diff options
Diffstat (limited to '38163-8.txt')
| -rw-r--r-- | 38163-8.txt | 13901 |
1 files changed, 13901 insertions, 0 deletions
diff --git a/38163-8.txt b/38163-8.txt new file mode 100644 index 0000000..75cec0d --- /dev/null +++ b/38163-8.txt @@ -0,0 +1,13901 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 5 van 5), by Victor Hugo + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ellendigen (Deel 5 van 5) + +Author: Victor Hugo + +Release Date: November 28, 2011 [EBook #38163] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 5 VAN 5) *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + DE ELLENDIGEN + + Naar het Fransch + Van + VICTOR HUGO. + + Opnieuw bewerkt. + + Vijfde deel. + + + + Arnhem en Nijmegen, + Gebrs. E. & M. Cohen. + + + + + + + +BOEK I. + +DE OORLOG TUSSCHEN VIER MUREN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE CHARYBDIS DER VOORSTAD ST. ANTOINE EN DE SCYLLA DER VOORSTAD VAN +DEN TEMPEL. + + +De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der +maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin +de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder +verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken +toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand +van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis +gezien heeft. + +Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte +van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid, +zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis, +zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het +algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert, +en dat het gepeupel tegen het volk slag levert. + +Het janhagel valt het algemeen recht aan; de ochlocratie staat op +tegen den demos. + +Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een +zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze +woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen +willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren, +dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten, +dan die der onterfden. + +Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en +eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke +deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast +de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland +geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje +volgde Jezus Christus. + +Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassen +bewonderd heeft. + +Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme +lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de +apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige +woorden sprak: Fex urbis, lex orbis. + +De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige +gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar +feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en +moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en, +zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel +hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen +haar verzet, vereert hij haar. 't Is een dier zeldzame oogenblikken, +wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert +en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, +omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling +van den plicht gaat met verscheuring van 't hart gepaard. + +Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering +was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis +plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden +gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den +heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat +oproer moest bestreden worden, en 't was plicht, want het viel de +republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het +volk tegen zich zelf. + +Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen +afdwaling; het zij ons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht +van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te +vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen +opstand aanduidden. + +De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere +verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier +oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder +den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten. + +De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van +drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde +de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, +dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, +schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op +zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen +huizen der voorstad steunenden, verhief zij zich als een cyclopen-dam +aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft +gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich +nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de +voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste +minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt +te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van +drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest +waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van +den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al +de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft +dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? 't Was +het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, +die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten +pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt +af, werpt alles terneder, haalt alles 't onderstboven! 't Was de +samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, +van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den +matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje +en van de vervloeking. 't Was grootsch en klein! 't Was de afgrond, +door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje; +het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende +verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots +en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, 't was vreeselijk. 't Was de +acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; +een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek +een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige +armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de +bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken +willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze +reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op +Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor +op den 10den Augustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire +op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze +barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de +Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze +zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren +ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te +zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van +den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op +haar korf geweest. Was 't een haag? Was 't een dronkenmanspartij? Was +'t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te +hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping +iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, +gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen +met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, +afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke +opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de +bedelaar wegwerpt, en die tevens woede en het niet bevatten. Men zou +gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout, +ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine +ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van +haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot, +verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen, +horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen, +gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der +oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade +St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de +maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; 't was geen +gevecht, 't was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder +eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten, +knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper +zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als +razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken, +wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm; +een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar; +zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen, +pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den +wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel, +vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij +was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier, +schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie +omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de +stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde +zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. 't Was een +mesthoop en 't was Sinaï! + +Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der +revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de +ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had +tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit, +het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en 't was de +Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde. + +Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is +een heldin. + +De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand. + +De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de +voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen +zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar +holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, +onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in het wanstaltige; +de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de +kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te +kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten +van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat +een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn +hoogte geleek. + +Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieille du Temple, +die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de +verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken, +gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de +overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van +Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen +muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van +koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof +de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te +sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad, +vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk +ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommige Romeinsche +muren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men +zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere +afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare +schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door +even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien +kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan +het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop +maakte; 't was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand, +hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf. + +De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte. + +'t Was de barricade der voorstad van den Tempel. + +Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de +stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken +komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegd en somber. Er was daar +wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade +een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht. + +Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een +volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, +hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, +òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten +vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een +kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade +hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte +en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit +werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat +lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, +dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer +verloochent zich niet. + +In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten. + +Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, +en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd. + +Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der +voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt, +aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend +dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood +kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de +brug, zorgende dat hun schako's er niet boven uitkwamen. + +De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade +huiverend.--"Welk een bouwstuk!" zeide hij tot een +vertegenwoordiger. "Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. 't Is zoo +glad als porselein."--Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn +borst, en hij viel. + +"De lafaards!" zeide men. "Dat zij voor den dag komen! dat men hen +zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich." De barricade der voorstad +van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend +man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag +handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen +in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen +der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve +de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken. + +De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du +Temple was de stilte. Deze beide schansen boden het onderscheid aan +van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere +een masker. + +Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand +samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste +barricade den draak, en achter de tweede den sphinx. + +Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd +Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine +gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg +den stempel van haar bouwmeester. + +Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood +gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, +oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige +wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De +oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, +en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn +gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan +kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, +was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, +in Danton iets van Herkules was. + +Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige +straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde, +hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd +gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade. + +Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, +helaas! Barthélemy Cournet. 't Was een treurig tweegevecht. Eenigen +tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige +avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de +Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche +rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De +treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge +van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig +wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand +bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg +eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op: +de zwarte vlag. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +WAT KAN MEN ANDERS IN DEN AFGROND DOEN DAN PRATEN. + + +Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand, +en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade +in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin, +vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst +hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht. + +Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden +de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de +barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen +de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het +van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang +van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig +als een muur en uitwendig als een kreupelbosch. + +Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke +men als op den muur van een citadel kon klimmen. + +Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg +opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten +verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit +bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de +gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, +de schade hersteld en de lijken weggevoerd. + +Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van +welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang +rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de +voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen. + +Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was +een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly +besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze +woorden te griffen: + + + Leven de volken! + + +Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men +nog op dien muur in 1848. + +De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachts gebruik +gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, 't geen de opstandelingen +vrijer deed ademen. + +Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen. + +Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken, +die een ambulance was geworden, lagen op matrassen en bossen stroo +vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale +garden werden het eerst verbonden. + +In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den +zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden. + +"'t Is hier de doodenkamer," zei Enjolras. + +In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars +op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk +achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, +veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag. + +De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond +nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden. + +Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds +deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den +doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard. + +Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De +vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij +hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op +zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt, +onvermijdelijk het wrak der Medusa. Men moest zich aan den honger +onderwerpen. 't Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag +van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood +eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde: +"Waarom? 't Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!" + +Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood +den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen. + +Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen +gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder +de keldertrap opging, zeide hij: "'t Is van den ouden voorraad van +vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest."--"'t Moet +een fijn wijntje zijn," merkte Bossuet op. "Gelukkig, dat Grantaire +slaapt. Zoo hij wakker was, zou 't moeielijk zijn deze flesschen te +redden."--In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen +in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden +zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag. + +Tegen twee uren 's morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog +zeven-en-dertig man. + +De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder +in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, +deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis +gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een +ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er +zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen +teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel +omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, +onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels +vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade, +dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het +venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze +haar op 't hoofd van den doode. + +"Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan," zei Courfeyrac tot +Feuilly. "De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen +bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards; +het verlicht slechts, wijl het beeft." + +De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken. + +Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende +wijsbegeerte: + +"Wat is de kat?" sprak hij. "'t Is een middel van herstel. Toen de +goede God de muis had geschapen, zeide hij: "Zie, ik heb een domheid +gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis +met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping." + +Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de +gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs +van Cabuc, alsmede van Enjolras' strenge droefheid. Hij zeide: + +"Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus, Cromwell, +Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht +hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend, +en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een +burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord, om dien zoo te noemen, +de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft +van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest." + +En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut +later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de +vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees +op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen +bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus. + +"Cesar," zei Combeferre, "viel met recht. Cicero was streng jegens +Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer +Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope +Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en +nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of +meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero +was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het +zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; +maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, +die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof +ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat, +en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde, +regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des +te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden +treffen mij minder dan de bespuwing van Christus' aangezicht. Cesar +werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in +'t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God." + +Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven +de sprekers stond, riep: + +"O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de +Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als +een Griek van Laurium of van Edapteon!" + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +VERLICHTING EN VERDUISTERING. + + +Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had +hij zich door de steeg Mondétour begeven. + +De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De +wijze, waarop zij den nachtelijken aanval hadden afgeslagen, deed hen +reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij +wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden +uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop +rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal +voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is, +verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren +'s morgens zou een regiment, "dat men bewerkt had" omkeeren; des +middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie. + +Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond +geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, +de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield. + +Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met +een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van +een zwerm bijen gelijkende. + +Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in +de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen, +met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze +verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, +zeide hij: + +"Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger +bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik +heb de schako's van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het +zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat +het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert +het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin +van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten." + +Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk +als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde +menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte +ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven. + +Dat oogenblik was kort. + +Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe: + +"Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen +er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat +zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk +niet verlaten." + +Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met +daverenden bijval werden zij toegejuicht. + +Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had; +'t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held, +het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der +menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op +een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt +en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht +van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben. + +Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6den Juni 1832, +dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade +van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in +de gerechtsstukken vermeld is: "Men moge ons te hulp komen of niet, +'t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man." + +Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk +gescheiden waren, met elkander in gemeenschap. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +VIJF MINDER, EEN MEER. + + +Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest +der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een +uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden, +een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon +zegevierend was: + +"Leve de dood! Blijven wij allen hier!" + +"Waarom allen?" vroeg Enjolras. + +"Allen! Allen!" + +Enjolras hernam: + +"De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn +voldoende. Waarom er veertig geofferd?" + +Zij antwoordden: + +"Wijl niemand zal willen heengaan." + +"Burgers!" riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid, +"de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te +verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen +plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals +iedere andere." + +Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort +van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die +almacht mocht zijn, men morde echter. + +Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, +dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon: + +"Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken." + +Het gemor vermeerderde. + +"'t Is overigens," merkte een stem in een groep aan, "gemakkelijk te +zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld." + +"Niet aan den kant der Hallen," zei Enjolras. "De straat Mondétour +is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents +bereiken." + +"En dáár," hernam een andere stem in de groep, "zal men gevat +worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad +vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem +vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En +men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten." + +Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en +beiden gingen in het benedenvertrek. + +Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over +beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen; +Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako's. + +"Met deze uniformen," zei Enjolras, "mengt men zich onder de soldaten +en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier." + +En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat. + +Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam +het woord. + +"Welaan," zeide hij, "men moet een weinig medelijden hebben. Weet +ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er +vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders, +die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere +kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder +gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil +'t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen +de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat +geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben, +zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding; +en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan +de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft +mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht +venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdieping +heeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd +eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht +te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga +en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij +moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer +men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men +het recht niet zich op te offeren. Dit zou 't zelfde wezen als zijn +familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters +hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt +dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! 't is +verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo +bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die +zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan +der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op +de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens, +die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u +zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt, +kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat, +denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar +vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze +vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, +mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de +gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, +deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid, +frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij +hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk +aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan +de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die +vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na +te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als +die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken, +zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van +avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te +herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn, +ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten +verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; 't is +zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb +een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. 't Is spoedig gezegd, +vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet +meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve +gezonde kind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht, +welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt +als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn +vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich +genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had +altijd honger. 't Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel +naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met +zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en +at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen, +dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde +het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht, +waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat +hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags +te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe, +ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit +kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en 't +is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben +staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras +op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen +zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw +hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen +vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen, +de moeders, de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van +u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij +allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap +en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge +u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat +ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt +niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken +moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn." + +Allen lieten treurig het hoofd zinken. + +Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn +verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet +ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders der anderen en vergat de +zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was "zelfzuchtig!" + +Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende, +verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van +geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe +langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig +oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat. + +Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in +de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning +kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het +vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver +gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; +hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; +hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet +op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde +hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen. + +Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een +punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts +ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet +verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het +niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde. + +Hij verhief de stem en sprak: + +"Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg +mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd, +zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders, +zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!" + +Niemand verroerde zich. + +"De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit +het gelid!" herhaalde Marius. + +Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade, +maar Marius was er de redder van. + +"Ik beveel het," riep Enjolras. + +"Ik verzoek het," zei Marius. + +Toen, door Combeferre's woorden verteederd, door 't bevel van Enjolras +geschokt en door Marius' bede bewogen, begonnen deze heldhaftige +mannen de een den ander te verraden. "Inderdaad," zei een jongeling +tot een bejaard man, "gij zijt huisvader. Ga"--"Ga gij veeleer," +antwoordde de man, "gij hebt twee zusters te onderhouden."--En een +wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander +uit de poort des grafs laten zetten. + +"Haasten wij ons," zei Courfeyrac, "binnen een kwartier zal het te +laat zijn." + +"Burgers," hernam Enjolras, "'t is hier de republiek, en het algemeen +stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten." + +Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met +eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen. + +"Er zijn vijf man!" riep Marius. + +Er waren slechts vier uniformen. + +"Welnu," zeiden de vijf, "dan moet er één blijven." + +En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor +de anderen redenen zou vinden om niet te blijven. + +"Gij hebt een vrouw, die u bemint."--"Gij hebt een oude moeder."--"Gij +hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?"--"Gij +zijt vader van vijf kinderen."--"Gij hebt recht te leven; ge zijt +eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven." + +Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van +heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen +verwonderden zich volstrekt niet over elkander. + +"Haast u!" herhaalde Courfeyrac. + +Uit de groepen riep men tot Marius: + +"Wijs gij dengene aan, die blijven moet." + +"Ja," zeiden de vijf, "kies gij. Wij zullen u gehoorzamen." + +Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was; +maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al +zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog +bleeker had kunnen worden. + +Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van +die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen +ziet, riep hem toe: + +"Mij! mij! mij!" + +En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij +zijn blik op de vier uniformen. + +In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op +de vier andere. + +De vijfde man was gered. + +Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent. + +Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan. + +Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit +instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour. + +Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk +kunnen doorkomen. + +De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden +geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te +maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: 't +is waarschijnlijk versterking, en in 't ergste geval een gevangene. Het +oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen +man zijn post verlaten zou hebben. + +Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hem opgemerkt, +want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen +gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok +uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen. + +De opschudding was onbeschrijfelijk. + +"Wie is deze man?" vroeg Bossuet. + +"'t Is," antwoordde Combeferre, "een man, die anderen redt." + +Marius voegde er met ernstige stem bij: + +"Ik ken hem." + +Deze waarborg was voor allen voldoende. + +Enjolras wendde zich tot Jean Valjean: + +"Wees welkom, burger." + +En hij voegde er bij: + +"Gij weet dat men hier sterven moet." + +Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform +aantrekken. + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +WELKEN HORIZONT MEN VAN DE KRUIN DER BARRICADE ZIET. + + +De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder +erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten +top gevoerd. + +Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo +onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint +Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, +in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins +naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen +tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf +zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er +toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der +groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek +te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen +toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd, +en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school, +welke in het woord 1793 is samengevat. + +Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den +loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag +over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordig is, hebben +dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik +bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd +op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld +den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep: + +"Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht +overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd, +de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend, +het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen +vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel, +God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar +geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de +school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen, +recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog +meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het +stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, +wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke +geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, +die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, +die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de +klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch +waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van +het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra +bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij +heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij +hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk +voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke +monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, +zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor +het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor +hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de +op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, +welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, +die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan +der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij +gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te +gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.--Het wezenlijke door het +ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op +den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten, +in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids +gezien. De amphyctionen hadden jaarlijks twee vergaderingen, de +eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen, +de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de +aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn +schoot. 't Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland +werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor +naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik +vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij +hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de +menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult +hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, +zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij +een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, +evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En +welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie +van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één +beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze +souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee +of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; +maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere +souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het +algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, 't welk ieder aan allen in +gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet +anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder +haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet +broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten +heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men den +maatschappelijken band noemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond, +'t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band +besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo +de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid, +burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen +maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling +van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het +burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke +de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde +recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het +kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het +a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het +middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de +wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij. Ja, +onderwijs! licht! licht! alles komt van 't licht en keert er in +terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste +eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis +gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te +vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën, +een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen +koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van +volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eener +dynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee +bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men +zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede, +geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard, +geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud +der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen, +dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men +zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen, +zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen +de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster +om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u +spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt +de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke +geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren +wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, +zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, 't is hier +de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; +deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud +ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden +en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst +er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met +mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het +geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun +onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen +zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in +den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan." + +Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als +ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om +hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar +men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel +van het verstand het geritsel der bladeren. + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +MARIUS VERWILDERD, JAVERT LAKONISCH. + + +Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging. + +Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd, +dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was +verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der +groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij +gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij +reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden +slechts met de oogen van een doode. + +Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij +er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft +overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven +omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven. + +Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette. + +Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en +scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen: +"ik ken hem." + +Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men +zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij +zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid +geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor +hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang +geleden, dat hij hem niet gezien had, 't geen, wegens den bedeesden, +afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte. + +De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de +barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner +verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de +achterblijvenden. + +Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken +waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het +benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten. + +"Hebt ge aan iets behoefte?" vroeg hem Enjolras. + +Javert antwoordde: + +"Wanneer zult ge mij dooden?" + +"Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig." + +"Geef mij dan iets te drinken," zei Javert. + +Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden +was hielp hij hem drinken. + +"Is dat alles?" vroeg Enjolras. + +"Ik bevind mij slecht aan dezen paal," antwoordde Javert. "'t Is niet +vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind +mij zooals 't u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten +liggen, evenals den andere." + +En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf. + +Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert, +een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De +patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel +ledig was. + +Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den +paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een +bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, +bond om zijn beenen een sterk, dun touw 't welk hem veroorloofde korte +schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, +en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop +men hem stevig gebonden neerlegde. + +Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den +hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn +doorgegaan, aan de handen bevestigd werd. + +Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur, +met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze +man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en +herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen +neder en zeide bij zich zelven niets dan: "'t is zeer natuurlijk." + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE TOESTAND WORDT ERGER. + + +Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende +zich. 't Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der +straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben, +door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers +een akelige stilte aan. De straat St. Denis was even eenzaam als de +straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de +pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is +treuriger dan deze glans in de doodsche straten. + +Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige +beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals +den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen. + +De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek +der vijf personen, had men haar nog verhoogd. + +Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had +bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig +besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot +hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog +langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade, +die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat, +links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat +Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar +geen uitgang. "'t Is een vesting," zei Courfeyrac glimlachend, +"maar tevens een muizenval." + +Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen +opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen. + +Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen, +zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen. + +Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit. + +Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming +gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt +op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken +zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur, +die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die +beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen, +die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om +zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op +confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848 +had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het +plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot; +hij werd hier door het schroot getroffen. + +Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden +alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen +oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is, +loopt in één punt samen en verandert zich in afwachting van den +aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar +heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde. + +Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en +zich bij een soort van schietgat geplaatst had, 't welk hij zich +had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk +langs den straatsteenen muur. 't Waren de hanen der geweren, die +werden overgehaald. + +Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de +overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer, +maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning +geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan +uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het +middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt +dan een reddingsplank. + +Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever +geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was. + +Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de +richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten +aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar +voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van +plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht +was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer +van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der +oorlogswielen, dreunden. + +De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde +der straat. + +Een kanonstuk verscheen. + +Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee +artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen; +de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken. + +"Vuur!" riep Enjolras. + +De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een +rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na +eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen +kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het +langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade. + +Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den +ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop +richt. + +"Bravo, kanonniers!" riep Bossuet. + +En de geheele barricade klapte in de handen. + +Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat, +schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen +de barricade. + +"Nu aan 't werk!" riep Courfeyrac. "Ziedaar den bullebak. Na den +oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons +uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en +beproeft, het kanon grijpt en bijt." + +"'t Is een achtponder, nieuw model en van brons," voegde Combeferre +er bij. "Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer +dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt +ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den +loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen +versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw +moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen +om het stuk leggen." + +"In de zestiende eeuw," merkte Bossuet op, "had men gegleufde +kanonnen." + +"Ja," antwoordde Combeferre, "dit vermeerdert wel de werpkracht, +maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten +afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid, +de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht +genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van +het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond +door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel +voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze +despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een +kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht +zeshonderd mijlen in een seconde. Zoo groot is het overwicht van +Jezus Christus op Napoleon." + +"Laadt opnieuw," zei Enjolras. + +Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou +men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun +geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon. + +De angst was groot in de barricade. + +Het schot ging af en donderde. + +"Present!" riep een vroolijke stem. + +Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong, +sprong Gavroche er in. + +Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de +nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd. + +Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel. + +De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den +omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, 't +geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten. + +"Gaat zoo voort," riep Bossuet tot de artilleristen. + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE ARTILLERISTEN NEMEN HET ERNSTIG OP. + + +Men omringde Gavroche. + +Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend +ter zijde en vroeg: + +"Wat komt ge hier doen?" + +"Wel," hernam de knaap. "En gij dan?" + +En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan. + +Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag. + +Op strengen toon hernam Marius: + +"Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief +bezorgd?" + +Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien +brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had +hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich +zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had +ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen +onderscheiden. 't Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was +niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen +en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden, +nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk. + +"Burger," zeide hij, "ik heb den brief aan den portier gegeven. De +dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben." + +Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad: +Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden. + +Hij moest zich met de helft van 't geen hij wilde tevreden stellen. + +De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van den heer +Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een +zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent +en vroeg: + +"Kent ge dien man?" + +"Neen," zei Gavroche. + +Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts +in de duisternis gezien. + +De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren, +verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien +was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid +bij dit gevecht zeer natuurlijk. + +Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en +riep: "mijn geweer!" + +Courfeyrac deed het hem teruggeven. + +Gavroche verwittigde "de kameraden," zooals hij hen noemde, +dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij +teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine +Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl +aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat +bezette. Tegenover zich had men het gros des legers. + +Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij: + +"Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten." + +Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat. + +De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van +hun kanonschot, hadden het niet herhaald. + +Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk +bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan +tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van +borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek +dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon +der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard. + +Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren +der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en +zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig +links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De +kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat. + +"Bukt! Bij den muur!" riep Enjolras, "allen op de knieën langs de +barricade!" + +De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij +Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijlden dooreen naar de +barricade; maar vóór dat Enjolras' bevel volbracht was, geschiedde +een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. 't Was +werkelijk een schrootschot. + +Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den +muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst. + +Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het +schroot kwam er in. + +Er ontstond een rumoer van ontsteltenis. + +"Laat ons ten minste het tweede schot beletten," zei Enjolras. + +Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk, +die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte. + +Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met +zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen +eigen, 't welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den +oorlog zal dooden. + +Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling. + +"Hoe jammer!" zei Combeferre. "Dit bloedvergieten is +afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er +geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge +ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat 't een innemend jongeling is; +hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie +zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie; +hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig +jaar zijn; hij kon uw broeder wezen." + +"Hij is 't," zei Enjolras. + +"Ja," hernam Combeferre, "ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet." + +"Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn." + +En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras. + +Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist +draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd +als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef +bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed +stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood. + +Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige +minuten gewonnen. + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +AANWENDING VAN HET OUDE WILDSTROOPERSTALENT EN VAN HET ONFEILBAAR +SCHOT, DAT OP DE VEROORDEELING VAN 1796 VAN INVLOED IS GEWEEST. + + +De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost +worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een +kwartieruurs uithouden. 't Was een volstrekte noodzakelijkheid het +schrootvuur onschadelijk te maken. + +Enjolras gaf bevel: + +"Er moet daar een matras gelegd worden." + +"Men heeft er geene," zei Combeferre. "De gekwetsten liggen er op." + +Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een +straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan 't geen +plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders +niet te hooren, die tot elkander zeiden: "Ziedaar een geweer, dat +niets uitricht." + +Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op. + +Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat +Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen, +om zich tegen de kogels te beveiligen. 't Was een dakvenster van +een huis met zes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De +matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, +die aan spijkers in 't kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen +duidelijk, maar fijn als een draad. + +"Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?" zei Jean +Valjean. + +Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem. + +Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot. + +Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing +nu nog slechts aan één touw. + +Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen +de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee +droogstokken en viel op de straat. + +De barricade juichte. + +Alle stemmen riepen: + +"Wij hebben de matras!" + +"Ja," zei Combeferre, "maar wie zal ze halen?" + +De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen de belegerden +en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der +kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert +eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op +den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting +dat het kanon, 't welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend +kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet, +om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade, +maar vlogen vreeselijk in de straat terug. + +Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den +kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en +kwam in de barricade terug. + +Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen +den muur dat de artilleristen ze niet zagen. + +Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet +lang uit. + +Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer +teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was +verkregen. De barricade was behoed. + +"Burger," zei Enjolras tot Jean Valjean, "de republiek dankt u." + +Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep: + +"'t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. 't Is de +zegepraal van 't geen buigt op 't geen woedt. Om 't even, eere zij +de matras, die een kanon machteloos maakt!" + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +DE DAGERAAD. + + +Op dit oogenblik ontwaakte Cosette. + +Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten, +op de achterplaats van het huis uitziende. Cosette wist niets van +'t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij +en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had: +"Er schijnt iets gaande te zijn." Cosette had niet lang, maar goed +geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, 't geen misschien een +weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius +was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar +oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog. + +Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde +stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zij ondervond, +gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel, +welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen, +zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.--Sinds +drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat +hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was, +dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te +komen.--En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.--Het was +klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat +zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan, +om Marius te ontvangen. + +Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg +voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd +aangenomen; alles was zeker en gewis. 't Was reeds erg genoeg, +drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, 't was +verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des +Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo +is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart +nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst +tegen een onbekende, die zij zelve is. 't Is voor haar zeer natuurlijk, +gelukkig te zijn. 't Is alsof zij hoop inademt. + +Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens +deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en +welke verklaring hij er haar van gegeven had. + +Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat +men laat vallen, zich verbergt, en hoe kunstig het zich onvindbaar +weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, +zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: 't is gedaan; zij +zijn verloren; 't is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was +een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar +geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en +zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius +tot haar had gesproken. + +Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel +en het lichaam, haar gebed en haar toilet. + +Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de +kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag +'t geheel niet. + +'t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in +de schaduw; 't is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet +aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is +aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat +zich ontbloot, deze hemelsche halve naaktheid, die zich zelve schuwt, +de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den +spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich +haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk +of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte +lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude +en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier +gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich +voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad, +'t betaamt niet, dit alles te beschrijven; 't is reeds te veel het +aan te duiden. + +Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van +een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid +van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, +het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel +zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet +weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, +en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte +van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier +is aanschouwing ontheiliging. + +Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes +ontwaking mededeelen. + +Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen, +maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde, +zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes +en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden. + +Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, 't geen destijds +zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet +met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar +droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop +iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van +de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden +te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en +daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; +voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een +klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij +besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius +van daar zou komen. + +Eensklaps begon zij te schreien. 't Was geen aandoenlijkheid van ziel; +maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; 't was haar toestand van +dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis +zweven de zaken in de lucht. Zij zeide bij zich zelve, dat zij van +niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men +elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot +haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber. + +Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar +terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op +God vertrouwde. + +Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen +vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw +Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, +dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel +lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was +geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een +licht was bepaald onmogelijk. + +Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij +zeide: 't Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en +dicht slaat. 't Waren de kanonschoten tegen de barricade. + +Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een +uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de +omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van +boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde +haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje +vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De +opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet: +"vermenigvuldigt u" lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke +geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het +zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig +door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich +schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht, +aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en +die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een +maagd verwekt. + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +HET GEWEERSCHOT DAT NIETS MIST EN NIEMAND DOODT. + + +Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het +schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te +veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel van Corinthe +leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door +geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe +meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich +moeten verwijderen. 't Is overigens een tactiek bij den aanval van +barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie +der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het +vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur +bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot +de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de +barricade antwoordde niet. + +Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van +de hoogste verachting. + +"Goed," zeide hij, "scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig." + +Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide +tot het kanon: + +"Ge begint te beuzelen, goede man." + +Men intrigueert in een gevecht als op een bal. + +'t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars +begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat +zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen +heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde, +die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de +belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een +pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn +blik viel lijnrecht in de barricade. + +"Dat is een lastige toeschouwer," zei Enjolras. + +Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij +had zijn geweer. + +Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een +seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de +straat. De verschrikte soldaat verdween in haast. + +Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, +Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw +aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den +soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in +allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen +meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden. + +"Waarom hebt ge den man niet gedood?" vroeg Bossuet aan Jean Valjean. + +Jean Valjean antwoordde niet. + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE WANORDE ALS HANDLANGER DER ORDE. + + +Bossuet fluisterde Combeferre in 't oor: + +"Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord." + +"'t Is een man, die goed doet met geweerschoten," zei Combeferre. + +Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd +bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich +dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd +en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein +van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets +te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en +liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, +te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd +hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders +hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid +der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de +Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; +en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze +oneindige verkleining van het vaderland. + +'t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. 't +Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd +kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen. + +Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd +met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een +tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel +der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of +gene kapitein ging op eigen gezag in 't vuur; deze of gene nationale +garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken +van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met +zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren +echte guerillero's, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van +de pen als Henry Fonfrède. + +De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer +vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep +beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet; +iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde +haar, naar zijn zienswijze; en de eerste de beste nam de taak op zich +de maatschappij te redden. + +De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale +garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde +binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk +een geïmproviseerde rechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede +lynchwet, welke geen partij het recht geeft een andere verwijtingen te +doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa +door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei +vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd +Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en +ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te +vluchten. Men riep: "'t Is ook een St. Simonist!" en men wilde hem +dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de +Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het +woord "Saint-Simon," gelezen en geroepen: "Doodt hem!" + +Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de +voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd, +vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels +dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de +rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein +Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van +condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben, +een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring +niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan +de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te +nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag +en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij +luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden +dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en, +volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, "den opstand in +zijn vet lieten gaar koken." Maar hij voor zich vond de barricade rijp, +en, wijl 't geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen. + +Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij, +"razenden," zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den +dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon, +dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men 't +het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen +de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst +volbracht, kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee +derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der +barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren, +werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep +nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten, +moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken +terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den +tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke +losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar +wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren +en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe +hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige +Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, +dat wil zeggen: door de orde. + +Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.--De +dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onze +ammunitie voor niets verspillen. + +Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij +was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De +opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal +schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch, +een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, +die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als +de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade +manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook +zijn 't gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming +der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn +kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan +komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal +verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, het quid divinum +lost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht, +een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en +het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk. + + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +VOORBIJGAANDE FLIKKERINGEN. + + +In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade +verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift, +ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal +tusschenpoozen van hoop. + +Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop, +schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der +Chanvreriestraat. + +"Hoort," riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende; +"mij dunkt, dat Parijs ontwaakt." + +'t Is stellig, dat in den morgen van den 6den Juni de opstand +gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede +de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de +straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de +poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend +een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard, +viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef, +en zeide, zich omkeerend: "Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer +zal doen." Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een +vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij +ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige +knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol +patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang +der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits +generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel +onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp +men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; +een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, +zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de +woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: "Wij zijn verloren, +zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten." + +Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde +oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn, +welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over +die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche +voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men +haastte zich, deze beginselen van brand uit te dooven. Men +wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en +Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en +alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden +colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine +rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met +den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit +geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen +op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder +dat gewoel en gerucht, 't welk aan een botsing tusschen het leger en +het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen +van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde +der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac: + +"Deze gekwetsten komen niet van ons." + +De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een +half uur was de hemel donker; 't was als een bliksem zonder donder, +en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede +de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelaten +hardnekkigen treft. + +De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was +in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de +krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of +vier barricaden wijden, die nog stand hielden. + +De zon rees aan den horizon. + +Een opstandeling zeide tot Enjolras: + +"Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten +te hebben?" + +Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van +het einde der straat te wenden, knikte toestemmend. + + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +WAARIN MEN DEN NAAM VAN ENJOLRAS' GELIEFDE LEZEN ZAL. + + +Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op +het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige +kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een +spottend woord voor. + +"Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompe oude; het spijt +mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder, +'t is maar hoesten." + +En men lachte rondom hem. + +Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar +vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door +scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in. + +"Ik bewonder Enjolras," zei Bossuet. "Zijn onwrikbare vermetelheid +verbaast mij. Hij leeft alleen, 't geen hem misschien een weinig +somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het +weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen, +die ons dol, dat wil zeggen dapper, maken. Is men verliefd als een +tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die +wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland +laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt +van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan; +'t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen +vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken +te zijn. 't Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als +vuur kan zijn." + +Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem +ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: "Patria." + +Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep: + +"Iets nieuws!" + +En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij +er bij: + +"Ik heet achtponder." + +Inderdaad, een nieuw personage was op 't tooneel verschenen. 't Was +een tweede stuk geschut. + +De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij +bij het eerste. + +Dit bespoedigde de ontknooping. + +Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig +bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der +linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie. + +Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee +kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten, +havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de +andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De +vier kanonnen vormden een akelige echo. + +De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander. + +Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraat beukten, +schoot het eene schroot, het andere kogels. + +Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de +kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de +brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen. + +Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade +te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen; +dit is een teeken dat de bestorming nabij was. + +Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van +de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de +aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot, +misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen, +gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen. + +"Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden," +zei Enjolras en hij riep: "Vuur op de artilleristen!" + +Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had, +gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of +acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten +rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden +nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der +kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort +met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt. + +"'t Gaat goed," zei Bossuet tot Enjolras. "Wij slagen." + +Enjolras schudde het hoofd en antwoordde: + +"Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden +geen tien patronen meer zijn." + +Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had. + + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +GAVROCHE BUITEN. + + +Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op +de straat, in den kogelregen. + +Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de +snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der +voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen. + +"Wat doet ge daar?" vroeg Courfeyrac. + +Gavroche zag even op en zeide: + +"Ik vul mijn mand, burger." + +"Ziet ge dan het schroot niet?" + +Gavroche antwoordde: + +"Welnu, het regent. Wat zou dat?" + +Courfeyrac riep: + +"Ga binnen!" + +"Aanstonds," zei Gavroche. + +En met een sprong was hij verder in de straat. + +Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij +een rij lijken had achtergelaten. + +Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat +verspreid. 't Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche; +een voorraad patronen voor de barricade. + +De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op +een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, +kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge +huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich +gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs +het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van +het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien. + +Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen, +waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig +voor Gavroche. + +Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid +tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot +gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen. + +Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand +tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen +tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap +een noot opent. + +Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest +terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken. + +Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn. + +"Voor den dorst," zeide hij den hoorn in den zak stekende. + +Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den +kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun +borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad, +om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, +dat zich in den kruitdamp bewoog. + +Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag, van +zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk. + +"Verduiveld!" zei Gavroche. "Nu gaat men mijn dooden dooden." + +Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem +springen. Een derde wierp zijn mand om. + +Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der +voorstad kwam. + +Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen +in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht +en hij zong: + + + On est laid à Nanterre, + C'est la faute à Voltaire, + Et bête à Palaiseau. + C'est la faute à Rousseau. [1] + + +Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de +patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een +vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door +een geweerkogel getroffen. + +Gavroche zong: + + + Je ne suis pas notaire, + C'est la faute à Voltaire, + Je suis petit oiseau, + C'est la faute à Rousseau. [2] + + +Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet +te ontlokken. + + + Joie est mon caractère, + C'est la faute à Voltaire, + Misère est mon trousseau. + C'est la faute à Rousseau. [3] + + +Dit ging eenigen tijd zoo voort. + +'t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche, +op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich +ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers +pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met een couplet. Men +mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd. De nationale garden +en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging +liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur, +sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg, +keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar, +plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde +zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun +oogen. De barricade beefde; hij zong. 't Was geen kind, 't was geen +man; 't was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van +een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het +krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was +vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; +telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde, +bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus. + +Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan +de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen +ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien +dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen +hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was +Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en +een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen +op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong: + + + Je suis tombé par terre, + C'est la faute à Voltaire, + Le nez dans le ruisseau, + C'est la faute à..... [4] + + +Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden +schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat, +en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden. + + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +HOE MEN VAN BROEDER VADER WORDT. + + +In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,--want de +blik van het drama moet overal zijn.--twee kinderen, die elkander bij +de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn +geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen +aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek +en in lompen gekleed, en hadden 't voorkomen van schuwe vogels. Het +kleinste zeide: "Ik heb grooten honger." + +De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje +bij de linker- en had een stokje in de rechterhand. + +Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren +gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen, +die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen. + +Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een +even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek +der barrière d'Enfer, of op de esplanade van het Observatoire, +of op het naburig plein, waar men op een gevel leest: invenerunt +parvulum pannis involutum [5], de tent van een koorddanser, waaruit +zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog +der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht +in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár +was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij +schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren. + +Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had +gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten +Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer +Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door +den wind verstrooide bladeren. + +Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover +den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd. + +Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der "verlaten +kinderen," welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten +van Parijs vindt. + +Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke +rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden, +zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen +openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als +kinderen recht op bloemen hebben. + +Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er +waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen +en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van +hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij +wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den +algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met +hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en +hadden de beide overtreders niet gezien. + +Het had den vorigen avond geregend en ook 's morgens nog een +weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks +bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend +heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang +van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen +middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als +'t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen +is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is +alles druipnat, des namiddags is alles stof. + +Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en +door de zon gedroogd is; 't is een warme frischheid. De tuinen en +weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden +wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht, +zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De +lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld +te oefenen. + +Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des +hemels aanschouwende, zeggen: 't is genoeg! droomers, die, in het +wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid +voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken +beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met +den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de +naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een +ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, +met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, +wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame +menschen, die onbarmhartig tevreden zijn. Zonderling, het oneindige +is voor hen voldoende. Het eindige, 't welk de omvatting toelaat, +deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, +dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het +onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke, +het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, +mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, +altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun +leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een +gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel +blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, +bezig te houden? De mensch lijdt, 't is mogelijk; maar zie naar +Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene +sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van +een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste +Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De +dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind +te zien. God verduistert hun ziel. 't Is een familie van tevens kleine +en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook +Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers +der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon +den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om +daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, +geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles +goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes +boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben +gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen. + +'t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen +zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze +bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens +nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster +in het midden van het voorhoofd. + +De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een +verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt +gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk +Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het +groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is? + +Maar wien kan men dan vertrouwen? Solem quis dicere falsum audeat? [6] +Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verheven menschen, +sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het +toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig, +slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is +er dan boven de zon? God. + +Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren 's morgens het Luxembourg, eenzaam +en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander +in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het +middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen +kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten +huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De +bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën; +de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde +den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van +Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde +de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in +bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken +van dezen gloed. + +Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de +meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends; +de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar +was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche +natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, +morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, +als een kinderhandje dat men kust. + +De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen +vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat +gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten +vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier +en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die +van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk +na en schenen te dartelen. + +Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van +leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid +der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze +golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien +oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van +het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend +gordijn, zag men God, den millionnair van sterren. + +Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den +regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zich gewasschen; +al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen +uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was +zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een +hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der +vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De +gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk +geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn +gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn; +sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg; +de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de +achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden +van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. 't Was +luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en +zeide: "De lente houdt parade in groot tenue." + +De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel; +'t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het +groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte +dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen +had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink +gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen, +de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel +een weinig, 't geen de verborgenheid van het kwade in het goede is, +maar geen dier had een ledige maag. + +De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, +en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te +verbergen. 't Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs +niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok. + +Nu en dan hoorde men bij 't draaien van den wind onduidelijke kreten, +gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was, +en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken +naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in +de verte. + +Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde +nu en dan zacht: "Ik heb honger." + +Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten +vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de +hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had +een grooten koek in de hand. + +Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame +en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de +bewoners gebruik maakten, wanneer de hekken gesloten waren; welke +vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit +een dier huizen. + +De twee arme kinderen zagen den "heer" naderen en verscholen zich nog +meer. 't Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag +in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje +den raad had hooren geven "van alle uitspattingen te vermijden." Hij +had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit +gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te +groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden +dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van +at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde, +om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding, +om reden van voorzichtigheid. + +Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide +zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der +zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de +hunne was. + +In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, 't geen hun hoofdtalent +is en zij vertoonden zich prachtig. + +Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest +om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben +kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon: + +"De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van +geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en +tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over." + +Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en +het gerucht luider. + +"Wat is dat?" vroeg het knaapje. + +De vader antwoordde: + +"'t Zijn Saturnaliën." + +Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter +het groene hok der zwanen stonden. + +"Dat is het begin," zeide hij. + +Na eenig zwijgen voegde hij er bij: + +"De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen." + +Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en +begon te schreien. + +"Waarom schreit ge?" vroeg de vader. + +"Ik heb geen honger meer," antwoordde het knaapje. + +De glimlach des vaders kwam meer uit. + +"Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten." + +"Mij lust die koek niet; ze is oudbakken." + +"Ge wilt hem niet?" + +"Neen." + +De vader wees hem de zwanen. + +"Werp hem den zwanen toe." + +De knaap aarzelde. 't Is nog geen reden zijn koek weg te geven, +wanneer men niet meer lust. + +De vader hernam: + +"Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben." + +En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver. + +De koek viel dicht aan den kant van 't water. + +De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of +anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien. + +De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en +verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te +telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot +zich trok. + +Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden +langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren +betaamt. + +"De zwanen begrijpen de seinen," zei de burger, die zich verheugde, +zoo schrander te zijn geweest. + +In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad +toe. 't Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker +dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel, +geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok +en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk +over de zon. + +De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen. + +"Keeren wij naar huis," zei de vader. "Men bestormt de Tuilerieën." + +Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort: + +"Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan +die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het +zal geweerschoten regenen." + +Hij zag naar de wolk. + +"Misschien zal 't ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede; +de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis." + +"Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten," zei het knaapje. + +De vader antwoordde: + +"'t Zou onvoorzichtig zijn." + +En hij voerde zijn kleinen burger mede. + +De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het +hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien +voor hem verborg. + +Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers +den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den +koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na. + +Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote +trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert. + +Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik +op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand +krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er +schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek. + +Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en +hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in 't water, die +den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit +en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De +zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok +den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en +richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De +oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam +het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende: + +"Ziedaar, stop dit in uw maag." + + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +DE DOODE VADER WACHT DEN STERVENDEN ZOON. [7] + + +Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem +gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde +terug met de mand patronen; Marius met den knaap. + +"Helaas!" dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed +hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen, +hij bracht den knaap dood terug. + +Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam, +was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd. + +Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn +hoofd geschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had. + +Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius' hoofd mede. + +Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde +over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den +grijsaard en den knaap. + +Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had +medegebracht. + +Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten. + +Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den +straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, +schudde hij het hoofd. + +"Een rare zonderling," zei Combeferre zacht tot Enjolras. "'t Is hem +mogelijk in deze barricade niet te vechten!" + +"'t Geen niet belet dat hij ze verdedigt," antwoordde Enjolras. + +"Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen," hernam Combeferre. + +En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij: + +"Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf." + +Het verdient opmerking, dat het vuur, 't welk de barricade teisterde, +het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige +van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld +vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze +stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, +men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te +midden van het schrootvuur tot hem zeggen: "Wij zijn hier als aan een +ontbijt van jongelieden." Zooals wij zeiden, scheen de barricade der +straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en +toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid +was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend +wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder +omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over +haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard +aan den somberen genius Epidotas wijdende. + +Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de +gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit +den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en +Bossuet zeide tot Feuilly: "Wij zullen spoedig per diligence naar de +andere planeet vertrekken." Courfeyrac legde en rangschikte op eenige +straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een +geheel arsenaal: zijn stokdegen, zijn geweer, twee ruiterspistolen, een +dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire +in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een +werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op 't +hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden +der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten +zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly, +die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen, +bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde +korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius +dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen. + + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +DE GIER PROOI GEWORDEN. + + +Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden +eigen is. Niets van 't geen dezen merkwaardigen straatoorlog +karakteriseert mag worden voorbijgezien. + +Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht, +en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in +zijn slechts een visioen. + +In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van +het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn +als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom +gehad te hebben. + +Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius +medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; 't is meer en 't is +minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet +men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men +vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden, +die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht +der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De +uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde +in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen, +waarop bloed kleefde; 't was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas; +tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden, +andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men +waande de akeligheden van onbekende diepten aanschouwd te hebben; +men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer. + +Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug. + +Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het +slaan eener klok. + +"'t Is middag," zei Combeferre. + +Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte +der barricade met donderende stem: + +"Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de +vensterbanken. De helft der manschappen in 't geweer, de andere helft +bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen." + +Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in +slagorde aan het einde der straat. 't Kon niet anders dan de spits +eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de +aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der +barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd +waren ze te bestormen. + +Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de +Clermont-Tonnerre, in 1822, den "halsstrik" noemde. + +Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed, +aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar +ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden +der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen +opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en +vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen +een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste +verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly, +de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de +geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker +geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten +de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening, +en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken. + +Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst +waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen, +welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag. + +"Wie zal ze drinken?" vroeg Bossuet. + +"Zij," antwoordde Enjolras. + +Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren +boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te +sluiten. + +De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg +de slottoren. + +Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde +der barricade. + +Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de +munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun +toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich +vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het +vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval +worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt; +daarop volgt de donder. + +Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te +verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, +hun dood een meesterstuk moest zijn. + +Hij zeide tot Marius: "Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van +binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op." + +Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade. + +Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert, +tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende: + +"De gekwetsten moeten niet gedeerd worden." + +Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen +kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen. + +"Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te +vernielen. Heeft men ze?" + +"Ja," zeide Feuilly. + +"Hoeveel?" + +"Twee bijlen en een houweel!" + +"Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren +zijn er?" + +"Vier-en-dertig." + +"Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere, +bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in +de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste +verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen +enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom +den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade +ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben." + +Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en +zeide tot hem: + +"Ik vergeet u niet." + +En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij: + +"De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den +kop jagen." + +"Hier?" vroeg een stem. + +"Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over +de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger +dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren +en fusilleeren." + +Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit +was Javert. + +Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der +opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras: + +"Zijt gij de kommandant?" + +"Ja." + +"Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt." + +"In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius +Pontmercy en u." + +"Meent ge, dat ik een belooning verdien?" + +"Zekerlijk." + +"Welnu, dan verzoek ik ze." + +"Welke?" + +"Dat ik dezen man doodschiet." + +Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare +beweging, en zeide: + +"Juist zoo." + +Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag +rondom zich. + +"Heeft niemand er iets tegen?" + +Toen zich tot Jean Valjean wendende: + +"Neem den spion." + +Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde +der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter +duidde aan, dat hij den haan overhaalde. + +Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal. + +"Geeft acht!" riep Marius van den top der barricade. + +Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de +opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun: + +"Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik." + +"Allen naar buiten!" riep Enjolras. + +De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun +rug zeggen: + +"Tot straks!" + + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +JEAN VALJEAN WREEKT ZICH. + + +Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los, +waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich +onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan. + +Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich +het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam +Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou +nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg; +want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine +passen doen. + +Jean Valjean had het pistool in de hand. + +Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen, +uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar +hen gekeerd. + +Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag +hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd +beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was. + +Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder +hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg +Mondétour overklimmen. + +Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in +de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor +de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade +gedragen lijken een gruwzamen hoop. + +Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend +haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. 't Was +Eponine. + +Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste +bedaardheid: + +"Mij dunkt, dat ik dit meisje ken." + +Toen wendde hij zich tot Jean Valjean. + +Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een +blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen: + +"Javert, ik ben het." + +Javert antwoordde: + +"Neem nu uw wraak." + +Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het. + +"Een mes!" riep Javert. "Gij hebt gelijk. Dat past u beter." + +Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had, +vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de +voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide: + +"Ge zijt vrij." + +Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich +zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij +stond onbewegelijk, met open mond. + +Jean Valjean hernam: + +"Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval +echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van +Fauchelevent, in de straat de l'Homme-Armé No. 7 woon." + +Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent, +en tusschen de tanden mompelde hij: + +"Pas op!" + +"Ga," zei Jean Valjean. + +Javert hernam: + +"Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l'Homme-Armé?" + +"Nommer zeven." + +Javert herhaalde halfluid: "nommer zeven." + +Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een +militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een +zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean +oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean +Valjean toe: + +"Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!" + +Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot +hem sprak. + +"Ga heen," zei Jean Valjean. + +Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den +hoek der Predikersstraat om. + +Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de +lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide: + +"'t Is verricht." + +Inmiddels was het volgende gebeurd: + +Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was, +had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden +spion niet nauwkeurig opgemerkt. + +Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade +klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een +herinnering bij hem op. Hij herinnerde zich den politie-inspecteur +der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand +gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend +had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam. + +Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn +denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich +zelven de vraag: "Is dit niet die inspecteur van politie, die mij +zeide, dat hij Javert heette?" + +'t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide +te komen. Maar vooraf moest hij weten, of 't werkelijk deze Javert was. + +Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade +geplaatst had: + +"Enjolras!" + +"Wat?" + +"Hoe heet die man?" + +"Wie?" + +"De politieagent. Kent ge zijn naam?" + +"Ja. Hij heeft hem ons gezegd." + +"Hoe heet hij?" + +"Javert." + +Marius richtte zich op. + +Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot. + +Jean Valjean kwam terug en riep: "'t Is geschied." + +Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius. + + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE DOODEN HEBBEN GELIJK EN DE LEVENDEN GEEN ONGELIJK. + + +De doodsstrijd der barricade zou beginnen. + +Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten +oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht +van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet +zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende +kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen +doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, +boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in +de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, +die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de +prachtige hemel vol zonneschijn en wolkjes, de schoonheid van den +dag en de vreeselijke stilte der huizen. + +Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de +Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten +deuren, gesloten vensters, gesloten blinden. + +In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons +bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken +aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde +grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn +in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten +werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het +woord orde in de ooren te fluisteren--dan was de burger, om zoo te +spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met +de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand +niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de +menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de +stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven +koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, +om het leger bij de inneming der barricade te helpen. + +Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee +dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich +niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De +opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, +elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, +hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze +muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk +zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, +dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert +vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In 't midden +dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, +het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; +'t is verschrikkelijk! + +De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er +ontzetting onder, 't geen een verzachtende omstandigheid is. Men +heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in +woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar +de diepzinnige uitdrukking: "De verwoede gematigden." Er zijn +ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige +rook, de toorn opstijgt.--Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit +tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds +genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich +niet uitredden, des te erger voor hen. Zij hebben 't zich zelven te +wijten en verdienen het. 't Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme +straat van kogels doorboord is. 't Is een hoop deugnieten. Open +vooral de deur niet.--En het huis neemt de gedaante van een graf +aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot +of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat +men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden +beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben +ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen. + +Wien moet men beschuldigen? + +Niemand en iedereen. + +De onvolkomen tijden, welke wij beleven. + +'t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand +verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, +van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, +weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan +onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, +de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen +verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er +in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover +de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid. + +Maar is het wel ondankbaarheid? + +Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht. + +Neen, uit dat van het individu. + +De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven +van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred +van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de +groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; +hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft +stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend +Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn +nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste +smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis +rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken. + +God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, +Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den +stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield. + +Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou +over 't algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapende toeneemt, want +hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men +hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang +als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de +hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor +ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg +is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan +de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet +heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben. + +Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven +der volken. + +Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan +het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt. + +Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk +belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, +zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare +hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten +en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het +geslacht, 't welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is +niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, +die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen +krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben +jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, +ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, +ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, +ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.--Daardoor +worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk +geslacht ijskoud. + +Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden +kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, +ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, +de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, +wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, +waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, +een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij +vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude +militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders +dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende +duisternissen. Zij bedient zich van den dood--iets zeer ernstigs. Het +schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans, haar +onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treft met het +zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; +die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere. + +Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, +is 't ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de +toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, +niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij +eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De +overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de +toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun +verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, +die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is +John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi. + +Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn. + +Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, +wanneer zij niet slagen. + +Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik +verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men +beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, +veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande +maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, +grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld +blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te +strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij +zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van +goede bedoelingen is gemaakt. + +Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In 't algemeen, wij +moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, +en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de +maatschappij zelve af zich te redden; 't is op haar eigen goeden wil, +dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het +kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te +genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit. + +Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen, vooral wanneer zij gevallen +zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met +het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de +onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver +offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; +zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met +dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, +gaan zij, gehoorzaam aan het goddelijk scenario, in het graf. En dezen +hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, +om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 +Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen +te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is +een beweging van God. + +Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij +de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er +zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde +opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée, +die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte +boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een +volksverbijstering. + +Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer +de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op +ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars. + +Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig; +eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl +hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft. + +Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het +ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een +opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig +worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op +een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, +bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, +en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet +eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig +spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, +half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte +hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in +Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden +bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in +Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de +overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie +op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder +koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel +lag zekerlijk ver, 't was misschien onduidelijk, en week bij de poging +achteruit; maar het was grootsch. + +Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de +geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen, +waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling +maakt den opstand dichterlijk en verguldt hem. Men werpt zich in deze +treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie +weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen +zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, +de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand +mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men +gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, +maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, +dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de +hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, +op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van +het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste +geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood. + +Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben +de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking +dier dolende ridders. De groote massa's, de menigten, die uithoofde +harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen; +en in het ideale is iets avontuurlijks. + +Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote +vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de +maag het hart. + +Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft +dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is +het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt. + +Omdat het kunstenaar is. + +Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone +slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook +de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te +zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving, +eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië +gaf, 't welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende +volken! Vitai lampada tradunt. + +Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element +van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar +de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een +mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd +wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men +moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, +maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk +geslacht het voorschrift van het ideale. + +Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de +wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der +poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het +Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving +is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, +en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet +alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De +kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de +genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft: +Alexander op den olifant. + +De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen +zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het +afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en +den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert +den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag +te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke +intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen +vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene +en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen +heen, nog een straalkrans van beschaving. + +Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en +Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het +grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan +andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En +hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts +gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt +soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën, +welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche +grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van +Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt +dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril +van klein te willen zijn. Dit is alles. + +Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om +zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht +terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en +opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het +licht is identisch met het voortbestaan van het ik. + +Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het +graf in ballingschap, is voor den opofferingszin een aanneembaar +geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de +verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen, +en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver +achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het +voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan. + +Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, +de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het +voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het +blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die +opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men +wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal; +daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, +waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat +ik de staatslieden bemin. + +Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren. + +Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan +een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is +ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte +van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten +ontmoeten. 't Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf +en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk +veroordeelde en welks eigenlijk titel "de vooruitgang" is. + +De vooruitgang! + +Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, +en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans +gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen, +is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te +lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen. + +Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde, +in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en +leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede, +van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar +het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten, +van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, +van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is +de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel +aan het einde. + + + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE HELDEN. + + +Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch. + +De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in +de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op +klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald +onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was +beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De +woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, +waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote +massa's, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, +onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs +aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen +de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur. + +De muur bleef staande. + +De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen +bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de +barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij +schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts +overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik +later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen. + +De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar +schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de +barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, +herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur +bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet +voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan +de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood +verspreidende. Daaronder was de barricade. + +Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was +er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige +wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd +streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een +einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den +dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder +bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd +met lijken overdekt. + +Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere +Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde +en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder +zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed +ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve +kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, +die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in +het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en +peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een +spook kunnen noemen, dat schiet. + +De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In +dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij. + +Courfeyrac was blootshoofds. + +"Wat hebt ge met uw hoed gedaan?" vroeg Bossuet. + +"Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten," +antwoordde Courfeyrac. + +Of zij hielden trotsche redenen. + +"Begrijpt ge," riep Feuilly bitter, "die mannen"--(en hij noemde namen, +bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) +"welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te +helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn +en ons nu in den steek laten." + +Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend: + +"Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de +sterren beschouwt, zeer uit de verte." + +Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, +alsof het gesneeuwd had. + +De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede +stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder +'t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze +bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, +was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel +legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder +den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, +en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, +tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst. + +De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe. + +Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, +een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in +lompen gekleede, uitgeputte mannen, die sedert vier-en-twintig uren +niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten +konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier +alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek +verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, +slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden +Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, +maar niet genomen. + +Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een +hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. 't +Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden +vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De +menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en +'t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden +rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en +gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen +het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht +te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste +der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt. + +Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, +vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de +daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men +was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, +zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had +glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met +straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd +gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die +drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, +had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik. + +Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral +aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men +zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt. + +Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, +stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem +een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier +degens over; één meer dan Frans I te Marignan. + + + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +VOET VOOR VOET. + + +Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius +aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, +Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het +kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter +een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door +de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten +gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot +twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars +een hellend vlak ter beklimming aan. + +Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming +gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, +was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen +in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was 't gedaan. De groep +opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring. + +Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het +leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, +wilden niet meer sneven. 't Was een oogenblik, waarin het instinct van +behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn +treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter +de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en +als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de +barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te +sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit +huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze +wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de +vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en +met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met +saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde +verdieping zag het doode hoofd op hen neder. + +Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen +geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten +geroepen: "Nadert niet!" en een officier, hieraan niet gehoorzamende, +werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats +der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, +in de andere de karabijn, de deur der herberg open houdende, welke +hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: "Er +is slechts één open deur. Deze." Hen met zijn lichaam bedekkende +en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter +zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende +zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de +geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er +ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, +de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig +dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich +aan den deurpost vastklampte, afsloeg. + +Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen +verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen +reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand +hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, +liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een +laatste herinnering aan Cosette mengde: "Ik ben gevangengenomen en +zal gefusilleerd worden." + +Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, +had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, +wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te +denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en +sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de +soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt +werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de +belegering der herberg. + +De soldaten, 't moet gezegd worden, waren vol toorn. + +De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog +noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, +dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het +lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten +gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en 't was een dergelijk +valsch gerucht, 't welk later den ongelukkigen afloop in de straat +Transnonain ten gevolge had. + +Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen: + +"Laten wij ons leven duur verkoopen." + +Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder +het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene +groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af +onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en +hing naar beneden. 't Was die van den grijsaard. + +Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen +avond het voorhoofd had gekust. + +'t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had. + +Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand +geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke +verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is +mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: +"Capituleert," antwoordde Palafox: "Na den oorlog met het kanon, +den oorlog met het mes." Niets ontbrak aan de stormende inneming +der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters +en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke +uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit +de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch +de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, +de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg +binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander +puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen +strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag +in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te +zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de +eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot +ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur +los. 't Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen +deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam +ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden +en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen +boden zij den beklimmers het hoofd. + +'t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige +bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, +helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes +niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog +is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur +der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was +moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode +hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht +was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit +gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het +afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen +menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. 't Waren geen reuzen +meer tegen kolossen. Het geleek meer naar Milton en Dante, dan naar +Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich. + +'t Was de heldenmoed tot monster geworden. + + + + + + + +DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +ORESTES NUCHTER EN PYLADES DRONKEN. + + +Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van 't overschot +der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan +de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de +laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig +belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, +de meesten in 't gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, +verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer +der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. 't +Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts +gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden +der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem +en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en +daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen +in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te +maken. Een kreet ging op: + +"Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich +daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten +wij hem hier dood." + +"Ja, schiet mij dood," zei Enjolras. + +Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander +geslagen, bood hij zijn borst aan. + +De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra +Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, +hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en +plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte +over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen +Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van +zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond +was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, +dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op +dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, +schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was +hij, na de vreeselijke vier-en-twintig uren, die verstreken waren, +blozend en frisch. 't Was misschien van hem, dat later een getuige +voor den krijgsraad zeide: "Er was een opstandeling, dien ik Apollo +hoorde noemen." + +Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer +latende zinken: "'t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten." + +Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en +maakten zwijgend hun geweren gereed. + +Toen riep een sergeant: "Legt aan!" + +Een officier trad tusschenbeiden. + +"Wacht!" + +En zich tot Enjolras wendende: + +"Wilt ge, dat men u blinddoeke?" + +"Neen." + +"Is 't waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?" + +"Ja." + +Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt. + +Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond +in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel +geleund. + +Hij was in de volle beteekenis, wat men "smoordronken" noemt. Het +afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een +soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de +barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd +in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de +armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen +slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets +had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, +noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het +ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan +het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die +hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen +rondom hem; en op 't eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers +des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; +de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De +val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het +gewoel wiegde hem.--De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras +veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. 't Was de uitwerking +van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin +slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de +armen uit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep. + +De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken +wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de +dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en +de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd +is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te +zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de +nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, +verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid. + +In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter 't biljart, hadden de +soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, +en de sergeant was gereed om zijn commando "legt aan" te herhalen, +toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen: + +"Leve de republiek! Ik behoor er toe." + +Grantaire was opgestaan. + +De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij +hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den +herstelden dronkaard. + +Hij herhaalde: "Leve de republiek!" ging met vasten tred door de zaal +en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras. + +"Doodt er twee met één schot!" zeide hij. + +Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij: + +"Veroorlooft gij 't mij?" + +Glimlachend drukte Enjolras hem de hand. + +De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden. + +Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur +staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij +het hoofd zinken. + +Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten. + +Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste +opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten +door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De +lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee +voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, +werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man +in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den +buik en kermde nog, toen hij op den grond lag. + +Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van +het dak, en elkander niet willende loslaten, vielen zij te zamen +in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, +geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde. + +De barricade was ingenomen. + +De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de +vluchtelingen te vervolgen. + + + + + + + +VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +GEVANGENE. + + +Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean. + +De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, +en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, +was die van Jean Valjean. + +Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er +zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste +oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. 't Was door +hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig +was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen +en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder +in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs +persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en +leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels +hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen +hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar +wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een +ongodsdienstige handeling ware. + +Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij +Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen +een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid +eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg. + +De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op +Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, +terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de +barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween. + +Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergte in de +straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor +de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms +bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, +voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. 't Was +in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was. + +Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, +leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich. + +De toestand was vreeselijk. + +Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, +was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij +herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de +staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te +ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij +had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat +slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn +rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie +sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men +zag boven haar top een rij bajonetten. 't Waren de liniesoldaten, die, +aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in 't oog hielden. 't +Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te +gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, +tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand +had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur. + +Wat te doen? + +Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden. + +En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, +een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; +gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo +'t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan +of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan. + +Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden +hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten +nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren. + +Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een +angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de +kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige +schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten +zoo onmeedoogend bewaakt werd, zag hij, onder een hoop straatsteenen +half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze +rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet +in 't vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren +uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven +zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen +of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn +oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal +in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te +lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op +zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op +ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; +het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop +de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, +drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, +als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van +een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten. + +Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een +soort van lange onderaardsche gang. + +Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht. + +Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de +straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij +nu wegvoerde, was niet meer Cosette, 't was Marius. + +Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, +het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg. + + + + + + + +BOEK II. + +DE INGEWANDEN VAN DEN LEVIATHAN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE AARDE DOOR DE ZEE VERARMD. + + +Parijs werpt jaarlijks vijf-en-twintig millioen francs in het +water. En dit is geen beeldspraak. Hoe en op welke wijze? Dag en +nacht. Met welk doel? Zonder eenig doel. Met welke gedachte? Zonder +eenige gedachte. Waarom? Om niets. Door welk orgaan? Door zijn +ingewanden. Welke zijn zijn ingewanden? Zijn riolen. + +Vijf-en-twintig millioen is het laagste cijfer, 't welk de waardeering +van het ingesteld wetenschappelijk onderzoek oplevert. + +De wetenschap heeft na lange waarneming thans uitgemaakt, dat de +vruchtbaarste en werkzaamste mest de menschendrek is. De Chineezen +wisten dit, wij zeggen het tot onze schande, eer dan wij. Geen +Chineesche boer, Eckeberg zegt het, gaat naar de stad, zonder van daar +aan de einden van zijn bamboe twee emmers mede te brengen, gevuld +met hetgeen wij vuilnis noemen. Aan den menschelijken mest heeft +de bodem in China het te danken, dat zij nog even versch is als in +den tijd van Abraham. De Chineesche tarwe geeft honderd-twintigmaal +het zaaisel terug. Geen guano is in vruchtbaarheid te vergelijken +met de beer eener hoofdstad. Een groote stad levert de krachtigste +meststof. Zoo men het land uit de stad bemestte, zou men zeker zijn +van te slagen. Indien goud drek is, is onze mest daarentegen goud. + +Wat doet men met dien gouden mest? Men werpt hem weg. + +Men zendt met groote kosten schepen af om van de Zuidpool den mest +van zeevogels te halen, terwijl men de onberekenbare grondstof van +rijkdom, welke men in zijn bereik heeft, naar de zee zendt. Al de +menschelijke en dierlijke mest, welke verloren gaat, zou, indien hij +aan de aarde werd teruggegeven, in plaats van in het water geworpen, +genoegzaam zijn om de wereld te voeden. + +Die vuilnishoopen aan de hoeken der straten, de karren met slijk, +welke des nachts door de straten rollen, die afschuwelijke tonnen vol +drek, die stinkende stroomen van onderaardsch slijk, dat de straat +verbergt, weet ge wat dat is? Bloeiende weiden, weelderig gras, +groente en vrucht; 't is wild, rundvee, 't is het tevreden geloei +der ossen des avonds; 't is geurend hooi, gouden koren, brood op uw +tafel, warm bloed in uw aderen, gezondheid, vreugde, leven. Zoo is +de wet dier geheimzinnige schepping, welke de gedaanteverwisseling +op aarde en de herschepping in den hemel is. + +Werp het in den grooten smeltkroes; uw voordeel zal er uitkomen. De +voeding van het land geeft voedsel aan de menschen. + +Het staat u vrij, dezen rijkdom te verliezen en mij op den koop toe +belachelijk te vinden. Dit zal het meesterstuk uwer domheid zijn. + +De statistiek heeft berekend, dat Frankrijk alleen door zijn +riviermonden jaarlijks een som van een half milliard in den +Atlantischen Oceaan werpt. Men bedenke, dat met deze vijfhonderd +millioen het vierde van het staatsbudget kon betaald worden. Maar de +mensch is zoo schrander, dat hij deze vijfhonderd millioen liever in +de goot werpt. Het is het onderhoud van het volk zelf, 't welk hier +bij droppels, daar bij stroomen, onze riolen in de rivieren en de +rivieren in den oceaan uitbraken. Iedere lossing onzer riolen kost +ons duizend francs, en heeft twee resultaten: de aarde verarmd en +het water verpest; de honger die uit de voren, de ziekte die uit de +rivieren komt. + +'t Is, bij voorbeeld, bekend, dat tegenwoordig de Theems Londen +verpest. + +Wat Parijs betreft, heeft men in den laatsten tijd de meeste monden +der riolen stroom-afwaarts, voorbij de laatste brug, moeten verleggen. + +Een dubbel buizenstoestel, voorzien van kleppen en spuisluizen, +die tegelijk zuigen en persen, een draineer- of besproeiingsstelsel, +even eenvoudig als de menschelijke long, dat bereids in verscheidene +gemeenten van Engeland ingevoerd is, zou voldoende zijn om in onze +steden het zuivere water der velden, en naar onze velden het rijke +water der steden te voeren, en dit gemakkelijk heen- en wederbrengen, +het eenvoudigste ter wereld, zou ons de vijfhonderd millioen francs +doen behouden, die weggeworpen worden. Maar men denkt aan iets anders. + +De tegenwoordige handelwijze sticht kwaad, terwijl ze goed wil +doen. De bedoeling is goed, het resultaat is treurig. Men meent +de stad te zuiveren, en verzwakt de bevolking. Een riool is een +misverstand. Wanneer overal de draineering, met haar dubbele +uitwerking, door terug te geven wat zij neemt, het riool zal +hebben vervangen, dat slechts een verarmende reiniging is, dan +zullen, in verband met de uitkomsten eener nieuwe maatschappelijke +staathuishoudkunde, de voortbrengselen der aarde vertienvoudigd +worden en het vraagstuk der armoede aanmerkelijk vereenvoudigd +zijn. Voeg daarbij de wegruiming van de daarop azende woekerdieren, +en het raadsel zal opgelost wezen. + +Intusschen stroomt de algemeene rijkdom naar de rivier, en er bestaat +een lek. Een lek is het juiste woord. Europa gaat aldus te gronde +door krachtverlies. + +Ten aanzien van Frankrijk hebben wij zijn cijfer gezegd. Dewijl nu +Parijs het vijf-en-twintigste gedeelte der geheele Fransche bevolking +bevat, en de Parijsche guano de rijkste van alle is, blijft men +beneden de waarheid, zoo men het gedeelte van het verlies voor Parijs +op vijf-en-twintig millioen francs schat van het half milliard, dat +Frankrijk jaarlijks wegwerpt. Deze vijf-en-twintig millioen zouden, tot +onderhoud en genot aangewend, den luister van Parijs verdubbelen. De +stad geeft ze uit aan riolen. Zoodat men kan zeggen, dat de grootste +verkwisting van Parijs, zijn kostbaarst feest, zijn uitspatting, +zijn praal, zijn weelde, zijn heerlijkheid, zijn--riool is. + +Overigens zijn deze wonderbare verkeerdheden niet nieuw. 't Zijn geen +jeugdige dwaasheden. De ouden handelden gelijk de jongeren. "De riolen +van Rome, zegt Liebig, hebben den geheelen welstand van den Romeinschen +boer vernietigd." Toen de omstreken van Rome door het Romeinsche +riool bedorven waren, putte Rome Italië uit, en toen het Italië in +zijn riool had geworpen, stortte het er Sicilië, Sardinië en Afrika +in. Het riool van Rome heeft de wereld verzwolgen. Dat riool verzwolg +de stad en de wereld. Urbi et Orbi. Eeuwige stad, onpeilbaar riool. + +Voor deze dingen, zoowel als voor andere, geeft Rome het voorbeeld. + +Dat voorbeeld volgt Parijs, met al de domheid van beschaafde steden. + +Ten behoeve der verrichtingen, welke wij zoo straks aangeduid hebben, +heeft Parijs een ander Parijs onder zich; een Parijs van riolen, +dat zijn straten, pleinen, viersprongen, blinde stegen, aderen en +doorstrooming heeft, dat slijk is, doch zonder menschelijken vorm. + +Want men mag niets vleien, zelfs geen groot volk; daar, waar alles is, +bevindt zich naast schande ook verhevenheid; en zoo Parijs Athene, +de stad van het licht, Tyrus, de stad der macht, Sparta, de stad +der deugd, Ninivé, de stad der wonderen in zich bevat, bevat het ook +Lutetia, de stad van het slijk. + +Zoo het oog de oppervlakte er van kon peilen, zou het onderaardsche +Parijs aan den blik een reusachtigen koraalsteen vertoonen. Een spons +heeft weinig meer gaten en gleuven dan de massa gronds van zes uren +omtreks, waarop de oude, groote stad rust. Zonder van de catacomben, +die een afzonderlijk mijnwerk zijn, en van het verwarde netwerk der +gaspijpen, te spreken, zonder het machtig samenstel der waterleiding +te rekenen, die de straatfonteinen van water voorziet, vormen de +riolen alleen een ontzaggelijk onderaardsch vlechtwerk, een doolhof, +die tot leiddraad zijn helling heeft. Daar huist in den vochtigen +dampkring de rat, die de eigenaardige vrucht van Parijs schijnt. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE OUDE GESCHIEDENIS DER RIOLEN. + + +Men verbeelde zich Parijs als een deksel opgelicht, en het +onderaardsche riolennet, uit de hoogte gezien, zal op beide oevers +eenigermate 't voorkomen hebben van een grooten tak, die aan de rivier +ingeënt is. Op den rechteroever zal het ringriool de stam van dien +tak zijn, de bijriolen zullen de takjes, en de sloppen de twijgen er +van zijn. + +Deze figuur is slechts oppervlakkig en niet volkomen juist, wijl +de rechte hoek, die bij deze onderaardsche vertakkingen gewoon is, +zelden in het plantenrijk voorkomt. + +Men zal zich een juister beeld van dien zonderlingen geometrischen, +plattegrond kunnen vormen, wanneer men zich verbeeldt op den donkeren +grond een grillig oostersch alphabet verward door elkander te zien, van +'t welk de wanstaltige letters in schijnbare wanorde en als toevallig, +nu aan de hoeken, dan aan de einden, aaneen zijn gesmolten. + +De zinkgaten en riolen in de Middeneeuwen speelden in het Romeinsche +rijk en in het oude Oosten een groote rol. De pest werd er geboren, +de despoten stierven er. De bevolkingen aanschouwden schier met +godsdienstige vrees deze bedden van verrotting, deze monsterachtige +wiegen des doods. De holen van ongedierte te Benares zijn niet minder +vreeselijk dan de leeuwenkuil van Babel. Volgens de rabbijnsche boeken +zwoer Theglath-Phalasar bij de zinkputten van Ninivé. Uit het riool +van Munster deed Jan van Leijden zijn valsche maan opgaan, evenals +zijn Oostersche evenknie, Mokanna, de gesluierde profeet van Korassan, +uit den rioolput van Kekhscheb zijn valsche zon deed komen. + +De geschiedenis van den mensch spiegelt zich af in de geschiedenis +der riolen. De gemoniën spreken van Rome. Het oude riool van Parijs +was iets vreeselijks. Het was graf, en wijkplaats tevens. De misdaad, +het genie, het maatschappelijk verzet, de vrijheid van geweten, de +gedachte, de diefstal; al wat de menschelijke wetten vervolgen of +vervolgd hebben, heeft zich in dat hol verborgen; de maillotins in de +veertiende eeuw, de tire-laines in de vijftiende eeuw, de hugenoten in +de zestiende eeuw, de illuminaten van Morin in de zeventiende eeuw, +de voetschroeiers in de achttiende eeuw. Honderd jaren geleden kwam +de nachtelijke dolksteek er uit, de bedreigde dief sloop er in; het +bosch heeft zijn holen, Parijs had zijn riolen. De truanderie had +het riool tot bijverblijf van het hof der mirakelen en ging 's avonds +spottend en wreed onder het rioolgewelf Maubuée terug als in een bed. + +In het oude Parijs is het riool de verzamelplaats van alle uitputting +en van alle aanslagen. De staathuishoudkunde ziet er uitwerpselen, +de wijsbegeerte een bezinksel in. + +Het riool is het geweten der stad. Alles ontmoet en vergelijkt er +zich. In dit vale oord zijn duisternissen, maar geen geheimen. Alles +heeft er zijn wezenlijken vorm of ten minste zijn bepaalden vorm. De +vuilnishoop heeft het voorrecht geen leugenaar te zijn. Daar heeft de +oprechtheid de wijk genomen. Men vindt er het masker van Basilius, maar +men ziet er het bordpapier, de koordjes, het binnenste en buitenste +van, en het kenmerkt zich door eerlijk slijk. De valsche neus van +Scapin ligt er naast. Al de onreinheden der beschaving, zoodra zij +hebben uitgediend, vallen in dezen kuil der waarheid, waarin de groote +maatschappelijke renbaan uitloopt. Zij worden er in verzwolgen, maar +pralen er. Dit mengsel van alles is een belijdenis. Dààr is geen +valsche schijn, geen bepleistering mogelijk, de vuilnis trekt haar +hemd uit; de illusiën en het schijnbedrog vluchten, alles wat is, +vertoont zich hier zooals het ten laatste zijn zal. Hier verraadt een +gebroken flesch de dronkenschap, het hengsel van een mand verhaalt +de dienstbaarheid; de beeldenaar van het koperen soustuk bedekt zich +eerlijk met kopergroen; de louisd'or, die uit het speelhuis komt, +raakt den spijker waaraan de strop van den zelfmoordenaar hangt; een +ongeboren vrucht drijft er in het opgetooide balkleed, dat den vorigen +vastenavond in de opera danste; de barret van een rechter ligt bij +den half verganen rok van een meisje. Al wat zich blankette, vergaat +hier. De laatste sluier is afgerukt. Een riool is een onbeschaamde. Het +zegt alles. Deze oprechtheid der vuilnis doet ons genoegen en geeft +de ziel rust. Wanneer men zijn leven heeft doorgebracht met op aarde +het gezicht te verdragen der voorname houding, welke redenen van +staat, de eed, de politieke wijsheid, de menschelijke gerechtigheid, +de ambtelijke eerlijkheid, de gebiedende toestand, de onomkoopbare +rechters aannemen, gevoelt men zich verlicht, wanneer men in een +riool ziet welk slijk er toe behoort. + +Het onderwijst tevens. Wij hebben aanstonds gezegd dat de geschiedenis +door het riool gaat. De Bartholomeus-nachten sijpelen er dropswijze +tusschen de straatsteenen door. De groote openbare moorden +en staatkundige en godsdienstige bloedbaden, stroomen door dit +onderaardsch gewelf der beschaving en stuwen er hun lijken in. Voor +het oog van den denker zijn daar al de historische moordenaars in +een afschuwelijk halflicht geknield, terwijl zij, met een punt van +hun lijkwade tot voorschoot, treurig hun werk afwisschen. Lodewijk +XI is er met Tristan. Frans I met Duprat, Karel IX met zijn moeder, +Richelieu met Lodewijk XIII, Louvois, Letellier, Hébert en Maillard +zijn er en krabben de steenen, trachtende het spoor hunner daden +te doen verdwijnen. Men hoort onder deze gewelven den bezem dier +schimmen. Men ademt er den stank der maatschappelijke beroerten. In de +hoeken ziet men roode lichtweerkaatsingen. Daar stroomt een vreeselijk +water, waarin zich bloedige handen hebben gewasschen. + +De maatschappelijke opmerker moet deze duisternis binnengaan. Zij +behoort tot zijn werkplaats. De wijsbegeerte is het microscoop der +gedachte. Alles wil er voor vluchten, maar niets ontsnapt er aan. 't Is +nutteloos uitvluchten te zoeken. Welke zijde vertoont men, wanneer men +uitvluchten zoekt? De zijde der schande. De wijsbegeerte vervolgt met +haar eerlijk oog het kwaad en belet, dat het in 't niet ontwijke. In +de vernietiging der dingen welke verdwijnen, in de afneming der dingen +die zich verwijderen, ziet zij alles. Zij stelt het purper weder uit +de lompen samen, en de vrouw naar 't overschot harer kleeding: uit het +riool herbouwt zij de stad; uit het slijk doet zij de zeden weder te +voorschijn komen. Naar den scherf vormt zij zich een denkbeeld van de +amphora of de kruik. Aan het indruksel van een nagel op een perkament +herkent zij het onderscheid tusschen het jodendom van de Judengasse en +het jodendom van het ghetto. Zij hervindt in 't geen geweest is, het +goede, het kwade, het valsche, het ware, de bloedvlek van het paleis, +de inktvlek van het hol, den vetdroppel van het huis van ontucht, +de ondergane beproevingen, de gelukte verlokkingen, de uitgebraakte +zwelgerijen; de plooi der karakters wanneer zij zich verlagen, het +spoor der veilheid in zielen, wier grofheid haar daartoe geschikt +maakte, en op het buis der lastdragers van Rome het indruksel van +Messalina's elleboog. + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +BRUNESEAU. + + +Het riool van Parijs was in de Middeleeuwen een legendenboek. + +In de zestiende eeuw wilde Hendrik II een onderzoek beproeven, dat +mislukte. Geen honderd jaren geleden, was het riool, Mercier getuigt +het, aan zich zelf overgelaten en werd wat het kon. + +Zóó was het oude Parijs aan twisten, weifelingen en blind onderzoek +overgeleverd. 't Was lang tamelijk dom. Later toonde 89 hoe de steden +verstand krijgen. Maar in den goeden ouden tijd had de hoofdstad +weinig verstand; zij kon noch zedelijk, noch stoffelijk haar zaken +doen, en evenmin de vuilnis als de misbruiken wegvegen. Alles was een +hinderpaal, alles was een vraagstuk. Het riool, bij voorbeeld, verzette +zich tegen alle navorsching. Het gelukte den menschen evenmin hun weg +daarin te vinden, als zich in de stad met elkander te verstaan; boven +het onverstaanbare, beneden het onoplosbare; bij de spraakverwarring +was de verwarring der onderaardsche gewelven; onder Babel de doolhof. + +Soms gebeurde het, dat het riool van Parijs overliep, als ware deze +miskende Nijl eensklaps door toorn bevangen. Er hadden afschuwelijke +riooloverstroomingen plaats. Somwijlen was de spijsvertering van deze +maag der beschaving slecht; het riool steeg op in de keel der stad en +Parijs had den nasmaak van zijn slijk. Deze overeenkomst van het riool +met de wroeging had iets goeds. 't Waren waarschuwingen, die trouwens +zeer kwalijk genomen werden; de stad was er over gebelgd, dat haar +slijk zoo brutaal was, en wilde niet, dat de vuilnis terugkwam. Zij +moest haar beter verjagen. + +De overstrooming van 1802 is een der herinneringen van de tachtigjarige +Parijzenaars. Het slijk verspreidde zich van alle kanten over het plein +der Victoires, waar het beeld van Lodewijk XIV staat; het bedekte een +gedeelte der straat van de Champs-Elysées tot een hoogte van vijf-en +dertig duim. Het had zijn hoogste punt in de straat St. Pierre, +waar het drie voet boven de straatsteenen stond, en zijn grootste +uitgestrektheid in de straat St. Sabin, waar het zich tweehonderd +acht-en-dertig el ver verspreidde. + +In het begin dezer eeuw was het riool van Parijs nog een geheimzinnig +oord. Het slijk kan nooit een goeden naam hebben; maar hier had zijn +kwade naam iets schrikbarends. Parijs wist min of meer dat het een +vreeselijken kelder onder zich had. Men sprak ervan, als van dien +ontzaggelijken modderpoel te Thebe, waar duizendbeenen van vijftien +voet lang wemelden, en die tot badplaats van Behemoth had kunnen +dienen. De groote laarzen der baggerlieden waagden zich nooit verder +dan tot zekere bekende punten. Men was nog niet ver van den tijd toen +de vuilniskarren eenvoudig in het riool uitgestort werden. De ruiming +ervan werd aan de plasregens overgelaten, die echter meer verstopten +dan wegveegden. Rome liet zijn riool nog iets dichterlijks behouden +en noemde het Gemonie; Parijs smaadde het zijne en noemde het 't +"stinkgat." De wetenschap en het bijgeloof waren het eens ten aanzien +van het afschuwelijke. Voor het stinkgat had de gezondheid niet minder +afkeer dan de legende. Fagon had de vreeselijk kwaadaardige koorts van +1685 aan de groote monding van het riool in het Marais toegeschreven, +die tot 1833 in de straat Saint Louis, bleef gapen. De mond van het +riool in de straat de la Mortellerie was berucht wegens de pestziekten +die er uit opstegen, als een drakenmuil die de hel op de menschen +blies. De volksverbeelding verbond aan den donkeren zinkput van +Parijs iets bovennatuurlijks, dat afgrijselijk was. Het riool was +grondeloos. Het was het barathrum. De gedachte om deze melaatsche +oorden te onderzoeken kwam zelfs niet bij de politie op. Wie had +het gewaagd dit onbekende te betreden, die duisternis te peilen, ter +onderzoeking in dien afgrond te dalen? 't Was verschrikkelijk. Evenwel +bood zich hiertoe iemand aan. Het riool had zijn Christoforus Columbus. + +Op een dag in 1805, bij een dier zeldzame verschijningen van den +keizer te Parijs, kwam de minister van Binnenlandsche Zaken op het +petit lever van den meester. Men hoorde op het Carrouselplein de +slepende sabels van al die ongemeene soldaten der groote republiek +en van het groote keizerrijk; er was gedrang van helden voor de deur +van Napoleon; mannen van den Rijn, van de Schelde, van de Etsch, en +van den Nijl, krijgsmakkers van Joubert, Desaix, Marceaux, Hoche, +Kléber; aerostaten van Fleurus, grenadiers van Metz, pontonniers +van Genua, huzaren welke de piramiden gezien hadden, artilleristen +welke de kanonskogel van Junot met aarde getroffen had; kurassiers +die stormenderhand de in de Zuiderzee ter anker liggende vloot +genomen hadden; de eenen waren Napoleon op de brug van Lodi gevolgd, +de anderen hadden Murat in de loopgraaf van Mantua begeleid, weder +anderen waren Lannes in den hollen weg van Montebello gevolgd. Het +geheele leger van dien tijd was dáár, op 't voorplein der Tuilerieën, +vertegenwoordigd door een escouade of peloton, en Napoleon in zijn +rust bewakende. 't Was het schitterend tijdstip, toen het groote +leger Marengo achter zich en Austerlitz voor zich had.--"Sire," +zei de minister van binnenlandsche zaken tot Napoleon, "ik heb +gisteren den onversaagdsten man van uw rijk gezien."--"Wie is die +man?" vroeg de keizer, "en wat heeft hij gedaan?"--"Hij wil iets doen, +sire."--"Wat?"--"De riolen van Parijs onderzoeken." + +Deze man leefde en heette Bruneseau. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +ONBEKENDE BIJZONDERHEDEN. + + +Het onderzoek had plaats. 't Was een ontzettende veldtocht; een +nachtelijke veldslag tegen pest en verstikking. 't Was tevens een +ontdekkingsreis. Een der overlevenden van dezen ontdekkingstocht, +een zeer schrander, toen nog jong werkman, verhaalde eenige jaren +geleden de merkwaardige bijzonderheden, welke Bruneseau meende +in zijn rapport aan den prefect van Politie te moeten verzwijgen, +als niet gepast voor den administratiestijl. Men was destijds nog +niet ver in de zuiveringsmethode. Nauwelijks was Bruneseau voorbij +de eerste vertakkingen van het onderaardsche netwerk, toen acht +van de twintig arbeiders weigerden verder te gaan. 't Was een zeer +moeielijke bewerking; het onderzoek eischte schoonmaking; en met de +schoonmaking moest men tevens meten, de watermondingen opteekenen, +de roosters en openingen tellen, de vertakkingen aangeven, benevens +de strooming, ter plaatse waar zij zich verdeelden; van ieder der +bekkens den omvang onderzoeken, de kleine riolen, die op het groote +riool uitliepen, peilen, de hoogte van ieder gewelf in de breedte, +zoowel aan het begin der gewelven als van den bodem meten, en zijn +helling bepalen in verhouding met de oppervlakte van de straat. Met +moeite vorderde men. Niet zelden stonden de ladders, waarmede men +afdaalde, drie voeten in de modder. Het licht der lantaarn brandde +nauwelijks in deze pestdampen. Nu en dan droeg men een bezwijmden +baggerman weg. Op sommige plaatsen waren kolken. De bodem was gezakt, +het plaveisel was ingestort en het riool was in een diepen grondeloozen +put veranderd; eensklaps verzonk er een man in, die met veel moeite +weder werd opgehaald. Op raad van Fourcroy ontstak men op zekere +afstanden, op plaatsen die genoegzaam schoon gemaakt waren, groote +kooien met werk, dat in teer gedoopt was. Op sommige plekken was de +muur bedekt met afschuwelijke zwammen, die zweren en puisten geleken; +zelfs de steen scheen in dezen verpesten dampkring ziek. + +Bruneseau ging in zijn onderzoek met den stroom voort. Aan het +scheidingspunt der twee waterleidingen van den Grand-Hurleur, vond +hij op een vooruitstekenden steen het jaartal 1550; deze steen +wees de grens aan, tot welken Philibert Delorme was gekomen, die +van Hendrik II den last had ontvangen om den onderaardschen weg +van Parijs te onderzoeken. Deze steen was voor het riool het merk +der zestiende eeuw. Bruneseau vond het merk der zeventiende eeuw in +het riool van Ponceau en in dat der straat Vieille-du-Temple, welke +tusschen 1600 en 1650 verwelfd waren; en dat van de achttiende eeuw +in het westelijk gedeelte van het hoofdkanaal, dat in 1740 gemetseld +werd. Deze twee gewelven, vooral het jongste, dat van 1740, waren +meer gescheurd en vervallen dan het metselwerk van het ringriool, +dat van 1412 dagteekent, het tijdstip toen de versch-waterleiding +van Menilmontant verheven werd tot de waardigheid van groot riool +van Parijs, een bevordering gelijk staande met die van een boer tot +eersten kamerdienaar des konings. + +Men meende hier en daar, voornamelijk onder het Paleis van Justitie, +de holen van oude cachotten te herkennen, welke in het riool +zelf gemetseld waren. Afschuwelijke in pace. In een dezer cellen +hing een ijzeren halsband. Zij werden alle dicht gemetseld. Men +vond zonderlinge voorwerpen; onder andere het geraamte van een +ourang-outang, die in 1800 uit den Plantentuin verdwenen was, welke +verdwijning waarschijnlijk in verband stond met de beruchte en zekere +verschijning des duivels in het laatste jaar der achttiende eeuw, +in de Bernardijnsstraat. De arme duivel was eindelijk in het riool +verdronken. + +In het gewelf dat bij den boog Marion uitloopt, trok de volkomen goed +bewaard gebleven draagkorf van een voddenraper de bewondering der +deskundigen. Overal was in de modder, welke de baggerlieden eindelijk +onvervaard behandelden, een overvloed van kostbare voorwerpen, gouden +en zilveren kleinooden, edelsteenen, muntstukken. Een reus, die dit +riool gezift had, zou in zijn zeef den rijkdom der eeuwen hebben +gehad. Op het scheidingspunt der twee vertakkingen van de straat +du Temple en die van St. Avoye, vond men een zonderlinge koperen +medaille der Hugenoten, op welke aan de eene zijde een varken met een +kardinaalshoed, en aan de andere zijde een wolf met de driekroon op +den kop stond. + +De verwonderlijkste ontmoeting was aan den ingang van het groote +riool. Deze ingang was eertijds door een rasterwerk gesloten geweest, +waarvan de hengsels nog aanwezig waren. Aan een dier hengsels hing +een smerig vod, dat zeker, in 't voorbijdrijven daar tegengehouden, +in de duisternis fladderde en verder scheurde. Bruneseau onderzocht +met zijn lantaarn het vod opmerkzaam. 't Was zeer fijn batist en in +een punt, die minder vergaan was dan het overige, onderscheidde men +een geborduurde kroon, boven deze zeven letters LAVBESP. 't Was een +markiezenkroon en de zeven letters beteekenden: Laubespine. Men +herkende in 't geen men onder de oogen had een stuk van Marats +lijkwade. Marat was in zijn jeugd verliefd geweest, toen hij in +hoedanigheid van paardenarts tot het huis van den graaf van Artois +behoorde. Van zijn, door de geschiedenis bevestigden, liefdehandel +met een aanzienlijke dame was hem dit beddelaken gebleven. Een +toegeëigend goed of gedachtenis. Wijl dit lijnwaad na zijn dood +het eenige eenigszins fijne was, 't welk hij bezat, had men hem +er in gehuld. Oude vrouwen hadden hem voor het graf in dat doek +gewikkeld, waarop de tragische vriend des volks den wellust had +gesmaakt. Bruneseau ging verder; men liet het vod waar het was; +men vernietigde het niet. Was het uit verachting of eerbied? Marat +verdiende beide. + +Het geheele onderzoek van den onderaardschen weg der vuilnis van +Parijs duurde zeven jaren, van 1805 tot 1812. + +Aldus maakte, bij den aanvang dezer eeuw, de oude maatschappij haar +bodem schoon en ruimde haar riool op. + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +TEGENWOORDIGE VOORUITGANG. + + +Tegenwoordig is het riool zindelijk, kil, recht, nauwkeurig. + +Het verwezenlijkt schier het ideaal van 't geen men in Engeland onder +het woord "respectable" verstaat. Het is betamelijk en grijsachtig; +naar de lijn getrokken; men zou schier kunnen zeggen netjes. Het +gelijkt naar een leverancier die staatsraad is geworden. 't Is er +bijna licht. Het slijk gedraagt er zich fatsoenlijk. Bij den eersten +aanblik zou men het voor een dier onderaardsche gangen houden, +welke eertijds zoo gemeen en zoo nuttig waren voor de vlucht van +monarchen en vorsten, in dien goeden ouden tijd, "toen het volk zijn +koningen beminde." Het tegenwoordig riool is een fraai riool; de +klassieke alexandrijnsche rechte lijn, die uit de poëzie verjaagd, +in de bouwkunst de wijk schijnt te hebben genomen, is met al de +steenen van dat lang, donker en witachtig gewelf als vereenzelvigd; +iedere monding is een boog. Zoo overigens de geometrische lijn ergens +op haar plaats is, is 't zekerlijk in de vuilniskanalen eener groote +stad. Daar moet alles den kortsten weg volgen. Tegenwoordig heeft het +riool een zeker officieel voorkomen verkregen. Zelfs de rapporten +der politie, waarvan het nu en dan het onderwerp is, spreken er +met achting van. De woorden, die er in de administratieve taal voor +gebezigd worden, zijn verheven en fatsoenlijk. Wat men riool noemde +heet galerij, wat gat werd genoemd heet opening. Dit net van holen +heeft echter nog altijd zijn onheugelijke bevolking van knaagdieren, +die er talrijker zijn dan ooit. Nu en dan waagt een rat, een oude +snorbaard, zijn kop voor het venster van het riool en beschouwt +de Parijzenaars; maar zelfs dit ongedierte wordt tam, want het is +tevreden met zijn onderaardsch paleis. Het riool heeft niets meer van +zijn vorige afschuwelijkheid. De regen, die het vroegere riool vuil +maakte, wascht het tegenwoordige. Men vertrouwe het echter niet te +veel. Het wordt nog steeds door pestdampen bewoond. Het is eer een +huichelaar dan een vrome. Wat de politie en de gezondheidscommissie +ook gedaan hebben, en ten spijt van alle zuiveringsmiddelen, wasemt +het nog een verdachten reuk. Tartuffe na de biecht. + +Wij moeten evenwel betuigen dat, wijl de ruiming in allen geval een +hulde is, door het riool aan de beschaving gebracht, en in dit opzicht +het geweten van Tartuffe een vooruitgang op den stal van Augias is, +het riool van Parijs zich onbetwistbaar verbeterd heeft. + +'t Is meer dan vooruitgang, 't is een herschepping. Tusschen het +vorige en het tegenwoordige riool ligt een revolutie. Wie heeft deze +revolutie bewerkt? + +De man, dien iedereen vergeet en dien wij genoemd hebben Brunesau. + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +TOEKOMSTIGE VOORUITGANG. + + +De bouwing van het Parijsche riool was geen kleine zaak. De +tien laatste eeuwen hebben er aan gearbeid, zonder het te kunnen +voltooien, evenmin als zij Parijs hebben voltooid. Het riool ontvangt +inderdaad de terugwerking der uitbreiding van Parijs. In de aarde is +'t een soort van polyp met duizend sprieten, die gelijkertijd met +de stad daarboven grooter wordt. Telkens wanneer de stad een nieuwe +straat aanlegt, steekt het riool een arm uit. De oude monarchie had +slechts drie-en-twintig duizend driehonderd ellen riool gebouwd; +zoo ver was Parijs daarmede den 1 Januari 1806. Van dit tijdstip af, +waarvan wij aanstonds zullen spreken, is het werk met kracht hervat en +voortgezet; Napoleon bouwde--de cijfers zijn merkwaardig--vier duizend +achthonderd vier ellen; Lodewijk XVIII vijf duizend zevenhonderd +negen; Karel X tien duizend achthonderd zes-en-dertig; Lodewijk +Filips negen-en-tachtig duizend twintig; de republiek van 1848 +drie-en-twintig duizend driehonderd een-en-tachtig; de tegenwoordige +regeering zeventig duizend vijfhonderd; zoodat er op dit oogenblik +gezamenlijk tweehonderd zes-en-twintig duizend zes-honderd tien ellen, +(zestig mijlen) riool zijn; de ontzaggelijke ingewanden van Parijs. Een +duistere, steeds werkzame aangroei; een onbekende reusachtige bouw. + +Men ziet dus, dat de onderaardsche doolhof van Parijs tegenwoordig +meer dan tienmaal grooter is dan bij den aanvang dezer eeuw. Men kan +zich moeielijk voorstellen, hoeveel volharding en moeite vereischt +werden, om dat riool tot het punt van betrekkelijke volmaaktheid te +brengen, waarop het thans is. Met veel moeite gelukte het aan het oude +monarchale prevootschap, en in de laatste tien jaren der achttiende +eeuw aan de revolutionnaire mairie, om de vijf mijlen riool te bouwen, +die vóór 1806 bestonden. Allerlei hinderpalen belemmerden dat werk; +eenige hingen van den aard van den bodem af, andere lagen in de +vooroordeelen der arbeidende bevolking van Parijs. Parijs is op een +grondlaag gebouwd, die zich ongemeen tegen de spade, het houweel en +de menschelijke hand verzet. Er is niets moeielijker te doordringen +dan deze geologische vorming, welke Parijs wordt genoemd; zoodra, +onder dezen of genen vorm, het werk zich in deze vorming waagt, +vindt het ontelbare onderaardsche hindernissen. 't Zijn vloeibaar +leem, springende bronnen, harde rotsen, zachte en diepe slijk- +en modderpoelen. Het houweel dringt moeielijk in de kalklagen, +welke vermengd zijn met zeer dunne aderen leem, en leiachtige lagen +waarin zich oesterschelpen bevinden, de bewoners der proadamitische +zeeën. Vaak ontspringt plotseling een beekje in het begonnen gewelf +en overstroomt de werklieden; of er ontstaat een mergelvloeiing die +met de kracht van een waterval nederstort en de dikste schoorbalken +als glas verbreekt. Onlangs, toen men te la Villette het hoofdriool +onder het kanaal van Saint Martin moest brengen, ontstond een scheur +in het bekken van het kanaal, het water stroomde eensklaps in de +onderaardsche werkplaats; toen moest met een duiker de scheur worden +gezocht, die zich in het groote bekken bevond, en met veel moeite +werd zij gedicht. Elders, aan de Seine, tamelijk ver van die rivier, +zooals bij voorbeeld te Belleville, Grande Rue en Passage Lunière, +ontmoet men grondelooze zandbanken, waarin men zakt en in een oogenblik +verdwijnen kan. Daarbij rekene men de verstikking in deze pestdampen, +de bedelving onder de aardstortingen, en de plotselinge instorting +van den bodem. Men voege hierbij de typhus, die langzaam de arbeiders +doordringt. Na, in onzen tijd, de linie riolen van de barrière Blanche +tot den weg van Aubervilliers in vier maanden, dag en nacht arbeidende, +tot een diepte van elf ellen te hebben gebouwd, stierf de bestuurder +Monnot. Na drie duizend ellen riool op alle punten der stad gebouwd +te hebben, stierf de ingenieur Duleau. Er zijn geen bulletins voor +dergelijke moedige daden, die echter nuttiger zijn dan het domme +bloedbad der veldslagen. + +De riolen van Parijs waren in 1832 volstrekt niet wat zij thans +zijn. Bruneseau had den stoot gegeven, maar de cholera moest komen, om +tot de uitgebreide herbouwing te doen besluiten, die sinds plaats had. + +Dertig jaren geleden, op het tijdstip van den opstand van 5 en 6 Juni, +bestond op vele plaatsen bijna nog het oude riool. Een zeer groot getal +straten hadden toen eenvoudige goten. Men vond toen bij den samenloop +van een straat of plein groote, vierkante roosters, met dikke ijzeren +spijlen, die, door de voetstappen der menigte gepolijst, gevaarlijk +en glibberig voor de rijtuigen waren en de paarden deden vallen. De +officiëele taal van het departement der openbare werken, gaf aan deze +roosters den veelbeteekenenden naam van Cassis (halsbrekers). + +In 1832 vertoonde in een aantal straten het oude gothieke riool nog +onbeschaamd zijn muilen. 't Waren groote steenen openingen, soms met +monumentale onbeschaamdheid door straatpalen omgeven. + +Behalve den staatkundigen vooruitgang, waarop wij bij den aanvang +hebben gewezen, zijn ernstige vraagstukken omtrent de openbare +gezondheidstoestand aan deze gewichtige zaak: "het riool van Parijs", +verbonden. + +Men zou kunnen zeggen dat sedert tien eeuwen het riool de ziekte +van Parijs is. Het riool is de ondeugd, welke de stad in haar bloed +heeft. Het volksinstinct heeft zich daarin nooit bedrogen. Het +beroep van baggerman was vroeger even gevaarlijk en voor het volk +even walgelijk als het beroep van vilder, dat zoo lang verfoeid +en aan den beul overgelaten werd. Er werd een hoog loon vereischt +om een metselaar over te halen, in deze verpeste mijn te dringen; +de ladder van den putruimer aarzelde er in te dalen; men had tot +spreekwoord: "wie in het riool nederdaalt, zinkt in den grafkuil;" en +allerlei akelige legenden omsluierden, zooals wij gezegd hebben, met +ontzetting dezen kolossalen modderpoel, die de sporen draagt, zoowel +der omwentelingen van den aardbol als der revolutiën van de menschen, +en waar men tevens de sporen vindt van alle wereldberoeringen, van +de schulpen des zondvloeds tot het gescheurde bedlaken van Marat. + + + + + + + +BOEK III. + +SLIJK, ECHTER ZIEL. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET RIOOL EN ZIJN VERRASSINGEN. + + +'t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond. + +Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in +beide kan verdwijnen. + +De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean +uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een +deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht +in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel +in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten +gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau, +uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan. + +Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het +onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was, +voor dit soort van graf, waar leven was,--dit was een zonderling +oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en +ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem +geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk +overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid. + +Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of +hij in dien afgrond een levende of een doode droeg. + +Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets +meer. Ook scheen 't hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij +hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven +hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank +zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en +onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder +zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand, +toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevond dat +de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig +waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat, +een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De +stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond. + +Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel +door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan +de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche +gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. 't +Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het +licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het +punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen +ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder +was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen, +afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van +duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean +Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen +ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit +toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er +was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd, +raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn +schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts. + +Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van +een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na +den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en +valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene +streek der hel in de andere gevallen. + +Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er +deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke +hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te +volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren +doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt, +een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt +men aan de rivier. + +Jean Valjean begreep dit dadelijk. + +Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat, +zoo hij links ging en de glooiing volgde, hij binnen een kwartieruurs +aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de +Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het +volkrijkste gedeelte van Parijs te voorschijn zou komen. Misschien kwam +hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers +zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde +te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en +de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat +zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof +te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de +uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven. + +Hij ging rechts, tegen de glooiing op. + +Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht +van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd +weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij +had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen +achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere +tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en, +wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een +lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het +was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den +mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg +leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan +de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den +vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen +waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur +dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de +duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare +rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis. + +Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde +roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen, +hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw +rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf +waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis +en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt +en er eindelijk God vindt. + +'t Was bezwaarlijk zich te richten. + +De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten, +die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee +duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van +donkere vertakkingen voor, 't welk het riool wordt genoemd. De destijds +bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben +bedragen. Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net, +dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder +dan zestig mijlen lengte heeft. + +Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat +St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de +straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII +dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt, +met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des +miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier +armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine +Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in +gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit +in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier +was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is +een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool +der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer +dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche +straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan. + +Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk +geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende. + +Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd +aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij +ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk; +duizelingwekkend kruisen zij zich. 't Is schrikkelijk, in dat Parijs +der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn +weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem +te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste +zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij +hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen +holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen +onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare +en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven, +en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en +twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij +vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden +van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den +buik van het monster. + +Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij +onder 't voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide +hem niet meer tegen de teenen, maar tegen de hielen. Het riool liep +afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar +was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging +dus verder. + +Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem +van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de +Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug, +die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het +hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van +St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het +Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op +dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar +het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet. + +Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken, +en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan +de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn +weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop +moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang, +moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik, +die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben +opgesomd, gelegd was. + +Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand +verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden +opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij +hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen +donder. 't Was het gerol der rijtuigen. + +Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting, +en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide +van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis +was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust. + +Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op +een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, 't welk den grond aan zijn +voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en +rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld +keerde hij zich om. + +Achter hem, in het gedeelte van de gang, 't welk hij was doorgegaan, +op een, zoo 't hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de +dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen. + +'t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging. Achter +deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte, +onduidelijke, vreeselijke gestalten. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +VERKLARING. + + +Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde +dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect +van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl +generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande, +dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare +macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie +vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden +onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den +rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad. + +De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken +gewapend. + +Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der +ronde van den rechteroever. + +Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat +du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen +liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij +ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er +niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de +galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen +in de richting van het ringriool te hooren. 't Waren inderdaad de +voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, +had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel +naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen. + +'t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik. + +Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn +hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op +verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en +bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven +van 't geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan +voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand +gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als +schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil +hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der ronde luisterden, +maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden. + +Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein +plein, 't welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich +daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de +schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander +en fluisterden. + +De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich +vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich +bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het +verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry +te gaan, dat, zoo er iets te doen en een bousingot op te sporen was, +zulks in die wijk moest zijn. + +Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten +jare 1832 vormde het woord bousingot het midden tusschen het woord +Jacobin, dat verouderd was, en het woord demagoog, dat toen schier niet +gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen. + +De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo +'t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide +richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. 't Hing aan +een draad. 't Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur +van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke +opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok +verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging +merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn, +die eensklaps omkeerde. + +Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van 't +geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet, +dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot +echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig +darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean +klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf +boven zijn hoofd geraakt had. + +Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool, +maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten +verwijderde zich, een huiverend licht vormde in 't gewelf een rooden +kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste +stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en +doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich +niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en +starenden blik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende, +tegen den muur aangedrongen staan. + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE VERVOLGDE MAN. + + +Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren, +dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar +plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in +haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de +maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De +gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig +waargenomen en niet in 't minst verzuimd. Onder den aanvang eener +onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke +revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en +de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op. + +'t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den +Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had. + +Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand, +elkander in 't oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij +die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte +te naderen. + +'t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld +werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen +langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van +zijn tegenpartij te zullen versnellen. + +'t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te +hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede. + +De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond, +waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was +tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen, +was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn +handelingen zijn. + +De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar +hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, +zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche +bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben. + +De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers, zelfs geen +schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen +te zien. + +Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende +kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die +voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend +wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel +persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg. + +De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter +bij zag. + +Welk doel had de laatste? + +Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden. + +Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt, +is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het +onderscheid ligt alleen in de kleur. In 't blauw gekleed te zijn is +eervol; in 't rood is het heel onaangenaam. + +Er is een purper in de laagte. + +'t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard, +welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan +en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in +de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou +opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie. + +Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de +man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige +huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier +begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en +volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt +door den gluipenden havelooze, die voorging. + +Het huurrijtuig reed langs de boomen der Champs-Elysées. Men zag +boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in +de hand uitkomen. + +Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval +dit artikel: "Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik +te hebben." + +Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke +krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op +de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen, +veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop +is sinds wegens de "welstandigheid" weggeruimd. De paarden smachten +nu wel van dorst, maar 't gezicht heeft gewonnen. + +'t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou +gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen, een plaats +die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt, +en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen. + +Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel +Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het +huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost. + +Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de +vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn +weg op den oever langs de kade voort. + +Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk. + +Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten? + +Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen +afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine +in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller +wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou +hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur +aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich, +en het gezag op zijn hielen. + +'t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter +een hoop puin van zeven of acht voet hoog, 't welk van een of ander +gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig +gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde +om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht +er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet. + +De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich +als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte. + +De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen, +zoodat hij niet meer door den ander gezien werd. + +Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij +maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te +loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging +er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, +was er niet meer. + +De man in den kiel was geheel verdwenen. + +De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden +en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste. + +De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade +beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat +was van hem geworden? + +De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den +oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig +gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich +voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het +water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, +dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, +een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en +aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich +in de Seine uitstortte. + +Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort +van gewelfde donkere gang. + +De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik. + +Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; +hij schudde het, maar het stond stevig vast. 't Was waarschijnlijk, +dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, 't geen +zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter +weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich +op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest +gebruikt hebben. + +Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te +openen, 't geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte: + +"'t Is sterk! een regeeringssleutel!" + +Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van +inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden: + +"Wel! wel! wel! wel!" + +Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er +anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter +den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond. + +Zijnerzijds had het huurrijtuig, 't welk zich naar al zijn bewegingen +regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in +de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop +zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen, +zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze +twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen: +den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +OOK HIJ DRAAGT ZIJN KRUIS. + + +Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze +tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is +verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor +de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht +was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk +oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds +den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van +den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als +voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der +stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer +lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn +geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean +had honger en dorst; bovenal dorst; en 't is daar, evenals de zee, +een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, +die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom +was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon +echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed +de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was, +woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem +zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd +werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was +zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der +rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte. + +Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het +ringriool kwam. + +Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding +verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, +dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder +een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad +acht voet breed en zeven voet hoog. + +Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool +vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat +Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze +vier wegen zou iemand van minder schranderheid besluiteloos zijn +geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar +hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat +de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest +bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links. + +Hij deed er wel aan. Want 't zou een dwaling zijn te gelooven, dat het +ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy, +den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt, +de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote +riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant, +loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn +voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel +Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de +vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs +opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers +in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit, +is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur, +die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean +Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij na duizenden bezwaren, +uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur +zijn gekomen, en hij ware verloren geweest. + +Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het +Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, +in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor +van het riool moeten kennen. En, wij herinnere het, hij kende niets +van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, +waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht. + +Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke +redding. + +Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat +Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken, +en de lange gevorkte gang der Chaussée d'Antin. + +Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der +Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed +luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d'Anjou, wierp een +schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid +van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den +muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het +witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren +dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelen in +roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud +en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de +das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken +van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean, +die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde +zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde +zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het +vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die +steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met +een onuitsprekelijken haat aan. + +Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken +twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in +vergeten was, en Marius' portefeuille. Hij at het brood en opende +de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius +geschreven regels, welke men zich herinneren zal: + +"Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den +heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais +gebracht worden." + +Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was +een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid: +straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak +de portefeuille weder in Marius' zak. Hij had gegeten en krachten +herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig +zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts +in het riool voort. + +Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn +richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan +is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij +doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende +lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem +aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl +het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en +weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer +onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de +buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en +minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis +werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg +voort, tastende in de duisternis. + +Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk. + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +ZOOWEL VOOR HET ZAND ALS VOOR DE VROUW IS ER EEN VERRADERLIJKE +FIJNHEID. + + +Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer +plaveisel, maar modder had. + +Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat +iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver +van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige +minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek; +de zolen kleven er aan; 't is geen zand meer, maar lijm. Het strand +is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra +men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft, +zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering +opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand +heeft hetzelfde aanzien, niets onderscheidt den vasten bodem van den +bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten +gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De +man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en +tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou +hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: 't is alsof bij elken +tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt +twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt +stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn +verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand, +wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels, +hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit; +hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met +onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt, +en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan +als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af, +en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat, +het zand komt reeds tot boven zijn knieën. + +Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper +in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien +de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid +zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd +tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk, +onverbiddelijk, onmogelijk te vertragen of te verhaasten is, die uren +duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid +aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke +gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper +medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor +uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet +terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene +velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee, +de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De +verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde +naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke +doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te +kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt; +hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken, +wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het +zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de +handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand, +wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich +uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt +immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het +gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De +oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd, +een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand, +beweegt zich en verdwijnt. 't Is de akelige verdwijning van een mensch. + +Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn +kar; alles zinkt onder het zand. 't Is een vergaan, elders dan in +het water. 't Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van +den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als +een vlakte en opent zich als een zee. 't Is de verraderlijkheid van +den afgrond. + +Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander +zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche +riool mogelijk. + +Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de +onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig. + +Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die +bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als +in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de +nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in +een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt +instorting. Dan verzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van +water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen +in een zwakke zelfstandigheid; 't is noch aarde noch water. De diepte +ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een +ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling, +en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft, +is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats. + +Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk +aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van +de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het +levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in +de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke +voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats +van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige +van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de +langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht +haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den +doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas +in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen, +het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze +groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd. + +Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt +soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men +kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam +zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men +verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is +afzichtelijk. 't Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende +gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. 't Is +klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk +Clarence, 't zij zoo; maar in een modderpoel als d'Escoubleau, dit +is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er +is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een +modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of +een pad zal worden. + +Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk. + +De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid +in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is +zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet; +soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna +vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben +gehad om te verdwijnen, terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel +Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen, +naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich, +waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van +allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de +mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker, +die den bodem onder zich voelt zinken. + +De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den +bodem; een buiten 's menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige +zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak +drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed +de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte +en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder +het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat +soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen +de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige +verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval +liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het +ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers +maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de +modderwellen bedolven werden. + +Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d'Escoubleau, +van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering +van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek +bestormde. D'Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de +hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het +riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te +ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg +zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen +zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort +ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den +neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba! + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE MODDERWEL. + + +Jean Valjean bevond zich voor een modderwel. + +In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke +modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulische werkzaamheden +vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone +vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren. + +De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen +van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand +kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water +veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De +verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte +was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. 't +Was een moddergat in een nachtelijk hol. + +Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in +het slijk. 't Was water van boven en modder van onder. Hij moest er +door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius +was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen +zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel +scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar +gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het +slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij +ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water +houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan +zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper +en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor 't gewicht van één mensch, +kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden +ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean +ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een +lijk was. + +Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en +meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin +hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens +een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde +inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts +het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In +oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde +wijze haar kind dragen. + +Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om 't water te +ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had +gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien +drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het +bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn +voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het +was tijd. + +Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede +tegen en op dat steunpunt. 't Scheen hem als de eerste trede van een +trap die naar het leven opsteeg. + +Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was +het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar +geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed +gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte +vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men +gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere +zijde van den slijkkuil. + +Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op +zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die +houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij +zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende, +dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een +zonderlinge helderheid. + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE UITERSTE NOOD. + + +Opnieuw zette hij zijn weg voort. + +Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in +den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem +uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om +de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te +schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder +aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen +veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel +zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij +richtte zich op. + +Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd +schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en +stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het +riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den +muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het +onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het +geen verschrikkend licht; 't was goed, helder licht, het daglicht. + +Jean Valjean zag den uitgang. + +Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps +den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean +gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde +vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde +geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen +spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde, +vertoonde zich de uitgang duidelijker. 't Was een boog, minder hoog +dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de +galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De +tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, +in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis, +onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is. + +Jean Valjean bereikte den uitgang. + +Daar bleef hij staan. + +'t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan. + +De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk +zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn +gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten +baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die +diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een +dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was. + +Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier, +het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg +was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien +afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen +horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, +links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig +zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. 't Was +een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover +Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen +van het hek. + +'t Kon half negen 's avonds zijn geweest. Het werd allengs donker. + +Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den +vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen; +de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog +zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een +minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te +bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoog zich. De +tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom; +geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen +middel om de deur te openen. + +Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem +worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, +opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens +andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als +door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, +welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij +wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang, +hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen +waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig +was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar +ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn. + +'t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten. + +'t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos +geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en +Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis +trilden, de vreeselijke spin. + +Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op +het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn +hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst. + +'t Was de laatste droppel van den angst. + +Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven, +noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette. + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +HET AFGESCHEURDE ROKSPAND. + + +In 't midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder +en een fluisterende stem zeide tot hem: + +"Ieder de helft." + +Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop, +en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen +gehoord. + +Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op. + +Een man stond voor hem. + +Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in +de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt +te naderen. + +Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting +was, kende hij echter dezen man. + +'t Was Thénardier. + +Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean, +gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die +ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid +van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren +graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen +nacht geen grooter duisternis meer geven. + +Beiden wachtten een oogenblik. + +Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een +lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep +de lippen dicht op elkander, 't geen de sluwe oplettendheid te kennen +geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem +niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en +zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat +hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen +viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar +een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean +eensklaps in 't oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam +om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven, +'t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou +beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean +Valjean en den ontmaskerden Thénardier. + +Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende. + +Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij +elkander opnamen. + +Thénardier brak het eerst het zwijgen. + +"Wat zult ge doen om hieruit te komen?" + +Jean Valjean antwoordde niet. + +Thénardier hernam: + +"'t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit." + +"'t Is waar," zei Valjean. + +"Nu, ieder de helft." + +"Wat bedoelt ge?" + +"Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel." + +Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde: + +"Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn." + +Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een +moordenaar. + +Thénardier hernam: + +"Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken +te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur." + +En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende +zien, voegde hij er bij: + +"Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie." + +Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de +werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. 't Was de Voorzienigheid +die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel +die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam. + +Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er +een touw uit en reikte het Jean Valjean. + +"Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe." + +"Wat moet ik met dit touw?" + +"Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er +ligt daar een hoop puin." + +"Waartoe een steen?" + +"Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt +een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven." + +Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets +werktuiglijk aanneemt. + +Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij +hem opkwam. + +"Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te +komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker." + +Na eenig zwijgen, voegde hij er bij: + +"Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. 't Is goed +wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men +volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om +'t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt +ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat +ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om 't leven gebracht en nu +zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig, +de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid +helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen." + +Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij +blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om +zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem +luider te verheffen: + +"Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt +ge er den man niet ingeworpen?" + +Jean Valjean bleef zwijgen. + +Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende, +optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig +man gaf: + +"Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de +werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk +den doode vinden en men zou van 't een tot het ander op het spoor +komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar +is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is +zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond +is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die +zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan +iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een +maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat +maakt dat uit? 't is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En +de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan." + +Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean +Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder. + +"Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel +gezien, laat mij uw geld zien." + +Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins +dreigend, maar toch vriendelijk. + +'t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk; +hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen +toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn +lippen en fluisterde: "stil!" Het was moeielijk te raden waarom. Er +was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien +andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier +liever niet met hen wilde deelen. + +Thénardier hernam: + +"Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?" + +Jean Valjean tastte in zijn zakken. + +'t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich +te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was, +verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij +den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij, +in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had +slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken, +die vochtig van 't slijk waren, en legde op den vooruitspringenden +kant van den muur een louis-d'or, twee vijffrancsstukken en vijf of +zes koperen sous. + +Thénardier stak de onderlip vooruit met een veelbeteekenende draaiing +van den hals. + +"Ge hebt hem voor weinig geld vermoord," zeide hij. + +Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die +van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar +'t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid +van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius +betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap +er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk +met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde +en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan +dertig francs. + +"'t Is waar," zeide hij, "gij hebt niets meer." En vergetend wat hij +gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles. + +Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen; +doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende: + +"'t Zij zoo! 't is evenwel al te weinig om er een mensch voor te +vermoorden." + +Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel. + +"Nu, vriend, moet ge hier uit. 't Is hier als op de kermis, men +betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga." + +Hij lachte. + +Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur +latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te +redden? Wij twijfelen hieraan. + +Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen +trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte +Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op +zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan +onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong +en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak +of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die +zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend +hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; 't deed de heimelijke +gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad +vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime +bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het +hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot +het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw +in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij +scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Een oogenblik +later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden. + +Jean Valjean was buiten. + + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +MARIUS SCHIJNT DOOD VOOR IEMAND, DIE ER VERSTAND VAN HEEFT. + + +Hij leide Marius aan den rivierzoom. + +Zij waren buiten! + +Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De +gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan +alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte +van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was +gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die +een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De +hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als +kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne +nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées +goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan 't azuur dreven, +waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over +'t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit. + +'t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen +zegt. 't Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar +te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden. + +Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door +deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken, +waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te +kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker +als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, +evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig +naar dit onmetelijk helder duister, 't welk hij boven zich had; +peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, +met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot +hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner +hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in +'t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn +half geopende mond. + +Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken, toen hij +eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich +heeft, dien men niet ziet. + +Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, 't welk iedereen kent. + +Hij keerde zich om. + +Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge +gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en +in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige +schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen. + +'t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch +zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den +knuppel, ongerust zijn geweest. + +Jean Valjean herkende Javert. + +De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand +anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit +de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect +in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan, +en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die--luidens de bij +hem gevonden nota--hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den +rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd +de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet +en was hem gevolgd. Men weet het overige. + +Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean +openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er +een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft +een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been +worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! 't Was een buit, +die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn +plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar +van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; +beloonde Javert voor zijn wachten, 't geen een spion immer streelt, +verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer +afleiding, zou ontsnappen. + +Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt. + +Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van +Javert te vallen, was ontzettend. + +Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben, +niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst +gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de +hand, en zeide kort en bedaard: + +"Wie zijt gij?" + +"Ik." + +"Wie, gij?" + +"Jean Valjean." + +Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug, +legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er +als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun +gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk. + +Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een +leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten. + +"Inspecteur Javert," zeide hij, "gij hebt mij. Ik beschouw mij +trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats +niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij, +maar sta mij één ding toe." + +Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn +gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van +wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich +plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom, +prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag: + +"Wat doet ge hier? en wie is deze man?" + +Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean. + +Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te +doen ontwaken: + +"Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen; +maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets +anders." + +Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men +hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde +evenwel niet. + +Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het +water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius. + +"Deze man was bij de barricade," zeide hij halfluid als tot zich +zelven sprekende. "Men noemde hem Marius." + +Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles +geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te +zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de +eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt. + +Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols. + +"'t Is een gewonde," zei Jean Valjean. + +"'t Is een doode," zei Javert. + +Jean Valjean antwoordde: + +"Neen, nog niet." + +"Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?" merkte Javert op. + +Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder +naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs +Jean Valjean's zwijgen op deze vraag niet opmerkte. + +Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam: + +"Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn +grootvader...--Ik ben den naam vergeten." + +Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille +uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, +en reikte ze Javert. + +'t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert +had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der +nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en +mompelde: "Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6." + +Toen riep hij: "Koetsier!" + +Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte. + +Javert behield de portefeuille van Marius. + +Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed +was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het +rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank. + +Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden +naar den kant van het Bastilleplein. + +Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere +gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het +rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met +den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, +met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te +wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en +in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een +lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, +had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd. + + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +TERUGKEER VAN DEN VERLOREN ZOON TOT HET LEVEN. + + +Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel +bloed uit het haar van Marius. + +Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in +de straat des Filles du Calvaire stilhield. + +Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een +oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren +klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander +aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half +geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend, +slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn. + +Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in +dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt, +neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den +boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens. + +Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het +rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij +de beenen. + +Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van +Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde +zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw, +alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt. + +Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement +tegenover den portier van een opstandeling past: + +"Woont hier iemand, die Gillenormand heet?" + +"Ja. Wat wilt ge van hem?" + +"Men brengt hem zijn zoon terug." + +"Zijn zoon?" zei de portier verstomd. + +"Hij is dood." + +Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de +portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd +tegen hem. + +De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van +Jean Valjean te begrijpen. + +Javert hernam: + +"Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier." + +"Naar de barricade!" riep de portier. + +"Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken." + +De portier verroerde zich niet. + +"Ga toch!" herhaalde Javert. + +En hij voegde er bij: + +"Morgen zal men hier een begrafenis hebben." + +Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch +gerangschikt, 't geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is, +en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren +om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende +hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht, +oproer, vastenavondgewoel en begrafenis. + +De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte +tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende, +dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden. + +Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens +iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, +en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer +Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette +de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den +schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op +den voet gevolgd. + +De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met +verschrikte slaperigheid. + +Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok. + +"Inspecteur Javert," zei Jean Valjean, "sta mij één ding toe." + +"Wat?" vroeg Javert ruw. + +"Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder +met mij doen wat ge wilt." + +Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag +van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep: + +"Koetsier, rue de l'Homme-Armé, nommer 7." + + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +VERBAZING. + + +Onderweg spraken zij geen woord meer. + +Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette +waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschien een of andere +nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen +nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was +hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich +niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien +aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan +de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds +den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze +ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling. + +De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in +zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean +onmogelijk. + +Bij den ingang der straat de l'Homme-Armé hield het rijtuig stil, +wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert +en Jean Valjean stegen uit. + +De koetsier deed "mijnheer den inspecteur" deemoedig opmerken, dat +het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden +man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij +begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En +terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij +mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan +te schrijven. + +Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg, +zeggende: + +"Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?" + +"'t Is zeven en een kwart uur," antwoordde de koetsier, "en mijn +trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur." + +Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan. + +Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar +den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives, +welke in de nabijheid zijn. + +Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was. + +Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7. + +Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich. + +"Goed," zei Javert. "Ga binnen." + +Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof 't hem inspanning kostte, +voegde hij er bij: + +"Ik wacht u hier." + +Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelen van Javert +was weinig volgens zijn gewoonte. 't Kon Jean Valjean evenwel niet zeer +verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde, +het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als +haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over +te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het +huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed +aan de deurkoord had getrokken: "Ik ben het," en hij ging de trap op. + +Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun +statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk +in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een +venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover, +wierp eenig licht op de treden, 't geen een opzettelijke verlichting +uitwon. + +Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag +uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het +eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd. + +Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer. + +Javert was heengegaan. + + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE GROOTVADER. + + +Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de +canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had, +de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was +gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan. + +Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets +in staat dan te zeggen: "Is het Gods mogelijk!" Zij voegde er nu +en dan bij: "Alles zal met bloed bemorst worden!" Toen de eerste +ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid +in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep: +"Zoo moest het eindigen!" maar zij ging zooverre niet van te zeggen: +"Ik heb het wel gezegd!" zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is. + +Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De +geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de +pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed +om de lippen uit den neus kwam, liet hij hem plat op het bed leggen, +zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam, +de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen +mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde +zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden. + +De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de +portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar +niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange +marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel +ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren +vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was +echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden +zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel +medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen. 't Was een ernstig +verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit +dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het +bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf +door de barricade beschermd geworden. + +Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed; +Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, +de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast +het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale +instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en +het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle +emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand. + +De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde +hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed, +beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich +zelven zijn een slecht teeken voor den lijder. + +Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger +de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een +deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen. + +'t Was de grootvader. + +De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer +ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht +niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds +was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis +zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd. + +De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van den heer +Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, +welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over +het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en +tastend genaderd. + +Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende +deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten +slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade; +verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt. + +Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als +was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel +bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht. + +Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, +zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier +hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een +soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een +oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen +neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting +verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende +handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door +de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar +bezet, zien. Hij stamelde: + +"Marius!" + +"Mijnheer," zei Basque, "men heeft den jongenheer zooeven hier +gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en...." + +"Hij is dood!" riep de grijsaard met vreeselijke stem. "O, de +booswicht!" + +Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige +zoo recht op als een jongeling. + +"Mijnheer," zeide hij, "zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles +één ding. Hij is dood, niet waar?" + +De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg. + +Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach. + +"Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden +uit haat tegen mij! 't Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O, +bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens, +hij is dood." + +Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te +stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot +den nacht te spreken. + +"Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken +gehouwen. Ziet ge 't nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte +en zijn kamer in orde had doen brengen en zijn portret, uit den tijd +dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed +geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen, +en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de +knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik +er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te +keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt +zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader +zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen, +hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden +gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te +wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! 't Is +schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is +mijn ontwaking!" + +De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet +Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij +bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met +oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm: + +"Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk +XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar +één ding is verschrikkelijk, 't is de gedachte, dat uw dagbladen +al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten, +redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van +den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen +te huis brengt. Ach, Marius! 't is afschuwelijk! Gedood! vóór mij +dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge +in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet +voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent +dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. 't Zou dom +zijn. 't Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen +hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine +spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte +ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den +grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij +ging heen. 't Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn +moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond +zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; +maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik +herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon de d +niet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende +een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van +Herkules Farnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo +schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen +ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist +wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn +kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is +weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en +laten u niet meer los. 't Is waar, dat er geen liever kind was. Wat +zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de +Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!" + +Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was +en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw +zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen +zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: +"O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!"--Zachte +verwijten van een zieltogende tot een lijk. + +Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden +allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht +niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en +gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen: + +"'t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er +in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien +ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich +te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als +een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In +plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen +lieden betaamt. 't Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te +zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu +nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen +uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal +Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was +een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is +'t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren +oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude +lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude +uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood +geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb +ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. 't Is +uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die +medicijnen. 't Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is +dood, geheel dood. Ik heb er verstand van want ook ik ben dood. Hij +heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, 't is een afschuwelijke, +schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden, +van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters, +van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van +al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën +verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten +dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!" + +Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn +blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer +Gillenormand. + +"Marius!" riep de grijsaard. "Marius, mijn kleine Marius! mijn kind, +mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij +leeft. Goddank!" + +En hij zonk machteloos neder. + + + + + + + +BOEK IV. + +JAVERT UIT HET SPOOR. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +JAVERT UIT HET SPOOR. + + +Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l'Homme-Armé +verwijderd. + +Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor +het eerst van zijn leven met de handen op den rug. + +Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen, +welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist; +die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was +hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon, +in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst. + +Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting. + +Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade, +zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen +afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der +brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du +Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds, +een soort van vierkant meer, door 't welk een snelle strooming gaat. + +Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker +dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die +thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo +dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water +ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven, +het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende +kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die +er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers +verdrinken er. + +Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide +handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard +woelden, peinsde hij. + +Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem +ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken. + +Javert leed vreeselijk. + +Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te +hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid +verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn +geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet +ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der +Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn +prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt. + +Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en +dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één +rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren +tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke +van de twee was de ware? + +Zijn toestand was onbeschrijfelijk. + +Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan +te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken +voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een +wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn +beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht, +den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke +belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de +maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al +deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden, +dat verplette hem. + +Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had +geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert, +Jean Valjean genade had geschonken. + +Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden. + +Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan +Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk +de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede +steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In +beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor +hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd +was. De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem +toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks. + +In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het +hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben. + +Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring +zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en +vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag +gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken, +zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich +zelven geven. + +Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich +veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke +en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand +de vrijheid te schenken; dit had hem behaagd; hij had zijn eigen +zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden +alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze, +door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de +voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over: +haastig naar de straat de l'Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean +in hechtenis te nemen. + +'t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet. + +Iets belette hem den weg naar dien kant. + +Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken, +gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war. + +Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie +zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen! + +Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te +straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de +een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij +zich beiden boven de wet stelden? + +Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft +worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke +orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het +gouvernement eten! + +Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker. + +Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten +aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire +was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag +ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig +een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op. + +Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte. + +Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de +steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover +dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette +hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger +als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als +werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder +te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij +er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde, +dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een +galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan, +en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij +en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling +te erkennen. 't Was verschrikkelijk! + +Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige +tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis +vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan +zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had, +die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan +bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen, +dat zulk een monster bestond. + +Dit kon niet langer duren. + +Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer +aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien +afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd +was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat, +had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd +gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in +hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij +behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe +te roepen: "Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;" +de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: "Deze man is voor u!" om +dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en +zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene +der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert +had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen +doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet, +en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag +van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar +gewicht, nedergezonken, en in 't diepst zijner ziel had hij een stem, +een zonderlinge stem gehoord, die hem toeriep: "Goed zoo. Lever uw +redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus +brengen en wasch er uw klauwen in." + +Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven +Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd. + +Een galeiboef was zijn weldoener. + +Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In +de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had +hij gebruik moeten maken. 't Ware beter geweest, zoo hij de andere +opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld +had laten doodschieten. + +Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde +zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken +stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende +soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel +verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn +eenige leiddraad was. 't Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid +te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en +overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest: +de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid, +de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid +uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen +veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets +als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke +gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden +opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij +verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars! + +Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen +bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de +regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den +tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare +macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar +kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het +lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij +zelf voor zulk een verrassing bezweken was. + +Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling +was goed geweest. En hij zelf, 't was ongehoord, was goed geweest. Hij +was dus ontaard. + +Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven. + +Voor Javert was het ideaal niet--menschelijk, groot, verheven; maar +onberispelijk te zijn. En hij had gefaald. + +Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het +niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar +wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren. + +Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over +te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert, +was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te +laten gaan, terwijl hij hem vasthield. 't Was, om zoo te zeggen, +buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had. + +Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn +oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden +verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze +wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet +had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als +voor zijn veiligheid--wat heeft hij gedaan door mij het leven, door +mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op +mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets +meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in +verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond, +de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor +die boven, als voor die beneden was. Zonder in 't minst Voltairiaan, +philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol +eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een +grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was +zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken +ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen +godsdienst in de politie, zijnde hij--wij zeggen dit zonder eenige +ironie en in den ernstigsten zin--spion gelijk men priester is. Hij +had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig +aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer, +God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd. + +Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet, +hoe hij 't met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de +ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam +mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover +een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander +middel overschiet dan zijn ontslag. + +Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden? + +Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij +hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettende ambtszonde had +begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde, +die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij +had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij +gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen +bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen +hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij +in dat blinde geloof geleefd, 't welk een onbepaalde eerlijkheid +voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging +hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet +wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander +mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten, +dat eensklaps uit de duisternis in 't licht komt. Hij zag 't geen, +waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd +uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het +gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven. + +'t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn. + +Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der +wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen +borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart +gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden, +hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede +het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te +smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen +dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk! + +Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat! + +Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er +kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer +een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het +gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke +is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen; +de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig +blauw des hemels te zien! + +Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het +uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid, +die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de +stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren +paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den +zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het +juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon, +dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is. + +Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een +effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets +of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er +voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering +er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het +onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den +chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de +lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu +deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde +verschijning: een afgrond boven zich. + +Hoe! men was van 't hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van +zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat +men zeker acht, instorten? + +Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een +grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der +wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen +de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in +hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den +staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht +zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet, +gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk +hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor +de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden. + +Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet +alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. 't Waren +feiten. 't Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen. + +Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen; +'t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van +boven komen? + +Aldus--en in de overdrijving van den angst en de begoocheling +der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en +verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich +in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen--aldus was het strafrecht, +een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven, +de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging +der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, +het beginsel van het gezag, al de dogma's waarop de politieke en +burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, +de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke +absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin, bouwval, chaos; +hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst +der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en +geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het +hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting +was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest. + +Was dit te verduren? Neen. + +Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn +kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, +onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno +aan den kerker terug te geven. De andere... + +Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten +tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van +het Chateletplein aanwees. + +Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad +binnen. Enkel aan 't openen der deur van een wachthuis kennen de +politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart +aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars +brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, +voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor +de nachtpatrouilles. + +Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude +instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze +noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met +roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen +stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde. + +Javert nam pen en papier, en schreef het volgende: + + + "EENIGE OPMERKINGEN TEN NUTTE VAN DEN DIENST. + + + Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een + oog te slaan. + + Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken + hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen + staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, + wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten + voor de ziekenzaal. + + Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden + geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste + twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in + eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem + kunne bewaken en vervangen. + + Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere + reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een + stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen. + + Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de + cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen + kan doen vatten. + + Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere + gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk + roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit + is diefstal. + + Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats + den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer, + wijl het linnen niet minder goed is. + + Ten achtste: 't Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de + plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer + van Sainte-Marie-l'Egyptienne te begeven. + + Ten negende: 't Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen + op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der + beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd + persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer + van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige + onordelijkheid. + + Ten tiende: Mme Henry is een brave vrouw; haar cantine is zeer + zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het + geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving + onwaardig." + + +Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma +of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten +regel teekende hij: + + + "Javert, + + "Inspecteur van de 1e klasse. + + "In den wachtpost van het Chateletplein. + + "7 Juni 1832, omstreeks één uur 's morgens." + + +Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een +brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: "Nota +voor de administratie," liet het op de tafel liggen en verliet den +wachtpost. De getraliede glazen deur viel achter hem dicht. + +Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en +kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, 't welk hij +een kwartieruurs vroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde +houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof +hij dien niet verlaten had. + +'t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, 't welk op +middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De +hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude +stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de +straten en kaden zien kon was eenzaam. Nôtre-Dame en de torens van het +Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn +wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der +bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen +had de rivier doen zwellen. + +De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men +zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een +geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, +welke als schroef zonder einde draait. + +Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men +onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de +rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte +een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water +heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen +en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles +werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men +onder zich had, was geen water; 't was een kolk. De muur van de kade, +die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn +kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van +een steilte van het oneindige. + +Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den +flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit +dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde +dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de +brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze +duisternis was afgrijselijk. + +Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis +aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die +oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed +af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen +een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte +voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering, +boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht +in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de +duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in +het water verdwenen gestalte. + + + + + + + +BOEK V. + +DE KLEINZOON EN DE GROOTVADER. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +MEN ZIET DEN BOOM WEDER MET DEN ZINKPLEISTER. + + +Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd +Boulatruelle levendig getroffen. + +Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in +de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft. + +Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die +zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij +sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten +weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; +hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren +begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den +grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, +het in de zakken der voorbijgangers te zoeken. + +Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood +ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning +van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn +dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij +daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating, +gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op +den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij +was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder +bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk +te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor +het stelen, dat hem bijna in 't verderf had gestort, maar zich met +meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had. + +De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst +onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard: + +Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle +zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag +begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts +den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de +morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel +hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk +wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins +in strijd is. + +"Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?" vroeg +hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan +dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in +'t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze +gelijkenis, waarmede hij niet in 't reine kon komen, opmerkingen en +gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was +er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence +door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam +hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk +van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit +uur? Wat kwam hij er doen? + +Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen, +herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke +opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen +wel dezelfde als deze te kunnen zijn. + +Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner +overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar +niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand +meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen. + +"Voor den duivel!" zei Boulatruelle, "ik zal hem wedervinden. Ik +zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van +Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze +vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er +bij behoor." + +Hij nam zijn spade, die zeer scherp was. + +"Hiermede," mompelde hij, "kan ik den grond en een mensch kort +krijgen." + +En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg +samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het +kreupelhout. + +Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem +meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen, +vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der +struweelen, die met bevallige langzaamheid zich weder oprichtten, +als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit +alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De +tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort +van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad +de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom +te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk, +en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk. + +'t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag, +waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps +den man. + +Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit +het oog. + +De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide +plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer +goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, +een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, +op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette +vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor +bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk +nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een +planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, +is dit een reden voor haar langen duur. + +Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den +boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam +'t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de +zoo lang gedroomde schat. + +'t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de +begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een groot +kwartieruurs voor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar +buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur +toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij +geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog, +maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht +het ook was, scheen hem de goede weg. + +"Slaan wij de straat Rivoli der wolven in," zeide hij. + +Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer +den misslag, den rechten weg te volgen. + +Hij begaf zich moedig in het kreupelhout. + +Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen +en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd. + +Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat, +buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru. + +Er was niemand. + +Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats, +men had hem niet weggevoerd. + +Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In +welke richting? In welken schuilhoek? 't Was onmogelijk te gissen. + +En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den +boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en +een vergeten of achtergelaten schop zag. + +Die kuil was ledig. + +"Dief!" riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont +uitstekende. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +MARIUS UIT DEN BURGEROORLOG GEKOMEN, BEREIDT ZICH TOT DEN HUISELIJKEN +OORLOG. + + +Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene +weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen +gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding +veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve. + +Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige +levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van +den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar, +wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid +van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder +en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. "De lijder mag +vooral geen gemoedsaandoeningen hebben," herhaalde hij. De verbinding +was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels +destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel +een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met +moeite werd het koudvuur door aanwending van chloor en helschen steen +tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van +het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend. + +Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goed gekleed heer met +wit haar--dit was het signalement dat de portier van hem gaf,--naar +den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter. + +Eindelijk, den 7den September, vier maanden, op den dag af, na +den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader +had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was. De +genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op +een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo +is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het +volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder! + +Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling +hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen +openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren +der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, +dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten. + +Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke +den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene +verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij 't algemeen, maar bovenal +bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden +gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in +het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders +durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede. + +De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door +te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder +door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius +brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen +om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, +als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaie +linnen te sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat +hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de +verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als +nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig, +terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men +het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: "Ai! ai!" Niets +was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken, +met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer +met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren. + +Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar +was, geraakte de goede man buiten zich zelven. Hij gaf zijn portier +drie louisd'ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd +danste hij een gavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met +castagnetten, daarbij het liedje zingende: + + + Jeanne est née à Fougère, + Vrai nid d'une bergère; + J'adore son jupon + Fripon. + + Amour, tu viens en elle, + Car c'est dans sa prunelle + Que tu mets ton carquois, + Narquois! + + Moi, je la chante, et j'aime + Plus que Diane même + Jeanne et ses durs tétons + Bretons. [8] + + +Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der +deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad. + +Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd. + +Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer +opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij +gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te +kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, +overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een +grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar +dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer +Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde +Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek! + +Telkens vroeg hij aan den geneesheer: "Er is immers geen gevaar +meer?" Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij +trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde +zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn +blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon +van zijn kleinzoon. + +In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van +den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter +hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt, +bekoorlijk, jong. Zijn wit haar paarde een zachte majesteit aan den +vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder +rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt +een hemelsch morgenrood. + +Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts +een enkele gedachte: Cosette. + +Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien +naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan +dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was. + +Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de +Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke +schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin +Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde +vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in +dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm; +hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door +wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; +al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een +huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; +het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel +van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt, +één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil: +Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan 't leven +niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart +bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had +onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, +van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn +verdwenen paradijs te eischen. + +Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet. + +Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en +weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn +grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens +wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen, +die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om +hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde +vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven, +dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet +zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in 't spel kwam, hij +een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader +zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der +familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenen +en tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de +fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig +verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf. + +En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven +terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht +weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw +tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven, +dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was +geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid +herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De +grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid. + +Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand +buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en +zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. 't +Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel, +noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn +woorden te verdraaien. + +Blijkbaar moest eene crisis komen. + +Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde +Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het +terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer +Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was +gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen +scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. "De +mannen van 93 waren reuzen," zei Marius streng. De grijsaard zweeg +en sprak den ganschen dag geen woord meer. + +Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren +voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn, +voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de +diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd. + +Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou +afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en +bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn +ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven. + +Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken. + +Dat oogenblik kwam. + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +MARIUS' AANVAL. + + +Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het +marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over +Marius gebogen, en op den teedersten toon: "Hoor, Mariusje, in uw +plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is +uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been +te brengen, is een kotelet beter." + +Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze +in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de +beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke +houding aan, en zeide: + +"Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen. + +"Wat?" + +"Ik wil trouwen." + +"Ik had het voorzien," zei de grootvader, terwijl hij luid begon +te lachen. + +"Hoe, voorzien?" + +"Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben." + +Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden. + +De heer Gillenormand hernam: + +"Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt +alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid +vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met +weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in +de rue de l'Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu, +ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot +gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het +regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit +zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid, +hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest, +hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet +hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge +grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij +antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op +verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt +ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u +zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu +verloren, mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek +u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan, +ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier +heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel; +zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven +zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht, +haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen; +maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het +bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt +niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den +tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut +verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de +dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom, +'t is goed, spreken wij er niet meer van; 't is gezegd, 't is gedaan, +'t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag, +dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat +die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette +bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig +moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude +zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat +teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik +wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig, +mijn geliefd kind." Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te +snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen, +tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van +het hoogste geluk. + +"Mijn vader!" riep Marius. + +"Ha, gij bemint mij dus!" zei de grijsaard. + +Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening +niet spreken. + +Eindelijk stamelde de grijsaard: + +"Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft "mijn vader" gezegd." + +Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht: + +"Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar +zou kunnen zien." + +"Ook voorzien; morgen zult ge haar zien." + +"Vader!" + +"Wat?" + +"Waarom niet heden?" + +"Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal "vader" genoemd; dit is +het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar bij u brengen. Ik +heb het voorzien, zeg ik u. 't Is reeds in rijm gebracht. 't Is de +ontknooping van de elegie "de jonge zieke" van André Chénier, van André +Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd." + +Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van +Marius te merken, die in waarheid, wij moeten 't zeggen, niet meer +naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan +aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier +aangevoerd te hebben, hernam haastig: + +"Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote +revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die +voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een +weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze +groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier +verzochten, wel te willen gaan..." + +De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet +voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch +herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter +Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, +de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend, +verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken +Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij +den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: "Bij de honderd +duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!" + +"Wien, mijnheer?" + +"André Chénier!" + +"Ja, mijnheer," zei Basque verschrikt. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +MEJUFFROUW GILLENORMAND VINDT HET EINDELIJK NIET KWAAD MEER, DAT +MIJNHEER FAUCHELEVENT IETS ONDER DEN ARM MEDEBRACHT. + + +Cosette en Marius zagen elkander weder. + +Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn +dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort +de zon. + +Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend, was, op +het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen. + +Zij verscheen op den drempel, en 't was alsof zij in een stralenkrans +stond. + +Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten, +maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde +Cosette er overheen. + +"Aanbiddelijk!" riep hij uit. + +Toen snoot hij heel luidruchtig. + +Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was +door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn +kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de +armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al +deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens +gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen +alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig. + +Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig, +maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. 't Was +"Mijnheer Fauchelevent;" 't was Jean Valjean. + +Hij was "zeer goed gekleed", zooals de portier had gezegd, geheel in +het zwart en nieuw, en met witte das. + +De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in +dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen, +die in den nacht van den 7den Juni, met gehavende kleederen, vuil, +afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan +zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend; +evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent +met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw +gezegd: "Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer +gezien te hebben." + +Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij +als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, +dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was +groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden. + +"Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?" vroeg mejuffrouw +Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette. + +"O," antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het +gehoord had, "'t is een geleerde: kan hij 't helpen? De heer Boulard, +dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk +een oud boekje aan zijn hart." + +En luide zeide hij groetend: + +"Mijnheer Tranchelevent..." + +Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid +voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier. + +"Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer +den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen." + +"Mijnheer Tranchelevent" boog. + +"Dit is in orde," zei de grootvader. + +Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend +uitbreidende, riep hij: + +"'t Is u thans vergund elkander te beminnen!" + +Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het +gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn +rustbed zittende en Cosette naast hem staande. "O mijn God!" lispte +Cosette, "ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom +toch? 't Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood +geweest. O, 't was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat +had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer +doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen, +meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo +treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er +afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met +zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen +spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l'Homme-Armé. 't Schijnt, +dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men +er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. 't +Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. 't Is wonder, +dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig +voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u +pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! 't Ongeluk is dan voorbij. Ik ben +heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben 't geheel +vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l'Homme-Armé. Er +is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer, +'t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger."--"Engel!" zei Marius. + +Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord +zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er +van maken. + +Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer; +zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken. + +De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren +en riep: + +"Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig +leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken." + +En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe: + +"Praat maar, stoort u aan niets." + +Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar +oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; 't was in 't minst +niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: 't was het +domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; 't was het +mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde. + +"Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter," zij haar vader; "ik heb u +immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven." + +Hij zweeg een oogenblik en hernam: + +"Aanschouw het geluk van anderen." + +Toen wendde hij zich tot Cosette: + +"Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge +zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig, +dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware, +zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd, +jongejuffer. 't Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, 't zal een +kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik +zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk +is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat +tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk +der jezuïetische bouworde is te Namen. 't Heet Saint-Loup. Ge moet +daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. 't Is een reis waard. Ik +ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen; +zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina, +welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is +schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te +redden moet er een Jeanne d'Arc zijn, maar om volk te hebben, is +moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk +niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een +afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der +H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden +jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap, +met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper +een waskaars in de hand te houden en te zingen Turris Eburnea!" + +De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde +voort, als een losgebroken springveer: + + + Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries, + Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries [9]. + + +"Apropos!" + +"Wat blieft, vader?" + +"Hadt ge niet een boezemvriend?" + +"Ja, Courfeyrac." + +"Wat is er van hem geworden?" + +"Hij is dood." + +"Dat is goed." + +Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier +handen in zijn gerimpelde handen. + +"Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein +meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit +is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers +heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware +hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de +dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar," +voegde hij er eensklaps treurig bij, "welk een ongeluk! Nu denk ik er +aan. Meer dan de helft van 't geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik +leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren, +mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes, +mevrouw de barones, zullen moeten werken." + +Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide: + +"Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend +francs." + +'t Was de stem van Jean Valjean. + +Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten, +dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige +menschen. + +"Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?" vroeg de grootvader +ontsteld. + +"Dat ben ik," antwoordde Cosette. + +"Zesmaal honderd duizend francs!" hernam de heer Gillenormand. + +"Misschien veertien of vijftien duizend francs minder," zei Jean +Valjean. + +En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een +boek had aangezien. + +Jean Valjean opende zelf het pakje. 't Waren bankbiljetten. Men zag en +telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht +en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en +tachtig duizend francs. + +"Dit is een kostelijk boek," zei de heer Gillenormand. + +"Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!" prevelde de tante. + +"Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand, +mijn dochter?" hernam de grootvader. "Die drommelsche Marius, hij heeft +uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog +de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal +honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild." + +"Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken," herhaalde halfluid +mejuffrouw Gillenormand. "Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan +even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!" + +Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks +op deze omstandigheid. + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +MEN BELEGGE ZIJN GELD LIEVER IN EEN BOSCH DAN BIJ EEN NOTARIS. + + +Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het +uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu, +ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen +gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine +van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende +weder gevat te worden, 't geen werkelijk korten tijd later gebeurde, +deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte +Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend +francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje +kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden, +had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In +hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den +bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij +zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op +dien zekeren avond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean +Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru +in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken +hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend +was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde +en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn, +was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het +bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle +erfde de spade. + +De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend +vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor +zich.--"Later zullen wij zien," dacht hij. + +Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend +francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van +tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster +had slechts vijf duizend francs gekost. + +Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen, +waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden. + +Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in +zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in den Moniteur, +die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur, +Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en +de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, 't welk +deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte +man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord +deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen +verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet. + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE BEIDE OUDE LIEDEN DOEN, ELK OP ZIJN WIJZE, ALLES OM COSETTE GELUKKIG +TE MAKEN. + + +Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer, +die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon +plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen +in volkomen geluk. + +De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond +hij in de aanschouwing van Cosette. + +"Een verwonderlijk schoon meisje!" riep hij. "En zij ziet er zoo zacht +en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje, +dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die +de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een +wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron, +rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u." + +Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel +overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door +verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest. + +"Begrijpt ge er iets van?" vroeg Marius aan Cosette. + +"Neen," antwoordde Cosette, "maar mij dunkt, dat de goede God ons +aanschouwt." + +Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles, +ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver +en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve. + +Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te +lossen, van 't welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken +stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie +weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest +zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar +een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak +te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven +familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een +anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers +in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat +klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden +er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de +quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan, +hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van +Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote +belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette +werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze +weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den +naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand +tot toezienden voogd werd benoemd. + +De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat +door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat +legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend +francs geweest, maar tienduizend francs waren aan de opvoeding +van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan +het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een +derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het +tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit +alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen +bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag +dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde +geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs. + +Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien +zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; +een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander +oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare +tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine +verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur +was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is +het leven. + +Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels +omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad, +is steeds tot ontberingen gereed. + +Zij bleef echter Jean Valjean "vader" noemen. + +Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk +ingenomen. 't Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken +overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de +maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde +de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te +doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van +zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij, +het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich +de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen. + +Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk, +die sedert jaren niet geopend waren. "Laat ons deze dames eens +onderzoeken," zeide hij, "en zien wat zij bevatten." Hij opende met +geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al +zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas, +gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken +met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné +zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden, +ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen, +linten, dat alles schonk hij aan Cosette. Cosette, verwonderd, +geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid +voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in +satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht +te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant. + +De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, +slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als +trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire. + +Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten +aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen. + +Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens +ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid: + +"De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans +der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt +een herinnering uit de oudheid" [10]. + +"Moire antique!" riep de grijsaard. "Ik dank u Marius. 't Is juist +het denkbeeld dat ik zocht." + +En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van +theekleurig moire antique gevoegd. + +De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen. + +"De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets +overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het +met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart +en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij +mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis +met korenbloempjes bekranst, maar voeg er honderdduizend francs +rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een +marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met +het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog +brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het +nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner +mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, +zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat +zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt +scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur, +geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels, +en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit +een nis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en +Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de +trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, +dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is +hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, +te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en +geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud." + +De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al +de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen +doorééngemengd. + +"Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd +geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij +heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles +is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos +en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een +net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou +trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een +louisd'or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de +Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles +verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van +Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van +Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps +in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In +deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld +en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men +is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, +gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk +glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o +mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, +waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou +schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word +niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen +kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet +kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er +toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt +tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik +betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan: +die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke +manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die +tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans, +vroolijke gezichten aan tafel, geestige puntdichten, gezang, vuurwerk, +hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik +betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den +gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op +den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de +goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen +helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander +geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft +laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade +maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, +en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke +eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract, +vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was, +kwam Gamacho. Te drommel! 't is, wijl de maag een prettig dier is, dat +vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, +en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, +hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in +dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn +leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men +toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te +heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een +burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg +geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld, +zwevend, lief, coquet, 't geen niet belette den degen op zijde te +hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der +eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men +vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig, +de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën +willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de +schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles +pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair +zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de +kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap, +die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge, +waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit +zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest +toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge +trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van +het geluk. 't Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis +moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet +koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haat een boersche bruiloft. Men +moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men +zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een +kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt +gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars +naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot het +burgerlijke der kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, +beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets +deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou +'t allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is +mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, +de bosch- en zeenimfen noodigen. 't Zou de bruiloft van Amphitrite +zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie +die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters +getrokken: + + + Triton trottait devant, et tirait de sa conque + Des sons si ravissants, qu'il ravissait quiconque! [11] + + +Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van." + +Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven +luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche +aanschouwing. + +Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke +bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid +aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend +teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen +levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern +trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal +honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop +was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de +kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden, +las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haar Ave, terwijl +men in een anderen hoek I love you lispte, en zag onduidelijk Marius +en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was. + +Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als +verdoofd, vreemd blijft aan 't geen men wereldsche zaken zou kunnen +noemen, en geen gevoel heeft van menschelijke gewaarwordingen, noch +van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden +misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot +zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in 't hoofd. Gij zijt +dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk. + +De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de +besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader +was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over +de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd +had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een +slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen +te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en +deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit +haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen +kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de +quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie +der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het +niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. 't Is +waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij +het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij +trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen +van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, +ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend +francs eenige achting schuldig, en 't was duidelijk, dat zij niet +anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, +wijl zij dit niet meer behoefden. + +Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou +wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de +fraaiste van het huis, geven. "Dit zal mij verjongen," verklaarde +hij. "'t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn +kamer bruiloft te houden." Hij meubileerde deze kamer met een menigte +kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met +een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks +gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze +zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van +Anville te Roche-Guyon. + +De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet, +dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door +de orde voorgeschreven. + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE UITWERKSELS VAN DEN DROOM OP HET GELUK. + + +De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer +Fauchelevent. "'t Is de verkeerde wereld," zei juffer Gillenormand, +"dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten +maken." Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte +aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du +Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier +oogen dan de matten stoelen in de straat de l'Homme-Armé, hadden +ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander, +maar onderhielden zich niet met elkander. 't Scheen, alsof dit +afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette +zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was +de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze +aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken, +uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken +toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te +zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius +kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan +allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk +bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over +uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer +Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van +taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer +Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld. + +Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer +Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms +twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een +opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke +ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg +zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien +ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien. + +Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en +verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men +meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij +was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een +treurigen blik in 't verleden doen slaan. De geest, die zich niet +naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu +en dan bracht Marius zijn hand aan 't hoofd, en het woelige en +onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen +lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van +het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op +zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire, +Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen +weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of +treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de +opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige +droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen +werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het +waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen +verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter +een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden +nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf. + +En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; +hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met +Cosette. 't Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij +er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren +de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze +wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan +dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder +dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen. + +De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen +wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der +barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo +ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden, +welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen +hadden. Overigens was, bij 't verschil van beider aard, geen vraag +van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs +niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen. + +Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge +eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen, +zijn minder zeldzaam dan men gelooft. + +Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de +Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende, +zeide hij: + +"Ge kent immers die straat?" + +"Welke straat?" + +"De Chanvreriestraat?" + +"Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat," antwoordde de +heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld. + +Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve +doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was. + +"Ik heb stellig gedroomd," dacht hij, "'t is een zinsbegoocheling +geweest. 't Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was +er niet." + + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +TWEE ONMOGELIJKE WEDER TE VINDEN MANNEN. + + +Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten +uit den geest van Marius. + +Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het +bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het +gebeurde onderzoeken. + +Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn +vader als voor zich zelven. + +Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer +Gillenormand gebracht had. + +Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij +meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat, +en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo +helder leven zou werpen. 't Was hem onmogelijk al die oude schuld in +het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging, +wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben. + +Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den +kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet, +behalve voor Marius. + +En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het +slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier +in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te +zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen. + +Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte +het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon +scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het +proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma, +de twee eenige overgeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren +weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke +onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs +niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere, +zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is +gevallen en men er de dreg in moet werpen. + +Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging +gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de +gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis +Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister +gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten +tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, +en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren +galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige +medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier, +het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit +vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp +op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast +een doodkist. + +Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke +Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong, +uit vrees van weder gevat te worden. + +Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered, +de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch +bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden, +die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du +Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op +bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op +de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool +"gestationneerd" had; dat tegen negen uren des avonds het hek van +het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een +man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de +schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden +man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, +op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; +dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; +dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer +Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij +"dezen keer" levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig +had plaats genomen, dat hij zijn paarden voortgezweept had, dat men +hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, +dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald +en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, +en hij verder niets wist; dat 't een donkere avond was geweest. + +Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde +hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, +toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister +voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn +bewustzijn herkregen. + +Hij verloor zich in gissingen. + +Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat +hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan +den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand +had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En +op welke wijze? Door het riool. 't Was een ongehoorde opoffering! + +Iemand? Wie? + +'t Was die man, welken Marius zocht. + +Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste +aanwijzing te vinden. + +Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie +voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár, +evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige +opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men +wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van +het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent +deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een +sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier +toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in +staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius +kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid +moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben. + +Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel. + +Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken +de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den +bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende +politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een +opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom +had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had +hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken +van leven aan Marius, die hem alles te danken had? De belangeloosheid +was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man +niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning +verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij +dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand +kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker +was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan +hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige +komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man +opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: +"De man zag er afschuwelijk uit!" + +In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken, +liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, +toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den +rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was. + +Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean +Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen, +welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De +koele houding van den heer "Fauchelevent" hinderde hem. + +Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had: + +"Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven +geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een +reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht +werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, +mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door +afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de +duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een +lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te +redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien +nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk +wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere +tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge, +mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste +belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de +zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden..." + +"Zij behooren u," viel Jean Valjean hem in de rede. + +"Welnu," hernam Marius, "dan zou ik ze geven om dien man weder +te vinden." + +Jean Valjean zweeg. + + + + + + + +BOEK VI. + +DE SLAPELOOZE NACHT. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE 16 FEBRUARI 1833. + + +De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende +nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. 't Was de +bruiloftsnacht van Marius en Cosette. + +'t Was een heerlijke dag geweest. + +'t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd +had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes +om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk +van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest. + +De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van +Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn +vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich +beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een +bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog +niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er +in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, +aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed +te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel +per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig +gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg +achter te laten. + +In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de +maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God +niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau +aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, +een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de +normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, +zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de +deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelsche nobility, +op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels +en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later +Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den +toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen +en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden; +maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen. + +Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop. + +Men verbeeldde zich nog in dien tijd, 't was zonderling, dat +een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een +patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de +vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het +eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee +levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, +en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe. + +En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen. + +Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten +huize van den heer Gillenormand gevierd. + +Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken +de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de +kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari +niet gereed zijn. + +Nu was het,--wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer +nauwkeurigheid,--op den 16den Vastenavond. Hier door ontstond een +aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand. + +"Vastenavond!" riep de grootvader, "des te beter. Er is een spreuk +die zegt: + + + Hij, die op Vastenavond trouwt. + Is wis dat hem zijn keus niet rouwt. + + +"Dus bepaald! 't Zal den 16den zijn. Zoudt gij 't willen uitstellen, +Marius?" + +"Zeker niet," antwoordde de gelukkige. + +"Trouwen wij dus!" hernam de grootvader. + +Het huwelijk werd dus den 16den voltrokken, niettegenstaande de +openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is +steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien, +zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan. + +Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van +den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend +francs ter hand gesteld. + +Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer +eenvoudig waren. + +Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette +had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven. + +Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem +gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen, +dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken. + +Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean +Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand +geklemd. 't Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee +bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij +had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, 't geen hem +belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende +voogd in zijn plaats getreden. + +Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk +voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het +drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat +steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door +den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des +Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had. + +Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis +opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten, +zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was, +rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg +nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der +genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte +van rijtuigen zou zijn. "Waarom?" vroeg Gillenormand.--"Uithoofde +der gemaskerden."--"Des te beter," zei de grootvader. "Nemen wij dien +weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het +gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden." + +Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en +tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, +die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde +in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat +des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de +Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine +een eindelooze keten vormden. + +Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen, de +Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en +dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs +zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten +niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is, +bestaat er geen karnaval meer. + +Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van +nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren +vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel +aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen, +die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen, +streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in +zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten +hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich +in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, +dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen +rolde de een naar Chaussée d'Antin, de andere naar de voorstad +St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche +pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het +midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten, +onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij +deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met +groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een +spotnaam van het gepeupel, voorbij. + +In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden +draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en +grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen, +zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine +wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid +deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als +openbare ambtenaars. + +Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang +der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was +ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand +te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging. + +De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van +den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter +hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik +oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van +den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op +dit punt was een rijtuig met gemaskerden. + +Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij +de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten +ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: "daar +schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie +plaats hebben." Een hoop Cassandra's, Harlekijns en Colombines, +die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken, +alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman, +Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de +ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes +de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken, +driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen +de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote +schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een +chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier +gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid. + +Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig +van Vadé noodig. + +Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën, +die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en +grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met +wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve +naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte +lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd. + +De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten +tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI +verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch +voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten +deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud +rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in +woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes +is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, +op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met +kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen +zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het +hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van +vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten +er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der +vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading +ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is +in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, +brult, vloekt en dartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt, +de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee +knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen. + +Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad +verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den +Parijzenaars het karnaval te bewijzen. + +Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen +den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men +raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen +de publieke mannen en de publieke vrouwen. + +Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst +hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, +het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot +cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk +op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken +levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, +die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit +alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest +zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige +hydra's der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar +wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren +worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach +van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende +feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft, +evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het +volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer +zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek +betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid +comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,--wanneer het meesters +heeft--slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het +beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder. + +Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste +groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, +ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet +ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden +waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was. + +"Kijk!" zei een gemaskerde, "een bruiloft." + +"Een valsche bruiloft," hernam een ander. "Wij zijn de echte." + +En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen, en bovendien +vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen +de twee gemaskerden naar een andere zijde. + +Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in 't nauw; +het volk hoonde en beschimpte het; 't geen de liefkoozing der menigte +jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden, +moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en +hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen, +om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen +de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van +scheldwoorden en uitjouwingen. + +Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig, +een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten +zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met +een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, +en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan +'t schelden waren. + +Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De +regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is +niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude +bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard. + +Ziehier de samenspraak: + +"Zeg eens." + +"Wat, vader?" + +"Ziet ge dien oude?" + +"Welken oude?" + +"Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde." + +"Wiens arm in een zwarten doek hangt." + +"Ja." + +"Nu?" + +"Ik ben zeker, dat ik hem ken." + +"Zoo!" + +"Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet +meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken." + +"Vandaag is Parijs Pantin." + +"Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?" + +"Neen." + +"En den bruidegom?" + +"Er is geen bruidegom in de koets." + +"Och!" + +"Of 't moest de andere oude zijn." + +"Buk u en tracht de bruid te zien." + +"Ik kan niet." + +"Om 't even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben +er zeker van." + +"Wat kan 't u schelen, of ge hem kent?" + +"Men weet niet. Soms!" + +"Ik, ik heb niets met den oude te maken." + +"Ik ken hem." + +"Ge moogt hem kennen." + +"Hoe drommel is hij bij de bruiloft?" + +"Wij zijn er immers ook bij." + +"Vanwaar komt die bruiloft?" + +"Weet ik het?" + +"Luister." + +"Wat?" + +"Doe iets." + +"Wat?" + +"Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft." + +"Waarom?" + +"Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit, +meisje, ge zijt jong." + +"Ik kan het rijtuig niet verlaten." + +"Waarom?" + +"Ik ben gehuurd." + +"Te drommel!" + +"De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd." + +"'t Is waar." + +"Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die +mij ziet. Ge weet." + +"Ja, ik weet." + +"Vandaag ben ik door de regeering gehuurd." + +"Om 't even. Die oude verveelt mij." + +"Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje." + +"Hij zit in het eerste rijtuig." + +"Nu?" + +"In de koets der bruid." + +"Verder?" + +"Hij is dus de vader." + +"Wat raakt het mij?" + +"Ik zeg u, dat hij de vader is." + +"De vader moet er immers bij zijn." + +"Luister." + +"Wat?" + +"Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men +weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geen gemaskerden meer. 't +Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn +hol kruipen. Gij, gij zijt vrij." + +"Niet te veel" + +"Altijd meer dan ik." + +"Nu, verder." + +"Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is." + +"Waarheen zij gaat?" + +"Ja." + +"Ik weet het." + +"Waarheen dan?" + +"Naar de Cadran Bleu." + +"Zij gaat niet in die richting." + +"Nu, dan naar la Rapée." + +"Of elders." + +"Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij." + +"Dat is 't allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke +bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt." + +"Nog meer! 't Zal grappig wezen. 't Is even gemakkelijk om een bruiloft +weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is +gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?" + +"Om 't even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?" + +De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den +boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig +met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +JEAN VALJEAN DRAAGT STEEDS DEN ARM IN EEN LICHTER. + + +Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten +in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat +wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius +waren gekozen. + +Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw +Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed. + +Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een +sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van +oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij +was een uitstekende bescheidenheid, die in helderheid straalde en er +zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd. + +Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder +de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade. + +De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en +manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde +Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn +arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven. + +Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend. + +"'t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent," zei de +grootvader. "Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde +nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik +beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, 't +is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen +zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed +is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal +gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu +begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke +meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is +al wat ik wensch." + +Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor +den priester alle mogelijke "ja's" te hebben uitgesproken, na op de +registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun +ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den +walm van het wierookvat geknield te hebben,--zij aan elkanders arm, +door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit, +voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn +hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte +toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed +om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette +het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan; +'t scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere +houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren +namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer +Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand +was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. "Kinderen," zei +de grootvader, "nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones, +met dertig duizend francs inkomen." En Cosette drong zich dicht tegen +Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: "'t Is dan waar, +ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!" + +Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet +wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en +van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen +waren zij geen veertig jaren oud. 't Was een verhemeld huwelijk; +deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een +stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en +in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen +op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht +voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den +kus en den droom, het bruidsbed. + +Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug +in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid, +de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen +en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog +bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden +waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden +te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De +lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart. + +In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij +Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij +zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De +vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius. + +Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en +werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich, +om te raden. 't Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording, +op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer +beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de +voorbijgangers mede. + +Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan, +om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen. + +Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du +Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde +de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De +armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden, +zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig +dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het +oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen +hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glans +der opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes +bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de +kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende, +werd rood tot in het wit harer oogen. + +Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men +verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de +barones te noemen. + +De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres +gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef +Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet. + +Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden +gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere. + +"Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven," +zeide vader Gillenormand bij zich zelven. + +Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was +geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in +zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en +liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij. + +Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug +van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes. + +In de eetzaal was de tafel gedekt. + +Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote +vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij +willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen +duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken. + +De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden, +boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen +lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en +groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon +waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles, +spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver, +blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen +de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden +licht en bloemen elkander afwisselden. + +In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen +kwartetten van Haydn. + +Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter +de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór +men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in, +eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiging hield met beide handen +haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik: + +"Zijt gij tevreden, vader?" + +"Ja," zei Jean Valjean, "ik ben tevreden." + +"Welnu, lach dan." + +Jean Valjean lachte. + +Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed +was. + +De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den +arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde +orde aan tafel. + +Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde +van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean +Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig. + +Men zocht met den blik "mijnheer Fauchelevent". + +Hij was er niet meer. + +De heer Gillenormand riep tot Basque: + +"Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?" + +"Mijnheer," antwoordde Basque, "zooeven heeft mijnheer Fauchelevent +mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn +deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon +dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou +komen. Hij is juist heengegaan." + +Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het +bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter +de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij +verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed +te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel +beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één +duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius +waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot +niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer +Gillenormand iets in den zin. "Drommels!" zeide hij, "deze stoel is +ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht +op u heeft, zal 't u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal 't +aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata." De geheele tafel juichte +toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles +ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans +afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de +plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette +haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius. + +Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten, +en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene +tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken. + +Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas +Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en +negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het +jonge paar. + +"Ge komt er niet af zonder twee preeken," riep hij. "Van ochtend +hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den +grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik +zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel +afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan +de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg: +Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest +razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen +doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken +rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood +zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met +elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees +voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men +elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men +te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg +met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en +jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat +wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat +ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? 't Is de +liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de +almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is +dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw, +geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen +voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? 't Is het +koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke +schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een +wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer; +er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie +heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken; +'t is gedaan, 't is verbrijzeld, 't ligt ter aarde, er is geen schepter +meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden, +geborduurden zakdoek? Ik zou 't wel eens willen zien! Beproeft +het. Waarom is hij hecht? Omdat 't een lap is. Ha! gij zijt de +negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even +dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt, +wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe 't ook zij, +men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te +ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der +vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen; +wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft +in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust +brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van +den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge +razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier +onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen, +schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op; +op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed +gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor +elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij +'t niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk, +die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu, +'t is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men +jong is. Verbeeldt u niet, dat gij 't uitgevonden hebt. Ook ik heb +gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De +liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op +een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert +zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel, +die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de +vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel +hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche +paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is +splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge +Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander +zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius +voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot +het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen +voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede +lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het +hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt +het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik +zeg. 't Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert +elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om +God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijn +catechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV +plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit +verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt, +dat ik oud ben; 't is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in +het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze +kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij +dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. 't +Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft +geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn, +van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn +vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken; +dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen +tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke +vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O, +ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen +liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat +mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen +wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de +vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt +den zegen van den ouden man." + +De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles +beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en +ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men +danste een weinig, men lachte veel, 't was een prettige bruiloft; +men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er +trouwens in den persoon van vader Gillenormand. + +Eerst was er rumoer, toen stilte. + +Het huwelijkspaar verdween. + +Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel. + +Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een +glimlachende engel met den vinger op den mond. + +De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde +gevierd wordt. + +Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten, +moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis +min of meer verdrijven. 't Kan niet anders, of dit heilig feest +moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde +is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten; +daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke +drieëenheid. + +De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde +is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij. + +Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets +meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te +vinden. Beminnen is een voleindiging. + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE ONAFSCHEIDBARE. + + +Wat was er van Jean Valjean geworden? + +Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg +niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt +naar de voorkamer gegaan. 't Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden +geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen +hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk +was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé, +waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek, +witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden +worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had +hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te +verontschuldigen, waarop hij was heengegaan. + +De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende +vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis +staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij +hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel +en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit +vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette. + +Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar +de straat de l'Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat +Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; 't was een omweg, maar +sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het +slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks +te nemen als hij met Cosette uit de straat de l'Homme-Armé naar de +straat des Filles du Calvaire ging. + +Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere. + +Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De +kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaint was er niet meer. De treden +van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al +de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen +lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan, +lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker +tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke +voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven +slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van +vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van +Jean Valjean. + +Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van +de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette +de kaars op een tafel. + +Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand +alsof er hem niets aan deerde. + +Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich--was het toevallig +of opzettelijk?--op de "onafscheidbare," waarop Cosette zoo jaloersch +was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den +4 Juni in de straat de l'Homme-Armé was gekomen, had hij het op een +kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit +kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje. + +Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien +jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het +kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe +kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, +zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den +gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen +kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het +fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat +alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil +gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het +bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een +zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar +armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean +Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar +dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn +geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed +en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette +en hij waren 't met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige +gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels, +aan den betrokken hemel; om 't even, het was bekoorlijk. Hij legde +de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de +kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, +en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, +had haar groote pop in den arm, en haar louisd'or in het zakje van +dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende +wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem. + +Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns +hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen +verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan, +zou hij een heftig gesnik gehoord hebben. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +IMMORTALE JECUR. + + +De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende +gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts +één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean +in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er +mede worstelend. + +Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de +bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, +hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke +waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door +het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit +onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken, +hem met geweld verlicht, wanneer hij blind wenschte te zijn. Hoe +dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots +zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof +gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten +onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, +na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd +geweten zich in 't oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe +dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn +van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke +doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe +dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht, +met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich +overwinnaar voelende! En na hem verlamd, gewond, gebroken te hebben, +zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: +Ga nu in vrede! + +Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd! + +Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten +strijd streed. + +Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet +altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den +gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten, +onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean +Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer +viersprongen. + +Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade +elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal, +zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, +openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere +afschrikkend. Welken te kiezen? + +De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen, +dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten. + +Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de +aanlokkende hinderlaag. + +'t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet. 't Is iets +schrikkelijks, een ongeneeslijk lot. + +De vraag, welke zich voordeed, was deze: + +Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van +Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt; +hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, +kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner +fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok. + +Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs +rijkdom. En dit was zijn werk. + +Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was, +nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen, +alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander; +maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan +behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot +hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou +hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te +zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar +vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten +haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in +zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die de onteerende +schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van +den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en +Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de +wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou +hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige +wezens, de akelige stomme van hun lot zijn? + +Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen +te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke +naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter +dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx. + +Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den +sphinx strak in de oogen. + +Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden. + +Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen +schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of +het loslaten? + +Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder +op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar +druipen--hij was gered, hij leefde! + +Zoo hij losliet? + +Dan de afgrond! + +Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd: +hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, +dan zijn overtuiging aan. + +'t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit +verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak +een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras +dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; +hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was, +wrong hij in vertwijfeling de handen. + +Hij voelde zich tegengehouden. + +Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht +en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal +terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de +hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk +is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst? + +Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt? + +Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst! + +Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan, +Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God +is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelen levens, men werpt +er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn +vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog +meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen. + +Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert? + +Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens +niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken, +dat zij zeiden: 't is genoeg! + +De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving +beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de +eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering +geëischt kunnen worden? + +De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak +Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat +is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen? + +O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap, +hoe somber! + +Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden? + +Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. 't Is een +heiligmakende foltering. Men kan er in 't eerste uur in toestemmen; +men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn +hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren +kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden, +is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt +en men van de foltering afziet? + +Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid. + +Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der +geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade. + +Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno +bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds +Cosette opofferen, anderzijds zich zelven. + +Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was, +in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar +verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke +zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij +tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste +ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe? + +Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht. + +Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed, +verslagen, misschien verpletterd, helaas! onder de zwaarte van het lot, +met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen +gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef +hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd +van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij +was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde +kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem +zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden; +maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes +kleederen drukkende, kuste hij ze;--toen zag men dat hij leefde. + +Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr? + +De Men, die in de duisternis is. + + + + + + + +BOEK VII. + +DE LAATSTE TEUG UIT DEN BEKER. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE ZEVENDE CIRKEL EN DE ACHTSTE HEMEL. + + +De dag na de bruiloft is stil. Men eerbiedigt de overwegingen der +gelukkigen; ook een weinig hun laten slaap. Het rumoer der bezoeken +en gelukwenschen begint eerst later weder. Het was op den ochtend +van den 17 Februari een weinig over het middaguur, toen Basque, die +met een doek en den stoffer onder den arm, bezig was "de voorkamer +te doen", zacht aan de deur hoorde tikken. Men had niet gescheld, +'t geen op zulk een dag fatsoenlijk is. Basque opende en zag mijnheer +Fauchelevent. Hij voerde hem in het salon, waarin nog alles overhoop +lag en die het slagveld der vreugden van den vorigen dag geleek. + +"Drommels! mijnheer," merkte Basque op, "wij zijn laat opgestaan." + +"Is uw meester bij de hand?" vroeg Jean Valjean. + +"Hoe gaat het met den arm van mijnheer?" antwoordde Basque. + +"Beter. Is uw meester bij de hand?" + +"Welke? de oude of de nieuwe?" + +"Mijnheer Pontmercy." + +"Mijnheer de baron?" verbeterde Basque het hoofd oprichtende. Men is +vooral voor zijn dienstboden baron. Daar komt hun iets van toe; zij +bezitten hetgeen een philosoof de bespotting van den titel zou noemen, +en dat streelt hen. Marius, dit moet in 't voorbijgaan gezegd worden, +een heftig republikein, zooals hij bewezen had, was nu tegen wil en +dank baron. Door dien titel was in de familie een kleine revolutie +ontstaan. Thans was het de heer Gillenormand die er aan hechtte, +en Marius die er onverschillig voor was. Maar kolonel Pontmercy had +geschreven: "Mijn zoon zal mijn titel voeren." Marius gehoorzaamde. En +Cosette, in wie de vrouw begon te voorschijn te komen, was gestreeld +barones te zijn. + +"Mijnheer de baron?" herhaalde Basque. "Ik zal eens zien. Ik zal hem +zeggen, dat mijnheer Fauchelevent er is." + +"Neen, zeg hem niet, dat ik het ben. Zeg hem, dat iemand hem eens +afzonderlijk wenscht te spreken, maar noem geen naam." + +"Zoo," zei Basque. + +"Ik wil hem een verrassing bezorgen." + +"Zoo!" hernam Basque, zich zelven door zijn tweede "zoo" zijn eerste +verklarende. + +En hij verwijderde zich. + +Jean Valjean bleef alleen. + +Het salon was, gelijk wij gezegd hebben, geheel in wanorde. Het +scheen, dat men er noch flauw het gerucht der bruiloft hoorde. Op +den vloer lagen allerlei bloemen, die uit de kransen en de kapsels +gevallen waren. De geheel afgebrande waskaarsen vormden een soort +van druipsteen aan het kristal der lichtkronen. Geen meubel stond +op zijn plaats. Drie of vier stoelen in een hoek dicht bijeenstaande +schenen een gesprek voort te zetten. Het was een aangenaam geheel. Er +is nog iets bevalligs in een afgeloopen feest. 't Is zoo gelukkig +geweest. Op deze verspreide stoelen, onder deze verlepte bloemen, +onder deze uitgebrande lichten heeft men blijdschap genoten. De zon +volgde de lichtkroon op en trad vroolijk het salon binnen. + +Eenige minuten verstreken. Jean Valjean stond bewegingloos op de plek +waar Basque hem verlaten had. Hij was zeer bleek. + +Zijn oogen waren dof en zoo hol, ten gevolge der slapeloosheid, dat +zij schier in hun kassen verdwenen. Zijn zwarte rok had de scherpe +kreuken van een kleedingstuk, dat des nachts niet van het lijf is +geweest. De ellebogen waren donsachtig wit, door de wrijving van het +linnen met het laken. Jean Valjean zag aan zijn voeten het venster, +door de zon op den vloer afgeteekend. + +Een gerucht ontstond aan de deur, hij sloeg de oogen op. + +Marius trad binnen met opgericht hoofd, glimlachenden mond, met een +onbeschrijfelijken glans op het gelaat, en zegevierenden blik. Ook +hij had niet geslapen. + +"Gij hier, vader!" riep hij, Jean Valjean ziende; "die domme Basque zag +zoo geheimzinnig! Maar ge komt te vroeg. 't Is eerst half een. Cosette +slaapt nog." + +Het woord "vader", waarmede Marius Fauchelevent noemde, beteekende: +Hoogste zaligheid. Tusschen beiden, gelijk men weet, had steeds +stijfheid, koelheid en dwang bestaan; het ijs moest gebroken worden of +smelten. Thans was Marius in die soort van bedwelming, dat de strakheid +buigzamer werd, dat het ijs smolt, en dat de heer Fauchelevent voor +hem evenals voor Cosette een vader was. + +Hij ging voort; de woorden vloeiden hem uit den mond, 't geen aan de +hemelsche opgetogenheid der vreugd eigen is. + +"Hoe verblijd ben ik u te zien! Zoo ge wist, hoe gij hier gisteren +ontbroken hebt. Goeden dag, vader; hoe gaat het met uw hand? Beter, +niet waar?" + +En voldaan met het gunstig antwoord dat hij zich zelven gaf, +vervolgde hij: + +"Wij hebben veel over u gesproken, Cosette en ik. Cosette bemint u +zoozeer! Vergeet niet, dat ge hier uw kamer hebt. Wij willen niets +meer van de straat de l'Homme-Armé weten. Hoe kondt ge toch in die +straat gaan wonen, die ongezond, somber, koud, leelijk is, en die +geen uitgang heeft? Gij moet hier uw intrek komen nemen. En wel van +heden af. Of ge zult met Cosette te doen hebben. Zij stelt zich voor, +ons allen onder den duim te krijgen; dit zeg ik u vooraf. Ge hebt +uw kamer gezien, zij is dicht bij de onze en ziet op den tuin uit; +men heeft het slot doen herstellen; het bed is gespreid en gereed, +ge behoeft slechts te komen. Cosette heeft bij uw bed een groote +oude bergère geplaatst en tot haar gezegd: Steek hem uw armen toe. In +het acaciaboschje voor uw venster komt elke lente een nachtegaal. Ge +zult hem binnen twee maanden zien. Zijn nestje zal aan uw linkerhand, +het onze aan uw rechterhand, zijn. Des nachts zal hij zingen en over +dag zal Cosette praten. Uw kamer ligt op het zuiden. Cosette zal er +uw boeken plaatsen, uw reis van kapitein Cook en de andere, die van +Vancouver, al uw zaken. Ik geloof, dat ge een klein koffertje hebt, +waaraan ge veel waarde hecht; daarvoor heb ik een eereplaats gereed +gemaakt. Ge hebt mijn grootvader geheel voor u gewonnen; hij houdt van +u. Wij zullen te zamen wonen. Kunt ge whisten? Gij zult mijn grootvader +geheel innemen, zoo ge whisten kunt. Ge zult met Cosette gaan wandelen, +op de dagen dat ik in het Paleis van Justitie moet zijn, ge zult haar +den arm geven, evenals vroeger in het Luxembourg, ge weet nog wel. Wij +hebben vast besloten heel gelukkig te zijn. En gij zult in ons geluk +deelen, hoort ge, vader. Nu, heden ontbijt ge met ons, niet waar?" + +"Mijnheer," zei Jean Valjean, "ik moet u iets zeggen. Ik ben een +oude galeiboef." + +De grens der hoorbare scherpe klanken kan misschien evenzeer voor +den geest als voor het oor overschreden worden. Deze woorden: +"Ik ben een oude galeiboef" die uit den mond van Fauchelevent in +'t oor van Marius drongen, overtroffen het mogelijke. Marius hoorde +niet. 't Scheen dat hem iets gezegd was, maar hij wist niet wat. Hij +bleef met open mond staan. + +Toen bespeurde hij, dat de man, die tot hem sprak, er verschrikkelijk +uitzag. Tot op dezen oogenblik had hij, in de bedwelming zijner vreugd, +deze vreeselijke bleekheid niet opgemerkt. + +Jean Valjean maakte den zwarten doek, waarin zijn rechterarm lag, +open, nam het linnen, dat om zijn hand was gewikkeld, weg, en liet +zijn blooten duim aan Marius zien. + +"Mijn hand deert niets," zeide hij. + +Marius bezag den duim. + +"Ik heb er nooit iets aan gehad," hernam Jean Valjean. + +Er was inderdaad geen spoor van eenige wonde te zien. + +Jean Valjean hernam: + +"Ik mocht niet bij uw huwelijk tegenwoordig zijn. Ik heb mij zooveel +afwezig gehouden als mij mogelijk was. Ik heb deze wond voorgewend, +om geen valschheid te verrichten, om de trouw-acte niet van nul en +geener waarde te doen zijn, om niet te behoeven te onderteekenen." + +Marius stamelde: + +"Wat wilt ge zeggen?" + +"Ik wil zeggen," antwoordde Jean Valjean, "dat ik op de galeien +ben geweest." + +"Gij maakt mij krankzinnig!" riep Marius verschrikt. + +"Mijnheer Pontmercy," zei Jean Valjean, "ik ben negentien jaren op de +galeien geweest. Wegens diefstal. Vervolgens ben ik tot altoosdurende +galeistraf veroordeeld. Wegens diefstal. Wegens herhaling van +misdaad. Op dit oogenblik ben ik een wederspannige aan de wet, iemand, +die zijn ban verbroken heeft." + +Wat Marius deed om voor de werkelijkheid terug te deinzen, het feit +niet aan te nemen, zich tegen de waarheid te verzetten, hij moest +er zich aan onderwerpen. Hij begon te begrijpen, en zooals 't in +dergelijke gevallen meestal gebeurt, hij ging hierin te ver. Hij +rilde als voor een schrikkelijken inwendigen bliksem; een denkbeeld, +dat hem deed sidderen, schoot door zijn geest. Hij zag zijn eigen +lot in de toekomst verwoest. + +"Spreek, zeg alles!" riep hij, "gij zijt Cosettes vader." + +En met een onbeschrijfelijke beweging van afschuw trad hij twee +schreden achteruit. + +Jean Valjean richtte het hoofd op, met zulk een majestueuse houding, +dat hij aan de zoldering scheen te reiken. + +"'t Is noodzakelijk, dat ge mij hierin gelooft, mijnheer; hoewel +de eed, dien ik en mijnsgelijken doen, bij de justitie niet van +kracht is." + +Hier hield hij een oogenblik stil; toen vervolgde hij op een +gebiedenden, somberen toon, langzaam op ieder woord drukkende: + +"Gij moet mij gelooven. Ik de vader van Cosette! bij God, neen. Ik ben +een boer van Faverolles, mijnheer de baron Pontmercy! Ik verdiende +den kost met boomsnoeien. Ik heet niet Fauchelevent, ik heet Jean +Valjean. Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Wees gerust." + +Marius stamelde: + +"Wat bewijst mij?..." + +"Ik; wijl ik 't u zeg." + +Marius staarde den man aan! Hij was somber en kalm. Geen logen kon uit +zulk een kalmte komen. Het koele is oprecht. Men voelde de waarheid +in deze kilheid des grafs. + +"Ik geloof u," zei Marius. + +Jean Valjean boog het hoofd als om hiervan acte te nemen, en hernam: + +"Wat ben ik voor Cosette? Iemand, die haar toevallig ontmoette. Tien +jaren geleden, wist ik niet, dat zij bestond. Ik bemin haar, 't is +waar. Men bemint een kind, dat men klein heeft gezien, terwijl men +zelf reeds oud was. Als men oud is, gevoelt men zich een grootvader van +alle kleine kinderen. Mij dunkt, dat ge wel zult gelooven, dat ik zoo +iets als een hart heb. Zij was een weeze. Zonder ouders. Zij had mij +noodig. Dat is de reden, waarom ik haar begon te beminnen. Kinderen +zijn zoo zwak, dat de eerste de beste, zelfs een man als ik, hun +beschermer kan zijn. Ik heb dien plicht jegens Cosette vervuld. Ik +geloof niet, dat men iets zoo gerings inderdaad een goede daad kan +noemen; zoo het echter een goede daad is, reken dan dat ik ze verricht +heb. Breng deze verzachtende omstandigheid in rekening. Thans verlaat +Cosette mijn leven, onze twee wegen scheiden. Voortaan kan ik niets +meer voor haar zijn. Zij is mevrouw Pontmercy. Haar bestemming is +veranderd. En Cosette wint bij deze verandering. Alles is goed. Gij +spreekt niet van de zesmaal honderd duizend francs, maar ik zal uw +gedachte hierin voorkomen; 't zijn in bewaring gegeven gelden. 't Is +onverschillig hoe zij in mijn bezit zijn gekomen! Ik geef ze terug. Men +heeft niets meer van mij te vorderen. Ik maak de teruggave volledig, +door mijn waren naam te zeggen. Ook dit is mijn zaak. Ik ben er op +gesteld, dat ge weet, wie ik ben." + +En Jean Valjean zag Marius strak in het gezicht. + +Al wat Marius gevoelde, was verward en onsamenhangend. Sommige vlagen +van het lot veroorzaken zulke verbijsteringen in onze ziel. + +Wij allen hebben zulke oogenblikken van verbijstering gehad, die +ons in verwarring brengen; wij zeggen, wat het eerst in ons opkomt, +'t geen juist niet altijd datgene is, wat wij wilden zeggen. Er zijn +plotselinge openbaringen, die men niet bedwingen kan en die bedwelmen +als een heillooze wijn. Marius was zoodanig verstomd door den nieuwen +toestand, die voor hem verrees, dat hij tot dien man sprak alsof hij +schier boos over deze bekentenis was. + +"Maar," riep hij, "waarom zegt ge mij dit alles toch? Wat dwingt er u +toe? Ge kondt uw geheim voor u zelven behouden. Ge zijt noch verraden, +noch wordt vervolgd, noch is er u om gevraagd. Ge moet een reden +hebben om uit vrijen lust zulk een openbaring te doen. Spreek. Er +schuilt iets achter. Waarom doet ge deze bekentenis? Om welke reden?" + +"Om welke reden?" antwoordde Jean Valjean, met zulk een zachte, +gesmoorde stem, dat het veeleer was, alsof hij tot zich zelven, dan +tot Marius sprak. "Inderdaad, om welke reden zegt deze tuchteling: +ik ben een galeiboef? Ja, voorwaar de reden is zonderling. 't Is uit +eerlijkheid. Zie, 't is ongelukkig, dat ik in mijn hart een draad +heb, die mij bindt. 't Is vooral wanneer men oud is, dat deze draden +sterk zijn. Het geheele leven om zich heen lost zich op; alleen die +draden blijven. Indien ik dien draad had kunnen uitrukken, breken, +den knoop losmaken of hem doorhakken, ver van hier gaan, ik ware gered +geweest, ik behoefde slechts te vertrekken; in de straat du Bouloy zijn +diligences; nu gij gelukkig zijt, ga ik heen. Ik heb gepoogd dien draad +te breken; ik heb er aan getrokken, maar hij wilde niet breken, en ik +rukte er mijn hart mede uit. Toen zeide ik: Ik kan niet elders leven +dan hier. Ik moet blijven. Nu ja, gij hebt gelijk, ik ben een dwaas, +waarom ben ik niet eenvoudig gebleven zooals ik was? Gij biedt mij een +kamer in het huis aan; mevrouw Pontmercy bemint mij. Zij zegt tot dien +armstoel: steek hem uw armen toe; uw grootvader wenscht niets liever, +dan mij bij zich te hebben; ik pas voor hem; wij zullen samen wonen, +gemeenschappelijk eten, ik zal aan Cosette den arm geven--aan mevrouw +Pontmercy, verschoon mij, 't is de gewoonte.--Wij zullen slechts één +dak, één tafel, één vuur hebben; hetzelfde hoekje van den haard des +winters, dezelfde wandeling des zomers; dat is vreugd, dat is geluk, +dat is alles. Wij zullen één familie uitmaken. Samen leven!" + +Bij deze woorden werd Jean Valjean woest. Hij kruiste zijn armen +op de borst, zag naar den vloer aan zijn voeten, als had hij er een +afgrond in willen boren, en zijn stem werd eensklaps heftig: + +"Een familie! neen. Ik behoor tot geen familie. Ik behoor niet +tot de uwe. Ik behoor niet tot die der menschen. In de huizen, +waar men in familie is, ben ik te veel. Er zijn familiën, maar niet +voor mij. Ik ben de ongelukkige, ik ben er buiten. Heb ik een vader, +een moeder gehad? Ik twijfel er schier aan. Den dag, dat ik dit kind +uithuwelijkte, was alles uit; ik heb haar gelukkig gezien met den +man, dien zij bemint, en dat in dit huis een goede grijsaard, een +gezin van twee engelen was, met allerlei geluk, en ik zeide tot mij: +Ga niet binnen, gij. Ik kon liegen, 't is waar, u allen bedriegen, +mijnheer Fauchelevent blijven. Zoo lang het haar gold, kon ik liegen, +maar nu zou het mij gelden, en ik mag niet. 't Is waar, dat ik slechts +behoefde te zwijgen, om alles hetzelfde te doen blijven. Ge vraagt mij +wat mij tot spreken dwingt? Iets wonderbaars; mijn geweten. Zwijgen +was mij echter zeer gemakkelijk. Ik heb den nacht doorgebracht met er +mij toe over te halen; gij neemt mij in verhoor, en 't geen ik zeg, +komt u zoo buitengewoon voor, dat ge er het recht toe hebt; nu, ja, ik +heb den nacht doorgebracht met mij te overreden; ik heb zeer krachtige +redenen aangewend, ik heb gedaan wat ik kon; ik verzeker 't u. Maar +er zijn twee zaken, waarin ik niet geslaagd ben; noch den draad te +breken die mij vast aan 't hart zit; noch iets tot zwijgen te brengen, +dat zacht tot mij spreekt, wanneer ik alleen ben. Daarom ben ik van +ochtend u dit alles komen bekennen. Alles of genoegzaam alles. 't +Is noodeloos u te zeggen, wat mij alleen betreft; ik behoud dit voor +mij. Het voornaamste weet ge. Ik heb dus mijn geheim genomen en het u +gebracht. Voor uwe oogen heb ik mijn geheim geopend. Dat besluit was +niet gemakkelijk te nemen. Den ganschen nacht heb ik geworsteld. O, +meent gij, dat ik niet tot mij zelven gezegd heb, dat dit niet de +zaak Champmathieu was, dat ik door mijn naam te verbergen niemand +benadeelde, dat mij de naam Fauchelevent door Fauchelevent zelven +was gegeven, uit dankbaarheid wegens een bewezen dienst, en dat ik +hem behouden kon; dat ik gelukkig zou zijn in deze kamer welke ge +mij aanbiedt, dat ik niemand zou hinderen in mijn hoekje, en dat, +terwijl gij Cosette bezat, ik mij zou verheugen in 't zelfde huis +met haar te zijn. Ieder zou in het geluk gedeeld hebben. Door steeds +mijnheer Fauchelevent te blijven, was alles terecht gekomen. Ja, +behalve mijne ziel. Overal in mij was vreugd, maar de bodem mijner +ziel bleef donker. 't Is niet genoeg, gelukkig te zijn; men moet +tevreden wezen. Dus zou ik mijnheer Fauchelevent zijn gebleven, ik +zou mijn waar gezicht verborgen hebben, tegenover uw geluk zou ik een +raadsel zijn geweest, te midden van uw licht zou ik duisternis hebben +geworpen; zonder u te waarschuwen, zou ik het bagno in uw huis hebben +gebracht; ik zou aan uw disch hebben plaats genomen, met de gedachte: +dat zoo ge wist wie ik was, gij mij wegjagen zoudt; ik zou mij door +dienstboden hebben laten bedienen, die, zoo zij 't geweten hadden, +gezegd zouden hebben: Welk een schandaal! Ik zou u onwillekeurig +hebben aangeraakt, ik zou uwe handdrukken gestolen hebben! In uw +huis zouden eerwaardige witte haren en geschandvlekte witte haren +gelijkelijk vereerd zijn; in de vertrouwelijkste oogenblikken, +wanneer men meent de harten tot in de diepste schuilhoeken voor +elkander te hebben opengelegd, wanneer wij met ons vieren te zamen +waren, uw grootvader, gij met uw beiden, en ik, zou er een onbekende +zijn geweest! Ik zou aan uw zijde uw leven hebben gedeeld, steeds +bezorgd het deksel van dien vreeselijken put op te lichten; ik, een +doode, zou mij aan u, levenden, hebben opgedrongen. Ik zou haar voor +altijd aan mijn lot gedoemd hebben. Gij, Cosette en ik zouden drie +hoofden onder een groene tuchtelingenmuts zijn geweest! Huivert gij +niet? Ik, die slechts de meest gebogen mensch ter wereld ben, zou +de afschuwelijkste zijn geworden. En deze misdaad zou ik elken dag +bedreven, dezen logen zou ik elken dag herhaald hebben! elken dag, +jegens u, mijn teedergeliefden; jegens u, mijn kinderen; jegens u, +onschuldigen! Is 't niet eenvoudig, het stilzwijgen te bewaren? Neen, +'t is niet eenvoudig. Er is een stilzwijgen dat liegt. En mijn leugen, +en mijn bedrog, en mijn schandelijkheid, en mijn laagheid, en mijn +verraad, en mijn misdaad, zou ik droppel voor droppel gedronken, +uitgespogen, weder gedronken hebben; ik zou te middernacht geëindigd, +des middags weder begonnen zijn, en mijn goeden avond zou gelogen, +mijn goeden morgen zou gelogen hebben; ik zou daarop geslapen, daarbij +mijn brood gegeten hebben; ik zou Cosette in het gezicht gezien en +den glimlach des engels met den glimlach van den doemeling beantwoord +hebben; ik zou een afschuwelijke bedrieger zijn geweest. Waarom? Om +gelukkig te zijn? Ik gelukkig zijn! Heb ik het recht gelukkig te +zijn? Ik ben buiten het leven, mijnheer!" + +Jean Valjean zweeg. Marius luisterde, zulk een schakel van gedachten en +angsten kan niet afgebroken worden. Jean Valjean sprak nu nog zachter, +maar 't was nu geen doffe, maar een akelige stem. + +"Gij vraagt, waarom ik spreek? gij zegt dat ik noch verraden, noch +vervolgd, noch tot spreken verplicht word. Ja, ik ben verraden; +ik ben vervolgd; ik ben tot spreken gedwongen! Door wien? door mij +zelven. Ik zelf sluit mij den weg, ik sleep, ik drijf mij voort, +ik sta stil en lever mij over en wanneer men zich zelven bestuurt, +wordt men goed bestuurd." + +En zijn eigen rok met volle vuist vattende en naar Marius uitstekende, +hernam hij: + +"Zie deze vuist. Vindt ge niet, dat zij dezen kraag houdt als om hem +niet weder los te laten? Welnu, het geweten is nog een andere vuist. Om +gelukkig te zijn, mijnheer, moet men den plicht niet begrijpen, want +zoodra men hem begrepen heeft, is hij onverbiddelijk. Men zou zeggen +dat hij dengene straft die hem begrijpt; maar neen; hij beloont hem +er voor; want hij brengt hem in een hel, waar men God naast zich +voelt. Men heeft zijn hart niet zoodra verbrijzeld, of men is in +vrede met zich zelven." + +En op onuitsprekelijken toon voegde hij er bij: "Mijnheer Pontmercy, +dit alles is dwaasheid, ik ben een eerlijk man. Door mij voor uw oogen +te vernederen, verhef ik mij in de mijne. 't Is mij reeds eens gebeurd, +maar het was minder smartelijk; 't was niets. Ja, een eerlijk man. Ik +zou het niet zijn, zoo gij, door mijn schuld, mij verder geacht hadt, +thans, nu ge mij veracht, ben ik het. Deze noodlottigheid rust op mij, +dat ik geene andere dan gestolen achting kan genieten, en deze achting +mij inwendig vernedert en drukt, en men mij moet verachten, opdat +ik mij zelven kunne achten. Dan verhef ik mij. Ik ben een galeiboef, +die zijn geweten gehoorzaamt. Ik weet dat dit niet bij elkander past, +maar wat kan ik er aan doen? 't Is zóó. Ik heb verbintenissen met mij +zelven aangegaan, en houd ze. Er zijn toestanden, die ons binden, +er zijn omstandigheden die plichten vorderen. Ik heb in mijn leven +veel ondervonden, mijnheer Pontmercy." + +Wederom zweeg Jean Valjean, zijn keel bevochtigende met een inspanning +als hadden zijn woorden een bitteren nasmaak, en hij hernam: + +"Wanneer zulk een afschuw op ons rust, heeft men het recht niet dien +aan anderen, zonder hun weten, mede te deelen; men heeft het recht +niet, hen met zijn pest te besmetten; men heeft het recht niet, hen +in zijn afgrond mede te sleepen, zonder dat zij 't weten; men heeft +het recht niet, hen zijn rood boevenbuis te laten dragen; men heeft +het recht niet, listig het geluk van anderen door zijn verworpenheid +te storen. Hen, die gezond zijn, te naderen, hen in de duisternis met +zijn ontzichtbare kwaal te besmetten, is afschuwelijk. Fauchelevent +moge mij zijn naam geleend hebben, ik heb het recht niet, er mij +van te bedienen; hij moge hem mij gegeven hebben, ik mag hem niet +aannemen. Een naam is een ik. Weet ge, mijnheer, ik heb een weinig +gedacht, een weinig gelezen, hoewel ik een gering mensch ben; en ge +ziet dat ik mij betamelijk weet uit te drukken. Ik geef mij rekenschap +van de dingen. Ik heb mij zelven opgevoed. Welnu, ja, 't is oneerlijk +zich van een naam meester te maken en er zich onder te verschuilen. De +letters van het alphabet kunnen evenzeer gestolen worden als een +geldbeurs of horloge. Een valsche handteekening in vleesch en been te +zijn, een levende valsche sleutel te zijn, om daarmede het slot van +eerlijke lieden te openen en alzoo bij hen binnen te sluipen, niet +recht voor zich uit te durven zien, maar steeds gluipend; inwendig +eerloos te zijn; neen! neen! neen! neen! Liever lijden, bloeden, +weenen, zich met de nagels het vel van het vleesch scheuren, de nachten +in foltering doorbrengen zich lichaam en ziel doorknagen. Daarom kom +ik u dit alles verhalen. Uit lust des harten, zooals gij zegt." + +Hij ademde moeielijk en voegde er nog bij: + +"Vroeger stal ik om in 't leven te blijven een brood; maar thans wil +ik niet om te leven een naam stelen." + +"Om te leven!" viel Marius hem in de rede. "Gij hebt dien naam niet +noodig om te leven?" + +"O, ik weet wat ik zeg," antwoordde Jean Valjean, langzaam het hoofd +opheffende en buigende. + +Er ontstond een pauze. Beiden zwegen, ieder verdiept in een afgrond +van gedachten. Marius had zich aan een tafel gezet en liet den hoek van +zijn mond op een zijner gebogen vingers rusten. Jean Valjean ging heen +en weder. Hij stond stil voor een spiegel en bleef bewegingloos. Toen, +als antwoordde hij op een inwendige redeneering, zeide hij, dien +spiegel beschouwende, waarin hij zich niet zag: + +"Terwijl ik nu verlicht ben!" + +Hij hervatte zijn wandeling en ging naar het andere einde der +kamer. Toen hij zich omkeerde, zag hij, dat Marius hem naoogde. Hij +zeide hem op een onuitsprekelijken toon: + +"Ik sleep een weinig met den voet. Gij begrijpt nu waarom." + +Toen, zich geheel tot Marius wendende: + +"Verbeeld u nu dit, mijnheer: Ik heb niets gezegd, ik ben mijnheer +Fauchelevent gebleven, ik heb bij u mijn intrek genomen, ik behoor +tot uw gezin, ik ben in mijn kamer, des ochtends kom ik in pantoffels +om te ontbijten, des avonds gaan wij alle drie naar den schouwburg; +ik vergezel mevrouw de Pontmercy naar de Tuilerieën en naar het +Koningsplein; wij zijn te zamen; gij meent dat ik uwsgelijke ben; +maar op een goeden ochtend ben ik er, gij zijt er, wij praten, lachen; +gij hoort een stem dezen naam roepen: Jean Valjean! en daar komt deze +vreeselijke hand, de politie, uit de schaduw en rukt mij eensklaps +mijn masker af." + +Wederom zweeg hij; Marius had zich bevend opgericht. Jean Valjean +hernam: + +"Wat zegt ge ervan?" + +De stilte van Marius antwoordde. + +Jean Valjean voer voort: + +"Ge ziet wel, dat ik gelijk heb niet te zwijgen. Luister, wees +gelukkig, wees in den hemel, wees de engel van een engel, wees in +het licht en stel u tevreden; bekommer u niet over de wijze hoe een +arme veroordeelde zijn borst openrijt en zijn plicht doet; ge hebt +een ellendig mensch voor u, mijnheer." + +Langzaam ging Marius door de kamer, en bij Jean Valjean gekomen reikte +hij hem de hand. + +Maar Marius moest de hand nemen, die zich niet aanbood. Jean Valjean +liet het toe en 't scheen Marius, alsof hij een steenen hand omvatte. + +"Mijn grootvader heeft vrienden," zei Marius; "ik zal uw gratie +verwerven." + +"Dit is onnoodig," antwoordde Jean Valjean. "Men gelooft, dat ik dood +ben; dat is genoeg. De dooden zijn aan de justitie ontheven. Men laat +hen rustig vergaan. De dood is zoogoed als gratie." + +En zijn hand, die Marius hield, losmakende, voegde hij er met een +onverbiddelijke waardigheid bij: + +"Overigens tracht ik mijn plicht te doen, en dit is de vriend tot wien +ik mij wend; ik heb slechts ééne gratie noodig, die van mijn geweten." + +Op dit oogenblik opende zich aan 't andere einde der kamer zacht de +deur en Cosette's hoofd verscheen er tusschen. Men zag alleen haar +lief gezicht; zij was bekoorlijk met haar nog ongekapt haar, en haar +oogleden waren nog gezwollen van den slaap; zij maakte de beweging +van een vogeltje, dat zijn kopje uit het nestje steekt, zag eerst +haar man, toen Jean Valjean aan en riep hun lachend toe--alsof men +een roosje zag glimlachen: + +"Ik wil wedden, dat ge politiseert, in plaats van bij mij te komen. 't +Is onverschoonlijk!" + +Jean Valjean ontroerde. + +"Cosette...." stamelde Marius en hij zweeg. Zij geleken twee +misdadigers. + +Cosette, van geluk schitterend, bleef beiden aanschouwen. In haar +oogen blonk iets als een hemelsche glans. + +"Ik betrap u op heeter daad," zei Cosette. "Ik heb door de deur vader +Fauchelevent hooren zeggen: "Het geweten...zijn plicht doen..." Dat +is politiek. Ik duld dit niet. Men mag niet reeds den volgenden dag +over politiek spreken. Dat is niet recht." + +"Ge vergist u, Cosette," antwoordde Marius. "Wij spreken over +zaken. Wij spreken over de beste wijze van belegging uwer zesmaal +honderd-duizend francs...." + +"Dat is het niet," viel Cosette hem in de rede. "Ik kom. Wil men mij +hier dulden?" + +En beraden trad zij door de deur de kamer binnen. Zij was gekleed in +een ruim wit ochtendkleed, met groote mouwen, dat van den hals tot de +voeten reikte. In de gouden hemelen der oude gothische schilderijen +ziet men zulke bekoorlijke zakken om een engel in te steken. + +Zij beschouwde zich van het hoofd tot de voeten in een grooten spiegel, +en riep toen met een uitbarsting van een onuitsprekelijke verrukking: + +"Er was eens een koning en een koningin. O, hoe verheugd ben ik." + +Dit gezegd hebbende, boog zij voor Marius en Jean Valjean. + +"Nu," zeide zij, "ga ik bij u op een stoel zitten; men ontbijt binnen +een half uur; gij moogt zeggen wat ge wilt; ik weet wel, dat de mannen +moeten spreken; ik zal stil zijn." + +Marius nam haar arm en zeide teeder: + +"Wij spreken over zaken." + +"Apropos," antwoordde Cosette; "ik heb mijn raam geopend, in den tuin +zijn een menigte musschen. 't Is vandaag Aschwoensdag; maar niet voor +de vogels." + +"Ik zeg u, dat wij over zaken spreken; ga Cosetje, laat ons een +oogenblik alleen. Wij spreken over cijfers. 't Zou u vervelen." + +"Ge hebt van morgen een fraaie das om, Marius. Ge zijt zeer coquet, +mijnheer. Neen, 't zal mij niet vervelen." + +"Ik verzeker u, dat 't u vervelen zal." + +"Neen, ge zijt er immers. Ik zal u niet begrijpen, maar naar u +luisteren. Wanneer men geliefde stemmen hoort, behoeft men de woorden +niet te begrijpen, welke zij spreken. Hier bij u te zijn, is al wat +ik wil. Ik blijf bij u!" + +"Ge zijt mijn zeer geliefde Cosette! Onmogelijk." + +"Onmogelijk!" + +"Ja." + +"Goed," hernam Cosette. "Ik zou u wat nieuws hebben verhaald. Ik zou +u gezegd hebben, dat grootvader nog slaapt, dat uw tante naar de mis +is, dat de schoorsteen in de kamer van vader Fauchelevent rookt, dat +Nicolette den schoorsteenveger heeft laten komen, dat vrouw Toussaint +en Nicolette reeds gekibbeld hebben, dat Nicolette om het stotteren +van Toussaint lacht. Nu zult ge niets weten. Ha! 't is onmogelijk? Ook +ik op mijn beurt, mijnheer, zal zeggen: 't is onmogelijk. Wie zal 't +meest verliezen? Ik bid u, Marius, laat mij hier bij u beiden blijven." + +"Ik verzeker u, dat wij alleen moeten zijn." + +"Nu, ben ik iemand?" + +Jean Valjean sprak geen woord, Cosette wendde zich tot hem. + +"Vooreerst wil ik, vadertje, dat ge mij komt omhelzen. Hoe is 't? gij +zegt niets, in plaats van mijn partij te trekken? Wie heeft mij zulk +een vader gegeven? Ge ziet immers wel, dat ik heel slecht gehuwd +ben. Mijn man slaat mij. Kom, omhels mij dadelijk." + +Jean Valjean naderde. + +Cosette wendde zich tot Marius: + +"U keer ik den rug toe." + +Toen bood zij Jean Valjean haar voorhoofd. + +Jean Valjean naderde haar een schrede. + +Cosette trad achteruit. + +"Ge zijt bleek, vader. Hebt ge pijn aan den arm?" + +"Hij is genezen," zei Jean Valjean. + +"Hebt ge slecht geslapen?" + +"Neen." + +"Zijt ge treurig?" + +"Neen." + +"Kus mij. Zoo ge wel zijt, zoo ge goed geslapen hebt, zoo ge tevreden +zijt, zal ik u niet beknorren." + +En opnieuw bood zij hem haar voorhoofd. + +Jean Valjean drukte een kus op dat voorhoofd, 't welk een hemelschen +glans had. + +"Glimlach." + +Jean Valjean gehoorzaamde. 't Was de glimlach van een spook. + +"Verdedig mij nu tegen mijn man." + +"Cosette!..." zei Marius. + +"Maak u boos, vader. Zeg hem, dat ik blijven moet. Men mag in mijn +tegenwoordigheid wel spreken. Gij vindt mij dus zoo dom. 't Is dan +iets zeer gewichtigs wat ge zegt; zaken, geldbelegging in een bank, +'t heeft wat te beteekenen! De mannen zijn geheimzinnig om niets. Ik +wil blijven. Ik ben van ochtend zoo mooi; zie mij toch aan Marius." + +En met een bekoorlijk schouderophalen en liefelijke spijtigheid zag +zij Marius aan. Iets als een weerlicht schoot tusschen beide wezens. 't +Was hun onverschillig of er iemand tegenwoordig was. + +"Ik bemin u!" zei Marius. + +"Ik aanbid u," zei Cosette. + +En onweerstaanbaar vielen zij in elkanders armen. + +"Nu," hernam Cosette, met een klein zegevierend gebaar, een vouw van +haar morgengewaad glad strijkende, "ik blijf." + +"Dat niet," antwoordde Marius op smeekenden toon, "wij hebben hier +iets te bespreken." + +"Wederom neen?" + +Marius nam een ernstigen toon aan: + +"Ik verzeker u, Cosette, dat het onmogelijk is." + +"Ha, ge neemt een mannenstem aan, mijnheer. Goed, men zal gaan. Gij, +vader, gij hebt mij niet geholpen. Mijnheer mijn echtgenoot, mijnheer +papa, gij zijt tirannen. Ik zal 't grootvader gaan zeggen. Zoo ge meent +dat ik zal terugkomen, vergist gij u. Ik ben trotsch. Thans verwacht ik +u. Ge zult zien dat gij u zonder mij zult vervelen. Ik ga, 't is goed!" + +Zij ging heen. + +Twee seconden later werd de deur weder geopend, haar frisch kopje +vertoonde zich weder tusschen de twee slagdeuren en zij riep hen toe: + +"Ik ben heel kwaad!" + +De deur ging weder dicht en opnieuw werd het donker. + +'t Was als een verdwaalde zonnestraal, die toevallig plotseling door +den nacht was geschoten. + +Marius vergewiste zich, dat de deur goed gesloten was. + +"Arme Cosette!" mompelde hij, "wanneer zij verneemt dat..." + +Bij deze woorden beefde Jean Valjean over al zijn leden. Hij richtte +een verwilderden blik op Marius. + +"Cosette! ach ja, 't is waar, ge zult het Cosette zeggen. 't Is +billijk. Zie, ik had er niet aan gedacht. Men heeft kracht tot het +eene, maar niet tot het andere. Ik bezweer u, mijnheer, geef mij uw +heiligst woord. Zeg het haar niet. Is 't niet genoeg, dat gij het +weet? Ik heb het met vrijen wil, zonder er toe gedwongen te zijn, +gezegd; ik zou 't aan de wereld, aan iedereen gezegd hebben; 't was +mij onverschillig. Maar zij, zij weet niet wat het is; 't zou haar +ontstellen. Een galeiboef, wat! men zou het haar moeten verklaren, +haar zeggen: 't is iemand die in het bagno is geweest. Eenmaal zag +zij een transport galeiboeven. Ach, mijn God!" + +Hij zonk op een stoel en bedekte zijn gezicht met beide handen. Men +hoorde hem niet, maar aan het trekken zijner schouders zag men dat +hij snikte, stille tranen, vreeselijke tranen. + +In het schreien ligt verstikking. Hij werd door een soort van +stuiptrekking bevangen, hij wierp zich achterover in den stoel als +om te ademen, liet zijn armen hangen en liet Marius zijn met tranen +besproeid gelaat zien, en Marius hoorde hem zoo zacht fluisteren, +als ware zijn stem in een grondelooze diepte geweest: + +"Ach! hoe wenschte ik dood te zijn!" + +"Wees bedaard," zeide Marius, "ik zal uw geheim voor mij alleen +behouden." + +En minder verteederd dan hij misschien had moeten zijn, maar sedert +een uur gedwongen zich met iets verschrikkelijks en onverwachts +gemeenzaam te maken, allengskens den galeiboef voor zijn oogen uit den +heer Fauchelevent te voorschijn ziende komen, allengskens beheerscht +door deze heillooze wezenlijkheid, en door den natuurlijken loop van +zaken er toe geleid de klove te erkennen, die zich tusschen dezen +man en hem gevormd had, voegde Marius er bij: + +"'t Is onmogelijk, u niet een woord te zeggen omtrent de gelden, welke +gij zoo trouw en eerlijk hebt overgeleverd. 't Is een daad van goede +trouw. 't Is billijk, dat u een vergoeding worde gegeven. Bepaal zelf +de som, zij zal u toegeteld worden. Vrees niet, ze te hoog te stellen." + +"Ik dank u, mijnheer," antwoordde Jean Valjean met zachtheid. + +Hij bleef een oogenblik in gepeins, wreef werktuiglijk zijn voorvinger +over den nagel van zijn duim, en zeide toen met verheffing van stem: + +"Alles is genoegzaam volbracht. Slechts één ding blijft nog over..." + +"Wat?" + +Jean Valjean scheen aan een laatste weifeling ter prooi, en schier +toonloos, buiten adem, hijgde hij meer dan hij sprak: + +"Thans nu ge alles weet, mijnheer, dunkt u, want gij zijt de meester, +dat ik Cosette niet mag wederzien?" + +"Ik geloof, dat dit het best ware," antwoordde Marius koel. + +"Ik zal haar niet meer zien," mompelde Jean Valjean. + +En hij trad naar de deur. + +Hij sloeg de hand aan den knop, de deur opende zich ten halve, Jean +Valjean kon er doorgaan, maar stond een oogenblik stil, sloot ze +weder en keerde tot Marius terug. + +Hij was niet meer bleek, maar lijkkleurig. Er waren geen tranen meer +in zijn oogen, maar er brandde een sombere vlam in. Zijn stem was +weder wonderbaar kalm geworden. + +"Luister, mijnheer," zeide hij, "zoo gij wilt, zal ik haar komen +bezoeken. Ik verzeker u, dat ik 't vurig wensch. Zoo ik Cosette niet +gaarne had willen wederzien, zou ik u de bekentenis niet hebben gedaan, +welke gij gehoord hebt; ik zou vertrokken zijn; maar daar ik in het +oord wilde blijven, waar Cosette is en haar voortdurend zien wilde, +heb ik u alles eerlijk moeten zeggen. Ge volgt mijn redeneering, niet +waar? De zaak is wel te begrijpen. Hoor, langer dan negen jaren heb ik +haar bij mij gehad. Eerst hebben wij in het oude huis op den boulevard +gewoond, toen in het klooster, vervolgens bij het Luxembourg. Dáár +hebt gij haar voor het eerst gezien. Gij herinnert u haar blauw pluchen +hoed? Vervolgens zijn wij naar de wijk der Invaliden gegaan, waar een +hek en een tuin was. In de straat Plumet. Ik woonde op een kleine +achterplaats, waar ik haar piano hoorde. Dat was mijn leven. Wij +verlieten elkander nooit. Dit heeft negen jaar en eenige maanden +geduurd. Ik was als haar vader, en zij was mijn kind. Ik weet niet, +of ge mij begrijpt, mijnheer Pontmercy, maar nu heen te gaan, haar niet +meer te zien, haar niet meer te spreken, niets meer te hebben, dit zou +moeielijk zijn. Zoo gij er niets tegen hebt, zal ik Cosette nu en dan +bezoeken. Ik zal niet dikwijls komen. Ik zal niet lang blijven. Gij +kondt zeggen, dat men mij in de kleine benedenkamer late. Ik zou +wel door de achterdeur willen komen, die voor de dienstboden is, +maar dit zou misschien verwondering wekken. 't Is misschien beter, +geloof ik, dat ik door de voordeur ga, zooals iedereen. Waarlijk, +mijnheer, ik zou Cosette nog wel eens willen zien. Zoo zelden als 't +u zal behagen. Stel u in mijne plaats, ik heb niets meer dan dat. En +men moet ook voorzichtig zijn. Indien ik volstrekt niet meer kwam, zou +'t een vreemden indruk maken; men zou het zonderling vinden. Wat ik bij +voorbeeld zou kunnen doen, is, 's avonds komen als het donker wordt." + +"Kom alle avonden," zei Marius, "en Cosette zal u wachten." + +"Gij zijt zeer goed, mijnheer," zei Jean Valjean. + +Marius groette Jean Valjean, het geluk deed de wanhoop uitgeleide +tot aan de deur en beide mannen scheidden. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE DUISTERHEDEN WELKE EEN OPENBARING KAN BEVATTEN. + + +Marius was geheel geschokt. + +Thans was hem de soort van afkeer verklaard, dien hij steeds voor den +man had gevoeld, naast wien hij Cosette zag. In dien persoon was iets +raadselachtigs, waartegen zijn instinct hem waarschuwde. Dat raadsel +was de afschuwelijkste aller schanden, het bagno. Deze mijnheer +Fauchelevent was de galeiboef Jean Valjean. + +Plotseling zulk een geheim te midden van zijn geluk te vinden, +gelijkt de ontdekking van een scorpioen in een tortelduivennest. + +Was voortaan het geluk van Marius en Cosette tot deze nabijheid +gedoemd? Was 't een uitgemaakte zaak. Sloot de voltrekking van het +huwelijk de aanneming van dien man in? Was er niets meer tegen te doen? + +Was Marius ook met den tuchteling getrouwd? + +Men moge met licht en vreugd omkranst zijn, men moge het groote +purperen oogenblik des levens smaken, de gelukkige liefde, zulke +schokken zouden zelfs den aartsengel in zijn verrukking, den halfgod +in zijn glorie doen sidderen. + +Gelijk het immer bij dergelijke plotselinge veranderingen gebeurt, +vroeg Marius zich af, of hij zich zelven niets te verwijten had? Had +het hem aan doorzicht ontbroken? Was hij onvoorzichtig geweest? Had +hij zich vrijwillig bedwelmd? Een weinig, misschien. Was hij, +zonder zich genoegzaam omtrent de omstandigheden in te lichten, +deze liefdesbetrekking aangegaan, welke zijn huwelijk met Cosette +ten gevolge had? Hij erkende--en 't is ten gevolge van een menigte +dergelijke zelfbekentenissen, dat ons leven trapswijze gelouterd +wordt--hij erkende het hersenschimmige en dwepende van zijn karakter, +een soort van inwendige wolk, die aan veler natuur eigen is, en die +bij den hoogsten graad van hartstochtelijkheid en smart zich uitzet, +de temperatuur der ziel verandert en den mensch zoo geheel beheerscht, +dat zij zijn zelfbewustzijn in een nevel hult. Wij hebben meer dan +eens op dezen karaktertrek van Marius gewezen. Hij herinnerde zich, +dat hij, in de dronkenschap zijner liefde, in de straat Plumet, +gedurende deze zes of zeven verrukkelijke weken, zelfs Cosette van het +drama in het oude huis Gorbeau niet gesproken had, waarbij het offer +zulk een zonderlinge rol had gespeeld, door gedurende den strijd te +zwijgen en later te vluchten. Hoe kwam het, dat hij er Cosette niet +van had gesproken? 't Lag echter zoo voor de hand en was zelfs zoo +merkwaardig! Waarom had hij zelfs het gezin Thénardier niet genoemd, +inzonderheid den dag toen hij Eponine had ontmoet? Hij had moeite zich +thans zijn stilzwijgen van toen te verklaren. Evenwel gaf hij er zich +rekenschap van. Hij herinnerde zich zijn bedwelming, zijn dronkenschap +van Cosette, de liefde die alles verzwolg, deze opvoering van het +een door het ander in het ideaal, en misschien ook--als de geringe +mate van verstand in dien geweldigen en bekoorlijken zielstoestand +vermengd--een onduidelijk, dof instinct om dit vreeselijk avontuur +in zijn geheugen te verstikken, waarin hij niet gemengd wenschte te +zijn, dewijl hij noch als verhaler noch als getuige kon optreden, +zonder tevens beschuldiger te moeten worden. Overigens waren deze +weinige weken als een weerlicht geweest; men had voor niets anders +den tijd gehad dan om elkander te beminnen. Kortom, alles gewikt en +gewogen, zou, indien hij aan Cosette de hinderlaag in het huis Gorbeau +verhaald, haar de Thénardiers genoemd had, welke ook de gevolgen ervan +waren geweest, zelfs indien hij ontdekt had dat Jean Valjean een +tuchteling was, zou dit hem zelven, Marius, zou dit haar, Cosette, +veranderd hebben? Zou hij teruggetreden zijn? Zou hij haar minder +hebben bemind? Zou hij daarom met haar niet getrouwd zijn? Neen. Zou +het iets veranderd hebben aan 't geen gebeurd was? Neen. Hij had dus +niets te betreuren, zich niets te verwijten. Alles was zoo goed. Er +is een God voor die dronkaards, welke men verliefden noemt. Blind had +Marius den weg betreden, dien hij ziende zou gekozen hebben. De liefde +had hem geblinddoekt, om hem, waarheen? te voeren. Naar het Paradijs. + +Maar dit paradijs grensde nu aan een hel. + +De vroegere afkeer van Marius voor dezen man, voor dezen Fauchelevent, +nu Jean Valjean geworden, was thans met afschuw gemengd. + +Wij moeten evenwel zeggen, dat in dezen afschuw eenig medelijden, +ja een zekere verwondering lag. + +Deze dief, deze dief bij herhaling, had hem toevertrouwd geld +teruggegeven. En hoeveel geld? Zesmaal honderd duizend francs. Het +geheim hiervan was hem alleen bekend. Hij had alles kunnen behouden, +maar had alles overgegeven. + +Bovendien had hij uit zich zelven zijn toestand geopenbaard. Niets +verplichtte er hem toe. Zoo men wist wie hij was, was 't door hem +zelven. In deze bekentenis lag meer dan de aanneming van deemoediging, +er lag de onderwerping aan gevaar in. Voor een veroordeelde is +een masker geen masker, 't is een schuilplaats. Hij had van die +schuilplaats afstand gedaan. Een valsche naam is een veiligheid; hij +had dien valschen naam weggeworpen. Hij, galeiboef, kon zich voor +altijd in een achtenswaardige familie verbergen; hij had aan deze +verzoeking weerstand geboden. Om welke reden? Uit gewetensbezwaar. Hij +had dit zelf verklaard, op den onwraakbaren toon der waarheid. Kortom, +wie Valjean zijn mocht, 't was onbetwistbaar een ontwakend geweten. 't +Was het begin eener geheime bekeering, en naar alle waarschijnlijkheid +had het geweten zich reeds lang bij dezen man doen gelden. Zulke +overgangen tot het goede en deugdzame zijn niet aan gewone naturen +eigen. De ontwaking van het geweten is grootheid van ziel. + +Jean Valjean was oprecht. Deze onzichtbare, tastbare, onwederlegbare, +en zelfs door de smart, welke zij hem veroorzaakte, bewezen +oprechtheid, maakte alle navorsching overbodig en gaf gezag aan al wat +deze man zeide. Voor Marius ontstond hieruit een zonderlinge omkeer +van beschouwing. Wat boezemde de heer Fauchelevent in? Wantrouwen. Wat +verwekte Jean Valjean? Vertrouwen. In de geheimzinnige balans van dien +Jean Valjean, welke Marius in zijn geest opmaakte, erkende hij het +actief en het passief, en trachtte het saldo op te maken. Maar 't was +alles als in een storm. Marius poogde zich een juist denkbeeld van dien +man te vormen en, om zoo te spreken, Jean Valjean in zijn gedachten +vervolgende, verloor en hervond hij hem in een noodlottigen nevel. + +Het eerlijk wedergegeven bewaarde geld, de trouwhartige bekentenis--dat +was goed. Dit veroorzaakte als een lichtopening in een wolk, maar +dadelijk werd de wolk weder donker. + +Hoe verward zijn herinneringen waren, Marius zag er eenige schaduw van. + +Wat was eigenlijk het avontuur in het verblijf van Jondrette? Waarom +was deze man, Jean Valjean, bij de komst van de politie gevlucht, +in plaats van zich te beklagen? Marius vond hierop het antwoord. Wijl +deze man een tuchteling was, die zijn ban verbroken had. + +Een andere vraag: Waarom was deze man in de barricade gekomen? Want +nu vond Marius deze herinnering duidelijk weder, welke in zijn +aandoeningen was te voorschijn gekomen als de sympathetische inkt +bij het vuur. Deze man was in de barricade. Hij streed er niet. Wat +was hij er komen doen? Voor deze vraag rees een spookbeeld op en +beantwoordde ze. Marius herinnerde zich op dit oogenblik volkomen +de sombere verschijning van Jean Valjean, die Javert gekneveld +uit de barricade sleepte, en nog hoorde hij achter den hoek der +kleine straat Mondétour het vreeselijk pistoolschot. Er bestond +waarschijnlijk haat tusschen dien spion en dezen galeiboef. De een +hinderde den ander. Jean Valjean was naar de barricade gegaan om zich +te wreken. Hij was er laat gekomen, en wist vermoedelijk dat Javert er +gevangen was. De corsicaansche vendette is tot sommige lage kringen +doorgedrongen en geldt er als wet; zij is zoo natuurlijk voor die +zielen, welke ten halve tot het goede zijn teruggekeerd; en deze +zielen zijn zoodanig gestemd, dat een misdadiger, die op den weg +van berouw is, gemoedsbezwaar kan hebben ten aanzien van diefstal, +maar niet ten aanzien van wraak. Jean Valjean had Javert gedood. Dit +scheen ten minste duidelijk. + +Eindelijk de laatste vraag; maar op deze was niet te antwoorden. Marius +voelde deze vraag als een nijptang. Hoe kwam het, dat Jean Valjeans +leven zoo lang met dat van Cosette verbonden was geweest? Wat +beteekende dit duister spel der Voorzienigheid, die dit kind +met dien man in aanraking had gebracht? Zijn er dan ook hierboven +tweemans-ketenen, en heeft God er behagen in, een engel en een duivel +samen te koppelen? De misdaad en de onschuld kunnen dus slaapgenooten +zijn in het geheimzinnig bagno der ellende? Kunnen in dien hollen weg, +welke het menschelijk lot wordt genoemd, twee hoofden naast elkander +gaan, het eene onschuldig, het andere vreeselijk, het eene blinkend +van hemelsch morgenlicht, het andere voor immer bleek door het +schijnsel van een eeuwigen bliksem? Wie had zulk een onverklaarbare +samenkoppeling kunnen beschikken? Op welke wijze, ten gevolge van +welk wonder, had dit gemeenschappelijk leven tusschen dit hemelsche +meisje en dezen ouden doemeling kunnen ontstaan? Wie had het lam met +den wolf kunnen vereenigen, en, wat onbegrijpelijker is, den wolf met +het lam? Want de wolf beminde het lam, want het wreede wezen aanbad +het zwakke wezen, want sedert negen jaren had de engel tot steun en +beschermer het monster gehad. De kindsheid en de jeugd van Cosette, +haar intrede in het leven, haar maagdelijke wasdom naar leven en +licht, waren door deze monsterachtige vereeniging beschermd. Hier +losten zich de vragen in tallooze raadsels op, afgronden openden zich +in afgronden, en Marius kon zich niet meer tot Jean Valjean buigen +zonder te duizelen. Wie was toch deze ondoorgrondelijke man? + +De oude Scheppings-symbolen zijn eeuwig; in de menschelijke +maatschappij, zooals zij thans bestaat, tot een grootere helderheid +haar zal veranderen, zijn er altijd twee menschen, de eene verheven, +de andere laag; de goede is Abel, de kwade is Kaïn. Wie was nu deze +teedere Kaïn? Wie was deze bandiet, in heilige vereering eener maagd, +over welke hij waakte, welke hij opvoedde, bewaarde, achtte en welke +hij, onreine, in reinheid hulde. Wat was deze modderpoel, die deze +onschuld zoodanig vereerde, dat er zelfs geen smet op kleefde? Wie +was deze Jean Valjean die Cosette had opgevoed? Wat was deze gestalte +uit de duisternis, die geen andere zorg had, dan eene opgaande star +voor schaduw en wolken te behoeden? + +Dit was Jean Valjeans geheim; dit was ook Gods geheim. + +Voor dat dubbel geheim deinsde Marius terug. Het eene stelde hem +eenigerwijs aangaande het andere gerust. God was in dit avontuur +evenzeer zichtbaar als Jean Valjean. God heeft zijn werktuigen. Hij +bedient zich van 't geen hij wil. Hij is jegens den mensch niet +verantwoordelijk. Kennen wij Gods wegen? Jean Valjean had aan +Cosette gearbeid. Hij had haar ziel een weinig gevormd. 't Was +onbetwistbaar. En verder? 't Was een leelijke werkman, maar +het werk was bewonderenswaardig. God werkt zijn wonderen naar +goedvinden. Hij had de bekoorlijke Cosette gevormd en daartoe Jean +Valjean gebruikt. Het had hem behaagd den zonderlingen medewerker +te kiezen. Welke rekenschap hebben wij van hem te vorderen? Is het +de eerste keer, dat de mesthoop de lente helpt om een roos voort +te brengen? + +Marius gaf zich deze antwoorden, en verklaarde zich zelven, dat zij +goed waren. Op al de punten, welke wij hebben aangewezen, had hij bij +Jean Valjean niet durven aandringen, zonder zich zelven te bekennen, +dat hij niet durfde. Hij beminde Cosette, hij bezat Cosette, Cosette +was glanzend zuiver. Dat was hem genoeg. Welke ophelderingen had +hij noodig? Cosette was een licht. Behoeft het licht verhelderd te +worden? Hij had alles; wat kon hij nog meer wenschen? Alles, is dat +niet genoeg? De persoonlijke zaken van Jean Valjean gingen hem niet +aan. Terwijl hij zich over de noodlottige schaduw van dien man boog, +klemde hij zich vast aan deze plechtige verklaring van den ellendeling: +"Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Tien jaren geleden wist +ik niet, dat zij bestond." + +Jean Valjean was een voorbijganger. Hij zelf had het gezegd. Welnu, +hij ging voorbij. Wie hij zijn mocht, zijn rol was ten einde. Voortaan +was het aan Marius, om de functiën der Voorzienigheid bij Cosette +te vervullen. Cosette was tot hooger kring teruggekeerd, en had zich +weder bij haarsgelijke, haar geliefde, haar echtgenoot gevoegd. In 't +opstijgen liet Cosette, gevleugeld en herschapen, omlaag haar ledig, +leelijk hulsel, Jean Valjean, achter. + +In welken gedachtenkring Marius zich draaide, immer kwam hij tot +een zekeren afschuw voor Jean Valjean terug. Een misschien heiligen +afschuw; wij hebben het immers aangewezen, dat hij in dien man +een zeker quid divinum, iets goddelijks, gevoelde. Maar wat hij +deed, en welke verlichting hij er in zocht, steeds moest hij hierop +terugkomen: Jean Valjean was een galeiboef; dat wil zeggen het wezen, +'t welk op de maatschappelijke ladder zelfs geen plaats heeft, wijl +het beneden den laagsten sport staat. Na den laatsten der menschen +komt de galeiboef. De galeiboef behoort om zoo te spreken niet meer +tot het menschelijk geslacht. De wet heeft hem al de menschelijkheid +ontnomen, welke zij een mensch kan ontnemen. Marius hield zich, ten +aanzien der strafwet, hoewel hij democraat was, nog aan het vaste +stelsel, en nopens degenen, welke de wet straft, had hij al de ideeën +der wet. Hij was, wij moeten 't zeggen, nog niet geheel op de hoogte +van den vooruitgang. Hij was zoo ver nog niet gekomen, onderscheid te +zien tusschen 't geen de mensch geschreven en wat God geschreven heeft, +tusschen de wet en het recht. Hij had het recht nog niet gewikt en +gewogen, 't welk de mensch zich toeëigent om over het onherroepelijke +en onherstelbare te beschikken. Het woord vindicte (rechterlijke +wraak) had hem nog niet gebelgd. Hij vond het natuurlijk, dat sommige +overtredingen der wet door eeuwigdurende straffen werden gevolgd, +en hij nam het maatschappelijke doemvonnis als een beschavingsmiddel +aan. Hij stond nog op dat punt, trouwens om later volkomen vooruit +te gaan, daar zijn aard goed en in den grond voor den vooruitgang was. + +Te midden dezer denkbeelden, verscheen Jean Valjean hem wanstaltig +en afkeerwekkend. Hij was een veroordeelde, een galeiboef. Dit woord +was hem als het bazuingeschal van den jongsten dag, en na lang Jean +Valjean aanschouwd te hebben, was zijn laatste beweging het hoofd om +te wenden. Vade retro. (Ga weg van mij!) + +Marius, men moet het erkennen, en wij wijzen er zelfs op, had, +terwijl hij Jean Valjean ondervroeg, en wel in dier voege dat Jean +Valjean hem gezegd had: ge neemt mij in 't verhoor, hem geen twee of +drie beslissende vragen gedaan. Niet omdat zij niet bij hem waren +opgekomen, maar omdat zij hem beangstigd hadden. Het verblijf van +Jondrette? De barricade? Javert? Wie weet waar de openbaringen een +einde hadden genomen? Jean Valjean scheen de man niet om achteruit +te treden, en wie weet of Marius, na hem te hebben voortgedrongen, +niet gewenscht zou hebben, hem tegen te houden! Is 't ons allen wel +niet in sommige gewichtige omstandigheden gebeurd, dat, als wij een +vraag hebben gedaan, wij onze ooren stoppen om het antwoord niet te +hooren? 't Is vooral wanneer men bemint, dat men zoo lafhartig is. 't +Is niet verstandig, hardnekkig in heillooze omstandigheden te willen +doordringen, vooral wanneer noodlottigerwijs de onoplosbare zijde +van ons eigen leven er in gemengd is. Welk een vreeselijk licht kon +uit Jean Valjeans wanhopige verklaringen opkomen, en wie weet of +dit afschuwelijk licht niet op Cosette zou zijn teruggekaatst? Wie +weet of er niet een soort van helschen weerschijn op 't voorhoofd +van dien engel zou zijn overgebleven? De van een bliksem spattende +vonken zijn ook bliksems. Het noodlot wil soms, dat de onschuld +zelve het merkteeken der misdaad verkrijgt, door de sombere wet der +lichtweerkaatsing. De zuiverste gedaanten kunnen voor altijd den +weerschijn van een vreeselijke nabuurschap behouden. Terecht of ten +onrechte, Marius was bevreesd geweest. Hij wist reeds te veel. Hij +poogde zich meer te bedwelmen dan in te lichten. Radeloos droeg +hij Cosette in zijn armen weg, terwijl hij voor Jean Valjean de +oogen sloot. + +Deze man behoorde tot den nacht, tot den levenden, vreeselijken +nacht. Hoe zou men er den bodem van durven zoeken? 't Is ontzettend, +de duisternis te ondervragen. Wie weet wat zij zal antwoorden? De +dageraad zou er voor altijd verdonkerd door kunnen worden. + +In dien gemoedstoestand, was het voor Marius een pijnlijke verlegenheid +te denken, dat deze man voortaan in eenige aanraking met Cosette zou +zijn. Hij verweet zich thans schier, deze vreeselijke vragen niet +gedaan te hebben, voor welke hij was teruggedeinsd en waaruit een +onveranderlijke en bepaalde zekerheid had kunnen ontstaan. Hij gevoelde +zich te goed, te zacht, laat het ons zeggen, te zwak. Deze zwakheid +had hem tot een onvoorzichtige toegevendheid verleid. Hij had zich +laten bewegen. Hij had ongelijk gehad. Hij had eenvoudig Jean Valjean +moeten verwerpen. Jean Valjean behoorde tot het vuur; hij had hem er +aan moeten wedergeven en zijn huis van dien man bevrijden. Hij was op +zich zelven vertoornd, vertoornd op dien maalstroom van aandoeningen, +welke hem verdoofd, verblind en medegesleept had. Hij was over zich +zelven ontevreden. + +Wat nu te doen? Van de bezoeken van Jean Valjean was hij diep +afkeerig. Waartoe diende die man in zijn huis? Wat te doen? Hier +bedwelmde hij zich, hij wilde niet dieper graven, niet doorgronden; +hij wilde zich zelven niet peilen. Hij had beloofd, hij had zich tot +beloven laten verleiden; Jean Valjean had zijn belofte; zelfs jegens +een galeiboef, vooral jegens een galeiboef, moet men woord houden. Zijn +eerste plicht evenwel gold Cosette. Kortom, een allesbeheerschende +afkeer bracht hem in beroering. + +Al deze gedachten woelden verward in den geest van Marius, die, +van de eene na de andere, door alle bewogen werd. Vandaar een +groote verwarring, welke hem niet gemakkelijk viel voor Cosette te +verbergen. Maar de liefde is een talent, en 't gelukte Marius. + +Overigens deed hij, zonder schijnbaar doel, vragen aan Cosette, die +even onschuldig was als een duif, en niets vermoedde; hij sprak haar +van haar kindsheid en jeugd; en meer en meer overtuigde hij zich, +dat deze galeiboef zoo goed, vaderlijk en eerbiedwaardig voor Cosette +was geweest als een mensch zijn kan. Al wat Marius verondersteld en +vermoed had, was waar. Deze heillooze distel had deze lelie bemind +en beschermd. + + + + + + + +BOEK VIII. + +DE AFNEMING DER DUISTERNIS. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE BENEDENKAMER. + + +Den volgenden dag, bij 't vallen van den avond, klopte Jean Valjean +aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving +hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware +'t hem bevolen. 't Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees +bij de hand, als mijnheer, die of die komt. + +Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem: + +"Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar +boven gaan of beneden wil blijven?" + +"Beneden blijven," antwoordde Jean Valjean. + +Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het +benedenvertrek en zeide: "Ik zal mevrouw verwittigen." + +'t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was +binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam +aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht +door een van ijzeren spijlen voorzien venster. + +Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en +bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er +niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen +bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine, +lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde +flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote +stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd +hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, 't geen aanduidde, +dat men op Jean Valjeans antwoord: "dat hij beneden wilde blijven," +gerekend had. + +Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen. Tusschen +deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje. + +De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van +het venster verlicht. + +Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch +gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer. + +Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars +en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de +borst, zag noch Basque noch de waskaars. + +Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem. + +Hij had haar niet zien binnenkomen. + +Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk +schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de +schoonheid, 't was de ziel. + +"Waarlijk, vader," riep Cosette, "ik wist dat ge zonderling waart, +maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius +zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange." + +"Ja, zoo is het." + +"Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal +uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader." + +En zij bood hem haar wang aan. + +Jean Valjean bewoog zich niet. + +"Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. 't Is de houding van een +schuldige. Om 't even, ik vergeef 't u. Jezus Christus heeft gezegd: +Biedt de andere wang aan. Ziedaar." + +En zij hield hem de andere wang toe. + +Jean Valjean verroerde zich niet. 't Was, of zijn voeten aan den +grond waren gekleefd. + +"'t Wordt ernstig," zei Cosette. "Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar, +dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet +met ons." + +"Ik heb gegeten." + +"'t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten +beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te +lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk." + +"Onmogelijk." + +Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en +begon te vragen. + +"Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het +huis. 't Is hier afschuwelijk." + +"Ge weet..." + +Jean Valjean viel zich zelven in de rede: + +"Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben, dat ik grillen heb." + +Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander. + +"Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat +beteekenen?" + +Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke +dikwijls op zijn gelaat verscheen. + +"Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het." + +"Niet voor u, vader." + +"Noem mij niet langer vader." + +"Waarom?" + +"Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt." + +"Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer +Jean? Wat beteekent dat? Maar 't is een revolutie. Wat is er toch +gebeurd? Zie mij toch in 't gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En +ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is +er dan iets gebeurd?" + +"Niets." + +"Welnu dan?" + +"Alles is als gewoonlijk." + +"Waarom verandert ge van naam?" + +"Gij, gij hebt hem immers ook veranderd." + +Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij: + +"Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn." + +"Ik begrijp er niets van. 't Is alles dom. Ik zal mijn man verlof +vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal +bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar +men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. 't Is slecht. Ge hebt +het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt." + +Hij antwoordde niet. + +Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief +zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin, +'t geen een groot bewijs van teederheid is. + +"Ach," zeide zij, "wees goed!" + +En zij voer voort: + +"Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn +hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de +spelonk in de straat de l'Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter +oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt +en mijn vader zijt." + +Hij maakte zijn handen los. + +"Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot." + +Cosette werd driftig. + +"Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op +zulke ongerijmde taal antwoorden zal." + +"Indien vrouw Toussaint hier was," hernam Jean Valjean, als iemand, die +iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt, +"zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere +manieren heb. 't Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek +bemind." + +"Maar 't is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. 't Is schandelijk +mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt." + +"Straks toen ik hierheen ging," antwoordde Jean Valjean, "heb ik in de +straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik +een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. 't Is een fraai toilet, +naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof +ik. 't Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. 't +Is lief." + +"Bah, de leelijke beer!" antwoordde Cosette. + +En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en +de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. 't Was een bevallige +nabootsing eener kat. + +"Ik ben verwoed," zeide zij. "Sedert gisteren maakt gij allen mij +razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij +niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel +alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen +Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij +met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast +Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet, +mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean +noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange, +welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige +flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. 't Is waar, +ge zijt zonderling. 't Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig +in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder +zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat +l'Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch +tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!" + +En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in 't +gezicht en voegde er bij: + +"Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?" + +De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze +eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean. + +Cosette wilde krabben, zij verscheurde. + +Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden, +toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken +toon: + +"Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af +te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest." + +"Ha, nu zegt ge weder Cosette!" riep de jonge vrouw. En zij viel hem +om den hals. + +Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. 't +Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam. + +"Ik dank u, vader!" zei Cosette. + +Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht +trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed. + +"Nu?" zei Cosette. + +Jean Valjean antwoordde: + +"Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u." + +En op den drempel der deur voegde hij er bij: + +"Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet +weder zal gebeuren. Vergeef mij." + +Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit +raadselachtige vaarwel achter. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +ANDERE SCHREDEN ACHTERWAARTS. + + +Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug. + +Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet +meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed +evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw +noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, +zoo dit bij haar mogelijk ware. + +'t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad, +in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring +geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van +minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde. + +De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen +en Nicolette de spinnewebben weggeruimd. + +Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij +kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius' woorden anders dan +letterlijk op te vatten. + +Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean +kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean +Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: "Mijnheer is altijd +zóó geweest." De grootvader besloot: "'t Is een zonderling." Daarmede +was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen +nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking; +een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten +zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,--vader +Gillenormand wenschte niets liever, dan van "dien mijnheer" verschoond +te blijven. Hij zeide: "Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij +doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was +nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die +lieden hebben allerlei phantastische grillen." + +Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie +trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke +moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend +zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt +de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet, +die op den bodem kruipt. + +Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke +zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten +inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men +weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart +leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een +stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte +een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige +rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel +stijgt op en berst. 't Is weinig, maar vreeselijk. 't Is de ademhaling +van het onbekende dier. + +Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen +heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle +omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen +noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich +niet in 't verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden, +het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig te leven, hoe +rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier +te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan--al +deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige +kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte. + +Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette +in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken, +het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes +vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius +te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de +grootste bezigheid van haar leven. 't Was voor hen steeds een nieuwe +blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat, +zonder zich te verbergen, voor 't oog der wereld, beiden alleen uit +te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met +Nicolette verstaan;--de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters +was onmogelijk;--zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius +had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe +huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean +Valjean kwam dagelijks. + +Toen de gemeenzaamheid in 't gesprek verdwenen was, en "mevrouw," +en "mijnheer Jean" er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette +geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich +los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk, +en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd, +en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem: +"Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn +oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent, +gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik +niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn." + +Hij woonde nog altijd in de straat de l'Homme-Armé, er niet toe +kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde. + +In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en +verwijderde zich dan. + +Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te +maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer +wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen. + +Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord "vader." + +Een straal van blijdschap schoot over 't oude somber gezicht van Jean +Valjean. Hij berispte haar: + +"Zeg Jean." + +"Ha! 't is waar," antwoordde zij luid lachend, "mijnheer Jean." + +"Goed zoo!" zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien, +dat hij zijn oogen afwischte. + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ZIJ HERINNEREN ZICH DEN TUIN IN DE STRAAT PLUMET. + + +Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving +volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen "goeden dag" met een kus meer, +nooit meer dit zoo innig zacht woord: "mijn vader!" hij was op zijn +verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn +geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag +geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten +moest verliezen. + +Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was +voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven +was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde +haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid, +van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd. + +Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, +maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid +verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en +van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, +de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige +bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras +zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders +vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde +in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de +oude dichters de wedergeboorte noemden,--toen zeide Marius tot Cosette: + +"Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden +wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn." + +Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de +straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen +in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had +nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin +en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles. + +Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles +du Calvaire. + +"Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen," +zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam +niet. Hij boog het hoofd en ging heen. + +Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar "hun tuin" en zoo +verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat +zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan, +dat zij Jean Valjean in 't geheel niet gezien had. + +"Hoe zijt ge er heen gegaan?" vroeg Jean Valjean haar. + +"Te voet." + +"En hoe teruggekomen?" + +"In huurrijtuig." + +Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat +het jonge paar leidde. 't Werd hem een bekommering. De zuinigheid van +Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten +zin. Hij waagde een vraag. + +"Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer +dan vijfhonderd francs 's maands kosten. Gij zijt rijk." + +"Ik weet het niet," antwoordde Cosette. + +"Zoo ook met vrouw Toussaint;" hernam Jean Valjean, "zij is +vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats +genomen. Waarom?" + +"Nicolette is voldoende." + +"Maar gij moet een kamenier hebben." + +"Heb ik Marius niet?" + +"Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den +schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt +ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk." + +Cosette antwoordde niet. + +De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. 't +Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen. + +Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen +vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, +edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en +versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet +uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters +bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te +blijven. 't Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te +vergeten! 't Was de verbinding zijner wond. 't Gebeurde meermalen, +dat Basque bij herhaling kwam zeggen: "Mijnheer Gillenormand zendt +mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is." + +Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis. + +Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius +in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, +die met volharding haar vlinder kwam opzoeken? + +Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte +hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. "Zie!" dacht +hij. "Geen vuur." En hij gaf zich deze verklaring: "'t Is +natuurlijk. Wij zijn in April. 't Is niet koud meer." + +"Mijn Hemel! hoe koud is 't hier!" riep Cosette binnenkomende. + +"Och neen," zei Jean Valjean. + +"Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?" + +"Ja. Wij hebben aanstonds Mei." + +"Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar +vuur noodig." + +"Ik dacht, dat het vuur onnoodig was." + +"Dit is weder een van uwe denkbeelden!" hernam Cosette. + +Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het +andere einde der kamer bij de deur geplaatst. + +"Wat moet dit beteekenen?" dacht Jean Valjean. + +Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen. + +Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter. + +Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij +opstond om heen te gaan zeide Cosette hem: + +"Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?" + +"Wat dan?" + +"Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs +rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader +mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: +Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: +Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom +zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten." + +Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk +eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen +hij in de straat de l'Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in +zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het +naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede +verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af. + +Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt. 't Was +duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal +honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde; +dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean +Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde +en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm +wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom. + +Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem +allengs trachtte te verwijderen. + +Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde +hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer. + +"O!" riep Cosette binnentredend, "geen armstoelen! Waar zijn toch +de stoelen?" + +"Zij zijn er niet meer," antwoordde Jean Valjean. + +"Dat is raar!" + +Jean Valjean stamelde: + +"Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen." + +"Waarom?" + +"Ik blijf heden maar een enkel oogenblik." + +"Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan." + +"Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had." + +"Waarom?" + +"Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond." + +"Niemand." + +Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen. + +Cosette haalde de schouders op. + +"De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur +uitdooven. Ge zijt zonderling!" + +"Vaarwel," mompelde Jean Valjean. + +Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te +zeggen: Vaarwel, mevrouw. + +Geheel terneergedrukt ging hij heen. + +Thans had hij de zaak begrepen. + +Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des +avonds op. + +"Zie," zeide zij, "mijnheer Jean is er vandaag niet geweest." + +'t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette +er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van +werd afgetrokken. + +Den volgenden dag kwam hij niet. + +Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door en sliep des +nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij +was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om +te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was +gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was +niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig +hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest +zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men +behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette +bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer +meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen "waarom +mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was." + +"Ik ben er in twee dagen niet geweest," zei Jean Valjean op zachten +toon. + +Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet +aan Cosette over. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +AANTREKKING EN UITDOOVING. + + +Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den +zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den +Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in 't +zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het +vallen van den avond, de straat de l'Homme-Armé verliet, aan de zijde +der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, +de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat +gekomen links de straat Saint-Louis insloeg. + +Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende, +niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een +ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du +Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te +helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als +een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn +lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij +glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou +gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het +oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen +tusschen hem en deze straat waren, welke hem scheen aan te trekken, +vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken +was, alsof hij in 't geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn +hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald +denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn +wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat +des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, +draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den +hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen +blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek +en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, +die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms +tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo +bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde +hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij +zich verwijderde werd zijn blik doffer. + +Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles +du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis; +nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek +der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat +des Filles du Calvaire. + +Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde, +en keerde denzelfden weg terug. + +Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij +kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug; +vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons; +toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger, +welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden. + +Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling, +maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf +van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte +deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof, +zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet +meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het +hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; +de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer +het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij +niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De +kinderen liepen hem lachend na. + + + + + + + +BOEK IX. + +ZWAARSTE SCHADUW, HELDERST MORGENROOD. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +MEDELIJDEN MET DE ONGELUKKIGEN, MAAR TOEGEVENDHEID VOOR DE GELUKKIGEN. + + +'t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich +meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet +men,--in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,--het +eigenlijk geluk, het ware, den plicht. + +Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou +beschuldigen. + +Marius,--wij hebben het gezegd--had vóór zijn huwelijk tot den heer +Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean +Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich +had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij +ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er +zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen +en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had +zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst, +verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem +denken zou. 't Was meer dan uitwissching, 't was verduistering. + +Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij +ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder +zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, +en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, +dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen +kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem +ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter +niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke +hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te +brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: +namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, +dien hij zoo behoedzaam mogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit +geld aan te raken. + +Cosette was met geen dezer geheimen bekend; 't zou evenwel hard zijn +ook haar te veroordeelen. + +Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar +instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius +wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van "mijnheer Jean", den wil +van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets +behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk +zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar +gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius +vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij +zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, +had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, +dat hetgeen Marius' geest beschaduwde, ook den haren verduisterde. + +Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze +vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer +onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, +die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog +meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, +zoodat die nu naar één zijde overhelde. + +Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich +verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof +ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?--'t Is waar, +dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet +zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de +l'Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug +was. Jean Valjean liet "neen" antwoorden. + +Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte +had: Marius. + +Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren +geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het +graf van zijn vader had gevoerd. + +Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had +zich laten leiden. + +'t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de +ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke +zaak, als men meent. 't Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, +wij hebben het elders gezegd, "ziet vooruit". De natuur verdeelt de +levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw +gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten +opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig +is. Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, +gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den +stam los te maken, verwijderen er zich van. 't Is hun schuld niet. De +jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar +liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet +uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen +de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen +wij die arme kinderen niet. + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +LAATSTE FLIKKERING DER LAMP ZONDER OLIE. + + +Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op +de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, +waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; +hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was +de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet +uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet. + +Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige +aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel +en riep: + +"Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten." + +"Jawel," antwoordde Jean Valjean. + +"De schotel is nog vol." + +"Bezie deze waterkruik. Zij is ledig." + +"Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt." + +"Nu," hernam Jean Valjean, "zoo ik alleen maar honger naar water +heb gehad?" + +"Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts." + +"Ik zal morgen eten." + +"Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen +eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was +zoo lekker." + +Jean Valjean nam de hand der oude vrouw. + +"Ik beloof u het te eten," zeide hij met zijn goedmoedige stem. + +"Ik ben ontevreden op u," antwoordde de portierster. + +Jean Valjean zag nauwelijks een ander menschelijk wezen dan deze +goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemand doorgaat, en huizen, +waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen. + +In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een +koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover +zijn bed aan een spijker had gehangen. 't Is altijd goed, zulk een +teeken voor zijn oogen te hebben. + +Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer +deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: +"De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal +'t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan 't mij niet +uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is." + +De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit: + +"Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, +dan kan hij 't niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven." + +"En zoo hij er een neemt?" + +"Zal hij ook sterven," zei de portier. + +De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen +"harer straat" te krabben, terwijl zij mompelde: + +"'t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen." + +Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt +voorbijgaan. Zij nam 't op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke +te zien. + +"'t Is op de tweede verdieping," zeide zij. "Ga maar binnen, want, +wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel +altijd in de deur." + +De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar +beneden ging, vroeg de portierster hem: + +"Nu, dokter?" + +"Uw zieke is zeer ziek." + +"Wat deert hem?" + +"Alles en niets. 't Is iemand, die, zoo 't schijnt, een zeer geliefd +persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven." + +"Wat heeft hij u gezegd?" + +"Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was." + +"Komt ge terug, dokter?" + +"Ja," antwoordde de geneesheer; "maar 't ware beter, zoo een ander +dan ik terugkwam." + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +EEN PEN IS ZWAAR VOOR DENGENE DIE DE KAR VAN FAUCHELEVENT OPLICHTTE. + + +Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te +richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling +was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan +hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige +gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich +overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij +niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de +voorkeur. Hij moest onder 't kleeden eenige keeren rusten: alleen door +'t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op 't gezicht. + +Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, +om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn. + +Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit. + +Hij spreidde ze uit op zijn bed. + +De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den +schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de +kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel 't nog helderlichte dag in den +zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, +waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere +meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. 't +Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te +hernieuwen; 't was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, +'t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, +welke men niet weder kan beginnen. + +Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die +zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin +hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen +had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen +tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder +dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat +hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar +het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van +den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de +kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, +als bij die maskers, welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; +met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor +een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand +te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der +neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om +zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend. + +De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden +armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt +en papier. + +Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn +herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog +hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug. + +Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon +niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare +voorwerpen. + +Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps +doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; +hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop +verlicht werd, en nam de pen. + +Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten +der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om +eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij +twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht +de pen 't achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde +hij het zweet van zijn voorhoofd. + +Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels: + + + "Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot + heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; + hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij + heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, + wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn + teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde + ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te + herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de + zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit + Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is + lichter, kostbaarder en duurder. Men kan 't in Frankrijk evengoed + als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee + vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk + te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars en lampezwart, + en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak + en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel + beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, + dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas + moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën + zijn! Spanje koopt er veel. 't Is het land van git..." + + +Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem +overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner +ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde. + +"Ach!" riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), +"'t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. 't Is een glimlach, die +over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder +te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar +kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! 't +Is niets te sterven; maar 't is vreeselijk, te sterven zonder haar +te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand +leed doen? Neen, 't is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, +mijn God! ik zal haar niet wederzien." + +In dit oogenblik werd aan de deur geklopt. + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +ZWARTE INKT DIE WIT MAAKT. + + +Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque +aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn +schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en +gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer. + +Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem +in den tuin. + +Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van +grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op +het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot +die soort. + +Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering +dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift: +"Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel." Na den +tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen +zeggen, dat de verbazing bliksems heeft. Marius werd als door een +dier bliksems verlicht. + +De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld +in hem herleven. 't Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van +toevouwing, dezelfde bleeke inkt; 't was wel het bekende schrift, +bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen +voor hem. + +Alzoo--zonderlinge gril van het toeval--kwam zich vanzelf een der +beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij +onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd +verloren te hebben. + +Nieuwsgierig brak hij den brief open en las: + + + "Mijnheer de baron! + + + "Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou + ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut + (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag + slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze + herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, + waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in + het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u + aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer + te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan + de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te + jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van + hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met + de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden. + + "Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron. + + + "Met eerbied." + + +De brief was onderteekend: "Thénard." + +Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort. + +Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling +allen twijfel. + +Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing, +gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man, +dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem +niets meer te wenschen over. + +Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes +uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque +keek door de deur. + +"Laat den man binnenkomen," zei Marius. + +Basque diende aan: + +"Mijnheer Thénard." + +Een man trad binnen. + +Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem +volkomen onbekend. + +Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, +een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, +sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen +hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in 't +zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met +zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er +een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij +ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij +het binnentreden nog dieper. 't Viel bij den eersten blik in 't oog, +dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem +veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel +woord ter opheldering noodig. + +In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat +Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep +uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor +langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De +verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig +sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de +eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette +"de Wisselaar"; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven +en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken +was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte, +waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën; +aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt, +een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon, +daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek +de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den +geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was +de costumier van het groote drama, 't welk de schelmerij te Parijs +speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de +afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn, +gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen, +de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het +voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw +teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde, +werd nooit bestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief, +zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die +ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd, +en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of +grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van +den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun +zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de +maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te +dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den +wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten +behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De +kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart +en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala +zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs +in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: "Een +zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden +vest, laarzen en linnengoed." Daarnaast stond: "oud ambassadeur," en +eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: "In een afzonderlijke +doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee +kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld." Dit alles +behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was +om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was +aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een +knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een +staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, +kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen. + +Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van +Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque +binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig +van den kapstok des wisselaars. + +De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij +verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij +beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich +onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf: + +"Wat wilt gij?" + +De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende +glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven: + +"'t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad +hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien. Ik meen zeker +hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en +in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk, +te hebben ontmoet." + +'t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te +nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent. + +Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde +zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij +sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem, +welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen. + +"Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray," zeide hij. "Ik +heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander +gezet." + +Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd: + +"Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien +heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij +zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas +wijn drinken!" + +Marius zag hoe langer hoe strenger. + +"Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg +zonder omwegen wat uw begeerte is?" + +Voor deze nog barscher stem boog de man dieper. + +"Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in +een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp +bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen +hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant +is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in, +zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom +'t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den +voorraad en de ammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten, +geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste +terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het +tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen, +geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders; +des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt +donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te +komen; 't is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd +inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een +gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat +het een wonderbaar land is; men vindt er goud." + +"Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?" viel Marius hem in de rede, +wiens teleurstelling tot ongeduld overging. + +"Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze +betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste +gebracht. Ik wil 't eens met de wilden beproeven." + +"Verder?" + +"Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin, +die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt; +de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De +hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft +tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is 's menschen doel. Goud +is de magneet!" + +"Verder? maak een einde." + +"Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik +heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis +is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig." + +"Wat gaat mij dit aan?" zei Marius. + +De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van +den gier, en hernam met verdubbelden glimlach: + +"Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?" + +Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius +afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief +gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een +oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had +deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een +vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet +scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel: + +"Spreek duidelijk." + +De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het +hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt +Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende. + +"Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een +geheim verkoopen." + +"Een geheim?" + +"Een geheim." + +"Dat mij betreft?" + +"Eenigszins." + +"Welk geheim?" + +Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op. + +"Ik begin voor niets," zei de onbekende. "Gij zult zien, dat ik +belangrijk word." + +"Spreek." + +"Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar." + +Marius ontroerde. + +"In mijn huis, neen," zeide hij. + +De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam: + +"Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron, +dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door +verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen +zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van +zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga +verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie +gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik +zal hem u voor niets zeggen." + +"Ik luister." + +"Hij heet Jean Valjean." + +"Ik weet het." + +"Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is." + +"Spreek." + +"Een voormalig galeiboef." + +"Ik weet het." + +"Gij weet het sedert ik de eer heb gehad 't u te zeggen." + +"Neen, ik wist het vroeger." + +De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, "ik weet het", zijn +kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een +verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden +blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was, +ontsnapte hij aan Marius niet. 't Was een derzulke, die men herkent +wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in +zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door; +een bril verbergt niets;--zet eens een glasruit voor de hel! + +De onbekende hernam glimlachend: + +"Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In +allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb +mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van +mevrouw de barones. 't Is een buitengewoon geheim. 't Is te koop. Ik +bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs." + +"Ik ken dat geheim evenals de andere," zei Marius. + +Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig +af te slaan. + +"Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek." + +"Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij +zeggen wilt." + +In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep: + +"Ik moet vandaag toch eten. 't Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik +zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs." + +Marius zag hem strak in het gezicht: + +"Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean +Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken." + +"Mijn naam?" + +"Ja." + +"'t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u +te schrijven en te zeggen. Thénard." + +"Dier." + +"Wat?" + +"Thénardier." + +"Wie? Hoe?" + +In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt +zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte. + +Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok. + +Marius hernam: + +"Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter +Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard." + +"Vrouw? welke?" + +"En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden." + +"Een kroeg! Nooit!" + +"En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt." + +"Ik loochen het." + +"En dat ge een schoft zijt. Ziedaar." + +En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp 't hem in +'t gezicht. + +"'k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!" + +En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het. + +"Vijfhonderd francs!" hernam hij verstomd. En halfluid stamelde hij: +"Een echt bankje!" + +Toen riep hij plotseling: + +"Nu, het zij zoo. Laten we 't ons gemakkelijk maken." + +En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril +afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke +we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, +nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt. + +Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek +zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en +sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn. + +"Mijnheer de baron is onfeilbaar," zeide hij, met een duidelijke stem, +waaruit alle neusklank was verdwenen, "ik ben Thénardier." + +En hij richtte zijn gebogen rug op. + +Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast; +hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij +had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze +deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel +beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd. + +Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van +zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet +alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles +van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man, +die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun +namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een +rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde? + +Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond +hebbende, dezen nooit gezien had, 't geen te Parijs niets zeldzaams is; +vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm +jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem +te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte +was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den +baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma, +welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had +uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te +vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer +dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken, +of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man +was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den +man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw +de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij +geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij +vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was +hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te +spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of +meende iets beter te hebben om te verkoopen. En waarschijnlijk zou +deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan: +"Uw vrouw is een onecht kind", geen andere uitkomst hebben gehad, +dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever. + +Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog +niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling +verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in +gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij +iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy, +die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich +sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe +was zijn toestand in dat, 't welk gevoerd zou worden? Hij wist +niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam +hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben: +"Ik ben Thénardier", wachtte hij. + +Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor +zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was +er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg +geven. 't Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan +dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader +uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd +was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest +zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest +worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe +het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den +kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en 't was hem +alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden. + +Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk, +de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich +de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. 't Kon +nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij. + +Thénardier had het "echte bankbriefje" in zijn zak doen verdwijnen +en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid. + +Marius verbrak de stilte. + +"Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het +geheim zegge, 't welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn +inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean +is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij +een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt, +den heer Madeleine. Een moordenaar, wijl hij den politieagent Javert +heeft vermoord." + +"Ik begrijp u niet, mijnheer de baron," zei Thénardier. + +"Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van +Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger +in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van +Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was +in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met +een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een +geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin +gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij +was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen, +bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde +de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij +had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een +in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien +man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen +nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te +gaan en zich door den bankier Laffitte--ik heb dit van den kassier +zelven vernomen--door middel van een valsche handteekening, een som +van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, +te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft +bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin +iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood; +hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig." + +Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen +man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het +terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk +terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren, +en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan: + +"Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg." + +En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting +veelbeteekenend te rammelen. + +"Wat!" hernam Marius, "spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten." + +"'t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij +vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid +en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig +beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer +Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood." + +"Dat is sterk! Hoe weet ge dit?" + +"Om twee redenen." + +"Welke? Spreek." + +"De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien +hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is." + +"Wat vertelt ge mij toch?" + +"De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die +Javert heeft gedood, Javert zelf is." + +"Wat bedoelt ge?" + +"Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd." + +"Bewijs! bewijs!" riep Marius buiten zich zelven. + +Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud +Alexandrijnsch vers opzeide: + +"De +politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden." + +"Maar bewijs dit!" + +Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren +van verschillende grootte schenen bewaard te worden. + +"Ik heb mijn aktestukken," zeide hij bedaard. + +En hij voegde er bij: + +"In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen +kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon +zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad +dan Javert, en 't geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke +bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar +gedrukte bewijzen." + +Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel +geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene +dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende, +scheen veel ouder dan het andere. + +"Twee feiten, twee bewijzen," zei Thénardier en reikte Marius de twee +opengeslagen bladen. + +De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer +van le Drapeau blanc van 25 Juli 1823, van 't welk men in het derde +deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit +van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, een Moniteur van +15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat +het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie +bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen +was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven +te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had, +het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd +te schieten. + +Marius las. 't Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar +bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers +gezegde te bevestigen: het in den Moniteur geplaatste bericht was +door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet +twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en +deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden, +scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet +bedwingen: + +"Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat +geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de +voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder +van Javert! hij is een held, een heilige!" + +"Hij is noch een heilige noch een held," zei Thénardier. "Hij is een +moordenaar en dief." + +En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij +gezag begon te verkrijgen: "Laat ons bedaard zijn!" + +Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen +waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem. + +"Nog?" zeide hij. + +"Altijd," hernam Thénardier. "Jean Valjean heeft Madeleine niet +bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar +is toch een moordenaar." + +"Wilt ge," hernam Marius, "van dien ellendigen diefstal, van voor +veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door +een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?" + +"Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik +van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en +al onbekend. 't Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in +vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de +barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke +gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal +deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van +zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept, +dit is inderdaad niet dom." + +"Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden," merkte Marius aan, "maar +ga voort." + +"Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw +edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij +zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer +eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te +uwen gunste; de berekening is zeer schrander; maar hij bezit nu geen +centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig +geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit, +de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid, +veroorloof mij een stoel te nemen." + +Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen. + +Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen, +stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de +nagels op de Drapeau blanc sloeg: "'t heeft mij moeite gekost dit te +krijgen." Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug +in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van +'t geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en +op zijn woorden drukkende: + +"Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op +den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs, +ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug +der Invaliden en de brug van Jena." + +Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van +Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met +de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de +hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt: + +"Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die +overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf +gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni +was; 't kon acht uren 's avonds zijn. De man hoorde gerucht in het +riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. 't Was +'t gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam +naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een +ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een +weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene +te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging +gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij +op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van +moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf, +men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in +de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij +aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan, +en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij +het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers +bij 't schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man +hebben gevonden, 't geen de moordenaar niet wilde. Hij torste zijn +last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke +inspanning gekost hebben, want 't is onmogelijk grooter levensgevaar +te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij 't er levend heeft afgebracht." + +Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik +van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort: + +"Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles +ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, +moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de +doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot +leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei +tot den verblijfhouder: "Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet +hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij." Deze galeiboef +was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel +onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd +te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan +dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had +en geheel door bloed misvormd was. Onder 't gesprek vond hij middel +om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat +de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, 't was een bewijsstuk; +een middel om weder op 't spoor der zaak te komen en den schuldige +van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak, +waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet +uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij +volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, +en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar +den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, +die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, +spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok..." + +Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken +te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield +het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen. + +Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart +laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder +zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, +en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar +den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen +stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, +zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier +hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast. + +Ondertusschen voer Thénardier voort: + +"Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de +vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in +een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had." + +"Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!" riep Marius, terwijl +hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp. + +Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok, +en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het +ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel. + +Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen. + +Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich +op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte +hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs +gevulde vuist op 't gezicht. + +"Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een +schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd; +ge wildet hem in 't verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar +gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier +Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l'Hopital. Ik +weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, en zelfs verder, +zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt." + +En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe. + +"Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke, +verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling, +die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer +u weg! Waterloo beschermt u." + +"Waterloo!" mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs +met de duizend in zijn zak stak. + +"Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered...." + +"Van een generaal," zei Thénardier het hoofd opheffend. + +"Van een kolonel!" hernam Marius driftig. "Ik zou geen cent voor een +generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg +u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! 't Ga u +wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend +francs. Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want +uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal 't oog houden over +uw vertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs +geven. Laat u elders hangen!" + +"Mijnheer de baron," antwoordde Thénardier tot den grond buigend, +"eeuwige dankbaarheid." + +Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte +verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem +van bankbiljetten boven zijn hoofd. + +Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en 't zou hem zeer gespeten +hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben. + +Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de +gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door +Marius' bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien +van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter +Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger, +was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De +aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad +te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld +van Marius werd Thénardier slavenhandelaar. + +Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar +Cosette nog wandelde: + +"Cosette! Cosette!" riep hij "kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque, +een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven +gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!" + +Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde. + +Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping +ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij +omhelsde Cosette, zeggende: "Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!" + +Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon +hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, +stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor +hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als +verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar +'t was iets grootsch. + +In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur. + +Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in. + +"Koetsier," zeide hij, "naar de straat de l'Homme-Armé No. 7." + +Het rijtuig vertrok. + +"Ha! welk een geluk!" riep Cosette, "naar de straat de l'Homme-Armé. Ik +durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken." + +"Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het +thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen, +dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen +zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te +redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft +hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij +heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat +schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben +een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn +geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken +modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk +verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten +kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot +bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of +niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij +hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar +zijn. Ja, zoo zal 't geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief +hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt 't nu." + +Cosette begreep niets. + +"Gij hebt gelijk," zeide zij. + +Ondertusschen reed het rijtuig voort. + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +NACHT, WAARACHTER DE DAG IS. + + +Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om. + +"Binnen," riep hij zwak. + +De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen. + +Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den +deurpost staan. + +"Cosette!" zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met +open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige +blijdschap in de oogen. + +Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean. + +"Vader!" zeide zij. + +Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean: + +"Cosette! Zijt gij 't, mevrouw! Zijt gij 't. O, mijn God!" + +En in Cosettes armen geklemd, riep hij: + +"Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!" + +Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede +en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn +gesnik te bedekken: + +"Mijn vader!" + +"En ook gij vergeeft mij!" zei Jean Valjean. + +Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij: +"Heb dank." + +Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed. + +"Dit hindert mij," zeide zij. + +Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een +bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd. + +Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden. + +Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen, +alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen. + +Jean Valjean mompelde: + +"Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld +u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij +zelven zeide: 't Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig +mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik, +dat gij de trap opgingt. + +Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op +den goeden God. De goede God zegt: "Gij verbeeldt u, dat men u zal +verlaten! Neen. Neen, zoo zal 't niet gebeuren. Kom, er is daar een arm +oud man, die een engel noodig heeft." En de engel komt; en men ziet +zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik +was zeer ongelukkig." + +Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij: + +"Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een +hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik +er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig, +blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha, +Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon +is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van +dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog +shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar +spreken. 't Zal niet lang meer duren." + +En Cosette zeide, hem berispend: + +"Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn. Waar zijt ge +toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger +niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men +antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom +hebt ge 't ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd +zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er +niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!" + +"Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft +mij!" herhaalde Jean Valjean. + +Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn +gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende, +barstte hij uit: + +"Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet +gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven +gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij +gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor +zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En +mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, +mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te +weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien +modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij +heeft mij door allerlei doodsgevaren heen gedragen, welke hij van +mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden, +allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!" + +"Stil, stil!" zei Jean Valjean zacht. "Waarom van dat alles te +spreken?" + +"Maar gij!" riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag, +"waarom hebt gij het niet gezegd? 't Is ook uw schuld. Gij redt +den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder +voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. 't Is ongehoord!" + +"Ik heb de waarheid gezegd," antwoordde Jean Valjean. + +"Neen," hernam Marius, "waarheid is de geheele waarheid, en die +hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet +gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het +leven te danken, waarom het niet gezegd?" + +"Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest +heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij +bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken +had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest." + +"Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!" hernam Marius. "Denkt ge dan, dat +ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk, +dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt +een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag +langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge +morgen nog hier zijt." + +"Morgen," zei Jean Valjean, "zal ik niet hier zijn, maar ook niet +bij u." + +"Wat bedoelt ge?" vroeg Marius. "O, wij geven u geen verlof tot +reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten +u niet los." + +"Ditmaal is het ernst," voegde Cosette er bij. "We hebben beneden +een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken." + +En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard +in haar armen optillen. + +"In ons huis is nog altijd uw kamer," vervolgde zij. "Ge moest eens +weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen +goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes +vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen +mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet +waar, Marius? Het programma is veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een +verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur +zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn +arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak +en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen +vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn +gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge +zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij +zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens +zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen." + +Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de +muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen, +welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog +op. Hij prevelde: + +"Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is." + +"Mijn vader," zei Cosette. + +Jean Valjean hernam: + +"'t Is waar, 't zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen +vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. 't Is zoet tot levende wezens +te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den +tuin roepen. Men ziet elkander van 's morgens af. Wij zouden ieder +een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten, +ik zou haar mijn rozen doen plukken. 't Zou bekoorlijk zijn. Maar..." + +Hij brak zijn woorden af en zeide zacht: + +"'t Is jammer." + +De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem +door een glimlach. + +Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare. + +"Mijn God," zeide zij, "uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert +u iets?" + +"Ik? neen," antwoordde Jean Valjean, "ik ben zeer wèl, maar..." + +Hij zweeg. + +"Maar, wat?" + +"Ik zal spoedig sterven." + +Cosette en Marius huiverden. + +"Sterven!" riep Marius. + +"Ja, maar dat is niets," zei Jean Valjean. + +Hij haalde adem, glimlachte en hernam: + +"Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje +is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren." + +Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een +hartverscheurenden kreet. + +"Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge +leeft, hoort ge!" + +Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op: + +"O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien +gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij +belet. 't Kwam mij voor, dat ik herleefde." + +"Ge zijt vol kracht en leven," riep Marius. "Verbeeldt ge u, dat men +zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik +vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons +leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, +zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!" + +"Ge hoort immers," hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, "dat Marius +zegt, dat ge niet zult sterven." + +"Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn +dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert +niet van meening; 't is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een +goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij +gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den +ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven, +dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alle +verrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die +tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat +ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen, +dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En +dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is +uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij." + +De deur kraakte. 't Was de dokter, die binnentrad. + +"Goedendag en vaarwel, dokter," zei Jean Valjean. "Ziehier mijn +arme kinderen." + +Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord: +mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een +volledige vraag. + +De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik. + +"Omdat de dingen ons onaangenaam zijn," zei Jean Valjean, "is dit +geen reden om onbillijk jegens God te wezen." + +Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde +zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld +in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds +verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog +verrukking mogelijk. + +De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het +graf kan ook zijn flikkering hebben. + +De dokter voelde hem den pols. + +"Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!" mompelde hij, Cosette en +Marius aanziende. + +En zich tot Marius' oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij: + +"Te laat." + +Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen +blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit +zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen: + +"'t Is niets te sterven, maar 't is vreeselijk, niet te leven." + +Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is +dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij +den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen, +nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de +gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, +het kruisbeeld op de tafel zettende: + +"Ziedaar den grooten lijder!" + +Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door +de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen, op zijn knieën +rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek. + +Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde +tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, +temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden: +"Vader! verlaat ons niet. Is 't mogelijk, dat wij u slechts wedervinden +om u te verliezen?" + +Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en +gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven +ligt een zekere rondtasting. + +Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde +zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel +bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze. + +"Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!" riep Marius. + +"Ge zijt beiden goed," zei Jean Valjean. "Ik zal u zeggen, wat mij +smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy, +dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel +deugdelijk uw vrouw. Ik zal 't u verklaren, mijn kinderen, en juist +daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit +Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op +dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der +blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. 't +Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men +daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel +u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij." + +De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande +deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede +vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep: + +"Wilt ge een priester?" + +"Ik heb er een," antwoordde Jean Valjean. + +En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen, +waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag. + +'t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven +tegenwoordig was. + +Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen. + +Jean Valjean hernam: + +"Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal +honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou +verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat +glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de +zoogenaamde Berlijnsche juweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld, +het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd +zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs." + +Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met +een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden. + +Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te +zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem, +elkander de hand gevende. + +Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren +horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel +afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen +waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam, +vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der +ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar. + +Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet +meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd +grooter. 't Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde. + +Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. 't Was blijkbaar +de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk +een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men +zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond. + +"Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, 't is zoet zóó te +sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds +vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij, +mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij +een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge +werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik +heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer +verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op +tien francs en werd voor zestig verkocht. 't Was voorwaar een goede +handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet +verwonderen, mijnheer de Pontmercy. 't Is eerlijk gewonnen geld. Ge +moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge +in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw +vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef +ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de +twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver; +maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de +waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of +hij, die ze mij gegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik +heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm +mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een +steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den +steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal 't mij genoegen +doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u +niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt +gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel +dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy, +hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek +zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd +francs. Ik heb er niet aangeraakt. 't Is voor de armen. Cosette, ziet +ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? 't Is echter niet +langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn +zeer gelukkig geweest. 't Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, +ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts +op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u +Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, +dat ik het hengsel van den emmer nam? 't Was de eerste keer, dat ik uw +arm klein handje raakte. 't Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes +zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge +u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster +te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn +lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen +drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal +met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij +waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge +deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De +bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder +men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de +spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij +verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers +waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is 't +oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette +Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem +uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij +heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de +beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet +wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, +mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van +meer belang dan dit: elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan +den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette, +'t is mijn schuld niet, ik verzeker 't u, dat ik u in al deze dagen +niet gezien heb; 't verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek +der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen, +die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik +zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had +u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan +mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie +licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde +hoofden, dat ik er mijn handen oplegge." + +Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, +en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen +zich niet meer. + +Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen; +zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius +zijn handen met kussen bedekken; hij was dood. + +De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in +de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel +wachtte. + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +HET GRAS VERBERGT EN DE REGEN WISCHT UIT. + + +Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, +ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche +grafgestichten, welke in 't gezicht der eeuwigheid de stuitende modes +van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een +ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop +slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin +als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek +beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in +de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, +wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer +de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving +heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de +vogels er in de boomen. + +De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan +de volstrekte behoefte van het graf gedacht, en voor niets anders +gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk +te dekken. + +Men leest er geen naam op. + +Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze +vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar +zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn. + + + Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange, + Il vivait. Il mourut quand il n'eut plus son ange, + La chose simplement d'elle-même arriva, + Comme la nuit se fait lorsque le jour s'en va. [12] + + + + EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE DEEL. + + + + + + + +INHOUD. + + +Boek I. + +De oorlog tusschen vier muren. + + Bladz. + + I. De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla + der voorstad van den Tempel 7 + II. Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten 14 + III. Verlichting en verduistering 17 + IV. Vijf minder, een meer 19 + V. Welken horizont men van de kruin der barricade ziet 25 + VI. Marius verwilderd, Javert laconisch 29 + VII. De toestand wordt erger 30 + VIII. De artilleristen nemen het ernstig op 34 + IX. Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het + onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van + invloed is geweest 37 + X. De dageraad 38 + XI. Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt 41 + XII. De wanorde als handlanger der orde 43 + XIII. Voorbijgaande flikkeringen 46 + XIV. Waarin men den naam van Enjolras' geliefde lezen zal 47 + XV. Gavroche buiten 49 + XVI. Hoe men van broeder vader wordt 53 + XVII. De doode vader wacht den stervenden zoon 60 + XVIII. De gier prooi geworden 62 + XIX. Jean Valjean wreekt zich 66 + XX. De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk 68 + XXI. De helden 77 + XXII. Voet voor voet 80 + XXIII. Orestes nuchter en Pylades dronken 83 + XXIV. Gevangene 86 + + +Boek II. + +De ingewanden van den Leviathan. + + I. De aarde door de zee verarmd 91 + II. De oude geschiedenis der riolen 94 + III. Bruneseau 97 + IV. Onbekende bijzonderheden 99 + V. Tegenwoordige vooruitgang 102 + VI. Toekomstige vooruitgang 103 + + +Boek III. + +Slijk, echter ziel. + + I. Het riool en zijn verrassingen 109 + II. Verklaring 114 + III. De vervolgde man 116 + IV. Ook hij draagt zijn kruis 120 + V. Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een + verraderlijke fijnheid 123 + VI. De modderwel 126 + VII. De uiterste nood 128 + VIII. Het afgescheurde rokspand 130 + IX. Marius schijnt dood voor iemand die er verstand van + heeft 135 + X. Terugkeer van den verloren zoon tot het leven 139 + XI. Verbazing 140 + XII. De grootvader 142 + + +Boek IV. + +Javert uit het spoor. + + Javert uit het spoor 151 + + +Boek V. + +De kleinzoon en de grootvader. + + I. Men ziet den boom weder met den zinkpleister 165 + II. Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot + den huiselijken oorlog 168 + III. Marius' aanval 173 + IV. Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad + meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm + medebracht 175 + V. Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een + notaris 180 + VI. De beide oude lieden doen, ieder op zijn wijze, alles + om Cosette gelukkig te maken 181 + VII. De uitwerksels van den droom op het geluk 189 + VIII. Twee onmogelijk weder te vinden mannen 191 + + +Boek VI. + +De slapelooze nacht. + + I. De 16 Februari 1833 197 + II. Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter 205 + III. De onafscheidbare 213 + IV. Immortale jecur 215 + + +Boek VII. + +De laatste teug uit den beker. + + I. De zevende cirkel en de achtste hemel 223 + II. De duisterheden, welke een openbaring kan bevatten 238 + + +Boek VIII. + +De afneming der duisternis. + + I. De benedenkamer 249 + II. Andere schreden achterwaarts 253 + III. Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet 256 + IV. Aantrekking en uitdooving 260 + + +Boek IX. + +Zwaarste schaduw, helderst morgenrood. + + I. Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor + de gelukkigen 265 + II. Laatste flikkeringen der lamp zonder olie 267 + III. Een pen is zwaar voor dengene, die de kar van + Fauchelevent oplichtte 269 + IV. Zwarte inkt die wit maakt 271 + V. Nacht, waarachter de dag is 288 + VI. Het gras verbergt en de regen wischt uit 297 + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te +Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau. + +[2] Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een +klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau. + +[3] Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede +is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau. + +[4] Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus +in de goot, dit is de schuld van.... + +[5] Zij vonden het kind in doeken gewikkeld. + +[6] Wie zou de zon verkeerd durven noemen? + +[7] Mortuus pater filium moriturum expectat. + +[8] Jeannette is geboren te Fougère, 't geen een echt herderinnennest +is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want +in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin +meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten. + +[9] 't Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen +wilt maken, en binnenkort gaat trouwen. + +[10] In 't Fransch: "mémoire antique." + +[11] Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke +klanken, dat hij iedereen verrukte! + +[12] Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde. + Deez' steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde, + Toen hij zijn Engel niet meer zag. + De dood kwam zachtkens hem bevrijden, + En volgde op zijn maatloos lijden, + Zooals de nacht wijkt voor den dag. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 5 van 5), by Victor Hugo + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 5 VAN 5) *** + +***** This file should be named 38163-8.txt or 38163-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/8/1/6/38163/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
