulk een afscheid echter nog meer op voor +zichzelf. Zulke moeders „kunnen nooit een kind zien lijden” en bewijzen +daarmee een overgrote teerheid voor—zichzelf. + +Het beste was dus, dat Moeder even koekjes ging kopen. Dan zou ze gauw +terugkomen. En inmiddels zou 't kindje even bij die lieve juffrouw +blijven. + +En Moeder ging weg, het huis uit, de straat op, koekjes kopen. + +Het kind bleef alleen achter, wachtende, wachtende, of Moeder terugkwam +met de koekjes. + +De verpleegster moest het ontkleden, naar de dokter brengen, op de +operatie-tafel leggen. + +Waar bleef Moeder met de koekjes? + +Angstig dwaalden de oogjes rond. Ze zochten Moeder. + +O, we weten het, Moeders kunnen niet bij een operatie zijn. Dát spreekt +vanzelf. Maar moeten ze zo, met leugens het kind paaiend, zichzelf +ontzien? + +Het heet alles in 't belang der kinderen, wanneer moeders ze in allerlei +min of meer ernstige en zelfs in heel onschuldige gevallen met een +leugentje geruststellen. Maar ik geloof dit niet. Ze liegen, om +zich-zelf uit de moeilikheid te redden, uit gemakzucht en eigenliefde. + + * * * * * + +Hoe had dan in al deze gevallen gehandeld moeten worden? + +Toen het voor kleine Mientje tijd was, om naar bed te gaan, had Moeder +moeten zeggen: „Kom, lieve Mien, nu zullen we de poppen eens naar bed +brengen, want Mientje moet ook gaan slapen.” Of als ze winkeltje +speelde: „Nu moeten we de winkel sluiten, want de mensen gaan naar bed.” + +Men behoeft de waarheid juist niet onaangenaam te zeggen. In de eerste +plaats al niet, omdat ze niet altijd onaangenaam is, ook al schijnt ze +dit. Het naar bed moeten schijnt onaangenaam voor kinderen, die volop +genieten van hun spel, maar 't behoeft dit niet te wezen. Buitengewoon +veel hangt er van af, hoe de moeder, van jongs af, dit verwisselen van +spel met slaap heeft „gestemd”. Er zijn moeders, die het in 't spel +der kinderen hebben opgenomen, zodat de kinderen het zelfs een pretje +vinden, zichzelf uit te kleden—zichzelf!—„zelf” hun kleertjes op te +vouwen en neer te leggen of uit te hangen, en dan „zelf” in bed te +klauteren. Het is verwonderlik, hoe alleen reeds dit „zelf” mogen doen +de plicht tot een genot kan maken. + +Een jonge moeder schreef me: „Wanneer ik iets van mijn kinderen (7 en 4 +jaar) gedaan wil hebben, wat ik weet dat ze naar vinden, geef ik geen +bepaald gebod, maar kleed 't als een spelletje in, fantaseer er een +klein verhaaltje omheen. Zo b.v. wanneer de kroes melk leeggedronken +moet worden, is die kroes de electriese tram van Amsterdam naar +Zandvoort. Soms is 't een „sneltrein”, soms stopt hij te Sloterdijk, +Halfweg en Haarlem.” + +Ziedaar—dit is pedagogiek van de hoogste rang. Die vloeit uit het +moederhart, evenals de melk uit de moederborst. + +Maar nu schrijft deze moeder er nog bij: „Nu wordt mij vaak de opmerking +gemaakt: dat moet je niet doen, je moet je kortweg laten gehoorzamen, +niet door omwegen.” + +Ik denk, dat deze opmerksters haar eigen zuigelingen zuurkool met spek +te eten geven. En als ze „Onze lieve Heer” waren geweest, hadden ze het +bevruchtingsproces zeker nooit ingeleid met kleurige bloemen, maar +kortweg uit het hout een vrucht doen uitpuilen, zo'n bruin uitwas. +Waartoe al die omwegen? + +Men verwarre toch niet waarheid met kilheid, en verbeelding met leugen. +De leugen zit nooit in de vorm, maar altijd in het wezen. Toen Moeder +Mientje tot zich riep, om het jurkje vast te maken, bracht Moeder +het kind in de waan, dat ze aangekleed werd, en ze werd uitgekleed. +Moeder stuurde het gedachteleven van het kind in een richting, precies +tegengesteld aan de richting der werkelikheid. Dat moet tenslotte op +ontnuchtering en wantrouwen uitlopen. Maar als Moeder gezegd had: „Ik +hoor boven een ledikantje piepen en dat vraagt: waar blijft mijn lieve +Mientje? En ik hoor een kussentje fluisteren: Ik ben zo alleen, waar +blijft mijn lieve Mientje?” dan had zij de gedachten van het kind in de +lijn der werkelikheid gebracht en 't kindje _niet_ bedrogen; dan had ze +de roepstemmen van de plicht tot zonnestraaltjes gemaakt, zoals onze +Vader in de hemelen dat ook doet, als hij de wereld tot werkzaamheid +aanzet. + +Ik geloof héél zeker, dat Moeders—die zich waarachtig aan het wezenlik +heil hunner kinderen wijden—zuivere pedagogiek „voortbrengen”. +Zodra een kind geboren is, beginnen bij Moeder de melkklieren het +voedingsvocht af te scheiden. Niet vroeger, niet later, maar juist op +tijd. Zo geloof ik ook, dat Moeders een geheim soort „opvoedingsklieren” +hebben—de Wetenschap zal ze nog wel eens ontdekken, net zo goed als +het lang onbekende evenwichts-orgaan—en dat deze hun geestelike melk +afscheiden, zodra de geest van het kind erom vraagt. De weg wordt Moeder +gewezen door haar zuiver Moederinstinkt—als ze maar echt van het kind +houdt. Men hore dit evenwel goed: van het _kind_. Niet van zichzelf. +Moeders, die een uitgang verkiezen boven de gemoedsrust van haar +kind—dat zijn de echte niet. Zij hebben ons omtrent de opvoeding +niets te leren. Zij scheiden geen pedagogiek af. En als ze toch met +beginselen—mijn hemel, met beginselen! alsof de beginselen, de +beginnen, niet even geheimzinnig verborgen waren, als het begin der +wereld!—als ze dan toch met beginselen aan het redeneren trekken, denk +ik: altemaal denkweefsels, om uw naaktheid te dekken. + + * * * * * + +Verre intussen van mij, te menen, dat alles met zachtheid móét +geschieden. Wanneer Mientje—reeds bedorven door toegevendheid—Moeder +laat aanpraten, acht ik het veel beter, dat Moeder er haar rust en de +huiselike vrede en zelfs een burengerucht aan waagt, dan dat ze zich +niet gehoorzamen laat. Want ongehoorzaamheid is misschien wel de +grootste fout. Laat Mientje maar schreeuwen, desnoods het huis bij +elkaar, maar als Moeder zegt: naar bed, dan moet ze naar bed. Daar helpt +geen lievemoederen aan. Niet Mientje, maar Moeder moet de baas blijven. + +Het blijkt telkens nodig, dit nadrukkelik te verklaren, omdat de +mensen zachtheid en wijsheid steeds weer verwarren met toegevendheid en +slapheid. Doch men kan de baas blijven zonder al die strijd, volgens de +oude leer: Fortiter in re, suaviter in modo: wees sterk in de zaak, wees +zacht in de manier. En een der eisen voor die zachtheid is, dat men zich +richt naar de geestes- en gemoedsgesteldheid van hen, die geleid moeten +worden. Dat sluit geen bedrog in en geen waarheid uit. + +De moeder, die uitging en haar kind bedroog, deed absoluut verkeerd. Dan +nog beter de andere, die kort en goed zegt, dat ze uitgaat en dat het +kind daar niets tegen te reclameren heeft. Dan weet het kind tenminste, +waaraan zich te houden. Maar er is ook een derde houding mogelik: de +waarheid zeggen zonder het kind pijn te doen, zelfs met de willige +medewerking van 't kind te winnen. En van deze derde houding bezitten +sommige moeders het heerlike geheim, dat haar zo maar zonder pedagogiese +voorlichting geopenbaard is. + +Moeder brengt zelf het meisje naar bed, en zegt: „Moesje moet vanavond +uit. Zul je rustig blijven slapen?” + +„Hè Moeder, moet u uit?” klinkt het teleurstellend. „Waar naartoe?” + +En nu vertelt Moeder de hele geschiedenis, ook of ze 't prettig vindt of +niet, ook of Vader meegaat, ook hoe laat ze vertrekt en of ze gaat +wandelen dan wel per tram of rijtuig—ze vertelt alles tot op een +haartje, zodat het kleintje de hele uitgang volgen kan. + +„En hoe laat komt u terug?” + +„Dat weet ik nog niet precies. Misschien om tien uur, misschien wordt +het wel elf.” + +„Komt u me dan nog even toedekken?” + +„Ja hoor, dan kom ik je nog even toestoppen. Nu, nacht schatje!” + +„Nacht Moeder!” + +„Zul je lekker slapen?” + +„Ja Moeder!” + +En 't kind legt haar hoofdje rustig neer, zeker omtrent de naaste +toekomst, zeker—ook in haar slaap. En Moeder gaat rustig uit, ook zeker +dat haar lieveling rustig zal inslapen en niet verdrietig worden kan +door een vergeefs roepen om Moeder, als ze eens door een nare droom +onrustig mocht ontwaken. + +Bedenken de moeders van het leugentje wel, wat het _is_ voor een kind, +wakker te worden, om Moeder te roepen, een ander gezicht te zien, en te +ervaren, dat Moeder het bedrogen heeft? En zij die voorzichtigheidshalve +zwijgen, weten zij wel de rust die van het spreken uitgaat? Zij vrezen +door inlichting de rust van 't kind te verstoren. Juist omgekeerd. Mits +zij heel vroeg begonnen zijn, het kind in te lichten omtrent alles wat +het rechtstreeks betrof, en hiermee trouw zijn voortgegaan, zullen ze +ondervinden, hoe dit vertrouwen _in_ het kind wordt beantwoord door +vertrouwen _van_ het kind, en hoe hieruit voortvloeit een trouwhartig, +eerlik samenwerken, waarbij de kleine volstrekt niet in offervaardigheid +behoeft achter te staan bij de grote. Ach, men kent de kinderen niet. +Vaak valt op hen veel vaster te rekenen dan op volwassenen. Mits men +niet begonnen is met hun naief vertrouwen al vroegtijdig te vergiftigen. + + * * * * * + +Moelik, uiterst moeilik kan het vallen, een kind, dat ter operatie naar +een ziekenhuis moet, eerlik de waarheid te zeggen. En toch, ons gemoed +komt er tegen in opstand, wanneer een moeder, een Moeder, zich met +koekjes-koperij aan haar liefdetaak onttrekt. Wie kan het kind in nood +en dood meer—ik zeg niet practiese hulp, maar meer zedelike bijstand +verlenen, dan de vrouw, die dag aan dag, van de geboorte af, met het +kind heeft meegeleefd en met wie het innig vertrouwd is? Moeders +nabijheid is dan, juist dán, kracht voor de kleine. En die kracht +onthoudt de Moeder haar kind uit teergevoeligheid voor zichzelf. + +Hoe geheel anders kan de Moederliefde handelen, als ze echt is en niet, +naar Paulus' woord, zichzelf zoekt. + +Het was een jongetje van negen jaar. Plotseling kreeg het kind hevige +koortsen, meer dan veertig graden hoog. De dokter kwam, achtte +darmontsteking mogelik, oordeelde onderzoek in een ziekenhuis +noodzakelik. + +„Wat zegt de dokter, Moeder?” + +„De dokter denkt, dat het blindedarm-ontsteking is.” + +„En wat wil hij nu?” + +„Hij wil je doen opereren in het ziekenhuis.” + +„Laten we dan maar dadelik gaan, Moeder.” + +Het werd gezegd met dat hoge, strakke stemmetje, dat Moeders wel kennen, +die bij 't ziekbed van een kind hebben gezeten, met dat schijn-opgewekte +koorts-stemmetje. En Moeder deed een rijtuig voorkomen, wikkelde haar +jongen in een wollen deken. + +„Mag ik mijn fluit meenemen, Moeder?” + +„Zeker.” + +En hij nam zijn fluit mee, die hem ook in bed steeds verzelde. + +De pleegzuster legde hem in zijn bedje. + +Toen móést Moeder weg. + +„Zuster,” zei het kind, „u hoeft niet in de kamer te blijven. Als ik u +nodig heb, zal ik wel fluiten. Want ik heb mijn fluit bij me. Kijk u +maar.” + +Moeder móést weg. Maar ze ging naar de wachtkamer, en bleef daar wachten +één, twee uur, al maar wachten—totdat ze eindelik geroepen werd, en +horen moest, dat het hopeloos was. + +Toen barstte ze niet in wanhoopsklachten uit. Ze dacht alleen aan haar +kind. + +Ze zette zich aan 't bedje, hield het hete handje vast, koelde het +gloeiende hoofdje, en kalmeerde haar ijlende lieveling met vriendelike +woordjes, leidde het dwalende geestje. + +Zo bleef ze de hele nacht waken, zichzelf geheel vergetende, geheel +gevende, niet als een offer, maar als een zaligheid, dat ze bij haar +kind mocht blijven, zijn gezichtje zien, zijn stemmetje horen. + + * * * * * + +Toen het kind in de morgen stierf, legde ze het handje neer. + +En toen pas ging ze heen. + + * * * * * + +Deze moeder had haar kinderen met Waarheid opgevoed. Ze had hen niet +alleen met het leven, maar ook met het sterven vertrouwd gemaakt. +Behoort de dood niet bij het leven? En ze heeft er rijkelik haar +loon voor gekregen: van hen die nog leven dag aan dag een volkómen +vertrouwen, en van de teer-sterke knaap die heengegaan is: een +wondervolle zelfstandigheid in uren, dat de krachtige man bezwijkt. + + +II. + +In hun _gedragingen_ tegenover de kinderen dienen de ouders waarheid te +betrachten, en dit beginne al bij de wieg. Wie een zuigeling bedriegt, +ent hem in met wantrouwen. + +Aleer we nu willen nagaan, hoe het opgroeiend kind, dat met andere +kinderen en volwassenen in aanraking, in wrijving, in strijd komt, over +die anderen en zichzelf met waarheid moet leren _oordelen_, is het +nodig, tegen een algemeen voorkomende fout te waarschuwen, juist omdat +die fout in het oog der waarheidsliefde een deugd lijkt. + +Het verkeer van kinderen onderling brengt botsingen mee—dit kan niet +anders. Vele opvoeders menen nu goed te doen, wanneer ze deze botsingen +altijd heel ernstig behandelen om daarbij—alsof ieder nesterijtje een +Dreyfuszaak was—de waarheid te doen zegevieren. Onze grootouders +maakten van die kinderkibbelarijen niet zo'n drukte. Ze zeiden, heel +kalmpjes: „Laat maar stil doodbloeden.” En ze hadden gelijk. + +Hoe zorgvuldiger men een geschil behandelt—gelijk een wond, die men +reinigt en verbindt—hoe „gevoeliger” het wordt. Laat het maar +onverzorgd, zodat het bloed er gans en al uit wegvloeit. Dan bloedt het +vanzelf dood. + +Wat konden onze voorouders dat toch wijs en tekenachtig zeggen. Ze +verzorgden die konflikten, door ze onverzorgd te laten. Wij doen ze +uitgroeien, door overmaat aan gewichtigheid. En dit geldt zelfs bij +geschillen tussen volwassenen, die—schrijver dezes ingesloten—toch +niet meer dan grote kinderen zijn. + +Er zijn mensen te over, ernstige, brave, waarheidlievende, diepzinnige +mensen, die ieder geschil door redenering willen oplossen, anders—zo +zeggen ze—blijft er toch wat zitten. Daarom pluizen ze hun +geschilpunten uit, geven er hun beschouwingen bij, ontdekken telkens +nieuwe elementen, wroeten in de aard van hun tegenpartij, en hebben +ten slotte gelijk. Met deze metode bereiken ze echter precies het +tegengestelde gevolg, van wat ze heetten te beogen. In plaats van het +geschil op te lossen, wordt het door de ontleding in zijn bestanddelen, +door de blootlegging van zijn finesses, steeds scherper, helderder, +bewuster. Het bloedt niet dood, maar leeft op. En dank zij de +zorgvuldige behandeling, groeit het uit tot een diepgaande vete. + +Er zijn ook mensen—oppervlakkige naturen!—die hun geschillen niet +uitredeneren, maar afzoenen. „Kom, geef me maar een hand, en laten we 't +vergeten en vergeven.” Deze oppervlakkigen konden echter wel eens véél +dieper zien, dan de anderen. Zij konden wel eens begrijpen, dat er bij +die geschillen ook psychiese faktoren in 't spel zijn, die zich niet in +een redenering laten omzetten, gevoelens, die misschien redeloos, maar +in elk geval onberedeneerbaar zijn. Ze konden wel eens instinktief +weten, dat juist bij de redenering de fijnste, de verborgenste +grootheden buiten bereik blijven en haar afwezigheid de hele konklusie +vals maakt; dat juist in die onmeet- en zelfs voor velen onmerkbare +grootheden de werkzaamste faktoren aan het analyserend verstand ontgaan. + +Geschillen tussen echtgenoten over wederzijdse familie—geen +zeldzaamheden—worden nooit door redenering opgelost. Het bloed kruipt, +waar het niet kan gaan, en de scherpe kritiek der ene partij, al is ze +juist, roept in de andere partij gevoelens wakker, die zich verzetten +tegen een toch altijd eenzijdige beoordeling: het scherpziend is +meestal ook een voorbijziend verstand. + +Twisten tussen onderwijzers en ouders over de kinderen lopen nooit +bevredigend af. Die moeder voelt heel iets anders dan de onderwijzer, en +beiden redeneren voortdurend langs malkaar heen, ieder zijn eigen rails +volgend. + +In al zulke gevallen doet men beter, een geschilpunt los te laten en +over te geven—hetgeen niet zeggen wil: de tegenpartij naar de mond te +praten. Dan zal, wanneer de gemoedsrust teruggekeerd is, ervaring +bewerken, wat ons opdringend betogen juist tegenhield. Polemiseren +concentreert eenzijdig alle licht op één punt, en maakt daardoor de +juiste kijk op het geheel onmogelik. + +Wanneer dit waar blijkt bij volwassenen, is het ons toch een +waarschuwing, om de geschilletjes tussen kinderen niet te vertroebelen +door onze helderheid. Ga niet als een Hof van Arbitrage hun kleine +kibbelarijen behandelen. We zijn toch ook niet zo dom, de zwevende +wolkjes te fixeren, die een ogenblik de zon verduisteren. Een beetje +wind, wat regen, en de wolkjes zijn weg, de zon schijnt weer. Laat er +desnoods een moment tumult zijn in de kinderkring, laat er wat tranen +vloeien, dat geeft opluchting. Wat zegt ons volk dat weer prachtig: het +lucht op! Maar het redeneerzieke principe wil niet van zo'n opluchting +weten. Nu, laat het zich, in zijn _grondigheid_, dan aan de grond vast +redeneren! + +Een kind holt, op de speelplaats, midden uit zijn spel naar de +onderwijzeres, en roept, de vinger omhoog: „Juffrouw, Willem trekt +aldoor aan ons touw!” + +„O!” zegt de juffrouw. „Zeg maar, dat hij het _niet_ doen mag, hoor!” En +in dat _niet_ legt ze al het gewicht van haar persoontje. + +Bevredigd holt de aanklager weg, en twee minuten later speelt hij met +Willem, is de touwtrekkerij glad vergeten. + +Dat had een Hof van Arbitrage nooit bewerkt. + +Dit houdt geen rekening met de vluchtigheid der stemming. En stemming +is, in haar snelle vergankelikheid, machtiger dan zichtbaar feit. + +Het Hof rekent met feiten. Het leven met stemmingen. + +En daarom—echtgenoten—zoent uw geschillen af. + + * * * * * + +Dus moeten we onrecht onrecht laten en de bedeesde kinderen onbeschermd +doen overheersen door de brutale? + +Dit is ook weer de bedoeling niet. + +Wanneer in een gezin of een klas enkele kinderen met harde, +brutale zelfzucht de baas spelen over anderen, gaat het niet aan de +gerechtvaardigde klachten terug te wijzen. Een volwassen vrouw vertelde +me eens, hoe haar gehele jeugd bedorven was door de meedogenloze, +onbeschaamde baasspelerij van een nog wel jonger zusje. Wanneer er dan +dientengevolge twist ontstond tussen de kinderen, twist die alleen +ontstaan was door de aanmatigende dwingelandij van die ene, werd deze +niet door de ouderlike macht binnen de perken gehouden, maar heette +het altijd: Waar twee kijven, hebben beiden schuld, en werden, zonder +onderzoek, de kinderen, soms nog wel met klappen, in hun verward +wereldje terug geworpen. Dat was dan een triomf voor de brutaliteit, +die natuurlik voortging met de vrijheid en de vreugde der anderen te +verstoren. + +In zulke gevallen hebben de volwassenen tot dure en onafgebroken plicht, +de brutaliteit der baasspelerij aan banden te leggen, de broertjes +en zusjes te beschermen. Dit moet nadrukkelik gezegd worden, omdat +gemakzucht en ook vrees menigmaal de ouders weerhouden tegen die +baasspelerij op te treden. Vader en Moeder—het klinkt vreemd, maar ze +durven dat kind niet aan. En wanneer ze, in een driftvlaag, al eens hun +macht ontwikkelen, er wordt hier een aanhoudende waakzaamheid, een +onverzwakte spanning vereist, en daartoe zijn ze in staat noch bereid. +Zo worden de alledaagse kinderen de dupe der taaie tirannieke natuur. Zo +wordt het heerlikste levenstijdperk onherstelbaar bedorven. Ieder kind +heeft maar één jeugd. Laten we die gebruiken, maar toch ook ontzien. + +Evenwel, jeugd verdedigen en beschermen tegen harde aanmatiging is nog +iets anders dan van ieder kibbelarijtje een gewichtigheid maken. Het een +en het ander te onderscheiden zij ieders wijsheid overgelaten. We willen +nu met ons onderwerp voortgaan en overwegen, in hoever de _waarheid_ +ontzien moet worden bij het _oordelen_ onzer kinderen over andere +kinderen en volwassenen. + +Er zijn mensen, die van zulk oordelen in 't geheel niet willen weten. +Het past kinderen niet te oordelen over hun ouders en onderwijzers zo +heet het dan. Zij hebben te zwijgen en te luisteren. + +Dit heeft mij altijd heel zonderling in de oren geklonken. Ik meende +altijd, dat ontwakend verstand zich juist door waarnemen en oordelen +kenmerkte en dat we dit ongepaste dus als gunstige verschijnselen +moesten begroeten. + +Zo kan men wel zeggen: Het past kinderen niet, op te merken. Maar ze +hebben nu eenmaal ogen, en die gebruiken ze. Die ogen schijnen daarbij +met hersenen in verband te staan en die gebruiken ze ook. Wie dat +opmerken niet wenst, moet dan maar bidden, dat Onze lieve Heer zijn kind +blind maakt, en wie het denken en oordelen niet begeert, moet eigenlik +verdrietig zijn, dat zijn kind niet idioot is. + +Opmerken en oordelen behoort bij het uitbottend geestesleven, en dat +kinderen, die met andere kinderen en ook met volwassenen omgaan, d. w. +z. met hen vaak in wrijving komen, daarbij de wezenlike of vermeende +fouten dier volwassenen zien en zich hieraan stoten, spreekt zo vanzelf, +dat we—wel verre van dit te willen smoren, het met blijdschap moeten +constateren, en er rekening mee houden. + +Met smoren komt men er niet. Men verstikt het oordeel niet en ook niet +de uiting. Het normale verstand blijft werken, al menen wij met ons +gebod de geestelike machine te hebben stop gezet. En waar we in onze +tegenwoordigheid de uiting niet dulden, daar zal deze haar weg zoeken +buiten onze tegenwoordigheid. Wat, in heerlike openhartigheid, ons werd +meegedeeld, wordt nu aan vriendjes verteld: „Het hart wil een klager +hebben.” + +Onbegrijpelik is de struisvogeldomheid van zulke het-zwijgen-opleggende +ouders en onderwijzers. Ze moesten toch uit hun jeugd weten, dat +kinderen spreken _moeten_, en dat de woorden, die het oor der opvoeders +gesloten vinden, daarom niet ongesproken blijven. Die woorden worden nu +alleen tot anderen gericht en dragen daarbij meteen het vertrouwen aan +die anderen over. Weten de ouders aan wie? Zijn ze ervan overtuigd, dat +die vertrouwden het beter met hun kind bedoelen, dan zijzelf? + +Laat uw kinderen hun hele hart uitzeggen, _tegenover u_. Ook hun +onbarmhartige kritiek op kameraadjes, onderwijzers, dominees, op—uzelf. + + * * * * * + +Het eerste voordeel dier openhartigheid is, dat de kinderen bij u +blijven. Het tweede, dat ge ze leert kennen, gelijk ze zijn, en niet +zoals ze zich uit eerbied voor uw gezag behoren te huichelen. Het derde, +dat ge nu, door uw rijper en milder oordeel, invloed op het hunne kunt +oefenen. + +Wanneer een kind in een geschil met een ander kind of met een +volwassene—dienstbode, onderwijzer, familielid—ongelijk heeft, +moet dit zonder beperking door de ouders worden gezegd. Dit is niet +steeds gemakkelik. Vooreerst al niet, omdat het kind een partijdige +voorstelling van de zaak geeft: zijn eigenbelang, zijn bewogen gemoed +benevelden de zuivere kijk op het geval, en niet uit leugenachtigheid, +niet in welbewuste bedriegerij, maar door onvoldoende kennis en verkeerd +voelen zag het de feiten onjuist en gaf ze onjuist terug. Wie in zulke +gevallen, beter wetende, het kind toevoegt: _Je liegt_, doet het +onrecht. Het kind liegt niet, het zegt _zijn_ waarheid, en 't kan niet +helpen, dat deze een valse weerspiegeling van de werkelikheid geeft. +Ouders, het kind kennende, altans behorende te kennen, dienen dan beter +te weten en de ogen van 't kind te openen voor zijn ongelijk. + +Maar, en dit is het tweede en veel grootere bezwaar, vele ouders zijn +al even verblind als het kind zelf. Waar het hun eigen kroost betreft, +zijn ze onmiddellik geneigd, dit gelijk te geven. 't Gaat ook al weer +onopzettelik, doch dit maakt het bijna te erger—niet in zedelike, +maar in verstandelike zin. Ze kunnen van hun kind geen kwaad horen, +omdat ze er geen kwaad van kunnen geloven. Vooral moeders zijn in dit +opzicht merkwaardig—ik zeg niet onwillig, maar onmachtig. Ons aller +zelfverblinding, waar het eigen gebreken betreft, wordt schitterend +overtroffen door de verblinding der moeders, waar het haar kinderen +geldt. + +Men moet de waarde dezer verblinding niet onderschatten. Inderdaad—hoe +vreemd het menigeen toeschijne—deze in de natuur der mensen liggende +onmacht, om zichzelf en de geliefde personen te zien gelijk ze zijn, +heeft grote waarde. Ze houdt het geloof, het vertrouwen staande in het +goede der menselike natuur. Zolang iemand nog in ons gelooft, zijn +we niet verloren. Dit geloof, ook waar het ongegrond schijnt, roept +verantwoordelikheden wakker, en deze weer alle nog beschikbare krachten +ter opheffing uit een gezonken staat. Alléén door in misdadigers te +geloven, redde Jezus hen. Bij Hem ging dit niet gepaard met blindheid +voor hun zonden. Hij zag het kwade—én het goede. Doch ook waar moeders +het kwade niet zien—ongetwijfeld een fout!—is toch het geloof in het +goede een deugd, een onmisbare faktor in hun opvoedingstaak. Hoe zouden +ze kunnen verbeteren, waar ze het goede niet onderstelden? + +Die verblinding der ouders mag ons dus niet ergeren, al moeten we +beproeven, deze sluier weg te nemen, zonder het geloof in de aanleg +tot verbetering te verzwakken. Slagen we hierin, en zien de ouders +hun kinderen zoals ze zijn, dan reikt de ouderlike invloed nog veel +verder. Dan kunnen ze hun kinderen tot _zelfontdekking_ brengen, een +der moeilikste, maar nodigste vermogens. En dan beschikt de opvoeding, +ook de zelfopvoeding, over een der werkzaamste krachten. Naast geloof +in eigen louteringsvatbaarheid, is er nodig: zelfkennis, echte, +onvertroebelde, exacte zelfkennis. Het klassieke voorbeeld van de +profeet Nathan hebben we daarom na te volgen: eerst het oog openen voor +de realiteit en de lelikheid van het gepleegde kwaad, en daarna het +onweerspreekbaar, verpletterende, maar in zijn verplettering reddende: +_Gij_ zijt die man! + + * * * * * + +Moeiliker wordt het, wanneer de kinderen in hun geschillen gelijk +hebben en wanneer dit dan is tegenover volwassenen, die in hun positie +gezag en moraliteit vertegenwoordigen: onderwijzers, predikanten. Dienen +we dan de ouderen zogenoemd te handhaven en de jongeren de mond te +snoeren? Nooit! Er is maar één ding te handhaven en hoog te houden: +de Waarheid. Wie haar verkracht, verkracht ook de zedelike natuur der +kinderen. Wie haar eert, voedt zijn kinderen op. + +De schromelike dwaling is echter weer, dat men meent door het eren der +waarheid de eerbied voor personen te kort te doen en hun zogenoemd gezag +te ondermijnen. Kinderen moeten in hun opvoeders een soort heiligen +zien, zo meent men. Vader kan geen fouten hebben. Wat Vader doet, is +goed, _omdat_ Vader het doet. In Vader is de deugd belichaamd, zijn +leven is de zichtbare norm voor der kinderen zedelik streven. + +Ik acht dit gewoonweg onzin. Indien Vader wezenlik zo'n heilige is—we +willen het echter voor de kinderen niet hopen—welnu, laat de kinderen +hem dan aanbidden. Gelukkig evenwel is er in de meeste gezinnen niet +veel kans op. En zo kunnen de kinderen daar niet alleen zijn gewoon +menselike fouten zien, maar ook gadeslaan—wat een prachtige gelegenheid +voor zijn opvoedkundige theorieën!—hoe hij deze bestrijdt. Dan leren +de kleinen zeker nog meer van zijn worstelend overwinnen, wat ook hún +roeping is, dan van zijn ongerepte heiligheid, die ze toch niet kunnen +bereiken en die eenmaal, ook voor hun oog, ontmaskerd zal worden. + +Laat de kinderen veilig weten, dat de volwassenen gebreken hebben, waar +ze die gebreken met eigen ogen zien en aan eigen stemming ervaren. En +haasten we ons, die gebreken te erkennen, wanneer de kinderen er de dupe +van zijn geworden, en zelfs, waar ze die alleen maar hebben opgemerkt. +Doch—laten we het bij die erkenning niet doen blijven! Er is dan, juist +dan, nog iets meer te doen. + +Kinderen zijn in de hoogste mate onbillik in hun oordeel. Dit is +echter niet te wijten aan een zekere hardheid of aan een tekort aan +rechtvaardigheidsgevoel, maar aan onwetendheid. Zij hebben, door hun +gebrek aan levenservaring, niet genoeg kennis van het innerlik leven der +volwassenen, leggen daardoor veel te weinig gegevens in de schaal, en +hierdoor worden we bij hun wegerijen te licht bevonden. Een dergelijke +onzuivere gewichtsbepaling merken we op, wanneer volwassenen malkander +wegen. Mevrouwen en dienstboden beoordelen malkander gewoonlik onjuist, +officieren en soldaten, gehuwden en ongehuwden, ouders en kinderlozen, +zelfs mannen en vrouwen. De een kent het werk, het leven, de moeiten +van de ander niet, en nu ligt het in de menselike natuur die altijd te +onderschatten. Eigen taak voelen we zwaar en gewichtig—geen wonder, +die hebben we ook te vervullen. De taak van de ander tellen we licht. +Waarlik, in dit opzicht zijn we vaak niets beter dan de kinderen. Ook +wij voelen andermans druk niet op onze eigen schouders en zijn in ons +oordeel onrechtvaardig uit domheid. + +We moeten leren, ons in anderen te verplaatsen. En dit moeten we ook +onze kinderen leren. Bedrieg ze niet met schijn, ontzeg ze ook niet het +recht tot oordelen. Maar leer ze, wanneer ze een deel der werkelikheid +zien, de _volle_ werkelikheid zien. Dan zal hun ergernis vaak veranderen +in medelijden, hun kritiek in waardering, en veroordeling plaats maken +voor zelfbeschaming. + + * * * * * + +Een onderwijzer heeft een kind in drift een ruw woord toegevoegd of +zelfs een klap gegeven. Het kind klaagt er tuis over, 't voelt zich +onbillik behandeld. + +Leg het nu niet het zwijgen op; zeg niet, dat het met die +„kletspraatjes” niet moet aankomen; beslis ook niet zonder onderzoek: +„dan zul je 't wel verdiend hebben.” Laat het kind uitpraten en, als het +in 't algemeen geloofwaardig is, geef het dan gelijk in zijn klacht en +keur met hem die handelwijze af. Zeg gerust: „dat had meneer niet moeten +doen, dat is verkeerd van hem.” Ge zult eens zien, wat dat het kind een +kalmte geeft, en hoe het daarna gaarne bereid is, met u te zoeken naar +een verklaring, een verontschuldiging van die uitval. Meneer heeft de +avond te voren nog laat zitten studeren, hij moet gauw een examen doen, +hij is wat moe; hij had hoofdpijn; zijn vrouw, zijn kind was ziek, +hij heeft een deel van de nacht gewaakt; hij is teleurgesteld in een +verwachting—oorzaken te over, die een kind begrijpen kan, omdat ze hun +aequivalenten hebben in het kinderleven, en die het kind, als men ze hem +maar eerst bewust maakt, gaarne ter vrijpleiting van zijn onderwijzer +wil aanwenden. + +Acht iemand zich te hoog, om op die manier voor zijn gedrag te worden +vrijgepleit—door een kind? + +Of vreest men, dat het kind daardoor in eigenwijsheid en +eigengerechtigheid het kinderlike zal verliezen, als rechter vonnissend +over volwassenen en de zonden zijner meerderen grootmoedig vergevend? + +Wat heeft men dan toch weinig vertrouwen in de kracht der waarheid, in +de natuurlike goedhartigheid van 't kind, en in de doorwerking van zijn +eigen invloed. + +Ik heb het eens bijgewoond, hoe een predikant het ontgelden moest, omdat +hij zich boos had gemaakt op een catechisant: „En dominé zegt zelf, dat +we altijd geduld en liefde moeten betonen. Hij geeft ons een mooi +voorbeeld, hoor!” + +De vader zei: „Ja, dat is zeker al een heel slecht voorbeeld. Die man +deugt eigenlik niet voor zijn taak. En is hij altijd zo?” + +„Neen, gelukkig niet. Maar een dominé behoorde toch eigenlik _nooit_ zo +te wezen.” + +„Daar heb je gelijk aan. Toevallig weet ik, dat Dominé Zondag tweemaal +gepreekt heeft en in 't middaguur nog bezoeken heeft gehad; dat hij +Maandag zeven uur gecatechiseerd heeft, Dinsdag de hele voormiddag +in zijn wijk armen en zieken heeft bezocht, Dinsdagnamiddag drie uur +catechisatie heeft gehad, Dinsdagavond Bijbellezing heeft gehouden, +Dinsdagnacht bij een stervende is geroepen, Woensdagmorgen weer zieken +heeft bezocht, en nu vind ik met jou, dat hij, al was hij dan ook +wat moe, Woensdagmiddag niet boos had mogen worden, ook al gaf een +catechisant daar aanleiding toe. Een dominé moet nu eenmaal volmaakt +zijn, en catechisanten hebben geen plichten.” + +„O neen, zo bedoel ik het niet.” + +„Hoe dan? Ik geef je immers toe, dat Dominé niet het recht had, boos te +worden?” + +„Ja maar, als hij dan zo moe was, is dat toch wel een beetje te +begrijpen, en die jongen leert ook nooit zijn les.” + +Ziedaar de macht der waarheid. Het eerlik uitgesproken oordeel werd +aangehoord, aanvaard, toegelicht, teruggenomen. De aanklager werd +pleitbezorger, doch zou dat nooit geworden zijn, als men hem het recht +der aanklacht ontzegd had. + +Gunt ge uw kinderen het recht, ook over úw daden te oordelen? + +Overbodige vraag: ze oordelen, of ge ze het recht toekent of niet. + +Maar gunt ge ze de vrijheid, dit oordeel uit te spreken? + +Dringend zou ik u raden: doe het toch, want—nog eens—anders doen ze +het bij vreemden. + +Vader wil niet, dat de kinderen aan de ontbijttafel lezen. Terecht. Ook +niet, dat ze dan nog even hun les nakijken. Alweer terecht. Het boek zit +de boterham in de weg. + +Maar nu leest hij zelf onder 't ontbijt de krant.... + +Of hij hieraan goed of verkeerd doet, laten we in 't midden. Maar hij +doet het, en de kinderen zien het. + +„Nu leest u zelf de krant,” zegt er een, „en wij mogen niet lezen, omdat +het ongezond is.” + +Wat zal Vader zeggen? „Wil jij je brutale mond wel eens houden”? + +Neen, dat zegt hij niet. + +Hij zegt alleen: „Je hebt gelijk. Dat moest Vader ook niet doen. 't Is +voor mij ook niet goed.” En hij legt de krant neer. + +Of hij geeft de verklaring: „Vader móét de krant even doorkijken, en +anders heeft hij geen tijd. 't Is jammer genoeg.” Als hij met die +verklaring tenminste niet liegt. + +'t Is wonderlik, hoe bevredigd de vrije kritiek wordt door zulk een +eerlik antwoord. + +En hoe het gezag—het echte!—erdoor wordt bevestigd. + + +III. + +Natuurlik ontveins ik mij niet het gevaar, aan het bespreken van de +fouten der volwassenen verbonden. Zelfs is het niet zonder bedenking, +het gedrag van kameraadjes aan ontleding en beoordeling te onderwerpen. +Het oog wordt zo veel te veel gescherpt op het zien van anderer +tekortkomingen en zou er ongemerkt op uit gaan, die op te sporen en te +ontdekken. Daarom begon ik het vorige artikel met de waarschuwing, toch +vooral niet van ieder kibbelpartijtje een gewichtig geval te maken, dat +„ernstig” behandeld moet worden, en wil ik ook nu nog eens nadrukkelik +verzekeren, dat naar mijn mening het dringen in eens anders daden +en omstandigheden alleen dan gerechtvaardigd is, wanneer het kind +toch reeds geoordeeld heeft en wij het tot zuiverder, billiker, +rechtvaardiger, liefdevoller oordeel willen brengen. De waarheid zeggen +en zoeken betekent niet: zich telkens weer met de zaken van een ander +bemoeien. Wanneer er lelike motieven moeten worden blootgelegd, laat het +dan de verkeerde motieven zijn, die bij 't kind zelf gewerkt hebben. +Daardoor kan het zelfkennis verwerven, zelfkritiek oefenen en heeft het +ten slotte geen tijd zich te spitsen op de fouten van anderen, gelijk +onze christelike maatschappij dat pleegt te doen—uit naastenliefde. + +Tans gaan we over tot de bespreking van een derde punt van ons +onderwerp. Eerst beschouwden we onze _gedragingen_ tegenover de +kinderen; daarna het _oordelen_ van de kinderen over personen; nu komen +we tot de kinder_vragen_ en, in verband daarmee, onze antwoorden. + +Die vragen betreffen de problemen, welke natuur en mensenleven het kind +voorleggen. + +Er is, in 't algemeen, tweeërlei reden, waarom we ze eerlik +beantwoorden. Een kind verlangt te weten, anders vroeg het niet. Vragen +is een uiting van weetbegeerte. Kennis, voor zover ze uit zuivere +weetbegeerte voortvloeit, is in de regel heilzaam. We moeten evenwel een +beperking maken, omdat er ook kennis gezocht wordt ter wille van slechte +neigingen. Iemand kan b.v. willen weten, waar clandestiene drankverkoop +is, om zich te kunnen bedrinken. We denken nu echter alleen, aan weten +uit neutrale weetbegeerte, en dan is het in de regel nuttig, als dit +weten bij kinderen bevorderd wordt. + +Nog belangrijker echter is de tweede reden, waarom eerlike antwoorden +worden aanbevolen. Zij gronden en versterken het vertrouwen van 't kind +in zijn opvoeders. We kunnen niet genoeg doen—en laten!—om ons dit +te verzekeren. Van het vertrouwen moeten we het hoofdzakelik hebben. +De opvoeder is lange tijd _de voedingsbodem van 't kind_. Met al de +fijne vezeltjes van zijn geestelik leven voelt het zich in de ouderen +geworteld. Al zijn vastheid, zijn zekerheid, zijn veiligheid, zijn +gerustheid hangt hiervan af. Daarom is het zo schandelik roekeloos, dit +vertrouwen te verzwakken. + +Zuivere kennis is zeker niet te versmaden, maar meer en oneindig meer +dan deze is het vertrouwen, dat zelfs voor een goed deel de waarde der +kennis bepaalt. Veel van onze kennis toch is napraatkennis. We _weten_, +wat ons _gezegd_ is. _De betrouwbaarheid van de zegger is dus de macht +van onze kennis._ Heet kennis macht, die macht wordt dan voor een +overgroot deel ontleend aan het vertrouwen in de persoon, wiens zedelike +autoriteit voor ons de kennis tot ontwijfelbaarheid heeft gemaakt. + + * * * * * + +Het komt natuurlik vaak voor, dat we op kindervragen het antwoord niet +kunnen geven, omdat we 't zelf niet weten. Dan erkennen we dit gulweg. +Alle groothouderij is klein. Het geeft onze houding iets innerlik +onzekers en ontneemt haar met de vastheid de kracht, wanneer we een +schijn pogen te bewaren. Ook al zou het kind uitroepen: „Weet u dát niet +eens? O, wat bent ú dom!”—dan aanvaarden we dit oordeel met blijmoedige +berusting: „Ja kind, het is treurig.” Ten hoogste kunnen we beloven, het +antwoord te zoeken, als we daar kans toe zien, maar niemand is gehouden +alles te weten en bij ernstige problemen is het óók een weten, als men +weet, dat men iets niet weet. Zo ver brengt de pedante domheid het maar +zelden. + +In vroeger jaren heb ik meermalen horen beweren, dat de volwassenen voor +de kinderen de volmaaktheid dienden te vertegenwoordigen, en zij hierom, +waar het wezen natuurlik ontbrak, toch de schijn moesten ophouden. Vader +moest alles kunnen, alles weten. Dat boezemde de kinderen eerbied in. +Dat hield zijn gezag hoog. Dat zou hen aansporen tot navolging van dit +hoge voorbeeld. Wellicht is deze mening nog hier en daar de moeder of de +dochter ener onware verhouding, ook tussen volwassenen en volwassenen. +Ik acht haar uit een opvoedkundig oogpunt verkeerd. Schijn bedriegt, óók +hem die de schijn aanneemt en die er een vals gevoel van meerderheid +aan ontleent. Schijn geeft iemand een gevoel van zekerheid, dat hem +aanstonds onrustig maakt, als de waarheid dreigt door te breken. _In de +waarheid staat men onwankelbaar._ Ons kennisgebied, ons machts-terrein, +ze behoeven niet uitgestrekt te wezen. Erkennen wij, weinig te weten, +weinig te kunnen, als we van dit weinige maar _zeker_ zijn. Dan worden +we in dit weinige ook geëerd. Alle wáárlik nuttig weten en kunnen is +bruikbaar, is brood en achting waard, en verwerft die ook. Als ze maar +_echt_ zijn! + +In dit vertrouwen moeten de kinderen opgroeien, en daarom moeten +de ouderen het _door hun leven_ de jongeren inboezemen. Wat een +geflodder zien we nog vaak met kleurige lappen van vertoon. Wat een +voornaamdoenerij, wat een voorwenderij. Het is of een schoolmeester zich +vooral schamen moet een schoolmeester te zijn. Hij moet een „meneer” +zijn, hij moet „over alles” mee kunnen praten. En wie een gewoon burger +is, moet de allures aannemen, alsof hij tot de aristokratie behoorde. My +house is my castle, zegt de Engelsman. Ik zeg: mijn ambt is mijn eer en +mijn stand is mijn trots. Wees wat ge zijt, maar wees dat goed. En als +ons gehele leven, en _dus_ ook onze opvoeding, in die toon staat, dan +kunnen we tegenover kinderen ook zonder enig bezwaar onze onwetendheid +belijden. Ze zúllen ons geen domheid verwijten, zelfs niet in de diepte +van hun hart. + +Wie nu uit deze regelen afleidt, dat we geen verplichting hebben +ons zo knap mogelik te maken, ook ter wille van de kinderen; of dat +we met onze onwetendheid te koop moeten lopen; of dat we altijd +maar de schoolmeester moeten uithangen; of een andere gans niet +bedoelde dwaasheid, dat we b.v. trots moeten zijn op onze fouten +en achterlikheden, die heeft, om de waarheid te zeggen, het gezegde +niet precies begrepen. Ik heb gezegd, altans gemeend: poets uw ijzer, +uw tin, uw koper blinkend, en hebt ge goud, laat dan ook dit glanzen, +alleen—werk niet met klatergoud. En waar uw kinderen iets vragen, dat +gij niet weet, wapper dan niet met een flikkerend schijnsel, indien ge +geen rustig helder licht kunt doen stralen. Handhaaf uw gezag en +vermeerder hun eerbied door te erkennen: ik weet het niet. + + * * * * * + +Doch als we het wél weten, dan zijn we er daarmee nog lang niet. Dan +rijzen voor óns de vragen: kúnnen we en mógen we het kind wel de +waarheid zeggen. Het gaat niet aan, zo maar boudweg te verklaren, +zogenaamd „principiëel”: de waarheid is altijd heilzaam. Met zulke +algemeenheden—ze heten dan echter heel gewichtig principes—schermt +de domheid, en daar kan ze dan een reuzensucces mee hebben in een +vergadering van mensen, die dolgraag de waarheid horen, als deze anderen +ontmaskert, maar zich woest verweren en het als groffe onbeschaamdheid +uitkrijten, wanneer hunzelf de waarheid wordt gezegd. Neen, de waarheid +is niet altijd heilzaam en we dienen wel degelik eens rustig te +overwegen, wanneer we haar de vragende kinderen kunnen geven of moeten +onthouden. + +Er zijn gevallen, waarin de kinderen door ontoereikend verstand ons +antwoord niet zouden begrijpen. Dan behoeven we echter niet te liegen, +maar antwoorden eenvoudig: „Dit is te moeilik voor je, dit begrijp je +nog niet,” en dan zeggen we hierin toch de waarheid. Het is evenwel +opmerkelik, hoe sommige kinderen met dit antwoord niet tevreden zijn en +aandringen: „Zeg u het toch maar eens, misschien begrijp ik het wel.” +Zulk een aandrang wijze men toch vooral niet met zekere korzeligheid +of gekrenktheid terug. Hij getuigt heel gunstig voor de leergierigheid +der kinderen. En wellicht hebben ze gelijk. Kinderen kunnen vaak meer +begrijpen, dan wij vermoeden. Beproef maar de verklaring te geven. Gaat +deze boven hun bevatting, dan zijn ze eerlik genoeg, om aanstonds te +zeggen: „Neen, scheid u maar uit, ik begrijp het toch niet.” Doch lukt +het u, door de zaak _heel eenvoudig_ voor te stellen, hun opmerkzaamheid +te boeien, hun weetgierigheid te bevredigen, dan zult ge eens ervaren, +welk een dankbare leerlingen ge hebt, en uit hun verdere vragen zien, +dat ze inderdaad begrepen hebben. Wanneer wij zo zeggen: „Dit is te +moeilik voor je”, moesten we meermalen eigenlik zeggen: „Dit kan _ik_ +je niet eenvoudig genoeg maken.” Oefenen we onszelf in deze kunst, dan +blijkt al gauw menige schijnbaar ingewikkelde zaak geheel binnen het +bereik van een normaal kinderverstand te liggen. + +Met een paar voorbeelden willen we dit toelichten. + +Een kind loopt met Vader of Moeder op straat en ziet, hoe een zwaar +ijzeren blok tussen twee palen telkens omhoog wordt getrokken, om dan op +een paal neer te vallen. Ze zijn aan 't heien. Al wat _beweegt_, trekt +de aandacht der kinderen, dus ook dat rijzende en vallende blok. „Wie +trekt dat toch omhoog?” vraagt het kind. „Dat doet die machine,” is 't +antwoord. Menig vragend kind, en zelfs menig vragend volwassene, is +hiermee voldaan. Hun geest is te traag, om dieper door te dringen. +„Die machine” is de volle bevrediging van hun verlangen naar oplossing +van 't raadsel. Geef hun ter verklaring van honderderlei omringende +geheimzinnigheid maar altijd een „machine”, en ze zijn content. Maar +er zijn ook kinderen, die dan verder gaan en vragen: „Hoe kán dat?” + +Nu ligt voor de meeste ouders het antwoord voor de hand: „Dát kan ik +je niet uitleggen,” en dit zeggen ze te beslister, omdat ze zelf die +machine niet begrijpen. Machines schijnen voor vele mensen, vooral +voor vrouwen, iets ontoegankeliks te hebben. Dames, die bij haar +theosofiese gesprekken niet terug deinzen voor verklaringen van +absoluut ontoegankelike mysteries, schrikken voor een machine als voor +een onoplosbaar probleem terug. Dat werktuig in zijn arbeid stap voor +stap te volgen, te zien, te begrijpen, is hun raadselachtiger, dan de +opvolgende incarnaties door de loop der volmaakt in het duister liggende +eeuwen. + +Maar onze jonge moeders kunnen ook die geheimzinnige „machine” +benaderen, als ze maar eens naar hun eigen waterketel kijken. Dat deksel +gaat, als het heiblok, ook telkens op en neer. Wie duwt het op? De stoom +in de ketel. Wie doet het vallen? Zijn eigen zwaarte, als de stoom +ontsnapt is. En wie maakt die stoom? Dat doet het vuur onder de ketel. +Dus wie duwt _eigenlik_ het deksel op? Het vuur. + +Onderstel nu eens, dat ik aan een gezelschap van jonge moeders vroeg: +Jullie hebt nu alle tot je 18e jaar onderwijs genoten, op de lagere +school, op de middelbare school, op het gymnasium, _wie kan met vuur +een zwaar stuk ijzer optillen_, dan zou ik misschien meer verbaasde +gezichten zien, dan heldere antwoorden vernemen. En toch had ik ze maar +even mee te nemen naar de keuken, misschien naar de teeketel op het +gaskomfoor in de kamer, om ze het ei van Columbus te doen zien. Zó +dichtbij ligt vaak de oplossing van duister schijnende problemen. James +Watt zag als jongen de toekomstige stoommachine in de waterketel van +zijn tante. + +Bind nu eens aan de knop van het deksel een dun draadje. Leid dat b.v. +over de leuning van een stoel. Hang aan de andere zijde der draad een +lucifer. Dan gaat deze met het deksel op en neer. Iets als ons heiblok. + +Welke jonge moeder maakt zich niet sterk, dit haar vragend vijfjarig +ventje duidelik te maken? Moeders zijn knapper, dan ze zelf weten. Als +ze maar niet op school hadden gegaan! Daar is die knapheid vaak in +geleerdheid verduisterd! + +Bij elke machine hebben we maar twee vragen: Welke kracht brengt haar in +beweging? En: Hoe wordt die beweging overgebracht? + +De eerste vraag brengt ons naar de kracht van stromend water, stromende +lucht, spieren van mens en dier, spanning van stoom, electriciteit. +Natuurlik kunnen we dan weer verder vragen: Wat dóét het water stromen, +de lucht waaien, en zo verder. Dan reizen we van het stromende water +naar de zon, die eerst dit water als damp omhoog heeft gevoerd en zo +veroorzaakte, dat het daarna als regen of sneeuw de bergtoppen bezocht; +dan waaien we met de winden naar de zon, die luchtlagen verwarmde en +daarmee het evenwicht in de atmosfeer verstoorde, zodat nu de dampkring, +waaiende, herstel van dat evenwicht zoekend, en passant onze molens +doet draaien; dan doet de stoom ons in het vuur de wondere eigenschap +ontdekken, dat door verbinding van koolstof met zuurstof warmte +ontstaat, en leidt die koolstof ons weer naar de zon, door wier energie +zij uit de lucht in het plantenlichaam is gekomen; dan stijgen we +met de spieren van mens en dier ook al naar de zon, de krachtcentrale +onzer aarde; dan vinden we telkens weer in dit middelpunt van ons +planetensysteem het eindpunt onzer vragen, en—het beginpunt van nieuwe +vragen. Vragen naar de oorsprong der kracht brengt ons telkens aan een +ander adres, maar lost natuurlik het mysterie der kracht niet op. + +Hoe de beweging wordt overgebracht is al heel gemakkelik na te gaan, zo +gemakkelik, dat ik me meermalen met verbazing heb afgevraagd, hoe een +deel der onderwijzerswereld toch zo verbijsterd is geworden door het +inwendige van mijn houtzaagmolen en daarna zelfs nijdig op mij, dat ik +ze in dat gewirwar had gebracht, alsof ik het boze opzet had gekoesterd, +kollega's daar tot planken te doen zagen. Bekijken we eens rustig +bijgaande tekening, dan zien we, hoe dood-eenvoudig onze goede windmolen +van binnen is, veel eenvoudiger dan ons eigen lichaam, dat door +diezelfde boze mensen met de kinderen wordt ontleed, alsof ze er alles +van wisten. + +[Illustratie: De lezer volge bij deze doorsnede eens rustig de weg van + de wieken naar de zaagramen, zonder nog de verklaring te lezen.] + +De windmolen is evenals het zeilschip de oplossing van het probleem, hoe +we de wind werk voor ons kunnen laten verrichten. De wind vaart maar als +een woestaard door onze boomgaarden, over onze huizen, smijt vruchten +af, bomen om, schoorstenen naar beneden, kunnen we die sinjeur niet van +vijand tot vriend maken en zijn kracht tot ons voordeel aanwenden? + +De eerste eis is natuurlik, die kracht op te vangen. Dat geschiedt het +best in grote lappen, in zeilen. + +Zie nu de molen. Zijn vier wieken zijn met zeilen bedekt en staan wat +schuin tegen de wind, zodat die er op los blaast en ze wegduwt. Ze +kunnen echter niet weg, ze zitten vast in een zware as. Nu moeten ze wel +in de rondte draaien, net als een steen aan een touw. En de as draait +mee. + +Daar hebben we de kracht al opgevangen en omgezet in een draaiende +beweging. Met die beweging kunnen we nu verder werken. Willen we ermee +hijsen, dan binden we een touw aan de as en de wind trekt onze lasten +op, terwijl het touw om de draaiende as wordt opgerold. Doch nu willen +we er planken mee zagen. Hoe spelen we dat klaar? + +Om de as brengen we een rad met tanden. Deze draaien met de as mee en +grijpen onderdehand tussen de staafjes van een liggend rad, dat op die +manier op zijn beurt in de rondte wordt geduwd. Draait het, dan draait +de spil mee, waar het aan verbonden is, en beneden aan de spil ook een +tweede rad. De tanden van dit laatste grijpen weer tussen de staafjes +van een staand rad, dat ook begint te draaien en in zijn wentelende +beweging een lange horizontale ijzeren kruk doet delen, die dwars door +de hele molen ligt. Sommige stukjes van deze kruk zijn wat uitgebogen. +Juist daar zijn er stokken los aan verbonden. Die stokken draaien met de +boogjes mee, omhoog, omlaag, en daardoor gaan de zaagramen, onder aan +die stokken, ook omhoog, omlaag. Leg er een boom voor, en ze zagen hem +aan planken. „Ze”—maar dat is dan eigenlik de wind, die langs de weg +van wieken, as, asrad, spilrad, spil, onderste spilrad, krukrad, kruk en +kolderstokken[2] de zaagramen op en neer beweegt. + +[2] De naam kolderstokken is wel heel aardig: die stokken kolderen of + draaien. Heeft een paard ook niet soms de kolder in de kop? + +Is nu dat overbrengen der kracht niet gemakkelik te volgen? En dit wordt +er niets moeiliker op, als we in plaats van tandraderen, wielen met +drijfriemen hebben en de wrijving van de lederen riem de duwende dienst +der tanden verricht. + +Zal de molen goed wind vangen, dan mogen de wieken niet te klein zijn +en moet hij dus vrij hoog gebouwd worden. Hiervan is het gevolg, dat +hij verschillende zolders heeft—hoe kan de molenaar anders in de kap +komen. Eigenaardig zijn die zolders benoemd naar de voornaamste delen +van 't werktuig, die zich op die zolders bevinden, gelijk men op de +tekening zien kan. Nu is het natuurlik niet nodig, dat een leek die +namen kent, maar is er iets bizonders in de namen as, spil, kruk, raam? +Alleen de kolderstokken zijn vreemdelingen, maar deze worden heel aardig +geïntroduceerd door kolderende paarden. + +Nog eens—'t is de bedoeling niet, iemands geheugen te belasten met vele +namen, doch alleen werd hier de vraag gesteld: Is het zo moeilik in een +dergelik werktuig het overbrengen der kracht te volgen? Ik hoop, dat +zelfs moeders antwoorden: „Wel neen! Als je 't maar weet!” Welnu, laat +de school zorgen, dat zulke eenvoudige kennis iemand niet terugschrikt. + + * * * * * + +Er zijn vragen, die gemakkeliker schijnen, doch veel moeiliker zijn. +Dat zijn de vragen, die alleen door _levenservaring_ beantwoord kunnen +worden, en deze is voor een kind ja wat ontoegankeliker dan een +werktuig. Hier komt men er niet met een waterketel, een draad, een +lucifer, of een tekening, en het is een der grote domheden van de +redeneerpedagogiek, dat ze kinderen door mededeling en redenering +wijsheid heeft willen inprenten, die alleen door levenservaring kan +worden verworven. + +Die redeneerpedagogiek heeft met veel goede bedoeling veel onvruchtbaar +werk gedaan en gaat hiermee nog trouw voort bij ouders, die menen dat +verstandelike voorlichting steeds mogelik, voldoende en plichtmatig is. +Een paar eenvoudige voorbeelden kunnen het tegendeel bewijzen. + +Wie acht zich in staat aan een kind een zuiver denkbeeld te geven van +verliefdheid? Dit kunnen we zelfs niet aan een volwassene. Verliefdheid +leren we alleen maar kennen door verliefdheid, en wie nooit echt +verliefd is geweest zal dit gevoel nooit begrijpen, ook al heeft hij +zijn zilveren bruiloft gevierd met de beste en mooiste vrouw van de +wereld, al is hij mijnentwege tweemaal getrouwd geweest. Verliefdheid is +de verrukkelikste en de gevaarlikste, de zaligste en de noodlottigste +bedwelming ter wereld. Wie nooit verliefd is geweest, heeft een hemel +op aarde gederfd—mijn vader zei van verliefden te recht: ze zijn in de +zevende hemel—maar zulk een misdeelde kan daardoor dan ook niet over +verliefdheid meespreken en mag over verliefden niet oordelen. Doet de +onverlaat dit toch, en spot hij b.v. met de heerlike dwaasheden van +jonge verliefden of bederft hij hun kleurig minnespel door het grauw +van zijn nuchterheid en de rauwheid van zijn tirannieke bemoeizucht, +hij verdient op zijn oude dag tot over zijn oren hopeloos verliefd te +worden, opdat hij ervare en met schade en schande—ik zeg niet: wijs +worde, maar de gelegenheid hebbe, de dwaasheid zijner nuchterheid in de +wijsheid der verliefdheid onschadelik te maken. + +Zullen we een kind op zijn vragen aan 't verstand pogen te brengen, +waarom die jongelui „zo gek” doen? Al zit in de rups een vlinder +verborgen, laat de rups rups, rondscharrelen door het malse groen. +Wanneer de tijd daar is, zal hij vanzelf wel zijn vleugeltjes ontplooien +en zijn vlinderweelde leren kennen. Een kruipend diertje zal nooit het +vliegen begrijpen. + +Jonge moeders en vaders moesten uit hun eigen verliefdheidsperiode—ik +hoop, dat ze er nog telkenkeer in leven?—genoeg geleerd hebben, om met +hun opgroeiende kinderen niet over onderwerpen te spreken aan hun jaren +en ervaren vreemd. En anders kunnen ze die les nog trekken uit hun +ouderlike gevoelens. Wat een moeder is, weet je pas als je moeder bent, +en daar een man nooit dit voorrecht zal hebben, dient hij met gepaste +bescheidenheid zijn vrouw dwaasheden te laten begaan in de omgang met +haar kinderen. Ook hem is niet volkomen aan 't verstand te brengen, +wat er in een moederhart leeft en werkt, al kan hij 't in begrijpen +een heel eind brengen, wanneer hij zich herinnert, wat hem als kind +zo weldadig in moeders handelen aandeed. Dan zal hij daar liefheidjes +en onredelikheidjes ontdekken, die tans zijn wijze vaderpedagogiek zou +willen veroordelen, maar die hem als knaap verkwikt, gekoesterd en +gesteund hebben. Maar ten volle zijn vrouw als moeder begrijpen, het +lukt hem nooit. Hij zie er daarom maar wijzelik van af en tevens van +elke poging, om zijn kroost, redenerende, in de wereld der volwassenen +binnen te leiden. + + * * * * * + +Doen de mensen dat dan? + +Het komt mij voor van wel. En het schijnt me zelfs toe, dat ze de +laatste decenniën als gevolgen van het intellectualisties streven daarin +al aardig ver zijn gegaan. + +Kinderen leren oordelen over de geheel-onthouding, het militarisme, het +socialisme. De volwassen drijvers zijn uiterst bang, dat de jeugd hun +ontsnapt, en stichten kinderverenigingen met komplete programma's. De +kleinen memoriseren een nieuw soort catechismussen en redeneren—als in +de slechte godsdienstige opvoeding—ganse beschouwingen na. + +Het is ons aller plicht, kinderen te oefenen in matigheid, in afkeer van +gevaarlike prikkels, in vredelievende gezindheid, in gemeenschapszin. +Die eigenschappen hebben ze reeds als kind nodig, in de huiskamer, in +de buurt, op school, bij spel en werk. Maar daarom zijn ze nog niet in +staat over het alcoholvraagstuk, het soldatenwezen, het kapitalisme te +oordelen. Hoeveel kennis van de menselike natuur, van volkeren in hun +onderlinge verhoudingen, van oeconomiese faktoren wordt er vereist, om +die problemen te doorzien, te overzien, in hun oplossing te beinvloeden. +Maar tegenwoordig schijnt die kennis gemeengoed te zijn van de massa. +Beheerst door een ongetwijfeld prijzenswaardig hunkeren naar het heil +der mensheid, weet nu iedere arbeider, iedere kantoorklerk, iedere +schoolmeester de bedwelmingsprikkel te bezweren, de oorlog op te +ruimen, de geldmacht te vernietigen. Je stemt maar vóór dit en +tégen dat, en we zijn er. De ingewikkeldste vraagstukken, waar de +gecompliceerdheid en boosheid der menselike natuur ons voor plaatst, +worden in cursusvergaderingen gemakkelik opgelost. En om die oplossing +te verhaasten worden ook al kinderen tot overtuigde en bewuste +medestrijders gemaakt. + +Ik eer natuurlik de nobele bedoelingen, ik sympathiseer gehéél met de +zedelike drijfveren, maar krijg toch de indruk, dat men torens bouwt van +dominostenen. Dit nu is geen kwaad in de kinderkamer, daar is het één +en al spel. Maar als men waant, in die torens te kunnen wonen, komt men +bedrogen uit. We behoeven niet eens zo heel hoog te klimmen, reeds +gelijkvloers zijn ze onbruikbaar. + +Al die Babeltorens, uit beginselen en stelsels opgetrokken, zijn zo +bedriegelik. Redenerende in vergadering of op papier, doen we ze netjes +en snel verrijzen. Doch straks storten ze ineen bij de spraakverwarring +der praktijk. Veiliger en vruchtbaarder dunkt het me daarom, steeds in +het klein te beginnen met de _toepassing_. _Leef het beginsel uit._ +Dan blijkt zijn levenskracht, zijn echtheid, zijn vruchtbaarheid. Dan +ervaren we onmiddellik de onverbiddelike contrôle en kritiek van het +leven en worden daardoor wijs. + +Gemakkeliker is het echter, te redeneren. Dat geeft ons het +plezier van 't verstandelik opbouwen, het genot van een zuivere +hervormingsbraafheid, en 't eist geen opoffering van neigingen en lusten +in het gewone leven van huiskamer en werkplaats. Doch wil men inderdaad +in en door zijn kinderen het heil der toekomstige mensheid bevorderen, +dan schijnt mij de aangewezen weg: Praat ze niet vroegrijp met allerlei +ongepeilde beginselen en ongewogen algemeenheden en onbegrepen +theorieën, maar doe ze dag aan dag ervaren—ervaren!—wat het betekent, +een verkeerde lust te beheersen, een slechte neiging te bedwingen, +een lelike stemming onder de knie te krijgen, een onedel gevoel op te +lossen. Kinderen, die zich strijdend geoefend hebben in zelfverbetering, +verrijken de mensheid—maar denken later niet zo eenvoudig over +„maatschappelike hervormingen”. We leren—door dóén. + + * * * * * + +Soms antwoorden we dus niet, omdat de kennis alleen door levenservaring +kan worden aangebracht, een ander maal bovendien, omdat het juiste +antwoord het kind al te hevig kan aangrijpen, zijn gemoedsrust +verstoren, zijn verbeelding bezoedelen. + +Er zijn allerlei lichamelike en zedelike ziekten onder de volwassenen, +waarover we met het kind niet spreken. + +Dat is nog al natuurlik, zal men zeggen. Maar zó natuurlik is dit niet. + +De kinderen horen op school, lezen wellicht op een aanplakbiljet, dat +er een jongetje vermoord is. Het signalement van de vermoedelike dader +wordt beschreven, het waarschijnlike motief voor zijn misdaad aangeduid. +Nu komen de kinderen tuis en vragen, gelijk dat bij een goede verhouding +vanzelf spreekt: „Maar Moeder, waaróm heeft die man dat jongetje +vermoord? Wat had hij eraan?” Ze begrijpen, dat er een duistere +bedoeling achter ligt, hebben misschien reeds enige bizonderheden +gehoord, weten dat de man het kind met lekkernijen, met beloften, met +een beroep op lieve kinderlike hulpvaardigheid heeft meegelokt, het +water over, langs stille zandwegen, door de weiden, in de duinen. En +voelende, dat zulk een gevaar ook hen zou kunnen bedreigen, vragen ze +met onrustige aandrang: „Waarom dééd die man dat dan?” + +Moeten we nu spreken van abnormale sexuele neigingen? + +„Natúúrlik niet!” roept men weer, en nu nog beslister dan zo even. + +Doch hierop luidt mijn antwoord weer: „Zo natuurlik is dit niet.” + +'t Ging goed, wanneer onze kinderen alleen maar door zulk een geval, +daar heel in de verte, nu en dan iets van die afdwalingen vernamen. +Doch vergeten we niet, dat de gevaren henzelf bedreigen, en dat vaak +de teerste en liefste en welwillendste kinderen er het slachtoffer van +kunnen worden. Vergeten we niet, dat ons zwijgen oorzaak kan zijn, dat +onze eigen kinderen... Ouders krimpen ineen bij de gedachte, dat hun +jongetje aan zulke zielsangsten en lichaamsmarteling ten prooi zou +kunnen zijn. Maar wat dóén ze, om het, naar hun vermogen, te behoeden? +Het aangrijpende geval, in de kranten vermeld, geschiedde „daar heel in +de verte”. Maar deze „verte” was in die kring zelf vreselike +dichtbijheid. + +Driemaal in mijn leven ben ik in aanraking geweest met dit gevaar. + +De eerste maal betrof het mijzelf. Als kind van dertien jaar stond ik, +bij schemeravond, op de Nieuwmarkt te Amsterdam, te kijken naar een +„boekenstalletje”. Een jongeman van ruim 20 jaar kwam bij staan en begon +een praatje. Ik vond dit vreemd, maar gaf antwoord. Zwijgen zou toch +onbeleefd zijn geweest. Toen deed hij erg familiaar met zijn handen, +kneep me heel vriendschappelik, en zei allerlei dingen die me niets +aanstonden, alle van sexuele aard. Ik verstond en begreep, verstandelik, +heel goed, wat hij zei, maar doorzag het niet. Het beviel me echter +niets, maakte me onrustig, en ik ging weg. Maar hij liep mee, vroeg of +ik naar huis ging, waar ik woonde, zei dat hij ook die kant uit moest. +Ik kon hem natuurlik niet wegsturen en evenmin ontlopen, ofschoon mijn +bevreemding en afkeer steeds groter werden door zijn vuile praatjes en +onbeschaamde vieze voorstellen. Natuurlik kan ik die hier niet herhalen, +_ofschoon het heel nuttig kon zijn ouders eens te zeggen, wat hun +kinderen soms moeten horen van vreemden, als de opvoeders zwijgen_. Maar +daarvoor is het hier de plaats niet. Alleen wil ik nog mededelen, dat +hij ongeveer vijf minuten me bleef vergezellen en toen eindelik afdroop +op mijn hardnekkig en beslist weigeren. In mijn eentje ging ik naar +huis. 't Was inmiddels donker geworden en ik had nog wel een kwartier te +lopen langs een gedeeltelik heel stille weg. Bang was ik absoluut niet, +'k had ook geen aasje idee van 't gevaar dat me van zo nabij bedreigd +had. Daarvan begon ik pas iets te beseffen, toen ik tuis alles vertelde. +Mijn moeder werd wit van schrik. Allen luisterden met ontzetting en +waren innig dankbaar, dat ik niet meegegaan was. Maar nog zei niemand +me, wat die man gewild en beoogd had. Men gaf me alleen de algemene +inlichting, dat zulke mensen heel lelike dingen doen, en daarbij de +waarschuwing, nooit met ze mee te gaan. 't Gevaar was nu voorbij. + +Ik wil niet beweren, dat mijn ouders me hadden behoren in te lichten. +Dit wil ik nog geheel in 't midden laten. Alleen moet ik opmerken, dat +het mislukken van de schandelike pogingen voor een groot deel gedankt +kon worden aan de grove, onhandige manier van de man. Had hij het +slimmer, voorzichtiger aangelegd, niets onbehoorliks gezegd, alleen een +beroep gedaan op mijn hulpvaardigheid, dan—schijnt het me nu toe—had +ik hem gaarne geholpen en had ik hem zeker, vol vertrouwen, langs stille +wegen begeleid. Zijn onbeschaamde, familiare manier van spreken en doen +was mijn behoud. Maar hij had fijner kunnen optreden. + +We brachten—mijn vrouw, ik, en de kinderen—eens een zomervacantie +buiten door, toen in het stil en afgelegen hotel een heer zich +aanmeldde. Hij praatte met de kinderen der gasten en vroeg de weg. +Een der kinderen, een vriendelik, bereidvaardig jongetje van zes +jaar vertelde hem alles van de planten die hij geplukt had, +lief-vertrouwelik, gelijk sommige kinderen dat kunnen doen, en was +aanstonds klaar om met meneer een eindje op te lopen en hem zo de weg +te wijzen. Gelukkig kwamen juist de volwassenen, die met de kinderen +een wandeling zouden maken, en moest ook het kleine ventje mee, die er +echter hartzeer van had, dat hij die meneer niet had kunnen helpen. +Later, na de terugkeer van de wandeling, vernamen de ouders van de +hotelknecht, dat de veldwachters „die meneer” hadden meegenomen wegens +pogingen tot onzedelikheid met een boerejongen. + +Hier zien we, hoe gevallen, heel in de verte, ons soms heel dichtbij +kunnen naderen, en behoedzaamheid plicht is. Achten we het al niet +nodig en zelfs verkeerd, kinderen bizonderheden mee te delen, uit vrees +daarmee blijvend hun verbeelding te verontreinigen en hun gemoed te +verontrusten, een algemeen en zeer beslist verbod om _nooit_ met vreemde +mensen mee te gaan, is toch haast onvermijdelik. + +En eenmaal is het mij in mijn onderwijzersloopbaan gebeurd, dat +ik mee heb kunnen helpen, een oud-leerling, een fijn en braaf +kind, te beschermen tegen de zeer verleidelike en voor de ouders +bedriegelik-mooie aanbiedingen van een rijk heer. Dit leek nu inderdaad +heel onschuldig. Mag een rijke zich niet het lot van een arme jongen +aantrekken, hem uit zijn sfeer ophalen, en voor zijn toekomst zorgen? De +ouders werden bang bij 't mooie aanbod, ontvingen van betrouwbare zijde +nog tijdig een waarschuwing, en waren het met mij eens, dat arme jongens +hun toekomst met hard werken moeten veroveren en die niet moeten +ontvangen uit de handen van rijke meneren. + +De moeder vertelde, toen 't gevaar voorbij was, dat de kameraden van de +jongen hem precies verteld hadden, wat „die smerige vent” op het oog +had. „Meester, ze hebben 't hem zo maar ronduit gezegd.”—En weet hij +'t nu? „Ja hoor.” En waarom hebben zijn vader en moeder niet met hem +gesproken? Die zijn er toch het naast toe? „Ja, waarom! Dat moest een +mens eigenlik doen. Maar Meester, dat durf je dan niet.”—Waarom niet? + + * * * * * + +Is het mogelik en daarbij goed, kinderen de volle waarheid te zeggen in +sexuele vragen. De volle waarheid kan men hun natuurlik nooit geven, en +dat niet zo zeer uit een oogpunt van kiesheid, maar omdat de _volle_ +waarheid insluit en allereerst eist: de sexuele neigingen en driften. +Deze zijn _de_ hoofdzaak van het probleem, en hierover kan niemand +inlichting geven dan het leven zelf. Hier geldt wat ik reeds van +verliefdheid en moederliefde zei: de realiteit is hier niet _het +physies gebeuren_ en nog minder _de kennis daarvan_, maar _het psychies +ervaren_. En zo zou men iemand van deze geheimenissen _alles_ kunnen +zeggen, met het gevolg, dat hij er nog niet het _echte_ van wist. +De mysteries van ons gemoeds- en neigingenleven worden niet door +verstandelike voorlichting, maar alleen door levenservaring geopenbaard. + +Wat er overblijft en eigenlik alleen mee te delen valt, is een stuk +natuurwetenschap. En nu wil ik wel eerlik verklaren, dat ik niet +begrijpen kan, hoe iemand daar enig bezwaar in kan zien. Het gehele +bevruchtingsproces bij planten, dieren en mensen is—natuurkundig +bekeken—niets anders dan de samenbrenging van twee verschillende +cellen. En ik begrijp bij al de haren op mijn hoofd niet, wat daar vies +of onkies in kan wezen. De weg, waarlangs die samenbrenging geschiedt, +is in 't ene geval wat anders dan in 't andere, maar dit is alleen een +kwestie van physiologiese bouw. + +Wanneer men met kinderen van opeenvolgende leeftijden—en dat kan al +op het vierde jaar beginnen—platen van het inwendig menselik lichaam +bekijkt, behoeft men maar simpel de luchtpijp, de longen, de slokdarm, +de maag, de darmen, het hart, de aderen, de urinewegen, de baarmoeder, +de eierstokken aan te wijzen, en daarbij, in overeenstemming met de +leeftijd der kinderen, te vertellen, waartoe die organen dienen, +om al spoedig te ervaren, dat de kinderen het ene orgaan even +belangrijk vinden als het andere, en in _geen enkel opzicht_ aan de +geslachtsorganen en hun funkties meer belangstelling wijden dan b.v. aan +die der spijsvertering. Alles is hun even (of even weinig) interessant. + +Men kan heus op alle vragen, die de kinderen in deze materie tot ons +richten—op alle!—heel eerlik antwoorden, mits men vroegtijdig beginne +en niet gewichtig-geheimzinnig, maar eenvoudig-wetenschappelik +antwoorde. + +Vroegtijdig beginnen. Hebt ge ooit gemerkt, dat kinderen 't vreemd +vonden, dat Vader een baard had en Moeder niet? dat de zon overdag +scheen en 's nachts niet? dat vissen zwommen en duiven vlogen? dat +stenen vielen en pluisjes zweefden? Kinderen wennen bijna al te +gemakkelik aan de wonderen om hen en in hen. Maar als ze op hun tiende +jaar voor 't eerst een neger zien, dan kijken ze vreemd op. Wacht niet. +Wie wacht, vermeerdert ieder jaar de moeilikheid. Doch wie vroeg begint, +ontmóét zelfs geen moeilikheden, dan wellicht in zijn eigen verdorven +natuur. + +En maak geen nodeloze ontroeringen. Ik houd er niet van, als Moeders +zo buitengewoon teer en uiterst behoedzaam, in een schemerhoekje, over +deze dingen met de kinderen spreken en daarbij zelfs hun eigen pijnen en +weeën te berde brengen, om het kind tot liefde en dankbaar medelijden +te stemmen. Zo maken ze stemming en zogenaamd eerbiedige schroom. Zeg +de dingen zakelik, niet bruut, niet ruw, maar wel nuchter, fris. Kweek +zakelike belangstelling, zo blijven de kinderen het best geestelik +gezond. Broeikasstemming kweekt exotiese gewassen. + + * * * * * + +Het heeft me altijd verbaasd en geërgerd, wanneer fatsoenlike en zelfs +godsdienstige mensen het geslachtelik leven onbetamelik en vies vonden. +Hoe nu? Heeft God het dan niet aldus ingericht, en hebben wij ons voor +Gods werk te schamen? Zouden wij het misschien nog op 't ogenblik God +willen verbeteren? Al is het waar, dat de zonde dit terrein tot haar +bedervende en vernielende werking kiest, die zonde openbaart zich +hier wellicht het snelst en het zichtbaarst, maar waarlik niet in +haar ernstigste karakter. Zij sluipt ook het gebedsleven binnen, het +geestelike verkeer met God, en vergiftigt de ziel met opborrelende +bewondering voor eigen welsprekendheid bij het openlik belijden +van eigen onmacht. Zullen we ons nu schamen voor het gebed? Onze +arbeidzaamheid, ons winnen van het dageliks brood, weet zij tot gierig +opzamelen te doen ontaarden, waarbij we een medemens laten verkwijnen. +Zullen we nu afkerig worden van werken en winnen? De zonde vergiftigt +iedere openbaring van zinnelik en geestelik leven en dan dunken mij de +hoogmoed, de nijd, de gierigheid ja wat heillozer dan de zinnelike +afdwaling. + +Zoals God onze lichamelike funktiën heeft ingericht, hebben wij ze te +aanvaarden en te eren en te bewonderen. Wat zouden wij er dan bezwaar +tegen inbrengen, ze—physiologies—met onze kinderen te bespreken? +Wie het doet met eenvoud, oprechtheid, zonder gewichtigdoenerij, zal +ervaren, dat noch de reinheid, noch de fijnheid van het kinderlik gemoed +er ook maar iets bij heeft in te boeten, en beide juist veel echter en +mooier worden. + +Vergissen we ons evenwel niet. Het gaat hier alleen om _waarheid in de +opvoeding_. Want wie menen mocht, dat in de eerlike voorlichting de +_zedelike opvoeding_ bestaat, komt bedrogen uit. Als dát waar was, +zouden alle mediese studenten wel engelen van reinheid moeten zijn. +En hoe wensenswaard we dit mochten achten in hun eigen belang en dat +hunner toekomstige vrouwen en kinderen, we mogen het op grond van hun +wetenschappelike opleiding toch maar zo grif niet aannemen. Kennis +heet macht. We mochten willen, dat het, op dit gebied, waar bleek. +Dan viel de zedelike opvoeding, ook de zedelike zelfopvoeding, ja wat +gemakkeliker. Kennis waarborgt in geen enkel opzicht morele gezindheid, +morele kracht, niet eens wijs beleid. Alleen heiliging der neiging kan +ons helpen. En die wordt niet door kennis verkregen. + +Waarom we dan toch op kennis aandringen? + +Omdat ze later onmisbaar is en ze het best geleidelik met vroegtijdig +wennen wordt aangebracht, en dan door de ouders zelf. Het kind vraagt en +zal blijven vragen, en ontvangt het geen antwoord van zijn ouders, dan +zullen vriendjes en vriendinnetjes het zelfs ongevraagd inlichten. Hoe? +Dat is toch wel algemeen bekend: onjuist, onrein, met zeer gevaarlike +bijmengselen voor gemoed en verbeelding, die—en men vergete dit toch +niet—het kind in een apart wereldje doen leven, verwijderd van zijn +ouders. Niet ouderlike voorlichting, maar de troebele bron der geheime +mededeling bederft enorm veel kinderreinheid en kinderbegrip, die beide +ontzien en zelfs gebaat zouden zijn door tijdige opheldering van de +alleen bevoegden. In donker vermenigvuldigen zich vele schadelike +bakteriën, die door 't zonnelicht gedood worden. + + +IV. + +Wees waar in uw gedragingen tegenover uw ook nog heel kleine kinderen. + +Gun dezen waar te zijn in hun oordelen over anderen. + +Geef naar waarheid antwoord op hun vragen. + +Deze drie voorschriften werden in de eerste drie artikelen aanbevolen. + +Er zijn volwassenen, ouders, die er niet van willen weten. + +Waarom niet? + +Uit gemakzucht en lafheid, zijn we geneigd te zeggen. Ze zijn te traag +en missen de moed, om met de sleur te breken. + +Zeker, dit komt veelvuldig voor, doch eer we hierover ons veroordelend +vonnis vellen, willen we aan het goede in deze „gemakzucht en lafheid” +recht doen wedervaren. + +Niet iedereen heeft aanleg, gelegenheid en tijd, om zich ernstige +opvoedingsproblemen in te denken. Is het dan niet voorzichtiger, zich +bij 't oude te houden, waarbij men zelf niet verongelukt is, dan met +onvoldoend inzicht en ontoereikende kracht een nieuwe weg in te slaan, +waarvan het minstens nog twijfelachtig moet heten, of hij naar het doel +leidt? + +Onze ouders hebben ons ook allerlei praatjes wijs gemaakt, met velerlei +kluitjes in 't riet gestuurd, en honderd malen het zwijgen opgelegd, +maar ze meenden het toch goed met hun kinderen, hebben ze met liefde +gekoesterd, hard voor ze gewerkt, ten slotte ze met ere grootgebracht. +Zullen wij nu hun opvoedingspraktijk willen critiseren en verbeteren? + +Hun manier moge dan haar gebreken hebben, duizenden en millioenen hebben +er zich wel bij bevonden. Dit is geen principe, maar een ervaring. En +deze ervaring heeft bewijskracht. Wanneer de massa, in wie toch het +zelfbehoudsinstinkt werkt, met een gerust hart zekere paden volgt, +gedachte- en critiekloos, zijn daar zeker wel goede redenen voor te +vinden, ook al is men zich die niet bewust. Sleur is vaak: instinktief +vertrouwen in de wijsheid van 't voorgeslacht. + +Met laatdunkende geringschatting wordt vaak van de „oude paden” +gesmaald. Dan heet het, dat we niet laks en lauw het „platgetreden pad” +moeten bewandelen en „nieuwe wegen” moeten zoeken. Maar het zou er +treurig met ons en met de vooruitgang uitzien, als we telkens door zand +en hei en woud en moeras nieuwe wegen moesten banen. We volgen heel +verstandig de wegen, door onze voorgangers platgetrapt, uitgehakt, +aangelegd, al verzuimen we niet ze te verbeteren en daarnaast de +nodige nieuwe wegen aan te leggen. Verguizing van het voorgeslacht is +ondankbaar en dom, loopt uit op schade en schande, en het is niet alleen +wijs en voorzichtig, wanneer jonge ouders gedachteloos het voorbeeld +hunner eigen ouders volgen, indien ze niet van een betre gedragslijn +overtuigd zijn, maar er spreekt ook een eerbiedvol vertrouwen uit, +dat—hoewel niet bestand tegen een onbarmhartige maar in zijn +verstandelikheid toch bekrompen critiek—én de ouderen én de jongeren +eert. Er is toch, ondanks het gemis aan wat men noemt „waarheid in de +opvoeding”, een geest van gehechtheid aangekweekt, die op slot van +rekening ja wat meer levensgeluk meebrengt dan een helderheid van +inzicht, die de harten koud heeft gelaten. + + * * * * * + +Wat als gemakzucht veroordeeld wordt, is dus meermalen vertrouwenvolle +voorzichtigheid, die zich aan 't beproefde oude houdt en dit met zijn +deugden en gebreken overneemt, waar de critiek heeft gezwegen en de +drang tot reiner practijk ontbroken. + +Zo is het verwijt van lafheid ook vaak ongegrond. Zeker, menigeen durft +niet de eenvoudige waarheid te zeggen, hij is er niet bij grootgebracht +en huivert er nu voor terug. 't Is hem, alsof hij zich in een vreemd +land begaf, waar in het duister der onbekendheid allerlei gevaren +dreigen, in ieder geval zich telkens nieuwe moeilikheden voordoen, +waarop hij niet gerekend had en waarvoor hij niet berekend is. Maar +mogen we deze vrees lafheid noemen? Er spreekt veeleer zelfkennis en +wijze behoedzaamheid uit. + +Er is bij velen een angstig terugdeinzen voor de naakte, de geheel +naakte waarheid. Is dit lafheid? Het kan evenzeer schaamte zijn en +eerbiedige schroom. + +Het Paradijsverhaal laat de eerste mensen bedekking hunner naaktheid +zoeken, niet tegen de koude, niet ter bescherming tegen letsel, maar +uit ontwaakte schaamte na bedreven kwaad. Zondebesef maakt het hun +onmogelik, zich onbevangen te geven, gelijk ze zijn. En is dit tans, met +ons, nog niet volkomen hetzelfde? Wie durft zich gehéél te geven, gelijk +hij is? Alleen de schaamteloosheid, die geen oog heeft voor eigen grote +tekortkomingen, of de zuivere onschuld. Maar wij overigen, we hullen +ons in allerlei klederen van schijn, dekken ons met de vijgebladeren +van vormelike braafheid, omdat we ons innerlik, met al zijn zondige +bewegingen, niet eens tegenover ons zelf in zijn naakte waarheid durven +vertonen. We huiveren terug voor zulk een waarheid. En terecht. + +Want wij kunnen de Waarheid niet dragen. Wanneer wij, door één woord uit +te spreken, eens plotseling _alles_ zouden zien, _alles_ horen, _alles_ +weten, alle gedachten in alle mensenhoofden kennen, alle neigingen in +alle mensenharten, het gehele verleden, de volle toekomst, wie zou dat +woord durven uitspreken? Dan zouden we de gehele werkelikheid, en daarin +de waarheid hebben. Doch eer we er een millioen malen millioenste deel +van zouden ontvangen hebben, zouden we al bezweken zijn. Alleen de +oppervlakkige domheid durft de „naakte waarheid” aanvaarden, omdat ze +haar toch niet ziet. + +Vertrouwen, schaamte, schroom weerhouden menigeen—ook al is hij zich +zelf de aard dezer remming niet bewust—de aanbevolen drie voorschriften +te volgen. Wel verre van dit te misprijzen, moet men gelukkig zijn met +de aanwezigheid en de uitwerking dier gemoeds-realiteiten. Zij zijn +de schatbewaarders onzer beste geestelike goederen. Zonder haar +behoudszucht zou de vooruitgang ons al te licht in 't moeras brengen. En +veel meer te vrezen is de voorthollende nieuwlichter, die bezwaren noch +gevaren ziet, dan de aarzelende „duisterling”, zelfs al wordt hij als +„conservatief” gebrandmerkt, die niet waagt, omdat hij er anderen niet +gaarne aan waagt. + + * * * * * + +Kunnen we het goed recht bepleiten en waardering gevoelen voor de +opvatting van behoudszucht, waar deze kort en goed verklaart: „onze +ouders waren ook niet dom” en daarmee van een verandering in velerlei +levenspraktijk niet weten wil, niet zo welwillend zijn we gestemd +tegenover de mening, die de waarheid uit de opvoeding weren wil, omdat +ze de dood zou zijn voor alle poëzie. Want hier wordt eenvoudig wat +geleuterd. + +„Alles wordt zo nuchter, zo prozaïsch,” klaagt de in 't proza der +vormelikheid verdorde ziel, „wanneer het kind niet meer in Sint Niklaas +geloven mag en precies moet weten, dat Oom Willem maar voor Sint Niklaas +_speelt_; wanneer het niet meer mag uitzien naar de ooievaar, die +broertjes brengt, of zich voorstellen, hoe zusje uit de kool kruipt; +wanneer het horen moet, dat zusje in moeder groeit—o, shocking!—en +hoe dat lieve kindje ontstaan is uit de vereniging van twee cellen; +wanneer de sprookjes uit de kinderwereld verjaagd worden, de elfen en +de kabouters, de betoverde prinsessen en de wonderdoende tovenaars en +alle verdere bekoorlik- en griezeligheden. Dan blijft er tenlaatste +niets meer over dan sommen en zinsontledingen en geraamten van bladeren, +dieren en menselike wetenschap. En dan wordt het zo kil en zo donker in +het jonge gemoed.” + +Is de klacht gegrond? + +Al aanstonds niet, waar ze vreest voor 't verbannen der sprookjes. Het +vertellen dier kleurige verbeeldingen kan heel best gepaard gaan met +„waarheid in de opvoeding.” Of dieren kunnen spreken, is geen vraag. Ze +kúnnen spreken, zowel onder elkander als tegen de mensen. Dat weet ieder +die met dieren omgaat, al dringt hij niet door tot de finesses van hun +taal. Een verhaaltje met pratende dieren is natuurlik verdicht, maar +kan niettemin evenzeer waar zijn als een, ook verdicht, verhaal met +pratende mensen. En zijn er geen elfen, geen kabouters, geen betoverde +prinsessen? De wereld is er vol van, al zien ze er niet steeds precies +zo uit als de phantasie van ons dichterlik gemoed ze uitbeeldt. +Lieftallige zegenende natuurtjes, kleine kwelgeesten, lelike eendjes +die ten slotte mooie zwanen blijken, ze omringen ons, dag aan dag, en +onze fout is alleen, dat we ze alleen maar zien in de vertellingen, +dat we niet dichterlik genoeg zijn om ze in de levende werkelikheid te +aanschouwen. Die klagers en klaagsters over het prozaische der nuchtere +waarheid zijn eigenlik echte prozamensen, zo door en door prozamensen, +dat ze de verbeeldingen van anderen behoeven, om daarmee hun lege +gemoedshuis te meubileren. + +De sprookjes blijven dus en alleen uit erbarmen met het kind besparen +we dit de ijselikheden van grootmoeders-verslindende-wolven, zoals we +het tere gemoed ook niet willen verscheuren met de angsten van kleine +knaapjes, in de greep van sexueel krankzinnige moordenaars. Niet het +verbeeldingrijke is de grief tegen vele sprookjes van Grimm, maar het +grove, gevoelloze, schokkende, en we verhalen evenmin met aangrijpende +aanschouwelikheid de ontzettendheden van het slagveld, de epidemieën, +of de gevangenissen, als die uit de sprookjeswereld. Hier gaat het niet +om waarheid of onwaarheid, maar om de hygiëne van het kinderlik +gemoedsleven. + +Dat de jeugd van wonderdoende tovenaars vervreemd wordt, wanneer de +waarheid haar strenge eisen stelt, kan alleen opkomen in het brein der +breinloze onnozelheid. Is niet het ontspruiten van iedere zaadkiem een +wonder en het openen van iedere bloemknop? Wie tovert daar uit de zwarte +grond die groene stengels met die kleurige kelken? Daar droppelen wat +nevels op de aarde, daar spelen wat gouden stralen over die donkerheid, +en er verrijzen groene zuiltjes, zwevend van lenigheid, en waarop zich +rode en gele en blauwe offerschalen ontplooien, die bedwelmend zoete +geuren omhoog zenden. En het grootste wonder bij dit wonder is, dat +we de toverwereld zien, zonder dat de tovenaar zelf aanwezig schijnt. +Een man, die uit een lege hoed levende vogels schijnt te halen, +gapen we met eerbied aan. Doch zie nu, daar ontstaat vanzelf—kan +het toverachtiger?—vanzélf een weelde van vormen en kleuren en +geuren, en we zien het niet, en zo al, dan aanvaarden we het als een +„vanzelfsheid”, waaraan alle wonder vreemd is. Alleen onze blindheid +voor de toverwereld der werkelikheid klaagt over armoede te midden van +de rijkdom, en het zijn weer, vrees ik, de misdeelde zielen, die voor de +gekunsteldheid der menselike tovenaars pleiten, omdat ze instinktmatig +voelen alles te verliezen, waar dit maakwerk hun ontvalt. 't Is echter +wat veel gevergd, hun hol gelawaai, hun conventioneel gekerm, hun +grootwoordige gevoelloosheid te respekteren als bewijzen hunner warme +liefde voor het wondervolle. Zolang er leven is, is er wonder, en ieder +vliegje, zwevend door de kamer, is met zijn gazen vleugeltjes of waar +het straks langs de vensterruit wandelt, een zwevend sprookje, een +wandelend mysterie. + + * * * * * + +Het is verre van mij, sprookjes en wonderverhalen te willen verbannen, +doch men vergete toch niet, dat deze niet verteld worden als antwoorden +op kindervragen. Geheel iets anders is het met de ooievaarshistorie en +de Sint Niklaasmanifestatie. Hier wordt niet als vertelseltje, niet als +toneelspel, maar als werkelikheid aangeboden en onbevangen aangenomen, +wat geen werkelikheid is. Bij 't verhaal van de wolf en de zeven geitjes +weten de kinderen heel goed, dat het „een verhaaltje” is, en geen moeder +heeft er plezier in, haar kind met alle geweld te doen geloven, dat de +geitjes weer levend te voorschijn kwamen, toen de buik van de wolf werd +opengesneden. Het kind luistert en leeft mee, alsof het waarheid was, +maar wéét het tegendeel, en de moeder laat het daarbij. Maar zelfs als +het kind uit zichzelf begint te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die +bisschop en niet meer kán geloven, dat een ooievaar een kindje door de +lucht kan dragen, doen de volwassenen nog hun best, deze twijfel te +onderdrukken, vrezende het feest dan al zijn heerlikheid en de geboorte +al haar reinheid te doen verliezen, beide van hun „heerlike poëzie” te +beroven. Dit nu wijst op een averechtse opvatting van poëzie, volgens +welke deze onmogelik zou wezen zonder zulke geloverijen in overgeleverde +voorstellingen. + +Poëzie is een _kracht_ in de mens. Zij openbaart zich in verbeeldingen +en materialisaties. Zo kunnen de scheppingen van het voorgeslacht de +poëzie vertolken van vergane eeuwen. Maar in zichzelf zijn ze geen +poëzie. + +Men kan wel zeggen, dat in ieder kind deze kracht werkt. Een jonge +moeder schrijft me van haar vierjarig dochtertje: „Op 't ogenblik +amuseert ze zich nog al eens met vijf kleine dochters en twee kleine +broertjes, die enkel in haar verbeelding bestaan, maar waarvoor ze +toch in Gouda blauwe en witte jurken gaat kopen, waarvoor ze kleren +strijkt, die ze te eten geeft en in het bad stopt.” Waar komen al deze +dochtertjes en broertjes vandaan? Wie maakt ze zo werkelik, dat Anneke +jurken voor ze koopt en deze zelfs strijkt? Behoeft de moeder daarvoor +'t kind iets wijs te maken? Wel neen, 't kind maakt zichzelf iets wijs, +en dit is de ware aard der poëzie: deze kracht heeft scheppingsvermogen. +Poëzie komt van een werkwoord, dat _maken_ beteekent, zij maakt iets, +zij schept, zij beeldt uit, zij geeft stemming gestalte, zij maakt +neiging tot droom en droom tot levensrealiteit. En _deze_ poëzie maakt +het mensenkind rijk te midden der armoede. + +Heeft niet elke moeder die kracht in haar kinderen zien werken? Ze is +niet verbeelding. Ze _gebruikt_ verbeelding. Deze is haar dienaresse. Ze +is niet schoonheid. Ze tovert schoonheid. Ze is, wat de levenskracht in +de natuur is. Ze is scheppingsvermogen, opborrelend uit de geheimzinnige +bron van het leven zelf. En gelijk die levenskracht in de natuur de +sprookjes der bloemen- en dierenwereld voor onze ogen als reëele +schoonheid doet verschijnen, zo roept zij uit de donkere aardbodem der +kinderziel de sprookjes van kindertjes in blauwe jurkjes, die grote +reizen maken in de spoortreinen der stoelen. + +Nooit heb ik kinderen—én mensen!—gelukkiger gezien, dan wanneer +ze hun eigen scheppingsdrang konden volgen. Verloren in arbeid, +maakten ze, rustig gelukkig, hun mooie, ook wel hun constructieve +verbeeldingen—kleine ingenieurs—tot zichtbare en tastbare +werkelikheid. Dan waren ze aan het dichten. Dan werkte de Poëzie +in hen. En deze Poëzie kon door de verhaaltjes van wolven en elfen +en Sint-Niklazen wel van haar oorspronkelikheid verliezen, door de +ooievaarshistorie wel in voorvaderlike banen geleid of misleid worden, +maar behoefde dit verbeeldingsmateriaal niet, om te worden gewekt of +gevoed. + +Men versta mij nogmaals wel: ik bestrijd hier niet het vertellen van +deze dingen, ik betwist alleen, dat zij nodig zouden zijn, om wat poëzie +te brengen in de kinderwereld. + +En zo vreze men dus niet, door zuiver-zakelike inlichtingen, door +eerlik-nauwkeurige antwoorden de poëzie in de kinderziel te doden. Het +kind gebruikt de verworven kennis als bouwstoffen voor zijn scheppingen. +Doch laten we nu de zaak niet omkeren. Wanneer het kind toverpaleizen +maakt van stoven en prinsessen van poken, wanneer kiezelsteentjes tot +uitgezochte versnaperingen worden en nietsigheden tot prachtdingen, +wanneer het uit de lucht vriendjes en vriendinnetjes oproept en met +deze phantomen ernstige gesprekken voert en zelfs vrolike spelletjes +speelt, dan moeten wij niet zeggen: dat alles bestaat niet, dat is maar +verbeelding, want dan vergrijpen we ons evenzeer aan de ziel van het +kind, als wanneer we deze met leugens menen te vormen. We moeten het +goed beseffen: rijmende regels maken geen gedicht en conventionele +voorstellingen geen poëzie. Het gedicht zingt zelf zijn rythmiese +regels, de poëzie roept zelf haar verbeeldingen op, en beide komen, als +vogelgejubel uit verliefde keeltjes, als schone uitlevingen van het +bewogen gemoed. + + +V. + +Waarheid in de opvoeding, zo zeiden we in het begin, is slechts een +middel. + +_Slechts_ een middel. + +Maar welk een heerlike vrucht kan het ons bezorgen. + +Als we jegens elkander steeds _waar_ zijn, groeit er een steeds dichter +_onderling vertrouwen_ op. + +En dit vertrouwen geeft aan 't onmisbaar verkeer met mensen—in 't +gezin, in school en kerk, in de fabriek, in de... Staten-Generaal!—zo'n +veilig rustgevoel. + +Onderling vertrouwen is een geestelike atmosfeer, weldadig en +vruchtbarend. + +Evenwel—hoe verkwikkend en sterkend, dit vertrouwen is toch ook weer +slechts een middel. + +Wanneer de leden onzer roverbende volkomen op malkaar kunnen rekenen, +volkómen, is hun dit wel zeer geriefelik in 't bedrijf, maar waarborgt +het in geen enkel opzicht hun zedelike vooruitgang. + +Het is verwonderlik, hoe vele zogenoemde deugden eigenlik alleen +bruikbaarheden zijn, middelen die voor een zeker doel „deugen”, +maar met waarachtige zedelikheid niets te maken hebben. Waarheid en +vertrouwen—'t zijn woorden met een edele klank, vertegenwoordigen ook +wel mooie eigenschappen, de vraag is echter: welk doel beogen we ermee? + +Heiliging van ons zelf en anderen? + +Dan is 't goed. + +Doch zedelik verderf van onszelf en anderen? + +Ook dit kan door waarheid en vertrouwen worden beoogd en bereikt. + +Een goudstuk kan God of de Duivel dienen. Bouwen we er kroegen en +bordelen van of weeshuizen? In zichzelf heeft het geen waarde. En zo is +'t ook met de goudstukken van vele zogenaamde deugden. Wat bouwen we er +mee op? + +Wat bouwen we met waarheid en vertrouwen in onze kinderen op? + +Het is niet de zon der waarheid, het is niet de dampkring van 't +vertrouwen, die beslissen over de toekomst. Dezelfde zon, dezelfde +dampkring doen giftplanten en voedingsgewassen uitgroeien. + +Zon en dampkring zijn slechts middelen. + +De aanleg, in de zaadkorrel verborgen, is het zijnde, het bepalende. +Daarvan hangt de aard van het gewas af. En de hoofdvraag is dus in de +opvoeding: Wat doen we met de aanleg van 't kind? + +Kunnen we die beinvloeden? + +Kunnen we die _veranderen_? + +Dit laatste lijkt onmogelik. + +Er kan alleen sprake zijn van een bevorderen en belemmeren. Een kweken +of verstikken van aanwezige eigenschappen. + +Zoals een kind geboren is, _is_ het geboren. Het heeft in zijn aanleg +zijn bestemming. + +Is er dan geen „wedergeboorte” mogelik? + +De grenzen van dit opstel gedogen niet de behandeling van deze vraag. +Ze wordt hier alleen gesteld, om ons eraan te herinneren, dat het +gewichtigste probleem der opvoeding, de zedelike vorming, op een ander +gebied ligt dan we nu hebben betreden. + +Wie omtrent de mogelikheid van aardverandering, van wedergeboorte, een +belangrijk boek raadplegen wil, leze: „Gebroken aardewerk” van Harold +Begbie.[3] Eén citaat kan volstaan, om de betekenis van dit werk te +doen uitkomen: „Wat wij ook van het verschijnsel zelf mogen denken, het +feit staat vast, dat door hetgeen wij bekeering noemen, menschen die met +bewustheid het verkeerde doen, die slecht en ongelukkig zijn, op eens +met hun vrijen wil het goede doen en zich gelukkig gevoelen. Het brengt +geen _verandering_ te weeg maar een _omkeering_ in aard. _Het schept +een nieuwe persoonlijkheid._ De uitdrukking „wedergeboorte” is geen +rhetorische overdrijving, maar _een feit uit het gebied der zielkunde_.” + +[3] Naar het 250ste duizendtal van de Engelsche uitgave door G. + Akersloot. Utrecht, H. Honig. 1912. Prijs ƒ 1,25. + +Men zal erkennen, dat deze uitspraak aan beslistheid niets te wensen +overlaat. En daarbij vergete men niet, dat de schr. leerling is van +Prof. William James, de psycholoog, aan wie hij zijn boek „met +bewondering en eerbied” opdraagt. + +Deze kwestie brengt ons in het hart der zedelike opvoeding en we +hopen er, naar aanleiding van het genoemde boek, onze aandacht aan +te schenken. Wellicht moeten we dan tot de conclusie komen, dat de +„wedergeboorte” toch niet een „nieuwe persoonlikheid” schept, maar +verborgen elementen der oude persoonlikheid heeft doen uitschieten. +We kunnen ons onmogelik een te-voorschijn-komen van een nieuwe aard +voorstellen en het feit zelf verliest toch niets van zijn aangrijpende +betekenis, wanneer we aannemen, dat in de bekeerde latente eigenschappen +zo krachtig zijn opgetreden, dat ze de verschijning der persoonlikheid +als 't ware een geheel nieuw karakter hebben gegeven. + +Hoe het zij, we kunnen noch wensen er op 't ogenblik dieper op in te +gaan. We moesten echter nóg eens duidelik uitspreken, dat de vorming +der morele persoonlikheid beheerst wordt door andere faktoren dan door +„waarheid in de opvoeding”, al is dit „middel” belangrijk genoeg, om, +eer we eindigen, zijn betekenis ook nog toe te lichten in de omgang met +de oudere kinderen van 14–20 jaar. + + * * * * * + +Met jongelieden van deze leeftijd volkomen waar om te gaan, valt vele +volwassenen moeilik, moeiliker dan met kinderen beneden die leeftijd. + +Dit is geen wonder. + +Jonge kinderen, als ze naar belangrijke dingen vragen, vragen haast +altijd uit voorbijgaande nieuwsgierigheid. Hun weetgierigheid is meer +een geestelik spelletje dan uitvloeisel van diepgevoelde hartedrang. Ze +willen iets weten, omdat plotseling een vraag _vóór_ hen oprijst. Maar +de vragen rijzen niet zo _in_ hen op. Wanneer ze antwoord krijgen, zijn +ze dan ook onmiddellik tevreden en laten de pas verworven wijsheid +straks weer gemoedelik schieten. Ze hebben geen flauw besef van de +belangrijkheid hunner vragen en van het gewicht der antwoorden. + +Niet alzo is het bij de jongelieden. Bij hen wordt het ernst. En daarom +kunnen vele ouders gemakkeliker waar zijn met de kleintjes, dan met +de groten. Bij die kleintjes blijft het toch maar aan de oppervlakte. +Die denken niet door. Die staan geheel in hun eigen kinderwereldje, +brengen daar de wijsheid der volwassenen heen en herleiden ze tot +kinderproporties. Ze maken van alles iets kinderliks, omdat ze de +gevoelens en denkbeelden der ouderen niet kúnnen verstaan. + +De jongelieden echter gaan met hun _ervaringen_ gaandeweg in de wereld +der volwassenen over. Zij komen ons physies en psychies hoe langer +hoe dichter bij. Zij vragen niet uit speelse nieuwsgierigheid, zoals +zonnestraaltjes even door 't lover trillen, maar uit levensbehoefte, +gelijk wortels in de grond dringen om voedsel te halen en een +stevige stand te verzekeren. Hun opmerkingen zijn gekleurd door hun +persoonlikheid, die zich in steeds helderder en scherper trekken +openbaart. En de ouders voelen, dat langzamerhand gelijken hen naderen, +zij het ook dat deze nog vele kenmerken van onrijpheid vertonen. Dit +maakt vele ouders onrustig en ze ontwijken hun opgroeiende kinderen. + +Daardoor doen ze die opgroeiende kinderen te kort. + +Over 't algemeen worden onze „jongelingen” en „jonge meisjes” +opvoedkundig niet zo goed verzorgd als de „kinderen”. Hun halfslachtige +positie typeert hun hele leeftijd en komt reeds uit in het gemis van een +eigen naam. Er zijn kinderen en volwassenen. En daar tussen in? + +Heeft men er wel eens aan gedacht, hoe impopulair de namen „jongelingen” +en „jongedochters” zijn? We durven ze haast niet te gebruiken. Met heel +veel gemak spreekt iedereen over kinderen, maar we voelen aanstonds +enige en soms grote stroefheid in onze spraakwerktuigen, als we 't +over jongelingen en jongedochters moeten hebben. Die woorden willen +ons niet familiaar worden en schijnen zich alleen tuis te gevoelen +in deftige verbindingen als „Christelijke Jongelingsvereeniging” en +stijve toespraken. Voor dit opgroeiend geslacht hebben we geen eigen, +vertrouwlike, inheemse namen, waarmee het volk in al zijn lagen voor +den dag durft komen, en de wetenschappelike opvoedkundige schrijvers +der laatste jaren vergasten ons op het woord _pubers_. Al herinnert +dit woord eraan, dat deze knapen en meisjes in de puberteitsperiode +zijn, is het daarom een woord, waarmee een gewone liefhebbende moeder +haar kinderen kan aanduiden? „Uw jongens en meisjes zijn gelukkig de +kinderleeftijd te boven, mevrouw!”—„Ja, meneer, dat zijn gelukkig al +pubers.” Neen, dat gaat niet. + +Dan maar liever gesproken van „jongemannen”, „jongeheren”, „jongedames”, +al bewijzen deze woorden duidelik, dat de betrokkenen geen eigen namen +bezitten, maar tevreden moeten zijn met die der volwassenen voorafgegaan +door het beperkende „jonge”. Te groot voor een servet en te klein voor +een tafellaken, moeten ze het stellen zonder eigen disdoek en zich in +vredesnaam met het tafellaken der ouderen maar leren zindelik houden. +Ze hebben een eigen positie, een eigen karakter, eigen noden, maar deze +worden niet derwijze erkend, dat er ook eigen namen, eigen rechten, +eigen voorzieningen komen. + +Laat de eigen namen dan weg blijven, indien de eigen rechten maar +toegekend en de eigen voorzieningen verschaft worden. Nog oneindig meer +dan bij de opvoeding der kleinen is waarheid nodig in de omgang met de +groten. Voor hen kan het een levensredding zijn. + + * * * * * + +Doch nu wordt er van de ouders grote zelfverlochening geeist. Hoe +gaarne ze ook zagen, dat de jongelui de ideeën, idealen, beschouwingen +der ouders deelden, ze moeten het kunnen verdragen, dat het precies +omgekeerd is en de jongeren met hun denkbeelden en toekomstplannen +lijnrecht tegenover hen staan. + +Vader en Moeder zijn steeds rechtzinnig godsdienstig geweest en hebben +hun kinderen trouw in die geest opgevoed. Nu komt er echter twijfel in +de harten dier kinderen. Een maar al te verklaarbare twijfel. Hun gemoed +komt in opstand tegen de voorstelling van een God, die zoveel zonde en +ellende toelaat ondanks zijn liefde en almacht, hun verstand heeft geen +vrede met het aannemen van waarheden, die strijden met rede en natuur. +Ze kunnen onmogelik geloven, dat water in wijn veranderd wordt en een +dode opgewekt, en alles in hen verzet zich tegen een Vaderliefde, die +een enige Zoon aan het Kruis doet nagelen, om door dat offer te voldoen +aan de eis der gekrenkte rechtvaardigheid. Zij zouden zelf zo geheel +anders doen, zij zouden geen „wonderen” nodig hebben om hun goddelikheid +te bewijzen en deze goddelikheid liever getoond hebben in het +_voorkomen_ van de zonde bij de mensenkinderen, dan in het offeren van +een enig kind nadat die mensenkinderen eerst in de zondeval waren +gelopen. + +Ze voelen er iets zo bitter, bitter oneerliks in: eerst de mensen +scheppen met eigenschappen, die hen zéér zeker zullen doen vallen en hun +daarna die val verwijten en ze ervoor straffen. En dan nog aan te nemen, +dat de niet alleen almachtige dit gans anders had kunnen inrichten, maar +de alwetende dit alles reeds van te voren wist, dat Hij, aleer de mensen +in 't aanzijn te roepen, reeds wist dat zij vallen zouden! Hoe, in +vredesnaam, blijft er voor die arme verdoolden, wier lot reeds lang te +voren bepaald was, enige verantwoordelikheid over voor bedreven schuld! +Indien hier schuld is, dan voorwaar niet bij deze slachtoffers, wier +lot was voorzien en voorzegd, en die, door goddelike almacht gedwongen, +door een goddelik raadsbesluit genoodzaakt, wel móésten vallen! Waren +de mensen zondenvrij gebleven, dan ware het goddelike raadsbesluit +niet uitgevoerd! De ongehoorzaamheid in het Paradijs was dus, in +eeuwigheidslicht beschouwd, eigenlik gehoorzaamheid. De eerste mensen +gehoorzaamden, en juist door hun overtreding, aan hetgeen de almachtige +reeds van eeuwigheid her besloten had. Maar moest hun die +„gehoorzaamheid” dan als vergrijp worden toegerekend? + +Het is voor rechtzinnig gelovende ouders smartelik, als hun kinderen +met deze critiek tot hen komen, te smarteliker, waar zij er ongoddelike +machten in zien werken, eigengerechtigheid en geestelike hoogmoed, +eigenwillige dienst des verstands, en vrezen dat de zielen, in de greep +van Satan, verloren zullen gaan. Voor waarlik gelovenden openbaart zich +hier niet een „verschil van zienswijze”, waarover te redeneren valt, +maar een _zwenking in zielerichting_, die—als God het niet verhoedt—op +verderf, op eeuwige rampzaligheid moet uitlopen. Oppervlakkig ongeloof +denkt hier zo licht over en ziet slechts een onderscheid van +beschouwing. Maar hoe voelen ongelovige ouders het, als hun meisjes, +hun huwbare dochters, aldus redeneren: „Die sexuele zelfbeheersing is +eigenlik onzin. Wij zijn geschapen met drang naar het moederschap. Aan +die drang moeten we voldoen. Dat is niet alleen gans rein en natuurlik, +het is zedelike plicht, het is gehoorzamen aan levensroeping. Huweliken +zijn maar menselike instellingen, verre daarboven gaat de zuivere +bevrediging van de spontane, ongereglementeerde behoefte onzer +scheppingsrijpe natuur. En in plaats van zonde is het deugd, wanneer een +meisje een onecht kind krijgt. De onechte kinderen zijn juist de echte.” +Houdt een moeder, al is ze nog zo vrijzinnig, haar hart niet vast, +wanneer die gedachten in haar dochter opkomen? En hoe denkt die uiterst +verlichte vader erover, wanneer zijn achttienjarig kind, in eerlikheid +van overtuiging, die „weg der natuur” op wil? Gedachten zijn maar niet +ijdele hersenspinsels, het zijn de verstandelike lijnen en figuren, +waarin zich de gemoedsbewegingen, de neigingen, aan het bewustzijn +openbaren. En het is alleszins begrijpelik, wanneer de verlichtste +vrijzinnigheid onrustig wordt, wanneer dergelike gedachten door +jonkvrouwlik verlangen worden gevormd en geuit: Er dreigt voor ouders +en kind—zij het nog slechts in de verbeelding—nameloze ellende, een +volkomen verbrijzeld leven. Doch hoe, lieve vrijzinnige, moet het dan +ouders te moede zijn, die, in door u aangemoedigde en geprezen critiek +op geloofswaarheden, de donkere wolken zien aandrijven van een noodweer, +dat, losbarstend, _eeuwige_ ellende veroorzaakt in een volkomen +verbrijzeld zieleleven? Gevallen meisjes zijn nog op te richten, de +gevallen engelen zijn onredbaar in de afgrond gestort. + + * * * * * + +In critiek op geloofswaarheden openbaart zich een zielerichting, en +deze is het, die gelovige ouders met angst vervult. Te meer reden voor +die ouders, om aan zulke critiek niet het zwijgen op te leggen. Laat +de jongeren maar uitzeggen, volkomen eerlik uitzeggen, wat er in hen +omgaat. Dan hebben de ouders de beste gelegenheid, invloed te oefenen. + +Doch ik zou nog verder willen gaan. Laat de jongeren niet alleen zeggen +wat ze denken, maar, kunnen ze niet meer bidden, verplicht ze dan +niet tot een huichelend vertoon; voelen ze zich in de kerk niet meer +tuis, dwing ze dan niet tot kerkbezoek. Er is geen groter zonde dan de +leugen en terecht wordt Satan de vorst der leugenen genoemd. Leugen is +duisternis. En wie zich in de duisternis rustig voelt, zoekt nooit naar +het licht. Liever openlik bekend en getoond, wat er in ons omgaat, dan +een schijnleven geleid, dat anderen en ons zelf bedriegt. + +Dit geldt ook in gevallen, wanneer, juist omgekeerd, de kinderen tegen +de zin der ouders, zeer rechtzinnig worden. Het „Leger des Heils” +vindt men heel mooi, vooral sinds de Generaal aan vorstelike hoven +is ontvangen, maar men acht het toch minder wenselik, dat zijn eigen +kinderen er in dienst nemen: dan is er iets dweepzieks en zelfs iets +ordinairs in. Zie nu toch: in plaats dat de ouders zich verheugen over +de ernst hunner kinderen, welke geen vrede heeft met vrome praatjes maar +pas rust vindt in _doen_—de daad is toch pas de waarachtige uitzegging +van ons zijn—tonen die ouders zich bang voor eerlikheid en zien ze hun +kinderen maar 't liefst streberig afstevenen op een mooie, voordelige +en vooral fatsoenlike positie. Ze willen hun kinderen wel doen aannemen +tot lid van een kerkgenootschap en behoorlik naar de kerk zien gaan, +dat staat netjes, is ook meermalen niet onvoordelig, maar hun meisjes +te zien meetrekken met „het Leger” of hun jongens te horen praten van +„zendeling-worden”—dat geeft zo'n akelig gevoel van onrust. + +Niet anders is het, wanneer de jongeren in het sociale en politieke +leven een andere richting willen inslaan dan de ouders, wanneer de +dochter voor vrouwenkiesrecht gaat ijveren en de zoon zich bij de +sociaal-democratie aansluit. Dan loopt menig ouder langs het water van +'t leven, als moeder kip, toen een van haar kuikentjes niet in 't droge +zand bleef scharrelen, maar brutaal te water ging. Angst, angst, angst, +dat het kind verdrinken zal. Maar als dit kind nu in 't water zijn +element vindt? + +Jongeren, als ze _echt_ zijn, móéten rood zijn, rood in godsdienst, +rood in politiek, rood in ieder opzicht. Rood is de kleur van de +dageraad. We weten immers dat dage_raad_ letterlik wil zeggen +dage_rood_? Wat jong is, kent het leven niet, kent zichzelf niet, ziet +alleen zijn ideaal van volmaaktheid en wil dit verwerkeliken. Heerlike +jonglingschap! Wat jong is, gelóóft! Gelooft, ook al zegt het van +geloof niets te willen weten. Gelooft in gelijkheid, in broederschap, +in sociale rechtvaardigheid, in den adel der menselike natuur, in +verwerkeliking van humanitaire denkbeelden, in een hemel op aarde! En +_dit_ geloof is _echt_ gelóóf. Het is niet een verstandelik voor waar +houden, niet het gevoelloos onderschrijven van een belijdenis, van een +programma, maar het is een in 't diepst der ziel overtuigd zijn, het +is een volkomen _gemoedsverzekerdheid_. Ach ja, ze menen wel, recht +verstandelik te zijn en hun opvattingen zuiver te kunnen beredeneren, +maar dat nemen we op den koop toe. Hoofdzaak is, dat ze het geloof in +zich hebben als een gemoedskracht, die hen drijft en sterkt. En dit +geloof, al kleedt het zich vaak, naar de eisen van deze tijd, in +sociaal-democratiese denkbeelden, is het behoud der mensheid. Daardoor +ontspruit in elke nieuwe lente der mensheid nieuw groen. Zonder dat zou +de boom tenslotte niets hebben dan dorre, verkleurde bladeren, en +sterven. + +Daarom, maak u niet bekommerd, als uw kinderen „rood” worden. Verheug +u veeleer. Mits ze het _echt_ zijn. Mits ze vol zijn van barmhartig +meegevoel, niet alleen machtig in de critiek, maar bovenal bewogen door +reddingsliefde tot al wat zwak en misdeeld is. Werkt deze _liefde_ in +hen, geloof gij dan maar dat ze met christendom zijn ingeënt, ook al +menen ze, door verkeerd begrip, voor 't ogenblik op het christendom te +moeten afgeven. Verkeerd begrip is wel een droevig ding, maar véél +droeviger is een verkeerde harteneiging. Dat begrip komt wel weer +terecht, maar er moeten geweldige krachten komen, om een zelfzuchtige te +bekeren, dat is: om te keren, tot een toewijdende. Waar toewijding is, +is het beste wat een mens hebben kan. Terecht zingt een onzer psalmen: +„Waar liefde woont, gebiedt de Heer zijn zegen,” en durft zelfs +getuigen: „Daar woont Hij zelf.” + +Daar woont Hij zelf. Stouter kan het niet gezegd worden. Maar dan moeten +we er ook wel diep van doordrongen zijn, dat er zuivere liefde werkt +en niet anders dan deze. Wie zich „rood” noemt en dit meent te moeten +tonen door schampere critiek, lasterend ondermijnen, boosaardig verdacht +maken, felle haat, die is een niet minder groot huichelaar dan de +schijnvromen die hij bestrijdt. Want ook hij, onder de vlag van het +mensenminnend idealisme, dient slechts zijn eigen zelfzucht van een zeer +laag gehalte. + +Wanneer nu onze opgroeiende kinderen, gedreven door liefdevol medelijden +en edele rechtvaardigheidszin, zich—zij het in kortzichtigheid—stellen +tegenover onze godsdienstige of sociale of staatkundige beschouwing +en zich zelfs willen aansluiten bij onze tegenpartijders, behoeven we +daarover niet te treuren en past ons in geen geval dwang, die hen tot +een onoprechte positie verplicht. Onze beste houding is: de kinderen +volle vrijheid te geven, en ze daarbij de eis te stellen: Wees wat ge +zijt, maar wees het echt. + + * * * * * + +In de gelijkenis van „De verloren zoon” wordt ieder getroffen door de +blijdschap, waarmee de vader zijn berouwhebbend kind weer ontvangt. +Het kind is van de vader afgedwaald, heeft al zijn geld verkwist in +„liederlik leven”, en keert daarna pas terug. De twijfel is volkomen +begrijpelik, of dit berouw wel het echte is. De zoon komt tot inzicht, +als hij niet meer heeft, honger moet lijden, en zich niet eens mag +voeden met zwijnendraf. Letterlik uit armoede zoekt hij zijn vader weer +op, en zijn berouw komt pas in de bitterste nood. De vader vraagt echter +niet, of de omstandigheden dit berouw niet een beetje verdacht maken. +Hij laat zijn kind niet eens de tijd, woorden van berouw te uiten. Toen +hij zijn zoon van verre zag, werd zijn hart door medelijden bewogen, +liep hij zijn kind te gemoet, viel hem om de hals, en kuste hem. En +wanneer de verarmde verkwister uitroept: „ik heb gezondigd tegen de +hemel en voor u en ben niet meer waard, uw zoon te heten”, is het +antwoord niet een verwijt, een strafpredikatie, een instemming, zelfs +niet een dankuiting voor dit blijk van berouw, maar zegt de vader tot +zijn knechten: „Haalt aanstonds het beste feestkleed en trekt het hem +aan,” en laat hij—een feestmaaltijd aanrichten! + +Die vader is prachtig en we mogen ons maar innig gelukkig prijzen, dat +ook ons berouw niet krities onderzocht wordt, wanneer we ten slotte +uit de zelfbewerkte ellende, uit de smartvolle gevolgen onzer zonden +vluchten naar zulk een Vader, die ons ook nog aannemen wil als we „uit +armoede” tot hem komen. + +Toch is deze trek van vaderliefde niet het enige, wat ons deze +gelijkenis zo geliefd maakt. Heel in 't begin komt in de houding van +de vader iets naar voren, dat niet minder opmerkenswaard is en door +velen voorbij wordt gezien. Wanneer de zoon zegt: „Vader, geef mij mijn +kinderlik erfdeel” horen we alleen, dat de vader het goed onder de twee +verdeelde. En wanneer de jongste zoon daarna ver weg reist naar een +vreemd land, horen we niet, dat zijn vader hem dit verbood. + +Deze houding van de vader is zeer zeker ongewoon. Zullen er veel +vaders zijn, die zonder bezwaar hun kinderen het hen toekomende +geld uitbetalen? Zullen de meesten zich niet gegriefd tonen, als +een ongehuwde zoon—zonder dat zijn „zaken” het eisen—zijn erfdeel +opvraagt? Zal dit niet verwijdering geven tussen vader en kind? En wat +zal daarna de vader doen, als zijn zoon met dit geld de wereld intrekt, +om ervan te genieten? Zal de bezorgdheid over de toekomst van zijn kind +niet verergerd worden door de vrees voor het verlies van zijn geld? Met +het uitbetalen van het kinderlik erfdeel bracht de vader en zijn zoon én +zijn geld in gevaar. En toch deed hij het. + +En we horen niet, dat hij erbij murmureerde. We horen alleen, dat hij +het deed op het vragen van zijn zoon. De zoon vroeg en de vader gaf. En +meent ge, dat de vader de zinnelike neigingen, de lichtzinnige aard van +zijn kind niet kende? De vader gaf, hoewel hij—ja misschien wel, omdat +hij zijn kind kende; hoewel—misschien omdat hij de toekomst voorzag. De +vader gaf en liet zijn kind gaan. + +Nog eens, deze houding is ongewoon. Ze is niet menselik. Dat durven +we niet. We zijn te bang, voor ons geld en voor ons kind. Wie van ons +durft een heel erfdeel te wagen aan de levensvorming van zijn kind? +We zetten liever het kapitaal voor hem vast. En wie durft—de vraag is +diep-ernstig, al schijnt ze ongerijmd—wie durft de maatschappelike +welvaart, de goede naam, de gezondheid van 't kind te wagen aan zijn +zedelik heil? We zetten ook liever het kind vast in verboden en +angstvallig bewaarde schijnbraafheid. + +Wie heeft zijn zoon zo lief, dat hij hem kan zien verongelukken, wetende +dat alleen ervaring hem wijs, smart hem beter kan maken? + +Neen, ik vraag niet: Wie wil zijn kind ongelukkig maken? Ik vraag ook +niet: Wie ziet met blijdschap, dat een kind zichzelf ongelukkig maakt? +Ik weet veel te goed, dat het ouderhart wegkrimpt van smart, als het +kind verongelukt. + +Maar ik vraag: Wie durft het voorbeeld van de vader uit de gelijkenis te +volgen? Wie durft zijn geld, zijn goed, zijn naam, zijn gemoedsrust, +zijn liefde eraan te wagen, als hij weet, dat zijn eigenzinnig, +lichtzinnig, genotlievend kind slechts gered wordt door ondergang? + +Dat durft alleen, wie het zedelik louteringsproces hoger stelt dan +de glimmendste schijnbraafheid; wie het om de waarheid en niets dan +de waarheid te doen is; wie zijn kind de leerschool van 't leven kan +insturen en niet vraagt naar het schoolgeld, maar naar de grote les die +daar geleerd wordt en die de verloren zoon bij zijn tuiskomst _uit eigen +hart_ opzei zonder dat iemand ze hem had voorgezegd: „Vader, ik ben niet +waard uw zoon genaamd te worden, maak mij tot een van uw huurlingen.” + + * * * * * + +Het komt niet in me op, iemand de ouderzorg van een „verloren zoon” toe +te wensen, maar die zorg kan men niemand besparen aan wie ze opgelegd +is. In dat geval is er voor hem een troost: De „verloren zoon” is +dikwels de verloren zoon niet. Hij komt weer terecht na en zelfs door +zijn afdwalen. Maar de eigengerechtige, naijverige, wangunstige oudste +broeder, die zo braaf, voor zichzelf zorgend, bij zijn vader bleef, +hij is de eigenlike verloren zoon, verdwaald in geestelike hoogmoed +en zelfzucht. Het is de vraag, of hij—ofschoon hij dageliks met hem +omgaat—ooit zijn vader vindt. Jezus had het meest te kampen met de +Farizeeërs. + +Maar dan is er toch ook iets te doen, om, als de gevaarlike jaren komen, +het gevaar voor afdwalen te verminderen. + +Herhaaldelik hebben we er op gewezen, hoe waarheid in 't verkeer met +de kinderen vertrouwen kweekt. Wie dit vertrouwen van jongsaf doet +aanwassen in kracht en zuiverheid, zal ervaren hoe het én de opvoeders +én de jongemensen tot steun kan zijn. Het is heerlik te zien, hoe +opgroeiende jongelingen en jongemeisjes dan met al hun noden bij de +ouders komen. Met _al_ hun noden. + +Ik wéét het, hoe in zulke gevallen jongelingen met hun godsdienstige +worstelingen en, wat misschien nog meer zegt, met hun strijd tegen +zinnelike driften bij bij hun vader kwamen, deze om raad, om bijstand +vroegen, ook in het bestrijden van geslachtelike zwakheden, hoe ze hun +vader alles beleden, uit eigen beweging, en de maatregelen toepasten, +door vader aanbevolen, hoe ze met vaders hulp streden en overwonnen. + +Ook wéét ik, hoe verliefde en verloofde meisjes alles met moeder +bespraken, zo eenvoudig, zo oprecht, zo rein, en met een gemakkelikheid, +die voor de meerderheid der mensen een ondenkbaarheid is. + +De meerderheid der mensen? Het ontbreekt hun aan ernst, aan moed, aan +waarheidsliefde. De fout is niet bij de jongeren. Als zij bij waarheid +worden grootgebracht, zijn ze in niets verlegen, om ermee bij de ouders +te komen. Maar de ouders zijn verlegen. Die vervreemden hun eigen +kinderen van hen. En daarvan openbaren zich later vaak de treurige +gevolgen. + +Slechts een heel kleine minderheid, slechts betrekkelik zeer weinige +ouders durven onafgebroken volkomen waar met hun kinderen om te gaan. +Doch zij zullen weten, hoe het vertrouwen, reeds vroeg ontwikkeld, +later, als van alle kanten de gevaren dreigend kwamen opzetten, de +zegenrijkste vruchten droeg. + +Wie vertrouwen wil maaien, dient het tijdig te zaaien. + +Niet overal, waar het aan waarheid ontbrak, vertoonden zich noodlottige +gevolgen. Gelukkig. Maar dit mogen we veilig zeggen: zeer vele +misstappen met de daaraan verbonden smarten hadden voorkomen kunnen +worden, indien de ouders de liefde, de wijsheid, de moed hadden bezeten, +de zelfverlochening en soms ook de zelfopoffering, om _gedurende de +ganse opvoeding hunner kinderen_, van de wieg tot de bruiloftskoets, de +waarheid te doen heersen. + +Ik zou het verloofden en jonggehuwden, op grond van rijpe ervaring, wel +op 't hart willen binden: Waag het maar. Ge zult eens zien, hoe innig +en rijk de omgang tussen u en uw kinderen wordt. Bezwaren? Ze bestaan +niet, ze vernevelen, verijlen, vervluchtigen. Vrees maakt ze massief, +vertrouwen doet ze verdampen. En dan zult ge ook ervaren hoe ge, +derwijze uw kinderen opvoedend, tevens uzelf opvoedt. Want waarheden, +die we onze kinderen moeten zeggen, houden onszelf onder tucht. + + * * * * * + +„De eerste deugd is waarheid.” + +We hebben dit oordeel van Beets aanvankelik in 't midden gelaten. Nu we +echter onze beschouwingen hebben geëindigd, willen we die uitspraak nog +even onder de ogen zien. Is waarheid de eerste deugd? + +Het komt mij voor van niet. + +Wie zich alleen door waarheid laat leiden en in de eerste plaats met +haar te rade gaat, doet vaak nodeloos pijn. + +Het is waar, dat uw gelaat lelik is, dat uw neus uw gehele uiterlik +ontsiert. Is het nodig, dat ik u deze mijn mening vooral niet onthoud? + +Grofheid, hardheid, onbeschaamdheid besparen ons menige krenkende en +kwetsende ervaring niet, zogenoemd in dienst der waarheid. Dan menen ze +aan de waarheid verplicht te zijn, ons vooral het onaangename te zeggen. +Het aangename? Dat zou op vleierij kunnen lijken. Maar het onaangename. +Dat is eerlik. + +Ik geloof niet, dat dergelike eerlikheid goed doet. Ze maakt de spreker +gevoelloos en onbarmhartig, berokkent de hoorder nodeloos verdriet. + +Waarheid is een gevaarlike eigenschap, wanneer ze niet terzij wordt +gestaan door kiesheid en liefde. Dan is ze een scherp mes, dat niet +alleen zieke plekken opereert, maar ook in 't gezonde vlees snijdt en +het lichaam verminkt. Ze ontstemt, verbittert, verhardt, wekt wrevel en +weerwraak. + +Waarheid moet ons heil beogen en alleen met dit doel aangewend worden. +Zij moet voortvloeien uit liefde en geleid worden door liefde. Zij moet +_dienares_ wezen der Liefde. Eerst dan kunnen we haar zonder bezwaar +gebruiken. + +Dienares. Het lijkt een vernederende positie. De Waarheid—dienares! De +Waarheid—waar de mensen zo groot van opgeven! + +En toch, het is niet anders. Zij is middel. In dienst der +boosaardigheid, der haat, een vreselik middel. In dienst der Liefde een +heilmiddel. + +„Al ware het”, zegt Paulus, „dat ik de talen der menschen en der Engelen +sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of +luidende schel geworden. + +„De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet +afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet +opgeblazen. + +„Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, +zij verdraagt alle dingen.” + +Kennis—zij zal te niet gedaan worden. En gelukkig, want wij, +hardvochtige waarheidszeggers, „wij kennen ten deele.” + +Maar „de liefde vergaat nimmermeer”. + +„En nu blijft”, zegt de apostel ten slotte, niet waarheid, maar „geloof, +hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.” + + + + +VII. AFKEURING EN WAARDEERING. + + +Hoe weldadig werkt na afkeuring de waardeering. Doch hoe eigenaardig en +hoe droevig, dat in 't menschenleven bijna altijd de eerste voorop gaat. +'t Lijkt wel, of de menschen die u iets onaangenaams te zeggen hebben +zich hiermee moeten haasten. Verzwijgen kunnen ze 't niet: dat zou +hun „eerlijkheid” niet gedoogen; en ze gebruiken de eerste de beste +gelegenheid—of ongelegenheid—om u te believen, gelijk ze meenen, doch +eigenlijk om u te grieven. En als ze u dan getroffen hebben, diep +getroffen, dan zwijgen ze en gaan heen. + +Maar dan komt de milder gestemde, die ook oog voor uw goede +eigenschappen heeft, en aarzelend, schuchter waagt hij het, u van zijn +ingenomenheid te spreken. Den brief, dien hij reeds voor u geschreven +had, heeft hij weer vernietigd, omdat hij vreesde van vleierij te worden +beschuldigd of misschien van huichelarij. Niet waar, de eerlijkheid +gebiedt ons alleen, onze naasten te kwetsen. Streelen is veinzen. Doch +gelukkig, zulke „veinzers” zijn er nog, en de verscheurde brief moge al +niet in uw handen komen, na maanden wordt er een tweede geschreven en +die bereikt u wel. + + + + +VIII. ZAAKONDERWIJS. + + +Zaakonderwijs—o, daar meent die man mee, dat je de kinderen alles echt +moet laten zien, en dat je geen woorden moogt gebruiken. + +Wie zo spreekt, nu, die heeft het glad mis. + +Geen woorden gebruiken? + +Maar dat doe ik op dit ogenblik toch zelf, nu ik zaakonderwijs ga geven +over zaakonderwijs. + +Hoe zou een leraar in geschiedenis de zaken uit het verleden kunnen +meedelen zonder woorden? + +Als die man aan zijn jongens verhaalt van Napoleons tocht naar Rusland, +zo levendig, dat de jongens er met hun hele hart bij zijn, dan _geeft_ +hij zaakonderwijs, zo mooi als je 't maar denken kunt. + +En als hij zijn jongens bracht bij oude gevels, dus bij de dingen, en +hij opende hun ogen niet door zijn woorden, of hij liet ze documenten +zien, b.v. handschriften, die ze niet begrepen, dan gaf hij _geen_ +zaakonderwijs. + +Zaakonderwijs—dat is, je leerlingen bij de werkelikheid brengen, zó, +dat ze haar zien, de werkelikheid van het nabije of het verre, in plaats +of tijd, op zinnelik of geestelik gebied. En daartoe gebruiken we de +dingen, de modellen, de afbeeldingen, maar naast en zelfs bij dat alles +toch ook de woorden. En daartegenover staat: formalisties onderwijs, +waar geen leven in zit en dat geen leven wekt. + +We gaan samen naar het Rijksmuseum, ik wijs u Rembrandt's Staalmeesters +en zeg: Dit is een wonder van schoonheid. Gij zegt: die mannen met die +hoeden? Van dat mooie zie ik niets. En toch is het zo, houd ik vol, want +heel de wereld zegt het. + +Heb ik u nu bij Rembrandt's schoonheid gebracht? Rembrandt was er in +al zijn schoonheid, en gij waart er ook. Gij stondt tegenover elkaar. +Maar er was geen aanraking. Die schoonheid bleef voor u verborgen. +Ondanks uw geopende ogen zaagt ge niet. En nu bedoelt zaakonderwijs: +uw ogen te openen, dat ze _wel_ zien. Zolang Rembrandt's schoonheid +u niet ontroerd heeft, is al uw opgeven daarvan maar napraterij, +formalisme, dode kennis. Daarom vordert zaakonderwijs twee dingen: de +vatbaarheid van de leerling om te begrijpen, te gevoelen, en de kunst +van de meester, om die vatbaarheid in werking te brengen. De gevoelige +plaat moet er zijn èn 't zonnelicht, en anders krijg je nooit een +photografie. De hele kunst van onderwijzen bestaat in het wekken der +geesten, zodat de leerlingen—kleine en grote—zelf de stoffelike en +geestelike realiteiten gaan zien en ervaren. En wie zulk onderwijs +geeft—Fröbelonderwijzeres, leraar, predikant, professor—die geeft goed +zaakonderwijs. + +Onze gehele school, lagere en hogere, zit vol van pakhuiskennis. Kisten +en balen vol worden geladen en overgeladen. Dat goedje leeft niet, 't is +alles netjes ingepakt ter verzending. Hoeveel studenten in de letteren +komen in aanraking met de ziel der dichters, verklankt in hun taal? +Ze „leren” literatuur, zoals onze kleine studentjes in de lagere +school leren: „Op de kleigrond worden verbouwd tarwe, haver, bonen, +suikerbieten, vlas, cichorei, enz.” Hebben ze die, al is 't in de +schooltuin bij de botanieles, ooit leren kennen? Neen, nimmer, tarwe +niet, haver niet, bonen niet, suikerbieten niet, vlas niet, cichorei +niet, en enz. ook niet. 't Hoeft ook niet, als ze 't maar kunnen +opzeggen. + +Daartegen nu gaat het pleiten voor zaakonderwijs. Niet tegen het +opzeggen, maar tegen het _enkel_ opzeggen. Tegen de vernisbeschaving. +Tegen de schijncultuur. + + + + +IX. DE W. + + +Alles stroomde de stad in. Uit de buitenwijken zag je overal donkere +rivieren van saamgedrongen menschen zachtjes door de straten vloeien, +over de pleinen en bruggen, naar het centrum: zwarte stralen van een +vreemde komeet, die, door de kern uitgezonden, nu weer werden +ingetrokken. + +Hoe dichter je het midden der stad naderde, hoe dichter de massa werd, +totdat eindelijk, in 't hart der stad, op het ongeveer ronde plein, +een groote schijf van rusteloos krioelend leven alles ontving en na +warrelende wiegeling weer uitstuurde. + +'t Was een feestavond, de stad was schitterend geïllumineerd, en +natuurlijk het schoonst op het oude, uitgestrekte hoofdplein en in de +voorname winkelstraten. + +De menschen zochten het licht, evenals de avondvlinders. + +Misschien was ik de eenige, die tegen den stroom introk. Al dat +geflikker en geschitter, al die vurige lijnen en lichtkleurige slingers, +al die stralende schoonheid kon me ditmaal niet bekoren, en ik ging, +alleen, uit de heete volte naar de koelte, de leegte en de donkerheid +van een nieuwe arbeiderswijk in een afgelegen grensgedeelte der stad. + +'t Was daar donkerder dan gewoonlijk. Alleen de straatlantaarns +brandden. Het licht in de winkelkasten had men maar niet aangestoken: er +zouden vanavond toch geen koopers komen en de winkeliers waren zelf ook +de stad in. + +De huizen hadden een ongezellig voorkomen. De meeste vensters waren +donkere vlekken. Slechts spaarzaam zag je door een neerhangend gordijn +wat gelig schijnsel. Dat was bij oudjes of zieken. + +Een vredige rust omving me. Hoe stil was het hier. Ik hoorde mijn eigen +voetstappen. Tusschen twee lantaarns was het donker genoeg, om hoog, +heel hoog, de sterren te zien—fijnstralende goudpunten in blauwzwarten +hemel—koele lichten der eeuwigheid. + +Toen sloeg ik een zijstraat in, en daar zag ik, in de verte, lichtjes. +Lichtjes aan den voorgevel van een huis. Een illuminatie! + +Een eenzame illuminatie midden in de verlatenheid. + +Ik ging er heen. 't Was een W van rood-geverfde latjes. Vier vetglaasjes +in de bovenste rij, drie in de middelste, twee in de onderste. Met +elkaar negen. 't Waren er niet veel, maar ze brandden alle zuiver. En +ze werden niet overschitterd door helgele flikkering van vlammend gas +of koudwitten glans van booglampen. Ze hadden hier het rijk alleen. + +Boven de W waren twee bochten van geplooid vlaggedoek, met wat +sparregroen, en aan beide uiteinden oranjestrikken, als ter weerszijden +van een paardekop. + +En onder de W zat op een stoel, naast de huisdeur, een jongetje van een +jaar of tien: eenzaam figuurtje bij de eenzame illuminatie. + +Ik bleef staan, om de verlichting rustig te bekijken. + +Toen stond het jongetje op, maar nam eerst een paar krukken terzij van +zijn stoel. Daarna wentelde hij zich met een eigenaardige slappe +slingering naar mij toe, en stond met een paar zwaaitjes naast me. + + * * * * * + +Hij wachtte blijkbaar dat ik wat zeggen zou, verwachtte wellicht een +woordje van lof, en daarom zei ik: „Wat een mooie W! En wat branden ze +mooi!” + +Toen kwam het mondje los, helder jongensstemmetje in de straatstilte, en +ik hoorde de heele geschiedenis. + +Die W had hijzelf gemaakt, met zijn vader. Eerst hadden zij een paar +latten gekocht, en die hadden ze in stukken gezaagd, precies op maat, en +die hadden ze aan elkaar getimmerd, een echte W. En 't was een groote, +want toen hij op de tafel lag, staken de punten aan alle kanten buiten +den rand uit. Maar dat kon Meneer wel zien. „Hij is bijna zoo groot als +ik.” + +Met liefdevollen trots keek de jongen naar zijn W op. + +En toen had hij hem mogen verven, heelemaal alleen, rood, ziet u wel. +En vader had er de ijzertjes in gestoken—eerst gaatjes geboord—en +hem opgehangen. Dat vlaggedoek had moeder genaaid, op de machine, drie +banen. En die strikken, daar, op zij, ziet u, had moeder ook gemaakt. + +Kind—dacht ik—wat ben jij gelukkig! + +En toen had vader er vanavond de vetglaasjes ingezet en die tegen donker +aangestoken. En ze brandden dadelijk mooi. + +Waar vader was? O, die was met moeder naar de illuminatie kijken. Zijn +zusje was ook mee. Maar hij kon natuurlijk niet. 't Was te vol. Maar +dáárom had vader met hem samen ook een illuminatie gemaakt. + +Was hij dan alleen thuis? Neen, grootmoeder zat binnen. Maar die zat +zeker een beetje te slapen. Ze was ook al oud. Maar daar straks was ze +toch buiten geweest en ze had de W natuurlijk ook zien branden en ze +vond het ook prachtig. + +Zoo vertelde hij me alles. Hij zag wel, dat ik veel belangstelling had +en dat ik genoot. Maar hij dacht, dat het alles zijn mooie W gold. Hij +kon ook niet vermoeden, dat ik belang stelde in _hem_ en genoot van +_hem_. Wat was hij? Maar die W! + +Toen ik afscheid genomen had, ging het eenzame figuurtje weer zitten, +dicht bij zijn W, zijn eigen W, door vader en hem zelf gemaakt. Voor +ik aan 't eind der straat den hoek omsloeg, keek ik nog eens om. Het +jongetje was niet meer te onderscheiden; maar zijn eenzame verlichting +straalde nog op een afstand, midden in de omringende schaduwen. + + * * * * * + +Weer ging ik in mijn eentje verder door de stille straten, maar nu +stadwaarts. En ik dacht: Zouden er vanavond velen zoo innig en zoo +rustig en zoo dankbaar van de illuminatie genieten als dat lamme kind? +Vaders liefde straalt hem uit de negen lichtjes tegen. En symboliseert +de eerste letter van den naam onzer Koningin hier niet ook de +Weelde van zijn eigen Werk? Het zelfgemaakte, het eigene, het niet +overschitterde—is dat niet de reine bron van zijn onvermengd genot? + +Wat maken we het ons toch moeilijk! En hoe vaak wordt onze +levensblijheid vergiftigd door jaloezie en nijd! + +De straatlantaarns verspreiden hun waaiers van geel licht nog over mijn +verlaten weg. Maar als ik, in de schaduw tusschen twee lichtwaaiers, +omhoog zie, tintelen daar weer de stille sterren. Die behoeven wat +duisterheid om gezien te worden, als de vreugde van het eenzame +jongetje. + + + + +X. HET GELUK. + + +I. + +Het geluk is een stemming. + +Dat is dus iets heel ijls. + +Je kunt het niet pakken, niet vasthouden, niet vóór je zetten, niet bij +je steken, niet opsluiten. + +Het is als het aroma van een bloem. + +Maar dan eigenlijk nog precies het tegenovergestelde. + +Want de bloemengeur is iets zwevends, we kunnen hem opvangen, +verdichten, vloeibaar maken, meedragen, er ons mee verkwikken wanneer we +willen. + +Doch het geluk is niets, absoluut niets. Men kan niet zeggen: het +is minder dan het denkbaar kleinste stofdeeltje, want dan zou het, +bij toeneming, bij vermenigvuldiging, misschien nog éénmaal op te +vangen zijn, op de fijnste punt van de fijnste naald. Maar het is +met geen stofdeeltje te vergelijken, het is met niets in de wereld te +vergelijken, het bestaat niet in de wereld. Zelfs niet in het heelal. +'t Is dan ook onzin te spreken van het ijle geluk. IJlheid en dichtheid +komen alleen te pas in de wereld der stof. Wat ijl is moet onder +omstandigheden ook dicht kunnen worden. En zoo moeten we dus onze +uitspraak, dat het geluk iets heel ijls is, weer intrekken. Het is iets +volmaakt anders. Het is—dat is het meest juiste wat we er van kunnen +zeggen—het is niets. + +En toch is het zoo werkelijk als dit blad papier, zoo reëel als een +tafel. We nemen het zoo zeker waar, als dien stoel, als dien schreeuw, +als dien geur. We zien het niet, hooren het niet, ruiken het niet. Maar +het is er, en zóó stellig, dat we soms den stoel niet zien, den schreeuw +niet hooren, den geur niet ruiken, omdat we alléén oogen en ooren hebben +voor het geluk. Ja, àl het bestaande, àl het omringende verdwijnt dan +voor het geluk, dat eigenlijk „niets” is, maar dan alléén bestaat, en +het zoogenaamd werkelijk bestaande wordt niets. + +Het is dus dwaasheid te spreken van kleiner dan een stofdeeltje. Het +geluk is reusachtig groot. Het neemt den omvang aan van kamers, van +huizen, van straten, van pleinen, van wouden, van wolken, van het +luchtruim. Het vult een hoekje van een eenzaam hutje en het gansche +heelal. Wáár we dan liggen of wandelen of zweven, overal ontmoeten we +het. + +Als het zoo werkelijk en zoo groot is, kunnen we het ons toch wel +toeëigenen? Dat beproeven de menschen dan ook, honderden en duizenden en +millioenen. Misschien wel allen. Dan gieten ze het in een glas en noemen +het drank. Dan tellen ze het uit in een kist en noemen het geld. Dan +vlechten ze het tot een krans en noemen het roem. Maar als ze dan het +glas ledigen, was 't geluk er juist uit verdwenen. En als ze 't geld in +de hand houden, voelen ze 't geluk niet meer. En als de krans hun hoofd +siert, drukt hij met zorg, angst, wangunst, omdat het geluk, nog net +tijdig, aan de lauwerbladeren ontsnapt was. + +Het is een wonderlijke verschijning, dat onwerkelijke en toch zoo +waarachtig werkelijke, dat ongrijpbare en toch alom aanwezige, dat +eeuwig gezochte en eeuwig ontvluchtende. + + * * * * * + +Wat is het een zegen, dat het geluk maar een stemming is. + +Ware het een goudklomp, dan zouden we er om moeten strijden en ten +slotte zouden alleen de sterken het in hun bezit hebben. + +Ware het een hooge rang, dan was het nooit voor een laaggeborene en +eenvoudig aangelegde beschikbaar. + +Ware het een kunstwerk, dan konden alleen de artisten er naar streven. + +Maar het is zoo iets vaags en algemeens als de dampkringslucht. Je hapt +maar en je hebt het. Of je zwak bent of sterk, arm of rijk, simpel of +wijs, alledaagsch of begaafd, je hapt maar. Keizer of landlooper, het +geluk is bij ieder en voor ieder, zooals het water om de visschen. + +Doch zóó is het toch niet precies. + +'t Is niet _om_ ons, maar _in_ ons. En het trekt er niet van buiten in, +maar moet van binnen uit ontwikkeld worden. Bloemen ademen geuren uit. +Zoo ontvloeit als een opwekkend aroma aan ons innerlijk leven de +geluksstemming. + +Nu is het de moeite van 't opmerken waard, hoe dat innerlijk proces +onafhankelijk kan werken van allerlei buitenafsche invloeden, hoe +deze zelfs vaak ontbindend en bedervend invreten in dien teeren, +nauw-luisterenden groei daar binnen. Rijkdom, rang, roem, ze vernielen +het geluk, dat zoo rustig wasemde in bescheiden, nederigen, vergeten +staat. Zinnestreeling, zielsbekoring, ze vergiftigen de vredige +stemming, die, tot stralende verrukking gestegen, inzinkt tot donkere +dofheid. Kracht doet in overmoed, wijsheid in zelfvergoding het geluk +vervluchtigen. Zoo werkelijk als het is, zoo schuw. Het vliedt voor een +schim. Maar ook, ondanks zijn teerheid, kan het sterk zijn als diamant. +Het weerstaat ziekte, armoede, vernedering, zelfs gezondheid, rijkdom, +verheffing. Het blijft trouw in tegenspoed, zelfs in voorspoed. Het +ontplooit zijn stemmingsschoon onder alle, de meest tegenstrijdige +omstandigheden, het is de schijnbaar grillige, onafhankelijke heerscher, +die zijn troon stelt waar hij wil. + +De naar 't uiterlijk misdeelden soms begenadigend, de naar 't uiterlijk +bevoorrechten zijn zegen onthoudend. + +Voor ieder toegankelijk, door niemand te dwingen. + +En toch door zoo weinigen anders dan kortstondig genoten. + +Waarom? + +We willen toch wel het geluk? + +Ik vrees, dat velen meenen, dat het een goudklomp, een hooge rang, een +kunstwerk is, en dat ze nu altijd maar den verkeerden kant uitkijken. + +Slechts een stemming. God heeft het zijn kinderen wel gemakkelijk +gemaakt. Waarom maken _zij_ het zich zoo moeilijk? + + +II. + +Het geluk is slechts een stemming. + +Doch is dit een voordeel? + +Een stemming.... + +Ware het liever goud of rang of kunst of kracht, dan konden we, met een +vast doel voor oogen, het wellicht door volhardende inspanning +veroveren. En als we het dan eenmaal hadden, dan hádden we het ook. + +Of, nog beter, ware het kennis! + +Dat zou inderdaad het beste zijn. Want kennis kan immers iedereen +verwerven?.... + +Hoe zullen we in vredesnaam ons een stemming verzekeren! + +Zij mag dan zoo eenvoudig, zoo overal en altijd beschikbaar en +bereikbaar wezen, hoe krijgen we ze, hoe onderwerpen we haar ons, hoe +verzamelen we haar in een accumulator? + +Zij is niet aan gezondheid, rijkdom, eer gebonden. Maar waaraan dan wel? + +Ze is ook niet aan ziekte, armoede, schande verknocht, anders konden +we, als de vroegere monniken en bonzen en derwischen, ons lichaam +verwaarloozen, zelfs kerven, de woestijn in trekken en de bespotting der +wereld winnen. + +Ze stoort zich niet aan kennis. Zelfs niet aan deugd. + +Dat laatste is wel het droevigste, het bitterste, wat er is: Het +geluk stoort zich niet aan deugd. We zijn hulpvaardig, inschikkelijk, +waarheidlievend, eerlijk tot op een penning—en toch niet gelukkig? En +daar zijn anderen: zelfzuchtig, hardvochtig, leugenachtig, oneerlijk—en +toch wel gelukkig? + +Doet het er dan niets, niets aan toe, wat we zijn of hoe we zijn, wat we +doen of hoe we dat doen? + +Loopt er dan nergens een grenslijn door de physieke, de oeconomische, de +sociale, de geestelijke, de zedelijke wereld, zoodat we met zekerheid +kunnen zeggen: Aan deze zijde waait onafgebroken de zoele wind van het +geluk? Hier, waar de palmen en olijven wassen, daar stijgen ook de +wierookgeuren der geluksstemming? + +Wanneer er nu eens een mensch was, gezond, sterk, welvarend, +hooggeplaatst, veelwetend, verstandig, wijs, braaf—zou hij gelukkig +zijn? Zou het geluk 't product zijn van al die factoren? Of zou er één, +één heel geringe invloed kunnen werken, die dit productsgeluk tot in 't +hart vergiftigde? + + * * * * * + +Er schijnt een grenslijn te zijn, maar die volgt niet de punten, door +ons aangegeven. Ze loopt door den leeftijd, en scheidt kinderen van +ouderen. + +Kinderen ziende, in hun vrijen, niet door volwassenen beroerden staat, +moeten we wel onder den indruk komen: Wat zijn zij gelukkig! + +Een arm schooiertje, nauwelijks vijf jaar, drentelt in zijn havelooze +plunje door de straat. Het motregent. Een dame, achter de ruiten, +beklaagt het arme kind. Hij hoort dit gelukkig niet en zingt: Weg met de +Sociale, leve Willemien, de handen in den zak, den mond wijd open. Van +Sociale weet hij niet, van Willemien evenmin. Maar er zingt iets in hem +en dat pakt de klanken die toevallig in de lucht zweven. + +Twee kleine meisjes, vierjarigen, loopen op het trottoir. Ze steken de +straat over, kleine scheepjes, drijvend in de menschenzee. Eensklaps +rolt, onvoorzien, een zwaarbeladen kar vlak bij hen. Nu komen ze op een +meneer af, een wildvreemde, en geven hem een handje. Vol vertrouwen. +Doch pas is 't gevaar geweken, of ze laten den meneer weer los en +vervolgen hun tocht. Zonder bedanken. Ze zeggen niet eens: Dag Meneer! +Ze reizen onbekommerd door 's levens moeilijkheden en grijpen de hulp +aan van 't oogenblik. + +Een familie is met één slag van schatrijk straatarm geworden. De ouders +zijn der wanhoop nabij, de dochters zitten gebroken, met roodbeschreide +oogen. Het groote landgoed met villa, koetshuis, personeel—alles weg. +Er komen gedachten aan zelfmoord. Alleen de zevenjarige Henri voelt er +niets van, en speelt op zijn fluit. „Maar Henri, hoe kun je fluiten, je +weet toch dat we nu arm zijn,” zegt een zuster, zacht-verwijtend. „Mag +een arm jongetje dan niet fluiten?” vraagt Henri. + +Een meisje van vijf jaar zoekt kiezelsteentjes in den tuin, platte. +Dat zijn guldens, en daar koopt ze allerlei dingen voor, ginds in den +winkel van den kastanjeboom. Ze koopt zich rijk met niets. Dan toovert +ze, van haar guldens, kinderen die naar school gaan, en de school is +daar in dien hoek, op het plaatsje achter 't huis. + +Zou er op de geheele wereld iemand met zijn edelsteenen goedkooper, +volkomener, veiliger gelukkig zijn dan dit kind met haar +kiezelsteentjes? Is er één opera-zanger ter wereld, die onbezorgder +geniet dan dit zingende schooiertje? Gaan er ooit meisjes in dreigend +gevaar—vertrouwenvoller naar vreemde meneeren? En waar is een wonderer +tooverfluit, dan die in de vingers van den rijken armen Henri? + +Nergens bloeit het geluk, de zuivere stemming, zoo rijk, zoo natuurlijk, +zoo onafgebroken als in de kinderwereld. Hildebrand heeft verhaald van +kinderrampen, maar waren die niet hoofdzakelijk uit de wereld der +volwassenen geimporteerd? + +Wie gelukkig wil zijn, blijve een kind. Dan zingt hij zijn vreugde uit +in den motregen, vertrouwt op de hulp van het moment, werkt zich niet +ziek voor diamanten en hecht meer aan de fluit, die hem trouw blijft, +dan aan 't landgoed, dat zich verspeculeeren laat. + +Indien gij niet wordt gelijk deze kleinen, gij zult het koninkrijk der +hemelen geenszins binnengaan. + + * * * * * + +Een kind blijven, opnieuw een kind worden, is dat mogelijk? + +Blijven—dat wordt den kinderen moeilijk genoeg gemaakt, door Ooms, +Tantes, Grootouders, door hun eigen Ouders, door het heirleger van +volwassenen. Dezen—men rekent ze soms tot de opvoeders—roepen door +geschenken de hebzucht, door sieraden de ijdelheid, door lof de +eerzucht, door vleierij de jaloezie wakker. Het kind is niet gelukkig, +als het niet een schat van speelgoed, mooie kleeren en de bioscoop +heeft. Men wekt begeerten, maakt ontevredenen. + +Opnieuw een kind worden—dan moeten we ons onttrekken aan de zuiging +der wereld, die ons hardnekkig voeren wil in haar sfeer van kostbare +en rustroovende zotheden. Wij moeten durven zingen, zonder te letten +op haar critiek; durven genieten van de weiden, de boomen, de wolken, +de sterren, de vogels, gelijk het kind van zijn steentjes; de +vredestemming van een eenvoudig genot hooger schatten dan de zorg van +een omvangrijk bezit; en ons durven loslaten in 's levens zee, onder +alle omstandigheden vertrouwende op een Macht, die wij bij de hand +kunnen vatten. + +Zullen we dan verzekerd zijn van altijd-durend geluk? + +Licht komt alleen uit tegen duister. Geen geluksstemming zonder ervaring +der smart. Deze laatste zal ons niet bespaard blijven. Maar het is +droevig te zien, hoeveel menschen de zuivere stemming verjagen, die +ze wilden verwerven, gelukzoekers in het land van zorg, schijn en +slavernij, waar 't geluk niet te vinden is. + + + + +XI. DOE HET GOEDE. EN DAT GOED. + + +Een strenge eisch? + +Niet zoo erg. + +Er staat immers niet: Doe al het goede. Er staat ook niet: Doe het +moeilijkst goede. + +Er staat alleen: Doe het goede. Welnu, doe dat dan. + + * * * * * + +Er staat een bak aardappelen om te schillen. Schil die. + +Of dat dan iets goeds is? + +Wel, natuurlijk. Er moet toch gegeten worden? En daartoe zijn toch +aardappelen noodig. En die moeten toch eerst worden geschild? + +Aardappelen-schillen, dat is: medewerken aan het onderhoud van het +menschelijk geslacht. En zou dat niet iets goeds zijn? + +Sommigen denken bij het woord goed aanstonds aan de zelfverloochening +van een heilige. + +Ten onrechte. Dan kwam de meerderheid onzer nooit aan het goede toe. + +Maar goed is: Schoenen poetsen, vaten wasschen, bedden opmaken, +administratie bijhouden, kinderen verzorgen, een scheepsdek schrobben, +den vloer vegen, tuinboonen doppen, onkruid wieden, zieken oppassen, +orde handhaven, vleesch braden, huizen bouwen, schoenen lappen. En +duizend dingen meer. + +We hebben de hand maar uit te strekken en het goede ligt onder haar +bereik. Overal omringt het ons. Gelukkig. Zonder een heilige te zijn, +kan ieder onzer dag aan dag het goede doen. + +Doe dat dan. En doe het goed. + +Poets de schoenen—zoo, dat ook de randen en de hakken glimmen. Wasch +de vaten—zoo, dat alle vet verdwenen is, ook uit de hoekjes. Maak de +bedden op—zoo, dat een mensch lekker ligt. Voer de administratie—zoo, +dat alles er behagelijk uitziet en uitmunt door nauwkeurigheid. Braad +het vleesch—zoo, dat het niet verbrandt. En lap de schoenen—zoo, dat +er geen pennen of spijkers door steken. + +Doe uw werk onberispelijk, hoe eenvoudig het zij. De eisch is uiterst +bescheiden. Alle noodig en nuttig werk is goed. + +Maar och——— + +In een groot gebouw had men een werkvrouw, die de vloeren inderdaad +onberispelijk schrobde. Als zij een vloer gedaan had, was deze blank. + +De vrouw werd eindelijk te oud en te zwak voor haar werk. Toen zocht men +jonge krachten, die haar taak konden overnemen. Men beproefde het met +frissche, jonge meiden, met jeugdige weduwen, zelfs met jonge mannen, +glazenwasschers van beroep. Maar niet één schrobde de vloeren blank. Ze +flodderden en dweilden, maar als den volgenden morgen de vloer droog +was, zat hij nog vol vuile strepen en vegen en plekken. En langs de +randen der muren was het één donkere lijn van vuil. + +Al die jonge, krachtige menschen, die zich voor werkvrouw uitgaven, +waren niet in staat een vloer te schrobben. Ook niet de deskundige +glazenwasschers. En de oude werkvrouw bleek een unicum geweest te zijn. + +Het goede doen? Er zijn zeker genoeg bereidwilligen. + +Het goede _goed_ te doen? Dit geschiedt alleen door de zeldzame +uitzonderingen. De overgroote meerderheid is niet in staat, meer dan +zestig procent der eischen te voldoen. + + * * * * * + +Er was een arme jongen, die door het sterven van zijn vader al vroeg uit +geldverdienen moest. Hij werd loopjongen in een winkel. Pakjes bezorgen, +dat was inderdaad een uiterst bescheiden werk. Volgens sommigen heb je +daar geen verstand voor noodig, zooals b.v. voor het inschrijven van +bestellingen, optellen van posten, klaarmaken van rekeningen. Verstand +is pas noodig, zoodra er geschreven en gerekend moet worden. Maar onze +jongen bleek toch dat overbodige verstand te gebruiken. Eer hij uit den +winkel ging, keek hij opmerkzaam de adressen na, trok nog eens aan de +touwtjes, of ze behoorlijk toegeknoopt waren, sorteerde de pakjes, +zoodat hij er een paar meer kon dragen dan een ander, bepaalde een +vlugge route. Door dit alles was hij reeds vlug met zijn werk gereed. +Zelfs kon hij nu en dan vergissingen voorkomen, door tijdig de +onderstelling te opperen, of een zeker voorwerp wel aan dàt adres moest +worden bezorgd. Hij wist, door ervaring, hoe en waarmee bepaalde klanten +bediend moesten worden. Zijn aandacht zat in zijn werk en dwaalde niet, +onder 't loopen, naar alle gevalletjes, die buiten zijn taak lagen. En +zoo werd hij een nadenkende, eigenlijk een voordenkende loopjongen. + +Natuurlijk sprongen zijn verdiensten gauw in 't oog. Een loopjongen, +die geen standjes behoefde te krijgen voor stommiteiten, dat was al +een wonder, maar een, die pluimpjes verdiende met verstandige zorg +en gewetensvolle trouw, dat was een mirakel. Onze vriend had zelf +geen aasje idee van eenige bijzondere verdienste; het sprak voor hem +vanzelf, dat hij zijn werk goed deed; het controleeren van adressen en +inpakkerijen kon hij eenvoudig niet nalaten; hij had er bovendien een +zeker plezier in, de kortste route te vinden en onderweg rekening te +houden met tal van bijzonderheidjes, zoo bijv. met het feit, dat meneer +A. op bepaalde uren niet thuis was of mevrouw B. het snelst hielp +tusschen tweeën en halfdrie. Zijn werk zat vol problemen, en zonder +dit als iets gewichtigs te beschouwen, was hij aanhoudend bezig, die +problemen te stellen en op te lossen. + +Die jongen klom op tot winkelbediende, tot eersten bediende, tot chef +van een groot magazijn, tot directeur eener reusachtige zaak. Hij had +ook leger-commandant kunnen worden of eerste minister. Dat hing maar +van omstandigheden af. In welke richting hij zijn levensarbeid had +gevonden, hij zou er geslaagd zijn en een der hoogste trappen bereikt +hebben, terwijl zijn vroegere kameraden het niet verder hadden gebracht +dan van loopjongen tot loopknecht. Vele menschen maken alleen promotie +in leeftijd en als het van hen afhing, zouden ze niet eens ouder worden. + + * * * * * + +Er zijn mededingers naar allerlei betrekkingen, die het in een aantal +prachtige aanbevelingen zoeken. Ze leggen letterlijk een verzameling +van getuigschriften aan, alsof de leegte van een vacante plaats met +zoo'n pakket gevuld moest worden. Iedere sollicitatie wordt gerugsteund, +om niet te zeggen voortgeperst, door de dringende en haast dwingende +opsomming van hun deugden. Die getuigschriften lezende—als men er den +tijd voor af kan nemen—vraagt men zich met verbazing af, waarom al die +vroegere patroons toch zulk een rijkbegaafde hebben laten schieten. Men +zou zoo denken, dat iedere chef overgelukkig behoorde te zijn met zulk +een medehelper. Doch al de overige bezitters zijn blijkbaar niet +naijverig geweest op dit kleinood en hebben het in schitterende +verpakking doorgezonden. + +Maar één getuigschrift is er, dat absolute waarde heeft: het +getuigschrift, dat een patroon iemand niet missen wil, omdat hij hem +bijna niet missen kàn. Ten slotte komt de ondergeschikte dan niet met +zijn verzoek bij de superieuren, maar komen dezen met hun aanbod bij +den ondergeschikte, in wien ze superieure gaven waardeeren. + +Het heet, dat men in onzen tijd er komen moet met kruiwagen en reclame. +'t Is mogelijk, dat in bureaucratische kringen, waar zelfstandigheid +niet gewenscht, zelfs niet geduld wordt, de aanbeveling het vaak wint +van de verdienste: machineraderen kunnen gemakkelijk een andere, +schijnbaar voorname plaats in het raderwerk innemen, ze passen overal. +Maar waar het maatschappelijk leven nog niet verbureaucratiseerd is, +waar nog gewerkt en geworsteld moet worden, waar persoonlikheden noodig +zijn en geen raderen, waar men niet slechts behoeft te „loopen”, maar +genoodzaakt is te presteeren, daar helpt kruiwagen noch reclame, daar +zouden onbenullige middelmatigheden de zaak ten gronde richten, daar +baat slechts één aanbeveling, de aanbeveling van éígen werk, dat van +verstandelijke gaven getuigt; maar bovenal van den zedelijken dwang: het +goede _goed_ te willen doen. + + + + +XII. OVER-RECKT. + + 'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten: + Op 't slijten komt het aen. + + CONSTANTIJN HUYGENS. + + +„Rusten maar”, zei de dokter. „Rusten maar. Is veertien dagen niet +genoeg, dan een maand. Is een maand niet genoeg, dan drie maanden. Is +drie maanden niet genoeg, dan een halfjaar. Ja eigenlijk—zoo besloot +hij—eigenlijk moesten de menschen in dezen tijd, die 't wat erg druk +hebben, of—klonk het er ietwat verwijtend bij—die zich wat erg druk +maken, zoo om de zes jaar er eens een halfjaar uit, heelemaal eruit! Dat +zou ze opknappen!” + +De patiënt, tot wien hij die kleine speech hield, lag maar geduldig +te luisteren en maakte onderdehand het plan, dat hij, als hij 't +eens voor 't zeggen kreeg, zoo'n halfjaar vacantie om de zes jaar zou +proclameeren. Maar om 't zoo ver te brengen, dat zijn invloed dit kon +bewerken, moest hij niet rusten, maar werken. En zijn onrustige geest +was al weer bezig. + +„Neen”, zei de dokter, „rusten is niet volslagen luieren, maar +onverplichten arbeid verrichten, arbeid, die niet van je geëischt wordt, +die je niet jaagt en drijft, en dien je kunt laten liggen als de ambitie +verflauwt. Rusten is: met kalmte en opgewektheid bezig zijn.” + +„Mag ik lezen?” + +„Welzeker, maar nog liever boomen omhakken. Doch je mag ook wel lezen, +maar neem dan iets anders dan waarin je den laatsten tijd verdiept bent +geweest.” + +En de man van 't werkend rusten greep een deel van Huygens. Hij had al +meermalen ondervonden, wat kalme opgewektheid er in de verzen van dezen +zeventiend'eeuwer leeft en hoe die uit de verzen op den lezer overgaat. + +De zakelijke Huygens, de man van het werkelijke leven, de blijmoedig +belangstellende dichter, die de mysteriën van 't aardsche leven vol +vertrouwen aan God overlaat en zich aan zijn dagelijksche plichten +wijdt, deze moest zijn invloed weer eens doen gelden op een der zonen +van den onrustigen nieuweren tijd. Kom, kloeke, kalme, krachtige +voorzaat, spreek nog eens tot een uwer „overspannen” nakomelingen en +giet hem iets in van uw vrede en sterkte. + +Zullen we samen Hofwijck bezoeken? Daar is misschien het stille plekje, +waar we buiten de beslommeringen der Hofstad weer langzaam op adem +kunnen komen. Aanlokkender naam dan Hofwijck is er niet voor wie de rust +behoeft, geen prettiger gezelschap dan dat van Huygens voor wie het +leven, de natuur, 't menschelijk vernuft in gelijken mate bemint. Naar +Hofwijck dan. Terecht zingt de dichter zelf: „Eens moet het Hof_wijck_ +zijn.” + + * * * * * + +Zie, daar dwalen we al door de lanen van het rustige Buiten en zijn met +den gastvrijen eigenaar in gesprek. We klagen hem onzen nood, en klagen +daarbij de eeuw aan, die met zijn spoor en telegraaf, zijn boot en +telephoon, met zijn fluitende of bengelende stoomtram tot zelfs in de +afgelegenste hoekjes van 't land, den mensch nergens met rust laat. + +Al dat krantengeschrijf, met ochtend en avond nieuwe emoties; al die +wereldberoeringen, dagelijks overgebracht in iedere huiskamer; al die +lectuur, die den dokter in zijn coupé en den reiziger in de trein +zelfs niet loslaat, en die straks de voetgangers op den openbaren weg +vergezelt en hen maakt tot lezende wandelaars en renners, die geen +seconde tijd ongebruikt willen laten voor hun geestelijke inwikkeling; +al dat gevecht in 's lands vergaderzaal en 's volks meeting—'t +vermoordt ons. + +Lezend en tobbend over de Dreyfuszaak, zijn we bezig ons zelf tot +bannelingen te maken uit den kring van het rustige, vreedzame, kalme +leven; levend en strijdend in den boerenkrijg, laten we ons kwetsen en +dooden zonder een slagveld te hebben betreden. + +Belangstellend in alle gewichtige feiten van den dag, verliezen we 't +belang van ons eigen leven uit het oog. + +En zoo raken we ten slotte—overspannen. + +Ja overspannen, dat is een woord en een kwaal van den nieuweren tijd. + +Vroeger kende men dat niet. + +Toen was 't leven gezonder. + +Toen waren de menschen krachtiger van zenuw en spier, beter van bloed. + +Toen groeide en bloeide een forsch geslacht van fiksche mannen en +blozende vrouwen en dartele, joelende kinderen. + +Toen was 't de tijd voor bakkers en brouwers en kende men geen +specialisten voor allerlei kwalen, zenuwartsen, zenuwinrichtingen, +zenuwbaden, en de hemel weet wat gezenuw of gezemel nog meer! + +Toen... + +Doch de luisterende dichter legt onze ratelende tong een oogenblik het +zwijgen op; hij begrijpt uit dat onafgebroken gepraat wel, dat we +overspannen zijn, doch kalmeerend voegt hij erbij: „Ook ik, + + 'k Hebb over-reckt geweest; maer ben' der deur gebeten.” + +Maar nu staan we verslagen. Hoe? Hij? Hebben we wel goed verstaan? Een +der kloekste zonen van dat kloeke voorgeslacht, zou hij overspannen zijn +geweest? + +Doch hij spreekt niet van „overspannen”—hij spreekt van +„over-reckt”—is dit mogelijk iets anders? + +Doch neen, of we de snaar te sterk spannen of te sterk rekken, 't komt +beide op hetzelfde neer. Oorzaak en gevolg zijn ook in beide gevallen +dezelfde: we willen een hoogen, helderen toon doen klinken, en— + + „de snaer, die heldste luijdt, + Scheidt d'eerste menighmaal van leven en van Luijt, + Verkracht en over-reckt.” + +Willen we alle snaren van leven en luit zoo lang mogelijk behouden, +laten we dan—een toontje lager zingen! + + * * * * * + +Ja, laten we een toontje lager zingen. + +We willen ook zooveel, en dat vele willen we zoo gauw. + +We willen in ons huisgezin ideale ouders voor onze kinderen zijn, hen +opvoedend met liefde en wijsheid; we willen van die kinderen alles +nagaan, ieder trekje van hun aard kennen en de juiste middelen +aanwenden, om de zich openbarende gebreken reeds vroegtijdig den kop +in te drukken. Ideale ouders, ter vorming van ideale kinderen! + +En we willen voortreffelijke onderwijzers zijn, die van ieder kind +der klasse een studie maken, en de fouten der leerlingen in den grond +trachten te verbeteren; onderwijzers, die van de tallooze kleinere en +grootere conflicten en mislukkingen de oorzaak steeds bij zichzelf +zoeken en dientengevolge gebukt gaan onder de neerdrukkende macht eener +onafgebroken zelfveroordeeling. + +En we willen, ons ergerend aan allerlei misstanden en wanverhoudingen +in de organisatie der onderwijswereld, gruwend van de examenvloek +die een groot deel van ons onderwijs met lamheid slaat, walgend van +de methodiekvergoding met haar overschatting van de verstandelijke +ontwikkeling, verontwaardigd over de lakschheid en de lamlendigheid, +waarmede zoovelen voortgaan jaar in jaar uit de jeugd van een heel +geslacht te kwellen en te bederven, toornend over de zelfzucht en +de gemakzucht, waarmee dressuur gehandhaafd blijft tegenover den +schreeuwenden eisch der jonkheid naar een natuurlijken groei—we willen +gansch ons onderwijs hervormen en daartoe al wat zich aan 't onderwijs +wijdt bezielen met hervormingsijver. + +En we willen nog meer. Ook buiten de school klinken ons noodkreten in 't +oor, en we mogen, we kúnnen ook daarvoor onze ooren niet sluiten. + +De arbeider roept ons op, en vraagt, indien we hem dan waarachtig +goedgezind zijn, waarom we niet meewerken aan de opheffing van zijn +loonslavernij. + +En de vrouw roept ons op, en vraagt, indien we dan waarachtig de +vrijheid van _elken_ mensch liefhebben, waarom we ons niet mede +aangorden tot den strijd voor háár recht, om ook in wettigen en +wettelijken zin meer te zijn dan een misdadiger of een idioot. + +En de geestdriftige kampioen voor onthouding aller zin- en +zielbedervende prikkels, de liefdevolle en onvermoeide bestrijder van +drankgebruik—dat in elken vorm drankmisbruik is—hij wendt zich tot +ons met al de kracht van zijn overtuiging en al de warmte zijner +menschenmin, en vraagt, waarom we van verre blijven staan bij den strijd +tegen dien kanker der huiselijke eendracht en der volkswelvaart. + +En zij, die niet het dier wenschen op te offeren aan den lust en de +luiheid van den mensch, maar die integendeel een deel van zichzelf +willen geven ten behoeve van het geminachte en mishandelde schepsel, dat +redeloos genoemd wordt door hen die 't in hun redeloosheid vertrappen, +ook zij vragen uw instemming, uw steun, uw medewerking. + +En de vriend van den wereldvrede roept ons op, en overtuigt ons, dat we +niet slechts het zilver onzer beurs, maar ook de warmte van ons hart, +de scherpte van ons verstand, de kracht van ons woord aan de groote en +goede zaak der volkrenliefde moeten wijden. + +Och, overal en altijd hooren we de noodkreten der lijdenden en zachtkens +daar tusschen door de teere liefde-klanken der helpers. En verwijtend +vraagt ons geweten, waarom we niet mee arbeiden door de stille werking +van ons voorbeeld, waarom we ons niet mede scharen onder de vaan der +moderne kruisvaarders en met hen optrekken naar het heilige land van +eendracht, liefde, geluk. + +En we móéten luisteren en mede-arbeiden. We moeten luisteren en mede +optrekken. De lendenen omgord! + +Liever bezweken op den donkeren, moeilijken weg, dan in zelfzuchtige +koestering het leven genoten! + + * * * * * + +Liever bezweken...... + +Liever bezweken? En zij dan, die in de eerste plaats recht op onze zorg +hebben, de kinderen, die wij in 't aanzijn hebben geroepen? Moeten die +dan maar aan hun lot worden overgelaten? Of aan de zorgen van anderen +opgedragen? + +En de vrouw, die lief en leed met ons deelen zou en die we nu voor 't +leed alleen laten zitten? + +Niet elke mensch heeft _recht_ om te bezwijken. + +Wie eenmaal zekere ernstige verplichtingen op zich heeft geladen, dient +te zorgen, dat hij die verplichtingen kan nakomen. En trouw in het +kleine is beter dan mislukking in het groote. + +Alleen hij, die de volle beschikking heeft over zichzelf, mag zijn +geheelen persoon wijden, desnoods opofferen aan het algemeen welzijn. +Doch ieder, die de belangen van andere personen of zekere instellingen +te behartigen heeft, dient _hiervoor_ in de eerste plaats zijn +krachten te besteden en te sparen. Wat hem, na _arbeid_ èn _rust_ +èn _ontspanning_ dan nog aan krachten overblijft, mag hij—moet +hij—aanwenden ten behoeve dier tallooze misdeelden, wier nood zoo +dringend om zijn bijstand roept. + +De wijsheid der Ouden: _Est modus in rebus_[4] geldt niet alleen bij de +bevrediging onzer lichamelijke behoeften en zinnelijke neigingen. Er +is onmatigheid in eten en drinken, doch er is ook onmatigheid in—'t +bestrijden der onmatigheid. + +[4] Er is een maat in alle dingen. + +Wie als vurig ijveraar voor de geheel-onthouding tenslotte zijn +gezondheid verwoest en zijn gezin dreigt te ruïneeren, zondigt door +onmatigheid. En de droevige gevolgen dezer zonden laten zich—als +altijd—niet wachten. + +Wie de belangen van tallooze goede instellingen op maatschappelijk +gebied met zooveel kracht verzorgt, dat hij tenslotte zijn heel gewone +dagtaak niet meer met blijmoedigheid kan verrichtten, zondigt evenzeer +door onmatigheid. En er is iets tragi-komisch in, dat de man, die de +wereld hervormen wil, zijn eigen nederigen arbeid moet laten liggen, +niet door oorspronkelijk gemis aan kracht, maar door overschatting van +kracht. + +Dit zijn heel nuchtere opmerkingen en overwegingen, doch de feiten +dwingen ons wel eens naar die overwegingen te luisteren en er ons +voordeel mee te doen. We kennen er te velen, die, wanend of wetend te +werken voor andrer heil, dien arbeid zagen uitloopen op eigen en andrer +onheil. + +En onze tijd is in dit opzicht een gevaarlijke tijd, die 't op de snelle +slooping van ons levensmateriaal schijnt toe te leggen. Er is dan ook +geen twijfel aan, of naast de roepstemmen om hulp zullen straks steeds +meer en luider ook de waarschuwende stemmen klinken, dat de helpers zich +niet tot hulpbehoevenden mogen maken. Een ieder kenne zijn kracht. + +Dat overigens ook vroeger eeuwen het euvel der overspanning hebben +gekend bewijst wel het woord van een zoo wijs en ervaren man als +Huygens. En niet minder treffend spreekt het uit den raad, ons door +Schiller gegeven: + + Thue was Recht ist, mein Freund, und dabei lasz es bewenden, + Und enthalte dich, ja, alles was Recht ist, zu thun.[5] + +[5] Vrij vertaald, luidt dit distichon: + + Doe het goede, mijn vriend, en stel u daarmee tevreden, + En onthoud er u van, alles wat goed is te doen. + +Is in deze regels onze fout niet volkomen naar waarheid gesignaleerd? +We zijn niet tevreden ermee, dat ons gewone werk de critiek van een +nauwgezet geweten kan doorstaan—ofschoon ons dat al moeite en strijd +genoeg kost—neen, we willen _al het goede_ doen. We willen niet ons +zelf en ons klein kringetje verzorgen, maar liefst de geheele menschheid +verheffen. We willen niet de bescheiden menschentaak vervullen, maar we +willen een Godsarbeid voor onze rekening nemen. En onze onvolmaaktheid +schiet jammerlijk te kort. + + * * * * * + +Maar wat zullen we dan? Onze ooren toestoppen, waar de nooden der +misdeelden om leniging of opheffing schreien? Onze oogen sluiten, waar +zij pijnlijk dreigen te worden aangedaan door de ellende van anderen? +Onze harten verharden, waar 't recht gekrenkt wordt en onze +naasten—toch immers maar „vreemden!”—daarvan 't slachtoffer worden? +Lijdzaam berusten in tal van voor anderen—maar dan toch onze +naasten!—noodlottige toestanden? + +Er is een zinrijke legende, waarin de straf der liefdelooze +zelfgenoegzaamheid ons waarschuwend wordt voor oogen gesteld. + + * * * * * + +Petrus was in den hemel opgenomen. Doch de hemelsche zaligheid was voor +hem niet onvermengd, zoolang zijn moeder nog de pijnen der hel moest +doorstaan. + +Toen smeekte hij Gods Zoon, dat Deze ook zijn moeder liet opvoeren. Maar +Jezus weigerde. Ieder bewerkt zijn eigen zaligheid. En de moeder van den +apostel zou niet gelukkig zijn, als ze te midden der zaligen verkeerde. +De wangunst van haar liefdeloos hart zou alle hemelvreugde vergallen. + +Doch Petrus hield aan met smeeken, en eindelijk zond Jezus een engel +naar omlaag, om de vrouw te halen. + +Toen de engel in de hel afdaalde en de moeder van Petrus onder de armen +nam, om haar met hem te doen opstijgen naar de zalige gewesten, klemden +zich vele verdoemden aan het lichaam en de kleederen der geredde vrouw +vast in hun wanhopig verlangen, om uit de hellesmart verlost te worden. + +En de engel voerde ook hen mee, en steeg met die allen snel omhoog. + +Maar de moeder van Petrus gunde dien anderen de zaligheid niet, die haar +deel beloofde te worden. En ze rukte een dier rampzaligen los en deed +hem in de diepte der hel nederploffen. + +Toen verminderde de vaart van den engel merkbaar en met meer inspanning +dan te voren voerde hij zijn last omhoog. + +Nogmaals wist de wangunstige vrouw een harer gezellen van haar kleed los +te rukken en te doen wegtuimelen in den afgrond. + +Doch al weer vertraagde aanstonds daarop de vlucht van den engel, en +werd zijn vleugelslag zwaarder en moeilijker. + +Toch, trouw aan zijn plicht, droeg hij de vrouw en allen die aan haar +kleed hingen, gestadig hooger, hoewel de kracht zijner blanke wieken +scheen te verzwakken naarmate de moeder van den apostel steeds meerderen +van zich wist af te slingeren. Zoolang zich echter nog één aan haar +kleederen vastklemde, zoolang leidde de tocht, zij 't ook immer +langzamer, naar den hemel. + +Eindelijk naderden ze den hemelpoort. Bijna was de heilstaat bereikt. +Met zwaren wiekslag torste de engel nog twee doemelingen, de moeder van +Petrus en nog een, die zich met inspanning van alle krachten had weten +te beschermen tegen de woeste pogingen der helsche nijd. Doch ook dien +eenen kon de wangunstige niet in haar zaligheid doen deelen en op 't +laatste oogenblik nog wist zij de handen los te wringen van den +ongelukkige, waardoor deze in de diepte stortte. + +Maar toen ook was de kracht van den engel gebroken. Aan den rand van den +hemel, kon hij zich geen handbreed meer omhoog heffen. Langzaam daalde +hij, doch spoedig al sneller en sneller, totdat hij, aan den ingang van +den afgrond teruggekeerd, de vrouw in de hel deed wegzinken. + +In deze moeder van Petrus is de liefdeloosheid wel in haar gruwzaamste +vorm. 't Is niet de koude zelfgenoegzaamheid, die gevoelloos is voor het +leed en de vreugde van anderen, maar de vale nijd, die zelfs bij eigen +zaligheid de vreugde van anderen niet kan dulden. Maar die daarmee dan +ook eigen zaligheid verspeelt. + +Dit is het treffende in deze legende, dat de vrouw den hemel zou zijn +binnengegaan, als zij ook maar een enkele had willen meedragen. Als in +haar hart dus _eenig_ liefdegevoel voor de mede-rampzaligen had geleefd. + +En dit beseffen we zoo diep. + +Niet de liefde, die ons betoond _wordt_, is de koesterende gloed van ons +leven. Doch de liefde, die wijzelf betoonen. Die ontwikkelt in ons de +inwendige warmte, zonder welke ons bestaan koud en vreugdeloos is. Geen +lijdelijk ontvangen van liefde schenkt blijvend geluk. Al bestraalt +de zomerzon den stillen vijver den ganschen dag, na een enkelen nacht +van duisternis is de watervlakte weer koel. Doch het borrelende en +bruischende, altijd werkende water der warme bronnen heeft geen +zonnekoestering van noode. Schoon diep verborgen in den donkeren grond, +het springt kokend en dampend naar omhoog, zingend het lied van zijn +eigen warme levensvreugde. Alleen het actief schenken van liefde werkt +in ons duurzame zaligheid. + +Maar ook hierin dienen wij maat te houden. Er is ook inwendig vuur, dat +verteert. + + + + +XIII. „HEDEN OVERLEED PLOTSELING....” + + +Hoe dikwijls lezen we dat tegenwoordig in de doodsberichten. En hoe vaak +ook onder de nieuwstijdingen. Een spreker zinkt ineen in den katheder, +een dokter bij het ziekbed van een patiënt, een predikant bij de +geopende groeve, een minister bij een feestmaal. Terwijl ze gereed, +terwijl ze bezig waren anderen te bezielen, te genezen, te troosten, +ja, met een geestige tafelrede aan hun lippen te boeien, stonden ze +op den rand van 't graf. Ze wisten het niet, niemand wist het, en tot +ontroering der omgeving vielen ze, eensklaps, in den donkeren dood. + +„Heden overleed plotseling...” + +Zoo sterven er velen in dezen tijd van telegraaf en telefoon. + +Lange brieven en lange ziekbedden, we hebben er geen tijd meer voor. + +Even, heel kort, een zaak afhandelen met het andere einde der aarde, met +de andere zijde van 't graf. + +Het leven en sterven in telegramstijl. + +Hartverlamming—zeggen de doktoren. + +O natuurlijk, wat zou 't anders wezen. Wanneer het hart niet verlamd was +en door bleef werken, zou het leven niet gevloden zijn. Ten slotte is +het altijd hartverlamming. + +Maar hoe komt het, dat bij zoo velen, en dan menigmaal zoo vroeg, het +hart zijn diensten weigert? Wat is de oorzaak dier hartverlamming? +Het zijn niet oude, afgeleefde menschen, bij wie het hart na meer +dan zeventigjarigen arbeid zijn taak heeft verricht—dezen verlaten +ons langzaam, voetje voor voetje. Hun levensolie is opgebrand, het +vlammetje wordt flauwer en flauwer, de verkoolde pit knettert in zwakke +opflikkeringetjes en gloeiende vonkjes, en dan is het stil, rustig en +stil. Ze zijn heengegaan, moede, vredig. Het was hun tijd. + +Het zijn ook niet kinderen, jongelingen, wier hart bezweek in den strijd +tegen een overmachtigen vijand, die 't bloed bedierf en niet wijken +wilde uit dit onmisbare levensvocht—zij strijden, strijden tot het +laatste oogenblik toe, en geven zich pas gewonnen als alle kracht +verbruikt is. Zij hebben zich geweerd met al de energie van hun jonge +leven, doch konden 't niet volhouden in den ongelijken kamp. Zij sterven +op het slagveld na soms schier eindelooze worsteling. + +Maar 't zijn de mannen in de kracht van hun leven, weldoorvoed, +gespierd, blozend van gezondheid. Als door een verraderlijken bandiet +plotseling beslopen en met een dolksteek in 't hart getroffen, storten +ze neer. Niemand verwachtte het, ook zij zelf niet. Men noodigde hen uit +tot eervolle taak, droeg hun verantwoordelijken last op. Zij stonden op +hun post, fiksch, forsch, betrouwbaar. Wie zou ook maar in de verste +verte vermoeden, dat deze krachtige geest, dit gezonde physiek nog +slechts door een fijnen zijden draad aan het aardsche leven was +verbonden? Niemand immers? Vrouw, kinderen, vrienden, allen rekenden +op den man, die bijna nooit ziek was, alleen nu en dan wat nerveus, +wat prikkelbaar, wat overspannen door overmaat van werk, van +verantwoordelijkheid. En zie, daar valt hij uit hun midden weg. + + * * * * * + +Het wordt tijd, dat we leeren rekening houden met het onberekenbare, dat +we het onverwachte gaan verwachten. Waar de uitzonderingen zich +vermenigvuldigen, vormen zich nieuwe regels. + +Wel heeft Jeremia al geklaagd, dat de mensch „vlucht als een schaduw” +en zong de Psalmist van de bloem, die „'s morgens bloeit en 's avonds +afgesneden wordt”, wel waarschuwde Christus, dat „de ure komt als een +dief in den nacht”, maar deze stemmen schijnen in het algemeen meer te +herinneren aan het kortstondige, vergankelijke van al het aardsche, dan +aan het plotseling sterven, gelijk dat uit de doodsberichten tot ons +spreekt. + +Gewis, het scheidingsoogenblik heeft den mensch wel altijd verrast. We +leven zoo met heel ons hart in de dingen dezer wereld, dat de geest ze +nog vasthoudt en er mee blijft verkeeren, wanneer het lichaam zich reeds +bijna geheel van de aardsche verhoudingen heeft losgemaakt. Stoffelijk +wegstervende, blijft de geest nog gehecht aan de sfeer, die hij verlaten +moet. En dan komt de dood—niet het einde van het physieke leven, maar +het geestelijk loslaten van al het aardsche—wel altijd nog plotseling. + +Het eensklaps breken echter van den levensdraad bij naar 't oog gezonde +en krachtige naturen, dit schijnt steeds meer te wijzen op een ziekte +van de nieuwere tijden. Het is een dood zooals het leven was. + +Ons leven, is het niet een voortdurende snelle wisseling van denken, +doen, gevoelen? We denken niet rustig door, maar onze gedachten +verbrokkelen en verstrooien zich als telephoongesprekken. Snel vernemen, +vlug begrijpen, ras besluiten. En 't lichamelijk verkeer is vooral niet +minder veranderend dan het geestesleven. We vliegen met electriciteit +door de straten, door 't land, door de lucht. Alles gaat plotseling, +met onverwachte wendingen. Geen wonder, dat ook het gemoed zijn kalmte +verliest, vervreemdt van een vredige, gelijkmatige stemming, en leeft +bij schokken. Een _leven_ van plotselingheden—een plotseling _sterven_. +Het is in harmonie met elkaar. De laatste schok komt even onverwacht als +de vorige. Het is het telegram van den Dood, met „Antwoord betaald.” + +Zal de mensch zich accommodeeren naar het onrust-tempo, waarin de +verbijsterende zegepralen der techniek zijn leven hebben gezet? Zal hij +de kalmte van zijn geest, den vrede van zijn gemoed weten te bewaren, +desnoods te herwinnen, onder de telkens opjagende dwarrelwinden van de +moderne cultuur? Of zal de Dood voortgaan, zich aan te passen bij zulk +een schokbestaan? + +„Bereid uw huis, want gij zult sterven.” We kennen dit woord. Er is +in onze eeuw meer dan ooit reden, het in gedachten te houden. Doch we +zouden er gaarne een woord aan toevoegen: Bereid ook uw hart. En dit in +meer dan één opzicht. + +Bereid uw hart, opdat het gereed zij wanneer de ure komt. + +Doch ook: Bereid uw hart, opdat het bestand zij tegen de +levenswisselingen. Het leven wordt immer rijker, voller, sneller, +onrustiger, gejaagder. Te midden daarvan dient ons gemoed rustig te +blijven, of de levensduur vermindert met den levensrijkdom. We moeten +tegen de emotie-wekkende invloeden van daarbuiten een gemoedsvrede +ontwikkelen, die bestand is tegen de elkaar onafgebroken opvolgende +prikkels. Anders verkeert alle beschavingswinst in verlies. + +De veer in het uurwerk stoort er zich niet aan, of dit uurwerk zelf +met bliksemsnelheid wordt voortbewogen, of het stijgt dan wel daalt, +onophoudelijk zwenkt of in regelrechte vaart voortstuift. Zij heeft haar +eigen spanning. Eenmaal opgewonden, weet ze alleen van een geleidelijk +afwerken van haar taak. + +Er is reden te over, dat we de veer van ons fijnbewerktuigd organisme +leeren ontzien. + +Hoe? + +De hygiënisten zullen wel menigen goeden raad hebben: geen prikkelende +dranken, geen heftige emoties; wel geregelde rust, wel kalme +ontspanning. + +Wij hebben er één raad bij: het door hooger levensopvatting aankweeken +van een gemoedsrust, die alle onrust der tijden verdraagt, trotseert, +onbewogen langs zich heen doet gaan. „Saevis tranquillus in undis”. +Rustig te midden der woedende golven: De levensleus van den grooten +Zwijger. + + + + +XIV. DE SCHOOL EN DE ZENDING. + + +I. + +Wat heeft nu de School met de Zending te maken, en dan nog wel de +Openbare School? Hierover zullen we het toch wel eens zijn, dat de +Zending in de Openbare School niet thuis hoort. Zij zou daar de Joden, +de Ongelovigen ergernis geven en dus de neutraliteit schenden. Wie de +Zending op het leerprogramma brengt der Algemene Volksschool, begaat +daarmee wetsschennis. + +Zou het? Dan zijn wij allen schenners der wet en schenders +der neutraliteit, en dan moeten al onze geschiedenisboekjes +veroordeeld worden. Want wij allen bespreken de Zending bij ons +Geschiedenisonderwijs en alle geschiedenisboekjes handelen er over. +Echter——'t is de Zending _naar ons toe_ en niet de Zending _van ons +uit_. + +Is de laatste echter iets anders dan de eerste? + +Alle kindertjes van alle openbare scholen horen, zo ongeveer op hun +negende of tiende jaar, dat onze voorvaderen heidenen waren, dat ze +voor stenen beelden knielden, dat ze aan afgoden offerden, en dat er +toen zendelingen in ons land kwamen, die er het christendom predikten. +Ook wat de gevolgen daarvan waren. Dat enkele van die zendelingen +wreedaardig vermoord werden. Maar dat er ook kerken werden gesticht +en kloosters en scholen. En dat door de monniken de landbouw en de +tuinbouw veel verbeterd werden, en de ziekenverpleging, en verschillende +bedrijven. Dat door diezelfde monniken kunsten en wetenschappen werden +beoefend en hierdoor het volk ook geestelik ontwikkeld. Dat eindelik +door die volgelingen van Christus de jeugd werd onderwezen, niet alleen +in lezen en schrijven, maar ook in de christelike leer en zeden, +zodat de bewoners van ons land stoffelike, verstandelike en zedelike +verheffing aan de invoering van het christendom, dus aan de Zending, +te danken hadden. Zonder Zending geen School. Dus ook ònze school heeft +haar bestaan oorspronkelik aan die Zending te danken. Zou zij er nu over +moeten zwijgen? Neen, terecht verhaalt zij er van en met dankbaarheid. + +Maar die Zending heeft niet stil gestaan. Toen ze hier in de Noordelike +landen het Christendom had gebracht en verbreid, was haar taak niet +afgelopen. „Predikt het Evangelie aan alle creaturen”, had Jezus gezegd. +En terwijl ze hier nog steeds voortgaat, eeuw in eeuw uit, in de +christenwereld christenen te maken, arbeidt ze nu ook in alle oorden der +aarde, onder roden en gelen en bruinen en zwarten, om er de zegeningen +van het christendom te brengen. Van _deze_ Zending wordt op de school +echter gezwegen, althans op de openbare school. Waarom? Ik denk, dat +men zich hiervan nooit rekenschap heeft gegeven, maar dat het niet +om beginselredenen geschiedt. Ik vermoed, dat dit zwijgen samenhangt +met de aard van ons Aardrijkskundig onderwijs, dat veel meer aandacht +geschonken heeft en nog schenkt aan de examineerbare kaartkennis en de +natuurkundige verschijnselen in land en zee en dampkring, dan aan de +mensen en hun leven. Volkenkunde—de echte, die de mensen ziet werken +voor hun spijs en drank, ziet bouwen aan hun woning, ziet leven met hun +stam- en gezinsgenoten, ziet jagen en strijden, ziet bidden en offeren +en toveren, ziet dobbelen en drinken; Volkenkunde—de echte, die de +mens schildert in zijn velerlei betrekking tot de natuur, de medemens, +de godheden,—deze Volkenkunde is nog bij lange na geen gemeen goed +bij ons Aardrijkskundig onderwijs op de lagere, en zelfs niet op +de middelbare en de hogere scholen. En nu komt het mij voor, dat dit +staatkundig-natuurkundig karakter van ons Aardrijkskundig onderwijs er +schuld aan heeft, dat, met het volksleven, ook over de Zending gezwegen +wordt. Wie de heidenlanden volkenkundig behandelt, móét wel over de +Zending spreken, ware 't alleen omdat heel veel van onze kennis dier +streken en volken, naast de reizigers, ook aan de zendelingen te danken +is. Men kan wel bijna zeggen: geen reiziger, die zo intiem met de +inboorlingen meeleeft als de zendeling, geen dus ook, die zo bekend is +met de uiterlikheden van dat leven en met de volksziel, die achter deze +uiterlikheden verborgen is en zich er door openbaart. Zodat, gelijk +de Zending ons heel wat Volkenkunde heeft aangebracht, deze ons ook +natuurlikerwijze met de Zending in aanraking brengt. Doch, al ware het +niet door dit verband, dan nog is het plicht van ons, en voor de school, +kennis te nemen ook van de hedendaagse arbeid der Zending om de hoogst +belangrijke taak, welke zij in cultuurhistories opzicht verricht. + + * * * * * + +In het lijvige en rijk geïllustreerde boek[6], dat de heer T. J. Bezemer +ons via de firma J. B. Wolters over Oost-Indië heeft gegeven, verwijst +de schrijver ons voor zijn bron over Midden-Celebes naar de opstellen +van de zendeling Alb. C. Kruyt, geplaatst in de Mededeelingen van het +Nederlandsch Zendelinggenootschap. De heer Kruyt heeft dan ook niet +alleen als zendeling, maar ook als kenner van de Toradja's, de +koppensnellers van Midden-Celebes, een welgevestigde naam. Hij is +een der velen, wier nuchter-ideale arbeid tot uitbreiding van het +christendom, door zijn rijkdom van feitenkennis de wetenschap der +volkenkunde ten goede is gekomen en wiens streven reeds daarom de +belangstelling en steun der „neutrale” wetenschap verdient. Doch al +ware dit niet zo, dan nog zou het werk der Zending—zo zei ik—ook de +bijstand van „neutraal” Nederland verdienen, om zijn hoge waarde voor de +vorming der inboorlingen. + +[6] Door Nederlandsch Oost-Indië. Schetsen van land en volk, bewerkt + door T. J. Bezemer. Met een inleiding van J. F. Niermeyer, en + ongeveer 300 illustraties en kaarten. Groningen, J. B. Wolters, + 1906. Prijs, geb. ƒ 7.50. + +Wij, onwetende napraters, hebben in de regel zo'n totaal verkeerd +idee van de Zending. We denken, als we heel welwillend zijn, aan wat +goedaardige, ietwat dweepzieke naturen, die daar te midden van de +heidenwereld staan te preken, de christelike leer te verkondigen, zo +ongeveer als dat bij ons de straatpredikers doen. We zien voor ons +geestesoog een blanke man, omringd door zwarte inboorlingen, en hen de +weg der zaligheid wijzend, vol geloof aan wonderbare bekeringen. En +dan vinden we dat van die mannen heel edelaardig, maar toch ook wat +onnozel. Wellicht hebben de verdichte verhalen en illustraties uit +onze vaderlandse geschiedenisboekjes schuld aan deze voorstellingen. +En spotternijen als van Multatuli, die onze Nederlandse vrouwen in +devote stemming _winter_sokjes liet breien voor arme (en _warme_!) +negerkinderen, zullen aan een zuivere voorstelling van de zaak ook geen +goed hebben gedaan. Doch, door welke oorzaken ook, een feit is het, dat +in het onkerkelik Nederland een volkomen foutieve voorstelling heerst +van de Zendingsarbeid en dat er mede daardoor alle belangstelling voor +ontbreekt. + +Laat die heidenen maar gelukkig zijn in hun natuurstaat, zeggen we met +goedhartige onkunde, ze hebben genoeg aan hun vruchten, hun velden, hun +hutten, hun heerlike natuur en hun eenvoudige zeden, wat wilt ge die +mensen nu meer geven, dan ge ze ontneemt? In plaats van hun idyllies +leventje brengt gij ze een beschaving van kruit en jenever. Laat hen met +rust. En indien ge met alle geweld hun kennis wilt vermeerderen, hun +zeden verzachten, randt dan toch in elk geval hun godsdienst niet aan. +Vrijheid van godsdienst, vrijheid van geweten, is een van de schoonste +vruchten der nieuwere tijden, waarvoor we Willem de Zwijger en zijn +medestrijders nog tans dankbaar zijn, laten we dat kostbaar bezit der +latere eeuwen in eere houden ook in de heidenwereld, en die mensen de +vrijheid gunnen hun god of goden te dienen op hun wijze. + +Al dit gepraat lijkt heel mooi en verstandig. Er is slechts één gebrek +bij, dat het n.l. geheel buiten de werkelikheid omgaat. De voorstelling +van de Zending deugt niet, en dat liefelike leventje van eenvoudige +wilden, vreedzaam en vergenoegd levende te midden eener rijke en +stemmende natuur, is even onwaar als de roman van Paul en Virginie. +Indien er hier geleuterd en gefantaseerd wordt, het is niet door de +zendelingen, die met een warm hart en een koel hoofd arbeiden op het +terrein zelf, maar wel door hun ondeskundige bespotters en bestrijders. +En wie hiervan overtuigd wil worden, leze eens de zeer zaakrijke en +heldere opstellen van Ds. J. W. Gunning (De beteekenis der Christelijke +Zending voor onze Koloniën) en van Dr. N. Adriani (De Zending in +Midden-Celebes.) Deze artikelen, oorspronkelik verschenen in de +Tijdspiegel van Nov. 1908 en Onze Eeuw van Sept. 1908, en nu in één +bundeltje verenigd, kunnen elk oprecht belangstellende een zuiver beeld +geven èn van de heidenwereld èn van het werk der Zending. Men zal er o. +a. uit leren, dat neutraliteit bij de aanraking met die wereld eenvoudig +onzin is, daar iedere gebeurtenis, reeds de eenvoudige vestiging van +een vreemdeling, het bouwen van een huis of het aanleggen van een weg, +onmiddellik ingrijpt in de godsdienst dezer voorouder-vereerders, waar +elke nieuwigheid de wraak der voorouders over de hoofden van hun +nageslacht roept. En ook, dat niet-invoering van het christendom +uitloopt op uitbreiding van het Mohammedanisme met zijn veelwijverij, +dus in geen geval op het handhaven van een ideale natuurstaat—die niets +ideaals heeft. + +Gaarne zou ik ter bewijsvoering van het hier gezegde hele bladzijden +overschrijven, maar dat gaat niet. Laat ik volstaan met de toelichting +bij die ideaal-natuurstaat, dat er nog de godsoordelen in volle +werkelikheid heersen. „Het doel van het godsoordeel is,” schrijft +Dr. Adriani, „eene zaak door de goden te laten uitmaken. Laat men dit +geschieden, doordat elk der partijen iemand aanwijst die voor hen eene +lans in den grond zal steken, waarbij hij die het diepst steekt de zaak +voor zijne partij heeft gewonnen, dan wordt vooraf, met een klein offer +de Aarde opgeroepen, om de zaak te beslechten. Duikt men om het langst, +dan zijn het de watergoden die de zaak uitmaken. Maar het allermeest +laat men de beklaagde een vinger in de kokende hars steken; vertoont die +vinger na eenigen tijd blaren of wonden, dan is het bewijs der schuld +geleverd. Men begrijpt dat maar zelden iemand aan dit godsoordeel +ontkomt en het is zeker ook wel daarom zooveel meer gebruikelijk dan de +andere, bij welke de kans te worden vrijgesproken gelijk staat met die +van veroordeeld te worden. Men wil degenen die van hekserij worden +verdacht met alle geweld ter dood veroordeeld hebben en geeft hun dus +niet de kans daaraan te ontkomen. Geschiedt het een enkelen keer toch, +dat iemand door dit godsgericht als onschuldig wordt aangewezen, dan +vervallen zijn aanklagers in eene boete. Het doodvonnis wordt niet door +den stam voltrokken. Men wil zijne eigene familie niet dooden en noodigt +daarom een anderen stam uit, het vonnis te komen voltrekken. Het is niet +moeilijk voor zoo iets liefhebbers te vinden. Vooreerst waren er altijd +zwervende benden van den stam Napoe in de buurt, die steeds bereid waren +een doodvonnis te voltrekken, omdat daarop als belooning voor hen stond +den schedel in een hunner godshuizen te brengen, te wijden en op te +hangen. Zoozeer was het medebrengen gewenscht van een schedel, d. w. z. +van een stuk menschenlichaam en dus van een stuk levenskracht, waardoor +genezing aan de zieken, lang leven en gezondheid aan de gezonden werd +gebracht en die tevens een bewijs was van de dapperheid dergenen die den +schedel medebrachten, dat het voor elken troep Napoeërs schande was naar +hun land terug te keeren zonder althans één schedel mede te brengen. +Doordat het slachtoffer niet tot de familie behoorde, behoefde men het +niet te sparen. En voor elk der deelnemers was het zaak, door althans +één houw op het lichaam van den veroordeelde te geven, deel te hebben +aan de terechtstelling. Het gevolg was, dat de executie neerkwam op +een langzaam doodmartelen, wel niet uit wreedheid uitgevoerd, doch +ook niet uit barmhartigheid nagelaten. En dat deze terechtstellingen +demoraliseerend werken moesten, kan wel vooral hieruit blijken, dat men +met opzet jonge knapen daaraan liet deelnemen, om hun den natuurlijken +tegenzin tegen bloedvergieten te doen overwinnen en hen zoodoende dapper +te maken.” + +Tot zo ver de schrijver, doctor in de taal- en letterkunde van den O.-I. +Archipel. Men zal toestemmen, dat dit staaltje van rechtspleging niet +getuigt van idylliese verhoudingen. En nu is het wel waar, dat er ook in +onze christelike, beschaafde maatschappij nog velerlei ongerechtigheid +en wreedheid gevonden wordt, maar het is toch een groot verschil, of +zulk kwaad er is _krachtens_ de godsdienst, zoals daarginds, of +_ondanks_ de godsdienst, zoals hier. Aan het christendom—ik zeg niet +aan „een” christelike „leer”—heeft onze samenleving onnoemelik veel +goeds te danken, ook de heidenwereld zal er door stijgen, en alleen +reeds hierom verdient de Zending de zedelike en geldelike steun ook der +„ongelovigen”, wie het te doen is om uitbreiding van, laten we alleen +maar zeggen, de menselikheid op aarde. + +Men hoeft er geen ogenblik aan te twijfelen, of die wrede gebruiken +gevolgen zijn van de godsdienst der inboorlingen. Hieromtrent worden +we èn door Ds. Gunning en door Dr. Adriani afdoende ingelicht. Ook +het koppensnellen is geheel en al uitvloeisel van de godsdienstige +opvattingen. Een strijd tegen ruwheid en wreedheid van zeden móét dus +een strijd tegen de godsdienst zijn. Zonder het christendom komt men +er niet. En dat mag gerust uitgesproken worden ook in de school. De +kinderen mogen weten, dat wij, die door het christendom zijn opgetrokken +uit de onkunde en wanzeden der heidenwereld, met ditzelfde christendom +hebben te arbeiden in de heidenwereld van nu. En dat kunnen we hun best +aan 't verstand brengen, mits we eerst zelf voldoende op de hoogte zijn. +De onwetendheid omtrent dit onderwerp is echter groot, en niet alleen in +de schoolwereld, ook zelfs in de kerk. In de Theologische Revue van 20 +Sept. j.l. schrijft Ds. C. N. Scharten uit Doesburg: „de predikanten +en evangelisten weten zelve vaak zoo bitter weinig van de Zending. Het +wordt in den laatsten tijd wel iets beter, maar waarlijk het ziet er met +onze zendingskennis vaak nog treurig uit. Wij hebben allereerst zelf te +zorgen, dat wij er wat van af weten.” + +Waar een predikant zo iets getuigt, behoeft het schuldgevoel van de +onderwijzers nog niet zo groot te zijn. Maar toch, ook door ons is een +plicht verzuimd. + + +II. + +Als kind heb ik genoeg van de Zending gehoord. En toch heb ik er toen +geen flauw idee van gekregen. Op de Zondagschool stond altijd een +gegoten ijzeren negertje, dat met zijn hoofd knikte als we een cent in +zijn busje gooiden, en dan hing er op die Zondagschool een plaat met +zwartjes aan de muur, waarop o. a. een zwart figuurtje neergeknield voor +een blanke meneer. Meer is mij van die Zending niet bijgebleven, dan +alleen nog de naam Soendanezen. Het schijnt, dat toentertijd juist de +zending onder de Soendanezen nog al aan de orde was. + +Van het leven der heidenen hoorde ik niets. Slechts galmende klachten +over die arme, verdoolde schapen, die „de Heere Jezus niet kenden”, +rolden onze kinderoren en kinderharten binnen. Ik onderstel, dat die +goede zondagschoolmijnheren er zelf niets meer van wisten. En zo bleef +de vrucht van dit werken op ons kindergemoed beperkt tot een vaag +medelijden met de arme heidenen, die „hongerden naar het Evangelie”, en +tot de wekelikse zendingscent voor het knikkende negertje. + +De bedoeling zal wel goed geweest zijn, maar met grote woorden en +zalvende taal komt men er niet. Ik denk, dat de flauwe en steeds +verflauwende belangstelling bij kinderen en volwassenen, zelfs bij +onderwijzers en predikanten, dan ook voor een groot deel te wijten is +aan de averechtse wijze, waarop door onkundigen die belangstelling +is—en misschien nog wordt—opgewekt en onderhouden. + +Hoe komt het, dat wij, jongens, alles van de roodhuiden afwisten? +Omdat we met hen rondzwierven door de wouden, ter jacht en ten oorlog +trokken, om het vuur de vredespijp rookten en in de tent beraadslagingen +hielden; omdat we met hen een wilde oorlogsdans uitvoerden of in +doodse eenzaamheid letten op alle verdachte geluiden in de grootse +geheimzinnige natuur; omdat we, in één woord, met hen meeleefden. Nu +mag dat meeleven weinig te maken hebben gehad met de werkelikheid, en de +phantasie van schrijvers als Cooper en Aimard ons een bedriegelik, een +volkomen verkeerd beeld hebben gegeven, dat doet aan de methode niets +af. Niemand behoefde ons op school of zondagschool voor de Indianen te +winnen. Dat waren onze vrienden, voor wie we vader en moeder zouden +hebben verlaten. + +Zeker, er was aan deze Indianen-vriendschap een steekje los, +en misschien wel twee. Te veel verkeerde hartstochten werden in +ons opgeroepen. Onze neiging was veel meer, gans de christelike +beschaving prijs te geven voor die romantiese heerlikheden, dan om die +beklagenswaarde rode broeders te winnen voor het Evangelie en te doen +delen in onze voorrechten. Naar de schatting van ons jongenshart was er +niets zo zalig in de wereld, dan om het zoontje van „den Zwarten Arend” +te wezen. En daarvoor zouden we graag school en zondagschool hebben +opgeofferd, hoe christelik beide ook mochten heten en zelfs voor een +klein deeltje ook waren. Maar, nog eens, dit veroordeelt de methode +niet. En die was: door uitbeelding van het leven dwingen tot medeleven +en aldus belangstelling wekken en kennis aanbrengen. + +Ware deze methode bij kleinen en groten ook gevolgd, waar het er om +te doen was, hoofden en harten voor de Zending te winnen, ik maak mij +sterk, dat het succes groter zou zijn geweest. Doch, gelijk ik reeds +opmerkte, het ontbrak de leiders aan zaakkennis en daardoor waren ze +niet in staat, hun luisterende leerlingen in de vreemde wereld te +verplaatsen, tot meelevende belangstellenden te maken en zo in hen de +ware christelike barmhartigheid en reddingsliefde wakker te roepen ten +opzichte van die in hun ellende gekende medeschepselen. Het gevoel, in +ons ontwikkeld, was te hol, te leeg, te loos, en zakte dientengevolge +gauw ineen. De stemming was te veel een zeepbelverschijning, doordat het +voorwerp onzer liefde niet concreet genoeg was. Algemeenheden omtrent +arme negertjes, die „nooit iets van de Heer Jezus” horen, werkten even +weinig uit als algemeenheden omtrent ballingen in Siberië, slaven in +Afrika, armen in onze eigen woonplaatsen, gewonden en gesneuvelden op +'t slagveld en andere ellendigen in de „broederschap der mensheid.” Het +concrete grijpt ons aan, roert ons gemoed, zet de driften in werking. +Een „Negerhut van Oom Tom” overstemde duizend preken en betogen. Oom Tom +kon men lief krijgen en in hem zijn millioenen natuurgenoten. Zo nu moet +ook door het concrete heidenleven het christenhart worden bewogen tot +helpen. + + * * * * * + +Er ligt voor onze kinderschrijvers nog een prachtig terrein braak in +de zendingsarbeid te midden der inboorlingen op Celebes, Halmaheira en +andere eilanden van onze Archipel. De blanke man, alleen de wildernis +intrekkende, nu niet met het geweer onder de arm, maar met de liefde in +het hart. Dat kan iets boeiends, leerrijks, en tevens iets verheffends +worden. Die tropiese natuur, de bossen, de bergen, de dieren, de +riviertjes en watervallen, en dan de bewoners in hun hutten, in hun +tuinen, en op hun tochten; de opening der zending, 't verkeer met de +kinderen, straks een school en een ziekenhuisje te midden van deze +wereld—wat een mooi materiaal voor een kinderboek. Het toneel al +even belangwekkend als de spelers. Doch wie zich door deze stof voelt +aangetrokken, zorge voor ernstige voorbereiding, zodat zijn verhaal +niet wat vroom geleuter is, maar een zuiver beeld geve van de in zijn +eenvoud zo aangrijpende werkelikheid. De aard der inboorlingen moet met +ethnografiese trouw worden teruggegeven, de veranderingen in die aard +door het christendom met zielkundige juistheid. + +Moeilik? Zeer zeker, zo'n taak is moeilik, vooral wanneer alle kennis +niet met schoolmeesterachtige opdringerij worde meegedeeld, maar +natuurlik verwerkt in het leven der personen. Doch even zeker is hier +een dankbare taak te vervullen, te dankbaarder, omdat men niet alleen +de kinderen, maar ook de volwassenen er een dienst mee bewijst. Want, +al is er voor de leergrage en goedwillende volwassenen reeds heel wat +materiaal voorhanden, dit bevindt zich niet in zulk een vorm, dat +het gemakkelik kan worden gebruikt. Het is niet ieders gave, uit vele +verslagen en mededelingen in tal van losse afleveringen de stof bijeen +te garen, die men behoeft. Gemakkelik kan men ook predikanten hun +onkunde in dezen verwijten, doch waar ook predikanten een zo uitgebreid +lectuur- en studieprogram hebben, als onze tijd schier elke beschaafde +voorlegt, kan men ook van hen moeilik vergen, dat ze uit verspreide +gegevens zich een volledig en juist zendingsbeeld samenstellen. + +Daarom—de schrijver, de kunstenaar moet aan het werk. En zolang deze +zich laat wachten, altans de volkenkundige auteur. Een prachtig boekje, +om ons enig inzicht te geven, tal van veroordelen bij ons op te ruimen, +en onze belangstelling te wekken, noemde en roemde ik reeds „Zending +in Ned. Indië” door J. W. Gunning en Dr. H. Adriani. Een andere zeer +lezenswaardige brochure is „Het Ned. Zendelinggenootschap. Wat het doet +en wat het wil.” Dit korte geschrift is rijk voorzien van kaartjes +en plaatjes. En wie zich oriënteren wil omtrent de „Hedendaagsche +Zending in Onze Oost” schaffe zich het aldus genoemde boekje aan. +Dit is een „Handboek voor Zendingstudie, samengesteld door den Ned. +Studenten Zendings-Bond”. Het beslaat 275 blz., bevat 20 illustraties +met zendingskaart, en is voor ƒ 1.25 geb. in linnen bandje (fr. p. p. +ƒ 1.40) uitsluitend verkrijgbaar bij het Bestuur van den Ned. Stud. +Zend.-Bond, de heer J. W. Gunning J.H.zn., Oude Delft 210, Delft. +(Aanvragen per postwissel ad ƒ 1.40.) Dit handige en keurige boek +bevat geen volkenkundige bizonderheden, maar geeft alle inlichtingen +omtrent de Protestantse Zending in onze Oost en daarbij noemt het tal +van bronnen, waaruit de weetgierige zijn kennisdorst kan lessen. Als +verzamelwerk is dit een uitnemende legger, die telkens geraadpleegd kan +worden en dan, waar hij zelf niet de gewenste inlichtingen verschaft, +toch de weg hiernaar aanwijst. + +Niet vergeten mag ook worden, hoe wijlen de heer Nijland, hoofd ener +chr. school te Utrecht, in de voortreffelike handleiding bij zijn platen +over N.-Indië ook een belangrijk hoofdstuk aan de Zending heeft gewijd +bij de plaat van Madjawarna (Modjowarno) in Oost-Java. + +En nu willen we ten slotte nagaan, waar en hoe we de Zending in onze +school ter sprake kunnen brengen. + + * * * * * + +Het best geschiedt dit, dunkt mij, overeenkomstig het idee van de heer +Nijland, bij de aardrijkskunde van onze Oost. Wanneer deze in het zesde +leerjaar aan de orde is en zich niet beperkt tot het aanleren van wat +namen van eilanden, zeeën, straten, plaatsen, rivieren en residentiën, +wanneer ze door platen, lectuur[7] en het levende woord van de +onderwijzer, die eilanden tot begroeide en bevolkte landschappen maakt, +heeft ze daar een kostelike gelegenheid, de Zending niet ééns, maar +herhaalde keren ter sprake te brengen en in haar waar karakter te doen +kennen. En dan knoopt ze, als vanzelf, aan deze arbeid herinneringen +vast aan ons verre verleden, toen de Zending in onze landstreken +dezelfde dienst verrichtte, welke ze nu in de tropiese gewesten vervult. +Zo wordt dan het heden om de evenaar een toelichting bij het verleden in +de gematigde luchtstreken en dankt de Geschiedenis wat verheldering in +haar schemerdonker aan de Aardrijkskunde. Men beweert altijd, dat het +Verleden het Heden moet verklaren. Het komt mij voor, dat er voor het +omgekeerde evenveel, zo niet meer te zeggen is. + +[7] B.v. het bizonder mooie boekje over Ned. Indië door J. L. + Hooftman en K. G. Houwen. In het 2e deeltje B., dat van Java en + de Buitenbezittingen vertelt, vinden we bizonderheden over de + Zending op Java en in de Minehassa. Al is het onderwerp moeilik, + toch zou ik bij een herdruk het boekje nog verrijkt willen zien + met een hoofdstuk: „Een zendeling aan de arbeid.” Wellicht vinden + de schrijvers hiervoor geschikte stof in het meermalen genoemde + opstel van Dr. Adriani over de arbeid onder de Toradja's in + Midden-Celebes. Door dit opstel heb ik ook een enigszins andere + opvatting van het koppensnellen gekregen, dan de schr. geven bij + de bespreking van de Bataks. + +Bij het lezen der treffende bizonderheden in het opstel van Dr. Adriani +werd ik—zonder dat de schrijver daar enige opzettelike aanleiding +toe gaf—telkens en telkens met mijn gedachten naar onze voorouders +verplaatst, de tropiese wouden werden verdrongen door onze noordelike +bossen, de open hutten in het warme klimaat door de besloten ruimten bij +ons, en de donkerkleurige inlanders, de Toradja's, door de blonde, +goudgelokte Germanen. Alleen de zendelingen waren in mijn oog dezelfden, +altans gelijken: vredige, arbeidzame, toewijdingsvolle naturen. In Kruyt +en Adriani herleefden Bonefacius en Winfried, in de tijdgenoot zag ik de +voorganger terug van veertien eeuwen her. En de moeilikheden van tans +deden mij de zwarigheden van toen beter begrijpen. Doch ook de middelen +van tans wierpen een licht op de toen gevolgde wegen. + +We zeggen het onze geschiedschrijvers maar trouw na, dat de zendelingen +de heidense gebruiken en feesten aanwendden om er de nieuwe godsdienst +door ingang te doen vinden, en dan kunnen we het denkbeeld niet geheel +onderdrukken, dat hier iets onoprechts in gelegen was, dat er wat slimme +politiek onder school. Voor ons gevoel was het niet: een kloek en +onomwonden planten van het kruis te midden van de talloze afgoderijen, +maar het leiden langs een zoet lijntje naar andere begrippen bij oude +vormen. En bij al onze bewondering voor de zendelingen, was hierin toch +iets, dat ons minder behaagde. Doch lees nu eens wat Dr. Adriani +schrijft over de wijze van vertellen der zendelingen: + +„Het is eene gewoonte van Europeanen in Indië en Nederland de +Zendelingen te verwijten, dat zij aan de Inlanders allerlei duistere +dogma's leeren, die hen op geenerlei wijze ontwikkelen, integendeel hun +geheugen met ballast bezwaren. Moeilijk is het deze voorstelling te +bestrijden, omdat men het eenige middel niet of bijna niet kan aanwenden +en dat zou zijn: de menschen te verzoeken zelf eens tegenwoordig te zijn +bij het onderwijs; doorgaans kunnen zij het in het geheel niet volgen en +dus blijven zij maar liever bij hun vooroordeel. Ik wil hiertegen dan +ook geen strijd aanbinden, maar u alleen deze vraag stellen: Indien men +de landstaal gebruikt, is men dan niet gedwongen zich te beperken tot +hetgeen men in die taal kan zeggen? Is het feit dat de Zending zich +bedient van de landstaal niet een bewijs dat zij zich aan banden wil +leggen, dat zij niet wil zeggen, wat men in de landstaal niet kan +zeggen, dat men niet wil doorredeneeren in zijn eigen gedachtenkring, +maar zich bepalen tot dien welke men in de landstaal kan beheerschen? +Men mag toch aan menschen, die zich met veel moeite deze beperking +opleggen, niet verwijten, dat zij geen ernst maken met de praktijk? Het +moge waar zijn, dat het gebruik der landstaal een ruimer veld opent voor +geestelijk verkeer met den Inlander, het is niet minder waar, dat juist +dat gebied er buiten valt, waarop de Europeaan zich het gemakkelijkst +zou bewegen, omdat hij daarop de baas is. Een Europeaan nu, die zijn +taal wil opgeven, maar niet zijn gedachtenkring als hij werkelijk in +geestelijk verkeer met de Inlanders wil komen, beproeft het onmogelijke; +hij zou de Inlandsche taal moeten wringen in een vorm in welke zij geen +Inlandsche taal meer is. En het zijn gewoonlijk de Europeanen, die +meenen het recht te hebben eene Inlandsche taal naar hunne denkwijze in +te richten, die aan de Zending verwijten de Inlanders met duistere +dogma's te kwellen.” + +In dit verweer tegen het laatstgenoemde verwijt lezen we te gelijk de +verklaring, waarom de huidige en vroegere zendelingen zich steeds moeten +aansluiten bij de gedachtenwereld en dus ook zoveel mogelik bij de +zeden en gebruiken der heidenen: het enige gemeenschapsmiddel, de taal, +verplichtte hen reeds daartoe. Denken we hier wel eens aan bij onze +geschiedenislessen? Dat ook toen de zendelingen onder de Friezen en +Saksen zich van het Fries en het Saksies moesten bedienen? En dat ook +zij daardoor beperkt waren tot hetgeen in die talen verstaanbaar was te +maken? + +Het is ontroerend te lezen, hoe langs de draden der taal de zendelingen +langzaam, heel langzaam contact krijgen met de inlanders en hoe ze die +draden zelf moeten spinnen uit de woordvezeltjes, die ze in 't verkeer +met de inlanders opdoen. Van die inlanders zelf moeten ze zo het middel +krijgen om hen te bereiken, te bewerken, te veranderen. Wat kost dit een +tijd, een inspanning, een geduld, een toewijding, een onvermoeidheid, +een geloof! Eerst zijn en voelen de zendelingen zich de leerlingen +van de inlanders, om langs die weg hun leermeesters te worden. En de +inlanders beseffen aanvankelik heel wel hun meerderheid, een meerderheid +op alle gebied van kennen en kunnen. Doch gaandeweg gaan ze hun +minderheid gevoelen, en dan ervaren ze bij intuitie, dat het op hun +innerlik leven is gemunt, dat ze zich moeten verdedigen om te blijven +wie ze waren. Is het, naar alle waarschijnlikheid, ook niet aldus gegaan +in de lage landen bij de Noordzee? + +Niet minder ontroerend is het te lezen, hoe de zendelingen door middel +van de school, d. i. dus door de kinderen, een nauwer contact krijgen +met de ouderen. We horen, alweer, in de geschiedenislessen als iets +doodgewoons aan, dat de zendelingen hier scholen stichtten, maar we +hebben er geen aasje idee van, wat dit eigenlik inhield. Scholen +stichten, d. i. de kinderen trekken, de kinderen wennen, de kinderen +winnen, en aldus dichter bij de ouders komen. „Toen”, schrijft Dr. +Adriani, „de scholen, na eenige jaren van tobben, goed aan den gang +waren, hadden wij ook het genoegen te merken, dat de kinderen stemming +voor ons maakten. Kwamen wij een dorp in, de kinderen toonden hunne +blijdschap en gaven te kennen dat wij hun welkom waren. Zij maakten +er een gebeurtenis van en de ouders lieten zich vaak aansteken door +de stemming der kinderen. Wetende dat wij hunne kinderen iederen dag +een poos onder onzen invloed hadden, begonnen de ouders te gevoelen +dat zij belangen met ons gemeen hadden en het wel en wee der kinderen +was dikwijls een onderwerp van gesprek tusschen hen en ons.” En dan +vertelt Dr. A. verder, hoe de kinderen steeds meer belangstelling +kregen in allerlei wat ze van de zendelingen konden leren, beproefden +eigenaardigheden van hun taal uit te leggen, en zelfs behulpzaam waren +bij het samenstellen van Bijbelse leesboeken. + +Natuurlik is alles, wat daar op Celebes geschied is, niet maar een +simpele herhaling van hetgeen bij de invoering van het christendom in +ons land is gebeurd. Doch het hoofdfeit is hetzelfde: de aanraking der +christelike beschaving met een heidense samenleving. En mij dunkt, het +moet ook voor onze schoolkinderen belangwekkend en verhelderend zijn, +als ze bij de bespreking der Zending in Indië nog eens herinnerd worden +aan de Zending in de landen der Duitsers en daarbij in de gelegenheid +worden gesteld, enkele parallellen te trekken. + +Te ver mogen we bij dit trekken van parallellen niet gaan. Wie b.v. +zeggen zou, dat die inboorlingen tans aan het begin van hun beschaving +staan evenals wij 18 eeuwen geleden, en dat zij over nog eens 1800 jaar +zullen zijn, wat wij nu zijn—die zegt meer dan hij verantwoorden kan. +Voldoende is het, dat wij enige overeenkomst zien en hiervan gebruik +maken, om het verleden toe te lichten door het heden. + + + + +XV. „EEN LIEFLIJKE NAAM”. + + +Hij kende de namen Jezus Christus alleen als vloek. + +Zijn vader vloekte, zijn moeder, zijn oudere broers, de buren, zelfs +zijn zusje. En dus vloekte hij ook, reeds als klein jongetje. + +Alleen één buurvrouw, een jong vrouwtje, dat altijd bij haar werk zong, +had bij die namen wel eens een fijnere gemoedssnaar doen trillen dan die +van driftige boosheid. Zij kende een heel repertoire van liederen waarin +ze haar Heiland verheerlijkte, en zond de hulde van haar hart, door +open deur en venster, vaak jubelend de buitenlucht in. Zoo had het +buurjongetje wel eens gehoord van een lieflijken naam, die ruischt langs +de wolken, maar die lieflijke naam naderde hem overigens niet anders dan +als rauw scheldwoord. + +Dit veranderde niet, toen hij ouder werd. Zijn kameraden vloekten, op 't +werk, in de herberg, op straat, in huis, overal. Ook onder dienst werd +gevloekt, en niet enkel door de soldaten, doch vooral niet minder door +de onder-officieren en de officieren, gelijk in het burgerlijk leven de +heeren voor de arbeiders niet onderdeden en hen meermalen overtroffen. + +Op deze wijze was Jezus Christus met dien man door 't leven gegaan. +Aldus kon men merken, dat deze man niet in de heidenwereld, maar in een +„Christelijke maatschappij” was opgegroeid. + +Tot op zekeren dag. + +Hij was nu over de zestig, had vrouw noch kind, stond—ach neen, +slingerde alleen over de wereld, was meer dronken dan nuchter, kende +de politiebureaux beter dan de kerken en had in onze Christelijke +samenleving nog nooit den Christus ontmoet. Tot op zekeren dag, toen +hij, in dronkenschap aangereden door een automobiel, gewond naar het +ziekenhuis werd vervoerd. De chronische ziekte van het alcoholisme had +men tot nog toe alleen in politiehokken behandeld; een gekneusd been +opende de deuren van het ziekenhuis. En toen hij daar zoo rustig lag, +toen hoorde hij het ruischen van den lieflijken naam. + +Dat ging zoo. Een jong meisje van misschien achttien jaar kwam iedere +week met bloemen in de zaal. Dan ging ze alle bedden langs, zette bij +elken patiënt een tuiltje frissche bloemen, knikte de zieken vriendelijk +toe en verdween weer. Soms bleef ze een poosje, om dezen of genen met +zachte stem wat voor te lezen, een mooi verhaal of een hoofdstuk uit den +Bijbel. En telkens, als ze er geweest was, liet zij de kranken achter, +verkwikt door haar bloemen, haar welluidende stem, haar lieflijke +verschijning. + +Ruwe harten verteederden onder den invloed van deze zorgende zachtheid. +Ze begrepen die vredige toewijding niet, maar dat was ook niet noodig. +Ze vergaten hun ellende van nu, vergaten gehéél de ellende van 't +verleden, vergaten ook de ellende die weer in de toekomst dreigde, waren +volkomen onder de bekoring dier reine liefde. Ze ervoeren de balsemende +en louterende macht van het Christendom; ze kwamen in aanraking met +Christus, maar ze konden Zijn naam nog niet spellen en noemden Hem; lief +meisje. + +Toch hoorden ze het lieflijke ruischen. + + * * * * * + +Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden dit niet weten, +dat dit _Christendom_ was. Ze meenden—_indien_ ze hieromtrent iets +meenden—dat „Christendom” onafscheidelijk verbonden was aan preeken en +catechiseermeesters en gezang, maar niets te maken had met bloemen en +vriendelijke knikjes. Het Christendom—o ja, dat had je in de kerken, +in die groote, eenzame steenen gebouwen, waar alleen een zeker soort +menschen op Zondagmorgen naar binnen ging, daar moest je lid van wezen, +als van Artis bij voorbeeld, maar dat stond heelemaal buiten een +ziekenhuis. In een ziekenhuis kwamen zieken en dokters en verpleegsters, +en dat meisje—dat was alleen maar „een lief meisje”, dat had eigenlijk +in het ziekenhuis niets te maken. + +Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden het niet weten, +dat zoo ook Jezus, de Christus, in het ziekenhuis dezer wereld eigenlijk +niets te maken had. Hij kwam er, Hij zag er de lichamelijke, maar +vooral de zedelijke ziekten: de zelfzucht in haar leelijke vormen van +hebzucht, eerzucht, heerschzucht, afgunst, nijd, haat. Hij ging er naar +binnen en bracht er de bloemen Zijner liefde, de sterkende blikken van +Zijn zegenend oog, de schoone verhalen van Gods Vaderliefde. Hij bracht +die _Liefde zelve_ in Zijn _leven_. Hij openbaarde haar in Zijn daden, +Hij lichtte haar toe in Zijn woorden. Hij wierp de dronkaards, de +bedwelmden van allerlei aard, ook die der eigengerechtigheid, niet in +een donker hok, opdat ze daar hun roes zouden uitslapen en straks weer +dieper wegzinken, maar Hij riep ze allen tot Zich, die vermoeid en +belast waren, allen, opdat Hij ze rust zou geven. Zoo ging Hij het +zondenhuis der wereld in en bracht er de verkwikkende, de genezende, de +reddende Liefde. Wat eerst alleen lieflijk ruischte langs de wolken des +hemels, zweefde nu, als engelenzang, door de menschheid heen, over de +velden der aarde. En het was heerlijk om te hooren, behalve voor hen, +die in het liefdelied een verwijt, een aanklacht, den dood van hun +zelfstreelend en zelfverheerlijkend Ik vernamen, daarvan niet hooren +wilden en dan ook inderdaad meenden, dat die stem „hier niets te maken +had” en haar het zwijgen oplegden aan het kruis. Tevergeefs. Want door +de eeuwen heen bleef haar toon trillen door de zedelijke wereld, bewoog +en beweegt ook nu nog de menschelijke harten. + +Wanneer de oude dronkaard dit alles geweten had, hij zou het Christendom +anders geëerd hebben dan in godslastering en het wel aanstonds herkend +hebben in „dat lieve meisje.” Nu begon het hem pas langzamerhand te +schemeren, als zij hem voorlas uit wat hij „haar boekje” noemde. Hij +formuleerde 't zich wel niet zoo scherp, maar 't werd hem toch flauw +bewust: zij was een gezant, zij was een vertegenwoordigster, zij was een +brengster—in daden—van de Blijde Boodschap. In haar kwam tot hem de +Herder, die niet rustte eer hij 't verloren schaap had; de Meester, die +zijn jongeren geleerd had, dat hij zachtmoedig was en nederig van hart; +de Koning, die 't uitsprak: „Voorwaar zeg Ik u, voor zooveel gij dit +één van deze Mijne minste broeders gedaan hebt”—hongerigen spijzigen, +dorstigen laven, naakten kleeden, vreemdelingen herbergen—„zoo hebt gij +dat Mij gedaan.” + +In haar kwam Christus tot hem. + +En toen zij, op Kerstmis, zong van: „Er ruischt langs de wolken een +lieflijke naam,” hoorde hij niet alleen het lieflijke ruischen, maar kon +hij dien naam ook spellen. En daarvoor gebruikte hij dezelfde letters, +die eerst zijn vloeken hadden gevormd. Maar nu had hij ook het levende +Christendom ontmoet. + +„O, Kerstnacht, schooner dan de dagen!” + + + + +XVI. WORSTLENDE. + + +We hadden de locomotief onder handen—wij, dat zijn de kinderen der +hoogste klasse en hun onderwijzer. We hadden gezien hoe in de vuurhaard +door verbranding van steenkool, dat is dus door _oxydatie_ van de +koolstof, warmte was ontwikkeld. Ook hoe die warmte, dat is dus +eigenlijk die _oxydatie_, het water in den ketel tot stoom had omgezet. +Ook hoe de spanning van dien stoom, dat is dus eigenlijk die warmte, dat +is dus _die oxydatie_, den zuiger in beweging bracht, en deze de wielen, +en deze de locomotief, en deze den heelen trein. + +Daar reed de trein, twintig en meer zwaar beladen wagens voortgetrokken +door de locomotief, neen door den zuiger, neen door de stoomspanning, +neen door de warmte, neen door de verbranding van steenkool, dat is dus: +door een scheikundige verbinding. Een chemisch proces, het eenvoudige +proces dat zich ook voor onze oogen vertoont, wanneer een simpel +lucifertje brandt, dit bracht ons met duizelende snelheid de wereld +rond, ons en honderden medereizigers, ons en honderden centenaars +vracht. + +Waren we bij die oxydatie al bij de bron der kracht? Of moesten we nog +dieper doordringen? Reeds rees de vraag naar de vorming der koolstof, +van dat krachtdragend en straks krachtbarend element, en we zagen hoe +die koolstof bij uiterst kleine hoeveelheden in de chlorophylkorrels +der groene plantendeelen werd gevormd, doch alleen—onder den invloed +van het zonnelicht. Bleven de trillende stralen weg, dan konden de +groen-minnende[8] korrels noch groen vormen, noch uit het in de lucht +zwevende koolzuurgas de koolstof losmaken en deze, met opgezogen water +verbonden, als vaste stof in de plant binden. Geen kool dus in de plant +zonder zonnekracht. En deze was het alzoo ten slotte, die de trein in +beweging bracht, die ons voorttrok, ons en heel de menschheid. + +[8] Chloros = groen; phyl = minnend. + +Wanneer de kinderen tot zulk een inzicht komen, duizelt het hun soms een +oogenblik. Aan hun oogen is iets te zien. Daar straalt ontroering uit. +Een andere ontroering dan wanneer ze hun dertig plaatsjes in Gelderland +zonder haperen hebben opgezegd. Ook deze voldoening zij hun gegund. +Maar ze haalt niet bij het moment van verheffing, van hartsverheffing, +wanneer ze de dagelijksche dingen uit hun omgeving, het voortsnellen +van een spoortrein, van een hooger niveau zien, als met nieuwe oogen +aanstaren. + +De Zon trekt de trein voort. De Zon beheerscht de plantenvoeding, dus +ook de dierenvoeding, dus ook ons leven. De Zon is de levensbron der +Aarde. Zonder haar geen groen, geen kleur, geen leven. Zonder haar—hier +niets dan een duistere, kille woestenij. Is het wonder, dat de oude +volken de Zon aanbaden? Dat er een Zonnegod was? Een Zonnedienst? +De Menschheid knielde voor haar Voedster, haar Onderhoudster, haar +Oorsprong. + +Haar oorsprong? De mensch zag niet verder. Wie bij de zon eindigt, +is als de reiziger, die bij een tusschen-station uitstapt. Neen, +hier is het eindpunt niet van onze reis, hier het beginpunt niet van +ons bestaan. Verder moeten we, altijd verder, van zonnestelsel tot +zonnestelsel. + +Doch nu begint het ons eerst recht te duizelen. Bij de grenzen onzer +kennis beseffen we het diepst onze onwetendheid. En daar buigt de mensch +het hoofd. Niet voor den Zonnegod. Maar voor dien God, die ook de Zon +heeft geschapen, die het gansche Heelal regeert. Al zien wij Hem niet, +wij gelooven in Hem. In Hem voelen wij den Oorsprong van alle Zijn, de +bron onzer levenskracht. En zooals de planten, onbewust of in vage +bewustheid, de bladeren naar het zonlicht keeren, vanwaar hun groei +en hun sterkte komen moet, zoo richt de menschenziel zich naar haar +Oorsprong, zuchtend en zoekend naar Goddelijk licht. + +Wellicht vindt deze of gene het een weinig oneerbiedig, om niet te +zeggen profaan, dat we een religieuse beschouwing verbinden aan iets zoo +materiëels als een locomotief. Maar is een locomotief, omdat het een +werktuig is, dan iets minderwaardigs? Openbaren zich in dit werktuig +niet evenzeer de wonderen als in de organische wereld? En spreken we +niet van organische, d. i. bewerktuigde wereld, omdat we juist bij +planten en dieren de _werktuigen_ als een kenmerkend deel onderscheiden +tegenover de anorganische natuur? Ach, wie God alleen ziet in kerken en +heilige boeken, alleen in bloeiend en zingend leven, hij verruime zijn +blik. Overal, overal is God. In het nietigste stofje werkt Zijn kracht. +Geen mechanisme, of het is een nabootsing van hetgeen de mensch in de +gecompliceerde mechanismen der levende schepping heeft ontdekt. Waar we +ook beginnen, stijgend langs stralen van zonnelicht worden we naar den +Oorsprong heen geleid. + + * * * * * + +Dezelfde locomotief, die ons naar de Zon heenvoerde als de trekkende +kracht van treinen, als de beheerscheresse dezer aarde, bracht ons nog +een andere waarheid aan 't licht. Waarom, als de trein nu toch al zoo +zwaar was, waarom nu nog de locomotief zoo vreeselijk zwaar gemaakt? Dan +werd de vracht toch immers nog grooter? Dan viel er toch immers nog meer +voort te trekken? Dan was er dus immers nog meer krachtsontwikkeling +noodig? Gaf dat niet verlies aan brandstof en wat dies meer zij? + +De kinderen kwamen al spoedig zelf met de opmerking dat de locomotief +wel erg zwaar moest wezen, om de wielen tegen de rails te drukken. Want +anders zouden de wielen wel ronddraaien, maar ze zouden langs de rails +glijden en de locomotief zou niet vooruitgaan. Die zwaarte was noodig. +Daardoor kwam er tegenstand, wrijving. En die _tegenstand was voorwaarde +van vooruitgang_. Zelfs, hoe zwaarder trein de locomotief had voort te +trekken, hoe zwaarder ze zelf moest wezen. De tegenstand groeit met de +belangrijkheid der taak. + +Onderstel, dat er geen wrijving was, onze voeten zouden niet kunnen +staande blijven, we zouden niet kunnen voortkomen. Een spiegelend +ijsveld ware de aarde, waarop geen beweging mogelijk was. Waar geen +wrijving is, zou ze gemáákt moeten worden. + +In het materiëele willen we dit graag gelooven, daar spreekt het ook zoo +duidelijk. Maar in het moreele? En in het geestelijke? Daar zijn we maar +al te zeer geneigd, om over de moeilijkheden te klagen en de bezwaren +te verwenschen. Toch geldt het ook hier, dat de wrijving voorwaarde +van vooruitgang is. Zullen we geestelijk en zedelijk groeien, dan toch +alleen door geestelijke en moreele krachtsinspanning, en die kunnen +we ons niet bij recept voorschrijven, maar die moeten van ons door +de levensomstandigheden _geëischt_ worden. Wanneer van alle kanten de +moeilijkheden op ons af komen, kunnen we daaronder wel eens gebukt gaan. +Maar het zijn de grootste geesten, het zijn de helden der menschheid, +die in toestanden van hopeloosheid en radeloosheid ten onder dreigden te +gaan, om straks gesterkt het hoofd weer op te heffen. + +Wanneer het leven ons iets leeren kan, dan is het wel dat we alleen +worstelende krachten winnen. Wie de worsteling vervloekt, vervloekt +zijn eigen verbetering. Wie de worsteling ontvlucht, zinkt weg in +verslapping. We behoeven daarom de moeilijkheden niet te zoeken, we +behoeven het gevaar niet te beminnen. Wie 't gevaar bemint, valt er in, +zegt Augustinus. Maar iets anders is het, het gevaar te zoeken en te +beminnen, iets anders de moeilijkheden, die 't leven op onzen weg legt, +aan te pakken. Dit is onze plicht, sterker, hierin ligt ons heil. En +al lijkt het op 't eerste gezicht ongerijmd, al kost het vaak schier +bovenmenschelijke zelfbeheersching in verloochening van ons rustig +geluk, we moeten zelfs dankbaar kunnen zijn voor de smartvolle zorgen +als prikkels tot zelfverbetering, lijden ter loutering. + +Het spreekt van zelf, dat niet in deze woorden met de kinderen werd +gesproken, maar wel in dezen geest, en dat daarbij ervaringen werden +bewust gemaakt uit het kinderleven, dat al zoo rijk is aan verleidingen, +ontvluchtingen, inzinkingen, misschien ook overwinningen. Bijna alles +wat in het leven der volwassenen werkt, gist ook al in het leven der +kinderen, zij het natuurlijk in andere sterkte. Wie dit niet ziet, +phantaseert de kinderen „kinderlijker” dan ze zijn. Hun onschuld is +onrijpe schuld. De groote waarheden zijn daarom ook voor de kleinen. En +al vroeg mogen ook zij beseffen, dat de worsteling noodig is ter +overwinning. Alleen daardoor wordt de Jacob een Israël. + + + + +XVII. VOLHARD! + + +Er is een mooi puntdicht van Staring, dat zich veroordeelend richt tegen +hen, die meenen zonder inspanning hun doel te kunnen bereiken. Met een +vlugge pen—ach, pennen zijn vaak vlugger dan voor 't heil van den +schrijver en 't genot van den lezer wel goed is—heeft iemand eenige +vellen papier volgeroffeld, en nu verbeeldt hij zich, meesterwerk te +hebben geleverd. Doch Staring ontneemt hem die illusie. + + Zulk _roffelwerk_ zou onverganklijk leven? + Neen vriend, _geschoeid_ won Bilderdijk + Het _steil_ der kunst, maar achter hem in 't _slijk_ + Blijft gij met uw _pantoffels_ steken. + +Staring mocht meepraten. Onvermoeid arbeidende aan zijn gedachten en +zijn gedichten, rustte hij niet, aleer beide rijp waren. Laten we alleen +eens een oogenblik nauwlettend acht geven op de beelden en woorden in +dit simpele, vierregelige versje, dan zien we daar aanstonds, hoe +Staring de daad bij 't woord gaf. + +Hebt ge wel eens roffelwerk gezien? Waarschijnlijk niet want dan zoudt +ge bekend moeten wezen met den arbeid van den timmerman. Een van zijn +werktuigen heet nl. een roffel. Het is een schaaf waarmee allereerst +het ruwste van de planken worden afgeschaafd voor ze een nauwkeuriger +behandeling ondergaan. Zoo'n afgeroffelde plank ziet er dus nog slordig +uit. Natuurlijk, er is nog slechts weinig zorg aan besteed. Vandaar dat +de figuurlijke beteekenis van afroffelen op slordig, onnauwkeurig werken +wijst. En wie nu het roffelwerk wil overbrengen op literair gebied, +heeft daarmee reeds zichzelf veroordeeld. + +Neen, zoo gauw en gemakkelijk komen we er niet. Wie het stijgende pad +der kunst wil betreden, rekene er op, dat het beklimmen van den berg +inspanning eischt en ruste zich uit tot den tocht. Niet „op onze +slofjes” bereiken we den top. _Geschoeid_ won Bilderdijk het hoogtepunt, +waarop Staring hem ziet. Maar wie meenen mocht, op _pantoffels_ B. te +kunnen navolgen, blijft beneden in de modder steken. + +Ik wil niet beweren, dat Staring hier uitmunt door oorspronkelijke +beeldspraak. Doch ieder zal wel erkennen, dat de oude beelden, die we +dagelijks gebruiken en die overal in de volkstaal leven, door Staring in +volle klaarheid gezien en toegepast zijn, zoodat hij aan 't oude weer +nieuw leven heeft geschonken. Al schreef Staring maar twee regels, die +regels mochten woord voor woord opgenomen en gewogen worden. Ieder woord +had zijn volle gewicht. + +Dit bereikte hij natuurlijk niet door er maar op los te schrijven. +Door nadenken en overwegen verdiepte en verhelderde hij zijn gedachten, +door oefening en aanhoudende zelfcritiek kuischte hij zijn taal. Daarom +mogen we zeggen, dat Starings werken zijn uitspraken bevestigen. En +daar vloeit tevens uit voort, dat Staring-lectuur, zeg mijnentwege +Staring-studie, een heilzamen invloed kan hebben op de vorming van het +jonge geslacht. Men heeft het zoo vaak over de „vormende waarde” der +literatuurbeoefening. Welnu, wie nog zoekt naar de wijze, waarop die +vormende waarde tot haar recht kan komen, beproeve maar eens door middel +van Staring zijn leerlingen oog en eerbied te doen krijgen voor +volharding. + + * * * * * + +Aan die deugd is in onzen tijd meer dan ooit behoefte. Zenuwzwakke +naturen, gelijk we er vele tellen, zijn vaak alleen sterk in +opwindingen. Alles moet bij vlagen en ingevingen gaan. En als de +inspiratie niet werken wil, komt er niets. Inspiratie heet de eenig +betrouwbare drijfkracht. Zij stempelt den arbeid met het merk der +genialiteit. + +Natuurlijk zal niemand de beteekenis van een krachtige aandrift +loochenen. Maar wie meenen mocht, dat zij den volhardenden arbeid missen +kan, komt bedrogen uit. Reeds meermalen heeft men getracht, de natuur +van het genie te bepalen, doch, hoe verscheiden de karakteristieken ook +zijn mogen, in één opzicht stemmen alle overeen: Geen genie zonder +volharding. Alle groote mannen waren sterk... in het overwinnen van +moeilijkheden. En dit laatste is iets anders, dan het drijven om zijn +telkens wisselenden zin te krijgen. + + Hoe wreed zij 't ook vervolgen tot den dood, + 't Genie blijft toch d'omstandighêen te groot, + +zegt Potgieter. + +Volharding en veranderingszucht staan tegenover elkaar. De eerste is het +kenmerk van kracht, de laatste van zwakheid. Met groote ambitie begint +iemand soms aan een nieuwe taak, liefst aan de uitvoering van een zijner +_eigen_ vele nieuwe plannen. Hij leeft bij zijn phantasie, en in die +phantasie ziet hij alleen maar het mooie en aantrekkelijke. Doch nu +komt de werkelijkheid en daarmee rijzen van alle kanten moeilijkheden, +waarvan hij te voren geen flauw vermoeden had. Aanvankelijk tracht +hij de moeilijkheden te overwinnen, doch spoedig geeft hij 't op. +Hij ontwijkt de steenen, die hij moest opruimen om zijn weg te kunnen +vervolgen, en de lust ontzinkt hem. 't Mooie plan wordt opgegeven, een +nieuw gevormd, en de jonge arbeider komt verzwakt uit den strijd terug. + +Het spreekt vanzelf, dat niet alle strijders evenveel kracht hebben. +Doch hieruit mag niet volgen, dat de sterke voortzetten en de zwakke +opgeven moet. Opgeven voert tot bezwijken. Ook de zwakke moet vóórtgaan. +Hij kan 't niet zoo snel, als zijn bevoorrechte medestrijder. Dat +hindert niet. Dan gaat hij maar langzaam, desnoods veel langzamer. +Maar... vooruit! Niet een nieuw pad ingeslagen, omdat de gang langs het +oude te zwaar valt. Ook op dat nieuwe pad liggen de moeilijkheden. En ze +wachten u reeds, al ziet ge ze niet. Overál zijn ze. En ge ontvlucht ze +niet, door ze te ontwijken, maar door ze te overwinnen. Van Haren zegt +het zoo mooi van de smart: „We zullen den oceaan oversteken, om haar te +ontkomen. Maar aan gindsche kust staat ze reeds, en wacht ons op.” En +zoo is het ook met de bezwaren, aan onze taak verbonden. Juist wie ze +ontvlucht, raakt er onder. Doch wie ze aandurft en aanpakt, wordt hun +meester. Dat niemand zich toch door een gevoel van zwakheid late +terneerslaan en ontmoedigen. Haast is niet noodig. Haast u _langzaam_. +Aan de taaiheid is evenzeer de zege verzekerd als aan de kracht. +Taaiheid is kracht. Zij is de kracht in pasmunt, teergeld op den langen +arbeidsweg. En de vraag is niet: Wat bereikt ge op het moment, maar wel: +Wat zult ge aan het einde van uw leven bereikt hebben. + + * * * * * + +Beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ja, hier is wel iets +waars in. Maar wanneer men tien en twintig keer ten halve keert, dan +komt men altijd op dezelfde plek terug. Dan zal men niet dwalen, doch +ook niet vooruitkomen. En de dwalende ontdekt nog wel eens gansch nieuwe +gezichtspunten en kan—verder op den rechten weg gerakend—tot de blijde +ervaring komen, dat hij een eind gevorderd is. Doch de terugkeerder +wordt een stilstaander. En stilstand is de dood. Ik zou zeggen: Beter +half gewonnen, dan heel verloren. Wie de eerste helft gewonnen heeft, +bemeestert wellicht ook de tweede. + +Er is niets zoo ontzenuwend voor den zenuwzwakke als het weifelmoedige +en aarzelende. Maar dat wordt niet bestreden—doch integendeel +bevorderd—door koppigheid en doordrijven. Het is verwonderlijk, hoe +zulke naturen vaak sterk zijn in de bevrediging van hun lusten. Maar +hierbij drijven ze dan op den krachtigen stroom hunner neigingen +en slepen daarbij nog anderen mee. Dan wordt voor wilskracht en +volharding aangezien, wat integendeel groote wilszwakte is. Zoowel +bij zelfbeheersching als bij zelfbevrediging wordt vaak groote kracht +ontwikkeld. Maar in 't eerste geval is het de sterkende kracht van een +stalende tucht en in 't laatste de verterende woede van een laaiende +drift. Daardoor werkt zelfbevrediging menigmaal verslappend. En juist op +dit gebied geldt het, dat men liever ten halve keeren moet dan geheel te +dwalen. Men kan er bijna zeker van zijn, dat we ons op den goeden weg +bevinden, als er van ons iets _geëischt_ wordt en we in de vervulling +dier eischen, zij het met opoffering van menigen lust, onze +zelfbevrediging vinden in gewetensrust. + +Doch het was mijn bedoeling niet, dieper op dit onderwerp in te gaan. Ik +wilde alleen, mijzelf en anderen er nog eens van doordringen, dat er in +onzen tijd van stemmingen en sentimenten dringend behoefte is aan die +geesteskracht, welke zich in volharding openbaart. In de school en in de +geheele opvoeding kan zij aangekweekt worden, door de kleine en groote +kinderen met blijde opwekking te nopen of met zachten dwang te noodzaken +tot een telkens herhaalde krachtsinspanning, die kleine en groote +moeilijkheden weet te boven te komen. Overhaasting is ook hier niet +noodig. De overhaasting in onderwijs en opvoeding is al te vaak de dood +voor rustige kracht. De haast van onzen tijd loopt uit op revolutiebouw, +op flodderwerk. Ze werkt met rijgdraden, en meent daarmee te kunnen +volstaan. Doch waar de opvoeding niet voor één seizoen, maar voor 't +leven, voor de eeuwigheid arbeidt, daar behoeft zij zich niet door +haast te doen bederven. Ouders, die hun kinderen waarachtig liefhebben, +en onderwijzers, die hun leerlingen niet behoeven klaar te stoomen, +kunnen de jeugd maar weinig meegeven, dat van blijvender waarde is voor +verstandelijke en zedelijke ontwikkeling dan de kracht der Volharding. + +Zij houdt aan den arbeid en is daardoor tevens een heilzame meesteresse +der tucht. Alle begin is moeilijk, zegt een onzer twijfelachtige +volksmeeningen. Soms is 't waar. Doch heel dikwijls is ook 't begin +gemakkelijk en valt juist het volharden zwaar. Daarom lezen we zoo +terecht: Alleen wie volhardt tot den einde toe, die zal zalig worden. +En mocht Schiller schrijven: Nur Beharrung führt zum Ziel. + + + + +XVIII. „VREDE OP AARDE”. + + +O natuurlijk, nu smaalt de menigte: „Dat Kerstevangelie is onzin. Vrede +op Aarde? Zie maar in 't rond. Oorlog en niets dan oorlog. De Englenzang +in Bethlehems velden is een lieflijke waan. Twintig eeuwen lang hebben +de kinderen der menschen het lied nagezongen, maar het bleef bij zingen. +Juist de beide volken, die het Kerstfeest met zulk een zoete vroomheid +vieren, hebben zich in onzen tijd het krachtigst gewapend. Waar is +de „Weihnachtsbaum” meer algemeen geëerd dan in Duitschland? Iedere +huiskamer ziet zijn vreedzame vlammetjes branden. Maar ieder huisgezin +heeft thans zijn mannen naar 't oorlogsveld gezonden. Daar donderen +de kanonnen dit jaar het antwoord op het lied uit de wolken. En welke +natie stuurt haar „Christmaswishes” veelvuldiger de wereld in dan de +Engelsche? Kerstwenschen? Ze worden door de „dreadnoughts” overgebracht +en de heidenen uit Azië zullen ze, op Engelands kosten, wel in het +christelijk Europa bezorgen. Vrede op Aarde? Schijn en huichelarij dat +heele christendom, die heele leer der liefde. Geen englenzang daalt +uit de wolken, maar bommen regenen uit den hemel neer, om wat er nog +vreedzaam op de velden der aarde leeft te vernietigen. Vrede? Haat, +wraak, oorlog, verwoesting op aarde! Dát is de waarheid. En niets +anders.” + +Zoo smaalt—en zoo dwaalt de menigte. + +Ze dwaalt. Het Kerstevangelie is volkomen waarheid gebleken, ondanks al +de woedende oorlogen, die sedert gevoerd zijn. En ook nu kan men zijn +ongereptheid zelfs te midden van het kanongebulder zien. Er is vrede +op aarde. Maar... „onder de menschen waarin God welbehagen heeft!” Zoo +luidde ook het engelenlied. Daar is in dien stillen, in dien heiligen +nacht niet gezongen, dat van nu aan de aarde vol vrede zou wezen, zoo +min als later Jezus—tóch de Vredevorst!—van zichzelf getuigen zou, dat +Hij allen strijd zou beëindigen. + +„Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard,” sprak Hij, +met goddelijke beslistheid, waaraan de latere tijden volle recht hebben +gedaan. Maar hoewel Hij het zwaard bracht, mocht Hij toch vredevorst +heeten en konden de engelen zijn geboorte aankondigen als het uur, +waarin de Vrede op Aarde was neergedaald. Dat zou zijn leven +bewaarheiden en dat hééft zijn leven bewaarheid. + +Of was het in Zijn ziel niet vrede? Hij werd bespot, beschimpt, veracht, +maar het verstoorde den vrede niet in zijn gemoed. Hij werd gescholden, +belasterd, verdacht gemaakt, maar het kon de klare rust zijns harten +niet vertroebelen. Hij werd geslagen, met doornen gekroond, gekruisigd, +maar het deed geen oogenblik zijn vertrouwen in Gods vaderliefde +wankelen. Hij bad voor zijn vijanden: „Vader, vergeef het hun, want +zij weten niet wat zij doen.” Was dit alles niet een onweerspreekbaar +getuigenis, dat in zijn ziel de vrede woonde? Zijn leven scheen +vernietigd, zijn streven vruchteloos, zijn arbeid ijdel—toch vrede. +Onbegrepen door zijn leerlingen, in de uiterste ure zelfs door een +zijner beste discipelen verloochend, door al zijn jongeren verlaten, +eenzaam en veroordeeld achtergebleven—toch vrede. In dezen „Gezalfde +des Heeren” was het in volle werkelijkheid: Vrede op Aarde. De englen +hadden geen juister naam kunnen aankondigen. + + * * * * * + +Een onjuiste vertaling van het Lukasevangelie heeft ons langen tijd doen +lezen en zingen: „Vrede op aarde! In de menschen een welbehagen!” Maar +dat staat er niet in het oorspronkelijke Grieksch. De bekende Duitsche +vertaling van Weissacher zegt: „Preis sei in der Höhe Gott, und auf +Erden Friede unter Menschen des Wohlgefallens.” Dat is duidelijk genoeg, +zoowel als de woorden van prof. Oort in onze Leidsche vertaling. Neen, +zoo gemakkelijk gaat het niet. Wij zouden wel willen zondigen op +duizenderlei wijze: vloeken, drinken, boeleeren, eergierig, geldgierig, +heerschzuchtig zijn, het recht vertrappen, de armen vertreden, de +ellendigen doen bezwijken en bij alles—vrede op aarde, opdat we vooral +ongestoord onzen gang konden gaan. Maar hoe kan in vredesnaam—ja, in +naam des Vredes!—God in zulke menschen een welbehagen hebben? Dat is +immers onmogelijk? Hoe kan ooit een heilige Macht vrede hebben met +zooveel onheiligs! Zeker: Vrede op Aarde. Maar... „onder die menschen +waarin Hij welbehagen heeft!” Dat is dus onder de menschen, waarin de +geest van Zijn heiligheid werkt. Doch overal elders krijg. Terecht. +Zonde kan geen vrede baren. + +Jezus was een mensch, waarin God welbehagen had. Vandaar in Hem vrede. +En dien vrede kunnen we nog zien, zelfs in de loopgraven van 't slagveld +en tusschen de fluitende kogels. Hoeveel martelaren hebben in vroeger +eeuw, te midden der vlammen, van dien vrede getuigd! Het is zoo volmaakt +onjuist van vrede te spreken, als er alleen maar geen kanonnen-oorlog +is. Waar vijandschap is, wantrouwen, onafgebroken bewapening, daar +is geen vrede, daar is het aanhoudend oorlog, met alleen kortere of +langere wapenstilstanden. Vrede is een gemoedstoestand. Omringd door een +paradijsrust kan het menschenhart onrustig zijn. Terwijl alles om hem +heen vredig is, woelt er onvrede in zijn binnenste. En rondom kan dood +en verderf woeden, de stad in puin geschoten worden, het huis boven zijn +hoofd instorten, en toch de mensch vrede hebben. De vraag is alleen: +Heeft God in u een welbehagen. + +Heeft Hij? Onderzoek het door de vraag om te keeren: Hebt gij een +welbehagen in God? Neen, laten we ons niet verschuilen achter kerkelijke +termen. Wie in God gelooft, weet, dat Hij heilig is en rechtvaardig. +Welnu, hebt gij de heiligheid lief, zoodat alle onheilige begeerten +in u—ge kent ze wel—u een voortdurende smart zijn? Hebt gij de +rechtvaardigheid lief, waaràchtig lief—niet met woorden—zoodat ge +voor haar offers wilt brengen: uw maatschappelijke rust, uw fortuin, uw +goeden naam bij de menschen, althans wat men zoo noemt. Hebt ge _aldus_ +God lief? Of wilt ge liever „Gods welbehagen” genieten in een leventje +van liefdeloosheid, zelfstreeling; de heele wereld genieten en Gods +zegen op den koop toe? Ons zelfbehagen en Gods welbehagen, die gaan +nooit samen, tenzij ons „zelf” eerst de reinigingskuur der +zelfverloochening heeft doorgemaakt. + +Er _is_ vrede op aarde. Maar of de aarde eenmaal vol vrede zal +zijn? Niet, wanneer de ongerechtigheid toeneemt. Want „doordat de +ongerechtigheid toeneemt, zal de liefde van velen verkoelen” en dus +de haat aanwakkeren. Maar „wie volhardt tot het eind, die zal zalig +worden.” Slechts hij die in eigen ziel vrede op aarde gevonden heeft, +kan de vrede op aarde brengen. + +Hoe?... Dat is de boodschap van den stillen, den heiligen nacht. + +Kerstmis, 1914. + + + + +INHOUD. + + + Blz. + + I. Zielsontwaken 1 + + II. Vertrouwen 4 + + III. De Tweede. (N. v. d. D.) 7 + + IV. De Moeder 13 + + V. Hebt ge iets voor uw kind over? 25 + + VI. Waarheid in de Opvoeding 27 + + VII. Afkeuring en Waardeering 117 + + VIII. Zaakonderwijs 118 + + IX. De W. (N. v. d. D.) 121 + + X. Het Geluk. (N. v. d. D.) 126 + + XI. Doe het goede. En dàt goed. (N. v. d. D.) 135 + + XII. Over-reckt 141 + + XIII. „Heden overleed plotseling...” (N. v. d. D.) 154 + + XIV. De School en de Zending 159 + + XV. „Een lieflijke naam”. (N. v. d. D.) 181 + + XVI. Worstlende 186 + + XVII. Volhard! 192 + + XVIII. „Vrede op Aarde”. (N. v. d. D.) 199 + + + + + +-----------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: ons moeten beperken De rust in | + | C: ons moeten beperken. De rust in | + | B: uiterlik selsel,—moest hij | + | C: uiterlik stelsel,—moest hij | + | B: oonspronkelik werk. | + | C: oorspronkelik werk. | + | B: des zielevens, ontvangen we | + | C: des zielelevens, ontvangen we | + | B: Ik ben zo alleen. waar | + | C: Ik ben zo alleen, waar | + | B: zijn opvoedkundige theoriëen!—hoe | + | C: zijn opvoedkundige theorieën!—hoe | + | B: hun eigen verliefheidsperiode—ik | + | C: hun eigen verliefdheidsperiode—ik | + | B: lichten in de omgang met met | + | C: lichten in de omgang met | + | B: kind verdrinken zal, Maar als | + | C: kind verdrinken zal. Maar als | + | B: beetje te slapen Ze was ook | + | C: beetje te slapen. Ze was ook | + | B: zijn eigen nderigen arbeid moet | + | C: zijn eigen nederigen arbeid moet | + | B: dogma's te kwellen. | + | C: dogma's te kwellen.” | + | B: enkele paralellen te trekken. | + | C: enkele parallellen te trekken. | + | B: ziet zijn vreemdzame vlammetjes | + | C: ziet zijn vreedzame vlammetjes | + | B: door de „draednoughts” overgebracht | + | C: door de „dreadnoughts” overgebracht | + | B: wankelen, Hij bad voor zijn | + | C: wankelen. Hij bad voor zijn | + | | + +-----------------------------------------------+ + + + + + +End of Project Gutenberg's Verspreide Opstellen, II, by Jan Ligthart + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK VERSPREIDE OPSTELLEN, II *** + +***** This file should be named 38397-0.txt or 38397-0.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/8/3/9/38397/ + +Produced by the Online Distributed Proofreading Team at +https://www.pgdp.net + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
