summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--38163-8.txt13901
-rw-r--r--38163-8.zipbin0 -> 248342 bytes
-rw-r--r--38163-h.zipbin0 -> 432887 bytes
-rw-r--r--38163-h/38163-h.htm13832
-rw-r--r--38163-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--38163-h/images/card.pngbin0 -> 249 bytes
-rw-r--r--38163-h/images/cover.jpgbin0 -> 164681 bytes
-rw-r--r--38163-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
11 files changed, 27749 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/38163-8.txt b/38163-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..75cec0d
--- /dev/null
+++ b/38163-8.txt
@@ -0,0 +1,13901 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 5 van 5), by Victor Hugo
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Ellendigen (Deel 5 van 5)
+
+Author: Victor Hugo
+
+Release Date: November 28, 2011 [EBook #38163]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 5 VAN 5) ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE ELLENDIGEN
+
+ Naar het Fransch
+ Van
+ VICTOR HUGO.
+
+ Opnieuw bewerkt.
+
+ Vijfde deel.
+
+
+
+ Arnhem en Nijmegen,
+ Gebrs. E. & M. Cohen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK I.
+
+DE OORLOG TUSSCHEN VIER MUREN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE CHARYBDIS DER VOORSTAD ST. ANTOINE EN DE SCYLLA DER VOORSTAD VAN
+DEN TEMPEL.
+
+
+De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de opmerker der
+maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het tijdvak waarin
+de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden, beide, onder
+verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een vreeselijken
+toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen opstand
+van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis
+gezien heeft.
+
+Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de diepte
+van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn koortsigheid,
+zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn duisternis,
+zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en broederschap, het
+algemeene stemrecht, de regeering van allen door allen, protesteert,
+en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.
+
+Het janhagel valt het algemeen recht aan; de ochlocratie staat op
+tegen den demos.
+
+Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een
+zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze
+woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen
+willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren,
+dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten,
+dan die der onterfden.
+
+Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en
+eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke
+deze woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast
+de ellende. Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland
+geschapen; het gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje
+volgde Jezus Christus.
+
+Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere klassen
+bewonderd heeft.
+
+Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme
+lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de
+apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige
+woorden sprak: Fex urbis, lex orbis.
+
+De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige
+gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar
+feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en
+moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en,
+zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel
+hij haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen
+haar verzet, vereert hij haar. 't Is een dier zeldzame oogenblikken,
+wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert
+en dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter,
+omdat men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling
+van den plicht gaat met verscheuring van 't hart gepaard.
+
+Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering
+was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis
+plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden
+gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den
+heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat
+oproer moest bestreden worden, en 't was plicht, want het viel de
+republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het
+volk tegen zich zelf.
+
+Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen
+afdwaling; het zij ons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht
+van den lezer op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te
+vestigen, waarvan wij gesproken hebben en die den aard van dezen
+opstand aanduidden.
+
+De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere
+verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier
+oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder
+den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit vergeten.
+
+De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van
+drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde
+de wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen,
+dat wil zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen,
+schietgaten, bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op
+zich zelve bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen
+huizen der voorstad steunenden, verhief zij zich als een cyclopen-dam
+aan het einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft
+gezien. In de straten achter deze moeder-barricade verhieven zich
+nog negentien barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de
+voorstad het ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste
+minuut is gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt
+te worden. Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van
+drie huizen, van zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest
+waren, zeiden sommigen. Anderen zeiden, dat het het gewrocht van
+den algemeenen toorn was. Zij had het erbarmelijk voorkomen van al
+de bouwwerken van den haat: de ruïne. Men kon zeggen: wie heeft
+dit gebouwd? Men kon ook zeggen: wie heeft dit verwoest? 't Was
+het plotselinge werk der verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek,
+die luifel, deze paneelen, dit gebroken komfoor, deze gebersten
+pot! Geeft alles! werpt alles er op! stoot, rolt, graaft, breekt
+af, werpt alles terneder, haalt alles 't onderstboven! 't Was de
+samenwerking van den straatsteen, van den bouwsteen, van den balk,
+van de ijzeren staaf, van het vod, van het ingeslagen raam, van den
+matteloozen stoel, van den koolstronk, van lompen, van oude plunje
+en van de vervloeking. 't Was grootsch en klein! 't Was de afgrond,
+door het allerlei geparodiëerd. De massa bij het stofdeeltje;
+het uitgebroken muurvak bij het gebroken bord; een dreigende
+verbroedering van allerlei brokstukken; Sysiphus had er zijn rots
+en Job zijn potscherf geworpen. Kortom, 't was vreeselijk. 't Was de
+acropolis der barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus;
+een groote vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek
+een sabelhouw op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige
+armen juichend op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de
+bouwmeesters van deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken
+willen paren, bood zijn dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze
+reusachtige hoop, de aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op
+Pelion voor den geest van alle revolutiën: 93 op 89, de 9 Thermidor
+op den 10den Augustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari, Vendémiaire
+op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite waardig; deze
+barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen, waar de
+Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij ze
+zóó bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de woede der baren
+ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende versteend rumoer te
+zien. Men meende boven deze barricade de groote, sombere bijen van
+den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als waren zij dáár op
+haar korf geweest. Was 't een haag? Was 't een dronkenmanspartij? Was
+'t een vesting? De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te
+hebben. In deze schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping
+iets van den Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben,
+gedeelten van vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen
+met al hun glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend,
+afgebroken schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke
+opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de
+bedelaar wegwerpt, en die tevens woede en het niet bevatten. Men zou
+gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk was, uit hout,
+ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St. Antoine
+ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en van
+haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot,
+verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen,
+horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen,
+gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der
+oude strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade
+St. Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de
+maatschappij naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; 't was geen
+gevecht, 't was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder
+eenige donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten,
+knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper
+zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als
+razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken,
+wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm;
+een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar;
+zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen,
+pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den
+wind; men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel,
+vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij
+was onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier,
+schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie
+omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de
+stem Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde
+zich uit deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. 't Was een
+mesthoop en 't was Sinaï!
+
+Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der
+revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de
+ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had
+tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit,
+het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en 't was de
+Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde.
+
+Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is
+een heldin.
+
+De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.
+
+De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de
+voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen
+zich de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar
+holen, uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken,
+onder den kruitdamp. Het schroot verdween er in het wanstaltige;
+de houwitsers zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de
+kanonskogels boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te
+kanonneeren? En de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten
+van den oorlog, aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat
+een wild dier, een wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn
+hoogte geleek.
+
+Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieille du Temple,
+die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag men in de
+verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te steken,
+gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan de
+overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van
+Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen
+muur die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van
+koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof
+de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te
+sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad,
+vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk
+ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommige Romeinsche
+muren, aan zijn nauwkeurigen bouw schaadde. Naar zijn hoogte kon men
+zijn breedte raden. De kruin was evenwijdig met het voetstuk. Op zekere
+afstanden onderscheidde men op de grijze oppervlakte schier onzichtbare
+schietgaten, die zwarte draden geleken. Deze schietgaten waren door
+even groote tusschenruimten van elkander gescheiden. Zoover men zien
+kon, was de straat ledig. Al de deuren en vensters waren gesloten. Aan
+het einde verhief zich deze versperring, welke van de straat een slop
+maakte; 't was een beweginglooze stille muur; men zag er niemand,
+hoorde er niets; geen kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.
+
+De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk gevaarte.
+
+'t Was de barricade der voorstad van den Tempel.
+
+Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de
+stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken
+komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegd en somber. Er was daar
+wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het hoofd dezer barricade
+een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit, en sprak zacht.
+
+Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een
+volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden,
+hoorde men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel,
+òf gekwetst òf dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten
+vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een
+kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade
+hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte
+en potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit
+werd niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat
+lagen hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij,
+dat een witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer
+verloochent zich niet.
+
+In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.
+
+Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag,
+en dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.
+
+Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der
+voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt,
+aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend
+dit somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood
+kwam. Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de
+brug, zorgende dat hun schako's er niet boven uitkwamen.
+
+De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade
+huiverend.--"Welk een bouwstuk!" zeide hij tot een
+vertegenwoordiger. "Geen enkele straatsteen, die uitsteekt. 't Is zoo
+glad als porselein."--Juist verbrijzelde een kogel het kruis op zijn
+borst, en hij viel.
+
+"De lafaards!" zeide men. "Dat zij voor den dag komen! dat men hen
+zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich." De barricade der voorstad
+van den Tempel, die door tachtig man verdedigd en door tien duizend
+man aangevallen werd, hield zich drie dagen staande. Den vierden dag
+handelde men zooals te Zaatcha en te Constantine; men brak openingen
+in de huizen, kwam over de daken en de barricade werd genomen. Geen
+der tachtig lafaards dacht aan de vlucht; allen sneuvelden, behalve
+de aanvoerder Barthélemy, van wien wij aanstonds zullen spreken.
+
+De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade du
+Temple was de stilte. Deze beide schansen boden het onderscheid aan
+van het geduchte en het akelige. De eene scheen een muil, de andere
+een masker.
+
+Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand
+samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste
+barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.
+
+Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd
+Cournet, de andere Barthélemy. Cournet had de barricade St. Antoine
+gemaakt. Barthélemy de barricade du Temple. Iedere barricade droeg
+den stempel van haar bouwmeester.
+
+Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood
+gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel,
+oprecht en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige
+wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De
+oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven,
+en maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn
+gebaren en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan
+kwam; in het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na,
+was in Cournet iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na,
+in Danton iets van Herkules was.
+
+Barthélemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van treurige
+straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen loerde,
+hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het bagno werd
+gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.
+
+Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde,
+helaas! Barthélemy Cournet. 't Was een treurig tweegevecht. Eenigen
+tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier geheimzinnige
+avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven waarin de
+Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de Engelsche
+rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barthélemy opgehangen. De
+treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten gevolge
+van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig
+wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand
+bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg
+eindigde. Barthélemy stak bij alle gelegenheden slechts één vlag op:
+de zwarte vlag.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+WAT KAN MEN ANDERS IN DEN AFGROND DOEN DAN PRATEN.
+
+
+Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van den opstand,
+en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De barricade
+in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een begin,
+vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij geschetst
+hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.
+
+Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden
+de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de
+barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen
+de straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het
+van alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang
+van buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig
+als een muur en uitwendig als een kreupelbosch.
+
+Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke
+men als op den muur van een citadel kon klimmen.
+
+Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de herberg
+opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten
+verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit
+bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de
+gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd,
+de schade hersteld en de lijken weggevoerd.
+
+Men legde de lijken op een hoop in de straat Mondétour, van
+welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang
+rood geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de
+voorstad. Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.
+
+Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras was
+een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van. Feuilly
+besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg deze
+woorden te griffen:
+
+
+ Leven de volken!
+
+
+Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men
+nog op dien muur in 1848.
+
+De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachts gebruik
+gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen, 't geen de opstandelingen
+vrijer deed ademen.
+
+Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te nemen.
+
+Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken,
+die een ambulance was geworden, lagen op matrassen en bossen stroo
+vijf ernstig gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale
+garden werden het eerst verbonden.
+
+In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den
+zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.
+
+"'t Is hier de doodenkamer," zei Enjolras.
+
+In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars
+op den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk
+achter den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis,
+veroorzaakt door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.
+
+De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond
+nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.
+
+Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds
+deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den
+doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.
+
+Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De
+vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij
+hier waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op
+zeker oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt,
+onvermijdelijk het wrak der Medusa. Men moest zich aan den honger
+onderwerpen. 't Was in de eerste uren van dezen spartaanschen dag
+van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen omgeven die brood
+eischten, aan al deze strijders die om voedsel schreeuwden, antwoordde:
+"Waarom? 't Is drie uur. Om vier uur zullen wij dood zijn!"
+
+Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij verbood
+den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.
+
+Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen
+gevonden. Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder
+de keldertrap opging, zeide hij: "'t Is van den ouden voorraad van
+vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is geweest."--"'t Moet
+een fijn wijntje zijn," merkte Bossuet op. "Gelukkig, dat Grantaire
+slaapt. Zoo hij wakker was, zou 't moeielijk zijn deze flesschen te
+redden."--In weerwil van het gemor, nam Enjolras de vijftien flesschen
+in beslag, en opdat niemand er aan raken zou en zij als heilig zouden
+zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen, waarop de oude Mabeuf lag.
+
+Tegen twee uren 's morgens werd er appèl gehouden. Er waren nog
+zeven-en-dertig man.
+
+De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder
+in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade,
+deze soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis
+gehuld en geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een
+ontredderd schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er
+zich als zwarte gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen
+teekenden zich de zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel
+omhoog werden de schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke,
+onbepaalde tint, die misschien wit, misschien blauw is. De vogels
+vlogen met vroolijk getjilp. Het hooge huis achter de barricade,
+dat naar het oosten stond, had een rooskleurigen weerschijn. Aan het
+venstertje der derde verdieping speelde de ochtendwind met het grijze
+haar op 't hoofd van den doode.
+
+"Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan," zei Courfeyrac tot
+Feuilly. "De in den wind flikkerende vlam verveelde mij. Zij scheen
+bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de wijsheid der bloodaards;
+het verlicht slechts, wijl het beeft."
+
+De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.
+
+Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de volgende
+wijsbegeerte:
+
+"Wat is de kat?" sprak hij. "'t Is een middel van herstel. Toen de
+goede God de muis had geschapen, zeide hij: "Zie, ik heb een domheid
+gedaan. En hij schiep de kat. De kat is het erratum der muis. De muis
+met de kat te zamen is de herziene en verbeterde proef der schepping."
+
+Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de
+gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs
+van Cabuc, alsmede van Enjolras' strenge droefheid. Hij zeide:
+
+"Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas, Stephanus, Cromwell,
+Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad verricht
+hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo weifelend,
+en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs bij een
+burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord, om dien zoo te noemen,
+de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de vreugd overtreft
+van het menschelijk geslacht tot nut te zijn geweest."
+
+En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut
+later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de
+vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees
+op eenige passages door Malfilâtre vertaald, bijzonder op de wonderen
+bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op Brutus.
+
+"Cesar," zei Combeferre, "viel met recht. Cicero was streng jegens
+Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen hekeling. Wanneer
+Zoïlus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius, Visé Molière, Pope
+Shakspeare, Freron Voltaire, is dit volgens de oude wet van afgunst en
+nijd; het genie lokt berisping uit, groote mannen worden altijd min of
+meer aangeblaft. Maar tusschen Zoïlus en Cicero is onderscheid. Cicero
+was een rechter met de gedachte, evenals Brutus een rechter met het
+zwaard is. Ik voor mij laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard;
+maar de ouden lieten haar gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok,
+die de waardigheden, welke van het volk kwamen, uitdeelde alsof
+ze van hem kwamen, die niet opstond bij de komst van den senaat,
+en, gelijk Eutropius zegt, als koning, schier als tiran handelde,
+regia ac paenè tyrannica. Hij was een groot man, des te beter of des
+te slechter; de les komt des te hooger. Zijn drie-en-twintig wonden
+treffen mij minder dan de bespuwing van Christus' aangezicht. Cesar
+werd door de senatoren doorstoken; Christus werd door knechten in
+'t gezicht geslagen. Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God."
+
+Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven
+de sprekers stond, riep:
+
+"O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o gratiën van de
+Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken als
+een Griek van Laurium of van Edapteon!"
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+VERLICHTING EN VERDUISTERING.
+
+
+Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen sluipend had
+hij zich door de steeg Mondétour begeven.
+
+De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De
+wijze, waarop zij den nachtelijken aanval hadden afgeslagen, deed hen
+reeds bij voorbaat den aanval van den dageraad schier verachten. Zij
+wachtten hem glimlachend af. Zij twijfelden evenmin aan den goeden
+uitslag als aan hun zaak. Bovendien zou er spoedig hulp opdagen. Daarop
+rekenden zij. Met die lichtheid, waarmede men zich de zegepraal
+voorspelt, welke een der deugden van den Franschen krijgsman is,
+verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie tijdperken: te zes uren
+'s morgens zou een regiment, "dat men bewerkt had" omkeeren; des
+middags Parijs in volslagen opstand; met zonsondergang revolutie.
+
+Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond
+geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade,
+de groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.
+
+Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met
+een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van
+een zwerm bijen gelijkende.
+
+Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in
+de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen,
+met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze
+verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht,
+zeide hij:
+
+"Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat leger
+bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale garde. Ik
+heb de schako's van het vijfde linieregiment en de guidevlagjes van het
+zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge aangevallen worden. Wat
+het volk betreft, gisteren was het in gloed, maar van morgen verroert
+het zich niet. Er is niets te verwachten, niets te hopen. Evenmin
+van een voorstad als van een regiment. Ge zijt aan uw lot overgelaten."
+
+Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk
+als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde
+menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte
+ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.
+
+Dat oogenblik was kort.
+
+Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras toe:
+
+"Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en allen
+er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat
+zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk
+niet verlaten."
+
+Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met
+daverenden bijval werden zij toegejuicht.
+
+Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had;
+'t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande held,
+het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen der
+menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat op
+een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord spreekt
+en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het licht
+van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te hebben.
+
+Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den 6den Juni 1832,
+dat schier in denzelfden oogenblik de opstandelingen der barricade
+van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die historisch gebleven en in
+de gerechtsstukken vermeld is: "Men moge ons te hulp komen of niet,
+'t is ons onverschillig! Wij willen hier sneven tot den laatsten man."
+
+Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk
+gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+VIJF MINDER, EEN MEER.
+
+
+Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die het protest
+der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen gevoelen een
+uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een zonderling tevreden,
+een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig, maar de toon
+zegevierend was:
+
+"Leve de dood! Blijven wij allen hier!"
+
+"Waarom allen?" vroeg Enjolras.
+
+"Allen! Allen!"
+
+Enjolras hernam:
+
+"De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn
+voldoende. Waarom er veertig geofferd?"
+
+Zij antwoordden:
+
+"Wijl niemand zal willen heengaan."
+
+"Burgers!" riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van verstoordheid,
+"de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze nutteloos te
+verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het voor eenigen
+plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld worden evenals
+iedere andere."
+
+Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die soort
+van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die
+almacht mocht zijn, men morde echter.
+
+Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag,
+dat men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:
+
+"Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn, spreken."
+
+Het gemor vermeerderde.
+
+"'t Is overigens," merkte een stem in een groep aan, "gemakkelijk te
+zeggen heen te gaan. Maar de barricade is omsingeld."
+
+"Niet aan den kant der Hallen," zei Enjolras. "De straat Mondétour
+is vrij en door de Predikerstraat kan men de Markt des Innocents
+bereiken."
+
+"En dáár," hernam een andere stem in de groep, "zal men gevat
+worden. Men zal er in een sterken post van linietroepen of der voorstad
+vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet zien voorbijgaan en hem
+vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de barricade behooren? En
+men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit. Doodgeschoten."
+
+Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en
+beiden gingen in het benedenvertrek.
+
+Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over
+beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen;
+Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako's.
+
+"Met deze uniformen," zei Enjolras, "mengt men zich onder de soldaten
+en ontsnapt. Hier zijn er althans voor vier."
+
+En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.
+
+Niemand van de stoïcijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre nam
+het woord.
+
+"Welaan," zeide hij, "men moet een weinig medelijden hebben. Weet
+ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen. Laat zien. Zijn er
+vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen? Zijn er moeders,
+die met den voet een kind in slaap wiegen en door een aantal andere
+kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst eener moeder
+gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden, goed; ik wil
+'t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen schimmen van vrouwen
+de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het zij zoo, maar laat
+geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier zullen plaats hebben,
+zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en wil geen uitbreiding;
+en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord doodslag. Denkt aan
+de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert, Enjolras heeft
+mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat een verlicht
+venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde verdieping
+heeft gezien, en tegen het glas de waggelende schaduw van het hoofd
+eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen gewaakt en gewacht
+te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer. Dat deze dus ga
+en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik, moeder! Hij
+moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht worden. Wanneer
+men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt, heeft men
+het recht niet zich op te offeren. Dit zou 't zelfde wezen als zijn
+familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters, die zusters
+hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u doodschieten, ge zijt
+dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen brood hebben! 't is
+verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw verkoopt. O deze lieve, zoo
+bekoorlijke zachte wezens, die het huis met kieschheid vullen, die
+zingen, praten, die een bekoorlijken geur gelijken, die het bestaan
+der engelen in den hemel bewijzen door de reinheid der maagden op
+de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze aanbiddelijke brave wezens,
+die uw zegen en trots zijn, deze zullen gebrek lijden! Wat zal ik u
+zeggen? Er is een markt van menschenvleesch; en als ge dood zijt,
+kunt ge haar niet beletten er heen te gaan. Denkt aan de straat,
+denkt aan de menigte, die haar betreden; denkt aan de winkels, waar
+vrouwen met wulpschen opschik en op het slijk heen en wedergaan. Deze
+vrouwen zijn vroeger ook onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben,
+mogen hieraan denken. Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de
+gevangenis. St. Lazare, ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes,
+deze broze wonderen van schaamte, lieftalligheid en schoonheid,
+frisscher dan de seringen der maand Mei, zullen komen. Ha, gij
+hebt u laten dooden! Gij zijt er niet meer! goed; ge hebt het volk
+aan het koningschap willen ontrukken, en gij geeft uw dochters aan
+de politie over. Vrienden, weest voorzichtig, hebt medelijden. Die
+vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet gewoon er veel over na
+te denken. Men verlaat er zich op, dat de vrouwen geen opvoeding als
+die van den man hebben genoten, men belet ze te lezen, te denken,
+zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge haar beletten van
+avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er uw lijken te
+herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede jongens zijn,
+ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen het werk laten
+verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te gaan; 't is
+zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men zegt: Ik heb
+een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. 't Is spoedig gezegd,
+vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag zult gij er niet
+meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden! Ziet dat lieve
+gezonde kind met koontjes als een appel, dat babbelt, praat, lacht,
+welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat er van wordt
+als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter dan dit. Zijn
+vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid tot zich
+genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind had
+altijd honger. 't Was winter. Het weende niet. Men zag het de kachel
+naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was gestopt. Met
+zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei los en
+at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke beenen,
+dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak, antwoordde
+het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker gebracht,
+waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen in dat
+hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben Zondags
+te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun trouwe,
+ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle, dat dit
+kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog goed, en 't
+is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie liggen. Zijn ribben
+staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van onder het gras
+op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van slijk. Tusschen
+zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en raadpleegt met uw
+hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der verlaten kinderen
+vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier de vrouwen,
+de moeders, de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van
+u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij
+allen moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap
+en trots uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge
+u uitverkoren voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat
+ieder uwer zijn deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt
+niet alleen op de wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken
+moet. Men mag niet zelfzuchtig zijn."
+
+Allen lieten treurig het hoofd zinken.
+
+Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn
+verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet
+ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders der anderen en vergat de
+zijne. Hij wilde zich laten dooden. Hij zelf was "zelfzuchtig!"
+
+Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren hebbende,
+verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen, vervuld van
+geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had zich hoe
+langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het noodlottig
+oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.
+
+Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in
+de wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning
+kunnen opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het
+vermaak. Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver
+gekomen. Hij was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken;
+hetgeen onder zijn oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand;
+hij had een gevoel van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet
+op. Hij zag de heen en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde
+hen spreken alsof hun stemmen uit een afgrond kwamen.
+
+Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een
+punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts
+ééne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die gedachte niet
+verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog hij, dat het
+niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf opofferde.
+
+Hij verhief de stem en sprak:
+
+"Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers. Ik voeg
+mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u gezegd,
+zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen, moeders,
+zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen verlaten!"
+
+Niemand verroerde zich.
+
+"De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden uit
+het gelid!" herhaalde Marius.
+
+Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade,
+maar Marius was er de redder van.
+
+"Ik beveel het," riep Enjolras.
+
+"Ik verzoek het," zei Marius.
+
+Toen, door Combeferre's woorden verteederd, door 't bevel van Enjolras
+geschokt en door Marius' bede bewogen, begonnen deze heldhaftige
+mannen de een den ander te verraden. "Inderdaad," zei een jongeling
+tot een bejaard man, "gij zijt huisvader. Ga"--"Ga gij veeleer,"
+antwoordde de man, "gij hebt twee zusters te onderhouden."--En een
+wonderbare strijd ontstond. De een wilde zich niet door den ander
+uit de poort des grafs laten zetten.
+
+"Haasten wij ons," zei Courfeyrac, "binnen een kwartier zal het te
+laat zijn."
+
+"Burgers," hernam Enjolras, "'t is hier de republiek, en het algemeen
+stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die zich verwijderen moeten."
+
+Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met
+eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen.
+
+"Er zijn vijf man!" riep Marius.
+
+Er waren slechts vier uniformen.
+
+"Welnu," zeiden de vijf, "dan moet er één blijven."
+
+En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor
+de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.
+
+"Gij hebt een vrouw, die u bemint."--"Gij hebt een oude moeder."--"Gij
+hebt geene ouders meer, wat zal van uw drie broertjes worden?"--"Gij
+zijt vader van vijf kinderen."--"Gij hebt recht te leven; ge zijt
+eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te sterven."
+
+Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van
+heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen
+verwonderden zich volstrekt niet over elkander.
+
+"Haast u!" herhaalde Courfeyrac.
+
+Uit de groepen riep men tot Marius:
+
+"Wijs gij dengene aan, die blijven moet."
+
+"Ja," zeiden de vijf, "kies gij. Wij zullen u gehoorzamen."
+
+Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was;
+maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al
+zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog
+bleeker had kunnen worden.
+
+Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol van
+die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der Thermopylen
+ziet, riep hem toe:
+
+"Mij! mij! mij!"
+
+En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij
+zijn blik op de vier uniformen.
+
+In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op
+de vier andere.
+
+De vijfde man was gered.
+
+Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.
+
+Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.
+
+Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit
+instinct of bij toeval, door de steeg Mondétour.
+
+Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk
+kunnen doorkomen.
+
+De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mondétour hadden
+geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm te
+maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende: 't
+is waarschijnlijk versterking, en in 't ergste geval een gevangene. Het
+oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor dezen enkelen
+man zijn post verlaten zou hebben.
+
+Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hem opgemerkt,
+want aller oogen waren op de vijf gekozenen en op de vier uniformen
+gericht. Jean Valjean had gezien en gehoord; hij had stil zijn rok
+uitgetrokken en hem op den hoop der anderen geworpen.
+
+De opschudding was onbeschrijfelijk.
+
+"Wie is deze man?" vroeg Bossuet.
+
+"'t Is," antwoordde Combeferre, "een man, die anderen redt."
+
+Marius voegde er met ernstige stem bij:
+
+"Ik ken hem."
+
+Deze waarborg was voor allen voldoende.
+
+Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:
+
+"Wees welkom, burger."
+
+En hij voegde er bij:
+
+"Gij weet dat men hier sterven moet."
+
+Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn uniform
+aantrekken.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+WELKEN HORIZONT MEN VAN DE KRUIN DER BARRICADE ZIET.
+
+
+De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op deze plaats zonder
+erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras opgewekt en ten
+top gevoerd.
+
+Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo
+onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint
+Just en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest,
+in het genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins
+naar de denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen
+tijd verliet hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf
+zich over aan de uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er
+toe was gekomen, aan de eindelijke en gezegende herschepping der
+groote Fransche republiek in een groote algemeene menschenrepubliek
+te gelooven. Wat de middelen betreft, achtte hij bij een geweldigen
+toestand ook geweldige middelen noodig; hierin was hij niet veranderd,
+en hij behoorde nog altijd tot die vreeselijke en geduchte school,
+welke in het woord 1793 is samengevat.
+
+Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den
+loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag
+over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordig is, hebben
+dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen blik
+bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het hoofd
+op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het sterrenbeeld
+den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw. Enjolras riep:
+
+"Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden door licht
+overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken verbroederd,
+de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen zegenend,
+het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in volkomen
+vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den hemel,
+God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar
+geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de
+school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen,
+recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog
+meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het
+stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt,
+wat de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke
+geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan,
+die op de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen,
+die het monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de
+klauwen van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch
+waren. Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van
+het verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra
+bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij
+heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij
+hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk
+voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke
+monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft,
+zal hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor
+het overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor
+hem waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de
+op wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden,
+welke de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur,
+die haar bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan
+der waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij
+gaan de vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te
+gemoet. Geen fictiën, geen woekerplanten meer.--Het wezenlijke door het
+ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar op
+den top van Europa houden, en later in het middenpunt der continenten,
+in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks is bereids
+gezien. De amphyctionen hadden jaarlijks twee vergaderingen, de
+eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de Thermopylen,
+de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen hebben; de
+aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst in zijn
+schoot. 't Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door Griekenland
+werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te worden. Hoor
+naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der volken. Ik
+vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja, gij
+hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de
+menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult
+hier sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers,
+zoowel door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij
+een revolutie bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten,
+evenzoo verlichten revolutiën het geheele menschelijk geslacht. En
+welke revolutie zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie
+van het ware. Uit het politiek gezichtspunt bestaat er slechts één
+beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze
+souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee
+of meer dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat;
+maar in deze vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere
+souvereiniteit biedt een zeker gedeelte van zich zelve aan om het
+algemeene recht te vormen. Dat gedeelte, 't welk ieder aan allen in
+gelijke mate afstaat, heet gelijkheid. Het algemeen recht is niet
+anders, dan de bescherming van allen, die op het recht van ieder
+haar stralen schiet. Deze bescherming van ieder door allen heet
+broederschap. Het raakpunt van al deze vereenigde souvereiniteiten
+heet maatschappij. Deze vereeniging vormt een knoop, dien men den
+maatschappelijken band noemt. Sommigen zeggen maatschappelijk verbond,
+'t geen hetzelfde is, wijl in het woord verbond het denkbeeld van band
+besloten is. Verstaan wij elkander aangaande de gelijkheid; want zoo
+de vrijheid het toppunt is, is de gelijkheid de basis. De gelijkheid,
+burgers, is geen even hooge wasdom van den geheelen plantengroei, geen
+maatschappij van hooge grashalmen en kleine eiken; een verzameling
+van ongelijksoortige grootheden, die elkander schaden; maar in het
+burgerlijke voor alle bekwaamheden dezelfde kansen; in het politieke
+de gelijke kracht van alle stemmen; in het godsdienstige hetzelfde
+recht voor ieders geweten. De gelijkheid heeft een orgaan. Het
+kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met het recht op het
+a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen opgelegd, het
+middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt worden. Ziedaar de
+wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der maatschappij. Ja,
+onderwijs! licht! licht! alles komt van 't licht en keert er in
+terug. Burgers, de negentiende eeuw is grootsch, maar de twintigste
+eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer naar de oude geschiedenis
+gelijken; men zal niet meer, gelijk thans, een vijandelijken inval te
+vreezen hebben, een overweldiging, een gewapenden naijver der natiën,
+een staking der beschaving ten gevolge van een huwelijk tusschen
+koningen, een geboorte in de erfelijke tirannieën, de verdeeling van
+volken door een congres, een ontleding ten gevolge van den val eener
+dynastie, een strijd van twee godsdiensten, die elkander, als twee
+bokken uit de schaduw op de brug van het oneindige ontmoeten; men
+zal geen hongersnood, geen uitputting, geen prostitutie uit armoede,
+geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen schavot, geen zwaard,
+geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het toeval in het woud
+der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier kunnen zeggen,
+dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats hebben. Men
+zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet vervullen,
+zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen tusschen
+de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de ster
+om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u
+spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt
+de toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke
+geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren
+wij het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken,
+zoo niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, 't is hier
+de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden;
+deze barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud
+ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden
+en een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst
+er den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met
+mij herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het
+geloof. Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de ideeën hun
+onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen
+zich mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in
+den glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood ingaan."
+
+Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als
+ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om
+hem nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar
+men fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel
+van het verstand het geritsel der bladeren.
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS VERWILDERD, JAVERT LAKONISCH.
+
+
+Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius omging.
+
+Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd,
+dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was
+verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der
+groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij
+gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij
+reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden
+slechts met de oogen van een doode.
+
+Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij
+er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft
+overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven
+omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.
+
+Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.
+
+Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en
+scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen:
+"ik ken hem."
+
+Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men
+zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij
+zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid
+geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor
+hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang
+geleden, dat hij hem niet gezien had, 't geen, wegens den bedeesden,
+afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog vergrootte.
+
+De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mondétour de
+barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner
+verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de
+achterblijvenden.
+
+Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden, vertrokken
+waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij trad het
+benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in gedachten.
+
+"Hebt ge aan iets behoefte?" vroeg hem Enjolras.
+
+Javert antwoordde:
+
+"Wanneer zult ge mij dooden?"
+
+"Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen noodig."
+
+"Geef mij dan iets te drinken," zei Javert.
+
+Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden
+was hielp hij hem drinken.
+
+"Is dat alles?" vroeg Enjolras.
+
+"Ik bevind mij slecht aan dezen paal," antwoordde Javert. "'t Is niet
+vriendelijk van u dat ge mij den nacht zoo hebt laten doorbrengen. Bind
+mij zooals 't u belieft, maar ge kunt mij wel op een tafel laten
+liggen, evenals den andere."
+
+En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.
+
+Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert,
+een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De
+patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel
+ledig was.
+
+Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den
+paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een
+bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden,
+bond om zijn beenen een sterk, dun touw 't welk hem veroorloofde korte
+schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen,
+en zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop
+men hem stevig gebonden neerlegde.
+
+Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den
+hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn
+doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.
+
+Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur,
+met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze
+man wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en
+herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen
+neder en zeide bij zich zelven niets dan: "'t is zeer natuurlijk."
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE TOESTAND WORDT ERGER.
+
+
+Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen deur opende
+zich. 't Was de morgenstond, maar niet de ontwaking. Het einde der
+straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij gezegd hebben,
+door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de voorbijgangers
+een akelige stilte aan. De straat St. Denis was even eenzaam als de
+straat der sphinxen te Thebe. Geen levend wezen vertoonde zich op de
+pleinen, die door een flauwen zonnestraal verlicht werden. Niets is
+treuriger dan deze glans in de doodsche straten.
+
+Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige
+beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals
+den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.
+
+De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek
+der vijf personen, had men haar nog verhoogd.
+
+Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen had
+bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een ernstig
+besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg Mondétour, die tot
+hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men nam tot dit eind nog
+langs eenige huizen de steenen uit de straat, zoodat de barricade,
+die drie straten versperde, in het front der Chanvreriestraat,
+links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts de straat
+Mondétour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie fronten, maar
+geen uitgang. "'t Is een vesting," zei Courfeyrac glimlachend,
+"maar tevens een muizenval."
+
+Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen
+opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren genomen.
+
+Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen,
+zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.
+
+Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.
+
+Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een bestorming
+gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den schouwburg. Men leunt
+op, men steunt tegen, men verschanst zich achter iets. Sommigen maken
+zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert zich van een muur,
+die hindert, men verschuilt zich achter een uitspringenden hoek, die
+beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend; zij nemen plaatsen,
+die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken zich gereed om
+zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen dooden en op
+confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van Juni 1848
+had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich op het
+plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij schoot;
+hij werd hier door het schroot getroffen.
+
+Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden
+alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen
+oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is,
+loopt in één punt samen en verandert zich in afwachting van den
+aanval. Een barricade is vóór het gevaar een chaos, in het gevaar
+heerscht er de strengste krijgstucht. Het gevaar maakt de orde.
+
+Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en
+zich bij een soort van schietgat geplaatst had, 't welk hij zich
+had voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk
+langs den straatsteenen muur. 't Waren de hanen der geweren, die
+werden overgehaald.
+
+Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit; de
+overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop meer,
+maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms overwinning
+geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen ontstaan
+uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms het
+middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt
+dan een reddingsplank.
+
+Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever
+geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar was.
+
+Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de
+richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten
+aanval. Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar
+voorwerp, het gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van
+plechtig geraas kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht
+was. Deze oude vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer
+van belangen en ideeën, en niet voor het schrikkelijk gerol der
+oorlogswielen, dreunden.
+
+De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde
+der straat.
+
+Een kanonstuk verscheen.
+
+Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee
+artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen;
+de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont rooken.
+
+"Vuur!" riep Enjolras.
+
+De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een
+rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na
+eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen
+kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het
+langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.
+
+Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den
+ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop
+richt.
+
+"Bravo, kanonniers!" riep Bossuet.
+
+En de geheele barricade klapte in de handen.
+
+Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat,
+schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen
+de barricade.
+
+"Nu aan 't werk!" riep Courfeyrac. "Ziedaar den bullebak. Na den
+oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn grooten klauw naar ons
+uit. De barricade zal geducht geschud worden. Het geweer tast en
+beproeft, het kanon grijpt en bijt."
+
+"'t Is een achtponder, nieuw model en van brons," voegde Combeferre
+er bij. "Zulke stukken zijn onderhevig aan springen, wanneer men meer
+dan tien deelen tin op honderd deelen koper neemt. Te veel tin maakt
+ze te week. Daardoor komt het, dat er zich blaadjes en gaatjes in den
+loop vormen. Ten einde dit gevaar te voorkomen en de lading te kunnen
+versterken zou men misschien tot de handelwijze der veertiende eeuw
+moeten terugkeeren, namelijk een reeks van gesoldeerde stalen ringen
+om het stuk leggen."
+
+"In de zestiende eeuw," merkte Bossuet op, "had men gegleufde
+kanonnen."
+
+"Ja," antwoordde Combeferre, "dit vermeerdert wel de werpkracht,
+maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men op korten
+afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte juistheid,
+de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is niet recht
+genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme lijn van
+het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw ontstond
+door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen, zoowel
+voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon, deze
+despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een
+kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht
+zeshonderd mijlen in een seconde. Zoo groot is het overwicht van
+Jezus Christus op Napoleon."
+
+"Laadt opnieuw," zei Enjolras.
+
+Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou
+men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun
+geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.
+
+De angst was groot in de barricade.
+
+Het schot ging af en donderde.
+
+"Present!" riep een vroolijke stem.
+
+Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong,
+sprong Gavroche er in.
+
+Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de
+nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.
+
+Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.
+
+De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den
+omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, 't
+geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed uitbarsten.
+
+"Gaat zoo voort," riep Bossuet tot de artilleristen.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE ARTILLERISTEN NEMEN HET ERNSTIG OP.
+
+
+Men omringde Gavroche.
+
+Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem huiverend
+ter zijde en vroeg:
+
+"Wat komt ge hier doen?"
+
+"Wel," hernam de knaap. "En gij dan?"
+
+En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.
+
+Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in lag.
+
+Op strengen toon hernam Marius:
+
+"Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn brief
+bezorgd?"
+
+Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien
+brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had
+hij er zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich
+zelven bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had
+ter hand gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen
+onderscheiden. 't Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit was
+niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine verwijtingen
+en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de verlegenheid te redden,
+nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij loog afschuwelijk.
+
+"Burger," zeide hij, "ik heb den brief aan den portier gegeven. De
+dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief hebben."
+
+Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad:
+Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.
+
+Hij moest zich met de helft van 't geen hij wilde tevreden stellen.
+
+De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van den heer
+Fauchelevent in de barricade, verscheen voor zijn geest als een
+zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den heer Fauchelevent
+en vroeg:
+
+"Kent ge dien man?"
+
+"Neen," zei Gavroche.
+
+Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean slechts
+in de duisternis gezien.
+
+De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan waren,
+verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent? Misschien
+was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn tegenwoordigheid
+bij dit gevecht zeer natuurlijk.
+
+Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en
+riep: "mijn geweer!"
+
+Courfeyrac deed het hem teruggeven.
+
+Gavroche verwittigde "de kameraden," zooals hij hen noemde,
+dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij
+teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine
+Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl
+aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat
+bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.
+
+Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:
+
+"Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten."
+
+Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn schietgat.
+
+De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van
+hun kanonschot, hadden het niet herhaald.
+
+Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het kanonstuk
+bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten daarvan
+tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van
+borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek
+dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon
+der voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.
+
+Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren
+der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en
+zag den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig
+links richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De
+kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.
+
+"Bukt! Bij den muur!" riep Enjolras, "allen op de knieën langs de
+barricade!"
+
+De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij
+Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijlden dooreen naar de
+barricade; maar vóór dat Enjolras' bevel volbracht was, geschiedde
+een losbranding met het vreeselijk gekraak van schrootvuur. 't Was
+werkelijk een schrootschot.
+
+Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den
+muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.
+
+Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen. Het
+schroot kwam er in.
+
+Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.
+
+"Laat ons ten minste het tweede schot beletten," zei Enjolras.
+
+Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk,
+die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.
+
+Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond, met
+zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen
+eigen, 't welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den
+oorlog zal dooden.
+
+Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.
+
+"Hoe jammer!" zei Combeferre. "Dit bloedvergieten is
+afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er
+geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge
+ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat 't een innemend jongeling is;
+hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der artillerie
+zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een familie;
+hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan vijf-en-twintig
+jaar zijn; hij kon uw broeder wezen."
+
+"Hij is 't," zei Enjolras.
+
+"Ja," hernam Combeferre, "ook de mijne. Welnu, dooden wij hem niet."
+
+"Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn."
+
+En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van Enjolras.
+
+Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De artillerist
+draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en opgeheven hoofd
+als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het kanon en bleef
+bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een straal bloed
+stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij was dood.
+
+Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk eenige
+minuten gewonnen.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+AANWENDING VAN HET OUDE WILDSTROOPERSTALENT EN VAN HET ONFEILBAAR
+SCHOT, DAT OP DE VEROORDEELING VAN 1796 VAN INVLOED IS GEWEEST.
+
+
+De meening in de barricade was verschillend. Het kanon zou weder gelost
+worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet langer dan een
+kwartieruurs uithouden. 't Was een volstrekte noodzakelijkheid het
+schrootvuur onschadelijk te maken.
+
+Enjolras gaf bevel:
+
+"Er moet daar een matras gelegd worden."
+
+"Men heeft er geene," zei Combeferre. "De gekwetsten liggen er op."
+
+Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op een
+straatpaal, met het geweer tusschen de knieën gezeten, aan 't geen
+plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de omstanders
+niet te hooren, die tot elkander zeiden: "Ziedaar een geweer, dat
+niets uitricht."
+
+Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.
+
+Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat
+Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen,
+om zich tegen de kogels te beveiligen. 't Was een dakvenster van
+een huis met zes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De
+matras rustte onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen,
+die aan spijkers in 't kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen
+duidelijk, maar fijn als een draad.
+
+"Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?" zei Jean
+Valjean.
+
+Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.
+
+Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.
+
+Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing
+nu nog slechts aan één touw.
+
+Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen
+de glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee
+droogstokken en viel op de straat.
+
+De barricade juichte.
+
+Alle stemmen riepen:
+
+"Wij hebben de matras!"
+
+"Ja," zei Combeferre, "maar wie zal ze halen?"
+
+De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen de belegerden
+en de belegeraars gevallen. Aangezien de dood van den sergeant der
+kanonniers de troepen had verbitterd, hadden de soldaten zich sedert
+eenige oogenblikken achter de rij steenen, door hen opgericht, plat op
+den buik gelegd en tegen de barricade het vuur geopend, in afwachting
+dat het kanon, 't welk gedwongen was te zwijgen, weder bediend
+kon worden. De opstandelingen beantwoordden het geweervuur niet,
+om hun munitie te sparen. De kogels stieten af tegen de barricade,
+maar vlogen vreeselijk in de straat terug.
+
+Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den
+kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en
+kwam in de barricade terug.
+
+Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig tegen
+den muur dat de artilleristen ze niet zagen.
+
+Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet
+lang uit.
+
+Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer
+teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was
+verkregen. De barricade was behoed.
+
+"Burger," zei Enjolras tot Jean Valjean, "de republiek dankt u."
+
+Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:
+
+"'t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft. 't Is de
+zegepraal van 't geen buigt op 't geen woedt. Om 't even, eere zij
+de matras, die een kanon machteloos maakt!"
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE DAGERAAD.
+
+
+Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.
+
+Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het oosten,
+op de achterplaats van het huis uitziende. Cosette wist niets van
+'t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij
+en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had:
+"Er schijnt iets gaande te zijn." Cosette had niet lang, maar goed
+geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, 't geen misschien een
+weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius
+was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar
+oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.
+
+Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde
+stemming. Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zij ondervond,
+gelijk Jean Valjean eenige uren te voren, die omkeering der ziel,
+welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij begon met alle kracht te hopen,
+zonder te weten waarom. Maar daarop werd haar hart beklemd.--Sinds
+drie dagen had zij Marius niet gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat
+hij haar brief moest ontvangen hebben, dat hij wist waar zij was,
+dat hij zoo schrander was en wel middel zou vinden om tot haar te
+komen.--En dit zekerlijk heden, misschien denzelfden morgen.--Het was
+klaarlichte dag, maar de lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat
+zij meende, dat het zeer vroeg was; dat zij echter moest opstaan,
+om Marius te ontvangen.
+
+Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit bijgevolg
+voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping werd
+aangenomen; alles was zeker en gewis. 't Was reeds erg genoeg,
+drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, 't was
+verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des
+Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo
+is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart
+nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst
+tegen een onbekende, die zij zelve is. 't Is voor haar zeer natuurlijk,
+gelukkig te zijn. 't Is alsof zij hoop inademt.
+
+Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens
+deze afwezigheid had gezegd, die slechts één dag moest duren, en
+welke verklaring hij er haar van gegeven had.
+
+Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat
+men laat vallen, zich verbergt, en hoe kunstig het zich onvindbaar
+weet te maken. Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen,
+zij verschuilen zich in een hoekje van ons brein: 't is gedaan; zij
+zijn verloren; 't is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was
+een weinig verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar
+geheugen; zij zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en
+zij er wezenlijk aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius
+tot haar had gesproken.
+
+Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel
+en het lichaam, haar gebed en haar toilet.
+
+Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet de
+kamer eener maagd. De poëzie zou het nauwelijks wagen, het proza mag
+'t geheel niet.
+
+'t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in
+de schaduw; 't is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet
+aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is
+aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat
+zich ontbloot, deze hemelsche halve naaktheid, die zich zelve schuwt,
+de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich voor den
+spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat zich
+haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend meubelstuk
+of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de vastgehaakte
+lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen van koude
+en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die schier
+gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs zich
+voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den dageraad,
+'t betaamt niet, dit alles te beschrijven; 't is reeds te veel het
+aan te duiden.
+
+Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van
+een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid
+van te kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik,
+het waas der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel
+zijn grove zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet
+weet dat zij kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom,
+en nog geen beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte
+van het ideaal. Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier
+is aanschouwing ontheiliging.
+
+Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes
+ontwaking mededeelen.
+
+Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen,
+maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde,
+zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes
+en bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.
+
+Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, 't geen destijds
+zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen niet
+met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het haar
+droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de hoop
+iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje van
+de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden
+te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en
+daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk;
+voor het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een
+klein gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij
+besloot eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius
+van daar zou komen.
+
+Eensklaps begon zij te schreien. 't Was geen aandoenlijkheid van ziel;
+maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; 't was haar toestand van
+dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets verschrikkelijks. Gewis
+zweven de zaken in de lucht. Zij zeide bij zich zelve, dat zij van
+niets zeker was; dat, wanneer men elkander uit het oog verloor, men
+elkander verloren had; en het denkbeeld dat Marius uit den hemel tot
+haar zou komen, scheen haar niet meer bekoorlijk, maar somber.
+
+Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar
+terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op
+God vertrouwde.
+
+Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte. Geen
+vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw
+Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk,
+dat haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel
+lijden, want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was
+geweest; zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een
+licht was bepaald onmogelijk.
+
+Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij
+zeide: 't Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open en
+dicht slaat. 't Waren de kanonschoten tegen de barricade.
+
+Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een
+uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de
+omvang van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van
+boven in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde
+haar vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje
+vloog heen en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De
+opgaande zon overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet:
+"vermenigvuldigt u" lag daar glimlachend en verheven, en dit liefelijke
+geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met het haar in het
+zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de liefde, uitwendig
+door het morgenrood beschenen, boog zich werktuiglijk, en, zonder zich
+schier te durven bekennen dat zij tegelijkertijd aan Marius dacht,
+aanschouwde zij die vogels, dat gezin, dat mannetje en wijfje, en
+die jongen, met die diepe ontroering, welke een vogelnestje bij een
+maagd verwekt.
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+HET GEWEERSCHOT DAT NIETS MIST EN NIEMAND DOODT.
+
+
+Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het
+schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te
+veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel van Corinthe
+leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door
+geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe
+meer allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich
+moeten verwijderen. 't Is overigens een tactiek bij den aanval van
+barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie
+der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het
+vuur te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur
+bespeurt, dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot
+de bestorming over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de
+barricade antwoordde niet.
+
+Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van
+de hoogste verachting.
+
+"Goed," zeide hij, "scheurt linnen. Wij hebben pluksel noodig."
+
+Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide
+tot het kanon:
+
+"Ge begint te beuzelen, goede man."
+
+Men intrigueert in een gevecht als op een bal.
+
+'t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de belegeraars
+begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen; dat
+zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen
+heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde,
+die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de
+belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een
+pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn
+blik viel lijnrecht in de barricade.
+
+"Dat is een lastige toeschouwer," zei Enjolras.
+
+Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij
+had zijn geweer.
+
+Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een
+seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de
+straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.
+
+Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier,
+Jean Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw
+aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den
+soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in
+allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen
+meer op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.
+
+"Waarom hebt ge den man niet gedood?" vroeg Bossuet aan Jean Valjean.
+
+Jean Valjean antwoordde niet.
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE WANORDE ALS HANDLANGER DER ORDE.
+
+
+Bossuet fluisterde Combeferre in 't oor:
+
+"Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord."
+
+"'t Is een man, die goed doet met geweerschoten," zei Combeferre.
+
+Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd
+bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich
+dapper tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd
+en onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein
+van Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets
+te doen had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en
+liet zich dooden om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd,
+te herstellen. In dien tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd
+hadden de belangen hun paladijns, evenals de ideeën hun ridders
+hadden. Het proza van het bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid
+der beweging. De vermindering van den geldstapel deed bankiers de
+Marseillaise zingen. Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor;
+en met lacedemonische geestdrift verdedigde men den winkel, deze
+oneindige verkleining van het vaderland.
+
+'t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig was. 't
+Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander in strijd
+kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden komen.
+
+Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd
+met regeeringsgezindheid. Men was vóór de orde, zonder tucht. Een
+tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel
+der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of
+gene kapitein ging op eigen gezag in 't vuur; deze of gene nationale
+garde streed voor zijn idée en voor eigen rekening. In oogenblikken
+van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te rade met
+zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde waren
+echte guerillero's, eenigen van den degen als Fannicot, anderen van
+de pen als Henry Fonfrède.
+
+De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer
+vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep
+beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet;
+iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde
+haar, naar zijn zienswijze; en de eerste de beste nam de taak op zich
+de maatschappij te redden.
+
+De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale
+garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde
+binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk
+een geïmproviseerde rechtbank had Jean Prouvaire gedood. Een wreede
+lynchwet, welke geen partij het recht geeft een andere verwijtingen te
+doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de republiek als in Europa
+door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is onderhevig aan allerlei
+vergissingen. Op een dag van opstand werd een jong dichter, genaamd
+Paul-Aimé Garnier, op het Koningsplein met de bajonnet vervolgd en
+ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort van het huis No. 6 te
+vluchten. Men riep: "'t Is ook een St. Simonist!" en men wilde hem
+dooden. Hij droeg een deel der gedenkschriften van den hertog de
+Saint-Simon onder den arm. Een nationale garde had op dit boek het
+woord "Saint-Simon," gelezen en geroepen: "Doodt hem!"
+
+Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de
+voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd,
+vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels
+dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de
+rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein
+Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van
+condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben,
+een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring
+niet wederstaan om vóór het bepaalde oogenblik vuur te geven, en aan
+de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de barricade in te
+nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning van de roode vlag
+en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel hield, laakte hij
+luid de generaals en de chefs der korpsen, die overlegden, en meenden
+dat het beslissend oogenblik der bestorming nog niet gekomen was, en,
+volgens een merkwaardige uitdrukking van een hunner, "den opstand in
+zijn vet lieten gaar koken." Maar hij voor zich vond de barricade rijp,
+en, wijl 't geen rijp is vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.
+
+Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als hij,
+"razenden," zooals een getuige zeide. Zijn compagnie, dezelfde die den
+dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van het bataljon,
+dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat men 't
+het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen tegen
+de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst
+volbracht, kwam de compagnie Fannicot duur te staan. Vóór zij twee
+derde van den weg had afgelegd, werd zij door een algemeen salvo der
+barricade begroet. Vier, de vermetelsten, die aan de spits waren,
+werden aan den voet der barricade neergeschoten, en deze moedige troep
+nationale garden, die echter de militaire standvastigheid misten,
+moest, na eenige weifeling, met achterlating van vijftien lijken
+terugtrekken. Het oogenblik van weifeling gaf den opstandelingen den
+tijd om hun geweren weder te laden, en een tweede, zeer doodelijke
+losbranding trof de compagnie, vóór zij den hoek der straat, haar
+wijkplaats, bereikt had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren
+en ontving de lading schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe
+hebbende, zijn vuur niet gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige
+Fannicot was een der gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood,
+dat wil zeggen: door de orde.
+
+Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde Enjolras.--De
+dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden en ons onze
+ammunitie voor niets verspillen.
+
+Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij
+was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De
+opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal
+schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch,
+een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging,
+die het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als
+de schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade
+manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook
+zijn 't gevechten van één tegen honderd, die immer met de inneming
+der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling te voorschijn
+kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit gebeurt soms. Dan
+komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te gloeien, overal
+verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, het quid divinum
+lost zich op, een 10e Augustus, een 20e Juli zweven in de lucht,
+een wonderbaar licht verschijnt, de gapende muil der macht wijkt, en
+het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig, dien profeet, Frankrijk.
+
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+VOORBIJGAANDE FLIKKERINGEN.
+
+
+In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een barricade
+verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel, geestdrift,
+ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en bovenal
+tusschenpoozen van hoop.
+
+Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop,
+schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der
+Chanvreriestraat.
+
+"Hoort," riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig oplettende;
+"mij dunkt, dat Parijs ontwaakt."
+
+'t Is stellig, dat in den morgen van den 6den Juni de opstand
+gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid, waarmede
+de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen op. In de
+straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden opgericht. Voor de
+poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een karabijn gewapend
+een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden op den boulevard,
+viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den escadrons-chef,
+en zeide, zich omkeerend: "Ziedaar, weder een die ons geen kwaad meer
+zal doen." Hij werd nedergesabeld. In de straat St. Dénis schoot een
+vrouw achter een nedergelaten jaloezie op de municipale garde. Bij
+ieder schot zag men de jaloezielatten trillen. Een veertienjarige
+knaap werd in de Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol
+patronen. Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang
+der straat Bertin-Poirée, werd een regiment kurassiers, aan welks spits
+generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel
+onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp
+men van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap;
+een slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte,
+zette de oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de
+woorden herinnerende van Suchet te Sarragossa: "Wij zijn verloren,
+zoo de oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten."
+
+Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde
+oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn,
+welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over
+die opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche
+voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men
+haastte zich, deze beginselen van brand uit te dooven. Men
+wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubuée, Chanvrerie en
+Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en
+alles in één slag te kunnen eindigen. In de oproerige wijken werden
+colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden, de kleine
+rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan met
+den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open, waaruit
+geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de samenscholingen
+op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging geschiedde niet zonder
+dat gewoel en gerucht, 't welk aan een botsing tusschen het leger en
+het volk eigen zijn. Dit was het, wat Enjolras in de tusschenpoozen
+van het kanon- en geweervuur hoorde. Bovendien had hij aan het einde
+der straat gekwetsten zien voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:
+
+"Deze gekwetsten komen niet van ons."
+
+De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan een
+half uur was de hemel donker; 't was als een bliksem zonder donder,
+en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede
+de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelaten
+hardnekkigen treft.
+
+De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was
+in de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de
+krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of
+vier barricaden wijden, die nog stand hielden.
+
+De zon rees aan den horizon.
+
+Een opstandeling zeide tot Enjolras:
+
+"Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder gegeten
+te hebben?"
+
+Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van
+het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.
+
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+WAARIN MEN DEN NAAM VAN ENJOLRAS' GELIEFDE LEZEN ZAL.
+
+
+Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat, schold steeds op
+het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht die noodlottige
+kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had hij er een
+spottend woord voor.
+
+"Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompe oude; het spijt
+mij, maar gij verspilt uw woede voor niets. Dit is geen donder,
+'t is maar hoesten."
+
+En men lachte rondom hem.
+
+Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar
+vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door
+scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid in.
+
+"Ik bewonder Enjolras," zei Bossuet. "Zijn onwrikbare vermetelheid
+verbaast mij. Hij leeft alleen, 't geen hem misschien een weinig
+somber maakt; Enjolras klaagt over zijn grootheid, die hem aan het
+weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben ten minste minnaressen,
+die ons dol, dat wil zeggen dapper, maken. Is men verliefd als een
+tijger, dan moet men ten minste wel als een leeuw vechten. Op die
+wijze wreken wij ons over de streken onzer dames-grisettes. Roland
+laat zich dooden, om Angélique boos te maken; al onze heldenmoed komt
+van onze vrouwen. Een man zonder vrouw is een pistool zonder haan;
+'t is de vrouw, die den man vuur doet geven. En Enjolras heeft geen
+vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch het middel om onverschrokken
+te zijn. 't Is iets wonderbaars, dat men koud als ijs en moedig als
+vuur kan zijn."
+
+Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem
+ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren: "Patria."
+
+Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:
+
+"Iets nieuws!"
+
+En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij
+er bij:
+
+"Ik heet achtponder."
+
+Inderdaad, een nieuw personage was op 't tooneel verschenen. 't Was
+een tweede stuk geschut.
+
+De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij
+bij het eerste.
+
+Dit bespoedigde de ontknooping.
+
+Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig
+bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der
+linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.
+
+Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee
+kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten,
+havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de
+andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De
+vier kanonnen vormden een akelige echo.
+
+De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.
+
+Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraat beukten,
+schoot het eene schroot, het andere kogels.
+
+Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de
+kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de
+brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.
+
+Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der barricade
+te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te dringen;
+dit is een teeken dat de bestorming nabij was.
+
+Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en van
+de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de
+aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot,
+misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen,
+gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing innemen.
+
+"Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd worden,"
+zei Enjolras en hij riep: "Vuur op de artilleristen!"
+
+Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had,
+gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of
+acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten
+rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden
+nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der
+kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort
+met ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.
+
+"'t Gaat goed," zei Bossuet tot Enjolras. "Wij slagen."
+
+Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:
+
+"Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de barricaden
+geen tien patronen meer zijn."
+
+Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+GAVROCHE BUITEN.
+
+
+Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de barricade, buiten op
+de straat, in den kogelregen.
+
+Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de
+snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der
+voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te ledigen.
+
+"Wat doet ge daar?" vroeg Courfeyrac.
+
+Gavroche zag even op en zeide:
+
+"Ik vul mijn mand, burger."
+
+"Ziet ge dan het schroot niet?"
+
+Gavroche antwoordde:
+
+"Welnu, het regent. Wat zou dat?"
+
+Courfeyrac riep:
+
+"Ga binnen!"
+
+"Aanstonds," zei Gavroche.
+
+En met een sprong was hij verder in de straat.
+
+Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij
+een rij lijken had achtergelaten.
+
+Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat
+verspreid. 't Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche;
+een voorraad patronen voor de barricade.
+
+De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op
+een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen,
+kan zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge
+huizen voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich
+gestadig; daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs
+het daglicht deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van
+het eene tot het andere einde dezer zoo korte straat zien.
+
+Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen,
+waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig
+voor Gavroche.
+
+Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid
+tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot
+gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.
+
+Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand
+tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen
+tot den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap
+een noot opent.
+
+Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest
+terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.
+
+Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.
+
+"Voor den dorst," zeide hij den hoorn in den zak stekende.
+
+Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den
+kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun
+borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad,
+om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen,
+dat zich in den kruitdamp bewoog.
+
+Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag, van
+zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel het lijk.
+
+"Verduiveld!" zei Gavroche. "Nu gaat men mijn dooden dooden."
+
+Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem
+springen. Een derde wierp zijn mand om.
+
+Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der
+voorstad kwam.
+
+Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de handen
+in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden gericht
+en hij zong:
+
+
+ On est laid à Nanterre,
+ C'est la faute à Voltaire,
+ Et bête à Palaiseau.
+ C'est la faute à Rousseau. [1]
+
+
+Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te verliezen, de
+patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging hij een
+vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier door
+een geweerkogel getroffen.
+
+Gavroche zong:
+
+
+ Je ne suis pas notaire,
+ C'est la faute à Voltaire,
+ Je suis petit oiseau,
+ C'est la faute à Rousseau. [2]
+
+
+Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem een derde couplet
+te ontlokken.
+
+
+ Joie est mon caractère,
+ C'est la faute à Voltaire,
+ Misère est mon trousseau.
+ C'est la faute à Rousseau. [3]
+
+
+Dit ging eenigen tijd zoo voort.
+
+'t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel. Gavroche,
+op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen zich
+ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers
+pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met een couplet. Men
+mikte gestadig op hem, doch miste hem altijd. De nationale garden
+en de soldaten lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging
+liggen, stond weder op, verschool zich in den hoek eener deur,
+sprong voorwaarts, verdween, kwam weder te voorschijn, liep weg,
+keerde terug, beantwoordde het geweervuur met een spottend gebaar,
+plunderde onderwijl de patronen, ledigde de patroontasschen en vulde
+zijn mand. Hijgend van angst volgden de opstandelingen hem met hun
+oogen. De barricade beefde; hij zong. 't Was geen kind, 't was geen
+man; 't was een zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van
+een straatjongen. Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het
+krijgsgewoel hebben gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was
+vlugger dan zij. Hij speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood;
+telkens wanneer het stompe gezicht van het spooksel hem naderde,
+bracht de straatjongen zijn vinger aan den neus.
+
+Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan
+de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen
+ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien
+dwerg was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen
+hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was
+Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en
+een lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen
+op, zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:
+
+
+ Je suis tombé par terre,
+ C'est la faute à Voltaire,
+ Le nez dans le ruisseau,
+ C'est la faute à..... [4]
+
+
+Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel van denzelfden
+schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht op de straat,
+en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was ontvloden.
+
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HOE MEN VAN BROEDER VADER WORDT.
+
+
+In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het Luxembourg,--want de
+blik van het drama moet overal zijn.--twee kinderen, die elkander bij
+de hand hielden. Het een mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn
+geweest. Zij waren doornat van den regen en gingen door de lanen
+aan de zonzijde; het oudste geleidde het kleinste; zij waren bleek
+en in lompen gekleed, en hadden 't voorkomen van schuwe vogels. Het
+kleinste zeide: "Ik heb grooten honger."
+
+De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn broertje
+bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.
+
+Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren
+gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen,
+die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.
+
+Hoe waren deze kinderen dààr gekomen? Misschien waren zij uit een
+even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den omtrek
+der barrière d'Enfer, of op de esplanade van het Observatoire,
+of op het naburig plein, waar men op een gevel leest: invenerunt
+parvulum pannis involutum [5], de tent van een koorddanser, waaruit
+zij gevlucht waren; misschien hadden zij den vorigen avond het oog
+der opzichters van den tuin bij de sluiting verschalkt en den nacht
+in een dier huisjes doorgebracht, waar men de dagbladen leest. Wáár
+was het, dat zij zwierven en vrij schenen. Wanneer men zwerft en vrij
+schijnt is men verloren. Deze arme kleinen waren inderdaad verloren.
+
+Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd had
+gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der echtgenooten
+Thénardier, ten huize van Magnon, vermeende kinderen van den heer
+Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken afgevallen en door
+den wind verstrooide bladeren.
+
+Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover
+den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen veranderd.
+
+Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der "verlaten
+kinderen," welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de straten
+van Parijs vindt.
+
+Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden dergelijke
+rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien hadden,
+zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen geen
+openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij als
+kinderen recht op bloemen hebben.
+
+Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er
+waren. Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen
+en er gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van
+hun waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij
+wordt flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den
+algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met
+hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en
+hadden de beide overtreders niet gezien.
+
+Het had den vorigen avond geregend en ook 's morgens nog een
+weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks
+bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend
+heeft. Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang
+van een kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen
+middags schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als
+'t ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen
+is een glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is
+alles druipnat, des namiddags is alles stof.
+
+Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en
+door de zon gedroogd is; 't is een warme frischheid. De tuinen en
+weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden
+wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht,
+zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De
+lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld
+te oefenen.
+
+Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des
+hemels aanschouwende, zeggen: 't is genoeg! droomers, die, in het
+wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid
+voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken
+beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met
+den honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de
+naaktheid van den arme des winters, met de wanschapenheid van een
+ellendig klein wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje,
+met den kerker en met in lompen van koude bibberende jonge meisjes,
+wanneer men onder het geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame
+menschen, die onbarmhartig tevreden zijn. Zonderling, het oneindige
+is voor hen voldoende. Het eindige, 't welk de omvatting toelaat,
+deze groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige,
+dat den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het
+onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke,
+het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen,
+mits zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd,
+altijd geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun
+leven. Voor hen is de geschiedenis der menschheid slechts een
+gedeeltelijk plan, waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel
+blijft er buiten; waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch,
+bezig te houden? De mensch lijdt, 't is mogelijk; maar zie naar
+Aldebaran die opgaat! De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene
+sterft; dit gaat mij niet aan; maar zie eens die fraaie figuren van
+een vezeltje van den hazelwortel onder de microscoop, de fijnste
+Mechelsche kant is er niets bij. Die denkers vergeten te beminnen. De
+dierenriem werkt zoodanig op hen, dat zij hen belet het weenende kind
+te zien. God verduistert hun ziel. 't Is een familie van tevens kleine
+en groote geesten. Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook
+Lafontaine; heerlijke egoïsten van het oneindige, stille aanschouwers
+der smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon
+den brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om
+daarbij de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten,
+geen geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles
+goed is, wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes
+boven hun hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben
+gelukkig te zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.
+
+'t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te beklagen
+zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet ze
+bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat tevens
+nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een ster
+in het midden van het voorhoofd.
+
+De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een
+verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt
+gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk
+Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het
+groote onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?
+
+Maar wien kan men dan vertrouwen? Solem quis dicere falsum audeat? [6]
+Alzoo zouden zekere geniale, zekere zeer verheven menschen,
+sterrenmenschen, zich kunnen bedriegen? Zou, wat hierboven, in het
+toppunt, aan de spits is en op de aarde zoo veel licht werpt, weinig,
+slecht, niet zien? Is dit niet om te vertwijfelen? Neen. Maar wat is
+er dan boven de zon? God.
+
+Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren 's morgens het Luxembourg, eenzaam
+en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden elkander
+in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in het
+middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen
+kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten
+huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De
+bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der leliën;
+de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt. Men ademde
+den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van Maria van
+Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en kleurde
+de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen in
+bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken
+van dezen gloed.
+
+Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de
+meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends;
+de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar
+was, ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche
+natuur wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing,
+morgenrood. De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht,
+als een kinderhandje dat men kust.
+
+De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen
+vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat
+gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten
+vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier
+en daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die
+van den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk
+na en schenen te dartelen.
+
+Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over van
+leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de onuitputtelijkheid
+der bron; en al deze van liefde bezwangerde koeltjes, in deze
+golving van lucht en licht, in deze wonderbare stralenpracht, in dien
+oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde men de mildheid van
+het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als achter een vlammend
+gordijn, zag men God, den millionnair van sterren.
+
+Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den
+regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zich gewasschen;
+al het fluweel, satijn, vernis, goud, dat in den vorm van bloemen
+uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet. Al deze heerlijkheid was
+zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur vulde den tuin. Een
+hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek, het gekir der
+vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van den wind. De
+gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot een liefelijk
+geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en verdwijnt, had zijn
+gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen kwamen te voorschijn;
+sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten waren te vroeg;
+de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde zich met de
+achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen verwisselden
+van huid. Het koeltje speelde in de prachtige kastanjeboomen. 't Was
+luisterrijk! Een veteraan der naburige kazerne keek door het hek en
+zeide: "De lente houdt parade in groot tenue."
+
+De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel;
+'t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en het
+groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte
+dit alles à giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder wezen
+had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de vink
+gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij bloemen,
+de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond elkander wel
+een weinig, 't geen de verborgenheid van het kwade in het goede is,
+maar geen dier had een ledige maag.
+
+De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen,
+en, door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te
+verbergen. 't Is het instinct van den arme en zwakke voor de, zelfs
+niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het zwanenhok.
+
+Nu en dan hoorde men bij 't draaien van den wind onduidelijke kreten,
+gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was,
+en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken
+naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in
+de verte.
+
+Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine herhaalde
+nu en dan zacht: "Ik heb honger."
+
+Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten
+vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de
+hand. Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had
+een grooten koek in de hand.
+
+Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten Madame
+en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan de
+bewoners gebruik maakten, wanneer de hekken gesloten waren; welke
+vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker uit
+een dier huizen.
+
+De twee arme kinderen zagen den "heer" naderen en verscholen zich nog
+meer. 't Was een burger, misschien dezelfde dien Marius zekeren dag
+in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten vijver, zijn zoontje
+den raad had hooren geven "van alle uitspattingen te vermijden." Hij
+had een vriendelijk en voornaam voorkomen, en een mond, die, nooit
+gesloten, altijd glimlachte. Deze werktuiglijke glimlach, door te
+groote kaakbeenderen en te weinig vel veroorzaakt, toonde meer tanden
+dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek had gebeten en er niet meer van
+at, scheen verwend. De kleine was in de uniform van nationale garde,
+om reden van den opstand; en de vader droeg zijn burgerkleeding,
+om reden van voorzichtigheid.
+
+Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide
+zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der
+zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de
+hunne was.
+
+In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, 't geen hun hoofdtalent
+is en zij vertoonden zich prachtig.
+
+Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren geweest
+om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man hebben
+kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:
+
+"De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik houd van
+geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde kleederen en
+tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen over."
+
+Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en
+het gerucht luider.
+
+"Wat is dat?" vroeg het knaapje.
+
+De vader antwoordde:
+
+"'t Zijn Saturnaliën."
+
+Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf achter
+het groene hok der zwanen stonden.
+
+"Dat is het begin," zeide hij.
+
+Na eenig zwijgen voegde hij er bij:
+
+"De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen."
+
+Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en
+begon te schreien.
+
+"Waarom schreit ge?" vroeg de vader.
+
+"Ik heb geen honger meer," antwoordde het knaapje.
+
+De glimlach des vaders kwam meer uit.
+
+"Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten."
+
+"Mij lust die koek niet; ze is oudbakken."
+
+"Ge wilt hem niet?"
+
+"Neen."
+
+De vader wees hem de zwanen.
+
+"Werp hem den zwanen toe."
+
+De knaap aarzelde. 't Is nog geen reden zijn koek weg te geven,
+wanneer men niet meer lust.
+
+De vader hernam:
+
+"Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren hebben."
+
+En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den vijver.
+
+De koek viel dicht aan den kant van 't water.
+
+De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of
+anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek gezien.
+
+De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en
+verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te
+telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot
+zich trok.
+
+Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden
+langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren
+betaamt.
+
+"De zwanen begrijpen de seinen," zei de burger, die zich verheugde,
+zoo schrander te zijn geweest.
+
+In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad
+toe. 't Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken duidelijker
+dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk tromgeroffel,
+geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen de stormklok
+en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een donkere wolk
+over de zon.
+
+De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.
+
+"Keeren wij naar huis," zei de vader. "Men bestormt de Tuilerieën."
+
+Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:
+
+"Van de Tuilerieën naar het Luxembourg is de afstand niet grooter dan
+die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet ver. Het
+zal geweerschoten regenen."
+
+Hij zag naar de wolk.
+
+"Misschien zal 't ook water regenen, de hemel bemoeit er zich mede;
+de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar huis."
+
+"Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten," zei het knaapje.
+
+De vader antwoordde:
+
+"'t Zou onvoorzichtig zijn."
+
+En hij voerde zijn kleinen burger mede.
+
+De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het
+hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien
+voor hem verborg.
+
+Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine zwervers
+den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste begluurde den
+koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.
+
+Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote
+trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.
+
+Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik
+op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand
+krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er
+schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den koek.
+
+Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart, en
+hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in 't water, die
+den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de zwanen uit
+en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den knaap. De
+zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De knaap trok
+den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep den koek en
+richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en dorst. De
+oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein; nam
+het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje, zeggende:
+
+"Ziedaar, stop dit in uw maag."
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE DOODE VADER WACHT DEN STERVENDEN ZOON. [7]
+
+
+Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was hem
+gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde
+terug met de mand patronen; Marius met den knaap.
+
+"Helaas!" dacht hij; wat de vader voor zijn vader had gedaan, deed
+hij voor den zoon; maar Thénardier had zijn vader levend weggedragen,
+hij bracht den knaap dood terug.
+
+Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam,
+was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.
+
+Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn
+hoofd geschampt, zonder dat hij er iets van bespeurd had.
+
+Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius' hoofd mede.
+
+Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde
+over beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den
+grijsaard en den knaap.
+
+Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had
+medegebracht.
+
+Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.
+
+Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den
+straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood,
+schudde hij het hoofd.
+
+"Een rare zonderling," zei Combeferre zacht tot Enjolras. "'t Is hem
+mogelijk in deze barricade niet te vechten!"
+
+"'t Geen niet belet dat hij ze verdedigt," antwoordde Enjolras.
+
+"Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen," hernam Combeferre.
+
+En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:
+
+"Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf."
+
+Het verdient opmerking, dat het vuur, 't welk de barricade teisterde,
+het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit getuige
+van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld
+vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze
+stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat,
+men schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te
+midden van het schrootvuur tot hem zeggen: "Wij zijn hier als aan een
+ontbijt van jongelieden." Zooals wij zeiden, scheen de barricade der
+straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en
+toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid
+was van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend
+wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder
+omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over
+haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard
+aan den somberen genius Epidotas wijdende.
+
+Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de
+gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit
+den kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en
+Bossuet zeide tot Feuilly: "Wij zullen spoedig per diligence naar de
+andere planeet vertrekken." Courfeyrac legde en rangschikte op eenige
+straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras, een
+geheel arsenaal: zijn stokdegen, zijn geweer, twee ruiterspistolen, een
+dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame, welke haar nécessaire
+in orde brengt. Jean Valjean zat stom tegen den muur over hem. Een
+werkman bond zich een grooten stroohoed van moeder Hucheloup op 't
+hoofd, uit vrees voor de zonnesteken, zooals hij zeide. De jongelieden
+der Kalebas van Aix koutten vroolijk met elkander, als haastten
+zij zich om voor het laatst hun landtaal nog eens te spreken. Joly,
+die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den wand had genomen,
+bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier beschimmelde
+korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze gretig. Marius
+dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou zeggen.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE GIER PROOI GEWORDEN.
+
+
+Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat den barricaden
+eigen is. Niets van 't geen dezen merkwaardigen straatoorlog
+karakteriseert mag worden voorbijgezien.
+
+Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht,
+en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in
+zijn slechts een visioen.
+
+In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van
+het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revolutiën zijn
+als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een droom
+gehad te hebben.
+
+Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius
+medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; 't is meer en 't is
+minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft verlaten, weet
+men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust van, dat men
+vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende denkbeelden,
+die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in het licht
+der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande schimmen. De
+uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men leefde
+in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag handen,
+waarop bloed kleefde; 't was een schrikkelijk, oorverdoovend geraas;
+tevens een schrikbarende stilte; er waren open monden die schreeuwden,
+andere open monden die zwegen; men was in rook, misschien in nacht. Men
+waande de akeligheden van onbekende diepten aanschouwd te hebben;
+men ziet iets roods op de nagels. Men herinnert zich niets meer.
+
+Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.
+
+Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het
+slaan eener klok.
+
+"'t Is middag," zei Combeferre.
+
+Nog vóór den twaalfden slag stond Enjolras op, en beval van de hoogte
+der barricade met donderende stem:
+
+"Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de
+vensterbanken. De helft der manschappen in 't geweer, de andere helft
+bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen."
+
+Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in
+slagorde aan het einde der straat. 't Kon niet anders dan de spits
+eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de
+aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der
+barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd
+waren ze te bestormen.
+
+Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de
+Clermont-Tonnerre, in 1822, den "halsstrik" noemde.
+
+Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed,
+aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar
+ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden
+der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen
+opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en
+vóór dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze straatsteenen
+een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de eerste
+verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die Feuilly,
+de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had, konden de
+geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te gemakkelijker
+geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen. Thans schoten
+de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een opening,
+en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.
+
+Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging, geplaatst
+waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping brengen,
+welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.
+
+"Wie zal ze drinken?" vroeg Bossuet.
+
+"Zij," antwoordde Enjolras.
+
+Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren
+boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te
+sluiten.
+
+De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg
+de slottoren.
+
+Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde
+der barricade.
+
+Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de
+munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun
+toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich
+vóór het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk aan het
+vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den aanval
+worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt;
+daarop volgt de donder.
+
+Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te
+verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven,
+hun dood een meesterstuk moest zijn.
+
+Hij zeide tot Marius: "Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal van
+binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let op."
+
+Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.
+
+Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert,
+tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:
+
+"De gekwetsten moeten niet gedeerd worden."
+
+Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen
+kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.
+
+"Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te
+vernielen. Heeft men ze?"
+
+"Ja," zeide Feuilly.
+
+"Hoeveel?"
+
+"Twee bijlen en een houweel!"
+
+"Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel geweren
+zijn er?"
+
+"Vier-en-dertig."
+
+"Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de andere,
+bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man in
+de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste
+verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen
+enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom
+den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade
+ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen hebben."
+
+Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en
+zeide tot hem:
+
+"Ik vergeet u niet."
+
+En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:
+
+"De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door den
+kop jagen."
+
+"Hier?" vroeg een stem.
+
+"Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan over
+de kleine barricade in de steeg Mondétour klimmen. Zij is niet hooger
+dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem daarheen voeren
+en fusilleeren."
+
+Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit
+was Javert.
+
+Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der
+opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:
+
+"Zijt gij de kommandant?"
+
+"Ja."
+
+"Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt."
+
+"In naam der republiek. De barricade heeft twee redders, Marius
+Pontmercy en u."
+
+"Meent ge, dat ik een belooning verdien?"
+
+"Zekerlijk."
+
+"Welnu, dan verzoek ik ze."
+
+"Welke?"
+
+"Dat ik dezen man doodschiet."
+
+Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare
+beweging, en zeide:
+
+"Juist zoo."
+
+Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag
+rondom zich.
+
+"Heeft niemand er iets tegen?"
+
+Toen zich tot Jean Valjean wendende:
+
+"Neem den spion."
+
+Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het einde
+der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht geknetter
+duidde aan, dat hij den haan overhaalde.
+
+Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.
+
+"Geeft acht!" riep Marius van den top der barricade.
+
+Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de
+opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:
+
+"Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik."
+
+"Allen naar buiten!" riep Enjolras.
+
+De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun
+rug zeggen:
+
+"Tot straks!"
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+JEAN VALJEAN WREEKT ZICH.
+
+
+Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij het touw los,
+waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks knoop zich
+onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te staan.
+
+Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin zich
+het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean nam
+Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband zou
+nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de herberg;
+want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer kleine
+passen doen.
+
+Jean Valjean had het pistool in de hand.
+
+Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen,
+uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar
+hen gekeerd.
+
+Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag
+hen voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd
+beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.
+
+Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder
+hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg
+Mondétour overklimmen.
+
+Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in
+de steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor
+de opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade
+gedragen lijken een gruwzamen hoop.
+
+Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend
+haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. 't Was
+Eponine.
+
+Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de grootste
+bedaardheid:
+
+"Mij dunkt, dat ik dit meisje ken."
+
+Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.
+
+Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een
+blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:
+
+"Javert, ik ben het."
+
+Javert antwoordde:
+
+"Neem nu uw wraak."
+
+Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.
+
+"Een mes!" riep Javert. "Gij hebt gelijk. Dat past u beter."
+
+Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had,
+vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de
+voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:
+
+"Ge zijt vrij."
+
+Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich
+zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij
+stond onbewegelijk, met open mond.
+
+Jean Valjean hernam:
+
+"Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval
+echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van
+Fauchelevent, in de straat de l'Homme-Armé No. 7 woon."
+
+Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent,
+en tusschen de tanden mompelde hij:
+
+"Pas op!"
+
+"Ga," zei Jean Valjean.
+
+Javert hernam:
+
+"Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat l'Homme-Armé?"
+
+"Nommer zeven."
+
+Javert herhaalde halfluid: "nommer zeven."
+
+Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een
+militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een
+zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean
+oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean
+Valjean toe:
+
+"Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!"
+
+Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot
+hem sprak.
+
+"Ga heen," zei Jean Valjean.
+
+Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den
+hoek der Predikersstraat om.
+
+Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de
+lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:
+
+"'t Is verricht."
+
+Inmiddels was het volgende gebeurd:
+
+Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was,
+had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden
+spion niet nauwkeurig opgemerkt.
+
+Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de barricade
+klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam een
+herinnering bij hem op. Hij herinnerde zich den politie-inspecteur
+der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze hem had ter hand
+gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze barricade bediend
+had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht, maar ook zijn naam.
+
+Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn
+denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich
+zelven de vraag: "Is dit niet die inspecteur van politie, die mij
+zeide, dat hij Javert heette?"
+
+'t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man tusschenbeide
+te komen. Maar vooraf moest hij weten, of 't werkelijk deze Javert was.
+
+Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade
+geplaatst had:
+
+"Enjolras!"
+
+"Wat?"
+
+"Hoe heet die man?"
+
+"Wie?"
+
+"De politieagent. Kent ge zijn naam?"
+
+"Ja. Hij heeft hem ons gezegd."
+
+"Hoe heet hij?"
+
+"Javert."
+
+Marius richtte zich op.
+
+Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.
+
+Jean Valjean kwam terug en riep: "'t Is geschied."
+
+Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.
+
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE DOODEN HEBBEN GELIJK EN DE LEVENDEN GEEN ONGELIJK.
+
+
+De doodsstrijd der barricade zou beginnen.
+
+Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten
+oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht
+van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet
+zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende
+kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen
+doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld,
+boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in
+de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry,
+die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de
+prachtige hemel vol zonneschijn en wolkjes, de schoonheid van den
+dag en de vreeselijke stilte der huizen.
+
+Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de
+Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten
+deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.
+
+In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons
+bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken
+aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde
+grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn
+in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten
+werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het
+woord orde in de ooren te fluisteren--dan was de burger, om zoo te
+spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met
+de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand
+niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de
+menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de
+stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven
+koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf,
+om het leger bij de inneming der barricade te helpen.
+
+Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee
+dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich
+niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De
+opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte,
+elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet,
+hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze
+muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk
+zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven,
+dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert
+vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In 't midden
+dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op,
+het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig;
+'t is verschrikkelijk!
+
+De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er
+ontzetting onder, 't geen een verzachtende omstandigheid is. Men
+heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in
+woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar
+de diepzinnige uitdrukking: "De verwoede gematigden." Er zijn
+ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige
+rook, de toorn opstijgt.--Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit
+tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds
+genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich
+niet uitredden, des te erger voor hen. Zij hebben 't zich zelven te
+wijten en verdienen het. 't Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme
+straat van kogels doorboord is. 't Is een hoop deugnieten. Open
+vooral de deur niet.--En het huis neemt de gedaante van een graf
+aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot
+of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat
+men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden
+beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben
+ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.
+
+Wien moet men beschuldigen?
+
+Niemand en iedereen.
+
+De onvolkomen tijden, welke wij beleven.
+
+'t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand
+verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat,
+van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt,
+weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan
+onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning,
+de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen
+verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er
+in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover
+de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.
+
+Maar is het wel ondankbaarheid?
+
+Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.
+
+Neen, uit dat van het individu.
+
+De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven
+van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred
+van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de
+groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke;
+hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft
+stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend
+Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn
+nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste
+smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis
+rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.
+
+God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft,
+Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den
+stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.
+
+Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou
+over 't algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapende toeneemt, want
+hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men
+hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang
+als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de
+hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor
+ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg
+is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan
+de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet
+heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.
+
+Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven
+der volken.
+
+Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan
+het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.
+
+Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk
+belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen,
+zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare
+hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten
+en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het
+geslacht, 't welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is
+niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten,
+die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen
+krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben
+jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader,
+ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar,
+ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen,
+ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.--Daardoor
+worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk
+geslacht ijskoud.
+
+Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden
+kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen,
+ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij,
+de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée,
+wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid,
+waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid,
+een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij
+vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude
+militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders
+dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende
+duisternissen. Zij bedient zich van den dood--iets zeer ernstigs. Het
+schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans, haar
+onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treft met het
+zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend;
+die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.
+
+Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen,
+is 't ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de
+toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet,
+niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij
+eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De
+overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de
+toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun
+verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons,
+die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is
+John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.
+
+Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.
+
+Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst,
+wanneer zij niet slagen.
+
+Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik
+verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men
+beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten,
+veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande
+maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden,
+grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld
+blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te
+strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij
+zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van
+goede bedoelingen is gemaakt.
+
+Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In 't algemeen, wij
+moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt,
+en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de
+maatschappij zelve af zich te redden; 't is op haar eigen goeden wil,
+dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het
+kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te
+genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.
+
+Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen, vooral wanneer zij gevallen
+zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met
+het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de
+onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver
+offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid;
+zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met
+dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden,
+gaan zij, gehoorzaam aan het goddelijk scenario, in het graf. En dezen
+hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij,
+om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14
+Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen
+te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is
+een beweging van God.
+
+Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij
+de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er
+zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde
+opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée,
+die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte
+boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een
+volksverbijstering.
+
+Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer
+de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op
+ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.
+
+Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig;
+eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl
+hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.
+
+Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het
+ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een
+opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig
+worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op
+een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was,
+bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden,
+en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet
+eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig
+spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen,
+half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte
+hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in
+Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden
+bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in
+Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de
+overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie
+op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder
+koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel
+lag zekerlijk ver, 't was misschien onduidelijk, en week bij de poging
+achteruit; maar het was grootsch.
+
+Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de
+geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen,
+waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling
+maakt den opstand dichterlijk en verguldt hem. Men werpt zich in deze
+treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie
+weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen
+zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet,
+de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand
+mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men
+gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte,
+maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd,
+dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de
+hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie,
+op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van
+het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste
+geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.
+
+Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben
+de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking
+dier dolende ridders. De groote massa's, de menigten, die uithoofde
+harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen;
+en in het ideale is iets avontuurlijks.
+
+Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote
+vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de
+maag het hart.
+
+Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft
+dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is
+het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.
+
+Omdat het kunstenaar is.
+
+Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone
+slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook
+de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te
+zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving,
+eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië
+gaf, 't welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende
+volken! Vitai lampada tradunt.
+
+Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element
+van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar
+de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een
+mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd
+wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men
+moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld,
+maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk
+geslacht het voorschrift van het ideale.
+
+Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de
+wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der
+poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het
+Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving
+is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone,
+en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet
+alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De
+kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de
+genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft:
+Alexander op den olifant.
+
+De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen
+zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het
+afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en
+den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert
+den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag
+te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke
+intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen
+vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene
+en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen
+heen, nog een straalkrans van beschaving.
+
+Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en
+Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het
+grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan
+andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En
+hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts
+gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt
+soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën,
+welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche
+grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van
+Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt
+dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril
+van klein te willen zijn. Dit is alles.
+
+Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om
+zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht
+terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en
+opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het
+licht is identisch met het voortbestaan van het ik.
+
+Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het
+graf in ballingschap, is voor den opofferingszin een aanneembaar
+geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de
+verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen,
+en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver
+achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het
+voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.
+
+Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan,
+de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het
+voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het
+blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die
+opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men
+wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal;
+daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar,
+waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat
+ik de staatslieden bemin.
+
+Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.
+
+Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan
+een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is
+ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte
+van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten
+ontmoeten. 't Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf
+en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk
+veroordeelde en welks eigenlijk titel "de vooruitgang" is.
+
+De vooruitgang!
+
+Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte,
+en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans
+gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen,
+is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te
+lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.
+
+Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde,
+in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en
+leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede,
+van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar
+het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten,
+van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht,
+van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is
+de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel
+aan het einde.
+
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE HELDEN.
+
+
+Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.
+
+De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in
+de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op
+klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald
+onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was
+beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De
+woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie,
+waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote
+massa's, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch,
+onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs
+aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen
+de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.
+
+De muur bleef staande.
+
+De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen
+bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de
+barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij
+schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts
+overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik
+later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.
+
+De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar
+schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de
+barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien,
+herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur
+bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet
+voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan
+de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood
+verspreidende. Daaronder was de barricade.
+
+Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was
+er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige
+wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd
+streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een
+einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den
+dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder
+bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd
+met lijken overdekt.
+
+Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere
+Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde
+en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder
+zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed
+ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve
+kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek,
+die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in
+het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en
+peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een
+spook kunnen noemen, dat schiet.
+
+De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In
+dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.
+
+Courfeyrac was blootshoofds.
+
+"Wat hebt ge met uw hoed gedaan?" vroeg Bossuet.
+
+"Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,"
+antwoordde Courfeyrac.
+
+Of zij hielden trotsche redenen.
+
+"Begrijpt ge," riep Feuilly bitter, "die mannen"--(en hij noemde namen,
+bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger)
+"welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te
+helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn
+en ons nu in den steek laten."
+
+Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:
+
+"Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de
+sterren beschouwt, zeer uit de verte."
+
+Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid,
+alsof het gesneeuwd had.
+
+De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede
+stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder
+'t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze
+bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde,
+was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel
+legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder
+den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk,
+en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker,
+tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.
+
+De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.
+
+Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat,
+een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in
+lompen gekleede, uitgeputte mannen, die sedert vier-en-twintig uren
+niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten
+konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier
+alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek
+verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde,
+slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden
+Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen,
+maar niet genomen.
+
+Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een
+hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. 't
+Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden
+vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De
+menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en
+'t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden
+rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en
+gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen
+het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht
+te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste
+der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.
+
+Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels,
+vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de
+daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men
+was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was,
+zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had
+glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met
+straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd
+gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die
+drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte,
+had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.
+
+Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral
+aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men
+zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.
+
+Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had,
+stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem
+een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier
+degens over; één meer dan Frans I te Marignan.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+VOET VOOR VOET.
+
+
+Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius
+aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac,
+Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het
+kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter
+een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door
+de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten
+gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot
+twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars
+een hellend vlak ter beklimming aan.
+
+Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming
+gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte,
+was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen
+in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was 't gedaan. De groep
+opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.
+
+Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het
+leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen,
+wilden niet meer sneven. 't Was een oogenblik, waarin het instinct van
+behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn
+treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter
+de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en
+als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de
+barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te
+sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit
+huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze
+wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de
+vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en
+met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met
+saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde
+verdieping zag het doode hoofd op hen neder.
+
+Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen
+geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten
+geroepen: "Nadert niet!" en een officier, hieraan niet gehoorzamende,
+werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats
+der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen,
+in de andere de karabijn, de deur der herberg open houdende, welke
+hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: "Er
+is slechts één open deur. Deze." Hen met zijn lichaam bedekkende
+en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter
+zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende
+zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de
+geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er
+ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen,
+de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig
+dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich
+aan den deurpost vastklampte, afsloeg.
+
+Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen
+verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen
+reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand
+hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor,
+liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een
+laatste herinnering aan Cosette mengde: "Ik ben gevangengenomen en
+zal gefusilleerd worden."
+
+Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag,
+had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik,
+wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te
+denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en
+sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de
+soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt
+werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de
+belegering der herberg.
+
+De soldaten, 't moet gezegd worden, waren vol toorn.
+
+De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog
+noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd,
+dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het
+lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten
+gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en 't was een dergelijk
+valsch gerucht, 't welk later den ongelukkigen afloop in de straat
+Transnonain ten gevolge had.
+
+Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:
+
+"Laten wij ons leven duur verkoopen."
+
+Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder
+het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene
+groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af
+onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en
+hing naar beneden. 't Was die van den grijsaard.
+
+Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen
+avond het voorhoofd had gekust.
+
+'t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.
+
+Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand
+geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke
+verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is
+mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide:
+"Capituleert," antwoordde Palafox: "Na den oorlog met het kanon,
+den oorlog met het mes." Niets ontbrak aan de stormende inneming
+der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters
+en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke
+uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit
+de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch
+de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte,
+de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg
+binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander
+puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen
+strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag
+in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te
+zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de
+eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot
+ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur
+los. 't Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen
+deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam
+ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden
+en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen
+boden zij den beklimmers het hoofd.
+
+'t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige
+bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde,
+helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes
+niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog
+is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur
+der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was
+moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode
+hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht
+was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit
+gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het
+afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen
+menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. 't Waren geen reuzen
+meer tegen kolossen. Het geleek meer naar Milton en Dante, dan naar
+Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.
+
+'t Was de heldenmoed tot monster geworden.
+
+
+
+
+
+
+
+DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+ORESTES NUCHTER EN PYLADES DRONKEN.
+
+
+Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van 't overschot
+der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan
+de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de
+laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig
+belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen,
+de meesten in 't gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging,
+verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer
+der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. 't
+Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts
+gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden
+der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem
+en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en
+daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen
+in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te
+maken. Een kreet ging op:
+
+"Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich
+daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten
+wij hem hier dood."
+
+"Ja, schiet mij dood," zei Enjolras.
+
+Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander
+geslagen, bood hij zijn borst aan.
+
+De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra
+Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep,
+hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en
+plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte
+over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen
+Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van
+zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond
+was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare,
+dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op
+dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd,
+schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was
+hij, na de vreeselijke vier-en-twintig uren, die verstreken waren,
+blozend en frisch. 't Was misschien van hem, dat later een getuige
+voor den krijgsraad zeide: "Er was een opstandeling, dien ik Apollo
+hoorde noemen."
+
+Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer
+latende zinken: "'t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten."
+
+Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en
+maakten zwijgend hun geweren gereed.
+
+Toen riep een sergeant: "Legt aan!"
+
+Een officier trad tusschenbeiden.
+
+"Wacht!"
+
+En zich tot Enjolras wendende:
+
+"Wilt ge, dat men u blinddoeke?"
+
+"Neen."
+
+"Is 't waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?"
+
+"Ja."
+
+Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.
+
+Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond
+in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel
+geleund.
+
+Hij was in de volle beteekenis, wat men "smoordronken" noemt. Het
+afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een
+soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de
+barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd
+in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de
+armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen
+slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets
+had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels,
+noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het
+ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan
+het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die
+hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen
+rondom hem; en op 't eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers
+des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet;
+de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De
+val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het
+gewoel wiegde hem.--De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras
+veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. 't Was de uitwerking
+van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin
+slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de
+armen uit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.
+
+De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken
+wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de
+dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en
+de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd
+is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te
+zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de
+nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde,
+verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.
+
+In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter 't biljart, hadden de
+soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt,
+en de sergeant was gereed om zijn commando "legt aan" te herhalen,
+toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:
+
+"Leve de republiek! Ik behoor er toe."
+
+Grantaire was opgestaan.
+
+De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij
+hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den
+herstelden dronkaard.
+
+Hij herhaalde: "Leve de republiek!" ging met vasten tred door de zaal
+en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.
+
+"Doodt er twee met één schot!" zeide hij.
+
+Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:
+
+"Veroorlooft gij 't mij?"
+
+Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.
+
+De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.
+
+Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur
+staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij
+het hoofd zinken.
+
+Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.
+
+Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste
+opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten
+door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De
+lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee
+voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten,
+werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man
+in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den
+buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.
+
+Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van
+het dak, en elkander niet willende loslaten, vielen zij te zamen
+in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten,
+geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.
+
+De barricade was ingenomen.
+
+De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de
+vluchtelingen te vervolgen.
+
+
+
+
+
+
+
+VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+GEVANGENE.
+
+
+Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.
+
+De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel,
+en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had,
+was die van Jean Valjean.
+
+Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er
+zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste
+oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. 't Was door
+hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig
+was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen
+en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder
+in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs
+persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en
+leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels
+hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen
+hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar
+wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een
+ongodsdienstige handeling ware.
+
+Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij
+Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen
+een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid
+eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.
+
+De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op
+Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag,
+terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de
+barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.
+
+Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergte in de
+straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor
+de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms
+bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën,
+voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. 't Was
+in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.
+
+Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond,
+leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.
+
+De toestand was vreeselijk.
+
+Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten,
+was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij
+herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de
+staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te
+ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij
+had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat
+slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn
+rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie
+sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men
+zag boven haar top een rij bajonetten. 't Waren de liniesoldaten, die,
+aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in 't oog hielden. 't
+Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te
+gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam,
+tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand
+had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.
+
+Wat te doen?
+
+Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.
+
+En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden,
+een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem;
+gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo
+'t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan
+of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.
+
+Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden
+hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten
+nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.
+
+Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een
+angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de
+kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige
+schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten
+zoo onmeedoogend bewaakt werd, zag hij, onder een hoop straatsteenen
+half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze
+rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet
+in 't vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren
+uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven
+zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen
+of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn
+oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal
+in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te
+lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op
+zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op
+ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen;
+het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop
+de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem,
+drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd,
+als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van
+een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.
+
+Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een
+soort van lange onderaardsche gang.
+
+Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.
+
+Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de
+straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij
+nu wegvoerde, was niet meer Cosette, 't was Marius.
+
+Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht,
+het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK II.
+
+DE INGEWANDEN VAN DEN LEVIATHAN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE AARDE DOOR DE ZEE VERARMD.
+
+
+Parijs werpt jaarlijks vijf-en-twintig millioen francs in het
+water. En dit is geen beeldspraak. Hoe en op welke wijze? Dag en
+nacht. Met welk doel? Zonder eenig doel. Met welke gedachte? Zonder
+eenige gedachte. Waarom? Om niets. Door welk orgaan? Door zijn
+ingewanden. Welke zijn zijn ingewanden? Zijn riolen.
+
+Vijf-en-twintig millioen is het laagste cijfer, 't welk de waardeering
+van het ingesteld wetenschappelijk onderzoek oplevert.
+
+De wetenschap heeft na lange waarneming thans uitgemaakt, dat de
+vruchtbaarste en werkzaamste mest de menschendrek is. De Chineezen
+wisten dit, wij zeggen het tot onze schande, eer dan wij. Geen
+Chineesche boer, Eckeberg zegt het, gaat naar de stad, zonder van daar
+aan de einden van zijn bamboe twee emmers mede te brengen, gevuld
+met hetgeen wij vuilnis noemen. Aan den menschelijken mest heeft
+de bodem in China het te danken, dat zij nog even versch is als in
+den tijd van Abraham. De Chineesche tarwe geeft honderd-twintigmaal
+het zaaisel terug. Geen guano is in vruchtbaarheid te vergelijken
+met de beer eener hoofdstad. Een groote stad levert de krachtigste
+meststof. Zoo men het land uit de stad bemestte, zou men zeker zijn
+van te slagen. Indien goud drek is, is onze mest daarentegen goud.
+
+Wat doet men met dien gouden mest? Men werpt hem weg.
+
+Men zendt met groote kosten schepen af om van de Zuidpool den mest
+van zeevogels te halen, terwijl men de onberekenbare grondstof van
+rijkdom, welke men in zijn bereik heeft, naar de zee zendt. Al de
+menschelijke en dierlijke mest, welke verloren gaat, zou, indien hij
+aan de aarde werd teruggegeven, in plaats van in het water geworpen,
+genoegzaam zijn om de wereld te voeden.
+
+Die vuilnishoopen aan de hoeken der straten, de karren met slijk,
+welke des nachts door de straten rollen, die afschuwelijke tonnen vol
+drek, die stinkende stroomen van onderaardsch slijk, dat de straat
+verbergt, weet ge wat dat is? Bloeiende weiden, weelderig gras,
+groente en vrucht; 't is wild, rundvee, 't is het tevreden geloei
+der ossen des avonds; 't is geurend hooi, gouden koren, brood op uw
+tafel, warm bloed in uw aderen, gezondheid, vreugde, leven. Zoo is
+de wet dier geheimzinnige schepping, welke de gedaanteverwisseling
+op aarde en de herschepping in den hemel is.
+
+Werp het in den grooten smeltkroes; uw voordeel zal er uitkomen. De
+voeding van het land geeft voedsel aan de menschen.
+
+Het staat u vrij, dezen rijkdom te verliezen en mij op den koop toe
+belachelijk te vinden. Dit zal het meesterstuk uwer domheid zijn.
+
+De statistiek heeft berekend, dat Frankrijk alleen door zijn
+riviermonden jaarlijks een som van een half milliard in den
+Atlantischen Oceaan werpt. Men bedenke, dat met deze vijfhonderd
+millioen het vierde van het staatsbudget kon betaald worden. Maar de
+mensch is zoo schrander, dat hij deze vijfhonderd millioen liever in
+de goot werpt. Het is het onderhoud van het volk zelf, 't welk hier
+bij droppels, daar bij stroomen, onze riolen in de rivieren en de
+rivieren in den oceaan uitbraken. Iedere lossing onzer riolen kost
+ons duizend francs, en heeft twee resultaten: de aarde verarmd en
+het water verpest; de honger die uit de voren, de ziekte die uit de
+rivieren komt.
+
+'t Is, bij voorbeeld, bekend, dat tegenwoordig de Theems Londen
+verpest.
+
+Wat Parijs betreft, heeft men in den laatsten tijd de meeste monden
+der riolen stroom-afwaarts, voorbij de laatste brug, moeten verleggen.
+
+Een dubbel buizenstoestel, voorzien van kleppen en spuisluizen,
+die tegelijk zuigen en persen, een draineer- of besproeiingsstelsel,
+even eenvoudig als de menschelijke long, dat bereids in verscheidene
+gemeenten van Engeland ingevoerd is, zou voldoende zijn om in onze
+steden het zuivere water der velden, en naar onze velden het rijke
+water der steden te voeren, en dit gemakkelijk heen- en wederbrengen,
+het eenvoudigste ter wereld, zou ons de vijfhonderd millioen francs
+doen behouden, die weggeworpen worden. Maar men denkt aan iets anders.
+
+De tegenwoordige handelwijze sticht kwaad, terwijl ze goed wil
+doen. De bedoeling is goed, het resultaat is treurig. Men meent
+de stad te zuiveren, en verzwakt de bevolking. Een riool is een
+misverstand. Wanneer overal de draineering, met haar dubbele
+uitwerking, door terug te geven wat zij neemt, het riool zal
+hebben vervangen, dat slechts een verarmende reiniging is, dan
+zullen, in verband met de uitkomsten eener nieuwe maatschappelijke
+staathuishoudkunde, de voortbrengselen der aarde vertienvoudigd
+worden en het vraagstuk der armoede aanmerkelijk vereenvoudigd
+zijn. Voeg daarbij de wegruiming van de daarop azende woekerdieren,
+en het raadsel zal opgelost wezen.
+
+Intusschen stroomt de algemeene rijkdom naar de rivier, en er bestaat
+een lek. Een lek is het juiste woord. Europa gaat aldus te gronde
+door krachtverlies.
+
+Ten aanzien van Frankrijk hebben wij zijn cijfer gezegd. Dewijl nu
+Parijs het vijf-en-twintigste gedeelte der geheele Fransche bevolking
+bevat, en de Parijsche guano de rijkste van alle is, blijft men
+beneden de waarheid, zoo men het gedeelte van het verlies voor Parijs
+op vijf-en-twintig millioen francs schat van het half milliard, dat
+Frankrijk jaarlijks wegwerpt. Deze vijf-en-twintig millioen zouden, tot
+onderhoud en genot aangewend, den luister van Parijs verdubbelen. De
+stad geeft ze uit aan riolen. Zoodat men kan zeggen, dat de grootste
+verkwisting van Parijs, zijn kostbaarst feest, zijn uitspatting,
+zijn praal, zijn weelde, zijn heerlijkheid, zijn--riool is.
+
+Overigens zijn deze wonderbare verkeerdheden niet nieuw. 't Zijn geen
+jeugdige dwaasheden. De ouden handelden gelijk de jongeren. "De riolen
+van Rome, zegt Liebig, hebben den geheelen welstand van den Romeinschen
+boer vernietigd." Toen de omstreken van Rome door het Romeinsche
+riool bedorven waren, putte Rome Italië uit, en toen het Italië in
+zijn riool had geworpen, stortte het er Sicilië, Sardinië en Afrika
+in. Het riool van Rome heeft de wereld verzwolgen. Dat riool verzwolg
+de stad en de wereld. Urbi et Orbi. Eeuwige stad, onpeilbaar riool.
+
+Voor deze dingen, zoowel als voor andere, geeft Rome het voorbeeld.
+
+Dat voorbeeld volgt Parijs, met al de domheid van beschaafde steden.
+
+Ten behoeve der verrichtingen, welke wij zoo straks aangeduid hebben,
+heeft Parijs een ander Parijs onder zich; een Parijs van riolen,
+dat zijn straten, pleinen, viersprongen, blinde stegen, aderen en
+doorstrooming heeft, dat slijk is, doch zonder menschelijken vorm.
+
+Want men mag niets vleien, zelfs geen groot volk; daar, waar alles is,
+bevindt zich naast schande ook verhevenheid; en zoo Parijs Athene,
+de stad van het licht, Tyrus, de stad der macht, Sparta, de stad
+der deugd, Ninivé, de stad der wonderen in zich bevat, bevat het ook
+Lutetia, de stad van het slijk.
+
+Zoo het oog de oppervlakte er van kon peilen, zou het onderaardsche
+Parijs aan den blik een reusachtigen koraalsteen vertoonen. Een spons
+heeft weinig meer gaten en gleuven dan de massa gronds van zes uren
+omtreks, waarop de oude, groote stad rust. Zonder van de catacomben,
+die een afzonderlijk mijnwerk zijn, en van het verwarde netwerk der
+gaspijpen, te spreken, zonder het machtig samenstel der waterleiding
+te rekenen, die de straatfonteinen van water voorziet, vormen de
+riolen alleen een ontzaggelijk onderaardsch vlechtwerk, een doolhof,
+die tot leiddraad zijn helling heeft. Daar huist in den vochtigen
+dampkring de rat, die de eigenaardige vrucht van Parijs schijnt.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE OUDE GESCHIEDENIS DER RIOLEN.
+
+
+Men verbeelde zich Parijs als een deksel opgelicht, en het
+onderaardsche riolennet, uit de hoogte gezien, zal op beide oevers
+eenigermate 't voorkomen hebben van een grooten tak, die aan de rivier
+ingeënt is. Op den rechteroever zal het ringriool de stam van dien
+tak zijn, de bijriolen zullen de takjes, en de sloppen de twijgen er
+van zijn.
+
+Deze figuur is slechts oppervlakkig en niet volkomen juist, wijl
+de rechte hoek, die bij deze onderaardsche vertakkingen gewoon is,
+zelden in het plantenrijk voorkomt.
+
+Men zal zich een juister beeld van dien zonderlingen geometrischen,
+plattegrond kunnen vormen, wanneer men zich verbeeldt op den donkeren
+grond een grillig oostersch alphabet verward door elkander te zien, van
+'t welk de wanstaltige letters in schijnbare wanorde en als toevallig,
+nu aan de hoeken, dan aan de einden, aaneen zijn gesmolten.
+
+De zinkgaten en riolen in de Middeneeuwen speelden in het Romeinsche
+rijk en in het oude Oosten een groote rol. De pest werd er geboren,
+de despoten stierven er. De bevolkingen aanschouwden schier met
+godsdienstige vrees deze bedden van verrotting, deze monsterachtige
+wiegen des doods. De holen van ongedierte te Benares zijn niet minder
+vreeselijk dan de leeuwenkuil van Babel. Volgens de rabbijnsche boeken
+zwoer Theglath-Phalasar bij de zinkputten van Ninivé. Uit het riool
+van Munster deed Jan van Leijden zijn valsche maan opgaan, evenals
+zijn Oostersche evenknie, Mokanna, de gesluierde profeet van Korassan,
+uit den rioolput van Kekhscheb zijn valsche zon deed komen.
+
+De geschiedenis van den mensch spiegelt zich af in de geschiedenis
+der riolen. De gemoniën spreken van Rome. Het oude riool van Parijs
+was iets vreeselijks. Het was graf, en wijkplaats tevens. De misdaad,
+het genie, het maatschappelijk verzet, de vrijheid van geweten, de
+gedachte, de diefstal; al wat de menschelijke wetten vervolgen of
+vervolgd hebben, heeft zich in dat hol verborgen; de maillotins in de
+veertiende eeuw, de tire-laines in de vijftiende eeuw, de hugenoten in
+de zestiende eeuw, de illuminaten van Morin in de zeventiende eeuw,
+de voetschroeiers in de achttiende eeuw. Honderd jaren geleden kwam
+de nachtelijke dolksteek er uit, de bedreigde dief sloop er in; het
+bosch heeft zijn holen, Parijs had zijn riolen. De truanderie had
+het riool tot bijverblijf van het hof der mirakelen en ging 's avonds
+spottend en wreed onder het rioolgewelf Maubuée terug als in een bed.
+
+In het oude Parijs is het riool de verzamelplaats van alle uitputting
+en van alle aanslagen. De staathuishoudkunde ziet er uitwerpselen,
+de wijsbegeerte een bezinksel in.
+
+Het riool is het geweten der stad. Alles ontmoet en vergelijkt er
+zich. In dit vale oord zijn duisternissen, maar geen geheimen. Alles
+heeft er zijn wezenlijken vorm of ten minste zijn bepaalden vorm. De
+vuilnishoop heeft het voorrecht geen leugenaar te zijn. Daar heeft de
+oprechtheid de wijk genomen. Men vindt er het masker van Basilius, maar
+men ziet er het bordpapier, de koordjes, het binnenste en buitenste
+van, en het kenmerkt zich door eerlijk slijk. De valsche neus van
+Scapin ligt er naast. Al de onreinheden der beschaving, zoodra zij
+hebben uitgediend, vallen in dezen kuil der waarheid, waarin de groote
+maatschappelijke renbaan uitloopt. Zij worden er in verzwolgen, maar
+pralen er. Dit mengsel van alles is een belijdenis. Dààr is geen
+valsche schijn, geen bepleistering mogelijk, de vuilnis trekt haar
+hemd uit; de illusiën en het schijnbedrog vluchten, alles wat is,
+vertoont zich hier zooals het ten laatste zijn zal. Hier verraadt een
+gebroken flesch de dronkenschap, het hengsel van een mand verhaalt
+de dienstbaarheid; de beeldenaar van het koperen soustuk bedekt zich
+eerlijk met kopergroen; de louisd'or, die uit het speelhuis komt,
+raakt den spijker waaraan de strop van den zelfmoordenaar hangt; een
+ongeboren vrucht drijft er in het opgetooide balkleed, dat den vorigen
+vastenavond in de opera danste; de barret van een rechter ligt bij
+den half verganen rok van een meisje. Al wat zich blankette, vergaat
+hier. De laatste sluier is afgerukt. Een riool is een onbeschaamde. Het
+zegt alles. Deze oprechtheid der vuilnis doet ons genoegen en geeft
+de ziel rust. Wanneer men zijn leven heeft doorgebracht met op aarde
+het gezicht te verdragen der voorname houding, welke redenen van
+staat, de eed, de politieke wijsheid, de menschelijke gerechtigheid,
+de ambtelijke eerlijkheid, de gebiedende toestand, de onomkoopbare
+rechters aannemen, gevoelt men zich verlicht, wanneer men in een
+riool ziet welk slijk er toe behoort.
+
+Het onderwijst tevens. Wij hebben aanstonds gezegd dat de geschiedenis
+door het riool gaat. De Bartholomeus-nachten sijpelen er dropswijze
+tusschen de straatsteenen door. De groote openbare moorden
+en staatkundige en godsdienstige bloedbaden, stroomen door dit
+onderaardsch gewelf der beschaving en stuwen er hun lijken in. Voor
+het oog van den denker zijn daar al de historische moordenaars in
+een afschuwelijk halflicht geknield, terwijl zij, met een punt van
+hun lijkwade tot voorschoot, treurig hun werk afwisschen. Lodewijk
+XI is er met Tristan. Frans I met Duprat, Karel IX met zijn moeder,
+Richelieu met Lodewijk XIII, Louvois, Letellier, Hébert en Maillard
+zijn er en krabben de steenen, trachtende het spoor hunner daden
+te doen verdwijnen. Men hoort onder deze gewelven den bezem dier
+schimmen. Men ademt er den stank der maatschappelijke beroerten. In de
+hoeken ziet men roode lichtweerkaatsingen. Daar stroomt een vreeselijk
+water, waarin zich bloedige handen hebben gewasschen.
+
+De maatschappelijke opmerker moet deze duisternis binnengaan. Zij
+behoort tot zijn werkplaats. De wijsbegeerte is het microscoop der
+gedachte. Alles wil er voor vluchten, maar niets ontsnapt er aan. 't Is
+nutteloos uitvluchten te zoeken. Welke zijde vertoont men, wanneer men
+uitvluchten zoekt? De zijde der schande. De wijsbegeerte vervolgt met
+haar eerlijk oog het kwaad en belet, dat het in 't niet ontwijke. In
+de vernietiging der dingen welke verdwijnen, in de afneming der dingen
+die zich verwijderen, ziet zij alles. Zij stelt het purper weder uit
+de lompen samen, en de vrouw naar 't overschot harer kleeding: uit het
+riool herbouwt zij de stad; uit het slijk doet zij de zeden weder te
+voorschijn komen. Naar den scherf vormt zij zich een denkbeeld van de
+amphora of de kruik. Aan het indruksel van een nagel op een perkament
+herkent zij het onderscheid tusschen het jodendom van de Judengasse en
+het jodendom van het ghetto. Zij hervindt in 't geen geweest is, het
+goede, het kwade, het valsche, het ware, de bloedvlek van het paleis,
+de inktvlek van het hol, den vetdroppel van het huis van ontucht,
+de ondergane beproevingen, de gelukte verlokkingen, de uitgebraakte
+zwelgerijen; de plooi der karakters wanneer zij zich verlagen, het
+spoor der veilheid in zielen, wier grofheid haar daartoe geschikt
+maakte, en op het buis der lastdragers van Rome het indruksel van
+Messalina's elleboog.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+BRUNESEAU.
+
+
+Het riool van Parijs was in de Middeleeuwen een legendenboek.
+
+In de zestiende eeuw wilde Hendrik II een onderzoek beproeven, dat
+mislukte. Geen honderd jaren geleden, was het riool, Mercier getuigt
+het, aan zich zelf overgelaten en werd wat het kon.
+
+Zóó was het oude Parijs aan twisten, weifelingen en blind onderzoek
+overgeleverd. 't Was lang tamelijk dom. Later toonde 89 hoe de steden
+verstand krijgen. Maar in den goeden ouden tijd had de hoofdstad
+weinig verstand; zij kon noch zedelijk, noch stoffelijk haar zaken
+doen, en evenmin de vuilnis als de misbruiken wegvegen. Alles was een
+hinderpaal, alles was een vraagstuk. Het riool, bij voorbeeld, verzette
+zich tegen alle navorsching. Het gelukte den menschen evenmin hun weg
+daarin te vinden, als zich in de stad met elkander te verstaan; boven
+het onverstaanbare, beneden het onoplosbare; bij de spraakverwarring
+was de verwarring der onderaardsche gewelven; onder Babel de doolhof.
+
+Soms gebeurde het, dat het riool van Parijs overliep, als ware deze
+miskende Nijl eensklaps door toorn bevangen. Er hadden afschuwelijke
+riooloverstroomingen plaats. Somwijlen was de spijsvertering van deze
+maag der beschaving slecht; het riool steeg op in de keel der stad en
+Parijs had den nasmaak van zijn slijk. Deze overeenkomst van het riool
+met de wroeging had iets goeds. 't Waren waarschuwingen, die trouwens
+zeer kwalijk genomen werden; de stad was er over gebelgd, dat haar
+slijk zoo brutaal was, en wilde niet, dat de vuilnis terugkwam. Zij
+moest haar beter verjagen.
+
+De overstrooming van 1802 is een der herinneringen van de tachtigjarige
+Parijzenaars. Het slijk verspreidde zich van alle kanten over het plein
+der Victoires, waar het beeld van Lodewijk XIV staat; het bedekte een
+gedeelte der straat van de Champs-Elysées tot een hoogte van vijf-en
+dertig duim. Het had zijn hoogste punt in de straat St. Pierre,
+waar het drie voet boven de straatsteenen stond, en zijn grootste
+uitgestrektheid in de straat St. Sabin, waar het zich tweehonderd
+acht-en-dertig el ver verspreidde.
+
+In het begin dezer eeuw was het riool van Parijs nog een geheimzinnig
+oord. Het slijk kan nooit een goeden naam hebben; maar hier had zijn
+kwade naam iets schrikbarends. Parijs wist min of meer dat het een
+vreeselijken kelder onder zich had. Men sprak ervan, als van dien
+ontzaggelijken modderpoel te Thebe, waar duizendbeenen van vijftien
+voet lang wemelden, en die tot badplaats van Behemoth had kunnen
+dienen. De groote laarzen der baggerlieden waagden zich nooit verder
+dan tot zekere bekende punten. Men was nog niet ver van den tijd toen
+de vuilniskarren eenvoudig in het riool uitgestort werden. De ruiming
+ervan werd aan de plasregens overgelaten, die echter meer verstopten
+dan wegveegden. Rome liet zijn riool nog iets dichterlijks behouden
+en noemde het Gemonie; Parijs smaadde het zijne en noemde het 't
+"stinkgat." De wetenschap en het bijgeloof waren het eens ten aanzien
+van het afschuwelijke. Voor het stinkgat had de gezondheid niet minder
+afkeer dan de legende. Fagon had de vreeselijk kwaadaardige koorts van
+1685 aan de groote monding van het riool in het Marais toegeschreven,
+die tot 1833 in de straat Saint Louis, bleef gapen. De mond van het
+riool in de straat de la Mortellerie was berucht wegens de pestziekten
+die er uit opstegen, als een drakenmuil die de hel op de menschen
+blies. De volksverbeelding verbond aan den donkeren zinkput van
+Parijs iets bovennatuurlijks, dat afgrijselijk was. Het riool was
+grondeloos. Het was het barathrum. De gedachte om deze melaatsche
+oorden te onderzoeken kwam zelfs niet bij de politie op. Wie had
+het gewaagd dit onbekende te betreden, die duisternis te peilen, ter
+onderzoeking in dien afgrond te dalen? 't Was verschrikkelijk. Evenwel
+bood zich hiertoe iemand aan. Het riool had zijn Christoforus Columbus.
+
+Op een dag in 1805, bij een dier zeldzame verschijningen van den
+keizer te Parijs, kwam de minister van Binnenlandsche Zaken op het
+petit lever van den meester. Men hoorde op het Carrouselplein de
+slepende sabels van al die ongemeene soldaten der groote republiek
+en van het groote keizerrijk; er was gedrang van helden voor de deur
+van Napoleon; mannen van den Rijn, van de Schelde, van de Etsch, en
+van den Nijl, krijgsmakkers van Joubert, Desaix, Marceaux, Hoche,
+Kléber; aerostaten van Fleurus, grenadiers van Metz, pontonniers
+van Genua, huzaren welke de piramiden gezien hadden, artilleristen
+welke de kanonskogel van Junot met aarde getroffen had; kurassiers
+die stormenderhand de in de Zuiderzee ter anker liggende vloot
+genomen hadden; de eenen waren Napoleon op de brug van Lodi gevolgd,
+de anderen hadden Murat in de loopgraaf van Mantua begeleid, weder
+anderen waren Lannes in den hollen weg van Montebello gevolgd. Het
+geheele leger van dien tijd was dáár, op 't voorplein der Tuilerieën,
+vertegenwoordigd door een escouade of peloton, en Napoleon in zijn
+rust bewakende. 't Was het schitterend tijdstip, toen het groote
+leger Marengo achter zich en Austerlitz voor zich had.--"Sire,"
+zei de minister van binnenlandsche zaken tot Napoleon, "ik heb
+gisteren den onversaagdsten man van uw rijk gezien."--"Wie is die
+man?" vroeg de keizer, "en wat heeft hij gedaan?"--"Hij wil iets doen,
+sire."--"Wat?"--"De riolen van Parijs onderzoeken."
+
+Deze man leefde en heette Bruneseau.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+ONBEKENDE BIJZONDERHEDEN.
+
+
+Het onderzoek had plaats. 't Was een ontzettende veldtocht; een
+nachtelijke veldslag tegen pest en verstikking. 't Was tevens een
+ontdekkingsreis. Een der overlevenden van dezen ontdekkingstocht,
+een zeer schrander, toen nog jong werkman, verhaalde eenige jaren
+geleden de merkwaardige bijzonderheden, welke Bruneseau meende
+in zijn rapport aan den prefect van Politie te moeten verzwijgen,
+als niet gepast voor den administratiestijl. Men was destijds nog
+niet ver in de zuiveringsmethode. Nauwelijks was Bruneseau voorbij
+de eerste vertakkingen van het onderaardsche netwerk, toen acht
+van de twintig arbeiders weigerden verder te gaan. 't Was een zeer
+moeielijke bewerking; het onderzoek eischte schoonmaking; en met de
+schoonmaking moest men tevens meten, de watermondingen opteekenen,
+de roosters en openingen tellen, de vertakkingen aangeven, benevens
+de strooming, ter plaatse waar zij zich verdeelden; van ieder der
+bekkens den omvang onderzoeken, de kleine riolen, die op het groote
+riool uitliepen, peilen, de hoogte van ieder gewelf in de breedte,
+zoowel aan het begin der gewelven als van den bodem meten, en zijn
+helling bepalen in verhouding met de oppervlakte van de straat. Met
+moeite vorderde men. Niet zelden stonden de ladders, waarmede men
+afdaalde, drie voeten in de modder. Het licht der lantaarn brandde
+nauwelijks in deze pestdampen. Nu en dan droeg men een bezwijmden
+baggerman weg. Op sommige plaatsen waren kolken. De bodem was gezakt,
+het plaveisel was ingestort en het riool was in een diepen grondeloozen
+put veranderd; eensklaps verzonk er een man in, die met veel moeite
+weder werd opgehaald. Op raad van Fourcroy ontstak men op zekere
+afstanden, op plaatsen die genoegzaam schoon gemaakt waren, groote
+kooien met werk, dat in teer gedoopt was. Op sommige plekken was de
+muur bedekt met afschuwelijke zwammen, die zweren en puisten geleken;
+zelfs de steen scheen in dezen verpesten dampkring ziek.
+
+Bruneseau ging in zijn onderzoek met den stroom voort. Aan het
+scheidingspunt der twee waterleidingen van den Grand-Hurleur, vond
+hij op een vooruitstekenden steen het jaartal 1550; deze steen
+wees de grens aan, tot welken Philibert Delorme was gekomen, die
+van Hendrik II den last had ontvangen om den onderaardschen weg
+van Parijs te onderzoeken. Deze steen was voor het riool het merk
+der zestiende eeuw. Bruneseau vond het merk der zeventiende eeuw in
+het riool van Ponceau en in dat der straat Vieille-du-Temple, welke
+tusschen 1600 en 1650 verwelfd waren; en dat van de achttiende eeuw
+in het westelijk gedeelte van het hoofdkanaal, dat in 1740 gemetseld
+werd. Deze twee gewelven, vooral het jongste, dat van 1740, waren
+meer gescheurd en vervallen dan het metselwerk van het ringriool,
+dat van 1412 dagteekent, het tijdstip toen de versch-waterleiding
+van Menilmontant verheven werd tot de waardigheid van groot riool
+van Parijs, een bevordering gelijk staande met die van een boer tot
+eersten kamerdienaar des konings.
+
+Men meende hier en daar, voornamelijk onder het Paleis van Justitie,
+de holen van oude cachotten te herkennen, welke in het riool
+zelf gemetseld waren. Afschuwelijke in pace. In een dezer cellen
+hing een ijzeren halsband. Zij werden alle dicht gemetseld. Men
+vond zonderlinge voorwerpen; onder andere het geraamte van een
+ourang-outang, die in 1800 uit den Plantentuin verdwenen was, welke
+verdwijning waarschijnlijk in verband stond met de beruchte en zekere
+verschijning des duivels in het laatste jaar der achttiende eeuw,
+in de Bernardijnsstraat. De arme duivel was eindelijk in het riool
+verdronken.
+
+In het gewelf dat bij den boog Marion uitloopt, trok de volkomen goed
+bewaard gebleven draagkorf van een voddenraper de bewondering der
+deskundigen. Overal was in de modder, welke de baggerlieden eindelijk
+onvervaard behandelden, een overvloed van kostbare voorwerpen, gouden
+en zilveren kleinooden, edelsteenen, muntstukken. Een reus, die dit
+riool gezift had, zou in zijn zeef den rijkdom der eeuwen hebben
+gehad. Op het scheidingspunt der twee vertakkingen van de straat
+du Temple en die van St. Avoye, vond men een zonderlinge koperen
+medaille der Hugenoten, op welke aan de eene zijde een varken met een
+kardinaalshoed, en aan de andere zijde een wolf met de driekroon op
+den kop stond.
+
+De verwonderlijkste ontmoeting was aan den ingang van het groote
+riool. Deze ingang was eertijds door een rasterwerk gesloten geweest,
+waarvan de hengsels nog aanwezig waren. Aan een dier hengsels hing
+een smerig vod, dat zeker, in 't voorbijdrijven daar tegengehouden,
+in de duisternis fladderde en verder scheurde. Bruneseau onderzocht
+met zijn lantaarn het vod opmerkzaam. 't Was zeer fijn batist en in
+een punt, die minder vergaan was dan het overige, onderscheidde men
+een geborduurde kroon, boven deze zeven letters LAVBESP. 't Was een
+markiezenkroon en de zeven letters beteekenden: Laubespine. Men
+herkende in 't geen men onder de oogen had een stuk van Marats
+lijkwade. Marat was in zijn jeugd verliefd geweest, toen hij in
+hoedanigheid van paardenarts tot het huis van den graaf van Artois
+behoorde. Van zijn, door de geschiedenis bevestigden, liefdehandel
+met een aanzienlijke dame was hem dit beddelaken gebleven. Een
+toegeëigend goed of gedachtenis. Wijl dit lijnwaad na zijn dood
+het eenige eenigszins fijne was, 't welk hij bezat, had men hem
+er in gehuld. Oude vrouwen hadden hem voor het graf in dat doek
+gewikkeld, waarop de tragische vriend des volks den wellust had
+gesmaakt. Bruneseau ging verder; men liet het vod waar het was;
+men vernietigde het niet. Was het uit verachting of eerbied? Marat
+verdiende beide.
+
+Het geheele onderzoek van den onderaardschen weg der vuilnis van
+Parijs duurde zeven jaren, van 1805 tot 1812.
+
+Aldus maakte, bij den aanvang dezer eeuw, de oude maatschappij haar
+bodem schoon en ruimde haar riool op.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+TEGENWOORDIGE VOORUITGANG.
+
+
+Tegenwoordig is het riool zindelijk, kil, recht, nauwkeurig.
+
+Het verwezenlijkt schier het ideaal van 't geen men in Engeland onder
+het woord "respectable" verstaat. Het is betamelijk en grijsachtig;
+naar de lijn getrokken; men zou schier kunnen zeggen netjes. Het
+gelijkt naar een leverancier die staatsraad is geworden. 't Is er
+bijna licht. Het slijk gedraagt er zich fatsoenlijk. Bij den eersten
+aanblik zou men het voor een dier onderaardsche gangen houden,
+welke eertijds zoo gemeen en zoo nuttig waren voor de vlucht van
+monarchen en vorsten, in dien goeden ouden tijd, "toen het volk zijn
+koningen beminde." Het tegenwoordig riool is een fraai riool; de
+klassieke alexandrijnsche rechte lijn, die uit de poëzie verjaagd,
+in de bouwkunst de wijk schijnt te hebben genomen, is met al de
+steenen van dat lang, donker en witachtig gewelf als vereenzelvigd;
+iedere monding is een boog. Zoo overigens de geometrische lijn ergens
+op haar plaats is, is 't zekerlijk in de vuilniskanalen eener groote
+stad. Daar moet alles den kortsten weg volgen. Tegenwoordig heeft het
+riool een zeker officieel voorkomen verkregen. Zelfs de rapporten
+der politie, waarvan het nu en dan het onderwerp is, spreken er
+met achting van. De woorden, die er in de administratieve taal voor
+gebezigd worden, zijn verheven en fatsoenlijk. Wat men riool noemde
+heet galerij, wat gat werd genoemd heet opening. Dit net van holen
+heeft echter nog altijd zijn onheugelijke bevolking van knaagdieren,
+die er talrijker zijn dan ooit. Nu en dan waagt een rat, een oude
+snorbaard, zijn kop voor het venster van het riool en beschouwt
+de Parijzenaars; maar zelfs dit ongedierte wordt tam, want het is
+tevreden met zijn onderaardsch paleis. Het riool heeft niets meer van
+zijn vorige afschuwelijkheid. De regen, die het vroegere riool vuil
+maakte, wascht het tegenwoordige. Men vertrouwe het echter niet te
+veel. Het wordt nog steeds door pestdampen bewoond. Het is eer een
+huichelaar dan een vrome. Wat de politie en de gezondheidscommissie
+ook gedaan hebben, en ten spijt van alle zuiveringsmiddelen, wasemt
+het nog een verdachten reuk. Tartuffe na de biecht.
+
+Wij moeten evenwel betuigen dat, wijl de ruiming in allen geval een
+hulde is, door het riool aan de beschaving gebracht, en in dit opzicht
+het geweten van Tartuffe een vooruitgang op den stal van Augias is,
+het riool van Parijs zich onbetwistbaar verbeterd heeft.
+
+'t Is meer dan vooruitgang, 't is een herschepping. Tusschen het
+vorige en het tegenwoordige riool ligt een revolutie. Wie heeft deze
+revolutie bewerkt?
+
+De man, dien iedereen vergeet en dien wij genoemd hebben Brunesau.
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+TOEKOMSTIGE VOORUITGANG.
+
+
+De bouwing van het Parijsche riool was geen kleine zaak. De
+tien laatste eeuwen hebben er aan gearbeid, zonder het te kunnen
+voltooien, evenmin als zij Parijs hebben voltooid. Het riool ontvangt
+inderdaad de terugwerking der uitbreiding van Parijs. In de aarde is
+'t een soort van polyp met duizend sprieten, die gelijkertijd met
+de stad daarboven grooter wordt. Telkens wanneer de stad een nieuwe
+straat aanlegt, steekt het riool een arm uit. De oude monarchie had
+slechts drie-en-twintig duizend driehonderd ellen riool gebouwd;
+zoo ver was Parijs daarmede den 1 Januari 1806. Van dit tijdstip af,
+waarvan wij aanstonds zullen spreken, is het werk met kracht hervat en
+voortgezet; Napoleon bouwde--de cijfers zijn merkwaardig--vier duizend
+achthonderd vier ellen; Lodewijk XVIII vijf duizend zevenhonderd
+negen; Karel X tien duizend achthonderd zes-en-dertig; Lodewijk
+Filips negen-en-tachtig duizend twintig; de republiek van 1848
+drie-en-twintig duizend driehonderd een-en-tachtig; de tegenwoordige
+regeering zeventig duizend vijfhonderd; zoodat er op dit oogenblik
+gezamenlijk tweehonderd zes-en-twintig duizend zes-honderd tien ellen,
+(zestig mijlen) riool zijn; de ontzaggelijke ingewanden van Parijs. Een
+duistere, steeds werkzame aangroei; een onbekende reusachtige bouw.
+
+Men ziet dus, dat de onderaardsche doolhof van Parijs tegenwoordig
+meer dan tienmaal grooter is dan bij den aanvang dezer eeuw. Men kan
+zich moeielijk voorstellen, hoeveel volharding en moeite vereischt
+werden, om dat riool tot het punt van betrekkelijke volmaaktheid te
+brengen, waarop het thans is. Met veel moeite gelukte het aan het oude
+monarchale prevootschap, en in de laatste tien jaren der achttiende
+eeuw aan de revolutionnaire mairie, om de vijf mijlen riool te bouwen,
+die vóór 1806 bestonden. Allerlei hinderpalen belemmerden dat werk;
+eenige hingen van den aard van den bodem af, andere lagen in de
+vooroordeelen der arbeidende bevolking van Parijs. Parijs is op een
+grondlaag gebouwd, die zich ongemeen tegen de spade, het houweel en
+de menschelijke hand verzet. Er is niets moeielijker te doordringen
+dan deze geologische vorming, welke Parijs wordt genoemd; zoodra,
+onder dezen of genen vorm, het werk zich in deze vorming waagt,
+vindt het ontelbare onderaardsche hindernissen. 't Zijn vloeibaar
+leem, springende bronnen, harde rotsen, zachte en diepe slijk-
+en modderpoelen. Het houweel dringt moeielijk in de kalklagen,
+welke vermengd zijn met zeer dunne aderen leem, en leiachtige lagen
+waarin zich oesterschelpen bevinden, de bewoners der proadamitische
+zeeën. Vaak ontspringt plotseling een beekje in het begonnen gewelf
+en overstroomt de werklieden; of er ontstaat een mergelvloeiing die
+met de kracht van een waterval nederstort en de dikste schoorbalken
+als glas verbreekt. Onlangs, toen men te la Villette het hoofdriool
+onder het kanaal van Saint Martin moest brengen, ontstond een scheur
+in het bekken van het kanaal, het water stroomde eensklaps in de
+onderaardsche werkplaats; toen moest met een duiker de scheur worden
+gezocht, die zich in het groote bekken bevond, en met veel moeite
+werd zij gedicht. Elders, aan de Seine, tamelijk ver van die rivier,
+zooals bij voorbeeld te Belleville, Grande Rue en Passage Lunière,
+ontmoet men grondelooze zandbanken, waarin men zakt en in een oogenblik
+verdwijnen kan. Daarbij rekene men de verstikking in deze pestdampen,
+de bedelving onder de aardstortingen, en de plotselinge instorting
+van den bodem. Men voege hierbij de typhus, die langzaam de arbeiders
+doordringt. Na, in onzen tijd, de linie riolen van de barrière Blanche
+tot den weg van Aubervilliers in vier maanden, dag en nacht arbeidende,
+tot een diepte van elf ellen te hebben gebouwd, stierf de bestuurder
+Monnot. Na drie duizend ellen riool op alle punten der stad gebouwd
+te hebben, stierf de ingenieur Duleau. Er zijn geen bulletins voor
+dergelijke moedige daden, die echter nuttiger zijn dan het domme
+bloedbad der veldslagen.
+
+De riolen van Parijs waren in 1832 volstrekt niet wat zij thans
+zijn. Bruneseau had den stoot gegeven, maar de cholera moest komen, om
+tot de uitgebreide herbouwing te doen besluiten, die sinds plaats had.
+
+Dertig jaren geleden, op het tijdstip van den opstand van 5 en 6 Juni,
+bestond op vele plaatsen bijna nog het oude riool. Een zeer groot getal
+straten hadden toen eenvoudige goten. Men vond toen bij den samenloop
+van een straat of plein groote, vierkante roosters, met dikke ijzeren
+spijlen, die, door de voetstappen der menigte gepolijst, gevaarlijk
+en glibberig voor de rijtuigen waren en de paarden deden vallen. De
+officiëele taal van het departement der openbare werken, gaf aan deze
+roosters den veelbeteekenenden naam van Cassis (halsbrekers).
+
+In 1832 vertoonde in een aantal straten het oude gothieke riool nog
+onbeschaamd zijn muilen. 't Waren groote steenen openingen, soms met
+monumentale onbeschaamdheid door straatpalen omgeven.
+
+Behalve den staatkundigen vooruitgang, waarop wij bij den aanvang
+hebben gewezen, zijn ernstige vraagstukken omtrent de openbare
+gezondheidstoestand aan deze gewichtige zaak: "het riool van Parijs",
+verbonden.
+
+Men zou kunnen zeggen dat sedert tien eeuwen het riool de ziekte
+van Parijs is. Het riool is de ondeugd, welke de stad in haar bloed
+heeft. Het volksinstinct heeft zich daarin nooit bedrogen. Het
+beroep van baggerman was vroeger even gevaarlijk en voor het volk
+even walgelijk als het beroep van vilder, dat zoo lang verfoeid
+en aan den beul overgelaten werd. Er werd een hoog loon vereischt
+om een metselaar over te halen, in deze verpeste mijn te dringen;
+de ladder van den putruimer aarzelde er in te dalen; men had tot
+spreekwoord: "wie in het riool nederdaalt, zinkt in den grafkuil;" en
+allerlei akelige legenden omsluierden, zooals wij gezegd hebben, met
+ontzetting dezen kolossalen modderpoel, die de sporen draagt, zoowel
+der omwentelingen van den aardbol als der revolutiën van de menschen,
+en waar men tevens de sporen vindt van alle wereldberoeringen, van
+de schulpen des zondvloeds tot het gescheurde bedlaken van Marat.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK III.
+
+SLIJK, ECHTER ZIEL.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HET RIOOL EN ZIJN VERRASSINGEN.
+
+
+'t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean zich bevond.
+
+Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in
+beide kan verdwijnen.
+
+De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean Valjean
+uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin men een
+deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst daglicht
+in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit het gewoel
+in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des grafs, en, ten
+gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de straat Polonceau,
+uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid overgegaan.
+
+Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het
+onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was,
+voor dit soort van graf, waar leven was,--dit was een zonderling
+oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en
+ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem
+geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk
+overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.
+
+Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of
+hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.
+
+Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets
+meer. Ook scheen 't hem, als ware hij in een minuut doof geworden. Hij
+hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige voeten boven
+hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben, dank
+zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof en
+onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder
+zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand,
+toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevond dat
+de gang nauw was; hij gleed uit en merkte dat de vloersteenen vochtig
+waren. Voorzichtig zette hij een voet vooruit, uit vrees voor een gat,
+een zinkput, een kolk; hij overtuigde zich dat de weg verder liep. De
+stinkende walm verried hem in welke plaats hij zich bevond.
+
+Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht viel
+door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich aan
+de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De onderaardsche
+gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem dichtgemetseld. 't
+Was een slop. Vóór hem was een andere muur, een donkere muur. Het
+licht van de opening verdween op tien of twaalf schreden van het
+punt, waar Jean Valjean zich bevond, en wierp slechts eenige ellen
+ver een flauwen glans op de vochtige wanden van het riool. Verder
+was de duisternis als een vaste massa; er in door te dringen scheen,
+afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in dezen muur van
+duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel spoedig. Jean
+Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de straatsteenen
+ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat alles van dit
+toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem doorzoeken. Er
+was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den grond gelegd,
+raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder op zijn
+schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis voorwaarts.
+
+Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van
+een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na
+den vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en
+valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene
+streek der hel in de andere gevallen.
+
+Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er
+deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke
+hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te
+volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren
+doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt,
+een draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt
+men aan de rivier.
+
+Jean Valjean begreep dit dadelijk.
+
+Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was; dat,
+zoo hij links ging en de glooiing volgde, hij binnen een kwartieruurs
+aan een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de
+Pont-Neuf zou zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het
+volkrijkste gedeelte van Parijs te voorschijn zou komen. Misschien kwam
+hij aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers
+zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde
+te zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en
+de naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat
+zijn, vóór hij er uit was. Het was beter zich verder in dien doolhof
+te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en wegens de
+uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.
+
+Hij ging rechts, tegen de glooiing op.
+
+Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht
+van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd
+weder blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij
+had de armen van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen
+achter hem. Met de eene hand hield hij de twee armen, met de andere
+tastte hij langs den muur. De wang van Marius raakte de zijne en,
+wijl ze met bloed bedekt was, kleefde zij er aan. Hij voelde een
+lauwen stroom langs zich loopen en door zijn kleederen dringen; het
+was het bloed van Marius. Een vochtige warmte aan zijn oor, dat den
+mond van den gekwetste raakte, verried echter ademhaling en bijgevolg
+leven. De gang, dien Jean Valjean nu doorging, was minder nauw dan
+de eerste. Met moeite schreed Jean Valjean voort. De regen van den
+vorigen dag was nog niet geheel en al weggeloopen en vormde een kleinen
+waterval, midden door de bedding, en hij moest zich tegen den muur
+dringen om de voeten niet in het water te zetten. Dus ging hij in de
+duisternis. Hij geleek die nachtelijke wezens, die in het onzichtbare
+rondtasten en verloren zijn in de onderaardsche mijnen der duisternis.
+
+Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde
+roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen,
+hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw
+rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf
+waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis
+en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt
+en er eindelijk God vindt.
+
+'t Was bezwaarlijk zich te richten.
+
+De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten,
+die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee
+duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van
+donkere vertakkingen voor, 't welk het riool wordt genoemd. De destijds
+bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf mijlen hebben
+bedragen. Hierboven hebben wij gezegd, dat het tegenwoordige net,
+dank zij den bijzonderen ijver der laatste dertig jaren, niet minder
+dan zestig mijlen lengte heeft.
+
+Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat
+St. Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de
+straat St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII
+dagteekent, en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt,
+met een enkele kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des
+miracles en een enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier
+armen elkander als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine
+Truanderie, welks opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in
+gemeenschap geweest met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit
+in het riool Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier
+was maar al te veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is
+een der verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool
+der Hallen thans gelukkig achter zich, maar vóór zich had hij meer
+dan ééne lastige omstandigheid, en meer dan één hoek der onderaardsche
+straat bood zich in de duisternis als een vraagteeken aan.
+
+Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk
+geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets wetende.
+
+Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd
+aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij
+ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk;
+duizelingwekkend kruisen zij zich. 't Is schrikkelijk, in dat Parijs
+der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht zijn
+weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem
+te zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste
+zijn. Hoe zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij
+hem nog bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen
+holen zich laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen
+onverwachten knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare
+en onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven,
+en hij van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en
+twee lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij
+vroeg zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden
+van Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den
+buik van het monster.
+
+Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij
+onder 't voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water vloeide
+hem niet meer tegen de teenen, maar tegen de hielen. Het riool liep
+afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de Seine komen? Dit gevaar
+was groot, maar het gevaar van terug te keeren nog grooter. Hij ging
+dus verder.
+
+Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem
+van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de
+Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug,
+die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het
+hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van
+St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het
+Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op
+dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar
+het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.
+
+Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de hoeken,
+en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed was dan
+de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette zijn
+weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop
+moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang,
+moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik,
+die hem in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben
+opgesomd, gelegd was.
+
+Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand
+verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden
+opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij
+hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen
+donder. 't Was het gerol der rijtuigen.
+
+Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn schatting,
+en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij tusschenbeide
+van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De duisternis
+was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.
+
+Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op
+een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, 't welk den grond aan zijn
+voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links en
+rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed. Ontsteld
+keerde hij zich om.
+
+Achter hem, in het gedeelte van de gang, 't welk hij was doorgegaan,
+op een, zoo 't hem scheen, zeer verren afstand, schitterde door de
+dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen te aanschouwen.
+
+'t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging. Achter
+deze ster bewogen zich verward acht of tien donkere, rechte,
+onduidelijke, vreeselijke gestalten.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+VERKLARING.
+
+
+Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen. Men vreesde
+dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de prefect
+van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken, terwijl
+generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een samengaande,
+dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de openbare
+macht vereischte, die boven door het leger, onder door de politie
+vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden
+onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den
+rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.
+
+De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken
+gewapend.
+
+Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der
+ronde van den rechteroever.
+
+Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat
+du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen
+liet schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij
+ontmoet, doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er
+niet ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de
+galerij du Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen
+in de richting van het ringriool te hooren. 't Waren inderdaad de
+voetstappen van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde,
+had zijn lantaarn omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel
+naar den kant geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.
+
+'t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.
+
+Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn
+hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op
+verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en
+bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven
+van 't geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan
+voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand
+gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als
+schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil
+hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der ronde luisterden,
+maar hoorden niets; tuurden, maar zagen niets. Zij raadpleegden.
+
+Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van klein
+plein, 't welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de regen zich
+daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean zag de
+schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden elkander
+en fluisterden.
+
+De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich
+vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich
+bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het
+verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry
+te gaan, dat, zoo er iets te doen en een bousingot op te sporen was,
+zulks in die wijk moest zijn.
+
+Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten
+jare 1832 vormde het woord bousingot het midden tusschen het woord
+Jacobin, dat verouderd was, en het woord demagoog, dat toen schier niet
+gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken dienst heeft bewezen.
+
+De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo
+'t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in beide
+richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. 't Hing aan
+een draad. 't Is waarschijnlijk, dat de voorschriften der prefectuur
+van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting van talrijke
+opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen. De ronde trok
+verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele beweging
+merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de lantaarn,
+die eensklaps omkeerde.
+
+Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van 't
+geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men verliet,
+dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van echo tot
+echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit reusachtig
+darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean Valjean
+klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het gewelf
+boven zijn hoofd geraakt had.
+
+Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het riool,
+maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte gestalten
+verwijderde zich, een huiverend licht vormde in 't gewelf een rooden
+kring, die allengs kleiner werd en eindelijk verdween; de diepste
+stilte keerde terug en de duisternis werd volkomen; blindheid en
+doofheid heerschten weder op deze plaats, en Jean Valjean, die zich
+niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd met luisterend oor en
+starenden blik, de verdwijning dezer schimmen-patrouille naoogende,
+tegen den muur aangedrongen staan.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE VERVOLGDE MAN.
+
+
+Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten wedervaren,
+dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar haar
+plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in
+haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de
+maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De
+gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig
+waargenomen en niet in 't minst verzuimd. Onder den aanvang eener
+onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke
+revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en
+de barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.
+
+'t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den
+Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.
+
+Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand,
+elkander in 't oog te houden en de een den ander te vermijden. Hij
+die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde trachtte
+te naderen.
+
+'t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte gespeeld
+werd. Geen van tweeën scheen zich te reppen en beiden gingen
+langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred van
+zijn tegenpartij te zullen versnellen.
+
+'t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den schijn te
+hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn hoede.
+
+De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden hond,
+waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen, was
+tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te vangen,
+was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in zijn
+handelingen zijn.
+
+De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar
+hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan,
+zou in zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche
+bedreiging, welke in de vlucht ligt, gezien hebben.
+
+De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers, zelfs geen
+schippers of sjouwerlieden op de hier en daar liggende vaartuigen
+te zien.
+
+Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover liggende
+kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man, die
+voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en bibberend
+wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek, officiëel
+persoon, die den rok van het gezag tot den kin dichtgeknoopt droeg.
+
+De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van dichter
+bij zag.
+
+Welk doel had de laatste?
+
+Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.
+
+Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen vervolgt,
+is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken. Het
+onderscheid ligt alleen in de kleur. In 't blauw gekleed te zijn is
+eervol; in 't rood is het heel onaangenaam.
+
+Er is een purper in de laagte.
+
+'t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van dezen aard,
+welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet voortgaan
+en hem nog niet pakte was het, volgens alle waarschijnlijkheid, in
+de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij een goede vangst zou
+opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der politie.
+
+Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de
+man met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige
+huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier
+begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en
+volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt
+door den gluipenden havelooze, die voorging.
+
+Het huurrijtuig reed langs de boomen der Champs-Elysées. Men zag
+boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in
+de hand uitkomen.
+
+Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval
+dit artikel: "Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik
+te hebben."
+
+Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke
+krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op
+de rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen,
+veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop
+is sinds wegens de "welstandigheid" weggeruimd. De paarden smachten
+nu wel van dorst, maar 't gezicht heeft gewonnen.
+
+'t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen afloop zou
+gaan om te beproeven in de Champs-Elysées te ontsnappen, een plaats
+die met boomen is versierd, maar daarentegen van politieagenten wemelt,
+en waar de andere gemakkelijk bijstand zou kunnen verkrijgen.
+
+Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel
+Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het
+huis van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.
+
+Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de
+vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn
+weg op den oever langs de kade voort.
+
+Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.
+
+Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?
+
+Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen
+afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine
+in de nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller
+wordend, in een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou
+hij onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur
+aan zijn linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en vóór zich,
+en het gezag op zijn hielen.
+
+'t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was achter
+een hoop puin van zeven of acht voet hoog, 't welk van een of ander
+gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met eenig
+gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts behoefde
+om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij dacht
+er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.
+
+De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich
+als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.
+
+De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen,
+zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.
+
+Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij
+maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te
+loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging
+er omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde,
+was er niet meer.
+
+De man in den kiel was geheel verdwenen.
+
+De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig schreden
+en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur klotste.
+
+De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade
+beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat
+was van hem geworden?
+
+De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den
+oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig
+gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich
+voor het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het
+water begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt,
+dat van een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek,
+een soort van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en
+aan den oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich
+in de Seine uitstortte.
+
+Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort
+van gewelfde donkere gang.
+
+De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden blik.
+
+Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten;
+hij schudde het, maar het stond stevig vast. 't Was waarschijnlijk,
+dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, 't geen
+zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter
+weder gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich
+op zijn hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest
+gebruikt hebben.
+
+Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te
+openen, 't geen hem dezen uitroep van verontwaardiging ontlokte:
+
+"'t Is sterk! een regeeringssleutel!"
+
+Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van
+inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:
+
+"Wel! wel! wel! wel!"
+
+Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er
+anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter
+den hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.
+
+Zijnerzijds had het huurrijtuig, 't welk zich naar al zijn bewegingen
+regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De koetsier, in
+de meening lang te zullen moeten wachten, bond den haverzak om den kop
+zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van de Jena-brug kwamen,
+zagen, vóór zij verder gingen, even om, ten einde een oogenblik deze
+twee bijzonderheden van het beweginglooze landschap te aanschouwen:
+den man op den oeverkant, het huurrijtuig op de kade.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+OOK HIJ DRAAGT ZIJN KRUIS.
+
+
+Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil te staan. Deze
+tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van deze gewelven is
+verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes duim en voor
+de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean verplicht
+was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten. Elk
+oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds
+den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van
+den bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als
+voor den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der
+stad. Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer
+lange tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn
+geleek; al het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean
+had honger en dorst; bovenal dorst; en 't is daar, evenals de zee,
+een plaats vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht,
+die zooals men weet verbazend was, en weinig door den ouderdom
+was verzwakt, ten gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon
+echter te verflauwen. Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed
+de zwaarte van zijn last toenemen. Marius, die misschien dood was,
+woog zoo zwaar als ziellooze lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem
+zoodanig, dat de borst niet gedrukt en de ademhaling niet belemmerd
+werd. Hij voelde de ratten tusschen zijn beenen loopen. Een rat was
+zoo bang, dat zij hem beet. Nu en dan drong door de roosters der
+rioolmondingen een frissche luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.
+
+Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het
+ringriool kwam.
+
+Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding
+verwonderd. Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was,
+dat zijn uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder
+een gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad
+acht voet breed en zeven voet hoog.
+
+Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool
+vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat
+Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze
+vier wegen zou iemand van minder schranderheid besluiteloos zijn
+geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar
+hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat
+de toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest
+bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus links.
+
+Hij deed er wel aan. Want 't zou een dwaling zijn te gelooven, dat het
+ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van Bercy,
+den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam aanduidt,
+de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is. Het groote
+riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding Menilmontant,
+loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop, namelijk bij zijn
+voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den voet van den heuvel
+Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche verbinding met de
+vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water van Parijs
+opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland Louviers
+in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool voltooit,
+is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door een muur,
+die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt. Zoo Jean
+Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij na duizenden bezwaren,
+uitgeput van vermoeidheid, stervende, in de duisternis aan een muur
+zijn gekomen, en hij ware verloren geweest.
+
+Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het
+Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig,
+in al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor
+van het riool moeten kennen. En, wij herinnere het, hij kende niets
+van dien schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd,
+waar hij zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.
+
+Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke
+redding.
+
+Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat
+Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken,
+en de lange gevorkte gang der Chaussée d'Antin.
+
+Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der
+Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed
+luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d'Anjou, wierp een
+schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de zorgvuldigheid
+van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de onderlaag van den
+muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius verscheen onder het
+witte licht der opening als op den bodem van een graf. Zijn oogen waren
+dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als gedroogde penseelen in
+roode verf; zijn handen hingen als dood neder, zijn leden waren koud
+en aan de hoeken der lippen was gestold bloed. In den strik van de
+das lag een bloedklomp; het hemd was aan de wonden gekleefd, het laken
+van den rok schaafde de gapende wonden en het vleesch. Jean Valjean,
+die met de vingers behoedzaam de kleedingstukken verwijderde, legde
+zijn hand op de borst; het hart klopte nog. Jean Valjean scheurde
+zijn overhemd, verbond de wonden zoo goed hij kon, en stelpte het
+vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht over Marius gebogen, die
+steeds buiten kennis en schier zonder adem was, staarde hij hem met
+een onuitsprekelijken haat aan.
+
+Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken
+twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in
+vergeten was, en Marius' portefeuille. Hij at het brood en opende
+de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius
+geschreven regels, welke men zich herinneren zal:
+
+"Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader, den
+heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het Marais
+gebracht worden."
+
+Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was
+een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid:
+straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak
+de portefeuille weder in Marius' zak. Hij had gegeten en krachten
+herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig
+zijn hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts
+in het riool voort.
+
+Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn
+richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan
+is geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij
+doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende
+lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem
+aan, dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl
+het rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en
+weldra bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer
+onder het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de
+buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en
+minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis
+werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg
+voort, tastende in de duisternis.
+
+Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+ZOOWEL VOOR HET ZAND ALS VOOR DE VROUW IS ER EEN VERRADERLIJKE
+FIJNHEID.
+
+
+Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn voeten niet langer
+plaveisel, maar modder had.
+
+Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat
+iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver
+van den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige
+minuten met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek;
+de zolen kleven er aan; 't is geen zand meer, maar lijm. Het strand
+is volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra
+men den voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft,
+zich met water. Overigens heeft het oog geene de minste verandering
+opgemerkt, het onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand
+heeft hetzelfde aanzien, niets onderscheidt den vasten bodem van den
+bodem die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten
+gaat voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De
+man zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en
+tracht de kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou
+hij ongerust zijn? Evenwel voelt hij iets: 't is alsof bij elken
+tred zijn voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt
+twee of drie duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt
+stil om rond te zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn
+verdwenen. Het zand bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand,
+wil terug, keert om; maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels,
+hij rukt er zich uit en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit;
+hij wendt zich rechts, het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met
+onbeschrijfelijke ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt,
+en eene stof onder zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan
+als de visch zwemmen. Hij werpt den last, zoo hij er een draagt, af,
+en verlicht zich als een schip dat in nood is; maar het is te laat,
+het zand komt reeds tot boven zijn knieën.
+
+Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en dieper
+in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is, indien
+de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de nabijheid
+zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd. Gedoemd
+tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke onvermijdelijk,
+onverbiddelijk, onmogelijk te vertragen of te verhaasten is, die uren
+duurt, waaraan geen einde is, die u staande, vrij, in volle gezondheid
+aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij elke poging, welke
+gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u een weinig dieper
+medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde omklemming, voor
+uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in de aarde doet
+terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de boomen, de groene
+velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der schepen in zee,
+de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te aanschouwen. De
+verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den bodem der aarde
+naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een onverbiddelijke
+doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan liggen, te
+kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op, hij zinkt;
+hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot de wolken,
+wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het zand; het
+zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij heft de
+handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in het zand,
+wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen, om zich
+uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand stijgt
+immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar het
+gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De
+oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd,
+een weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand,
+beweegt zich en verdwijnt. 't Is de akelige verdwijning van een mensch.
+
+Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn
+kar; alles zinkt onder het zand. 't Is een vergaan, elders dan in
+het water. 't Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde, van
+den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als
+een vlakte en opent zich als een zee. 't Is de verraderlijkheid van
+den afgrond.
+
+Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander
+zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche
+riool mogelijk.
+
+Vóór de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden, was de
+onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen onderhevig.
+
+Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die
+bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als
+in de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de
+nieuwe galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in
+een bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt
+instorting. Dan verzinkt de bevloering op een zekere lengte. De van
+water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes hangen samen
+in een zwakke zelfstandigheid; 't is noch aarde noch water. De diepte
+ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker dan zulk een
+ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood plotseling,
+en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht heeft,
+is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.
+
+Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking afgrijselijk
+aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In plaats van
+de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen horizon, het
+levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven regent, de in
+de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de vermoedelijke
+voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten oogenblik; in plaats
+van dit alles doofheid, blindheid, een donker gewelf, het inwendige
+van een volledig graf, de dood in het slijk onder een deksel; de
+langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin de stiklucht
+haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat; pestdamp met den
+doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand; zwavelzure-waterstofgas
+in plaats van wind, modder in plaats van den oceaan! En het roepen,
+het tandenknersen, het wringen en spartelen, het zieltogen, met deze
+groote stad, die er niets van weet, boven het hoofd.
+
+Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood vergoedt
+soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid. Men
+kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam
+zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men
+verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is
+afzichtelijk. 't Is vernederend aldus te sterven. De laatste zwevende
+gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting. 't Is
+klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te sterven, gelijk
+Clarence, 't zij zoo; maar in een modderpoel als d'Escoubleau, dit
+is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen is afschuwelijk. Er
+is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg om slechts een
+modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een geest of
+een pad zal worden.
+
+Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.
+
+De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en dichtheid
+in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder. Soms is
+zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien voet;
+soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds bijna
+vloeiend. In den drasgrond Lunière zou iemand een dag noodig hebben
+gehad om te verdwijnen, terwijl hij in vijf minuten door den modderpoel
+Phélippeaux verzwolgen zou zijn. Het slijk kan min of meer dragen,
+naar gelang van zijn mindere of meerdere dichtheid. Een kind redt zich,
+waar een man vergaat. Het eerste vereischte der redding is zich van
+allerlei zwaarte te ontdoen. Men moet den zak met werktuigen, of de
+mand, of den kalkbak wegwerpen; en daarmede begint ieder rioolwerker,
+die den bodem onder zich voelt zinken.
+
+De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den
+bodem; een buiten 's menschen bereik zijnde aardstorting; de geweldige
+zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige stofregens. Vaak
+drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of zandgrond; deed
+de gewelven der onderaardsche gangen buigen en uitwijken, of berstte
+en scheurde den bodem onder den verpletterenden druk. Wanneer onder
+het gewicht der huizen een riool instortte, werd dit op de straat
+soms door een berst in den vorm van de tanden eener zaag tusschen
+de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de inwendige
+verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat geval
+liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het
+ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers
+maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de
+modderwellen bedolven werden.
+
+Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte d'Escoubleau,
+van wien wij gesproken hebben, een der helden van de belegering
+van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder vioolmuziek
+bestormde. D'Escoubleau, die in zekeren nacht bij zijn nicht, de
+hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een modderwel van het
+riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om den hertog te
+ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood verhaalde, vroeg
+zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het schreien. Tegen
+zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de modderpoel smoort
+ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen. Thisbé houdt den
+neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DE MODDERWEL.
+
+
+Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.
+
+In den bodem onder de Champs-Elysées waren in dien tijd talrijke
+modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulische werkzaamheden
+vele bezwaren veroorzaakten en uithoofde van hun buitengewone
+vloeibaarheid voor de onderaardsche bouwwerken zeer schadelijk waren.
+
+De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den regen
+van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende zand
+kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van water
+veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad. De
+verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte
+was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders. 't
+Was een moddergat in een nachtelijk hol.
+
+Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in
+het slijk. 't Was water van boven en modder van onder. Hij moest er
+door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius
+was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen
+zou hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel
+scheen trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar
+gelang hij verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het
+slijk ter helft van zijn beenen en het water boven zijn knieën. Hij
+ging voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water
+houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knieën en het water tot aan
+zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk dieper
+en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor 't gewicht van één mensch,
+kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en Jean Valjean zouden
+ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te komen. Jean Valjean
+ging steeds verder, den stervende dragende, die misschien reeds een
+lijk was.
+
+Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en
+meer zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin
+hij zich bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens
+een hindernis. Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde
+inspanning verder; maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts
+het hoofd boven water, benevens zijn armen die Marius droegen. In
+oude afbeeldingen van den zondvloed ziet men een moeder op dezelfde
+wijze haar kind dragen.
+
+Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om 't water te
+ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had
+gezien zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien
+drijven. Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het
+bleeke gelaat van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn
+voet voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het
+was tijd.
+
+Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede
+tegen en op dat steunpunt. 't Scheen hem als de eerste trede van een
+trap die naar het leven opsteeg.
+
+Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was
+het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar
+geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed
+gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte
+vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men
+gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere
+zijde van den slijkkuil.
+
+Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op
+zijn knieën. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in die
+houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte hij
+zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende,
+dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een
+zonderlinge helderheid.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE UITERSTE NOOD.
+
+
+Opnieuw zette hij zijn weg voort.
+
+Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in
+den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem
+uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om
+de drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te
+schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder
+aan den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen
+veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel
+zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij
+richtte zich op.
+
+Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd
+schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en
+stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het
+riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den
+muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het
+onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het
+geen verschrikkend licht; 't was goed, helder licht, het daglicht.
+
+Jean Valjean zag den uitgang.
+
+Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps
+den uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean
+gevoelde. Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde
+vleugels, naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde
+geen vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen
+spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde,
+vertoonde zich de uitgang duidelijker. 't Was een boog, minder hoog
+dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de
+galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De
+tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing,
+in navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis,
+onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.
+
+Jean Valjean bereikte den uitgang.
+
+Daar bleef hij staan.
+
+'t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.
+
+De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat waarschijnlijk
+zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn steenen kozijn
+gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een grooten
+baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot, die
+diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een
+dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.
+
+Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier,
+het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg
+was om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien
+afgrond, waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen
+horizont, de vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug,
+links, stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig
+zijn geweest om er den nacht te blijven en dan te vluchten. 't Was
+een der eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover
+Gros-Caillou. De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen
+van het hek.
+
+'t Kon half negen 's avonds zijn geweest. Het werd allengs donker.
+
+Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van den
+vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen;
+de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog
+zich niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een
+minder stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te
+bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoog zich. De
+tanden van een tijger sluiten niet vaster in hun kassen. Geen hefboom;
+geen verbreking mogelijk. De weerstand was onverwinlijk. Er was geen
+middel om de deur te openen.
+
+Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem
+worden? Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had,
+opnieuw beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens
+andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als
+door een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde,
+welke men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij
+wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang,
+hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen
+waren ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig
+was de rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar
+ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten zijn.
+
+'t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.
+
+'t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was vruchteloos
+geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe gevangen, en
+Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de duisternis
+trilden, de vreeselijke spin.
+
+Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op
+het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn
+hoofd tusschen zijn knieën zinken. Geen uitkomst.
+
+'t Was de laatste droppel van den angst.
+
+Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich zelven,
+noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET AFGESCHEURDE ROKSPAND.
+
+
+In 't midden dezer zelfvergeting legde een hand zich op zijn schouder
+en een fluisterende stem zeide tot hem:
+
+"Ieder de helft."
+
+Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de wanhoop,
+en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen voetstappen
+gehoord.
+
+Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.
+
+Een man stond voor hem.
+
+Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen in
+de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt
+te naderen.
+
+Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze ontmoeting
+was, kende hij echter dezen man.
+
+'t Was Thénardier.
+
+Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean Valjean,
+gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen, die
+ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid
+van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren
+graad kan de nood niet meer stijgen, en Thénardier zelf kon aan dezen
+nacht geen grooter duisternis meer geven.
+
+Beiden wachtten een oogenblik.
+
+Thénardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van een
+lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep
+de lippen dicht op elkander, 't geen de sluwe oplettendheid te kennen
+geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte hem
+niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht en
+zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat
+hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen
+viel Thénardier, beschenen door het licht van het hek, wel is waar
+een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean
+eensklaps in 't oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam
+om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig duël te geven,
+'t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking zou
+beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean
+Valjean en den ontmaskerden Thénardier.
+
+Jean Valjean merkte terstond, dat Thénardier hem niet herkende.
+
+Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij
+elkander opnamen.
+
+Thénardier brak het eerst het zwijgen.
+
+"Wat zult ge doen om hieruit te komen?"
+
+Jean Valjean antwoordde niet.
+
+Thénardier hernam:
+
+"'t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier echter uit."
+
+"'t Is waar," zei Valjean.
+
+"Nu, ieder de helft."
+
+"Wat bedoelt ge?"
+
+"Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den sleutel."
+
+Thénardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:
+
+"Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend zijn."
+
+Jean Valjean begon te begrijpen. Thénardier hield hem voor een
+moordenaar.
+
+Thénardier hernam:
+
+"Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder zijn zakken
+te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de deur."
+
+En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende
+zien, voegde hij er bij:
+
+"Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie."
+
+Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de
+werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. 't Was de Voorzienigheid
+die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een beschermengel
+die in de gedaante van Thénardier uit den grond kwam.
+
+Thénardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel, nam er
+een touw uit en reikte het Jean Valjean.
+
+"Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe."
+
+"Wat moet ik met dit touw?"
+
+"Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel vinden. Er
+ligt daar een hoop puin."
+
+"Waartoe een steen?"
+
+"Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge hebt
+een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven."
+
+Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets
+werktuiglijk aanneemt.
+
+Thénardier knipte met de vingers alsof een plotselinge gedachte bij
+hem opkwam.
+
+"Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den modderpoel te
+komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt niet lekker."
+
+Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:
+
+"Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. 't Is goed
+wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien, als men
+volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te spreken. Om
+'t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam niet ken, zoudt
+ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge zijt en wat
+ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om 't leven gebracht en nu
+zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de rivier noodig,
+de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de verlegenheid
+helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een genoegen."
+
+Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij
+blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om
+zijn gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem
+luider te verheffen:
+
+"Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest. Waarom hebt
+ge er den man niet ingeworpen?"
+
+Jean Valjean bleef zwijgen.
+
+Thénardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek diende,
+optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een ernstig
+man gaf:
+
+"Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen zouden de
+werklieden, die het beschadigde moeten herstellen, waarschijnlijk
+den doode vinden en men zou van 't een tot het ander op het spoor
+komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool geweest. Wie? Waar
+is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan? De politie is
+zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan. Zulk een vond
+is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig lieden die
+zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de rivier aan
+iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop van een
+maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu, wat
+maakt dat uit? 't is een kreng! Wie heeft dien man gedood? Parijs. En
+de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt wèl gedaan."
+
+Hoe spraakzamer Thénardier was, des te stommer was Jean
+Valjean. Thénardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.
+
+"Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn sleutel
+gezien, laat mij uw geld zien."
+
+Thénardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak eenigszins
+dreigend, maar toch vriendelijk.
+
+'t Was zonderling, Thénardiers bewegingen waren niet natuurlijk;
+hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op geheimzinnigen
+toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn vinger op zijn
+lippen en fluisterde: "stil!" Het was moeielijk te raden waarom. Er
+was hier niemand dan zij beiden. Jean Valjean dacht, dat misschien
+andere bandieten in een naburigen hoek verborgen waren en Thénardier
+liever niet met hen wilde deelen.
+
+Thénardier hernam:
+
+"Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn zak?"
+
+Jean Valjean tastte in zijn zakken.
+
+'t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld bij zich
+te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen gedoemd was,
+verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder geld. Toen hij
+den vorigen avond zijn uniform van nationale garde aantrok, had hij,
+in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille vergeten. Hij had
+slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde zijn zakken,
+die vochtig van 't slijk waren, en legde op den vooruitspringenden
+kant van den muur een louis-d'or, twee vijffrancsstukken en vijf of
+zes koperen sous.
+
+Thénardier stak de onderlip vooruit met een veelbeteekenende draaiing
+van den hals.
+
+"Ge hebt hem voor weinig geld vermoord," zeide hij.
+
+Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die
+van Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar
+'t licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid
+van een goochelaar vond Thénardier, terwijl hij den rok van Marius
+betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap
+er af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk
+met de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde
+en den moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan
+dertig francs.
+
+"'t Is waar," zeide hij, "gij hebt niets meer." En vergetend wat hij
+gezegd had, van te zamen deelen, nam hij alles.
+
+Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen;
+doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:
+
+"'t Zij zoo! 't is evenwel al te weinig om er een mensch voor te
+vermoorden."
+
+Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.
+
+"Nu, vriend, moet ge hier uit. 't Is hier als op de kermis, men
+betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga."
+
+Hij lachte.
+
+Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze deur
+latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te
+redden? Wij twijfelen hieraan.
+
+Thénardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden, toen
+trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte
+Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op
+zijn mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan
+onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong
+en het hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak
+of geknars. Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die
+zorgvuldig geolied waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend
+hebben. Die zachte draaiing was onheilspellend; 't deed de heimelijke
+gangen van nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad
+vermoeden. Het riool was stellig de medeplichtige van een geheime
+bende. Dit zwijgende hek was een dievenheler. Thénardier opende het
+hek niet wijder dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot
+het hek weder, draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw
+in de duisternis, zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij
+scheen op de fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Een oogenblik
+later, was deze leelijke Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.
+
+Jean Valjean was buiten.
+
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS SCHIJNT DOOD VOOR IEMAND, DIE ER VERSTAND VAN HEEFT.
+
+
+Hij leide Marius aan den rivierzoom.
+
+Zij waren buiten!
+
+Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De
+gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan
+alle zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte
+van de ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was
+gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die
+een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De
+hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als
+kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne
+nestjes, die elkander in de takken der olmen van de Champs-Elysées
+goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw aan 't azuur dreven,
+waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De avond spreidde over
+'t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden van het oneindige uit.
+
+'t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch neen
+zegt. 't Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand onzichtbaar
+te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te worden.
+
+Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door
+deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken,
+waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te
+kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker
+als in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op,
+evenals zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig
+naar dit onmetelijk helder duister, 't welk hij boven zich had;
+peinzend baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels,
+met geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot
+hem terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner
+hand water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in
+'t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde zijn
+half geopende mond.
+
+Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken, toen hij
+eensklaps een soort van dwang gevoelde, alsof men iemand achter zich
+heeft, dien men niet ziet.
+
+Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, 't welk iedereen kent.
+
+Hij keerde zich om.
+
+Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge
+gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en
+in de hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige
+schreden achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.
+
+'t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een eenvoudig mensch
+zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend mensch wegens den
+knuppel, ongerust zijn geweest.
+
+Jean Valjean herkende Javert.
+
+De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Thénardiers vervolger niemand
+anders dan Javert was. Javert was, na zijn onverhoopte ontkoming uit
+de barricade, naar de prefectuur van politie gegaan, had den prefect
+in een kort verhoor persoonlijk van alles mondeling verslag gedaan,
+en toen onmiddellijk weder zijn dienst hervat, die--luidens de bij
+hem gevonden nota--hem beval een waakzaam oog op den waterkant van den
+rechteroever bij de Champs-Elysées te houden, die sedert eenigen tijd
+de aandacht der politie had gewekt. Daar had hij Thénardier ontmoet
+en was hem gevolgd. Men weet het overige.
+
+Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean
+openen van het hek, een list van Thénardier was. Thénardier had er
+een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf; een vervolgde heeft
+een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond moest een been
+worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin! 't Was een buit,
+die men niet mocht terughouden. Thénardier, door Jean Valjean in zijn
+plaats naar buiten te zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar
+van zijn spoor, deed zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten;
+beloonde Javert voor zijn wachten, 't geen een spion immer streelt,
+verdiende dertig francs en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer
+afleiding, zou ontsnappen.
+
+Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.
+
+Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Thénardiers handen in die van
+Javert te vallen, was ontzettend.
+
+Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben,
+niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst
+gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de
+hand, en zeide kort en bedaard:
+
+"Wie zijt gij?"
+
+"Ik."
+
+"Wie, gij?"
+
+"Jean Valjean."
+
+Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knieën en den rug,
+legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders, welke er
+als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende hem. Hun
+gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was vreeselijk.
+
+Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een
+leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.
+
+"Inspecteur Javert," zeide hij, "gij hebt mij. Ik beschouw mij
+trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn woonplaats
+niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem mij,
+maar sta mij één ding toe."
+
+Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn
+gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van
+wreede overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich
+plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom,
+prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:
+
+"Wat doet ge hier? en wie is deze man?"
+
+Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.
+
+Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te
+doen ontwaken:
+
+"Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar welgevallen;
+maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag u niets
+anders."
+
+Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer men
+hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij weigerde
+evenwel niet.
+
+Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het
+water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.
+
+"Deze man was bij de barricade," zeide hij halfluid als tot zich
+zelven sprekende. "Men noemde hem Marius."
+
+Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar alles
+geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende te
+zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de
+eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.
+
+Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.
+
+"'t Is een gewonde," zei Jean Valjean.
+
+"'t Is een doode," zei Javert.
+
+Jean Valjean antwoordde:
+
+"Neen, nog niet."
+
+"Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?" merkte Javert op.
+
+Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder
+naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs
+Jean Valjean's zwijgen op deze vraag niet opmerkte.
+
+Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij hernam:
+
+"Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn
+grootvader...--Ik ben den naam vergeten."
+
+Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille
+uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde,
+en reikte ze Javert.
+
+'t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert
+had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der
+nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en
+mompelde: "Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No. 6."
+
+Toen riep hij: "Koetsier!"
+
+Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.
+
+Javert behield de portefeuille van Marius.
+
+Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed
+was gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het
+rijtuig gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.
+
+Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden
+naar den kant van het Bastilleplein.
+
+Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een donkere
+gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In het
+rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met
+den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken,
+met hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te
+wachten; Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en
+in dit donkere rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een
+lantaarn reed, akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd,
+had het toeval het lijk, het spook en het standbeeld vereenigd.
+
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+TERUGKEER VAN DEN VERLOREN ZOON TOT HET LEVEN.
+
+
+Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen, viel een druppel
+bloed uit het haar van Marius.
+
+Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in
+de straat des Filles du Calvaire stilhield.
+
+Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een
+oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren
+klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander
+aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half
+geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend,
+slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.
+
+Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral in
+dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie verschrikt,
+neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer zij den
+boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de dekens.
+
+Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het
+rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij
+de beenen.
+
+Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen van
+Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde
+zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw,
+alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had opgewekt.
+
+Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement
+tegenover den portier van een opstandeling past:
+
+"Woont hier iemand, die Gillenormand heet?"
+
+"Ja. Wat wilt ge van hem?"
+
+"Men brengt hem zijn zoon terug."
+
+"Zijn zoon?" zei de portier verstomd.
+
+"Hij is dood."
+
+Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de
+portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd
+tegen hem.
+
+De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van
+Jean Valjean te begrijpen.
+
+Javert hernam:
+
+"Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu hier."
+
+"Naar de barricade!" riep de portier.
+
+"Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader wekken."
+
+De portier verroerde zich niet.
+
+"Ga toch!" herhaalde Javert.
+
+En hij voegde er bij:
+
+"Morgen zal men hier een begrafenis hebben."
+
+Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch
+gerangschikt, 't geen het begin der voorzichtigheid en waakzaamheid is,
+en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de mogelijke feiten waren
+om zoo te spreken in laden, waar zij bij gelegenheid in verschillende
+hoeveelheden uitkwamen; op de straat bestonden voor hem: straatgerucht,
+oproer, vastenavondgewoel en begrafenis.
+
+De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette wekte
+tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen, meenende,
+dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.
+
+Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens
+iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde,
+en men legde hem op een oude canapé in de voorkamer van den heer
+Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette
+de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den
+schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op
+den voet gevolgd.
+
+De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met
+verschrikte slaperigheid.
+
+Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.
+
+"Inspecteur Javert," zei Jean Valjean, "sta mij één ding toe."
+
+"Wat?" vroeg Javert ruw.
+
+"Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt ge verder
+met mij doen wat ge wilt."
+
+Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag
+van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:
+
+"Koetsier, rue de l'Homme-Armé, nommer 7."
+
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+VERBAZING.
+
+
+Onderweg spraken zij geen woord meer.
+
+Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette
+waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschien een of andere
+nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste beschikkingen
+nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat alles was
+hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette er zich
+niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand, misschien
+aan het touw, dat Thénardier hem gegeven had, gedacht hebben en aan
+de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou; maar sinds
+den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag, ware ze
+ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.
+
+De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in
+zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean
+onmogelijk.
+
+Bij den ingang der straat de l'Homme-Armé hield het rijtuig stil,
+wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van rijtuigen. Javert
+en Jean Valjean stegen uit.
+
+De koetsier deed "mijnheer den inspecteur" deemoedig opmerken, dat
+het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den vermoorden
+man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit althans had hij
+begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een schadevergoeding toekwam. En
+terzelfder tijd, zijn zakboekje te voorschijn halende, verzocht hij
+mijnheer den inspecteur zoo goed te zijn een klein bewijs hiervan
+te schrijven.
+
+Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg,
+zeggende:
+
+"Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder begrepen?"
+
+"'t Is zeven en een kwart uur," antwoordde de koetsier, "en mijn
+trijp was splinternieuw. Tachtig francs, mijnheer de inspecteur."
+
+Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier gaan.
+
+Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar
+den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives,
+welke in de nabijheid zijn.
+
+Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.
+
+Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.
+
+Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.
+
+"Goed," zei Javert. "Ga binnen."
+
+Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof 't hem inspanning kostte,
+voegde hij er bij:
+
+"Ik wacht u hier."
+
+Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelen van Javert
+was weinig volgens zijn gewoonte. 't Kon Jean Valjean evenwel niet zeer
+verrassen, dat Javert nu een soort van trots vertrouwen in hem stelde,
+het vertrouwen van de kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als
+haar poot vergunt, te meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over
+te geven en tot een einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het
+huis binnen, riep tot den portier, die te bed lag en van uit zijn bed
+aan de deurkoord had getrokken: "Ik ben het," en hij ging de trap op.
+
+Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben hun
+statiën. Het venster van het portaal, een schuifraam, was open. Gelijk
+in vele oude huizen ontving de trap het licht van de straat door een
+venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar juist tegenover,
+wierp eenig licht op de treden, 't geen een opzettelijke verlichting
+uitwon.
+
+Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag
+uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het
+eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.
+
+Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.
+
+Javert was heengegaan.
+
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE GROOTVADER.
+
+
+Basque en de portier hadden Marius, die steeds bewegingloos op de
+canapé lag, waarop men hem terstond bij de aankomst gelegd had,
+de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men geroepen had was
+gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.
+
+Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets
+in staat dan te zeggen: "Is het Gods mogelijk!" Zij voegde er nu
+en dan bij: "Alles zal met bloed bemorst worden!" Toen de eerste
+ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige helderheid
+in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den uitroep:
+"Zoo moest het eindigen!" maar zij ging zooverre niet van te zeggen:
+"Ik heb het wel gezegd!" zooals in dergelijke gevallen gebruikelijk is.
+
+Op last van den geneesheer was een bed naast de canapé gelegd. De
+geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben dat de
+pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en het bloed
+om de lippen uit den neus kwam, liet hij hem plat op het bed leggen,
+zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan het lichaam,
+de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te maken. Toen
+mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde, verwijderde
+zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans bidden.
+
+De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de
+portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar
+niet diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange
+marsch in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel
+ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren
+vol sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was
+echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden
+zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel
+medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen. 't Was een ernstig
+verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit
+dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het
+bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf
+door de barricade beschermd geworden.
+
+Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed;
+Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel,
+de geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast
+het bed brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale
+instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en
+het haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle
+emmer rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.
+
+De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde
+hij het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed,
+beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich
+zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.
+
+Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger
+de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een
+deur geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.
+
+'t Was de grootvader.
+
+De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer
+ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht
+niet kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds
+was hij zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis
+zorgvuldig zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.
+
+De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van den heer
+Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen,
+welke men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over
+het licht, dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en
+tastend genaderd.
+
+Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende
+deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten
+slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade;
+verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.
+
+Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit als
+was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het middel
+bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder verlicht.
+
+Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling,
+zoo erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier
+hoornvlies wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een
+soort van glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een
+oogenblik de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen
+neder, als ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting
+verried zich door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende
+handen, zijn knieën vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door
+de opening van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar
+bezet, zien. Hij stamelde:
+
+"Marius!"
+
+"Mijnheer," zei Basque, "men heeft den jongenheer zooeven hier
+gebracht. Hij is naar de barricade gegaan en...."
+
+"Hij is dood!" riep de grijsaard met vreeselijke stem. "O, de
+booswicht!"
+
+Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen honderdjarige
+zoo recht op als een jongeling.
+
+"Mijnheer," zeide hij, "zijt gij de geneesheer? Zeg mij voor alles
+één ding. Hij is dood, niet waar?"
+
+De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.
+
+Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.
+
+"Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade laten dooden
+uit haat tegen mij! 't Is tegen mij, dat hij dit gedaan heeft. O,
+bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp mijns levens,
+hij is dood."
+
+Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te
+stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot
+den nacht te spreken.
+
+"Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in stukken
+gehouwen. Ziet ge 't nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik hem wachtte
+en zijn kamer in orde had doen brengen en zijn portret, uit den tijd
+dat hij een kleine jongen was, aan het voeteneinde van mijn bed
+geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts behoefde weder te komen,
+en ik hem sedert jaren terug riep en des avonds met de handen op de
+knieën voor het vuur bleef zitten, niet wetende wat te doen, en dat ik
+er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge slechts behoefdet terug te
+keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de meester des huizes zoudt
+zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles van uw ouden grootvader
+zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar gij zeidet: neen,
+hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt naar de barricaden
+gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten dooden, om u te
+wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had gezegd! 't Is
+schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij is dood. Dat is
+mijn ontwaking!"
+
+De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden, verliet
+Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien hij
+bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met
+oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide kalm:
+
+"Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb Lodewijk
+XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te schikken. Maar
+één ding is verschrikkelijk, 't is de gedachte, dat uw dagbladen
+al dat kwaad brouwen. Gij hebt schrijvers, sprekers, advocaten,
+redenaars, tribunen, discussiën, vooruitgang, verlichting, rechten van
+den mensch, vrijheid van drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen
+te huis brengt. Ach, Marius! 't is afschuwelijk! Gedood! vóór mij
+dood! Een barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge
+in de buurt woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet
+voorbijrijden. Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent
+dat ik kwaad ben. Men wordt niet kwaad op een doode. 't Zou dom
+zijn. 't Is een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen
+hij nog zeer klein was. Hij speelde in de Tuilerieën met zijn kleine
+spade en wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte
+ik met mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den
+grond groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij
+ging heen. 't Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn
+moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond
+zijn? Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire;
+maar de kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik
+herinner hem mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon de d
+niet uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende
+een vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van
+Herkules Farnèse, om hem heen ging staan, om hem te bewonderen, zoo
+schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men op de schilderijen
+ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok, maar hij wist
+wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer hij in mijn
+kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de zon. Men is
+weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u vast, en
+laten u niet meer los. 't Is waar, dat er geen liever kind was. Wat
+zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw Tirecuir de
+Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet gaan!"
+
+Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was
+en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw
+zijn handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen
+zich werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden:
+"O! wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!"--Zachte
+verwijten van een zieltogende tot een lijk.
+
+Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken, keerden
+allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de kracht
+niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en
+gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:
+
+"'t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf zeggen dat er
+in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou achten met dien
+ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in plaats van zich
+te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten en zich als
+een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de republiek! In
+plaats van naar de Chaumière te gaan dansen, zooals het jongen
+lieden betaamt. 't Is wel der moeite waard, twintig jaar oud te
+zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme moeders! hebt nu
+nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee begrafenissen
+uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den generaal
+Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij was
+een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is
+'t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren
+oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude
+lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude
+uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood
+geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb
+ik het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. 't Is
+uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die
+medicijnen. 't Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is
+dood, geheel dood. Ik heb er verstand van want ook ik ben dood. Hij
+heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, 't is een afschuwelijke,
+schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw denkbeelden,
+van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van uw dokters,
+van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van wijsgeeren, en van
+al de revolutiën, welke sedert zestig jaren de raven der Tuilerieën
+verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt geweest door u te laten
+dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort ge, moordenaar!"
+
+Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn
+blik, nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer
+Gillenormand.
+
+"Marius!" riep de grijsaard. "Marius, mijn kleine Marius! mijn kind,
+mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij aanschouwt mij, gij
+leeft. Goddank!"
+
+En hij zonk machteloos neder.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK IV.
+
+JAVERT UIT HET SPOOR.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+JAVERT UIT HET SPOOR.
+
+
+Javert had zich met langzame schreden uit de straat de l'Homme-Armé
+verwijderd.
+
+Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor
+het eerst van zijn leven met de handen op den rug.
+
+Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen,
+welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist;
+die, welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was
+hem onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon,
+in zijn somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.
+
+Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.
+
+Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de Olmenkade,
+zette zijn weg voort over het Grèveplein, en hield stil op eenigen
+afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan den hoek der
+brug Nôtre-Dame. De Seine vormt dáár, tusschen die brug en de brug du
+Change eenerzijds, en de kade Mégisserie en de Bloemkade anderzijds,
+een soort van vierkant meer, door 't welk een snelle strooming gaat.
+
+Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is gevaarlijker
+dan deze strooming, welke te dien tijde door een watermolen, die
+thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen werd. De twee zoo
+dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het gevaar; het water
+ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met vreeselijke golven,
+het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met forsche vloeiende
+kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De menschen, die
+er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de beste zwemmers
+verdrinken er.
+
+Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op beide
+handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren bakkebaard
+woelden, peinsde hij.
+
+Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem
+ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.
+
+Javert leed vreeselijk.
+
+Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te
+hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid
+verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn
+geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet
+ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der
+Seine had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn
+prooi herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.
+
+Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en
+dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan één
+rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze twee wegen waren
+tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de andere uit. Welke
+van de twee was de ware?
+
+Zijn toestand was onbeschrijfelijk.
+
+Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan
+te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken
+voet te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een
+wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn
+beurt te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht,
+den algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke
+belangen ook iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de
+maatschappij te verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al
+deze onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden,
+dat verplette hem.
+
+Eén ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem genade had
+geschonken; en één ding had hem versteend, namelijk dat hij, Javert,
+Jean Valjean genade had geschonken.
+
+Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer terugvinden.
+
+Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan
+Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk
+de man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede
+steeg een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In
+beide gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor
+hij van zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd
+was. De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen dwong er hem
+toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder smartelijks.
+
+In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het
+hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.
+
+Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring
+zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en
+vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag
+gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken,
+zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich
+zelven geven.
+
+Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich
+veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke
+en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand
+de vrijheid te schenken; dit had hem behaagd; hij had zijn eigen
+zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden
+alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze,
+door hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de
+voeten. Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts één middel over:
+haastig naar de straat de l'Homme-Armé terug te keeren en Jean Valjean
+in hechtenis te nemen.
+
+'t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon niet.
+
+Iets belette hem den weg naar dien kant.
+
+Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken,
+gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de war.
+
+Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie
+zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!
+
+Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te
+straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de
+een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij
+zich beiden boven de wet stelden?
+
+Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft
+worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke
+orde, zou vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het
+gouvernement eten!
+
+Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.
+
+Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten
+aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire
+was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag
+ging in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig
+een dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op.
+
+Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.
+
+Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de
+steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover
+dien man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette
+hem. Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger
+als logens en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als
+werkelijkheden. De heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder
+te voorschijn, en beide gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij
+er slechts ééne vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde,
+dat iets vreeselijks zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een
+galeiboef. Is eerbied voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan,
+en kon er zich toch niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij
+en was gedwongen in zijn gemoed de verhevenheid van dien ellendeling
+te erkennen. 't Was verschrikkelijk!
+
+Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige
+tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis
+vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan
+zijn vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had,
+die, op het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan
+bij den mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen,
+dat zulk een monster bestond.
+
+Dit kon niet langer duren.
+
+Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer
+aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien
+afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd
+was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat,
+had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd
+gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in
+hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij
+behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe
+te roepen: "Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken heeft;"
+de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: "Deze man is voor u!" om
+dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende, niets meer te zeggen, en
+zich met niets meer te bemoeien. Deze man is voor altijd de gevangene
+der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil. Wat was gerechter? Javert
+had zich dit alles gezegd; hij had zonder verder nadenken zoo willen
+doen, den man vatten, maar toen, evenals nu, vermocht hij het niet,
+en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig naar den kraag
+van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als onder een zwaar
+gewicht, nedergezonken, en in 't diepst zijner ziel had hij een stem,
+een zonderlinge stem gehoord, die hem toeriep: "Goed zoo. Lever uw
+redder over. Laat u vervolgens het waschbekken van Pontius Pilatus
+brengen en wasch er uw klauwen in."
+
+Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven
+Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.
+
+Een galeiboef was zijn weldoener.
+
+Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten? In
+de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had
+hij gebruik moeten maken. 't Ware beter geweest, zoo hij de andere
+opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met geweld
+had laten doodschieten.
+
+Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij gevoelde
+zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken
+stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende
+soort te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel
+verschillend van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn
+eenige leiddraad was. 't Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid
+te blijven. Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en
+overweldigde hem. Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest:
+de aangenomen en beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid,
+de toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid
+uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen
+veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets
+als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke
+gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden
+opgang eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij
+verblindde hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!
+
+Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen
+bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de
+regel te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den
+tekst van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare
+macht had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar
+kon verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het
+lot zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij
+zelf voor zulk een verrassing bezweken was.
+
+Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze tuchteling
+was goed geweest. En hij zelf, 't was ongehoord, was goed geweest. Hij
+was dus ontaard.
+
+Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.
+
+Voor Javert was het ideaal niet--menschelijk, groot, verheven; maar
+onberispelijk te zijn. En hij had gefaald.
+
+Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het
+niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar
+wat hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.
+
+Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over
+te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert,
+was. Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te
+laten gaan, terwijl hij hem vasthield. 't Was, om zoo te zeggen,
+buiten zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.
+
+Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor zijn
+oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn antwoorden
+verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling, deze
+wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn voet
+had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als
+voor zijn veiligheid--wat heeft hij gedaan door mij het leven, door
+mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik op
+mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets
+meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in
+verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond,
+de andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor
+die boven, als voor die beneden was. Zonder in 't minst Voltairiaan,
+philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol
+eerbied voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een
+grootsch deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was
+zijn dogma en dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken
+ouderdom had en ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen
+godsdienst in de politie, zijnde hij--wij zeggen dit zonder eenige
+ironie en in den ernstigsten zin--spion gelijk men priester is. Hij
+had een opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig
+aan dien anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer,
+God, gevoelde hij onverwacht, en was er door gehinderd.
+
+Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet,
+hoe hij 't met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat de
+ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch ongehoorzaam
+mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte tegenover
+een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen ander
+middel overschiet dan zijn ontslag.
+
+Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te bieden?
+
+Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij
+hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettende ambtszonde had
+begaan. Hij had de oogen gesloten voor een bij herhaling veroordeelde,
+die zijn ban had gebroken. Hij had een galeiboef vrijgelaten. Hij
+had aan de wet een man ontstolen, die haar behoorde. Dat had hij
+gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer. Hij was van zijn eigen
+bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen zijner daad ontgingen
+hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot hiertoe had hij
+in dat blinde geloof geleefd, 't welk een onbepaalde eerlijkheid
+voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die eerlijkheid ontging
+hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden, welke hij niet
+wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij een ander
+mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een geweten,
+dat eensklaps uit de duisternis in 't licht komt. Hij zag 't geen,
+waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel, onnut, misvormd
+uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets gebracht. Het
+gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te leven.
+
+'t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.
+
+Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der
+wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen
+borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart
+gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden,
+hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede
+het kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te
+smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen
+dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!
+
+Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!
+
+Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er
+kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer
+een wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het
+gezag is aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke
+is mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen;
+de rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig
+blauw des hemels te zien!
+
+Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten, het
+uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid,
+die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de
+stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren
+paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den
+zadel kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het
+juiste, het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon,
+dat er voor de locomotief een weg van Damaskus is.
+
+Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een
+effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets
+of het was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er
+voorzien. Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering
+er voor. Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het
+onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den
+chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de
+lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu
+deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde
+verschijning: een afgrond boven zich.
+
+Hoe! men was van 't hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en al van
+zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen dat
+men zeker acht, instorten?
+
+Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een
+grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der
+wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen
+de misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in
+hechtenis te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den
+staat aan den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht
+zijn! Hoe! was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet,
+gebukt onder veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk
+hebben? Was het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor
+de herschapen misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.
+
+Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet
+alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. 't Waren
+feiten. 't Was ontzettend, dat zulke feiten konden voorkomen.
+
+Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen;
+'t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van
+boven komen?
+
+Aldus--en in de overdrijving van den angst en de begoocheling
+der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en
+verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich
+in afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen--aldus was het strafrecht,
+een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven,
+de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging
+der misdaad, de officiëele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid,
+het beginsel van het gezag, al de dogma's waarop de politieke en
+burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie,
+de logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke
+absolute, de openbare waarheid, dat alles was puin, bouwval, chaos;
+hij zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst
+der politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en
+geveld, en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het
+hoofd en schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting
+was hij gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.
+
+Was dit te verduren? Neen.
+
+Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn
+kon. Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was,
+onverschrokken naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno
+aan den kerker terug te geven. De andere...
+
+Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten
+tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van
+het Chateletplein aanwees.
+
+Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad
+binnen. Enkel aan 't openen der deur van een wachthuis kennen de
+politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart
+aan den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars
+brandde. Op de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier,
+voor het geval van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor
+de nachtpatrouilles.
+
+Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude
+instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze
+noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met
+roode ouwels, welke den laagsten trap vormen van den officiëelen
+stijl. Daarmee begint de staatsletterkunde.
+
+Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:
+
+
+ "EENIGE OPMERKINGEN TEN NUTTE VAN DEN DIENST.
+
+
+ Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een
+ oog te slaan.
+
+ Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken
+ hun schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen
+ staan, terwijl zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten,
+ wanneer zij in de gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten
+ voor de ziekenzaal.
+
+ Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden
+ geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste
+ twee agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in
+ eenig geval een agent in den dienst verflauwde, de andere hem
+ kunne bewaken en vervangen.
+
+ Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere
+ reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een
+ stoel verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen.
+
+ Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de
+ cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen
+ kan doen vatten.
+
+ Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere
+ gevangenen in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk
+ roepen van den naam door den gevangene twee sous betalen. Dit
+ is diefstal.
+
+ Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats
+ den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer,
+ wijl het linnen niet minder goed is.
+
+ Ten achtste: 't Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force de
+ plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer
+ van Sainte-Marie-l'Egyptienne te begeven.
+
+ Ten negende: 't Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen
+ op de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der
+ beschuldigden hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd
+ persoon moest zijn, te hooren herhalen, wat hij in de kamer
+ van den rechter van instructie heeft gehoord, is een ernstige
+ onordelijkheid.
+
+ Ten tiende: Mme Henry is een brave vrouw; haar cantine is zeer
+ zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het
+ geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving
+ onwaardig."
+
+
+Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen komma
+of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den laatsten
+regel teekende hij:
+
+
+ "Javert,
+
+ "Inspecteur van de 1e klasse.
+
+ "In den wachtpost van het Chateletplein.
+
+ "7 Juni 1832, omstreeks één uur 's morgens."
+
+
+Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een
+brief dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: "Nota
+voor de administratie," liet het op de tafel liggen en verliet den
+wachtpost. De getraliede glazen deur viel achter hem dicht.
+
+Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en
+kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, 't welk hij
+een kwartieruurs vroeger verlaten had; hij stond er weder in dezelfde
+houding, op denzelfden vloersteen der borstwering. Het scheen, alsof
+hij dien niet verlaten had.
+
+'t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik, 't welk op
+middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de starren. De
+hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen der oude
+stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men van de
+straten en kaden zien kon was eenzaam. Nôtre-Dame en de torens van het
+Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten. Een straatlantaarn
+wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De schaduwbeelden der
+bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig voorkomen. De regen
+had de rivier doen zwellen.
+
+De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men
+zich herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een
+geweldige strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk,
+welke als schroef zonder einde draait.
+
+Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men
+onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de
+rivier niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte
+een lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water
+heeft, zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen
+en het in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles
+werd weder onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men
+onder zich had, was geen water; 't was een kolk. De muur van de kade,
+die ruw en onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn
+kwam, maar dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van
+een steilte van het oneindige.
+
+Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den
+flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit
+dien afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde
+dan zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de
+brug, de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze
+duisternis was afgrijselijk.
+
+Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de duisternis
+aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een strakheid, die
+oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam hij zijn hoed
+af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later verscheen
+een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de verte
+voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering,
+boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht
+in de duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de
+duisternis kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in
+het water verdwenen gestalte.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK V.
+
+DE KLEINZOON EN DE GROOTVADER.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+MEN ZIET DEN BOOM WEDER MET DEN ZINKPLEISTER.
+
+
+Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald hebben, werd
+Boulatruelle levendig getroffen.
+
+Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in
+de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.
+
+Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die
+zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij
+sloeg steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten
+weg. Hij was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht;
+hij geloofde zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren
+begraven. Hij hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den
+grond te zullen vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich,
+het in de zakken der voorbijgangers te zoeken.
+
+Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood
+ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning
+van Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn
+dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij
+daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating,
+gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op
+den avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij
+was naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder
+bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk
+te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor
+het stelen, dat hem bijna in 't verderf had gestort, maar zich met
+meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered had.
+
+De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn terugkomst
+onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den volgenden aard:
+
+Toen op zekeren ochtend, even vóór dat de zon opging, Boulatruelle
+zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar zijn hinderlaag
+begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van wien hij slechts
+den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den afstand en de
+morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle had, hoewel
+hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een noodzakelijk
+wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde eenigszins
+in strijd is.
+
+"Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel gezien?" vroeg
+hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander antwoord geven, dan
+dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een onduidelijk beeld in
+'t geheugen lag. Overigens maakte Boulatruelle, afgescheiden van deze
+gelijkenis, waarmede hij niet in 't reine kon komen, opmerkingen en
+gissingen. Deze man behoorde niet in deze streek te huis. Hij was
+er gekomen, stellig te voet, want op dit uur rijdt geen diligence
+door Montfermeil. Hij had den ganschen nacht geloopen. Van waar kwam
+hij? Van niet ver, want hij droeg noch reiszak noch pak. Waarschijnlijk
+van Parijs. Waarom was hij in dit bosch? Waarom was hij er op dit
+uur? Wat kwam hij er doen?
+
+Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen,
+herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke
+opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen
+wel dezelfde als deze te kunnen zijn.
+
+Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner
+overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar
+niet heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand
+meer. De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.
+
+"Voor den duivel!" zei Boulatruelle, "ik zal hem wedervinden. Ik
+zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze wandelaar van
+Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik zal ze
+vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik er
+bij behoor."
+
+Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.
+
+"Hiermede," mompelde hij, "kan ik den grond en een mensch kort
+krijgen."
+
+En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg
+samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het
+kreupelhout.
+
+Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag hem
+meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte voetstappen,
+vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen takjes der
+struweelen, die met bevallige langzaamheid zich weder oprichtten,
+als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende, zich uitrekt, dit
+alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar verloor het. De
+tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam aan een soort
+van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een voetpad
+de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een boom
+te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk,
+en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.
+
+'t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den kant zag,
+waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij eensklaps
+den man.
+
+Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit
+het oog.
+
+De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide
+plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer
+goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen,
+een gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat,
+op de schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette
+vroeger de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor
+bestemd, die men er vóór dertig jaren zag, is er waarschijnlijk
+nog. Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een
+planken schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient,
+is dit een reden voor haar langen duur.
+
+Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den
+boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam
+'t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk de
+zoo lang gedroomde schat.
+
+'t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de
+begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een groot
+kwartieruurs voor noodig. Regelrecht door het kreupelhout, dat daar
+buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is, was er een groot half uur
+toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit niet te begrijpen. Hij
+geloofde aan de rechte lijn; een zeer vergeeflijk optisch bedrog,
+maar dat vele menschen ten verderve leidt. Het kreupelhout, hoe dicht
+het ook was, scheen hem de goede weg.
+
+"Slaan wij de straat Rivoli der wolven in," zeide hij.
+
+Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer
+den misslag, den rechten weg te volgen.
+
+Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.
+
+Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars, distelen
+en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.
+
+Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat,
+buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.
+
+Er was niemand.
+
+Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn plaats,
+men had hem niet weggevoerd.
+
+Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen? In
+welke richting? In welken schuilhoek? 't Was onmogelijk te gissen.
+
+En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den
+boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en
+een vergeten of achtergelaten schop zag.
+
+Die kuil was ledig.
+
+"Dief!" riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den horizont
+uitstekende.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS UIT DEN BURGEROORLOG GEKOMEN, BEREIDT ZICH TOT DEN HUISELIJKEN
+OORLOG.
+
+
+Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag verscheidene
+weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige hersenverschijnselen
+gepaard gingen, welke meer nog door den schok der hoofdverwonding
+veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.
+
+Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige
+levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van
+den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar,
+wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid
+van den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder
+en bij den minsten storm was de geneesheer ongerust. "De lijder mag
+vooral geen gemoedsaandoeningen hebben," herhaalde hij. De verbinding
+was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging der windsels
+destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte voor pluksel
+een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij zeide. Met
+moeite werd het koudvuur door aanwending van chloor en helschen steen
+tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was Gillenormand, die niet van
+het bed zijns kleinzoons week, evenals Marius, noch dood noch levend.
+
+Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goed gekleed heer met
+wit haar--dit was het signalement dat de portier van hem gaf,--naar
+den zieke vragen en liet een groot pak pluksel voor het verband achter.
+
+Eindelijk, den 7den September, vier maanden, op den dag af, na
+den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader
+had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden was. De
+genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op
+een ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo
+is er altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het
+volkomen herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!
+
+Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling
+hem voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen
+openbare, die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren
+der tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken,
+dat men ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.
+
+Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke
+den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene
+verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij 't algemeen, maar bovenal
+bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging werden
+gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad in
+het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders
+durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.
+
+De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door
+te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder
+door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius
+brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen
+om er compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand,
+als een verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaie
+linnen te sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat
+hij gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de
+verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als
+nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig,
+terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men
+het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: "Ai! ai!" Niets
+was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien toereiken,
+met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den geneesheer
+met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde waren.
+
+Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar
+was, geraakte de goede man buiten zich zelven. Hij gaf zijn portier
+drie louisd'ors tot fooi. Des avonds in zijn kamer teruggekeerd
+danste hij een gavotte, en knipte met den duim en wijsvinger als met
+castagnetten, daarbij het liedje zingende:
+
+
+ Jeanne est née à Fougère,
+ Vrai nid d'une bergère;
+ J'adore son jupon
+ Fripon.
+
+ Amour, tu viens en elle,
+ Car c'est dans sa prunelle
+ Que tu mets ton carquois,
+ Narquois!
+
+ Moi, je la chante, et j'aime
+ Plus que Diane même
+ Jeanne et ses durs tétons
+ Bretons. [8]
+
+
+Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door de reet der
+deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.
+
+Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.
+
+Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer
+opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij
+gaf zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te
+kennen; hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een,
+overigens knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een
+grooten bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar
+dien gezonden. Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer
+Gillenormand beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde
+Marius mijnheer den baron. Hij riep: Leve de republiek!
+
+Telkens vroeg hij aan den geneesheer: "Er is immers geen gevaar
+meer?" Hij aanschouwde Marius met de oogen eener grootmoeder. Hij
+trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij kende, hij telde
+zich zelven niet meer. Marius was de meester des huizes; in zijn
+blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij was de kleinzoon
+van zijn kleinzoon.
+
+In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van
+den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter
+hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt,
+bekoorlijk, jong. Zijn wit haar paarde een zachte majesteit aan den
+vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich onder
+rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom ligt
+een hemelsch morgenrood.
+
+Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts
+een enkele gedachte: Cosette.
+
+Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien
+naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan
+dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.
+
+Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de
+Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke
+schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin
+Thénardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade gehulde
+vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent in
+dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm;
+hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door
+wien hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het;
+al wat men hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een
+huurrijtuig in de straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd;
+het verledene, het tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel
+van een onduidelijk denkbeeld; maar in dien nevel was één vast punt,
+één juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit, den wil:
+Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan 't leven
+niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart
+bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had
+onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen,
+van zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn
+verdwenen paradijs te eischen.
+
+Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.
+
+Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en
+weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn
+grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens
+wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen,
+die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om
+hem te onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde
+vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven,
+dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet
+zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in 't spel kwam, hij
+een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader
+zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der
+familiequaestiën, vergelijking der toestanden, allerlei schimpredenen
+en tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent, Coupelevent, de
+fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst. Geweldig
+verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich vooraf.
+
+En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude grieven
+terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij dacht
+weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich opnieuw
+tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich zelven,
+dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn vader was
+geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de gezondheid
+herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader. De
+grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.
+
+Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand
+buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en
+zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd. 't
+Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het middel,
+noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier zijn
+woorden te verdraaien.
+
+Blijkbaar moest eene crisis komen.
+
+Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde
+Marius, om zich te oefenen, vóór hij slag leverde. Dit heet: het
+terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de heer
+Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was
+gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen
+scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen. "De
+mannen van 93 waren reuzen," zei Marius streng. De grijsaard zweeg
+en sprak den ganschen dag geen woord meer.
+
+Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren
+voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn,
+voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de
+diepste hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.
+
+Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou
+afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en
+bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn
+ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.
+
+Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der zieken.
+
+Dat oogenblik kwam.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS' AANVAL.
+
+
+Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en kopjes op het
+marmer der commode terecht zette, zeide de heer Gillenormand, over
+Marius gebogen, en op den teedersten toon: "Hoor, Mariusje, in uw
+plaats zou ik nu meer vleesch dan visch eten. Een gestoofde tong is
+uitmuntend als men begint te herstellen, maar om den zieke op de been
+te brengen, is een kotelet beter."
+
+Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze
+in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de
+beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke
+houding aan, en zeide:
+
+"Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.
+
+"Wat?"
+
+"Ik wil trouwen."
+
+"Ik had het voorzien," zei de grootvader, terwijl hij luid begon
+te lachen.
+
+"Hoe, voorzien?"
+
+"Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben."
+
+Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.
+
+De heer Gillenormand hernam:
+
+"Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij komt
+alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid
+vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met
+weenen en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in
+de rue de l'Homme-Armé No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu,
+ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot
+gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het
+regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit
+zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid,
+hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest,
+hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet
+hij zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge
+grijpt de koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij
+antwoordt mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op
+verzet gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt
+ge ervan? Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u
+zelven te zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu
+verloren, mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te erger; wreek
+u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb onderzoek gedaan,
+ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk, deugdzaam, de lansier
+heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt; zij is een juweel;
+zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er drie gestorven
+zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik had gedacht,
+haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te plaatsen;
+maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds aan het
+bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat gebeurt
+niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van den
+tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut
+verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de
+dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom,
+'t is goed, spreken wij er niet meer van; 't is gezegd, 't is gedaan,
+'t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben ik nu. Hoor, ik zag,
+dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik toch doen, opdat
+die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de kleine Cosette
+bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel een weinig
+moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat de oude
+zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al dat
+teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik
+wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig,
+mijn geliefd kind." Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard te
+snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen,
+tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van
+het hoogste geluk.
+
+"Mijn vader!" riep Marius.
+
+"Ha, gij bemint mij dus!" zei de grijsaard.
+
+Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van aandoening
+niet spreken.
+
+Eindelijk stamelde de grijsaard:
+
+"Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft "mijn vader" gezegd."
+
+Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide zacht:
+
+"Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik haar
+zou kunnen zien."
+
+"Ook voorzien; morgen zult ge haar zien."
+
+"Vader!"
+
+"Wat?"
+
+"Waarom niet heden?"
+
+"Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal "vader" genoemd; dit is
+het wel waard. Ik zal er voor zorgen. Men zal haar bij u brengen. Ik
+heb het voorzien, zeg ik u. 't Is reeds in rijm gebracht. 't Is de
+ontknooping van de elegie "de jonge zieke" van André Chénier, van André
+Chénier, die door de schur... door de reuzen van 93 vermoord werd."
+
+Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van
+Marius te merken, die in waarheid, wij moeten 't zeggen, niet meer
+naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette dan
+aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig André Chénier
+aangevoerd te hebben, hernam haastig:
+
+"Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de groote
+revolutionnaire genieën, die niet slecht waren, dat is zeker, die
+voor den drommel, helden waren, vonden, dat André Chénier hen een
+weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat wil zeggen, dat deze
+groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen belang André Chénier
+verzochten, wel te willen gaan..."
+
+De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet
+voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch
+herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter
+Marius opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden,
+de slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend,
+verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken
+Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij
+den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: "Bij de honderd
+duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!"
+
+"Wien, mijnheer?"
+
+"André Chénier!"
+
+"Ja, mijnheer," zei Basque verschrikt.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+MEJUFFROUW GILLENORMAND VINDT HET EINDELIJK NIET KWAAD MEER, DAT
+MIJNHEER FAUCHELEVENT IETS ONDER DEN ARM MEDEBRACHT.
+
+
+Cosette en Marius zagen elkander weder.
+
+Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn
+dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort
+de zon.
+
+Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend, was, op
+het oogenblik dat Cosette binnentrad, in de kamer van Marius te zamen.
+
+Zij verscheen op den drempel, en 't was alsof zij in een stralenkrans
+stond.
+
+Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten,
+maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde
+Cosette er overheen.
+
+"Aanbiddelijk!" riep hij uit.
+
+Toen snoot hij heel luidruchtig.
+
+Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was
+door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn
+kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de
+armen van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al
+deze lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens
+gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen
+alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.
+
+Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar, ernstig,
+maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen. 't Was
+"Mijnheer Fauchelevent;" 't was Jean Valjean.
+
+Hij was "zeer goed gekleed", zooals de portier had gezegd, geheel in
+het zwart en nieuw, en met witte das.
+
+De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in
+dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen,
+die in den nacht van den 7den Juni, met gehavende kleederen, vuil,
+afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt, aan
+zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen houdend;
+evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer Fauchelevent
+met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot zijn vrouw
+gezegd: "Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld dit gezicht meer
+gezien te hebben."
+
+Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij
+als afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm,
+dat op een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was
+groenachtig en scheen van het vocht te hebben geleden.
+
+"Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?" vroeg mejuffrouw
+Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot Nicolette.
+
+"O," antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand, die het
+gehoord had, "'t is een geleerde: kan hij 't helpen? De heer Boulard,
+dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek en had altijd zulk
+een oud boekje aan zijn hart."
+
+En luide zeide hij groetend:
+
+"Mijnheer Tranchelevent..."
+
+Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid
+voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.
+
+"Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon, mijnheer
+den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te vragen."
+
+"Mijnheer Tranchelevent" boog.
+
+"Dit is in orde," zei de grootvader.
+
+Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend
+uitbreidende, riep hij:
+
+"'t Is u thans vergund elkander te beminnen!"
+
+Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het
+gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn
+rustbed zittende en Cosette naast hem staande. "O mijn God!" lispte
+Cosette, "ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te gaan vechten. Waarom
+toch? 't Is afschuwelijk! Gedurende vier maanden ben ik dood
+geweest. O, 't was ondeugend van u, naar dat gevecht te gaan! Wat
+had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge moogt het niet weer
+doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij hier moesten komen,
+meende ik wederom te sterven, maar het was van vreugd. Ik was zoo
+treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te kleeden; ik moet er
+afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel zeggen, mij met
+zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge laat mij alleen
+spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de l'Homme-Armé. 't Schijnt,
+dat uw schouder vreeselijk gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men
+er de hand in kon leggen. En men heeft het vleesch uitgesneden. 't
+Is ijselijk! Ik heb mij de oogen schier uitgeweend. 't Is wonder,
+dat men zooveel kan lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig
+voorkomen. Maar vermoei u niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u
+pijn doen. O, hoe gelukkig ben ik! 't Ongeluk is dan voorbij. Ik ben
+heel en al dwaas. Ik wilde u een en ander zeggen, maar ik ben 't geheel
+vergeten. Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l'Homme-Armé. Er
+is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer,
+'t is uw schuld, ik heb eelt aan den vinger."--"Engel!" zei Marius.
+
+Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander woord
+zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden er
+van maken.
+
+Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer;
+zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.
+
+De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren
+en riep:
+
+"Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een weinig
+leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen spreken."
+
+En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:
+
+"Praat maar, stoort u aan niets."
+
+Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar
+oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; 't was in 't minst
+niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: 't was het
+domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar; 't was het
+mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde, aanschouwde.
+
+"Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter," zij haar vader; "ik heb u
+immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven."
+
+Hij zweeg een oogenblik en hernam:
+
+"Aanschouw het geluk van anderen."
+
+Toen wendde hij zich tot Cosette:
+
+"Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze. Ge
+zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig,
+dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware,
+zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd,
+jongejuffer. 't Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, 't zal een
+kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik
+zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk
+is beter. De Jezuïeten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat
+tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk
+der jezuïetische bouworde is te Namen. 't Heet Saint-Loup. Ge moet
+daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. 't Is een reis waard. Ik
+ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten trouwen;
+zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige Katharina,
+welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te blijven is
+schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het volk te
+redden moet er een Jeanne d'Arc zijn, maar om volk te hebben, is
+moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet waarlijk
+niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men een
+afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der
+H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden
+jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap,
+met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper
+een waskaars in de hand te houden en te zingen Turris Eburnea!"
+
+De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde
+voort, als een losgebroken springveer:
+
+
+ Ainsi, bornant le cours de tes rêvasseries,
+ Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te maries [9].
+
+
+"Apropos!"
+
+"Wat blieft, vader?"
+
+"Hadt ge niet een boezemvriend?"
+
+"Ja, Courfeyrac."
+
+"Wat is er van hem geworden?"
+
+"Hij is dood."
+
+"Dat is goed."
+
+Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier
+handen in zijn gerimpelde handen.
+
+"Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een klein
+meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit
+is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers
+heeft zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware
+hebt gekozen. Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de
+dwaasheid der menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,"
+voegde hij er eensklaps treurig bij, "welk een ongeluk! Nu denk ik er
+aan. Meer dan de helft van 't geen ik bezit is lijfrente; zoolang ik
+leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren,
+mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes,
+mevrouw de barones, zullen moeten werken."
+
+Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:
+
+"Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd duizend
+francs."
+
+'t Was de stem van Jean Valjean.
+
+Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten,
+dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige
+menschen.
+
+"Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?" vroeg de grootvader
+ontsteld.
+
+"Dat ben ik," antwoordde Cosette.
+
+"Zesmaal honderd duizend francs!" hernam de heer Gillenormand.
+
+"Misschien veertien of vijftien duizend francs minder," zei Jean
+Valjean.
+
+En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een
+boek had aangezien.
+
+Jean Valjean opende zelf het pakje. 't Waren bankbiljetten. Men zag en
+telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en honderd acht
+en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal honderd vier en
+tachtig duizend francs.
+
+"Dit is een kostelijk boek," zei de heer Gillenormand.
+
+"Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!" prevelde de tante.
+
+"Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw Gillenormand,
+mijn dochter?" hernam de grootvader. "Die drommelsche Marius, hij heeft
+uit den boom der droomen een schatrijk nestje gehaald. Vertrouw nu nog
+de minnarijen der jongelieden. De studenten vinden meisjes met zesmaal
+honderd duizend francs. Cherubin is nog handiger dan Rothschild."
+
+"Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken," herhaalde halfluid
+mejuffrouw Gillenormand. "Vijfmaal honderd vier en tachtig! Men kan
+even goed zeggen: zesmaal honderd duizend francs!"
+
+Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten nauwelijks
+op deze omstandigheid.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+MEN BELEGGE ZIJN GELD LIEVER IN EEN BOSCH DAN BIJ EEN NOTARIS.
+
+
+Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het noodig is het
+uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak Champmathieu,
+ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar Parijs had kunnen
+gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den heer Madeleine
+van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij, vreezende
+weder gevat te worden, 't geen werkelijk korten tijd later gebeurde,
+deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse genaamd de laagte
+Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal honderd duizend
+francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en een doosje
+kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te behoeden,
+had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen gedaan. In
+hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars van den
+bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars bij
+zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle op
+dien zekeren avond zag, was Jean Valjean. Later, telkens wanneer Jean
+Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide plek Blaru
+in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij gesproken
+hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen bekend
+was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius herstelde
+en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon zijn,
+was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in het
+bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds. Boulatruelle
+erfde de spade.
+
+De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend
+vijf honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor
+zich.--"Later zullen wij zien," dacht hij.
+
+Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend
+francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van
+tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster
+had slechts vijf duizend francs gekost.
+
+Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den schoorsteen,
+waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint schitterden.
+
+Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had in
+zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in den Moniteur,
+die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie inspecteur,
+Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de Pont-au-Change en
+de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een geschrift, 't welk
+deze overigens onberispelijke en door zijn superieuren zeer geachte
+man had nagelaten, aan een vlaag van zinsverbijstering en zelfmoord
+deed denken. Inderdaad, dacht Jean Valjean, hij moest reeds van zinnen
+verbijsterd zijn, toen hij mij in zijn macht had en mij vrijliet.
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DE BEIDE OUDE LIEDEN DOEN, ELK OP ZIJN WIJZE, ALLES OM COSETTE GELUKKIG
+TE MAKEN.
+
+
+Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De geneesheer,
+die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in Februari kon
+plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken verliepen
+in volkomen geluk.
+
+De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond
+hij in de aanschouwing van Cosette.
+
+"Een verwonderlijk schoon meisje!" riep hij. "En zij ziet er zoo zacht
+en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het bekoorlijkste meisje,
+dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij deugden hebben, die
+de geuren van een violet verspreiden. Zij is een gratie. Met zulk een
+wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn jongen, gij zijt baron,
+rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid u."
+
+Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel
+overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door
+verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.
+
+"Begrijpt ge er iets van?" vroeg Marius aan Cosette.
+
+"Neen," antwoordde Cosette, "maar mij dunkt, dat de goede God ons
+aanschouwt."
+
+Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles,
+ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver
+en, schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.
+
+Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te
+lossen, van 't welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken
+stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie
+weet of dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest
+zijn. Hij redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar
+een familie van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak
+te ontgaan. Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven
+familie, Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een
+anderen Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers
+in het klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat
+klooster; de beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden
+er verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de
+quaestiën van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen argwaan,
+hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de vader van
+Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met groote
+belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt. Cosette
+werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en ouderlooze
+weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij onder den
+naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer Gillenormand
+tot toezienden voogd werd benoemd.
+
+De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat
+door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat
+legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend
+francs geweest, maar tienduizend francs waren aan de opvoeding
+van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs aan
+het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een
+derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het
+tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit
+alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen
+bij behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag
+dit niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde
+geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend francs.
+
+Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien
+zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant;
+een andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander
+oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare
+tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine
+verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur
+was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween; zóó is
+het leven.
+
+Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels
+omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad,
+is steeds tot ontberingen gereed.
+
+Zij bleef echter Jean Valjean "vader" noemen.
+
+Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand hoogelijk
+ingenomen. 't Is waar, dat hij haar met puntdichten en geschenken
+overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken stand in de
+maatschappij en het bezit van een wettelijken staat bereidde, zorgde
+de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte alles prachtig te
+doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed geschonken, dat van
+zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode herleeft, zeide hij,
+het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn ouderdom kleeden zich
+de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude vrouwen.
+
+Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk,
+die sedert jaren niet geopend waren. "Laat ons deze dames eens
+onderzoeken," zeide hij, "en zien wat zij bevatten." Hij opende met
+geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn vrouwen, van al
+zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking, damast, lampas,
+gekleurd moiré, rokken van gevlamd gros de Tours, Indische doeken
+met goud geborduurd, die gewasschen konden worden, stukken dauphiné
+zonder weerzijde, kanten van Genua en Alençon, gouden sieraden,
+ivoren bonbonnières met microscopisch schilderwerk, snuisterijen,
+linten, dat alles schonk hij aan Cosette. Cosette, verwonderd,
+geheel vervuld van liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid
+voor den heer Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in
+satijn en fluweel. Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht
+te zijn. Haar ziel vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.
+
+De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben,
+slechts geëvenaard door de verrukking van den grootvader. Er was als
+trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.
+
+Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van antiquiteiten
+aan Cosette. Alle mogelijke falbalás golfden prachtig om haar heen.
+
+Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne eens
+ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:
+
+"De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den stralenkrans
+der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder hunner schijnt
+een herinnering uit de oudheid" [10].
+
+"Moire antique!" riep de grijsaard. "Ik dank u Marius. 't Is juist
+het denkbeeld dat ik zocht."
+
+En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van
+theekleurig moire antique gevoegd.
+
+De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.
+
+"De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet iets
+overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid het
+met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar hart
+en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij
+mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis
+met korenbloempjes bekranst, maar voeg er honderdduizend francs
+rente bij. Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een
+marmeren zuilengang. Ik neem genoegen met het landelijk leven, met
+het marmeren en gouden tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog
+brood. Men eet, maar men houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het
+nuttelooze, noodelooze, het buitensporige, overvloed. Ik herinner
+mij in de kathedraal van Straatsburg een uurwerk te hebben gezien,
+zoo hoog als een huis van drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat
+zoo vriendelijk was het uur aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt
+scheen, en dat, als het middag of middernacht, of ieder ander uur,
+geslagen had, de maan en de starren, de aarde en de zee, de vogels,
+en de visschen, Phoebus en Phebé, en een menigte dingen, die uit
+een nis kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en
+Sabinus, en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de
+trompet bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel,
+dat telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is
+hierbij een eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst,
+te vergelijken? Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en
+geef er de voorkeur aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud."
+
+De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al
+de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen
+doorééngemengd.
+
+"Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen tijd
+geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij
+heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles
+is zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos
+en houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een
+net gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou
+trouwt met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een
+louisd'or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar de
+Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles
+verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van
+Leon, den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van
+Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps
+in een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In
+deze eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld
+en is gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men
+is net gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd,
+gewast, gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk
+glad als een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o
+mijn liefde! heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen,
+waarvoor een koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou
+schrikken. Ik geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word
+niet boos, Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen
+kwaad, ge ziet dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet
+kwalijk, dat ik den burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er
+toe. Die liefheeft kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt
+tegenwoordig, maar men weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik
+betreur de bekoorlijkheid der oude zeden; alles betreur ik ervan:
+die sierlijkheid, die ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke
+manieren, die vroolijke weelde, welke iedereen had, de muziek die
+tot de bruiloft behoort, symphonie boven, tambourins beneden, dans,
+vroolijke gezichten aan tafel, geestige puntdichten, gezang, vuurwerk,
+hartelijk gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik
+betreur den kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den
+gordel van Venus verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op
+den kouseband van Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de
+goddelijke Diomedus op het hoofd van Merionus den grooten stalen
+helm met tien punten; waarom brengen Achilles en Hector elkander
+geweldige lansstooten toe? Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft
+laten ontnemen. Van den kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade
+maken. In zijn heldendicht zou hij een ouden babbelaar als mij brengen,
+en hem Nestor noemen. Mijn vrienden, eertijds, in het liefelijke
+eertijds, trouwde men met verstand; men maakte een goed contract,
+vervolgens was er een vroolijk feest. Zoodra Cujas vertrokken was,
+kwam Gamacho. Te drommel! 't is, wijl de maag een prettig dier is, dat
+vraagt wat het toekomt, en ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk,
+en zat naast een schoone buurvrouw, die niet al te preutsch was! O,
+hoe wijd openden zich de lachende monden en hoe vroolijk was men in
+dien tijd. De jeugd was een bloementuil; ieder jongeling gaf zijn
+leven voor een sering of roos; ieder krijgsman was herder; en zoo men
+toevallig ritmeester der dragonders was, vond men middel Florian te
+heeten. Men wilde fraai zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een
+burger geleek een bloem, een markies een edelgesteente. Men droeg
+geen souspieds noch laarzen. Men was keurig, glinsterend, verguld,
+zwevend, lief, coquet, 't geen niet belette den degen op zijde te
+hebben. De kolibri heeft een snavel en klauwen. Een van de zijden der
+eeuw was kieschheid, de andere heerlijkheid, en, bij den hemel! men
+vermaakte zich. Tegenwoordig is men ernstig. De burgerman is gierig,
+de burgervrouw is preutsch; uw eeuw is ongelukkig. Men zou de gratiën
+willen wegjagen, wijl zij te naakt zijn. Helaas! men verbergt de
+schoonheid als iets leelijks. Sedert de revolutiën draagt alles
+pantalons, zelfs de danseressen; zij moeten ernstig en doctrinair
+zijn. Men moet majestueus wezen. Men zou zeer ontstemd zijn, zoo de
+kin niet in de das stak. Het ideaal van een twintigjarigen knaap,
+die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te gelijken. En weet ge,
+waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt klein. Laat mij dit
+zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk, zij is grootsch. Weest
+toch, voor den drommel, vroolijk verliefd. Trouwt toch, wanneer ge
+trouwt, in de koorts der bedwelming en in het gewoel en gewemel van
+het geluk. 't Is goed, dat men in de kerk ernstig zij. Maar na de mis
+moet men de bruid als in een droom laten ronddraaien. Een huwelijk moet
+koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haat een boersche bruiloft. Men
+moet ten minste dien dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men
+zou sylphiden, gratiën, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een
+kinkel! ieder pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt
+gebruik van deze eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars
+naar den hemel te vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot het
+burgerlijke der kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft,
+beknibbel haar glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets
+deren. De bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou
+'t allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is
+mijn programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden,
+de bosch- en zeenimfen noodigen. 't Zou de bruiloft van Amphitrite
+zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie
+die de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters
+getrokken:
+
+
+ Triton trottait devant, et tirait de sa conque
+ Des sons si ravissants, qu'il ravissait quiconque! [11]
+
+
+Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen verstand van."
+
+Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven
+luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche
+aanschouwing.
+
+Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke
+bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid
+aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend
+teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen
+levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern
+trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal
+honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop
+was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de
+kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden,
+las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haar Ave, terwijl
+men in een anderen hoek I love you lispte, en zag onduidelijk Marius
+en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve een schaduw was.
+
+Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als
+verdoofd, vreemd blijft aan 't geen men wereldsche zaken zou kunnen
+noemen, en geen gevoel heeft van menschelijke gewaarwordingen, noch
+van aangename noch van smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden
+misschien uitgezonderd. Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot
+zijn dochter, staat gelijk met een verkoudheid in 't hoofd. Gij zijt
+dof en ongevoelig; gij hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.
+
+De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de
+besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader
+was gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over
+de toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd
+had. Hij had met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een
+slaaf geworden despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen
+te doen. Hij had er zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en
+deze een meening kon hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit
+haar gekrenkt. Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen
+kalm, had zij bij zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de
+quaestie van het huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie
+der erfenis oplossen. Zij was werkelijk rijk, haar vader was het
+niet. Zij had zich hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. 't Is
+waarschijnlijk, dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij
+het arm zou gelaten hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij
+trouwt met een bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen
+van Cosette behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand,
+ten aanzien van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend
+francs eenige achting schuldig, en 't was duidelijk, dat zij niet
+anders kon doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten,
+wijl zij dit niet meer behoefden.
+
+Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou
+wonen. Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de
+fraaiste van het huis, geven. "Dit zal mij verjongen," verklaarde
+hij. "'t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in mijn
+kamer bruiloft te houden." Hij meubileerde deze kamer met een menigte
+kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren en met
+een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en welks
+gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met deze
+zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van
+Anville te Roche-Guyon.
+
+De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet,
+dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door
+de orde voorgeschreven.
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE UITWERKSELS VAN DEN DROOM OP HET GELUK.
+
+
+De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam met den heer
+Fauchelevent. "'t Is de verkeerde wereld," zei juffer Gillenormand,
+"dat de bruid bij den bruidegom komt, om zich het hof te laten
+maken." Maar de langzame beterschap van Marius had tot die gewoonte
+aanleiding gegeven, en de armstoelen in de straat des Filles du
+Calvaire, die beter geschikt waren voor een onderhoud onder vier
+oogen dan de matten stoelen in de straat de l'Homme-Armé, hadden
+ze bestendigd. Marius en de heer Fauchelevent zagen elkander,
+maar onderhielden zich niet met elkander. 't Scheen, alsof dit
+afgesproken was. Ieder meisje heeft een geleider noodig. Cosette
+zou niet zonder den heer Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was
+de heer Fauchelevent de voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze
+aan. Wanneer toevallig en zonder opzet over politiek werd gesproken,
+uit het gezichtspunt der verbetering van den maatschappelijken
+toestand, kwamen zij er toe, elkander iets meer dan ja en neen te
+zeggen. Eenmaal, toen er over het onderwijs werd gesproken, dat Marius
+kosteloos en verplichtend wilde hebben, onder allerlei vormen, en aan
+allen als lucht en zon geschonken, in één woord, voor het geheele volk
+bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over
+uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer
+Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van
+taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer
+Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de wereld.
+
+Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer
+Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms
+twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een
+opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke
+ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg
+zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien
+ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.
+
+Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen en
+verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten. Men
+meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij
+was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een
+treurigen blik in 't verleden doen slaan. De geest, die zich niet
+naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch liefde. Nu
+en dan bracht Marius zijn hand aan 't hoofd, en het woelige en
+onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn hersenen
+lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te midden van
+het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van Eponine op
+zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire,
+Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en verdwenen
+weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere, vroolijke of
+treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan? Alles had de
+opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben heftige
+droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze verdwenen
+werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen? Was het
+waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles doen
+verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter
+een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden
+nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.
+
+En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk;
+hij, de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met
+Cosette. 't Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij
+er zwart ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren
+de anderen gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze
+wezens van het verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan
+dacht hij aan Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder
+dan dit geluk noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.
+
+De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen
+wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der
+barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo
+ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden,
+welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen
+hadden. Overigens was, bij 't verschil van beider aard, geen vraag
+van Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs
+niet bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.
+
+Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge
+eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen,
+zijn minder zeldzaam dan men gelooft.
+
+Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de
+Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende,
+zeide hij:
+
+"Ge kent immers die straat?"
+
+"Welke straat?"
+
+"De Chanvreriestraat?"
+
+"Ik heb volstrekt geen idée van den naam dier straat," antwoordde de
+heer Fauchelevent, op den natuurlijksten toon ter wereld.
+
+Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve
+doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.
+
+"Ik heb stellig gedroomd," dacht hij, "'t is een zinsbegoocheling
+geweest. 't Was iemand, die op hem geleek. De heer Fauchelevent was
+er niet."
+
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+TWEE ONMOGELIJKE WEDER TE VINDEN MANNEN.
+
+
+Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen andere gedachten
+uit den geest van Marius.
+
+Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het
+bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het
+gebeurde onderzoeken.
+
+Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn
+vader als voor zich zelven.
+
+Er was Thénardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij den heer
+Gillenormand gebracht had.
+
+Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl hij
+meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen vergat,
+en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn thans zoo
+helder leven zou werpen. 't Was hem onmogelijk al die oude schuld in
+het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige toekomst inging,
+wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.
+
+Dat Thénardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat hij den
+kolonel Pontmercy had gered. Thénardier was voor iedereen een bandiet,
+behalve voor Marius.
+
+En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op het
+slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover Thénardier
+in den zonderlingen toestand was, van hem het leven verschuldigd te
+zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.
+
+Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte
+het Thénardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen persoon
+scheen volkomen. Vrouw Thénardier was, gedurende het onderzoek van het
+proces, in de gevangenis overleden. Thénardier en zijn dochter Azelma,
+de twee eenige overgeblevenen van deze erbarmelijke groep, waren
+weder in de duisternis verzonken. De afgrond van het maatschappelijke
+onbekende had zich stil boven deze wezens gesloten. Men zag zelfs
+niet meer op de oppervlakte die rimpels, die beving, die donkere,
+zich samentrekkende kringen, welke aankondigen, dat er iets in is
+gevallen en men er de dreg in moet werpen.
+
+Vrouw Thénardier was dood, Boulatruelle was buiten beschuldiging
+gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden waren uit de
+gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in het huis
+Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk duister
+gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten moeten
+tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille,
+en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien jaren
+galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en voortvluchtige
+medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf uitgesproken. Thénardier,
+het hoofd en de aanvoerder was, bij verstek, ter dood veroordeeld. Dit
+vonnis was het eenige, dat van Thénardier overbleef, en het wierp
+op den begraven naam zijn akelig schijnsel, als een kaars naast
+een doodkist.
+
+Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke
+Thénardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong,
+uit vrees van weder gevat te worden.
+
+Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered,
+de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch
+bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden,
+die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du
+Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op
+bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op
+de kade der Champs-Elysées, voorbij den uitgang van het groote riool
+"gestationneerd" had; dat tegen negen uren des avonds het hek van
+het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had; dat een
+man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op de
+schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden
+man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier,
+op bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen;
+dat men vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden;
+dat men er den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer
+Marius was en dat hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij
+"dezen keer" levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig
+had plaats genomen, dat hij zijn paarden voortgezweept had, dat men
+hem op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen,
+dat hij moest stilhouden; dat men hem dáár, in de straat, betaald
+en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen,
+en hij verder niets wist; dat 't een donkere avond was geweest.
+
+Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde
+hij zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen,
+toen hij achterover in de barricade viel; verder was alles duister
+voor hem. Hij had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn
+bewustzijn herkregen.
+
+Hij verloor zich in gissingen.
+
+Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het, dat
+hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie aan
+den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand
+had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elysées gedragen. En
+op welke wijze? Door het riool. 't Was een ongehoorde opoffering!
+
+Iemand? Wie?
+
+'t Was die man, welken Marius zocht.
+
+Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste
+aanwijzing te vinden.
+
+Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie
+voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen. Dáár,
+evenmin als elders, leidden de ontvangen mededeelingen tot eenige
+opheldering. Aan de prefectuur wist men minder dan de huurkoetsier. Men
+wist er niets van een inhechtenisneming, den 6 Juni bij het hek van
+het Groote Riool gedaan; men had niet het minste rapport van een agent
+deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de prefectuur voor een
+sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel aan den koetsier
+toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is tot alles in
+staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter zeker, en Marius
+kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen persoonlijkheid
+moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.
+
+Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.
+
+Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken
+de koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den
+bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende
+politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een
+opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom
+had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had
+hij den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken
+van leven aan Marius, die hem alles te danken had? De belangeloosheid
+was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom kwam die man
+niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een belooning
+verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was hij
+dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand
+kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker
+was. Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan
+hun bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige
+komst van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man
+opgemerkt had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan:
+"De man zag er afschuwelijk uit!"
+
+In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken,
+liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg,
+toen men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den
+rok merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.
+
+Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en Jean
+Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze navorschingen,
+welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner pogingen. De
+koele houding van den heer "Fauchelevent" hinderde hem.
+
+Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn had:
+
+"Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad verheven
+geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als een
+reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht
+werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen,
+mij er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door
+afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de
+duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een
+lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te
+redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien
+nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk
+wagen! Hij heeft zijn leven niet één-, maar twintigmaal gewaagd. Iedere
+tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen. Weet ge,
+mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de minste
+belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de
+zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden..."
+
+"Zij behooren u," viel Jean Valjean hem in de rede.
+
+"Welnu," hernam Marius, "dan zou ik ze geven om dien man weder
+te vinden."
+
+Jean Valjean zweeg.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VI.
+
+DE SLAPELOOZE NACHT.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE 16 FEBRUARI 1833.
+
+
+De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een gezegende
+nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. 't Was de
+bruiloftsnacht van Marius en Cosette.
+
+'t Was een heerlijke dag geweest.
+
+'t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader gedroomd
+had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en liefdegoodjes
+om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een schilderstuk
+van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk geweest.
+
+De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van
+Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn
+vrouw te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich
+beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een
+bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog
+niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er
+in gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen,
+aan zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed
+te nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel
+per nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig
+gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg
+achter te laten.
+
+In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de
+maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God
+niet meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau
+aangevuld worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen,
+een plaat op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de
+normandische paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed,
+zwaar gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de
+deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelsche nobility,
+op de postkales der pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels
+en oude sloffen te storten, ter herinnering aan Churchill, later
+Marlborough of Malbrouck, die op den dag van zijn huwelijk door den
+toorn zijner tante werd overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen
+en pantoffels behooren nog niet tot onze huwelijksplechtigheden;
+maar geduld, bij vooruitgaanden goeden smaak zal men er wel toe komen.
+
+Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen galop.
+
+Men verbeeldde zich nog in dien tijd, 't was zonderling, dat
+een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een
+patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de
+vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het
+eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee
+levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin,
+en de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.
+
+En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.
+
+Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten
+huize van den heer Gillenormand gevierd.
+
+Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij, veroorzaken
+de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het stadhuis, de
+kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus vóór den 16 Februari
+niet gereed zijn.
+
+Nu was het,--wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze onzer
+nauwkeurigheid,--op den 16den Vastenavond. Hier door ontstond een
+aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante Gillenormand.
+
+"Vastenavond!" riep de grootvader, "des te beter. Er is een spreuk
+die zegt:
+
+
+ Hij, die op Vastenavond trouwt.
+ Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.
+
+
+"Dus bepaald! 't Zal den 16den zijn. Zoudt gij 't willen uitstellen,
+Marius?"
+
+"Zeker niet," antwoordde de gelukkige.
+
+"Trouwen wij dus!" hernam de grootvader.
+
+Het huwelijk werd dus den 16den voltrokken, niettegenstaande de
+openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag, maar aan den hemel is
+steeds een klein plekje blauw, voor het geluk, dat de gelieven zien,
+zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een parapluie zou gaan.
+
+Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van
+den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend
+francs ter hand gesteld.
+
+Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer
+eenvoudig waren.
+
+Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette
+had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.
+
+Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor hem
+gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem aangedrongen,
+dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.
+
+Eenige dagen vóór den bepaalden dag van het huwelijk, was Jean
+Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der rechterhand
+geklemd. 't Was niet erg, en hij wilde niet dat iemand er zich mee
+bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs Cosette niet. Hij
+had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een doek, 't geen hem
+belet had iets te teekenen. De heer Gillenormand was als toeziende
+voogd in zijn plaats getreden.
+
+Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk
+voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het
+drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat
+steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door
+den bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des
+Filles du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.
+
+Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat Saint-Louis
+opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal afgesloten,
+zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet onmogelijk was,
+rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo een anderen weg
+nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te rijden. Een der
+genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er dus een drukte
+van rijtuigen zou zijn. "Waarom?" vroeg Gillenormand.--"Uithoofde
+der gemaskerden."--"Des te beter," zei de grootvader. "Nemen wij dien
+weg. Deze jongelieden trouwen, zij treden het ernstige leven in. Het
+gezicht van gemaskerden zal er een weinig toe voorbereiden."
+
+Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en
+tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius,
+die, volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde
+in het tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat
+des Filles du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de
+Madeleine tot aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine
+een eindelooze keten vormden.
+
+Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen, de
+Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan de regenbuien, die nu en
+dan vielen. Bij den goeden luim van dien winter van 1833 had Parijs
+zich in Venetië herschapen. Thans ziet men zulke vastenavondsfeesten
+niet meer. Daar al wat bestaat thans een algemeen karnaval is,
+bestaat er geen karnaval meer.
+
+Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van
+nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren
+vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel
+aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen,
+die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen,
+streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in
+zulk een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten
+hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich
+in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden,
+dat niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen
+rolde de een naar Chaussée d'Antin, de andere naar de voorstad
+St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen der Fransche
+pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder in het
+midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke optochten,
+onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde voorrecht. Bij
+deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep klappen; met
+groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour, vervolgd door een
+spotnaam van het gepeupel, voorbij.
+
+In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als herdershonden
+draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes en
+grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen,
+zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine
+wezens, die gevoelden, dat zij officiëel aan de openbare vroolijkheid
+deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als
+openbare ambtenaars.
+
+Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang
+der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was
+ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand
+te brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.
+
+De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde van
+den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter
+hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik
+oponthoud. Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van
+den boulevard de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op
+dit punt was een rijtuig met gemaskerden.
+
+Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn bij
+de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op Half-vasten
+ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen: "daar
+schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van ministerie
+plaats hebben." Een hoop Cassandra's, Harlekijns en Colombines,
+die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers uitstaken,
+alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den wildeman,
+Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die Rabelais de
+ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden Aristophanes
+de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige spanbroeken,
+driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen, geschreeuw tegen
+de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke houdingen, bloote
+schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze onbescheidenheid, een
+chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen getooiden koetsier
+gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.
+
+Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het huurrijtuig
+van Vadé noodig.
+
+Alles kan geparodiëerd worden, zelfs de parodie. De saturnaliën,
+die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds grooter en
+grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest, eertijds met
+wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een goddelijke halve
+naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt onder de natte
+lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval genoemd.
+
+De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten
+tijd der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI
+verleende aan den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch
+voor drie maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten
+deze geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud
+rijtuig, op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in
+woelige groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes
+is bestemd. Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren,
+op den dissel, zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met
+kruiselings onder zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen
+zitten op de knieën der mannen. Men ziet in de verte boven het
+hoofdgewemel hun stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van
+vroolijkheid te midden van het gedrang. Collé, Panard en Piron laten
+er hun dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der
+vischwijven op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading
+ontzaggelijk geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is
+in de voorhoede, gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert,
+brult, vloekt en dartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt,
+de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee
+knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.
+
+Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad
+verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den
+Parijzenaars het karnaval te bewijzen.
+
+Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt, brengen
+den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men
+raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen
+de publieke mannen en de publieke vrouwen.
+
+Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst
+hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen,
+het volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot
+cariatide dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk
+op de vier wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken
+levenden hoop ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid,
+die blaft en zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit
+alle schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest
+zij, zoo de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige
+hydra's der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig! Maar
+wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde slijkkarren
+worden door het gelach der menigte gehoond en uitgescholden. Het gelach
+van allen is medeplichtig aan de algemeene verlaging. Zedenbedervende
+feesten verlagen het volk en maken het tot gepeupel. Het volk heeft,
+evenals de tyrannen, narren noodig. De koning heeft Roquelaure, het
+volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze stad, telkens wanneer
+zij niet de groote verhevene stad is. Het karnaval is in de politiek
+betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat zich gaarne door eerloosheid
+comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn meesters,--wanneer het meesters
+heeft--slechts dit: verguldt het slijk. Rome had denzelfden zin. Het
+beminde Nero. Nero was een monsterachtige vergulder.
+
+Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste
+groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen,
+ter linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet
+ter rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden
+waren, zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.
+
+"Kijk!" zei een gemaskerde, "een bruiloft."
+
+"Een valsche bruiloft," hernam een ander. "Wij zijn de echte."
+
+En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen, en bovendien
+vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen, zagen
+de twee gemaskerden naar een andere zijde.
+
+Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in 't nauw;
+het volk hoonde en beschimpte het; 't geen de liefkoozing der menigte
+jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken hadden,
+moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd bieden, en
+hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal der Hallen,
+om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden. Tusschen
+de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht van
+scheldwoorden en uitjouwingen.
+
+Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig,
+een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten
+zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met
+een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt,
+en spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan
+'t schelden waren.
+
+Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De
+regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is
+niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude
+bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.
+
+Ziehier de samenspraak:
+
+"Zeg eens."
+
+"Wat, vader?"
+
+"Ziet ge dien oude?"
+
+"Welken oude?"
+
+"Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze zijde."
+
+"Wiens arm in een zwarten doek hangt."
+
+"Ja."
+
+"Nu?"
+
+"Ik ben zeker, dat ik hem ken."
+
+"Zoo!"
+
+"Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef niet
+meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken."
+
+"Vandaag is Parijs Pantin."
+
+"Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?"
+
+"Neen."
+
+"En den bruidegom?"
+
+"Er is geen bruidegom in de koets."
+
+"Och!"
+
+"Of 't moest de andere oude zijn."
+
+"Buk u en tracht de bruid te zien."
+
+"Ik kan niet."
+
+"Om 't even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken ik, ik ben
+er zeker van."
+
+"Wat kan 't u schelen, of ge hem kent?"
+
+"Men weet niet. Soms!"
+
+"Ik, ik heb niets met den oude te maken."
+
+"Ik ken hem."
+
+"Ge moogt hem kennen."
+
+"Hoe drommel is hij bij de bruiloft?"
+
+"Wij zijn er immers ook bij."
+
+"Vanwaar komt die bruiloft?"
+
+"Weet ik het?"
+
+"Luister."
+
+"Wat?"
+
+"Doe iets."
+
+"Wat?"
+
+"Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft."
+
+"Waarom?"
+
+"Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap schielijk uit,
+meisje, ge zijt jong."
+
+"Ik kan het rijtuig niet verlaten."
+
+"Waarom?"
+
+"Ik ben gehuurd."
+
+"Te drommel!"
+
+"De politie heeft mij vandaag als vischwijf gehuurd."
+
+"'t Is waar."
+
+"Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur die
+mij ziet. Ge weet."
+
+"Ja, ik weet."
+
+"Vandaag ben ik door de regeering gehuurd."
+
+"Om 't even. Die oude verveelt mij."
+
+"Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje."
+
+"Hij zit in het eerste rijtuig."
+
+"Nu?"
+
+"In de koets der bruid."
+
+"Verder?"
+
+"Hij is dus de vader."
+
+"Wat raakt het mij?"
+
+"Ik zeg u, dat hij de vader is."
+
+"De vader moet er immers bij zijn."
+
+"Luister."
+
+"Wat?"
+
+"Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik verborgen; men
+weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geen gemaskerden meer. 't
+Is Asch-Woensdag. Ik waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn
+hol kruipen. Gij, gij zijt vrij."
+
+"Niet te veel"
+
+"Altijd meer dan ik."
+
+"Nu, verder."
+
+"Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan is."
+
+"Waarheen zij gaat?"
+
+"Ja."
+
+"Ik weet het."
+
+"Waarheen dan?"
+
+"Naar de Cadran Bleu."
+
+"Zij gaat niet in die richting."
+
+"Nu, dan naar la Rapée."
+
+"Of elders."
+
+"Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn vrij."
+
+"Dat is 't allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet vernemen, welke
+bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij gevierd wordt."
+
+"Nog meer! 't Zal grappig wezen. 't Is even gemakkelijk om een bruiloft
+weder te vinden, acht dagen nadat zij op Vastenavond door Parijs is
+gereden, als een speld in een hooiberg. Is dat mogelijk?"
+
+"Om 't even, ge moet het beproeven. Hoort ge, Azelma?"
+
+De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den
+boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig
+met de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+JEAN VALJEAN DRAAGT STEEDS DEN ARM IN EEN LICHTER.
+
+
+Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven? Daarvoor moeten
+in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn wij, zonder dat
+wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette en Marius
+waren gekozen.
+
+Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw
+Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.
+
+Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een
+sluier van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van
+oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij
+was een uitstekende bescheidenheid, die in helderheid straalde en er
+zich in oploste. Zij scheen een maagd, die in godin herschapen werd.
+
+Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar onder
+de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.
+
+De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en
+manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde
+Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn
+arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon geven.
+
+Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.
+
+"'t Is heden een schoone dag, mijnheer Fauchelevent," zei de
+grootvader. "Ik stem er voor, dat alle droefheid en verdriet een einde
+nemen. Voortaan mag er nergens verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik
+beveel algemeene vreugde. Het kwade mag niet bestaan. Voorwaar, 't
+is schande voor het azuur des hemels, dat er ongelukkige menschen
+zijn. Het kwaad komt niet van den mensch, die in den grond goed
+is. Alle menschelijke ellenden hebben tot hoofdplaats en tot centraal
+gouvernement de hel, anders gezegd, de duivelsche Tuilerieën. Fraai! nu
+begin ik demagogische woorden te spreken, maar ik heb geen politieke
+meening meer. Mogen alle menschen rijk, dat is vroolijk zijn, dat is
+al wat ik wensch."
+
+Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en voor
+den priester alle mogelijke "ja's" te hebben uitgesproken, na op de
+registers van den burgerlijken stand en in de kerk geteekend, na hun
+ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den witten moiré doek in den
+walm van het wierookvat geknield te hebben,--zij aan elkanders arm,
+door ieder bewonderd en benijd, Marius in het zwart, zij in het wit,
+voorgegaan door den kerkeopzichter met colonelsepauletten, die met zijn
+hellebaard op de vloersteenen stampte, tusschen twee rijen verrukte
+toeschouwers, in het wijd geopende portaal der kerk verschenen, gereed
+om in het rijtuig te stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette
+het nog niet gelooven. Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan;
+'t scheen of zij bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere
+houding gaf haar iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren
+namen beiden in het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer
+Gillenormand en Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand
+was achteruitgezet en zat nu in het tweede rijtuig. "Kinderen," zei
+de grootvader, "nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones,
+met dertig duizend francs inkomen." En Cosette drong zich dicht tegen
+Marius en verrukte hem door dit hemelsch gefluister: "'t Is dan waar,
+ik heet Marius! Ik ben uwe vrouw!"
+
+Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet
+wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en
+van alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen
+waren zij geen veertig jaren oud. 't Was een verhemeld huwelijk;
+deze twee kinderen waren twee leliën. Cosette zag Marius in een
+stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en
+in dezen stralenkrans, terwijl deze twee gloriën samensmolten, scheen
+op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht
+voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den
+kus en den droom, het bruidsbed.
+
+Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug
+in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid,
+de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen
+en lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog
+bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden
+waren, die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden
+te hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De
+lange doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.
+
+In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij
+Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij
+zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De
+vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.
+
+Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en
+werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich,
+om te raden. 't Is op dien dag een onuitsprekelijke gewaarwording,
+op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De vreugd dezer
+beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich aan de
+voorbijgangers mede.
+
+Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan,
+om door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien trillen.
+
+Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du
+Calvaire. Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde
+de trap op, langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De
+armen, die voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden,
+zegenden hen. Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig
+dan de kerk. Na den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het
+oneindige te hooren zingen; God was in hun harten; het lot verscheen
+hun als een gesternd heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glans
+der opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes
+bekoorlijken blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de
+kanten van haar keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende,
+werd rood tot in het wit harer oogen.
+
+Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men
+verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de
+barones te noemen.
+
+De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van Chartres
+gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn neef
+Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.
+
+Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te worden
+gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.
+
+"Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te gelooven,"
+zeide vader Gillenormand bij zich zelven.
+
+Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was
+geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in
+zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en
+liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.
+
+Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug
+van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.
+
+In de eetzaal was de tafel gedekt.
+
+Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote
+vreugd. Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij
+willen niet zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen
+duisternis. Zoo er geen zon is, moet men er een maken.
+
+De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden,
+boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen
+lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en
+groene vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon
+waren kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles,
+spiegels, kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver,
+blonk en schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen
+de armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden
+licht en bloemen elkander afwisselden.
+
+In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen
+kwartetten van Haydn.
+
+Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter
+de deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken vóór
+men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel haar iets in,
+eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiging hield met beide handen
+haar bruidsgewaad uit, en vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:
+
+"Zijt gij tevreden, vader?"
+
+"Ja," zei Jean Valjean, "ik ben tevreden."
+
+"Welnu, lach dan."
+
+Jean Valjean lachte.
+
+Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed
+was.
+
+De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den
+arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde
+orde aan tafel.
+
+Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde
+van de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean
+Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.
+
+Men zocht met den blik "mijnheer Fauchelevent".
+
+Hij was er niet meer.
+
+De heer Gillenormand riep tot Basque:
+
+"Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?"
+
+"Mijnheer," antwoordde Basque, "zooeven heeft mijnheer Fauchelevent
+mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn gewonde hand hem pijn
+deed en hij niet met mijnheer den baron en mevrouw de barones kon
+dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij morgenochtend zou
+komen. Hij is juist heengegaan."
+
+Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het
+bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter
+de heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij
+verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed
+te gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel
+beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens één
+duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde? Cosette en Marius
+waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken, waarin men tot
+niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot mijnheer
+Gillenormand iets in den zin. "Drommels!" zeide hij, "deze stoel is
+ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante, schoon zij ook recht
+op u heeft, zal 't u vergunnen. Deze stoel is voor u. Zoo zal 't
+aardig zijn. Fortunatus naast Fortunata." De geheele tafel juichte
+toe. Marius nam naast Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles
+ging zoo goed, dat Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans
+afwezendheid, er zich ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de
+plaatsvervanger was, zou Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette
+haar zacht, in wit satijn geschoeid voetje op den voet van Marius.
+
+Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten,
+en er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene
+tot het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.
+
+Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas
+Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en
+negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het
+jonge paar.
+
+"Ge komt er niet af zonder twee preeken," riep hij. "Van ochtend
+hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge die van den
+grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint elkander. Ik
+zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht op het doel
+afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere wijzen dan
+de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik zeg:
+Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd. Weest
+razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte willen
+doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel ontloken
+rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel morgenrood
+zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te ingenomen met
+elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te schoon! Wees
+voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid! Kan men
+elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen? Kan men
+te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja wel! Weg
+met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen en
+jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed omdat
+wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen. Laat
+ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? 't Is de
+liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de
+almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is
+dier kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw,
+geen Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen
+voor dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? 't Is het
+koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke
+schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een
+wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer;
+er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie
+heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken;
+'t is gedaan, 't is verbrijzeld, 't ligt ter aarde, er is geen schepter
+meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien kleinen, welriekenden,
+geborduurden zakdoek? Ik zou 't wel eens willen zien! Beproeft
+het. Waarom is hij hecht? Omdat 't een lap is. Ha! gij zijt de
+negentiende eeuw. Welnu? Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even
+dom als gij. Verbeeldt u niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt,
+wijl uw epidemie Cholera en uw dans Cachucha heet; hoe 't ook zij,
+men zal wel altijd de vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te
+ontkomen. Deze duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der
+vrouw, de kus, is een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen;
+wat mij betreft, ik zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft
+in het onmetelijk ruim Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust
+brengen, Venus, de groote coquette van het heelal, de Celimene van
+den oceaan? De oceaan is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge
+razen, maar zoodra Venus verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier
+onderwerpt zich. Wij zijn allen even zóó. Toorn, orkaan, donderslagen,
+schuim tot den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op;
+op de knieën! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed
+gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor
+elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij
+'t niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk,
+die op aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu,
+'t is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men
+jong is. Verbeeldt u niet, dat gij 't uitgevonden hebt. Ook ik heb
+gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De
+liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op
+een langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert
+zestig eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel,
+die slim is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de
+vrouw. Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel
+hem kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche
+paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is
+splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chloé, totdat ge
+Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij elkander
+zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en Marius
+voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw echtgenoot
+het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer vrouw regen
+voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt het goede
+lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge hebt het
+hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot, verspilt
+het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft wat ik
+zeg. 't Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet liegen. Vereert
+elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de beste wijze om
+God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u, dat is mijn
+catechismus. Wie bemint is orthodox. Het vloekwoord van Hendrik IV
+plaatst de heiligheid tusschen de losbandigheid en de dronkenschap. Dit
+verwondert mij van Hendrik IV. Vrienden, leve de vrouw! Men zegt,
+dat ik oud ben; 't is wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in
+het bosch naar het gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze
+kinderen, die het geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij
+dronken. Ik zou waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. 't
+Is onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft
+geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn,
+van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn
+vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken;
+dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen
+tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke
+vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O,
+ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen
+liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat
+mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen
+wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de
+vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt
+den zegen van den ouden man."
+
+De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles
+beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en
+ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men
+danste een weinig, men lachte veel, 't was een prettige bruiloft;
+men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er
+trouwens in den persoon van vader Gillenormand.
+
+Eerst was er rumoer, toen stilte.
+
+Het huwelijkspaar verdween.
+
+Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een tempel.
+
+Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een
+glimlachende engel met den vinger op den mond.
+
+De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde
+gevierd wordt.
+
+Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij bevatten,
+moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de duisternis
+min of meer verdrijven. 't Kan niet anders, of dit heilig feest
+moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De liefde
+is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw samensmelten;
+daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de menschelijke
+drieëenheid.
+
+De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De liefde
+is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.
+
+Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets
+meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te
+vinden. Beminnen is een voleindiging.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE ONAFSCHEIDBARE.
+
+
+Wat was er van Jean Valjean geworden?
+
+Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben, sloeg
+niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en ongemerkt
+naar de voorkamer gegaan. 't Was dezelfde kamer, die hij, acht maanden
+geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was binnengegaan, toen
+hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht. Het oude houtwerk
+was met festons en bloemen behangen; de muzikanten zaten op de canapé,
+waarop men Marius had gelegd. Basque, in zwarten rok, korte broek,
+witte kousen en handschoenen, was bezig om al de schotels, die zouden
+worden opgebracht, met rozenkransen te versieren. Jean Valjean had
+hem op zijn verbonden arm gewezen en hem opgedragen zijn vertrek te
+verontschuldigen, waarop hij was heengegaan.
+
+De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze schitterende
+vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de duisternis
+staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem door. Hij
+hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het gerammel
+en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van dit
+vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van Cosette.
+
+Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar
+de straat de l'Homme-Armé, langs de straat Saint Louis, de straat
+Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; 't was een omweg, maar
+sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de belemmeringen en het
+slijk der straat Vieille du Temple te vermijden, dezen weg dagelijks
+te nemen als hij met Cosette uit de straat de l'Homme-Armé naar de
+straat des Filles du Calvaire ging.
+
+Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle andere.
+
+Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven. De
+kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaint was er niet meer. De treden
+van Jean Valjean maakten in de kamers meer gerucht dan gewoonlijk. Al
+de kasten waren open. Hij trad Cosettes kamer binnen. Er waren geen
+lakens op het bed. Het hoofdkussen, van sloop met kanten ontdaan,
+lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde der matrassen, welker
+tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen. Al de vrouwelijke
+voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren medegenomen; er bleven
+slechts de groote meubels en de vier muren over. Ook het bed van
+vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was opgemaakt, dat van
+Jean Valjean.
+
+Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van
+de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette
+de kaars op een tafel.
+
+Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand
+alsof er hem niets aan deerde.
+
+Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich--was het toevallig
+of opzettelijk?--op de "onafscheidbare," waarop Cosette zoo jaloersch
+was geweest, op het koffertje dat hem nimmer verliet. Toen hij den
+4 Juni in de straat de l'Homme-Armé was gekomen, had hij het op een
+kastje bij zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit
+kastje toe, nam een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.
+
+Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien
+jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het
+kleine zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe
+kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen,
+zoo klein was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den
+gebreiden onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen
+kousjes. Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het
+fraaie been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat
+alles was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil
+gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het
+bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een
+zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar
+armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean
+Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar
+dit rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn
+geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed
+en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette
+en hij waren 't met elkander doorgegaan; hij dacht aan het toenmalige
+gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder vogels,
+aan den betrokken hemel; om 't even, het was bekoorlijk. Hij legde
+de kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de
+kousjes naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje,
+en aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat,
+had haar groote pop in den arm, en haar louisd'or in het zakje van
+dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende
+wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.
+
+Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud stoïcijns
+hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in Cosettes kleederen
+verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer was voorbijgegaan,
+zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+IMMORTALE JECUR.
+
+
+De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder verschillende
+gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob worstelde slechts
+één nacht met den engel. Helaas! hoe dikwerf hebben wij Jean Valjean
+in de duisternis in strijd gezien met zijn geweten, en wanhopig er
+mede worstelend.
+
+Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de
+bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend,
+hem gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke
+waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door
+het licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit
+onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken,
+hem met geweld verlicht, wanneer hij blind wenschte te zijn. Hoe
+dikwerf had hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots
+zich vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof
+gesleept, nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten
+onder gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid,
+na een valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd
+geweten zich in 't oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar! Hoe
+dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het bewustzijn
+van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een vreeselijke
+doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich bloeden! hoe
+dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst, gebroken, verlicht,
+met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel, en verwonnen, zich
+overwinnaar voelende! En na hem verlamd, gewond, gebroken te hebben,
+zeide hem zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande:
+Ga nu in vrede!
+
+Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen strijd!
+
+Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten
+strijd streed.
+
+Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is niet
+altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg voor den
+gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere bochten,
+onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden. Jean
+Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer
+viersprongen.
+
+Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade
+elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal,
+zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was,
+openden zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere
+afschrikkend. Welken te kiezen?
+
+De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen,
+dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis richten.
+
+Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de
+aanlokkende hinderlaag.
+
+'t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot niet. 't Is iets
+schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.
+
+De vraag, welke zich voordeed, was deze:
+
+Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk van
+Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt;
+hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde,
+kon hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner
+fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.
+
+Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs
+rijkdom. En dit was zijn werk.
+
+Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was,
+nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen,
+alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander;
+maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan
+behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot
+hiertoe schemerachtig betoond, en dien men geëerbiedigd had? Zou
+hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te
+zeggen, zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar
+vertoonen als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten
+haard zetten? Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in
+zijn treurige handen nemen? Zou hij zijn voeten, die de onteerende
+schaduw der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van
+den heer Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en
+Marius deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de
+wolk boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou
+hij blijven zwijgen? Met één woord, zou hij, bij deze twee gelukkige
+wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?
+
+Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de oogen
+te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar afschuwelijke
+naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden zich achter
+dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de sphinx.
+
+Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den
+sphinx strak in de oogen.
+
+Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.
+
+Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen
+schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of
+het loslaten?
+
+Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder
+op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar
+druipen--hij was gered, hij leefde!
+
+Zoo hij losliet?
+
+Dan de afgrond!
+
+Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd:
+hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil,
+dan zijn overtuiging aan.
+
+'t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen. Dit
+verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak
+een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras
+dreef. Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige;
+hij vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was,
+wrong hij in vertwijfeling de handen.
+
+Hij voelde zich tegengehouden.
+
+Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht
+en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal
+terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de
+hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk
+is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?
+
+Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?
+
+Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!
+
+Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan,
+Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God
+is. Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelen levens, men werpt
+er zijn fortuin, zijn rijkdom, zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn
+vaderland, zijn welstand, zijn rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog
+meer! Men moet er eindelijk zijn geheele hart in werpen.
+
+Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?
+
+Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens
+niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken,
+dat zij zeiden: 't is genoeg!
+
+De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving
+beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de
+eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering
+geëischt kunnen worden?
+
+De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak
+Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat
+is dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?
+
+O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap,
+hoe somber!
+
+Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?
+
+Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering. 't Is een
+heiligmakende foltering. Men kan er in 't eerste uur in toestemmen;
+men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men plaatst op zijn
+hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den gloeienden ijzeren
+kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden mantel bekleeden,
+is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch oproerig wordt
+en men van de foltering afziet?
+
+Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.
+
+Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der
+geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.
+
+Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno
+bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds
+Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.
+
+Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was,
+in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar
+verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke
+zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij
+tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste
+ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?
+
+Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.
+
+Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat bed,
+verslagen, misschien verpletterd, helaas! onder de zwaarte van het lot,
+met krampachtige handen, de armen recht uitgestrekt als een afgenomen
+gekruisigde, dien men met het gezicht ter aarde heeft gelegd. Zoo bleef
+hij twaalf uren, de twaalf uren van een langen winternacht, verstijfd
+van koude, zonder het hoofd op te richten, zonder te spreken. Hij
+was onbewegelijk als een lijk, terwijl zijn geest langs de aarde
+kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de arend. Als men hem
+zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood hebben gehouden;
+maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond op Cosettes
+kleederen drukkende, kuste hij ze;--toen zag men dat hij leefde.
+
+Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was dààr?
+
+De Men, die in de duisternis is.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VII.
+
+DE LAATSTE TEUG UIT DEN BEKER.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE ZEVENDE CIRKEL EN DE ACHTSTE HEMEL.
+
+
+De dag na de bruiloft is stil. Men eerbiedigt de overwegingen der
+gelukkigen; ook een weinig hun laten slaap. Het rumoer der bezoeken
+en gelukwenschen begint eerst later weder. Het was op den ochtend
+van den 17 Februari een weinig over het middaguur, toen Basque, die
+met een doek en den stoffer onder den arm, bezig was "de voorkamer
+te doen", zacht aan de deur hoorde tikken. Men had niet gescheld,
+'t geen op zulk een dag fatsoenlijk is. Basque opende en zag mijnheer
+Fauchelevent. Hij voerde hem in het salon, waarin nog alles overhoop
+lag en die het slagveld der vreugden van den vorigen dag geleek.
+
+"Drommels! mijnheer," merkte Basque op, "wij zijn laat opgestaan."
+
+"Is uw meester bij de hand?" vroeg Jean Valjean.
+
+"Hoe gaat het met den arm van mijnheer?" antwoordde Basque.
+
+"Beter. Is uw meester bij de hand?"
+
+"Welke? de oude of de nieuwe?"
+
+"Mijnheer Pontmercy."
+
+"Mijnheer de baron?" verbeterde Basque het hoofd oprichtende. Men is
+vooral voor zijn dienstboden baron. Daar komt hun iets van toe; zij
+bezitten hetgeen een philosoof de bespotting van den titel zou noemen,
+en dat streelt hen. Marius, dit moet in 't voorbijgaan gezegd worden,
+een heftig republikein, zooals hij bewezen had, was nu tegen wil en
+dank baron. Door dien titel was in de familie een kleine revolutie
+ontstaan. Thans was het de heer Gillenormand die er aan hechtte,
+en Marius die er onverschillig voor was. Maar kolonel Pontmercy had
+geschreven: "Mijn zoon zal mijn titel voeren." Marius gehoorzaamde. En
+Cosette, in wie de vrouw begon te voorschijn te komen, was gestreeld
+barones te zijn.
+
+"Mijnheer de baron?" herhaalde Basque. "Ik zal eens zien. Ik zal hem
+zeggen, dat mijnheer Fauchelevent er is."
+
+"Neen, zeg hem niet, dat ik het ben. Zeg hem, dat iemand hem eens
+afzonderlijk wenscht te spreken, maar noem geen naam."
+
+"Zoo," zei Basque.
+
+"Ik wil hem een verrassing bezorgen."
+
+"Zoo!" hernam Basque, zich zelven door zijn tweede "zoo" zijn eerste
+verklarende.
+
+En hij verwijderde zich.
+
+Jean Valjean bleef alleen.
+
+Het salon was, gelijk wij gezegd hebben, geheel in wanorde. Het
+scheen, dat men er noch flauw het gerucht der bruiloft hoorde. Op
+den vloer lagen allerlei bloemen, die uit de kransen en de kapsels
+gevallen waren. De geheel afgebrande waskaarsen vormden een soort
+van druipsteen aan het kristal der lichtkronen. Geen meubel stond
+op zijn plaats. Drie of vier stoelen in een hoek dicht bijeenstaande
+schenen een gesprek voort te zetten. Het was een aangenaam geheel. Er
+is nog iets bevalligs in een afgeloopen feest. 't Is zoo gelukkig
+geweest. Op deze verspreide stoelen, onder deze verlepte bloemen,
+onder deze uitgebrande lichten heeft men blijdschap genoten. De zon
+volgde de lichtkroon op en trad vroolijk het salon binnen.
+
+Eenige minuten verstreken. Jean Valjean stond bewegingloos op de plek
+waar Basque hem verlaten had. Hij was zeer bleek.
+
+Zijn oogen waren dof en zoo hol, ten gevolge der slapeloosheid, dat
+zij schier in hun kassen verdwenen. Zijn zwarte rok had de scherpe
+kreuken van een kleedingstuk, dat des nachts niet van het lijf is
+geweest. De ellebogen waren donsachtig wit, door de wrijving van het
+linnen met het laken. Jean Valjean zag aan zijn voeten het venster,
+door de zon op den vloer afgeteekend.
+
+Een gerucht ontstond aan de deur, hij sloeg de oogen op.
+
+Marius trad binnen met opgericht hoofd, glimlachenden mond, met een
+onbeschrijfelijken glans op het gelaat, en zegevierenden blik. Ook
+hij had niet geslapen.
+
+"Gij hier, vader!" riep hij, Jean Valjean ziende; "die domme Basque zag
+zoo geheimzinnig! Maar ge komt te vroeg. 't Is eerst half een. Cosette
+slaapt nog."
+
+Het woord "vader", waarmede Marius Fauchelevent noemde, beteekende:
+Hoogste zaligheid. Tusschen beiden, gelijk men weet, had steeds
+stijfheid, koelheid en dwang bestaan; het ijs moest gebroken worden of
+smelten. Thans was Marius in die soort van bedwelming, dat de strakheid
+buigzamer werd, dat het ijs smolt, en dat de heer Fauchelevent voor
+hem evenals voor Cosette een vader was.
+
+Hij ging voort; de woorden vloeiden hem uit den mond, 't geen aan de
+hemelsche opgetogenheid der vreugd eigen is.
+
+"Hoe verblijd ben ik u te zien! Zoo ge wist, hoe gij hier gisteren
+ontbroken hebt. Goeden dag, vader; hoe gaat het met uw hand? Beter,
+niet waar?"
+
+En voldaan met het gunstig antwoord dat hij zich zelven gaf,
+vervolgde hij:
+
+"Wij hebben veel over u gesproken, Cosette en ik. Cosette bemint u
+zoozeer! Vergeet niet, dat ge hier uw kamer hebt. Wij willen niets
+meer van de straat de l'Homme-Armé weten. Hoe kondt ge toch in die
+straat gaan wonen, die ongezond, somber, koud, leelijk is, en die
+geen uitgang heeft? Gij moet hier uw intrek komen nemen. En wel van
+heden af. Of ge zult met Cosette te doen hebben. Zij stelt zich voor,
+ons allen onder den duim te krijgen; dit zeg ik u vooraf. Ge hebt
+uw kamer gezien, zij is dicht bij de onze en ziet op den tuin uit;
+men heeft het slot doen herstellen; het bed is gespreid en gereed,
+ge behoeft slechts te komen. Cosette heeft bij uw bed een groote
+oude bergère geplaatst en tot haar gezegd: Steek hem uw armen toe. In
+het acaciaboschje voor uw venster komt elke lente een nachtegaal. Ge
+zult hem binnen twee maanden zien. Zijn nestje zal aan uw linkerhand,
+het onze aan uw rechterhand, zijn. Des nachts zal hij zingen en over
+dag zal Cosette praten. Uw kamer ligt op het zuiden. Cosette zal er
+uw boeken plaatsen, uw reis van kapitein Cook en de andere, die van
+Vancouver, al uw zaken. Ik geloof, dat ge een klein koffertje hebt,
+waaraan ge veel waarde hecht; daarvoor heb ik een eereplaats gereed
+gemaakt. Ge hebt mijn grootvader geheel voor u gewonnen; hij houdt van
+u. Wij zullen te zamen wonen. Kunt ge whisten? Gij zult mijn grootvader
+geheel innemen, zoo ge whisten kunt. Ge zult met Cosette gaan wandelen,
+op de dagen dat ik in het Paleis van Justitie moet zijn, ge zult haar
+den arm geven, evenals vroeger in het Luxembourg, ge weet nog wel. Wij
+hebben vast besloten heel gelukkig te zijn. En gij zult in ons geluk
+deelen, hoort ge, vader. Nu, heden ontbijt ge met ons, niet waar?"
+
+"Mijnheer," zei Jean Valjean, "ik moet u iets zeggen. Ik ben een
+oude galeiboef."
+
+De grens der hoorbare scherpe klanken kan misschien evenzeer voor
+den geest als voor het oor overschreden worden. Deze woorden:
+"Ik ben een oude galeiboef" die uit den mond van Fauchelevent in
+'t oor van Marius drongen, overtroffen het mogelijke. Marius hoorde
+niet. 't Scheen dat hem iets gezegd was, maar hij wist niet wat. Hij
+bleef met open mond staan.
+
+Toen bespeurde hij, dat de man, die tot hem sprak, er verschrikkelijk
+uitzag. Tot op dezen oogenblik had hij, in de bedwelming zijner vreugd,
+deze vreeselijke bleekheid niet opgemerkt.
+
+Jean Valjean maakte den zwarten doek, waarin zijn rechterarm lag,
+open, nam het linnen, dat om zijn hand was gewikkeld, weg, en liet
+zijn blooten duim aan Marius zien.
+
+"Mijn hand deert niets," zeide hij.
+
+Marius bezag den duim.
+
+"Ik heb er nooit iets aan gehad," hernam Jean Valjean.
+
+Er was inderdaad geen spoor van eenige wonde te zien.
+
+Jean Valjean hernam:
+
+"Ik mocht niet bij uw huwelijk tegenwoordig zijn. Ik heb mij zooveel
+afwezig gehouden als mij mogelijk was. Ik heb deze wond voorgewend,
+om geen valschheid te verrichten, om de trouw-acte niet van nul en
+geener waarde te doen zijn, om niet te behoeven te onderteekenen."
+
+Marius stamelde:
+
+"Wat wilt ge zeggen?"
+
+"Ik wil zeggen," antwoordde Jean Valjean, "dat ik op de galeien
+ben geweest."
+
+"Gij maakt mij krankzinnig!" riep Marius verschrikt.
+
+"Mijnheer Pontmercy," zei Jean Valjean, "ik ben negentien jaren op de
+galeien geweest. Wegens diefstal. Vervolgens ben ik tot altoosdurende
+galeistraf veroordeeld. Wegens diefstal. Wegens herhaling van
+misdaad. Op dit oogenblik ben ik een wederspannige aan de wet, iemand,
+die zijn ban verbroken heeft."
+
+Wat Marius deed om voor de werkelijkheid terug te deinzen, het feit
+niet aan te nemen, zich tegen de waarheid te verzetten, hij moest
+er zich aan onderwerpen. Hij begon te begrijpen, en zooals 't in
+dergelijke gevallen meestal gebeurt, hij ging hierin te ver. Hij
+rilde als voor een schrikkelijken inwendigen bliksem; een denkbeeld,
+dat hem deed sidderen, schoot door zijn geest. Hij zag zijn eigen
+lot in de toekomst verwoest.
+
+"Spreek, zeg alles!" riep hij, "gij zijt Cosettes vader."
+
+En met een onbeschrijfelijke beweging van afschuw trad hij twee
+schreden achteruit.
+
+Jean Valjean richtte het hoofd op, met zulk een majestueuse houding,
+dat hij aan de zoldering scheen te reiken.
+
+"'t Is noodzakelijk, dat ge mij hierin gelooft, mijnheer; hoewel
+de eed, dien ik en mijnsgelijken doen, bij de justitie niet van
+kracht is."
+
+Hier hield hij een oogenblik stil; toen vervolgde hij op een
+gebiedenden, somberen toon, langzaam op ieder woord drukkende:
+
+"Gij moet mij gelooven. Ik de vader van Cosette! bij God, neen. Ik ben
+een boer van Faverolles, mijnheer de baron Pontmercy! Ik verdiende
+den kost met boomsnoeien. Ik heet niet Fauchelevent, ik heet Jean
+Valjean. Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Wees gerust."
+
+Marius stamelde:
+
+"Wat bewijst mij?..."
+
+"Ik; wijl ik 't u zeg."
+
+Marius staarde den man aan! Hij was somber en kalm. Geen logen kon uit
+zulk een kalmte komen. Het koele is oprecht. Men voelde de waarheid
+in deze kilheid des grafs.
+
+"Ik geloof u," zei Marius.
+
+Jean Valjean boog het hoofd als om hiervan acte te nemen, en hernam:
+
+"Wat ben ik voor Cosette? Iemand, die haar toevallig ontmoette. Tien
+jaren geleden, wist ik niet, dat zij bestond. Ik bemin haar, 't is
+waar. Men bemint een kind, dat men klein heeft gezien, terwijl men
+zelf reeds oud was. Als men oud is, gevoelt men zich een grootvader van
+alle kleine kinderen. Mij dunkt, dat ge wel zult gelooven, dat ik zoo
+iets als een hart heb. Zij was een weeze. Zonder ouders. Zij had mij
+noodig. Dat is de reden, waarom ik haar begon te beminnen. Kinderen
+zijn zoo zwak, dat de eerste de beste, zelfs een man als ik, hun
+beschermer kan zijn. Ik heb dien plicht jegens Cosette vervuld. Ik
+geloof niet, dat men iets zoo gerings inderdaad een goede daad kan
+noemen; zoo het echter een goede daad is, reken dan dat ik ze verricht
+heb. Breng deze verzachtende omstandigheid in rekening. Thans verlaat
+Cosette mijn leven, onze twee wegen scheiden. Voortaan kan ik niets
+meer voor haar zijn. Zij is mevrouw Pontmercy. Haar bestemming is
+veranderd. En Cosette wint bij deze verandering. Alles is goed. Gij
+spreekt niet van de zesmaal honderd duizend francs, maar ik zal uw
+gedachte hierin voorkomen; 't zijn in bewaring gegeven gelden. 't Is
+onverschillig hoe zij in mijn bezit zijn gekomen! Ik geef ze terug. Men
+heeft niets meer van mij te vorderen. Ik maak de teruggave volledig,
+door mijn waren naam te zeggen. Ook dit is mijn zaak. Ik ben er op
+gesteld, dat ge weet, wie ik ben."
+
+En Jean Valjean zag Marius strak in het gezicht.
+
+Al wat Marius gevoelde, was verward en onsamenhangend. Sommige vlagen
+van het lot veroorzaken zulke verbijsteringen in onze ziel.
+
+Wij allen hebben zulke oogenblikken van verbijstering gehad, die
+ons in verwarring brengen; wij zeggen, wat het eerst in ons opkomt,
+'t geen juist niet altijd datgene is, wat wij wilden zeggen. Er zijn
+plotselinge openbaringen, die men niet bedwingen kan en die bedwelmen
+als een heillooze wijn. Marius was zoodanig verstomd door den nieuwen
+toestand, die voor hem verrees, dat hij tot dien man sprak alsof hij
+schier boos over deze bekentenis was.
+
+"Maar," riep hij, "waarom zegt ge mij dit alles toch? Wat dwingt er u
+toe? Ge kondt uw geheim voor u zelven behouden. Ge zijt noch verraden,
+noch wordt vervolgd, noch is er u om gevraagd. Ge moet een reden
+hebben om uit vrijen lust zulk een openbaring te doen. Spreek. Er
+schuilt iets achter. Waarom doet ge deze bekentenis? Om welke reden?"
+
+"Om welke reden?" antwoordde Jean Valjean, met zulk een zachte,
+gesmoorde stem, dat het veeleer was, alsof hij tot zich zelven, dan
+tot Marius sprak. "Inderdaad, om welke reden zegt deze tuchteling:
+ik ben een galeiboef? Ja, voorwaar de reden is zonderling. 't Is uit
+eerlijkheid. Zie, 't is ongelukkig, dat ik in mijn hart een draad
+heb, die mij bindt. 't Is vooral wanneer men oud is, dat deze draden
+sterk zijn. Het geheele leven om zich heen lost zich op; alleen die
+draden blijven. Indien ik dien draad had kunnen uitrukken, breken,
+den knoop losmaken of hem doorhakken, ver van hier gaan, ik ware gered
+geweest, ik behoefde slechts te vertrekken; in de straat du Bouloy zijn
+diligences; nu gij gelukkig zijt, ga ik heen. Ik heb gepoogd dien draad
+te breken; ik heb er aan getrokken, maar hij wilde niet breken, en ik
+rukte er mijn hart mede uit. Toen zeide ik: Ik kan niet elders leven
+dan hier. Ik moet blijven. Nu ja, gij hebt gelijk, ik ben een dwaas,
+waarom ben ik niet eenvoudig gebleven zooals ik was? Gij biedt mij een
+kamer in het huis aan; mevrouw Pontmercy bemint mij. Zij zegt tot dien
+armstoel: steek hem uw armen toe; uw grootvader wenscht niets liever,
+dan mij bij zich te hebben; ik pas voor hem; wij zullen samen wonen,
+gemeenschappelijk eten, ik zal aan Cosette den arm geven--aan mevrouw
+Pontmercy, verschoon mij, 't is de gewoonte.--Wij zullen slechts één
+dak, één tafel, één vuur hebben; hetzelfde hoekje van den haard des
+winters, dezelfde wandeling des zomers; dat is vreugd, dat is geluk,
+dat is alles. Wij zullen één familie uitmaken. Samen leven!"
+
+Bij deze woorden werd Jean Valjean woest. Hij kruiste zijn armen
+op de borst, zag naar den vloer aan zijn voeten, als had hij er een
+afgrond in willen boren, en zijn stem werd eensklaps heftig:
+
+"Een familie! neen. Ik behoor tot geen familie. Ik behoor niet
+tot de uwe. Ik behoor niet tot die der menschen. In de huizen,
+waar men in familie is, ben ik te veel. Er zijn familiën, maar niet
+voor mij. Ik ben de ongelukkige, ik ben er buiten. Heb ik een vader,
+een moeder gehad? Ik twijfel er schier aan. Den dag, dat ik dit kind
+uithuwelijkte, was alles uit; ik heb haar gelukkig gezien met den
+man, dien zij bemint, en dat in dit huis een goede grijsaard, een
+gezin van twee engelen was, met allerlei geluk, en ik zeide tot mij:
+Ga niet binnen, gij. Ik kon liegen, 't is waar, u allen bedriegen,
+mijnheer Fauchelevent blijven. Zoo lang het haar gold, kon ik liegen,
+maar nu zou het mij gelden, en ik mag niet. 't Is waar, dat ik slechts
+behoefde te zwijgen, om alles hetzelfde te doen blijven. Ge vraagt mij
+wat mij tot spreken dwingt? Iets wonderbaars; mijn geweten. Zwijgen
+was mij echter zeer gemakkelijk. Ik heb den nacht doorgebracht met er
+mij toe over te halen; gij neemt mij in verhoor, en 't geen ik zeg,
+komt u zoo buitengewoon voor, dat ge er het recht toe hebt; nu, ja, ik
+heb den nacht doorgebracht met mij te overreden; ik heb zeer krachtige
+redenen aangewend, ik heb gedaan wat ik kon; ik verzeker 't u. Maar
+er zijn twee zaken, waarin ik niet geslaagd ben; noch den draad te
+breken die mij vast aan 't hart zit; noch iets tot zwijgen te brengen,
+dat zacht tot mij spreekt, wanneer ik alleen ben. Daarom ben ik van
+ochtend u dit alles komen bekennen. Alles of genoegzaam alles. 't
+Is noodeloos u te zeggen, wat mij alleen betreft; ik behoud dit voor
+mij. Het voornaamste weet ge. Ik heb dus mijn geheim genomen en het u
+gebracht. Voor uwe oogen heb ik mijn geheim geopend. Dat besluit was
+niet gemakkelijk te nemen. Den ganschen nacht heb ik geworsteld. O,
+meent gij, dat ik niet tot mij zelven gezegd heb, dat dit niet de
+zaak Champmathieu was, dat ik door mijn naam te verbergen niemand
+benadeelde, dat mij de naam Fauchelevent door Fauchelevent zelven
+was gegeven, uit dankbaarheid wegens een bewezen dienst, en dat ik
+hem behouden kon; dat ik gelukkig zou zijn in deze kamer welke ge
+mij aanbiedt, dat ik niemand zou hinderen in mijn hoekje, en dat,
+terwijl gij Cosette bezat, ik mij zou verheugen in 't zelfde huis
+met haar te zijn. Ieder zou in het geluk gedeeld hebben. Door steeds
+mijnheer Fauchelevent te blijven, was alles terecht gekomen. Ja,
+behalve mijne ziel. Overal in mij was vreugd, maar de bodem mijner
+ziel bleef donker. 't Is niet genoeg, gelukkig te zijn; men moet
+tevreden wezen. Dus zou ik mijnheer Fauchelevent zijn gebleven, ik
+zou mijn waar gezicht verborgen hebben, tegenover uw geluk zou ik een
+raadsel zijn geweest, te midden van uw licht zou ik duisternis hebben
+geworpen; zonder u te waarschuwen, zou ik het bagno in uw huis hebben
+gebracht; ik zou aan uw disch hebben plaats genomen, met de gedachte:
+dat zoo ge wist wie ik was, gij mij wegjagen zoudt; ik zou mij door
+dienstboden hebben laten bedienen, die, zoo zij 't geweten hadden,
+gezegd zouden hebben: Welk een schandaal! Ik zou u onwillekeurig
+hebben aangeraakt, ik zou uwe handdrukken gestolen hebben! In uw
+huis zouden eerwaardige witte haren en geschandvlekte witte haren
+gelijkelijk vereerd zijn; in de vertrouwelijkste oogenblikken,
+wanneer men meent de harten tot in de diepste schuilhoeken voor
+elkander te hebben opengelegd, wanneer wij met ons vieren te zamen
+waren, uw grootvader, gij met uw beiden, en ik, zou er een onbekende
+zijn geweest! Ik zou aan uw zijde uw leven hebben gedeeld, steeds
+bezorgd het deksel van dien vreeselijken put op te lichten; ik, een
+doode, zou mij aan u, levenden, hebben opgedrongen. Ik zou haar voor
+altijd aan mijn lot gedoemd hebben. Gij, Cosette en ik zouden drie
+hoofden onder een groene tuchtelingenmuts zijn geweest! Huivert gij
+niet? Ik, die slechts de meest gebogen mensch ter wereld ben, zou
+de afschuwelijkste zijn geworden. En deze misdaad zou ik elken dag
+bedreven, dezen logen zou ik elken dag herhaald hebben! elken dag,
+jegens u, mijn teedergeliefden; jegens u, mijn kinderen; jegens u,
+onschuldigen! Is 't niet eenvoudig, het stilzwijgen te bewaren? Neen,
+'t is niet eenvoudig. Er is een stilzwijgen dat liegt. En mijn leugen,
+en mijn bedrog, en mijn schandelijkheid, en mijn laagheid, en mijn
+verraad, en mijn misdaad, zou ik droppel voor droppel gedronken,
+uitgespogen, weder gedronken hebben; ik zou te middernacht geëindigd,
+des middags weder begonnen zijn, en mijn goeden avond zou gelogen,
+mijn goeden morgen zou gelogen hebben; ik zou daarop geslapen, daarbij
+mijn brood gegeten hebben; ik zou Cosette in het gezicht gezien en
+den glimlach des engels met den glimlach van den doemeling beantwoord
+hebben; ik zou een afschuwelijke bedrieger zijn geweest. Waarom? Om
+gelukkig te zijn? Ik gelukkig zijn! Heb ik het recht gelukkig te
+zijn? Ik ben buiten het leven, mijnheer!"
+
+Jean Valjean zweeg. Marius luisterde, zulk een schakel van gedachten en
+angsten kan niet afgebroken worden. Jean Valjean sprak nu nog zachter,
+maar 't was nu geen doffe, maar een akelige stem.
+
+"Gij vraagt, waarom ik spreek? gij zegt dat ik noch verraden, noch
+vervolgd, noch tot spreken verplicht word. Ja, ik ben verraden;
+ik ben vervolgd; ik ben tot spreken gedwongen! Door wien? door mij
+zelven. Ik zelf sluit mij den weg, ik sleep, ik drijf mij voort,
+ik sta stil en lever mij over en wanneer men zich zelven bestuurt,
+wordt men goed bestuurd."
+
+En zijn eigen rok met volle vuist vattende en naar Marius uitstekende,
+hernam hij:
+
+"Zie deze vuist. Vindt ge niet, dat zij dezen kraag houdt als om hem
+niet weder los te laten? Welnu, het geweten is nog een andere vuist. Om
+gelukkig te zijn, mijnheer, moet men den plicht niet begrijpen, want
+zoodra men hem begrepen heeft, is hij onverbiddelijk. Men zou zeggen
+dat hij dengene straft die hem begrijpt; maar neen; hij beloont hem
+er voor; want hij brengt hem in een hel, waar men God naast zich
+voelt. Men heeft zijn hart niet zoodra verbrijzeld, of men is in
+vrede met zich zelven."
+
+En op onuitsprekelijken toon voegde hij er bij: "Mijnheer Pontmercy,
+dit alles is dwaasheid, ik ben een eerlijk man. Door mij voor uw oogen
+te vernederen, verhef ik mij in de mijne. 't Is mij reeds eens gebeurd,
+maar het was minder smartelijk; 't was niets. Ja, een eerlijk man. Ik
+zou het niet zijn, zoo gij, door mijn schuld, mij verder geacht hadt,
+thans, nu ge mij veracht, ben ik het. Deze noodlottigheid rust op mij,
+dat ik geene andere dan gestolen achting kan genieten, en deze achting
+mij inwendig vernedert en drukt, en men mij moet verachten, opdat
+ik mij zelven kunne achten. Dan verhef ik mij. Ik ben een galeiboef,
+die zijn geweten gehoorzaamt. Ik weet dat dit niet bij elkander past,
+maar wat kan ik er aan doen? 't Is zóó. Ik heb verbintenissen met mij
+zelven aangegaan, en houd ze. Er zijn toestanden, die ons binden,
+er zijn omstandigheden die plichten vorderen. Ik heb in mijn leven
+veel ondervonden, mijnheer Pontmercy."
+
+Wederom zweeg Jean Valjean, zijn keel bevochtigende met een inspanning
+als hadden zijn woorden een bitteren nasmaak, en hij hernam:
+
+"Wanneer zulk een afschuw op ons rust, heeft men het recht niet dien
+aan anderen, zonder hun weten, mede te deelen; men heeft het recht
+niet, hen met zijn pest te besmetten; men heeft het recht niet, hen
+in zijn afgrond mede te sleepen, zonder dat zij 't weten; men heeft
+het recht niet, hen zijn rood boevenbuis te laten dragen; men heeft
+het recht niet, listig het geluk van anderen door zijn verworpenheid
+te storen. Hen, die gezond zijn, te naderen, hen in de duisternis met
+zijn ontzichtbare kwaal te besmetten, is afschuwelijk. Fauchelevent
+moge mij zijn naam geleend hebben, ik heb het recht niet, er mij
+van te bedienen; hij moge hem mij gegeven hebben, ik mag hem niet
+aannemen. Een naam is een ik. Weet ge, mijnheer, ik heb een weinig
+gedacht, een weinig gelezen, hoewel ik een gering mensch ben; en ge
+ziet dat ik mij betamelijk weet uit te drukken. Ik geef mij rekenschap
+van de dingen. Ik heb mij zelven opgevoed. Welnu, ja, 't is oneerlijk
+zich van een naam meester te maken en er zich onder te verschuilen. De
+letters van het alphabet kunnen evenzeer gestolen worden als een
+geldbeurs of horloge. Een valsche handteekening in vleesch en been te
+zijn, een levende valsche sleutel te zijn, om daarmede het slot van
+eerlijke lieden te openen en alzoo bij hen binnen te sluipen, niet
+recht voor zich uit te durven zien, maar steeds gluipend; inwendig
+eerloos te zijn; neen! neen! neen! neen! Liever lijden, bloeden,
+weenen, zich met de nagels het vel van het vleesch scheuren, de nachten
+in foltering doorbrengen zich lichaam en ziel doorknagen. Daarom kom
+ik u dit alles verhalen. Uit lust des harten, zooals gij zegt."
+
+Hij ademde moeielijk en voegde er nog bij:
+
+"Vroeger stal ik om in 't leven te blijven een brood; maar thans wil
+ik niet om te leven een naam stelen."
+
+"Om te leven!" viel Marius hem in de rede. "Gij hebt dien naam niet
+noodig om te leven?"
+
+"O, ik weet wat ik zeg," antwoordde Jean Valjean, langzaam het hoofd
+opheffende en buigende.
+
+Er ontstond een pauze. Beiden zwegen, ieder verdiept in een afgrond
+van gedachten. Marius had zich aan een tafel gezet en liet den hoek van
+zijn mond op een zijner gebogen vingers rusten. Jean Valjean ging heen
+en weder. Hij stond stil voor een spiegel en bleef bewegingloos. Toen,
+als antwoordde hij op een inwendige redeneering, zeide hij, dien
+spiegel beschouwende, waarin hij zich niet zag:
+
+"Terwijl ik nu verlicht ben!"
+
+Hij hervatte zijn wandeling en ging naar het andere einde der
+kamer. Toen hij zich omkeerde, zag hij, dat Marius hem naoogde. Hij
+zeide hem op een onuitsprekelijken toon:
+
+"Ik sleep een weinig met den voet. Gij begrijpt nu waarom."
+
+Toen, zich geheel tot Marius wendende:
+
+"Verbeeld u nu dit, mijnheer: Ik heb niets gezegd, ik ben mijnheer
+Fauchelevent gebleven, ik heb bij u mijn intrek genomen, ik behoor
+tot uw gezin, ik ben in mijn kamer, des ochtends kom ik in pantoffels
+om te ontbijten, des avonds gaan wij alle drie naar den schouwburg;
+ik vergezel mevrouw de Pontmercy naar de Tuilerieën en naar het
+Koningsplein; wij zijn te zamen; gij meent dat ik uwsgelijke ben;
+maar op een goeden ochtend ben ik er, gij zijt er, wij praten, lachen;
+gij hoort een stem dezen naam roepen: Jean Valjean! en daar komt deze
+vreeselijke hand, de politie, uit de schaduw en rukt mij eensklaps
+mijn masker af."
+
+Wederom zweeg hij; Marius had zich bevend opgericht. Jean Valjean
+hernam:
+
+"Wat zegt ge ervan?"
+
+De stilte van Marius antwoordde.
+
+Jean Valjean voer voort:
+
+"Ge ziet wel, dat ik gelijk heb niet te zwijgen. Luister, wees
+gelukkig, wees in den hemel, wees de engel van een engel, wees in
+het licht en stel u tevreden; bekommer u niet over de wijze hoe een
+arme veroordeelde zijn borst openrijt en zijn plicht doet; ge hebt
+een ellendig mensch voor u, mijnheer."
+
+Langzaam ging Marius door de kamer, en bij Jean Valjean gekomen reikte
+hij hem de hand.
+
+Maar Marius moest de hand nemen, die zich niet aanbood. Jean Valjean
+liet het toe en 't scheen Marius, alsof hij een steenen hand omvatte.
+
+"Mijn grootvader heeft vrienden," zei Marius; "ik zal uw gratie
+verwerven."
+
+"Dit is onnoodig," antwoordde Jean Valjean. "Men gelooft, dat ik dood
+ben; dat is genoeg. De dooden zijn aan de justitie ontheven. Men laat
+hen rustig vergaan. De dood is zoogoed als gratie."
+
+En zijn hand, die Marius hield, losmakende, voegde hij er met een
+onverbiddelijke waardigheid bij:
+
+"Overigens tracht ik mijn plicht te doen, en dit is de vriend tot wien
+ik mij wend; ik heb slechts ééne gratie noodig, die van mijn geweten."
+
+Op dit oogenblik opende zich aan 't andere einde der kamer zacht de
+deur en Cosette's hoofd verscheen er tusschen. Men zag alleen haar
+lief gezicht; zij was bekoorlijk met haar nog ongekapt haar, en haar
+oogleden waren nog gezwollen van den slaap; zij maakte de beweging
+van een vogeltje, dat zijn kopje uit het nestje steekt, zag eerst
+haar man, toen Jean Valjean aan en riep hun lachend toe--alsof men
+een roosje zag glimlachen:
+
+"Ik wil wedden, dat ge politiseert, in plaats van bij mij te komen. 't
+Is onverschoonlijk!"
+
+Jean Valjean ontroerde.
+
+"Cosette...." stamelde Marius en hij zweeg. Zij geleken twee
+misdadigers.
+
+Cosette, van geluk schitterend, bleef beiden aanschouwen. In haar
+oogen blonk iets als een hemelsche glans.
+
+"Ik betrap u op heeter daad," zei Cosette. "Ik heb door de deur vader
+Fauchelevent hooren zeggen: "Het geweten...zijn plicht doen..." Dat
+is politiek. Ik duld dit niet. Men mag niet reeds den volgenden dag
+over politiek spreken. Dat is niet recht."
+
+"Ge vergist u, Cosette," antwoordde Marius. "Wij spreken over
+zaken. Wij spreken over de beste wijze van belegging uwer zesmaal
+honderd-duizend francs...."
+
+"Dat is het niet," viel Cosette hem in de rede. "Ik kom. Wil men mij
+hier dulden?"
+
+En beraden trad zij door de deur de kamer binnen. Zij was gekleed in
+een ruim wit ochtendkleed, met groote mouwen, dat van den hals tot de
+voeten reikte. In de gouden hemelen der oude gothische schilderijen
+ziet men zulke bekoorlijke zakken om een engel in te steken.
+
+Zij beschouwde zich van het hoofd tot de voeten in een grooten spiegel,
+en riep toen met een uitbarsting van een onuitsprekelijke verrukking:
+
+"Er was eens een koning en een koningin. O, hoe verheugd ben ik."
+
+Dit gezegd hebbende, boog zij voor Marius en Jean Valjean.
+
+"Nu," zeide zij, "ga ik bij u op een stoel zitten; men ontbijt binnen
+een half uur; gij moogt zeggen wat ge wilt; ik weet wel, dat de mannen
+moeten spreken; ik zal stil zijn."
+
+Marius nam haar arm en zeide teeder:
+
+"Wij spreken over zaken."
+
+"Apropos," antwoordde Cosette; "ik heb mijn raam geopend, in den tuin
+zijn een menigte musschen. 't Is vandaag Aschwoensdag; maar niet voor
+de vogels."
+
+"Ik zeg u, dat wij over zaken spreken; ga Cosetje, laat ons een
+oogenblik alleen. Wij spreken over cijfers. 't Zou u vervelen."
+
+"Ge hebt van morgen een fraaie das om, Marius. Ge zijt zeer coquet,
+mijnheer. Neen, 't zal mij niet vervelen."
+
+"Ik verzeker u, dat 't u vervelen zal."
+
+"Neen, ge zijt er immers. Ik zal u niet begrijpen, maar naar u
+luisteren. Wanneer men geliefde stemmen hoort, behoeft men de woorden
+niet te begrijpen, welke zij spreken. Hier bij u te zijn, is al wat
+ik wil. Ik blijf bij u!"
+
+"Ge zijt mijn zeer geliefde Cosette! Onmogelijk."
+
+"Onmogelijk!"
+
+"Ja."
+
+"Goed," hernam Cosette. "Ik zou u wat nieuws hebben verhaald. Ik zou
+u gezegd hebben, dat grootvader nog slaapt, dat uw tante naar de mis
+is, dat de schoorsteen in de kamer van vader Fauchelevent rookt, dat
+Nicolette den schoorsteenveger heeft laten komen, dat vrouw Toussaint
+en Nicolette reeds gekibbeld hebben, dat Nicolette om het stotteren
+van Toussaint lacht. Nu zult ge niets weten. Ha! 't is onmogelijk? Ook
+ik op mijn beurt, mijnheer, zal zeggen: 't is onmogelijk. Wie zal 't
+meest verliezen? Ik bid u, Marius, laat mij hier bij u beiden blijven."
+
+"Ik verzeker u, dat wij alleen moeten zijn."
+
+"Nu, ben ik iemand?"
+
+Jean Valjean sprak geen woord, Cosette wendde zich tot hem.
+
+"Vooreerst wil ik, vadertje, dat ge mij komt omhelzen. Hoe is 't? gij
+zegt niets, in plaats van mijn partij te trekken? Wie heeft mij zulk
+een vader gegeven? Ge ziet immers wel, dat ik heel slecht gehuwd
+ben. Mijn man slaat mij. Kom, omhels mij dadelijk."
+
+Jean Valjean naderde.
+
+Cosette wendde zich tot Marius:
+
+"U keer ik den rug toe."
+
+Toen bood zij Jean Valjean haar voorhoofd.
+
+Jean Valjean naderde haar een schrede.
+
+Cosette trad achteruit.
+
+"Ge zijt bleek, vader. Hebt ge pijn aan den arm?"
+
+"Hij is genezen," zei Jean Valjean.
+
+"Hebt ge slecht geslapen?"
+
+"Neen."
+
+"Zijt ge treurig?"
+
+"Neen."
+
+"Kus mij. Zoo ge wel zijt, zoo ge goed geslapen hebt, zoo ge tevreden
+zijt, zal ik u niet beknorren."
+
+En opnieuw bood zij hem haar voorhoofd.
+
+Jean Valjean drukte een kus op dat voorhoofd, 't welk een hemelschen
+glans had.
+
+"Glimlach."
+
+Jean Valjean gehoorzaamde. 't Was de glimlach van een spook.
+
+"Verdedig mij nu tegen mijn man."
+
+"Cosette!..." zei Marius.
+
+"Maak u boos, vader. Zeg hem, dat ik blijven moet. Men mag in mijn
+tegenwoordigheid wel spreken. Gij vindt mij dus zoo dom. 't Is dan
+iets zeer gewichtigs wat ge zegt; zaken, geldbelegging in een bank,
+'t heeft wat te beteekenen! De mannen zijn geheimzinnig om niets. Ik
+wil blijven. Ik ben van ochtend zoo mooi; zie mij toch aan Marius."
+
+En met een bekoorlijk schouderophalen en liefelijke spijtigheid zag
+zij Marius aan. Iets als een weerlicht schoot tusschen beide wezens. 't
+Was hun onverschillig of er iemand tegenwoordig was.
+
+"Ik bemin u!" zei Marius.
+
+"Ik aanbid u," zei Cosette.
+
+En onweerstaanbaar vielen zij in elkanders armen.
+
+"Nu," hernam Cosette, met een klein zegevierend gebaar, een vouw van
+haar morgengewaad glad strijkende, "ik blijf."
+
+"Dat niet," antwoordde Marius op smeekenden toon, "wij hebben hier
+iets te bespreken."
+
+"Wederom neen?"
+
+Marius nam een ernstigen toon aan:
+
+"Ik verzeker u, Cosette, dat het onmogelijk is."
+
+"Ha, ge neemt een mannenstem aan, mijnheer. Goed, men zal gaan. Gij,
+vader, gij hebt mij niet geholpen. Mijnheer mijn echtgenoot, mijnheer
+papa, gij zijt tirannen. Ik zal 't grootvader gaan zeggen. Zoo ge meent
+dat ik zal terugkomen, vergist gij u. Ik ben trotsch. Thans verwacht ik
+u. Ge zult zien dat gij u zonder mij zult vervelen. Ik ga, 't is goed!"
+
+Zij ging heen.
+
+Twee seconden later werd de deur weder geopend, haar frisch kopje
+vertoonde zich weder tusschen de twee slagdeuren en zij riep hen toe:
+
+"Ik ben heel kwaad!"
+
+De deur ging weder dicht en opnieuw werd het donker.
+
+'t Was als een verdwaalde zonnestraal, die toevallig plotseling door
+den nacht was geschoten.
+
+Marius vergewiste zich, dat de deur goed gesloten was.
+
+"Arme Cosette!" mompelde hij, "wanneer zij verneemt dat..."
+
+Bij deze woorden beefde Jean Valjean over al zijn leden. Hij richtte
+een verwilderden blik op Marius.
+
+"Cosette! ach ja, 't is waar, ge zult het Cosette zeggen. 't Is
+billijk. Zie, ik had er niet aan gedacht. Men heeft kracht tot het
+eene, maar niet tot het andere. Ik bezweer u, mijnheer, geef mij uw
+heiligst woord. Zeg het haar niet. Is 't niet genoeg, dat gij het
+weet? Ik heb het met vrijen wil, zonder er toe gedwongen te zijn,
+gezegd; ik zou 't aan de wereld, aan iedereen gezegd hebben; 't was
+mij onverschillig. Maar zij, zij weet niet wat het is; 't zou haar
+ontstellen. Een galeiboef, wat! men zou het haar moeten verklaren,
+haar zeggen: 't is iemand die in het bagno is geweest. Eenmaal zag
+zij een transport galeiboeven. Ach, mijn God!"
+
+Hij zonk op een stoel en bedekte zijn gezicht met beide handen. Men
+hoorde hem niet, maar aan het trekken zijner schouders zag men dat
+hij snikte, stille tranen, vreeselijke tranen.
+
+In het schreien ligt verstikking. Hij werd door een soort van
+stuiptrekking bevangen, hij wierp zich achterover in den stoel als
+om te ademen, liet zijn armen hangen en liet Marius zijn met tranen
+besproeid gelaat zien, en Marius hoorde hem zoo zacht fluisteren,
+als ware zijn stem in een grondelooze diepte geweest:
+
+"Ach! hoe wenschte ik dood te zijn!"
+
+"Wees bedaard," zeide Marius, "ik zal uw geheim voor mij alleen
+behouden."
+
+En minder verteederd dan hij misschien had moeten zijn, maar sedert
+een uur gedwongen zich met iets verschrikkelijks en onverwachts
+gemeenzaam te maken, allengskens den galeiboef voor zijn oogen uit den
+heer Fauchelevent te voorschijn ziende komen, allengskens beheerscht
+door deze heillooze wezenlijkheid, en door den natuurlijken loop van
+zaken er toe geleid de klove te erkennen, die zich tusschen dezen
+man en hem gevormd had, voegde Marius er bij:
+
+"'t Is onmogelijk, u niet een woord te zeggen omtrent de gelden, welke
+gij zoo trouw en eerlijk hebt overgeleverd. 't Is een daad van goede
+trouw. 't Is billijk, dat u een vergoeding worde gegeven. Bepaal zelf
+de som, zij zal u toegeteld worden. Vrees niet, ze te hoog te stellen."
+
+"Ik dank u, mijnheer," antwoordde Jean Valjean met zachtheid.
+
+Hij bleef een oogenblik in gepeins, wreef werktuiglijk zijn voorvinger
+over den nagel van zijn duim, en zeide toen met verheffing van stem:
+
+"Alles is genoegzaam volbracht. Slechts één ding blijft nog over..."
+
+"Wat?"
+
+Jean Valjean scheen aan een laatste weifeling ter prooi, en schier
+toonloos, buiten adem, hijgde hij meer dan hij sprak:
+
+"Thans nu ge alles weet, mijnheer, dunkt u, want gij zijt de meester,
+dat ik Cosette niet mag wederzien?"
+
+"Ik geloof, dat dit het best ware," antwoordde Marius koel.
+
+"Ik zal haar niet meer zien," mompelde Jean Valjean.
+
+En hij trad naar de deur.
+
+Hij sloeg de hand aan den knop, de deur opende zich ten halve, Jean
+Valjean kon er doorgaan, maar stond een oogenblik stil, sloot ze
+weder en keerde tot Marius terug.
+
+Hij was niet meer bleek, maar lijkkleurig. Er waren geen tranen meer
+in zijn oogen, maar er brandde een sombere vlam in. Zijn stem was
+weder wonderbaar kalm geworden.
+
+"Luister, mijnheer," zeide hij, "zoo gij wilt, zal ik haar komen
+bezoeken. Ik verzeker u, dat ik 't vurig wensch. Zoo ik Cosette niet
+gaarne had willen wederzien, zou ik u de bekentenis niet hebben gedaan,
+welke gij gehoord hebt; ik zou vertrokken zijn; maar daar ik in het
+oord wilde blijven, waar Cosette is en haar voortdurend zien wilde,
+heb ik u alles eerlijk moeten zeggen. Ge volgt mijn redeneering, niet
+waar? De zaak is wel te begrijpen. Hoor, langer dan negen jaren heb ik
+haar bij mij gehad. Eerst hebben wij in het oude huis op den boulevard
+gewoond, toen in het klooster, vervolgens bij het Luxembourg. Dáár
+hebt gij haar voor het eerst gezien. Gij herinnert u haar blauw pluchen
+hoed? Vervolgens zijn wij naar de wijk der Invaliden gegaan, waar een
+hek en een tuin was. In de straat Plumet. Ik woonde op een kleine
+achterplaats, waar ik haar piano hoorde. Dat was mijn leven. Wij
+verlieten elkander nooit. Dit heeft negen jaar en eenige maanden
+geduurd. Ik was als haar vader, en zij was mijn kind. Ik weet niet,
+of ge mij begrijpt, mijnheer Pontmercy, maar nu heen te gaan, haar niet
+meer te zien, haar niet meer te spreken, niets meer te hebben, dit zou
+moeielijk zijn. Zoo gij er niets tegen hebt, zal ik Cosette nu en dan
+bezoeken. Ik zal niet dikwijls komen. Ik zal niet lang blijven. Gij
+kondt zeggen, dat men mij in de kleine benedenkamer late. Ik zou
+wel door de achterdeur willen komen, die voor de dienstboden is,
+maar dit zou misschien verwondering wekken. 't Is misschien beter,
+geloof ik, dat ik door de voordeur ga, zooals iedereen. Waarlijk,
+mijnheer, ik zou Cosette nog wel eens willen zien. Zoo zelden als 't
+u zal behagen. Stel u in mijne plaats, ik heb niets meer dan dat. En
+men moet ook voorzichtig zijn. Indien ik volstrekt niet meer kwam, zou
+'t een vreemden indruk maken; men zou het zonderling vinden. Wat ik bij
+voorbeeld zou kunnen doen, is, 's avonds komen als het donker wordt."
+
+"Kom alle avonden," zei Marius, "en Cosette zal u wachten."
+
+"Gij zijt zeer goed, mijnheer," zei Jean Valjean.
+
+Marius groette Jean Valjean, het geluk deed de wanhoop uitgeleide
+tot aan de deur en beide mannen scheidden.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE DUISTERHEDEN WELKE EEN OPENBARING KAN BEVATTEN.
+
+
+Marius was geheel geschokt.
+
+Thans was hem de soort van afkeer verklaard, dien hij steeds voor den
+man had gevoeld, naast wien hij Cosette zag. In dien persoon was iets
+raadselachtigs, waartegen zijn instinct hem waarschuwde. Dat raadsel
+was de afschuwelijkste aller schanden, het bagno. Deze mijnheer
+Fauchelevent was de galeiboef Jean Valjean.
+
+Plotseling zulk een geheim te midden van zijn geluk te vinden,
+gelijkt de ontdekking van een scorpioen in een tortelduivennest.
+
+Was voortaan het geluk van Marius en Cosette tot deze nabijheid
+gedoemd? Was 't een uitgemaakte zaak. Sloot de voltrekking van het
+huwelijk de aanneming van dien man in? Was er niets meer tegen te doen?
+
+Was Marius ook met den tuchteling getrouwd?
+
+Men moge met licht en vreugd omkranst zijn, men moge het groote
+purperen oogenblik des levens smaken, de gelukkige liefde, zulke
+schokken zouden zelfs den aartsengel in zijn verrukking, den halfgod
+in zijn glorie doen sidderen.
+
+Gelijk het immer bij dergelijke plotselinge veranderingen gebeurt,
+vroeg Marius zich af, of hij zich zelven niets te verwijten had? Had
+het hem aan doorzicht ontbroken? Was hij onvoorzichtig geweest? Had
+hij zich vrijwillig bedwelmd? Een weinig, misschien. Was hij,
+zonder zich genoegzaam omtrent de omstandigheden in te lichten,
+deze liefdesbetrekking aangegaan, welke zijn huwelijk met Cosette
+ten gevolge had? Hij erkende--en 't is ten gevolge van een menigte
+dergelijke zelfbekentenissen, dat ons leven trapswijze gelouterd
+wordt--hij erkende het hersenschimmige en dwepende van zijn karakter,
+een soort van inwendige wolk, die aan veler natuur eigen is, en die
+bij den hoogsten graad van hartstochtelijkheid en smart zich uitzet,
+de temperatuur der ziel verandert en den mensch zoo geheel beheerscht,
+dat zij zijn zelfbewustzijn in een nevel hult. Wij hebben meer dan
+eens op dezen karaktertrek van Marius gewezen. Hij herinnerde zich,
+dat hij, in de dronkenschap zijner liefde, in de straat Plumet,
+gedurende deze zes of zeven verrukkelijke weken, zelfs Cosette van het
+drama in het oude huis Gorbeau niet gesproken had, waarbij het offer
+zulk een zonderlinge rol had gespeeld, door gedurende den strijd te
+zwijgen en later te vluchten. Hoe kwam het, dat hij er Cosette niet
+van had gesproken? 't Lag echter zoo voor de hand en was zelfs zoo
+merkwaardig! Waarom had hij zelfs het gezin Thénardier niet genoemd,
+inzonderheid den dag toen hij Eponine had ontmoet? Hij had moeite zich
+thans zijn stilzwijgen van toen te verklaren. Evenwel gaf hij er zich
+rekenschap van. Hij herinnerde zich zijn bedwelming, zijn dronkenschap
+van Cosette, de liefde die alles verzwolg, deze opvoering van het
+een door het ander in het ideaal, en misschien ook--als de geringe
+mate van verstand in dien geweldigen en bekoorlijken zielstoestand
+vermengd--een onduidelijk, dof instinct om dit vreeselijk avontuur
+in zijn geheugen te verstikken, waarin hij niet gemengd wenschte te
+zijn, dewijl hij noch als verhaler noch als getuige kon optreden,
+zonder tevens beschuldiger te moeten worden. Overigens waren deze
+weinige weken als een weerlicht geweest; men had voor niets anders
+den tijd gehad dan om elkander te beminnen. Kortom, alles gewikt en
+gewogen, zou, indien hij aan Cosette de hinderlaag in het huis Gorbeau
+verhaald, haar de Thénardiers genoemd had, welke ook de gevolgen ervan
+waren geweest, zelfs indien hij ontdekt had dat Jean Valjean een
+tuchteling was, zou dit hem zelven, Marius, zou dit haar, Cosette,
+veranderd hebben? Zou hij teruggetreden zijn? Zou hij haar minder
+hebben bemind? Zou hij daarom met haar niet getrouwd zijn? Neen. Zou
+het iets veranderd hebben aan 't geen gebeurd was? Neen. Hij had dus
+niets te betreuren, zich niets te verwijten. Alles was zoo goed. Er
+is een God voor die dronkaards, welke men verliefden noemt. Blind had
+Marius den weg betreden, dien hij ziende zou gekozen hebben. De liefde
+had hem geblinddoekt, om hem, waarheen? te voeren. Naar het Paradijs.
+
+Maar dit paradijs grensde nu aan een hel.
+
+De vroegere afkeer van Marius voor dezen man, voor dezen Fauchelevent,
+nu Jean Valjean geworden, was thans met afschuw gemengd.
+
+Wij moeten evenwel zeggen, dat in dezen afschuw eenig medelijden,
+ja een zekere verwondering lag.
+
+Deze dief, deze dief bij herhaling, had hem toevertrouwd geld
+teruggegeven. En hoeveel geld? Zesmaal honderd duizend francs. Het
+geheim hiervan was hem alleen bekend. Hij had alles kunnen behouden,
+maar had alles overgegeven.
+
+Bovendien had hij uit zich zelven zijn toestand geopenbaard. Niets
+verplichtte er hem toe. Zoo men wist wie hij was, was 't door hem
+zelven. In deze bekentenis lag meer dan de aanneming van deemoediging,
+er lag de onderwerping aan gevaar in. Voor een veroordeelde is
+een masker geen masker, 't is een schuilplaats. Hij had van die
+schuilplaats afstand gedaan. Een valsche naam is een veiligheid; hij
+had dien valschen naam weggeworpen. Hij, galeiboef, kon zich voor
+altijd in een achtenswaardige familie verbergen; hij had aan deze
+verzoeking weerstand geboden. Om welke reden? Uit gewetensbezwaar. Hij
+had dit zelf verklaard, op den onwraakbaren toon der waarheid. Kortom,
+wie Valjean zijn mocht, 't was onbetwistbaar een ontwakend geweten. 't
+Was het begin eener geheime bekeering, en naar alle waarschijnlijkheid
+had het geweten zich reeds lang bij dezen man doen gelden. Zulke
+overgangen tot het goede en deugdzame zijn niet aan gewone naturen
+eigen. De ontwaking van het geweten is grootheid van ziel.
+
+Jean Valjean was oprecht. Deze onzichtbare, tastbare, onwederlegbare,
+en zelfs door de smart, welke zij hem veroorzaakte, bewezen
+oprechtheid, maakte alle navorsching overbodig en gaf gezag aan al wat
+deze man zeide. Voor Marius ontstond hieruit een zonderlinge omkeer
+van beschouwing. Wat boezemde de heer Fauchelevent in? Wantrouwen. Wat
+verwekte Jean Valjean? Vertrouwen. In de geheimzinnige balans van dien
+Jean Valjean, welke Marius in zijn geest opmaakte, erkende hij het
+actief en het passief, en trachtte het saldo op te maken. Maar 't was
+alles als in een storm. Marius poogde zich een juist denkbeeld van dien
+man te vormen en, om zoo te spreken, Jean Valjean in zijn gedachten
+vervolgende, verloor en hervond hij hem in een noodlottigen nevel.
+
+Het eerlijk wedergegeven bewaarde geld, de trouwhartige bekentenis--dat
+was goed. Dit veroorzaakte als een lichtopening in een wolk, maar
+dadelijk werd de wolk weder donker.
+
+Hoe verward zijn herinneringen waren, Marius zag er eenige schaduw van.
+
+Wat was eigenlijk het avontuur in het verblijf van Jondrette? Waarom
+was deze man, Jean Valjean, bij de komst van de politie gevlucht,
+in plaats van zich te beklagen? Marius vond hierop het antwoord. Wijl
+deze man een tuchteling was, die zijn ban verbroken had.
+
+Een andere vraag: Waarom was deze man in de barricade gekomen? Want
+nu vond Marius deze herinnering duidelijk weder, welke in zijn
+aandoeningen was te voorschijn gekomen als de sympathetische inkt
+bij het vuur. Deze man was in de barricade. Hij streed er niet. Wat
+was hij er komen doen? Voor deze vraag rees een spookbeeld op en
+beantwoordde ze. Marius herinnerde zich op dit oogenblik volkomen
+de sombere verschijning van Jean Valjean, die Javert gekneveld
+uit de barricade sleepte, en nog hoorde hij achter den hoek der
+kleine straat Mondétour het vreeselijk pistoolschot. Er bestond
+waarschijnlijk haat tusschen dien spion en dezen galeiboef. De een
+hinderde den ander. Jean Valjean was naar de barricade gegaan om zich
+te wreken. Hij was er laat gekomen, en wist vermoedelijk dat Javert er
+gevangen was. De corsicaansche vendette is tot sommige lage kringen
+doorgedrongen en geldt er als wet; zij is zoo natuurlijk voor die
+zielen, welke ten halve tot het goede zijn teruggekeerd; en deze
+zielen zijn zoodanig gestemd, dat een misdadiger, die op den weg
+van berouw is, gemoedsbezwaar kan hebben ten aanzien van diefstal,
+maar niet ten aanzien van wraak. Jean Valjean had Javert gedood. Dit
+scheen ten minste duidelijk.
+
+Eindelijk de laatste vraag; maar op deze was niet te antwoorden. Marius
+voelde deze vraag als een nijptang. Hoe kwam het, dat Jean Valjeans
+leven zoo lang met dat van Cosette verbonden was geweest? Wat
+beteekende dit duister spel der Voorzienigheid, die dit kind
+met dien man in aanraking had gebracht? Zijn er dan ook hierboven
+tweemans-ketenen, en heeft God er behagen in, een engel en een duivel
+samen te koppelen? De misdaad en de onschuld kunnen dus slaapgenooten
+zijn in het geheimzinnig bagno der ellende? Kunnen in dien hollen weg,
+welke het menschelijk lot wordt genoemd, twee hoofden naast elkander
+gaan, het eene onschuldig, het andere vreeselijk, het eene blinkend
+van hemelsch morgenlicht, het andere voor immer bleek door het
+schijnsel van een eeuwigen bliksem? Wie had zulk een onverklaarbare
+samenkoppeling kunnen beschikken? Op welke wijze, ten gevolge van
+welk wonder, had dit gemeenschappelijk leven tusschen dit hemelsche
+meisje en dezen ouden doemeling kunnen ontstaan? Wie had het lam met
+den wolf kunnen vereenigen, en, wat onbegrijpelijker is, den wolf met
+het lam? Want de wolf beminde het lam, want het wreede wezen aanbad
+het zwakke wezen, want sedert negen jaren had de engel tot steun en
+beschermer het monster gehad. De kindsheid en de jeugd van Cosette,
+haar intrede in het leven, haar maagdelijke wasdom naar leven en
+licht, waren door deze monsterachtige vereeniging beschermd. Hier
+losten zich de vragen in tallooze raadsels op, afgronden openden zich
+in afgronden, en Marius kon zich niet meer tot Jean Valjean buigen
+zonder te duizelen. Wie was toch deze ondoorgrondelijke man?
+
+De oude Scheppings-symbolen zijn eeuwig; in de menschelijke
+maatschappij, zooals zij thans bestaat, tot een grootere helderheid
+haar zal veranderen, zijn er altijd twee menschen, de eene verheven,
+de andere laag; de goede is Abel, de kwade is Kaïn. Wie was nu deze
+teedere Kaïn? Wie was deze bandiet, in heilige vereering eener maagd,
+over welke hij waakte, welke hij opvoedde, bewaarde, achtte en welke
+hij, onreine, in reinheid hulde. Wat was deze modderpoel, die deze
+onschuld zoodanig vereerde, dat er zelfs geen smet op kleefde? Wie
+was deze Jean Valjean die Cosette had opgevoed? Wat was deze gestalte
+uit de duisternis, die geen andere zorg had, dan eene opgaande star
+voor schaduw en wolken te behoeden?
+
+Dit was Jean Valjeans geheim; dit was ook Gods geheim.
+
+Voor dat dubbel geheim deinsde Marius terug. Het eene stelde hem
+eenigerwijs aangaande het andere gerust. God was in dit avontuur
+evenzeer zichtbaar als Jean Valjean. God heeft zijn werktuigen. Hij
+bedient zich van 't geen hij wil. Hij is jegens den mensch niet
+verantwoordelijk. Kennen wij Gods wegen? Jean Valjean had aan
+Cosette gearbeid. Hij had haar ziel een weinig gevormd. 't Was
+onbetwistbaar. En verder? 't Was een leelijke werkman, maar
+het werk was bewonderenswaardig. God werkt zijn wonderen naar
+goedvinden. Hij had de bekoorlijke Cosette gevormd en daartoe Jean
+Valjean gebruikt. Het had hem behaagd den zonderlingen medewerker
+te kiezen. Welke rekenschap hebben wij van hem te vorderen? Is het
+de eerste keer, dat de mesthoop de lente helpt om een roos voort
+te brengen?
+
+Marius gaf zich deze antwoorden, en verklaarde zich zelven, dat zij
+goed waren. Op al de punten, welke wij hebben aangewezen, had hij bij
+Jean Valjean niet durven aandringen, zonder zich zelven te bekennen,
+dat hij niet durfde. Hij beminde Cosette, hij bezat Cosette, Cosette
+was glanzend zuiver. Dat was hem genoeg. Welke ophelderingen had
+hij noodig? Cosette was een licht. Behoeft het licht verhelderd te
+worden? Hij had alles; wat kon hij nog meer wenschen? Alles, is dat
+niet genoeg? De persoonlijke zaken van Jean Valjean gingen hem niet
+aan. Terwijl hij zich over de noodlottige schaduw van dien man boog,
+klemde hij zich vast aan deze plechtige verklaring van den ellendeling:
+"Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Tien jaren geleden wist
+ik niet, dat zij bestond."
+
+Jean Valjean was een voorbijganger. Hij zelf had het gezegd. Welnu,
+hij ging voorbij. Wie hij zijn mocht, zijn rol was ten einde. Voortaan
+was het aan Marius, om de functiën der Voorzienigheid bij Cosette
+te vervullen. Cosette was tot hooger kring teruggekeerd, en had zich
+weder bij haarsgelijke, haar geliefde, haar echtgenoot gevoegd. In 't
+opstijgen liet Cosette, gevleugeld en herschapen, omlaag haar ledig,
+leelijk hulsel, Jean Valjean, achter.
+
+In welken gedachtenkring Marius zich draaide, immer kwam hij tot
+een zekeren afschuw voor Jean Valjean terug. Een misschien heiligen
+afschuw; wij hebben het immers aangewezen, dat hij in dien man
+een zeker quid divinum, iets goddelijks, gevoelde. Maar wat hij
+deed, en welke verlichting hij er in zocht, steeds moest hij hierop
+terugkomen: Jean Valjean was een galeiboef; dat wil zeggen het wezen,
+'t welk op de maatschappelijke ladder zelfs geen plaats heeft, wijl
+het beneden den laagsten sport staat. Na den laatsten der menschen
+komt de galeiboef. De galeiboef behoort om zoo te spreken niet meer
+tot het menschelijk geslacht. De wet heeft hem al de menschelijkheid
+ontnomen, welke zij een mensch kan ontnemen. Marius hield zich, ten
+aanzien der strafwet, hoewel hij democraat was, nog aan het vaste
+stelsel, en nopens degenen, welke de wet straft, had hij al de ideeën
+der wet. Hij was, wij moeten 't zeggen, nog niet geheel op de hoogte
+van den vooruitgang. Hij was zoo ver nog niet gekomen, onderscheid te
+zien tusschen 't geen de mensch geschreven en wat God geschreven heeft,
+tusschen de wet en het recht. Hij had het recht nog niet gewikt en
+gewogen, 't welk de mensch zich toeëigent om over het onherroepelijke
+en onherstelbare te beschikken. Het woord vindicte (rechterlijke
+wraak) had hem nog niet gebelgd. Hij vond het natuurlijk, dat sommige
+overtredingen der wet door eeuwigdurende straffen werden gevolgd,
+en hij nam het maatschappelijke doemvonnis als een beschavingsmiddel
+aan. Hij stond nog op dat punt, trouwens om later volkomen vooruit
+te gaan, daar zijn aard goed en in den grond voor den vooruitgang was.
+
+Te midden dezer denkbeelden, verscheen Jean Valjean hem wanstaltig
+en afkeerwekkend. Hij was een veroordeelde, een galeiboef. Dit woord
+was hem als het bazuingeschal van den jongsten dag, en na lang Jean
+Valjean aanschouwd te hebben, was zijn laatste beweging het hoofd om
+te wenden. Vade retro. (Ga weg van mij!)
+
+Marius, men moet het erkennen, en wij wijzen er zelfs op, had,
+terwijl hij Jean Valjean ondervroeg, en wel in dier voege dat Jean
+Valjean hem gezegd had: ge neemt mij in 't verhoor, hem geen twee of
+drie beslissende vragen gedaan. Niet omdat zij niet bij hem waren
+opgekomen, maar omdat zij hem beangstigd hadden. Het verblijf van
+Jondrette? De barricade? Javert? Wie weet waar de openbaringen een
+einde hadden genomen? Jean Valjean scheen de man niet om achteruit
+te treden, en wie weet of Marius, na hem te hebben voortgedrongen,
+niet gewenscht zou hebben, hem tegen te houden! Is 't ons allen wel
+niet in sommige gewichtige omstandigheden gebeurd, dat, als wij een
+vraag hebben gedaan, wij onze ooren stoppen om het antwoord niet te
+hooren? 't Is vooral wanneer men bemint, dat men zoo lafhartig is. 't
+Is niet verstandig, hardnekkig in heillooze omstandigheden te willen
+doordringen, vooral wanneer noodlottigerwijs de onoplosbare zijde
+van ons eigen leven er in gemengd is. Welk een vreeselijk licht kon
+uit Jean Valjeans wanhopige verklaringen opkomen, en wie weet of
+dit afschuwelijk licht niet op Cosette zou zijn teruggekaatst? Wie
+weet of er niet een soort van helschen weerschijn op 't voorhoofd
+van dien engel zou zijn overgebleven? De van een bliksem spattende
+vonken zijn ook bliksems. Het noodlot wil soms, dat de onschuld
+zelve het merkteeken der misdaad verkrijgt, door de sombere wet der
+lichtweerkaatsing. De zuiverste gedaanten kunnen voor altijd den
+weerschijn van een vreeselijke nabuurschap behouden. Terecht of ten
+onrechte, Marius was bevreesd geweest. Hij wist reeds te veel. Hij
+poogde zich meer te bedwelmen dan in te lichten. Radeloos droeg
+hij Cosette in zijn armen weg, terwijl hij voor Jean Valjean de
+oogen sloot.
+
+Deze man behoorde tot den nacht, tot den levenden, vreeselijken
+nacht. Hoe zou men er den bodem van durven zoeken? 't Is ontzettend,
+de duisternis te ondervragen. Wie weet wat zij zal antwoorden? De
+dageraad zou er voor altijd verdonkerd door kunnen worden.
+
+In dien gemoedstoestand, was het voor Marius een pijnlijke verlegenheid
+te denken, dat deze man voortaan in eenige aanraking met Cosette zou
+zijn. Hij verweet zich thans schier, deze vreeselijke vragen niet
+gedaan te hebben, voor welke hij was teruggedeinsd en waaruit een
+onveranderlijke en bepaalde zekerheid had kunnen ontstaan. Hij gevoelde
+zich te goed, te zacht, laat het ons zeggen, te zwak. Deze zwakheid
+had hem tot een onvoorzichtige toegevendheid verleid. Hij had zich
+laten bewegen. Hij had ongelijk gehad. Hij had eenvoudig Jean Valjean
+moeten verwerpen. Jean Valjean behoorde tot het vuur; hij had hem er
+aan moeten wedergeven en zijn huis van dien man bevrijden. Hij was op
+zich zelven vertoornd, vertoornd op dien maalstroom van aandoeningen,
+welke hem verdoofd, verblind en medegesleept had. Hij was over zich
+zelven ontevreden.
+
+Wat nu te doen? Van de bezoeken van Jean Valjean was hij diep
+afkeerig. Waartoe diende die man in zijn huis? Wat te doen? Hier
+bedwelmde hij zich, hij wilde niet dieper graven, niet doorgronden;
+hij wilde zich zelven niet peilen. Hij had beloofd, hij had zich tot
+beloven laten verleiden; Jean Valjean had zijn belofte; zelfs jegens
+een galeiboef, vooral jegens een galeiboef, moet men woord houden. Zijn
+eerste plicht evenwel gold Cosette. Kortom, een allesbeheerschende
+afkeer bracht hem in beroering.
+
+Al deze gedachten woelden verward in den geest van Marius, die,
+van de eene na de andere, door alle bewogen werd. Vandaar een
+groote verwarring, welke hem niet gemakkelijk viel voor Cosette te
+verbergen. Maar de liefde is een talent, en 't gelukte Marius.
+
+Overigens deed hij, zonder schijnbaar doel, vragen aan Cosette, die
+even onschuldig was als een duif, en niets vermoedde; hij sprak haar
+van haar kindsheid en jeugd; en meer en meer overtuigde hij zich,
+dat deze galeiboef zoo goed, vaderlijk en eerbiedwaardig voor Cosette
+was geweest als een mensch zijn kan. Al wat Marius verondersteld en
+vermoed had, was waar. Deze heillooze distel had deze lelie bemind
+en beschermd.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VIII.
+
+DE AFNEMING DER DUISTERNIS.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE BENEDENKAMER.
+
+
+Den volgenden dag, bij 't vallen van den avond, klopte Jean Valjean
+aan de koetspoort van het huis des heeren Gillenormand. Basque ontving
+hem. Basque bevond zich op dat oogenblik juist op de plaats, als ware
+'t hem bevolen. 't Gebeurt soms, dat men tot een knecht zegt: Wees
+bij de hand, als mijnheer, die of die komt.
+
+Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot hem:
+
+"Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer naar
+boven gaan of beneden wil blijven?"
+
+"Beneden blijven," antwoordde Jean Valjean.
+
+Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het
+benedenvertrek en zeide: "Ik zal mevrouw verwittigen."
+
+'t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was
+binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam
+aan de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht
+door een van ijzeren spijlen voorzien venster.
+
+Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en
+bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er
+niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen
+bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine,
+lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde
+flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote
+stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd
+hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, 't geen aanduidde,
+dat men op Jean Valjeans antwoord: "dat hij beneden wilde blijven,"
+gerekend had.
+
+Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen. Tusschen
+deze stoelen lag, als een tapijt, een oud, zeer versleten beddekleedje.
+
+De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van
+het venster verlicht.
+
+Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch
+gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.
+
+Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars
+en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de
+borst, zag noch Basque noch de waskaars.
+
+Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter hem.
+
+Hij had haar niet zien binnenkomen.
+
+Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk
+schoon. Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de
+schoonheid, 't was de ziel.
+
+"Waarlijk, vader," riep Cosette, "ik wist dat ge zonderling waart,
+maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een gedachte! Marius
+zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange."
+
+"Ja, zoo is het."
+
+"Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den mantel zal
+uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij, vader."
+
+En zij bood hem haar wang aan.
+
+Jean Valjean bewoog zich niet.
+
+"Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. 't Is de houding van een
+schuldige. Om 't even, ik vergeef 't u. Jezus Christus heeft gezegd:
+Biedt de andere wang aan. Ziedaar."
+
+En zij hield hem de andere wang toe.
+
+Jean Valjean verroerde zich niet. 't Was, of zijn voeten aan den
+grond waren gekleefd.
+
+"'t Wordt ernstig," zei Cosette. "Wat heb ik u misdaan? Ik verklaar,
+dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening schuldig. Gij eet
+met ons."
+
+"Ik heb gegeten."
+
+"'t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand laten
+beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te
+lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk."
+
+"Onmogelijk."
+
+Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en
+begon te vragen.
+
+"Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van het
+huis. 't Is hier afschuwelijk."
+
+"Ge weet..."
+
+Jean Valjean viel zich zelven in de rede:
+
+"Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben, dat ik grillen heb."
+
+Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.
+
+"Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat
+beteekenen?"
+
+Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke
+dikwijls op zijn gelaat verscheen.
+
+"Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het."
+
+"Niet voor u, vader."
+
+"Noem mij niet langer vader."
+
+"Waarom?"
+
+"Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt."
+
+"Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette? Mijnheer
+Jean? Wat beteekent dat? Maar 't is een revolutie. Wat is er toch
+gebeurd? Zie mij toch in 't gezicht. En ge wilt niet bij ons wonen? En
+ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat heb ik u misdaan? Is
+er dan iets gebeurd?"
+
+"Niets."
+
+"Welnu dan?"
+
+"Alles is als gewoonlijk."
+
+"Waarom verandert ge van naam?"
+
+"Gij, gij hebt hem immers ook veranderd."
+
+Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:
+
+"Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean zijn."
+
+"Ik begrijp er niets van. 't Is alles dom. Ik zal mijn man verlof
+vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er in zal
+bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben, maar
+men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. 't Is slecht. Ge hebt
+het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed zijt."
+
+Hij antwoordde niet.
+
+Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging hief
+zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar kin,
+'t geen een groot bewijs van teederheid is.
+
+"Ach," zeide zij, "wees goed!"
+
+En zij voer voort:
+
+"Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er zijn
+hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de
+spelonk in de straat de l'Homme-Armé verlaat, ons geen raadsels ter
+oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons dineert, ontbijt
+en mijn vader zijt."
+
+Hij maakte zijn handen los.
+
+"Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een echtgenoot."
+
+Cosette werd driftig.
+
+"Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat men op
+zulke ongerijmde taal antwoorden zal."
+
+"Indien vrouw Toussaint hier was," hernam Jean Valjean, als iemand, die
+iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle takken vastklemt,
+"zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en ik mijn bijzondere
+manieren heb. 't Is geen nieuws. Ik heb altijd mijn donkeren hoek
+bemind."
+
+"Maar 't is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien. 't Is schandelijk
+mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat ge mij mevrouw noemt."
+
+"Straks toen ik hierheen ging," antwoordde Jean Valjean, "heb ik in de
+straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een meubelstuk gezien. Ware ik
+een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen. 't Is een fraai toilet,
+naar den laatsten smaak, van rozenhout, zooals gij het noemt, geloof
+ik. 't Is ingelegd. Met een grooten spiegel. Er zijn laden in. 't
+Is lief."
+
+"Bah, de leelijke beer!" antwoordde Cosette.
+
+En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende en
+de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. 't Was een bevallige
+nabootsing eener kat.
+
+"Ik ben verwoed," zeide zij. "Sedert gisteren maakt gij allen mij
+razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet. Gij verdedigt mij
+niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u; ik sta geheel
+alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik er onzen
+Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men laat mij
+met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik gelast
+Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet,
+mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean
+noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange,
+welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige
+flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. 't Is waar,
+ge zijt zonderling. 't Is uw manier. Maar men houdt zich een weinig
+in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond weder
+zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat
+l'Homme-Armé zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat hebt ge toch
+tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet. Foei!"
+
+En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in 't
+gezicht en voegde er bij:
+
+"Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?"
+
+De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door. Deze
+eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.
+
+Cosette wilde krabben, zij verscheurde.
+
+Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te antwoorden,
+toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een onbeschrijfelijken
+toon:
+
+"Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij vergunnen af
+te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er geweest."
+
+"Ha, nu zegt ge weder Cosette!" riep de jonge vrouw. En zij viel hem
+om den hals.
+
+Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart. 't
+Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.
+
+"Ik dank u, vader!" zei Cosette.
+
+Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht
+trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.
+
+"Nu?" zei Cosette.
+
+Jean Valjean antwoordde:
+
+"Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u."
+
+En op den drempel der deur voegde hij er bij:
+
+"Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit niet
+weder zal gebeuren. Vergeef mij."
+
+Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit
+raadselachtige vaarwel achter.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+ANDERE SCHREDEN ACHTERWAARTS.
+
+
+Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur terug.
+
+Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet
+meer dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed
+evenzeer vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw
+noemen. Maar zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest,
+zoo dit bij haar mogelijk ware.
+
+'t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken had gehad,
+in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets verklaring
+geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid van
+minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde.
+
+De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de flesschen
+en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.
+
+Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug. Hij
+kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius' woorden anders dan
+letterlijk op te vatten.
+
+Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean
+kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean
+Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: "Mijnheer is altijd
+zóó geweest." De grootvader besloot: "'t Is een zonderling." Daarmede
+was alles gezegd. Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen
+nieuwe betrekking meer mogelijk; alles is uitwendige aanraking;
+een nieuwe persoon is lastig. Er is geen plaats meer; alle gewoonten
+zijn aangenomen. Mijnheer Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,--vader
+Gillenormand wenschte niets liever, dan van "dien mijnheer" verschoond
+te blijven. Hij zeide: "Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij
+doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was
+nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die
+lieden hebben allerlei phantastische grillen."
+
+Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie
+trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indiën zijn dergelijke
+moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend
+zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt
+de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet,
+die op den bodem kruipt.
+
+Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal welke
+zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun nachten
+inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en gaat. Men
+weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige, knagende smart
+leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een afgrond is. Een
+stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn oppervlakte
+een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een geheimzinnige
+rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te voorschijn; een luchtbel
+stijgt op en berst. 't Is weinig, maar vreeselijk. 't Is de ademhaling
+van het onbekende dier.
+
+Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen
+heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle
+omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen
+noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich
+niet in 't verkeer te mengen, de menigte en de feesten te vermijden,
+het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig te leven, hoe
+rijk men zij, zijn sleutel in den zak en zijn kaars bij den portier
+te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de kleine trap op te gaan--al
+deze nietige zonderlingheden, rimpelingen, luchtbellen, vluchtige
+kringels op de oppervlakte, komen soms uit een vreeselijke diepte.
+
+Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs Cosette
+in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de bezoeken,
+het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken. Cosettes
+vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij Marius
+te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was de
+grootste bezigheid van haar leven. 't Was voor hen steeds een nieuwe
+blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare straat,
+zonder zich te verbergen, voor 't oog der wereld, beiden alleen uit
+te gaan. Cosette had één verdriet. Vrouw Toussaint kon zich niet met
+Nicolette verstaan;--de harmonie tusschen deze twee oude vrijsters
+was onmogelijk;--zij ging dus weg. De grootvader was gezond; Marius
+had nu en dan een pleidooi; tante Gillenormand leidde in deze nieuwe
+huishouding rustig het bescheiden leven, dat haar genoegen was. Jean
+Valjean kwam dagelijks.
+
+Toen de gemeenzaamheid in 't gesprek verdwenen was, en "mevrouw,"
+en "mijnheer Jean" er voor waren in plaats gekomen, kwam hij Cosette
+geheel anders voor. De zorg, welke hij genomen had om haar van zich
+los te maken, gelukte hem. Zij werd langzamerhand meer vroolijk,
+en allengs minder teeder. Zij beminde hem evenwel nog altijd,
+en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij eensklaps tot hem:
+"Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader niet meer, gij waart mijn
+oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart mijnheer Fauchelevent,
+gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van dat alles niet. Zoo ik
+niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u zijn."
+
+Hij woonde nog altijd in de straat de l'Homme-Armé, er niet toe
+kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar Cosette woonde.
+
+In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en
+verwijderde zich dan.
+
+Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te
+maken. Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer
+wordende dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.
+
+Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord "vader."
+
+Een straal van blijdschap schoot over 't oude somber gezicht van Jean
+Valjean. Hij berispte haar:
+
+"Zeg Jean."
+
+"Ha! 't is waar," antwoordde zij luid lachend, "mijnheer Jean."
+
+"Goed zoo!" zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet zou zien,
+dat hij zijn oogen afwischte.
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ZIJ HERINNEREN ZICH DEN TUIN IN DE STRAAT PLUMET.
+
+
+Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering was de verdooving
+volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen "goeden dag" met een kus meer,
+nooit meer dit zoo innig zacht woord: "mijn vader!" hij was op zijn
+verzoek en door zijn eigen toedoen achtereenvolgens uit al zijn
+geluk verdreven; en hij had de ramp, dat, na Cosette in éénen dag
+geheel te hebben verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten
+moest verliezen.
+
+Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was
+voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven
+was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde
+haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid,
+van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.
+
+Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm,
+maar nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid
+verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en
+van Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook,
+de violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige
+bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras
+zag men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders
+vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde
+in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de
+oude dichters de wedergeboorte noemden,--toen zeide Marius tot Cosette:
+
+"Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet eens wilden
+wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar zijn."
+
+Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de
+straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen
+in hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had
+nog huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin
+en dat huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles.
+
+Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des Filles
+du Calvaire.
+
+"Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis gekomen,"
+zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur. Cosette kwam
+niet. Hij boog het hoofd en ging heen.
+
+Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar "hun tuin" en zoo
+verblijd, een ganschen dag in haar verleden te hebben geleefd, dat
+zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij dacht er niet aan,
+dat zij Jean Valjean in 't geheel niet gezien had.
+
+"Hoe zijt ge er heen gegaan?" vroeg Jean Valjean haar.
+
+"Te voet."
+
+"En hoe teruggekomen?"
+
+"In huurrijtuig."
+
+Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat
+het jonge paar leidde. 't Werd hem een bekommering. De zuinigheid van
+Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een volstrekten
+zin. Hij waagde een vraag.
+
+"Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coupé zou u niet meer
+dan vijfhonderd francs 's maands kosten. Gij zijt rijk."
+
+"Ik weet het niet," antwoordde Cosette.
+
+"Zoo ook met vrouw Toussaint;" hernam Jean Valjean, "zij is
+vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar plaats
+genomen. Waarom?"
+
+"Nicolette is voldoende."
+
+"Maar gij moet een kamenier hebben."
+
+"Heb ik Marius niet?"
+
+"Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge in den
+schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom zoudt
+ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij geluk."
+
+Cosette antwoordde niet.
+
+De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar. 't
+Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te stellen.
+
+Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen
+vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon,
+edel, moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en
+versterkte die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet
+uitscheiden. Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters
+bevatten boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te
+blijven. 't Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te
+vergeten! 't Was de verbinding zijner wond. 't Gebeurde meermalen,
+dat Basque bij herhaling kwam zeggen: "Mijnheer Gillenormand zendt
+mij om mevrouw de barones te herinneren dat de tafel gereed is."
+
+Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.
+
+Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius
+in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve,
+die met volharding haar vlinder kwam opzoeken?
+
+Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag merkte
+hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was. "Zie!" dacht
+hij. "Geen vuur." En hij gaf zich deze verklaring: "'t Is
+natuurlijk. Wij zijn in April. 't Is niet koud meer."
+
+"Mijn Hemel! hoe koud is 't hier!" riep Cosette binnenkomende.
+
+"Och neen," zei Jean Valjean.
+
+"Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te leggen?"
+
+"Ja. Wij hebben aanstonds Mei."
+
+"Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het geheele jaar
+vuur noodig."
+
+"Ik dacht, dat het vuur onnoodig was."
+
+"Dit is weder een van uwe denkbeelden!" hernam Cosette.
+
+Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het
+andere einde der kamer bij de deur geplaatst.
+
+"Wat moet dit beteekenen?" dacht Jean Valjean.
+
+Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.
+
+Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.
+
+Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij
+opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:
+
+"Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?"
+
+"Wat dan?"
+
+"Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs
+rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader
+mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij:
+Zoudt gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde:
+Ja, van niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom
+zegt ge mij dat? Hij antwoordde: Om het te weten."
+
+Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk
+eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen
+hij in de straat de l'Homme-Armé terugkwam, was hij zoo verdiept in
+zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam en het
+naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede
+verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder af.
+
+Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt. 't Was
+duidelijk, dat Marius twijfel voedde nopens de herkomst dezer zesmaal
+honderdduizend francs; dat hij wellicht een onzuivere bron vreesde;
+dat hij misschien zelfs ontdekt had, dat dit geld van hem, Jean
+Valjean, afkomstig was, dat hij voor dien verdachten rijkdom aarzelde
+en geen lust had hem aan te nemen, dat hij liever met Cosette arm
+wilde blijven, dan rijk door een verdachten rijkdom.
+
+Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem
+allengs trachtte te verwijderen.
+
+Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde
+hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.
+
+"O!" riep Cosette binnentredend, "geen armstoelen! Waar zijn toch
+de stoelen?"
+
+"Zij zijn er niet meer," antwoordde Jean Valjean.
+
+"Dat is raar!"
+
+Jean Valjean stamelde:
+
+"Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen."
+
+"Waarom?"
+
+"Ik blijf heden maar een enkel oogenblik."
+
+"Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te staan."
+
+"Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig had."
+
+"Waarom?"
+
+"Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond."
+
+"Niemand."
+
+Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.
+
+Cosette haalde de schouders op.
+
+"De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur
+uitdooven. Ge zijt zonderling!"
+
+"Vaarwel," mompelde Jean Valjean.
+
+Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te
+zeggen: Vaarwel, mevrouw.
+
+Geheel terneergedrukt ging hij heen.
+
+Thans had hij de zaak begrepen.
+
+Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des
+avonds op.
+
+"Zie," zeide zij, "mijnheer Jean is er vandaag niet geweest."
+
+'t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij lette
+er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius van
+werd afgetrokken.
+
+Den volgenden dag kwam hij niet.
+
+Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door en sliep des
+nachts als gewoonlijk, en dacht er niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij
+was zoo gelukkig! Haastig zond zij Nicolette naar mijnheer Jean, om
+te vernemen of hij ziek was en waarom hij den vorigen dag niet was
+gekomen. Nicolette bracht het antwoord van mijnheer Jean. Hij was
+niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast komen. Zoo spoedig
+hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen. Mevrouw moest
+zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te gaan. Men
+behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen Nicolette
+bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden harer
+meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen "waarom
+mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen was."
+
+"Ik ben er in twee dagen niet geweest," zei Jean Valjean op zachten
+toon.
+
+Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet
+aan Cosette over.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+AANTREKKING EN UITDOOVING.
+
+
+Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste maanden van den
+zomer van 1833, merkten de weinig talrijke voorbijgangers van den
+Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun stoepen, een net in 't
+zwart gekleeden grijsaard op, die dagelijks op hetzelfde uur, tegen het
+vallen van den avond, de straat de l'Homme-Armé verliet, aan de zijde
+der straat Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij,
+de straat Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat
+gekomen links de straat Saint-Louis insloeg.
+
+Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende,
+niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een
+ster voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du
+Calvaire was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te
+helderder werd zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als
+een inwendige dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn
+lippen bewogen zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij
+glimlachte onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou
+gemeend hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het
+oogenblik vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen
+tusschen hem en deze straat waren, welke hem scheen aan te trekken,
+vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken
+was, alsof hij in 't geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn
+hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald
+denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn
+wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat
+des Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde,
+draaide zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den
+hoek van het laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen
+blik was iets, dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek
+en de lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan,
+die zich allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms
+tot aan zijn mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo
+bleef hij eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde
+hij langs denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij
+zich verwijderde werd zijn blik doffer.
+
+Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des Filles
+du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat Saint-Louis;
+nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij aan den hoek
+der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte naar de straat
+des Filles du Calvaire.
+
+Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets ontzegde,
+en keerde denzelfden weg terug.
+
+Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij
+kwam tot aan de straat Pavée, schudde het hoofd en keerde terug;
+vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons;
+toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger,
+welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel ophouden.
+
+Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde wandeling,
+maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er misschien zelf
+van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel gelaat drukte
+deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was thans dof,
+zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich niet
+meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het
+hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin;
+de plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer
+het slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij
+niet opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De
+kinderen liepen hem lachend na.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK IX.
+
+ZWAARSTE SCHADUW, HELDERST MORGENROOD.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+MEDELIJDEN MET DE ONGELUKKIGEN, MAAR TOEGEVENDHEID VOOR DE GELUKKIGEN.
+
+
+'t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich
+meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet
+men,--in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,--het
+eigenlijk geluk, het ware, den plicht.
+
+Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou
+beschuldigen.
+
+Marius,--wij hebben het gezegd--had vóór zijn huwelijk tot den heer
+Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean
+Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich
+had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij
+ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er
+zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen
+en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had
+zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst,
+verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem
+denken zou. 't Was meer dan uitwissching, 't was verduistering.
+
+Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij
+ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder
+zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent,
+en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces,
+dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen
+kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem
+ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter
+niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke
+hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te
+brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen:
+namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand,
+dien hij zoo behoedzaam mogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit
+geld aan te raken.
+
+Cosette was met geen dezer geheimen bekend; 't zou evenwel hard zijn
+ook haar te veroordeelen.
+
+Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar
+instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius
+wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van "mijnheer Jean", den wil
+van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets
+behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk
+zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar
+gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius
+vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij
+zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen,
+had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd,
+dat hetgeen Marius' geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.
+
+Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze
+vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer
+onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene,
+die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog
+meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt,
+zoodat die nu naar één zijde overhelde.
+
+Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich
+verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof
+ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?--'t Is waar,
+dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet
+zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de
+l'Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug
+was. Jean Valjean liet "neen" antwoorden.
+
+Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte
+had: Marius.
+
+Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren
+geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het
+graf van zijn vader had gevoerd.
+
+Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had
+zich laten leiden.
+
+'t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de
+ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke
+zaak, als men meent. 't Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur,
+wij hebben het elders gezegd, "ziet vooruit". De natuur verdeelt de
+levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw
+gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten
+opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig
+is. Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe,
+gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den
+stam los te maken, verwijderen er zich van. 't Is hun schuld niet. De
+jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar
+liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet
+uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen
+de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen
+wij die arme kinderen niet.
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+LAATSTE FLIKKERING DER LAMP ZONDER OLIE.
+
+
+Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op
+de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal,
+waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden;
+hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was
+de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet
+uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.
+
+Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige
+aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel
+en riep:
+
+"Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten."
+
+"Jawel," antwoordde Jean Valjean.
+
+"De schotel is nog vol."
+
+"Bezie deze waterkruik. Zij is ledig."
+
+"Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt."
+
+"Nu," hernam Jean Valjean, "zoo ik alleen maar honger naar water
+heb gehad?"
+
+"Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts."
+
+"Ik zal morgen eten."
+
+"Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen
+eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was
+zoo lekker."
+
+Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.
+
+"Ik beloof u het te eten," zeide hij met zijn goedmoedige stem.
+
+"Ik ben ontevreden op u," antwoordde de portierster.
+
+Jean Valjean zag nauwelijks een ander menschelijk wezen dan deze
+goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemand doorgaat, en huizen,
+waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.
+
+In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een
+koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover
+zijn bed aan een spijker had gehangen. 't Is altijd goed, zulk een
+teeken voor zijn oogen te hebben.
+
+Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer
+deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man:
+"De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal
+'t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan 't mij niet
+uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is."
+
+De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:
+
+"Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk,
+dan kan hij 't niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven."
+
+"En zoo hij er een neemt?"
+
+"Zal hij ook sterven," zei de portier.
+
+De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen
+"harer straat" te krabben, terwijl zij mompelde:
+
+"'t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen."
+
+Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt
+voorbijgaan. Zij nam 't op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke
+te zien.
+
+"'t Is op de tweede verdieping," zeide zij. "Ga maar binnen, want,
+wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel
+altijd in de deur."
+
+De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar
+beneden ging, vroeg de portierster hem:
+
+"Nu, dokter?"
+
+"Uw zieke is zeer ziek."
+
+"Wat deert hem?"
+
+"Alles en niets. 't Is iemand, die, zoo 't schijnt, een zeer geliefd
+persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven."
+
+"Wat heeft hij u gezegd?"
+
+"Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was."
+
+"Komt ge terug, dokter?"
+
+"Ja," antwoordde de geneesheer; "maar 't ware beter, zoo een ander
+dan ik terugkwam."
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN PEN IS ZWAAR VOOR DENGENE DIE DE KAR VAN FAUCHELEVENT OPLICHTTE.
+
+
+Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te
+richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling
+was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan
+hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige
+gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich
+overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij
+niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de
+voorkeur. Hij moest onder 't kleeden eenige keeren rusten: alleen door
+'t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op 't gezicht.
+
+Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst,
+om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.
+
+Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.
+
+Hij spreidde ze uit op zijn bed.
+
+De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den
+schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de
+kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel 't nog helderlichte dag in den
+zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers,
+waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere
+meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. 't
+Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te
+hernieuwen; 't was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen,
+'t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen,
+welke men niet weder kan beginnen.
+
+Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die
+zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin
+hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen
+had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen
+tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder
+dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat
+hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar
+het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van
+den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de
+kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken,
+als bij die maskers, welke de ouden op hun grafsteenen beitelden;
+met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor
+een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand
+te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der
+neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om
+zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.
+
+De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden
+armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt
+en papier.
+
+Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn
+herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog
+hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.
+
+Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon
+niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare
+voorwerpen.
+
+Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps
+doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde;
+hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop
+verlicht werd, en nam de pen.
+
+Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten
+der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om
+eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij
+twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht
+de pen 't achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde
+hij het zweet van zijn voorhoofd.
+
+Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:
+
+
+ "Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot
+ heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan;
+ hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij
+ heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds,
+ wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn
+ teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde
+ ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te
+ herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de
+ zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit
+ Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is
+ lichter, kostbaarder en duurder. Men kan 't in Frankrijk evengoed
+ als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee
+ vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk
+ te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars en lampezwart,
+ en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak
+ en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel
+ beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje,
+ dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas
+ moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën
+ zijn! Spanje koopt er veel. 't Is het land van git..."
+
+
+Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem
+overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner
+ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.
+
+"Ach!" riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort),
+"'t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. 't Is een glimlach, die
+over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder
+te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar
+kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! 't
+Is niets te sterven; maar 't is vreeselijk, te sterven zonder haar
+te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand
+leed doen? Neen, 't is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God,
+mijn God! ik zal haar niet wederzien."
+
+In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+ZWARTE INKT DIE WIT MAAKT.
+
+
+Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque
+aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn
+schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en
+gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.
+
+Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem
+in den tuin.
+
+Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van
+grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op
+het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot
+die soort.
+
+Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering
+dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift:
+"Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel." Na den
+tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen
+zeggen, dat de verbazing bliksems heeft. Marius werd als door een
+dier bliksems verlicht.
+
+De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld
+in hem herleven. 't Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van
+toevouwing, dezelfde bleeke inkt; 't was wel het bekende schrift,
+bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen
+voor hem.
+
+Alzoo--zonderlinge gril van het toeval--kwam zich vanzelf een der
+beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij
+onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd
+verloren te hebben.
+
+Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:
+
+
+ "Mijnheer de baron!
+
+
+ "Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou
+ ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut
+ (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag
+ slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze
+ herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad,
+ waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in
+ het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u
+ aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer
+ te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan
+ de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te
+ jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van
+ hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met
+ de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.
+
+ "Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.
+
+
+ "Met eerbied."
+
+
+De brief was onderteekend: "Thénard."
+
+Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.
+
+Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling
+allen twijfel.
+
+Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing,
+gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man,
+dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem
+niets meer te wenschen over.
+
+Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes
+uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque
+keek door de deur.
+
+"Laat den man binnenkomen," zei Marius.
+
+Basque diende aan:
+
+"Mijnheer Thénard."
+
+Een man trad binnen.
+
+Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem
+volkomen onbekend.
+
+Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das,
+een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat,
+sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen
+hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in 't
+zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met
+zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er
+een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij
+ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij
+het binnentreden nog dieper. 't Viel bij den eersten blik in 't oog,
+dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem
+veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel
+woord ter opheldering noodig.
+
+In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat
+Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep
+uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor
+langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De
+verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig
+sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de
+eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette
+"de Wisselaar"; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven
+en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken
+was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte,
+waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën;
+aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt,
+een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon,
+daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek
+de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den
+geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was
+de costumier van het groote drama, 't welk de schelmerij te Parijs
+speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de
+afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn,
+gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen,
+de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het
+voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw
+teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde,
+werd nooit bestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief,
+zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die
+ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd,
+en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of
+grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van
+den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun
+zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de
+maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te
+dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den
+wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten
+behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De
+kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart
+en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala
+zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs
+in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: "Een
+zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden
+vest, laarzen en linnengoed." Daarnaast stond: "oud ambassadeur," en
+eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: "In een afzonderlijke
+doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee
+kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld." Dit alles
+behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was
+om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was
+aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een
+knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een
+staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden,
+kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.
+
+Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van
+Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque
+binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig
+van den kapstok des wisselaars.
+
+De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij
+verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij
+beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich
+onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:
+
+"Wat wilt gij?"
+
+De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende
+glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:
+
+"'t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad
+hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien. Ik meen zeker
+hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en
+in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk,
+te hebben ontmoet."
+
+'t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te
+nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.
+
+Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde
+zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij
+sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem,
+welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.
+
+"Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray," zeide hij. "Ik
+heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander
+gezet."
+
+Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:
+
+"Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien
+heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij
+zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas
+wijn drinken!"
+
+Marius zag hoe langer hoe strenger.
+
+"Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg
+zonder omwegen wat uw begeerte is?"
+
+Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.
+
+"Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in
+een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp
+bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen
+hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant
+is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in,
+zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom
+'t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den
+voorraad en de ammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten,
+geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste
+terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het
+tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen,
+geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders;
+des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt
+donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te
+komen; 't is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd
+inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een
+gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat
+het een wonderbaar land is; men vindt er goud."
+
+"Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?" viel Marius hem in de rede,
+wiens teleurstelling tot ongeduld overging.
+
+"Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze
+betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste
+gebracht. Ik wil 't eens met de wilden beproeven."
+
+"Verder?"
+
+"Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin,
+die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt;
+de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De
+hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft
+tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is 's menschen doel. Goud
+is de magneet!"
+
+"Verder? maak een einde."
+
+"Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik
+heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis
+is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig."
+
+"Wat gaat mij dit aan?" zei Marius.
+
+De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van
+den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:
+
+"Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?"
+
+Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius
+afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief
+gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een
+oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had
+deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een
+vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet
+scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:
+
+"Spreek duidelijk."
+
+De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het
+hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt
+Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.
+
+"Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een
+geheim verkoopen."
+
+"Een geheim?"
+
+"Een geheim."
+
+"Dat mij betreft?"
+
+"Eenigszins."
+
+"Welk geheim?"
+
+Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.
+
+"Ik begin voor niets," zei de onbekende. "Gij zult zien, dat ik
+belangrijk word."
+
+"Spreek."
+
+"Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar."
+
+Marius ontroerde.
+
+"In mijn huis, neen," zeide hij.
+
+De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:
+
+"Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron,
+dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door
+verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen
+zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van
+zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga
+verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie
+gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik
+zal hem u voor niets zeggen."
+
+"Ik luister."
+
+"Hij heet Jean Valjean."
+
+"Ik weet het."
+
+"Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is."
+
+"Spreek."
+
+"Een voormalig galeiboef."
+
+"Ik weet het."
+
+"Gij weet het sedert ik de eer heb gehad 't u te zeggen."
+
+"Neen, ik wist het vroeger."
+
+De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, "ik weet het", zijn
+kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een
+verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden
+blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was,
+ontsnapte hij aan Marius niet. 't Was een derzulke, die men herkent
+wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in
+zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door;
+een bril verbergt niets;--zet eens een glasruit voor de hel!
+
+De onbekende hernam glimlachend:
+
+"Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In
+allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb
+mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van
+mevrouw de barones. 't Is een buitengewoon geheim. 't Is te koop. Ik
+bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs."
+
+"Ik ken dat geheim evenals de andere," zei Marius.
+
+Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig
+af te slaan.
+
+"Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek."
+
+"Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij
+zeggen wilt."
+
+In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:
+
+"Ik moet vandaag toch eten. 't Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik
+zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs."
+
+Marius zag hem strak in het gezicht:
+
+"Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean
+Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken."
+
+"Mijn naam?"
+
+"Ja."
+
+"'t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u
+te schrijven en te zeggen. Thénard."
+
+"Dier."
+
+"Wat?"
+
+"Thénardier."
+
+"Wie? Hoe?"
+
+In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt
+zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.
+
+Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.
+
+Marius hernam:
+
+"Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter
+Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard."
+
+"Vrouw? welke?"
+
+"En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden."
+
+"Een kroeg! Nooit!"
+
+"En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt."
+
+"Ik loochen het."
+
+"En dat ge een schoft zijt. Ziedaar."
+
+En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp 't hem in
+'t gezicht.
+
+"'k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!"
+
+En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.
+
+"Vijfhonderd francs!" hernam hij verstomd. En halfluid stamelde hij:
+"Een echt bankje!"
+
+Toen riep hij plotseling:
+
+"Nu, het zij zoo. Laten we 't ons gemakkelijk maken."
+
+En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril
+afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke
+we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend,
+nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt.
+
+Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek
+zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en
+sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.
+
+"Mijnheer de baron is onfeilbaar," zeide hij, met een duidelijke stem,
+waaruit alle neusklank was verdwenen, "ik ben Thénardier."
+
+En hij richtte zijn gebogen rug op.
+
+Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast;
+hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij
+had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze
+deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel
+beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.
+
+Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van
+zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet
+alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles
+van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man,
+die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun
+namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een
+rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?
+
+Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond
+hebbende, dezen nooit gezien had, 't geen te Parijs niets zeldzaams is;
+vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm
+jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem
+te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte
+was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den
+baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma,
+welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had
+uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te
+vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer
+dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken,
+of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man
+was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den
+man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw
+de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij
+geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij
+vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was
+hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te
+spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of
+meende iets beter te hebben om te verkoopen. En waarschijnlijk zou
+deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan:
+"Uw vrouw is een onecht kind", geen andere uitkomst hebben gehad,
+dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.
+
+Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog
+niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling
+verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in
+gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij
+iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy,
+die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich
+sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe
+was zijn toestand in dat, 't welk gevoerd zou worden? Hij wist
+niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam
+hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben:
+"Ik ben Thénardier", wachtte hij.
+
+Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor
+zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was
+er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg
+geven. 't Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan
+dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader
+uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd
+was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest
+zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest
+worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe
+het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den
+kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en 't was hem
+alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.
+
+Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk,
+de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich
+de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. 't Kon
+nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.
+
+Thénardier had het "echte bankbriefje" in zijn zak doen verdwijnen
+en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.
+
+Marius verbrak de stilte.
+
+"Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het
+geheim zegge, 't welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn
+inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean
+is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij
+een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt,
+den heer Madeleine. Een moordenaar, wijl hij den politieagent Javert
+heeft vermoord."
+
+"Ik begrijp u niet, mijnheer de baron," zei Thénardier.
+
+"Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van
+Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger
+in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van
+Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was
+in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met
+een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een
+geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin
+gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij
+was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen,
+bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde
+de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij
+had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een
+in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien
+man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen
+nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te
+gaan en zich door den bankier Laffitte--ik heb dit van den kassier
+zelven vernomen--door middel van een valsche handteekening, een som
+van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde,
+te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft
+bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin
+iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood;
+hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig."
+
+Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen
+man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het
+terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk
+terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren,
+en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:
+
+"Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg."
+
+En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting
+veelbeteekenend te rammelen.
+
+"Wat!" hernam Marius, "spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten."
+
+"'t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij
+vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid
+en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig
+beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer
+Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood."
+
+"Dat is sterk! Hoe weet ge dit?"
+
+"Om twee redenen."
+
+"Welke? Spreek."
+
+"De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien
+hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is."
+
+"Wat vertelt ge mij toch?"
+
+"De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die
+Javert heeft gedood, Javert zelf is."
+
+"Wat bedoelt ge?"
+
+"Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd."
+
+"Bewijs! bewijs!" riep Marius buiten zich zelven.
+
+Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud
+Alexandrijnsch vers opzeide:
+
+"De
+politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden."
+
+"Maar bewijs dit!"
+
+Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren
+van verschillende grootte schenen bewaard te worden.
+
+"Ik heb mijn aktestukken," zeide hij bedaard.
+
+En hij voegde er bij:
+
+"In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen
+kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon
+zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad
+dan Javert, en 't geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke
+bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar
+gedrukte bewijzen."
+
+Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel
+geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene
+dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende,
+scheen veel ouder dan het andere.
+
+"Twee feiten, twee bewijzen," zei Thénardier en reikte Marius de twee
+opengeslagen bladen.
+
+De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer
+van le Drapeau blanc van 25 Juli 1823, van 't welk men in het derde
+deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit
+van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, een Moniteur van
+15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat
+het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie
+bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen
+was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven
+te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had,
+het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd
+te schieten.
+
+Marius las. 't Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar
+bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers
+gezegde te bevestigen: het in den Moniteur geplaatste bericht was
+door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet
+twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en
+deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden,
+scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet
+bedwingen:
+
+"Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat
+geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de
+voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder
+van Javert! hij is een held, een heilige!"
+
+"Hij is noch een heilige noch een held," zei Thénardier. "Hij is een
+moordenaar en dief."
+
+En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij
+gezag begon te verkrijgen: "Laat ons bedaard zijn!"
+
+Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen
+waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.
+
+"Nog?" zeide hij.
+
+"Altijd," hernam Thénardier. "Jean Valjean heeft Madeleine niet
+bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar
+is toch een moordenaar."
+
+"Wilt ge," hernam Marius, "van dien ellendigen diefstal, van voor
+veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door
+een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?"
+
+"Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik
+van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en
+al onbekend. 't Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in
+vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de
+barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke
+gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal
+deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van
+zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept,
+dit is inderdaad niet dom."
+
+"Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden," merkte Marius aan, "maar
+ga voort."
+
+"Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw
+edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij
+zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer
+eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te
+uwen gunste; de berekening is zeer schrander; maar hij bezit nu geen
+centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig
+geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit,
+de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid,
+veroorloof mij een stoel te nemen."
+
+Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.
+
+Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen,
+stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de
+nagels op de Drapeau blanc sloeg: "'t heeft mij moeite gekost dit te
+krijgen." Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug
+in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van
+'t geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en
+op zijn woorden drukkende:
+
+"Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op
+den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs,
+ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug
+der Invaliden en de brug van Jena."
+
+Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van
+Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met
+de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de
+hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:
+
+"Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die
+overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf
+gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni
+was; 't kon acht uren 's avonds zijn. De man hoorde gerucht in het
+riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. 't Was
+'t gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam
+naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een
+ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een
+weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene
+te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging
+gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij
+op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van
+moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf,
+men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in
+de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij
+aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan,
+en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij
+het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers
+bij 't schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man
+hebben gevonden, 't geen de moordenaar niet wilde. Hij torste zijn
+last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke
+inspanning gekost hebben, want 't is onmogelijk grooter levensgevaar
+te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij 't er levend heeft afgebracht."
+
+Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik
+van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:
+
+"Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles
+ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn,
+moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de
+doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot
+leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei
+tot den verblijfhouder: "Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet
+hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij." Deze galeiboef
+was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel
+onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd
+te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan
+dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had
+en geheel door bloed misvormd was. Onder 't gesprek vond hij middel
+om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat
+de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, 't was een bewijsstuk;
+een middel om weder op 't spoor der zaak te komen en den schuldige
+van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak,
+waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet
+uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij
+volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden,
+en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar
+den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu,
+die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had,
+spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok..."
+
+Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken
+te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield
+het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.
+
+Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart
+laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder
+zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur,
+en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar
+den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen
+stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien,
+zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier
+hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast.
+
+Ondertusschen voer Thénardier voort:
+
+"Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de
+vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in
+een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had."
+
+"Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!" riep Marius, terwijl
+hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.
+
+Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok,
+en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het
+ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.
+
+Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.
+
+Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich
+op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte
+hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs
+gevulde vuist op 't gezicht.
+
+"Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een
+schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd;
+ge wildet hem in 't verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar
+gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier
+Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l'Hopital. Ik
+weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, en zelfs verder,
+zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt."
+
+En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.
+
+"Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke,
+verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling,
+die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer
+u weg! Waterloo beschermt u."
+
+"Waterloo!" mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs
+met de duizend in zijn zak stak.
+
+"Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered...."
+
+"Van een generaal," zei Thénardier het hoofd opheffend.
+
+"Van een kolonel!" hernam Marius driftig. "Ik zou geen cent voor een
+generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg
+u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! 't Ga u
+wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend
+francs. Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want
+uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal 't oog houden over
+uw vertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs
+geven. Laat u elders hangen!"
+
+"Mijnheer de baron," antwoordde Thénardier tot den grond buigend,
+"eeuwige dankbaarheid."
+
+Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte
+verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem
+van bankbiljetten boven zijn hoofd.
+
+Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en 't zou hem zeer gespeten
+hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.
+
+Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de
+gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door
+Marius' bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien
+van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter
+Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger,
+was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De
+aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad
+te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld
+van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.
+
+Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar
+Cosette nog wandelde:
+
+"Cosette! Cosette!" riep hij "kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque,
+een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven
+gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!"
+
+Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.
+
+Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping
+ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij
+omhelsde Cosette, zeggende: "Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!"
+
+Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon
+hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote,
+stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor
+hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als
+verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar
+'t was iets grootsch.
+
+In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.
+
+Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.
+
+"Koetsier," zeide hij, "naar de straat de l'Homme-Armé No. 7."
+
+Het rijtuig vertrok.
+
+"Ha! welk een geluk!" riep Cosette, "naar de straat de l'Homme-Armé. Ik
+durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken."
+
+"Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het
+thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen,
+dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen
+zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te
+redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft
+hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij
+heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat
+schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben
+een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn
+geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken
+modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk
+verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten
+kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot
+bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of
+niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij
+hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar
+zijn. Ja, zoo zal 't geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief
+hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt 't nu."
+
+Cosette begreep niets.
+
+"Gij hebt gelijk," zeide zij.
+
+Ondertusschen reed het rijtuig voort.
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+NACHT, WAARACHTER DE DAG IS.
+
+
+Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.
+
+"Binnen," riep hij zwak.
+
+De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.
+
+Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den
+deurpost staan.
+
+"Cosette!" zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met
+open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige
+blijdschap in de oogen.
+
+Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.
+
+"Vader!" zeide zij.
+
+Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean:
+
+"Cosette! Zijt gij 't, mevrouw! Zijt gij 't. O, mijn God!"
+
+En in Cosettes armen geklemd, riep hij:
+
+"Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!"
+
+Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede
+en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn
+gesnik te bedekken:
+
+"Mijn vader!"
+
+"En ook gij vergeeft mij!" zei Jean Valjean.
+
+Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij:
+"Heb dank."
+
+Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.
+
+"Dit hindert mij," zeide zij.
+
+Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een
+bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.
+
+Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.
+
+Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen,
+alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.
+
+Jean Valjean mompelde:
+
+"Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld
+u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij
+zelven zeide: 't Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig
+mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik,
+dat gij de trap opgingt.
+
+Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op
+den goeden God. De goede God zegt: "Gij verbeeldt u, dat men u zal
+verlaten! Neen. Neen, zoo zal 't niet gebeuren. Kom, er is daar een arm
+oud man, die een engel noodig heeft." En de engel komt; en men ziet
+zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik
+was zeer ongelukkig."
+
+Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:
+
+"Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een
+hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik
+er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig,
+blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha,
+Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon
+is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van
+dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog
+shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar
+spreken. 't Zal niet lang meer duren."
+
+En Cosette zeide, hem berispend:
+
+"Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn. Waar zijt ge
+toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger
+niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men
+antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom
+hebt ge 't ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd
+zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er
+niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!"
+
+"Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft
+mij!" herhaalde Jean Valjean.
+
+Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn
+gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende,
+barstte hij uit:
+
+"Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet
+gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven
+gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij
+gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor
+zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En
+mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette,
+mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te
+weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien
+modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij
+heeft mij door allerlei doodsgevaren heen gedragen, welke hij van
+mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden,
+allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!"
+
+"Stil, stil!" zei Jean Valjean zacht. "Waarom van dat alles te
+spreken?"
+
+"Maar gij!" riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag,
+"waarom hebt gij het niet gezegd? 't Is ook uw schuld. Gij redt
+den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder
+voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. 't Is ongehoord!"
+
+"Ik heb de waarheid gezegd," antwoordde Jean Valjean.
+
+"Neen," hernam Marius, "waarheid is de geheele waarheid, en die
+hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet
+gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het
+leven te danken, waarom het niet gezegd?"
+
+"Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest
+heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij
+bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken
+had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest."
+
+"Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!" hernam Marius. "Denkt ge dan, dat
+ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk,
+dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt
+een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag
+langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge
+morgen nog hier zijt."
+
+"Morgen," zei Jean Valjean, "zal ik niet hier zijn, maar ook niet
+bij u."
+
+"Wat bedoelt ge?" vroeg Marius. "O, wij geven u geen verlof tot
+reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten
+u niet los."
+
+"Ditmaal is het ernst," voegde Cosette er bij. "We hebben beneden
+een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken."
+
+En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard
+in haar armen optillen.
+
+"In ons huis is nog altijd uw kamer," vervolgde zij. "Ge moest eens
+weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen
+goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes
+vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen
+mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet
+waar, Marius? Het programma is veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een
+verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur
+zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn
+arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak
+en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen
+vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn
+gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge
+zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij
+zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens
+zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen."
+
+Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de
+muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen,
+welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog
+op. Hij prevelde:
+
+"Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is."
+
+"Mijn vader," zei Cosette.
+
+Jean Valjean hernam:
+
+"'t Is waar, 't zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen
+vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. 't Is zoet tot levende wezens
+te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den
+tuin roepen. Men ziet elkander van 's morgens af. Wij zouden ieder
+een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten,
+ik zou haar mijn rozen doen plukken. 't Zou bekoorlijk zijn. Maar..."
+
+Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:
+
+"'t Is jammer."
+
+De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem
+door een glimlach.
+
+Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.
+
+"Mijn God," zeide zij, "uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert
+u iets?"
+
+"Ik? neen," antwoordde Jean Valjean, "ik ben zeer wèl, maar..."
+
+Hij zweeg.
+
+"Maar, wat?"
+
+"Ik zal spoedig sterven."
+
+Cosette en Marius huiverden.
+
+"Sterven!" riep Marius.
+
+"Ja, maar dat is niets," zei Jean Valjean.
+
+Hij haalde adem, glimlachte en hernam:
+
+"Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje
+is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren."
+
+Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een
+hartverscheurenden kreet.
+
+"Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge
+leeft, hoort ge!"
+
+Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:
+
+"O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien
+gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij
+belet. 't Kwam mij voor, dat ik herleefde."
+
+"Ge zijt vol kracht en leven," riep Marius. "Verbeeldt ge u, dat men
+zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik
+vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons
+leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik,
+zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!"
+
+"Ge hoort immers," hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, "dat Marius
+zegt, dat ge niet zult sterven."
+
+"Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn
+dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert
+niet van meening; 't is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een
+goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij
+gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den
+ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven,
+dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alle
+verrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die
+tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat
+ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen,
+dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En
+dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is
+uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij."
+
+De deur kraakte. 't Was de dokter, die binnentrad.
+
+"Goedendag en vaarwel, dokter," zei Jean Valjean. "Ziehier mijn
+arme kinderen."
+
+Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord:
+mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een
+volledige vraag.
+
+De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.
+
+"Omdat de dingen ons onaangenaam zijn," zei Jean Valjean, "is dit
+geen reden om onbillijk jegens God te wezen."
+
+Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde
+zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld
+in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds
+verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog
+verrukking mogelijk.
+
+De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het
+graf kan ook zijn flikkering hebben.
+
+De dokter voelde hem den pols.
+
+"Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!" mompelde hij, Cosette en
+Marius aanziende.
+
+En zich tot Marius' oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:
+
+"Te laat."
+
+Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen
+blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit
+zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:
+
+"'t Is niets te sterven, maar 't is vreeselijk, niet te leven."
+
+Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is
+dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij
+den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen,
+nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de
+gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem,
+het kruisbeeld op de tafel zettende:
+
+"Ziedaar den grooten lijder!"
+
+Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door
+de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen, op zijn knieën
+rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.
+
+Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde
+tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde,
+temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden:
+"Vader! verlaat ons niet. Is 't mogelijk, dat wij u slechts wedervinden
+om u te verliezen?"
+
+Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en
+gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven
+ligt een zekere rondtasting.
+
+Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde
+zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel
+bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.
+
+"Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!" riep Marius.
+
+"Ge zijt beiden goed," zei Jean Valjean. "Ik zal u zeggen, wat mij
+smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy,
+dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel
+deugdelijk uw vrouw. Ik zal 't u verklaren, mijn kinderen, en juist
+daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit
+Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op
+dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der
+blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. 't
+Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men
+daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel
+u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij."
+
+De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande
+deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede
+vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:
+
+"Wilt ge een priester?"
+
+"Ik heb er een," antwoordde Jean Valjean.
+
+En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen,
+waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.
+
+'t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven
+tegenwoordig was.
+
+Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.
+
+Jean Valjean hernam:
+
+"Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal
+honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou
+verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat
+glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de
+zoogenaamde Berlijnsche juweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld,
+het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd
+zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs."
+
+Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met
+een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.
+
+Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te
+zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem,
+elkander de hand gevende.
+
+Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren
+horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel
+afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen
+waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam,
+vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der
+ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.
+
+Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet
+meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd
+grooter. 't Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.
+
+Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. 't Was blijkbaar
+de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk
+een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men
+zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.
+
+"Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, 't is zoet zóó te
+sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds
+vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij,
+mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij
+een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge
+werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik
+heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer
+verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op
+tien francs en werd voor zestig verkocht. 't Was voorwaar een goede
+handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet
+verwonderen, mijnheer de Pontmercy. 't Is eerlijk gewonnen geld. Ge
+moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge
+in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw
+vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef
+ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de
+twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver;
+maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de
+waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of
+hij, die ze mij gegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik
+heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm
+mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een
+steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den
+steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal 't mij genoegen
+doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u
+niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt
+gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel
+dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy,
+hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek
+zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd
+francs. Ik heb er niet aangeraakt. 't Is voor de armen. Cosette, ziet
+ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? 't Is echter niet
+langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn
+zeer gelukkig geweest. 't Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen,
+ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts
+op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u
+Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u,
+dat ik het hengsel van den emmer nam? 't Was de eerste keer, dat ik uw
+arm klein handje raakte. 't Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes
+zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge
+u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster
+te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn
+lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen
+drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal
+met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij
+waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge
+deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De
+bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder
+men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de
+spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij
+verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers
+waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is 't
+oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette
+Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem
+uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij
+heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de
+beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet
+wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen,
+mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van
+meer belang dan dit: elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan
+den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette,
+'t is mijn schuld niet, ik verzeker 't u, dat ik u in al deze dagen
+niet gezien heb; 't verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek
+der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen,
+die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik
+zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had
+u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan
+mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie
+licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde
+hoofden, dat ik er mijn handen oplegge."
+
+Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend,
+en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen
+zich niet meer.
+
+Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen;
+zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius
+zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.
+
+De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in
+de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel
+wachtte.
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HET GRAS VERBERGT EN DE REGEN WISCHT UIT.
+
+
+Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats,
+ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche
+grafgestichten, welke in 't gezicht der eeuwigheid de stuitende modes
+van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een
+ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop
+slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin
+als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek
+beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in
+de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting,
+wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer
+de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving
+heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de
+vogels er in de boomen.
+
+De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan
+de volstrekte behoefte van het graf gedacht, en voor niets anders
+gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk
+te dekken.
+
+Men leest er geen naam op.
+
+Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze
+vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar
+zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.
+
+
+ Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,
+ Il vivait. Il mourut quand il n'eut plus son ange,
+ La chose simplement d'elle-même arriva,
+ Comme la nuit se fait lorsque le jour s'en va. [12]
+
+
+
+ EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Boek I.
+
+De oorlog tusschen vier muren.
+
+ Bladz.
+
+ I. De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla
+ der voorstad van den Tempel 7
+ II. Wat kan men anders in den afgrond doen dan praten 14
+ III. Verlichting en verduistering 17
+ IV. Vijf minder, een meer 19
+ V. Welken horizont men van de kruin der barricade ziet 25
+ VI. Marius verwilderd, Javert laconisch 29
+ VII. De toestand wordt erger 30
+ VIII. De artilleristen nemen het ernstig op 34
+ IX. Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het
+ onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van
+ invloed is geweest 37
+ X. De dageraad 38
+ XI. Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt 41
+ XII. De wanorde als handlanger der orde 43
+ XIII. Voorbijgaande flikkeringen 46
+ XIV. Waarin men den naam van Enjolras' geliefde lezen zal 47
+ XV. Gavroche buiten 49
+ XVI. Hoe men van broeder vader wordt 53
+ XVII. De doode vader wacht den stervenden zoon 60
+ XVIII. De gier prooi geworden 62
+ XIX. Jean Valjean wreekt zich 66
+ XX. De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk 68
+ XXI. De helden 77
+ XXII. Voet voor voet 80
+ XXIII. Orestes nuchter en Pylades dronken 83
+ XXIV. Gevangene 86
+
+
+Boek II.
+
+De ingewanden van den Leviathan.
+
+ I. De aarde door de zee verarmd 91
+ II. De oude geschiedenis der riolen 94
+ III. Bruneseau 97
+ IV. Onbekende bijzonderheden 99
+ V. Tegenwoordige vooruitgang 102
+ VI. Toekomstige vooruitgang 103
+
+
+Boek III.
+
+Slijk, echter ziel.
+
+ I. Het riool en zijn verrassingen 109
+ II. Verklaring 114
+ III. De vervolgde man 116
+ IV. Ook hij draagt zijn kruis 120
+ V. Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een
+ verraderlijke fijnheid 123
+ VI. De modderwel 126
+ VII. De uiterste nood 128
+ VIII. Het afgescheurde rokspand 130
+ IX. Marius schijnt dood voor iemand die er verstand van
+ heeft 135
+ X. Terugkeer van den verloren zoon tot het leven 139
+ XI. Verbazing 140
+ XII. De grootvader 142
+
+
+Boek IV.
+
+Javert uit het spoor.
+
+ Javert uit het spoor 151
+
+
+Boek V.
+
+De kleinzoon en de grootvader.
+
+ I. Men ziet den boom weder met den zinkpleister 165
+ II. Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot
+ den huiselijken oorlog 168
+ III. Marius' aanval 173
+ IV. Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad
+ meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm
+ medebracht 175
+ V. Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een
+ notaris 180
+ VI. De beide oude lieden doen, ieder op zijn wijze, alles
+ om Cosette gelukkig te maken 181
+ VII. De uitwerksels van den droom op het geluk 189
+ VIII. Twee onmogelijk weder te vinden mannen 191
+
+
+Boek VI.
+
+De slapelooze nacht.
+
+ I. De 16 Februari 1833 197
+ II. Jean Valjean draagt steeds den arm in een lichter 205
+ III. De onafscheidbare 213
+ IV. Immortale jecur 215
+
+
+Boek VII.
+
+De laatste teug uit den beker.
+
+ I. De zevende cirkel en de achtste hemel 223
+ II. De duisterheden, welke een openbaring kan bevatten 238
+
+
+Boek VIII.
+
+De afneming der duisternis.
+
+ I. De benedenkamer 249
+ II. Andere schreden achterwaarts 253
+ III. Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet 256
+ IV. Aantrekking en uitdooving 260
+
+
+Boek IX.
+
+Zwaarste schaduw, helderst morgenrood.
+
+ I. Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor
+ de gelukkigen 265
+ II. Laatste flikkeringen der lamp zonder olie 267
+ III. Een pen is zwaar voor dengene, die de kar van
+ Fauchelevent oplichtte 269
+ IV. Zwarte inkt die wit maakt 271
+ V. Nacht, waarachter de dag is 288
+ VI. Het gras verbergt en de regen wischt uit 297
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld van Voltaire, te
+Palaiseau is men dom, dat is de schuld van Rousseau.
+
+[2] Ik ben geen notaris, dat is de schuld van Voltaire, ik ben een
+klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.
+
+[3] Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van Voltaire, armoede
+is mijn geboortegift, dat is de schuld van Rousseau.
+
+[4] Ik viel ter aarde, dat is de schuld van Voltaire; met den neus
+in de goot, dit is de schuld van....
+
+[5] Zij vonden het kind in doeken gewikkeld.
+
+[6] Wie zou de zon verkeerd durven noemen?
+
+[7] Mortuus pater filium moriturum expectat.
+
+[8] Jeannette is geboren te Fougère, 't geen een echt herderinnennest
+is; ik aanbid haar schalksch rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want
+in haar oogen ligt uw pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin
+meer dan Diana zelve, Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.
+
+[9] 't Is dus waar, Alcippus, dat gij een einde aan uw droomerijen
+wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.
+
+[10] In 't Fransch: "mémoire antique."
+
+[11] Triton reed vooraan en lokte uit zijn zeeschulp zulke bekoorlijke
+klanken, dat hij iedereen verrukte!
+
+[12] Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.
+ Deez' steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,
+ Toen hij zijn Engel niet meer zag.
+ De dood kwam zachtkens hem bevrijden,
+ En volgde op zijn maatloos lijden,
+ Zooals de nacht wijkt voor den dag.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 5 van 5), by Victor Hugo
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 5 VAN 5) ***
+
+***** This file should be named 38163-8.txt or 38163-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/8/1/6/38163/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/38163-8.zip b/38163-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..a47364f
--- /dev/null
+++ b/38163-8.zip
Binary files differ
diff --git a/38163-h.zip b/38163-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..c7149a3
--- /dev/null
+++ b/38163-h.zip
Binary files differ
diff --git a/38163-h/38163-h.htm b/38163-h/38163-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..4686ee1
--- /dev/null
+++ b/38163-h/38163-h.htm
@@ -0,0 +1,13832 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2011-11-27T21:45:49.096+01:00. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content=
+"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
+<title>De Ellendigen: Vijfde deel</title>
+<meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=us-ascii">
+<meta name="generator" content=
+"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/">
+<meta name="author" content="Victor Hugo (1802&ndash;1885)">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="Victor Hugo (1802&ndash;1885)">
+<meta name="DC.Title" content="De Ellendigen: Vijfde deel">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="Historical fiction">
+<meta name="DC:Subject" content="Orphans -- Fiction">
+<meta name="DC:Subject" content="Paris (France) -- Fiction">
+<meta name="DC:Subject" content="Ex-convicts -- Fiction">
+<style type="text/css">
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+/* Titlepage */
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle
+{
+line-height: 3.5em;
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle
+{
+font-size: 1.8em;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle
+{
+font-size: 1.44em;
+}
+.titlePage .byline
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-size:1.2em;
+line-height:1.72em;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.titlePage .docImprint
+{
+margin: 4em 0% 0em 0%;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.72em;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+/* End Titlepage */
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+background-color:#FFFEE0;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.correctiontable
+{
+width: 75%;
+}
+.width20
+{
+width: 20%;
+}
+.width40
+{
+width: 40%;
+}
+.indextoc
+{
+text-align: center;
+}
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+.apparatusnote
+{
+text-decoration: none;
+}
+table.alignedtext
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.alignedtext td
+{
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedtext td.first
+{
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedtext td.second
+{
+padding-left: 10px;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h4, .h4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocPart
+{
+margin:1.58em 0%;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+.opener, .address
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline
+{
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+.figure
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+font-size:80%;
+position:relative;
+margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+float: right;
+}
+.hangq
+{
+text-indent: -0.35em;
+}
+.hangqq
+{
+text-indent: -0.44em;
+}
+.hangqqq
+{
+text-indent: -0.78em;
+}
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+img
+{
+border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+.marginnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+float:left;
+width:2em;
+height:12pt;
+display:block;
+}
+/* Tables */
+tr, td, th
+{
+vertical-align: top;
+}
+td.bottom
+{
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td
+{
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td
+{
+font-style: italic;
+}
+td.sum
+{
+padding-top: 2px; border-top: solid black 1px;
+}
+/* Poetry */
+.lgouter
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left: 16%;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+color: white;
+}
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+/* Drama */
+.speaker
+{
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+/* End Drama */
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+table.tocList
+{
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum
+{
+text-align: right;
+width: 10%;
+border-width: 0;
+}
+td.tocDivNum
+{
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+}
+td.tocPageNum
+{
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+}
+td.tocDivTitle
+{
+width: auto;
+}
+span.corr, span.gap
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+/* Font Styles and Colors */
+.ex
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+.uc
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */
+.overline, .overtilde
+{
+text-decoration: overline;
+}
+.rm
+{
+font-style: normal;
+}
+.red
+{
+color: red;
+}
+/* End Font Styles and Colors */
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+.aligncenter, div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+h1, h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+h1.label, h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h5, h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+p
+{
+text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote, div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/* External Links */
+.pglink, .catlink, .exlink
+{
+background-repeat: no-repeat;
+background-position: right center;
+}
+.pglink
+{
+background-image: url(images/book.png);
+padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+background-image: url(images/card.png);
+padding-right: 17px;
+}
+.exlink
+{
+background-image: url(images/external.png);
+padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover
+{
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+.titlePage
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+color: #001FA4;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+color: #001FA4;
+font-weight: bold;
+}
+sub, sup
+{
+line-height: 0;
+}
+.pagenum, .linenum
+{
+speak: none;
+}
+</style>
+
+<style type="text/css">
+.xd20e134width
+{
+width:451px;
+}
+.xd20e140
+{
+text-align:center;
+}
+.xd20e3613
+{
+text-indent:4em;
+}
+.xd20e6588
+{
+text-indent:2em;
+}
+.xd20e6596
+{
+text-align:center;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 5 van 5), by Victor Hugo
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Ellendigen (Deel 5 van 5)
+
+Author: Victor Hugo
+
+Release Date: November 28, 2011 [EBook #38163]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 5 VAN 5) ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd20e134width"><img src="images/cover.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke voorkant." width="451" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 frenchtitle"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd20e140">De Ellendigen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="mainTitle">De Ellendigen</div>
+</div>
+<div class="byline">Naar het Fransch<br>
+Van<br>
+<span class="docAuthor">Victor Hugo.</span><br>
+Opnieuw bewerkt.</div>
+<div class="docTitle">
+<div class="subTitle">Vijfde deel.</div>
+</div>
+<div class="docImprint">Arnhem en Nijmegen,<br>
+Gebrs. E. &amp; M. Cohen.</div>
+</div>
+<div class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd20e140">Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name=
+"pb5">5</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek I.</h2>
+<h2 class="main">De oorlog tusschen vier muren.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span>
+<div id="ch1.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De Charybdis der voorstad St. Antoine en de Scylla der
+voorstad van den Tempel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De beide merkwaardigste barricaden, waarvan de
+opmerker der maatschappelijke ziekten weet, behooren niet tot het
+tijdvak waarin de behandeling van dit boek valt. Deze barricaden,
+beide, onder verschillende gezichtspunten, de zinnebeelden van een
+vreeselijken toestand, verrezen uit de aarde tijdens den noodlottigen
+opstand van Juni 1848, den grootsten straatoorlog, dien de geschiedenis
+gezien heeft.</p>
+<p>Soms gebeurt het, dat de groote wanhopige, het kanalje, uit de
+diepte van zijn angsten, zijn moedeloosheid, zijn nood, zijn
+koortsigheid, zijn rampspoeden, zijn peststof, zijn onwetendheid, zijn
+duisternis, zelfs tegen de beginselen, de vrijheid, gelijkheid en
+broederschap, het algemeene stemrecht, de regeering van allen door
+allen, protesteert, en dat het gepeupel tegen het volk slag levert.</p>
+<p>Het janhagel valt het algemeen recht aan; de <i>ochlocratie</i>
+staat op tegen den <i>demos</i>.</p>
+<p>Dit zijn treurige dagen, want zelfs in dezen waanzin is immer een
+zekere hoeveelheid recht; er ligt zelfmoord in dit tweegevecht, en deze
+woorden, janhagel, kanalje, ochlocratie, gepeupel, die beleedigingen
+willen zijn, bewijzen, helaas! veeleer de schuld van hen die regeeren,
+dan de schuld van hen die lijden; veeleer de schuld der bevoorrechten,
+dan die der <span class="corr" id="xd20e196" title=
+"Bron: ont&euml;rfden">onterfden</span>.</p>
+<p>Wij voor ons spreken deze woorden nooit uit, zonder droefheid en
+eerbied; want wanneer de wijsbegeerte de zaken onderzoekt, welke deze
+woorden aanduiden, vindt zij er vaak veel grootheid naast de ellende.
+Athene was een ochlocratie; de geuzen hebben Holland geschapen; het
+gepeupel heeft meer dan eens Rome gered; en het kanalje volgde Jezus
+Christus. <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name=
+"pb8">8</a>]</span></p>
+<p>Geen denker, die niet soms de schitterende deugden der lagere
+klassen <span class="corr" id="xd20e204" title=
+"Bron: bewouderd">bewonderd</span> heeft.</p>
+<p>Ongetwijfeld dacht de H. Jeronimus aan dit kanalje, aan al deze arme
+lieden, aan al deze schooiers, aan al deze ellendigen, waaruit de
+apostelen en martelaars zijn ontstaan, toen hij deze geheimzinnige
+woorden sprak: <i lang="la">Fex urbis, lex orbis</i>.</p>
+<p>De verbittering dezer menigte, die lijdt en bloedt, haar onzinnige
+gewelddadigheden tegen de beginselen, die haar leven zijn, haar
+feitelijkheden tegen het recht, dit alles zijn volksstaatsgrepen en
+moeten onderdrukt worden. De eerlijke man offert er zich voor op en,
+zelfs uit liefde voor die menigte, bestrijdt hij haar. Maar, hoewel hij
+haar het hoofd biedt, verschoont hij haar. Hoewel hij zich tegen haar
+verzet, vereert hij haar. &rsquo;t Is een dier zeldzame oogenblikken,
+wanneer men, doende wat men doen moet, iets gevoelt dat verbijstert en
+dat schier raden zou, niet verder te gaan; men volhardt echter, omdat
+men moet, maar het bevredigde geweten is treurig en de vervulling van
+den plicht gaat met verscheuring van &rsquo;t hart gepaard.</p>
+<p>Wij moeten hierbij opmerken, dat Juni 1848 een feit bij uitzondering
+was, een feit schier onmogelijk om in de wijsbegeerte der geschiedenis
+plaats te geven. Al wat wij gezegd hebben moet ter zijde worden
+gesteld, wanneer het dit buitengewone oproer geldt, waarin men den
+heiligen angst van den arbeid gevoelde, die zijn rechten eischte. Dat
+oproer moest bestreden worden, en &rsquo;t was plicht, want het viel de
+republiek aan. Maar wat was Juni 1848 eigenlijk? Een opstand van het
+volk tegen zich zelf.</p>
+<p>Waar het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, bestaat geen
+afdwaling; <span class="corr" id="xd20e219" title="Bron: hetzij">het
+zij</span> ons dus geoorloofd een oogenblik de aandacht van den lezer
+op de beide zoo geheel buitengewone barricaden te vestigen, waarvan wij
+gesproken hebben en die den aard van dezen opstand aanduidden.</p>
+<p>De eene versperde den ingang der voorstad Saint-Antoine; de andere
+verdedigde den toegang der voorstad van den Temple; zij, voor wier
+oogen deze twee vreeselijke meesterstukken van den burgeroorlog onder
+den schitterenden blauwen Juni-hemel oprezen, zullen ze nooit
+vergeten.</p>
+<p>De barricade Saint-Antoine was reusachtig; zij had de hoogte van
+drie verdiepingen en was zevenhonderd voet breed. Zij versperde de
+wijde monding der voorstad van den eenen hoek tot den anderen, dat wil
+zeggen drie straten; zij had ravelijnen, vertakkingen, schietgaten,
+bastions, en was geschoord door steenhoopen, die op zich zelve
+bolwerken waren; tegen de twee vooruitstekende lange rijen huizen der
+voorstad steunenden, <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9"
+name="pb9">9</a>]</span>verhief zij zich als een cyclopen-dam aan het
+einde van het schrikkelijke plein dat den 14 Juli heeft gezien. In de
+straten achter deze moeder-barricade verhieven zich nog negentien
+barricaden. Alleen bij haar aanblik gevoelde men in de voorstad het
+ontzaggelijk stuiptrekkend lijden, dat tot die uiterste minuut is
+gekomen, wanneer de nood een vreeselijke gebeurtenis dreigt te worden.
+Waarvan was deze barricade gemaakt? Van de afbraak van drie huizen, van
+zes verdiepingen hoog, die opzettelijk verwoest waren, zeiden sommigen.
+Anderen zeiden, dat het het gewrocht van den algemeenen toorn was. Zij
+had het erbarmelijk voorkomen van al de bouwwerken van den haat: de
+ru&iuml;ne. Men kon zeggen: wie heeft dit gebouwd? Men kon ook zeggen:
+wie heeft dit verwoest? &rsquo;t Was het plotselinge werk der
+verbolgenheid. Ziet! deze deur, dit hek, die luifel, deze paneelen, dit
+gebroken komfoor, deze gebersten pot! Geeft alles! werpt alles er op!
+stoot, rolt, graaft, breekt af, werpt alles terneder, haalt alles
+&rsquo;t onderstboven! &rsquo;t Was de samenwerking van den
+straatsteen, van den bouwsteen, van den balk, van de ijzeren staaf, van
+het vod, van het ingeslagen raam, van den matteloozen stoel, van den
+koolstronk, van lompen, van oude plunje en van de vervloeking. &rsquo;t
+Was grootsch en klein! &rsquo;t Was de afgrond, door het allerlei
+geparodi&euml;erd. De massa bij het stofdeeltje; het uitgebroken
+muurvak bij het gebroken bord; een dreigende verbroedering van allerlei
+brokstukken; Sysiphus had er zijn rots en Job zijn potscherf geworpen.
+Kortom, &rsquo;t was vreeselijk. &rsquo;t Was de acropolis der
+barrevoeters. Omvergeworpen karren vormden het talus; een groote
+vrachtwagen lag er dwars op, met de as omhoog, en geleek een sabelhouw
+op dezen woesten voorgevel; een omnibus, door krachtige armen juichend
+op de kruin van den stapel geheschen, als hadden de bouwmeesters van
+deze ruwheid aan de verschrikking guitenstreken willen paren, bood zijn
+dissel aan onbekende luchtpaarden. Deze reusachtige hoop, de
+aanspoeling van het oproer, bracht een Ossa op Pelion voor den geest
+van alle revoluti&euml;n: 93 op 89, de 9 Thermidor op den
+10<sup>den</sup> Augustus, de 18 Brumaire op den 21 Januari,
+Vend&eacute;miaire op Prairial, 1848 op 1830. Deze plek was deze moeite
+waardig; deze barricade was waardig op dezelfde plaats te verschijnen,
+waar de Bastille verdwenen was. Indien de oceaan dijken maakte, zou hij
+ze z&oacute;&oacute; bouwen. Op deze wanstaltige versperring was de
+woede der baren ingedrukt. Welke baren? de menigte. Men meende
+versteend rumoer te zien. Men meende boven deze barricade de groote,
+sombere bijen van den geweldigen vooruitgang te hooren gonzen, als
+waren zij d&aacute;&aacute;r op haar korf geweest. Was &rsquo;t een
+haag? Was &rsquo;t een dronkenmanspartij? <span class="pagenum">[<a id=
+"pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>Was &rsquo;t een vesting?
+De verbijstering scheen het met wiekslagen gebouwd te hebben. In deze
+schans was iets van een modderpoel en in deze ophooping iets van den
+Olymp. Men zag er, in wanhopige verwarring, dakribben, gedeelten van
+vlieringkamertjes met hun behangselpapier, vensterramen met al hun
+glasruiten tusschen het puin, het kanon verwachtend, afgebroken
+schoorsteenen, kasten, tafels, banken, een afgrijselijke
+opeenstapeling, en die duizenden nietswaardige zaken, welke zelfs de
+bedelaar wegwerpt, en die tevens <i>woede</i> en het <i>niet</i>
+bevatten. Men zou gezegd hebben, dat het de oude plunje van een volk
+was, uit hout, ijzer, brons en steen bestaande, en dat de voorstad St.
+Antoine ze met een forschen bezemstoot aan haar deur had geworpen en
+van haar ellende haar barricade maakte. Blokken, als van een schavot,
+verbrijzelde ketens, palen met dwarsbalken in den vorm van galgen,
+horizontaal liggende raderen, die uit het puin te voorschijn kwamen,
+gaven aan dien bouw der regeeringloosheid de sombere gedaante der oude
+strafwerktuigen, waarmede het volk gepijnigd werd. De barricade St.
+Antoine maakte van alles wapens; al wat de burgeroorlog de maatschappij
+naar het hoofd kan werpen, kwam er uit; &rsquo;t was geen gevecht,
+&rsquo;t was het toppunt van woede; uit de karabijnen, waaronder eenige
+donderbussen, werd met brokjes plateel, kleine beentjes, koten,
+knoopen, zelfs met rolletjes van beddetafels geschoten, die, van koper
+zijnde, zeer gevaarlijke werptuigen vormden. Deze barricade was als
+razend; zij verhief een vervaarlijk getier; in sommige oogenblikken,
+wanneer zij het leger uitdaagde, bedekte zij zich met drommen en storm;
+een woelige hoop vlammende hoofden bekroonde haar; gewemel vulde haar;
+zij had een stekelige kruin van geweren, sabels, knuppels, bijlen,
+pieken en bajonnetten; een groot rood vaandel fladderde er in den wind;
+men hoorde er de commandokreten, krijgsliederen, tromgeroffel,
+vrouwengeween en den akeligen schaterlach van den hongerlijder. Zij was
+onmetelijk en levend; en, als uit den rug van een electrisch dier,
+schoot zij een fonkeling van weerlichten. De geest der revolutie
+omhulde met zijn wolk dezen top, waarop de stem des volks, die de stem
+Gods gelijkt, bulderde; een zonderlinge majesteit ontwikkelde zich uit
+deze reusachtige opeenhooping van puin en gruis. &rsquo;t Was een
+mesthoop en &rsquo;t was Sina&iuml;!</p>
+<p>Zooals wij hierboven gezegd hebben, viel zij aan in naam der
+revolutie. Wat? De revolutie. Zij, deze barricade, het toeval, de
+ordeloosheid, de verschrikking, het misverstand, het onbekende, zij had
+tegenover zich de constitueerende vergadering, de volkssouvereiniteit,
+het algemeene stemrecht, de natie, de republiek; en &rsquo;t was de
+Carmagnole die de Marseillaise uitdaagde. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p>
+<p>Een dwaze, maar heldhaftige uitdaging, want deze oude voorstad is
+een heldin.</p>
+<p>De voorstad en haar bolwerk verleenden elkander bijstand.</p>
+<p>De voorstad leunde op het bolwerk, het bolwerk steunde tegen de
+voorstad. De groote barricade verhief zich als een klip, waartegen zich
+de krijgskunst der generaals uit Afrika te bersten stiet. Haar holen,
+uitwassen, wratten, bulten grijnslachten, om zoo te spreken, onder den
+kruitdamp. Het schroot verdween er in het <span class="corr" id=
+"xd20e248" title="Bron: wanstallige">wanstaltige</span>; de houwitsers
+zonken er in, werden er in bedolven, verzwolgen; de kanonskogels
+boorden er slechts gaten in; wat baat het den chaos te kanonneeren? En
+de regimenten, gewoon aan de vreeselijkste gestalten van den oorlog,
+aanschouwden met ontrusten blik dit bolwerk, dat een wild dier, een
+wild zwijn door zijn stekels, een berg door zijn hoogte geleek.</p>
+<p>Een kwartieruurs verder, van den hoek der straat Vieille
+<span class="corr" id="xd20e253" title="Bron: du-Temple">du
+Temple</span>, die op den boulevard bij het Waterkasteel uitloopt, zag
+men in de verte, wanneer men waagde het hoofd voorbij het punt te
+steken, gevormd door den voorgevel van den winkel van Dallemagne, aan
+de overzijde van het kanaal, in de straat, die langs de steilten van
+Belleville loopt, op het keerpunt der helling, een zonderlingen muur
+die de tweede verdieping der voorgevels bereikte, een soort van
+koppelteeken tusschen de huizen ter rechter en ter linkerzijde, alsof
+de straat zelve haar hoogsten muur had omgevouwen om zich plotseling te
+sluiten. Deze muur was van straatsteenen gebouwd. Hij was recht, glad,
+vlak, rechtstandig, als met winkelhaak en paslood gebouwd. De kalk
+ontbrak er wel aan, maar zonder dat dit, zooals bij sommige
+<span class="corr" id="xd20e256" title=
+"Bron: romeinsche">Romeinsche</span> muren, aan zijn nauwkeurigen bouw
+schaadde. Naar zijn hoogte kon men zijn breedte raden. De kruin was
+evenwijdig met het voetstuk. Op zekere afstanden onderscheidde men op
+de grijze oppervlakte schier onzichtbare schietgaten, die zwarte draden
+geleken. Deze schietgaten waren door even groote tusschenruimten van
+elkander gescheiden. Zoover men zien kon, was de straat ledig. Al de
+deuren en vensters waren gesloten. Aan het einde verhief zich deze
+versperring, welke van de straat een slop maakte; &rsquo;t was een
+beweginglooze stille muur; men zag er niemand, hoorde er niets; geen
+kreet, geen gerucht, geen adem. Een graf.</p>
+<p>De schitterende Junizon overstroomde met licht dit vreeselijk
+gevaarte.</p>
+<p>&rsquo;t Was de barricade der voorstad van den Tempel.</p>
+<p>Wanneer men op het terrein kwam en haar bespeurde, moest zelfs de
+stoutmoedigste voor dit geheimzinnig gewrocht tot ernstig nadenken
+komen. Alles was juist afgemeten, samengevoegd <span class=
+"pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span>en
+somber. Er was daar wetenschap en duisternis. Men gevoelde dat het
+hoofd dezer barricade een wiskunstenaar of een spook was. Men zag dit,
+en sprak zacht.</p>
+<p>Nu en dan, wanneer een soldaat, een officier of een
+volksvertegenwoordiger het waagde de eenzame straat te betreden, hoorde
+men een scherp, zacht gefluit, en de voorbijganger viel, &ograve;f
+gekwetst &ograve;f dood, of zoo hij ontkwam, zag men in een gesloten
+vensterluik, in de voegen van de steenen, in de kalk van een muur een
+kogel dringen. Soms een kartetskogel. Want de mannen der barricade
+hadden van twee ijzeren gasbuizen, die aan de eene zijde met ruigte en
+potaarde gestopt waren, twee kleine kanonnen gemaakt. Het buskruit werd
+niet nutteloos verspild. Bijna ieder schot trof. Op de straat lagen
+hier en ginds eenige lijken en plassen bloed. Ik herinner mij, dat een
+witte vlinder in de straat heen en weder fladderde. De zomer
+verloochent zich niet.</p>
+<p>In den omtrek waren de koetspoorten gevuld met gekwetsten.</p>
+<p>Men gevoelde zich daar het mikpunt van iemand, dien men niet zag, en
+dat over de geheele lengte der straat de geweren waren aangelegd.</p>
+<p>Opeengehoopt achter de soort van ezelsrug, dien bij den ingang der
+voorstad van den Tempel de gewelfde brug van het kanaal vormt,
+aanschouwden de soldaten der aanvalskolonne ernstig en peinzend dit
+somber bolwerk, dit strak, gevoelloos voorwerp, waaruit de dood kwam.
+Eenigen kropen op den buik tot de hoogte der kromming van de brug,
+zorgende dat hun schako&rsquo;s er niet boven uitkwamen.</p>
+<p>De dappere kolonel Monteynard bewonderde deze barricade
+huiverend.&mdash;&bdquo;Welk een bouwstuk!&rdquo; zeide hij tot een
+vertegenwoordiger. &bdquo;Geen enkele straatsteen, die uitsteekt.
+&rsquo;t Is zoo glad als porselein.&rdquo;&mdash;Juist verbrijzelde een
+kogel het kruis op zijn borst, en hij viel.</p>
+<p>&bdquo;De lafaards!&rdquo; zeide men. &bdquo;Dat zij voor den dag
+komen! dat men hen zie! Zij durven niet! Zij verbergen zich.&rdquo; De
+barricade der voorstad van den Tempel, die door tachtig man verdedigd
+en door tien duizend man aangevallen werd, hield zich drie dagen
+staande. Den vierden dag handelde men zooals te Zaatcha en te
+Constantine; men brak openingen in de huizen, kwam over de daken en de
+barricade werd genomen. Geen der tachtig lafaards dacht aan de vlucht;
+allen sneuvelden, behalve de aanvoerder Barth&eacute;lemy, van wien wij
+aanstonds zullen spreken.</p>
+<p>De barricade St. Antoine was het gerucht des donders; de barricade
+du Temple was de stilte. Deze beide schansen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>boden
+het onderscheid aan van het geduchte en het akelige. De eene scheen een
+muil, de andere een masker.</p>
+<p>Zoo men aanneemt, dat de reusachtige en duistere Juni-opstand
+samengesteld was uit toorn en een raadsel, zag men in de eerste
+barricade den draak, en achter de tweede den sphinx.</p>
+<p>Beide vestingen waren opgericht door twee mannen, de eene genoemd
+Cournet, de andere Barth&eacute;lemy. Cournet had de barricade St.
+Antoine gemaakt. Barth&eacute;lemy de barricade du Temple. Iedere
+barricade droeg den stempel van haar bouwmeester.</p>
+<p>Cournet was een man van hooge gestalte, met breede schouders, rood
+gezicht, verpletterende vuist, stoutmoedig hart, eerlijke ziel, oprecht
+en vreeselijk oog. Hij was onversaagd, schrander, van vurige
+wilskracht, de hartelijkste mensch, de vreeselijkste strijder. De
+oorlog, de worsteling, het krijgsgewoel waren zijn lust en leven, en
+maakten hem vroolijk. Hij was zeeofficier geweest, en aan zijn gebaren
+en stem erkende men, dat hij uit den oceaan, uit den orkaan kwam; in
+het gevecht zette hij den orkaan voort. Op het genie na, was in Cournet
+iets van Danton, gelijk er, op de goddelijkheid na, in Danton iets van
+Herkules was.</p>
+<p>Barth&eacute;lemy was mager, klein, bleek, zwijgend, een soort van
+treurige straatjongen, die door een stadssergeant geslagen, op dezen
+loerde, hem opwachtte en doodde, en, zeventien jaren oud, naar het
+bagno werd gezonden. Hij verliet het en maakte deze barricade.</p>
+<p>Later, toen beiden te Londen ballingen waren, doodde, helaas!
+Barth&eacute;lemy Cournet. &rsquo;t Was een treurig tweegevecht.
+Eenigen tijd later, gevangen in het raderwerk van een dier
+geheimzinnige avonturen, waarin de hartstocht is gemengd, bedrijven
+waarin de Fransche rechtspleging verzachtende omstandigheden, en de
+Engelsche rechtspleging slechts den dood ziet, werd Barth&eacute;lemy
+opgehangen. De treurige maatschappij is zoodanig ingericht, dat, ten
+gevolge van stoffelijke behoefte en zedelijke duisternis, dit rampzalig
+wezen, dat stellig een degelijk, misschien een uitstekend verstand
+bevatte, in Frankrijk met het bagno begon en in Engeland met de galg
+eindigde. Barth&eacute;lemy stak bij alle gelegenheden slechts
+&eacute;&eacute;n vlag op: de zwarte vlag. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.2" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Wat kan men anders in den afgrond doen dan
+praten.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zestien jaren tellen in de onderaardsche opvoeding van
+den opstand, en daarom wist Juni 1848 er meer van dan Juni 1832. De
+barricade in de Chanvreriestraat was dan ook slechts een proeve, een
+begin, vergeleken bij de twee reusachtige barricaden, welke wij
+geschetst hebben; evenwel was zij, voor dien tijd, geducht.</p>
+<p>Onder de oogen van Enjolras, want Marius zag naar niets meer, hadden
+de opstandelingen zich den nacht ten nutte gemaakt. Niet alleen was de
+barricade hersteld, maar vergroot en twee voet verhoogd. De tusschen de
+straatsteenen geplante ijzeren staven geleken staande lansen. Het van
+alle zijden aangebrachte en opgehoopte puin, maakte den toegang van
+buiten nog moeielijker. Kunstig was de schans hervormd, inwendig als
+een muur en uitwendig als een kreupelbosch.</p>
+<p>Men had de van straatsteenen saamgevoegde trap hersteld, langs welke
+men als op den muur van een citadel kon klimmen.</p>
+<p>Men had alles in de barricade geregeld, de benedenkamer in de
+herberg opgeruimd, de keuken tot hospitaal ingericht, al de gekwetsten
+verbonden; men had het op den vloer en de tafels verspreide buskruit
+bijeengezameld, kogels gegoten, patronen en pluksel gemaakt, de
+gevallen wapens uitgedeeld, het inwendige der schans opgeruimd, de
+schade hersteld en de lijken weggevoerd.</p>
+<p>Men legde de lijken op een hoop in de straat Mond&eacute;tour, van
+welken men nog altijd meester was. Op die plek is de straat lang rood
+geweest. Onder de dooden waren vier nationale garden uit de voorstad.
+Enjolras liet hun uniformen ter zijde leggen.</p>
+<p>Enjolras had aangeraden twee uren te slapen. Een raad van Enjolras
+was een bevel. Evenwel maakten er slechts twee of drie gebruik van.
+Feuilly besteedde deze twee uren met op den muur tegenover de herberg
+deze woorden te griffen:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first"><span class="uc">Leven de volken!</span></p>
+</div>
+<p>Deze drie, met een spijker in de kalk gegraveerde woorden las men
+nog op dien muur in 1848.</p>
+<p>De drie vrouwen hadden van den wapenstilstand des nachts
+<span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name=
+"pb15">15</a>]</span>gebruik gemaakt om eindelijk geheel te verdwijnen,
+&rsquo;t geen de opstandelingen vrijer deed ademen.</p>
+<p>Zij hadden middel gevonden om in een naburig huis de wijk te
+nemen.</p>
+<p>Meest al de gekwetsten konden en wilden nog vechten. In de keuken,
+die een ambulance was geworden, lagen op matrassen <span class="corr"
+id="xd20e329" title="Bron: eu">en</span> bossen stroo vijf ernstig
+gewonden, waarbij twee municipale garden. De municipale garden werden
+het eerst verbonden.</p>
+<p>In het benedenvertrek bevonden zich alleen nog Mabeuf, onder den
+zwarten omslagdoek, en Javert, die aan den paal was gebonden.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is hier de doodenkamer,&rdquo; zei Enjolras.</p>
+<p>In het midden dezer kamer, die flauw verlicht werd door een kaars op
+den achtergrond, stond de tafel met den doode als een dwarsbalk achter
+den paal, en beiden vormden een groot onduidelijk kruis, veroorzaakt
+door Javert, die stond, en Mabeuf, die lag.</p>
+<p>De dissel van den omnibus, hoewel door het geweervuur geknot, stond
+nog, zoodat er een vlag aan gehecht kon worden.</p>
+<p>Enjolras, die deze eigenschap van een aanvoerder had, dat hij steeds
+deed hetgeen hij zeide, hechtte aan dien zonderlingen vlaggestok den
+doorschoten en bebloeden rok van den gedooden grijsaard.</p>
+<p>Geen maaltijd was meer mogelijk. Er was noch brood, noch vleesch. De
+vijftig man der barricade hadden sedert de zestien uren, die zij hier
+waren, spoedig den geringen voorraad der herberg uitgeput. Op zeker
+oogenblik wordt iedere barricade, die zich staande houdt,
+onvermijdelijk het wrak der <i>Medusa</i>. Men moest zich aan den
+honger onderwerpen. &rsquo;t Was in de eerste uren van dezen
+spartaanschen dag van den zesden Juni dat Jeanne, door opstandelingen
+omgeven die brood eischten, aan al deze strijders die om voedsel
+schreeuwden, antwoordde: &bdquo;Waarom? &rsquo;t Is drie uur. Om vier
+uur zullen wij dood zijn!&rdquo;</p>
+<p>Daar men niet meer eten kon, regelde Enjolras het drinken. Hij
+verbood den wijn, en stelde den brandewijn op rantsoen.</p>
+<p>Men had in den kelder vijftien volle verzegelde flesschen gevonden.
+Enjolras en Combeferre onderzochten ze. Toen Combeferre weder de
+keldertrap opging, zeide hij: &bdquo;&rsquo;t Is van den ouden voorraad
+van vader Hucheloup, die in den beginne kruidenier is
+geweest.&rdquo;&mdash;&bdquo;&rsquo;t Moet een fijn wijntje
+zijn,&rdquo; merkte Bossuet op. &bdquo;Gelukkig, dat Grantaire slaapt.
+Zoo hij <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name=
+"pb16">16</a>]</span>wakker was, zou &rsquo;t moeielijk zijn deze
+flesschen te redden.&rdquo;&mdash;In weerwil van het gemor, nam
+Enjolras de vijftien flesschen in beslag, en opdat niemand er aan raken
+zou en zij als heilig zouden zijn liet hij ze onder de tafel plaatsen,
+waarop de oude Mabeuf lag.</p>
+<p>Tegen twee uren &rsquo;s morgens werd er app&egrave;l gehouden. Er
+waren nog zeven-en-dertig man.</p>
+<p>De dag begon aan te breken. Men had de flambouw uitgedaan, die weder
+in haar steenen koker was geplaatst. Het inwendige der barricade, deze
+soort van kleine binnenplaats op de straat, was in duisternis gehuld en
+geleek bij de flauwe ochtendschemering het dek van een ontredderd
+schip. De heen- en wedergaande strijders bewogen er zich als zwarte
+gestalten. Boven dit vreeselijke nest van schaduwen teekenden zich de
+zwijgende gevels der huizen bleek af; en geheel omhoog werden de
+schoorsteenen wit. De hemel had die bekoorlijke, onbepaalde tint, die
+misschien wit, misschien blauw is. De vogels vlogen met vroolijk
+getjilp. Het hooge huis achter de barricade, dat naar het oosten stond,
+had een rooskleurigen weerschijn. Aan het venstertje der derde
+verdieping speelde de ochtendwind met het grijze haar op &rsquo;t hoofd
+van den doode.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben blij, dat men de flambouw heeft uitgedaan,&rdquo; zei
+Courfeyrac tot Feuilly. &bdquo;De in den wind flikkerende vlam
+verveelde mij. Zij scheen bang te zijn. Het toortslicht gelijkt de
+wijsheid der bloodaards; het verlicht slechts, wijl het
+beeft.&rdquo;</p>
+<p>De dageraad wekt de geesten, evenals de vogelen; allen spraken.</p>
+<p>Joly, een kat in een dakgoot ziende zwerven, trok hieruit de
+volgende wijsbegeerte:</p>
+<p>&bdquo;Wat is de kat?&rdquo; sprak hij. &bdquo;&rsquo;t Is een
+middel van herstel. Toen de goede God de muis had geschapen, zeide hij:
+&bdquo;Zie, ik heb een domheid gedaan. En hij schiep de kat. De kat is
+het erratum der muis. De muis met de kat te zamen is de herziene en
+verbeterde proef der schepping.&rdquo;</p>
+<p>Combeferre, omringd door studenten en werklieden, sprak van de
+gesneuvelden, van Jean Prouvaire, van Bahorel, van Mabeuf en zelfs van
+Cabuc, alsmede van Enjolras&rsquo; strenge droefheid. Hij zeide:</p>
+<p>&bdquo;Harmodius en Aristogiton, Brutus, Chereas,
+Stephanus<span class="corr" id="xd20e370" title="Bron: .">,</span>
+Cromwell, Charlotte Corday, Sand, allen hebben, na zij hunne daad
+verricht hadden, een oogenblik van angst gehad. Ons hart is zoo
+weifelend, en het menschelijk leven zulk een verborgenheid, dat, zelfs
+bij een burgerlijken, zelfs bij een bevrijdenden moord, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span>om dien
+zoo te noemen, de wroeging van een mensch verslagen te hebben, de
+vreugd overtreft van het menschelijk geslacht tot nut te zijn
+geweest.&rdquo;</p>
+<p>En door eene wending der gedachten, vergeleek Combeferre een minuut
+later, naar aanleiding der verzen van Jean Prouvaire, onderling de
+vertalers der Georgiques, Raux met Cournand, Cournand met Delille, wees
+op eenige passages door Malfil&acirc;tre vertaald, bijzonder op de
+wonderen bij Cesars dood; en door het woord Cesar kwam het gesprek op
+Brutus.</p>
+<p>&bdquo;Cesar,&rdquo; zei Combeferre, &bdquo;viel met recht. Cicero
+was streng jegens Cesar en hij had gelijk. Deze strengheid is geen
+hekeling. Wanneer Zo&iuml;lus Homerus veroordeelt, Maevius Virgilius,
+Vis&eacute; Moli&egrave;re, Pope Shakspeare, Freron Voltaire, is dit
+volgens de oude wet van afgunst en nijd; het genie lokt berisping uit,
+groote mannen worden altijd min of meer aangeblaft. Maar tusschen
+Zo&iuml;lus en Cicero is onderscheid. Cicero was een rechter met de
+gedachte, evenals Brutus een rechter met het zwaard is. Ik voor mij
+laak deze laatste gerechtigheid, het zwaard; maar de ouden lieten haar
+gelden. Cesar, die den Rubicon overtrok, die de waardigheden, welke van
+het volk kwamen, uitdeelde alsof ze van hem kwamen, die niet opstond
+bij de komst van den senaat, en, gelijk Eutropius zegt, als koning,
+schier als tiran handelde, <i>regia ac paen&egrave; tyrannica</i>. Hij
+was een groot man, des te beter of des te slechter; de les komt des te
+hooger. Zijn drie-en-twintig wonden treffen mij minder dan de bespuwing
+van Christus&rsquo; aangezicht. Cesar werd door de senatoren
+doorstoken; Christus werd door knechten in &rsquo;t gezicht geslagen.
+Bij dezen grooteren hoon gevoelt men den God.&rdquo;</p>
+<p>Bossuet, die met een karabijn in de hand op een hoop steenen boven
+de sprekers stond, riep:</p>
+<p>&bdquo;O Cydathenaeum, o Myrrhinus, o Probalynthes, o grati&euml;n
+van de Aeantide! O, wie zal mij de verzen van Homerus leeren uitspreken
+als een Griek van Laurium of van Edapteon!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.3" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Verlichting en verduistering.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Enjolras was op verkenning uitgegaan. Langs de huizen
+sluipend had hij zich door de steeg Mond&eacute;tour begeven.</p>
+<p>De opstandelingen, wij moeten het zeggen, waren met hoop vervuld. De
+wijze, waarop zij den nachtelijken aanval hadden <span class=
+"pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name=
+"pb18">18</a>]</span>afgeslagen, deed hen reeds bij voorbaat den aanval
+van den dageraad schier verachten. Zij wachtten hem glimlachend af. Zij
+twijfelden evenmin aan den goeden uitslag als aan hun zaak. Bovendien
+zou er spoedig hulp opdagen. Daarop rekenden zij. Met die lichtheid,
+waarmede men zich de zegepraal voorspelt, welke een der deugden van den
+Franschen krijgsman is, verdeelden zij den aanbrekenden dag in drie
+tijdperken: te zes uren &rsquo;s morgens zou een regiment, &bdquo;dat
+men bewerkt had&rdquo; omkeeren; des middags Parijs in volslagen
+opstand; met zonsondergang revolutie.</p>
+<p>Men hoorde de stormklok van St. Merry, die sedert den vorigen avond
+geen oogenblik gezwegen had; een bewijs dat de andere barricade, de
+groote, die van Jeanne, zich nog altijd staande hield.</p>
+<p>Deze hoop werd van de eene groep naar de andere overgebracht, met
+een verheugd en tevens vreeselijk gefluister, het oorlogsgegons van een
+zwerm bijen gelijkende.</p>
+<p>Enjolras verscheen weder. Hij kwam terug van zijn adelaarsvlucht in
+de duisternis buiten de barricade. Met over de borst gekruiste armen,
+met de hand aan zijn mond, luisterde hij een oogenblik naar deze
+verheuging. Toen, frisch en blozend in het toenemend morgenlicht, zeide
+hij:</p>
+<p>&bdquo;Het geheele leger van Parijs is op de been. Een derde van dat
+leger bedreigt de barricade, waar gij zijt. Bovendien de nationale
+garde. Ik heb de schako&rsquo;s van het vijfde linieregiment en de
+guidevlagjes van het zesde legioen herkend. Binnen een uur zult ge
+aangevallen worden. Wat het volk betreft, gisteren was het in gloed,
+maar van morgen verroert het zich niet. Er is niets te verwachten,
+niets te hopen. Evenmin van een voorstad als van een regiment. Ge zijt
+aan uw lot overgelaten.&rdquo;</p>
+<p>Deze woorden vielen op de fluisterende groepen en maakten een indruk
+als de eerste regendroppels van een onweersbui op een samengeschoolde
+menigte. Allen verstomden. Een oogenblik van onuitsprekelijke stilte
+ontstond en men had den dood kunnen hooren voorbijzweven.</p>
+<p>Dat oogenblik was kort.</p>
+<p>Een stem uit het donkerst gedeelte der groepen riep Enjolras
+toe:</p>
+<p>&bdquo;Welnu; laat ons de barricade tot twintig voet verhoogen en
+allen er blijven. Burgers, protesteeren wij als lijken. Toonen wij, dat
+zoo het volk de republikeinen verlaat, de republikeinen het volk niet
+verlaten.&rdquo;</p>
+<p>Deze woorden verdreef de smartelijke angstwolk van ieders geest. Met
+daverenden bijval werden zij toegejuicht. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span></p>
+<p>Men heeft nooit den naam geweten van den man, die dus gesproken had;
+&rsquo;t was een onbekende, een vergeten kielman, een voorbijgaande
+held, het groote geheimzinnige, dat altijd bij groote gebeurtenissen
+der menschheid en maatschappelijke herscheppingen tegenwoordig is, dat
+op een zeker oogenblik op gebiedende wijze het beslissende woord
+spreekt en in de duisternis verdwijnt, na gedurende een minuut in het
+licht van een bliksemstraal God en het volk vertegenwoordigd te
+hebben.</p>
+<p>Dit onwrikbaar besluit lag zoozeer in de lucht van den
+6<sup>den</sup> Juni 1832, dat schier in denzelfden oogenblik de
+opstandelingen der barricade van Saint-Merry dezen kreet aanhieven, die
+historisch gebleven en in de gerechtsstukken vermeld is: &bdquo;Men
+moge ons te hulp komen of niet, &rsquo;t is ons onverschillig! Wij
+willen hier sneven tot den laatsten man.&rdquo;</p>
+<p>Zooals men ziet, waren beide barricaden, hoewel zij stoffelijk
+gescheiden waren, met elkander in gemeenschap.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.4" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Vijf minder, een meer.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Nadat de man, wie hij dan ook geweest moge zijn, die
+het protest der lijken decreteerde, gesproken en aan het algemeen
+gevoelen een uitdrukking gegeven had, ging uit aller mond een
+zonderling tevreden, een vreeselijke kreet op, waarvan de zin treurig,
+maar de toon zegevierend was:</p>
+<p>&bdquo;Leve de dood! Blijven wij allen hier!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom allen?&rdquo; vroeg Enjolras.</p>
+<p>&bdquo;Allen! Allen!&rdquo;</p>
+<p>Enjolras hernam:</p>
+<p>&bdquo;De stelling is goed en de barricade fraai. Dertig man zijn
+voldoende. Waarom er veertig geofferd?&rdquo;</p>
+<p>Zij antwoordden:</p>
+<p>&bdquo;Wijl niemand zal willen heengaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Burgers!&rdquo; riep Enjolras, en zijn stem beefde schier van
+verstoordheid, &bdquo;de republiek is niet rijk genoeg aan mannen om ze
+nutteloos te verspillen. De roem is een betooverend lokaas. Zoo het
+voor eenigen plicht is zich te verwijderen, moet deze plicht vervuld
+worden evenals iedere andere.&rdquo;</p>
+<p>Enjolras, de man van beginselen, had op zijn geestverwanten die
+soort van almacht, welke zich tot het absolute uitstrekt. Hoe groot die
+almacht mocht zijn, men morde echter. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span></p>
+<p>Enjolras, die tot aan de toppen der vingers aanvoerder was, zag, dat
+men morde, en bleef bij zijn woord. Hij hernam op hoogen toon:</p>
+<p>&bdquo;Dat zij, die vreezen met minder dan dertig te zijn,
+spreken.&rdquo;</p>
+<p>Het gemor vermeerderde.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is overigens,&rdquo; merkte een stem in een groep
+aan, &bdquo;gemakkelijk te zeggen heen te gaan. Maar de barricade is
+omsingeld.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet aan den kant der Hallen,&rdquo; zei Enjolras. &bdquo;De
+straat Mond&eacute;tour is vrij en door de Predikerstraat kan men de
+Markt des Innocents bereiken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En d&aacute;&aacute;r,&rdquo; hernam een andere stem in de
+groep, &bdquo;zal men gevat worden. Men zal er in een sterken post van
+linietroepen of der voorstad vallen. Zij zullen iemand met kiel en pet
+zien voorbijgaan en hem vragen: Van waar komt ge? Zoudt ge ook tot de
+barricade behooren? En men beziet uw handen, ge riekt naar buskruit.
+Doodgeschoten.&rdquo;</p>
+<p>Zonder te antwoorden, tikte Enjolras Combeferre op den schouder en
+beiden gingen in het benedenvertrek.</p>
+<p>Een oogenblik later verlieten zij het weder. Enjolras hield over
+beide handen de vier uniformen, welke hij had doen ter zijde leggen;
+Combeferre volgde hem en droeg het lederwerk en de schako&rsquo;s.</p>
+<p>&bdquo;Met deze uniformen,&rdquo; zei Enjolras, &bdquo;mengt men
+zich onder de soldaten en ontsnapt. Hier zijn er althans voor
+vier.&rdquo;</p>
+<p>En hij wierp de vier uniformen op de ongeplaveide straat.</p>
+<p>Niemand van de sto&iuml;cijnsche toehoorders bewoog zich. Combeferre
+nam het woord.</p>
+<p>&bdquo;Welaan,&rdquo; zeide hij, &bdquo;men moet een weinig
+medelijden hebben. Weet ge wat hier de zaak is? Het geldt de vrouwen.
+Laat zien. Zijn er vrouwen, ja of neen? Zijn er kinderen, ja, of neen?
+Zijn er moeders, die met den voet een kind in slaap wiegen en door een
+aantal andere kleine kinderen omringd zijn? Dat hij, die nooit de borst
+eener moeder gezoogd heeft, de hand opsteke. Ge wilt u doen dooden,
+goed; ik wil &rsquo;t ook, ik die tot u spreek; maar ik wil geen
+schimmen van vrouwen de handen wringend om mij zien waren. Sterft, het
+zij zoo, maar laat geen anderen sterven. Zelfmoorden, als die hier
+zullen plaats hebben, zijn verheven, maar de zelfmoord is beperkt en
+wil geen uitbreiding; en zoodra hij uw naasten treft, heet zelfmoord
+doodslag. Denkt aan de blonde kopjes en aan de grijze haren. Luistert,
+Enjolras heeft mij gezegd, dat hij straks om den hoek der Zwanenstraat
+een verlicht venster, een kaars voor een armoedig venster der vijfde
+verdieping <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name=
+"pb21">21</a>]</span>heeft gezien, en tegen het glas de waggelende
+schaduw van het hoofd eener oude vrouw, die den geheelen nacht scheen
+gewaakt en gewacht te hebben. Zij is misschien de moeder van een uwer.
+Dat deze dus ga en zich haaste aan zijn moeder te zeggen: Hier ben ik,
+moeder! Hij moge gerust zijn, het werk zal hier evenwel verricht
+worden. Wanneer men zijn naastbestaanden door zijn arbeid onderhoudt,
+heeft men het recht niet zich op te offeren. Dit zou &rsquo;t zelfde
+wezen als zijn familie heimelijk te ontvluchten. En zij, die dochters,
+die zusters hebben! Hoe kunnen zij er aan denken? Ge laat u
+doodschieten, ge zijt dood; goed, maar morgen? Jonge meisjes, die geen
+brood hebben! &rsquo;t is verschrikkelijk! De man bedelt, de vrouw
+verkoopt. O deze lieve, zoo bekoorlijke zachte wezens, die het huis met
+kieschheid vullen, die zingen, praten, die een bekoorlijken geur
+gelijken, die het bestaan der engelen in den hemel bewijzen door de
+reinheid der maagden op de aarde, Johanna, Lisa, Mimi, deze
+aanbiddelijke brave wezens, die uw zegen en trots zijn, deze zullen
+gebrek lijden! Wat zal ik u zeggen? Er is een markt van
+menschenvleesch; en als ge dood zijt, kunt ge haar niet beletten er
+heen te gaan. Denkt aan de straat, denkt aan de menigte, die haar
+betreden; denkt aan de winkels, waar vrouwen met wulpschen opschik en
+op het slijk heen en wedergaan. Deze vrouwen zijn vroeger ook
+onschuldig geweest. Zij, die zusters hebben, mogen hieraan denken.
+Armoede, prostitutie, stadssergeanten, de gevangenis. St. Lazare,
+ziedaar waartoe deze teedere, schoone meisjes, deze broze wonderen van
+schaamte, lieftalligheid en schoonheid, frisscher dan de seringen der
+maand Mei, zullen komen. Ha, gij hebt u laten dooden! Gij zijt er niet
+meer! goed; ge hebt het volk aan het koningschap willen ontrukken, en
+gij geeft uw dochters aan de politie over. Vrienden, weest voorzichtig,
+hebt medelijden. Die vrouwen, die ongelukkige vrouwen! men is niet
+gewoon er veel over na te denken. Men verlaat er zich op, dat de
+vrouwen geen opvoeding als die van den man hebben genoten, men belet ze
+te lezen, te denken, zich met de staatkunde bezig te houden; zult ge
+haar beletten van avond naar de morgue (het lijkenhuis) te gaan om er
+uw lijken te herkennen? Hoort, zij die een gezin hebben, moeten goede
+jongens zijn, ons een handslag geven en heengaan, en ons hier alleen
+het werk laten verrichten. Ik weet, dat er moed toe behoort om heen te
+gaan; &rsquo;t is zwaar; maar hoe zwaarder des te verdienstelijker. Men
+zegt: Ik heb een geweer, ik ben in de barricade en blijf er. &rsquo;t
+Is spoedig gezegd, vrienden. Er komt een dag na dezen, en op dien dag
+zult gij er niet meer zijn; maar uw gezinnen zullen er zijn en lijden!
+Ziet dat lieve gezonde <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22"
+name="pb22">22</a>]</span>kind met koontjes als een appel, dat babbelt,
+praat, lacht, welks frischheid men voelt als men het kust, weet ge wat
+er van wordt als het verlaten is? Ik heb er een gezien, niet grooter
+dan dit. Zijn vader was dood. Arme lieden hadden het uit barmhartigheid
+tot zich genomen; maar zij hadden voor zich zelven geen brood. Het kind
+had altijd honger. &rsquo;t Was winter. Het weende niet. Men zag het de
+kachel naderen, waarin nooit vuur was en wier pijp met klei was
+gestopt. Met zijn vingertjes maakte het kind een weinig van deze klei
+los en at ze. Het had een heesche stem, een bleek gezicht, zwakke
+beenen, dikken buik. Het sprak niet. Wanneer men het toesprak,
+antwoordde het niet. Het stierf. Men had het naar het hospitaal Necker
+gebracht, waar ik het heb zien sterven. Ik behoorde tot de kweekelingen
+in dat hospitaal. Zijn er nu vaders onder u, die het geluk hebben
+Zondags te gaan wandelen met hun kind, en zijn kleine handje in hun
+trouwe, ruwe hand te houden, dat ieder dezer vaders zich voorstelle,
+dat dit kind het zijne is. De arme kleine, ik herinner mij hem nog
+goed, en &rsquo;t is alsof ik hem nog naakt op de ontleedtafel zie
+liggen. Zijn ribben staken onder het vel uit, gelijk de grafkuilen van
+onder het gras op een kerkhof. Men vond in zijn maag een soort van
+slijk. Tusschen zijn tanden was asch. Welaan, tast in uw geweten en
+raadpleegt met uw hart. De statistieken bewijzen, dat de sterfte der
+verlaten kinderen vijf-en-vijftig percent is. Ik herhaal, dat het hier
+de vrouwen, de moeders<span class="corr" id="xd20e482" title=
+"Bron: .">,</span> de jongedochters, de kinderen geldt. Men spreekt van
+u niet; men weet wie ge zijt; men weet, voor den drommel! dat gij allen
+moedig zijt, men weet, dat gij allen van harte met blijdschap en trots
+uw leven voor de groote zaak geven wilt; men weet, dat ge u uitverkoren
+voelt om een edelen, roemrijken dood te hebben en dat ieder uwer zijn
+deel van de overwinning begeert. Goed! Maar ge zijt niet alleen op de
+wereld. Er zijn andere wezens, waaraan gij denken moet. Men mag niet
+zelfzuchtig zijn.&rdquo;</p>
+<p>Allen lieten treurig het hoofd zinken.</p>
+<p>Zonderlinge tegenstrijdigheid van het menschelijk hart in zijn
+verhevenste oogenblikken! Combeferre, die aldus sprak, was niet
+ouderloos. Hij herinnerde zich de moeders der <span class="corr" id=
+"xd20e489" title="Bron: auderen">anderen</span> en vergat de zijne. Hij
+wilde zich laten dooden. Hij zelf was &bdquo;zelfzuchtig!&rdquo;</p>
+<p>Marius, zonder voedsel, koortsig, allengs alle hoop verloren
+hebbende, verzonken in smart, de treurigste schipbreuk van allen,
+vervuld van geweldige aandoeningen en het einde voelende naderen, had
+zich hoe langer hoe meer aan die verdooving overgegeven, welke het
+noodlottig oogenblik, dat vrijwillig wordt aangenomen, voorafgaat.
+<span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name=
+"pb23">23</a>]</span></p>
+<p>Een physioloog had bij hem de toenemende verschijnselen dier in de
+wetenschap bekende en gerangschikte koortsachtige overspanning kunnen
+opmerken, die in het lijden is, wat de verheuging is in het vermaak.
+Ook de wanhoop heeft haar vervoering. Marius was zoo ver gekomen. Hij
+was bij alles tegenwoordig, zonder het op te merken; hetgeen onder zijn
+oogen gebeurde, scheen hem als op verren afstand; hij had een gevoel
+van het geheel, maar merkte de bijzonderheden niet op. Hij zag de heen
+en weder gaanden als door een schaduw. Hij hoorde hen spreken alsof hun
+stemmen uit een afgrond kwamen.</p>
+<p>Het laatste tooneel greep hem echter aan. In dat tooneel was een
+punt, die tot hem doordrong en hem deed ontwaken. Hij had slechts
+&eacute;&eacute;ne gedachte, die van te sterven, en hij wilde die
+gedachte niet verdrijven; maar in zijn somber somnambulisme overwoog
+hij, dat het niet verboden was iemand te redden, wanneer men zich zelf
+opofferde.</p>
+<p>Hij verhief de stem en sprak:</p>
+<p>&bdquo;Enjolras en Combeferre hebben gelijk; geen nuttelooze offers.
+Ik voeg mij bij hen, en men moet zich haasten. Combeferre heeft u
+gezegd, zooals het inderdaad is. Er zijn er onder u, die gezinnen,
+moeders, zusters, vrouwen en kinderen hebben. Dat deze de gelederen
+verlaten!&rdquo;</p>
+<p>Niemand verroerde zich.</p>
+<p>&bdquo;De getrouwde mannen en de verzorgers der huisgezinnen treden
+uit het gelid!&rdquo; herhaalde Marius.</p>
+<p>Zijn gezag was groot. Enjolras was wel het opperhoofd der barricade,
+maar Marius was er de redder van.</p>
+<p>&bdquo;Ik beveel het,&rdquo; riep Enjolras.</p>
+<p>&bdquo;Ik verzoek het,&rdquo; zei Marius.</p>
+<p>Toen, door Combeferre&rsquo;s woorden verteederd, door &rsquo;t
+bevel van Enjolras geschokt en door Marius&rsquo; bede bewogen,
+begonnen deze heldhaftige mannen de een den ander te verraden.
+&bdquo;Inderdaad,&rdquo; zei een jongeling tot een bejaard man,
+&bdquo;gij zijt huisvader. Ga&rdquo;&mdash;&bdquo;Ga gij
+veeleer,&rdquo; antwoordde de man, &bdquo;gij hebt twee zusters te
+onderhouden.&rdquo;&mdash;En een wonderbare strijd ontstond. De een
+wilde zich niet door den ander uit de poort des grafs laten zetten.</p>
+<p>&bdquo;Haasten wij ons,&rdquo; zei Courfeyrac, &bdquo;binnen een
+kwartier zal het te laat zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Burgers,&rdquo; hernam Enjolras, &bdquo;&rsquo;t is hier de
+republiek, en het algemeen stemrecht geldt. Wijst zelf degenen aan, die
+zich verwijderen moeten.<span class="corr" id="xd20e520" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Men gehoorzaamde. Na verloop van vijf minuten waren vijf man met
+eenparige stemmen aangewezen en traden uit de gelederen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name="pb24">24</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Er zijn vijf man!&rdquo; riep Marius.</p>
+<p>Er waren slechts vier uniformen.</p>
+<p>&bdquo;Welnu,&rdquo; zeiden de vijf, &bdquo;dan moet er
+&eacute;&eacute;n blijven.&rdquo;</p>
+<p>En opnieuw begon de edelmoedige strijd wie blijven zou, en wie voor
+de anderen redenen zou vinden om niet te blijven.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt een vrouw, die u bemint.&rdquo;&mdash;&bdquo;Gij
+hebt een oude moeder.&rdquo;&mdash;&bdquo;Gij hebt geene ouders meer,
+wat zal van uw drie broertjes worden?&rdquo;&mdash;&bdquo;Gij zijt
+vader van vijf kinderen.&rdquo;&mdash;&bdquo;Gij hebt recht te leven;
+ge zijt eerst zeventien jaren oud, dit is te jong om te
+sterven.&rdquo;</p>
+<p>Deze groote revolutionnaire barricaden waren verzamelplaatsen van
+heldendaden. Het onwaarschijnlijke was er eenvoudig. Deze mannen
+verwonderden zich volstrekt niet over elkander.</p>
+<p>&bdquo;Haast u!&rdquo; herhaalde Courfeyrac.</p>
+<p>Uit de groepen riep men tot Marius:</p>
+<p>&bdquo;Wijs gij dengene aan, die blijven moet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zeiden de vijf, &bdquo;kies gij. Wij zullen u
+gehoorzamen.&rdquo;</p>
+<p>Marius dacht niet, dat hij nog voor eenige aandoening vatbaar was;
+maar bij deze gedachte: iemand voor den dood te kiezen, stroomde al
+zijn bloed naar zijn hart terug. Hij zou verbleekt zijn, zoo hij nog
+bleeker had kunnen worden.</p>
+<p>Hij naderde de vijf, die hem toelachten, en ieder, met het oog vol
+van die bovenaardsche vlam, welke men in de geschiedenis der
+Thermopylen ziet, riep hem toe:</p>
+<p>&bdquo;Mij! mij! mij!&rdquo;</p>
+<p>En verlegen telde Marius hen; zij waren steeds vijf! Toen sloeg hij
+zijn blik op de vier uniformen.</p>
+<p>In hetzelfde oogenblik viel als uit den hemel een vijfde uniform op
+de vier andere.</p>
+<p>De vijfde man was gered.</p>
+<p>Marius zag op en herkende den heer Fauchelevent.</p>
+<p>Jean Valjean was juist de barricade binnengegaan.</p>
+<p>Hij kwam, hetzij dat hij inlichtingen had verkregen, hetzij uit
+instinct of bij toeval, door de steeg Mond&eacute;tour.</p>
+<p>Uithoofde zijner uniform van nationale garde had hij gemakkelijk
+kunnen doorkomen.</p>
+<p>De schildwacht, dien de opstandelingen in de straat Mond&eacute;tour
+hadden geplaatst, behoefde niet voor een enkelen nationale garde alarm
+te maken. Hij had hem de straat laten ingaan, bij zich zelven zeggende:
+&rsquo;t is waarschijnlijk versterking, en in &rsquo;t ergste geval een
+gevangene. Het oogenblik was te gewichtig dan dat de schildwacht voor
+dezen enkelen man zijn post verlaten zou hebben.</p>
+<p>Toen Jean Valjean de vesting binnenging had niemand hem <span class=
+"pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name=
+"pb25">25</a>]</span>opgemerkt, want aller oogen waren op de vijf
+gekozenen en op de vier uniformen gericht. Jean Valjean had gezien en
+gehoord; hij had stil zijn rok uitgetrokken en hem op den hoop der
+anderen geworpen.</p>
+<p>De opschudding was onbeschrijfelijk.</p>
+<p>&bdquo;Wie is deze man?&rdquo; vroeg Bossuet.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is,&rdquo; antwoordde Combeferre, &bdquo;een man,
+die anderen redt.&rdquo;</p>
+<p>Marius voegde er met ernstige stem bij:</p>
+<p>&bdquo;Ik ken hem.&rdquo;</p>
+<p>Deze waarborg was voor allen voldoende.</p>
+<p>Enjolras wendde zich tot Jean Valjean:</p>
+<p>&bdquo;Wees welkom, burger.&rdquo;</p>
+<p>En hij voegde er bij:</p>
+<p>&bdquo;Gij weet dat men hier sterven moet.&rdquo;</p>
+<p>Zonder te antwoorden hielp Jean Valjean den opstandeling zijn
+uniform aantrekken.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.5" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Welken horizont men van de kruin der barricade
+ziet.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De toestand van allen, in dit noodlottig uur en op
+deze plaats zonder erbarmen, had de diepe droefgeestigheid van Enjolras
+opgewekt en ten top gevoerd.</p>
+<p>Enjolras was geheel vervuld van de revolutie, hij was echter zoo
+onvolledig als het absolute wezen kan; hij had te veel van Saint Just
+en te weinig van Anacharsis Clootz; evenwel was zijn geest, in het
+genootschap der vrienden van het A B C, eindelijk eenigszins naar de
+denkbeelden van Combeferre gaan overhellen; sedert eenigen tijd verliet
+hij allengs den bekrompen vorm van het dogma en gaf zich over aan de
+uitbreidingen van den vooruitgang, zoodat hij er toe was gekomen, aan
+de eindelijke en gezegende herschepping der groote Fransche republiek
+in een groote algemeene menschenrepubliek te gelooven. Wat de middelen
+betreft, achtte hij bij een geweldigen toestand ook geweldige middelen
+noodig; hierin was hij niet veranderd, en hij behoorde nog altijd tot
+die vreeselijke en geduchte school, welke in het woord 1793 is
+samengevat.</p>
+<p>Enjolras stond op de steenen trap, en rustte met den elleboog op den
+loop zijner karabijn. Hij peinsde, hij huiverde, alsof een windvlaag
+over hem toog; plaatsen, waar de dood tegenwoordig <span class=
+"pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span>is,
+hebben dergelijke uitwerking. Uit zijn oogen, die door een inwendigen
+blik bezield werden, schoot een dof vuur. Eensklaps richtte hij het
+hoofd op, zijn blond haar golfde naar achter, als dat van het
+sterrenbeeld den engel, en geleek op de manen van een woesten leeuw.
+Enjolras riep:</p>
+<p>&bdquo;Burgers, stelt ge u de toekomst voor? De straten der steden
+door licht overstroomd, groene takken aan de deuren, de volken
+verbroederd, de menschen rechtvaardig, de grijsaards de kinderen
+zegenend, het verledene het tegenwoordige beminnend, de denkers in
+volkomen vrijheid, de geloovigen volkomen gelijk, als godsdienst den
+hemel, God als rechtstreeksch priester, het menschelijk geweten altaar
+geworden, geen haat meer, de broederschap in de werkplaats en de
+school, als straf en belooning de openbaarheid, arbeid voor allen,
+recht voor allen, bovenal de vrede, geen bloedvergieten, geen oorlog
+meer, gelukkige moeders! De eerste schrede is de beteugeling van het
+stoffelijke; de tweede de verwezenlijking van het ideaal. Bedenkt, wat
+de vooruitgang reeds heeft uitgewerkt. De eerste menschelijke
+geslachten zagen met schrik voor hun oogen de hydra voorbijgaan, die op
+de wateren blies, den draak, die vuur spuwde, den griffoen, die het
+monster der lucht was en met de vleugels van een arend en de klauwen
+van een tijger vloog; vreeselijke dieren, die boven den mensch waren.
+Maar de mensch spande zijn strikken, de heilige strikken van het
+verstand, en eindelijk ving hij de monsters. Wij hebben de hydra
+bedwongen en zij heet stoomboot; wij hebben den draak bedwongen en hij
+heet locomotief: wij zijn op het punt den griffoen te bedwingen, wij
+hebben hem reeds en hij heet luchtbol. Den dag, dat dit prometheuswerk
+voltooid zal zijn en de mensch aan zijn wil het drievoudig antieke
+monster, de hydra, den draak en den griffoen, onderworpen heeft, zal
+hij meester van het water, het vuur en de lucht zijn, en voor het
+overige der bezielde schepping wat eertijds de oude goden voor hem
+waren. Moed en voorwaarts! Waarheen gaan wij, burgers? Naar de op
+wetenschap gegronde regeering, naar de macht der omstandigheden, welke
+de eenige openbare macht is geworden, naar de wet der natuur, die haar
+bekrachtiging en strafrecht in zich draagt, naar een opgaan der
+waarheid, dat met het opgaan der zon in betrekking staat. Wij gaan de
+vereeniging der volken, wij gaan de eenheid van den mensch te gemoet.
+Geen ficti&euml;n, geen woekerplanten meer.&mdash;Het wezenlijke door
+het ware geregeerd, ziedaar het doel. De beschaving zal haar vierschaar
+op den top van Europa houden, en later in het middenpunt der
+continenten, in een groot parlement der intelligentie. Iets dergelijks
+is bereids gezien. De amphyctionen <span class="pagenum">[<a id="pb27"
+href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span>hadden jaarlijks twee
+vergaderingen, de eene te Delphi, de plaats der goden, de andere aan de
+Thermopylen, de plaats der helden. Ook Europa zal zijn amphyctionen
+hebben; de aarde zal ze hebben. Frankrijk draagt deze verheven toekomst
+in zijn schoot. &rsquo;t Is de vrucht der negentiende eeuw. Wat door
+Griekenland werd beproefd, is waardig door Frankrijk volbracht te
+worden. Hoor naar mij, Feuilly, dapper werkman, man des volks, man der
+volken. Ik vereer u. Ja, gij ziet duidelijk de toekomstige tijden; ja,
+gij hebt gelijk. Gij hadt noch vader noch moeder, Feuilly, gij hebt de
+menschheid voor moeder en het recht voor vader aangenomen. Ge zult hier
+sterven, dat is zegevieren. Wat heden moge gebeuren, burgers, zoowel
+door onze nederlaag als door onze overwinning zullen wij een revolutie
+bewerken. Gelijk branden de geheele stad verlichten, evenzoo verlichten
+revoluti&euml;n het geheele menschelijk geslacht. En welke revolutie
+zullen wij bewerken? Ik heb het gezegd, de revolutie van het ware. Uit
+het politiek gezichtspunt bestaat er slechts &eacute;&eacute;n
+beginsel: de souvereiniteit van den mensch op zich zelven. Deze
+souvereiniteit van mij op mij zelven heet vrijheid. Waar twee of meer
+dier souvereiniteiten zich vereenigen, begint de staat; maar in deze
+vereeniging kan niets worden afgestaan! Iedere souvereiniteit biedt een
+zeker gedeelte van zich zelve aan om het algemeene recht te vormen. Dat
+gedeelte, &rsquo;t welk ieder aan allen in gelijke mate afstaat, heet
+gelijkheid. Het algemeen recht is niet anders, dan de bescherming van
+allen, die op het recht van ieder haar stralen schiet. Deze bescherming
+van ieder door allen heet broederschap. Het raakpunt van al deze
+vereenigde souvereiniteiten heet maatschappij. Deze vereeniging vormt
+een knoop, dien men den <span class="corr" id="xd20e614" title=
+"Bron: maatschapelijken">maatschappelijken</span> <span class="corr"
+id="xd20e617" title="Bron: hand">band</span> noemt. Sommigen zeggen
+maatschappelijk verbond, &rsquo;t geen hetzelfde is, wijl in het woord
+verbond het denkbeeld van band besloten is. Verstaan wij elkander
+aangaande de gelijkheid; want zoo de vrijheid het toppunt is, is de
+gelijkheid de basis. De gelijkheid, burgers, is geen even hooge wasdom
+van den geheelen plantengroei, geen maatschappij van hooge grashalmen
+en kleine eiken; een verzameling van ongelijksoortige grootheden, die
+elkander schaden; maar in het burgerlijke voor alle bekwaamheden
+dezelfde kansen; in het politieke de gelijke kracht van alle stemmen;
+in het godsdienstige hetzelfde recht voor ieders geweten. De gelijkheid
+heeft een orgaan. Het kosteloos en verplichtend onderwijs. Men moet met
+het recht op het a, b, c beginnen. De lagere school moet aan iedereen
+opgelegd, het middelbaar onderwijs voor allen toegankelijk gemaakt
+worden. Ziedaar de wet. Uit de gelijke school komt de gelijkheid der
+maatschappij. <span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name=
+"pb28">28</a>]</span>Ja, onderwijs! licht! licht! alles komt van
+&rsquo;t licht en keert er in terug. Burgers, de negentiende eeuw is
+grootsch, maar de twintigste eeuw zal gelukkig zijn. Dan zal niets meer
+naar de oude geschiedenis gelijken; men zal niet meer, gelijk thans,
+een vijandelijken inval te vreezen hebben, een overweldiging, een
+gewapenden naijver der nati&euml;n, een staking der beschaving ten
+gevolge van een huwelijk tusschen koningen, een geboorte in de
+erfelijke tirannie&euml;n, de verdeeling van volken door een congres,
+een ontleding ten gevolge van den val eener <span class="corr" id=
+"xd20e622" title="Bron: dinastie">dynastie</span>, een strijd van twee
+godsdiensten, die elkander, als twee bokken uit de schaduw op de brug
+van het oneindige ontmoeten; men zal geen hongersnood, geen uitputting,
+geen prostitutie uit armoede, geen ellende uit gebrek aan arbeid, geen
+schavot, geen zwaard, geen veldslagen, en al de geweldadigheden van het
+toeval in het woud der gebeurtenissen te vreezen hebben. Men zou schier
+kunnen zeggen, dat er geen geweldige gebeurtenissen meer zullen plaats
+hebben. Men zal gelukkig zijn. Het menschelijke geslacht zal zijn wet
+vervullen, zooals de aardbol de zijne; de harmonie zal zich herstellen
+tusschen de ziel en de ster, en zal om de waarheid wentelen gelijk de
+ster om het licht. Vrienden, het uur waarin wij zijn en waarin ik tot u
+spreek, is een treurig uur; maar op zulk een vreeselijke wijze wordt de
+toekomst gekocht. Een revolutie is een tolgeld. O! het menschelijke
+geslacht zal bevrijd, verheven en getroost worden! Dit verzekeren wij
+het op deze barricade. Van waar zal men den liefdekreet slaken, zoo
+niet van de hoogte der offerplaats? O, mijn broeders, &rsquo;t is hier
+de vereenigingsplek dergenen, die denken en dergenen die lijden; deze
+barricade is niet gemaakt van straatsteenen, van balken, van oud
+ijzerwerk; zij is gemaakt van twee hoopen, van een hoop denkbeelden en
+een hoop smarten. De ellende ontmoet er het ideaal. De dag omhelst er
+den nacht en zegt tot hem: ik ga met u sterven en gij zult met mij
+herleven. Uit de omhelzing van alle droefheden ontspringt het geloof.
+Hier brengen de smarten haar doodsstrijd en de idee&euml;n hun
+onsterfelijkheid. Deze doodsstrijd en deze onsterfelijkheid zullen zich
+mengen en onzen dood vormen. Broeders, wie hier sterft, sterft in den
+glans der toekomst en wij zullen een graf van morgenrood
+ingaan.&rdquo;</p>
+<p>Enjolras hield eensklaps op; zijn lippen bewogen zich zwijgend, als
+ging hij voort met zich zelven te spreken, zoodat zij, oplettend om hem
+nog te hooren, hem aanstaarden. Er werd niet toegejuicht, maar men
+fluisterde lang. Wijl het woord een adem is, gelijk het geritsel van
+het verstand het geritsel der bladeren. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.6" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Marius verwilderd, Javert lakonisch.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zeggen wij nu wat in de gedachten van Marius
+omging.</p>
+<p>Men herinnere zich zijn gemoedsstemming. Wij hebben reeds gezegd,
+dat alles voor hem slechts een visioen meer was. Zijn begrip was
+verward. Marius was, wij moeten hierop drukken, in de schaduw der
+groote donkere vleugels, die over de zieltogenden zijn uitgebreid. Hij
+gevoelde zich bereids in het graf, het kwam hem voor, als ware hij
+reeds aan gene zijde van den muur, en hij zag de gezichten der levenden
+slechts met de oogen van een doode.</p>
+<p>Hoe was Fauchelevent hier gekomen? Waarom was hij er? Wat kwam hij
+er doen? Marius deed zich al deze vragen niet. Onze wanhoop heeft
+overigens dit bijzondere, dat zij anderen evenzeer als ons zelven
+omhult; het scheen hem logisch, dat iedereen kwam om te sterven.</p>
+<p>Maar hij dacht met een beklemd hart aan Cosette.</p>
+<p>Overigens sprak Fauchelevent niet tot hem, aanschouwde hem niet en
+scheen zelfs niet te hooren, toen Marius de stem verhief om te zeggen:
+&bdquo;ik ken hem.&rdquo;</p>
+<p>Deze houding van Fauchelevent verlichtte echter Marius, en, zoo men
+zulk een woord voor zulke gewaarwordingen mag bezigen, zouden wij
+zeggen, behaagde hem. Het had hem steeds een volstrekte onmogelijkheid
+geschenen het woord tot dien raadselachtigen man te richten, die voor
+hem evenzeer verdacht als indrukwekkend was. Bovendien was het lang
+geleden, dat hij hem niet gezien had, &rsquo;t geen, wegens den
+bedeesden, afgetrokken aard van Marius, deze onmogelijkheid nog
+vergrootte.</p>
+<p>De vijf aangewezen mannen verlieten door de steeg Mond&eacute;tour
+de barricade; zij geleken volkomen nationale garden. Een hunner
+verwijderde zich schreiend. Voor zij heengingen, omhelsden zij de
+achterblijvenden.</p>
+<p>Toen de vijf mannen, die tot het leven waren teruggezonden,
+vertrokken waren, dacht Enjolras aan den ter dood veroordeelde. Hij
+trad het benedenvertrek binnen. Javert aan den paal gebonden was in
+gedachten.</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge aan iets behoefte?&rdquo; vroeg hem Enjolras.</p>
+<p>Javert antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Wanneer zult ge mij dooden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wacht. Wij hebben op dit oogenblik al onze patronen
+noodig.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name=
+"pb30">30</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Geef mij dan iets te drinken,&rdquo; zei Javert.</p>
+<p>Enjolras reikte hem zelf een glas water, en dewijl Javert gebonden
+was hielp hij hem drinken.</p>
+<p>&bdquo;Is dat alles?&rdquo; vroeg Enjolras.</p>
+<p>&bdquo;Ik bevind mij slecht aan dezen paal,&rdquo; antwoordde
+Javert. &bdquo;&rsquo;t Is niet vriendelijk van u dat ge mij den nacht
+zoo hebt laten doorbrengen. Bind mij zooals &rsquo;t u belieft, maar ge
+kunt mij wel op een tafel laten liggen, evenals den andere.&rdquo;</p>
+<p>En met eene hoofdbeweging duidde hij naar het lijk van Mabeuf.</p>
+<p>Op den achtergrond van het vertrek stond, zooals men zich herinnert,
+een lange tafel, waarop men kogels gegoten en patronen gemaakt had. De
+patronen waren gereed en al het kruit was gebruikt, zoodat deze tafel
+ledig was.</p>
+<p>Op bevel van Enjolras maakten vier opstandelingen Javert van den
+paal los. Terwijl men hiermede bezig was, hield een vijfde hem een
+bajonnet tegen de borst. Men liet de handen op zijn rug gebonden, bond
+om zijn beenen een sterk, dun touw &rsquo;t welk hem veroorloofde korte
+schreden van vijftien duim te doen, als om het schavot te beklimmen, en
+zoo liet men hem naar de tafel achter in het vertrek gaan, waarop men
+hem stevig gebonden neerlegde.</p>
+<p>Tot meerdere zekerheid, bond men hem nog met een touw, dat van den
+hals kruiswijze over de borst liep en, na tusschen de beenen te zijn
+doorgegaan, aan de handen bevestigd werd.</p>
+<p>Terwijl Javert gekneveld werd, zag een man, op den drempel der deur,
+met buitengewone opmerkzaamheid naar hem. De schaduw, welke deze man
+wierp, deed Javert het hoofd omwenden. Hij sloeg de oogen op en
+herkende Jean Valjean. Hij ontroerde zelfs niet, sloeg trotsch de oogen
+neder en zeide bij zich zelven niets dan: &bdquo;&rsquo;t is zeer
+natuurlijk.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.7" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De <span class="corr" id="xd20e683" title=
+"Bron: teostand">toestand</span> wordt erger.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het daglicht nam spoedig toe. Maar geen venster, geen
+deur opende zich. &rsquo;t Was de morgenstond, maar niet de ontwaking.
+Het einde der straat Chanvrerie tegenover de barricade was, zooals wij
+gezegd hebben, door de troepen ontruimd; zij scheen vrij en bood de
+voorbijgangers een akelige stilte aan. De straat <span class=
+"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>St.
+Denis was even eenzaam als de straat der sphinxen te Thebe. Geen levend
+wezen vertoonde zich op de pleinen, die door een flauwen zonnestraal
+verlicht werden. Niets is treuriger dan deze glans in de doodsche
+straten.</p>
+<p>Men zag niets; maar men hoorde op eenigen afstand een geheimzinnige
+beweging. Het was blijkbaar dat het kritiek oogenblik naderde. Evenals
+den vorigen avond trokken de schildwachten terug; doch nu allen.</p>
+<p>De barricade was sterker dan bij den eersten aanval. Na het vertrek
+der vijf personen, had men haar nog verhoogd.</p>
+<p>Op de waarschuwing van den schildwacht, die den omtrek der Hallen
+had bewaakt, nam Enjolras, die een overval in den rug vreesde, een
+ernstig besluit. Hij deed den korten doorgang der steeg
+Mond&eacute;tour, die tot hiertoe vrij was gebleven, barricadeeren. Men
+nam tot dit eind nog langs eenige huizen de steenen uit de straat,
+zoodat de barricade, die drie straten versperde, in het front der
+Chanvreriestraat, links de Zwanenstraat en de kleine Truanderie, rechts
+de straat Mond&eacute;tour, inderdaad onverwinbaar was. Zij had drie
+fronten, maar geen uitgang. &bdquo;&rsquo;t Is een vesting,&rdquo; zei
+Courfeyrac glimlachend, &bdquo;maar tevens een muizenval.&rdquo;</p>
+<p>Enjolras liet bij de deur der herberg een dertigtal straatsteenen
+opeenhoopen, die, zeide Bossuet, te veel uit de straat waren
+genomen.</p>
+<p>Thans was de stilte, aan de zijde van waar de aanval moest komen,
+zoo diep, dat Enjolras ieder zijn verdedigingspost deed hernemen.</p>
+<p>Men deelde aan allen een rantsoen brandewijn uit.</p>
+<p>Niets is merkwaardiger dan een barricade, die zich tegen een
+bestorming gereed maakt. Ieder kiest zijn plaats, als in den
+schouwburg. Men leunt op, men steunt tegen, men verschanst zich achter
+iets. Sommigen maken zich een stoel van straatsteenen. Men verwijdert
+zich van een muur, die hindert, men verschuilt zich achter een
+uitspringenden hoek, die beschermen kan. De linkschen zijn uitmuntend;
+zij nemen plaatsen, die voor anderen ongemakkelijk zijn. Velen maken
+zich gereed om zittend te kunnen strijden. Men wil op zijn gemak kunnen
+dooden en op confortable wijze sterven. In den noodlottigen oorlog van
+Juni 1848 had een opstandeling, die een onfeilbaar schutter was, zich
+op het plat van een dak, een armstoel laten brengen, waaruit hij
+schoot; hij werd hier door het schroot getroffen.</p>
+<p>Zoodra de aanvoerder het sein tot het gevecht heeft gegeven, houden
+alle onregelmatige bewegingen op; geen twist meer onderling, geen
+oneenigheid, geen afzonderlijke troep; al wat in de gemoederen is,
+loopt in &eacute;&eacute;n punt samen en verandert <span class=
+"pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name="pb32">32</a>]</span>zich in
+afwachting van den aanval. Een barricade is v&oacute;&oacute;r het
+gevaar een chaos, in het gevaar heerscht er de strengste krijgstucht.
+Het gevaar maakt de orde.</p>
+<p>Zoodra Enjolras zijn karabijn met dubbelen loop had genomen en zich
+bij een soort van schietgat geplaatst had, &rsquo;t welk hij zich had
+voorbehouden, zwegen allen. Een licht knetterend gerucht klonk langs
+den straatsteenen muur. &rsquo;t Waren de hanen der geweren, die werden
+overgehaald.</p>
+<p>Overigens was de houding der strijders fierder en geruster dan ooit;
+de overmaat van opoffering is een versterking; zij hadden geen hoop
+meer, maar wanhoop. De wanhoop is het laatste wapen, dat soms
+overwinning geeft; Virgilius heeft het gezegd. Uiterste hulpmiddelen
+ontstaan uit uiterste besluiten. Zich tot den dood voorbereiden is soms
+het middel de schipbreuk te ontgaan, en het deksel der doodkist wordt
+dan een reddingsplank.</p>
+<p>Gelijk den vorigen avond was aller aandacht gericht naar of liever
+geboeid op het einde der straat, die thans verlicht en zichtbaar
+was.</p>
+<p>Het duurde niet lang. De beweging begon opnieuw duidelijk in de
+richting van Saint-Leu, maar geleek niet die van den eersten aanval.
+Ketengerammel, het onrustbarend hotsen van een zwaar voorwerp, het
+gerinkel van metaal op de straatsteenen, een soort van plechtig geraas
+kondigde aan, dat een geducht ijzerwerk in aantocht was. Deze oude
+vreedzame straten, gebouwd voor het vruchtbaar verkeer van belangen en
+idee&euml;n, en niet voor het schrikkelijk gerol der oorlogswielen,
+dreunden.</p>
+<p>De woeste, strakke blikken der strijders richtten zich op het einde
+der straat.</p>
+<p>Een kanonstuk verscheen.</p>
+<p>Artilleristen dreven het stuk voort; het was zonder voorstel; twee
+artilleristen hielden het affuit opgeheven; vier waren bij de wielen;
+de anderen volgden met de kruitkist. Men zag de brandende lont
+rooken.</p>
+<p>&bdquo;Vuur!&rdquo; riep Enjolras.</p>
+<p>De geheele barricade schoot; de losbranding was vreeselijk; een
+rookwolk overdekte en omhulde het kanonstuk en de manschappen; na
+eenige seconden verdween de rookwolk, en het kanon en de manschappen
+kwamen weder te voorschijn; die het geschut bedienden rolden het
+langzaam, regelrecht en zonder overhaasting voor de barricade.</p>
+<p>Niemand was getroffen. Toen richtte de kommandant het stuk, met den
+ernst en de bedaardheid van een sterrenkundige, die een telescoop
+richt.</p>
+<p>&bdquo;Bravo, kanonniers!&rdquo; riep Bossuet. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p>
+<p>En de geheele barricade klapte in de handen.</p>
+<p>Een oogenblik later stond het kanon in het midden der straat,
+schrijlings op de goot, en richtte zijn vreeselijken mond tegen de
+barricade.</p>
+<p>&bdquo;Nu aan &rsquo;t werk!&rdquo; riep Courfeyrac. &bdquo;Ziedaar
+den bullebak. Na den oorveeg, de vuistslag. Het leger steekt zijn
+grooten klauw naar ons uit. De barricade zal geducht geschud worden.
+Het geweer tast en beproeft, het kanon grijpt en bijt<span class="corr"
+id="xd20e739" title="Niet in bron">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een achtponder, nieuw model en van brons,&rdquo;
+voegde Combeferre er bij. &bdquo;Zulke stukken zijn onderhevig aan
+springen, wanneer men meer dan tien deelen tin op honderd deelen koper
+neemt. Te veel tin maakt ze te week. Daardoor komt het, dat er zich
+blaadjes en gaatjes in den loop vormen. Ten einde dit gevaar te
+voorkomen en de lading te kunnen versterken zou men misschien tot de
+handelwijze der veertiende eeuw moeten terugkeeren, namelijk een reeks
+van gesoldeerde stalen ringen om het stuk <span class="corr" id=
+"xd20e744" title="Bron: liggen">leggen</span>.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In de zestiende eeuw,&rdquo; merkte Bossuet op, &bdquo;had
+men gegleufde kanonnen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde Combeferre, &bdquo;dit vermeerdert wel
+de werpkracht, maar vermindert de juistheid van het schot. Wanneer men
+op korten afstand schiet, heeft de kromme lijn niet de gewenschte
+juistheid, de parabool is te groot, de weg dien het werptuig volgt is
+niet recht genoeg om te treffen. Dit gebrek aan spanning van de kromme
+lijn van het werptuig der gegleufde kanonnen in de zestiende eeuw
+ontstond door de zwakke lading, welke deze soort van kanonnen vorderen,
+zoowel voor het behoud der affuiten als anderszins. Kortom, het kanon,
+deze despoot, kan niet wat het wil; kracht is een groote zwakheid. Een
+kanonskogel legt slechts zeshonderd mijlen in het uur af; het licht
+zeshonderd mijlen in een seconde<span class="corr" id="xd20e751" title=
+"Niet in bron">.</span> Zoo groot is het overwicht van Jezus Christus
+op Napoleon.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Laadt opnieuw,&rdquo; zei Enjolras.</p>
+<p>Hoe zou zich de bekleeding der barricade onder den kogel houden? Zou
+men bres schieten? Dit was de vraag. Terwijl de opstandelingen hun
+geweren weder laadden, laadden de artilleristen het kanon.</p>
+<p>De angst was groot in de barricade.</p>
+<p>Het schot ging af en donderde.</p>
+<p>&bdquo;Present!&rdquo; riep een vroolijke stem.</p>
+<p>Juist op het oogenblik, dat de kogel tegen de barricade sprong,
+sprong Gavroche er in.</p>
+<p>Hij kwam van den kant der Zwanenstraat en was vlug over de
+nevenbarricade tegenover de stegen der kleine Truanderie geklauterd.
+<span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name=
+"pb34">34</a>]</span></p>
+<p>Gavroche had meer uitwerking in de barricade dan de kogel.</p>
+<p>De kogel had zich in het puin begraven en hoogstens een wiel van den
+omnibus verbrijzeld, en de oude kar van Anceau stuk geschoten, &rsquo;t
+geen de barricademannen, toen zij het zagen, in lachen deed
+uitbarsten.</p>
+<p>&bdquo;Gaat zoo voort,&rdquo; riep Bossuet tot de artilleristen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.8" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De artilleristen nemen het ernstig op.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Men omringde Gavroche.</p>
+<p>Maar hij had den tijd niet, iets te verhalen. Marius nam hem
+huiverend ter zijde en vroeg:</p>
+<p>&bdquo;Wat komt ge hier doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel,&rdquo; hernam de knaap. &bdquo;En gij dan?&rdquo;</p>
+<p>En met stoute onbeschaamdheid zag hij Marius strak aan.</p>
+<p>Zijn oogen werden grooter door de fiere helderheid welke er in
+lag.</p>
+<p>Op strengen toon hernam Marius:</p>
+<p>&bdquo;Wie heeft u gezegd terug te komen? Hebt ge ten minste mijn
+brief bezorgd?&rdquo;</p>
+<p>Gavroche was niet geheel zonder bekommering ten aanzien van dien
+brief. In zijn haast om naar de barricade terug te keeren, had hij er
+zich veeleer van ontdaan, dan hem bezorgd. Hij moest zich zelven
+bekennen dat hij hem te lichtvaardig aan den onbekende had ter hand
+gesteld, wiens gezicht hij zelfs niet duidelijk had kunnen
+onderscheiden. &rsquo;t Is waar, dat die man blootshoofds was, maar dit
+was niet voldoende. Kortom hij deed zich te dier zake kleine
+verwijtingen en vreesde berisping van Marius. Om zich uit de
+verlegenheid te redden, nam hij het eenvoudigst middel te baat: hij
+loog afschuwelijk.</p>
+<p>&bdquo;Burger,&rdquo; zeide hij, &bdquo;ik heb den brief aan den
+portier gegeven. De dame sliep. Zoodra zij ontwaakt, zal zij den brief
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>Marius had met de zending van dien brief een dubbel oogmerk gehad:
+Cosette vaarwel te zeggen en Gavroche te redden.</p>
+<p>Hij moest zich met de helft van &rsquo;t geen hij wilde tevreden
+stellen.</p>
+<p>De zending van zijn brief en de tegenwoordigheid van den
+<span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name=
+"pb35">35</a>]</span>heer Fauchelevent in de barricade, verscheen voor
+zijn geest als een zonderlinge toevalligheid. Hij wees Gavroche den
+heer Fauchelevent en vroeg:</p>
+<p>&bdquo;Kent ge dien man?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zei Gavroche.</p>
+<p>Zooals men zich herinnert, had Gavroche inderdaad Jean Valjean
+slechts in de duisternis gezien.</p>
+<p>De sombere, ziekelijke gissingen, welke in Marius geest ontstaan
+waren, verdwenen. Kende hij de meeningen van den heer Fauchelevent?
+Misschien was Fauchelevent republikein. In dat geval was zijn
+tegenwoordigheid bij dit gevecht zeer natuurlijk.</p>
+<p>Intusschen was Gavroche reeds aan het andere einde der barricade en
+riep: &bdquo;mijn geweer!&rdquo;</p>
+<p>Courfeyrac deed het hem teruggeven.</p>
+<p>Gavroche verwittigde &bdquo;de kameraden,&rdquo; zooals hij hen
+noemde, dat de barricade omsingeld was. Met de grootste moeite was hij
+teruggekomen. Een bataljon linietroepen, wier geweren in de kleine
+Truanderie gekoppeld stonden, hield de Zwanenstraat in het oog; terwijl
+aan de tegenovergestelde zijde de municipale garde de Predikersstraat
+bezette. Tegenover zich had men het gros des legers.</p>
+<p>Na deze mededeeling voegde Gavroche er bij:</p>
+<p>&bdquo;Ik vergun u hen behoorlijk te begroeten.&rdquo;</p>
+<p>Ondertusschen loerde Enjolras met gespitste ooren aan zijn
+schietgat.</p>
+<p>De aanvallers, ongetwijfeld weinig tevreden met de uitwerking van
+hun kanonschot, hadden het niet herhaald.</p>
+<p>Een compagnie infanterie had het einde der straat achter het
+kanonstuk bezet. De soldaten namen de steenen uit de straat en maakten
+daarvan tegenover de barricade een kleinen, lagen muur, een soort van
+borstwering, niet veel hooger dan achttien duim. Aan den linkerhoek
+dier borstwering zag men het hoofd eener kolonne van een bataljon der
+voorstad, dat in de straat St. Denis stond geschaard.</p>
+<p>Enjolras, die luisterde, meende het eigenaardig gerucht te hooren
+der schrootbussen, wanneer zij uit de kruitwagens worden genomen en zag
+den kommandant van het stuk den mond van het kanon een weinig links
+richten. Toen begonnen de artilleristen het stuk te laden. De
+kommandant nam zelf de lont en bracht die aan het zundgat.</p>
+<p>&bdquo;Bukt! Bij den muur!&rdquo; riep Enjolras, &bdquo;allen op de
+knie&euml;n langs de barricade!&rdquo;</p>
+<p>De opstandelingen, die verspreid voor de herberg stonden en bij
+Gavroches komst hun posten hadden verlaten, ijlden <span class=
+"pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>dooreen
+naar de barricade; maar v&oacute;&oacute;r dat Enjolras&rsquo; bevel
+volbracht was, geschiedde een losbranding met het vreeselijk gekraak
+van schrootvuur. &rsquo;t Was werkelijk een schrootschot.</p>
+<p>Het schot was gericht op de snijding der barricade, was langs den
+muur geschampt en had twee man gedood en drie gekwetst.</p>
+<p>Indien dit zoo voortging was de barricade niet lang te verdedigen.
+Het schroot kwam er in.</p>
+<p>Er ontstond een rumoer van ontsteltenis.</p>
+<p>&bdquo;Laat ons ten minste het tweede schot beletten,&rdquo; zei
+Enjolras.</p>
+<p>Hij liet zijn geweer zinken en mikte op den kommandant van het stuk,
+die, over het kanon gebogen, het op een bepaald punt richtte.</p>
+<p>Deze kommandant was een knap sergeant der kanonniers, jong, blond,
+met zeer zacht gezicht en die schrandere uitdrukking, aan dit keurwapen
+eigen, &rsquo;t welk, door zijne geduchtheid te volmaken, eindelijk den
+oorlog zal dooden.</p>
+<p>Combeferre, die naast Enjolras stond, beschouwde dien jongeling.</p>
+<p>&bdquo;Hoe jammer!&rdquo; zei Combeferre. &bdquo;Dit bloedvergieten
+is afschuwelijk! Helaas, zoodra er geene koningen meer zijn, zal er
+geen oorlog meer wezen. Ge mikt op dien sergeant, Enjolras, maar ge
+ziet zijn gelaat niet. Stel u voor, dat &rsquo;t een innemend jongeling
+is; hij is moedig; men ziet dat hij denkt; die jongelieden der
+artillerie zijn zeer goed onderwezen; hij heeft vader en moeder, een
+familie; hij bemint waarschijnlijk; hij kan niet ouder dan
+vijf-en-twintig jaar zijn; hij kon uw broeder wezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is &rsquo;t,&rdquo; zei Enjolras.</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; hernam Combeferre, &bdquo;ook de mijne. Welnu,
+dooden wij hem niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Laat mij begaan. Wat zijn moet, moet zijn.&rdquo;</p>
+<p>En een traan vloeide langzaam over de marmeren wang van
+Enjolras.</p>
+<p>Terzelfder tijd drukte hij zijn geweer af. Het lichtte. De
+artillerist draaide tweemalen rond, met vooruit gestoken armen en
+opgeheven hoofd als om lucht te ademen. Toen viel hij zijdelings op het
+kanon en bleef bewegingloos. Men zag uit het midden van den rug een
+straal bloed stroomen. De kogel was door en door de borst gegaan. Hij
+was dood.</p>
+<p>Men moest hem wegdragen en vervangen. Daarmede werden werkelijk
+eenige minuten gewonnen. <span class="pagenum">[<a id="pb37" href=
+"#pb37" name="pb37">37</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.9" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Aanwending van het oude wildstrooperstalent en van het
+onfeilbaar schot, dat op de veroordeeling van 1796 van invloed is
+geweest.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De meening in de barricade was verschillend. Het kanon
+zou weder gelost worden. Onder zulk een schrootvuur kon men het niet
+langer dan een kwartieruurs uithouden. &rsquo;t Was een volstrekte
+noodzakelijkheid het schrootvuur onschadelijk te maken.</p>
+<p>Enjolras gaf bevel:</p>
+<p>&bdquo;Er moet daar een matras gelegd worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Men heeft er geene,&rdquo; zei Combeferre. &bdquo;De
+gekwetsten liggen er op.&rdquo;</p>
+<p>Tot hiertoe had Jean Valjean, op den hoek der herberg, alleen, op
+een straatpaal, met het geweer tusschen de knie&euml;n gezeten, aan
+&rsquo;t geen plaats had niet het minste deelgenomen. Hij scheen de
+omstanders niet te hooren, die tot elkander zeiden: &bdquo;Ziedaar een
+geweer, dat niets uitricht.&rdquo;</p>
+<p>Toen Enjolras het bevel gaf, stond hij op.</p>
+<p>Men herinnere zich dat, bij de komst van den volkshoop in de straat
+Chanvrerie, een oude vrouw een matras voor haar venster had gehangen,
+om zich tegen de kogels te beveiligen. &rsquo;t Was een dakvenster van
+een huis <span class="corr" id="xd20e893" title="Bron: mot">met</span>
+zes verdiepingen, dat even buiten de barricade stond. De matras rustte
+onder op twee droogstokken en hing boven aan twee touwen, die aan
+spijkers in &rsquo;t kozijn waren gebonden. Men zag deze twee touwen
+duidelijk, maar fijn als een draad.</p>
+<p>&bdquo;Kan iemand mij een karabijn met dubbelen loop leenen?&rdquo;
+zei Jean Valjean.</p>
+<p>Enjolras, die de zijne weder geladen had, reikte ze hem.</p>
+<p>Jean Valjean legde aan op het dakvenster en schoot.</p>
+<p>Een der twee touwen van de matras was stuk geschoten. De matras hing
+nu nog slechts aan &eacute;&eacute;n touw.</p>
+<p>Jean Valjean loste het tweede schot. Het tweede touw sloeg tegen de
+glasruiten van het dakvenster; de matras gleed tusschen de twee
+droogstokken en viel op de straat.</p>
+<p>De barricade juichte.</p>
+<p>Alle stemmen riepen:</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben de matras!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei Combeferre, &bdquo;maar wie zal ze
+halen?&rdquo;</p>
+<p>De matras was inderdaad buiten de barricade tusschen de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name=
+"pb38">38</a>]</span>belegerden en de belegeraars gevallen. Aangezien
+de dood van den sergeant der kanonniers de troepen had verbitterd,
+hadden de soldaten zich sedert eenige oogenblikken achter de rij
+steenen, door hen opgericht, plat op den buik gelegd en tegen de
+barricade het vuur geopend, in afwachting dat het kanon, &rsquo;t welk
+gedwongen was te zwijgen, weder bediend kon worden. De opstandelingen
+beantwoordden het geweervuur niet, om hun munitie te sparen. De kogels
+stieten af tegen de barricade, maar vlogen vreeselijk in de straat
+terug.</p>
+<p>Jean Valjean ging door de snijding in de straat, te midden van den
+kogelregen, naar de matras, raapte ze op, laadde ze op zijn rug en kwam
+in de barricade terug.</p>
+<p>Hij zelf legde de matras in de snijding en plaatste ze zoodanig
+tegen den muur dat de artilleristen ze niet zagen.</p>
+<p>Toen dit verricht was wachtte men het schrootvuur af. Het bleef niet
+lang uit.</p>
+<p>Het kanon braakte brullend zijn kogels; zij werden niet meer
+teruggekaatst, maar smoorden in de matras. De verwachte uitkomst was
+verkregen. De barricade was behoed.</p>
+<p>&bdquo;Burger,&rdquo; zei Enjolras tot Jean Valjean, &bdquo;de
+republiek dankt u.&rdquo;</p>
+<p>Bossuet bewonderde en lachte. Hij riep:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is onzedelijk, dat een matras zooveel macht heeft.
+&rsquo;t Is de zegepraal van &rsquo;t geen buigt op &rsquo;t geen
+woedt. Om &rsquo;t even, eere zij de matras, die een kanon machteloos
+maakt!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.10" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De dageraad.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op dit oogenblik ontwaakte Cosette.</p>
+<p>Haar kamer was klein, net, stil, met een hoog venster naar het
+oosten, op de achterplaats van het <span class="corr" id="xd20e943"
+title="Bron: huisuitziende">huis uitziende</span><span class="corr" id=
+"xd20e945" title="Niet in bron">.</span> Cosette wist niets van
+&rsquo;t geen in Parijs gebeurde. Zij was den vorigen avond er niet bij
+en reeds naar haar kamer gegaan, toen vrouw Toussaint gezegd had:
+<span class="corr" id="xd20e948" title="Niet in bron">&bdquo;</span>Er
+schijnt iets gaande te zijn.<span class="corr" id="xd20e951" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> Cosette had niet lang, maar goed
+geslapen; zij had liefelijke droomen gehad, &rsquo;t geen misschien een
+weinig aan de ongemeene helderheid van haar bed was te danken. Marius
+was haar als in licht verschenen. Zij ontwaakte met de zon in haar
+oogen, zoodat het haar aanvankelijk voorkwam als droomde zij nog.</p>
+<p>Toen zij uit dien droom ontwaakte, was zij in opgeruimde stemming.
+Cosette gevoelde zich volkomen gerustgesteld. Zij <span class=
+"pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name=
+"pb39">39</a>]</span>ondervond, gelijk Jean Valjean eenige uren te
+voren, die omkeering der ziel, welke volstrekt geen ongeluk wil. Zij
+begon met alle kracht te hopen, zonder te weten waarom. Maar daarop
+werd haar hart beklemd.&mdash;Sinds drie dagen had zij Marius niet
+gezien. Zij zeide tot zich zelve, dat hij haar brief moest ontvangen
+hebben, dat hij wist waar zij was, dat hij zoo schrander was en wel
+middel zou vinden om tot haar te komen.&mdash;En dit zekerlijk heden,
+misschien denzelfden morgen.&mdash;Het was klaarlichte dag, maar de
+lichtstraal was zeer horizontaal, zoodat zij meende, dat het zeer vroeg
+was; dat zij echter moest opstaan, om Marius te ontvangen.</p>
+<p>Zij gevoelde, dat zij zonder Marius niet kon leven, dat dit
+bijgevolg voldoende was, en dat Marius komen zou. Geen tegenwerping
+werd aangenomen; alles was zeker en gewis<span class="corr" id=
+"xd20e960" title="Niet in bron">.</span> &rsquo;t Was reeds erg genoeg,
+drie dagen geleden te hebben. Marius drie dagen afwezig, &rsquo;t was
+verschrikkelijk, goede God! Thans was deze nood, deze beproeving des
+Hemels doorgestaan; Marius zou komen en goede tijding medebrengen. Zoo
+is de jeugd; spoedig droogt zij haar tranen; zij vindt de smart
+nutteloos en neemt ze niet aan. De jeugd is de glimlach der toekomst
+tegen een onbekende, die zij zelve is. &rsquo;t Is voor haar zeer
+natuurlijk, gelukkig te zijn. &rsquo;t Is alsof zij hoop inademt.</p>
+<p>Overigens kon Cosette zich niet herinneren, wat Marius haar nopens
+deze afwezigheid had gezegd, die slechts &eacute;&eacute;n dag moest
+duren, en welke verklaring hij er haar van gegeven had.</p>
+<p>Iedereen heeft wel eens opgemerkt, hoe behendig een geldstukje dat
+men laat vallen, zich verbergt, <span class="corr" id="xd20e967" title=
+"Bron: en en">en</span> hoe kunstig het zich onvindbaar weet te maken.
+Er zijn gedachten, die ons denzelfden trek spelen, zij verschuilen zich
+in een hoekje van ons brein: &rsquo;t is gedaan; zij zijn verloren;
+&rsquo;t is onmogelijk ze zich te herinneren. Cosette was een weinig
+verstoord over de kleine, vruchtelooze poging van haar geheugen; zij
+zeide bij zich zelve, dat het slecht van haar was en zij er wezenlijk
+aan misdaan had de woorden te vergeten welke Marius tot haar had
+gesproken.</p>
+<p>Zij verliet het bed en verrichtte de beide reinigingen van de ziel
+en het lichaam, haar gebed en haar toilet.</p>
+<p>Men kan desnoods den lezer een bruidskamer binnenvoeren; maar niet
+de kamer eener maagd. De po&euml;zie zou het nauwelijks wagen, het
+proza mag &rsquo;t geheel niet.</p>
+<p>&rsquo;t Is het inwendige eener nog gesloten bloem, iets helders in
+de schaduw; &rsquo;t is de binnenste cel eener gesloten lelie, die niet
+aanschouwd mag worden door den mensch, zoolang zij niet door de zon is
+aanschouwd. De vrouw in den knop is heilig. Het onschuldige bed, dat
+zich ontbloot, deze hemelsche <span class="pagenum">[<a id="pb40" href=
+"#pb40" name="pb40">40</a>]</span>halve naaktheid, die zich zelve
+schuwt, de witte voet die in een muiltje vlucht, deze hals die zich
+voor den spiegel bedekt, alsof die spiegel een oog ware; het hemd, dat
+zich haastig optrekt en den schouder verbergt voor een krakend
+meubelstuk of een voorbijgaand rijtuig; de gebonden koordjes, de
+vastgehaakte lussen, de geregen veters, de huiveringen, de rillingen
+van koude en schaamte, die kiesche schuwheid aller bewegingen, die
+schier gevleugelde ongerustheid, waar niets te vreezen is, de allengs
+zich voltooiende kleeding, even bekoorlijk als de wolkjes van den
+dageraad, &rsquo;t betaamt niet, dit alles te beschrijven; &rsquo;t is
+reeds te veel het aan te duiden.</p>
+<p>Het oog van den man moet nog eerbiediger zijn voor het opstaan van
+een jong meisje, dan voor het opgaan eener ster. De mogelijkheid van te
+kwetsen moet den eerbied nog verhoogen. Het dons der perzik, het waas
+der pruim, het kristal der sneeuw, de stofvleugels der kapel zijn grove
+zaken, in vergelijking van deze kuischheid, die zelfs niet weet dat zij
+kuisch is. De jonge maagd is slechts een heldere droom, en nog geen
+beeld. Haar leger is verborgen in het donkere gedeelte van het ideaal.
+Een onbetamelijke blik kwetst dit lichtbeeld. Hier is aanschouwing
+ontheiliging.</p>
+<p>Wij zullen dus niets van de liefelijke bewegingen van Cosettes
+ontwaking mededeelen.</p>
+<p>Een oostersch sprookje zegt, dat de roos door God wit was geschapen,
+maar dat, toen Adam haar een oogenblik bij haar ontluiking aanschouwde,
+zij beschaamd en rood werd. Wij behooren tot hen, die voor meisjes en
+bloemen beschroomdheid gevoelen, wijl wij ze eerbiedwaardig vinden.</p>
+<p>Cosette kleedde zich haastig, krulde en kapte zich, &rsquo;t geen
+destijds zeer eenvoudig was, toen de vrouwen haar vlechten en krullen
+niet met kussentjes en steunsels opvulden en geen crinolines in het
+haar droegen. Toen opende zij het raam en sloeg haar oogen rond, in de
+hoop iets van de straat te ontdekken, een punt van een huis, een vakje
+van de straat, om er Marius te bespieden. Maar er was niets van beiden
+te zien. De achterplaats was door tamelijk hooge muren omgeven, en
+daarachter waren eenige tuinen. Cosette vond deze tuinen leelijk; voor
+het eerst van haar leven vond zij de bloemen onaangenaam. Een klein
+gedeelte van een straatgoot zou haar liever zijn geweest. Zij besloot
+eindelijk naar den hemel op te zien, als dacht zij, dat Marius van daar
+zou komen.</p>
+<p>Eensklaps begon zij te schreien. &rsquo;t Was geen aandoenlijkheid
+van ziel; maar een hoop, met zwaarmoedigheid gemengd; &rsquo;t was haar
+toestand van dien oogenblik. Zij gevoelde onduidelijk iets
+verschrikkelijks. Gewis zweven de zaken in de lucht. Zij <span class=
+"pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span>zeide
+bij zich zelve, dat zij van niets zeker was; dat, wanneer men elkander
+uit het oog verloor, men elkander verloren had; en het denkbeeld dat
+Marius uit den hemel tot haar zou komen, scheen haar niet meer
+bekoorlijk, maar somber.</p>
+<p>Eindelijk, zoo gaat het met deze wolken, keerde de rust in haar
+terug, en de hoop, en een soort van onbewusten glimlach, die op God
+vertrouwde.</p>
+<p>Alles sliep nog in het huis. Er heerschte een landelijke stilte.
+Geen vensterluik was nog geopend. De portiersloge was gesloten. Vrouw
+Toussaint was nog niet bij de hand, en Cosette meende natuurlijk, dat
+haar vader nog sliep. Zij moest veel geleden hebben en nog veel lijden,
+want zij zeide bij zich zelve, dat haar vader ondeugend was geweest;
+zij rekende echter op Marius. De verduistering van zulk een licht was
+bepaald onmogelijk.</p>
+<p>Bij tusschenpoozen hoorde zij op een afstand doffe schokken, en zij
+zeide: &rsquo;t Is zonderling, dat men de koetspoorten zoo vroeg open
+en dicht slaat. &rsquo;t Waren de kanonschoten tegen de barricade.</p>
+<p>Eenige voeten beneden Cosettes venster bevond zich onder een
+uitstekende lijst van den ouden, zwarten muur een zwaluwnest; de omvang
+van het nestje stak een weinig over de lijst uit, zoodat men van boven
+in dit kleine paradijs zien kon. Het wijfje was er en spreidde haar
+vleugels als een waaier boven haar jongen uit; het mannetje vloog heen
+en weder en bracht in zijn bekje voedsel en kusjes. De opgaande zon
+overstroomde dit geluk met gouden stralen. De groote wet:
+&bdquo;vermenigvuldigt u&rdquo; lag daar glimlachend en verheven, en
+dit liefelijke geheim ontlook in den glans des morgens. Cosette, met
+het haar in het zonlicht, de ziel in droombeelden, inwendig door de
+liefde, uitwendig door het morgenrood beschenen, boog zich
+werktuiglijk, en, zonder zich schier te durven bekennen dat zij
+tegelijkertijd aan Marius dacht, aanschouwde zij die vogels, dat gezin,
+dat mannetje en wijfje, en die jongen, met die diepe ontroering, welke
+een vogelnestje bij een maagd verwekt.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.11" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het geweerschot dat niets mist en niemand doodt.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het vuur der aanvallers hield aan. Het geweer- en het
+schrootvuur wisselden elkander af, zonder inderdaad veel schade te
+veroorzaken. Alleen het bovengedeelte van den gevel van <span class=
+"pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span>Corinthe
+leed; het venster der eerste verdieping en de dakvensters, die door
+geweerkogels en kartetsen doorboord waren, verloren hoe langer hoe meer
+allen vorm. De strijders die er geposteerd waren, hadden zich moeten
+verwijderen. &rsquo;t Is overigens een tactiek bij den aanval van
+barricaden lang het geweervuur gaande te houden, ten einde de munitie
+der opstandelingen uit te putten, zoo zij den misslag begaan het vuur
+te beantwoorden. Zoodra men aan de verflauwing van hun vuur bespeurt,
+dat zij noch lood noch kruit meer hebben, gaat men tot de bestorming
+over. Enjolras was in dien strik niet gevallen; de barricade antwoordde
+niet.</p>
+<p>Bij ieder pelotonsvuur, stak Gavroche zijn tong uit, ten teeken van
+de hoogste verachting.</p>
+<p>&bdquo;Goed,&rdquo; zeide hij, &bdquo;scheurt linnen. Wij hebben
+pluksel noodig.&rdquo;</p>
+<p>Courfeyrac verweet het schrootvuur zijn weinige uitwerking en zeide
+tot het kanon:</p>
+<p>&bdquo;Ge begint te beuzelen, goede man.&rdquo;</p>
+<p>Men intrigueert in een gevecht als op een bal.</p>
+<p>&rsquo;t Is waarschijnlijk dat deze stilte der barricade de
+belegeraars begon te verontrusten en hun iets onverwachts deed vreezen;
+dat zij de noodzakelijkheid beseften van helder door dien hoop steenen
+heen te zien en te weten wat achter dien gevoelloozen muur gebeurde,
+die de schoten ontving zonder ze te beantwoorden. Eensklaps zagen de
+belegerden een helm, die op een naburig dak in de zon glinsterde. Een
+pompier stond tegen een hoogen schoorsteen als op schildwacht. Zijn
+blik viel lijnrecht in de barricade.</p>
+<p>&bdquo;Dat is een lastige toeschouwer,&rdquo; zei Enjolras.</p>
+<p>Jean Valjean had aan Enjolras diens karabijn wedergegeven, maar hij
+had zijn geweer.</p>
+<p>Zonder een woord te spreken, legde hij op den pompier aan, en een
+seconde later viel de helm door een kogel getroffen kletterend op de
+straat. De verschrikte soldaat verdween in haast.</p>
+<p>Een tweede opmerker nam zijn plaats in. Deze was een officier, Jean
+Valjean, die zijn geweer weder geladen had, legde op den nieuw
+aangekomene aan en deed den helm van den officier den helm van den
+soldaat opzoeken. De officier toefde niet, maar verwijderde zich in
+allerijl. Ditmaal werd de waarschuwing begrepen. Niemand verscheen meer
+op het dak, en men zag er van af, de barricade te bespieden.</p>
+<p>&bdquo;Waarom hebt ge den man niet gedood?&rdquo; vroeg Bossuet aan
+Jean Valjean.</p>
+<p>Jean Valjean antwoordde niet. <span class="pagenum">[<a id="pb43"
+href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.12" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Twaalfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De wanorde als handlanger der orde.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bossuet fluisterde Combeferre in &rsquo;t oor:</p>
+<p>&bdquo;Hij heeft op mijn vraag niet geantwoord.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een man, die goed doet met geweerschoten,&rdquo;
+zei Combeferre.</p>
+<p>Zij, die nog eenige herinnering van dien reeds verwijderden tijd
+bewaard hebben, weten, dat de nationale garde der voorstad zich dapper
+tegen de opstanden kweet. Zij was inzonderheid verbitterd en
+onverschrokken in de Junidagen van 1832. Menig goed kastelein van
+Pantin en de omstreken, die ten gevolge van den opstand niets te doen
+had en die zijn danszaal ledig zag, werd een leeuw en liet zich dooden
+om de orde, door het danshuis vertegenwoordigd, te herstellen. In dien
+tevens burgerlijken en heldhaftigen tijd hadden de belangen hun
+paladijns, evenals de idee&euml;n hun ridders hadden. Het proza van het
+bewegelijke ontnam niets aan de dapperheid der beweging. De
+vermindering van den geldstapel deed bankiers de Marseillaise zingen.
+Men vergoot lyrisch zijn bloed voor het kantoor; en met lacedemonische
+geestdrift verdedigde men den winkel, deze oneindige verkleining van
+het vaderland.</p>
+<p>&rsquo;t Moet gezegd worden, dat in den grond dit alles zeer ernstig
+was. &rsquo;t Waren de maatschappelijke elementen, die tegen elkander
+in strijd kwamen, in afwachting van den dag dat zij in evenwicht zouden
+komen.</p>
+<p>Een ander teeken van den tijd was de regeeringloosheid, vermengd met
+regeeringsgezindheid. Men was v&oacute;&oacute;r de orde, zonder tucht.
+Een tamboer sloeg onverwacht op het bevel van dezen of genen kolonel
+der nationale garde, naar eigen zin, een of ander signaal; deze of gene
+kapitein ging op eigen gezag in &rsquo;t vuur; deze of gene nationale
+garde streed voor zijn id&eacute;e en voor eigen rekening. In
+oogenblikken van crisis en op de dagen van gevecht ging men minder te
+rade met zijn chefs dan met zijn eigen neigingen. In het leger der orde
+waren echte guerillero&rsquo;s, eenigen van den degen als Fannicot,
+anderen van de pen als Henry Fonfr&egrave;de.</p>
+<p>De beschaving, die in dien tijd ongelukkigerwijs veeleer
+vertegenwoordigd werd door een reeks van belangen dan door een groep
+beginselen, was of waande zich in gevaar; zij slaakte den alarmkreet;
+iedereen maakte zich tot een centrum, verdedigde, hielp, beschermde
+haar, naar zijn zienswijze; en de <span class="pagenum">[<a id="pb44"
+href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>eerste de beste nam de taak op
+zich de maatschappij te redden.</p>
+<p>De ijver ging vaak tot verdelging over. Menig peloton van nationale
+garden vormde zich eigenmachtig tot krijgsraad, vonniste, en voerde
+binnen vijf minuten het vonnis over een gevangen opstandeling uit. Zulk
+een <span class="corr" id="xd20e1057" title=
+"Bron: ge&iuml;mprovizeerde">ge&iuml;mproviseerde</span> rechtbank had
+Jean Prouvaire gedood. Een wreede lynchwet, welke geen partij het recht
+<span class="corr" id="xd20e1060" title="Bron: heeft">geeft</span> een
+andere verwijtingen te doen, want zij wordt zoowel in Amerika door de
+republiek als in Europa door de monarchie toegepast. Deze lynchwet is
+onderhevig aan allerlei vergissingen. Op een dag van opstand werd een
+jong dichter, genaamd Paul-Aim&eacute; Garnier, op het Koningsplein met
+de bajonnet vervolgd en ontsnapte nauwelijks door onder de koetspoort
+van het huis No. 6 te vluchten. Men riep: &bdquo;&rsquo;t Is ook een
+St. Simonist!&rdquo; en men wilde hem dooden. Hij droeg een deel der
+gedenkschriften van den hertog de Saint-Simon onder den arm. Een
+nationale garde had op dit boek het woord &bdquo;Saint-Simon,&rdquo;
+gelezen en geroepen: &bdquo;Doodt hem!&rdquo;</p>
+<p>Den 6 Juni 1832 liet zich een compagnie nationale garden van de
+voorstad, gecommandeerd door kapitein Fannicot, bovengenoemd,
+vrijwillig en als uit vermaak in de straat Chanvrerie grootendeels
+dooden. Dit feit, hoe zonderling het zij, is bevestigd door de
+rechterlijke instructie ter zake van den opstand in 1832. Kapitein
+Fannicot, een ongeduldig en stoutmoedig burger, een soort van
+condottieri der orde, een derzulken, welke wij gekarakteriseerd hebben,
+een fanatiek en onbedwongen aanhanger der regeering, kon de bekoring
+niet wederstaan om v&oacute;&oacute;r het bepaalde oogenblik vuur te
+geven, en aan de eerzucht om alleen, namelijk met zijn compagnie, de
+barricade in te nemen. Verward door de achtereenvolgende verschijning
+van de roode vlag en den ouden rok, dien hij voor een zwart vaandel
+hield, laakte hij luid de generaals en de chefs der korpsen, die
+overlegden, en meenden dat het beslissend oogenblik der bestorming nog
+niet gekomen was, en, volgens een merkwaardige uitdrukking van een
+hunner, &bdquo;den opstand in zijn vet lieten gaar koken.&rdquo; Maar
+hij voor zich vond de barricade rijp, en, wijl &rsquo;t geen rijp is
+vallen moet, beproefde hij haar aan te vallen.</p>
+<p>Hij had het bevel over mannen, die even onverschrokken waren als
+hij, &bdquo;razenden,&rdquo; zooals een getuige zeide. Zijn compagnie,
+dezelfde die den dichter Jean Prouvaire had gedood, was de eerste van
+het bataljon, dat aan den hoek der straat stond. Op een oogenblik, dat
+men &rsquo;t het minst verwachtte, wierp de kapitein zijn manschappen
+tegen de barricade. Deze beweging, met meer goeden wil dan krijgskunst
+volbracht, <span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name=
+"pb45">45</a>]</span>kwam de compagnie Fannicot duur te staan.
+V&oacute;&oacute;r zij twee derde van den weg had afgelegd, werd zij
+door een algemeen salvo der barricade begroet. Vier, de vermetelsten,
+die aan de spits waren, werden aan den voet der barricade
+neergeschoten, en deze moedige troep nationale garden, die echter de
+militaire standvastigheid misten, moest, na eenige weifeling, met
+achterlating van vijftien lijken terugtrekken. Het oogenblik van
+weifeling gaf den opstandelingen den tijd om hun geweren weder te
+laden, en een tweede, zeer doodelijke losbranding trof de compagnie,
+v&oacute;&oacute;r zij den hoek der straat, haar wijkplaats, bereikt
+had. Een oogenblik stond zij tusschen twee vuren en ontving de lading
+schroot uit het kanon, dat, geen bevel hiertoe hebbende, zijn vuur niet
+gestaakt had. De onversaagde en onvoorzichtige Fannicot was een der
+gesneuvelden. Hij werd door het kanon gedood, dat wil zeggen: door de
+orde.</p>
+<p>Deze meer verwoede, dan ernstige aanval, vertoornde
+Enjolras.&mdash;De dwazen! zeide hij. Zij laten hun manschappen dooden
+en ons onze <span class="corr" id="xd20e1072" title=
+"Bron: amunitie">ammunitie</span> voor niets verspillen.</p>
+<p>Enjolras sprak als een echt generaal van den opstand, gelijk hij
+was. De opstand en de bedwinging strijden niet met gelijke wapens. De
+opstand, die spoedig is uitgeput, heeft slechts een bepaald getal
+schoten en strijders te zijner beschikking. Een ledige patroontasch,
+een gesneuvelde, kunnen niet vervangen worden. Maar de bedwinging, die
+het leger en Vincennes heeft, telt evenmin de manschappen als de
+schoten. De bedwinging heeft evenveel regimenten als de barricade
+manschappen en evenveel arsenalen als de barricade patroontasschen. Ook
+zijn &rsquo;t gevechten van &eacute;&eacute;n tegen honderd, die immer
+met de inneming der barricade eindigen; tenzij de revolutie plotseling
+te voorschijn kome en haar vlammend zwaard in de balans werpt. Dit
+gebeurt soms. Dan komt alles in opstand, de straatsteenen beginnen te
+gloeien, overal verrijzen barricaden, Parijs trilt oppermachtig, het
+<i lang="la">quid divinum</i> lost zich op, een 10e Augustus, een 20e
+Juli zweven in de lucht, een wonderbaar licht verschijnt, de gapende
+muil der macht wijkt, en het leger, die leeuw, ziet voor zich, rustig,
+dien profeet, Frankrijk. <span class="pagenum">[<a id="pb46" href=
+"#pb46" name="pb46">46</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.13" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Dertiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Voorbijgaande flikkeringen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In den chaos van gevoelens en hartstochten, die een
+barricade verdedigen, is van alles: dapperheid, jeugd, eergevoel,
+geestdrift, ideaal, overtuiging, de hardnekkigheid van den speler en
+bovenal tusschenpoozen van hoop.</p>
+<p>Zulk een tusschenpoozing, een dier onduidelijke stralen van hoop,
+schoot eensklaps, op het onverwachts, door de barricade der
+Chanvreriestraat.</p>
+<p>&bdquo;Hoort,&rdquo; riep Enjolras eensklaps, steeds nauwkeurig
+oplettende; &bdquo;mij dunkt, dat Parijs ontwaakt.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Is stellig, dat in den morgen van den 6<sup>den</sup> Juni
+de opstand gedurende een paar uren in kracht toenam. De hardnekkigheid,
+waarmede de stormklok van St. Merry voortdurend luidde, wekte eenigen
+op. In de straten du Poirier en Gravilliers werden barricaden
+opgericht. Voor de poort Saint Martin viel een enkel jongeling met een
+karabijn gewapend een escadron cavalerie aan. Geheel ongedekt, midden
+op den boulevard, viel hij op een knie neder, mikte, schoot, doodde den
+escadrons-chef, en zeide, zich omkeerend: &bdquo;Ziedaar, weder een die
+ons geen kwaad meer zal doen.&rdquo; Hij werd nedergesabeld. In de
+straat St. D&eacute;nis schoot een vrouw achter een nedergelaten
+jaloezie op de municipale garde. Bij ieder schot zag men de
+jaloezielatten trillen. Een veertienjarige knaap werd in de
+Cossonneriestraat aangehouden, met zijn zakken vol patronen.
+Verscheiden wachtposten werden aangevallen. Bij den ingang der straat
+Bertin-Poir&eacute;e, werd een regiment kurassiers, aan welks spits
+generaal Cavaignac de Baragne reed, door een zeer levendig en geheel
+onverwacht geweervuur ontvangen. In de straat Planche-Mibray wierp men
+van de daken op de soldaten potscherven en keukengereedschap; een
+slecht teeken. Toen men den maarschalk Soult dit berichtte, zette de
+oude officier van Napoleon een bedenkelijk gezicht, zich de woorden
+herinnerende van Suchet te Sarragossa: &bdquo;Wij zijn verloren, zoo de
+oude vrouwen haar waterpotten op onze hoofden uitgieten.&rdquo;</p>
+<p>Deze algemeene verschijnselen, welke zich openbaarden op hetzelfde
+oogenblik, dat men den opstand bedwongen achtte, deze koortsige toorn,
+welke de bovenhand verkreeg, die vonken, welke hier en daar over die
+opeengehoopte brandstoffen vlogen, namelijk boven de Parijsche
+voorsteden, dit alles verontrustte de militaire bevelhebbers. Men
+haastte zich, deze <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47"
+name="pb47">47</a>]</span>beginselen van brand uit te dooven. Men
+wachtte hierop met den aanval der barricaden Maubu&eacute;e, Chanvrerie
+en Saint-Merry, ten einde slechts met deze alleen te doen te hebben en
+alles in &eacute;&eacute;n slag te kunnen eindigen. In de oproerige
+wijken werden colonnes geworpen, die de groote straten schoonveegden,
+de kleine rechts en links doorzochten, nu voorzichtig en langzaam, dan
+met den stormpas. De soldaten stieten de deuren der huizen open,
+waaruit geschoten was; terwijl tegelijkertijd de cavalerie de
+samenscholingen op de boulevards uiteendreef. Deze bedwinging
+geschiedde niet zonder dat gewoel en gerucht, &rsquo;t welk aan een
+botsing tusschen het leger en het volk eigen zijn. Dit was het, wat
+Enjolras in de tusschenpoozen van het kanon- en geweervuur hoorde.
+Bovendien had hij aan het einde der straat gekwetsten zien
+voorbijdragen, en hij zeide tot Courfeyrac:</p>
+<p>&bdquo;Deze gekwetsten komen niet van ons.&rdquo;</p>
+<p>De hoop duurde niet lang, het licht verdween spoedig. In minder dan
+een half uur was de hemel donker; &rsquo;t was als een bliksem zonder
+donder, en de opstandelingen voelden die soort van verlamming, waarmede
+de onverschilligheid des volks de aan zich zelven overgelaten
+<span class="corr" id="xd20e1105" title=
+"Bron: hardnekkingen">hardnekkigen</span> treft.</p>
+<p>De algemeene beweging, die eensklaps scheen ontstaan te zijn, was in
+de geboorte gestikt; en de zorg des ministers van oorlog en de
+krijgskunst der generaals konden zich nu onverdeeld aan de drie of vier
+barricaden wijden, die nog stand hielden.</p>
+<p>De zon rees aan den horizon.</p>
+<p>Een opstandeling zeide tot Enjolras:</p>
+<p>&bdquo;Men heeft hier honger. Zullen wij inderdaad sterven zonder
+gegeten te hebben?&rdquo;</p>
+<p>Enjolras, altijd tegen de borstwering geleund, zonder zijn oogen van
+het einde der straat te wenden, knikte toestemmend.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.14" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Veertiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Waarin men den naam van Enjolras&rsquo; geliefde lezen
+zal.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Courfeyrac, die dicht bij Enjolras op een steen zat,
+schold steeds op het kanon, en telkens, wanneer met donderend gerucht
+die noodlottige kogelwolk voorbijvloog, welke men schroot noemt, had
+hij er een spottend woord voor.</p>
+<p>&bdquo;Gij vermoeit uw longen tevergeefs, mijn arme lompe
+<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name=
+"pb48">48</a>]</span>oude; het spijt mij, maar gij verspilt uw woede
+voor niets. Dit is geen donder, &rsquo;t is maar hoesten.&rdquo;</p>
+<p>En men lachte rondom hem.</p>
+<p>Courfeyrac en Bossuet, wier moedige vroolijkheid met het gevaar
+vermeerderde, vervingen, gelijk madame Scarron, het voedsel door
+scherts, en wijl er geen wijn was, schonken zij ieder vroolijkheid
+in.</p>
+<p>&bdquo;Ik bewonder Enjolras,&rdquo; zei Bossuet. &bdquo;Zijn
+onwrikbare vermetelheid verbaast mij. Hij leeft alleen, &rsquo;t geen
+hem misschien een weinig somber maakt; Enjolras klaagt over zijn
+grootheid, die hem aan het weduwnaarschap verbindt. Wij allen hebben
+ten minste minnaressen, die ons dol, dat wil zeggen <i>dapper</i>,
+maken. Is men verliefd als een tijger, dan moet men ten minste wel als
+een leeuw vechten. Op die wijze wreken wij ons over de streken onzer
+dames-grisettes. Roland laat zich dooden, om Ang&eacute;lique boos te
+maken; al onze heldenmoed komt van onze vrouwen. Een man zonder vrouw
+is een pistool zonder haan; &rsquo;t is de vrouw, die den man vuur doet
+geven. En Enjolras heeft geen vrouw. Hij is niet verliefd en vindt toch
+het middel om onverschrokken te zijn. &rsquo;t Is iets wonderbaars, dat
+men koud als ijs en moedig als vuur kan zijn.&rdquo;</p>
+<p>Enjolras scheen niet te luisteren, maar iemand, die dicht bij hem
+ware geweest, had hem kunnen hooren fluisteren:
+&bdquo;Patria.&rdquo;</p>
+<p>Bossuet lachte nog, toen Courfeyrac riep:</p>
+<p>&bdquo;Iets nieuws!&rdquo;</p>
+<p>En met de stem eens deurwachters, die iemand aankondigt, voegde hij
+er bij:</p>
+<p>&bdquo;Ik heet achtponder.&rdquo;</p>
+<p>Inderdaad, een nieuw personage was op &rsquo;t tooneel verschenen.
+&rsquo;t Was een tweede stuk geschut.</p>
+<p>De artilleristen stelden vlug en handig dit tweede stuk in batterij
+bij het eerste.</p>
+<p>Dit bespoedigde de ontknooping.</p>
+<p>Eenige oogenblikken later vuurden de twee stukken, die ijverig
+bediend werden, tegen het front der barricade; het pelotonsvuur der
+linietroepen en der voorstad ondersteunde de artillerie.</p>
+<p>Op eenigen afstand hoorde men een andere kanonnade. Terwijl twee
+kanonstukken hardnekkig de barricade der Chanvreriestraat beschoten,
+havenden twee andere vuurmonden, de eene in de straat St. Denis, de
+andere in de straat Aubry-le-Boucher, de barricade Saint-Merry. De vier
+kanonnen vormden een akelige echo.</p>
+<p>De treurig blaffende honden des oorlogs beantwoordden elkander.</p>
+<p>Van de twee stukken, die nu de barricade der Chanvreriestraat
+<span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name=
+"pb49">49</a>]</span>beukten, schoot het eene schroot, het andere
+kogels.</p>
+<p>Het stuk dat kogels schoot was eenigszins hoog gericht, zoodat de
+kogels den uitersten bovenrand raakten, dien verbrijzelden en de
+brokken der straatsteenen als schroot op de opstandelingen wierpen.</p>
+<p>Het doel was om door dit middel de strijders van de kruin der
+barricade te verwijderen en hen te dwingen zich er binnen samen te
+dringen; dit is een teeken dat de bestorming nabij was.</p>
+<p>Zoodra de strijders van de kruin der barricade door de kogels, en
+van de vensters der herberg door het schroot waren verjaagd, konden de
+aanvalcolonnes zich in de straat wagen, zonder dat men op haar schoot,
+misschien, zonder gezien te worden, plotseling de barricade beklimmen,
+gelijk den vorigen avond, en, wie weet? haar bij verrassing
+innemen.</p>
+<p>&bdquo;Het lastige dezer stukken moet noodzakelijk verminderd
+worden,&rdquo; zei Enjolras en hij riep: &bdquo;Vuur op de
+artilleristen!&rdquo;</p>
+<p>Allen waren gereed. De barricade, die sedert zoolang gezwegen had,
+gaf nu geducht vuur; met een soort van woeste vreugde volgden zeven of
+acht losbrandingen op elkander; de straat vulde zich met een dichten
+rook, en na eenige minuten kon men door dien met vlammen gemengden
+nevel onduidelijk twee derden der artilleristen onder de wielen der
+kanonnen zien liggen. Zij die staande waren gebleven gingen voort met
+ernstige kalmte de stukken te bedienen, maar het vuur was verzwakt.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Gaat goed,&rdquo; zei Bossuet tot Enjolras.
+&bdquo;Wij slagen.&rdquo;</p>
+<p>Enjolras schudde het hoofd en antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Indien wij nog een kwartieruurs zoo slagen, zullen in de
+barricaden geen tien patronen meer zijn.&rdquo;</p>
+<p>Het schijnt, dat Gavroche die woorden gehoord had.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.15" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijftiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Gavroche buiten.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eensklaps zag Courfeyrac iemand, onder aan de
+barricade, buiten op de straat, in den kogelregen.</p>
+<p>Gavroche had een flesschenmand uit de herberg genomen, was door de
+snijding uitgegaan en rustig bezig met de volle patroontasschen der
+voor de barricade gesneuvelde nationale garden in zijn mand te
+ledigen.</p>
+<p>&bdquo;Wat doet ge daar?&rdquo; vroeg Courfeyrac.</p>
+<p>Gavroche zag even op en zeide: <span class="pagenum">[<a id="pb50"
+href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik vul mijn mand, burger.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ziet ge dan het schroot niet?&rdquo;</p>
+<p>Gavroche antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Welnu, het regent. Wat zou dat?&rdquo;</p>
+<p>Courfeyrac riep:</p>
+<p>&bdquo;Ga binnen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aanstonds,&rdquo; zei Gavroche.</p>
+<p>En met een sprong was hij verder in de straat.</p>
+<p>Men herinnere zich, dat toen de compagnie Fannicot terugtrok, zij
+een rij lijken had achtergelaten.</p>
+<p>Een twintigtal dooden lag over de geheele lengte der straat
+verspreid. &rsquo;t Waren een twintigtal patroontasschen voor Gavroche;
+een voorraad patronen voor de barricade.</p>
+<p>De kruitdamp lag boven de straat als een dichte nevel. Wie ooit op
+een gebergte tusschen twee steile kloven een wolk heeft zien dalen, kan
+zich dezen dichten kruitdamp tusschen twee donkere rijen hooge huizen
+voorstellen. Langzaam steeg hij opwaarts en hernieuwde zich gestadig;
+daardoor ontstond een trapswijze verduistering, die zelfs het daglicht
+deed tanen. Nauwelijks konden de strijders elkander van het eene tot
+het andere einde dezer zoo korte straat zien.</p>
+<p>Deze, door de bevelhebbers die den aanval moesten besturen,
+waarschijnlijk gewenschte en berekende verduistering, was nuttig voor
+Gavroche.</p>
+<p>Onder de plooien van dien rooksluier, kon hij wegens zijn kleinheid
+tamelijk ver de straat ingaan zonder gezien te worden. Zonder groot
+gevaar plunderde hij de eerste zeven of acht patroontasschen.</p>
+<p>Hij kroop op zijn buik, liep op handen en voeten, nam de mand
+tusschen zijn tanden, kronkelde, wendde zich, sloop van den eenen tot
+den anderen doode en ledigde de patroontasschen gelijk een aap een noot
+opent.</p>
+<p>Men durfde van de barricade hem niet toeroepen, dat hij moest
+terugkeeren, uit vrees de aandacht op hem te trekken.</p>
+<p>Op het lijk van een korporaal vond hij een kruithoorn.</p>
+<p>&bdquo;Voor den dorst,&rdquo; zeide hij den hoorn in den zak
+stekende.</p>
+<p>Steeds vooruitgaande kwam hij aan een plek, waar de nevel van den
+kruitdamp lichter werd, zoodat de tirailleurs der linie, die achter hun
+borstwering van straatsteenen stonden, en de tirailleurs der voorstad,
+om den hoek der straat samengehoopt, elkander eensklaps iets wezen, dat
+zich in den kruitdamp bewoog.</p>
+<p>Juist toen Gavroche een sergeant, die bij een straatpaal lag,
+<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name=
+"pb51">51</a>]</span>van zijne patronen bevrijdde, trof een geweerkogel
+het lijk.</p>
+<p>&bdquo;Verduiveld!&rdquo; zei Gavroche. &bdquo;Nu gaat men mijn
+dooden dooden.&rdquo;</p>
+<p>Een tweede geweerkogel deed vonken uit de straatsteenen naast hem
+springen. Een derde wierp zijn mand om.</p>
+<p>Gavroche zag op en ontdekte dat het van de nationale garden der
+voorstad kwam.</p>
+<p>Hij richtte zich geheel op, met in den wind fladderend haar, de
+handen in de zijden, het oog strak op de vurende nationale garden
+gericht en hij zong:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">On est laid &agrave; Nanterre,</p>
+<p class="line">C&rsquo;est la faute &agrave; Voltaire,</p>
+<p class="line">Et b&ecirc;te &agrave; Palaiseau.</p>
+<p class="line">C&rsquo;est la faute &agrave; Rousseau.<a class=
+"noteref" id="xd20e1258src" href="#xd20e1258" name=
+"xd20e1258src">1</a></p>
+</div>
+<p class="first">Toen nam hij zijn mand op, legde er, zonder er een te
+verliezen, de patronen in, en dichter tot het geweervuur naderend, ging
+hij een vierde patroontasch plunderen. Daar werd hij nogmaals schier
+door een geweerkogel getroffen.</p>
+<p>Gavroche zong:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">Je ne suis pas notaire,</p>
+<p class="line">C&rsquo;est la faute &agrave; Voltaire,</p>
+<p class="line">Je suis petit oiseau,</p>
+<p class="line">C&rsquo;est la faute &agrave; Rousseau.<a class=
+"noteref" id="xd20e1273src" href="#xd20e1273" name=
+"xd20e1273src">2</a></p>
+</div>
+<p class="first">Een vijfde geweerkogel had geen ander gevolg dan hem
+een derde couplet te ontlokken.</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">Joie est mon caract&egrave;re,</p>
+<p class="line">C&rsquo;est la faute &agrave; Voltaire,</p>
+<p class="line">Mis&egrave;re est mon trousseau.</p>
+<p class="line">C&rsquo;est la faute &agrave; Rousseau.<a class=
+"noteref" id="xd20e1287src" href="#xd20e1287" name=
+"xd20e1287src">3</a></p>
+</div>
+<p class="first">Dit ging eenigen tijd zoo voort.</p>
+<p>&rsquo;t Was een vreeselijk en echter bekoorlijk schouwspel.
+Gavroche, op wien geschoten werd, spotte met het geweervuur. Hij scheen
+zich ontzaggelijk te vermaken. Hij geleek een musch, die de jagers
+pikte. Elke losbranding beantwoordde hij met een <span class="corr" id=
+"xd20e1293" title="Bron: kouplet">couplet</span>. Men mikte gestadig op
+hem, doch miste hem altijd. <span class="pagenum">[<a id="pb52" href=
+"#pb52" name="pb52">52</a>]</span>De nationale garden en de soldaten
+lachten, terwijl zij op hem aanlegden. Hij ging liggen, stond weder op,
+verschool zich in den hoek eener deur, sprong voorwaarts, verdween,
+kwam weder te voorschijn, liep weg, keerde terug, beantwoordde het
+geweervuur met een spottend gebaar, plunderde onderwijl de patronen,
+ledigde de patroontasschen en vulde zijn mand. Hijgend van angst
+volgden de opstandelingen hem met hun oogen. De barricade beefde; hij
+zong. &rsquo;t Was geen kind, &rsquo;t was geen man; &rsquo;t was een
+zonderling bovennatuurlijk wezen in de gestalte van een straatjongen.
+Men zou hem voor een onkwetsbaren dwerg van het krijgsgewoel hebben
+gehouden. De kogels liepen hem na, maar hij was vlugger dan zij. Hij
+speelde vreeselijk schuilhoekje met den dood; telkens wanneer het
+stompe gezicht van het spooksel hem naderde, bracht de straatjongen
+zijn vinger aan den neus.</p>
+<p>Maar eindelijk trof een kogel, beter aangelegd of verraderlijker dan
+de andere, den dwaallichtjongen. Men zag Gavroche wankelen, toen
+ineenzinken. De geheele barricade slaakte een kreet, maar in dien dwerg
+was iets van Anteus, de straat te raken is voor den straatjongen
+hetzelfde als voor den reus de aarde te bezoeken; nauwelijks was
+Gavroche gevallen of hij richtte zich weder op; hij bleef zitten en een
+lange bloedstraal vloeide over zijn gelaat; hij hief beide armen op,
+zag naar den kant, van waar het schot was gekomen, en zong:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">Je suis tomb&eacute; par terre,</p>
+<p class="line">C&rsquo;est la faute &agrave; Voltaire,</p>
+<p class="line">Le nez dans le ruisseau,</p>
+<p class="line">C&rsquo;est la faute &agrave;.....<a class="noteref"
+id="xd20e1309src" href="#xd20e1309" name="xd20e1309src">4</a></p>
+</div>
+<p class="first">Hij bracht het vers niet ten einde. Een tweede kogel
+van denzelfden schutter deed hem zwijgen. Nu viel hij met het gezicht
+op de straat, en verroerde zich niet meer. Deze kleine groote ziel was
+ontvloden. <span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name=
+"pb53">53</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e1258" href="#xd20e1258src" name=
+"xd20e1258">1</a></span> Te Nanterre is men leelijk, dat is de schuld
+van Voltaire, te Palaiseau is men dom, dat is de schuld van
+Rousseau.</p>
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e1273" href="#xd20e1273src" name=
+"xd20e1273">2</a></span> Ik ben geen notaris, dat is de schuld van
+Voltaire, ik ben een klein vogeltje, dat is de schuld van Rousseau.</p>
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e1287" href="#xd20e1287src" name=
+"xd20e1287">3</a></span> Ik ben vroolijk van aard, dat is de schuld van
+Voltaire, armoede is mijn geboortegift, dat is de schuld van
+Rousseau.</p>
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e1309" href="#xd20e1309src" name=
+"xd20e1309">4</a></span> Ik viel ter aarde, dat is de schuld van
+Voltaire; met den neus in de goot, dit is de schuld van....</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.16" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zestiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Hoe men van broeder vader wordt.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In ditzelfde oogenblik waren in den tuin van het
+Luxembourg,&mdash;want de blik van het drama moet overal
+zijn.&mdash;twee kinderen, die elkander bij de hand hielden. Het een
+mag vijf, het andere zeven jaar oud zijn geweest. Zij waren doornat van
+den regen en gingen door de lanen aan de zonzijde; het oudste geleidde
+het kleinste; zij waren bleek en in lompen gekleed, en hadden &rsquo;t
+voorkomen van schuwe vogels. Het kleinste zeide: &bdquo;Ik heb grooten
+honger.&rdquo;</p>
+<p>De oudste, die reeds iets van een beschermer had, hield zijn
+broertje bij de linker- en had een stokje in de rechterhand.</p>
+<p>Zij waren alleen in den tuin. De tuin was eenzaam, de hekken, waren
+gesloten, als politiemaatregel, uithoofde van den opstand, de troepen,
+die er gebivouakkeerd hadden, waren ten strijde getogen.</p>
+<p>Hoe waren deze kinderen d&agrave;&agrave;r gekomen? Misschien waren
+zij uit een even geopend wachthuis ontsnapt; misschien stond er in den
+omtrek der barri&egrave;re d&rsquo;Enfer, of op de esplanade van het
+Observatoire, of op het naburig plein, waar men op een gevel leest:
+<i lang="la">invenerunt parvulum pannis involutum</i><a class="noteref"
+id="xd20e1329src" href="#xd20e1329" name="xd20e1329src">1</a>, de tent
+van een koorddanser, waaruit zij gevlucht waren; misschien hadden zij
+den vorigen avond het oog der opzichters van den tuin bij de sluiting
+verschalkt en den nacht in een dier huisjes doorgebracht, waar men de
+dagbladen leest. W&aacute;&aacute;r was het, dat zij zwierven en vrij
+schenen. Wanneer men zwerft en vrij schijnt is men verloren. Deze arme
+kleinen waren inderdaad verloren.</p>
+<p>Deze twee kinderen waren dezelfde, waarover Gavroche zich bezorgd
+had gemaakt, en welke de lezer zich herinnert. De kinderen der
+echtgenooten Th&eacute;nardier, ten huize van Magnon, vermeende
+kinderen van den heer Gillenormand, en nu van al die wortellooze takken
+afgevallen en door den wind verstrooide bladeren.</p>
+<p>Hun kleeding, die tijdens Magnon zindelijk was, en haar tegenover
+den heer Gillenormand tot aanbeveling diende, was in lompen
+veranderd.</p>
+<p>Deze wezens behoorden voortaan tot de statistiek der &bdquo;verlaten
+kinderen,&rdquo; welke de politie opraapt, verliest en opnieuw in de
+straten van Parijs vindt. <span class="pagenum">[<a id="pb54" href=
+"#pb54" name="pb54">54</a>]</span></p>
+<p>Slechts ten gevolge der verwarring van zulk een dag konden
+dergelijke rampzaligen in dien tuin zijn. Zoo de opzichters hen gezien
+hadden, zouden zij die lompen weggejaagd hebben. Arme kinderen mogen
+geen openbare tuinen binnengaan; men moest evenwel bedenken, dat zij
+als kinderen recht op bloemen hebben.</p>
+<p>Deze hadden het aan de gesloten hekken te danken, dat zij er waren.
+Zij waren er tegen de orde. Zij waren den tuin binnengeslopen en er
+gebleven. De gesloten hekken ontslaan de opzichters niet van hun
+waakzaamheid, en deze wordt geacht voort te duren, maar zij wordt
+flauwer en neemt rust. De opzichters, die insgelijks door den
+algemeenen angst waren aangegrepen en zich meer bezighielden met
+hetgeen buiten dan binnen gebeurde, achtten niet meer op den tuin en
+hadden de beide overtreders niet gezien.</p>
+<p>Het had den vorigen avond geregend en ook &rsquo;s morgens nog een
+weinig. Maar in Juni let men niet op een weinig regen. Nauwelijks
+bespeurt men een uur na een regenbui, dat de schoone dag geweend heeft.
+Des zomers is de aarde even spoedig weder droog, als de wang van een
+kind. Ten tijde van den zonnestilstand is het licht des vollen middags
+schier stekend. Het slurpt alles op, en zuigt de aarde als &rsquo;t
+ware uit. Men zou zeggen, dat de zon dorst heeft. Een plasregen is een
+glas water; de regen is dadelijk opgedronken. Des morgens is alles
+druipnat, des namiddags is alles stof.</p>
+<p>Niets is schooner dan het groen, dat door den regen gewasschen en
+door de zon gedroogd is; &rsquo;t is een warme frischheid. De tuinen en
+weiden, die water in hun wortels en zon in hun bloemen hebben, worden
+wierooksvaten en doen al hun geuren tegelijk opstijgen. Alles lacht,
+zingt en biedt zich aan. Men gevoelt zich verrukt en opgetogen. De
+lente is een voorloopig paradijs; de zon helpt den mensch geduld te
+oefenen.</p>
+<p>Er zijn wezens die niets meer verlangen; levenden, die het azuur des
+hemels aanschouwende, zeggen: &rsquo;t is genoeg! droomers, die, in het
+wonderbare verzonken, in de aanbidding der natuur de onverschilligheid
+voor het goede en het kwade putten; geheel van den mensch afgetrokken
+beschouwers van den cosmos, die niet begrijpen, dat men zich met den
+honger van dezen, met den dorst van genen bezighoudt, met de naaktheid
+van den arme des winters, met de wanschapenheid van een ellendig klein
+wezen, met het armoedig strooleger en dakkamertje, met den kerker en
+met in lompen van koude bibberende jonge meisjes, wanneer men onder het
+geboomte droomen kan, schrikkelijk vreedzame menschen, die onbarmhartig
+<span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name=
+"pb55">55</a>]</span>tevreden zijn. Zonderling, het oneindige is voor
+hen voldoende. Het eindige, &rsquo;t welk de omvatting toelaat, deze
+groote behoefte van den mensch, kennen zij niet. Aan het eindige, dat
+den vooruitgang, den verheven arbeid toelaat, denken zij niet. Het
+onbepaalde, dat uit de vermenging van het menschelijke en goddelijke,
+het oneindige en eindige ontstaat, ontsnapt hun. Zij glimlachen, mits
+zij slechts het onmetelijke voor zich hebben. Nooit vreugd, altijd
+geestvervoering. Zich in zich zelven te verdiepen is hun leven. Voor
+hen is de geschiedenis der menschheid slechts een gedeeltelijk plan,
+waarbij het Geheel niet is, het wezenlijk Geheel blijft er buiten;
+waarom zich met deze bijzonderheid, den mensch, bezig te houden? De
+mensch lijdt, &rsquo;t is mogelijk; maar zie naar Aldebaran die opgaat!
+De moeder heeft geen zog meer, de pasgeborene sterft; dit gaat mij niet
+aan; maar zie eens die fraaie figuren van een vezeltje van den
+hazelwortel onder de microscoop, de fijnste Mechelsche kant is er niets
+bij. Die denkers vergeten te beminnen. De dierenriem werkt zoodanig op
+hen, dat zij hen belet het weenende kind te zien. God verduistert hun
+ziel. &rsquo;t Is een familie van tevens kleine en groote geesten.
+Horatius en Goethe behoorden tot hen, misschien ook Lafontaine;
+heerlijke ego&iuml;sten van het oneindige, stille aanschouwers der
+smart, die zelfs Nero bij schoon weder niet zien, voor wien de zon den
+brandstapel verbergt, die zouden willen zien guillotineeren, om daarbij
+de uitwerking van het licht te bestudeeren, die geen kreten, geen
+geween, geen doodssnik, geen stormklok hooren; voor wie alles goed is,
+wijl het Mei is, die, zoolang er purperen en gouden wolkjes boven hun
+hoofden zijn, zich tevreden verklaren, en besloten hebben gelukkig te
+zijn zoolang de sterren fonkelen en de vogels zingen.</p>
+<p>&rsquo;t Zijn donkere helderheden. Zij vermoeden niet, dat zij te
+beklagen zijn. Zij zijn het gewis. Die niet weent, ziet niet. Men moet
+ze bewonderen en beklagen, zooals men een wezen zou beklagen, dat
+tevens nacht en dag was, geen oogen onder de wenkbrauwen had, maar een
+ster in het midden van het voorhoofd.</p>
+<p>De onverschilligheid dier denkers is, volgens sommigen, een
+verhevene wijsbegeerte. Het zij zoo; maar in deze verhevenheid ligt
+gebrekkelijkheid. Men kan onsterfelijk en kreupel zijn, gelijk
+Vulcanus. Men kan meer dan mensch en minder dan mensch zijn. Het groote
+onvolledige ligt in de natuur. Wie weet of de zon niet blind is?</p>
+<p>Maar wien kan men dan vertrouwen? <i lang="la">Solem quis dicere
+falsum audeat?</i><a class="noteref" id="xd20e1360src" href=
+"#xd20e1360" name="xd20e1360src">2</a> Alzoo zouden zekere geniale,
+zekere zeer verheven <span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56"
+name="pb56">56</a>]</span>menschen, sterrenmenschen, zich kunnen
+bedriegen? Zou, wat hierboven, in het toppunt, aan de spits is en op de
+aarde zoo veel licht werpt, weinig, slecht, niet zien? Is dit niet om
+te vertwijfelen? Neen. Maar wat is er dan boven de zon? God.</p>
+<p>Den 6 Juni 1832 was tegen elf uren &rsquo;s morgens het Luxembourg,
+eenzaam en ontvolkt, bekoorlijk. De boomgroepen en bloembedden zonden
+elkander in het licht betooverende geuren toe. De takken, weelderig in
+het middaglicht, schenen elkander te willen omhelzen. In de abeelen
+kweelden de bastaardnachtegalen, de musschen tjilpten, de spechten
+huppelden langs de kastanjeboomen en pikten in de reten der schors. De
+bloembedden onderwierpen zich aan het wettige koningschap der
+leli&euml;n; de heerlijkste geur is die, welke uit het witte opstijgt.
+Men ademde den scherpen geur der nagelbloemen. De oude kraaien van
+Maria van Midicis zaten verliefd in de hooge boomen. De zon vergulde en
+kleurde de tulpen, die niets anders zijn dan alle verschillende vlammen
+in bloemen veranderd. Om de tulpbedden gonsden de bijen als de vonken
+van dezen gloed.</p>
+<p>Alles was liefelijk en vroolijk; zelfs de naderende regen, die de
+meibloemen en kamperfoelie zou verfrisschen, had niets verontrustends;
+de zwaluwen dreigden hiermede door hun lage vlucht. Wie daar was,
+ademde geluk; het leven had een aangenamen geur; de gansche natuur
+wasemde onschuld, hulp, bijstand, vaderschap, liefkoozing, morgenrood.
+De gedachten die uit den hemel daalden, waren zacht, als een
+kinderhandje dat men kust.</p>
+<p>De witte, naakte beelden onder de boomen droegen schaduwkleederen
+vol zonnegaten; de godinnen waren door de zon in haveloozen staat
+gebracht; aan alle zijden vielen de stralen om haar. Om den grooten
+vijver was de aarde reeds hard gedroogd. Er was wind genoeg om hier en
+daar kleine stofwolkjes te doen opgaan. Eenige dorre bladeren, die van
+den vorigen herfst waren overgebleven, joegen elkander vroolijk na en
+schenen te dartelen.</p>
+<p>Het schitterend licht had iets geruststellends. Alles vloeide over
+van leven, sap, warmte; men gevoelde in de schepping de
+onuitputtelijkheid der bron; en al deze van liefde bezwangerde
+koeltjes, in deze golving van lucht en licht, in deze wonderbare
+stralenpracht, in dien oneindigen rijkdom van vloeibaar goud gevoelde
+men de mildheid van het onuitsprekelijke; en achter deze pracht, als
+achter een vlammend gordijn, zag men God, den millionnair van
+sterren.</p>
+<p>Wegens het heldere zand was er geen plekje slijk, en wegens den
+regen geen stofje. De bloemen en struiken hadden zich <span class=
+"pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name=
+"pb57">57</a>]</span>gewasschen; al het fluweel, satijn, vernis, goud,
+dat in den vorm van bloemen uit de aarde oprijst, was rein en onbesmet.
+Al deze heerlijkheid was zuiver. De diepe stilte der gelukkige natuur
+vulde den tuin. Een hemelsche stilte, gepaard aan duizenderlei muziek,
+het gekir der vogelnestjes, het gegons van insecten, het ritselen van
+den wind. De gansche harmonie van het jaargetijde vereenigde zich tot
+een liefelijk geheel; al wat in de lente te voorschijn komt en
+verdwijnt, had zijn gewonen loop; de seringen verdwenen, de jasmijnen
+kwamen te voorschijn; sommige bloemen waren ten achter, eenige insecten
+waren te vroeg; de voorhoede der roode kapellen van Juni verbroederde
+zich met de achterhoede der witte kapellen van Mei. De platanen
+verwisselden van huid. Het koeltje speelde in de prachtige
+kastanjeboomen. &rsquo;t Was luisterrijk! Een veteraan der naburige
+kazerne keek door het hek en zeide: &bdquo;De lente houdt parade in
+groot tenue.&rdquo;</p>
+<p>De geheele natuur was aan het ontbijt; de schepping zat aan tafel;
+&rsquo;t was het uur; het groote blauwe tafellaken was aan den hemel en
+het groote groene tafellaken op de aarde uitgespreid; de zon verlichtte
+dit alles &agrave; giorno. God discht den algemeenen maaltijd op. Ieder
+wezen had zijn voedsel of versnapering. De houtduif vond hennepzaad, de
+vink gerst, de distelvink mierik, het roodborstje wormpjes, de bij
+bloemen, de vlieg insecten, de geitenmelker vliegen. Men verslond
+elkander wel een weinig, &rsquo;t geen de verborgenheid van het kwade
+in het goede is, maar geen dier had een ledige maag.</p>
+<p>De twee verlaten kinderen waren aan den grooten vijver gekomen, en,
+door het heldere licht een weinig verlegen, poogden zij zich te
+verbergen. &rsquo;t Is het instinct van den arme en zwakke voor de,
+zelfs niet persoonlijke, heerlijkheid. Zij bleven achter het
+zwanenhok.</p>
+<p>Nu en dan hoorde men bij &rsquo;t draaien van den wind onduidelijke
+kreten, gerucht, een soort van woest geknetter, dat het geweervuur was,
+en doffe slagen, die kanonschoten waren. Er was rook boven de daken
+naar den kant der Hallen. Een klok, die scheen te roepen, luidde in de
+verte.</p>
+<p>Deze kinderen schenen die geruchten niet te hooren. De kleine
+herhaalde nu en dan zacht: &bdquo;Ik heb honger.&rdquo;</p>
+<p>Schier tegelijk met de kinderen naderde een ander paar den grooten
+vijver; een vijftigjarig man met een zesjarig knaapje aan de hand.
+Vermoedelijk de vader met zijn zoon. Het zesjarig manneke had een
+grooten koek in de hand.</p>
+<p>Destijds hadden zekere huizen aan de rivierzijde, in de straten
+Madame en Enfer, een sleutel van den tuin van het Luxembourg, waarvan
+de bewoners gebruik maakten, wanneer de <span class="pagenum">[<a id=
+"pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>hekken gesloten waren;
+welke vergunning later is opgeheven. De vader en de zoon kwamen zeker
+uit een dier huizen.</p>
+<p>De twee arme kinderen zagen den &bdquo;heer&rdquo; naderen en
+verscholen zich nog meer. &rsquo;t Was een burger, misschien dezelfde
+dien Marius zekeren dag in zijn liefdekoorts, bij dienzelfden grooten
+vijver, zijn zoontje den raad had hooren geven &bdquo;van alle
+uitspattingen te vermijden.&rdquo; Hij had een vriendelijk en voornaam
+voorkomen, en een mond, die, nooit gesloten, altijd glimlachte. Deze
+werktuiglijke glimlach, door te groote kaakbeenderen en te weinig vel
+veroorzaakt, toonde meer tanden dan ziel. Het knaapje, dat in zijn koek
+had gebeten en er niet meer van at, scheen verwend. De kleine was in de
+uniform van nationale garde, om reden van den opstand; en de vader
+droeg zijn burgerkleeding, om reden van voorzichtigheid.</p>
+<p>Vader en zoon waren bij den vijver blijven staan, waarin de beide
+zwanen dartelden. Deze burger scheen een ongemeen bewonderaar der
+zwanen. Hij geleek in zooverre op hen, dat zijn tred evenals de hunne
+was.</p>
+<p>In dit oogenblik echter zwommen de zwanen, &rsquo;t geen hun
+hoofdtalent is en zij vertoonden zich prachtig.</p>
+<p>Zoo de twee arme kleinen geluisterd hadden en oud genoeg waren
+geweest om te begrijpen, zouden zij de woorden van een ernstig man
+hebben kunnen opvangen. De vader zeide tot den zoon:</p>
+<p>&bdquo;De wijze is met weinig tevreden. Zie mij aan, mijn zoon. Ik
+houd van geen pracht. Nooit ziet men mij in met goud geborduurde
+kleederen en tooi; ik laat dien valschen glans aan gemeene zielen
+over.&rdquo;</p>
+<p>Thans klonken de kreten van den kant der Hallen en het klokgelui en
+het gerucht luider.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat?&rdquo; vroeg het knaapje.</p>
+<p>De vader antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zijn Saturnali&euml;n.&rdquo;</p>
+<p>Eensklaps bespeurde hij de beide havelooze kinderen, die stijf
+achter het groene hok der zwanen stonden.</p>
+<p>&bdquo;Dat is het begin,&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>Na eenig zwijgen voegde hij er bij:</p>
+<p>&bdquo;De anarchie is bereids dezen tuin binnengedrongen.&rdquo;</p>
+<p>Ondertusschen beet de zoon in den koek, spoog de mondvol uit, en
+begon te schreien.</p>
+<p>&bdquo;Waarom schreit ge?&rdquo; vroeg de vader.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb geen honger meer,&rdquo; antwoordde het knaapje.</p>
+<p>De glimlach des vaders kwam meer uit.</p>
+<p>&bdquo;Men behoeft geen honger te hebben om koek te eten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij lust die koek niet; ze is oudbakken.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge wilt hem niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>De vader wees hem de zwanen.</p>
+<p>&bdquo;Werp hem den zwanen toe.&rdquo;</p>
+<p>De knaap aarzelde. &rsquo;t Is nog geen reden zijn koek weg te
+geven, wanneer men niet meer lust.</p>
+<p>De vader hernam:</p>
+<p>&bdquo;Wees menschlievend. Men moet medelijden met de dieren
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>En zijn zoontje den koek afnemende, wierp hij dien in den
+vijver.</p>
+<p>De koek viel dicht aan den kant van &rsquo;t water.</p>
+<p>De zwanen waren ver, in het midden van den vijver, en met een of
+anderen buit bezig. Zij hadden evenmin den burger als den koek
+gezien.</p>
+<p>De burger, beseffende dat de koek gevaar liep teloor te gaan en
+verontrust over die nuttelooze schipbreuk, begon met de armen te
+telegrapheeren, zoodat hij eindelijk de aandacht der zwanen tot zich
+trok.</p>
+<p>Zij zagen iets dat dreef, wendden zich, als schepen, en naderden
+langzaam den koek, met de kalme majesteit, welke aan witte dieren
+betaamt.</p>
+<p>&bdquo;De zwanen begrijpen de seinen,&rdquo; zei de burger, die zich
+verheugde, zoo schrander te zijn geweest.</p>
+<p>In dit oogenblik nam plotseling het verwijderd gerucht in de stad
+toe. &rsquo;t Was ditmaal vreeselijk. Sommige windvlagen spreken
+duidelijker dan andere. Die, welke thans sprak, bracht duidelijk
+tromgeroffel, geschreeuw, pelotonsvuur en het akelig gesprek tusschen
+de stormklok en het kanon over. Tegelijkertijd trok plotseling een
+donkere wolk over de zon.</p>
+<p>De zwanen waren nog niet bij den koek gekomen.</p>
+<p>&bdquo;Keeren wij naar huis,&rdquo; zei de vader. &bdquo;Men
+bestormt de Tuilerie&euml;n.&rdquo;</p>
+<p>Hij nam de hand van zijn zoontje, en voer voort:</p>
+<p>&bdquo;Van de Tuilerie&euml;n naar het Luxembourg is de afstand niet
+grooter dan die het koningschap van het pairschap scheidt; dat is niet
+ver. Het zal geweerschoten regenen.&rdquo;</p>
+<p>Hij zag naar de wolk.</p>
+<p>&bdquo;Misschien zal &rsquo;t ook water regenen, de hemel bemoeit er
+zich mede; de jongste tak is veroordeeld. Keeren wij spoedig naar
+huis.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zou gaarne de zwanen den koek zien eten,&rdquo; zei het
+knaapje.</p>
+<p>De vader antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zou onvoorzichtig zijn.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span></p>
+<p>En hij voerde zijn kleinen burger mede.</p>
+<p>De zoon, dien het speet van de zwanen te moeten scheiden, hield het
+hoofd naar den vijver gericht, tot de kromming van een bosschage dien
+voor hem verborg.</p>
+<p>Middelerwijl, en tegelijk met de zwanen, waren de twee kleine
+zwervers den koek genaderd, die op het water dreef. De kleinste
+begluurde den koek, de grootste oogde den vertrekkenden burger na.</p>
+<p>Vader en zoon gingen in den doolhof van lanen, die naar de groote
+trap van de groep boomen, naar den kant der straat Madame voert.</p>
+<p>Zoodra zij uit het gezicht waren, legde de oudste zich met den buik
+op den afgeronden rand van den vijver, en dien met de linkerhand
+krampachtig omklemmende, en zoodanig over het water gebogen, dat hij er
+schier in viel, stak hij met de rechterhand zijn stokje naar den
+koek.</p>
+<p>Zoodra de zwanen den vijand zagen, spoedden zij zich in hun vaart,
+en hierdoor veroorzaakten zij met de borst een beweging in &rsquo;t
+water, die den kleinen visscher nuttig was; het water stroomde voor de
+zwanen uit en door de kabbeling dreef de koek naar het stokje van den
+knaap. De zwanen kwamen juist toen het stokje den koek bereikte. De
+knaap trok den koek schielijk tot zich, verschrikte de zwanen, greep
+den koek en richtte zich op. De koek was nat; maar zij hadden honger en
+dorst. De oudste brak den koek in twee stukken, een groot en een klein;
+nam het kleine voor zich en gaf het grootste aan zijn broertje,
+zeggende:</p>
+<p>&bdquo;Ziedaar, stop dit in uw maag.&rdquo;</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1329" href="#xd20e1329src" name="xd20e1329">1</a></span> Zij
+vonden het kind in doeken gewikkeld.</p>
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e1360" href="#xd20e1360src" name="xd20e1360">2</a></span> Wie zou
+de zon verkeerd durven noemen?</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.17" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zeventiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De doode vader wacht den stervenden zoon.<a class=
+"noteref" id="xd20e1501src" href="#xd20e1501" name=
+"xd20e1501src">1</a></h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Marius was uit de barricade gesprongen. Combeferre was
+hem gevolgd. Maar het was te laat. Gavroche was dood. Combeferre keerde
+terug met de mand patronen; Marius met den knaap.</p>
+<p>&bdquo;Helaas!&rdquo; dacht hij; wat de vader voor zijn vader had
+gedaan, deed hij voor den zoon; maar Th&eacute;nardier had zijn vader
+levend weggedragen, hij bracht den knaap dood terug.</p>
+<p>Toen Marius met Gavroche op zijn armen in de barricade terugkwam,
+was zijn gezicht, evenals dat van den knaap, met bloed overstroomd.
+<span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name=
+"pb61">61</a>]</span></p>
+<p>Juist toen hij bukte om Gavroche op te nemen, had een kogel zijn
+hoofd <span class="corr" id="xd20e1512" title=
+"Bron: geschrampt">geschampt</span>, zonder dat hij er iets van
+bespeurd had.</p>
+<p>Courfeyrac deed zijn das af, en verbond er Marius&rsquo; hoofd
+mede.</p>
+<p>Men legde Gavroche op de tafel, waarop Mabeuf lag, en spreidde over
+beide lichamen den zwarten doek. Hij was groot genoeg voor den
+grijsaard en den knaap.</p>
+<p>Combeferre deelde de patronen uit, welke hij in de mand had
+medegebracht.</p>
+<p>Ieder man kreeg hierdoor vijftien schoten.</p>
+<p>Jean Valjean zat steeds bewegingloos op dezelfde plaats, op den
+straatpaal. Toen Combeferre hem zijn vijftien patronen aanbood, schudde
+hij het hoofd.</p>
+<p>&bdquo;Een rare zonderling,&rdquo; zei Combeferre zacht tot
+Enjolras. &bdquo;&rsquo;t Is hem mogelijk in deze barricade niet te
+vechten!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Geen niet belet dat hij ze verdedigt,&rdquo;
+antwoordde Enjolras.</p>
+<p>&bdquo;Heldenmoed heeft ook zijn zonderlingen,&rdquo; hernam
+Combeferre.</p>
+<p>En Courfeyrac, die dit gehoord had, voegde er bij:</p>
+<p>&bdquo;Hij is van een andere soort dan de oude Mabeuf.&rdquo;</p>
+<p>Het verdient opmerking, dat het vuur, &rsquo;t welk de barricade
+teisterde, het inwendige ervan nauwelijks verontrustte. Wie nooit
+getuige van deze soort van oorlogen geweest is, kan zich geen denkbeeld
+vormen van die zonderlinge oogenblikken van rust, welke met deze
+stuiptrekkingen gepaard gaan. Men gaat heen en weder, men praat, men
+schertst, men lacht. Een onzer kennissen hoorde een strijder te midden
+van het schrootvuur tot hem zeggen: &bdquo;Wij zijn hier als aan een
+ontbijt van jongelieden.&rdquo; Zooals wij zeiden, scheen de barricade
+der straat Chanvrerie inwendig zeer kalm. De verschillende tooneelen en
+toestanden waren uitgeput of stonden het te worden. De gesteldheid was
+van kritiek dreigend geworden, en zou waarschijnlijk van dreigend
+wanhopig worden. Hoe meer de toestand zich verduisterde, te helderder
+omstraalde de heldenmoed de barricade. Enjolras voerde het bevel over
+haar in de ernstige houding van een jongen Spartaan, zijn bloot zwaard
+aan den somberen genius Epidotas wijdende.</p>
+<p>Combeferre had zich een voorschoot voorgedaan, en verbond de
+gekwetsten; Bossuet en Feuilly maakten patronen met het kruit uit den
+kruithoorn, dien Gavroche den dooden korporaal had ontnomen, en Bossuet
+zeide tot Feuilly: &bdquo;Wij zullen spoedig per diligence naar de
+andere planeet vertrekken.&rdquo; Courfeyrac legde en rangschikte op
+eenige straatsteenen, welke hij bij zich had gehouden, naast Enjolras,
+een geheel arsenaal: zijn stokdegen, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>zijn geweer, twee
+ruiterspistolen, een dolk, met de zorgvuldigheid van eene jonge dame,
+welke haar n&eacute;cessaire in orde brengt. Jean Valjean zat stom
+tegen den muur over hem. Een werkman bond zich een grooten stroohoed
+van moeder Hucheloup op &rsquo;t hoofd, uit vrees voor de zonnesteken,
+zooals hij zeide. De jongelieden der Kalebas van Aix koutten vroolijk
+met elkander, als haastten zij zich om voor het laatst hun landtaal nog
+eens te spreken. Joly, die den spiegel van de weduwe Hucheloup van den
+wand had genomen, bekeek er zijn tong in. Eenige strijders, die schier
+beschimmelde korsten brood in een tafel hadden gevonden, aten ze
+gretig. Marius dacht met bekommering, wat zijn vader wel van hem zou
+zeggen.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="la"><span class="label"><a class="noteref"
+id="xd20e1501" href="#xd20e1501src" name="xd20e1501">1</a></span>
+Mortuus pater filium moriturum expectat.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.18" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achttiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De gier prooi geworden.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wij moeten hier op een psychologisch feit wijzen, dat
+den barricaden eigen is. Niets van &rsquo;t geen dezen merkwaardigen
+straatoorlog karakteriseert mag worden voorbijgezien.</p>
+<p>Hoe de zonderlinge rust ook zijn moge, die in de barricade heerscht,
+en waarvan wij gesproken hebben, zij blijft voor degenen die er in zijn
+slechts een visioen.</p>
+<p>In den burgeroorlog is iets van den apocalypsis; al de nevelen van
+het onbekende mengen zich in die woeste vlammen; de revoluti&euml;n
+zijn als de sphinx, en wie een barricade heeft bijgewoond, meent een
+droom gehad te hebben.</p>
+<p>Wat men op die plaatsen gevoelt, hebben wij ten aanzien van Marius
+medegedeeld, en wij zullen er de gevolgen van zien; &rsquo;t is meer en
+&rsquo;t is minder dan het leven. Wanneer men een barricade heeft
+verlaten, weet men niet meer wat men gezien heeft. Men is er onbewust
+van, dat men vreeselijk is geweest. Men was er omgeven door strijdende
+denkbeelden, die menschelijke gezichten hadden: men heeft het hoofd in
+het licht der toekomst gehad. Er waren liggende lijken en staande
+schimmen. De uren waren reusachtig en geleken uren der eeuwigheid. Men
+leefde in den dood. Schimmen gingen voorbij. Wat was het? Men zag
+handen, waarop bloed kleefde; &rsquo;t was een schrikkelijk,
+oorverdoovend geraas; tevens een schrikbarende stilte; er waren open
+monden die schreeuwden, andere open monden die zwegen; men was in rook,
+misschien in nacht. Men waande de akeligheden van onbekende diepten
+<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name=
+"pb63">63</a>]</span>aanschouwd te hebben; men ziet iets roods op de
+nagels. Men herinnert zich niets meer.</p>
+<p>Keeren wij tot de straat Chanvrerie terug.</p>
+<p>Eensklaps hoorde men tusschen twee losbrandingen in de verte het
+slaan eener klok.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is middag,&rdquo; zei Combeferre.</p>
+<p>Nog v&oacute;&oacute;r den twaalfden slag stond Enjolras op, en
+beval van de hoogte der barricade met donderende stem:</p>
+<p>&bdquo;Brengt de straatsteenen in het huis. Stapelt ze in de
+vensterbanken. De helft der manschappen in &rsquo;t geweer, de andere
+helft bij de straatsteenen. Geen minuut te verliezen.&rdquo;</p>
+<p>Een peloton sappeurs, met de bijl op den schouder, verscheen in
+slagorde aan het einde der straat. &rsquo;t Kon niet anders dan de
+spits eener colonne zijn; maar van welke colonne? Waarschijnlijk van de
+aanvalscolonne. De sappeurs, die belast waren met de slechting der
+barricade, moesten natuurlijk de soldaten voorafgaan, die bestemd waren
+ze te bestormen.</p>
+<p>Men was blijkbaar aan het oogenblik gekomen, dat de heer de
+Clermont-Tonnerre, in 1822, den &bdquo;halsstrik&rdquo; noemde.</p>
+<p>Het bevel van Enjolras werd uitgevoerd met dien nauwkeurigen spoed,
+aan schepen en barricaden eigen, de twee eenige slagvelden, waar
+ontvluchten onmogelijk is. In minder dan een minuut waren twee derden
+der straatsteenen, welke Enjolras voor de deur van Corinthe had doen
+opeenstapelen, naar de eerste verdieping en den zolder gebracht, en
+v&oacute;&oacute;r dat een tweede minuut verloopen was, vormden deze
+straatsteenen een kunstmatigen muur voor de helft der vensters van de
+eerste verdieping en van den zolder. Door eenige openingen, die
+Feuilly, de hoofdbouwer der barricade, zorgvuldig vrij gelaten had,
+konden de geweren gelegd worden. Deze wapening der vensters kon te
+gemakkelijker geschieden, wijl het schrootvuur een einde had genomen.
+Thans schoten de twee kanonnen kogels tegen de versperring, om er een
+opening, en zoo mogelijk een bres voor de bestorming in te maken.</p>
+<p>Toen de straatsteenen, bestemd voor de laatste verdediging,
+geplaatst waren, deed Enjolras de flesschen naar de eerste verdieping
+brengen, welke hij onder de tafel had gezet, waarop Mabeuf lag.</p>
+<p>&bdquo;Wie zal ze drinken?&rdquo; vroeg Bossuet.</p>
+<p>&bdquo;Zij,&rdquo; antwoordde Enjolras.</p>
+<p>Toen barricadeerde men het benedenvenster en men hield de ijzeren
+boomen gereed, die dienden om des nachts de deur der herberg te
+sluiten.</p>
+<p>De vesting was nu voltooid. De barricade was de wal, de herberg de
+slottoren. <span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name=
+"pb64">64</a>]</span></p>
+<p>Met de overgebleven straatsteenen sloot men de snijding ter zijde
+der barricade.</p>
+<p>Aangezien de verdedigers eener barricade steeds verplicht zijn de
+munitie te sparen, en dit den belegeraars bekend is, maken dezen hun
+toebereidselen met een soort van tergende langzaamheid, stellen zich
+v&oacute;&oacute;r het bepaalde oogenblik meer schijnbaar dan werkelijk
+aan het vuur bloot, en nemen hun gemak. De toebereidselen tot den
+aanval worden immer met een zekere stelselmatige langzaamheid gemaakt;
+daarop volgt de donder.</p>
+<p>Deze langzaamheid vergunde Enjolras alles na te zien en te
+verbeteren. Hij gevoelde, dat, dewijl deze mannen gingen sterven, hun
+dood een meesterstuk moest zijn.</p>
+<p>Hij zeide tot Marius: &bdquo;Wij zijn de beide bevelhebbers. Ik zal
+van binnen de laatste bevelen geven. Blijf gij buiten en let
+op.&rdquo;</p>
+<p>Marius plaatste zich ter opmerking op den top der barricade.</p>
+<p>Enjolras deed de deur der keuken, die, zooals men zich herinnert,
+tot hospitaal was ingericht, dicht spijkeren, zeggende:</p>
+<p>&bdquo;De gekwetsten moeten niet gedeerd worden.&rdquo;</p>
+<p>Hij gaf in de benedenkamer zijn laatste bevelen, kort, maar volkomen
+kalm; Feuilly luisterde en antwoordde in naam van allen.</p>
+<p>&bdquo;Houdt op de eerste verdieping de bijlen gereed om de trap te
+vernielen. Heeft men ze?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zeide Feuilly.</p>
+<p>&bdquo;Hoeveel?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Twee bijlen en een houweel!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed. Wij zijn nog zes-en-twintig strijdbare mannen. Hoeveel
+geweren zijn er?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vier-en-dertig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Acht te veel. Houdt deze geweren geladen, en, evenals de
+andere, bij de hand. De sabels en pistolen in uw gordels. Twintig man
+in de barricade. Zes aan de dakvensters en aan het venster der eerste
+verdieping, om door de schietgaten op de aanvallers te vuren. Geen
+enkel nutteloos arbeider mag hier blijven. Aanstonds, zoodra de trom
+den aanval slaat, moeten de twintig man van beneden naar de barricade
+ijlen. De eerst aangekomenen zullen de beste plaatsen
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>Nadat deze maatregelen genomen waren, wendde hij zich tot Javert en
+zeide tot hem:</p>
+<p>&bdquo;Ik vergeet u niet.&rdquo;</p>
+<p>En op de tafel een pistool leggende, voegde hij er bij:</p>
+<p>&bdquo;De laatste, die van hier gaat, zal dezen spion een kogel door
+den kop jagen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65"
+name="pb65">65</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Hier?&rdquo; vroeg een stem.</p>
+<p>&bdquo;Neen, dit lijk mag niet onder de onze gemengd worden. Men kan
+over de kleine barricade in de steeg Mond&eacute;tour klimmen. Zij is
+niet hooger dan vier voet. De man is stevig gekneveld. Men zal hem
+daarheen voeren en fusilleeren.&rdquo;</p>
+<p>Op dit oogenblik was iemand nog koelbloediger dan Enjolras; dit was
+Javert.</p>
+<p>Thans verscheen Jean Valjean. Hij bevond zich in de groep der
+opstandelingen, trad te voorschijn en zeide tot Enjolras:</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij de kommandant?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt mij zoo aanstonds bedankt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In naam der republiek. De barricade heeft twee redders,
+Marius Pontmercy en u.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Meent ge, dat ik een belooning verdien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zekerlijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, dan verzoek ik ze.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat ik dezen man doodschiet.&rdquo;</p>
+<p>Javert richtte het hoofd op, zag Jean Valjean, maakte een onmerkbare
+beweging, en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Juist zoo.&rdquo;</p>
+<p>Intusschen was Enjolras bezig zijn karabijn weder te laden; hij zag
+rondom zich.</p>
+<p>&bdquo;Heeft niemand er iets tegen?&rdquo;</p>
+<p>Toen zich tot Jean Valjean wendende:</p>
+<p>&bdquo;Neem den spion.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean nam inderdaad Javert in zijn macht, door zich op het
+einde der tafel te zetten. Hij greep het pistool, en een zacht
+geknetter duidde aan, dat hij den haan overhaalde.</p>
+<p>Schier in hetzelfde oogenblik hoorde men trompetgeschal.</p>
+<p>&bdquo;Geeft acht!&rdquo; riep Marius van den top der barricade.</p>
+<p>Javert lachte, met dien stillen lach, welke hem eigen was, en de
+opstandelingen strak aanschouwende, zeide hij hun:</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt in niet veel beteren toestand dan ik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Allen naar buiten!&rdquo; riep Enjolras.</p>
+<p>De opstandelingen stormden voorwaarts en hoorden Javert achter hun
+rug zeggen:</p>
+<p>&bdquo;Tot straks!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb66" href=
+"#pb66" name="pb66">66</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.19" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negentiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Jean Valjean wreekt zich.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen Jean Valjean met Javert alleen was, maakte hij
+het touw los, waarmede de gevangene om het lijf was gebonden en welks
+knoop zich onder de tafel bevond. Daarna wenkte hij hem op te
+staan.</p>
+<p>Javert gehoorzaamde met dien onbeschrijfelijken glimlach, waarin
+zich het overwicht van het geboeide gezag te kennen gaf; Jean Valjean
+nam Javert bij den halsstrik, zooals men een lastdier bij den halsband
+zou nemen, en hem achter zich sleepende, verliet hij langzaam de
+herberg; want Javert, wiens beenen gebonden waren, kon slechts zeer
+kleine passen doen.</p>
+<p>Jean Valjean had het pistool in de hand.</p>
+<p>Dus gingen zij door het binnenste der barricade. De opstandelingen,
+uitsluitend op het dreigend gevaar lettende, stonden met den rug naar
+hen gekeerd.</p>
+<p>Alleen Marius, die aan de linkerzijde der barricade stond, zag hen
+voorbijgaan. Deze groep van dien veroordeelde en den beul werd
+beschenen door het graflicht, dat in zijn ziel was.</p>
+<p>Jean Valjean deed met eenige moeite den geknevelden Javert, zonder
+hem echter een oogenblik los te laten, de kleine barricade der steeg
+Mond&eacute;tour overklimmen.</p>
+<p>Toen zij over deze versperring waren, bevonden zij zich alleen in de
+steeg. Niemand zag hen meer. De hoek der huizen verborg hen voor de
+opstandelingen. Op eenigen afstand vormden de uit de barricade gedragen
+lijken een gruwzamen hoop.</p>
+<p>Men onderscheidde in dien hoop dooden een bleek gelaat, loshangend
+haar, een doorschoten hand en een halfnaakte vrouwenborst. &rsquo;t Was
+Eponine<span class="corr" id="xd20e1704" title=
+"Niet in bron">.</span></p>
+<p>Javert zag zijdelings naar deze doode en zeide zacht, met de
+grootste bedaardheid:</p>
+<p>&bdquo;Mij dunkt, dat ik dit meisje ken.&rdquo;</p>
+<p>Toen wendde hij zich tot Jean Valjean.</p>
+<p>Jean Valjean nam het pistool onder den arm en vestigde op Javert een
+blik, die geen woorden behoefde, om te zeggen:</p>
+<p>&bdquo;Javert, ik ben het.&rdquo;</p>
+<p>Javert antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Neem nu uw wraak.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb67"
+href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span></p>
+<p>Jean Valjean haalde een mes uit zijn zak en opende het.</p>
+<p>&bdquo;Een mes!&rdquo; riep Javert. &bdquo;Gij hebt gelijk. Dat past
+u beter.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean sneed den strik door, dien Javert om den hals had,
+vervolgens de touwen der handen, en, zich bukkende, het touw om de
+voeten; waarna hij, zich oprichtende, zeide:</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt vrij.&rdquo;</p>
+<p>Javert was niet licht verwonderd. Welk een macht hij ook op zich
+zelven had, kon hij echter zijn ontroering thans niet bedwingen. Hij
+stond onbewegelijk, met open mond.</p>
+<p>Jean Valjean hernam:</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof niet, dat ik hier uit zal komen. Mocht het toeval
+echter, dat ik behouden bleef, weet dan dat ik, onder den naam van
+Fauchelevent, in de straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute; No. 7
+woon.&rdquo;</p>
+<p>Javert fronste het gezicht als een tijger, die zijn mond half opent,
+en tusschen de tanden mompelde hij:</p>
+<p>&bdquo;Pas op!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ga,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>Javert hernam:</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt gezegd Fauchelevent, in de straat
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute;?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nommer zeven.&rdquo;</p>
+<p>Javert herhaalde halfluid: &bdquo;nommer zeven.&rdquo;</p>
+<p>Hij knoopte zijn jas dicht, richtte het hoofd stijf op, als een
+militair, draaide zich half om, kruiste de armen, nam zijn kin in een
+zijner handen, en ging heen naar den kant der Halles. Jean Valjean
+oogde hem na. Na eenige schreden keerde Javert zich om, en riep Jean
+Valjean toe:</p>
+<p>&bdquo;Gij brengt mij in verlegenheid. Dood mij liever!&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean merkte niet op, dat Javert thans minder onbeleefd tot
+hem sprak.</p>
+<p>&bdquo;Ga heen,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>Javert verwijderde zich langzaam. Een oogenblik later ging hij den
+hoek der Predikersstraat om.</p>
+<p>Toen Javert verdwenen was, loste Jean Valjean zijn pistool in de
+lucht. Vervolgens keerde hij naar de barricade terug en zeide:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is verricht.&rdquo;</p>
+<p>Inmiddels was het volgende gebeurd:</p>
+<p>Marius, meer lettende op hetgeen buiten dan op hetgeen binnen was,
+had tot hiertoe den achter in de donkere benedenkamer geknevelden spion
+niet nauwkeurig opgemerkt.</p>
+<p>Toen hij hem in het helder daglicht zag, terwijl hij over de
+barricade klom om te gaan sterven, herkende hij hem. Plotseling kwam
+een herinnering bij hem op. Hij herinnerde zich <span class=
+"pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span>den
+politie-inspecteur der straat Pontoise, en de twee pistolen welke deze
+hem had ter hand gesteld en waarvan hij, Marius, zich zelf in deze
+barricade bediend had; hij herinnerde zich niet alleen zijn gezicht,
+maar ook zijn naam.</p>
+<p>Deze herinnering was evenwel nevelachtig en verward, evenals al zijn
+denkbeelden. Hij was echter niet volkomen overtuigd, maar deed zich
+zelven de vraag: &bdquo;Is dit niet die inspecteur van politie, die mij
+zeide, dat hij Javert heette?&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was misschien nog tijd om ten gunste van dien man
+tusschenbeide te komen. Maar vooraf moest hij weten, of &rsquo;t
+werkelijk deze Javert was.</p>
+<p>Marius riep Enjolras, die zich aan het andere einde der barricade
+geplaatst had:</p>
+<p>&bdquo;Enjolras!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe heet die man?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wie?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De politieagent. Kent ge zijn naam?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja. Hij heeft hem ons gezegd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe heet hij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Javert.&rdquo;</p>
+<p>Marius richtte zich op.</p>
+<p>Op dit oogenblik hoorde men juist het pistoolschot.</p>
+<p>Jean Valjean kwam terug en riep: &bdquo;&rsquo;t Is
+geschied.&rdquo;</p>
+<p>Een doodelijke kilheid schoot door het hart van Marius.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.20" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Twintigste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De dooden hebben gelijk en de levenden geen
+ongelijk.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De doodsstrijd der barricade zou beginnen.</p>
+<p>Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten
+oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van
+zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het
+galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen,
+het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof
+kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de
+daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte,
+overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als
+gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol
+zonneschijn <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name=
+"pb69">69</a>]</span>en wolkjes, de schoonheid van den dag en de
+vreeselijke stilte der huizen.</p>
+<p>Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de
+Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten
+deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.</p>
+<p>In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons
+bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken
+aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde
+grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in
+de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten
+werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het
+woord orde in de ooren te fluisteren&mdash;dan was de burger, om zoo te
+spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met
+de ge&iuml;mproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de
+toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer
+de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de
+stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud,
+de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het
+leger bij de inneming der barricade te helpen.</p>
+<p>Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee
+dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen.
+Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden
+als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een
+weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil
+niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een
+rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze
+gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als
+afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren
+uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In &rsquo;t midden dier rots gaat
+men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er
+bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; &rsquo;t is
+verschrikkelijk!</p>
+<p>De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er
+ontzetting onder, &rsquo;t geen een verzachtende omstandigheid is. Men
+heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in
+woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de
+diepzinnige uitdrukking: &bdquo;De verwoede gematigden.&rdquo; Er zijn
+ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige
+rook, de toorn opstijgt.&mdash;Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit
+tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds
+genoeg revoluti&euml;n gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich
+niet uitredden, des te <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70"
+name="pb70">70</a>]</span>erger voor hen. Zij hebben &rsquo;t zich
+zelven te wijten en verdienen het. &rsquo;t Gaat ons niet aan. Zie, hoe
+onze arme straat van kogels doorboord is. &rsquo;t Is een hoop
+deugnieten. Open vooral de deur niet.&mdash;En het huis neemt de
+gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij
+ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de
+vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die
+hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren
+hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van
+steen.</p>
+<p>Wien moet men beschuldigen?</p>
+<p>Niemand en iedereen.</p>
+<p>De onvolkomen tijden, welke wij beleven.</p>
+<p>&rsquo;t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in
+opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest
+overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en
+opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te
+vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt sto&iuml;cijnsch, in de plaats
+der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen,
+en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo
+grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is
+onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de
+ondankbaarheid.</p>
+<p>Maar is het wel ondankbaarheid?</p>
+<p>Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.</p>
+<p>Neen, uit dat van het individu.</p>
+<p>De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven
+van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van
+het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de
+groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke;
+hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft
+stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend
+Kana&auml;n, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn
+nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste
+smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis
+rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.</p>
+<p>God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft,
+Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den
+stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.</p>
+<p>Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men
+zou over &rsquo;t algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapende
+<span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name=
+"pb71">71</a>]</span>toeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer
+men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te
+zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze
+geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water
+bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na
+die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet
+is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de
+harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang
+revoluti&euml;n tot rustpunten hebben.</p>
+<p>Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend
+leven der volken.</p>
+<p>Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan
+het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.</p>
+<p>Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk
+belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen,
+zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare
+hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is
+niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het
+geslacht, &rsquo;t welk thans zijn beurt van overgang over de aarde
+heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der
+geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt
+zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben
+jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik
+werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik
+bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik
+bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.&mdash;Daardoor
+worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk
+geslacht ijskoud.</p>
+<p>Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden
+kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent
+haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst,
+handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere id&eacute;e, wordt
+gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij
+terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een
+hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij
+vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude
+militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood;
+zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende
+duisternissen. Zij bedient zich van den dood&mdash;iets zeer ernstigs.
+Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar
+glans<span class="corr" id="xd20e1860" title="Niet in bron">,</span>
+haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treft
+<span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name=
+"pb72">72</a>]</span>met het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig.
+Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich
+zelf met de andere.</p>
+<p>Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is
+&rsquo;t ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de
+toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te
+bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij
+eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De
+overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de
+toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun
+verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die
+aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John
+Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.</p>
+<p>Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.</p>
+<p>Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst,
+wanneer zij niet slagen.</p>
+<p>Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik
+verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt
+hun theorie&euml;n, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten,
+veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande
+maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden,
+grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld
+blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te
+strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij
+zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van
+goede bedoelingen is gemaakt.</p>
+<p>Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In &rsquo;t algemeen,
+wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer
+denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van
+de maatschappij zelve af zich te redden; &rsquo;t is op haar eigen
+goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is
+noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te
+erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.</p>
+<p>Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen, <i>vooral</i> wanneer zij
+gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der
+aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden
+met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een
+zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der
+Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde
+oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die
+moet optreden, gaan <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73"
+name="pb73">73</a>]</span>zij, gehoorzaam aan het goddelijk
+<i>scenario</i>, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze
+sto&iuml;cijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven
+menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot
+haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze
+soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van
+God.</p>
+<p>Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij de
+onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er zijn
+aangenomen opstanden die revoluti&euml;n heeten; er zijn geweigerde
+opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een
+id&eacute;e, die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de
+zwarte boon laat vallen, is de id&eacute;e een doode vrucht, de opstand
+is een volksverbijstering.</p>
+<p>Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer
+de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op
+ieder uur hebben de nati&euml;n den zin van helden en martelaars.</p>
+<p>Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig;
+eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl hij
+steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.</p>
+<p>Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het
+ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een opstand
+is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig worden; dan
+grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op een gouvernement
+of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, bij voorbeeld, wat
+de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, en bijzonderlijk de
+jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet eigenlijk Lodewijk
+Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig spraken, de
+voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, half
+revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte hem. Maar
+zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in Lodewijk
+Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden bevochten;
+en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in Frankrijk omver
+te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de overheersching van den
+eenen op den anderen mensch en het privilegie op het recht der geheele
+wereld. De terugwerking van Parijs zonder koning, is de wereld zonder
+despoten. Z&oacute;&oacute; redeneerden zij. Hun doel lag zekerlijk
+ver, &rsquo;t was misschien onduidelijk, en week bij de poging
+achteruit; maar het was grootsch.</p>
+<p>Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de
+geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen,
+waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling
+maakt den opstand dichterlijk <span class="pagenum">[<a id="pb74" href=
+"#pb74" name="pb74">74</a>]</span>en verguldt hem. Men werpt zich in
+deze treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil.
+Wie weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen
+zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, de
+souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand mogelijk
+is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men gelijk de
+driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, maar aan
+Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, dan wijkt men
+niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de hoop op een
+ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, op de
+invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van het
+menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste geval
+op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.</p>
+<p>Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij
+hebben de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de
+verlokking dier dolende ridders. De groote massa&rsquo;s, de menigten,
+die uithoofde harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de
+avonturen; en in het ideale is iets avontuurlijks.</p>
+<p>Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote
+vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de maag
+het hart.</p>
+<p>Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft
+dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is het
+eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.</p>
+<p>Omdat het kunstenaar is.</p>
+<p>Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het
+schoone slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn
+ook de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te
+zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving,
+eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Itali&euml;
+gaf, &rsquo;t welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende
+volken! <i>Vitai lampada tradunt.</i></p>
+<p>Bewonderenswaardig is het, dat de po&euml;zie van een volk het
+element van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af
+naar de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een
+mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd
+wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men moet
+kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, maar
+verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk
+geslacht het voorschrift van het ideale. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span></p>
+<p>Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de
+wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der
+po&euml;ten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het
+Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving is
+gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, en het
+kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet alleen
+gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De kunst
+moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de genius
+van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indi&euml; heeft:
+Alexander op den olifant.</p>
+<p>De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde
+rassen zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging
+voor het afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het
+loopen en den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel
+vermindert den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn
+grondslag te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en
+goddelijke intelligentie van een algemeen doel, dat de nati&euml;n tot
+zendelingen vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal.
+Athene en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der
+eeuwen heen, nog een straalkrans van beschaving.</p>
+<p>Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en
+Itali&euml;. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het
+grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan
+andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En
+hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts
+gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt
+soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de
+idee&euml;n, welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de
+Fransche grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner
+van Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt
+dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril van
+klein te willen zijn. Dit is alles.</p>
+<p>Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om
+zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht
+terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en
+opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het
+licht is identisch met het voortbestaan van het ik.</p>
+<p>Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het
+graf in ballingschap, is voor den opofferingszin <span class=
+"pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name="pb76">76</a>]</span>een
+aanneembaar geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid.
+Dat de verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten
+bannen, en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet
+te ver achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet,
+onder het voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar
+beneden gaan.</p>
+<p>Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, de
+maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het
+voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het
+blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die
+opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men
+wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal;
+daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, waarom
+zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat ik de
+staatslieden bemin.</p>
+<p>Nog een woord, v&oacute;&oacute;r we naar het krijgsgewoel
+terugkeeren.</p>
+<p>Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan een
+stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is ziekelijk,
+en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte van den
+vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten
+ontmoeten. &rsquo;t Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf
+en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk
+veroordeelde en welks eigenlijk titel &bdquo;de vooruitgang&rdquo;
+is.</p>
+<p>De vooruitgang!</p>
+<p>Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, en
+wijl de id&eacute;e, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij
+thans gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden
+onderworpen, is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan
+op te lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.</p>
+<p>Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het
+einde, in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen
+en leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede,
+van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar
+het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten,
+van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, van
+de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is de
+stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel aan
+het einde. <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name=
+"pb77">77</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.21" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Een-en-twintigste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De helden.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.</p>
+<p>De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de
+duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op
+klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald
+onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was
+beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede
+was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder
+nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote
+massa&rsquo;s, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den
+stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de
+sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht
+tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een
+muur.</p>
+<p>De muur bleef staande.</p>
+<p>De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade
+scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat
+de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij
+schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts
+overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later
+weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.</p>
+<p>De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar
+schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de
+barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien,
+herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur
+bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet
+voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de
+punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood
+verspreidende. Daaronder was de barricade.</p>
+<p>Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er
+schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige
+wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd
+streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een
+einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den
+dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder
+bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd
+met lijken overdekt. <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78"
+name="pb78">78</a>]</span></p>
+<p>Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere
+Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en
+beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn
+schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt.
+Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij
+boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot
+buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht
+dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij
+was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen
+noemen, dat schiet.</p>
+<p>De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen.
+In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten
+zij.</p>
+<p>Courfeyrac was blootshoofds.</p>
+<p>&bdquo;Wat hebt ge met uw hoed gedaan?&rdquo; vroeg Bossuet.</p>
+<p>&bdquo;Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels
+afgeschoten,&rdquo; antwoordde Courfeyrac.</p>
+<p>Of zij hielden trotsche redenen.</p>
+<p>&bdquo;Begrijpt ge,&rdquo; riep Feuilly bitter, &bdquo;die
+mannen&rdquo;&mdash;(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde
+namen, waaronder eenige van het oude leger) &bdquo;welke beloofd hadden
+zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer
+verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek
+laten.&rdquo;</p>
+<p>Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:</p>
+<p>&bdquo;Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men
+de sterren beschouwt, zeer uit de verte.&rdquo;</p>
+<p>Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen
+bezaaid, alsof het gesneeuwd had.<a id="xd20e1980" name=
+"xd20e1980"></a></p>
+<p>De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede
+stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder &rsquo;t
+schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze
+bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was
+gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel
+legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den
+kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu
+drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de
+barricade, gelijk de moer de schroef perst.</p>
+<p>De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds
+toe.</p>
+<p>Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat,
+een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in
+lompen gekleede, uitgeputte mannen, die <span class="pagenum">[<a id=
+"pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span>sedert vier-en-twintig
+uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten
+konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier
+alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek
+verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde,
+slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden
+Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen,
+maar niet genomen.</p>
+<p>Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een
+hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen.
+&rsquo;t Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden
+ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De
+menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en
+&rsquo;t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien
+rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende
+en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen.
+Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een
+gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de
+vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der
+zwaarden noemt.</p>
+<p>Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels,
+vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de
+daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men
+was &eacute;&eacute;n tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half
+vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde
+venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een
+vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood;
+Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood;
+Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst
+soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den
+laatsten snik.</p>
+<p>Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral
+aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men
+zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was
+bedekt.</p>
+<p>Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had,
+stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een
+of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier
+degens over; &eacute;&eacute;n meer dan Frans I te Marignan.
+<span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name=
+"pb80">80</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.22" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Twee-en-twintigste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Voet voor voet.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan
+Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het
+centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang
+verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk
+gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de
+kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het
+naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden
+der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood
+den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.</p>
+<p>Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De
+massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was
+onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in
+rook gehuld op de barricade. Ditmaal was &rsquo;t gedaan. De groep
+opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.</p>
+<p>Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven.
+Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden
+niet meer sneven. &rsquo;t Was een oogenblik, waarin het instinct van
+behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn
+treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de
+barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van
+boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade
+waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een
+oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk
+geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven.
+Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg
+mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die
+deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand
+opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen
+neder.</p>
+<p>Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen
+geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten
+geroepen: &bdquo;Nadert niet!&rdquo; en een officier, hieraan niet
+gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine
+binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand
+den degen, in de andere de karabijn, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span>de deur der herberg open
+houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de
+wanhopigen: &bdquo;Er is slechts &eacute;&eacute;n open deur.
+Deze.&rdquo; Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een
+geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen
+stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als
+de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en
+trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik,
+de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten.
+Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers
+van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.</p>
+<p>Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen
+verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen
+reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem
+greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem
+nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste
+herinnering aan Cosette mengde: &bdquo;Ik ben gevangengenomen en zal
+gefusilleerd worden.&rdquo;</p>
+<p>Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had
+dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer
+ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras
+bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het
+nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met
+geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De
+bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der
+herberg.</p>
+<p>De soldaten, &rsquo;t moet gezegd worden, waren vol toorn.</p>
+<p>De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat
+nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen
+gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de
+herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige
+geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en &rsquo;t was
+een dergelijk valsch gerucht, &rsquo;t welk later den ongelukkigen
+afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.</p>
+<p>Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:</p>
+<p>&bdquo;Laten wij ons leven duur verkoopen.&rdquo;</p>
+<p>Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder
+het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene
+groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af
+onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing
+naar beneden. &rsquo;t Was die van den grijsaard. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span></p>
+<p>Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen
+avond het voorhoofd had gekust.</p>
+<p>&rsquo;t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven
+gegeven had.</p>
+<p>Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe
+weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke
+verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk.
+Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide:
+&bdquo;Capituleert,&rdquo; antwoordde Palafox: &bdquo;Na den oorlog met
+het kanon, den oorlog met het mes.&rdquo; Niets ontbrak aan de
+stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die
+uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun
+vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de
+geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den
+aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur
+zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de
+herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en
+ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen
+strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in
+het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te
+zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste
+verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de
+trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. &rsquo;t Waren
+de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke
+zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen
+in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken
+hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers
+het hoofd.</p>
+<p>&rsquo;t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige
+bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde,
+helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes
+niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is
+een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der
+belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was
+moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden
+bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was
+onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht
+schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het
+afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen
+menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. &rsquo;t Waren geen
+reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meer <span class=
+"pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span>naar
+Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken
+verdedigden zich.</p>
+<p>&rsquo;t Was de heldenmoed tot monster geworden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.23" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Drie-en-twintigste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Orestes nuchter en Pylades dronken.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van
+&rsquo;t overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend,
+zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de
+laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig
+belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten
+in &rsquo;t gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind
+door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste
+verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. &rsquo;t Was
+Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend
+met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der
+binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de
+aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met
+fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand,
+was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet
+ging op:</p>
+<p>&bdquo;Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl
+hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven.
+Schieten wij hem hier dood.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, schiet mij dood,&rdquo; zei Enjolras.</p>
+<p>Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander
+geslagen, bood hij zijn borst aan.</p>
+<p>De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra
+Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield
+eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging
+deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende
+majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het
+tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik
+scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch,
+bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen
+heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit
+oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd,
+schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was
+hij, na de vreeselijke <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84"
+name="pb84">84</a>]</span>vier-en-twintig uren, die verstreken waren,
+blozend en frisch. &rsquo;t Was misschien van hem, dat later een
+getuige voor den krijgsraad zeide: &bdquo;Er was een opstandeling, dien
+ik Apollo hoorde noemen.&rdquo;</p>
+<p>Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer
+latende zinken: &bdquo;&rsquo;t Is mij, alsof ik een bloem zou
+afschieten.&rdquo;</p>
+<p>Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en
+maakten zwijgend hun geweren gereed.</p>
+<p>Toen riep een sergeant: &bdquo;Legt aan!&rdquo;</p>
+<p>Een officier trad tusschenbeiden.</p>
+<p>&bdquo;Wacht!&rdquo;</p>
+<p>En zich tot Enjolras wendende:</p>
+<p>&bdquo;Wilt ge, dat men u blinddoeke?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is &rsquo;t waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood
+hebt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.</p>
+<p>Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond
+in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel
+geleund.</p>
+<p>Hij was in de volle beteekenis, wat men &bdquo;smoordronken&rdquo;
+noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem
+in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om
+voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog
+altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd
+op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den
+diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden
+bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de
+kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer
+vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde
+slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af
+te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen.
+Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op &rsquo;t eerste gezicht kon
+men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het
+gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze
+zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem,
+vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde
+hem.&mdash;De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras
+veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. &rsquo;t Was de
+uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De
+daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde
+de armen <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name=
+"pb85">85</a>]</span>uit, wreef zich de oogen, zag in de rondte,
+geeuwde, en begreep.</p>
+<p>De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken
+wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de
+dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en
+de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is,
+behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het
+verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der
+dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt,
+en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.</p>
+<p>In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter &rsquo;t biljart,
+hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet
+opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando &bdquo;legt
+aan&rdquo; te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche
+stem hoorden roepen:</p>
+<p>&bdquo;Leve de republiek! Ik behoor er toe.&rdquo;</p>
+<p>Grantaire was opgestaan.</p>
+<p>De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en
+waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van
+den herstelden dronkaard.</p>
+<p>Hij herhaalde: &bdquo;Leve de republiek!&rdquo; ging met vasten tred
+door de zaal en plaatste zich v&oacute;&oacute;r de geweren, bij
+Enjolras.</p>
+<p>&bdquo;Doodt er twee met &eacute;&eacute;n schot!&rdquo; zeide
+hij.</p>
+<p>Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:</p>
+<p>&bdquo;Veroorlooft gij &rsquo;t mij?&rdquo;</p>
+<p>Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.</p>
+<p>De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.</p>
+<p>Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur
+staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het
+hoofd zinken.</p>
+<p>Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.</p>
+<p>Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste
+opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten
+door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De
+lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee
+voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden
+door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een
+kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en
+kermde nog, toen hij op den grond lag.</p>
+<p>Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het
+dak, en elkander niet willende loslaten, vielen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span>zij te
+zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder.
+Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.</p>
+<p>De barricade was ingenomen.</p>
+<p>De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de
+vluchtelingen te vervolgen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.24" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vier-en-twintigste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Gevangene.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van
+Jean Valjean.</p>
+<p>De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij
+viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld
+had, was die van Jean Valjean.</p>
+<p>Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich
+aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik
+der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. &rsquo;t Was door hem,
+die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat
+zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden
+werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar
+niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging
+geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens
+had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen
+hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf
+binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen
+het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige
+handeling ware.</p>
+<p>Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof
+hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog.
+Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de
+vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem
+weg.</p>
+<p>De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op
+Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag,
+terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de
+barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.</p>
+<p>Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergte
+<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name=
+"pb87">87</a>]</span>in de straat vormde; hij beveiligde eenige
+vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het
+gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt,
+en in de woeste zee&euml;n, voorbij een voorgebergte of tusschen de
+rotsen, een stil plekje. &rsquo;t Was in zulk een stil plekje binnen de
+barricade, dat Eponine gestorven was.</p>
+<p>Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond,
+leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.</p>
+<p>De toestand was vreeselijk.</p>
+<p>Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was
+deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij
+herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de
+staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te
+ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had
+v&oacute;&oacute;r zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge
+huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen
+doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de
+kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen
+gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. &rsquo;t
+Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd,
+haar in &rsquo;t oog hielden. &rsquo;t Was blijkbaar, dat ieder die
+over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd,
+dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig
+geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De
+dood was achter den hoek van den muur.</p>
+<p>Wat te doen?</p>
+<p>Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.</p>
+<p>En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een
+partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig
+woedde alles op &eacute;&eacute;n punt, tegen de deur der herberg; maar
+zoo &rsquo;t slechts &eacute;&eacute;n enkel soldaat in de gedachte
+kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles
+gedaan.</p>
+<p>Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade
+bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den
+uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen
+boren.</p>
+<p>Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een
+angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de
+kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige
+schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo
+onmeedoogend bewaakt werd, <span class="pagenum">[<a id="pb88" href=
+"#pb88" name="pb88">88</a>]</span>zag hij, onder een hoop straatsteenen
+half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze
+rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in
+&rsquo;t vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren
+uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag
+men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den
+hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude
+wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den
+geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten,
+Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders
+te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en
+knie&euml;n, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware
+ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de
+straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie
+voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een
+verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend,
+uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.</p>
+<p>Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een
+soort van lange onderaardsche gang.</p>
+<p>Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.</p>
+<p>Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de
+straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu
+wegvoerde, was niet meer Cosette, &rsquo;t was Marius.</p>
+<p>Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het
+ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.
+<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name=
+"pb89">89</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek II.</h2>
+<h2 class="main">De ingewanden van den Leviathan.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name=
+"pb91">91</a>]</span>
+<div id="ch2.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De aarde door de zee verarmd.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Parijs werpt jaarlijks vijf-en-twintig millioen francs
+in het water. En dit is geen beeldspraak. Hoe en op welke wijze? Dag en
+nacht. Met welk doel? Zonder eenig doel. Met welke gedachte? Zonder
+eenige gedachte. Waarom? Om niets. Door welk orgaan? Door zijn
+ingewanden. Welke zijn zijn ingewanden? Zijn riolen.</p>
+<p>Vijf-en-twintig millioen is het laagste cijfer, &rsquo;t welk de
+waardeering van het ingesteld wetenschappelijk onderzoek oplevert.</p>
+<p>De wetenschap heeft na lange waarneming thans uitgemaakt, dat de
+vruchtbaarste en werkzaamste mest de menschendrek is. De Chineezen
+wisten dit, wij zeggen het tot onze schande, eer dan wij. Geen
+Chineesche boer, Eckeberg zegt het, gaat naar de stad, zonder van daar
+aan de einden van zijn bamboe twee emmers mede te brengen, gevuld met
+hetgeen wij vuilnis noemen. Aan den menschelijken mest heeft de bodem
+in China het te danken, dat zij nog even versch is als in den tijd van
+Abraham. De Chineesche tarwe geeft honderd-twintigmaal het zaaisel
+terug. Geen guano is in vruchtbaarheid te vergelijken met de beer eener
+hoofdstad. Een groote stad levert de krachtigste meststof. Zoo men het
+land uit de stad bemestte, zou men zeker zijn van te slagen. Indien
+goud drek is, is onze mest daarentegen goud.</p>
+<p>Wat doet men met dien gouden mest? Men werpt hem weg.</p>
+<p>Men zendt met groote kosten schepen af om van de Zuidpool den mest
+van zeevogels te halen, terwijl men de onberekenbare grondstof van
+rijkdom, welke men in zijn bereik heeft, naar de zee zendt. Al de
+menschelijke en dierlijke mest, welke verloren gaat, zou, indien hij
+aan de aarde werd teruggegeven, in plaats van in het water geworpen,
+genoegzaam zijn om de wereld te voeden. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span></p>
+<p>Die vuilnishoopen aan de hoeken der straten, de karren met slijk,
+welke des nachts door de straten rollen, die afschuwelijke tonnen vol
+drek, die stinkende stroomen van onderaardsch slijk, dat de straat
+verbergt, weet ge wat dat is? Bloeiende weiden, weelderig gras, groente
+en vrucht; &rsquo;t is wild, rundvee, &rsquo;t is het tevreden geloei
+der ossen des avonds; &rsquo;t is geurend hooi, gouden koren, brood op
+uw tafel, warm bloed in uw aderen, gezondheid, vreugde, leven. Zoo is
+de wet dier geheimzinnige schepping, welke de gedaanteverwisseling op
+aarde en de herschepping in den hemel is.</p>
+<p>Werp het in den grooten smeltkroes; uw voordeel zal er uitkomen. De
+voeding van het land geeft voedsel aan de menschen.</p>
+<p>Het staat u vrij, dezen rijkdom te verliezen en mij op den koop toe
+belachelijk te vinden. Dit zal het meesterstuk uwer domheid zijn.</p>
+<p>De statistiek heeft berekend, dat Frankrijk alleen door zijn
+riviermonden jaarlijks een som van een half milliard in den
+<span class="corr" id="xd20e2204" title=
+"Bron: atlantischen oceaan">Atlantischen Oceaan</span> werpt. Men
+bedenke, dat met deze vijfhonderd millioen het vierde van het
+staatsbudget kon betaald worden. Maar de mensch is zoo schrander, dat
+hij deze vijfhonderd millioen liever in de goot werpt. Het is het
+onderhoud van het volk zelf, &rsquo;t welk hier bij droppels, daar bij
+stroomen, onze riolen in de rivieren en de rivieren in den oceaan
+uitbraken. Iedere lossing onzer riolen kost ons duizend francs, en
+heeft twee resultaten: de aarde verarmd en het water verpest; de honger
+die uit de voren, de ziekte die uit de rivieren komt.</p>
+<p>&rsquo;t Is, bij voorbeeld, bekend, dat tegenwoordig de Theems
+Londen verpest.</p>
+<p>Wat Parijs betreft, heeft men in den laatsten tijd de meeste monden
+der riolen stroom-afwaarts, voorbij de laatste brug, moeten
+verleggen.</p>
+<p>Een dubbel buizenstoestel, voorzien van kleppen en spuisluizen, die
+tegelijk zuigen en persen, een draineer- of besproeiingsstelsel, even
+eenvoudig als de menschelijke long, dat bereids in verscheidene
+gemeenten van Engeland ingevoerd is, zou voldoende zijn om in onze
+steden het zuivere water der velden, en naar onze velden het rijke
+water der steden te voeren, en dit gemakkelijk heen- en wederbrengen,
+het eenvoudigste ter wereld, zou ons de vijfhonderd millioen francs
+doen behouden, die weggeworpen worden. Maar men denkt aan iets
+anders.</p>
+<p>De tegenwoordige handelwijze sticht kwaad, terwijl ze goed wil doen.
+De bedoeling is goed, het resultaat is treurig. Men meent de stad te
+zuiveren, en verzwakt de bevolking. Een <span class="pagenum">[<a id=
+"pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>riool is een misverstand.
+Wanneer overal de draineering, met haar dubbele uitwerking, door terug
+te geven wat zij neemt, het riool zal hebben vervangen, dat slechts een
+verarmende reiniging is, dan zullen, in verband met de uitkomsten eener
+nieuwe maatschappelijke staathuishoudkunde, de voortbrengselen der
+aarde vertienvoudigd worden en het vraagstuk der armoede aanmerkelijk
+vereenvoudigd zijn. Voeg daarbij de wegruiming van de daarop azende
+woekerdieren, en het raadsel zal opgelost wezen.</p>
+<p>Intusschen stroomt de algemeene rijkdom naar de rivier, en er
+bestaat een lek. Een lek is het juiste woord. Europa gaat aldus te
+gronde door krachtverlies.</p>
+<p>Ten aanzien van Frankrijk hebben wij zijn cijfer gezegd. Dewijl nu
+Parijs het vijf-en-twintigste gedeelte der geheele Fransche bevolking
+bevat, en de Parijsche guano de rijkste van alle is, blijft men beneden
+de waarheid, zoo men het gedeelte van het verlies voor Parijs op
+vijf-en-twintig millioen francs schat van het half milliard, dat
+Frankrijk jaarlijks wegwerpt. Deze vijf-en-twintig millioen zouden, tot
+onderhoud en genot aangewend, den luister van Parijs verdubbelen. De
+stad geeft ze uit aan riolen. Zoodat men kan zeggen, dat de grootste
+verkwisting van Parijs, zijn kostbaarst feest, zijn uitspatting, zijn
+praal, zijn weelde, zijn heerlijkheid, zijn&mdash;riool is.</p>
+<p>Overigens zijn deze wonderbare verkeerdheden niet nieuw. &rsquo;t
+Zijn geen jeugdige dwaasheden. De ouden handelden gelijk de jongeren.
+&bdquo;De riolen van Rome, zegt Liebig, hebben den geheelen welstand
+van den Romeinschen boer vernietigd.&rdquo; Toen de omstreken van Rome
+door het Romeinsche riool bedorven waren, putte Rome Itali&euml; uit,
+en toen het Itali&euml; in zijn riool had geworpen, stortte het er
+Sicili&euml;, Sardini&euml; en Afrika in. Het riool van Rome heeft de
+wereld verzwolgen. Dat riool verzwolg de stad en de wereld. <i lang=
+"la">Urbi et Orbi.</i> Eeuwige stad, onpeilbaar riool.</p>
+<p>Voor deze dingen, zoowel als voor andere, geeft Rome het
+voorbeeld.</p>
+<p>Dat voorbeeld volgt Parijs, met al de domheid van beschaafde
+steden.</p>
+<p>Ten behoeve der verrichtingen, welke wij zoo straks aangeduid
+hebben, heeft Parijs een ander Parijs onder zich; een Parijs van
+riolen, dat zijn straten, pleinen, viersprongen, blinde stegen, aderen
+en doorstrooming heeft, dat slijk is, doch zonder menschelijken
+vorm.</p>
+<p>Want men mag niets vleien, zelfs geen groot volk; daar, waar alles
+is, bevindt zich naast schande ook verhevenheid; en zoo Parijs Athene,
+de stad van het licht, Tyrus, de stad <span class="pagenum">[<a id=
+"pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span>der macht, Sparta, de
+stad der deugd, Niniv&eacute;, de stad der wonderen in zich bevat,
+bevat het ook Lutetia, de stad van het slijk.</p>
+<p>Zoo het oog de oppervlakte er van kon peilen, zou het onderaardsche
+Parijs aan den blik een reusachtigen koraalsteen vertoonen. Een spons
+heeft weinig meer gaten en gleuven dan de massa gronds van zes uren
+omtreks, waarop de oude, groote stad rust. Zonder van de catacomben,
+die een afzonderlijk mijnwerk zijn, en van het verwarde netwerk der
+gaspijpen, te spreken, zonder het machtig samenstel der waterleiding te
+rekenen, die de straatfonteinen van water voorziet, vormen de riolen
+alleen een ontzaggelijk onderaardsch vlechtwerk, een doolhof, die tot
+leiddraad zijn helling heeft. Daar huist in den vochtigen dampkring de
+rat, die de eigenaardige vrucht van Parijs schijnt.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.2" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De oude geschiedenis der riolen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Men verbeelde zich Parijs als een deksel opgelicht, en
+het onderaardsche riolennet, uit de hoogte gezien, zal op beide oevers
+eenigermate &rsquo;t voorkomen hebben van een grooten tak, die aan de
+rivier inge&euml;nt is. Op den rechteroever zal het ringriool de stam
+van dien tak zijn, de bijriolen zullen de takjes, en de sloppen de
+twijgen er van zijn.</p>
+<p>Deze figuur is slechts oppervlakkig en niet volkomen juist, wijl de
+rechte hoek, die bij deze onderaardsche vertakkingen gewoon is, zelden
+in het plantenrijk voorkomt.</p>
+<p>Men zal zich een juister beeld van dien zonderlingen geometrischen,
+plattegrond kunnen vormen, wanneer men zich verbeeldt op den donkeren
+grond een grillig oostersch alphabet verward door elkander te zien, van
+&rsquo;t welk de wanstaltige letters in schijnbare wanorde en als
+toevallig, nu aan de hoeken, dan aan de einden, aaneen zijn
+gesmolten.</p>
+<p>De zinkgaten en riolen in de Middeneeuwen speelden in het Romeinsche
+rijk en in het oude Oosten een groote rol. De pest werd er geboren, de
+despoten stierven er. De bevolkingen aanschouwden schier met
+godsdienstige vrees deze bedden van verrotting, deze monsterachtige
+wiegen des doods. De holen van ongedierte te Benares zijn niet minder
+vreeselijk dan de leeuwenkuil van Babel. Volgens de rabbijnsche boeken
+zwoer Theglath-Phalasar <span class="pagenum">[<a id="pb95" href=
+"#pb95" name="pb95">95</a>]</span>bij de zinkputten van Niniv&eacute;.
+Uit het riool van Munster deed Jan van Leijden zijn valsche maan
+opgaan, evenals zijn Oostersche evenknie, Mokanna, de gesluierde
+profeet van Korassan, uit den rioolput van Kekhscheb zijn valsche zon
+deed komen.</p>
+<p>De geschiedenis van den mensch spiegelt zich af in de geschiedenis
+der riolen. De gemoni&euml;n spreken van Rome. Het oude riool van
+Parijs was iets vreeselijks. Het was graf, en wijkplaats tevens. De
+misdaad, het genie, het maatschappelijk verzet, de vrijheid van
+geweten, de gedachte, de diefstal; al wat de menschelijke wetten
+vervolgen of vervolgd hebben, heeft zich in dat hol verborgen; de
+maillotins in de veertiende eeuw, de tire-laines in de vijftiende eeuw,
+de hugenoten in de zestiende eeuw, de illuminaten van Morin in de
+zeventiende eeuw, de voetschroeiers in de achttiende eeuw. Honderd
+jaren geleden kwam de nachtelijke dolksteek er uit, de bedreigde dief
+sloop er in; het bosch heeft zijn holen, Parijs had zijn riolen. De
+<i>truanderie</i> had het riool tot bijverblijf van het hof der
+mirakelen en ging &rsquo;s avonds spottend en wreed onder het
+rioolgewelf Maubu&eacute;e terug als in een bed.</p>
+<p>In het oude Parijs is het riool de verzamelplaats van alle
+uitputting en van alle aanslagen. De staathuishoudkunde ziet er
+uitwerpselen, de wijsbegeerte een bezinksel in.</p>
+<p>Het riool is het geweten der stad. Alles ontmoet en vergelijkt er
+zich. In dit vale oord zijn duisternissen, maar geen geheimen. Alles
+heeft er zijn wezenlijken vorm of ten minste zijn bepaalden vorm. De
+vuilnishoop heeft het voorrecht geen leugenaar te zijn. Daar heeft de
+oprechtheid de wijk genomen. Men vindt er het masker van Basilius, maar
+men ziet er het bordpapier, de koordjes, het binnenste en buitenste
+van, en het kenmerkt zich door eerlijk slijk. De valsche neus van
+Scapin ligt er naast. Al de onreinheden der beschaving, zoodra zij
+hebben uitgediend, vallen in dezen kuil der waarheid, waarin de groote
+maatschappelijke renbaan uitloopt. Zij worden er in verzwolgen, maar
+pralen er. Dit mengsel van alles is een belijdenis. D&agrave;&agrave;r
+is geen valsche schijn, geen bepleistering mogelijk, de vuilnis trekt
+haar hemd uit; de illusi&euml;n en het schijnbedrog vluchten, alles wat
+is, vertoont zich hier zooals het ten laatste zijn zal. Hier verraadt
+een gebroken flesch de dronkenschap, het hengsel van een mand verhaalt
+de dienstbaarheid; de beeldenaar van het koperen soustuk bedekt zich
+eerlijk met kopergroen; de louisd&rsquo;or, die uit het speelhuis komt,
+raakt den spijker waaraan de strop van den zelfmoordenaar hangt; een
+ongeboren vrucht drijft er in het opgetooide balkleed, dat den vorigen
+vastenavond in de opera danste; de barret van een rechter <span class=
+"pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>ligt bij
+den half verganen rok van een meisje. Al wat zich blankette, vergaat
+hier. De laatste sluier is afgerukt. Een riool is een onbeschaamde. Het
+zegt alles. Deze oprechtheid der vuilnis doet ons genoegen en geeft de
+ziel rust. Wanneer men zijn leven heeft doorgebracht met op aarde het
+gezicht te verdragen der voorname houding, welke redenen van staat, de
+eed, de politieke wijsheid, de menschelijke gerechtigheid, de
+ambtelijke eerlijkheid, de gebiedende toestand, de onomkoopbare
+rechters aannemen, gevoelt men zich verlicht, wanneer men in een riool
+ziet welk slijk er toe behoort.</p>
+<p>Het onderwijst tevens. Wij hebben aanstonds gezegd dat de
+geschiedenis door het riool gaat. De Bartholomeus-nachten sijpelen er
+dropswijze tusschen de straatsteenen door. De groote openbare moorden
+en staatkundige en godsdienstige bloedbaden, stroomen door dit
+onderaardsch gewelf der beschaving en stuwen er hun lijken in. Voor het
+oog van den denker zijn daar al de historische moordenaars in een
+afschuwelijk halflicht geknield, terwijl zij, met een punt van hun
+lijkwade tot voorschoot, treurig hun werk afwisschen. Lodewijk XI is er
+met Tristan. Frans I met Duprat, Karel IX met zijn moeder, Richelieu
+met Lodewijk XIII, Louvois, Letellier, H&eacute;bert en Maillard zijn
+er en krabben de steenen, trachtende het spoor hunner daden te doen
+verdwijnen. Men hoort onder deze gewelven den bezem dier schimmen. Men
+ademt er den stank der maatschappelijke beroerten. In de hoeken ziet
+men roode lichtweerkaatsingen. Daar stroomt een vreeselijk water,
+waarin zich bloedige handen hebben gewasschen.</p>
+<p>De maatschappelijke opmerker moet deze duisternis binnengaan. Zij
+behoort tot zijn werkplaats. De wijsbegeerte is het microscoop der
+gedachte. Alles wil er voor vluchten, maar niets ontsnapt er aan.
+&rsquo;t Is nutteloos uitvluchten te zoeken. Welke zijde vertoont men,
+wanneer men uitvluchten zoekt? De zijde der schande. De wijsbegeerte
+vervolgt met haar eerlijk oog het kwaad en belet, dat het in &rsquo;t
+niet ontwijke. In de vernietiging der dingen welke verdwijnen, in de
+afneming der dingen die zich verwijderen, ziet zij alles. Zij stelt het
+purper weder uit de lompen samen, en de vrouw naar &rsquo;t overschot
+harer kleeding: uit het riool herbouwt zij de stad; uit het slijk doet
+zij de zeden weder te voorschijn komen. Naar den scherf vormt zij zich
+een denkbeeld van de amphora of de kruik. Aan het indruksel van een
+nagel op een perkament herkent zij het onderscheid tusschen het
+jodendom van de <i>Judengasse</i> en het jodendom van het
+<i>ghetto</i>. Zij hervindt in &rsquo;t geen geweest is, het goede, het
+kwade, het valsche, het ware, de bloedvlek van het paleis, de inktvlek
+van het hol, den vetdroppel <span class="pagenum">[<a id="pb97" href=
+"#pb97" name="pb97">97</a>]</span>van het huis van ontucht, de
+ondergane beproevingen, de gelukte verlokkingen, de uitgebraakte
+zwelgerijen; de plooi der karakters wanneer zij zich verlagen, het
+spoor der veilheid in zielen, wier grofheid haar daartoe geschikt
+maakte, en op het buis der lastdragers van Rome het indruksel van
+Messalina&rsquo;s elleboog.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.3" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Bruneseau.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het riool van Parijs was in de Middeleeuwen een
+legendenboek.</p>
+<p>In de zestiende eeuw wilde Hendrik II een onderzoek beproeven, dat
+mislukte. Geen honderd jaren geleden, was het riool, Mercier getuigt
+het, aan zich zelf overgelaten en werd wat het kon.</p>
+<p>Z&oacute;&oacute; was het oude Parijs aan twisten, weifelingen en
+blind onderzoek overgeleverd. &rsquo;t Was lang tamelijk dom. Later
+toonde 89 hoe de steden verstand krijgen. Maar in den goeden ouden tijd
+had de hoofdstad weinig verstand; zij kon noch zedelijk, noch
+stoffelijk haar zaken doen, en evenmin de vuilnis als de misbruiken
+wegvegen. Alles was een hinderpaal, alles was een vraagstuk. Het riool,
+bij voorbeeld, verzette zich tegen alle navorsching. Het gelukte den
+menschen evenmin hun weg daarin te vinden, als zich in de stad met
+elkander te verstaan; boven het onverstaanbare, beneden het
+onoplosbare; bij de spraakverwarring was de verwarring der
+onderaardsche gewelven; onder Babel de doolhof.</p>
+<p>Soms gebeurde het, dat het riool van Parijs overliep, als ware deze
+miskende Nijl eensklaps door toorn bevangen. Er hadden afschuwelijke
+riooloverstroomingen plaats. Somwijlen was de spijsvertering van deze
+maag der beschaving slecht; het riool steeg op in de keel der stad en
+Parijs had den nasmaak van zijn slijk. Deze overeenkomst van het riool
+met de wroeging had iets goeds. &rsquo;t Waren waarschuwingen, die
+trouwens zeer kwalijk genomen werden; de stad was er over gebelgd, dat
+haar slijk zoo brutaal was, en wilde niet, dat de vuilnis terugkwam.
+Zij moest haar beter verjagen.</p>
+<p>De overstrooming van 1802 is een der herinneringen van de
+tachtigjarige Parijzenaars. Het slijk verspreidde zich van alle kanten
+over het plein der Victoires, waar het beeld van Lodewijk <span class=
+"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>XIV
+staat; het bedekte een gedeelte der straat van de Champs-Elys&eacute;es
+tot een hoogte van vijf-en dertig duim. Het had zijn hoogste punt in de
+straat St. Pierre, waar het drie voet boven de straatsteenen stond, en
+zijn grootste uitgestrektheid in de straat St. Sabin, waar het zich
+tweehonderd acht-en-dertig el ver verspreidde.</p>
+<p>In het begin dezer eeuw was het riool van Parijs nog een
+geheimzinnig oord. Het slijk kan nooit een goeden naam hebben; maar
+hier had zijn kwade naam iets schrikbarends. Parijs wist min of meer
+dat het een vreeselijken kelder onder zich had. Men sprak ervan, als
+van dien ontzaggelijken modderpoel te Thebe, waar duizendbeenen van
+vijftien voet lang wemelden, en die tot badplaats van Behemoth had
+kunnen dienen. De groote laarzen der baggerlieden waagden zich nooit
+verder dan tot zekere bekende punten. Men was nog niet ver van den tijd
+toen de vuilniskarren eenvoudig in het riool uitgestort werden. De
+ruiming ervan werd aan de plasregens overgelaten, die echter meer
+verstopten dan wegveegden. Rome liet zijn riool nog iets dichterlijks
+behouden en noemde het Gemonie; Parijs smaadde het zijne en noemde het
+&rsquo;t &bdquo;stinkgat.&rdquo; De wetenschap en het bijgeloof waren
+het eens ten aanzien van het afschuwelijke. Voor het stinkgat had de
+gezondheid niet minder afkeer dan de legende. Fagon had de vreeselijk
+kwaadaardige koorts van 1685 aan de groote monding van het riool in het
+Marais toegeschreven, die tot 1833 in de straat Saint Louis, bleef
+gapen. De mond van het riool in de straat de la Mortellerie was berucht
+wegens de pestziekten die er uit opstegen, als een drakenmuil die de
+hel op de menschen blies. De volksverbeelding verbond aan den donkeren
+zinkput van Parijs iets bovennatuurlijks, dat afgrijselijk was. Het
+riool was grondeloos. Het was het barathrum. De gedachte om deze
+melaatsche oorden te onderzoeken kwam zelfs niet bij de politie op. Wie
+had het gewaagd dit onbekende te betreden, die duisternis te peilen,
+ter onderzoeking in dien afgrond te dalen? &rsquo;t Was
+verschrikkelijk. Evenwel bood zich hiertoe iemand aan. Het riool had
+zijn Christoforus Columbus.</p>
+<p>Op een dag in 1805, bij een dier zeldzame verschijningen van den
+keizer te Parijs, kwam de minister van Binnenlandsche Zaken op het
+<i lang="fr">petit lever</i> van den meester. Men hoorde op het
+Carrouselplein de slepende sabels van al die ongemeene soldaten der
+groote republiek en van het groote keizerrijk; er was gedrang van
+helden voor de deur van Napoleon; mannen van den Rijn, van de
+<span class="corr" id="xd20e2302" title="Bron: schelde">Schelde</span>,
+van de Etsch, en van den Nijl, krijgsmakkers van Joubert, Desaix,
+Marceaux, Hoche, Kl&eacute;ber; aerostaten van Fleurus, grenadiers van
+Metz, pontonniers van Genua, huzaren <span class="pagenum">[<a id=
+"pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>welke de piramiden gezien
+hadden, artilleristen welke de kanonskogel van Junot met aarde
+getroffen had; kurassiers die stormenderhand de in de Zuiderzee ter
+anker liggende vloot genomen hadden; de eenen waren Napoleon op de brug
+van Lodi gevolgd, de anderen hadden Murat in de loopgraaf van Mantua
+begeleid, weder anderen waren Lannes in den hollen weg van Montebello
+gevolgd. Het geheele leger van dien tijd was d&aacute;&aacute;r, op
+&rsquo;t voorplein der Tuilerie&euml;n, vertegenwoordigd door een
+escouade of peloton, en Napoleon in zijn rust bewakende. &rsquo;t Was
+het schitterend tijdstip, toen het groote leger Marengo achter zich en
+Austerlitz voor zich had.&mdash;&bdquo;Sire,&rdquo; zei de minister van
+binnenlandsche zaken tot Napoleon, &bdquo;ik heb gisteren den
+onversaagdsten man van uw rijk gezien.&rdquo;&mdash;&bdquo;Wie is die
+man?&rdquo; vroeg de keizer, &bdquo;en wat heeft hij
+gedaan?&rdquo;&mdash;&bdquo;Hij wil iets doen,
+sire.&rdquo;&mdash;&bdquo;Wat?&rdquo;&mdash;&bdquo;De riolen van Parijs
+onderzoeken.&rdquo;</p>
+<p>Deze man leefde en heette Bruneseau.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.4" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Onbekende bijzonderheden.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het onderzoek had plaats. &rsquo;t Was een ontzettende
+veldtocht; een nachtelijke veldslag tegen pest en verstikking. &rsquo;t
+Was tevens een ontdekkingsreis. Een der overlevenden van dezen
+ontdekkingstocht, een zeer schrander, toen nog jong werkman, verhaalde
+eenige jaren geleden de merkwaardige bijzonderheden, welke Bruneseau
+meende in zijn rapport aan den prefect van Politie te moeten
+verzwijgen, als niet gepast voor den administratiestijl. Men was
+destijds nog niet ver in de zuiveringsmethode. Nauwelijks was Bruneseau
+voorbij de eerste vertakkingen van het onderaardsche netwerk, toen acht
+van de twintig arbeiders weigerden verder te gaan. &rsquo;t Was een
+zeer moeielijke bewerking; het onderzoek eischte schoonmaking; en met
+de schoonmaking moest men tevens meten, de watermondingen opteekenen,
+de roosters en openingen tellen, de vertakkingen aangeven, benevens de
+strooming, ter plaatse waar zij zich verdeelden; van ieder der bekkens
+den omvang onderzoeken, de kleine riolen, die op het groote riool
+uitliepen, peilen, de hoogte van ieder gewelf in de breedte, zoowel aan
+het begin der gewelven als van den bodem meten, en zijn helling bepalen
+in verhouding met de oppervlakte van de straat. Met moeite vorderde
+men. <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name=
+"pb100">100</a>]</span>Niet zelden stonden de ladders, waarmede men
+afdaalde, drie voeten in de modder. Het licht der lantaarn brandde
+nauwelijks in deze pestdampen. Nu en dan droeg men een bezwijmden
+baggerman weg. Op sommige plaatsen waren kolken. De bodem was gezakt,
+het plaveisel was ingestort en het riool was in een diepen grondeloozen
+put veranderd; eensklaps verzonk er een man in, die met veel moeite
+weder werd opgehaald. Op raad van Fourcroy ontstak men op zekere
+afstanden, op plaatsen die genoegzaam schoon gemaakt waren, groote
+kooien met werk, dat in teer gedoopt was. Op sommige plekken was de
+muur bedekt met afschuwelijke zwammen, die zweren en puisten geleken;
+zelfs de steen scheen in dezen verpesten dampkring ziek.</p>
+<p>Bruneseau ging in zijn onderzoek met den stroom voort. Aan het
+scheidingspunt der twee waterleidingen van den Grand-Hurleur, vond hij
+op een vooruitstekenden steen het jaartal 1550; deze steen wees de
+grens aan, tot welken Philibert Delorme was gekomen, die van Hendrik II
+den last had ontvangen om den onderaardschen weg van Parijs te
+onderzoeken. Deze steen was voor het riool het merk der zestiende eeuw.
+Bruneseau vond het merk der zeventiende eeuw in het riool van Ponceau
+en in dat der straat Vieille-du-Temple, welke tusschen 1600 en 1650
+verwelfd waren; en dat van de achttiende eeuw in het westelijk gedeelte
+van het hoofdkanaal, dat in 1740 gemetseld werd. Deze twee gewelven,
+vooral het jongste, dat van 1740, waren meer gescheurd en vervallen dan
+het metselwerk van het ringriool, dat van 1412 dagteekent, het tijdstip
+toen de versch-waterleiding van Menilmontant verheven werd tot de
+waardigheid van groot riool van Parijs, een bevordering gelijk staande
+met die van een boer tot eersten kamerdienaar des konings.</p>
+<p>Men meende hier en daar, voornamelijk onder het Paleis van Justitie,
+de holen van oude cachotten te herkennen, welke in het riool zelf
+gemetseld waren. Afschuwelijke <i lang="la">in pace</i>. In een dezer
+cellen hing een ijzeren halsband. Zij werden alle dicht gemetseld. Men
+vond zonderlinge voorwerpen; onder andere het geraamte van een
+ourang-outang, die in 1800 uit den Plantentuin verdwenen was, welke
+verdwijning waarschijnlijk in verband stond met de beruchte en zekere
+verschijning des duivels in het laatste jaar der achttiende eeuw, in de
+Bernardijnsstraat. De arme duivel was eindelijk in het riool
+verdronken.</p>
+<p>In het gewelf dat bij den boog Marion uitloopt, trok de volkomen
+goed bewaard gebleven draagkorf van een voddenraper de bewondering der
+deskundigen. Overal was in de <span class="pagenum">[<a id="pb101"
+href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>modder, welke de baggerlieden
+eindelijk onvervaard behandelden, een overvloed van kostbare
+voorwerpen, gouden en zilveren kleinooden, edelsteenen, muntstukken.
+Een reus, die dit riool gezift had, zou in zijn zeef den rijkdom der
+eeuwen hebben gehad. Op het scheidingspunt der twee vertakkingen van de
+straat du Temple en die van St. Avoye, vond men een zonderlinge koperen
+medaille der Hugenoten, op welke aan de eene zijde een varken met een
+kardinaalshoed, en aan de andere zijde een wolf met de driekroon op den
+kop stond.</p>
+<p>De verwonderlijkste ontmoeting was aan den ingang van het groote
+riool. Deze ingang was eertijds door een rasterwerk gesloten geweest,
+waarvan de hengsels nog aanwezig waren. Aan een dier hengsels hing een
+smerig vod, dat zeker, in &rsquo;t voorbijdrijven daar tegengehouden,
+in de duisternis fladderde en verder scheurde. Bruneseau onderzocht met
+zijn lantaarn het vod opmerkzaam. &rsquo;t Was zeer fijn batist en in
+een punt, die minder vergaan was dan het overige, onderscheidde men een
+geborduurde kroon, boven deze zeven letters LAVBESP. &rsquo;t Was een
+markiezenkroon en de zeven letters beteekenden: <i>Laubespine</i>. Men
+herkende in &rsquo;t geen men onder de oogen had een stuk van Marats
+lijkwade. Marat was in zijn jeugd verliefd geweest, toen hij in
+hoedanigheid van paardenarts tot het huis van den graaf van Artois
+behoorde. Van zijn, door de geschiedenis bevestigden, liefdehandel met
+een aanzienlijke dame was hem dit beddelaken gebleven. Een
+toege&euml;igend goed of gedachtenis. Wijl dit lijnwaad na zijn dood
+het eenige eenigszins fijne was, &rsquo;t welk hij bezat, had men hem
+er in gehuld. Oude vrouwen hadden hem voor het graf in dat doek
+gewikkeld, waarop de tragische vriend des volks den wellust had
+gesmaakt. Bruneseau ging verder; men liet het vod waar het was; men
+vernietigde het niet. Was het uit verachting of eerbied? Marat
+verdiende beide.</p>
+<p>Het geheele onderzoek van den onderaardschen weg der vuilnis van
+Parijs duurde zeven jaren, van 1805 tot 1812.</p>
+<p>Aldus maakte, bij den aanvang dezer eeuw, de oude maatschappij haar
+bodem schoon en ruimde haar riool op. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.5" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Tegenwoordige vooruitgang.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Tegenwoordig is het riool zindelijk, kil, recht,
+nauwkeurig.</p>
+<p>Het verwezenlijkt schier het ideaal van &rsquo;t geen men in
+Engeland onder het woord &bdquo;respectable&rdquo; verstaat. Het is
+betamelijk en grijsachtig; naar de lijn getrokken; men zou schier
+kunnen zeggen netjes. Het gelijkt naar een leverancier die staatsraad
+is geworden. &rsquo;t Is er bijna licht. Het slijk gedraagt er zich
+fatsoenlijk. Bij den eersten aanblik zou men het voor een dier
+onderaardsche gangen houden, welke eertijds zoo gemeen en zoo nuttig
+waren voor de vlucht van monarchen en vorsten, in dien goeden ouden
+tijd, &bdquo;toen het volk zijn koningen beminde.&rdquo; Het
+tegenwoordig riool is een fraai riool; de klassieke alexandrijnsche
+rechte lijn, die uit de po&euml;zie verjaagd, in de bouwkunst de wijk
+schijnt te hebben genomen, is met al de steenen van dat lang, donker en
+witachtig gewelf als vereenzelvigd; iedere monding is een boog. Zoo
+overigens de geometrische lijn ergens op haar plaats is, is &rsquo;t
+zekerlijk in de vuilniskanalen eener groote stad. Daar moet alles den
+kortsten weg volgen. Tegenwoordig heeft het riool een zeker officieel
+voorkomen verkregen. Zelfs de rapporten der politie, waarvan het nu en
+dan het onderwerp is, spreken er met achting van. De woorden, die er in
+de administratieve taal voor gebezigd worden, zijn verheven en
+fatsoenlijk. Wat men riool noemde heet galerij, wat gat werd genoemd
+heet opening. Dit net van holen heeft echter nog altijd zijn
+onheugelijke bevolking van knaagdieren, die er talrijker zijn dan ooit.
+Nu en dan waagt een rat, een oude snorbaard, zijn kop voor het venster
+van het riool en beschouwt de Parijzenaars; maar zelfs dit ongedierte
+wordt tam, want het is tevreden met zijn onderaardsch paleis. Het riool
+heeft niets meer van zijn vorige afschuwelijkheid. De regen, die het
+vroegere riool vuil maakte, wascht het tegenwoordige. Men vertrouwe het
+echter niet te veel. Het wordt nog steeds door pestdampen bewoond. Het
+is eer een huichelaar dan een vrome. Wat de politie en de
+gezondheidscommissie ook gedaan hebben, en ten spijt van alle
+zuiveringsmiddelen, wasemt het nog een verdachten reuk. Tartuffe na de
+biecht.</p>
+<p>Wij moeten evenwel betuigen dat, wijl de ruiming in allen geval een
+hulde is, door het riool aan de beschaving gebracht, en in dit opzicht
+het geweten van Tartuffe een vooruitgang op den stal van Augias is, het
+riool van Parijs zich onbetwistbaar verbeterd heeft. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span></p>
+<p>&rsquo;t Is meer dan vooruitgang, &rsquo;t is een herschepping.
+Tusschen het vorige en het tegenwoordige riool ligt een revolutie. Wie
+heeft deze revolutie bewerkt?</p>
+<p>De man, dien iedereen vergeet en dien wij genoemd hebben
+Brunesau.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.6" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Toekomstige vooruitgang.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De bouwing van het Parijsche riool was geen kleine
+zaak. De tien laatste eeuwen hebben er aan gearbeid, zonder het te
+kunnen voltooien, evenmin als zij Parijs hebben voltooid. Het riool
+ontvangt inderdaad de terugwerking der uitbreiding van Parijs. In de
+aarde is &rsquo;t een soort van polyp met duizend sprieten, die
+gelijkertijd met de stad daarboven grooter wordt. Telkens wanneer de
+stad een nieuwe straat aanlegt, steekt het riool een arm uit. De oude
+monarchie had slechts drie-en-twintig duizend driehonderd ellen riool
+gebouwd; zoo ver was Parijs daarmede den 1 Januari 1806. Van dit
+tijdstip af, waarvan wij aanstonds zullen spreken, is het werk met
+kracht hervat en voortgezet; Napoleon bouwde&mdash;de cijfers zijn
+merkwaardig&mdash;vier duizend achthonderd vier ellen; Lodewijk XVIII
+vijf duizend zevenhonderd negen; Karel X tien duizend achthonderd
+zes-en-dertig; Lodewijk Filips negen-en-tachtig duizend twintig; de
+republiek van 1848 drie-en-twintig duizend driehonderd een-en-tachtig;
+de tegenwoordige regeering zeventig duizend vijfhonderd; zoodat er op
+dit oogenblik gezamenlijk tweehonderd zes-en-twintig duizend
+zes-honderd tien ellen, (zestig mijlen) riool zijn; de ontzaggelijke
+ingewanden van Parijs. Een duistere, steeds werkzame aangroei; een
+onbekende reusachtige bouw.</p>
+<p>Men ziet dus, dat de onderaardsche doolhof van Parijs tegenwoordig
+meer dan tienmaal grooter is dan bij den aanvang dezer eeuw. Men kan
+zich moeielijk voorstellen, hoeveel volharding en moeite vereischt
+werden, om dat riool tot het punt van betrekkelijke volmaaktheid te
+brengen, waarop het thans is. Met veel moeite gelukte het aan het oude
+monarchale prevootschap, en in de laatste tien jaren der achttiende
+eeuw aan de revolutionnaire mairie, om de vijf mijlen riool te bouwen,
+die v&oacute;&oacute;r 1806 bestonden. Allerlei hinderpalen belemmerden
+dat werk; eenige hingen van den aard van den bodem af, andere lagen in
+de vooroordeelen der arbeidende bevolking van Parijs. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name=
+"pb104">104</a>]</span>Parijs is op een grondlaag gebouwd, die zich
+ongemeen tegen de spade, het houweel en de menschelijke hand verzet. Er
+is niets moeielijker te doordringen dan deze geologische vorming, welke
+Parijs wordt genoemd; zoodra, onder dezen of genen vorm, het werk zich
+in deze vorming waagt, vindt het ontelbare onderaardsche hindernissen.
+&rsquo;t Zijn vloeibaar leem, springende bronnen, harde rotsen, zachte
+en diepe slijk- en modderpoelen. Het houweel dringt moeielijk in de
+kalklagen, welke vermengd zijn met zeer dunne aderen leem, en
+leiachtige lagen waarin zich oesterschelpen bevinden, de bewoners der
+proadamitische zee&euml;n. Vaak ontspringt plotseling een beekje in het
+begonnen gewelf en overstroomt de werklieden; of er ontstaat een
+mergelvloeiing die met de kracht van een waterval nederstort en de
+dikste schoorbalken als glas verbreekt. Onlangs, toen men te la
+Villette het hoofdriool onder het kanaal van Saint Martin moest
+brengen, ontstond een scheur in het bekken van het kanaal, het water
+stroomde eensklaps in de onderaardsche werkplaats; toen moest met een
+duiker de scheur worden gezocht, die zich in het groote bekken bevond,
+en met veel moeite werd zij gedicht. Elders, aan de Seine, tamelijk ver
+van die rivier, zooals bij voorbeeld te Belleville, Grande Rue en
+Passage Luni&egrave;re, ontmoet men grondelooze zandbanken, waarin men
+zakt en in een oogenblik verdwijnen kan. Daarbij rekene men de
+verstikking in deze pestdampen, de bedelving onder de aardstortingen,
+en de plotselinge instorting van den bodem. Men voege hierbij de
+typhus, die langzaam de arbeiders doordringt. Na, in onzen tijd, de
+linie riolen van de barri&egrave;re Blanche tot den weg van
+Aubervilliers in vier maanden, dag en nacht arbeidende, tot een diepte
+van elf ellen te hebben gebouwd, stierf de bestuurder Monnot. Na drie
+duizend ellen riool op alle punten der stad gebouwd te hebben, stierf
+de ingenieur Duleau. Er zijn geen bulletins voor dergelijke moedige
+daden, die echter nuttiger zijn dan het domme bloedbad der
+veldslagen.</p>
+<p>De riolen van Parijs waren in 1832 volstrekt niet wat zij thans
+zijn. Bruneseau had den stoot gegeven, maar de cholera moest komen, om
+tot de uitgebreide herbouwing te doen besluiten, die sinds plaats
+had.</p>
+<p>Dertig jaren geleden, op het tijdstip van den opstand van 5 en 6
+Juni, bestond op vele plaatsen bijna nog het oude riool. Een zeer groot
+getal straten hadden toen eenvoudige goten. Men vond toen bij den
+samenloop van een straat of plein groote, vierkante roosters, met dikke
+ijzeren spijlen, die, door de voetstappen der menigte gepolijst,
+gevaarlijk en glibberig voor de rijtuigen waren en de paarden deden
+vallen. De <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name=
+"pb105">105</a>]</span>offici&euml;ele taal van het departement der
+openbare werken, gaf aan deze roosters den veelbeteekenenden naam van
+<i>Cassis</i> (halsbrekers).</p>
+<p>In 1832 vertoonde in een aantal straten het oude gothieke riool nog
+onbeschaamd zijn muilen. &rsquo;t Waren groote steenen openingen, soms
+met monumentale <span class="corr" id="xd20e2377" title=
+"Bron: onbeschaamheid">onbeschaamdheid</span> door straatpalen
+omgeven.</p>
+<p>Behalve den staatkundigen vooruitgang, waarop wij bij den aanvang
+hebben gewezen, zijn ernstige vraagstukken omtrent de openbare
+gezondheidstoestand aan deze gewichtige zaak: &bdquo;het riool van
+Parijs&rdquo;, verbonden.</p>
+<p>Men zou kunnen zeggen dat sedert tien eeuwen het riool de ziekte van
+Parijs is. Het riool is de ondeugd, welke de stad in haar bloed heeft.
+Het volksinstinct heeft zich daarin nooit bedrogen. Het beroep van
+baggerman was vroeger even gevaarlijk en voor het volk even walgelijk
+als het beroep van vilder, dat zoo lang verfoeid en aan den beul
+overgelaten werd. Er werd een hoog loon vereischt om een metselaar over
+te halen, in deze verpeste mijn te dringen; de ladder van den putruimer
+aarzelde er in te dalen; men had tot spreekwoord: &bdquo;wie in het
+riool nederdaalt, zinkt in den grafkuil;&rdquo; en allerlei akelige
+legenden omsluierden, zooals wij gezegd hebben, met ontzetting dezen
+kolossalen modderpoel, die de sporen draagt, zoowel der omwentelingen
+van den aardbol als der revoluti&euml;n van de menschen, en waar men
+tevens de sporen vindt van alle wereldberoeringen, van de schulpen des
+zondvloeds tot het gescheurde bedlaken van Marat. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek III.</h2>
+<h2 class="main">Slijk, echter ziel.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name=
+"pb109">109</a>]</span>
+<div id="ch3.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het riool en zijn verrassingen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&rsquo;t Was in het riool van Parijs, dat Jean Valjean
+zich bevond.</p>
+<p>Een overeenkomst te meer van Parijs met de zee is, dat de duiker in
+beide kan verdwijnen.</p>
+<p>De overgang was verbazend. In het midden zelf der stad was Jean
+Valjean uit de stad verdwenen, en in een oogwenk, in den tijd waarin
+men een deksel kan oplichten en nederlaten, was hij uit het helderst
+daglicht in de diepste duisternis, van den middag in middernacht, uit
+het gewoel in de stilte, uit het gerucht des donders in de rust des
+grafs, en, ten gevolge van een nog wonderbaarder toeval dan in de
+straat Polonceau, uit het grootste gevaar in de volkomenste veiligheid
+overgegaan.</p>
+<p>Deze plotselinge val in een kelder; deze verdwijning in het
+onbekende van Parijs; deze straat te verlaten, waar alom de dood was,
+voor dit soort van graf, waar leven was,&mdash;dit was een zonderling
+oogenblik. Hij was eenige seconden als bedwelmd; luisterend en
+ontsteld. Het valluik der redding had zich plotseling onder hem
+geopend. De hemelsche goedheid had hem, om zoo te spreken, verraderlijk
+overvallen. Aanbiddelijke hinderlagen der Voorzienigheid.</p>
+<p>Maar de gekwetste bewoog zich niet, en Jean Valjean wist niet, of
+hij in dien afgrond een levende of een doode droeg.</p>
+<p>Zijn eerste gewaarwording was verblinding. Eensklaps zag hij niets
+meer. Ook scheen &rsquo;t hem, als ware hij in een minuut doof
+geworden. Hij hoorde niets meer. De woeste moordstorm, die eenige
+voeten boven hem woedde, bereikte zijn ooren, zooals wij gezegd hebben,
+dank zij de dikte van den grond, die er hem van scheidde, slechts dof
+en onduidelijk, als geluid in een diepte. Hij voelde vasten grond onder
+zijn voeten, anders niet, maar dat was genoeg. Hij stak de eene hand,
+toen de andere uit, raakte aan beide zijden den muur aan, en bevond
+<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name=
+"pb110">110</a>]</span>dat de gang nauw was; hij gleed uit en merkte
+dat de vloersteenen vochtig waren. Voorzichtig zette hij een voet
+vooruit, uit vrees voor een gat, een zinkput, een kolk; hij overtuigde
+zich dat de weg verder liep. De stinkende walm verried hem in welke
+plaats hij zich bevond.</p>
+<p>Na eenige oogenblikken was hij niet meer blind. Een weinig licht
+viel door de opening, waarin hij was afgestegen, en zijn blik had zich
+aan de duisternis gewend. Hij begon iets te onderscheiden. De
+onderaardsche gang, waarin hij zich beveiligd had, was achter hem
+dichtgemetseld. &rsquo;t Was een slop. V&oacute;&oacute;r hem was een
+andere muur, een donkere muur. Het licht van de opening verdween op
+tien of twaalf schreden van het punt, waar Jean Valjean zich bevond, en
+wierp slechts eenige ellen ver een flauwen glans op de vochtige wanden
+van het riool. Verder was de duisternis als een vaste massa; er in door
+te dringen scheen, afgrijselijk en een verzwelging. Men kon echter in
+dezen muur van duisternis voortgaan; dit moest geschieden, en wel
+spoedig. Jean Valjean overwoog, dat de rooster, door hem onder de
+straatsteenen ontdekt, ook door de soldaten kon worden ontdekt, en dat
+alles van dit toeval afhing. Ook zij konden in den put afdalen en hem
+doorzoeken. Er was geen minuut te verliezen. Hij had Marius op den
+grond gelegd, raapte hem weder op, dit is het ware woord, nam hem weder
+op zijn schouders en ging stoutmoedig in deze duisternis
+voorwaarts.</p>
+<p>Zij waren echter minder gered dan Jean Valjean meende. Gevaren van
+een anderen aard, en misschien niet minder groot, wachtten hen. Na den
+vurigen wervelwind van het gevecht, het hol der pestdampen en
+valstrikken; na den chaos, het riool. Jean Valjean was uit de eene
+streek der hel in de andere gevallen.</p>
+<p>Toen hij vijftig schreden had afgelegd, moest hij stilhouden. Er
+deed zich een vraag voor. De gang liep uit in een andere gang, welke
+hij dwars doorsneed. Er boden zich dus twee wegen aan. Welken te
+volgen? Moest hij links of rechts gaan? Hoe den weg in dezen donkeren
+doolhof te vinden? Deze doolhof heeft, zooals wij hebben opgemerkt, een
+draad, namelijk zijn glooiing. Zoo men die glooiing volgt komt men aan
+de rivier.</p>
+<p>Jean Valjean begreep dit dadelijk.</p>
+<p>Hij vermoedde, dat hij waarschijnlijk in het riool der Hallen was;
+dat, zoo hij links ging en de <span class="corr" id="xd20e2421" title=
+"Bron: glooing">glooiing</span> volgde, hij binnen een kwartieruurs aan
+een monding in de Seine, tusschen de Pont-au-Change en de Pont-Neuf zou
+zijn, dat wil zeggen, dat hij op klaarlichten dag in het volkrijkste
+gedeelte van Parijs <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111"
+name="pb111">111</a>]</span>te voorschijn zou komen. Misschien kwam hij
+aan een opening op een plein. Hoe verbaasd zouden de voorbijgangers
+zijn, twee met bloed bedekte mannen onder hun voeten uit de aarde te
+zien komen. Stadssergeanten zouden terstond bij de hand zijn en de
+naburige wachtpost zou ijlings in de wapens komen. Hij zou gevat zijn,
+v&oacute;&oacute;r hij er uit was. Het was beter zich verder in dien
+doolhof te verdiepen, zich aan de duisternis toe te vertrouwen, en
+wegens de uitkomst zich aan de Voorzienigheid over te geven.</p>
+<p>Hij ging rechts, tegen de glooiing op.</p>
+<p>Toen hij om den hoek der galerij was, verdween het verwijderd licht
+van de opening, de gordijn der duisternis viel op hem en hij werd weder
+blind. Hij ging echter voorwaarts en zoo snel hij kon. Hij had de armen
+van Marius om zijn hals gelegd en zijn beenen hingen achter hem. Met de
+eene hand hield hij de twee armen, met de andere tastte hij langs den
+muur. De wang van Marius raakte de zijne en, wijl ze met bloed bedekt
+was, kleefde zij er aan. Hij voelde een lauwen stroom langs zich loopen
+en door zijn kleederen dringen; het was het bloed van Marius. Een
+vochtige warmte aan zijn oor, dat den mond van den gekwetste raakte,
+verried echter ademhaling en bijgevolg leven. De gang, dien Jean
+Valjean nu doorging, was minder nauw dan de eerste. Met moeite schreed
+Jean Valjean voort. De regen van den vorigen dag was nog niet geheel en
+al weggeloopen en vormde een kleinen waterval, midden door de bedding,
+en hij moest zich tegen den muur dringen om de voeten niet in het water
+te zetten. Dus ging hij in de duisternis. Hij geleek die nachtelijke
+wezens, die in het onzichtbare rondtasten en verloren zijn in de
+onderaardsche mijnen der duisternis.</p>
+<p>Allengs evenwel zag hij een flauw schijnsel, hetzij dat verwijderde
+roosteropeningen eenig schemerlicht in deze dikke duisternis wierpen,
+hetzij dat zijn oogen er aan gewoon werden, en hij begon zich flauw
+rekenschap te geven nu van den muur dien hij raakte, dan van het gewelf
+waaronder hij voortschreed. De oogappel verwijdt zich in de duisternis
+en vindt er eindelijk licht, evenals de ziel zich in rampen verwijdt en
+er eindelijk God vindt.</p>
+<p>&rsquo;t Was bezwaarlijk zich te richten.</p>
+<p>De loop der riolen geeft, om zoo te spreken, den loop der straten,
+die er boven zijn, terug. In het Parijs van dien tijd waren twee
+duizend tweehonderd straten. Men stelle zich daaronder dat woud van
+donkere vertakkingen voor, &rsquo;t welk het riool wordt genoemd. De
+destijds bestaande rioolgangen zouden te zamen een lengte van elf
+mijlen hebben bedragen. <span class="pagenum">[<a id="pb112" href=
+"#pb112" name="pb112">112</a>]</span>Hierboven hebben wij gezegd, dat
+het tegenwoordige net, dank zij den bijzonderen ijver der laatste
+dertig jaren, niet minder dan zestig mijlen lengte heeft.</p>
+<p>Jean Valjean begon zich te vergissen. Hij meende onder de straat St.
+Denis te zijn, en het speet hem dat het zoo niet was. Onder de straat
+St. Denis is een oud steenen riool, dat van Lodewijk XIII dagteekent,
+en rechtstreeks op het zoogenaamd Groot-riool uitloopt, met een enkele
+kromming rechts, ter hoogte van het oude Cour des miracles en een
+enkele vertakking, het riool van St. Martin, wier vier armen elkander
+als een kruis doorsnijden. Maar het riool der kleine Truanderie, welks
+opening bij de herberg Corinthe was, is nooit in gemeenschap geweest
+met het verwulf der straat St. Denis, het liep uit in het riool
+Montmartre, en daarin was Jean Valjean afgedwaald. Hier was maar al te
+veel gelegenheid om te dolen. Het riool Montmartre is een der
+verwardste van het oude rioolnet. Jean Valjean had het riool der Hallen
+thans gelukkig achter zich, maar v&oacute;&oacute;r zich had hij meer
+dan &eacute;&eacute;ne lastige omstandigheid, en meer dan
+&eacute;&eacute;n hoek der onderaardsche straat bood zich in de
+duisternis als een vraagteeken aan.</p>
+<p>Beducht, maar bedaard, schreed hij voort, op het toeval af, namelijk
+geheel aan de Voorzienigheid overgegeven, niets ziende, niets
+wetende.</p>
+<p>Wij moeten bekennen, dat hij allengs door afgrijzen werd
+aangegrepen. De duisternis, die hem omhulde, drong in zijn geest. Hij
+ging als in een raadsel. Deze rioolleidingen zijn inderdaad vreeselijk;
+duizelingwekkend kruisen zij zich. &rsquo;t Is schrikkelijk, in dat
+Parijs der duisternis ingesloten te zijn. Jean Valjean was verplicht
+zijn weg niet alleen te vinden, maar schier te verzinnen, zonder hem te
+zien. In dit onbekende kon elke tred dien hij deed de laatste zijn. Hoe
+zou hij er uitkomen? Zou hij een uitgang vinden? Zou hij hem nog
+bijtijds vinden? Zou deze onderaardsche spons met steenen holen zich
+laten doordringen en doorboren? Zou men er een of anderen onverwachten
+knoop van duisternis ontdekken? Zou men op het onoplosbare en
+onoverkomelijke stuiten? Zou Marius er aan bloedverlies sterven, en hij
+van honger? Zouden beiden eindelijk er in verdwaald raken en twee
+lijken worden in een hoek van dezen nacht? Hij wist het niet. Hij vroeg
+zich dat alles, doch kon er geen antwoord op geven. De ingewanden van
+Parijs zijn afgronden. Gelijk de profeet, bevond hij zich in den buik
+van het monster.</p>
+<p>Eensklaps trof hem een verrassing. Op het onverwachtst bespeurde hij
+onder &rsquo;t voortgaan, dat de weg niet meer opliep; het water
+vloeide hem niet meer tegen de teenen, maar tegen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span>de
+hielen. Het riool liep afwaarts. Hoe! zou hij nu plotseling aan de
+Seine komen? Dit gevaar was groot, maar het gevaar van terug te keeren
+nog grooter. Hij ging dus verder.</p>
+<p>Zijn weg liep niet naar de Seine. Van den ezelsrug, welken de bodem
+van Parijs op den rechteroever vormt, loopt een der glooiingen naar de
+Seine, de andere naar het groote riool. De kruin van dezen ezelsrug,
+die de waterscheiding veroorzaakt, vormt een zeer grillige lijn. Het
+hoogste punt, waar de waterloop verdeeld wordt, is, in het riool van
+St. Avoye, voorbij de straat Michel-le-Comte, in het riool van het
+Louvre bij den boulevard, en in het riool Montmartre bij de Hallen. Op
+dat hoogste punt was Jean Valjean gekomen. Hij volgde de richting naar
+het ringriool en was dus op den goeden weg. Maar hij wist het niet.</p>
+<p>Telkens wanneer hij een vertakking ontmoette, betastte hij de
+hoeken, en bevond hij, dat de opening die zich voordeed minder breed
+was dan de gang waarin hij was, dan trad hij ze niet binnen, maar zette
+zijn weg voort, terecht oordeelende dat iedere nauwere gang op een slop
+moest uitloopen en hem van het doel, dat heet van den vooruitgang,
+moest verwijderen. Hij vermeed alzoo den viervoudigen valstrik, die hem
+in de duisternis door de vier doolwegen, welke wij hebben opgesomd,
+gelegd was.</p>
+<p>Op een zeker oogenblik merkte hij, dat hij het door den opstand
+verstijfde Parijs verliet, waar de barricaden het verkeer hadden
+opgeheven, en hij onder het levende en normale Parijs terugkeerde. Hij
+hoorde plotseling boven zijn hoofd als een verren maar gestadigen
+donder. &rsquo;t Was het gerol der rijtuigen.</p>
+<p>Hij had nu omtrent een half uur geloopen, althans naar zijn
+schatting, en er nog niet aan gedacht rust te nemen; alleen had hij
+tusschenbeide van hand verwisseld, waarmede hij Marius vasthield. De
+duisternis was dikker dan ooit, maar dit stelde hem gerust.</p>
+<p>Eensklaps zag hij zijn schaduw voor zich. Zij teekende zich af op
+een nauwelijks zichtbaar rood schijnsel, &rsquo;t welk den grond aan
+zijn voeten en het gewelf boven zijn hoofd flauw verlichtte, en links
+en rechts langs beide zijden van den vochtigen rioolmuur gleed.
+Ontsteld keerde hij zich om.</p>
+<p>Achter hem, in het gedeelte van de gang, &rsquo;t welk hij was
+doorgegaan, op een, zoo &rsquo;t hem scheen, zeer verren afstand,
+schitterde door de dikke duisternis een vreeselijke ster die hem scheen
+te aanschouwen.</p>
+<p>&rsquo;t Was de sombere ster der politie, die in het riool opging.
+<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name=
+"pb114">114</a>]</span>Achter deze ster bewogen zich verward acht of
+tien donkere, rechte, onduidelijke, vreeselijke gestalten.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.2" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Verklaring.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op den 6 Juni was een onderzoek der riolen bevolen.
+Men vreesde dat de overwonnenen ze tot wijkplaats hadden genomen, en de
+prefect van politie Gisquet moest het verborgen Parijs onderzoeken,
+terwijl generaal Bugeaud het openbare Parijs schoonveegde; een
+samengaande, dubbele bewerking, welke de tweevoudige krijgskunst van de
+openbare macht vereischte, die boven door het leger, onder door de
+politie vertegenwoordigd werd. Drie pelotons agenten en baggerlieden
+onderzochten den onderaardschen weg van Parijs, het eerste den
+rechteroever, het tweede den linkeroever, het derde de binnenstad.</p>
+<p>De agenten waren met karabijnen, met knuppels, degens en dolken
+gewapend.</p>
+<p>Wat in dit oogenblik naar Jean Valjean kwam, was de lantaarn der
+ronde van den rechteroever.</p>
+<p>Deze ronde had de kromme galerij en de drie sloppen onder de straat
+du Cadran onderzocht. Terwijl zij haar lantaarn in deze sloppen liet
+schijnen, had Jean Valjean op zijn weg den ingang der galerij ontmoet,
+doch haar smaller dan het hoofdriool vindende was hij er niet
+ingetreden, maar was verder gegaan. Toen de politiemannen de galerij du
+Cadran verlieten, meenden zij gerucht van voetstappen in de richting
+van het ringriool te hooren. &rsquo;t Waren inderdaad de voetstappen
+van Jean Valjean. De sergeant, aanvoerder der ronde, had zijn lantaarn
+omhoog gehouden, en de escouade had door den nevel naar den kant
+geschouwd, van waar het gerucht was gekomen.</p>
+<p>&rsquo;t Was voor Jean Valjean een onbeschrijfelijk oogenblik.</p>
+<p>Gelukkig, dat, ofschoon hij de lantaarn duidelijk zag, de lantaarn
+hem niet ontdekte. Zij was het licht, hij was de schaduw. Hij was op
+verren afstand en in de duisternis. Hij drong zich tegen den muur en
+bleef daar staan. Overigens wist hij zich geen verklaring te geven van
+&rsquo;t geen zich achter hem bewoog. De slapeloosheid, het gemis aan
+voedsel, de aandoeningen hadden ook hem in een verbijsterden toestand
+gebracht. Hij zag een lichtschijnsel en om dat lichtschijnsel als
+schimmen. Wat was dat? Hij begreep het niet. Toen Jean Valjean stil
+hield, had het gerucht opgehouden. De mannen der ronde <span class=
+"pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name=
+"pb115">115</a>]</span>luisterden, maar hoorden niets; tuurden, maar
+zagen niets. Zij raadpleegden.</p>
+<p>Destijds was op dat punt van het riool Montmartre een soort van
+klein plein, &rsquo;t welk men sinds heeft opgeruimd, uithoofde de
+regen zich daar verzamelde en een soort van meer vormde. Jean Valjean
+zag de schimmen in een kring geschaard. Deze hondenkoppen naderden
+elkander en fluisterden.</p>
+<p>De uitslag der raadpleging van deze wachthonden was, dat men zich
+vergist had, dat er geen gerucht was geweest, dat er niemand zich
+bevond, en het noodeloos was zich in het ringriool te begeven, dat het
+verloren tijd zou zijn, maar men zich moest haasten naar Saint-Merry te
+gaan, dat, zoo er iets te doen en een <i>bousingot</i> op te sporen
+was, zulks in die wijk moest zijn.</p>
+<p>Van tijd tot tijd lappen de partijen haar oude scheldwoorden op. Ten
+jare 1832 vormde het woord <i>bousingot</i> het midden tusschen het
+woord <i>Jacobin</i>, dat verouderd was, en het woord <i>demagoog</i>,
+dat toen schier niet gebruikt werd, en later zulk een voortreffelijken
+dienst heeft bewezen.</p>
+<p>De sergeant gaf bevel links af naar den kant der Seine te gaan. Zoo
+&rsquo;t hem ingevallen ware zich in twee troepen te verdeelen en in
+beide richtingen te gaan, zou Jean Valjean gevat zijn geweest. &rsquo;t
+Hing aan een draad. &rsquo;t Is waarschijnlijk, dat de voorschriften
+der prefectuur van politie, met het oog op een gevecht en de ontmoeting
+van talrijke opstandelingen, de ronde verboden had zich te verdeelen.
+De ronde trok verder en liet Jean Valjean achter zich. Van deze geheele
+beweging merkte Jean Valjean niets, dan de verduistering van de
+lantaarn, die eensklaps omkeerde.</p>
+<p>Voor zich te verwijderen loste de sergeant, ter bevrediging van
+&rsquo;t geweten der politie, zijn karabijn naar den kant dien men
+verliet, dat is in de richting van Jean Valjean. Het schot rolde van
+echo tot echo in het onderaardsch gewelf, als een rommeling van dit
+reusachtig darm-ingewand. Het puin, dat op eenige schreden van Jean
+Valjean klotsend in het water viel, verwittigde hem, dat de kogel het
+gewelf boven zijn hoofd geraakt had.</p>
+<p>Afgemeten en langzame voetstappen dreunden eenigen tijd door het
+riool, maar stierven allengs in de verte weg; de groep der zwarte
+gestalten verwijderde zich, een huiverend licht vormde in &rsquo;t
+gewelf een rooden kring, die allengs kleiner werd en eindelijk
+verdween; de diepste stilte keerde terug en de duisternis werd
+volkomen; blindheid en doofheid heerschten weder op deze plaats, en
+Jean Valjean, die zich niet durfde verroeren, bleef een geruimen tijd
+met luisterend oor en starenden <span class="pagenum">[<a id="pb116"
+href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span>blik, de verdwijning dezer
+schimmen-patrouille naoogende, tegen den muur aangedrongen staan.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.3" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De vervolgde man.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Aan de politie van dien tijd moet men het recht laten
+wedervaren, dat zij zelfs in de moeielijkste omstandigheden, onwrikbaar
+haar plicht van toezicht en waakzaamheid vervulde. Een oproer was in
+haar oog geen reden om den boosdoener vrijen teugel te laten, en de
+maatschappij te veronachtzamen, wijl de regeering in gevaar was. De
+gewone dienst werd tegelijk met den buitengewonen dienst nauwkeurig
+waargenomen en niet in &rsquo;t minst verzuimd. Onder den aanvang eener
+onberekenbare politieke gebeurtenis, onder den druk eener moeielijke
+revolutie, spoorde een politieagent, zonder zich door den opstand en de
+barricaden van zijn stuk te laten brengen, een dief op.</p>
+<p>&rsquo;t Was iets dergelijks, dat den 6 Juni des namiddags, op den
+Seineoever, even voorbij de brug der Invaliden, plaats had.</p>
+<p>Aan dien rivierkant schenen twee mannen, op eenigen afstand,
+elkander in &rsquo;t oog te houden en de een den ander te vermijden.
+Hij die vooruitging trachtte zich te verwijderen, hij die volgde
+trachtte te naderen.</p>
+<p>&rsquo;t Scheen een schaakpartij, die uit de verte en in stilte
+gespeeld werd. Geen van twee&euml;n scheen zich te reppen en beiden
+gingen langzaam, als vreesde elk hunner door te groote haast den tred
+van zijn tegenpartij te zullen versnellen.</p>
+<p>&rsquo;t Was als een begeerte die een prooi vervolgt, zonder den
+schijn te hebben dit opzettelijk te doen. De prooi was sluw en op zijn
+hoede.</p>
+<p>De verhoudingen tusschen den vervolgden bunsing en den jagenden
+hond, waren nauwkeurig in acht genomen. Hij, die poogde te ontsnappen,
+was tenger van lichaam en zwak van voorkomen; hij, die poogde te
+vangen, was iemand van hooge gestalte, ruw voorkomen en moest ruw in
+zijn handelingen zijn.</p>
+<p>De eerste, die zich den zwakste gevoelde, vermeed den tweede, maar
+hij deed dit op verbitterde wijze; die hem had kunnen gadeslaan, zou in
+zijn oogen de sombere vijandigheid der vlucht en de gansche bedreiging,
+welke in de vlucht ligt, gezien hebben.</p>
+<p>De oeverkant was eenzaam, er waren geen voorbijgangers, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name=
+"pb117">117</a>]</span>zelfs geen schippers of sjouwerlieden op de hier
+en daar liggende vaartuigen te zien.</p>
+<p>Men kon deze beide mannen slechts duidelijk van de tegenover
+liggende kade zien, en wie ze op dien afstand gezien had, zou den man,
+die voorging, als een verwilderd, haveloos, glurend, angstig en
+bibberend wezen geschenen hebben, en den ander als een klassiek,
+offici&euml;el persoon, die den rok van het gezag tot den kin
+dichtgeknoopt droeg.</p>
+<p>De lezer zou misschien beide mannen herkennen, zoo hij ze van
+dichter bij zag.</p>
+<p>Welk doel had de laatste?</p>
+<p>Waarschijnlijk den eerste warmer te kleeden.</p>
+<p>Wanneer iemand, door den Staat gekleed, een ander in lompen
+vervolgt, is het om van dezen ook een door den Staat gekleede te maken.
+Het onderscheid ligt alleen in de kleur. In &rsquo;t blauw gekleed te
+zijn is eervol; in &rsquo;t rood is het heel onaangenaam.</p>
+<p>Er is een purper in de laagte.</p>
+<p>&rsquo;t Was waarschijnlijk een onaangenaamheid en een rood van
+dezen aard, welke de eerste wilde ontsnappen. Zoo de ander hem liet
+voortgaan en hem nog niet pakte was het, volgens alle
+waarschijnlijkheid, in de hoop, hem aan een noodlottig punt, waar hij
+een goede vangst zou opleveren, te zien komen. Een gewone handeling der
+politie.</p>
+<p>Wat deze veronderstelling hoogst waarschijnlijk maakt, is dat de man
+met de dichtgeknoopte jas, van den oever op de kade een ledige
+huurkoets ziende voorbijrijden, den koetsier een wenk gaf; de koetsier
+begreep, herkende blijkbaar met wien hij te doen had, keerde om en
+volgde stapvoets op de kade beide mannen. Dit werd niet opgemerkt door
+den gluipenden havelooze, die voorging.</p>
+<p>Het huurrijtuig reed langs de boomen der <span class="corr" id=
+"xd20e2553" title=
+"Bron: Camps-Elys&eacute;es">Champs-Elys&eacute;es</span>. Men zag
+boven de borstwering het bovenlijf van den koetsier met de zweep in de
+hand uitkomen.</p>
+<p>Een der geheime voorschriften van de politie aan de agenten beval
+dit artikel: &bdquo;Steeds uit voorzorg een huurrijtuig in zijn bereik
+te hebben.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl deze twee mannen, ieder zijnerzijds, zich met onberispelijke
+krijgskunst bewogen, naderden zij een afloop der kade die tot op de
+rivier daalde, en den huurkoetsiers, welke van Passy kwamen,
+veroorloofde hun paarden in de rivier te laten drinken. Deze afloop is
+sinds wegens de &bdquo;welstandigheid&rdquo; weggeruimd. De paarden
+smachten nu wel van dorst, maar &rsquo;t gezicht heeft gewonnen.</p>
+<p>&rsquo;t Was waarschijnlijk, dat de man in den kiel naar dezen
+afloop zou gaan om te beproeven in de Champs-Elys&eacute;es te
+ontsnappen, <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name=
+"pb118">118</a>]</span>een plaats die met boomen is versierd, maar
+daarentegen van politieagenten wemelt, en waar de andere gemakkelijk
+bijstand zou kunnen verkrijgen.</p>
+<p>Dit gedeelte der kade is niet ver van het huis, in 1824 door kolonel
+Brack van Moret naar Parijs overgebracht, en dat den naam van het huis
+van Frans I draagt. In de nabijheid is een wachtpost.</p>
+<p>Tot groote verwondering van dengene, die hem gadesloeg, ging de
+vervolgde niet naar den afloop van het paardenwed, maar zette zijn weg
+op den oever langs de kade voort.</p>
+<p>Zijn toestand werd blijkbaar hachelijk.</p>
+<p>Wat zou hij doen, zoo hij zich niet in de Seine wilde storten?</p>
+<p>Er was nu geen middel meer om op de kade te komen; er was geen
+afloop of trap meer, en men was dicht bij de kromming der Seine in de
+nabijheid der brug van Jena, waar de oever, steeds smaller wordend, in
+een landtong eindigt en in het water verdwijnt. Daar zou hij
+onvermijdelijk ingesloten zijn tusschen den loodrechten muur aan zijn
+linkerhand, de rivier aan zijn rechterhand en v&oacute;&oacute;r zich,
+en het gezag op zijn hielen.</p>
+<p>&rsquo;t Is waar, dat het eind van dien oeverkant verborgen was
+achter een hoop puin van zeven of acht voet hoog, &rsquo;t welk van een
+of ander gesloopt gebouw afkomstig was. Maar hoopte deze man zich met
+eenig gevolg achter dien hoop puin te verbergen, welken men slechts
+behoefde om te gaan? Dit hulpmiddel zou kinderachtig zijn geweest. Hij
+dacht er zekerlijk niet aan. De dieven zijn zoo onnoozel niet.</p>
+<p>De hoop afbraak vormde op den waterkant een verhevenheid, die zich
+als een voorgebergte tot aan den muur der kade uitstrekte.</p>
+<p>De vervolgde man kwam aan dien kleinen heuvel en ging er omheen,
+zoodat hij niet meer door den ander gezien werd.</p>
+<p>Deze, die den ander niet meer zag, werd ook niet gezien, en hij
+maakte hiervan gebruik om alle geveinsdheid te laten varen en snel te
+loopen. In weinige oogenblikken was hij aan den hoop afbraak en ging er
+omheen. Hier bleef hij verbaasd staan. De man, dien hij vervolgde, was
+er niet meer.</p>
+<p>De man in den kiel was geheel verdwenen.</p>
+<p>De oeverkant was, van den hoop puin af, niet langer dan dertig
+schreden en verdween dan in het water, dat tegen den kademuur
+klotste.</p>
+<p>De vluchteling had niet in de Seine kunnen springen of de kade
+beklimmen, zonder door hem, die hem volgde, gezien te worden. Wat was
+van hem geworden? <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119"
+name="pb119">119</a>]</span></p>
+<p>De man met de dichtgeknoopte jas ging tot aan het einde van den
+oeverkant en bleef er een oogenblik in gedachten, met krampachtig
+gebalde vuisten en zoekenden blik, staan. Eensklaps sloeg hij zich voor
+het hoofd. Op het punt, waar de vaste grond eindigde en het water
+begon, had hij een breed, laag, gewelfd ijzeren hek ontdekt, dat van
+een zwaar slot en drie dikke hengsels voorzien was. Dit hek, een soort
+van deur beneden in de kade, kwam tevens aan de rivier en aan den
+oeverkant uit. Er liep een zwarte beek onderdoor, die zich in de Seine
+uitstortte.</p>
+<p>Aan gene zijde van deze dikke verroeste spijlen zag men een soort
+van gewelfde donkere gang.</p>
+<p>De man kruiste de armen en aanschouwde het hek met verwijtenden
+blik.</p>
+<p>Deze blik was niet voldoende, hij beproefde het open te stooten; hij
+schudde het, maar het stond stevig vast. &rsquo;t Was waarschijnlijk,
+dat men het geopend had, hoewel geen gerucht was gehoord, &rsquo;t geen
+zonderling was bij zulk een verroest hek; stellig was het echter weder
+gesloten. Dit duidde aan, dat degene, voor wien deze deur zich op zijn
+hengsels gedraaid had, niet een haak maar een sleutel moest gebruikt
+hebben.</p>
+<p>Dit kwam duidelijk bij den man op, die het hek schudde en poogde te
+openen, &rsquo;t geen hem dezen uitroep van verontwaardiging
+ontlokte:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is sterk! een regeeringssleutel!&rdquo;</p>
+<p>Toen, plotseling zijn kalmte hernemende, drukte hij een wereld van
+inwendige gedachten uit in deze schier spottend geuite woorden:</p>
+<p>&bdquo;Wel! wel! wel! wel!&rdquo;</p>
+<p>Dit gezegd hebbende, en in de hoop den man te zien terugkomen of er
+anderen te zien binnengaan, plaatste hij zich in hinderlaag achter den
+hoop puin, met de geduldige woede van een staanden hond.</p>
+<p>Zijnerzijds had het huurrijtuig, &rsquo;t welk zich naar al zijn
+bewegingen regelde, boven hem bij de borstwering stil gehouden. De
+koetsier, in de meening lang te zullen moeten wachten, bond den
+haverzak om den kop zijner paarden. De weinige voorbijgangers, die van
+de Jena-brug kwamen, zagen, v&oacute;&oacute;r zij verder gingen, even
+om, ten einde een oogenblik deze twee bijzonderheden van het
+beweginglooze landschap te aanschouwen: den man op den oeverkant, het
+huurrijtuig op de kade. <span class="pagenum">[<a id="pb120" href=
+"#pb120" name="pb120">120</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.4" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Ook hij draagt zijn kruis.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Jean Valjean had zijn tocht hervat, zonder verder stil
+te staan. Deze tocht werd hoe langer hoe moeielijker. De hoogte van
+deze gewelven is verschillend; middelbaar is zij ongeveer vijf voet zes
+duim en voor de grootte van een mensch berekend; zoodat Jean Valjean
+verplicht was te bukken, om Marius niet tegen het gewelf te stooten.
+Elk oogenblik moest hij zich buigen en zich weder oprichten en steeds
+den muur betasten. De klamheid der steenen en de glibberigheid van den
+bodem maakten ze tot slechte steunpunten, zoowel voor de hand als voor
+den voet. Hij struikelde dikwijls in den afschuwelijken drek der stad.
+Het flauwe licht der openingen vertoonde zich slechts bij zeer lange
+tusschenpoozen, en zoo bleek, dat de middagzon er maanschijn geleek; al
+het overige was nevel, stank en duisternis. Jean Valjean had honger en
+dorst; bovenal dorst; en &rsquo;t is daar, evenals de zee, een plaats
+vol water, waarvan men niet drinken kan. Zijn kracht, die zooals men
+weet verbazend was, en weinig door den ouderdom was verzwakt, ten
+gevolge van zijn ingetogen en matig leven, begon echter te verflauwen.
+Hij werd vermoeid en de afnemende kracht deed de zwaarte van zijn last
+toenemen. Marius, die misschien dood was, woog zoo zwaar als ziellooze
+lichamen wegen. Jean Valjean droeg hem zoodanig, dat de borst niet
+gedrukt en de ademhaling niet belemmerd werd. Hij voelde de ratten
+tusschen zijn beenen loopen. Een rat was zoo bang, dat zij hem beet. Nu
+en dan drong door de roosters der rioolmondingen een frissche
+luchttocht tot hem door, die hem verkwikte.</p>
+<p>Het kan drie uren des namiddags zijn geweest, toen hij aan het
+ringriool kwam.</p>
+<p>Aanvankelijk was hij over deze plotselinge verbreeding verwonderd.
+Eensklaps bevond hij zich in een gang, die zoo breed was, dat zijn
+uitgestrekte handen de wanden niet konden bereiken, en onder een
+gewelf, dat zijn hoofd niet raakte. Het groote riool is inderdaad acht
+voet breed en zeven voet hoog.</p>
+<p>Ter plaatse, waar het riool Montmartre zich met het groote riool
+vereenigt, vormen twee andere onderaardsche gangen, die der straat
+Province en die van de slachtplaats, een viersprong. Tusschen deze vier
+wegen zou iemand van minder <span class="pagenum">[<a id="pb121" href=
+"#pb121" name="pb121">121</a>]</span>schranderheid besluiteloos zijn
+geweest. Jean Valjean koos den breedsten; namelijk het ringriool. Maar
+hier deed zich weder de vraag voor: op- of neergaan? Hij meende, dat de
+toestand dringend was en hij nu op alle gevaar af de Seine moest
+bereiken. Met andere woorden: naar beneden gaan. Hij keerde dus
+links.</p>
+<p>Hij deed er wel aan. Want &rsquo;t zou een dwaling zijn te gelooven,
+dat het ringriool twee uitgangen heeft, den eenen in de richting van
+Bercy, den anderen in die van Passy, en dat het, gelijk zijn naam
+aanduidt, de onderaardsche gordel van Parijs van den rechteroever is.
+Het groote riool, dat niets anders is dan de oude waterleiding
+Menilmontant, loopt uit, wanneer men opwaarts gaat, in een slop,
+namelijk bij zijn voormalig aanvangspunt, dat zijn oorsprong aan den
+voet van den heuvel Menilmontant was. Het is niet in rechtstreeksche
+verbinding met de vertakking, welke van de wijk Popincourt af het water
+van Parijs opneemt en zich door het riool Amelot boven het oude eiland
+Louviers in de Seine stort. Deze vertakking, welke het verzamelriool
+voltooit, is er onder de straat Menilmontant zelve van gescheiden door
+een muur, die het afscheidingspunt der wateren op- en afwaarts vormt.
+Zoo Jean Valjean de galerij opwaarts ware gegaan, zou hij na
+<span class="corr" id="xd20e2629" title=
+"Bron: duizende">duizenden</span> bezwaren, uitgeput van vermoeidheid,
+stervende, in de duisternis aan een muur zijn gekomen, en hij ware
+verloren geweest.</p>
+<p>Desnoods zou hij langs kronkelwegen den uitgang in de Seine bij het
+Arsenaal hebben kunnen bereiken; maar dan had hij heel nauwkeurig, in
+al zijn vertakkingen en slingeringen, het onmetelijke madrepoor van het
+riool moeten kennen. En, wij <span class="corr" id="xd20e2634" title=
+"Bron: verhalen">herinnere</span> het, hij kende niets van dien
+schrikkelijken weg dien hij betrad, en had men hem gevraagd, waar hij
+zich bevond, hij zou geantwoord hebben: in den nacht.</p>
+<p>Zijn instinct diende hem evenwel goed. Dalen was de eenig mogelijke
+redding.</p>
+<p>Hij liet rechts de twee gangen liggen, die zich onder de straat
+Lafitte en de straat St. Georges in den vorm van een klauw vertakken,
+en de lange gevorkte gang der Chauss&eacute;e d&rsquo;Antin.</p>
+<p>Een weinig voorbij een zijriool, waarschijnlijk de vertakking der
+Madelaine, hield hij stil. Hij was zeer vermoeid. Een tamelijk breed
+luchtgat, waarschijnlijk de opening in de straat d&rsquo;Anjou, wierp
+een schier helder licht. Jean Valjean legde Marius, met de
+zorgvuldigheid van een broeder voor zijn gekwetsten broeder, op de
+onderlaag van den muur van het riool. Het bloedig gelaat van Marius
+verscheen onder het witte licht der opening als op den bodem van een
+graf. Zijn oogen waren dicht, zijn haar kleefde aan de slapen, als
+gedroogde penseelen <span class="pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122"
+name="pb122">122</a>]</span>in roode verf; zijn handen hingen als dood
+neder, zijn leden waren koud en aan de hoeken der lippen was gestold
+bloed. In den strik van de das lag een bloedklomp; het hemd was aan de
+wonden gekleefd, het laken van den rok schaafde de gapende wonden en
+het vleesch. Jean Valjean, die met de vingers behoedzaam de
+kleedingstukken verwijderde, legde zijn hand op de borst; het hart
+klopte nog. Jean Valjean scheurde zijn overhemd, verbond de wonden zoo
+goed hij kon, en stelpte het vloeiende bloed; toen, in dat schemerlicht
+over Marius gebogen, die steeds buiten kennis en schier zonder adem
+was, staarde hij hem met een onuitsprekelijken haat aan.</p>
+<p>Bij de verschikking der kleeding van Marius, had hij in diens zakken
+twee voorwerpen gevonden, het brood dat er sedert den vorigen dag in
+vergeten was, en Marius&rsquo; portefeuille. Hij at het brood en opende
+de portefeuille. Op de eerste bladzijde vond hij deze door Marius
+geschreven regels, welke men zich herinneren zal:</p>
+<p>&bdquo;Ik heet Marius Pontmercy. Mijn lijk moet bij mijn grootvader,
+den heer Gillenormand, straat des Filles du Calvaire No. 6 in het
+Marais gebracht worden.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean las bij het licht der rioolopening deze regels en was
+een oogenblik als in zich zelven verdiept; hij herhaalde halfluid:
+straat des Filles du Calvaire No. 6, mijnheer Gillenormand. Hij stak de
+portefeuille weder in Marius&rsquo; zak. Hij had gegeten en krachten
+herkregen; toen nam hij Marius weder op zijn rug, liet zorgvuldig zijn
+hoofd op zijn rechterschouder rusten en zette zijn weg afwaarts in het
+riool voort.</p>
+<p>Het groote riool, dat naar den weg der vallei Menilmontant zijn
+richting neemt, is bijna twee uren lang. Een groot gedeelte ervan is
+geplaveid. Er was niets, dat hem zeide welke streek der stad hij
+doorging of welken weg hij had afgelegd. Maar de flauwer wordende
+lichtschijn, welken hij van tijd tot tijd ontmoette, duidde hem aan,
+dat de zon onderging en de dag spoedig eindigen zou; en dewijl het
+rollen der rijtuigen boven zijn hoofd gestadig minder werd en weldra
+bijna geheel ophield, leidde hij daaruit af, dat hij niet meer onder
+het midden van Parijs was, maar een eenzame streek, nabij de
+buitenboulevards of uiterste kaden, naderde. Waar minder huizen en
+minder straten zijn, heeft het riool minder openingen. De duisternis
+werd grooter om Jean Valjean. Hij zette daarom niet minder zijn weg
+voort, tastende in de duisternis.</p>
+<p>Die duisternis werd eensklaps verschrikkelijk. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.5" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Zoowel voor het zand als voor de vrouw is er een
+verraderlijke fijnheid.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Hij voelde dat hij in het water trad, en onder zijn
+voeten niet langer plaveisel, maar modder had.</p>
+<p>Het gebeurt soms op sommige kusten van Bretagne of Schotland, dat
+iemand, een reiziger of een visscher, die bij eb op het strand ver van
+den oever wandelt, plotseling bespeurt, dat hij sedert eenige minuten
+met moeite voortgaat. Het strand is onder zijn voeten als pek; de zolen
+kleven er aan; &rsquo;t is geen zand meer, maar lijm. Het strand is
+volkomen droog, maar bij elken tred, dien men doet, en zoodra men den
+voet opheft, vult het indruksel, dat hij gemaakt heeft, zich met water.
+Overigens heeft het oog geene de minste verandering opgemerkt, het
+onmetelijke strand is effen en rustig, al het zand heeft hetzelfde
+aanzien, niets <span class="corr" id="xd20e2666" title=
+"Bron: onderscheid">onderscheidt</span> den vasten bodem van den bodem
+die het niet meer is; de vroolijke, kleine zwerm zee-insecten gaat
+voort met wild tegen de voeten van den wandelaar te springen. De man
+zet regelrecht zijn weg voort, in de richting van het land en tracht de
+kust weder te naderen. Hij is niet ongerust. Waarom zou hij ongerust
+zijn? Evenwel voelt hij iets: &rsquo;t is alsof bij elken tred zijn
+voeten zwaarder worden. Plotseling zinkt hij, hij zinkt twee of drie
+duim. Hij is zeker niet op den goeden weg en houdt stil om rond te
+zien. Eensklaps ziet hij naar zijn voeten. Zij zijn verdwenen. Het zand
+bedekt ze. Hij trekt zijn voeten uit het zand, wil terug, keert om;
+maar zinkt dieper. Het zand reikt tot zijn enkels, hij rukt er zich uit
+en wendt zich links; het zand reikt tot de kuit; hij wendt zich rechts,
+het zand reikt tot de knie. Nu ziet hij met onbeschrijfelijke
+ontzetting, dat hij in het mulle zand is geraakt, en eene stof onder
+zich heeft, waarin de mensch evenmin kan gaan als de visch zwemmen. Hij
+werpt den last, zoo hij er een draagt, af, en verlicht zich als een
+schip dat in nood is; maar het is te laat, het zand komt reeds tot
+boven zijn knie&euml;n.</p>
+<p>Hij roept, wuift met zijn hoed of zakdoek, hij zinkt dieper en
+dieper in het zand. Indien het strand eenzaam, het land te ver is,
+indien de zandbank te zeer berucht is, zoo er geen helden in de
+nabijheid zijn, is het met hem gedaan, hij is tot verzinking gedoemd.
+Gedoemd tot die schrikkelijke, langdurige begrafenis, welke
+onvermijdelijk, onverbiddelijk, onmogelijk te vertragen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span>of
+te verhaasten is, die uren duurt, waaraan geen einde is, die u staande,
+vrij, in volle gezondheid aangrijpt, die u bij de voeten trekt, die bij
+elke poging, welke gij beproeft, bij elken kreet, dien gij slaakt, u
+een weinig dieper medesleept, die den schijn heeft u, door verdubbelde
+omklemming, voor uw tegenstand te straffen, die den mensch langzaam in
+de aarde doet terugkeeren en hem al den tijd laat den horizont, de
+boomen, de groene velden, den rook der dorpen in het dal, de zeilen der
+schepen in zee, de vliegende en zingende vogels, de zon, den hemel te
+aanschouwen. De verzinking is het graf, dat, vloeiend geworden, van den
+bodem der aarde naar een levende opstijgt. Ieder oogenblik is een
+onverbiddelijke doodgraver. De rampzalige poogt zich te zetten, te gaan
+liggen, te kruipen, al zijn bewegingen begraven hem; hij richt zich op,
+hij zinkt; hij voelt zich verzwelgen; hij tiert, smeekt, schreeuwt tot
+de wolken, wringt de handen, wanhoopt. Nu is hij tot den buik in het
+zand; het zand bereikt zijn borst; hij is nog slechts een buste. Hij
+heft de handen op, slaakt een woest gekerm, krabt met zijn nagels in
+het zand, wil zich aan deze asch vastklemmen, steunt op de ellebogen,
+om zich uit dien zachten vorm te trekken, snikt als razend; het zand
+stijgt immer. Het zand bereikt de schouders, den hals; nu is nog maar
+het gelaat zichtbaar. De mond schreeuwt, het zand vult hem; stilte! De
+oogen zien nog, het zand sluit ze; nacht. Dan zinkt het voorhoofd, een
+weinig haar beeft nog boven het zand; een hand komt uit het zand,
+beweegt zich en verdwijnt. &rsquo;t Is de akelige verdwijning van een
+mensch.</p>
+<p>Soms verzinkt een ruiter met zijn paard; soms een voerman met zijn
+kar; alles zinkt onder het zand. &rsquo;t Is een vergaan, elders dan in
+het water. &rsquo;t Is de aarde, die den mensch verdrinkt. De aarde,
+van den oceaan doordrongen, wordt een valstrik. Zij vertoont zich als
+een vlakte en opent zich als een zee. &rsquo;t Is de verraderlijkheid
+van den afgrond.</p>
+<p>Zulk een schrikkelijke gebeurtenis, die altijd op een of ander
+zeestrand mogelijk is, was dertig jaren geleden ook in het Parijsche
+riool mogelijk.</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r de in 1833 aangevangen belangrijke werkzaamheden,
+was de onderaardsche weg van Parijs aan plotselinge instortingen
+onderhevig.</p>
+<p>Het water sijpelde in sommige daaronder liggende aardlagen, die
+bijzonder broos waren; de bevloering, hetzij van straatsteenen als in
+de oude riolen, of van hydraulische kalk op beton, gelijk in de nieuwe
+galerijen, geen steunpunt meer hebbende, zakte. Een gleuf in een
+bevloering van dien aard, is een scheur; en een scheur veroorzaakt
+instorting. Dan <span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125"
+name="pb125">125</a>]</span>verzinkt de bevloering op een zekere
+lengte. De van water doorweekte bodem is in gisting; al zijn deeltjes
+hangen samen in een zwakke zelfstandigheid; &rsquo;t is noch aarde noch
+water. De diepte ervan is soms aanzienlijk. Niets is verschrikkelijker
+dan zulk een ontmoeting. Zoo het water het overwicht heeft, is de dood
+plotseling, en er heeft verzwelging plaats; zoo de aarde het overwicht
+heeft, is de dood langzaam, en er heeft verzinking plaats.</p>
+<p>Kan men zich zulk een dood voorstellen? Is de verzinking
+afgrijselijk aan het zeestrand, wat moet zij in een riool zijn? In
+plaats van de open lucht, het volle licht, den dag, den helderen
+horizon, het levendig geruisch, de vrije wolken waaruit het leven
+regent, de in de verte zichtbare hutten, de hoop in alle vormen, de
+vermoedelijke voorbijgangers, en mogelijke hulp tot den laatsten
+oogenblik; in plaats van dit alles doofheid, blindheid, een donker
+gewelf, het inwendige van een volledig graf, de dood in het slijk onder
+een deksel; de langzame stikking door vuilnis; een steenen kist waarin
+de stiklucht haar klauw in de modder opent en u bij de keel vat;
+pestdamp met den doodssnik gepaard; slijk in plaats van zand;
+zwavelzure-waterstofgas in plaats van wind, modder in plaats van den
+oceaan! En het roepen, het tandenknersen, het wringen en spartelen, het
+zieltogen, met deze groote stad, die er niets van weet, boven het
+hoofd.</p>
+<p>Een onuitsprekelijke afgrijselijkheid zoo te sterven. De dood
+vergoedt soms zijn bitterheid door een zekere vreeselijke waardigheid.
+Men kan op een brandstapel, bij een schipbreuk groot zijn; in de vlam
+zoowel als in de branding is een verheven houding mogelijk; men
+verheerlijkt zich terwijl men sterft. Maar hier niet. Deze dood is
+afzichtelijk. &rsquo;t Is vernederend aldus te sterven. De laatste
+zwevende gezichten zijn walgelijk. Slijk zegt evenveel als verachting.
+&rsquo;t Is klein, leelijk, schandelijk. In een vat Malvesijn te
+sterven, gelijk Clarence, &rsquo;t zij zoo; maar in een modderpoel als
+d&rsquo;Escoubleau, dit is afgrijselijk. Daarin spartelend te zieltogen
+is afschuwelijk. Er is duisternis genoeg voor een hel, en slijk genoeg
+om slechts een modderpoel te zijn, en de stervende weet niet of hij een
+geest of een pad zal worden.</p>
+<p>Overal elders is het graf somber, hier is het afschuwelijk.</p>
+<p>De diepte der drasgronden is verschillend, en hun lengte en
+dichtheid in verhouding van den goeden of slechten bodem daar onder.
+Soms is zulk een drasgrond drie of vier voet diep, soms acht of tien
+voet; soms is hij onpeilbaar. Hier is het slijk schier hard, ginds
+bijna vloeiend. In den drasgrond Luni&egrave;re zou iemand een dag
+noodig hebben gehad om te verdwijnen, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb126" href="#pb126" name="pb126">126</a>]</span>terwijl hij in vijf
+minuten door den modderpoel Ph&eacute;lippeaux verzwolgen zou zijn. Het
+slijk kan min of meer dragen, naar gelang van zijn mindere of meerdere
+dichtheid. Een kind redt zich, waar een man vergaat. Het eerste
+vereischte der redding is zich van allerlei zwaarte te ontdoen. Men
+moet den zak met werktuigen, of de mand, of den kalkbak wegwerpen; en
+daarmede begint ieder rioolwerker, die den bodem onder zich voelt
+zinken.</p>
+<p>De modderwellen hadden verschillende oorzaken: broosheid van den
+bodem; een buiten &rsquo;s menschen bereik zijnde aardstorting; de
+geweldige zomerregens; de gestadige winterregens; de langdurige
+stofregens. Vaak drukte de zwaarte der naburige huizen op een leem- of
+zandgrond; deed de gewelven der onderaardsche gangen buigen en
+uitwijken, of berstte en scheurde den bodem onder den verpletterenden
+druk. Wanneer onder het gewicht der huizen een riool instortte, werd
+dit op de straat soms door een berst in den vorm van de tanden eener
+zaag tusschen de straatsteenen aangewezen. Het gebeurde ook dat de
+inwendige verwoesting zich door geen berst van buiten verried. In dat
+geval liepen de rioolwerkers gevaar, wanneer zij zonder voorzorgen het
+ingestorte riool binnengingen, er in om te komen. De oude registers
+maken melding van eenige rioolwerkers, welke op die wijze in de
+modderwellen bedolven werden.</p>
+<p>Zulk een lot had ook de jonge bekoorlijke Vicomte
+d&rsquo;Escoubleau, van wien wij gesproken hebben, een der helden van
+de belegering van Lerida, welke stad men in zijden kousen en onder
+vioolmuziek bestormde. D&rsquo;Escoubleau, die in zekeren nacht bij
+zijn nicht, de hertogin de Sourdis verrast werd, verdronk in een
+modderwel van het riool Beautreillis, waarin hij de wijk had genomen om
+den hertog te ontkomen. Toen men aan mevrouw de Sourdis zijn dood
+verhaalde, vroeg zij om haar reukfleschje en vergat door het ruiken het
+schreien. Tegen zulk een omstandigheid is geen liefde bestand; de
+modderpoel smoort ze. Hero weigert het lijk van Leander te wasschen.
+Thisb&eacute; houdt den neus voor Pyramus dicht, en zegt: Ba!</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.6" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De modderwel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Jean Valjean bevond zich voor een modderwel.</p>
+<p>In den bodem onder de Champs-Elys&eacute;es waren in dien tijd
+talrijke modderpoelen van dien aard, welke aan de hydraulische
+<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name=
+"pb127">127</a>]</span>werkzaamheden vele bezwaren veroorzaakten en
+uithoofde van hun buitengewone vloeibaarheid voor de onderaardsche
+bouwwerken zeer schadelijk waren.</p>
+<p>De poel, welke Jean Valjean ontmoette, was veroorzaakt door den
+regen van den vorigen dag. De vloer, die door het daaronder liggende
+zand kwalijk geschraagd werd, was bezweken en had een ophooping van
+water veroorzaakt. De doorspeling had een instorting ten gevolge gehad.
+De verbrokkelde vloer was in het slijk gezonken. Over welk een lengte
+was onmogelijk te zeggen. De duisternis was daar dikker dan elders.
+&rsquo;t Was een moddergat in een nachtelijk hol.</p>
+<p>Jean Valjean voelde dat de weg onder zijn voeten zonk. Hij trad in
+het slijk. &rsquo;t Was water van boven en modder van onder. Hij moest
+er door, want hij kon onmogelijk op zijn schreden terugkeeren. Marius
+was stervend, en Jean Valjean uitgeput van vermoeidheid. Waarheen zou
+hij zich ook wenden? Jean Valjean ging dus voort. De modderpoel scheen
+trouwens bij de eerste schreden niet zeer diep. Maar naar gelang hij
+verder ging, zonken zijn voeten dieper. Spoedig kwam het slijk ter
+helft van zijn beenen en het water boven zijn knie&euml;n. Hij ging
+voort, Marius op beide armen zoo hoog mogelijk boven het water
+houdende. Thans kwam het slijk tot aan zijn knie&euml;n en het water
+tot aan zijn middel. Hij kon reeds niet meer achteruit gaan, en zonk
+dieper en dieper. Dit slijk, vast genoeg voor &rsquo;t gewicht van
+&eacute;&eacute;n mensch, kon er blijkbaar geen twee dragen. Marius en
+Jean Valjean zouden ieder afzonderlijk kans hebben gehad er door te
+komen. Jean Valjean ging steeds verder, den stervende dragende, die
+misschien reeds een lijk was.</p>
+<p>Het water kwam hem tot aan de oksels en hij voelde zich meer en meer
+zinken; nauwelijks kon hij zich in de diepe modder, waarin hij zich
+bevond, bewegen. De vastheid, die hem hield, was tevens een hindernis.
+Hij droeg Marius nog altijd en ging met ongehoorde inspanning verder;
+maar hij zonk steeds dieper. Hij had nog slechts het hoofd boven water,
+benevens zijn armen die Marius droegen. In oude afbeeldingen van den
+zondvloed ziet men een moeder op dezelfde wijze haar kind dragen.</p>
+<p>Hij zonk verder; hij hield zijn hoofd achterover om &rsquo;t water
+te ontwijken en te kunnen ademen; wie hem in deze duisternis had gezien
+zou gemeend hebben een masker op de duisternis te zien drijven.
+Onduidelijk zag hij boven zich het hangende hoofd en het bleeke gelaat
+van Marius; hij deed een wanhopige poging en zette zijn voet
+voorwaarts. Zijn voet stiet tegen iets stevigs; een steunpunt. Het was
+tijd. <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name=
+"pb128">128</a>]</span></p>
+<p>Hij richtte zich op, wrong en worstelde zich met een soort van woede
+tegen en op dat steunpunt. &rsquo;t Scheen hem als de eerste trede van
+een trap die naar het leven opsteeg.</p>
+<p>Dit steunpunt, op het uiterste oogenblik in de modder ontmoet, was
+het begin der andere helling van den vloer, die als een plank in haar
+geheele lengte onder het water gebogen was zonder te breken. De goed
+gebouwde vloeren zijn gewelfd en daardoor zeer sterk. Dit gedeelte
+vloer liep glooiend op, en eenmaal op die glooiing zijnde, was men
+gered. Jean Valjean besteeg dit hellend vlak en kwam aan de andere
+zijde van den slijkkuil.</p>
+<p>Uit het water tredende stiet hij zich tegen een steen, en viel op
+zijn knie&euml;n. Hij vond dat dit betaamde en bleef eenigen tijd in
+die houding, de ziel verzonken in een dankgebed tot God. Toen richtte
+hij zich weder op, bibberend, verkleumd, gebogen onder den stervende,
+dien hij voortsleepte, van slijk druipend, de ziel vervuld met een
+zonderlinge helderheid.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.7" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De uiterste nood.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Opnieuw zette hij zijn weg voort.</p>
+<p>Overigens scheen hij, zoo niet zijn leven, althans zijn krachten in
+den modderpoel gelaten te hebben. De overmatige inspanning had hem
+uitgeput. Hij was nu zoo vermoeid, dat hij verplicht was telkens om de
+drie of vier schreden tegen den muur te leunen, om in den adem te
+schieten. Eenmaal moest hij zich op den vooruitstekenden rand onder aan
+den muur van het gewelf neerzetten, om Marius van ligging te doen
+veranderen, en hij meende hier te zullen moeten blijven. Maar hoewel
+zijn lichaamskracht was uitgeput, zijn geestkracht echter niet. Hij
+richtte zich op.</p>
+<p>Wanhopig trad hij voorwaarts, schier haastig, deed aldus een honderd
+schreden zonder het hoofd op te heffen, bijna zonder te ademen, en
+stiet toen eensklaps tegen den muur. Hij was aan een kromming van het
+riool gekomen, en die met gebogen hoofd genaderd zijnde, had hij den
+muur ontmoet. Hij sloeg de oogen op, en ginds aan het einde van het
+onderaardsch gewelf, ver, zeer ver, zag hij licht. Ditmaal was het geen
+verschrikkend licht; &rsquo;t was goed, helder licht, het daglicht.
+<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name=
+"pb129">129</a>]</span></p>
+<p>Jean Valjean zag den uitgang.</p>
+<p>Een verdoemde ziel, die te midden van den vuurgloed eensklaps den
+uitgang der hel zag, zou datgene gevoelen, wat Jean Valjean gevoelde.
+Zij zou als uitzinnig, met haar door de vlammen verzengde vleugels,
+naar de schitterende deur vliegen. Jean Valjean voelde geen
+vermoeidheid meer, geen zwaarte van Marius; hij vond zijn stalen
+spieren terug, hij liep meer dan hij ging. Naar gelang hij naderde,
+vertoonde zich de uitgang duidelijker. &rsquo;t Was een boog, minder
+hoog dan het gewelf, dat trapswijze lager werd, en minder breed dan de
+galerij, die zich vernauwde, in dezelfde mate als het gewelf daalde. De
+tunnel was aan het einde trechtervormig; een gebrekkige vernauwing, in
+navolging der gevangenispoorten, zeer logisch in een gevangenis,
+onlogisch in een riool, en dat sedert verbeterd is.</p>
+<p>Jean Valjean bereikte den uitgang.</p>
+<p>Daar bleef hij staan.</p>
+<p>&rsquo;t Was wel de uitgang; maar men kon er niet uitgaan.</p>
+<p>De boog was met een stevig hek gesloten, en het hek, dat
+waarschijnlijk zelden op zijn verroeste hengsels draaide, was aan zijn
+steenen kozijn gehecht met een zwaar slot, dat, rood van de roest, een
+grooten baksteen geleek. Men zag het sleutelgat en den sterken schoot,
+die diep in de plaat stak. Het slot was volkomen goed gesloten en een
+dier bastillesloten, waaraan het oude Parijs zoo rijk was.</p>
+<p>Aan de andere zijde van het hek zag men de open lucht, de rivier,
+het daglicht, den zeer smallen oeverkant, die echter breed genoeg was
+om zich er langs te verwijderen, de verre kaden, Parijs, dien afgrond,
+waarin men zich zoo gemakkelijk verbergen kan, den ruimen horizont, de
+vrijheid. Rechts zag men stroomafwaarts de Jena-brug, links,
+stroomopwaarts, de brug der Invaliden; de plek zou gunstig zijn geweest
+om er den nacht te blijven en dan te vluchten. &rsquo;t Was een der
+eenzaamste punten van Parijs; de oeverkant vlak tegenover Gros-Caillou.
+De vliegen vlogen heen en weder tusschen de spijlen van het hek.</p>
+<p>&rsquo;t Kon half negen &rsquo;s avonds zijn geweest. Het werd
+allengs donker.</p>
+<p>Jean Valjean legde Marius tegen den muur op het droge gedeelte van
+den vloer, trad toen naar het hek en pakte met beide handen de spijlen;
+de hevige ruk had echter niet de minste uitwerking. Het hek bewoog zich
+niet. Jean Valjean greep een voor een de spijlen, in de hoop een minder
+stevige uit te kunnen rukken en er zich als een hefboom van te
+bedienen, om het slot af te breken. Maar geen spijl bewoog <span class=
+"pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name=
+"pb130">130</a>]</span>zich. De tanden van een tijger sluiten niet
+vaster in hun kassen. Geen hefboom; geen verbreking mogelijk. De
+weerstand was onverwinlijk. Er was geen middel om de deur te
+openen.</p>
+<p>Moest hij hier omkomen? Wat moest hij doen? Wat zou van hem worden?
+Terugkeeren; den vreeselijken weg, dien hij afgelegd had, opnieuw
+beginnen; daartoe had hij de kracht niet. Hoe zou hij overigens
+andermaal den modderpoel doorkomen, waaruit hij zich slechts als door
+een wonder gered had. En was er niet bovendien de politie-ronde, welke
+men zekerlijk ten tweeden male niet zou ontgaan? Waarheen zou hij
+wijders gaan? welke richting volgen? Kwam hij aan een anderen uitgang,
+hij zou dien door een dam of hek gesloten vinden. Al de uitgangen waren
+ontwijfelbaar op deze of gene wijze gesloten. Zeer toevallig was de
+rooster, door welken hij was binnengekomen, losgeraakt; maar
+ongetwijfeld zouden al de andere openingen van het riool gesloten
+zijn.</p>
+<p>&rsquo;t Was hem slechts gelukt in een gevangenis te vluchten.</p>
+<p>&rsquo;t Was gedaan. Alles wat Jean Valjean verricht had, was
+vruchteloos geweest. Beiden waren in het ontzaggelijk doodswebbe
+gevangen, en Valjean voelde reeds, op haar zwarte draden, die in de
+duisternis trilden, de vreeselijke spin.</p>
+<p>Hij keerde den rug naar het hek en viel eer dan hij zich zette op
+het plaveisel, naast den steeds bewegingloozen Marius, en liet zijn
+hoofd tusschen zijn knie&euml;n zinken. Geen uitkomst.</p>
+<p>&rsquo;t Was de laatste droppel van den angst.</p>
+<p>Waaraan dacht hij in deze diepe neerslachtigheid. Noch aan zich
+zelven, noch aan Marius. Hij dacht aan Cosette.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.8" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het afgescheurde rokspand.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In &rsquo;t midden dezer zelfvergeting legde een hand
+zich op zijn schouder en een fluisterende stem zeide tot hem:</p>
+<p>&bdquo;Ieder de helft.&rdquo;</p>
+<p>Iemand in deze duisternis? Niets gelijkt meer den droom dan de
+wanhoop, en Jean Valjean meende dat hij droomde. Hij had geen
+voetstappen gehoord.</p>
+<p>Was het mogelijk? Hij sloeg de oogen op.</p>
+<p>Een man stond voor hem.</p>
+<p>Deze man droeg een kiel, hij was blootsvoets en hield zijn schoenen
+in de hand; hij had ze blijkbaar uitgetrokken om Jean Valjean ongemerkt
+te naderen.</p>
+<p>Jean Valjean twijfelde geen oogenblik. Hoe onverwacht deze
+ontmoeting was, kende hij echter dezen man. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span></p>
+<p>&rsquo;t Was Th&eacute;nardier.</p>
+<p>Hoewel, om zoo te spreken, verschrikt ontwaakt, herkreeg Jean
+Valjean, gewoon aan verrassingen en verhard tegen onverwachte slagen,
+die ijlings afgeweerd moeten worden, eensklaps al zijn tegenwoordigheid
+van geest. Zijn toestand kon bovendien niet erger worden; op zekeren
+graad kan de nood niet meer stijgen, en Th&eacute;nardier zelf kon aan
+dezen nacht geen grooter duisternis meer geven.</p>
+<p>Beiden wachtten een oogenblik.</p>
+<p>Th&eacute;nardier bracht zijn hand boven zijn oogen, op de wijze van
+een lichtscherm, toen trok hij knipoogende de wenkbrauwen samen, kneep
+de lippen dicht op elkander, &rsquo;t geen de sluwe oplettendheid te
+kennen geeft van iemand, die een ander tracht te herkennen. Dit gelukte
+hem niet. Jean Valjean, zooals gezegd, stond met den rug naar het licht
+en zag er bovendien zoo gehavend, zoo beslijkt en zoo bloedig uit, dat
+hij op den vollen middag onherkenbaar zou geweest zijn. Daarentegen
+viel Th&eacute;nardier, beschenen door het licht van het hek, wel is
+waar een kelderlicht, maar duidelijk in zijn bleekheid, Jean Valjean
+eensklaps in &rsquo;t oog. Dit onderscheid van toestand was genoegzaam
+om Jean Valjean eenig voordeel in dit geheimzinnig du&euml;l te geven,
+&rsquo;t welk tusschen beide personen in hun wederzijdsche betrekking
+zou beginnen. De ontmoeting geschiedde tusschen den gesluierden Jean
+Valjean en den ontmaskerden Th&eacute;nardier.</p>
+<p>Jean Valjean merkte terstond, dat Th&eacute;nardier hem niet
+herkende.</p>
+<p>Zij zagen elkander een oogenblik in dit schemerlicht aan, alsof zij
+elkander opnamen.</p>
+<p>Th&eacute;nardier brak het eerst het zwijgen.</p>
+<p>&bdquo;Wat zult ge doen om hieruit te komen?&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean antwoordde niet.</p>
+<p>Th&eacute;nardier hernam:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is onmogelijk de deur open te breken. Ge moet hier
+echter uit.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar,&rdquo; zei Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Nu, ieder de helft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat bedoelt ge?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt dien man vermoord, goed. Ik heb den
+sleutel.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier wees met zijn vinger op Marius. Hij vervolgde:</p>
+<p>&bdquo;Ik ken u niet, maar wil u helpen. Gij moet een vriend
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean begon te begrijpen. Th&eacute;nardier hield hem voor
+een moordenaar.</p>
+<p>Th&eacute;nardier hernam: <span class="pagenum">[<a id="pb132" href=
+"#pb132" name="pb132">132</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Luister, kameraad. Gij hebt dien man niet vermoord zonder
+zijn zakken te onderzoeken. Geef mij de helft, en ik open de
+deur.&rdquo;</p>
+<p>En van onder zijn gescheurden kiel een grooten sleutel half latende
+zien, voegde hij er bij:</p>
+<p>&bdquo;Wilt ge zien hoe de sleutel gemaakt is? Zie.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean was verstomd, zelfs in dien graad dat hij aan de
+werkelijkheid van hetgeen hij zag twijfelde. &rsquo;t Was de
+Voorzienigheid die hem in een afgrijselijke gestalte verscheen, en een
+beschermengel die in de gedaante van Th&eacute;nardier uit den grond
+kwam.</p>
+<p>Th&eacute;nardier stak zijn hand in een grooten zak onder zijn kiel,
+nam er een touw uit en reikte het Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Ziedaar, ik geef u dit touw op den koop toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat moet ik met dit touw?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt ook een steen noodig, maar dien zult gij buiten wel
+vinden. Er ligt daar een hoop puin.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waartoe een steen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Domkop, gij wilt immers den doode in de rivier werpen, en ge
+hebt een steen en een touw noodig, anders drijft hij boven.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean nam het touw. Er is niemand, die soms niet iets
+werktuiglijk aanneemt.</p>
+<p>Th&eacute;nardier knipte met de vingers alsof een plotselinge
+gedachte bij hem opkwam.</p>
+<p>&bdquo;Maar, hoe hebt ge gedaan, kameraad, om ginds uit den
+modderpoel te komen? ik heb er mij niet in durven wagen! Ba, ge riekt
+niet lekker.&rdquo;</p>
+<p>Na eenig zwijgen, voegde hij er bij:</p>
+<p>&bdquo;Ik vraag u, maar gij hebt gelijk niet te antwoorden. &rsquo;t
+Is goed wanneer men voor den rechter van instructie staat; bovendien,
+als men volstrekt niet spreekt is men niet in gevaar te luid te
+spreken. Om &rsquo;t even, hoewel ik uw gezicht niet zie en uw naam
+niet ken, zoudt ge u vergissen, zoo ge meent, dat ik niet weet wie ge
+zijt en wat ge wilt. Ik weet het. Gij hebt dien heer om &rsquo;t leven
+gebracht en nu zoudt ge hem ergens willen wegmoffelen. Ge hebt de
+rivier noodig, de groote verbergster van verkeerdheden. Ik zal u uit de
+verlegenheid helpen. Een ouden jongen te helpen is mij een
+genoegen.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl hij Jean Valjeans stilzwijgendheid goedkeurde, poogde hij
+blijkbaar hem te doen spreken. Hij stiet hem met den schouder, om zijn
+gezicht van ter zijde te zien, en sprak zonder echter zijn stem luider
+te verheffen:</p>
+<p>&bdquo;Van den modderpoel gesproken, ge zijt zeer dom geweest.
+Waarom hebt ge er den man niet ingeworpen?&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean bleef zwijgen. <span class="pagenum">[<a id="pb133"
+href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span></p>
+<p>Th&eacute;nardier hernam, terwijl hij het vod, dat hem tot halsdoek
+diende, optrok, een gebaar dat hem iets van de deftigheid van een
+ernstig man gaf:</p>
+<p>&bdquo;Trouwens, ge hebt misschien verstandig gehandeld. Morgen
+zouden de werklieden, die het beschadigde moeten herstellen,
+waarschijnlijk den doode vinden en men zou van &rsquo;t een tot het
+ander op het spoor komen en u uitvinden. Er is iemand in het riool
+geweest. Wie? Waar is hij er uit gegaan? heeft men hem er zien uitgaan?
+De politie is zeer slim. Het riool is verraderlijk en klaagt u aan.
+Zulk een vond is een zeldzaamheid, het wekt de aandacht; er zijn weinig
+lieden die zich voor hun zaken van het riool bedienen, terwijl de
+rivier aan iedereen behoort. De rivier is het ware riool. Na verloop
+van een maand wordt de man in de netten te Saint Cloud opgevischt. Nu,
+wat maakt dat uit? &rsquo;t is een kreng! Wie heeft dien man gedood?
+Parijs. En de justitie doet zelfs geen onderzoek. Ge hebt w&egrave;l
+gedaan.&rdquo;</p>
+<p>Hoe spraakzamer Th&eacute;nardier was, des te stommer was Jean
+Valjean. Th&eacute;nardier stiet hem opnieuw tegen den schouder.</p>
+<p>&bdquo;Laat ons den koop sluiten. Laat ons deelen. Ge hebt mijn
+sleutel gezien, laat mij uw geld zien.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier had een wild, woest, gluipend voorkomen, sprak
+eenigszins dreigend, maar toch vriendelijk.</p>
+<p>&rsquo;t Was zonderling, Th&eacute;nardiers bewegingen waren niet
+natuurlijk; hij scheen niet geheel op zijn gemak; hoewel niet op
+geheimzinnigen toon, sprak hij echter zacht; nu en dan legde hij zijn
+vinger op zijn lippen en fluisterde: &bdquo;stil!&rdquo; Het was
+moeielijk te raden waarom. Er was hier niemand dan zij beiden. Jean
+Valjean dacht, dat misschien andere bandieten in een naburigen hoek
+verborgen waren en Th&eacute;nardier liever niet met hen wilde
+deelen.</p>
+<p>Th&eacute;nardier hernam:</p>
+<p>&bdquo;Laat ons tot een einde komen. Hoeveel had de doode in zijn
+zak?&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean tastte in zijn zakken.</p>
+<p>&rsquo;t Was, zooals men zich herinnert, zijn gewoonte altijd geld
+bij zich te hebben. Zijn treurig leven, dat immer tot hulpmiddelen
+gedoemd was, verplichtte hem hiertoe. Ditmaal echter was hij zonder
+geld. Toen hij den vorigen avond zijn uniform van nationale garde
+aantrok, had hij, in treurige gedachten verdiept, zijn portefeuille
+vergeten. Hij had slechts eenig klein geld in zijn vestzak. Hij ledigde
+zijn zakken, die vochtig van &rsquo;t slijk waren, en legde op den
+vooruitspringenden kant van den muur een louis-d&rsquo;or, twee
+vijffrancsstukken en vijf of zes koperen sous. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span></p>
+<p>Th&eacute;nardier stak de onderlip vooruit met een <span class=
+"corr" id="xd20e2896" title=
+"Bron: veelbeteekende">veelbeteekenende</span> draaiing van den
+hals.</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt hem voor weinig geld vermoord,&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>Hij begon nu heel familiaar de zakken van Jean Valjean en die van
+Marius te betasten. Jean Valjean, die voor alles den rug naar &rsquo;t
+licht wilde gekeerd houden, liet hem begaan. Met de gezwindheid van een
+goochelaar vond Th&eacute;nardier, terwijl hij den rok van Marius
+betastte, middel, om, zonder dat Jean Valjean het bespeurde, een lap er
+af te scheuren en dien onder zijn kiel te verbergen, waarschijnlijk met
+de gedachte dat deze lap hem later kon dienen om den vermoorde en den
+moordenaar te herkennen. Hij vond overigens niet meer dan dertig
+francs.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar,&rdquo; zeide hij, &bdquo;gij hebt niets
+meer.&rdquo; En vergetend wat hij gezegd had, van te zamen deelen, nam
+hij alles.</p>
+<p>Hij scheen ten opzichte der soustukken een oogenblik te weifelen;
+doch na eenige overweging, nam hij ze ook, mompelende:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zij zoo! &rsquo;t is evenwel al te weinig om er een
+mensch voor te vermoorden.&rdquo;</p>
+<p>Hij nam opnieuw den sleutel van onder zijn kiel.</p>
+<p>&bdquo;Nu, vriend, moet ge hier uit. &rsquo;t Is hier als op de
+kermis, men betaalt bij het uitgaan. Gij hebt betaald, ga.&rdquo;</p>
+<p>Hij lachte.</p>
+<p>Had hij, een onbekende met dien sleutel helpende en hem uit deze
+deur latende gaan, het zuiver, onbaatzuchtige oogmerk een moordenaar te
+redden? Wij twijfelen hieraan.</p>
+<p>Th&eacute;nardier hielp Jean Valjean Marius op zijn schouders laden,
+toen trad hij op de teenen zijner bloote voeten naar het hek, wenkte
+Jean Valjean hem te volgen, zag naar buiten, legde den vinger op zijn
+mond, en stond een oogenblik als besluiteloos stil; na gedaan
+onderzoek, stak hij den sleutel in het slot. De schoot versprong en het
+hek draaide op zijn hengsels, zeer zacht en zonder gekraak of geknars.
+Het was duidelijk, dat dit hek en zijn hengsels, die zorgvuldig geolied
+waren, veel vaker werden geopend dan men zou gemeend hebben. Die zachte
+draaiing was onheilspellend; &rsquo;t deed de heimelijke gangen van
+nachtelijke bezoekers en de stille schreden der misdaad vermoeden. Het
+riool was stellig de medeplichtige van een geheime bende. Dit zwijgende
+hek was een dievenheler. Th&eacute;nardier opende het hek niet wijder
+dan noodig was om Jean Valjean door te laten, sloot het hek weder,
+draaide tweemalen den sleutel om, en verdween opnieuw in de duisternis,
+zonder meer gerucht dan een ademtocht te maken. Hij scheen op de
+fluweelen klauwen van den tijger te gaan. Een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name=
+"pb135">135</a>]</span>oogenblik later, was deze leelijke
+Voorzienigheid weer onzichtbaar geworden.</p>
+<p>Jean Valjean was buiten.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.9" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Marius schijnt dood voor iemand, die er verstand van
+heeft.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Hij leide Marius aan den rivierzoom.</p>
+<p>Zij waren buiten!</p>
+<p>Achter hem waren de pestdampen, de duisternis, het afgrijselijke. De
+gezonde, zuivere, verlevendigde, vrije lucht woei hem tegen. Aan alle
+zijden rondom hem heerschte stilte, maar de bekoorlijke stilte van de
+ondergegane zon aan den helderen hemel. De avondschemering was
+gevallen, de nacht kwam, de groote bevrijder, de vriend van allen die
+een mantel van duisternis behoeven om een foltering te ontgaan. De
+hemel vertoonde zich als een oneindige kalmte. De rivier ruischte als
+kussend aan zijn voeten. Men hoorde het gesprek der vogels in hunne
+nestjes, die elkander in de takken der olmen van de
+Champs-Elys&eacute;es goedennacht toeriepen. Eenige sterren, die flauw
+aan &rsquo;t azuur dreven, waren alleen voor den peinzer zichtbaar. De
+avond spreidde over &rsquo;t hoofd van Jean Valjean alle liefelijkheden
+van het oneindige uit.</p>
+<p>&rsquo;t Was op dat onbepaalde, heerlijke uur, dat noch ja, noch
+neen zegt. &rsquo;t Was reeds donker genoeg om op eenigen afstand
+onzichtbaar te zijn, maar ook nog licht genoeg om van nabij herkend te
+worden.</p>
+<p>Jean Valjean was gedurende eenige seconden onwederstaanbaar door
+deze verhevene en liefelijke stilte beheerscht. Er zijn oogenblikken,
+waarin men zich zelven vergeet; de smart houdt op den ongelukkige te
+kwellen; alles verdwijnt uit de gedachte; de kalmte hult den denker als
+in nacht, en in de schemering rijzen er sterren in de ziel op, evenals
+zij aan den hemel oprijzen. Jean Valjean staarde onwillekeurig naar dit
+onmetelijk helder duister, &rsquo;t welk hij boven zich had; peinzend
+baadde hij zich in de majestueuse rust des eeuwigen hemels, met
+geestverrukking en gebed. Toen, alsof het gevoel van plicht tot hem
+terugkeerde, bukte hij haastig naar Marius, en in den palm zijner hand
+water scheppende, sprenkelde hij hem zachtkens eenige droppels in
+&rsquo;t gelaat. De oogen van Marius openden zich niet; evenwel ademde
+zijn half geopende mond.</p>
+<p>Jean Valjean wilde opnieuw zijn hand in de rivier steken,
+<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name=
+"pb136">136</a>]</span>toen hij eensklaps een soort van dwang gevoelde,
+alsof men iemand achter zich heeft, dien men niet ziet.</p>
+<p>Wij hebben reeds elders op dit gevoel gewezen, &rsquo;t welk
+iedereen kent.</p>
+<p>Hij keerde zich om.</p>
+<p>Evenals vroeger stond ook nu iemand achter hem. Iemand van hooge
+gestalte, in een lange jas, met de armen op de borst gekruist, en in de
+hand een zwaren stok, welks looden knop men zag, stond eenige schreden
+achter Jean Valjean, die over Marius was gebogen.</p>
+<p>&rsquo;t Was, in de schaduw, iets als een verschijning. Een
+eenvoudig mensch zou, wegens de avondschemering, en een nadenkend
+mensch wegens den knuppel, ongerust zijn geweest.</p>
+<p>Jean Valjean herkende Javert.</p>
+<p>De lezer heeft ongetwijfeld geraden, dat Th&eacute;nardiers
+vervolger niemand anders dan Javert was. Javert was, na zijn
+onverhoopte ontkoming uit de barricade, naar de prefectuur van politie
+gegaan, had den prefect in een kort verhoor persoonlijk van alles
+mondeling verslag gedaan, en toen onmiddellijk weder zijn dienst
+hervat, die&mdash;luidens de bij hem gevonden nota&mdash;hem beval een
+waakzaam oog op den waterkant van den rechteroever bij de
+Champs-Elys&eacute;es te houden, die sedert eenigen tijd de aandacht
+der politie had gewekt. Daar had hij Th&eacute;nardier ontmoet en was
+hem gevolgd. Men weet het overige.</p>
+<p>Men begrijpt insgelijks, dat het zoo beleefdelijk voor Jean Valjean
+openen van het hek, een list van Th&eacute;nardier was.
+Th&eacute;nardier had er een gevoel van, dat Javert daar steeds zwierf;
+een vervolgde heeft een instinct, dat hem niet bedriegt: den speurhond
+moest een been worden toegeworpen. Een moordenaar, welk een fortuin!
+&rsquo;t Was een buit, die men niet mocht terughouden.
+Th&eacute;nardier, door Jean Valjean in zijn plaats naar buiten te
+zenden, gaf aan de politie een prooi, bracht haar van zijn spoor, deed
+zich zelf door een gewichtiger zaak vergeten; beloonde Javert voor zijn
+wachten, &rsquo;t geen een spion immer streelt, verdiende dertig francs
+en rekende er op, dat hij, ten gevolge dezer afleiding, zou
+ontsnappen.</p>
+<p>Jean Valjean was van de eene klip op de andere geraakt.</p>
+<p>Deze twee opvolgende ontmoetingen, uit Th&eacute;nardiers handen in
+die van Javert te vallen, was ontzettend.</p>
+<p>Javert herkende Jean Valjean niet, die, zooals wij gezegd hebben,
+niet meer op zich zelven geleek. Hij liet de armen over zijn borst
+gekruist, nam den stok, door een onmerkbare beweging, vaster in de
+hand, en zeide kort en bedaard:</p>
+<p>&bdquo;Wie zijt gij?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb137"
+href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wie, gij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Jean Valjean.&rdquo;</p>
+<p>Javert nam den stok tusschen de tanden, boog even de knie&euml;n en
+den rug, legde zijn twee forsche handen op Jean Valjeans schouders,
+welke er als in twee schroeven geklemd werden, beschouwde en herkende
+hem. Hun gezichten raakten elkander schier aan. Javerts blik was
+vreeselijk.</p>
+<p>Jean Valjean was bewegingloos onder Javerts aanvatting, evenals een
+leeuw, die zich door een lynx zou willen laten vatten.</p>
+<p>&bdquo;Inspecteur Javert,&rdquo; zeide hij, &bdquo;gij hebt mij. Ik
+beschouw mij trouwens sinds van morgen als uw gevangene. Ik heb u mijn
+woonplaats niet opgegeven, met het doel om u te willen ontsnappen. Neem
+mij, maar sta mij &eacute;&eacute;n ding toe.&rdquo;</p>
+<p>Javert scheen niet te hooren. Hij keek Jean Valjean strak aan. Zijn
+gerimpelde kin bracht zijn lippen naar zijn neus, een teeken van wreede
+overpeinzing. Eindelijk liet hij Jean Valjean los, richtte zich
+plotseling op, nam den stok weder in de vuist en, als in een droom,
+prevelde hij meer dan hij sprak deze vraag:</p>
+<p>&bdquo;Wat doet ge hier? en wie is deze man?&rdquo;</p>
+<p>Hij sprak steeds op beleefden toon tot Valjean.</p>
+<p>Jean Valjean antwoordde, en de klank zijner stem scheen Javert te
+doen ontwaken:</p>
+<p>&bdquo;Ik wilde u juist over hem spreken. Handel met mij naar
+welgevallen; maar help mij vooraf, hem naar zijn huis voeren. Ik vraag
+u niets anders.&rdquo;</p>
+<p>Javerts gezicht vertrok zich, zooals hem telkens gebeurde, wanneer
+men hem tot eenige toegevendheid in staat scheen te achten. Hij
+weigerde evenwel niet.</p>
+<p>Opnieuw boog hij, nam uit zijn zak een neusdoek, dien hij in het
+water doopte en wiesch daarmede het bloedig voorhoofd van Marius.</p>
+<p><span class="corr" id="xd20e2996" title=
+"Bron: &raquo;">&bdquo;</span>Deze man was bij de barricade,&rdquo;
+zeide hij halfluid als tot zich zelven sprekende. &bdquo;Men noemde hem
+Marius.&rdquo;</p>
+<p>Voorwaar een spion van den eersten rang, die op alles gelet, naar
+alles geluisterd, alles gehoord en alles onthouden had, toen hij meende
+te zullen sterven; die zelfs nog in den doodsangst bespiedde, en, op de
+eerste trede van het graf geleund, nog aanteekeningen had gemaakt.</p>
+<p>Hij vatte de hand van Marius en zocht den pols.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een gewonde,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een doode,&rdquo; zei Javert.</p>
+<p>Jean Valjean antwoordde: <span class="pagenum">[<a id="pb138" href=
+"#pb138" name="pb138">138</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Neen, nog niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt hem dus van de barricade hierheen gebracht?&rdquo;
+merkte Javert op.</p>
+<p>Hij moest wel zeer in gedachten verdiept zijn, daar hij niet verder
+naar deze verontrustende redding door het riool onderzocht en zelfs
+Jean Valjean&rsquo;s zwijgen op deze vraag niet opmerkte.</p>
+<p>Ook Jean Valjean scheen van een enkele gedachte vervuld. Hij
+hernam:</p>
+<p>&bdquo;Hij woont in het Marais, rue des Filles du Calvaire, bij zijn
+grootvader...&mdash;Ik ben den naam vergeten.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean tastte in den rok van Marius, haalde er de portefeuille
+uit, opende ze bij de door Marius met potlood beschreven bladzijde, en
+reikte ze Javert.</p>
+<p>&rsquo;t Was nog helder genoeg om met moeite te kunnen lezen. Javert
+had buitendien in zijn oogen het katachtig phosphorlicht der
+nachtvogels. Hij ontcijferde de door Marius geschreven regels en
+mompelde: &bdquo;Gillenormand, rue des Filles du Calvaire No.
+6.&rdquo;</p>
+<p>Toen riep hij: &bdquo;Koetsier!&rdquo;</p>
+<p>Men herinnere zich het huurrijtuig, dat wachtte.</p>
+<p>Javert behield de portefeuille van Marius.</p>
+<p>Een oogenblik later stond het rijtuig, dat langs het paardenwed was
+gereden, aan den waterkant. Marius werd op de achterbank in het rijtuig
+gelegd, en Javert nam naast Jean Valjean plaats op de voorbank.</p>
+<p>Toen het portier gesloten was, reed het rijtuig snel langs de kaden
+naar den kant van het Bastilleplein.</p>
+<p>Zij verlieten de kade en kwamen in de straten. De koetsier, een
+donkere gestalte op den bok, legde de zweep op zijn magere paarden. In
+het rijtuig heerschte een ijskoude stilte. Marius, bewegingloos, met
+den rug in een hoek gevlijd, met het hoofd op de borst gezonken, met
+hangende armen, stijve beenen, scheen slechts de doodkist te wachten;
+Jean Valjean scheen een schaduw en Javert van steen; en in dit donkere
+rijtuig, dat van binnen, telkens als het langs een lantaarn reed,
+akelig, als door een bliksemstraal, verlicht werd, had het toeval het
+lijk, het spook en het standbeeld vereenigd. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.10" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Terugkeer van den verloren zoon tot het leven.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij elken schok van het rijtuig op de straatsteenen,
+viel een druppel bloed uit het haar van Marius.</p>
+<p>Het was volkomen nacht, toen het huurrijtuig voor het huis No. 6 in
+de straat des Filles du Calvaire stilhield.</p>
+<p>Javert stapte het eerst uit het rijtuig, overtuigde zich met een
+oogwenk van het nummer boven de koetspoort, en den zwaren ijzeren
+klopper opheffende, die een bok en een sater voorstelde, welke elkander
+aangrijnsden, liet hij hem krachtig vallen. De slagdeur werd half
+geopend en Javert duwde ze verder open. De portier kwam geeuwend,
+slaperig en met een kaars in de hand te voorschijn.</p>
+<p>Alles sliep in het huis. Men gaat in het Marais vroeg te bed, vooral
+in dagen van opstand. Deze goede oude wijk, door de revolutie
+verschrikt, neemt de vlucht in den slaap, evenals de kinderen, wanneer
+zij den boeman hooren komen, en steken schielijk het hoofd onder de
+dekens.</p>
+<p>Ondertusschen beurden Jean Valjean en de koetsier Marius uit het
+rijtuig, Jean Valjean hield hem onder de armen en de koetsier bij de
+beenen.</p>
+<p>Onder het dragen, schoof Jean Valjean zijn hand onder de kleederen
+van Marius, die overal gescheurd waren, bevoelde de borst en overtuigde
+zich, dat het hart nog klopte. Het klopte zelfs iets minder flauw,
+alsof de beweging van het rijtuig het leven eenigszins had
+opgewekt.</p>
+<p>Javert vroeg den portier, op een toon, die aan het gouvernement
+tegenover den portier van een opstandeling past:</p>
+<p>&bdquo;Woont hier iemand, die Gillenormand heet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja. Wat wilt ge van hem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Men brengt hem zijn zoon terug.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijn zoon?&rdquo; zei de portier verstomd.</p>
+<p>&bdquo;Hij is dood.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean, die gehavend en smerig achter Javert ging en dien de
+portier met eenigen afschuw aanschouwde, schudde ontkennend het hoofd
+tegen hem.</p>
+<p>De portier scheen noch de woorden van Javert, noch het teeken van
+Jean Valjean te begrijpen.</p>
+<p>Javert hernam:</p>
+<p>&bdquo;Hij is naar de barricade gegaan, en zie hem nu
+hier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Naar de barricade!&rdquo; riep de portier. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Hij heeft zich laten doodschieten. Ga den vader
+wekken.&rdquo;</p>
+<p>De portier verroerde zich niet.</p>
+<p>&bdquo;Ga toch!&rdquo; herhaalde Javert.</p>
+<p>En hij voegde er bij:</p>
+<p>&bdquo;Morgen zal men hier een begrafenis hebben.&rdquo;</p>
+<p>Voor Javert waren de gewone straatgebeurtenissen cathegorisch
+gerangschikt, &rsquo;t geen het begin der voorzichtigheid en
+waakzaamheid is, en iedere omstandigheid had haar afdeeling; de
+mogelijke feiten waren om zoo te spreken in laden, waar zij bij
+gelegenheid in verschillende hoeveelheden uitkwamen; op de straat
+bestonden voor hem: straatgerucht, oproer, vastenavondgewoel en
+begrafenis.</p>
+<p>De portier wekte alleen Basque; Basque wekte Nicolette; Nicolette
+wekte tante Gillenormand. Maar men liet den grootvader slapen,
+meenende, dat hij de zaak altijd vroeg genoeg zou gewaar worden.</p>
+<p>Men droeg Marius naar de eerste verdieping, zonder dat overigens
+iemand in de andere gedeelten van het huis er iets van bespeurde, en
+men legde hem op een oude canap&eacute; in de voorkamer van den heer
+Gillenormand. Terwijl nu Basque den chirurgijn ging roepen en Nicolette
+de linnenkast opende, voelde Jean Valjean, dat Javert hem aan den
+schouder stiet. Hij begreep hem, en ging de trap af, door Javert op den
+voet gevolgd.</p>
+<p>De portier zag hen heengaan, zooals hij hen had zien komen, met
+verschrikte slaperigheid.</p>
+<p>Zij stegen weder in het huurrijtuig en de koetsier op den bok.</p>
+<p>&bdquo;Inspecteur Javert,&rdquo; zei Jean Valjean, &bdquo;sta mij
+&eacute;&eacute;n ding toe.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo; vroeg Javert ruw.</p>
+<p>&bdquo;Laat mij een oogenblik in mijn woning terugkeeren. Dan kunt
+ge verder met mij doen wat ge wilt.&rdquo;</p>
+<p>Javert bleef eenige oogenblikken zwijgend, de kin diep in den kraag
+van zijn jas gedoken, toen liet hij het voorraampje neder, en riep:</p>
+<p>&bdquo;Koetsier, rue de l&rsquo;Homme-Arm&eacute;, nommer
+7.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.11" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Verbazing.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Onderweg spraken zij geen woord meer.</p>
+<p>Wat wilde Jean Valjean? Voltooien wat hij begonnen had, Cosette
+waarschuwen, haar zeggen waar Marius was, haar misschien <span class=
+"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>een
+of andere nuttige inlichting geven; zoo hij kon, zekere laatste
+beschikkingen nemen. Wat hem betrof, wat hem persoonlijk aanging, dat
+alles was hem onverschillig; hij was door Javert gegrepen en verzette
+er zich niet tegen; een ander dan hij zou, in zulk een toestand,
+misschien aan het touw, dat Th&eacute;nardier hem gegeven had, gedacht
+hebben en aan de spijlen van het eerste cachot waarin hij komen zou;
+maar sinds den bisschop bestond bij Jean Valjean tegen elken aanslag,
+ware ze ook tegen hem zelven, een diepe godsdienstige aarzeling.</p>
+<p>De zelfmoord, dit geheimzinnige feit tegen het onbekende, die, in
+zekere mate den dood der ziel kan bevatten, was voor Jean Valjean
+onmogelijk.</p>
+<p>Bij den ingang der straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute; hield het
+rijtuig stil, wijl deze straat te nauw was voor het doorrijden van
+rijtuigen. Javert en Jean Valjean stegen uit.</p>
+<p>De koetsier deed &bdquo;mijnheer den inspecteur&rdquo; deemoedig
+opmerken, dat het trijp van zijn rijtuig geheel met het bloed van den
+vermoorden man en het slijk van den moordenaar bezoedeld was. Dit
+althans had hij begrepen. Hij voegde er bij, dat hem een
+schadevergoeding toekwam. En terzelfder tijd, zijn zakboekje te
+voorschijn halende, verzocht hij mijnheer den inspecteur zoo goed te
+zijn een klein bewijs hiervan te schrijven.</p>
+<p>Javert stiet het zakboekje, dat de koetsier hem toehield, weg,
+zeggende:</p>
+<p>&bdquo;Hoeveel moet ge hebben, uw wachten en rit er onder
+begrepen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is zeven en een kwart uur,&rdquo; antwoordde de
+koetsier, &bdquo;en mijn trijp was splinternieuw. Tachtig francs,
+mijnheer de inspecteur.&rdquo;</p>
+<p>Javert nam vier napoleons uit zijn zak en liet den huurkoetsier
+gaan.</p>
+<p>Jean Valjean meende, dat het Javerts bedoeling was hem te voet naar
+den wachtpost des Blancs-Manteaux te voeren, of naar dien des Archives,
+welke in de nabijheid zijn.</p>
+<p>Zij gingen de straat in, die als gewoonlijk eenzaam was.</p>
+<p>Javert volgde Jean Valjean. Zij kwamen aan het huis no. 7.</p>
+<p>Jean Valjean klopte aan. De deur opende zich.</p>
+<p>&bdquo;Goed,&rdquo; zei Javert. &bdquo;Ga binnen.&rdquo;</p>
+<p>Met een zonderlinge uitdrukking, en alsof &rsquo;t hem inspanning
+kostte, voegde hij er bij:</p>
+<p>&bdquo;Ik wacht u hier.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean aanschouwde Javert. Deze wijze van handelen
+<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name=
+"pb142">142</a>]</span>van Javert was weinig volgens zijn gewoonte.
+&rsquo;t Kon Jean Valjean evenwel niet zeer verrassen, dat Javert nu
+een soort van trots vertrouwen in hem stelde, het vertrouwen van de
+kat, die aan de muis een vrijheid zoo lang als haar poot vergunt, te
+meer wijl Jean Valjean thans bereid was zich over te geven en tot een
+einde te komen. Hij stiet de deur open, trad het huis binnen, riep tot
+den portier, die te bed lag en van uit zijn bed aan de deurkoord had
+getrokken: &bdquo;Ik ben het,&rdquo; en hij ging de trap op.</p>
+<p>Op de eerste verdieping bleef hij staan. Alle lijdenswegen hebben
+hun stati&euml;n. Het venster van het portaal, een schuifraam, was
+open. Gelijk in vele oude huizen ontving de trap het licht van de
+straat door een venster, dat er op uitkwam. De straatlantaarn, daar
+juist tegenover, wierp eenig licht op de treden, &rsquo;t geen een
+opzettelijke verlichting uitwon.</p>
+<p>Jean Valjean, hetzij om lucht te scheppen, hetzij werktuiglijk, zag
+uit het venster en boog zich over de straat, die kort was en van het
+eene tot het andere einde door de lantaarn verlicht werd.</p>
+<p>Jean Valjean duizelde van verbazing; er was niemand meer.</p>
+<p>Javert was heengegaan.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.12" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Twaalfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De grootvader.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Basque en de portier hadden Marius, die steeds
+bewegingloos op de canap&eacute; lag, waarop men hem terstond bij de
+aankomst gelegd had, de kamer binnengedragen. De geneesheer, die men
+geroepen had was gekomen. Tante Gillenormand was opgestaan.</p>
+<p>Zij ging verschrikt heen en weder, de handen wringend en tot niets
+in staat dan te zeggen: &bdquo;Is het Gods mogelijk!&rdquo; Zij voegde
+er nu en dan bij: &bdquo;Alles zal met bloed bemorst worden!&rdquo;
+Toen de eerste ontsteltenis voorbij was, en een soort van wijsgeerige
+helderheid in haar gedachten ontstond, deed zij zulks blijken door den
+uitroep: &bdquo;Zoo moest het eindigen!&rdquo; maar zij ging zooverre
+niet van te zeggen: &bdquo;Ik heb het wel gezegd!&rdquo; zooals in
+dergelijke gevallen gebruikelijk is.</p>
+<p>Op last van den geneesheer was een bed naast de canap&eacute;
+gelegd. De geneesheer onderzocht Marius, en na zich overtuigd te hebben
+dat de pols nog klopte, dat de wonden op de borst niet diep waren en
+het bloed om de lippen uit den neus kwam, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>liet hij hem plat op
+het bed leggen, zonder oorkussen, het hoofd zelfs nog iets lager dan
+het lichaam, de borst bloot, ten einde de ademhaling gemakkelijker te
+maken. Toen mejuffrouw Gillenormand zag, dat men Marius ontkleedde,
+verwijderde zij zich. Zij ging in haar kamer haar rozenkrans
+bidden.</p>
+<p>De borst was inwendig niet gedeerd; een geweerkogel, die op de
+portefeuille was afgestuit, had langs de ribben een groote, maar niet
+diepe wonde veroorzaakt, die dus niet gevaarlijk was. De lange marsch
+in het onderaardsche gewelf had het gebroken sleutelbeen geheel
+ontwricht, hetgeen een ernstige beleediging vormde. De armen waren vol
+sabelhouwen. Geen enkele wonde misvormde het gelaat; het hoofd was
+echter als gekerfd. Van welken aard waren deze hoofdwonden? bepaalden
+zij zich enkel tot de huid? hadden zij zich ook aan den schedel
+medegedeeld? Dit wist men nog niet te zeggen<span class="corr" id=
+"xd20e3180" title="Bron: ?">.</span> &rsquo;t Was een ernstig
+verschijnsel, dat zij de bewusteloosheid hadden veroorzaakt; uit
+dergelijke bewusteloosheid ontwaakt men niet altijd. Bovendien had het
+bloedverlies den lijder uitgeput. Van het middel af was het onderlijf
+door de barricade beschermd geworden.</p>
+<p>Basque en Nicolette scheurden linnen en maakten windsels gereed;
+Nicolette naaide ze samen, Basque rolde ze op. Er was geen pluksel, de
+geneesheer had voorloopig het bloed met watten gestelpt. Naast het bed
+brandden drie waskaarsen op een tafel, waarop de chirurgicale
+instrumenten lagen uitgespreid. De geneesheer wiesch het gezicht en het
+haar van Marius met koud water. In een oogenblik was een volle emmer
+rood. De portier lichtte met een kaars in de hand.</p>
+<p>De geneesheer scheen in treurige gedachten. Nu en dan schudde hij
+het hoofd, alsof hij een vraag, die hij bij zich zelven deed,
+beantwoordde. Zulke geheime samenspraken van den geneesheer met zich
+zelven zijn een slecht teeken voor den lijder.</p>
+<p>Juist toen de geneesheer het gezicht wiesch en zacht met den vinger
+de steeds gesloten oogleden aanraakte, werd achter in de kamer een deur
+geopend en een lange, bleeke gestalte verscheen.</p>
+<p>&rsquo;t Was de grootvader.</p>
+<p>De heer Gillenormand was gedurende twee dagen door den opstand zeer
+ontrust, verontwaardigd en ingespannen. Hij had den vorigen nacht niet
+kunnen slapen en den geheelen dag de koorts gehad. Des avonds was hij
+zeer vroeg te bed gegaan, met bevel dat men alles in huis zorgvuldig
+zou sluiten, en hij was van vermoeidheid ingesluimerd.</p>
+<p>De slaap des grijsaards is licht; de slaapkamer van den <span class=
+"pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span>heer
+Gillenormand grensde aan het salon en, in weerwil der voorzorgen, welke
+men had genomen, had het gerucht hem gewekt. Verwonderd over het licht,
+dat hij door de reet der deur zag, was hij opgestaan en tastend
+genaderd.</p>
+<p>Hij stond op den drempel, met de hand aan de kruk der half geopende
+deur, het hoofd waggelend voorover gebogen, het lichaam in een witten
+slaaprok gehuld, die stijf en zonder plooien was als een lijkwade;
+verwonderd en als een spook, dat in een graf schouwt.</p>
+<p>Hij zag het bed, en op de matras dien bebloeden jongeling, zoo wit
+als was, met gesloten oogen, open mond en bleeke lippen, tot aan het
+middel bloot, overal met roode wonden gevlekt, bewegingloos, helder
+verlicht.</p>
+<p>Den grootvader doorliep van het hoofd tot de voeten een rilling, zoo
+erg als verstijfde leden die kunnen hebben; zijn oogen, wier hoornvlies
+wegens den hoogen ouderdom geel was, werden door een soort van
+glasachtige spiegeling verduisterd; zijn gezicht nam in een oogenblik
+de stijve trekken van een doodshoofd aan; zijn armen vielen neder, als
+ware een springveer er in gebroken, en zijn ontzetting verried zich
+door de uitbreiding der vingers zijner oude bevende handen, zijn
+knie&euml;n vormden een vooruitstekenden hoek en lieten door de opening
+van zijn slaaprok zijn magere naakte beenen, met wit haar bezet, zien.
+Hij stamelde:</p>
+<p>&bdquo;Marius!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer,&rdquo; zei Basque, &bdquo;men heeft den jongenheer
+zooeven hier gebracht. Hij is naar de barricade gegaan
+en....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is dood!&rdquo; riep de grijsaard met vreeselijke stem.
+&bdquo;O, de booswicht!&rdquo;</p>
+<p>Toen richtte iets als eene herleving uit den doode dezen
+honderdjarige zoo recht op als een jongeling.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer,&rdquo; zeide hij, &bdquo;zijt gij de geneesheer?
+Zeg mij voor alles &eacute;&eacute;n ding. Hij is dood, niet
+waar?&rdquo;</p>
+<p>De geneesheer, in de grootste verlegenheid, zweeg.</p>
+<p>Gillenormand wrong de handen met een vreeselijken lach.</p>
+<p>&bdquo;Hij is dood! hij is dood! Hij heeft zich op de barricade
+laten dooden uit haat tegen mij! &rsquo;t Is tegen mij, dat hij dit
+gedaan heeft. O, bloeddorstige! Zoo komt hij bij mij terug! O, ramp
+mijns levens, hij is dood.&rdquo;</p>
+<p>Hij naderde een venster, opende het wagenwijd, alsof hij vreesde te
+stikken, en voor de duisternis staande, begon hij in de straat tot den
+nacht te spreken.</p>
+<p>&bdquo;Doorboord, neergesabeld, vermoord, verdelgd, verscheurd, in
+stukken gehouwen. Ziet ge &rsquo;t nu, schavuit! Hij wist wel, dat ik
+hem wachtte en zijn kamer in orde had doen brengen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span>en
+zijn portret, uit den tijd dat hij een kleine jongen was, aan het
+voeteneinde van mijn bed geplaatst had. Hij wist, dat hij slechts
+behoefde weder te komen, en ik hem sedert jaren terug riep en des
+avonds met de handen op de knie&euml;n voor het vuur bleef zitten, niet
+wetende wat te doen, en dat ik er kindsch van werd. Ge wist wel, dat ge
+slechts behoefdet terug te keeren en te zeggen: ik ben het, en gij de
+meester des huizes zoudt zijn; dat ik u zou gehoorzamen en gij alles
+van uw ouden grootvader zoudt kunnen gedaan krijgen. Ge wist het, maar
+gij zeidet: neen, hij is een koningsgezinde, ik ga niet. En ge zijt
+naar de barricaden gegaan en uit kwaadheid tegen mij hebt ge u laten
+dooden, om u te wreken over hetgeen ik wegens den hertog van Berry had
+gezegd! &rsquo;t Is schandelijk! Men gaat te bed en slaapt gerust! Hij
+is dood. Dat is mijn ontwaking!&rdquo;</p>
+<p>De geneesheer, die van beide zijden ongerust begon te worden,
+verliet Marius een oogenblik en ging naar den heer Gillenormand, dien
+hij bij den arm nam. De grootvader keerde zich om, staarde hem aan, met
+oogen die grooter en bloedig schenen te zijn geworden en zeide
+kalm:</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u, mijnheer. Ik ben bedaard, ik ben een man en heb
+Lodewijk XIV zien sterven; ik weet mij in de gebeurtenissen te
+schikken. Maar &eacute;&eacute;n ding is verschrikkelijk, &rsquo;t is
+de gedachte, dat uw dagbladen al dat kwaad brouwen. Gij hebt
+schrijvers, sprekers, advocaten, redenaars, tribunen, discussi&euml;n,
+vooruitgang, verlichting, rechten van den mensch, vrijheid van
+drukpers, en zie hier hoe men uw kinderen te huis brengt. Ach, Marius!
+&rsquo;t is afschuwelijk<span class="corr" id="xd20e3231" title=
+"Niet in bron">!</span> Gedood! v&oacute;&oacute;r mij dood! Een
+barricade! O! de booswicht! Ik geloof, dokter, dat ge in de buurt
+woont. Ja, ik ken u. Ik zie uit mijn raam uw cabriolet voorbijrijden.
+Ik zal u zeggen; ge zoudt u vergissen, zoo ge meent dat ik kwaad ben.
+Men wordt niet kwaad op een doode. &rsquo;t Zou dom zijn. &rsquo;t Is
+een kind, dat ik heb opgevoed. Ik was reeds oud toen hij nog zeer klein
+was. Hij speelde in de Tuilerie&euml;n met zijn kleine spade en
+wagentje, en opdat de opzichters niet zouden knorren, maakte ik met
+mijn stok de gaten weder dicht, die hij met zijn spade in den grond
+groef. Op zekeren dag riep hij: Weg met Lodewijk XVIII, en hij ging
+heen. &rsquo;t Was mijn schuld niet. Hij was blond en blozend. Zijn
+moeder is dood. Hebt ge opgemerkt, dat alle kleine kinderen blond zijn?
+Hoe komt dat? Hij is een zoon van een dier bandieten der Loire; maar de
+kinderen zijn onschuldig aan de misdaden hunner ouders. Ik herinner hem
+mij, toen hij niet grooter was dan zoo. Hij kon de <i>d</i> niet
+uitspreken. Hij sprak zoo zacht en onduidelijk, dat men meende een
+vogel te hooren. Ik herinner mij, dat men eens, bij het beeld van
+Herkules <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name=
+"pb146">146</a>]</span>Farn&egrave;se, om hem heen ging staan, om hem
+te bewonderen, zoo schoon was het kind. Hij had een kopje, zooals men
+op de schilderijen ziet. Ik bromde op hem en dreigde hem met mijn stok,
+maar hij wist wel, dat het slechts scherts was. Des morgens, wanneer
+hij in mijn kamer kwam, zag ik somber, maar hij was voor mij als de
+zon. Men is weerloos tegenover zulke dreumesen. Zij vatten u, houden u
+vast, en laten u niet meer los. &rsquo;t Is waar, dat er geen liever
+kind was. Wat zegt ge nu van uw Lafayette, uw Benjamin Constant, uw
+Tirecuir de Corcelles, die hem doodden. Dat kan zoo niet
+gaan!&rdquo;</p>
+<p>Toen naderde hij Marius, die steeds lijkkleurig en bewegingloos was
+en tot wien de geneesheer was teruggekeerd, en hij begon opnieuw zijn
+handen te wringen. De bleeke lippen van den grijsaard bewogen zich
+werktuiglijk en prevelden schier onverstaanbaar de woorden: &bdquo;O!
+wreedaard! O clubist! O booswicht! O septembriseur!&rdquo;&mdash;Zachte
+verwijten van een zieltogende tot een lijk.</p>
+<p>Dewijl inwendige aandoeningen zich steeds lucht moeten maken,
+keerden allengs geregelde woorden terug, maar de grootvader scheen de
+kracht niet meer te hebben ze uit te spreken; zijn stem was zoo dof en
+gesmoord, dat zij van de overzijde eens afgronds scheen te komen:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is mij onverschillig; ik zal ook sterven. Ik durf
+zeggen dat er in Parijs geen meisje is, die zich niet gelukkig zou
+achten met dien ellendeling vereenigd te zijn. Een deugniet, die in
+plaats van zich te vermaken en het leven te genieten, is gaan vechten
+en zich als een wild dier laat doodschieten. En, waarom? voor de
+republiek! In plaats van naar de Chaumi&egrave;re te gaan dansen,
+zooals het jongen lieden betaamt. &rsquo;t Is wel der moeite waard,
+twintig jaar oud te zijn. De republiek, een vervloekte gekheid! Arme
+moeders! hebt nu nog mooie jongens! Nu, hij is dood! Er zullen nu twee
+begrafenissen uit de koetspoort gaan. Ge hebt u dan ter liefde voor den
+generaal Lamarque opgeofferd. Wat had generaal Lamarque u gedaan? Hij
+was een vechter! een babbelaar! Zich voor een doode te laten dooden! Is
+&rsquo;t niet om krankzinnig te worden! Begrijpt gij het! Twintig jaren
+oud! En zonder om te zien of hij ook iets achterlaat! De arme oude
+lieden zijn nu genoodzaakt, alleen te sterven. Sterf in uw hoek, oude
+uil! Nu, des te beter, ik hoopte het, het zal mij in eens den dood
+geven. Ik ben te oud, honderd jaar, duizend jaar oud; sinds lang heb ik
+het recht om te sterven. Deze slag maakt er een einde aan. &rsquo;t Is
+uit! hoe gelukkig. Waartoe hem ammoniak te laten snuiven en al die
+medicijnen. &rsquo;t Is moeite vergeefsch, onnoozele dokter. Ga, hij is
+dood, geheel dood. Ik heb er verstand van <span class="pagenum">[<a id=
+"pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span>want ook ik ben dood.
+Hij heeft de zaak niet ten halve gedaan. Ja, &rsquo;t is een
+afschuwelijke, schandelijke tijd, en hetzelfde denk ik van u, van uw
+denkbeelden, van uw stelsels, van uw meesters, van wonderspreuken, van
+uw dokters, van uw schelmen van schrijvers, van uw schoften van
+wijsgeeren, en van al de revoluti&euml;n, welke sedert zestig jaren de
+raven der Tuilerie&euml;n verschrikken! En wijl ge onmeedoogend zijt
+geweest door u te laten dooden, zal ik over uw dood niet treuren, hoort
+ge, moordenaar!&rdquo;</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik opende Marius langzaam de oogen en zijn blik,
+nog bewolkt door doffe verbazing, vestigde zich op den heer
+Gillenormand.</p>
+<p>&bdquo;Marius!&rdquo; riep de grijsaard. &bdquo;Marius, mijn kleine
+Marius! mijn kind, mijn geliefde zoon! Gij opent de oogen, gij
+aanschouwt mij, gij leeft. Goddank!&rdquo;</p>
+<p>En hij zonk machteloos neder. <span class="pagenum">[<a id="pb149"
+href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek IV.</h2>
+<h2 class="main">Javert uit het spoor.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name=
+"pb151">151</a>]</span>
+<div id="ch4.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Javert uit het spoor.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Javert had zich met langzame schreden uit de straat de
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute; verwijderd.</p>
+<p>Hij ging voor het eerst van zijn leven met gebogen hoofd en ook voor
+het eerst van zijn leven met de handen op den rug.</p>
+<p>Tot hiertoe had Javert slechts die houding van Napoleon overgenomen,
+welke Vastberadenheid kenmerkt, de armen op de borst gekruist; die,
+welke besluiteloosheid aanduidt, de handen op den rug, was hem
+onbekend. Nu was er verandering ontstaan; zijn geheele persoon, in zijn
+somberheid en langzaamheid, droeg den stempel van angst.</p>
+<p>Hij ging in de stille straten. Evenwel volgde hij een richting.</p>
+<p>Langs den kortsten weg ging hij naar de Seine, bereikte de
+Olmenkade, zette zijn weg voort over het Gr&egrave;veplein, en hield
+stil op eenigen afstand van den wachtpost van het Chateletplein, aan
+den hoek der brug N&ocirc;tre-Dame. De Seine vormt d&aacute;&aacute;r,
+tusschen die brug en de brug du Change eenerzijds, en de kade
+M&eacute;gisserie en de Bloemkade anderzijds, een soort van vierkant
+meer, door &rsquo;t welk een snelle strooming gaat.</p>
+<p>Dit punt der Seine wordt door schippers gevreesd. Niets is
+gevaarlijker dan deze strooming, welke te dien tijde door een
+watermolen, die thans is weggeruimd, nog meer vernauwd en gedrongen
+werd. De twee zoo dicht bij elkander zijnde bruggen vermeerderen het
+gevaar; het water ijlt driftig onder de bogen door. Het rolt met
+vreeselijke golven, het bruist en schuimt er; de stroom schijnt met
+forsche vloeiende kabels de pijlers der brug te willen omverrukken. De
+menschen, die er hier invallen, komen niet weder te voorschijn; de
+beste zwemmers verdrinken er. <span class="pagenum">[<a id="pb152"
+href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span></p>
+<p>Javert leunde met beide ellebogen op de borstwering, zijn kin op
+beide handen, en terwijl zijn nagels werktuiglijk in zijn zwaren
+bakkebaard woelden, peinsde hij.</p>
+<p>Iets nieuws, een revolutie, een noodlottige uitkomst was in hem
+ontstaan; en hij had reden zich zelven te onderzoeken.</p>
+<p>Javert leed vreeselijk.</p>
+<p>Sedert eenige uren had Javert opgehouden heldere gedachten te
+hebben. Hij was verward; zijn geest had zijn doorschijnendheid
+verloren, er was een nevel in dat kristal. Javert voelde in zijn
+geweten den plicht zich verdubbelen, en hij kon zich dit niet
+ontveinzen. Toen hij zoo onverwacht Jean Valjean aan den kant der Seine
+had ontmoet, was er in hem iets geweest van den wolf, die zijn prooi
+herneemt, en van den hond die zijn meester wedervindt.</p>
+<p>Hij zag voor zich twee even rechte wegen; maar hij zag er twee; en
+dat bracht hem in de war, daar hij in zijn leven niet anders dan
+&eacute;&eacute;n rechte lijn gekend had. En, o kwellende angst, deze
+twee wegen waren tegenstrijdig. De eene dezer rechte lijnen sloot de
+andere uit. Welke van de twee was de ware?</p>
+<p>Zijn toestand was onbeschrijfelijk.</p>
+<p>Zijn leven aan een booswicht verschuldigd te zijn, deze schuld aan
+te nemen en ze te voldoen: ten spijt van zich zelven, op gelijken voet
+te zijn met een hervatten tuchteling, en hem een dienst met een
+wederdienst te betalen, zich te laten zeggen: ga, en hem op zijn beurt
+te zeggen: wees vrij; aan persoonlijke belangen den plicht, den
+algemeenen plicht op te offeren, en in deze persoonlijke belangen ook
+iets algemeens te zien, misschien iets hoogers; de maatschappij te
+verraden om zijn geweten trouw te blijven; dat al deze
+onbestaanbaarheden zich verwezenlijkten en zich op hem stapelden, dat
+verplette hem.</p>
+<p>E&eacute;n ding had hem verbaasd, namelijk dat Jean Valjean hem
+genade had geschonken; en &eacute;&eacute;n ding had hem versteend,
+namelijk dat hij, Javert, Jean Valjean genade had geschonken.</p>
+<p>Waar was hij toe gekomen? Hij kon zich zelven niet meer
+terugvinden.</p>
+<p>Wat nu te doen? Jean Valjean over te leveren, dat was slecht. Jan
+Valjean vrij te laten, dit was ook slecht. In het eerste geval zonk de
+man van het gezag lager dan de man van het bagno; in het tweede steeg
+een tuchteling hooger dan de wet, en zette er den voet op. In beide
+gevallen was oneer voor hem, Javert; in beide gevallen verloor hij van
+zijn waarde. Het folterde hem, dat hij tot denken gedoemd was.
+<span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name=
+"pb153">153</a>]</span>De macht van al deze tegenstrijdige aandoeningen
+dwong er hem toe. Denken was voor hem iets ongewoons en bijzonder
+smartelijks.</p>
+<p>In de gedachte is steeds een zekere mate inwendig oproer; en het
+hinderde hem, iets dergelijks in zich te hebben.</p>
+<p>Aan een onschuldig onderwerp te denken, dat buiten den engen kring
+zijner beroepsbezigheden lag, zou voor hem reeds eene onvruchtbare en
+vermoeiende zaak zijn geweest; maar de gedachte aan hetgeen dien dag
+gebeurd was, was een foltering. Hij moest evenwel, na zulke schokken,
+zijn geweten onderzoeken en aan zich zelven rekenschap van zich zelven
+geven.</p>
+<p>Wat hij gedaan had, deed hem huiveren. Hij, Javert, had zich
+veroorloofd, tegen alle politiereglementen, tegen de maatschappelijke
+en rechterlijke inrichting, tegen het geheele wetboek, iemand de
+vrijheid te schenken; dit had <i>hem</i> behaagd; hij had zijn eigen
+zaken in de plaats der openbare zaken gesteld; was dit niet beneden
+alles? Telkens wanneer hij zich tegenover deze voorbeeldelooze, door
+hem gepleegde daad plaatste, beefde hij van het hoofd tot de voeten.
+Waartoe te besluiten? Er bleef hem slechts &eacute;&eacute;n middel
+over: haastig naar de straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute; terug te
+keeren en Jean Valjean in hechtenis te nemen.</p>
+<p>&rsquo;t Was duidelijk, dat hij dit doen moest. Maar hij kon
+niet.</p>
+<p>Iets belette hem den weg naar dien kant.</p>
+<p>Iets? Wat? Is er dan ter wereld nog iets anders dan rechtbanken,
+gerechtelijke vonnissen, politie en gezag? Javert was geheel in de
+war.</p>
+<p>Een tuchteling te ontzien! een galeiboef, die niet door de justitie
+zou gepakt worden! en dit door Javerts toedoen!</p>
+<p>Was het niet verschrikkelijk, dat Javert en Valjean, de man om te
+straffen en de man om te lijden, dat deze twee mannen, die zoowel de
+een als de ander zaken der wet waren, zoover waren gekomen, dat zij
+zich beiden boven de wet stelden?</p>
+<p>Hoe! zulke ongerechtigheden zouden gebeuren, en niemand zou gestraft
+worden! Jean Valjean, sterker dan de geheele maatschappelijke orde, zou
+vrij zijn, en hij, Javert, zou verder het brood van het gouvernement
+eten!</p>
+<p>Zijn overpeinzing werd hoe langer hoe vreeselijker.</p>
+<p>Hij had zich bij deze overwegingen nog verwijten kunnen doen ten
+aanzien van den opstandeling, die naar de straat des Filles du Calvaire
+was teruggebracht; maar hij dacht er niet aan. De kleinere misslag ging
+in den grooteren verloren. Bovendien was deze opstandeling stellig een
+dood man, en volgens de wet houdt de vervolging met den dood op.
+<span class="pagenum">[<a id="pb154" href="#pb154" name=
+"pb154">154</a>]</span></p>
+<p>Jean Valjean was de last, die op zijn ziel drukte.</p>
+<p>Jean Valjean bracht hem in verwarring. Al de grondregels, die de
+steun van geheel zijn leven waren geweest, stortten in tegenover dien
+man. Jean Valjeans edelmoedigheid jegens hem, Javert, verplette hem.
+Andere feiten, welke hij zich herinnerde en die hij vroeger als logens
+en dwaasheden had beschouwd, verschenen hem nu als werkelijkheden. De
+heer Madeleine kwam achter Jean Valjean weder te voorschijn, en beide
+gestalten smolten zoodanig ineen, dat zij er slechts &eacute;&eacute;ne
+vormden, die eerbiedwaardig was. Javert gevoelde, dat iets vreeselijks
+zijn ziel binnendrong, de bewondering voor een galeiboef. Is eerbied
+voor een tuchteling mogelijk? Hij beefde ervan, en kon er zich toch
+niet aan onttrekken. Vruchteloos worstelde hij en was gedwongen in zijn
+gemoed de verhevenheid van dien ellendeling te erkennen. &rsquo;t Was
+verschrikkelijk!</p>
+<p>Een weldadig booswicht, een medelijdend, zachtzinnig, weldadige
+tuchteling, die het kwaad met goed beloonde, haat met vergiffenis
+vergold, medelijden boven wraak stelde, die liever zich zelven dan zijn
+vijand in het verderf stortte, hem redde die hem geslagen had, die, op
+het toppunt der deugd geknield, dichter bij den engel dan bij den
+mensch was; Javert was gedwongen bij zich zelven te erkennen, dat zulk
+een monster bestond.</p>
+<p>Dit kon niet langer duren.</p>
+<p>Voorwaar, en wij drukken er op, hij had zich niet zonder tegenweer
+aan dit monster overgegeven, aan dien eerloozen engel, aan dien
+afschuwelijken held, over wien hij schier even vertoornd als verbaasd
+was. Twintigmaal, toen hij in het rijtuig tegenover Jean Valjean zat,
+had de tijger der wet in hem gebruld. Twintigmaal had hij zich geneigd
+gevoeld, op Jean Valjean aan te vallen, hem te grijpen en hem in
+hechtenis te nemen. Niets was inderdaad gemakkelijker geweest. Hij
+behoefde slechts den eersten wachtpost, dien men voorbijreed, toe te
+roepen: &bdquo;Hier is een tuchteling, die zijn ban verbroken
+heeft;&rdquo; de gendarmen te roepen en tot hen te zeggen: &bdquo;Deze
+man is voor u!&rdquo; om dan heen te gaan, den gedoemde achterlatende,
+niets meer te zeggen, en zich met niets meer te bemoeien. Deze man is
+voor altijd de gevangene der wet; de wet mag met hem doen wat zij wil.
+Wat was gerechter? Javert had zich dit alles gezegd; hij had zonder
+verder nadenken zoo willen doen, den man vatten, maar toen, evenals nu,
+vermocht hij het niet, en telkenmale, wanneer hij zijn hand krampachtig
+naar den kraag van Jean Valjean had uitgestoken, was die hand, als
+onder een zwaar gewicht, nedergezonken, en in &rsquo;t diepst zijner
+ziel had hij een stem, een zonderlinge <span class="pagenum">[<a id=
+"pb155" href="#pb155" name="pb155">155</a>]</span>stem gehoord, die hem
+toeriep: &bdquo;Goed zoo. Lever uw redder over. Laat u vervolgens het
+waschbekken van Pontius Pilatus brengen en wasch er uw klauwen
+in.&rdquo;</p>
+<p>Dan sloeg hij den blik weder op zich zelven, en naast den verheven
+Jean Valjean zag hij, Javert, zich zelven verlaagd.</p>
+<p>Een galeiboef was zijn weldoener.</p>
+<p>Maar waarom ook had hij dien man vergund hem in het leven te laten?
+In de barricade had hij het recht, gedood te worden. Van dat recht had
+hij gebruik moeten maken. &rsquo;t Ware beter geweest, zoo hij de
+andere opstandelingen tegen Jean Valjean te hulp geroepen, zich met
+geweld had laten doodschieten.</p>
+<p>Zijn grootste foltering was de verdwijning der zekerheid. Hij
+gevoelde zich als ontworteld. Het wetboek was nog slechts een gebroken
+stuk in zijn hand. Hij had met gewetensbezwaren van een onbekende soort
+te doen. Er ontstond in hem een gevoelsopenbaring geheel verschillend
+van de wettelijke verzekering, die tot hiertoe zijn eenige leiddraad
+was. &rsquo;t Was niet voldoende, bij de oude heerlijkheid te blijven.
+Een geheele reeks onverwachte feiten verhief zich en overweldigde hem.
+Een geheel nieuwe wereld verscheen voor zijn geest: de aangenomen en
+beantwoorde weldaad, de opoffering, de barmhartigheid, de
+toegevendheid, het geweld, door het medelijden op de strengheid
+uitgeoefend, het aanzien van den persoon, geen bepaald vonnis, geen
+veroordeeling, de mogelijkheid van een traan in het oog der wet, iets
+als de gerechtigheid van God in tegenstelling met de menschelijke
+gerechtigheid. Hij bespeurde in de duisternis den schrikbarenden opgang
+eener onbekende zedelijke zon; hij schrikte er voor en zij verblindde
+hem. De uil gedwongen tot den blik des adelaars!</p>
+<p>Hij zeide tot zich zelven, dat er dus waarlijk uitzonderingen
+bestonden, dat het gezag tot weifelen kon worden gebracht, dat de regel
+te kort kon schieten tegenover een feit, dat alles niet met den tekst
+van het wetboek uitkwam, dat het onvoorziene een onwederstaanbare macht
+had, dat de deugd van een tuchteling de deugd van een ambtenaar kon
+verstrikken, dat het gedrochtelijke hemelsch kon zijn, dat het lot
+zulke hinderlagen had, en met wanhoop dacht hij er aan, dat hij zelf
+voor zulk een verrassing bezweken was.</p>
+<p>Hij was gedwongen te erkennen, dat er goedheid bestond. Deze
+tuchteling was goed geweest. En hij zelf, &rsquo;t was ongehoord, was
+goed geweest. Hij was dus ontaard.</p>
+<p>Hij vond zich laaghartig. Hij verachtte zich zelven.</p>
+<p>Voor Javert was het ideaal niet&mdash;menschelijk, groot, verheven;
+maar onberispelijk te zijn. En hij had gefaald. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name="pb156">156</a>]</span></p>
+<p>Hoe was hij er toe gekomen? Hoe was dat alles gebeurd? Hij zou het
+niet hebben kunnen zeggen. Hij nam zijn hoofd in beide handen, maar wat
+hij poogde, hij kon het zich niet verklaren.</p>
+<p>Hij was gewis steeds voornemens geweest Jean Valjean aan de wet over
+te leveren, wier gevangene Jean Valjean en wier slaaf hij, Javert, was.
+Hij moest bekennen, dat hij geen oogenblik gedacht had hem te laten
+gaan, terwijl hij hem vasthield. &rsquo;t Was, om zoo te zeggen, buiten
+zijn wil, dat zijn hand zich geopend en hem losgelaten had.</p>
+<p>Allerlei soort van raadselachtige nieuwigheden openden zich voor
+zijn oogen. Hij deed zich vragen en gaf zich antwoorden, en zijn
+antwoorden verschrikten hem. Hij vroeg zich: Wat heeft deze tuchteling,
+deze wanhopige, dien ik zoo hardnekkig vervolgde, die mij onder zijn
+voet had en zich kon wreken, die het doen moest, evenzeer uit haat als
+voor zijn veiligheid&mdash;wat heeft hij gedaan door mij het leven,
+door mij genade te geven? Zijn plicht. Neen. Iets meer. En wat heb ik
+op mijn beurt gedaan door hem genade te geven? Mijn plicht. Neen. Iets
+meer. Er is dus nog iets meer dan plicht? Hier geraakte hij in
+verwarring; zijn balans brak; een der schalen viel in den afgrond, de
+andere steeg naar den hemel, en Javert schrikte niet minder voor die
+boven, als voor die beneden was. Zonder in &rsquo;t minst Voltairiaan,
+philosoof, of ongeloovige te zijn, integendeel uit instinct vol eerbied
+voor de bestaande kerk, kende hij haar echter slechts als een grootsch
+deel van het maatschappelijk geheel; de openbare orde was zijn dogma en
+dit was voor hem voldoende. Sinds hij den mannelijken ouderdom had en
+ambtenaar was, legde hij genoegzaam zijn geheelen godsdienst in de
+politie, zijnde hij&mdash;wij zeggen dit zonder eenige ironie en in den
+ernstigsten zin&mdash;spion gelijk men priester is. Hij had een
+opperheer, den heer Gisquet; hij had tot dezen dag weinig aan dien
+anderen opperheer, God, gedacht. Dezen nieuwen opperheer, God, gevoelde
+hij onverwacht, en was er door gehinderd.</p>
+<p>Deze onverwachte voorstelling bracht hem in de war; hij wist niet,
+hoe hij &rsquo;t met dien opperheer maken zou, bij zijn overtuiging dat
+de ondergeschikte steeds verplicht is te buigen, dat hij noch
+ongehoorzaam mag zijn, noch tegenstreven mag, en dat een ondergeschikte
+tegenover een boven hem staande, met wien hij niet eenstemmig is, geen
+ander middel overschiet dan zijn ontslag.</p>
+<p>Maar hoe zou hij het aanvangen om God zijn ontslag aan te
+bieden?</p>
+<p>Hoe het zij, hij kwam steeds tot die eene zaak terug, die alles bij
+hem overheerschte, namelijk dat hij een ontzettende <span class=
+"pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name=
+"pb157">157</a>]</span>ambtszonde had begaan. Hij had de oogen gesloten
+voor een bij herhaling veroordeelde, die zijn ban had gebroken. Hij had
+een galeiboef vrijgelaten. Hij had aan de wet een man ontstolen, die
+haar behoorde. Dat had hij gedaan. Hij begreep zich zelven niet meer.
+Hij was van zijn eigen bestaan niet meer zeker. Zelfs de beweegredenen
+zijner daad ontgingen hem; hij had er slechts de verbijstering van. Tot
+hiertoe had hij in dat blinde geloof geleefd, &rsquo;t welk een
+onbepaalde eerlijkheid voortbrengt. Dat geloof verliet hem, die
+eerlijkheid ontging hem. Alles wat hij had geloofd verdween. Waarheden,
+welke hij niet wilde, plaagden hem onverbiddelijk. Voortaan moest hij
+een ander mensch zijn. Hij ondervond de zonderlinge foltering van een
+geweten, dat eensklaps uit de duisternis in &rsquo;t licht komt. Hij
+zag &rsquo;t geen, waarvan hij afkeerig was. Hij gevoelde zich ijdel,
+onnut, misvormd uit zijn vorig leven, van zijn rang ontzet, tot niets
+gebracht. Het gezag was in hem gestorven. Hij had geen reden meer om te
+leven.</p>
+<p>&rsquo;t Is een vreeselijke toestand, aldus bewogen te zijn.</p>
+<p>Graniet te zijn en te twijfelen! Het beeld der straf in den vorm der
+wet te zijn, en eensklaps te ontdekken, dat men onder zijn bronzen
+borst iets ongerijmds en ongehoorzaams heeft, dat schier een hart
+gelijkt. Zoo ver te zijn gekomen van het goed met goed te vergelden,
+hoezeer men tot zich zelven tot hiertoe gezegd heeft, dat dit goede het
+kwade is! een wachthond te zijn en te liefkoozen! ijs te zijn en te
+smelten! een nijptang te zijn en een hand worden! eensklaps te voelen
+dat men vingers heeft, die zich openen! loslaten! Verschrikkelijk!</p>
+<p>Een kogel, die zijn weg niet meer weet, en achteruitgaat!</p>
+<p>Gedwongen zijn te bekennen: de onfeilbaarheid is niet onfeilbaar; er
+kan in het dogma dwaling bestaan; alles is nog niet gezegd, wanneer een
+wetboek gesproken heeft; de maatschappij is niet volmaakt; het gezag is
+aan weifeling onderhevig; een breuk van het onverzettelijke is
+mogelijk; de rechters zijn menschen; de wet kan zich bedriegen; de
+rechtbanken kunnen zich vergissen! een scheur in het oneindig blauw des
+hemels te zien!</p>
+<p>Wat in Javert omging, was de kromming van een rechtlijnig geweten,
+het uit den weg dringen eener ziel, de verplettering eener eerlijkheid,
+die tegen God te bersten stoot. Voorwaar, het was zonderling, dat de
+stoker der orde, dat de machinist van het gezag, het blinde ijzeren
+paard op den rechten weg berijdende, door een lichtstraal uit den zadel
+kon worden geworpen; dat het onveranderlijke, het directe, het juiste,
+het wiskunstige, het lijdelijke, het volmaakte wankelen kon, dat er
+voor de locomotief een weg van Damaskus is. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span></p>
+<p>Tot hiertoe was alles, wat hij boven zich had, voor zijn blik een
+effen vlak geweest; er was niets onbekends of duisters in; niets of het
+was verklaard, geregeld, omschreven, gesloten; alles was er voorzien.
+Het gezag was iets vlaks; geen val er in, geen verbijstering er voor.
+Javert had nooit het onbekende dan in de laagte gezien. Het
+onregelmatige, het onverwachte, de verwonderlijke opening van den
+chaos, de mogelijke afglijding in een afgrond; dit behoorde tot de
+lagere streken, der muiters, der misdadigers, der ellendigen. Nu
+deinsde Javert terug en schrikte eensklaps voor deze ongehoorde
+verschijning: een afgrond boven zich.</p>
+<p>Hoe! men was van &rsquo;t hoofd tot de voeten ontwapend; geheel en
+al van zijn stuk gebracht! Waarop nu nog te vertrouwen? Zou, hetgeen
+dat men zeker acht, instorten?</p>
+<p>Hoe! kon het gebrek in de wapenrusting der maatschappij door een
+grootmoedig ellendeling gevonden worden! Kon een eerlijk dienaar der
+wet zich eensklaps tusschen twee misdaden geklemd zien, tusschen de
+misdaad van een man te laten ontsnappen, en de misdaad hem in hechtenis
+te nemen? Alles was dus niet stellig in het bevel door den staat aan
+den beambte gegeven! Er konden dus zijwegen in den plicht zijn! Hoe!
+was dat alles mogelijk! was het waar, dat een oud bandiet, gebukt onder
+veroordeelingen, zich kon oprichten en ten laatste gelijk hebben? Was
+het te gelooven? Waren er dan gevallen, dat de wet voor de herschapen
+misdaad moest terugtreden en om verschooning bidden.</p>
+<p>Ja, dat bestond! Javert zag het, raakte het aan, en hij kon het niet
+alleen niet loochenen, maar hij was er zelf in betrokken. &rsquo;t
+Waren feiten. &rsquo;t Was ontzettend, dat zulke feiten konden
+voorkomen.</p>
+<p>Zoo de feiten hun plicht deden, moesten zij enkel de wet bevestigen;
+&rsquo;t is God, die de feiten zendt. Zou dan nu de wetteloosheid van
+boven komen?</p>
+<p>Aldus&mdash;en in de overdrijving van den angst en de begoocheling
+der verbazing verdween alles wat zijn gedachten kon verzachten en
+verbeteren, en vertoonden het menschelijk geslacht en de wereld zich in
+afschuwelijke gedaanten voor zijn oogen&mdash;aldus was het strafrecht,
+een vonnis, het gezag der wetten, de arresten der hooge gerechtshoven,
+de rechterlijke macht, de regeering, de voorkoming en bedwinging der
+misdaad, de offici&euml;ele wijsheid, de wettige onfeilbaarheid, het
+beginsel van het gezag, al de dogma&rsquo;s waarop de politieke en
+burgerlijke veiligheid berust, de souvereiniteit, de justitie, de
+logica, die uit het wetboek voortvloeit, het maatschappelijke absolute,
+de openbare waarheid, dat alles was puin, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb159" href="#pb159" name="pb159">159</a>]</span>bouwval, chaos; hij
+zelf, Javert, de bewaker der orde, de onomkoopbaarheid in dienst der
+politie, de voorzienigheidshond der maatschappij, verwonnen en geveld,
+en op dien bouwval stond een man met de groene muts op het hoofd en
+schitterend in een stralenkrans; tot zulk een instorting was hij
+gekomen; zulk een schrikkelijk gezicht stond voor zijn geest.</p>
+<p>Was dit te verduren? Neen.</p>
+<p>Het was zulk een geweldige toestand, als er slechts een zijn kon.
+Slechts op twee wijzen kon hij er uitkomen. De eene was, onverschrokken
+naar Jean Valjean te gaan en den man van het bagno aan den kerker terug
+te geven. De andere...</p>
+<p>Javert verliet de borstwering en ging met opgeheven hoofd en vasten
+tred naar den wachtpost, dien een lantaarn aan een der hoeken van het
+Chateletplein aanwees.</p>
+<p>Daar gekomen, zag hij door de vensterruit een stadssergeant en trad
+binnen. Enkel aan &rsquo;t openen der deur van een wachthuis kennen de
+politiemannen elkander. Javert noemde zijn naam, toonde zijn kaart aan
+den sergeant, en zette zich aan de tafel, waarop een kaars brandde. Op
+de tafel was een pen, een looden inktkoker en papier, voor het geval
+van mogelijke processenverbaal en de aanwijzingen voor de
+nachtpatrouilles.</p>
+<p>Deze tafel, waarbij steeds een matten stoel behoort, is een oude
+instelling en bevindt zich op alle politieposten. Tevens zijn ze
+noodwendig versierd met een zandbakje en een kartonnen doosje met roode
+ouwels, welke den laagsten trap vormen van den offici&euml;elen stijl.
+Daarmee begint de staatsletterkunde.</p>
+<p>Javert nam pen en papier, en schreef het volgende:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;<span class="uc">Eenige opmerkingen ten nutte
+van den dienst.</span></p>
+<p>Vooreerst: Ik verzoek mijnheer den prefect op het volgende een oog
+te slaan.</p>
+<p>Ten tweede: De gevangenen, die van de instructie komen, trekken hun
+schoenen uit en blijven met bloote voeten op de steenen staan, terwijl
+zij gevisiteerd worden. Verscheidenen hoesten, wanneer zij in de
+gevangenis terugkomen. Dit veroorzaakt kosten voor de ziekenzaal.</p>
+<p>Ten derde: De opsporing is goed met agenten op bepaalde afstanden
+geplaatst, maar in gewichtige omstandigheden moesten ten minste twee
+agenten elkander niet uit het oog verliezen, opdat, zoo in eenig geval
+een agent in den dienst verflauwde, de andere hem kunne bewaken en
+vervangen.</p>
+<p>Ten vierde: Men kan zich niet verklaren, waarom het bijzondere
+reglement der gevangenis der Madelonnettes den gevangene een stoel
+verbiedt, zelfs zoo hij dien wil betalen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb160" href="#pb160" name="pb160">160</a>]</span></p>
+<p>Ten vijfde: In de Madelonnettes zijn slechts twee spijlen in de
+cantine, zoodat de cantinehoudster haar hand door de gevangenen kan
+doen vatten.</p>
+<p>Ten zesde: De gevangenen, blaffers genoemd, die de andere gevangenen
+in de spreekkamer roepen, laten zich voor het duidelijk roepen van den
+naam door den gevangene twee sous betalen. Dit is diefstal.</p>
+<p>Ten zevende: Voor een lossen draad houdt men in de weverswerkplaats
+den gevangene tien sous af; dit is een misbruik van den ondernemer,
+wijl het linnen niet minder goed is.</p>
+<p>Ten achtste: &rsquo;t Is onaangenaam, dat de bezoekers van la Force
+de plaats der kinderen moeten overgaan om zich naar de spreekkamer van
+Sainte-Marie-l&rsquo;Egyptienne te begeven.</p>
+<p>Ten negende: &rsquo;t Is een feit, dat men dagelijks de gendarmen op
+de plaats van de prefectuur de rechterlijke verhooren der beschuldigden
+hoort verhalen. Een gendarm, die een geheiligd persoon moest zijn, te
+hooren herhalen, wat hij in de kamer van den rechter van instructie
+heeft gehoord, is een ernstige onordelijkheid.</p>
+<p>Ten tiende: M<sup>me</sup> Henry is een brave vrouw; haar cantine is
+zeer zindelijk; maar het is niet goed, dat een vrouw de deur van het
+geheim bewaart. Dit is de Conciergerie eener groote beschaving
+onwaardig.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>Javert schreef deze regels zeer bedaard en correct, vergat geen
+komma of punt, terwijl het papier onder zijn pen kraste. Onder den
+laatsten regel teekende hij:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;<span class="uc">Javert</span>,</p>
+<p>&bdquo;Inspecteur van de 1e klasse.</p>
+<p>&bdquo;In den wachtpost van het Chateletplein.</p>
+<p>&bdquo;7 Juni 1832, omstreeks &eacute;&eacute;n uur &rsquo;s
+morgens.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>Javert droogde de versche inkt op het papier, dat hij als een brief
+dichtvouwde, verzegelde het en schreef op het adres: &bdquo;Nota voor
+de administratie,&rdquo; liet het op de tafel liggen en verliet den
+wachtpost. De getraliede <span class="corr" id="xd20e3457" title=
+"Bron: glazendeur">glazen deur</span> viel achter hem dicht.</p>
+<p>Hij ging toen weder dwars over het Chateletplein, naar de kade, en
+kwam met automatische juistheid op hetzelfde punt terug, &rsquo;t welk
+hij een <span class="corr" id="xd20e3463" title=
+"Bron: kwartieruur">kwartieruurs</span> vroeger verlaten had; hij stond
+er weder in dezelfde houding, op denzelfden vloersteen der borstwering.
+Het scheen, alsof hij dien niet verlaten had.</p>
+<p>&rsquo;t Was nu volkomen donker. Het was dat zwarte oogenblik,
+&rsquo;t welk op middernacht volgt. Een zoldering van wolken verborg de
+starren. De hemel was slechts een akelige dichte massa. In de huizen
+der oude stad was geen licht te zien; niemand ging voorbij; al wat men
+van de straten en kaden zien kon <span class="pagenum">[<a id="pb161"
+href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span>was eenzaam. <span class=
+"corr" id="xd20e3470" title="Bron: Notre-Dame">N&ocirc;tre-Dame</span>
+en de torens van het Paleis van Justitie geleken nachtelijke gedaanten.
+Een straatlantaarn wierp een rood schijnsel op den rand der kade. De
+schaduwbeelden der bruggen hadden in de duisternis een wanstaltig
+voorkomen. De regen had de rivier doen zwellen.</p>
+<p>De plek, waar Javert op de borstwering leunde, was, zooals men zich
+herinneren zal, juist boven de plaats, waar de Seine zulk een geweldige
+strooming heeft, loodrecht boven die vreeselijke draaikolk, welke als
+schroef zonder einde draait.</p>
+<p>Javert boog het hoofd en zag naar beneden. Alles was zwart. Men
+onderscheidde niets. Men hoorde het schuim bruisen, maar zag de rivier
+niet. Nu en dan verscheen in deze duizelingwekkende diepte een
+lichtschijnsel, dat zich onduidelijk kronkelde, want het water heeft,
+zelfs in de diepste duisternis, het vermogen licht aan te nemen en het
+in een slang te veranderen. Het schijnsel verdween en alles werd weder
+onduidelijk. Daar scheen het oneindige geopend. Wat men onder zich had,
+was geen water; &rsquo;t was een kolk. De muur van de kade, die ruw en
+onduidelijk een oogenblik in de duisternis te voorschijn kwam, maar
+dadelijk weder onzichtbaar werd, had het voorkomen van een steilte van
+het oneindige.</p>
+<p>Men zag niets, maar voelde de vijandige kilheid des waters en den
+flauwen wasem der vochtige steenen. Een onaangename wind steeg uit dien
+afgrond op. De zwelling der rivier, welke men veeleer vermoedde dan
+zag, het somber golfgeklots, de akelige wijdte der bogen van de brug,
+de voorstelling van een val in de akelige diepte, geheel deze
+duisternis was afgrijselijk.</p>
+<p>Javert bleef eenige minuten onbewegelijk deze opening in de
+duisternis aanstaren, hij aanschouwde het onzichtbare met een
+strakheid, die oplettendheid geleek. Het water bruiste. Eensklaps nam
+hij zijn hoed af en legde hem op den kant der kade. Een oogenblik later
+verscheen een hooge, donkere gestalte, welke een voorbijganger in de
+verte voor een geestverschijning had kunnen houden, op de borstwering,
+boog zich over de Seine, richtte zich weder op en stortte recht in de
+duisternis neer. Er ontstond een dof geklots, en slechts de duisternis
+kende het geheim van den doodsstrijd dezer donkere, in het water
+verdwenen gestalte. <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163"
+name="pb163">163</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek V.</h2>
+<h2 class="main">De kleinzoon en de grootvader.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name=
+"pb165">165</a>]</span>
+<div id="ch5.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Men ziet den boom weder met den zinkpleister.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eenigen tijd na de gebeurtenissen, welke wij verhaald
+hebben, werd Boulatruelle levendig getroffen.</p>
+<p>Boulatruelle is die wegwerker van Montfermeil, welken men reeds in
+de donkere gedeelten van dit boek even gezien heeft.</p>
+<p>Boulatruelle was, men herinnert het zich misschien, een man, die
+zich met allerlei verwarde en verschillende zaken bezighield. Hij sloeg
+steenen tot puin, en benadeelde de reizigers op den grooten weg. Hij
+was wegwerker en dief, en werd door een droom beheerscht; hij geloofde
+zeker, dat er schatten in het bosch van Montfermeil waren begraven. Hij
+hoopte eenmaal aan den voet van een boom geld in den grond te zullen
+vinden; in afwachting hiervan vergenoegde hij zich, het in de zakken
+der voorbijgangers te zoeken.</p>
+<p>Voor het oogenblik was hij echter voorzichtig. Hij was ternauwernood
+ontsnapt. Men weet, dat hij met de overige bandieten in de woning van
+Jondrette gevat was. De ondeugd was hem nuttig geweest: zijn
+dronkenschap had hem gered. Men had er niet kunnen achterkomen, of hij
+daar als dief of als bestolene was geweest. Een bevel tot vrijlating,
+gegrond op den wel bewezen toestand van dronkenschap, waarin hij op den
+avond van den aanslag verkeerde, stelde hem op vrije voeten. Hij was
+naar zijn weg tusschen Gagny en Lagny wedergekeerd, om er onder
+bescherming der regeering en voor rekening van den staat steenen stuk
+te slaan, terneergedrukt, in diepe gedachten, een weinig bekoeld voor
+het stelen, dat hem bijna in &rsquo;t verderf had gestort, maar zich
+met meer teederheid dan ooit tot den wijn wendende, die hem gered
+had.</p>
+<p>De levendige aandoening, welke hij ondervond, kort na zijn
+terugkomst onder het zodendak zijner wegwerkershut, was van den
+volgenden aard: <span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166"
+name="pb166">166</a>]</span></p>
+<p>Toen op zekeren ochtend, even v&oacute;&oacute;r dat de zon opging,
+Boulatruelle zich als gewoonlijk naar zijn arbeid en misschien naar
+zijn hinderlaag begaf, bemerkte hij tusschen de takken een man, van
+wien hij slechts den rug zag, doch wiens gestalte, in weerwil van den
+afstand en de morgenschemering, hem niet onbekend scheen. Boulatruelle
+had, hoewel hij een dronkaard was, een juist en scherp geheugen; een
+noodzakelijk wapen van verdediging voor ieder, die met de wettige orde
+eenigszins in strijd is.</p>
+<p>&bdquo;Waar heb ik, voor den duivel, iets als dezen kerel
+gezien?&rdquo; vroeg hij zich. Maar hij kon zich hierop geen ander
+antwoord geven, dan dat dit iets geleek op iemand, van wien hem een
+onduidelijk beeld in &rsquo;t geheugen lag. Overigens maakte
+Boulatruelle, afgescheiden van deze gelijkenis, waarmede hij niet in
+&rsquo;t reine kon komen, opmerkingen en gissingen. Deze man behoorde
+niet in deze streek te huis. Hij was er gekomen, stellig te voet, want
+op dit uur rijdt geen diligence door Montfermeil. Hij had den ganschen
+nacht geloopen. Van waar kwam hij? Van niet ver, want hij droeg noch
+reiszak noch pak. Waarschijnlijk van Parijs. Waarom was hij in dit
+bosch? Waarom was hij er op dit uur? Wat kwam hij er doen?</p>
+<p>Boulatruelle dacht aan den schat. Eindelijk, na lang peinzen,
+herinnerde hij zich flauw, eenige jaren geleden een dergelijke
+opwekking te hebben gehad, ten aanzien van een man, die hem scheen wel
+dezelfde als deze te kunnen zijn.</p>
+<p>Terwijl hij dus nadacht, had hij onder het gewicht zijner
+overpeinzingen het hoofd gebogen, iets dat zeer natuurlijk, maar niet
+heel schrander was. Toen hij het weder oprichtte was er niemand meer.
+De man was in het bosch en in de schemering verdwenen.</p>
+<p>&bdquo;Voor den duivel!&rdquo; zei Boulatruelle, &bdquo;ik zal hem
+wedervinden. Ik zal de parochie van dezen parochiaan ontdekken. Deze
+wandelaar van Patron-Minette heeft een reden, waarom hij hier is, en ik
+zal ze vernemen. Men heeft in mijn bosch geen geheimen, zonder dat ik
+er bij behoor.&rdquo;</p>
+<p>Hij nam zijn spade, die zeer scherp was.</p>
+<p>&bdquo;Hiermede,&rdquo; mompelde hij, &bdquo;kan ik den grond en een
+mensch kort krijgen.&rdquo;</p>
+<p>En evenals men een draad aan een anderen knoopt, den weg
+samenstellende, dien de man had moeten nemen, ging hij door het
+kreupelhout.</p>
+<p>Toen hij een honderd schreden had afgelegd, kwam de aanbrekende dag
+hem meer en meer te hulp. Hier en daar in het zand gedrukte
+voetstappen, vertrapt gras, verplette struikjes, de jonge gebogen
+takjes der struweelen, die met bevallige <span class="pagenum">[<a id=
+"pb167" href="#pb167" name="pb167">167</a>]</span>langzaamheid zich
+weder oprichtten, als de armen eener schoone vrouw, die, ontwakende,
+zich uitrekt, dit alles wees hem een spoor aan. Hij volgde het, maar
+verloor het. De tijd verstreek. Hij ging dieper het bosch in en kwam
+aan een soort van heuveltje. Een vroege jager, die in de verte op een
+voetpad de aria van Guillery floot, bracht hem op de gedachte in een
+boom te klimmen. Hoewel oud, was hij nog vlug. Er stond een hooge beuk,
+en Boulatruelle klom, zoo hoog hij kon, in dien beuk.</p>
+<p>&rsquo;t Was een goede inval. Toen Boulatruelle vorschend naar den
+kant zag, waar het bosch dicht begroeid en woest is, ontdekte hij
+eensklaps den man.</p>
+<p>Maar nauwelijks had hij hem gezien, of hij verloor hem weder uit het
+oog.</p>
+<p>De man ging of liever sloop naar een zeer afgelegen, onbegroeide
+plek, die achter hooge boomen verborgen, maar aan Boulatruelle zeer
+goed bekend was, wijl hij er, dicht bij een grooten hoop steenen, een
+gewonden kastanjeboom had opgemerkt, die, met een zinken plaat, op de
+schors gespijkerd, verbonden was. Deze onbegroeide plek heette vroeger
+de laagte Blaru. De hoop steenen, men weet niet waarvoor bestemd, die
+men er v&oacute;&oacute;r dertig jaren zag, is er waarschijnlijk nog.
+Niets duurt zoo lang als een hoop steenen; tenzij misschien een planken
+schutting. Dewijl die slechts tot een voorloopig einde dient, is dit
+een reden voor haar langen duur.</p>
+<p>Met de snelheid der vreugde liet Boulatruelle zich veeleer uit den
+boom vallen, dan dat hij er uitklom. Het leger was gevonden, nu kwam
+&rsquo;t er slechts op aan het wild te vatten. Daar was waarschijnlijk
+de zoo lang gedroomde schat.</p>
+<p>&rsquo;t Was geen kleinigheid om op die open plek te komen. Langs de
+begane paden, die allerlei kronkelingen vormen, was er een groot
+<span class="corr" id="xd20e3535" title=
+"Bron: kwartier uurs">kwartieruurs</span> voor noodig. Regelrecht door
+het kreupelhout, dat daar buitengewoon dicht, doornig en moeielijk is,
+was er een groot half uur toe noodig. Boulatruelle was dom genoeg, dit
+niet te begrijpen. Hij geloofde aan de rechte lijn; een zeer
+vergeeflijk optisch bedrog, maar dat vele menschen ten verderve leidt.
+Het kreupelhout, hoe dicht het ook was, scheen hem de goede weg.</p>
+<p>&bdquo;Slaan wij de straat Rivoli der wolven in,&rdquo; zeide
+hij.</p>
+<p>Boulatruelle, die gewoon was langs zijpaden te gaan, had dezen keer
+den misslag, den rechten weg te volgen.</p>
+<p>Hij begaf zich moedig in het kreupelhout.</p>
+<p>Hij had nu met steekpalm, hagedoorn, netels, wilde rozelaars,
+distelen en doornen te doen. Hij werd deerlijk gewond en gekrabd.
+<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name=
+"pb168">168</a>]</span></p>
+<p>Eindelijk kwam hij na verloop van veertig minuten zweetend, doornat,
+buiten adem, gescheurd en gehavend aan de onbegroeide plek Blaru.</p>
+<p>Er was niemand.</p>
+<p>Boulatruelle ijlde naar den hoop steenen. Deze was nog op zijn
+plaats, men had hem niet weggevoerd.</p>
+<p>Maar de man was in het woud verdwenen. Hij was ontkomen. Waarheen?
+In welke richting? In welken schuilhoek? &rsquo;t Was onmogelijk te
+gissen.</p>
+<p>En het grievendste was, dat men achter den hoop steenen, voor den
+boom met de zinken plaat, de aarde versch opgegraven, een kuil en een
+vergeten of achtergelaten schop zag.</p>
+<p>Die kuil was ledig.</p>
+<p>&bdquo;Dief!&rdquo; riep Boulatruelle dreigend, de vuisten naar den
+horizont uitstekende.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.2" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Marius uit den burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot
+den huiselijken oorlog.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Marius was langen tijd noch dood noch levend. Hij lag
+verscheidene weken in ijlende koorts, die met zeer ernstige
+hersenverschijnselen gepaard gingen, welke meer nog door den schok der
+hoofdverwonding veroorzaakt waren, dan door de wonden zelve.</p>
+<p>Gansche nachten door herhaalde hij den naam Cosette, in de akelige
+levendigheid van het koortsgekal en met de sombere hardnekkigheid van
+den doodsstrijd. De grootte van sommige wonden was een ernstig gevaar,
+wijl de ettering naar binnen kon trekken, en, in zekere gesteldheid van
+den dampkring, den zieke dooden; bij elke verandering van weder en bij
+den minsten storm was de geneesheer ongerust. &bdquo;De lijder mag
+vooral geen gemoedsaandoeningen hebben,&rdquo; herhaalde hij. De
+verbinding was lastig en moeielijk, wijl de sparadrap ter bevestiging
+der windsels destijds nog niet was uitgevonden. Nicolette gebruikte
+voor pluksel een beddelaken, dat zoo groot als een wolk was, zooals zij
+zeide. Met moeite werd het <span class="corr" id="xd20e3574" title=
+"Bron: koud vuur">koudvuur</span> door aanwending van chloor en
+helschen steen tegengegaan. Zoo lang er gevaar bestond was
+Gillenormand, die niet van het bed zijns kleinzoons week, evenals
+Marius, noch dood noch levend.</p>
+<p>Dagelijks en soms tweemalen daags kwam een zeer goed <span class=
+"pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name=
+"pb169">169</a>]</span>gekleed heer met wit haar&mdash;dit was het
+signalement dat de portier van hem gaf,&mdash;naar den zieke vragen en
+liet een groot pak pluksel voor het verband achter.</p>
+<p>Eindelijk, den 7<sup>den</sup> September, vier maanden, op den dag
+af, na den smartelijken nacht toen men hem stervend bij zijn grootvader
+had gebracht, verklaarde de geneesheer, dat hij behouden
+was<span class="corr" id="xd20e3586" title="Niet in bron">.</span> De
+genezing begon. Evenwel moest Marius nog langer dan twee maanden op een
+ziekenstoel liggen, ten gevolge van het gebroken sleutelbeen. Zoo is er
+altijd een laatste wonde, die zich niet wil sluiten en het volkomen
+herstel vertraagt, tot groot verdriet van den lijder!</p>
+<p>Overigens bevrijdden deze lange ziekte en deze lange herstelling hem
+voor vervolging. Er is in Frankrijk geen toorn, zelfs geen openbare,
+die niet in zes maanden wordt verdoofd. In de oproeren der
+tegenwoordige maatschappij, zijn zoo veel personen betrokken, dat men
+ten laatste genoodzaakt is de oogen eenigszins te sluiten.</p>
+<p>Voegen wij hierbij, dat de ongehoorde ordonnantie van Gisquet, welke
+den geneesheeren gelastte de gewonden aan te geven, de algemeene
+verontwaardiging had gewekt, niet alleen bij &rsquo;t algemeen, maar
+bovenal bij den koning, zoodat de gewonden door deze verontwaardiging
+werden gedekt en beschermd; en dat, behalve degenen die op heeter daad
+in het gevecht gevangen waren genomen, de krijgsraden niemand anders
+durfden verontrusten. Men liet dus Marius met vrede.</p>
+<p>De heer Gillenormand had eerst alle angsten en toen alle vreugd door
+te staan. Met veel moeite belette men hem, alle nachten bij den lijder
+door te brengen; hij liet zijn grooten armstoel bij het bed van Marius
+brengen; hij wilde dat zijn dochter het fraaiste linnen zou nemen om er
+compressen en windsels van te maken. Juffrouw Gillenormand, als een
+verstandige en overleggende persoon, vond middel het fraaie
+<span class="corr" id="xd20e3595" title="Bron: linlen">linnen</span> te
+sparen, terwijl zij den grootvader in den waan liet, dat hij
+gehoorzaamd werd. De heer Gillenormand nam geen genoegen met de
+verklaring, dat grof linnen evengoed als fijn, en oud evengoed als
+nieuw voor pluksel was. Hij was bij al de verbanden tegenwoordig,
+terwijl mejuffrouw Gillenormand zich bedeesd verwijderde. Wanneer men
+het wildvleesch met de schaar wegsneed, riep hij: &bdquo;Ai! ai!&rdquo;
+Niets was treffender, dan hem den gewonde een drankje te zien
+toereiken, met het zachte beven des grijsaards. Hij overstelpte den
+geneesheer met vragen. Hij merkte niet, dat het steeds dezelfde
+waren.</p>
+<p>Den dag toen de geneesheer hem aankondigde, dat Marius buiten gevaar
+was, geraakte de goede man buiten zich zelven. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb170" href="#pb170" name="pb170">170</a>]</span>Hij
+gaf zijn portier drie louisd&rsquo;ors tot fooi. Des avonds in zijn
+kamer teruggekeerd danste hij een <i lang="fr">gavotte</i>, en knipte
+met den duim en wijsvinger als met castagnetten, daarbij het liedje
+zingende:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<div class="lg">
+<p class="line">Jeanne est n&eacute;e &agrave; Foug&egrave;re,</p>
+<p class="line">Vrai nid d&rsquo;une berg&egrave;re;</p>
+<p class="line">J&rsquo;adore son jupon</p>
+<p class="line xd20e3613">Fripon.</p>
+</div>
+<div class="lg">
+<p class="line">Amour, tu <span class="corr" id="xd20e3618" title=
+"Bron: vis">viens</span> en elle<span class="corr" id="xd20e3621"
+title="Bron: ;">,</span></p>
+<p class="line">Car c&rsquo;est dans sa prunelle</p>
+<p class="line">Que tu mets ton carquois,</p>
+<p class="line xd20e3613">Narquois!</p>
+</div>
+<div class="lg">
+<p class="line">Moi, je la chante, et j&rsquo;aime<a id="xd20e3632"
+name="xd20e3632"></a></p>
+<p class="line">Plus que <span class="corr" id="xd20e3635" title=
+"Bron: Diana">Diane</span> m&ecirc;me<a id="xd20e3638" name=
+"xd20e3638"></a></p>
+<p class="line">Jeanne et ses durs <span class="corr" id="xd20e3641"
+title="Bron: tetons">t&eacute;tons</span></p>
+<p class="line xd20e3613">Bretons.<a class="noteref" id="xd20e3646src"
+href="#xd20e3646" name="xd20e3646src">1</a></p>
+</div>
+</div>
+<p class="first">Toen knielde hij op een stoel, en Basque, die hem door
+de reet der deur gadesloeg, geloofde stellig, dat hij bad.</p>
+<p>Tot hiertoe had hij weinig aan God geloofd.</p>
+<p>Bij ieder nieuw verschijnsel van beterschap, dat zich meer en meer
+opdeed, ging de grootvader tot allerlei buitensporigheden over. Hij gaf
+zijn blijdschap door een menigte werktuiglijke handelingen te kennen;
+hij ging de trap op en af, zonder te weten waarom. Een, overigens
+knappe, buurvrouw was geheel verbaasd, op een morgen een grooten
+bloemruiker te ontvangen; mijnheer Gillenormand had haar dien gezonden.
+Haar man maakte haar een standje uit jaloezie. De heer Gillenormand
+beproefde Nicolette op zijn schoot te nemen. Hij noemde Marius mijnheer
+den baron. Hij riep: Leve de republiek!</p>
+<p>Telkens vroeg hij aan den geneesheer: &bdquo;Er is immers geen
+gevaar meer?&rdquo; Hij aanschouwde Marius met de oogen eener
+grootmoeder. Hij trok zijn oogen niet van hem af, als hij at. Hij
+kende, hij telde zich zelven niet meer. Marius was de meester des
+huizes; in zijn blijdschap had hij van zijn gezag afstand gedaan, hij
+was de kleinzoon van zijn kleinzoon.</p>
+<p>In deze verheuging was hij kinderlijk eerbiedwaardig. Uit vrees van
+den herstellende te vermoeien of hem lastig te zijn, ging hij achter
+hem staan om hem toe te lachen. Hij was tevreden, verblijd, verrukt,
+bekoorlijk, jong. Zijn wit haar <span class="pagenum">[<a id="pb171"
+href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span>paarde een zachte majesteit
+aan den vroolijken glans op zijn gelaat. Wanneer bevalligheid zich
+onder rimpels voegt, is zij aanbiddelijk. In den ondergaanden ouderdom
+ligt een hemelsch morgenrood.</p>
+<p>Intusschen had Marius onder al het verbinden en verplegen slechts
+een enkele gedachte: Cosette.</p>
+<p>Sinds de koorts en het ijlen hem verlaten hadden, noemde hij dien
+naam niet meer, en men zou gemeend hebben, dat hij er niet meer aan
+dacht. Hij zweeg, en wel omdat zijn geheele ziel ervan vervuld was.</p>
+<p>Hij wist niet wat van Cosette was geworden; al het gebeurde in de
+Chanvreriestraat was als een nevel in zijn geheugen; onduidelijke
+schimmen zweefden voor zijn geest; Eponine, Gavroche, Mabeuf, het gezin
+Th&eacute;nardier, al zijne akelig in den kruitdamp der barricade
+gehulde vrienden; de zonderlinge verschijning van den heer Fauchelevent
+in dat bloedig avontuur, kwam hem voor als een raadsel in een storm;
+hij begreep niets van zijn eigen leven; hij wist niet hoe en door wien
+hij gered was; niemand dergenen die hem omgaven wist het; al wat men
+hem had kunnen zeggen, was, dat hij des nachts in een huurrijtuig in de
+straat des Filles du Calvaire was teruggevoerd; het verledene, het
+tegenwoordige, alles was voor hem slechts nevel van een onduidelijk
+denkbeeld; maar in dien nevel was &eacute;&eacute;n vast punt,
+&eacute;&eacute;n juiste, duidelijke lijn, als in graniet, het besluit,
+den wil: Cosette weder te vinden. Voor hem was de gedachte aan &rsquo;t
+leven niet van de gedachte aan Cosette gescheiden; hij had in zijn hart
+bepaald, dat hij het een niet zonder de andere zou aannemen, en had
+onwrikbaar besloten, van wie hem tot het leven zou willen dwingen, van
+zijn grootvader, van het lot, van de hel, de teruggave van zijn
+verdwenen paradijs te eischen.</p>
+<p>Hij verheelde zich de moeielijkheden hiervan niet.</p>
+<p>Wijzen wij hier op een bijzonderheid: hij was niet gewonnen en
+weinig vermurwd door al de blijken van liefde en teederheid van zijn
+grootvader. Vooreerst was hij met die alle niet bekend; vervolgens
+wantrouwde hij, in zijn ziekelijke, misschien nog koortsige droomen,
+die teederheid als iets vreemds en nieuws, dat ten doel had om hem te
+onderwerpen. Hij bleef er koel voor. De grootvader verspilde
+vruchteloos zijn armen, ouden glimlach. Marius zeide bij zich zelven,
+dat dit alles mooi was, zoolang hij, Marius, niet sprak; en hij liet
+zich alles welgevallen; maar dat, zoodra Cosette in &rsquo;t spel kwam,
+hij een ander gezicht zou vinden en de ware houding van den grootvader
+zich zou ontmaskeren. Dan zou het hard en ruw zijn; hervatting der
+familiequaesti&euml;n, vergelijking der toestanden, allerlei
+schimpredenen <span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name=
+"pb172">172</a>]</span>en tegenwerpingen tegelijkertijd, Fauchelevent,
+Coupelevent, de fortuin, de armoede, de steen om den hals, de toekomst.
+Geweldig verzet; en tot besluit: weigering. Marius verhardde zich
+vooraf.</p>
+<p>En naar gelang hij tot het leven wederkeerde, kwamen zijn oude
+grieven terug, de oude wonden van zijn geheugen heropenden zich; hij
+dacht weder aan het verledene; de kolonel Pontmercy plaatste zich
+opnieuw tusschen Gillenormand en hem, Marius; hij zeide bij zich
+zelven, dat van dengeen, die zoo onrechtvaardig en hard jegens zijn
+vader was geweest, geen ware goedheid te verwachten was. En met de
+gezondheid herkreeg hij een soort van bitterheid tegen zijn grootvader.
+De grijsaard leed hierdoor met zachtmoedigheid.</p>
+<p>Zonder er iets van te doen blijken, merkte de heer Gillenormand
+buitendien op, dat Marius, sedert hij te zijnent was teruggebracht en
+zijn bewustheid had herkregen, hem niet eens vader had genoemd.
+&rsquo;t Is waar, hij noemde hem niet mijnheer; maar hij vond het
+middel, noch het een noch het ander te zeggen, door op zekere manier
+zijn woorden te verdraaien.</p>
+<p>Blijkbaar moest eene crisis komen.</p>
+<p>Zooals schier altijd in dergelijke gevallen gebeurt, schermutselde
+Marius, om zich te oefenen, v&oacute;&oacute;r hij slag leverde. Dit
+heet: het terrein onderzoeken. Op zekeren ochtend gebeurde het, dat de
+heer Gillenormand bij gelegenheid dat een dagblad in zijn handen was
+gevallen, luchtig over de conventie sprak en zich een royalistischen
+scheldnaam op Danton, Saint-Just en Robespierre liet ontglippen.
+&bdquo;De mannen van 93 waren reuzen,&rdquo; zei Marius streng. De
+grijsaard zweeg en sprak den ganschen dag geen woord meer.</p>
+<p>Marius, die nog altijd den onbuigzamen grootvader zijner kinderjaren
+voor den geest had, zag in die stilte een diepen, verkropten toorn,
+voorspelde daaruit een hardnekkigen strijd, en versterkte in de diepste
+hoeken van zijn hart de toebereidselen voor den strijd.</p>
+<p>Hij besloot, dat hij, ingeval van weigering, zijn verbanden zou
+afrukken, zijn been ontwrichten, zijn overgeblevene wonden naakt en
+bloot zou leggen, en alle voedsel weigeren. Zijn wonden waren zijn
+ammunitie. Hij wilde Cosette bezitten of sterven.</p>
+<p>Hij wachtte een gunstig oogenblik, met het zwijgend geduld der
+zieken.</p>
+<p>Dat oogenblik kwam. <span class="pagenum">[<a id="pb173" href=
+"#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e3646" href="#xd20e3646src" name=
+"xd20e3646">1</a></span> Jeannette is geboren te Foug&egrave;re,
+&rsquo;t geen een echt herderinnennest is; ik aanbid haar schalksch
+rokje. Gij leeft in haar, o liefde; want in haar oogen ligt uw
+pijlenkoker, gij schalk. Ik bezing haar en bemin meer dan Diana zelve,
+Jeannette en haar frissche Bretonsche borsten.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.3" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Marius&rsquo; aanval.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op zekeren dag, terwijl zijn dochter de fleschjes en
+kopjes op het marmer der commode terecht zette, zeide de heer
+Gillenormand, over Marius gebogen, en op den teedersten toon:
+&bdquo;Hoor, Mariusje, in uw plaats zou ik nu meer vleesch dan visch
+eten. Een gestoofde tong is uitmuntend als men begint te herstellen,
+maar om den zieke op de been te brengen, is een kotelet
+beter.&rdquo;</p>
+<p>Marius, wiens krachten bijna geheel waren teruggekeerd, spande ze
+in, richtte zich ten halve lijve op, steunde met de vuisten op de
+beddelakens, zag zijn grootvader strak in de oogen, nam een vreeselijke
+houding aan, en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Dit geeft mij aanleiding u iets te zeggen.</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil trouwen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik had het voorzien,&rdquo; zei de grootvader, terwijl hij
+luid begon te lachen.</p>
+<p>&bdquo;Hoe, voorzien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, voorzien. Ge zult uw meisje hebben.&rdquo;</p>
+<p>Marius, verstomd en verbijsterd, beefde aan al zijn leden.</p>
+<p>De heer Gillenormand hernam:</p>
+<p>&bdquo;Ja, ge zult haar hebben, uw schoon, lief, klein meisje. Zij
+komt alle dagen in de gedaante van een oud heer naar uw gezondheid
+vernemen. Sinds gij gewond zijt, brengt zij haar tijd door met weenen
+en pluksel te maken. Ik heb er naar onderzocht. Zij woont in de rue de
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute; No. 7. Ha! nu zijn wij er! Ge wilt haar. Nu,
+ge zult haar hebben. Dat verrast u. Gij hadt bij u zelven een complot
+gemaakt en gezegd: Ik zal het dien grootvader, die mummie van het
+regentschap en het Directoire, dien voormaligen pronker, ronduit
+zeggen; hij heeft ook zijn dagen van lichtzinnigheid en verliefdheid,
+hij heeft ook zijn grisetten en Cosettes gehad; hij is jong geweest,
+hij heeft vleugels gehad, het brood der lente gegeten; dit moet hij
+zich herinneren. Wij zullen zien! Wij zullen vechten! Ha! ge grijpt de
+koe bij de hoornen. Goed, ik bied u een kotelet aan en gij antwoordt
+mij: Ik wil trouwen. Dat is een overgang. Ha! ge hadt op verzet
+gerekend! Ge wist niet, dat ik een oude lafaard was. Wat zegt ge ervan?
+Gij mokt, ge verwachtet niet, uw grootvader nog dommer dan u zelven te
+zien! de redevoering, welke ge tot mij houden wildet, is nu verloren,
+<span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name=
+"pb174">174</a>]</span>mijnheer de advocaat; dat is jammer. Nu, des te
+erger; wreek u. Ik doe wat ge wilt; dat verbluft u. Hoor, ik heb
+onderzoek gedaan, ik ben ook een gluiperd; zij is bekoorlijk,
+deugdzaam, de lansier heeft gelogen; zij heeft hoopen pluksel gemaakt;
+zij is een juweel; zij aanbidt u; zoo gij gestorven waart, zouden er
+drie gestorven zijn; haar doodkist zou de mijne vergezeld hebben. Ik
+had gedacht, haar, zoodra ge hersteld waart, eenvoudig voor uw bed te
+plaatsen; maar alleen in romans brengt men de meisjes zoo onverhoeds
+aan het bed der schoone gewonden, in wie zij belang stellen. Dat
+gebeurt niet. Wat zou uw tante gezegd hebben? Ge laagt drie-vierde van
+den tijd geheel naakt, mijn jongen. Vraag Nicolette, die u geen minuut
+verlaten heeft, of er een vrouw tegenwoordig kon zijn. En wat zou de
+dokter gezegd hebben? Een jong meisje geneest de koorts niet. Kortom,
+&rsquo;t is goed, spreken wij er niet meer van; &rsquo;t is gezegd,
+&rsquo;t is gedaan, &rsquo;t is vastgesteld, neem haar. Zoo wreed ben
+ik nu. Hoor, ik zag, dat ge niet van mij hieldt, en zeide: Wat moet ik
+toch doen, opdat die snaak van mij houde? Ik zeide: Wacht, ik heb de
+kleine Cosette bij de hand, ik zal ze hem geven; dan zal hij mij wel
+een weinig moeten liefhebben of de reden zeggen. Ha, gij meendet, dat
+de oude zou gaan vloeken en razen, neen zeggen, en den stok tegen al
+dat teedere opheffen. Volstrekt niet. Cosette, goed; beminnen, goed; ik
+wil niets liever. Mijnheer, wees zoo goed te trouwen. Wees gelukkig,
+mijn geliefd kind.&rdquo; Toen hij dit gezegd had, begon de grijsaard
+te snikken. Hij nam het hoofd van Marius en drukte het in zijn armen,
+tegen zijn oude borst, en beiden weenden. Dit is een der vormen van het
+hoogste geluk.</p>
+<p>&bdquo;Mijn vader!&rdquo; riep Marius.</p>
+<p>&bdquo;Ha, gij bemint mij dus!&rdquo; zei de grijsaard.</p>
+<p>Er ontstond een onbeschrijfelijk oogenblik. Zij konden van
+aandoening niet spreken.</p>
+<p>Eindelijk stamelde de grijsaard:</p>
+<p>&bdquo;Nu, eindelijk is het er uit: hij heeft &bdquo;mijn
+vader&rdquo; gezegd.&rdquo;</p>
+<p>Marius wond zijn hoofd uit de armen van den grootvader, en zeide
+zacht:</p>
+<p>&bdquo;Maar, vader, thans, nu ik mij wel bevind, dunkt mij, dat ik
+haar zou kunnen zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook voorzien; morgen zult ge haar zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vader!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom niet heden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, het zij zoo, heden. Ge hebt mij driemaal
+&bdquo;vader&rdquo; genoemd; dit is het wel waard. Ik zal er voor
+zorgen. Men zal haar bij <span class="pagenum">[<a id="pb175" href=
+"#pb175" name="pb175">175</a>]</span>u brengen. Ik heb het voorzien,
+zeg ik u. &rsquo;t Is reeds in rijm gebracht. &rsquo;t Is de
+ontknooping van de elegie &bdquo;de jonge zieke&rdquo; van Andr&eacute;
+Ch&eacute;nier, van Andr&eacute; Ch&eacute;nier, die door de schur...
+door de reuzen van 93 vermoord werd.&rdquo;</p>
+<p>Mijnheer Gillenormand meende een licht fronsen der wenkbrauwen van
+Marius te merken, die in waarheid, wij moeten &rsquo;t zeggen, niet
+meer naar hem luisterde, maar in verrukking baadde en meer aan Cosette
+dan aan 1793 dacht. De grootvader, bekommerd, zoo ontijdig Andr&eacute;
+Ch&eacute;nier aangevoerd te hebben, hernam haastig:</p>
+<p>&bdquo;Vermoorden is het eigenlijke woord niet. De zaak is, dat de
+groote revolutionnaire genie&euml;n, die niet slecht waren, dat is
+zeker, die voor den drommel, helden waren, vonden, dat Andr&eacute;
+Ch&eacute;nier hen een weinig hinderde en zij lieten hem guillot... Dat
+wil zeggen, dat deze groote mannen, den 7 Thermidor, in het algemeen
+belang Andr&eacute; Ch&eacute;nier verzochten, wel te willen
+gaan...&rdquo;</p>
+<p>De heer Gillenormand, wiens eigen woorden hem verstikten, kon niet
+voortgaan; de grijsaard, zijn zinsnede noch kunnende voleinden noch
+herroepen, verliet, terwijl zijn dochter het hoofdkussen achter Marius
+opschudde, zoo haastig als zijn hooge jaren hem vergunden, de
+slaapkamer, stiet de deur achter zich dicht, en rood, stikkend,
+verwoed, met uitpuilende oogen, stond hij eensklaps voor den eerlijken
+Basque, die in de voorkamer de laarzen poetste. Hij greep Basque bij
+den kraag en schreeuwde hem woedend in het gezicht: &bdquo;Bij de
+honderd duizend duivels, die schelmen hebben hem vermoord!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wien, mijnheer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Andr&eacute; Ch&eacute;nier!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer,&rdquo; zei Basque verschrikt.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.4" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Mejuffrouw Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad
+meer, dat mijnheer Fauchelevent iets onder den arm medebracht.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Cosette en Marius zagen elkander weder.</p>
+<p>Wij ondernemen het niet, deze ontmoeting te beschrijven. Er zijn
+dingen, die men niet moet trachten te schilderen, daaronder behoort de
+zon.</p>
+<p>Het geheele gezin, Basque en Nicolette er onder gerekend,
+<span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name=
+"pb176">176</a>]</span>was, op het oogenblik dat Cosette binnentrad, in
+de kamer van Marius te zamen.</p>
+<p>Zij verscheen op den drempel, en &rsquo;t was alsof zij in een
+stralenkrans stond.</p>
+<p>Juist op hetzelfde oogenblik, wilde de grootvader den neus snuiten,
+maar bleef er in steken, hield den neus in zijn zakdoek en aanschouwde
+Cosette er overheen.</p>
+<p>&bdquo;Aanbiddelijk!&rdquo; riep hij uit.</p>
+<p>Toen snoot hij heel luidruchtig.</p>
+<p>Cosette was verbijsterd, verrukt, verschrikt, in den hemel. Zij was
+door het geluk zoozeer in verwarring gebracht, als men slechts zijn
+kan. Zij stamelde, werd nu bleek, dan rood, zij wilde zich in de armen
+van Marius werpen, maar durfde niet. Zij schaamde zich, voor al deze
+lieden haar liefde te doen blijken. Men is onmeedoogend jegens
+gelukkige gelieven, men blijft, wanneer zij vurig zouden verlangen
+alleen te zijn. Zij hebben volstrekt geen getuigen noodig.</p>
+<p>Tegelijk met Cosette en achter haar, was een man met wit haar,
+ernstig, maar toch flauw en smartelijk glimlachend, binnengekomen.
+&rsquo;t Was &bdquo;Mijnheer Fauchelevent;&rdquo; &rsquo;t was Jean
+Valjean.</p>
+<p>Hij was &bdquo;zeer goed gekleed&rdquo;, zooals de portier had
+gezegd, geheel in het zwart en nieuw, en met witte das.</p>
+<p>De portier dacht er in de verte niet aan, in dezen netten heer, in
+dezen schijnbaren notaris, den vreeselijken doodenbrenger te herkennen,
+die in den nacht van den 7<sup>den</sup> Juni, met gehavende kleederen,
+vuil, afschuwelijk, verwilderd, het gezicht met bloed en slijk bedekt,
+aan zijn deur was verschenen, den bewusteloozen Marius in de armen
+houdend; evenwel was zijn portiersneus opgewekt. Toen de heer
+Fauchelevent met Cosette was gekomen, had de portier in vertrouwen tot
+zijn vrouw gezegd: &bdquo;Ik weet niet, waarom ik mij altijd verbeeld
+dit gezicht meer gezien te hebben.&rdquo;</p>
+<p>Toen de heer Fauchelevent in de kamer van Marius was, bleef hij als
+afgezonderd bij de deur staan. Hij had een pakje onder den arm, dat op
+een octavo boek geleek, in papier gewikkeld. Dat papier was groenachtig
+en scheen van het vocht te hebben geleden.</p>
+<p>&bdquo;Heeft deze heer altijd zulke boeken onder den arm?&rdquo;
+vroeg mejuffrouw Gillenormand, die van geen boeken hield, zacht tot
+Nicolette.</p>
+<p>&bdquo;O,&rdquo; antwoordde op denzelfden toon de heer Gillenormand,
+die het gehoord had, &bdquo;&rsquo;t is een geleerde: kan hij &rsquo;t
+helpen? De heer Boulard, dien ik gekend heb, ging nooit uit zonder boek
+en had altijd zulk een oud boekje aan zijn hart.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span></p>
+<p>En luide zeide hij groetend:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Tranchelevent...&rdquo;</p>
+<p>Vader Gillenormand deed het niet met opzet, maar de achteloosheid
+voor eigennamen was bij hem een aristocratische manier.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Tranchelevent, ik heb de eer u voor mijn kleinzoon,
+mijnheer den baron Marius Pontmercy, de hand van mejuffrouw te
+vragen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Tranchelevent&rdquo; boog.</p>
+<p>&bdquo;Dit is in orde,&rdquo; zei de grootvader.</p>
+<p>Daarop zich tot Marius en Cosette wendende en de armen zegenend
+uitbreidende, riep hij:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is u thans vergund elkander te beminnen!&rdquo;</p>
+<p>Zij lieten het zich geen tweemaal zeggen. Zooveel te erger! het
+gefluister begon. Zij spraken samen zacht, Marius overeind op zijn
+rustbed zittende en Cosette naast hem staande. &bdquo;O mijn
+God!&rdquo; lispte Cosette, &bdquo;ik zie u weder, gij zijt het! Zoo te
+gaan vechten. Waarom toch? &rsquo;t Is afschuwelijk! Gedurende vier
+maanden ben ik dood geweest. O, &rsquo;t was ondeugend van u, naar dat
+gevecht te gaan! Wat had ik u toch gedaan? Ik vergeef het u, maar ge
+moogt het niet weer doen. Toen men ons aanstonds kwam zeggen, dat wij
+hier moesten komen, meende ik wederom te sterven, maar het was van
+vreugd. Ik was zoo treurig! Ik heb mij den tijd niet gegund mij te
+kleeden; ik moet er afzichtelijk uitzien. Wat zullen uw verwanten wel
+zeggen, mij met zulk een verkreukt kraagje te zien! Spreek toch! Ge
+laat mij alleen spreken. Wij wonen nog altijd in de rue de
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute;. &rsquo;t Schijnt, dat uw schouder vreeselijk
+gekwetst is! Men heeft mij gezegd, dat men er de hand in kon leggen. En
+men heeft het vleesch uitgesneden. &rsquo;t Is ijselijk! Ik heb mij de
+oogen schier uitgeweend. &rsquo;t Is wonder, dat men zooveel kan
+lijden. Uw grootvader heeft een goedhartig voorkomen. Maar vermoei u
+niet, steun niet op uw elleboog, ge zult u pijn doen. O, hoe gelukkig
+ben ik! &rsquo;t Ongeluk is dan voorbij. Ik ben heel en al dwaas. Ik
+wilde u een en ander zeggen, maar ik ben &rsquo;t geheel vergeten.
+Bemint ge mij altijd? Wij wonen in de rue l&rsquo;Homme-Arm&eacute;. Er
+is geen tuin. Al dien tijd heb ik pluksel gemaakt, zie mijnheer,
+&rsquo;t is uw schuld, ik heb eelt aan den
+vinger.&rdquo;&mdash;&bdquo;Engel!&rdquo; zei Marius.</p>
+<p>Engel is het eenige woord der taal, dat niet verslijt. Geen ander
+woord zou het onmeedoogend gebruik kunnen wederstaan, dat de verliefden
+er van maken.</p>
+<p>Toen, wijl er getuigen waren, zwegen zij en zeiden geen woord meer;
+zij bepaalden er zich toe, elkander zacht de hand te drukken.
+<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name=
+"pb178">178</a>]</span></p>
+<p>De heer de Gillenormand wendde zich tot allen, die in de kamer waren
+en riep:</p>
+<p>&bdquo;Spreekt toch luid, gij allen! maakt gedruisch, kom aan, een
+weinig leven, opdat de kinderen op hun gemak met elkander kunnen
+spreken.&rdquo;</p>
+<p>En Marius en Cosette naderende, fluisterde hij hen toe:</p>
+<p>&bdquo;Praat maar, stoort u aan niets.&rdquo;</p>
+<p>Tante Gillenormand was verbaasd over de inbreking van licht in haar
+oude hart. Deze verbazing had niets vijandigs; &rsquo;t was in &rsquo;t
+minst niet die afgunstige blik van een uil met twee hoornen: &rsquo;t
+was het domme oog eener arme onnoozele van zeven en vijftig jaar;
+&rsquo;t was het mislukte leven, dat deze overwinning, de liefde,
+aanschouwde.</p>
+<p>&bdquo;Mejuffrouw Gillenormand, mijn dochter,&rdquo; zij haar vader;
+&bdquo;ik heb u immers wel gezegd, dat ge dit zoudt beleven.&rdquo;</p>
+<p>Hij zweeg een oogenblik en hernam:</p>
+<p>&bdquo;Aanschouw het geluk van anderen.&rdquo;</p>
+<p>Toen wendde hij zich tot Cosette:</p>
+<p>&bdquo;Hoe mooi is zij! hoe mooi is zij! Als een portret van Greuze.
+Ge zult dit dus alleen bezitten, deugniet. O, schelm, ge zijt gelukkig,
+dat ik u geen afbreuk kan doen; zoo ik twintig jaren jonger ware,
+zouden wij met den degen om haar vechten. Hoor, ik ben op u verliefd,
+jongejuffer. &rsquo;t Is zeer eenvoudig en natuurlijk. Ha, &rsquo;t zal
+een kleine, lieve bruiloft geven! Saint-Denis is onze parochie, maar ik
+zal dispensatie vragen om u in Saint-Paul te doen trouwen. Die kerk is
+beter. De Jezu&iuml;eten hebben haar gebouwd. Zij is fraaier. Zij staat
+tegenover de fontein van den kardinaal de Birague. Het meesterstuk der
+jezu&iuml;etische bouworde is te Namen. &rsquo;t Heet Saint-Loup. Ge
+moet daarheen gaan, zoodra ge getrouwd zijt. &rsquo;t Is een reis
+waard. Ik ben volkomen van uw meening, mejuffer; de meisjes moeten
+trouwen; zij zijn er voor geschapen. Er is een zekere heilige
+Katharina, welke ik altijd ongekapt zou willen zien. Ongehuwd te
+blijven is schoon, maar koud. De Bijbel zegt: Vermenigvuldigt. Om het
+volk te redden moet er een Jeanne d&rsquo;Arc zijn, maar om volk te
+hebben, is moeder Gigogne noodig. Trouwt dus, schoone dames. Ik weet
+waarlijk niet, waarom men ongehuwd zou blijven? Ik weet wel, dat men
+een afzonderlijke kapel in de kerk heeft, en men in de broederschap der
+H. Maagd wordt opgenomen, maar, voor den drommel, een mooien, goeden
+jongen tot man en na verloop van een jaar een dikken, blonden knaap,
+met mollige billen, aan de borst, dit is toch beter dan in de vesper
+een waskaars in de hand te houden en te zingen <i>Turris
+Eburnea</i>!&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179"
+name="pb179">179</a>]</span></p>
+<p>De grootvader draaide op zijn negentigjarige hielen om, en rammelde
+voort, als een losgebroken springveer:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">Ainsi, bornant le cours de tes r&ecirc;vasseries,</p>
+<p class="line">Alcippe, il est donc vrai, dans peu tu te
+maries<a class="noteref" id="xd20e3861src" href="#xd20e3861" name=
+"xd20e3861src">1</a>.</p>
+</div>
+<p class="first">&bdquo;Apropos!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat blieft, vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hadt ge niet een boezemvriend?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, Courfeyrac.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is er van hem geworden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is dood.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is goed.&rdquo;</p>
+<p>Hij zette zich bij hen, deed Cosette plaats nemen, en nam hun vier
+handen in zijn gerimpelde handen.</p>
+<p>&bdquo;Zij is allerliefst, een meesterstuk, deze Cosette. Zij is een
+klein meisje en een zeer groote dame. Zij zal slechts barones zijn, dit
+is te weinig; zij is tot markiezin geboren. Welke fraaie wimpers heeft
+zij. Kinderen, drukt u goed op het hart, dat ge het ware hebt gekozen.
+Bemint elkander; verdwaast er u door. De liefde is de dwaasheid der
+menschen en de wijsheid van God. Aanbidt elkander. Maar,&rdquo; voegde
+hij er eensklaps treurig bij, &bdquo;welk een ongeluk! Nu denk ik er
+aan. Meer dan de helft van &rsquo;t geen ik bezit is lijfrente; zoolang
+ik leef, zal het wel gaan, maar, na mijn dood, na een twintigtal jaren,
+mijn arme kinderen, zult gij, helaas, niets hebben? Uw witte handjes,
+mevrouw de barones, zullen moeten werken.&rdquo;</p>
+<p>Thans hoorde men een ernstige kalme stem, die zeide:</p>
+<p>&bdquo;Mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent bezit zesmaal honderd
+duizend francs.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was de stem van Jean Valjean.</p>
+<p>Hij had nog geen woord gezegd, niemand scheen er zelfs op te letten,
+dat hij er nog was; hij stond bewegingloos achter al deze gelukkige
+menschen.</p>
+<p>&bdquo;Wie is die bedoelde mejuffrouw Euphrasie?&rdquo; vroeg de
+grootvader ontsteld.</p>
+<p>&bdquo;Dat ben ik,&rdquo; antwoordde Cosette.</p>
+<p>&bdquo;Zesmaal honderd duizend francs!&rdquo; hernam de heer
+Gillenormand.</p>
+<p>&bdquo;Misschien veertien of vijftien duizend francs minder,&rdquo;
+zei Jean Valjean. <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180"
+name="pb180">180</a>]</span></p>
+<p>En hij legde op de tafel het pakje, dat tante Gillenormand voor een
+boek had aangezien.</p>
+<p>Jean Valjean opende zelf het pakje. &rsquo;t Waren bankbiljetten.
+Men zag en telde ze. Er waren vijfhonderd briefjes van duizend en
+honderd acht en zestig van vijfhonderd francs. Te zamen vijfmaal
+honderd vier en tachtig duizend francs.</p>
+<p>&bdquo;Dit is een kostelijk boek,&rdquo; zei de heer
+Gillenormand.</p>
+<p>&bdquo;Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend francs!&rdquo;
+prevelde de tante.</p>
+<p>&bdquo;Dit brengt veel bezwaren in orde, niet waar mejuffrouw
+Gillenormand, mijn dochter?&rdquo; hernam de grootvader. &bdquo;Die
+drommelsche Marius, hij heeft uit den boom der droomen een schatrijk
+nestje gehaald. Vertrouw nu nog de minnarijen der jongelieden. De
+studenten vinden meisjes met zesmaal honderd duizend francs. Cherubin
+is nog handiger dan Rothschild.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vijfmaal honderd vier en tachtig duizend franken,&rdquo;
+herhaalde halfluid mejuffrouw Gillenormand. &bdquo;Vijfmaal honderd
+vier en tachtig! Men kan even goed zeggen: zesmaal honderd duizend
+francs!&rdquo;</p>
+<p>Marius en Cosette zagen elkander intusschen aan. Zij letten
+nauwelijks op deze omstandigheid.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e3861" href="#xd20e3861src" name=
+"xd20e3861">1</a></span> &rsquo;t Is dus waar, Alcippus, dat gij een
+einde aan uw droomerijen wilt maken, en binnenkort gaat trouwen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.5" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Men belegge zijn geld liever in een bosch dan bij een
+notaris.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Men heeft waarschijnlijk begrepen, zonder dat het
+noodig is het uitvoerig te verklaren, dat Jean Valjean, na de zaak
+Champmathieu, ten gevolge van zijne vlucht van eenige dagen, naar
+Parijs had kunnen gaan, en bijtijds de door hem, onder den naam van den
+heer Madeleine van M-sur-M., gewonnen som terug vorderen; en dat hij,
+vreezende weder gevat te worden, &rsquo;t geen werkelijk korten tijd
+later gebeurde, deze som in het bosch van Montfermeil, ter plaatse
+genaamd de laagte Blaru in den grond begraven had. Deze som van zesmaal
+honderd duizend francs, geheel in bankbriefjes, was klein van omvang en
+een doosje kon ze bevatten; maar ten einde de doos voor vochtigheid te
+behoeden, had hij ze in een eikenhouten kistje vol kastanjekrullen
+gedaan. In hetzelfde kistje had hij zijn anderen schat, de kandelaars
+van den bisschop, gelegd. Men herinnert zich, dat hij deze kandelaars
+bij zijn vlucht uit M-sur-M. had medegenomen. De man, dien Boulatruelle
+op dien zekeren <span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181"
+name="pb181">181</a>]</span>avond zag, was Jean Valjean. Later, telkens
+wanneer Jean Valjean geld noodig had, ging hij het op de onbegroeide
+plek Blaru in het bosch halen. Vandaar de afwezigheid, waarvan wij
+gesproken hebben. Op een veilige plek in de struweelen, die hem alleen
+bekend was, had hij een spade verborgen. Toen hij zag, dat Marius
+herstelde en het oogenblik voelde naderen, dat dit geld van dienst kon
+zijn, was hij het gaan halen, en wederom werd hij door Boulatruelle in
+het bosch gezien, maar thans des ochtends en niet des avonds.
+Boulatruelle erfde de spade.</p>
+<p>De wezenlijke som was vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend vijf
+honderd francs. Jean Valjean behield vijfhonderd francs voor
+zich.&mdash;&bdquo;Later zullen wij zien,&rdquo; dacht hij.</p>
+<p>Het verschil tusschen deze som en de zesmaal honderd dertigduizend
+francs, van Laffitte teruggenomen, vertegenwoordigde de uitgave van
+tien jaren, van 1823 tot 1833. Zijn vijfjarig verblijf in het klooster
+had slechts vijf duizend francs gekost.</p>
+<p>Jean Valjean plaatste de twee zilveren kandelaars op den
+schoorsteen, waar zij tot groote bewondering van vrouw Toussaint
+schitterden.</p>
+<p>Overigens wist Jean Valjean, dat hij van Javert verlost was. Men had
+in zijn tegenwoordigheid verhaald, en hij had de zaak in den
+<i>Moniteur</i>, die het berichtte, bevestigd gezien, dat een politie
+inspecteur, Javert genaamd, onder een waschschuit tusschen de
+Pont-au-Change en de Pont-Neuf verdronken was gevonden, en dat een
+geschrift, &rsquo;t welk deze overigens onberispelijke en door zijn
+superieuren zeer geachte man had nagelaten, aan een vlaag van
+zinsverbijstering en zelfmoord deed denken. Inderdaad, dacht Jean
+Valjean, hij moest reeds van zinnen verbijsterd zijn, toen hij mij in
+zijn macht had en mij vrijliet.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.6" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De beide oude lieden doen, elk op zijn wijze, alles om
+Cosette gelukkig te maken.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Men maakte alle toebereidselen voor het huwelijk. De
+geneesheer, die hieromtrent geraadpleegd werd, verklaarde dat het in
+Februari kon plaats hebben. Men was in December. Eenige heerlijke weken
+verliepen in volkomen geluk.</p>
+<p>De grootvader was niet de minst gelukkige. Kwartieruren lang stond
+hij in de aanschouwing van Cosette. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Een verwonderlijk schoon meisje!&rdquo; riep hij. &bdquo;En
+zij ziet er zoo zacht en zoo goed uit. Zonder tegenspraak is zij het
+bekoorlijkste meisje, dat ik van mijn leven gezien heb. Later zal zij
+deugden hebben, die de geuren van een violet verspreiden. Zij is een
+gratie. Met zulk een wezen kan men slechts edel leven. Marius, mijn
+jongen, gij zijt baron, rijk, leg het advocaatschap neder, ik bid
+u.&rdquo;</p>
+<p>Cosette en Marius waren eensklaps van het graf in den hemel
+overgegaan. De overgang was niet voorbereid, en zij zouden er door
+verbijsterd zijn geworden, waren zij er niet verrukt door geweest.</p>
+<p>&bdquo;Begrijpt ge er iets van?&rdquo; vroeg Marius aan Cosette.</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; antwoordde Cosette, &bdquo;maar mij dunkt, dat
+de goede God ons aanschouwt.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean deed alles, maakte alles in orde, bevredigde alles,
+ruimde alle bezwaren uit den weg. Hij bespoedigde met zooveel ijver en,
+schijnbaar, met zooveel vreugde Cosettes geluk, als Cosette zelve.</p>
+<p>Dewijl hij maire was geweest, wist hij een kiesch probleem op te
+lossen, van &rsquo;t welk hij alleen het geheim kende: den burgerlijken
+stand van Cosette. Had hij onbewimpeld haar afkomst gezegd, wie weet of
+dit mogelijk geen beletsel voor het huwelijk zou geweest zijn. Hij
+redde Cosette uit alle moeielijkheden. Hij bezorgde haar een familie
+van overledenen, het zekerste middel om alle tegenspraak te ontgaan.
+Cosette was de eenige overgeblevene van een uitgestorven familie,
+Cosette was niet zijn dochter, maar de dochter van een anderen
+Fauchelevent. Twee gebroeders Fauchelevent waren tuiniers in het
+klooster van klein Picpus geweest. Men begaf zich naar dat klooster; de
+beste inlichtingen en de vereerendste getuigenissen werden er
+verkregen; de goede nonnen, weinig in staat en weinig genegen de
+quaesti&euml;n van vaderschap te onderzoeken, en zonder eenigen
+argwaan, hadden nooit juist geweten, wie der beide Fauchelevents de
+vader van Cosette was. Zij zeiden wat men begeerde, en zeiden het met
+groote belangstelling. Er werd een acte van bekendheid opgemaakt.
+Cosette werd door de wet mejuffrouw Euphrasie Fauchelevent, en
+ouderlooze weeze verklaard. Jean Valjean richtte het zoo in, dat hij
+onder den naam van Fauchelevent tot voogd van Cosette en de heer
+Gillenormand tot toezienden voogd werd benoemd.</p>
+<p>De vijfmaal honderd vier-en-tachtig duizend francs waren een legaat
+door iemand, die onbekend wilde blijven, aan Cosette vermaakt. Dat
+legaat was aanvankelijk vijfmaal honderd vier-en-negentig duizend
+francs geweest, maar tienduizend francs <span class="pagenum">[<a id=
+"pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span>waren aan de
+opvoeding van mejuffrouw Euphrasie besteed, waarvan vijf duizend francs
+aan het klooster zelf waren betaald. Dit legaat, in de handen van een
+derde gesteld, moest aan Cosette bij haar meerderjarigheid of op het
+tijdstip van haar huwelijk gegeven worden. Zooals men ziet, was dit
+alles zeer aannemelijk, te meer, wijl er meer dan een half millioen bij
+behoorde. Er was in sommige punten wel iets vreemds, maar men zag dit
+niet; de oogen van een der belanghebbenden waren door de liefde
+geblinddoekt, die der anderen door de zesmaal honderd duizend
+francs.</p>
+<p>Cosette vernam, dat zij niet de dochter was van den ouden man, dien
+zij zoo lang vader had genoemd. Hij was slechts een bloedverwant; een
+andere Fauchelevent was haar ware vader geweest. Op ieder ander
+oogenblik zou haar dit gegriefd hebben. Maar in het wonderbare
+tegenwoordige uur, was het slechts een weinig schaduw, een kleine
+verdonkering, en zij was zoo vol vreugd, dat deze wolk kort van duur
+was. Zij had Marius. De jongeling kwam, de oude man verdween;
+z&oacute;&oacute; is het leven.</p>
+<p>Bovendien was Cosette sedert vele jaren gewoon, zich door raadsels
+omgeven te zien; ieder kind, dat een geheimzinnige jeugd heeft gehad,
+is steeds tot ontberingen gereed.</p>
+<p>Zij bleef echter Jean Valjean &bdquo;vader&rdquo; noemen.</p>
+<p>Cosette, die als in den hemel was, was met vader Gillenormand
+hoogelijk ingenomen. &rsquo;t Is waar, dat hij haar met puntdichten en
+geschenken overlaadde. Terwijl Jean Valjean Cosette een behoorlijken
+stand in de maatschappij en het bezit van een wettelijken staat
+bereidde, zorgde de heer Gillenormand voor het uitzet. Hij wenschte
+alles prachtig te doen. Hij had Cosette een kostbaar kanten kleed
+geschonken, dat van zijn eigen grootmoeder afkomstig was. Deze mode
+herleeft, zeide hij, het ouderwetsche is weder gezocht, en in mijn
+ouderdom kleeden zich de jonge vrouwen als in mijn jeugd de oude
+vrouwen.</p>
+<p>Hij plunderde zijn ruim voorziene kasten van Coromandel- en lakwerk,
+die sedert jaren niet geopend waren. &bdquo;Laat ons deze dames eens
+onderzoeken,&rdquo; zeide hij, &bdquo;en zien wat zij bevatten.&rdquo;
+Hij opende met geweld de ronde laden vol kleedingstukken van al zijn
+vrouwen, van al zijn minnaressen en van al zijn grootmoeders. Nanking,
+damast, lampas, gekleurd moir&eacute;, rokken van gevlamd gros de
+Tours, Indische doeken met goud geborduurd, die gewasschen konden
+worden, stukken dauphin&eacute; zonder weerzijde, kanten van Genua en
+Alen&ccedil;on, gouden sieraden, ivoren bonbonni&egrave;res met
+microscopisch schilderwerk, snuisterijen, linten, dat alles schonk hij
+aan <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name=
+"pb184">184</a>]</span>Cosette. Cosette, verwonderd, geheel vervuld van
+liefde voor Marius en verlegen van dankbaarheid voor den heer
+Gillenormand, droomde van een grenzenloos geluk in satijn en fluweel.
+Haar bruidskorf scheen haar door engelen gebracht te zijn. Haar ziel
+vloog ten hemel op vleugels van Mechelsche kant.</p>
+<p>De dronkenschap der gelieven werd, zooals wij gezegd hebben, slechts
+ge&euml;venaard door de verrukking van den grootvader. Er was als
+trompetgeschal in de straat des Filles du Calvaire.</p>
+<p>Iederen ochtend bracht de grootvader een nieuw offer van
+antiquiteiten aan Cosette. Alle mogelijke falbal&aacute;s golfden
+prachtig om haar heen.</p>
+<p>Op zekeren dag zeide Marius, die te midden van zijn geluk gaarne
+eens ernstig sprak, bij een of andere gelegenheid:</p>
+<p>&bdquo;De mannen der revolutie zijn zoo groot, dat zij reeds den
+stralenkrans der eeuwen bezitten, evenals Caton en Phocion, en ieder
+hunner schijnt een herinnering uit de oudheid&rdquo;<a class="noteref"
+id="xd20e3982src" href="#xd20e3982" name="xd20e3982src">1</a>.</p>
+<p>&bdquo;<span lang="fr">Moire antique!</span>&rdquo; riep de
+grijsaard. &bdquo;Ik dank u Marius. &rsquo;t Is juist het denkbeeld dat
+ik zocht.&rdquo;</p>
+<p>En den volgenden dag werd bij de bruidskorf een prachtig kleed van
+theekleurig <span lang="fr">moire antique</span> gevoegd.</p>
+<p>De grootvader trok uit deze snuisterijen wijze lessen.</p>
+<p>&bdquo;De liefde is goed, maar dit behoort er bij. In het geluk moet
+iets overtolligs zijn. Het geluk is slechts het noodzakelijke. Kruid
+het met ontzaggelijk veel overbodigs. Een paleis en haar hart. Haar
+hart en het Louvre. Haar hart en de fonteinen van Versailles. Geef mij
+mijn herderin, maar zorg dat zij hertogin zij. Breng mij Philis met
+korenbloempjes bekranst, maar voeg er <span class="corr" id="xd20e4003"
+title="Bron: honderduizend">honderdduizend</span> francs rente bij.
+Bereid mij een eindeloos landelijk leven onder een marmeren zuilengang.
+Ik neem genoegen met het landelijk leven, met het marmeren en gouden
+tooverpaleis. Het droge geluk gelijkt droog brood. Men eet, maar men
+houdt geen maaltijd. Ik wil overdaad, het nuttelooze, noodelooze, het
+buitensporige, overvloed. Ik herinner mij in de kathedraal van
+Straatsburg een uurwerk te hebben gezien, zoo hoog als een huis van
+drie verdiepingen, dat het uur aanwees, dat zoo vriendelijk was het uur
+aan te wijzen, maar er niet voor gemaakt scheen, en dat, als het middag
+of middernacht, of ieder ander uur, geslagen had, de maan en de
+starren, de aarde en de zee, de vogels, en de visschen, Phoebus en
+Pheb&eacute;, en een menigte dingen, die uit een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span>nis
+kwamen, de twaalf apostelen en keizer Karel V, en Eponine en Sabinus,
+en verscheiden vergulde mannetjes, die op den koop toe op de trompet
+bliezen, vertoonde. Reken daarbij het verrukkend klokkenspel, dat
+telkens in de lucht golfde, zonder dat men wist waarom. Is hierbij een
+eenvoudige wijzerplaat, die niets dan de uren aanwijst, te vergelijken?
+Ik ben voor het groote uurwerk van Straatsburg en geef er de voorkeur
+aan boven de koekoekklok van het Zwarte woud.&rdquo;</p>
+<p>De heer Gillenormand rammelde inzonderheid over de bruiloft, en al
+de heerlijkheden der achttiende eeuw waren in zijn uitstortingen
+door&eacute;&eacute;ngemengd.</p>
+<p>&bdquo;Ge verstaat niets van de kunst der feesten. Ge weet in dezen
+tijd geen vreugdedag in te richten. Uw negentiende eeuw is flauw. Zij
+heeft geen weelde. Zij verstaat het rijke, het edele niet. In alles is
+zij kaal geschoren. Uw derde stand is flauw, kleur- en geurloos en
+houterig. De droom uwer burgermeisjes, die gaan trouwen, is een net
+gemeubeld vertrek, en katoen. Ruimte! ruimte! mijnheer Grigou trouwt
+met mejuffrouw Grippesou. Pracht en heerlijkheid. Men heeft een
+louisd&rsquo;or aan een waskaars geplakt. Ziedaar de eeuw. Ik zou naar
+de Sarmaten willen vluchten. O! reeds in 1787 voorspelde ik, dat alles
+verloren was, den dag toen ik den hertog van Rohan, den prins van Leon,
+den hertog van Chabot, den hertog van Monbazon, den markies van
+Soubise, den vicomte van Thouars, pair van Frankrijk, in Longchamps in
+een chais zag rijden. Dit heeft zijn vruchten voortgebracht. In deze
+eeuw doet men zaken, men speelt op de Beurs, men wint geld en is
+gierig. Men zorgt voor zijn uiterlijk en vernist het; men is net
+gekleed, gewasschen, gezeept, gestreken, geschoren, gekamd, gewast,
+gewreven, geschuierd, uitwendig schoongemaakt, onberispelijk glad als
+een keisteen, ingetogen, zindelijk en terzelfdertijd, o mijn liefde!
+heeft men in het geweten mesthoopen en modderpoelen, waarvoor een
+koewachtster, die haar neus met de vingers snuit, zou schrikken. Ik
+geef aan dezen tijd dit devies: Vuile zindelijkheid. Word niet boos,
+Marius, vergun mij te spreken: ik zeg van het volk geen kwaad, ge ziet
+dat ik den mond vol van uw volk heb, maar neem niet kwalijk, dat ik den
+burgerstand een weinig hekele. Ik behoor er toe. Die liefheeft
+kastijdt. En, ik zeg het onbewimpeld, men trouwt tegenwoordig, maar men
+weet niet hoe men moet trouwen. Ach, ja, ik betreur de bekoorlijkheid
+der oude zeden; alles betreur ik ervan: die sierlijkheid, die
+ridderlijkheid, die innemende, hoffelijke manieren, die vroolijke
+weelde, welke iedereen had, de muziek die tot de bruiloft behoort,
+symphonie boven, tambourins beneden, dans, vroolijke gezichten aan
+tafel, geestige <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186"
+name="pb186">186</a>]</span>puntdichten, gezang, vuurwerk, hartelijk
+gelach, al den drommel, groote linten en strikken. Ik betreur den
+kouseband der bruid. De kouseband der bruid is aan den gordel van Venus
+verwant. Waarop draait de Trojaansche oorlog? Op den kouseband van
+Helena. Waarom strijdt men, waarom verbrijzelt de goddelijke Diomedus
+op het hoofd van Merionus den grooten stalen helm met tien punten;
+waarom brengen Achilles en Hector elkander geweldige lansstooten toe?
+Wijl Helena door Paris haar kouseband heeft laten ontnemen. Van den
+kouseband van Cosette zou Homerus de Illiade maken. In zijn heldendicht
+zou hij een ouden babbelaar als mij brengen, en hem Nestor noemen. Mijn
+vrienden, eertijds, in het liefelijke eertijds, trouwde men met
+verstand; men maakte een goed contract, vervolgens was er een vroolijk
+feest. Zoodra Cujas vertrokken was, kwam Gamacho. Te drommel! &rsquo;t
+is, wijl de maag een prettig dier is, dat vraagt wat het toekomt, en
+ook bruiloft wil houden. Men at heerlijk, en zat naast een schoone
+buurvrouw, die niet al te preutsch was! O, hoe wijd openden zich de
+lachende monden en hoe vroolijk was men in dien tijd. De jeugd was een
+bloementuil; ieder jongeling gaf zijn leven voor een sering of roos;
+ieder krijgsman was herder; en zoo men toevallig ritmeester der
+dragonders was, vond men middel Florian te heeten. Men wilde fraai
+zijn. Men tooide zich met kant en purper. Een burger geleek een bloem,
+een markies een edelgesteente. Men droeg geen souspieds noch laarzen.
+Men was keurig, glinsterend, verguld, zwevend, lief, coquet, &rsquo;t
+geen niet belette den degen op zijde te hebben. De kolibri heeft een
+snavel en klauwen. Een van de zijden der eeuw was kieschheid, de andere
+heerlijkheid, en, bij den hemel! men vermaakte zich. Tegenwoordig is
+men ernstig. De burgerman is gierig, de burgervrouw is preutsch; uw
+eeuw is ongelukkig. Men zou de grati&euml;n willen wegjagen, wijl zij
+te naakt zijn. Helaas! men verbergt de schoonheid als iets leelijks.
+Sedert de revoluti&euml;n draagt alles pantalons, zelfs de danseressen;
+zij moeten ernstig en doctrinair zijn. Men moet majestueus wezen. Men
+zou zeer ontstemd zijn, zoo de kin niet in de das stak. Het ideaal van
+een twintigjarigen knaap, die trouwt, is, op mijnheer Royer-Collard te
+gelijken. En weet ge, waartoe men komt met deze majesteit? Men wordt
+klein. Laat mij dit zeggen: de vroolijkheid is niet alleen vroolijk,
+zij is grootsch. Weest toch, voor den drommel, vroolijk verliefd.
+Trouwt toch, wanneer ge trouwt, in de koorts der bedwelming en in het
+gewoel en gewemel van het geluk. &rsquo;t Is goed, dat men in de kerk
+ernstig zij. Maar na de mis moet men de bruid als in een droom laten
+ronddraaien. Een huwelijk moet koninklijk en tooverachtig zijn. Ik haat
+<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name=
+"pb187">187</a>]</span>een boersche bruiloft. Men moet ten minste dien
+dag op den Olympus zijn! Weest goden. Ach! men zou sylphiden,
+grati&euml;n, liefdegoodjes kunnen zijn, en men is een kinkel! ieder
+pas getrouwde moet een prins Aldobrandini zijn. Maakt gebruik van deze
+eenige minuut des levens om met de zwanen en adelaars naar den hemel te
+vliegen, men moge dan den anderen dag weder tot het <span class="corr"
+id="xd20e4016" title="Bron: burgelijke">burgerlijke</span> der
+kikvorschen terugzinken. Spaart niets aan de bruiloft, beknibbel haar
+glans niet; laat den dag van uw grootsten luister niets deren. De
+bruiloft is de huishouding niet. O! zoo ik mijn zin had zou &rsquo;t
+allerliefst zijn en in alle boomen zou men muziek hooren. Dit is mijn
+programma: hemelsblauw en geld! Ik zou op het feest de veldgoden, de
+bosch- en zeenimfen noodigen. &rsquo;t Zou de bruiloft van Amphitrite
+zijn, rozige wolken, sierlijk gekapte nimfen, een lid der academie die
+de godin vierregelige verzen aanbiedt, een wagen door zeemonsters
+getrokken:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">Triton trottait devant, et tirait de sa conque</p>
+<p class="line">Des sons si <span class="corr" id="xd20e4024" title=
+"Bron: ravissant">ravissants</span>, qu&rsquo;il ravissait
+quiconque<span class="corr" id="xd20e4027" title=
+"Bron: .">!</span><a class="noteref" id="xd20e4029src" href=
+"#xd20e4029" name="xd20e4029src">2</a></p>
+</div>
+<p class="first">Dit is een echt feestprogramma, of ik heb er geen
+verstand van.&rdquo;</p>
+<p>Terwijl de grootvader in zijn lyrische vervoering naar zich zelven
+luisterde, bedwelmden Cosette en Marius zich in hun wederzijdsche
+aanschouwing.</p>
+<p>Tante Gillenormand zag alles aan, met haar onveranderlijke
+bedaardheid. Sedert vijf of zes maanden had zij een zekere hoeveelheid
+aandoeningen opgedaan: Marius teruggekomen, Marius bloedend
+teruggebracht, van een barricade teruggebracht, Marius dood, toen
+levend, Marius verzoend, Marius verloofd, Marius met een arme deern
+trouwende, Marius met een schatrijke jonge dame trouwende. De zesmaal
+honderd duizend francs waren haar laatste verrassing geweest. Daarop
+was haar onverschilligheid teruggekeerd. Zij ging geregeld naar de
+kerk, liet de koralen van haar rozenkrans door haar vingers glijden,
+las haar gebeden, prevelde in een hoek van het huis haar <i>Ave</i>,
+terwijl men in een anderen hoek <i lang="en">I love you</i> lispte, en
+zag onduidelijk Marius en Cosette als twee schaduwen, terwijl zij zelve
+een schaduw was.</p>
+<p>Er bestaat een soort van werkelooze vroomheid, waarin de ziel, als
+verdoofd, vreemd blijft aan &rsquo;t geen men wereldsche zaken zou
+kunnen noemen, en geen gevoel heeft van menschelijke <span class=
+"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name=
+"pb188">188</a>]</span>gewaarwordingen, noch van aangename noch van
+smartelijke, alleen aardbevingen en zondvloeden misschien uitgezonderd.
+Deze vroomheid, zei vader Gillenormand tot zijn dochter, staat gelijk
+met een verkoudheid in &rsquo;t hoofd. Gij zijt dof en ongevoelig; gij
+hebt geen slechten, maar ook geen goeden reuk.</p>
+<p>De zesmaal honderd duizend francs hadden overigens aan de
+besluiteloosheid der oude vrijster een einde gemaakt. Haar vader was
+gewoon geworden haar zoo weinig te tellen, dat hij haar over de
+toestemming voor het huwelijk van Marius niet geraadpleegd had. Hij had
+met drift gehandeld, volgens zijn manier, en, als een slaaf geworden
+despoot, geen andere gedachte dan Marius genoegen te doen. Hij had er
+zelfs niet aan gedacht, dat er een tante was en deze een meening kon
+hebben, en hoe schaapachtig zij ook was, had dit haar gekrenkt.
+Inwendig eenigszins oproerig, doch uitwendig volkomen kalm, had zij bij
+zich zelve gezegd: Mijn vader heeft buiten mij de quaestie van het
+huwelijk opgelost, ik zal buiten hem de quaestie der erfenis oplossen.
+Zij was werkelijk rijk, haar vader was het niet. Zij had zich
+hieromtrent dus haar besluit voorbehouden. &rsquo;t Is waarschijnlijk,
+dat, indien het een arm huwelijk ware geweest, zij het arm zou gelaten
+hebben. Des te erger voor mijnheer mijn neef. Hij trouwt met een
+bedelares; dat hij bedelaar zij. Maar het half millioen van Cosette
+behaagde de tante en veranderde haar inwendigen toestand, ten aanzien
+van dit minnend paar. Men is aan zesmaal honderd duizend francs eenige
+achting schuldig, en &rsquo;t was duidelijk, dat zij niet anders kon
+doen dan aan de jongelieden haar fortuin na te laten, wijl zij dit niet
+meer behoefden.</p>
+<p>Er werd overeengekomen, dat het paar bij den grootvader zou wonen.
+Mijnheer Gillenormand wilde hun volstrekt zijn kamer, de fraaiste van
+het huis, geven. &bdquo;Dit zal mij verjongen,&rdquo; verklaarde hij.
+&bdquo;&rsquo;t Is een oud plan. Ik ben altijd voornemens geweest, in
+mijn kamer bruiloft te houden.&rdquo; Hij meubileerde deze kamer met
+een menigte kostbaarheden van den ouden trant. Hij deed ze plafonneeren
+en met een buitengewone stof behangen, waarvan hij een stuk bezat, en
+welks gesatineerde gouden grond met fluweelen bloemen bezaaid was. Met
+deze zelfde stof, zeide hij, was het ledikant behangen der hertogin van
+Anville te <span class="corr" id="xd20e4053" title=
+"Bron: Rocheguyon">Roche-Guyon</span>.</p>
+<p>De bibliotheek van den heer Gillenormand werd het schrijfkabinet,
+dat Marius als advocaat noodig had; als zijnde zoodanig kabinet door de
+orde voorgeschreven. <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189"
+name="pb189">189</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e3982" href="#xd20e3982src" name="xd20e3982">1</a></span> In
+&rsquo;t Fransch: &bdquo;<span lang="fr">m&eacute;moire
+antique</span>.&rdquo;</p>
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e4029" href="#xd20e4029src" name=
+"xd20e4029">2</a></span> Triton reed vooraan en lokte uit zijn
+zeeschulp zulke bekoorlijke klanken, dat hij iedereen
+verrukte<span class="corr" id="xd20e4031" title="Bron: .">!</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.7" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De uitwerksels van den droom op het geluk.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De verliefden zagen elkander dagelijks. Cosette kwam
+met den heer Fauchelevent. &bdquo;&rsquo;t Is de verkeerde
+wereld,&rdquo; zei juffer Gillenormand, &bdquo;dat de bruid bij den
+bruidegom komt, om zich het hof te laten maken.&rdquo; Maar de langzame
+beterschap van Marius had tot die gewoonte aanleiding gegeven, en de
+armstoelen in de straat des Filles du Calvaire, die beter geschikt
+waren voor een onderhoud onder vier oogen dan de matten stoelen in de
+straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute;, hadden ze bestendigd. Marius en de
+heer Fauchelevent zagen elkander, maar onderhielden zich niet met
+elkander. &rsquo;t Scheen, alsof dit afgesproken was. Ieder meisje
+heeft een geleider noodig. Cosette zou niet zonder den heer
+Fauchelevent kunnen komen. Voor Marius was de heer Fauchelevent de
+voorwaarde van Cosettes komst. Hij nam ze aan. Wanneer toevallig en
+zonder opzet over politiek werd gesproken, uit het gezichtspunt der
+verbetering van den maatschappelijken toestand, kwamen zij er toe,
+elkander iets meer dan ja en neen te zeggen. Eenmaal, toen er over het
+onderwijs werd gesproken, dat Marius kosteloos en verplichtend wilde
+hebben, onder allerlei vormen, en aan allen als lucht en zon
+geschonken, in &eacute;&eacute;n woord, voor het geheele volk
+bereikbaar, waren zij het eens en weidden er schier met elkander over
+uit. Bij deze gelegenheid maakte Marius de opmerking, dat mijnheer
+Fauchelevent zeer goed sprak, ja zelfs met een zekere keurigheid van
+taal. Er ontbrak hem echter iets, men weet zelf niet wat. Mijnheer
+Fauchelevent bezat iets minder en iets meer, dan een man van de
+wereld.</p>
+<p>Marius deed zich zelven allerlei vragen ten opzichte van den heer
+Fauchelevent, die jegens hem eenvoudig beleefd en koel was. Soms
+twijfelde hij aan zijn eigen herinneringen. Er was in zijn geheugen een
+opening, een donkere plek, een afgrond ontstaan, door zijn doodelijke
+ziekte van vier maanden. Veel was daarin verloren gegaan. Hij vroeg
+zich zelfs of het wel waar was, dat hij den heer Fauchelevent, dien
+ernstigen, bezadigden man, in de barricade had gezien.</p>
+<p>Dit was overigens niet de eenige verbazing, welke de verschijningen
+en verdwijningen van het verleden in zijn geest hadden achtergelaten.
+Men meene niet, dat hij van al deze kwellingen van het geheugen vrij
+was, welke ons, zelfs wanneer wij gelukkig en tevreden zijn, een
+treurigen blik in &rsquo;t <span class="pagenum">[<a id="pb190" href=
+"#pb190" name="pb190">190</a>]</span>verleden doen slaan. De geest, die
+zich niet naar verdwenen gezichten wendt, bevat noch gedachte noch
+liefde. Nu en dan bracht Marius zijn hand aan &rsquo;t hoofd, en het
+woelige en onduidelijke verleden drong door den nevel, die om zijn
+hersenen lag. Hij zag Mabeuf weder vallen, hij hoorde Gavroche te
+midden van het schrootvuur zingen, hij voelde het kille voorhoofd van
+Eponine op zijn lippen; al zijn vrienden Enjolras, Courfeyrac, Jean
+Prouvaire, Combeferre, Bossuet, Grantaire rezen voor zijn oogen op en
+verdwenen weder. Waren al deze geliefde, smartelijke, dappere,
+vroolijke of treurige wezens droomen? Hadden zij werkelijk bestaan?
+Alles had de opstand in zijn rook gehuld. Zulke heftige koortsen hebben
+heftige droomen. Hij onderzocht zich; hij betastte zich; al deze
+verdwenen werkelijkheden deden hem duizelen. Waar waren zij toch allen?
+Was het waar, dat allen dood waren? Een val in de duisternis had alles
+doen verloren gaan, behalve hem. Alles scheen hem verdwenen, als achter
+een tooneelgordijn. Er zijn zulke gordijnen, die in het leven worden
+nedergelaten. God gaat over tot het volgende bedrijf.</p>
+<p>En hij, was hij wel dezelfde mensch? Hij, de arme, was nu rijk; hij,
+de verlatene, had een familie; hij, de hopelooze, trouwde met Cosette.
+&rsquo;t Scheen hem, of hij door een graf was gegaan, dat hij er zwart
+ingegaan en wit weder uitgekomen was. En in dat graf waren de anderen
+gebleven. In sommige oogenblikken omringden hem al deze wezens van het
+verledene als schimmen, en maakten hem treurig; dan dacht hij aan
+Cosette en werd weder kalm; er was echter niets minder dan dit geluk
+noodig, om deze verschrikking uit te wisschen.</p>
+<p>De heer Fauchelevent nam schier een plaats in bij deze verdwenen
+wezens. Marius kon nauwelijks gelooven, dat de Fauchelevent der
+barricade, dezelfde Fauchelevent van vleesch en bloed was, die zoo
+ernstig bij Cosette zat. De eerste was waarschijnlijk een dier beelden,
+welke zijn ontstelde hersenen voortgebracht en weder weggenomen hadden.
+Overigens was, bij &rsquo;t verschil van beider aard, geen vraag van
+Marius tot Fauchelevent mogelijk. De gedachte hieraan kwam zelfs niet
+bij hem op. Wij hebben reeds op deze omstandigheid gewezen.</p>
+<p>Twee mannen, die een gemeenschappelijk geheim hebben, en ten gevolge
+eener soort van zwijgende overeenkomst, geen woord daarover wisselen,
+zijn minder zeldzaam dan men gelooft.</p>
+<p>Eens echter wilde Marius een proef nemen. Hij mengde de
+Chanvreriestraat in het gesprek, en zich tot Fauchelevent wendende,
+zeide hij:</p>
+<p>&bdquo;Ge kent immers die straat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke straat?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb191"
+href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De Chanvreriestraat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb volstrekt geen id&eacute;e van den naam dier
+straat,&rdquo; antwoordde de heer Fauchelevent, op den natuurlijksten
+toon ter wereld.</p>
+<p>Het antwoord, dat op den naam der straat en niet op de straat zelve
+doelde, kwam Marius beslissender voor dan het was.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb stellig gedroomd,&rdquo; dacht hij, &bdquo;&rsquo;t is
+een zinsbegoocheling geweest. &rsquo;t Was iemand, die op hem geleek.
+De heer Fauchelevent was er niet.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.8" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Twee onmogelijke weder te vinden mannen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het geluk, hoe groot het ook was, wischte evenwel geen
+andere gedachten uit den geest van Marius.</p>
+<p>Terwijl men de toebereidselen voor het huwelijk maakte, en het
+bepaalde tijdstip afwachtte, liet hij omstandig en nauwkeurig het
+gebeurde onderzoeken.</p>
+<p>Hij was aan verschillende zijden dank schuldig; zoowel voor zijn
+vader als voor zich zelven.</p>
+<p>Er was Th&eacute;nardier; er was de onbekende, die hem, Marius, bij
+den heer Gillenormand gebracht had.</p>
+<p>Marius stelde er veel belang in, beide mannen weder te vinden, wijl
+hij meende, niet te mogen trouwen en gelukkig te zijn, zoo hij hen
+vergat, en vreezende dat een onbetaalde schuld een schaduw op zijn
+thans zoo helder leven zou werpen. &rsquo;t Was hem onmogelijk al die
+oude schuld in het vergeetboek te laten, en eer hij de gelukkige
+toekomst inging, wilde hij een kwijtbrief van het verledene hebben.</p>
+<p>Dat Th&eacute;nardier een schurk was, ontnam niets aan het feit, dat
+hij den kolonel Pontmercy had gered. Th&eacute;nardier was voor
+iedereen een bandiet, behalve voor Marius.</p>
+<p>En Marius, onbekend als hij was met de juiste toedracht der zaak op
+het slagveld van Waterloo, wist niet, dat zijn vader tegenover
+Th&eacute;nardier in den zonderlingen toestand was, van hem het leven
+verschuldigd te zijn, zonder hem dankbaarheid schuldig te wezen.</p>
+<p>Aan geen der verschillende agenten, welke Marius gebruikte, gelukte
+het Th&eacute;nardiers spoor te vinden. De verdwijning van dezen
+persoon scheen volkomen. Vrouw Th&eacute;nardier was, gedurende het
+onderzoek van het proces, in de gevangenis overleden. Th&eacute;nardier
+en zijn dochter Azelma, de twee eenige <span class="pagenum">[<a id=
+"pb192" href="#pb192" name="pb192">192</a>]</span>overgeblevenen van
+deze erbarmelijke groep, waren weder in de duisternis verzonken. De
+afgrond van het maatschappelijke onbekende had zich stil boven deze
+wezens gesloten. Men zag zelfs niet meer op de oppervlakte die rimpels,
+die beving, die donkere, zich samentrekkende kringen, welke
+aankondigen, dat er iets in is gevallen en men er de dreg in moet
+werpen.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier was dood, Boulatruelle was buiten
+beschuldiging gesteld, Claquesous was verdwenen, de hoofdbeschuldigden
+waren uit de gevangenis gevlucht, het proces wegens den moordaanslag in
+het huis Gorbeau was op schier niets uitgeloopen. De zaak was tamelijk
+duister gebleven. Het hof van Assises had zich met twee ondergeschikten
+moeten tevreden stellen, met Panchaud, bijgenaamd Printanier of
+Bigrenaille, en met Demi-Liard bijgenaamd Deux-Milliards, die tot tien
+jaren galeistraf waren veroordeeld. Tegen hun ontsnapte en
+voortvluchtige medeplichtigen was eeuwigdurende galeistraf
+uitgesproken. Th&eacute;nardier, het hoofd en de aanvoerder was, bij
+verstek, ter dood veroordeeld. Dit vonnis was het eenige, dat van
+Th&eacute;nardier overbleef, en het wierp op den begraven naam zijn
+akelig schijnsel, als een kaars naast een doodkist.</p>
+<p>Deze veroordeeling vermeerderde overigens de dikke duisternis, welke
+Th&eacute;nardier omgaf, doordien zij hem in de laagste diepten drong,
+uit vrees van weder gevat te worden.</p>
+<p>Wat den anderen, den onbekenden man betreft, die Marius had gered,
+de navorschingen naar hem hadden aanvankelijk eenige uitkomst, doch
+bleven eensklaps staken. Men slaagde er in den huurkoetsier te vinden,
+die Marius in den avond van den 7 Juni naar de straat des Filles du
+Calvaire had gevoerd. De koetsier verklaarde, dat hij den 6 Juni op
+bevel van een politieagent van 3 uren des namiddags tot des avonds op
+de kade der Champs-Elys&eacute;es, voorbij den uitgang van het groote
+riool &bdquo;gestationneerd&rdquo; had; dat tegen negen uren des avonds
+het hek van het riool, dat aan den waterkant uitkomt, zich geopend had;
+dat een man er was uitgekomen, die een ander, schijnbaar dooden man op
+de schouders droeg; dat de agent, die dat punt bewaakte, den levenden
+man aangehouden en den dooden man opgenomen had; dat hij, koetsier, op
+bevel van den agent, al die lieden in zijn rijtuig had genomen; dat men
+vooreerst naar de straat des Filles du Calvaire was gereden; dat men er
+den dooden man gelaten had; dat de doode man mijnheer Marius was en dat
+hij, koetsier, hem goed herkende, hoewel hij &bdquo;dezen keer&rdquo;
+levend was; dat men vervolgens weder in zijn rijtuig had plaats
+genomen, dat <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name=
+"pb193">193</a>]</span>hij zijn paarden voortgezweept had, dat men hem
+op eenige schreden van de deur der Archiven had toegeroepen, dat hij
+moest stilhouden; dat men hem d&aacute;&aacute;r, in de straat, betaald
+en verlaten had, en dat de agent den anderen man had medegenomen, en
+hij verder niets wist; dat &rsquo;t een donkere avond was geweest.</p>
+<p>Marius, zooals gezegd is, wist daar niets van. Alleen herinnerde hij
+zich, dat hij van achteren door een forsche hand was gegrepen, toen hij
+achterover in de barricade viel; verder was alles duister voor hem. Hij
+had eerst ten huize van den heer Gillenormand zijn bewustzijn
+herkregen.</p>
+<p>Hij verloor zich in gissingen.</p>
+<p>Hij kon niet aan zijn eigen persoon twijfelen. Maar hoe kwam het,
+dat hij, in de straat Chanvrerie gevallen, door den agent van politie
+aan den oever der Seine bij de brug der Invaliden was opgenomen? Iemand
+had hem uit de wijk der Hallen naar de Champs-Elys&eacute;es gedragen.
+En op welke wijze? Door het riool. &rsquo;t Was een ongehoorde
+opoffering!</p>
+<p>Iemand? Wie?</p>
+<p>&rsquo;t Was die man, welken Marius zocht.</p>
+<p>Van dien man, zijn redder, was niets, geen spoor, niet de minste
+aanwijzing te vinden.</p>
+<p>Marius zette zijn navorschingen tot in de prefectuur van politie
+voort, hoewel aan die zijde tot groote behoedzaamheid gedwongen.
+D&aacute;&aacute;r, evenmin als elders, leidden de ontvangen
+mededeelingen tot eenige opheldering. Aan de prefectuur wist men minder
+dan de huurkoetsier. Men wist er niets van een inhechtenisneming, den 6
+Juni bij het hek van het Groote Riool gedaan; men had niet het minste
+rapport van een agent deswege ontvangen; zoodat de geheele zaak aan de
+prefectuur voor een sprookje werd gehouden. Men schreef dat verzinsel
+aan den koetsier toe. Een huurkoetsier, die naar fooitjes hunkert, is
+tot alles in staat, zelfs om iets te verzinnen. Het feit was echter
+zeker, en Marius kon er niet aan twijfelen, of hij had aan zijn eigen
+persoonlijkheid moeten twijfelen, zooals wij gezegd hebben.</p>
+<p>Alles was onverklaarbaar in dit zonderlinge raadsel.</p>
+<p>Wat was van dien man, dien geheimzinnigen man geworden, welken de
+koetsier uit het hek van het Groote Riool had zien komen, den
+bewusteloozen Marius op zijn rug dragende, en dien de wachtende
+politieagent had aangehouden, als op heeterdaad betrapt van een
+opstandeling te redden? Wat was van den agent zelven geworden? Waarom
+had deze agent gezwegen? Was het den man gelukt te ontvluchten? Had hij
+den agent omgekocht? Waarom gaf die man niet het minste teeken van
+leven aan Marius, die hem alles te danken had? <span class=
+"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>De
+belangeloosheid was niet minder wonderbaar dan de opoffering! Waarom
+kwam die man niet weder te voorschijn? Misschien was hij boven een
+belooning verheven; maar niemand is boven de dankbaarheid verheven. Was
+hij dood? Welk soort van mensch was het? Hoe zag hij er uit? Niemand
+kon het zeggen. De koetsier antwoordde, dat de nacht heel donker was.
+Basque en Nicolette hadden in hun ontsteltenis niets anders dan hun
+bloedenden jongenheer gezien. De portier, wiens kaars de treurige komst
+van Marius had verlicht, was de eenige die den bewusten man opgemerkt
+had, en hij wist er niets anders van te zeggen, dan: &bdquo;De man zag
+er afschuwelijk uit!&rdquo;</p>
+<p>In de hoop, er voor zijn navorschingen partij van te kunnen trekken,
+liet Marius de bebloede kleedingstukken bewaren, welke hij droeg, toen
+men hem bij zijn grootvader terugvoerde. Bij het nazien van den rok
+merkte men op, dat een der panden er afgescheurd was.</p>
+<p>Zekeren avond sprak Marius in de tegenwoordigheid van Cosette en
+Jean Valjean van dit zonderlinge avontuur, van de tallooze
+navorschingen, welke hij gedaan had, en van de vruchteloosheid zijner
+pogingen. De koele houding van den heer &bdquo;Fauchelevent&rdquo;
+hinderde hem.</p>
+<p>Hij riep met een levendigheid, die schier de uitdrukking van toorn
+had:</p>
+<p>&bdquo;Ja, deze man, hij moge zijn wie hij wil, is inderdaad
+verheven geweest. Weet ge wat hij gedaan heeft, mijnheer? Hij is als
+een reddende engel opgetreden. Hij moest zich te midden van het gevecht
+werpen, mij er aan ontrukken, het riool openen, mij er in brengen, mij
+er in voortdragen. Hij moest langer dan anderhalf uur door
+afschuwelijke onderaardsche gangen gaan, gebukt, gebogen, in de
+duisternis, in de modder; langer dan anderhalf uur, mijnheer, met een
+lijk op den rug. En met welk doel? Met het eenige doel, dat lijk te
+redden. En dat lijk was ik. Hij zeide bij zich zelven: Er is misschien
+nog een vonk leven in, ik zal mijn leven voor deze ellendige vonk
+wagen! Hij heeft zijn leven niet &eacute;&eacute;n-, maar twintigmaal
+gewaagd. Iedere tred was een gevaar. Het bewijs hiervan werd genomen.
+Weet ge, mijnheer, dat die man dit alles gedaan heeft? En zonder de
+minste belooning te verwachten! Wat was ik? Een verwonneling. O! zoo de
+zeshonderd duizend francs van Cosette mij behoorden...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij behooren u,&rdquo; viel Jean Valjean hem in de rede.</p>
+<p>&bdquo;Welnu,&rdquo; hernam Marius, &bdquo;dan zou ik ze geven om
+dien man weder te vinden.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean zweeg. <span class="pagenum">[<a id="pb195" href=
+"#pb195" name="pb195">195</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek VI.</h2>
+<h2 class="main">De slapelooze nacht.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name=
+"pb197">197</a>]</span>
+<div id="ch6.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De 16 Februari 1833.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De nacht van den 16 op den 17 Februari 1833 was een
+gezegende nacht. Boven zijn duisternis had hij den open hemel. &rsquo;t
+Was de bruiloftsnacht van Marius en Cosette.</p>
+<p>&rsquo;t Was een heerlijke dag geweest.</p>
+<p>&rsquo;t Was wel niet het tooverfeest geweest, waarvan de grootvader
+gedroomd had, een tooverfeest met een gewoel van engeltjes en
+liefdegoodjes om het getrouwde paar, een huwelijk waardig om er een
+schilderstuk van te maken; maar het was genoegelijk en vroolijk
+geweest.</p>
+<p>De huwelijksmode was in 1833 anders dan thans. Frankrijk had van
+Engeland nog niet die verhevene kieschheid overgenomen van zijn vrouw
+te schaken, bij het verlaten der kerk de vlucht te nemen, zich
+beschaamd over zijn geluk te verbergen, en de handelingen van een
+bankroetier aan de verrukkingen van het Hooglied te paren. Men had nog
+niet begrepen, welke kuischheid, uitnemendheid en betamelijkheid er in
+gelegen zijn, zijn hemel in een hotsende postchais mede te nemen, aan
+zijn geheim het zweepgeklap te paren, een herbergsbed tot bruidsbed te
+nemen, en in een voor ieder toegankelijke slaapkamer tegen zooveel per
+nacht de heiligste herinnering des levens, aan het geheimzinnig
+gebabbel van den postwagenconducteur en de dienstmeid der herberg
+achter te laten.</p>
+<p>In deze tweede helft der negentiende eeuw, waarin wij zijn, zijn de
+maire en zijn sjerp, de priester en zijn kasuifel, de wet en God niet
+meer voldoende, zij moeten door een postillon van Longjumeau aangevuld
+worden; een blauw buis met roode opslagen en ronde knoopen, een plaat
+op den arm, een broek van groen leder, gevloek tegen de normandische
+paarden met opgebonden staart, valsch galon, leeren hoed, zwaar
+gepoederd haar, groote zweep en hooge laarzen. Frankrijk heeft de
+deftigheid nog zoo ver niet gedreven van, gelijk de Engelsche
+<span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name=
+"pb198">198</a>]</span><i lang="en">nobility</i>, op de postkales der
+pasgetrouwden een regenbui van ontzoolde pantoffels en oude sloffen te
+storten, ter herinnering aan Churchill, later Marlborough of Malbrouck,
+die op den dag van zijn huwelijk door den toorn zijner tante werd
+overvallen, die hem geluk bracht. De sloffen en pantoffels behooren nog
+niet tot onze huwelijksplechtigheden; maar geduld, bij vooruitgaanden
+goeden smaak zal men er wel toe komen.</p>
+<p>Honderd jaren voor 1833 vierde men de bruiloft niet in vollen
+galop.</p>
+<p>Men verbeeldde zich nog in dien tijd, &rsquo;t was zonderling, dat
+een huwelijk een huiselijk en maatschappelijk feest is, dat een
+patriarchaal feestmaal geen huiselijke plechtigheid bederft, dat de
+vroolijkheid, mits zij eerbaar zij, het geluk niet schaadt, en dat het
+eindelijk eerbiedwaardig en goed is, dat de samensmelting van twee
+levens, waaruit een familie zal voortkomen, in het huis een begin, en
+de huishouding voortaan tot getuige de bruidskamer hebbe.</p>
+<p>En men was zoo onbeschaamd, te huis te trouwen.</p>
+<p>Het huwelijk werd dus, ingevolge deze thans verouderde mode, ten
+huize van den heer Gillenormand gevierd.</p>
+<p>Hoe eenvoudig en gewoon een huwelijksvoltrekking ook zij,
+veroorzaken de afkondiging der geboden, de op te maken acten, het
+stadhuis, de kerk, toch altijd eenige drukte, en men kon dus
+v&oacute;&oacute;r den 16 Februari niet gereed zijn.</p>
+<p>Nu was het,&mdash;wij stippen deze bijzonderheid aan ten bewijze
+onzer nauwkeurigheid,&mdash;op den 16<sup>den</sup> Vastenavond. Hier
+door ontstond een aarzeling, gemoedsbezwaren, vooral bij tante
+Gillenormand.</p>
+<p>&bdquo;Vastenavond!&rdquo; riep de grootvader, &bdquo;des te beter.
+Er is een spreuk die zegt:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">Hij, die op Vastenavond trouwt.</p>
+<p class="line">Is wis dat hem zijn keus niet rouwt.</p>
+</div>
+<p class="first">&bdquo;Dus bepaald! &rsquo;t Zal den 16<sup>den</sup>
+zijn. Zoudt gij &rsquo;t willen uitstellen, Marius?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zeker niet,&rdquo; antwoordde de gelukkige.</p>
+<p>&bdquo;Trouwen wij dus!&rdquo; hernam de grootvader.</p>
+<p>Het huwelijk werd dus den 16<sup>den</sup> voltrokken,
+niettegenstaande de openbare vermakelijkheden. Het regende dien dag,
+maar aan den hemel is steeds een klein plekje blauw, voor het geluk,
+dat de gelieven zien, zelfs wanneer de geheele overige wereld onder een
+parapluie zou gaan.</p>
+<p>Den vorigen dag had Jean Valjean aan Marius, in tegenwoordigheid van
+den heer Gillenormand, de vijfmaal honderd vier en tachtig duizend
+francs ter hand gesteld<span class="corr" id="xd20e4227" title=
+"Bron: ,">.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199"
+name="pb199">199</a>]</span></p>
+<p>Men trouwde in gemeenschap van goederen, zoodat de acten zeer
+eenvoudig waren.</p>
+<p>Vrouw Toussaint was voortaan voor Jean Valjean overbodig; Cosette
+had haar overgenomen en haar tot den rang van kamenier verheven.</p>
+<p>Jean Valjean had in het huis van Gillenormand een opzettelijk voor
+hem gemeubelde fraaie kamer, en Cosette had zoo sterk bij hem
+aangedrongen, dat hij haar beloofde, de kamer te zullen betrekken.</p>
+<p>Eenige dagen v&oacute;&oacute;r den bepaalden dag van het huwelijk,
+was Jean Valjean een ongeluk overkomen; hij had zich den duim der
+rechterhand geklemd. &rsquo;t Was niet erg, en hij wilde niet dat
+iemand er zich mee bemoeide, hem verbond of zijn kwetsuur zag, zelfs
+Cosette niet. Hij had evenwel zijn hand omzwachteld en den arm in een
+doek, &rsquo;t geen hem belet had iets te teekenen. De heer
+Gillenormand was als toeziende voogd in zijn plaats getreden.</p>
+<p>Wij zullen den lezer noch naar het stadhuis, noch naar de kerk
+voeren. Men volgt zelden twee gelieven tot zoo ver, en is gewoon het
+drama den rug te keeren, zoodra het een bruidsbouquet in het koopsgat
+steekt. Wij zullen enkel een voorval vermelden, dat, overigens door den
+bruiloftsstoet niet opgemerkt, bij den tocht uit de straat des Filles
+du Calvaire naar de kerk St. Paul plaats had.</p>
+<p>Men was op dezen tijd juist bezig het noordeinde der straat
+Saint-Louis opnieuw te plaveien en zij was van de straat du Parc-Royal
+afgesloten, zoodat het voor de rijtuigen van een huwelijksstoet
+onmogelijk was, rechtstreeks naar St. Paul te rijden. Men moest alzoo
+een anderen weg nemen, en het eenvoudigste was langs den boulevard te
+rijden. Een der genoodigden deed opmerken dat het Vastenavond was en er
+dus een drukte van rijtuigen zou zijn. &bdquo;Waarom?&rdquo; vroeg
+Gillenormand.&mdash;&bdquo;Uithoofde der
+gemaskerden.&rdquo;&mdash;&bdquo;Des te beter,&rdquo; zei de
+grootvader. &bdquo;Nemen wij dien weg. Deze jongelieden trouwen, zij
+treden het ernstige leven in. Het gezicht van gemaskerden zal er een
+weinig toe voorbereiden.&rdquo;</p>
+<p>Men reed langs den boulevard. Het eerste rijtuig bevatte Cosette en
+tante Gillenormand, den heer Gillenormand en Jean Valjean. Marius, die,
+volgens het gebruik, nog van zijn bruid was gescheiden, volgde in het
+tweede. De bruidsstoet geraakte, bij het verlaten der straat des Filles
+du Calvaire, in den langen stoet rijtuigen, die van de Madeleine tot
+aan de Bastille en van de Bastille tot de Madeleine een eindelooze
+keten vormden.</p>
+<p>Op den boulevard wemelde het van gemaskerden. De Paillassen,
+<span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name=
+"pb200">200</a>]</span>de Pantalons en de Gilles stoorden zich niet aan
+de regenbuien, die nu en dan vielen. Bij den goeden luim van dien
+winter van 1833 had Parijs zich in Veneti&euml; herschapen. Thans ziet
+men zulke vastenavondsfeesten niet meer. Daar al wat bestaat thans een
+algemeen karnaval is, bestaat er geen karnaval meer.</p>
+<p>Het wemelde op de zijpaden van voorbijgangers en aan de vensters van
+nieuwsgierigen. De balkons boven de galerijen der schouwburgen waren
+vol toeschouwers. Behalve de gemaskerden, zag men dien optocht, zoowel
+aan den Vastenavond als aan Longchamps eigen, van allerlei voertuigen,
+die, zich in orde voortbewegende, volgens de politie-reglementen,
+streng zich aan elkander sluiten, en als op rails loopen. Wie in zulk
+een rijtuig zit is tevens toeschouwer en acteur. Stadssergeanten
+hielden aan beide zijden van den boulevard deze twee eindelooze, zich
+in tegenovergestelde richting bewegende rijen in orde, en zorgden, dat
+niets hun dubbelen loop hinderde; deze twee rijen rijtuigen rolde de
+een naar <span class="corr" id="xd20e4252" title=
+"Bron: Chaus&eacute;e">Chauss&eacute;e</span> d&rsquo;Antin, de andere
+naar de voorstad St. Antoine. De met wapenschilden prijkende rijtuigen
+der Fransche pairs en der ambassadeurs reden ongehinderd heen en weder
+in het midden van de straat. Sommige schitterende en vroolijke
+optochten, onder andere die van den vetten os, hadden hetzelfde
+voorrecht. Bij deze vroolijkheid van Parijs liet Engeland zijn zweep
+klappen; met groot gerucht rolde de postchais van Lord Seymour,
+vervolgd door een spotnaam van het gepeupel, voorbij.</p>
+<p>In deze dubbele rij, langs welke de municipale garden als
+herdershonden draafden, vertoonden oude familierijtuigen, vol oudtantes
+en grootmoeders, aan hun portieren frissche gemaskerde kindergroepen,
+zevenjarige Pierrots, zesjarige Colombines, bekoorlijke kleine wezens,
+die gevoelden, dat zij offici&euml;el aan de openbare vroolijkheid
+deelnamen, doordrongen van hun harlekijnswaardigheid en deftig als
+openbare ambtenaars.</p>
+<p>Nu en dan ontstond hier of daar eenige belemmering in den voortgang
+der rijtuigen; een der beide treinen stond stil tot de knoop was
+ontward; een rijtuig was voldoende om de geheele reeks tot stilstand te
+brengen. Daarna stelde men zich weder in beweging.</p>
+<p>De huwelijkskoetsen waren in de rij, die zich aan de rechterzijde
+van den boulevard in de richting van het Bastilleplein voortbewoog. Ter
+hoogte van de straat Pont-aux-Choux was er een oogenblik oponthoud.
+Schier terzelfder tijd hield ook aan de andere zijde van den boulevard
+de andere rij, die naar de Madeleine reed, stil. Op dit punt was een
+rijtuig met gemaskerden. <span class="pagenum">[<a id="pb201" href=
+"#pb201" name="pb201">201</a>]</span></p>
+<p>Deze rijtuigen, of beter gezegd, deze karren met gemaskerden, zijn
+bij de Parijzenaars goed bekend. Zoo zij op Vastenavond of op
+Half-vasten ontbraken, zou men er iets kwaads uit afleiden en zeggen:
+&bdquo;daar schuilt iets achter. Waarschijnlijk zal een verandering van
+ministerie plaats hebben.&rdquo; Een hoop Cassandra&rsquo;s, Harlekijns
+en Colombines, die op hun wagens gehotst boven de voorbijgangers
+uitstaken, alle mogelijke groteske figuren, van den Turk tot den
+wildeman, Herkulessen die markiezinnen droegen, vischwijven, die
+Rabelais de ooren zouden hebben doen dichtstoppen, gelijk de Menaden
+Aristophanes de oogen deden neerslaan, pruiken van vlas, rooskleurige
+spanbroeken, driekante hoeden met vlinders, reusachtige brillen,
+geschreeuw tegen de voetgangers, handen in de zijden, onbetamelijke
+houdingen, bloote schouders, gemaskerde gezichten, teugellooze
+onbescheidenheid, een chaos van onbeschaamdheden, door een met bloemen
+getooiden koetsier gevoerd; ziedaar deze feestelijkheid.</p>
+<p>Griekenland had den wagen van Thespis, Frankrijk heeft het
+huurrijtuig van Vad&eacute; noodig.</p>
+<p>Alles kan geparodi&euml;erd worden, zelfs de parodie. De
+saturnali&euml;n, die grimas der antieke schoonheid, bereikten, steeds
+grooter en grooter wordende, den Vastenavond; en het bacchusfeest,
+eertijds met wijnranken bekroond en door de zon verguld, in een
+goddelijke halve naaktheid marmeren borsten toonende, thans verwelkt
+onder de natte lompen van het noorden, wordt ten laatste karnaval
+genoemd.</p>
+<p>De overlevering der maskeradewagens dagteekent van den oudsten tijd
+der Fransche monarchie. De rekenkamer van Lodewijk de XI verleende aan
+den baljuw van het paleis twintig sous Tournooisch voor drie
+maskerade-koetsen op de pleinen. In onze dagen laten deze
+geruchtmakende benden zich gewoonlijk voortrollen door een oud rijtuig,
+op welks verhemelte zij saamgedrongen zijn, of zitten in woelige
+groepen van twintig personen in een rijtuig, dat voor zes is bestemd.
+Men ziet er op den bok, op de treden, op de portieren, op den dissel,
+zelfs op de lantaarns. Zij staan, liggen, zitten met kruiselings onder
+zich gebogen of met hangende beenen. De vrouwen zitten op de
+knie&euml;n der mannen. Men ziet in de verte boven het hoofdgewemel hun
+stoute pyramieden. Deze rijtuigen vormen bergen van vroolijkheid te
+midden van het gedrang. Coll&eacute;, Panard en Piron laten er hun
+dieventaal afstroomen. Van den top wordt de catechismus der vischwijven
+op het volk gespogen. Dit huurrijtuig, door zijn lading ontzaggelijk
+geworden, heeft een overwinnend aanzien; geraas is in de voorhoede,
+gewoel in de achterhoede. Men schreeuwt, tiert, brult, vloekt en
+<span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name=
+"pb202">202</a>]</span>dartelt van pleizier; de vroolijkheid ruischt,
+de kwinkslagen vlammen, het vreugdgenot schittert als purper; twee
+knollen voeren de klucht en het gelach op een triumfwagen.</p>
+<p>Het gelach is te onbeschaamd om hartelijk te zijn. Het is inderdaad
+verdacht. Dat gelach heeft een roeping. Het heeft de taak, den
+Parijzenaars het karnaval te bewijzen.</p>
+<p>Deze vischwijvenwagens, waarin men iets onaangenaams gevoelt,
+brengen den wijsgeer tot nadenken. Daarin is iets gouvernementeels. Men
+raakt er als met den vinger een geheimzinnige verwantschap tusschen de
+publieke mannen en de publieke vrouwen.</p>
+<p>Dat opeengestapelde schandelijkheden, vroolijkheid tot uitkomst
+hebben, dat men, door de eerloosheid op de schande te verheffen, het
+volk begeerig maakt; dat de bespieding, de prostitutie tot cariatide
+dienende, de menigte vermaakt en ze tart; dat het volk op de vier
+wielen van een huurrijtuig gaarne dien gedrochtelijken levenden hoop
+ziet, een blinkend vod, half vuilnis, half helderheid, die blaft en
+zingt; dat men in de handen klapt voor dezen luister uit alle
+schandelijkheden samengesteld; dat er voor het volk geen feest zij, zoo
+de politie niet te midden ervan die soort van twintighoofdige
+hydra&rsquo;s der vreugd laat wandelen, dat alles voorwaar, is treurig!
+Maar wat er aan te doen? Deze met linten omstrikte en gebloemde
+slijkkarren worden door het gelach der menigte gehoond en
+uitgescholden. Het gelach van allen is medeplichtig aan de algemeene
+verlaging. Zedenbedervende feesten verlagen het volk en maken het tot
+gepeupel. Het volk heeft, evenals de tyrannen, narren noodig. De koning
+heeft Roquelaure, het volk heeft Paillas. Parijs is de groote dwaze
+stad, telkens wanneer zij niet de groote verhevene stad is. Het
+karnaval is in de politiek betrokken, Parijs, bekennen wij het, laat
+zich gaarne door eerloosheid comedie vertoonen. Het vraagt aan zijn
+meesters,&mdash;wanneer het meesters heeft&mdash;slechts dit: verguldt
+het slijk. Rome had denzelfden zin. Het beminde Nero. Nero was een
+monsterachtige vergulder.</p>
+<p>Het toeval wilde, dat, zooals wij gezegd hebben, eene dier woeste
+groepen gemaskerde, in eene ruime kales gepakte vrouwen en mannen, ter
+linkerzijde van den boulevard stilstond, terwijl de bruidsstoet ter
+rechterzijde bleef stilstaan. Het rijtuig, waarin de gemaskerden waren,
+zag dus tegenover zich het rijtuig, waarin de bruid was.</p>
+<p>&bdquo;Kijk!&rdquo; zei een gemaskerde, &bdquo;een
+bruiloft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een valsche bruiloft,&rdquo; hernam een ander. &bdquo;Wij
+zijn de echte.&rdquo;</p>
+<p>En te ver af om den bruiloftsstoet te kunnen toeroepen, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span>en
+bovendien vreezende, door de stadssergeanten te worden terecht gewezen,
+zagen de twee gemaskerden naar een andere zijde.</p>
+<p>Een oogenblik daarna raakte dit gemaskerde rijtuig erg in &rsquo;t
+nauw; het volk hoonde en beschimpte het; &rsquo;t geen de liefkoozing
+der menigte jegens de maskerade is. De twee gemaskerden, die gesproken
+hadden, moesten met hun kameraads aan de gansche menigte het hoofd
+bieden, en hadden niet genoeg aan al de projectielen uit het arsenaal
+der Hallen, om de geweldige schimpschoten des volks te beantwoorden.
+Tusschen de gemaskerden en de menigte ontstond een vreeselijk gevecht
+van scheldwoorden en uitjouwingen.</p>
+<p>Ondertusschen hadden twee andere gemaskerden in hetzelfde rijtuig,
+een Spanjaard met ontzaggelijken neus, oudachtig voorkomen en grooten
+zwarten knevel, en een mager vischwijf, een nog zeer jong meisje, met
+een half masker voor het gezicht, insgelijks de bruiloft opgemerkt, en
+spraken met elkander, terwijl hun makkers en de voorbijgangers aan
+&rsquo;t schelden waren.</p>
+<p>Het gesprek werd door het rumoer gesmoord en verloor er zich in. De
+regenvlagen hadden het opene rijtuig bevochtigd; de Februariwind is
+niet warm; en terwijl het vischwijf met bloote schouders van de koude
+bibberde, lachte en kuchte, antwoordde zij den Spanjaard.</p>
+<p>Ziehier de samenspraak:</p>
+<p>&bdquo;Zeg eens.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ziet ge dien oude?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welken oude?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ginds, in het eerste rijtuig van den bruidsstoet, aan onze
+zijde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wiens arm in een zwarten doek hangt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben zeker, dat ik hem ken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Men moge mij den hals afsnijden, en ik wil zoo lang ik leef
+niet meer spreken, indien ik dien Parijzenaar niet ken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vandaag is Parijs Pantin.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kunt ge de bruid zien, als ge u bukt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En den bruidegom?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er is geen bruidegom in de koets.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Of &rsquo;t moest de andere oude zijn.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Buk u en tracht de bruid te zien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik kan niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om &rsquo;t even, den oude, die iets aan den poot heeft, ken
+ik, ik ben er zeker van.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat kan &rsquo;t u schelen, of ge hem kent?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Men weet niet. Soms!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik, ik heb niets met den oude te maken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ken hem.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge moogt hem kennen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe drommel is hij bij de bruiloft?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn er immers ook bij.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vanwaar komt die bruiloft?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Weet ik het?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Luister.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Doe iets.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Stap uit het rijtuig en volg die bruiloft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om te weten, waarheen zij gaat en wie het zijn. Stap
+schielijk uit, meisje, ge zijt jong.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik kan het rijtuig niet verlaten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben gehuurd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Te drommel!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De politie heeft mij vandaag als vischwijf
+gehuurd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Indien ik het rijtuig verlaat, pakt mij de eerste inspecteur
+die mij ziet. Ge weet<span class="corr" id="xd20e4394" title=
+"Niet in bron">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, ik weet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vandaag ben ik door de regeering gehuurd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om &rsquo;t even. Die oude verveelt mij.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vervelen u de ouden. Ge zijt toch geen meisje.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij zit in het eerste rijtuig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In de koets der bruid.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Verder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is dus de vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat raakt het mij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zeg u, dat hij de vader is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De vader moet er immers bij zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Luister.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik kan niet anders dan gemaskerd uitgaan. Hier ben ik
+verborgen; men weet niet, dat ik er ben. Morgen zijn er geen
+<span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205" name=
+"pb205">205</a>]</span>gemaskerden meer. &rsquo;t Is Asch-Woensdag. Ik
+waag gepakt te worden. Ik moet weder in mijn hol kruipen. Gij, gij zijt
+vrij.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet te veel&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Altijd meer dan ik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, verder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge moet zien te vernemen waarheen deze bruiloft gegaan
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarheen zij gaat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet het.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarheen dan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Naar de Cadran Bleu.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij gaat niet in die richting.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, dan naar la Rap&eacute;e.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Of elders.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij heeft er de vrijheid toe. De bruiloften zijn
+vrij.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is &rsquo;t allemaal niet. Ik zeg u, dat ge moet
+vernemen, welke bruiloft dit is, waarbij de oude behoort, en waar zij
+gevierd wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nog meer! &rsquo;t Zal grappig wezen. &rsquo;t Is even
+gemakkelijk om een bruiloft weder te vinden, acht dagen nadat zij op
+Vastenavond door Parijs is gereden, als een speld in een hooiberg. Is
+dat mogelijk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om &rsquo;t even, ge moet het beproeven. Hoort ge,
+Azelma?&rdquo;</p>
+<p>De twee rijen voertuigen stelden zich weder aan beide zijden van den
+boulevard in tegenovergestelde richting in beweging, en het rijtuig met
+de maskers verloor de koets der bruid uit het oog.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.2" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Jean Valjean draagt steeds den arm in een
+lichter.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zijn droom verwezenlijkt te zien? Wien is dit gegeven?
+Daarvoor moeten in den hemel verkiezingen plaats hebben; allen zijn
+wij, zonder dat wij het weten, candidaten; de engelen stemmen. Cosette
+en Marius waren gekozen.</p>
+<p>Cosette was op het stadhuis en in de kerk fraai en treffend. Vrouw
+Toussaint, door Nicolette geholpen, had haar gekleed.</p>
+<p>Cosette droeg haar kanten kleed, over een wit zijden rok; een sluier
+van Engelsche kant, een snoer fijne paarlen, een krans van
+oranjebloemen, dit alles was wit, en in die witheid schitterde zij. Zij
+was een uitstekende bescheidenheid, die in <span class=
+"pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name=
+"pb206">206</a>]</span>helderheid straalde en er zich in oploste. Zij
+scheen een maagd, die in godin herschapen werd.</p>
+<p>Het fraaie haar van Marius was net gekapt; men zag hier en daar
+onder de zware lokken bleeke strepen; de litteekens der barricade.</p>
+<p>De grootvader, trotsch, met opgericht hoofd, in zijn kleeding en
+manieren al het elegante uit den tijd van Barras mengende, geleidde
+Cosette. Hij trad in de plaats van Jean Valjean, die uithoofde van zijn
+arm, welken hij in een doek droeg, de hand niet aan de bruid kon
+geven.</p>
+<p>Jean Valjean, in het zwart gekleed, volgde glimlachend.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is heden een schoone dag, mijnheer
+Fauchelevent,&rdquo; zei de grootvader. &bdquo;Ik stem er voor, dat
+alle droefheid en verdriet een einde nemen. Voortaan mag er nergens
+verdriet meer zijn. Voor den drommel! ik beveel algemeene vreugde. Het
+kwade mag niet bestaan. Voorwaar, &rsquo;t is schande voor het azuur
+des hemels, dat er ongelukkige menschen zijn. Het kwaad komt niet van
+den mensch, die in den grond goed is. Alle menschelijke ellenden hebben
+tot hoofdplaats en tot centraal gouvernement de hel, anders gezegd, de
+duivelsche Tuilerie&euml;n. Fraai! nu begin ik demagogische woorden te
+spreken, maar ik heb geen politieke meening meer. Mogen alle menschen
+rijk, dat is vroolijk zijn, dat is al wat ik wensch.&rdquo;</p>
+<p>Toen, bij den afloop van al de plechtigheden, na voor den maire en
+voor den priester alle mogelijke &bdquo;ja&rsquo;s&rdquo; te hebben
+uitgesproken, na op de registers van den burgerlijken stand en in de
+kerk geteekend, na hun ringen gewisseld, na arm tegen arm onder den
+witten moir&eacute; doek in den walm van het wierookvat geknield te
+hebben,&mdash;zij aan elkanders arm, door ieder bewonderd en benijd,
+Marius in het zwart, zij in het wit, voorgegaan door den kerkeopzichter
+met colonelsepauletten, die met zijn hellebaard op de vloersteenen
+stampte, tusschen twee rijen verrukte toeschouwers, in het wijd
+geopende portaal der kerk verschenen, gereed om in het rijtuig te
+stijgen, waarmede alles gedaan was, kon Cosette het nog niet gelooven.
+Zij zag Marius, de menigte, den hemel aan; &rsquo;t scheen of zij
+bevreesd was te ontwaken. Haar verbaasde, schuchtere houding gaf haar
+iets onuitsprekelijk bekoorlijks. Bij het terugkeeren namen beiden in
+het eerste rijtuig plaats, Marius bij Cosette; de heer Gillenormand en
+Jean Valjean zaten tegenover hen. Tante Gillenormand was achteruitgezet
+en zat nu in het tweede rijtuig. &bdquo;Kinderen,&rdquo; zei de
+grootvader, &bdquo;nu zijt gij mijnheer de baron en mevrouw de barones,
+met dertig duizend francs inkomen.&rdquo; En Cosette drong zich dicht
+<span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name=
+"pb207">207</a>]</span>tegen Marius en verrukte hem door dit hemelsch
+gefluister: &bdquo;&rsquo;t Is dan waar, ik heet Marius! Ik ben uwe
+vrouw!&rdquo;</p>
+<p>Deze twee wezens waren opgetogen. Zij waren in de eenige en niet
+wederkeerende minuut, op het verblindend snijpunt van alle jeugd en van
+alle blijdschap. Zij verwezenlijkten Prouvaires lied; te zamen waren
+zij geen veertig jaren oud. &rsquo;t Was <span class="corr" id=
+"xd20e4493" title="Bron: en">een</span> verhemeld huwelijk; deze twee
+kinderen waren twee leli&euml;n. Cosette zag Marius in een
+stralenkrans; Marius zag Cosette op een altaar. En op dat altaar en in
+dezen stralenkrans, terwijl deze twee glori&euml;n samensmolten, scheen
+op den achtergrond, achter een wolk voor Cosette, in een vlammenlicht
+voor Marius, het ideale en het wenzenlijke, de bijeenkomst van den kus
+en den droom, het bruidsbed.</p>
+<p>Al de foltering, welke zij hadden doorgestaan, keerde tot hen terug
+in bedwelming. Het kwam hun voor, dat het verdriet, de slapeloosheid,
+de tranen, de angsten, de schrik, de wanhoop, nu in liefkoozingen en
+lichtstralen veranderd, het bekoorlijke uur dat naderde nog
+bekoorlijker maakten; en dat de droefenissen zooveel dienstboden waren,
+die het toilet der vreugd bereidden. Hoe goed is het, geleden te
+hebben! Hun ongeluk was als een stralenkrans om hun geluk. De lange
+doodsstrijd hunner liefde liep uit op een hemelvaart.</p>
+<p>In beider zielen was dezelfde verrukking; bij Marius met weelde, bij
+Cosette met bescheidenheid gepaard. Zij fluisterden elkander toe: Wij
+zullen onzen kleinen tuin in de straat Plumet eens gaan wederzien. De
+vouwen van Cosettes kleed lagen over Marius.</p>
+<p>Zulk een dag is een onbeschrijfelijk mengsel van droomen en
+werkelijkheid. Men bezit en verwacht. Men heeft nog den tijd voor zich,
+om te raden. &rsquo;t Is op dien dag een onuitsprekelijke
+gewaarwording, op den middag te zijn en aan middernacht te denken. De
+vreugd dezer beide harten stroomde over op de menigte, en deelde zich
+aan de voorbijgangers mede.</p>
+<p>Men bleef in de straat St. Antoine voor de St. Paul kerk staan, om
+door het portier de oranjebloemen op Cosettes hoofd te zien
+trillen.</p>
+<p>Vervolgens kwamen zij te huis in de straat des Filles du Calvaire.
+Marius ging zegevierend en schitterend aan Cosettes zijde de trap op,
+langs welke men hem stervend naar boven had gedragen. De armen, die
+voor de deur in groepen stonden en hun giften deelden, zegenden hen.
+Overal waren bloemen. Het huis was niet minder geurig dan de kerk. Na
+den wierook de rozen. Zij meenden stemmen in het oneindige te hooren
+zingen; God was in hun harten; het lot verscheen hun als een gesternd
+heelal. Boven hun hoofden zagen zij een glans <span class=
+"pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span>der
+opgaande zon. Eensklaps sloeg de klok. Marius zag Cosettes bekoorlijken
+blooten arm en het rozige, dat men onduidelijk door de kanten van haar
+keursje heen zag; en Cosette, Marius blik ziende, werd rood tot in het
+wit harer oogen.</p>
+<p>Vele oude vrienden der familie Gillenormand waren genoodigd. Men
+verdrong zich om Cosette, en allen beijverden zich haar mevrouw de
+barones te noemen.</p>
+<p>De officier Theodule Gillenormand, thans ritmeester, was van
+Chartres gekomen, waar hij in garnizoen lag, om de bruiloft van zijn
+neef Pontmercy bij te wonen. Cosette herkende hem niet.</p>
+<p>Hij, die zijnerzijds gewoon was door de vrouwen voor schoon te
+worden gehouden, herinnerde zich evenmin Cosette als ieder andere.</p>
+<p>&bdquo;Wat had ik gelijk, aan die praatjes van den lansier niet te
+gelooven<span class="corr" id="xd20e4517" title=
+"Bron: ;">,</span>&rdquo; zeide vader Gillenormand bij zich zelven.</p>
+<p>Nooit was Cosette teederder voor Jean Valjean geweest. Zij was
+geheel in harmonie met vader Gillenormand; terwijl hij de vreugd in
+zinspreuken en grondregels aantoonde, verspreidde zij de goedheid en
+liefde als in geuren. Het geluk wil dat iedereen gelukkig zij.</p>
+<p>Zij vond, als zij tot Jean Valjean sprak, den toon harer stem terug
+van toen zij een klein meisje was. Zij liefkoosde hem met lachjes.</p>
+<p>In de eetzaal was de tafel gedekt.</p>
+<p>Een illuminatie a giorno behoort noodzakelijk bij een groote vreugd.
+Nevel en duisternis worden bij gelukkigen niet geduld. Zij willen niet
+zwart zijn. Zij willen den nacht wel, maar geen duisternis. Zoo er geen
+zon is, moet men er een maken.</p>
+<p>De eetzaal was een stookplaats van vroolijkheid. In het midden,
+boven de schitterend witte tafel hing een Venetiaansche kristallen
+lichtkroon, met allerlei gekleurde, blauwe, violette, roode en groene
+vogels, die tusschen de waskaarsen zaten; om de lichtkroon waren
+kransen, aan den wand hingen spiegels met armluchters; alles, spiegels,
+kristal, glas, vaatwerk, porselein, plateel, goud, zilver, blonk en
+schitterde en stemde tot vroolijkheid. De ruimten tusschen de
+armluchters waren met bloemen gevuld, zoo dat langs de wanden licht en
+bloemen elkander afwisselden.</p>
+<p>In de voorkamer speelden drie violen en een fluit met zachte tonen
+kwartetten van Haydn.</p>
+<p>Jean Valjean had in het salon op een stoel plaats genomen, achter de
+deur, wier vleugel hem schier verborg. Eenige oogenblikken
+v&oacute;&oacute;r men zich aan tafel zette, kwam Cosette, als viel
+haar iets in, eensklaps tot hem, maakte eene diepe buiging <span class=
+"pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name=
+"pb209">209</a>]</span>hield met beide handen haar bruidsgewaad uit, en
+vroeg hem met een teederen, schalkschen blik:</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij tevreden, vader?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei Jean Valjean, &bdquo;ik ben
+tevreden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, lach dan.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean lachte.</p>
+<p>Weinige oogenblikken later kondigde Basque aan, dat de tafel gereed
+was.</p>
+<p>De gasten, voorgegaan door den heer Gillenormand, die Cosette den
+arm gaf, traden de eetzaal binnen en plaatsten zich naar bepaalde orde
+aan tafel.</p>
+<p>Twee groote armstoelen stonden aan de rechter- en de linkerzijde van
+de bruid, de een voor den heer Gillenormand, de andere voor Jean
+Valjean. Gillenormand nam plaats. De andere armstoel bleef ledig.</p>
+<p>Men zocht met den blik &bdquo;mijnheer Fauchelevent&rdquo;.</p>
+<p>Hij was er niet meer.</p>
+<p>De heer Gillenormand riep tot Basque:</p>
+<p>&bdquo;Weet gij, waar mijnheer Fauchelevent is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer,&rdquo; antwoordde Basque, &bdquo;zooeven heeft
+mijnheer Fauchelevent mij verzocht aan mijnheer te zeggen, dat zijn
+gewonde hand hem pijn deed en hij niet met mijnheer den baron en
+mevrouw de barones kon dineeren. Dat hij zich daarom verschoonde en hij
+morgenochtend zou komen. Hij is juist heengegaan.&rdquo;</p>
+<p>Deze ledige armstoel temperde een oogenblik de vroolijkheid van het
+bruiloftsmaal. Ofschoon de heer Fauchelevent ontbrak, was er echter de
+heer Gillenormand, en de grootvader was opgewekt voor twee. Hij
+verklaarde, dat mijnheer Fauchelevent gelijk had vroeg naar bed te
+gaan, zoo hij pijn had, doch dat de wond overigens niet veel
+beteekende. Deze verklaring was voldoende. Wat maakt overigens
+&eacute;&eacute;n duister plekje bij zulk een overvloedige vreugde?
+Cosette en Marius waren in een dier zalige zelfzuchtige oogenblikken,
+waarin men tot niets bekwaam is, dan om geluk te smaken. Tevens schoot
+mijnheer Gillenormand iets in den zin. &bdquo;Drommels!&rdquo; zeide
+hij, &bdquo;deze stoel is ledig. Ga gij er op zitten, Marius. Uw tante,
+schoon zij ook recht op u heeft, zal &rsquo;t u vergunnen. Deze stoel
+is voor u. Zoo zal &rsquo;t aardig zijn. Fortunatus naast
+Fortunata.&rdquo; De geheele tafel juichte toe. Marius nam naast
+Cosette de plaats van Jean Valjean in; en alles ging zoo goed, dat
+Cosette, die eerst treurig was over Jean Valjeans afwezendheid, er zich
+ten laatste mede verzoende. Wanneer Marius de plaatsvervanger was, zou
+Cosette niets hebben te betreuren. Zij zette haar zacht, in wit satijn
+geschoeid voetje op den voet van Marius. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span></p>
+<p>Zoodra de armstoel was bezet, was mijnheer Fauchelevent vergeten, en
+er ontbrak niets meer. Vijf minuten later lachte men van het eene tot
+het andere einde der tafel, zonder aan iets onaangenaams te denken.</p>
+<p>Op het dessert dronk de heer Gillenormand staande, met een glas
+Champagne in de hand, half gevuld, opdat de beving zijns twee en
+negentigjarigen arms het niet deed storten, op de gezondheid van het
+jonge paar.</p>
+<p>&bdquo;Ge komt er niet af zonder twee preeken,&rdquo; riep hij.
+&bdquo;Van ochtend hebt ge die van den pastoor gehad, van avond zult ge
+die van den grootvader hebben. Hoort, ik wil u een raad geven: Bemint
+elkander. Ik zal geen langen omhaal van woorden gebruiken, maar recht
+op het doel afgaan: Weest gelukkig. In de schepping zijn geen andere
+wijzen dan de tortelduiven. De wijsgeeren zeggen: Matigt uw vreugde. Ik
+zeg: Viert uw vreugd den vollen teugel. Weest als duivels verliefd.
+Weest razend. De wijsgeeren raaskallen. Ik zou hen in hun wijsbegeerte
+willen doen verstikken. Kunnen er in het leven te veel geur, te veel
+ontloken rozen, te veel zingende nachtegalen, te veel loof, te veel
+morgenrood zijn? Kan men elkander te veel beminnen? Kan men te
+ingenomen met elkander zijn? Wees voorzichtig, Estelle, ge zijt al te
+schoon! Wees voorzichtig, Nemorin, ge zijt al te schoon. Welke domheid!
+Kan men elkander te veel bekoren, te veel liefkoozen, te veel behagen?
+Kan men te levend zijn? Kan men te gelukkig zijn? Matigt uw vreugd. Ja
+wel! Weg met de wijsgeeren. Wijsheid is vroolijkheid. Laat ons juichen
+en jubelen. Zijn wij gelukkig omdat wij goed zijn, of zijn wij goed
+omdat wij gelukkig zijn? Laat ons gelukkig zijn zonder te kibbelen.
+Laat ons blindelings aan de zon gehoorzamen. Wat is de zon? &rsquo;t Is
+de liefde. Wie liefde zegt, zegt vrouw. Ha, ha! Ziet, de vrouw is de
+almacht. Vraagt het dien demagoog Marius, of hij niet de slaaf is dier
+kleine tirannes Cosette. En met vollen wil, de lafaard. De vrouw, geen
+Robespierre kan haar wederstand bieden; de vrouw regeert. Alleen voor
+dat koningschap ben ik nog koningsgezind. Wat is Adam? &rsquo;t Is het
+koningschap van Eva. Er is geen 89 voor Eva. Er was een koninklijke
+schepter met een lelie er op; er was een keizerlijke schepter met een
+wereldkloot er op; er was een schepter van Karel den Groote van ijzer;
+er was een schepter van Lodewijk den Groote van goud, de revolutie
+heeft ze alle tusschen haar duim en vinger, als stroohalmen gebroken;
+&rsquo;t is gedaan, &rsquo;t is verbrijzeld, &rsquo;t ligt ter aarde,
+er is geen schepter meer; maar maakt eens een revolutie tegen dien
+kleinen, welriekenden, geborduurden zakdoek? Ik zou &rsquo;t wel eens
+willen zien! Beproeft het. Waarom is hij hecht? Omdat &rsquo;t een lap
+<span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name=
+"pb211">211</a>]</span>is. Ha! gij zijt de negentiende eeuw. Welnu?
+Wij, wij waren de achttiende eeuw, en even dom als gij. Verbeeldt u
+niet, dat ge de wereld veel veranderd hebt, wijl uw epidemie Cholera en
+uw dans Cachucha heet; hoe &rsquo;t ook zij, men zal wel altijd de
+vrouwen moeten beminnen. Ik tart u, er aan te ontkomen. Deze
+duivelinnetjes zijn onze engeltjes. Ja, de liefde der vrouw, de kus, is
+een tooverkring, waar ge onmogelijk kunt uitkomen; wat mij betreft, ik
+zou er wel in willen terugkeeren. Wie uwer heeft in het onmetelijk ruim
+Venus zien opgaan en alles onder haar tot rust brengen, Venus, de
+groote coquette van het heelal, de Celimene van den oceaan? De oceaan
+is, voorwaar een ruwe Alcestus. Nu, hij moge razen, maar zoodra Venus
+verschijnt, is hij bedaard. Het wilde dier onderwerpt zich. Wij zijn
+allen even z&oacute;&oacute;. Toorn, orkaan, donderslagen, schuim tot
+den hemel. Een vrouw komt op het tooneel, een star gaat op; op de
+knie&euml;n! Marius vocht zes maanden geleden, nu trouwt hij. Goed
+gedaan. Ja, Marius, ja Cosette, gij hebt gelijk. Leeft moedig voor
+elkander; bemint elkander; laat ons van woede bersten, dat wij &rsquo;t
+niet insgelijks kunnen. Verzamelt al de halmpjes van geluk, die op
+aarde zijn, en maakt er u een nestje voor het leven van. Nu, &rsquo;t
+is geen groot mirakel te beminnen en bemind te worden, als men jong is.
+Verbeeldt u niet, dat gij &rsquo;t uitgevonden hebt. Ook ik heb
+gedroomd, gemijmerd, gezucht; ook ik heb deze maanziekte gehad. De
+liefde is een kind van zesduizend jaar. De liefde heeft recht op een
+langen, witten baard. Methuzalem is bij Cupido een kind. Sedert zestig
+eeuwen helpen man en vrouw elkander door de liefde. De duivel, die slim
+is, haat den mensch; de man, die nog slimmer is, bemint de vrouw.
+Hierdoor heeft hij zich zelven meer goed gedaan, dan de duivel hem
+kwaad heeft gebrouwd. Deze slimheid was reeds tijdens het aardsche
+paradijs ontdekt. Mijn vrienden, de uitvinding is oud, maar zij is
+splinternieuw. Maakt er gebruik van. Weest Daphnis en Chlo&eacute;,
+totdat ge Philemon en Baucis zult zijn. Doet zoo, dat wanneer gij bij
+elkander zijt, u niets ontbreke, en dat Cosette voor Marius de zon en
+Marius voor Cosette de wereld zij. Cosette, dat de glimlach van uw
+echtgenoot het fraaie weder voor u zij; Marius, dat de tranen uwer
+vrouw regen voor u zijn. Moge het in uw huis nimmer regenen. Ge hebt
+het goede lot in de loterij getroffen, de liefde in het huwelijk; ge
+hebt het hoogste lot, houdt het in waarde, bergt het achter slot,
+verspilt het niet, bemint elkander, en lacht om al het overige. Gelooft
+wat ik zeg. &rsquo;t Is gezond verstand. Gezond verstand kan niet
+liegen. Vereert elkander. Ieder vereert op zijn wijze God. Welnu, de
+beste wijze om God te vereeren, is zijne vrouw te beminnen. Ik bemin u,
+dat is mijn <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name=
+"pb212">212</a>]</span>catechismus. Wie bemint is orthodox. Het
+vloekwoord van Hendrik IV plaatst de heiligheid tusschen de
+losbandigheid en de dronkenschap. Dit verwondert mij van Hendrik IV.
+Vrienden, leve de vrouw! Men zegt, dat ik oud ben; &rsquo;t is
+wonderbaar, zoo jong ik mij gevoel. Ik zou in het bosch naar het
+gekweel der verliefden willen gaan luisteren. Deze kinderen, die het
+geluk hebben, schoon en tevreden te zijn, maken mij dronken. Ik zou
+waarlijk nog trouwen, zoo iemand mij wilde hebben. &rsquo;t Is
+onmogelijk, zich te verbeelden, dat God ons voor iets anders heeft
+geschapen, dan voor dit: te aanbidden, te kirren, duif, haan te zijn,
+van den ochtend tot den avond zijn liefjen te streelen, zich in zijn
+vrouw te spiegelen, fier, trotsch te zijn, de borst vooruit te steken;
+dat is het doel des levens. Ziedaar, met uw verlof, wat wij in onzen
+tijd dachten, toen wij jongelieden waren. O! hoe veel bekoorlijke
+vrouwen, lieve gezichtjes en teedere oogjes waren er in dien tijd! O,
+ik heb er verwoesting onder gebracht. Bemint elkander dus. Zoo er geen
+liefde was, zou ik waarlijk niet weten waarom er een lente is; en wat
+mij betreft, ik zou den goeden God bidden, dat hij al de goede dingen
+wegsloot, welke hij ons toont, en ze ons ontnam, en de bloemen, de
+vogels en de mooie meisjes weder in hun doos legde. Kinderen! ontvangt
+den zegen van den ouden man.&rdquo;</p>
+<p>De avond was levendig, vroolijk, bekoorlijk. De goede, alles
+beheerschende luim van den grootvader, gaf den toon aan het feest en
+ieder stemde zich naar deze schier honderdjarige hartelijkheid. Men
+danste een weinig, men lachte veel, &rsquo;t was een prettige bruiloft;
+men had er den goeden man Voorheen op kunnen noodigen. Hij was er
+trouwens in den persoon van vader Gillenormand.</p>
+<p>Eerst was er rumoer, toen stilte.</p>
+<p>Het huwelijkspaar verdween.</p>
+<p>Een weinig na middernacht werd het huis van Gillenormand een
+tempel.</p>
+<p>Hier zwijgen wij. Op den drempel van een bruiloftsnacht staat een
+glimlachende engel met den vinger op den mond.</p>
+<p>De ziel verzinkt in eerbied voor het heiligdom, waar de liefde
+gevierd wordt.</p>
+<p>Boven die huizen moet een glans zweven. De vreugd, welke zij
+bevatten, moet als helderheid door de steenen der muren dringen en de
+duisternis min of meer verdrijven. &rsquo;t Kan niet anders, of dit
+heilig feest moet een hemelschen straal naar het oneindige schieten. De
+liefde is de verheven smeltkroes, waarin de man en de vrouw
+samensmelten; daaruit ontstaat het een, drievoudig, volkomen wezen, de
+menschelijke drie&euml;enheid. <span class="pagenum">[<a id="pb213"
+href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span></p>
+<p>De liefde is de ware zaligheid. Geen geluk boven dit geluk. De
+liefde is de eenige verrukking. Al het overige is er treurig bij.</p>
+<p>Beminnen of bemind te hebben is voor het leven genoeg. Vraag niets
+meer. Er is geen andere parel in de donkere vormen des levens te
+vinden. Beminnen is een voleindiging.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.3" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De onafscheidbare.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wat was er van Jean Valjean geworden?</p>
+<p>Na op de vriendelijke vermaning van Cosette gelachen te hebben,
+sloeg niemand meer acht op Jean Valjean, en was hij opgestaan en
+ongemerkt naar de voorkamer gegaan. &rsquo;t Was dezelfde kamer, die
+hij, acht maanden geleden, vuil van slijk, van bloed en buskruit, was
+binnengegaan, toen hij den kleinzoon aan den grootvader terugbracht.
+Het oude houtwerk was met festons en bloemen behangen; de muzikanten
+zaten op de canap&eacute;, waarop men Marius had gelegd. Basque, in
+zwarten rok, korte broek, witte kousen en handschoenen, was bezig om al
+de schotels, die zouden worden opgebracht, met rozenkransen te
+versieren. Jean Valjean had hem op zijn verbonden arm gewezen en hem
+opgedragen zijn vertrek te verontschuldigen, waarop hij was
+heengegaan.</p>
+<p>De vensters der eetzaal zagen op de straat uit. Onder deze
+schitterende vensters bleef Jean Valjean eenige oogenblikken in de
+duisternis staan. Hij luisterde. Het verward feestgerucht drong tot hem
+door. Hij hoorde de luide stem van den grootvader, de muziek, het
+gerammel en gerinkel van borden en glazen, het gelach, en te midden van
+dit vroolijk rumoer onderscheidde hij de zachte vroolijke stem van
+Cosette.</p>
+<p>Hij verliet de straat des Filles du Calvaire en keerde terug naar de
+straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute;, langs de straat Saint Louis, de
+straat Culture-Sainte-Catherine en Blancs-Manteaux; &rsquo;t was een
+omweg, maar sedert drie maanden was hij gewoon, ten einde de
+belemmeringen en het slijk der straat Vieille du Temple te vermijden,
+dezen weg dagelijks te nemen als hij met Cosette uit de straat de
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute; naar de straat des Filles du Calvaire
+ging.</p>
+<p>Daar Cosette dezen weg was gegaan, koos hij dien boven alle
+andere.</p>
+<p>Jean Valjean kwam te huis, stak zijn kaars aan, en ging naar boven.
+De kamers waren ledig. Zelfs vrouw Toussaint <span class=
+"pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name="pb214">214</a>]</span>was
+er niet meer. De treden van Jean Valjean maakten in de kamers meer
+gerucht dan gewoonlijk. Al de kasten waren open. Hij trad Cosettes
+kamer binnen. Er waren geen lakens op het bed. Het hoofdkussen, van
+sloop met kanten ontdaan, lag op de gevouwen dekens aan het voeteneinde
+der matrassen, welker tijken men zag en waarop niemand meer zou slapen.
+Al de vrouwelijke voorwerpen, waaraan Cosette gehecht was, waren
+medegenomen; er bleven slechts de groote meubels en de vier muren over.
+Ook het bed van vrouw Toussaint was afgehaald. Een enkel bed was
+opgemaakt, dat van Jean Valjean.</p>
+<p>Jean Valjean zag de muren aan, sloot eenige kastdeuren en ging van
+de eene kamer naar de andere. Hij kwam in zijn kamer terug en zette de
+kaars op een tafel.</p>
+<p>Hij had den doek van zijn arm genomen en gebruikte zijn rechterhand
+alsof er hem niets aan deerde.</p>
+<p>Hij naderde zijn bed en zijn oogen vestigden zich&mdash;was het
+toevallig of opzettelijk?&mdash;op de &bdquo;onafscheidbare,&rdquo;
+waarop Cosette zoo jaloersch was geweest, op het koffertje dat hem
+nimmer verliet. Toen hij den 4 Juni in de straat de
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute; was gekomen, had hij het op een kastje bij
+zijn bed geplaatst. Hij trad eenigszins levendig op dit kastje toe, nam
+een sleutel uit zijn zak en opende het koffertje.</p>
+<p>Hij nam er langzaam de kleedingstukken uit, waarin Cosette, tien
+jaren geleden, Montfermeil had verlaten; in de eerste plaats het kleine
+zwarte kleedje, daarop het zwarte halsdoekje, de lompe
+kinderschoentjes, welke Cosette schier nog had kunnen dragen, zoo klein
+was haar voet, toen het dikke wollen borstrokje, den gebreiden
+onderrok, het boezelaartje met zakjes en eindelijk de wollen kousjes.
+Deze kousjes, die nog den bevalligen vorm aanduidden van het fraaie
+been, waren niet veel langer dan de hand van Jean Valjean. Dat alles
+was zwart. Hij had deze kleedingstukken voor haar te Montfermeil
+gebracht. Naar gelang hij ze uit het valies nam, legde hij ze op het
+bed. Hij peinsde. Hij herinnerde zich, dat het des winters en op een
+zeer kouden Decemberdag was geweest; zij bibberde half naakt in haar
+armoedige plunje, met haar arme roode voetjes in klompen. Hij, Jean
+Valjean, had haar deze ellendige kleederen laten afleggen, om haar dit
+rouwgewaad te geven. De moeder moest in haar graf tevreden zijn
+geweest, haar dochtertje rouw te zien dragen, en bovenal dat zij goed
+en warm gekleed was. Hij dacht aan het bosch van Montfermeil. Cosette
+en hij waren &rsquo;t met elkander doorgegaan; hij dacht aan het
+toenmalige gure weder, aan de bladerlooze boomen, aan het bosch zonder
+vogels, aan den betrokken hemel; om &rsquo;t <span class=
+"pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name=
+"pb215">215</a>]</span>even, het was bekoorlijk. Hij legde de
+kleedingstukjes op het bed, het halsdoekje bij het kleedje, de kousjes
+naast de schoentjes, het borstrokje naast het onderrokje, en
+aanschouwde het een na het ander. Zij was niet grooter dan dat, had
+haar groote pop in den arm, en haar <span class="corr" id="xd20e4625"
+title="Bron: louisdo&rsquo;r">louisd&rsquo;or</span> in het zakje van
+dat boezelaartje gestoken; zij lachte; elkander bij de hand houdende
+wandelden zij voort; zij had in de wereld niets dan hem.</p>
+<p>Toen zonk zijn eerwaardig grijs hoofd op het bed, zijn oud
+sto&iuml;cijns hart brak, zijn gezicht was, om zoo te spreken, in
+Cosettes kleederen verzonken, en zoo iemand op dit oogenblik de kamer
+was voorbijgegaan, zou hij een heftig gesnik gehoord hebben.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.4" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Immortale jecur.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De oude, vreeselijke strijd, dien wij reeds onder
+verschillende gedaanten hebben aanschouwd, begon opnieuw. Jakob
+worstelde slechts &eacute;&eacute;n nacht met den engel. Helaas! hoe
+dikwerf hebben wij Jean Valjean in de duisternis in strijd gezien met
+zijn geweten, en wanhopig er mede worstelend.</p>
+<p>Ongehoorde strijd. Nu eens glijdt de voet uit; dan weder stort de
+bodem in. Hoe dikwerf had dit geweten, in het goede volhardend, hem
+gegrepen en ternedergedrukt! Hoe dikwerf had de onverbiddelijke
+waarheid hem de knie op de borst gezet! Hoe dikwerf had hij, door het
+licht ternedergeworpen, genade geroepen! Hoe dikwerf had dit
+onverbiddelijke licht, in en boven hem, door den bisschop ontstoken,
+hem met geweld verlicht, wanneer <span class="corr" id="xd20e4639"
+title="Bron: bij">hij</span> blind wenschte te zijn. Hoe dikwerf had
+hij zich in den strijd weder opgericht, aan de harde rots zich
+vasthoudende, op valsche redeneeringen steunende, in het stof gesleept,
+nu eens zijn geweten ten onder brengende, dan er door ten onder
+gebracht wordende. Hoe dikwerf had hij na een dubbelzinnigheid, na een
+valsche, oppervlakkige redeneering der zelfzucht, zijn vertoornd
+geweten zich in &rsquo;t oor hooren toeroepen: Ellendige drogredenaar!
+Hoe dikwerf had zijn weerbarstige gedachte krampachtig onder het
+bewustzijn van den plicht gereuteld! God weerstand te bieden: Welk een
+vreeselijke doodsstrijd. Hoevele geheime wonden voelde hij in zich
+bloeden! hoe dikwerf had hij zich opgericht, bloedend, gekwetst,
+gebroken, verlicht, met de wanhoop in het hart, de kalmte in de ziel,
+en verwonnen, zich overwinnaar voelende! En na hem <span class=
+"pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name=
+"pb216">216</a>]</span>verlamd, gewond, gebroken te hebben, zeide hem
+zijn geweten, vreeselijk, lichtend, kalm boven hem staande: Ga nu in
+vrede!</p>
+<p>Maar helaas! welk een treurige vrede na zulk een akeligen
+strijd!</p>
+<p>Dezen nacht evenwel gevoelde Jean Valjean, dat hij zijn laatsten
+strijd streed.</p>
+<p>Een pijnlijke vraag deed zich aan hem voor. De voorbestemming is
+niet altijd rechtstreeksch en vertoont zich niet als een rechte weg
+voor den gepredestineerde; zij heeft zijwegen, kronkelpaden, donkere
+bochten, onrustbarende viersprongen, die verschillende wegen aanbieden.
+Jean Valjean stond in dit oogenblik stil op een der gevaarlijkste dezer
+viersprongen.</p>
+<p>Hij was gekomen aan het laatste punt, waar het goede en het kwade
+elkander kruisen. Hij had deze donkere snijding voor oogen. Ditmaal,
+zooals hem reeds in andere smartelijke toestanden gebeurd was, openden
+zich twee wegen voor hem; de eene aanlokkend, de andere afschrikkend.
+Welken te kiezen?</p>
+<p>De afschrikkende werd door den geheimzinnigen vinger aangewezen,
+dien wij telkens zien, wanneer wij onze oogen op de duisternis
+richten.</p>
+<p>Wederom had Jean Valjean de keus tusschen de vreeselijke haven en de
+aanlokkende hinderlaag.</p>
+<p>&rsquo;t Is dan waar? de ziel kan genezen worden; het lot
+niet<span class="corr" id="xd20e4658" title="Niet in bron">.</span>
+&rsquo;t Is iets schrikkelijks, een ongeneeslijk lot.</p>
+<p>De vraag, welke zich voordeed, was deze:</p>
+<p>Op welke wijze zou Jean Valjean zich gedragen tegenover het geluk
+van Cosette en Marius? Hij had dit geluk gewild, hij had het bewerkt;
+hij had er zich mee doordrongen, en thans, nu hij het beschouwde, kon
+hij de voldoening smaken, van een zwaardveger, die het merk zijner
+fabriek op den dolk zag, welken hij rookend uit zijn borst trok.</p>
+<p>Cosette had Marius; Marius bezat Cosette. Zij hadden alles, zelfs
+rijkdom. En dit was zijn werk.</p>
+<p>Maar wat zou hij, Jean Valjean, met dit geluk doen, nu het er was,
+nu het bestond? Zou hij zich bij dit geluk indringen? het behandelen,
+alsof het hem behoorde? Cosette behoorde ontwijfelbaar aan een ander;
+maar zou hij, Jean Valjean, van Cosette behouden al wat hij ervan
+behouden kon? Zou hij de soort van vader blijven, zooals hij tot
+hiertoe schemerachtig betoond, en dien men ge&euml;erbiedigd had? Zou
+hij gerust bij Cosette gaan wonen? Zou hij, zonder een woord te zeggen,
+zijn verleden aan deze toekomst brengen? Zou hij zich daar vertoonen
+als rechthebbende, en zich, gesluierd, aan dien lichten haard zetten?
+Zou hij glimlachend de handen dezer onschuldigen in zijn treurige
+handen nemen? Zou hij zijn voeten, die de <span class="pagenum">[<a id=
+"pb217" href="#pb217" name="pb217">217</a>]</span>onteerende schaduw
+der wet achter zich sleepten, in het eerwaardig huis van den heer
+Gillenormand zetten. Zou hij dezelfde kansen met Cosette en Marius
+deelen? Zou hij de duisternis boven zijn hoofd verdikken en de wolk
+boven het hunne? Zou hij zijn ongeluk bij hun geluk voegen? Zou hij
+blijven zwijgen? Met &eacute;&eacute;n woord, zou hij, bij deze twee
+gelukkige wezens, de akelige stomme van hun lot zijn?</p>
+<p>Men moet aan het noodlot en zijn ontmoetingen gewoon zijn, om de
+oogen te durven opslaan, wanneer sommige vragen ons in haar
+afschuwelijke naaktheid verschijnen. Het goede of het kwade bevinden
+zich achter dit streng vraagteeken. Wat wilt ge doen? vraagt de
+sphinx.</p>
+<p>Jean Valjean was aan dergelijke beproevingen gewoon. Hij zag den
+sphinx strak in de oogen.</p>
+<p>Hij onderzocht het onverbiddelijk probleem van alle zijden.</p>
+<p>Cosette, dit bekoorlijk wezen, was het reddingsvlot van dezen
+schipbreukeling. Wat te doen? Zou hij er zich aan vastklemmen, of het
+loslaten?</p>
+<p>Zoo hij er zich aan vastklemde, verliet hij het onheil, steeg weder
+op naar de zon, liet het zilte water uit zijn kleederen en zijn haar
+druipen&mdash;hij was gered, hij leefde!</p>
+<p>Zoo hij losliet?</p>
+<p>Dan de afgrond!</p>
+<p>Dus raadpleegde hij smartelijk met zijn gedachte. Of liever gezegd:
+hij streed; met woede viel hij in zijn binnenste nu eens zijn wil, dan
+zijn overtuiging aan.</p>
+<p>&rsquo;t Was een geluk voor Jean Valjean, dat hij had kunnen weenen.
+Dit verlichtte hem misschien. Het begin was echter stormachtig. Er brak
+een orkaan in hem los, woedender dan die hem eertijds naar Arras dreef.
+Het verledene keerde in hem terug tegenover het tegenwoordige; hij
+vergeleek en weende. Toen eenmaal de sluis der tranen geopend was,
+wrong hij in vertwijfeling de handen.</p>
+<p>Hij voelde zich tegengehouden.</p>
+<p>Helaas! wanneer wij in deze uiterste worsteling van onze zelfzucht
+en onzen plicht, stap voor stap voor ons onveranderlijk ideaal
+terugwijken, woest, hardnekkig, toornig het terrein betwistende, in de
+hoop op een mogelijke vlucht en een uitgang zoekend, hoe schrikkelijk
+is dan de muur, die eensklaps achter ons verrijst?</p>
+<p>Een heilige duisternis te voelen, die ons tegenhoudt?</p>
+<p>Het onzichtbare onverbiddelijke! welk een angst!</p>
+<p>Met het geweten heeft men dus nooit gedaan. Onderwerp er u aan,
+Brutus; onderwerp er u aan, Cato. Het is grondeloos, wijl het God is.
+Men werpt in dien put den arbeid zijns geheelen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name=
+"pb218">218</a>]</span>levens, men werpt er zijn fortuin, zijn rijkdom,
+zijn voorspoed, zijn vrijheid of zijn vaderland, zijn welstand, zijn
+rust, zijn vreugd in. Nog meer, nog meer! Men moet er eindelijk zijn
+geheele hart in werpen.</p>
+<p>Is het onvergeeflijk, dat men eindelijk weigert?</p>
+<p>Kan het onuitputtelijke een recht hebben? Zijn eindelooze ketens
+niet boven de menschelijke macht? Wie zou Sysiphus en Valjean laken,
+dat zij zeiden: &rsquo;t is genoeg!</p>
+<p>De gehoorzaamheid van het stoffelijke wordt door de wrijving
+beperkt; is er voor de gehoorzaamheid der ziel geen grens? Indien de
+eeuwigdurende beweging onmogelijk is, zou dan eeuwigdurende opoffering
+ge&euml;ischt kunnen worden?</p>
+<p>De eerste stap is niets; de laatste is moeielijk. Wat was de zaak
+Champmathieu bij het huwelijk van Cosette en de gevolgen ervan? Wat is
+dit: naar het bagno wederkeeren, bij dit: in het niet nederdalen?</p>
+<p>O, eerste stap naar beneden, hoe treurig zijt gij! O tweede stap,
+hoe somber!</p>
+<p>Waarom zou men dezen keer het hoofd niet omwenden?</p>
+<p>Het martelaarschap is een zuivering, een gloeiende zuivering.
+&rsquo;t Is een heiligmakende foltering. Men kan er in &rsquo;t eerste
+uur in toestemmen; men zet zich op den gloeienden ijzeren troon, men
+plaatst op zijn hoofd de gloeiende ijzeren kroon; men neemt den
+gloeienden ijzeren kloot, maar men moet zich nog met den vlammenden
+mantel bekleeden, is er niet een oogenblik, dat het ellendige vleesch
+oproerig wordt en men van de foltering afziet?</p>
+<p>Eindelijk kwam Jean Valjean tot de kalmte der verslagenheid.</p>
+<p>Hij overwoog, dacht, hij sloeg de rijzing en de daling der
+geheimzinnige balans van het licht en de duisternis gade.</p>
+<p>Zou hij deze twee van geluk schitterende kinderen met zijn bagno
+bezwaren, of zelf zijn onherstelbare verzinking voltooien? Eenerzijds
+Cosette opofferen, anderzijds zich zelven.</p>
+<p>Tot welke oplossing zou hij overgaan? Welk besluit nam hij? Wat was,
+in zijn binnenste, het eind-antwoord, dat hij aan het onomkoopbaar
+verhoor van het noodlot gaf? Welke deur besloot hij te openen? Welke
+zijde van zijn leven nam hij voor, te sluiten? Welke keus deed hij
+tusschen al deze onpeilbare diepten, die hem omgaven? Tot welk uiterste
+ging hij over? Welken van deze afgronden knikte hij toe?</p>
+<p>Zijn bedwelmende mijmering duurde den geheelen nacht.</p>
+<p>Hij bleef tot aan den dag in dezelfde houding, ineengebogen op dat
+bed, verslagen, misschien verpletterd, helaas! onder <span class=
+"pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>de
+zwaarte van het lot, met krampachtige handen, de armen recht
+uitgestrekt als een afgenomen gekruisigde, dien men met het gezicht ter
+aarde heeft gelegd. Zoo bleef hij twaalf uren, de twaalf uren van een
+langen winternacht, verstijfd van koude, zonder het hoofd op te
+richten, zonder te spreken. Hij was onbewegelijk als een lijk, terwijl
+zijn geest langs de aarde kroop en opvloog, nu als de hydra dan als de
+arend. Als men hem zoo bewegingloos gezien had, zou men hem voor dood
+hebben gehouden; maar eensklaps trilde hij stuiptrekkend, en zijn mond
+op Cosettes kleederen drukkende, kuste hij ze;&mdash;toen zag men dat
+hij leefde.</p>
+<p>Wie, Men? Jean Valjean was immers alleen en niemand was
+d&agrave;&agrave;r?</p>
+<p>De Men, die in de duisternis is. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek VII.</h2>
+<h2 class="main">De laatste teug uit den beker.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name=
+"pb223">223</a>]</span>
+<div id="ch7.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De zevende cirkel en de achtste hemel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De dag na de bruiloft is stil. Men eerbiedigt de
+overwegingen der gelukkigen; ook een weinig hun laten slaap. Het rumoer
+der bezoeken en gelukwenschen begint eerst later weder. Het was op den
+ochtend van den 17 Februari een weinig over het middaguur, toen Basque,
+die met een doek en den stoffer onder den arm, bezig was &bdquo;de
+voorkamer te doen&rdquo;, zacht aan de deur hoorde tikken. Men had niet
+gescheld, &rsquo;t geen op zulk een dag fatsoenlijk is. Basque opende
+en zag mijnheer Fauchelevent. Hij voerde hem in het salon, waarin nog
+alles overhoop lag en die het slagveld der vreugden van den vorigen dag
+geleek.</p>
+<p>&bdquo;Drommels! mijnheer,&rdquo; merkte Basque op, &bdquo;wij zijn
+laat opgestaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is uw meester bij de hand?&rdquo; vroeg Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Hoe gaat het met den arm van mijnheer?&rdquo; antwoordde
+Basque.</p>
+<p>&bdquo;Beter. Is uw meester bij de hand?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke? de oude of de nieuwe?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Pontmercy.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron?<span class="corr" id="xd20e4764" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> verbeterde Basque het hoofd oprichtende.
+Men is vooral voor zijn dienstboden baron. Daar komt hun iets van toe;
+zij bezitten hetgeen een philosoof de bespotting van den titel zou
+noemen, en dat streelt hen. Marius, dit moet in &rsquo;t voorbijgaan
+gezegd worden, een heftig republikein, zooals hij bewezen had, was nu
+tegen wil en dank baron. Door dien titel was in de familie een kleine
+revolutie ontstaan. Thans was het de heer Gillenormand die er aan
+hechtte, en Marius die er onverschillig voor was. Maar kolonel
+Pontmercy had geschreven: &bdquo;Mijn zoon zal mijn titel
+voeren.&rdquo; Marius gehoorzaamde. En Cosette, in wie de vrouw begon
+te voorschijn te komen, was gestreeld barones te zijn. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron?&rdquo; herhaalde Basque. &bdquo;Ik zal
+eens zien. Ik zal hem zeggen, dat mijnheer Fauchelevent er
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, zeg hem niet, dat ik het ben. Zeg hem, dat iemand hem
+eens afzonderlijk wenscht te spreken, maar noem geen naam.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo,&rdquo; zei Basque.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil hem een verrassing bezorgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo!&rdquo; hernam Basque, zich zelven door zijn tweede
+&bdquo;zoo&rdquo; zijn eerste verklarende.</p>
+<p>En hij verwijderde zich.</p>
+<p>Jean Valjean bleef alleen.</p>
+<p>Het salon was, gelijk wij gezegd hebben, geheel in wanorde. Het
+scheen, dat men er noch flauw het gerucht der bruiloft hoorde. Op den
+vloer lagen allerlei bloemen, die uit de kransen en de kapsels gevallen
+waren. De geheel afgebrande waskaarsen vormden een soort van druipsteen
+aan het kristal der lichtkronen. Geen meubel stond op zijn plaats. Drie
+of vier stoelen in een hoek dicht bijeenstaande schenen een gesprek
+voort te zetten. Het was een aangenaam geheel. Er is nog iets bevalligs
+in een afgeloopen feest. &rsquo;t Is zoo gelukkig geweest. Op deze
+verspreide stoelen, onder deze verlepte bloemen, onder deze uitgebrande
+lichten heeft men blijdschap genoten. De zon volgde de lichtkroon op en
+trad vroolijk het salon binnen.</p>
+<p>Eenige minuten verstreken. Jean Valjean stond bewegingloos op de
+plek waar Basque hem verlaten had. Hij was zeer bleek.</p>
+<p>Zijn oogen waren dof en zoo hol, ten gevolge der slapeloosheid, dat
+zij schier in hun kassen verdwenen. Zijn zwarte rok had de scherpe
+kreuken van een kleedingstuk, dat des nachts niet van het lijf is
+geweest. De ellebogen waren donsachtig wit, door de wrijving van het
+linnen met het laken. Jean Valjean zag aan zijn voeten het venster,
+door de zon op den vloer afgeteekend.</p>
+<p>Een gerucht ontstond aan de deur, hij sloeg de oogen op.</p>
+<p>Marius trad binnen met opgericht hoofd, glimlachenden mond, met een
+onbeschrijfelijken glans op het gelaat, en zegevierenden blik. Ook hij
+had niet geslapen.</p>
+<p>&bdquo;Gij hier, vader!&rdquo; riep hij, Jean Valjean ziende;
+&bdquo;die domme Basque zag zoo geheimzinnig! Maar ge komt te vroeg.
+&rsquo;t Is eerst half een. Cosette slaapt nog.&rdquo;</p>
+<p>Het woord &bdquo;vader&rdquo;, waarmede Marius Fauchelevent noemde,
+beteekende: Hoogste zaligheid. Tusschen beiden, gelijk men weet, had
+steeds stijfheid, koelheid en dwang bestaan; het ijs moest gebroken
+worden of smelten. Thans was Marius in die soort van bedwelming, dat de
+strakheid buigzamer werd, dat <span class="pagenum">[<a id="pb225"
+href="#pb225" name="pb225">225</a>]</span>het ijs smolt, en dat de heer
+Fauchelevent voor hem evenals voor Cosette een vader was.</p>
+<p>Hij ging voort; de woorden vloeiden hem uit den mond, &rsquo;t geen
+aan de hemelsche opgetogenheid der vreugd eigen is.</p>
+<p>&bdquo;Hoe verblijd ben ik u te zien! Zoo ge wist, hoe gij hier
+gisteren ontbroken hebt. Goeden dag, vader; hoe gaat het met uw hand?
+Beter, niet waar?&rdquo;</p>
+<p>En voldaan met het gunstig antwoord dat hij zich zelven gaf,
+vervolgde hij:</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben veel over u gesproken, Cosette en ik. Cosette
+bemint u zoozeer! Vergeet niet, dat ge hier uw kamer hebt. Wij willen
+niets meer van de straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute; weten. Hoe kondt
+ge toch in die straat gaan wonen, die ongezond, somber, koud, leelijk
+is, en die geen uitgang heeft? Gij moet hier uw intrek komen nemen. En
+wel van heden af. Of ge zult met Cosette te doen hebben. Zij stelt zich
+voor, ons allen onder den duim te krijgen; dit zeg ik u vooraf. Ge hebt
+uw kamer gezien, zij is dicht bij de onze en ziet op den tuin uit; men
+heeft het slot doen herstellen; het bed is gespreid en gereed, ge
+behoeft slechts te komen. Cosette heeft bij uw bed een groote oude
+berg&egrave;re geplaatst en tot haar gezegd: Steek hem uw armen toe. In
+het acaciaboschje voor uw venster komt elke lente een nachtegaal. Ge
+zult hem binnen twee maanden zien. Zijn nestje zal aan uw linkerhand,
+het onze aan uw rechterhand, zijn. Des nachts zal hij zingen en over
+dag zal Cosette praten. Uw kamer ligt op het zuiden. Cosette zal er uw
+boeken plaatsen, uw reis van kapitein Cook en de andere, die van
+Vancouver, al uw zaken. Ik geloof, dat ge een klein koffertje hebt,
+waaraan ge veel waarde hecht; daarvoor heb ik een eereplaats gereed
+gemaakt. Ge hebt mijn grootvader geheel voor u gewonnen; hij houdt van
+u. Wij zullen te zamen wonen. Kunt ge whisten? Gij zult mijn grootvader
+geheel innemen, zoo ge whisten kunt. Ge zult met Cosette gaan wandelen,
+op de dagen dat ik in het Paleis van Justitie moet zijn, ge zult haar
+den arm geven, evenals vroeger in het Luxembourg, ge weet nog wel. Wij
+hebben vast besloten heel gelukkig te zijn. En gij zult in ons geluk
+deelen, hoort ge, vader. Nu, heden ontbijt ge met ons, niet
+waar?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer,&rdquo; zei Jean Valjean, &bdquo;ik moet u iets
+zeggen. Ik ben een oude galeiboef.&rdquo;</p>
+<p>De grens der hoorbare scherpe klanken kan misschien evenzeer voor
+den geest als voor het oor overschreden worden. Deze woorden: &bdquo;Ik
+ben een oude galeiboef&rdquo; die uit den mond van Fauchelevent in
+&rsquo;t oor van Marius drongen, overtroffen het mogelijke. Marius
+hoorde niet. &rsquo;t Scheen dat hem <span class="pagenum">[<a id=
+"pb226" href="#pb226" name="pb226">226</a>]</span>iets gezegd was, maar
+hij wist niet wat. Hij bleef met open mond staan.</p>
+<p>Toen bespeurde hij, dat de man, die tot hem sprak, er
+verschrikkelijk uitzag. Tot op dezen oogenblik had hij, in de
+bedwelming zijner vreugd, deze vreeselijke bleekheid niet
+opgemerkt.</p>
+<p>Jean Valjean maakte den zwarten doek, waarin zijn rechterarm lag,
+open, nam het linnen, dat om zijn hand was gewikkeld, weg, en liet zijn
+blooten duim aan Marius zien.</p>
+<p>&bdquo;Mijn hand deert niets,&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>Marius bezag den duim.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb er nooit iets aan gehad,&rdquo; hernam Jean
+Valjean.</p>
+<p>Er was inderdaad geen spoor van eenige wonde te zien.</p>
+<p>Jean Valjean hernam:</p>
+<p>&bdquo;Ik mocht niet bij uw huwelijk tegenwoordig zijn. Ik heb mij
+zooveel afwezig gehouden als mij mogelijk was. Ik heb deze wond
+voorgewend, om geen valschheid te verrichten, om de trouw-acte niet van
+nul en geener waarde te doen zijn, om niet te behoeven te
+onderteekenen.&rdquo;</p>
+<p>Marius stamelde:</p>
+<p>&bdquo;Wat wilt ge zeggen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik wil zeggen,&rdquo; antwoordde Jean Valjean, &bdquo;dat ik
+op de galeien ben geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij maakt mij krankzinnig!&rdquo; riep Marius verschrikt.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Pontmercy,&rdquo; zei Jean Valjean, &bdquo;ik ben
+negentien jaren op de galeien geweest. Wegens diefstal. Vervolgens ben
+ik tot altoosdurende galeistraf veroordeeld. Wegens diefstal. Wegens
+herhaling van misdaad. Op dit oogenblik ben ik een wederspannige aan de
+wet, iemand, die zijn ban verbroken heeft.&rdquo;</p>
+<p>Wat Marius deed om voor de werkelijkheid terug te deinzen, het feit
+niet aan te nemen, zich tegen de waarheid te verzetten, hij moest er
+zich aan onderwerpen. Hij begon te begrijpen, en zooals &rsquo;t in
+dergelijke gevallen meestal gebeurt, hij ging hierin te ver. Hij rilde
+als voor een schrikkelijken inwendigen bliksem; een denkbeeld, dat hem
+deed sidderen, schoot door zijn geest. Hij zag zijn eigen lot in de
+toekomst verwoest.</p>
+<p>&bdquo;Spreek, zeg alles!&rdquo; riep hij, &bdquo;gij zijt Cosettes
+vader.&rdquo;</p>
+<p>En met een onbeschrijfelijke beweging van afschuw trad hij twee
+schreden achteruit.</p>
+<p>Jean Valjean richtte het hoofd op, met zulk een majestueuse houding,
+dat hij aan de zoldering scheen te reiken.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is noodzakelijk, dat ge mij hierin gelooft,
+mijnheer; hoewel de eed, dien ik en mijnsgelijken doen, bij de justitie
+niet van kracht is.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb227" href=
+"#pb227" name="pb227">227</a>]</span></p>
+<p>Hier hield hij een oogenblik stil; toen vervolgde hij op een
+gebiedenden, somberen toon, langzaam op ieder woord drukkende:</p>
+<p>&bdquo;Gij moet mij gelooven. Ik de vader van Cosette! bij God,
+neen. Ik ben een boer van Faverolles, mijnheer de baron Pontmercy! Ik
+verdiende den kost met boomsnoeien. Ik heet niet Fauchelevent, ik heet
+Jean Valjean. Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Wees
+gerust.&rdquo;</p>
+<p>Marius stamelde:</p>
+<p>&bdquo;Wat bewijst mij?...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik; wijl ik &rsquo;t u zeg.&rdquo;</p>
+<p>Marius staarde den man aan! Hij was somber en kalm. Geen logen kon
+uit zulk een kalmte komen. Het koele is oprecht. Men voelde de waarheid
+in deze kilheid des grafs.</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof u,&rdquo; zei Marius.</p>
+<p>Jean Valjean boog het hoofd als om hiervan acte te nemen, en
+hernam:</p>
+<p>&bdquo;Wat ben ik voor Cosette? Iemand, die haar toevallig
+ontmoette. Tien jaren geleden, wist ik niet, dat zij bestond. Ik bemin
+haar, &rsquo;t is waar. Men bemint een kind, dat men klein heeft
+gezien, terwijl men zelf reeds oud was. Als men oud is, gevoelt men
+zich een grootvader van alle kleine kinderen. Mij dunkt, dat ge wel
+zult gelooven, dat ik zoo iets als een hart heb. Zij was een weeze.
+Zonder ouders. Zij had mij noodig. Dat is de reden, waarom ik haar
+begon te beminnen. Kinderen zijn zoo zwak, dat de eerste de beste,
+zelfs een man als ik, hun beschermer kan zijn. Ik heb dien plicht
+jegens Cosette vervuld. Ik geloof niet, dat men iets zoo gerings
+inderdaad een goede daad kan noemen; zoo het echter een goede daad is,
+reken dan dat ik ze verricht heb. Breng deze verzachtende omstandigheid
+in rekening. Thans verlaat Cosette mijn leven, onze twee wegen
+scheiden. Voortaan kan ik niets meer voor haar zijn. Zij is mevrouw
+Pontmercy. Haar bestemming is veranderd. En Cosette wint bij deze
+verandering. Alles is goed. Gij spreekt niet van de zesmaal honderd
+duizend francs, maar ik zal uw gedachte hierin voorkomen; &rsquo;t zijn
+in bewaring gegeven gelden. &rsquo;t Is onverschillig hoe zij in mijn
+bezit zijn gekomen! Ik geef ze terug. Men heeft niets meer van mij te
+vorderen. Ik maak de teruggave volledig, door mijn waren naam te
+zeggen. Ook dit is mijn zaak. Ik ben er op gesteld, dat ge weet, wie ik
+ben.&rdquo;</p>
+<p>En Jean Valjean zag Marius strak in het gezicht.</p>
+<p>Al wat Marius gevoelde, was verward en onsamenhangend. Sommige
+vlagen van het lot veroorzaken zulke verbijsteringen in onze ziel.
+<span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name=
+"pb228">228</a>]</span></p>
+<p>Wij allen hebben zulke oogenblikken van verbijstering gehad, die ons
+in verwarring brengen; wij zeggen, wat het eerst in ons opkomt,
+&rsquo;t geen juist niet altijd datgene is, wat wij wilden zeggen. Er
+zijn plotselinge openbaringen, die men niet bedwingen kan en die
+bedwelmen als een heillooze wijn. Marius was zoodanig verstomd door den
+nieuwen toestand, die voor hem verrees, dat hij tot dien man sprak
+alsof hij schier boos over deze bekentenis was.</p>
+<p>&bdquo;Maar,&rdquo; riep hij, &bdquo;waarom zegt ge mij dit alles
+toch? Wat dwingt er u toe? Ge kondt uw geheim voor u zelven behouden.
+Ge zijt noch verraden, noch wordt vervolgd, noch is er u om gevraagd.
+Ge moet een reden hebben om uit vrijen lust zulk een openbaring te
+doen. Spreek. Er schuilt iets achter. Waarom doet ge deze bekentenis?
+Om welke reden?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om welke reden?&rdquo; antwoordde Jean Valjean, met zulk een
+zachte, gesmoorde stem, dat het veeleer was, alsof hij tot zich zelven,
+dan tot Marius sprak. &bdquo;Inderdaad, om welke reden zegt deze
+tuchteling: ik ben een galeiboef? Ja, voorwaar de reden is zonderling.
+&rsquo;t Is uit eerlijkheid. Zie, &rsquo;t is ongelukkig, dat ik in
+mijn hart een draad heb, die mij bindt. &rsquo;t Is vooral wanneer men
+oud is, dat deze draden sterk zijn. Het geheele leven om zich heen lost
+zich op; alleen die draden blijven. Indien ik dien draad had kunnen
+uitrukken, breken, den knoop losmaken of hem doorhakken, ver van hier
+gaan, ik ware gered geweest, ik behoefde slechts te vertrekken; in de
+straat du Bouloy zijn diligences; nu gij gelukkig zijt, ga ik heen. Ik
+heb gepoogd dien draad te breken; ik heb er aan getrokken, maar hij
+wilde niet breken, en ik rukte er mijn hart mede uit. Toen zeide ik: Ik
+kan niet elders leven dan hier. Ik moet blijven. Nu ja, gij hebt
+gelijk, ik ben een dwaas, waarom ben ik niet eenvoudig gebleven zooals
+ik was? Gij biedt mij een kamer in het huis aan; mevrouw Pontmercy
+bemint mij. Zij zegt tot dien armstoel: steek hem uw armen toe; uw
+grootvader wenscht niets liever, dan mij bij zich te hebben; ik pas
+voor hem; wij zullen samen wonen, gemeenschappelijk eten, ik zal aan
+Cosette den arm geven&mdash;aan mevrouw Pontmercy, verschoon mij,
+&rsquo;t is de gewoonte.&mdash;Wij zullen slechts &eacute;&eacute;n
+dak, &eacute;&eacute;n tafel, &eacute;&eacute;n vuur hebben; hetzelfde
+hoekje van den haard des winters, dezelfde wandeling des zomers; dat is
+vreugd, dat is geluk, dat is alles. Wij zullen &eacute;&eacute;n
+familie uitmaken. Samen leven!&rdquo;</p>
+<p>Bij deze woorden werd Jean Valjean woest. Hij kruiste zijn armen op
+de borst, zag naar den vloer aan zijn voeten, als had hij er een
+afgrond in willen boren, en zijn stem werd eensklaps heftig:
+<span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name=
+"pb229">229</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Een familie! neen. Ik behoor tot geen familie. Ik behoor niet
+tot de uwe. Ik behoor niet tot die der menschen. In de huizen, waar men
+in familie is, ben ik te veel. Er zijn famili&euml;n, maar niet voor
+mij. Ik ben de ongelukkige, ik ben er buiten. Heb ik een vader, een
+moeder gehad? Ik twijfel er schier aan. Den dag, dat ik dit kind
+uithuwelijkte, was alles uit; ik heb haar gelukkig gezien met den man,
+dien zij bemint, en dat in dit huis een goede grijsaard, een gezin van
+twee engelen was, met allerlei geluk, en ik zeide tot mij: Ga niet
+binnen, gij. Ik kon liegen, &rsquo;t is waar, u allen bedriegen,
+mijnheer Fauchelevent blijven. Zoo lang het haar gold, kon ik liegen,
+maar nu zou het mij gelden, en ik mag niet. &rsquo;t Is waar, dat ik
+slechts behoefde te zwijgen, om alles hetzelfde te doen blijven. Ge
+vraagt mij wat mij tot spreken dwingt? Iets wonderbaars; mijn geweten.
+Zwijgen was mij echter zeer gemakkelijk. Ik heb den nacht doorgebracht
+met er mij toe over te halen; gij neemt mij in verhoor, en &rsquo;t
+geen ik zeg, komt u zoo buitengewoon voor, dat ge er het recht toe
+hebt; nu, ja, ik heb den nacht doorgebracht met mij te overreden; ik
+heb zeer krachtige redenen aangewend, ik heb gedaan wat ik kon; ik
+verzeker &rsquo;t u. Maar er zijn twee zaken, waarin ik niet geslaagd
+ben; noch den draad te breken die mij vast aan &rsquo;t hart zit; noch
+iets tot zwijgen te brengen, dat zacht tot mij spreekt, wanneer ik
+alleen ben. Daarom ben ik van ochtend u dit alles komen bekennen. Alles
+of genoegzaam alles. &rsquo;t Is noodeloos u te zeggen, wat mij alleen
+betreft; ik behoud dit voor mij. Het voornaamste weet ge. Ik heb dus
+mijn geheim genomen en het u gebracht. Voor uwe oogen heb ik mijn
+geheim geopend. Dat besluit was niet gemakkelijk te nemen. Den ganschen
+nacht heb ik geworsteld. O, meent gij, dat ik niet tot mij zelven
+gezegd heb, dat dit niet de zaak Champmathieu was, dat ik door mijn
+naam te verbergen niemand benadeelde, dat mij de naam Fauchelevent door
+Fauchelevent zelven was gegeven, uit dankbaarheid wegens een bewezen
+dienst, en dat ik hem behouden kon; dat ik gelukkig zou zijn in deze
+kamer welke ge mij aanbiedt, dat ik niemand zou hinderen in mijn
+hoekje, en dat, terwijl gij Cosette bezat, ik mij zou verheugen in
+&rsquo;t zelfde huis met haar te zijn. Ieder zou in het geluk gedeeld
+hebben. Door steeds mijnheer Fauchelevent te blijven, was alles terecht
+gekomen. Ja, behalve mijne ziel. Overal in mij was vreugd, maar de
+bodem mijner ziel bleef donker. &rsquo;t Is niet genoeg, gelukkig te
+zijn; men moet tevreden wezen. Dus zou ik mijnheer <span class="corr"
+id="xd20e4888" title="Bron: Fauchelevant">Fauchelevent</span> zijn
+gebleven, ik zou mijn waar gezicht verborgen hebben, tegenover uw geluk
+zou ik een raadsel zijn geweest, te midden van uw <span class=
+"pagenum">[<a id="pb230" href="#pb230" name=
+"pb230">230</a>]</span>licht zou ik duisternis hebben geworpen; zonder
+u te waarschuwen, zou ik het bagno in uw huis hebben gebracht; ik zou
+aan uw disch hebben plaats genomen, met de gedachte: dat zoo ge wist
+wie ik was, gij mij wegjagen zoudt; ik zou mij door dienstboden hebben
+laten bedienen, die, zoo zij &rsquo;t geweten hadden, gezegd zouden
+hebben: Welk een schandaal! Ik zou u onwillekeurig hebben aangeraakt,
+ik zou uwe handdrukken gestolen hebben! In uw huis zouden eerwaardige
+witte haren en geschandvlekte witte haren gelijkelijk vereerd zijn; in
+de vertrouwelijkste oogenblikken, wanneer men meent de harten tot in de
+diepste schuilhoeken voor elkander te hebben opengelegd, wanneer wij
+met ons vieren te zamen waren, uw grootvader, gij met uw beiden, en ik,
+zou er een onbekende zijn geweest! Ik zou aan uw zijde uw leven hebben
+gedeeld, steeds bezorgd het deksel van dien vreeselijken put op te
+lichten; ik, een doode, zou mij aan u, levenden, hebben opgedrongen. Ik
+zou haar voor altijd aan mijn lot gedoemd hebben. Gij, Cosette en ik
+zouden drie hoofden onder een groene tuchtelingenmuts zijn geweest!
+Huivert gij niet? Ik, die slechts de meest gebogen mensch ter wereld
+ben, zou de afschuwelijkste zijn geworden. En deze misdaad zou ik elken
+dag bedreven, dezen logen zou ik elken dag herhaald hebben! elken dag,
+jegens u, mijn teedergeliefden; jegens u, mijn kinderen; jegens u,
+onschuldigen! Is &rsquo;t niet eenvoudig, het stilzwijgen te bewaren?
+Neen, &rsquo;t is niet eenvoudig. Er is een stilzwijgen dat liegt. En
+mijn leugen, en mijn bedrog, en mijn schandelijkheid, en mijn laagheid,
+en mijn verraad, en mijn misdaad, zou ik droppel voor droppel
+gedronken, uitgespogen, weder gedronken hebben; ik zou te middernacht
+ge&euml;indigd, des middags weder begonnen zijn, en mijn goeden avond
+zou gelogen, mijn goeden morgen zou gelogen hebben; ik zou daarop
+geslapen, daarbij mijn brood gegeten hebben; ik zou Cosette in het
+gezicht gezien en den glimlach des engels met den glimlach van den
+doemeling beantwoord hebben; ik zou een afschuwelijke bedrieger zijn
+geweest. Waarom? Om gelukkig te zijn? Ik gelukkig zijn! Heb ik het
+recht gelukkig te zijn? Ik ben buiten het leven, mijnheer!&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean zweeg. Marius luisterde, zulk een schakel van gedachten
+en angsten kan niet afgebroken worden. Jean Valjean sprak nu nog
+zachter, maar &rsquo;t was nu geen doffe, maar een akelige stem.</p>
+<p>&bdquo;Gij vraagt, waarom ik spreek? gij zegt dat ik noch verraden,
+noch vervolgd, noch tot spreken verplicht word. Ja, ik ben verraden; ik
+ben vervolgd; ik ben tot spreken gedwongen! Door wien? door mij zelven.
+Ik zelf sluit mij den weg, ik <span class="pagenum">[<a id="pb231"
+href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span>sleep, ik drijf mij voort, ik
+sta stil en lever mij over en wanneer men zich zelven bestuurt, wordt
+men goed bestuurd.&rdquo;</p>
+<p>En zijn eigen rok met volle vuist vattende en naar Marius
+uitstekende, hernam hij:</p>
+<p>&bdquo;Zie deze vuist. Vindt ge niet, dat zij dezen kraag houdt als
+om hem niet weder los te laten? Welnu, het geweten is nog een andere
+vuist. Om gelukkig te zijn, mijnheer, moet men den plicht niet
+begrijpen, want zoodra men hem begrepen heeft, is hij onverbiddelijk.
+Men zou zeggen dat hij dengene straft die hem begrijpt; maar neen; hij
+beloont hem er voor; want hij brengt hem in een hel, waar men God naast
+zich voelt. Men heeft zijn hart niet zoodra verbrijzeld, of men is in
+vrede met zich zelven.&rdquo;</p>
+<p>En op onuitsprekelijken toon voegde hij er bij: &bdquo;Mijnheer
+Pontmercy, dit alles is dwaasheid, ik ben een eerlijk man. Door mij
+voor uw oogen te vernederen, verhef ik mij in de mijne. &rsquo;t Is mij
+reeds eens gebeurd, maar het was minder smartelijk; &rsquo;t was
+niets<span class="corr" id="xd20e4906" title="Bron: ,">.</span> Ja, een
+eerlijk man. Ik zou het niet zijn, zoo gij, door mijn schuld, mij
+verder geacht hadt, thans, nu ge mij veracht, ben ik het. Deze
+noodlottigheid rust op mij, dat ik geene andere dan gestolen achting
+kan genieten, en deze achting mij inwendig vernedert en drukt, en men
+mij moet verachten, opdat ik mij zelven kunne achten. Dan verhef ik
+mij. Ik ben een galeiboef, die zijn geweten gehoorzaamt. Ik weet dat
+dit niet bij elkander past, maar wat kan ik er aan doen? &rsquo;t Is
+z&oacute;&oacute;. Ik heb verbintenissen met mij zelven aangegaan, en
+houd ze. Er zijn toestanden, die ons binden, er zijn omstandigheden die
+plichten vorderen. Ik heb in mijn leven veel ondervonden, mijnheer
+Pontmercy.&rdquo;</p>
+<p>Wederom zweeg Jean Valjean, zijn keel bevochtigende met een
+inspanning als hadden zijn woorden een bitteren nasmaak, en hij
+hernam:</p>
+<p>&bdquo;Wanneer zulk een afschuw op ons rust, heeft men het recht
+niet dien aan anderen, zonder hun weten, mede te deelen; men heeft het
+recht niet, hen met zijn pest te besmetten; men heeft het recht niet,
+hen in zijn afgrond mede te sleepen, zonder dat zij &rsquo;t weten; men
+heeft het recht niet, hen zijn rood boevenbuis te laten dragen; men
+heeft het recht niet, listig het geluk van anderen door zijn
+verworpenheid te storen. Hen, die gezond zijn, te naderen, hen in de
+duisternis met zijn ontzichtbare kwaal te besmetten, is afschuwelijk.
+Fauchelevent moge mij zijn naam geleend hebben, ik heb het recht niet,
+er mij van te bedienen; hij moge hem mij gegeven hebben, ik mag hem
+niet aannemen. Een naam is een ik. Weet ge, mijnheer, ik heb een weinig
+gedacht, een weinig gelezen, hoewel ik een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name=
+"pb232">232</a>]</span>gering mensch ben; en ge ziet dat ik mij
+betamelijk weet uit te drukken. Ik geef mij rekenschap van de dingen.
+Ik heb mij zelven opgevoed. Welnu, ja, &rsquo;t is oneerlijk zich van
+een naam meester te maken en er zich onder te verschuilen. De letters
+van het <span class="corr" id="xd20e4915" title=
+"Bron: alphabeth">alphabet</span> kunnen evenzeer gestolen worden als
+een geldbeurs of horloge. Een valsche handteekening in vleesch en been
+te zijn, een levende valsche sleutel te zijn, om daarmede het slot van
+eerlijke lieden te openen en alzoo bij hen binnen te sluipen, niet
+recht voor zich uit te durven zien, maar steeds gluipend; inwendig
+eerloos te zijn; neen! neen! neen! neen! Liever lijden, bloeden,
+weenen, zich met de nagels het vel van het vleesch scheuren, de nachten
+in foltering doorbrengen zich lichaam en ziel doorknagen. Daarom kom ik
+u dit alles verhalen. Uit lust des harten, zooals gij zegt.&rdquo;</p>
+<p>Hij ademde moeielijk en voegde er nog bij:</p>
+<p>&bdquo;Vroeger stal ik om in &rsquo;t leven te blijven een brood;
+maar thans wil ik niet om te leven een naam stelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om te leven!&rdquo; viel Marius hem in de rede. &bdquo;Gij
+hebt dien naam niet noodig om te leven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik weet wat ik zeg,&rdquo; antwoordde Jean Valjean,
+langzaam het hoofd opheffende en buigende.</p>
+<p>Er ontstond een pauze. Beiden zwegen, ieder verdiept in een afgrond
+van gedachten. Marius had zich aan een tafel gezet en liet den hoek van
+zijn mond op een zijner gebogen vingers rusten. Jean Valjean ging heen
+en weder. Hij stond stil voor een spiegel en bleef bewegingloos. Toen,
+als antwoordde hij op een inwendige redeneering, zeide hij, dien
+spiegel beschouwende, waarin hij zich niet zag:</p>
+<p>&bdquo;Terwijl ik nu verlicht ben!&rdquo;</p>
+<p>Hij hervatte zijn wandeling en ging naar het andere einde der kamer.
+Toen hij zich omkeerde, zag hij, dat Marius hem naoogde. Hij zeide hem
+op een onuitsprekelijken toon:</p>
+<p>&bdquo;Ik sleep een weinig met den voet. Gij begrijpt nu
+waarom.&rdquo;</p>
+<p>Toen, zich geheel tot Marius wendende:</p>
+<p>&bdquo;Verbeeld u nu dit, mijnheer: Ik heb niets gezegd, ik ben
+mijnheer Fauchelevent gebleven, ik heb bij u mijn intrek genomen, ik
+behoor tot uw gezin, ik ben in mijn kamer, des ochtends kom ik in
+pantoffels om te ontbijten, des avonds gaan wij alle drie naar den
+schouwburg; ik vergezel mevrouw de Pontmercy naar de Tuilerie&euml;n en
+naar het Koningsplein; wij zijn te zamen; gij meent dat ik uwsgelijke
+ben; maar op een goeden ochtend ben ik er, gij zijt er, wij praten,
+lachen; gij hoort een stem dezen naam roepen: Jean Valjean! en daar
+komt deze vreeselijke hand, de politie, uit de schaduw en rukt mij
+eensklaps mijn masker af.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb233"
+href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span></p>
+<p>Wederom zweeg hij; Marius had zich bevend opgericht. Jean Valjean
+hernam:</p>
+<p>&bdquo;Wat zegt ge ervan?&rdquo;</p>
+<p>De stilte van Marius antwoordde.</p>
+<p>Jean Valjean voer voort:</p>
+<p>&bdquo;Ge ziet wel, dat ik gelijk heb niet te zwijgen. Luister, wees
+gelukkig, wees in den hemel, wees de engel van een engel, wees in het
+licht en stel u tevreden; bekommer u niet over de wijze hoe een arme
+veroordeelde zijn borst openrijt en zijn plicht doet; ge hebt een
+ellendig mensch voor u, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>Langzaam ging Marius door de kamer, en bij Jean Valjean gekomen
+reikte hij hem de hand.</p>
+<p>Maar Marius moest de hand nemen, die zich niet aanbood. Jean Valjean
+liet het toe en &rsquo;t scheen Marius, alsof hij een steenen hand
+omvatte.</p>
+<p>&bdquo;Mijn grootvader heeft vrienden,&rdquo; zei Marius; &bdquo;ik
+zal uw gratie verwerven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit is onnoodig,&rdquo; antwoordde Jean Valjean. &bdquo;Men
+gelooft, dat ik dood ben; dat is genoeg. De dooden zijn aan de justitie
+ontheven. Men laat hen rustig vergaan. De dood is zoogoed als
+gratie.&rdquo;</p>
+<p>En zijn hand, die Marius hield, losmakende, voegde hij er met een
+onverbiddelijke waardigheid bij:</p>
+<p>&bdquo;Overigens tracht ik mijn plicht te doen, en dit is de vriend
+tot wien ik mij wend; ik heb slechts &eacute;&eacute;ne gratie noodig,
+die van mijn geweten.&rdquo;</p>
+<p>Op dit oogenblik opende zich aan &rsquo;t andere einde der kamer
+zacht de deur en Cosette&rsquo;s hoofd verscheen er tusschen. Men zag
+alleen haar lief gezicht; zij was bekoorlijk met haar nog ongekapt
+haar, en haar oogleden waren nog gezwollen van den slaap; zij maakte de
+beweging van een vogeltje, dat zijn kopje uit het nestje steekt, zag
+eerst haar man, toen Jean Valjean aan en riep hun lachend
+toe&mdash;alsof men een roosje zag glimlachen:</p>
+<p>&bdquo;Ik wil wedden, dat ge politiseert, in plaats van bij mij te
+komen. &rsquo;t Is onverschoonlijk!&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean ontroerde.</p>
+<p>&bdquo;Cosette....&rdquo; stamelde Marius en hij zweeg. Zij geleken
+twee misdadigers.</p>
+<p>Cosette, van geluk schitterend, bleef beiden aanschouwen. In haar
+oogen blonk iets als een hemelsche glans.</p>
+<p>&bdquo;Ik betrap u op heeter daad,&rdquo; zei Cosette. &bdquo;Ik heb
+door de deur vader Fauchelevent hooren zeggen: &bdquo;Het
+geweten...zijn plicht doen...&rdquo; Dat is politiek. Ik duld dit niet.
+Men mag niet reeds den volgenden dag over politiek spreken. Dat is niet
+recht.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name=
+"pb234">234</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge vergist u, Cosette,&rdquo; antwoordde Marius. &bdquo;Wij
+spreken over zaken. Wij spreken over de beste wijze van belegging uwer
+zesmaal honderd-duizend francs....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is het niet,&rdquo; viel Cosette hem in de rede.
+&bdquo;Ik kom. Wil men mij hier dulden?&rdquo;</p>
+<p>En beraden trad zij door de deur de kamer binnen. Zij was gekleed in
+een ruim wit ochtendkleed, met groote mouwen, dat van den hals tot de
+voeten reikte. In de gouden hemelen der oude gothische schilderijen
+ziet men zulke bekoorlijke zakken om een engel in te steken.</p>
+<p>Zij beschouwde zich van het hoofd tot de voeten in een grooten
+spiegel, en riep toen met een uitbarsting van een onuitsprekelijke
+verrukking:</p>
+<p>&bdquo;Er was eens een koning en een koningin. O, hoe verheugd ben
+ik.&rdquo;</p>
+<p>Dit gezegd hebbende, boog zij voor Marius en Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; zeide zij, &bdquo;ga ik bij u op een stoel zitten;
+men ontbijt binnen een half uur; gij moogt zeggen wat ge wilt; ik weet
+wel, dat de mannen moeten spreken; ik zal stil zijn.&rdquo;</p>
+<p>Marius nam haar arm en zeide teeder:</p>
+<p>&bdquo;Wij spreken over zaken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Apropos,&rdquo; antwoordde Cosette; &bdquo;ik heb mijn raam
+geopend, in den tuin zijn een menigte musschen. &rsquo;t Is vandaag
+Aschwoensdag; maar niet voor de vogels.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zeg u, dat wij over zaken spreken; ga Cosetje, laat ons
+een oogenblik alleen. Wij spreken over cijfers. &rsquo;t Zou u
+vervelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt van morgen een fraaie das om, Marius. Ge zijt zeer
+coquet, mijnheer. Neen, &rsquo;t zal mij niet vervelen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik verzeker u, dat &rsquo;t u vervelen zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ge zijt er immers. Ik zal u niet begrijpen, maar naar u
+luisteren. Wanneer men geliefde stemmen hoort, behoeft men de woorden
+niet te begrijpen, welke zij spreken. Hier bij u te zijn, is al wat ik
+wil. Ik blijf bij u!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt mijn zeer geliefde Cosette! Onmogelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onmogelijk!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed,&rdquo; hernam Cosette. &bdquo;Ik zou u wat nieuws
+hebben verhaald. Ik zou u gezegd hebben, dat grootvader nog slaapt, dat
+uw tante naar de mis is, dat de schoorsteen in de kamer van vader
+Fauchelevent rookt, dat Nicolette den schoorsteenveger heeft laten
+komen, dat vrouw Toussaint en Nicolette reeds gekibbeld hebben, dat
+Nicolette om het stotteren van Toussaint lacht. Nu zult ge niets weten.
+Ha! &rsquo;t is onmogelijk? Ook ik op mijn beurt, mijnheer, zal zeggen:
+&rsquo;t is onmogelijk. Wie zal <span class="pagenum">[<a id="pb235"
+href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span>&rsquo;t meest verliezen? Ik
+bid u, Marius, laat mij hier bij u beiden blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik verzeker u, dat wij alleen moeten zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, ben ik iemand?&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean sprak geen woord, Cosette wendde zich tot hem.</p>
+<p>&bdquo;Vooreerst wil ik, vadertje, dat ge mij komt omhelzen. Hoe is
+&rsquo;t? gij zegt niets, in plaats van mijn partij te trekken? Wie
+heeft mij zulk een vader gegeven? Ge ziet immers wel, dat ik heel
+slecht gehuwd ben. Mijn man slaat mij. Kom, omhels mij
+dadelijk.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean naderde.</p>
+<p>Cosette wendde zich tot Marius:</p>
+<p>&bdquo;U keer ik den rug toe.&rdquo;</p>
+<p>Toen bood zij Jean Valjean haar voorhoofd.</p>
+<p>Jean Valjean naderde haar een schrede.</p>
+<p>Cosette trad achteruit.</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt bleek, vader. Hebt ge pijn aan den arm?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is genezen,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge slecht geslapen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt ge treurig?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kus mij. Zoo ge wel zijt, zoo ge goed geslapen hebt, zoo ge
+tevreden zijt, zal ik u niet beknorren.&rdquo;</p>
+<p>En opnieuw bood zij hem haar voorhoofd.</p>
+<p>Jean Valjean drukte een kus op dat voorhoofd, &rsquo;t welk een
+hemelschen glans had.</p>
+<p>&bdquo;Glimlach.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean gehoorzaamde. &rsquo;t Was de glimlach van een
+spook.</p>
+<p>&bdquo;Verdedig mij nu tegen mijn man.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Cosette!...&rdquo; zei Marius.</p>
+<p>&bdquo;Maak u boos, vader. Zeg hem, dat ik blijven moet. Men mag in
+mijn tegenwoordigheid wel spreken. Gij vindt mij dus zoo dom. &rsquo;t
+Is dan iets zeer gewichtigs wat ge zegt; zaken, geldbelegging in een
+bank, &rsquo;t heeft wat te beteekenen! De mannen zijn geheimzinnig om
+niets. Ik wil blijven. Ik ben van ochtend zoo mooi; zie mij toch aan
+Marius.&rdquo;</p>
+<p>En met een bekoorlijk schouderophalen en liefelijke spijtigheid zag
+zij Marius aan. Iets als een weerlicht schoot tusschen beide wezens.
+&rsquo;t Was hun onverschillig of er iemand tegenwoordig was.</p>
+<p>&bdquo;Ik bemin u!&rdquo; zei Marius.</p>
+<p>&bdquo;Ik aanbid u,&rdquo; zei Cosette.</p>
+<p>En onweerstaanbaar vielen zij in elkanders armen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; hernam Cosette, met een klein zegevierend gebaar,
+een vouw van haar morgengewaad glad strijkende, &bdquo;ik
+blijf.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat niet,&rdquo; antwoordde Marius op smeekenden toon,
+&bdquo;wij hebben hier iets te bespreken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wederom neen?&rdquo;</p>
+<p>Marius nam een ernstigen toon aan:</p>
+<p>&bdquo;Ik verzeker u, Cosette, dat het onmogelijk is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ha, ge neemt een mannenstem aan, mijnheer. Goed, men zal
+gaan. Gij, vader, gij hebt mij niet geholpen. Mijnheer mijn echtgenoot,
+mijnheer papa, gij zijt tirannen. Ik zal &rsquo;t grootvader gaan
+zeggen. Zoo ge meent dat ik zal terugkomen, vergist gij u. Ik ben
+trotsch. Thans verwacht ik u. Ge zult zien dat gij u zonder mij zult
+vervelen. Ik ga, &rsquo;t is goed!&rdquo;</p>
+<p>Zij ging heen.</p>
+<p>Twee seconden later werd de deur weder geopend, haar frisch kopje
+vertoonde zich weder tusschen de twee slagdeuren en zij riep hen
+toe:</p>
+<p>&bdquo;Ik ben heel kwaad!&rdquo;</p>
+<p>De deur ging weder dicht en opnieuw werd het donker.</p>
+<p><span class="corr" id="xd20e5098" title=
+"Niet in bron">&rsquo;t</span> Was als een verdwaalde zonnestraal, die
+toevallig plotseling door den nacht was geschoten.</p>
+<p>Marius vergewiste zich, dat de deur goed gesloten was.</p>
+<p>&bdquo;Arme Cosette!&rdquo; mompelde hij, &bdquo;wanneer zij
+verneemt dat...&rdquo;</p>
+<p>Bij deze woorden beefde Jean Valjean over al zijn leden. Hij richtte
+een verwilderden blik op Marius.</p>
+<p>&bdquo;Cosette! ach ja, &rsquo;t is waar, ge zult het Cosette
+zeggen. &rsquo;t Is billijk. Zie, ik had er niet aan gedacht. Men heeft
+kracht tot het eene, maar niet tot het andere. Ik bezweer u, mijnheer,
+geef mij uw heiligst woord. Zeg het haar niet. Is &rsquo;t niet genoeg,
+dat gij het weet? Ik heb het met vrijen wil, zonder er toe gedwongen te
+zijn, gezegd; ik zou &rsquo;t aan de wereld, aan iedereen gezegd
+hebben; &rsquo;t was mij onverschillig. Maar zij, zij weet niet wat het
+is; &rsquo;t zou haar ontstellen. Een galeiboef, wat! men zou het haar
+moeten verklaren, haar zeggen: &rsquo;t is iemand die in het bagno is
+geweest. Eenmaal zag zij een transport galeiboeven. Ach, mijn
+God!&rdquo;</p>
+<p>Hij zonk op een stoel en bedekte zijn gezicht met beide handen. Men
+hoorde hem niet, maar aan het trekken zijner schouders zag men dat hij
+snikte, stille tranen, vreeselijke tranen.</p>
+<p>In het schreien ligt verstikking. Hij werd door een soort van
+stuiptrekking bevangen, hij wierp zich achterover in den stoel als om
+te ademen, liet zijn armen hangen en liet Marius zijn met tranen
+besproeid gelaat zien, en Marius hoorde hem <span class=
+"pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name="pb237">237</a>]</span>zoo
+zacht fluisteren, als ware zijn stem in een grondelooze diepte
+geweest:</p>
+<p>&bdquo;Ach! hoe wenschte ik dood te zijn!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wees bedaard,&rdquo; zeide Marius, &bdquo;ik zal uw geheim
+voor mij alleen behouden.&rdquo;</p>
+<p>En minder verteederd dan hij misschien had moeten zijn, maar sedert
+een uur gedwongen zich met iets verschrikkelijks en onverwachts
+gemeenzaam te maken, allengskens den galeiboef voor zijn oogen uit den
+heer Fauchelevent te voorschijn ziende komen, allengskens beheerscht
+door deze heillooze wezenlijkheid, en door den natuurlijken loop van
+zaken er toe geleid de klove te erkennen, die zich tusschen dezen man
+en hem gevormd had, voegde Marius er bij:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is onmogelijk, u niet een woord te zeggen omtrent de
+gelden, welke gij zoo trouw en eerlijk hebt overgeleverd. &rsquo;t Is
+een daad van goede trouw. &rsquo;t Is billijk, dat u een vergoeding
+worde gegeven. Bepaal zelf de som, zij zal u toegeteld worden. Vrees
+niet, ze te hoog te stellen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u, mijnheer,&rdquo; antwoordde Jean Valjean met
+zachtheid.</p>
+<p>Hij bleef een oogenblik in gepeins, wreef werktuiglijk zijn
+voorvinger over den nagel van zijn duim, en zeide toen met verheffing
+van stem:</p>
+<p>&bdquo;Alles is genoegzaam volbracht. Slechts &eacute;&eacute;n ding
+blijft nog over...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean scheen aan een laatste weifeling ter prooi, en schier
+toonloos, buiten adem, hijgde hij meer dan hij sprak:</p>
+<p>&bdquo;Thans nu ge alles weet, mijnheer, dunkt u, want gij zijt de
+meester, dat ik Cosette niet mag wederzien?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, dat dit het best ware,&rdquo; antwoordde Marius
+koel.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal haar niet meer zien,&rdquo; mompelde Jean Valjean.</p>
+<p>En hij trad naar de deur.</p>
+<p>Hij sloeg de hand aan den knop, de deur opende zich ten halve, Jean
+Valjean kon er doorgaan, maar stond een oogenblik stil, sloot ze weder
+en keerde tot Marius terug.</p>
+<p>Hij was niet meer bleek, maar lijkkleurig. Er waren geen tranen meer
+in zijn oogen, maar er brandde een sombere vlam in. Zijn stem was weder
+wonderbaar kalm geworden.</p>
+<p>&bdquo;Luister, mijnheer,&rdquo; zeide hij, &bdquo;zoo gij wilt, zal
+ik haar komen bezoeken. Ik verzeker u, dat ik &rsquo;t vurig wensch.
+Zoo ik Cosette niet gaarne had willen wederzien, zou ik u de bekentenis
+niet hebben gedaan, welke gij gehoord hebt; ik zou vertrokken zijn;
+maar daar ik in het oord wilde blijven, waar Cosette is en haar
+voortdurend zien wilde, heb ik u alles eerlijk moeten <span class=
+"pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" name=
+"pb238">238</a>]</span>zeggen. Ge volgt mijn redeneering, niet waar? De
+zaak is wel te begrijpen. Hoor, langer dan negen jaren heb ik haar bij
+mij gehad. Eerst hebben wij in het oude huis op den boulevard gewoond,
+toen in het klooster, vervolgens bij het Luxembourg. D&aacute;&aacute;r
+hebt gij haar voor het eerst gezien. Gij herinnert u haar blauw pluchen
+hoed? Vervolgens zijn wij naar de wijk der Invaliden gegaan, waar een
+hek en een tuin was. In de straat Plumet. Ik woonde op een kleine
+achterplaats, waar ik haar piano hoorde. Dat was mijn leven. Wij
+verlieten elkander nooit. Dit heeft negen jaar en eenige maanden
+geduurd. Ik was als haar vader, en zij was mijn kind. Ik weet niet, of
+ge mij begrijpt, mijnheer Pontmercy, maar nu heen te gaan, haar niet
+meer te zien, haar niet meer te spreken, niets meer te hebben, dit zou
+moeielijk zijn. Zoo gij er niets tegen hebt, zal ik Cosette nu en dan
+bezoeken. Ik zal niet dikwijls komen. Ik zal niet lang blijven. Gij
+kondt zeggen, dat men mij in de kleine benedenkamer late. Ik zou wel
+door de achterdeur willen komen, die voor de dienstboden is, maar dit
+zou misschien verwondering wekken. &rsquo;t Is misschien beter, geloof
+ik, dat ik door de voordeur ga, zooals iedereen. Waarlijk, mijnheer, ik
+zou Cosette nog wel eens willen zien. Zoo zelden als &rsquo;t u zal
+behagen. Stel u in mijne plaats, ik heb niets meer dan dat. En men moet
+ook voorzichtig zijn. Indien ik volstrekt niet meer kwam, zou &rsquo;t
+een vreemden indruk maken; men zou het zonderling vinden. Wat ik bij
+voorbeeld zou kunnen doen, is, &rsquo;s avonds komen als het donker
+wordt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kom alle avonden,&rdquo; zei Marius, &bdquo;en Cosette zal u
+wachten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt zeer goed, mijnheer,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>Marius groette Jean Valjean, het geluk deed de wanhoop uitgeleide
+tot aan de deur en beide mannen scheidden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7.2" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De duisterheden welke een openbaring kan
+bevatten.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Marius was geheel geschokt.</p>
+<p>Thans was hem de soort van afkeer verklaard, dien hij steeds voor
+den man had gevoeld, naast wien hij Cosette zag. In dien persoon was
+iets raadselachtigs, waartegen zijn instinct hem waarschuwde. Dat
+raadsel was de afschuwelijkste aller schanden, het bagno. Deze mijnheer
+Fauchelevent was de galeiboef Jean Valjean. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span></p>
+<p>Plotseling zulk een geheim te midden van zijn geluk te vinden,
+gelijkt de ontdekking van een scorpioen in een tortelduivennest.</p>
+<p>Was voortaan het geluk van Marius en Cosette tot deze nabijheid
+gedoemd? Was &rsquo;t een uitgemaakte zaak. Sloot de voltrekking van
+het huwelijk de aanneming van dien man in? Was er niets meer tegen te
+doen?</p>
+<p>Was Marius ook met den tuchteling getrouwd?</p>
+<p>Men moge met licht en vreugd omkranst zijn, men moge het groote
+purperen oogenblik des levens smaken, de gelukkige liefde, zulke
+schokken zouden zelfs den aartsengel in zijn verrukking, den halfgod in
+zijn glorie doen sidderen.</p>
+<p>Gelijk het immer bij dergelijke plotselinge veranderingen gebeurt,
+vroeg Marius zich af, of hij zich zelven niets te verwijten had? Had
+het hem aan doorzicht ontbroken? Was hij onvoorzichtig geweest? Had hij
+zich vrijwillig bedwelmd? Een weinig, misschien. Was hij, zonder zich
+genoegzaam omtrent de omstandigheden in te lichten, deze
+liefdesbetrekking aangegaan, welke zijn huwelijk met Cosette ten
+gevolge had? Hij erkende&mdash;en &rsquo;t is ten gevolge van een
+menigte dergelijke zelfbekentenissen, dat ons leven trapswijze
+gelouterd wordt&mdash;hij erkende het hersenschimmige en dwepende van
+zijn karakter, een soort van inwendige wolk, die aan veler natuur eigen
+is, en die bij den hoogsten graad van hartstochtelijkheid en smart zich
+uitzet, de temperatuur der ziel verandert en den mensch zoo geheel
+beheerscht, dat zij zijn zelfbewustzijn in een nevel hult. Wij hebben
+meer dan eens op dezen karaktertrek van Marius gewezen. Hij herinnerde
+zich, dat hij, in de dronkenschap zijner liefde, in de straat Plumet,
+gedurende deze zes of zeven verrukkelijke weken, zelfs Cosette van het
+drama in het oude huis Gorbeau niet gesproken had, waarbij het offer
+zulk een zonderlinge rol had gespeeld, door gedurende den strijd te
+zwijgen en later te vluchten. Hoe kwam het, dat hij er Cosette niet van
+had gesproken? &rsquo;t Lag echter zoo voor de hand en was zelfs zoo
+merkwaardig! Waarom had hij zelfs het gezin Th&eacute;nardier niet
+genoemd, inzonderheid den dag toen hij Eponine had ontmoet? Hij had
+moeite zich thans zijn stilzwijgen van toen te verklaren. Evenwel gaf
+hij er zich rekenschap van. Hij herinnerde zich zijn bedwelming, zijn
+dronkenschap van Cosette, de liefde die alles verzwolg, deze opvoering
+van het een door het ander in het ideaal, en misschien ook&mdash;als de
+geringe mate van verstand in dien geweldigen en bekoorlijken
+zielstoestand vermengd&mdash;een onduidelijk, dof instinct om dit
+vreeselijk avontuur in zijn geheugen te verstikken, waarin hij niet
+gemengd wenschte te zijn, dewijl hij noch als verhaler noch
+<span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name=
+"pb240">240</a>]</span>als getuige kon optreden, zonder tevens
+beschuldiger te moeten worden. Overigens waren deze weinige weken als
+een weerlicht geweest; men had voor niets anders den tijd gehad dan om
+elkander te beminnen. Kortom, alles gewikt en gewogen, zou, indien hij
+aan Cosette de hinderlaag in het huis Gorbeau verhaald, haar de
+Th&eacute;nardiers genoemd had, welke ook de gevolgen ervan waren
+geweest, zelfs indien hij ontdekt had dat Jean Valjean een tuchteling
+was, zou dit hem zelven, Marius, zou dit haar, Cosette, veranderd
+hebben? Zou hij teruggetreden zijn? Zou hij haar minder hebben bemind?
+Zou hij daarom met haar niet getrouwd zijn? Neen. Zou het iets
+veranderd hebben aan &rsquo;t geen gebeurd was? Neen. Hij had dus niets
+te betreuren, zich niets te verwijten. Alles was zoo goed. Er is een
+God voor die dronkaards, welke men verliefden noemt. Blind had Marius
+den weg betreden, dien hij ziende zou gekozen hebben. De liefde had hem
+geblinddoekt, om hem, waarheen? te voeren. Naar het Paradijs.</p>
+<p>Maar dit paradijs grensde nu aan een hel.</p>
+<p>De vroegere afkeer van Marius voor dezen man, voor dezen
+Fauchelevent, nu Jean Valjean geworden, was thans met afschuw
+gemengd.</p>
+<p>Wij moeten evenwel zeggen, dat in dezen afschuw eenig medelijden, ja
+een zekere verwondering lag.</p>
+<p>Deze dief, deze dief bij herhaling, had hem toevertrouwd geld
+teruggegeven. En hoeveel geld? Zesmaal honderd duizend francs. Het
+geheim hiervan was hem alleen bekend. Hij had alles kunnen behouden,
+maar had alles overgegeven.</p>
+<p>Bovendien had hij uit zich zelven zijn toestand geopenbaard. Niets
+verplichtte er hem toe. Zoo men wist wie hij was, was &rsquo;t door hem
+zelven. In deze bekentenis lag meer dan de aanneming van deemoediging,
+er lag de onderwerping aan gevaar in. Voor een veroordeelde is een
+masker geen masker, &rsquo;t is een schuilplaats. Hij had van die
+schuilplaats afstand gedaan. Een valsche naam is een veiligheid; hij
+had dien valschen naam weggeworpen. Hij, galeiboef, kon zich voor
+altijd in een achtenswaardige familie verbergen; hij had aan deze
+verzoeking weerstand geboden. Om welke reden? Uit gewetensbezwaar. Hij
+had dit zelf verklaard, op den onwraakbaren toon der waarheid. Kortom,
+wie Valjean zijn mocht, &rsquo;t was onbetwistbaar een ontwakend
+geweten. &rsquo;t Was het begin eener geheime bekeering, en naar alle
+waarschijnlijkheid had het geweten zich reeds lang bij dezen man doen
+gelden. Zulke overgangen tot het goede en deugdzame zijn niet aan
+gewone naturen eigen. De ontwaking van het geweten is grootheid van
+ziel.</p>
+<p>Jean Valjean was oprecht. Deze onzichtbare, tastbare,
+onwederlegbare, <span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241"
+name="pb241">241</a>]</span>en zelfs door de smart, welke zij hem
+veroorzaakte, bewezen oprechtheid, maakte alle navorsching overbodig en
+gaf gezag aan al wat deze man zeide. Voor Marius ontstond hieruit een
+zonderlinge omkeer van beschouwing. Wat boezemde de heer Fauchelevent
+in? Wantrouwen. Wat verwekte Jean Valjean? Vertrouwen. In de
+geheimzinnige balans van dien Jean Valjean, welke Marius in zijn geest
+opmaakte, erkende hij het actief en het passief, en trachtte het saldo
+op te maken. Maar &rsquo;t was alles als in een storm. Marius poogde
+zich een juist denkbeeld van dien man te vormen en, om zoo te spreken,
+Jean Valjean in zijn gedachten vervolgende, verloor en hervond hij hem
+in een noodlottigen nevel.</p>
+<p>Het eerlijk wedergegeven bewaarde geld, de trouwhartige
+bekentenis&mdash;dat was goed. Dit veroorzaakte als een lichtopening in
+een wolk, maar dadelijk werd de wolk weder donker.</p>
+<p>Hoe verward zijn herinneringen waren, Marius zag er eenige schaduw
+van.</p>
+<p>Wat was eigenlijk het avontuur in het verblijf van Jondrette? Waarom
+was deze man, Jean Valjean, bij de komst van de politie gevlucht, in
+plaats van zich te beklagen? Marius vond hierop het antwoord. Wijl deze
+man een tuchteling was, die zijn ban verbroken had.</p>
+<p>Een andere vraag: Waarom was deze man in de barricade gekomen? Want
+nu vond Marius deze herinnering duidelijk weder, welke in zijn
+aandoeningen was te voorschijn gekomen als de sympathetische inkt bij
+het vuur. Deze man was in de barricade. Hij streed er niet. Wat was hij
+er komen doen? Voor deze vraag rees een spookbeeld op en beantwoordde
+ze. Marius herinnerde zich op dit oogenblik volkomen de sombere
+verschijning van Jean Valjean, die Javert gekneveld uit de barricade
+sleepte, en nog hoorde hij achter den hoek der kleine straat
+Mond&eacute;tour het vreeselijk pistoolschot. Er bestond waarschijnlijk
+haat tusschen dien spion en dezen galeiboef. De een hinderde den ander.
+Jean Valjean was naar de barricade gegaan om zich te wreken. Hij was er
+laat gekomen, en wist vermoedelijk dat Javert er gevangen was. De
+corsicaansche vendette is tot sommige lage kringen doorgedrongen en
+geldt er als wet; zij is zoo natuurlijk voor die zielen, welke ten
+halve tot het goede zijn teruggekeerd; en deze zielen zijn zoodanig
+gestemd, dat een misdadiger, die op den weg van berouw is,
+gemoedsbezwaar kan hebben ten aanzien van diefstal, maar niet ten
+aanzien van wraak. Jean Valjean had Javert gedood. Dit scheen ten
+minste duidelijk.</p>
+<p>Eindelijk de laatste vraag; maar op deze was niet te antwoorden.
+Marius voelde deze vraag als een nijptang. Hoe kwam <span class=
+"pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span>het,
+dat Jean Valjeans leven zoo lang met dat van Cosette verbonden was
+geweest? Wat beteekende dit duister spel der Voorzienigheid, die dit
+kind met dien man in aanraking had gebracht? Zijn er dan ook hierboven
+tweemans-ketenen, en heeft God er behagen in, een engel en een duivel
+samen te koppelen? De misdaad en de onschuld kunnen dus slaapgenooten
+zijn in het geheimzinnig bagno der ellende? Kunnen in dien hollen weg,
+welke het menschelijk lot wordt genoemd, twee hoofden naast elkander
+gaan, het eene onschuldig, het andere vreeselijk, het eene blinkend van
+hemelsch morgenlicht, het andere voor immer bleek door het schijnsel
+van een eeuwigen bliksem? Wie had zulk een onverklaarbare
+samenkoppeling kunnen beschikken? Op welke wijze, ten gevolge van welk
+wonder, had dit gemeenschappelijk leven tusschen dit hemelsche meisje
+en dezen ouden doemeling kunnen ontstaan? Wie had het lam met den wolf
+kunnen vereenigen, en, wat onbegrijpelijker is, den wolf met het lam?
+Want de wolf beminde het lam, want het wreede wezen aanbad het zwakke
+wezen, want sedert negen jaren had de engel tot steun en beschermer het
+monster gehad. De kindsheid en de jeugd van Cosette, haar intrede in
+het leven, haar maagdelijke wasdom naar leven en licht, waren door deze
+monsterachtige vereeniging beschermd. Hier losten zich de vragen in
+tallooze raadsels op, afgronden openden zich in afgronden, en Marius
+kon zich niet meer tot Jean Valjean buigen zonder te duizelen. Wie was
+toch deze ondoorgrondelijke man?</p>
+<p>De oude Scheppings-symbolen zijn eeuwig; in de menschelijke
+maatschappij, zooals zij thans bestaat, tot een grootere helderheid
+haar zal veranderen, zijn er altijd twee menschen, de eene verheven, de
+andere laag; de goede is Abel, de kwade is Ka&iuml;n. Wie was nu deze
+teedere Ka&iuml;n? Wie was deze bandiet, in heilige vereering eener
+maagd, over welke hij waakte, welke hij opvoedde, bewaarde, achtte en
+welke hij, onreine, in reinheid hulde. Wat was deze modderpoel, die
+deze onschuld zoodanig vereerde, dat er zelfs geen smet op kleefde? Wie
+was deze Jean Valjean die Cosette had opgevoed? Wat was deze gestalte
+uit de duisternis, die geen andere zorg had, dan eene opgaande star
+voor schaduw en wolken te behoeden?</p>
+<p>Dit was Jean Valjeans geheim; dit was ook Gods geheim.</p>
+<p>Voor dat dubbel geheim deinsde Marius terug. Het eene stelde hem
+eenigerwijs aangaande het andere gerust. God was in dit avontuur
+evenzeer zichtbaar als Jean Valjean. God heeft zijn werktuigen. Hij
+bedient zich van &rsquo;t geen hij wil. Hij is jegens den mensch niet
+verantwoordelijk. Kennen wij Gods wegen? Jean Valjean had aan Cosette
+gearbeid. Hij had haar ziel een <span class="pagenum">[<a id="pb243"
+href="#pb243" name="pb243">243</a>]</span>weinig gevormd. &rsquo;t Was
+onbetwistbaar. En verder? &rsquo;t Was een leelijke werkman, maar het
+werk was bewonderenswaardig. God werkt zijn wonderen naar goedvinden.
+Hij had de bekoorlijke Cosette gevormd en daartoe Jean Valjean
+gebruikt. Het had hem behaagd den zonderlingen medewerker te kiezen.
+Welke rekenschap hebben wij van hem te vorderen? Is het de eerste keer,
+dat de mesthoop de lente helpt om een roos voort te brengen?</p>
+<p>Marius gaf zich deze antwoorden, en verklaarde zich zelven, dat zij
+goed waren. Op al de punten, welke wij hebben aangewezen, had hij bij
+Jean Valjean niet durven aandringen, zonder zich zelven te bekennen,
+dat hij niet durfde. Hij beminde Cosette, hij bezat Cosette, Cosette
+was glanzend zuiver. Dat was hem genoeg. Welke ophelderingen had hij
+noodig? Cosette was een licht. Behoeft het licht verhelderd te worden?
+Hij had alles; wat kon hij nog meer wenschen? Alles, is dat niet
+genoeg? De persoonlijke zaken van Jean Valjean gingen hem niet aan.
+Terwijl hij zich over de noodlottige schaduw van dien man boog, klemde
+hij zich vast aan deze plechtige verklaring van den ellendeling:
+&bdquo;Ik ben volstrekt geen familie van Cosette. Tien jaren geleden
+wist ik niet, dat zij bestond.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean was een voorbijganger. Hij zelf had het gezegd. Welnu,
+hij ging voorbij. Wie hij zijn mocht, zijn rol was ten einde. Voortaan
+was het aan Marius, om de functi&euml;n der Voorzienigheid bij Cosette
+te vervullen. Cosette was tot hooger kring teruggekeerd, en had zich
+weder bij haarsgelijke, haar geliefde, haar echtgenoot gevoegd. In
+&rsquo;t opstijgen liet Cosette, gevleugeld en herschapen, omlaag haar
+ledig, leelijk hulsel, Jean Valjean, achter.</p>
+<p>In welken gedachtenkring Marius zich draaide, immer kwam hij tot een
+zekeren afschuw voor Jean Valjean terug. Een misschien heiligen
+afschuw; wij hebben het immers aangewezen, dat hij in dien man een
+zeker <i lang="la">quid divinum</i>, iets goddelijks, gevoelde. Maar
+wat hij deed, en welke verlichting hij er in zocht, steeds moest hij
+hierop terugkomen: Jean Valjean was een galeiboef; dat wil zeggen het
+wezen, &rsquo;t welk op de maatschappelijke ladder zelfs geen plaats
+heeft, wijl het beneden den laagsten sport staat. Na den laatsten der
+menschen komt de galeiboef. De galeiboef behoort om zoo te spreken niet
+meer tot het menschelijk geslacht. De wet heeft hem al de
+menschelijkheid ontnomen, welke zij een mensch kan ontnemen. Marius
+hield zich, ten aanzien der strafwet, hoewel hij democraat was, nog aan
+het vaste stelsel, en nopens degenen, welke de wet straft, had hij al
+de idee&euml;n der wet. Hij was, wij moeten &rsquo;t zeggen, nog niet
+geheel op de hoogte van den vooruitgang. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb244" href="#pb244" name="pb244">244</a>]</span>Hij was zoo ver nog
+niet gekomen, onderscheid te zien tusschen &rsquo;t geen de mensch
+geschreven en wat God geschreven heeft, tusschen de wet en het recht.
+Hij had het recht nog niet gewikt en gewogen, &rsquo;t welk de mensch
+zich toe&euml;igent om over het onherroepelijke en onherstelbare te
+beschikken. Het woord <i>vindicte</i> (rechterlijke wraak) had hem nog
+niet gebelgd. Hij vond het natuurlijk, dat sommige overtredingen der
+wet door eeuwigdurende straffen werden gevolgd, en hij nam het
+maatschappelijke doemvonnis als een beschavingsmiddel aan. Hij stond
+nog op dat punt, trouwens om later volkomen vooruit te gaan, daar zijn
+aard goed en in den grond voor den vooruitgang was.</p>
+<p>Te midden dezer denkbeelden, verscheen Jean Valjean hem wanstaltig
+en afkeerwekkend. Hij was een veroordeelde, een galeiboef. Dit woord
+was hem als het bazuingeschal van den jongsten dag, en na lang Jean
+Valjean aanschouwd te hebben, was zijn laatste beweging het hoofd om te
+wenden. <i>Vade retro</i>. (Ga weg van mij!)</p>
+<p>Marius, men moet het erkennen, en wij wijzen er zelfs op, had,
+terwijl hij Jean Valjean ondervroeg, en wel in dier voege dat Jean
+Valjean hem gezegd had: ge neemt mij in &rsquo;t verhoor, hem geen twee
+of drie beslissende vragen gedaan. Niet omdat zij niet bij hem waren
+opgekomen, maar omdat zij hem beangstigd hadden. Het verblijf van
+Jondrette? De barricade? Javert? Wie weet waar de openbaringen een
+einde hadden genomen? Jean Valjean scheen de man niet om achteruit te
+treden, en wie weet of Marius, na hem te hebben voortgedrongen, niet
+gewenscht zou hebben, hem tegen te houden! Is &rsquo;t ons allen wel
+niet in sommige gewichtige omstandigheden gebeurd, dat, als wij een
+vraag hebben gedaan, wij onze ooren stoppen om het antwoord niet te
+hooren? &rsquo;t Is vooral wanneer men bemint, dat men zoo lafhartig
+is. &rsquo;t Is niet verstandig, hardnekkig in heillooze omstandigheden
+te willen doordringen, vooral wanneer noodlottigerwijs de onoplosbare
+zijde van ons eigen leven er in gemengd is. Welk een vreeselijk licht
+kon uit Jean Valjeans wanhopige verklaringen opkomen, en wie weet of
+dit afschuwelijk licht niet op Cosette zou zijn teruggekaatst? Wie weet
+of er niet een soort van helschen weerschijn op &rsquo;t voorhoofd van
+dien engel zou zijn overgebleven? De van een bliksem spattende vonken
+zijn ook bliksems. Het noodlot wil soms, dat de onschuld zelve het
+merkteeken der misdaad verkrijgt, door de sombere wet der
+lichtweerkaatsing. De zuiverste gedaanten kunnen voor altijd den
+weerschijn van een vreeselijke nabuurschap behouden. Terecht of ten
+onrechte, Marius was bevreesd geweest. Hij wist reeds te veel. Hij
+poogde zich meer te bedwelmen <span class="pagenum">[<a id="pb245"
+href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span>dan in te lichten. Radeloos
+droeg hij Cosette in zijn armen weg, terwijl hij voor Jean Valjean de
+oogen sloot.</p>
+<p>Deze man behoorde tot den nacht, tot den levenden, vreeselijken
+nacht. Hoe zou men er den bodem van durven zoeken? &rsquo;t Is
+ontzettend, de duisternis te ondervragen. Wie weet wat zij zal
+antwoorden? De dageraad zou er voor altijd verdonkerd door kunnen
+worden.</p>
+<p>In dien gemoedstoestand, was het voor Marius een pijnlijke
+verlegenheid te denken, dat deze man voortaan in eenige aanraking met
+Cosette zou zijn. Hij verweet zich thans schier, deze vreeselijke
+vragen niet gedaan te hebben, voor welke hij was teruggedeinsd en
+waaruit een onveranderlijke en bepaalde zekerheid had kunnen ontstaan.
+Hij gevoelde zich te goed, te zacht, laat het ons zeggen, te zwak. Deze
+zwakheid had hem tot een onvoorzichtige toegevendheid verleid. Hij had
+zich laten bewegen. Hij had ongelijk gehad. Hij had eenvoudig Jean
+Valjean moeten verwerpen. Jean Valjean behoorde tot het vuur; hij had
+hem er aan moeten wedergeven en zijn huis van dien man bevrijden. Hij
+was op zich zelven vertoornd, vertoornd op dien maalstroom van
+aandoeningen, welke hem verdoofd, verblind en medegesleept had. Hij was
+over zich zelven ontevreden.</p>
+<p>Wat nu te doen? Van de bezoeken van Jean Valjean was hij diep
+afkeerig. Waartoe diende die man in zijn huis? Wat te doen? Hier
+bedwelmde hij zich, hij wilde niet dieper graven, niet doorgronden; hij
+wilde zich zelven niet peilen. Hij had beloofd, hij had zich tot
+beloven laten verleiden; Jean Valjean had zijn belofte; zelfs jegens
+een galeiboef, vooral jegens een galeiboef, moet men woord houden. Zijn
+eerste plicht evenwel gold Cosette. Kortom, een allesbeheerschende
+afkeer bracht hem in beroering.</p>
+<p>Al deze gedachten woelden verward in den geest van Marius, die, van
+de eene na de andere, door alle bewogen werd. Vandaar een groote
+verwarring, welke hem niet gemakkelijk viel voor Cosette te verbergen.
+Maar de liefde is een talent, en &rsquo;t gelukte Marius.</p>
+<p>Overigens deed hij, zonder schijnbaar doel, vragen aan Cosette, die
+even onschuldig was als een duif, en niets vermoedde; hij sprak haar
+van haar kindsheid en jeugd; en meer en meer overtuigde hij zich, dat
+deze galeiboef zoo goed, vaderlijk en eerbiedwaardig voor Cosette was
+geweest als een mensch zijn kan. Al wat Marius verondersteld en vermoed
+had, was waar. Deze heillooze distel had deze lelie bemind en
+beschermd. <span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name=
+"pb247">247</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek VIII.</h2>
+<h2 class="main">De afneming der duisternis.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name=
+"pb249">249</a>]</span>
+<div id="ch8.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De benedenkamer.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden dag, bij &rsquo;t vallen van den avond,
+klopte Jean Valjean aan de koetspoort van het huis des heeren
+Gillenormand. Basque ontving hem. Basque bevond zich op dat oogenblik
+juist op de plaats, als ware &rsquo;t hem bevolen. &rsquo;t Gebeurt
+soms, dat men tot een knecht zegt: Wees bij de hand, als mijnheer, die
+of die komt.</p>
+<p>Basque, zonder te wachten dat Jean Valjean hem toesprak zeide tot
+hem:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron heeft mij gelast u te vragen, of mijnheer
+naar boven gaan of beneden wil blijven?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Beneden blijven,&rdquo; antwoordde Jean Valjean.</p>
+<p>Basque, overigens volkomen eerbiedig, opende de deur van het
+benedenvertrek en zeide: &bdquo;Ik zal mevrouw verwittigen.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was een verwelfd, vochtig vertrek, waar Jean Valjean was
+binnengegaan; het diende bij gelegenheid tot wijnkelder, het kwam aan
+de straat uit, was met roode tegels bevloerd en flauw verlicht door een
+van ijzeren spijlen voorzien venster.</p>
+<p>Deze kamer behoorde niet tot degene, welke door stoffer, schuier en
+bezem geplaagd worden. Het stof was er in rust. De spinnen werden er
+niet geregeld vervolgd. Een spinneweb, groot, vuil, met doode vliegen
+bezaaid, prijkte op een der glasruiten van het venster. Het kleine,
+lage vertrek was gemeubeld met een hoop ledige, in een hoek gestapelde
+flesschen. Van den met gele oker bestreken muur schilferden groote
+stukken. Achter in het vertrek was een schoorsteen van zwart geverfd
+hout, met smallen mantel, er brandde een vuur in, &rsquo;t geen
+aanduidde, dat men op Jean Valjeans antwoord: &bdquo;dat hij beneden
+wilde blijven,&rdquo; gerekend had.</p>
+<p>Twee armstoelen stonden aan beide kanten van den schoorsteen.
+<span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name=
+"pb250">250</a>]</span>Tusschen deze stoelen lag, als een tapijt, een
+oud, zeer versleten beddekleedje.</p>
+<p>De kamer werd door het vuur in den schoorsteen en de schemering van
+het venster verlicht.</p>
+<p>Jean Valjean was vermoeid. Sedert verscheidene dagen had hij noch
+gegeten noch geslapen. Hij zonk op een der stoelen neer.</p>
+<p>Basque kwam terug, zette op den schoorsteen een brandende waskaars
+en verwijderde zich. Jean Valjean, met gebogen hoofd en de kin op de
+borst, zag noch Basque noch de waskaars.</p>
+<p>Eensklaps sprong hij als verschrikt overeind. Cosette stond achter
+hem.</p>
+<p>Hij had haar niet zien binnenkomen.</p>
+<p>Hij keerde zich om en beschouwde haar. Zij was aanbiddelijk schoon.
+Maar wat hij met dien diepen blik aanschouwde, was niet de schoonheid,
+&rsquo;t was de ziel.</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk, vader,&rdquo; riep Cosette, &bdquo;ik wist dat ge
+zonderling waart, maar nooit had ik iets dergelijks verwacht. Welk een
+gedachte! Marius zegt, dat gij wilt, dat ik u hier ontvange.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zoo is het.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik verwachtte dat antwoord. Goed. Ik zeg u, dat ik u den
+mantel zal uitvegen. Maar beginnen wij met het begin. Kus mij,
+vader.&rdquo;</p>
+<p>En zij bood hem haar wang aan.</p>
+<p>Jean Valjean bewoog zich niet.</p>
+<p>&bdquo;Ge verroert u niet. Ik ben thans overtuigd. &rsquo;t Is de
+houding van een schuldige. Om &rsquo;t even, ik vergeef &rsquo;t u.
+Jezus Christus heeft gezegd: Biedt de andere wang aan.
+Ziedaar.&rdquo;</p>
+<p>En zij hield hem de andere wang toe.</p>
+<p>Jean Valjean verroerde zich niet. &rsquo;t Was, of zijn voeten aan
+den grond waren gekleefd.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Wordt ernstig,&rdquo; zei Cosette. &bdquo;Wat heb ik
+u misdaan? Ik verklaar, dat ik verstoord ben. Ge zijt mij verzoening
+schuldig. Gij eet met ons.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb gegeten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is niet waar. Ik zal u door mijnheer Gillenormand
+laten beknorren. De grootvaders zijn er voor, om de vaders de les te
+lezen. Kom. Ga met mij naar het salon. Dadelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onmogelijk.&rdquo;</p>
+<p>Nu wist Cosette niet meer wat te denken. Zij hield op met bevelen en
+begon te vragen.</p>
+<p>&bdquo;Waarom? en ge kiest, om mij te zien, de leelijkste kamer van
+het huis. &rsquo;t Is hier afschuwelijk.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ge weet...&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean viel zich zelven in de rede:</p>
+<p>&bdquo;Gij weet, mevrouw, dat ik wonderlijk ben, <span class="corr"
+id="xd20e5327" title="Bron: da">dat</span> ik grillen heb.&rdquo;</p>
+<p>Cosette sloeg haar kleine handjes tegen elkander.</p>
+<p>&bdquo;Mevrouw!... gij weet!... wederom iets nieuws. Wat moet dat
+beteekenen?&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean aanschouwde haar met dien treurigen glimlach, welke
+dikwijls op zijn gelaat verscheen.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt mevrouw willen zijn. Gij zijt het.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niet voor u, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Noem mij niet langer vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Noem mij mijnheer Jean. Jean als ge wilt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt ge niet langer vader? Ben ik niet langer Cosette?
+Mijnheer Jean? Wat beteekent dat? Maar &rsquo;t is een revolutie. Wat
+is er toch gebeurd? Zie mij toch in &rsquo;t gezicht. En ge wilt niet
+bij ons wonen? En ge wilt mijn kamer niet. Wat heb ik u misdaan? Wat
+heb ik u misdaan? Is er dan iets gebeurd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niets.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu dan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Alles is als gewoonlijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom verandert ge van naam?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij, gij hebt hem immers ook veranderd.&rdquo;</p>
+<p>Hij glimlachte weder op dezelfde wijze en voegde er bij:</p>
+<p>&bdquo;Wijl gij mevrouw Pontmercy zijt, kan ik wel mijnheer Jean
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp er niets van. &rsquo;t Is alles dom. Ik zal mijn
+man verlof vragen, of ge mijnheer Jean moogt zijn. Ik hoop, dat hij er
+in zal bewilligen. Ge doet mij veel verdriet. Men moge grillen hebben,
+maar men doet zijn kleine Cosette geen verdriet aan. &rsquo;t Is
+slecht. Ge hebt het recht niet ondeugend te zijn, gij, die zoo goed
+zijt.&rdquo;</p>
+<p>Hij antwoordde niet.</p>
+<p>Levendig nam zij zijn handen, en met een onweerstaanbare beweging
+hief zij ze tot haar gezicht op, drukte ze tegen haar hals, onder haar
+kin, &rsquo;t geen een groot bewijs van teederheid is.</p>
+<p>&bdquo;Ach,&rdquo; zeide zij, &bdquo;wees goed!&rdquo;</p>
+<p>En zij voer voort:</p>
+<p>&bdquo;Wat ik goed noem is, dat ge lief zijt en hier komt wonen; er
+zijn hier vogels evenals in de straat Plumet; dat ge met ons woont, de
+spelonk in de straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute; verlaat, ons geen
+raadsels ter oplossing geeft, zijt als iedereen, dat ge met ons
+dineert, ontbijt en mijn vader zijt.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span></p>
+<p>Hij maakte zijn handen los.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt geen vader meer noodig, gij hebt een
+echtgenoot.&rdquo;</p>
+<p>Cosette werd driftig.</p>
+<p>&bdquo;Heb ik geen vader meer noodig! Men weet waarlijk niet, wat
+men op zulke ongerijmde taal antwoorden zal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Indien vrouw Toussaint hier was,&rdquo; hernam Jean Valjean,
+als iemand, die iets ter bevestiging wil aanvoeren en zich aan alle
+takken vastklemt, &bdquo;zou zij dadelijk bekennen, dat het waar is en
+ik mijn bijzondere manieren heb. &rsquo;t Is geen nieuws. Ik heb altijd
+mijn donkeren hoek bemind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar &rsquo;t is hier koud. Men kan hier nauwelijks zien.
+&rsquo;t Is schandelijk mijnheer Jean te willen zijn. Ik wil niet, dat
+ge mij mevrouw noemt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Straks toen ik hierheen ging,&rdquo; antwoordde Jean Valjean,
+&bdquo;heb ik in de straat Saint-Louis bij een schrijnwerker een
+meubelstuk gezien. Ware ik een mooie vrouw, ik zou het mij aanschaffen.
+&rsquo;t Is een fraai toilet, naar den laatsten smaak, van rozenhout,
+zooals gij het noemt, geloof ik. &rsquo;t Is ingelegd. Met een grooten
+spiegel. Er zijn laden in. &rsquo;t Is lief.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bah, de leelijke beer!&rdquo; antwoordde Cosette.</p>
+<p>En met de uiterste lieftalligheid, de tanden op elkander drukkende
+en de lippen openende, blies zij tegen Jean Valjean. &rsquo;t Was een
+bevallige nabootsing eener kat.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben verwoed,&rdquo; zeide zij. &bdquo;Sedert gisteren
+maakt gij allen mij razend. Ik ben zeer verstoord. Ik begrijp het niet.
+Gij verdedigt mij niet tegen Marius, Marius verdedigt mij niet tegen u;
+ik sta geheel alleen. Ik heb een kamer fraai in orde gebracht. Zoo ik
+er onzen Lieven Heer in had kunnen plaatsen, had ik het gedaan. Men
+laat mij met mijn kamer zitten. Mijn huurder laat mij in den steek. Ik
+gelast Nicolette een goed diner gereed te maken. Men wil uw diner niet,
+mevrouw. En mijn vader Fauchelevent wil, dat ik hem mijnheer Jean
+noeme, en hem in een ouden, leelijken, beschimmelden kelder ontvange,
+welks muren een baard dragen, en waar in plaats van kristal ledige
+flesschen, en in plaats van gordijnen spinnewebben zijn. &rsquo;t Is
+waar, ge zijt zonderling. &rsquo;t Is uw manier. Maar men houdt zich
+een weinig in, ter liefde voor jonggetrouwden. Ge moest niet terstond
+weder zonderling zijn. Ge zoudt dan zoo tevreden in uw leelijke straat
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute; zijn! Ik, ik ben er wanhopig geweest. Wat
+hebt ge toch tegen mij? Gij veroorzaakt mij veel verdriet.
+Foei!&rdquo;</p>
+<p>En eensklaps ernstig wordende, zag zij Jean Valjean strak in
+&rsquo;t gezicht en voegde er bij:</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt dus boos op mij, omdat ik gelukkig ben?&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name=
+"pb253">253</a>]</span></p>
+<p>De onnoozelheid dringt soms, zonder het te weten, zeer diep door.
+Deze eenvoudige vraag van Cosette was diep voor Jean Valjean.</p>
+<p>Cosette wilde krabben, zij verscheurde.</p>
+<p>Jean Valjean verbleekte. Hij bleef een oogenblik zonder te
+antwoorden, toen tot zich zelven sprekende, mompelde hij op een
+onbeschrijfelijken toon:</p>
+<p>&bdquo;Haar geluk was het doel mijns levens. Nu kan God mij
+vergunnen af te treden. Ge zijt gelukkig, Cosette; mijn tijd is er
+geweest.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ha, nu zegt ge weder Cosette!&rdquo; riep de jonge vrouw. En
+zij viel hem om den hals.</p>
+<p>Ontroerd en hartstochtelijk drukte Jean Valjean haar aan zijn hart.
+&rsquo;t Was hem schier, alsof hij haar opnieuw aannam.</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u, vader!&rdquo; zei Cosette.</p>
+<p>Deze vervoering begon voor Jean Valjean smartelijk te worden. Zacht
+trok hij zich uit Cosettes armen en nam zijn hoed.</p>
+<p>&bdquo;Nu?&rdquo; zei Cosette.</p>
+<p>Jean Valjean antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Ik verlaat u, mevrouw; men wacht u.&rdquo;</p>
+<p>En op den drempel der deur voegde hij er bij:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb u Cosette genoemd; zeg aan uw echtgenoot, dat mij dit
+niet weder zal gebeuren. Vergeef mij.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean verwijderde zich en liet Cosette verbaasd over dit
+raadselachtige vaarwel achter.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.2" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Andere schreden achterwaarts.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden dag kwam Jean Valjean op hetzelfde uur
+terug.</p>
+<p>Cosette deed hem geen vragen, verwonderde zich niet, zeide niet meer
+dat het koud was, sprak niet meer van het salon; zij vermeed evenzeer
+vader als mijnheer Jean te zeggen. Zij liet zich mevrouw noemen. Maar
+zij was minder verheugd. Zij zou treurig zijn geweest, zoo dit bij haar
+mogelijk ware.</p>
+<p>&rsquo;t Is waarschijnlijk, dat zij met Marius een dier gesprekken
+had gehad, in welke de beminde man alles zegt wat hij wil, van niets
+verklaring geeft, en de geliefde vrouw tevreden is. De nieuwsgierigheid
+van minnenden gaat niet veel verder dan hun liefde. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span></p>
+<p>De benedenkamer had zich een weinig opgeschikt. Basque had de
+flesschen en Nicolette de spinnewebben weggeruimd.</p>
+<p>Al de volgende dagen brachten Jean Valjean op hetzelfde uur terug.
+Hij kwam dagelijks, de kracht niet hebbende, Marius&rsquo; woorden
+anders dan letterlijk op te vatten.</p>
+<p>Marius schikte het zoo, dat hij afwezend was, wanneer Jean Valjean
+kwam. Het gezin gewende zich aan de nieuwe handelwijze van Jean
+Valjean. Vrouw Toussaint hielp daarbij, zij zeide: &bdquo;Mijnheer is
+altijd z&oacute;&oacute; geweest.&rdquo; De grootvader besloot:
+&bdquo;&rsquo;t Is een zonderling.&rdquo; Daarmede was alles gezegd.
+Bovendien is er op negentigjarigen leeftijd geen nieuwe betrekking meer
+mogelijk; alles is uitwendige aanraking; een nieuwe persoon is lastig.
+Er is geen plaats meer; alle gewoonten zijn aangenomen. Mijnheer
+Fauchelevent, mijnheer Tranchelevent,&mdash;vader Gillenormand wenschte
+niets liever, dan van &bdquo;dien mijnheer&rdquo; verschoond te
+blijven. Hij zeide: &bdquo;Niets is gewoner dan deze zonderlingen. Zij
+doen allerlei vreemdigheden, zonder reden. De markies van Canaples was
+nog erger. Hij kocht een paleis om er den zolder van te bewonen. Die
+lieden hebben allerlei phantastische grillen.&rdquo;</p>
+<p>Niemand vermoedde het treurige, dat er onder verborgen lag. Wie
+trouwens had zoo iets kunnen raden? In de Indi&euml;n zijn dergelijke
+moerassen; het water schijnt buitengewoon, onverklaarbaar, golvend
+zonder dat er wind is, bewogen waar het stil moest zijn. Men aanschouwt
+de oppervlakte van deze wieling zonder oorzaak; men ziet de hydra niet,
+die op den bodem kruipt.</p>
+<p>Vele menschen hebben zulk een geheim monster in zich, een kwaal
+welke zij voeden, een draak die hen verslindt, een wanhoop, die hun
+nachten inneemt. Zoodanig mensch gelijkt op ieder ander, hij komt en
+gaat. Men weet niet, dat in hem een vreeselijke duizendtandige,
+knagende smart leeft, die hem doodt. Men weet niet, dat deze man een
+afgrond is. Een stilstaand, maar diep water. Nu en dan ontstaat op zijn
+oppervlakte een onrustige beweging, waarvan men niets begrijpt. Een
+geheimzinnige rimpel plooit zich, verdwijnt en komt weder te
+voorschijn; een luchtbel stijgt op en berst. &rsquo;t Is weinig, maar
+vreeselijk. &rsquo;t Is de ademhaling van het onbekende dier.</p>
+<p>Sommige zonderlinge gewoonten, zooals te komen wanneer anderen
+heengaan, ter zijde te gaan, wanneer anderen zich vertoonen, in alle
+omstandigheden te behouden, wat men den muurkleurigen mantel zou kunnen
+noemen, eenzame lanen te zoeken, de doodsche straat te verkiezen, zich
+niet in &rsquo;t verkeer te mengen, de menigte en de feesten te
+vermijden, het uiterlijk van welgesteldheid te hebben en armoedig te
+<span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name=
+"pb255">255</a>]</span>leven, hoe rijk men zij, zijn sleutel in den zak
+en zijn kaars bij den portier te hebben, de zijdeur binnen te gaan, de
+kleine trap op te gaan&mdash;al deze nietige zonderlingheden,
+rimpelingen, luchtbellen, vluchtige kringels op de oppervlakte, komen
+soms uit een vreeselijke diepte.</p>
+<p>Dus verliepen verscheidene weken. Een nieuw leven nam allengs
+Cosette in; de betrekkingen, welke door het huwelijk ontstaan, de
+bezoeken, het huiselijk bestuur, de vermaken, al deze gewichtige zaken.
+Cosettes vermaken waren niet kostbaar: zij bestonden eenvoudig in: bij
+Marius te zijn. Met hem uit te gaan, met hem te huis te zijn, dat was
+de grootste bezigheid van haar leven. &rsquo;t Was voor hen steeds een
+nieuwe blijdschap arm in arm, in het volle daglicht, op de openbare
+straat, zonder zich te verbergen, voor &rsquo;t oog der wereld, beiden
+alleen uit te gaan. Cosette had &eacute;&eacute;n verdriet. Vrouw
+Toussaint kon zich niet met Nicolette verstaan;&mdash;de harmonie
+tusschen deze twee oude vrijsters was onmogelijk;&mdash;zij ging dus
+weg. De grootvader was gezond; Marius had nu en dan een pleidooi; tante
+Gillenormand leidde in deze nieuwe huishouding rustig het bescheiden
+leven, dat haar genoegen was. Jean Valjean kwam dagelijks.</p>
+<p>Toen de gemeenzaamheid in &rsquo;t gesprek verdwenen was, en
+&bdquo;mevrouw,&rdquo; en &bdquo;mijnheer Jean&rdquo; er voor waren in
+plaats gekomen, kwam hij Cosette geheel anders voor. De zorg, welke hij
+genomen had om haar van zich los te maken, gelukte hem. Zij werd
+langzamerhand meer vroolijk, en allengs minder teeder. Zij beminde hem
+evenwel nog altijd, en hij gevoelde dit. Op zekeren dag zeide zij
+eensklaps tot hem: &bdquo;Gij waart mijn vader, gij zijt mijn vader
+niet meer, gij waart mijn oom, gij zijt mijn oom niet meer, gij waart
+mijnheer Fauchelevent, gij zijt Jean. Wie zijt gij toch? Ik houd van
+dat alles niet. Zoo ik niet wist, dat ge goed waart, zou ik bang voor u
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>Hij woonde nog altijd in de straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute;, er
+niet toe kunnende besluiten zich van de wijk te verwijderen waar
+Cosette woonde.</p>
+<p>In den eersten tijd bleef hij slechts eenige minuten bij Cosette en
+verwijderde zich dan.</p>
+<p>Allengs nam hij de gewoonte aan, zijn bezoeken minder kort te maken.
+Het was alsof hij gebruik maakte van de vergunning der langer wordende
+dagen, hij kwam vroeger en ging later heen.</p>
+<p>Op zekeren dag ontglipte Cosette het woord &bdquo;vader.&rdquo;</p>
+<p>Een straal van blijdschap schoot over &rsquo;t oude somber gezicht
+van Jean Valjean. Hij berispte haar: <span class="pagenum">[<a id=
+"pb256" href="#pb256" name="pb256">256</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Zeg Jean.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ha! &rsquo;t is waar,&rdquo; antwoordde zij luid lachend,
+&bdquo;mijnheer Jean.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed zoo!&rdquo; zeide hij, en wendde zich om, opdat zij niet
+zou zien, dat hij zijn oogen afwischte.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.3" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Zij herinneren zich den tuin in de straat Plumet.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het was de laatste maal. Na deze laatste flikkering
+was de verdooving volkomen. Geen gemeenzaamheid, geen &bdquo;goeden
+dag&rdquo; met een kus meer, nooit meer dit zoo innig zacht woord:
+&bdquo;mijn vader!&rdquo; hij was op zijn verzoek en door zijn eigen
+toedoen achtereenvolgens uit al zijn geluk verdreven; en hij had de
+ramp, dat, na Cosette in &eacute;&eacute;nen dag geheel te hebben
+verloren, hij haar vervolgens nog eens in gedeelten moest
+verliezen.</p>
+<p>Het oog gewent zich eindelijk aan het kelderlicht. Kortom, het was
+voor hem voldoende dagelijks Cosette eens te zien. Zijn geheel leven
+was in dat uur samengevat. Hij zette zich naast haar neer, aanschouwde
+haar zwijgend, of sprak haar van vroegere jaren, van haar kindsheid,
+van het klooster, van haar vriendinnetjes uit dien tijd.</p>
+<p>Op een namiddag van een der eerste Aprildagen, die reeds warm, maar
+nog frisch zijn, en waarin de zon haar grootste vroolijkheid
+verspreidt, ontwaakten de tuinen, die de vensters van Marius en van
+Cosette omringden, uit den winterslaap; de hagedoorn ontlook, de
+violieren prijkten als juweelen op de oude muren, de rooskleurige
+bloempjes staken hun kopjes uit de spleten der steenen, in het gras zag
+men de knoppen van madeliefjes en goudsbloemen, de witte vlinders
+vertoonden zich, de wind, deze speelman der eeuwige bruiloft, beproefde
+in de boomen de eerste noten der groote dageraads symphonie, welke de
+oude dichters de wedergeboorte noemden,&mdash;toen zeide Marius tot
+Cosette:</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben gezegd, dat wij onzen tuin in de straat Plumet
+eens wilden wederzien. Laat ons thans gaan. Men mag niet ondankbaar
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>Zij vlogen heen als twee zwaluwen naar de lente. Deze tuin in de
+straat Plumet maakte een indruk op hen als de dageraad. Achter hen in
+hun leven was reeds iets als de lente hunner liefde. Cosette had nog
+huur aan het huis in de straat Plumet. Zij gingen naar dien tuin en dat
+huis. Zij herinnerden zich alles en vergaten er alles. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name="pb257">257</a>]</span></p>
+<p>Des avonds kwam Jean Valjean op het gewone uur in de straat des
+Filles du Calvaire.</p>
+<p>&bdquo;Mevrouw is met mijnheer uitgegaan, en nog niet te huis
+gekomen,&rdquo; zei Basque. Hij zette zich zwijgend en wachtte een uur.
+Cosette kwam niet. Hij boog het hoofd en ging heen.</p>
+<p>Cosette was zoo verrukt over haar wandeling naar &bdquo;hun
+tuin&rdquo; en zoo verblijd, een ganschen dag in haar verleden te
+hebben geleefd, dat zij den volgenden dag van niets anders sprak. Zij
+dacht er niet aan, dat zij Jean Valjean in &rsquo;t geheel niet gezien
+had.</p>
+<p>&bdquo;Hoe zijt ge er heen gegaan?&rdquo; vroeg Jean Valjean
+haar.</p>
+<p>&bdquo;Te voet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hoe teruggekomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In huurrijtuig.&rdquo;</p>
+<p>Sedert eenigen tijd merkte Jean Valjean het huiselijke leven op, dat
+het jonge paar leidde. &rsquo;t Werd hem een bekommering. De zuinigheid
+van Marius was streng, en dit woord had voor Jean Valjean een
+volstrekten zin. Hij waagde een vraag.</p>
+<p>&bdquo;Waarom houdt ge geen eigen rijtuig? Een fraaie coup&eacute;
+zou u niet meer dan vijfhonderd francs &rsquo;s maands kosten. Gij zijt
+rijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet het niet,&rdquo; antwoordde Cosette.</p>
+<p>&bdquo;Zoo ook met vrouw Toussaint;&rdquo; hernam Jean Valjean,
+&bdquo;zij is vertrokken. Gij hebt geen andere dienstbode in haar
+plaats genomen. Waarom?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nicolette is voldoende.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij moet een kamenier hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Heb ik Marius niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge zoudt een eigen huis, dienstboden, een rijtuig, een loge
+in den schouwburg moeten hebben. Er is niets te goed voor u. Waarom
+zoudt ge geen gebruik van uw rijkdom maken? Rijkdom past bij
+geluk.&rdquo;</p>
+<p>Cosette antwoordde niet.</p>
+<p>De bezoeken van Jean Valjean verkortten zich niet. Verre van daar.
+&rsquo;t Valt moeielijk tegen de uitstroomingen des harten een dam te
+stellen.</p>
+<p>Wanneer Jean Valjean zijn bezoek wilde verlengen, en het uur doen
+vergeten, hield hij een lofrede op Marius; hij vond hem schoon, edel,
+moedig, geestig, welsprekend, goed. Cosette bekrachtigde en versterkte
+die lofspraak. Jean Valjean begon opnieuw. Men kon niet uitscheiden.
+Marius, dit woord was onuitputtelijk; deze zes letters bevatten
+boekdeelen. Derwijze slaagde Jean Valjean er in, lang te blijven.
+&rsquo;t Was voor hem zoo zoet, Cosette te zien en bij haar te
+vergeten! &rsquo;t Was de verbinding zijner wond. &rsquo;t Gebeurde
+meermalen, dat Basque bij <span class="pagenum">[<a id="pb258" href=
+"#pb258" name="pb258">258</a>]</span>herhaling kwam zeggen:
+&bdquo;Mijnheer Gillenormand zendt mij om mevrouw de barones te
+herinneren dat de tafel gereed is.&rdquo;</p>
+<p>Alsdan keerde Jean Valjean in diepe gedachten naar huis.</p>
+<p>Was er dan iets waars in de vergelijking met de larve, welke Marius
+in den geest was gekomen? Was Jean Valjean werkelijk een larve, die met
+volharding haar vlinder kwam opzoeken?</p>
+<p>Zekeren dag bleef hij langer dan gewoonlijk. Den volgenden dag
+merkte hij op, dat er geen vuur in den schoorsteen was.
+&bdquo;Zie!&rdquo; dacht hij. &bdquo;Geen vuur.&rdquo; En hij gaf zich
+deze verklaring: &bdquo;&rsquo;t Is natuurlijk. Wij zijn in April.
+&rsquo;t Is niet koud meer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn Hemel! hoe koud is &rsquo;t hier!&rdquo; riep Cosette
+binnenkomende.</p>
+<p>&bdquo;Och neen,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Hebt gij dan aan Basque gezegd geen vuur aan te
+leggen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja. Wij hebben aanstonds Mei.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar men stookt tot Juni. In dezen kelder heeft men het
+geheele jaar vuur noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht, dat het vuur onnoodig was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit is weder een van uwe denkbeelden!&rdquo; hernam
+Cosette.</p>
+<p>Den volgenden dag was er vuur. Maar de twee armstoelen waren aan het
+andere einde der kamer bij de deur geplaatst.</p>
+<p>&bdquo;Wat moet dit beteekenen?&rdquo; dacht Jean Valjean.</p>
+<p>Hij zette de stoelen op hun gewone plaats bij den schoorsteen.</p>
+<p>Het weder aangelegde vuur bemoedigde hem echter.</p>
+<p>Zijn bezoek duurde dezen keer nog langer dan gewoonlijk. Toen hij
+opstond om heen te gaan zeide Cosette hem:</p>
+<p>&bdquo;Gisteren heeft mijn man mij iets raars gezegd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat dan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij zeide mij: Cosette, wij hebben dertig duizend francs
+rente. Zeven-en-twintig welke gij bezit, en drie, welke mijn grootvader
+mij schenkt. Ik antwoordde: Dat maakt dertig. Toen hernam hij: Zoudt
+gij den moed hebben van drieduizend te leven? Ik antwoordde: Ja, van
+niets, mits het slechts met u zij. Daarop vroeg ik: Waarom zegt ge mij
+dat? Hij antwoordde: Om het te weten.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean vond geen woorden. Cosette verwachtte waarschijnlijk
+eenige ophelderingen van hem; hij luisterde met somber zwijgen. Toen
+hij in de straat de l&rsquo;Homme-Arm&eacute; terugkwam, was hij zoo
+verdiept in zijn gedachten, dat hij een andere deur voor de zijne nam
+en het naburige huis binnentrad. Niet eerder dan toen hij op de tweede
+verdieping was, bespeurde hij zijn vergissing en ging de trap weder
+af.</p>
+<p>Zijn geest was door verschillende vermoedens geschokt. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" name=
+"pb259">259</a>]</span>&rsquo;t Was duidelijk, dat Marius twijfel
+voedde nopens de herkomst dezer zesmaal honderdduizend francs; dat hij
+wellicht een onzuivere bron vreesde; dat hij misschien zelfs ontdekt
+had, dat dit geld van hem, Jean Valjean, afkomstig was, dat hij voor
+dien verdachten rijkdom aarzelde en geen lust had hem aan te nemen, dat
+hij liever met Cosette arm wilde blijven, dan rijk door een verdachten
+rijkdom.</p>
+<p>Bovendien begon Jean Valjean schemerend te gevoelen, dat men hem
+allengs trachtte te verwijderen.</p>
+<p>Den volgenden dag, toen hij de benedenkamer binnentrad, ontroerde
+hij. De armstoelen waren verdwenen. Er was zelfs geen stoel meer.</p>
+<p>&bdquo;O!&rdquo; riep Cosette binnentredend, &bdquo;geen armstoelen!
+Waar zijn toch de stoelen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zijn er niet meer,&rdquo; antwoordde Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Dat is raar!&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean stamelde:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb aan Basque gezegd, dat hij ze zou wegnemen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik blijf heden maar een enkel oogenblik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe kort ge ook blijft, is dit echter geen reden om te
+staan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, dat Basque de armstoelen voor het salon noodig
+had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge krijgt ongetwijfeld bezoek van avond.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Niemand.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean wist geen woord meer te zeggen.</p>
+<p>Cosette haalde de schouders op.</p>
+<p>&bdquo;De stoelen te doen wegnemen! Den vorigen dag laat ge het vuur
+uitdooven. Ge zijt zonderling!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vaarwel,&rdquo; mompelde Jean Valjean.</p>
+<p>Hij zeide niet: Vaarwel, Cosette. Maar hij had ook de kracht niet te
+zeggen: Vaarwel, mevrouw.</p>
+<p>Geheel terneergedrukt ging hij heen.</p>
+<p>Thans had hij de zaak begrepen.</p>
+<p>Den volgenden dag kwam hij niet. Dit merkte Cosette eerst des avonds
+op.</p>
+<p>&bdquo;Zie,&rdquo; zeide zij, &bdquo;mijnheer Jean is er vandaag
+niet geweest.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was, alsof haar hart eenigszins beklemd werd, maar zij
+lette er nauwelijks op, wijl zij er dadelijk door een kus van Marius
+van werd afgetrokken.</p>
+<p>Den volgenden dag kwam hij niet.</p>
+<p>Cosette sloeg er geen acht op, bracht den avond door en <span class=
+"pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name=
+"pb260">260</a>]</span>sliep des nachts als gewoonlijk, en dacht er
+niet aan dan toen zij ontwaakte. Zij was zoo gelukkig! Haastig zond zij
+Nicolette naar mijnheer Jean, om te vernemen of hij ziek was en waarom
+hij den vorigen dag niet was gekomen. Nicolette bracht het antwoord van
+mijnheer Jean. Hij was niet ziek. Hij had bezigheden. Hij zou welhaast
+komen. Zoo spoedig hij kon. Overigens ging hij een kleine reis doen.
+Mevrouw moest zich herinneren, dat hij gewoon was nu en dan op reis te
+gaan. Men behoefde niet ongerust te zijn, niet aan hem te denken. Toen
+Nicolette bij mijnheer Jean was gekomen, had zij hem de eigen woorden
+harer meesteres herhaald. Dat mevrouw haar zond om te vernemen
+&bdquo;waarom mijnheer Jean den vorigen dag niet gekomen
+was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben er in twee dagen niet geweest,&rdquo; zei Jean Valjean
+op zachten toon.</p>
+<p>Maar Nicolette sloeg geen acht op deze aanmerking en bracht ze niet
+aan Cosette over.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.4" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Aantrekking en uitdooving.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Gedurende de laatste maanden der lente en de eerste
+maanden van den zomer van 1833, merkten de weinig talrijke
+voorbijgangers van den Marais, de winkeliers, de nietsdoeners op hun
+stoepen, een net in &rsquo;t zwart gekleeden grijsaard op, die
+dagelijks op hetzelfde uur, tegen het vallen van den avond, de straat
+de l&rsquo;Homme-Arm&eacute; verliet, aan de zijde der straat
+Saint-Croix de la Bretonnerie, de Blancs-Manteaux voorbij, de straat
+Culture-Sainte-Catherine inging en aan de Echarpe-straat gekomen links
+de straat Saint-Louis insloeg.</p>
+<p>Daar ging hij langzaam, met vooruitgestoken hoofd, niets ziende,
+niets hoorende, het oog strak op hetzelfde punt gericht, dat een ster
+voor hem scheen, en slechts de hoek der straat des Filles du Calvaire
+was. Hoe nader hij bij dien hoek der straat kwam, des te helderder werd
+zijn oog, een soort van vreugd blonk in zijn blik als een inwendige
+dageraad; hij scheen als betooverd en verteederd; zijn lippen bewogen
+zich alsof hij tot iemand sprak, dien hij niet zag; hij glimlachte
+onwillekeurig en trad zoo langzaam hij kon voort. Men zou gemeend
+hebben dat, hoewel hij wenschte aan te komen, hij echter het oogenblik
+vreesde, dat hij er zijn zou. Toen nog slechts eenige huizen tusschen
+hem en deze straat waren, <span class="pagenum">[<a id="pb261" href=
+"#pb261" name="pb261">261</a>]</span>welke hem scheen aan te trekken,
+vertraagde hij zijn tred zoodanig, dat het op sommige oogenblikken was,
+alsof hij in &rsquo;t geheel niet ging. Het vooruitsteken van zijn
+hoofd en de strakheid van zijn oogappels deden aan de kompasnaald
+denken, die door de pool wordt aangetrokken. Hoe lang hij zijn
+wandeling rekte, eindelijk moest hij toch aankomen, en de straat des
+Filles du Calvaire bereiken; dan hield hij stil; hij beefde, draaide
+zijn hoofd met een zweem van sombere beschroomdheid om den hoek van het
+laatste huis en keek in die straat. In zijn treurigen blik was iets,
+dat aan de verbijstering van het onmogelijke geleek en de
+lichtweerkaatsing van een gesloten hemel. Dan rolde een traan, die zich
+allengs in zijn oog vergaderd had, over zijn wang, en soms tot aan zijn
+mond. De grijsaard proefde er den zilten smaak van. Zoo bleef hij
+eenige oogenblikken als versteend staan; vervolgens keerde hij langs
+denzelfden weg, met denzelfden tred terug, en naarmate hij zich
+verwijderde werd zijn blik doffer.</p>
+<p>Allengs hield deze grijsaard op tot aan den hoek der straat des
+Filles du Calvaire te gaan, en ging slechts tot half in de straat
+Saint-Louis; nu iets verder dan iets korter. Op zekeren dag bleef hij
+aan den hoek der straat Culture-Sainte-Catherine en zag in de verte
+naar de straat des Filles du Calvaire.</p>
+<p>Toen schudde hij stil het hoofd, alsof hij zich zelven iets
+ontzegde, en keerde denzelfden weg terug.</p>
+<p>Spoedig ging hij zelfs niet meer tot aan de straat Saint-Louis. Hij
+kwam tot aan de straat Pav&eacute;e, schudde het hoofd en keerde terug;
+vervolgens ging hij niet verder meer dan de straat des Trois-Pavillons;
+toen niet meer voorbij de Blancs-Manteaux. Hij geleek een slinger,
+welks bewegingen hoe langer hoe korter worden, tot zij geheel
+ophouden.</p>
+<p>Dagelijks ging hij op hetzelfde uur uit, ondernam dezelfde
+wandeling, maar bracht ze niet ten einde, en, zonder dat hij er
+misschien zelf van bewust was, verkortte hij ze gestadig. Zijn geheel
+gelaat drukte deze enkele gedachte uit: Waartoe dient het? Zijn oog was
+thans dof, zonder glans. Ook de traan was opgedroogd en verzamelde zich
+niet meer in zijn ooghoek; het peinzend oog was droog. Steeds was het
+hoofd van den grijsaard vooruit gebogen; soms bewoog zich de kin; de
+plooien van zijn mageren hals verwekten medelijden. Soms, wanneer het
+slecht weder was, had hij een parapluie onder den arm, welke hij niet
+opende. De moedertjes in de buurt zeiden: Hij is kindsch. De kinderen
+liepen hem lachend na. <span class="pagenum">[<a id="pb263" href=
+"#pb263" name="pb263">263</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0 book">
+<h2 class="label">Boek IX.</h2>
+<h2 class="main">Zwaarste schaduw, helderst morgenrood<span class=
+"corr" id="xd20e5666" title="Niet in bron">.</span></h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name=
+"pb265">265</a>]</span>
+<div id="ch9.1" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid
+voor de gelukkigen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&rsquo;t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn!
+Hoe stelt men er zich me&ecirc; tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg
+is! Hoe spoedig vergeet men,&mdash;in het bezit zijnde van het valsche
+doel des levens,&mdash;het eigenlijk geluk, het ware, den plicht.</p>
+<p>Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou
+beschuldigen.</p>
+<p>Marius,&mdash;wij hebben het gezegd&mdash;had v&oacute;&oacute;r
+zijn huwelijk tot den heer Fauchelevent geen vragen gericht, en later
+huiverde hij er Jean Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot
+welke hij zich had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf
+gezegd, dat hij ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te
+doen. Hij had er zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis
+te verwijderen en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen.
+Hij had zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean
+geplaatst, verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet
+aan hem denken zou. &rsquo;t Was meer dan uitwissching, &rsquo;t was
+verduistering.</p>
+<p>Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij
+ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder
+zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, en
+nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, dat hij
+bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen kantoorklerk
+van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem ongezocht
+geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter niet nader had
+kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke hij beloofd had, te
+schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te brengen. Hij meende
+thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: namelijk de teruggave
+van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, dien hij zoo
+behoedzaam <span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" name=
+"pb266">266</a>]</span>mogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit geld
+aan te raken<span class="corr" id="xd20e5684" title=
+"Bron: :">.</span></p>
+<p>Cosette was met geen dezer geheimen bekend; &rsquo;t zou evenwel
+hard zijn ook haar te veroordeelen.</p>
+<p>Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar
+instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius
+wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van &bdquo;mijnheer Jean&rdquo;,
+den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar
+niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken
+druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar
+gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat.
+Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist
+waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel
+zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen
+Marius&rsquo; geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.</p>
+<p>Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze
+vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer
+onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die
+zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit
+had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu
+naar &eacute;&eacute;n zijde overhelde.</p>
+<p>Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich
+verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik.
+Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?&mdash;&rsquo;t Is waar,
+dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo
+lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute;, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn
+reis terug was. Jean Valjean liet &bdquo;neen&rdquo; antwoorden.</p>
+<p>Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts
+&eacute;&eacute;n behoefte had: Marius.</p>
+<p>Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren
+geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het
+graf van zijn vader had gevoerd.</p>
+<p>Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had
+zich laten leiden.</p>
+<p>&rsquo;t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de
+ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke
+zaak, als men meent. &rsquo;t Is de ondankbaarheid der natuur. De
+natuur, wij hebben het elders gezegd, &bdquo;ziet vooruit&rdquo;. De
+natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden
+zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een
+verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der
+jongen onwillekeurig is. <span class="pagenum">[<a id="pb267" href=
+"#pb267" name="pb267">267</a>]</span>Deze verwijdering, eerst
+ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken.
+De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich
+van. &rsquo;t Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der
+vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar
+het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid
+vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de
+grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen
+niet.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9.2" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Laatste flikkering der lamp zonder olie.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed
+drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden
+straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had
+gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven.
+Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij
+niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.</p>
+<p>Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige
+aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en
+riep:</p>
+<p>&bdquo;Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet
+gegeten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Jawel,&rdquo; antwoordde Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;De schotel is nog vol.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bezie deze waterkruik. Zij is ledig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten
+hebt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; hernam Jean Valjean, &bdquo;zoo ik alleen maar
+honger naar water heb gehad?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het
+koorts.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal morgen eten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen
+eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo
+lekker.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Ik beloof u het te eten,&rdquo; zeide hij met zijn
+goedmoedige stem.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben ontevreden op u,&rdquo; antwoordde de portierster.</p>
+<p>Jean Valjean zag <span class="corr" id="xd20e5742" title=
+"Bron: nauwelijk">nauwelijks</span> een ander menschelijk wezen dan
+deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemand <span class=
+"pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name=
+"pb268">268</a>]</span>doorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij
+was in een dier straten en in een dier huizen.</p>
+<p>In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een
+koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover
+zijn bed aan een spijker had gehangen. &rsquo;t Is altijd goed, zulk
+een teeken voor zijn oogen te hebben.</p>
+<p>Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer
+deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man:
+&bdquo;De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij
+zal &rsquo;t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan
+&rsquo;t mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig
+getrouwd is.&rdquo;</p>
+<p>De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:</p>
+<p>&bdquo;Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet
+rijk, dan kan hij &rsquo;t niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal
+hij sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En zoo hij er een neemt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zal hij ook sterven,&rdquo; zei de portier.</p>
+<p>De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de
+steenen &bdquo;harer straat&rdquo; te krabben, terwijl zij
+mompelde:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank
+als een hoen.&rdquo;</p>
+<p>Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt
+voorbijgaan. Zij nam &rsquo;t op zich, hem te verzoeken eens naar den
+zieke te zien.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is op de tweede verdieping,&rdquo; zeide zij.
+&bdquo;Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed
+komt, steekt de sleutel altijd in de deur.&rdquo;</p>
+<p>De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar
+beneden ging, vroeg de portierster hem:</p>
+<p>&bdquo;Nu, dokter?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Uw zieke is zeer ziek.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat deert hem?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Alles en niets. &rsquo;t Is iemand, die, zoo &rsquo;t
+schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan
+sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat heeft hij u gezegd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Komt ge terug, dokter?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; antwoordde de geneesheer; &bdquo;maar &rsquo;t
+ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name="pb269">269</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9.3" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een pen is zwaar voor dengene die de kar van
+Fauchelevent oplichtte.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den
+elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn
+ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was
+geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of
+andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich
+zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud
+arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in
+gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder &rsquo;t
+kleeden eenige keeren rusten: alleen door &rsquo;t aantrekken van het
+buis, kwam het zweet hem op &rsquo;t gezicht.</p>
+<p>Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om
+zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.</p>
+<p>Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.</p>
+<p>Hij spreidde ze uit op zijn bed.</p>
+<p>De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den
+schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de
+kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel &rsquo;t nog helderlichte dag
+in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in
+kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het
+andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan
+zitten. &rsquo;t Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht
+verteert om haar te hernieuwen; &rsquo;t was het overblijfsel der nog
+mogelijke bewegingen, &rsquo;t was het uitgeputte leven, dat verteert
+door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.</p>
+<p>Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die
+zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin
+hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had.
+Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen
+tachtig jaar oud: v&oacute;&oacute;r het huwelijk van Marius zou men
+hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor
+dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel
+van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar
+de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn
+gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren
+neergetrokken, als bij die maskers, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span>welke de ouden op hun
+grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het
+ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen
+houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien
+toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart
+niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel
+is dan door de wanhoop versteend.</p>
+<p>De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden
+armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en
+papier.</p>
+<p>Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn
+bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende
+optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.</p>
+<p>Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon
+niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare
+voorwerpen.</p>
+<p>Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen.
+Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem
+overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den
+bisschop verlicht werd, en nam de pen.</p>
+<p>Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de
+punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan
+om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting
+hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht
+de pen &rsquo;t achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan
+veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.</p>
+<p>Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">&bdquo;Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring
+geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik
+heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening
+vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch.
+Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin
+steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit
+wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te
+herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de
+zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit
+Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is
+lichter, kostbaarder en duurder. Men kan &rsquo;t in Frankrijk evengoed
+als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee
+vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te
+maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars en <span class=
+"pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name=
+"pb271">271</a>]</span>lampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik
+heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan
+slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van
+een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren
+plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor
+gouden kleinoodi&euml;n zijn! Spanje koopt er veel. &rsquo;t Is het
+land van git...&rdquo;</p>
+</div>
+<p>Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem
+overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner
+ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.</p>
+<p>&bdquo;Ach!<span class="corr" id="xd20e5830" title=
+"Bron: &rsquo;">&rdquo;</span> riep hij inwendig (erbarmelijke kreten,
+die God alleen hoort), &bdquo;&rsquo;t is gedaan. Ik zal haar niet meer
+zien. &rsquo;t Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den
+nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een
+oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te
+aanschouwen, de engel, en dan sterven! &rsquo;t Is niets te sterven;
+maar &rsquo;t is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou
+mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen,
+&rsquo;t is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God!
+ik zal haar niet wederzien.&rdquo;</p>
+<p>In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9.4" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Zwarte inkt die wit maakt.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond,
+had Basque aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar
+zijn schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld
+en gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de
+voorkamer.</p>
+<p>Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem
+in den tuin.</p>
+<p>Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van
+grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op het
+eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot die
+soort.</p>
+<p>Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een
+herinnering dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het
+opschrift: &bdquo;Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn
+h&ocirc;tel.&rdquo; Na den tabak herkend te hebben, herkende hij het
+schrift. Men zou kunnen zeggen, dat de verbazing <span class=
+"pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name=
+"pb272">272</a>]</span>bliksems heeft. Marius werd als door een dier
+bliksems verlicht.</p>
+<p>De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele
+wereld in hem herleven. &rsquo;t Was wel hetzelfde papier, dezelfde
+wijze van toevouwing, dezelfde bleeke inkt; &rsquo;t was wel het
+bekende schrift, bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette
+verscheen voor hem.</p>
+<p>Alzoo&mdash;zonderlinge gril van het toeval&mdash;kwam zich vanzelf
+een der beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor
+welke hij onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende
+voor altijd verloren te hebben.</p>
+<p>Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first salute">&bdquo;Mijnheer de baron!</p>
+<p>&bdquo;Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou
+ik de baron Th&eacute;nard kunnen geweest zijn, lid van het instituut
+(academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts
+denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering
+mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij
+mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een
+geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim
+te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik
+zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte
+familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl
+mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag
+niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.</p>
+<p>&bdquo;Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den
+baron.</p>
+<p class="salute">&bdquo;Met eerbied.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>De brief was onderteekend: &bdquo;<span class=
+"sc">Th&eacute;nard</span>.&rdquo;</p>
+<p>Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig
+verkort.</p>
+<p>Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling
+allen twijfel.</p>
+<p>Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing,
+gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man,
+dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem niets
+meer te wenschen over.</p>
+<p>Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes
+uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque
+keek door de deur. <span class="pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273"
+name="pb273">273</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Laat den man binnenkomen,&rdquo; zei Marius.</p>
+<p>Basque diende aan:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Th&eacute;nard.&rdquo;</p>
+<p>Een man trad binnen.</p>
+<p>Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem
+volkomen onbekend.</p>
+<p>Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, een
+groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, sluik
+neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen hoogen
+adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in &rsquo;t zwart
+gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met zware
+cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er een
+horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij ging
+gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij het
+binnentreden nog dieper. &rsquo;t Viel bij den eersten blik in &rsquo;t
+oog, dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem
+veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel
+woord ter opheldering noodig.</p>
+<p>In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat
+Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep
+uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor
+langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De
+verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig sous
+per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de
+eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette
+&bdquo;de Wisselaar&rdquo;; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien
+naam gegeven en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling
+kleedingstukken was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de
+lieden opschikte, waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en
+categorie&euml;n; aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten
+en opgelapt, een maatschappelijke stand; hier de rok van een
+gerechtspersoon, daar die van een pastoor, ginds de rok van een
+bankier, in een hoek de uniform van een gepensionneerd militair, elders
+de rok van den geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit
+wezen was de costumier van het groote drama, &rsquo;t welk de
+schelmerij te Parijs speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de
+diefstal ging en de afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in
+dat kleerenmagazijn, gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij
+dien dag wilde spelen, de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande,
+had de schurk het voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd
+de kleeding trouw teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de
+dieven toevertrouwde, werd nooit <span class="pagenum">[<a id="pb274"
+href="#pb274" name="pb274">274</a>]</span>bestolen. Maar deze
+kleedingstukken hadden een ongerief, zij pasten niet altijd, wijl zij
+niet voor hen waren gemaakt, die ze droegen. Zij waren voor den een te
+nauw, voor den ander te wijd, en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere
+gauwdief, die kleiner of grooter dan de middelbare lengte was, vond
+zich in de costumes van den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest
+noch te dik noch te dun zijn. De wisselaar had slechts op gewone
+menschen gerekend. Hij had de maat genomen op den eersten den besten
+schurk, die noch te dik noch te dun, noch te groot noch te klein was.
+Vandaar dat de klanten van den wisselaar moeite hadden iets van pas te
+vinden, en zij zich moesten behelpen zoo goed zij konden. Des te erger
+voor de uitzonderingen. De kleeding van den staatsman, bij voorbeeld,
+van top tot teen zwart en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw
+voor Castelcicala zijn geweest. De kleeding van den staatsman was
+volgenderwijs in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij
+copieeren: &bdquo;Een zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir
+de laine, een zijden vest, laarzen en linnengoed.&rdquo; Daarnaast
+stond: &bdquo;oud ambassadeur,&rdquo; en eene noot, welke wij
+insgelijks overschrijven: &bdquo;In een afzonderlijke doos, een net
+gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee kleine
+penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld.&rdquo; Dit alles
+behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was om
+zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was aan
+een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een knoop op
+de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een staatsman zijn
+hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, kon hij op die
+wijze den ontbrekenden knoop verbergen.</p>
+<p>Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van
+Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque
+binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig
+van den kapstok des wisselaars.</p>
+<p>De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij
+verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij
+beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich
+onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:</p>
+<p>&bdquo;Wat wilt gij?&rdquo;</p>
+<p>De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende
+glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer
+zou gehad hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien.
+<span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name=
+"pb275">275</a>]</span>Ik meen zeker hem voor eenige jaren dikwijls bij
+mevrouw de prinses Bagration en in de salons van mijnheer den vicomte
+Dambray, Pair van Frankrijk, te hebben ontmoet.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn
+aan te nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.</p>
+<p>Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde
+zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij
+sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem,
+welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.</p>
+<p>&bdquo;Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray,&rdquo;
+zeide hij. &bdquo;Ik heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch
+bij den ander gezet.&rdquo;</p>
+<p>Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin
+beleefd:</p>
+<p>&bdquo;Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer
+gezien heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam.
+Hij zegt mij dikwijls: Th&eacute;nard, mijn vriend,... laat ons samen
+een glas wijn drinken!&rdquo;</p>
+<p>Marius zag hoe langer hoe strenger.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn.
+Zeg zonder omwegen wat uw begeerte is?&rdquo;</p>
+<p>Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In
+Amerika, in een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya
+genoemd. Dat dorp bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis,
+drie verdiepingen hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van
+het vierkant is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf
+voet in, zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed
+rondom &rsquo;t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats
+voor den voorraad en de <span class="corr" id="xd20e5929" title=
+"Bron: amunitie">ammunitie</span>; er zijn geen vensters, geen
+schietgaten, geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het
+eerste terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het
+tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen,
+geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders;
+des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt
+donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te
+komen; &rsquo;t is des daags een huis, des nachts een citadel;
+achthonderd inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat
+het een gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men
+daarheen? Omdat het een wonderbaar land is; men vindt er
+goud.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?&rdquo; viel Marius hem
+in de rede, wiens teleurstelling tot ongeduld overging. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien
+deze betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste
+gebracht. Ik wil &rsquo;t eens met de wilden beproeven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Verder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme
+boerin, die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence
+voorbijrijdt; de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert
+zich niet om. De hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van
+den rijke blaft tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is
+&rsquo;s menschen doel. Goud is de magneet!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Verder? maak een einde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons
+drie&euml;n. Ik heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon
+meisje. De reis is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld
+noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat gaat mij dit aan?&rdquo; zei Marius.</p>
+<p>De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van
+den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet
+gelezen?&rdquo;</p>
+<p>Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius
+afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief gelezen.
+Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een oogenblik was hij
+door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had deze woorden
+opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een vorschenden
+blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet scherper
+gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:</p>
+<p>&bdquo;Spreek duidelijk.&rdquo;</p>
+<p>De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het
+hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt
+Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.</p>
+<p>&bdquo;Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u
+een geheim verkoopen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een geheim?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een geheim.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat mij betreft?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eenigszins.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welk geheim?&rdquo;</p>
+<p>Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.</p>
+<p>&bdquo;Ik begin voor niets,&rdquo; zei de onbekende. &bdquo;Gij zult
+zien, dat ik belangrijk word.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb277" href="#pb277" name="pb277">277</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Spreek.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en
+moordenaar.&rdquo;</p>
+<p>Marius ontroerde.</p>
+<p>&bdquo;In mijn huis, neen,&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:</p>
+<p>&bdquo;Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de
+baron, dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die
+door verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen
+zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van zaken
+waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga verder. Deze
+man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie gedrongen onder
+een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik zal hem u voor
+niets zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik luister.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij heet Jean Valjean.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet het.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Spreek.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een voormalig galeiboef.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet het.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij weet het sedert ik de eer heb gehad &rsquo;t u te
+zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik wist het vroeger.&rdquo;</p>
+<p>De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, &bdquo;ik weet
+het&rdquo;, zijn kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den
+onbekende een verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een
+woedenden blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik
+was, ontsnapte hij aan Marius niet. &rsquo;t Was een derzulke, die men
+herkent wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen
+slechts in zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel,
+brandt er door; een bril verbergt niets;&mdash;zet eens een glasruit
+voor de hel!</p>
+<p>De onbekende hernam glimlachend:</p>
+<p>&bdquo;Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken.
+In allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu
+heb mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin
+van mevrouw de barones. &rsquo;t Is een buitengewoon geheim. &rsquo;t
+Is te koop. Ik bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig
+duizend francs.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ken dat geheim evenals de andere,&rdquo; zei Marius.</p>
+<p>Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig
+af te slaan.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik
+spreek.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278" name=
+"pb278">278</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat
+ge mij zeggen wilt.&rdquo;</p>
+<p>In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:</p>
+<p>&bdquo;Ik moet vandaag toch eten. &rsquo;t Is een buitengewoon
+geheim, zeg ik u. Ik zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef
+mij twintig francs.&rdquo;</p>
+<p>Marius zag hem strak in het gezicht:</p>
+<p>&bdquo;Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van
+Jean Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn naam?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer
+gehad hem u te schrijven en te zeggen. Th&eacute;nard.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Th&eacute;nardier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wie? Hoe?&rdquo;</p>
+<p>In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt
+zich dood, de oude garde vormt zich in carr&eacute;; deze man
+lachte.</p>
+<p>Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.</p>
+<p>Marius hernam:</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de
+dichter Genflot, de Spanjaard don Alvar&egrave;s, en vrouw
+Balizard.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vrouw? welke?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een kroeg! Nooit!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ik zeg u, dat ge Th&eacute;nardier zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik loochen het.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En dat ge een schoft zijt. Ziedaar.&rdquo;</p>
+<p>En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp &rsquo;t hem in
+&rsquo;t gezicht.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de
+baron!&rdquo;</p>
+<p>En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.</p>
+<p>&bdquo;Vijfhonderd francs!&rdquo; hernam hij verstomd. En
+<span class="corr" id="xd20e6075" title="Bron: hafluid">halfluid</span>
+stamelde hij: &bdquo;Een echt bankje!&rdquo;</p>
+<p>Toen riep hij plotseling:</p>
+<p>&bdquo;Nu, het zij zoo. Laten we &rsquo;t ons gemakkelijk
+maken.&rdquo;</p>
+<p>En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril
+afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke we
+straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, nam hij
+zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name="pb279">279</a>]</span></p>
+<p>Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd
+streek zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed
+en sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron is onfeilbaar,&rdquo; zeide hij, met een
+duidelijke stem, waaruit alle neusklank was verdwenen, &bdquo;ik ben
+Th&eacute;nardier.&rdquo;</p>
+<p>En hij richtte zijn gebogen rug op.</p>
+<p>Th&eacute;nardier, want hij was het werkelijk, was zonderling
+verrast; hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware.
+Hij had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze
+deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel
+beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.</p>
+<p>Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil
+van zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond.
+Niet alleen wist deze baron alles van Th&eacute;nardier, maar hij
+scheen ook alles van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier
+baardelooze jonge man, die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam
+der lieden, al hun namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de
+schurken als een rechter oordeelde en hen als een bedrogene
+betaalde?</p>
+<p>Men herinnere zich, dat Th&eacute;nardier, hoewel naast Marius
+gewoond hebbende, dezen nooit gezien had, &rsquo;t geen te Parijs niets
+zeldzaams is; vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van
+een zeer arm jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij
+had, zonder hem te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens
+zijn gedachte was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en
+mijnheer den baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn
+dochter Azelma, welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16
+Februari had uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in
+geslaagd veel te vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het
+hem gelukt meer dan &eacute;&eacute;n geheimzinnigen draad te vatten.
+Door allerlei sluwe praktijken, of ten minste door gissingen, had hij
+&ograve;f ontdekt &ograve;f geraden, wie de man was, dien hij op
+zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den man was hij
+gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw de barones
+Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij geheimhoudend
+zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij vermoedde wel
+iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was hem altijd verdacht
+voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te spreken? Om zich voor
+zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of meende iets beter te
+hebben om te verkoopen. En <span class="pagenum">[<a id="pb280" href=
+"#pb280" name="pb280">280</a>]</span>waarschijnlijk zou deze
+verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan:
+&bdquo;Uw vrouw is een onecht kind&rdquo;, geen andere uitkomst hebben
+gehad, dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.</p>
+<p>Volgens Th&eacute;nardiers meening was de onderhandeling met Marius
+nog niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn
+stelling verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog
+in gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij
+iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy,
+die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich
+sterk. Voor lieden als Th&eacute;nardier is ieder gesprek een gevecht.
+Hoe was zijn toestand in dat, &rsquo;t welk gevoerd zou worden? Hij
+wist niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam
+hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben:
+&bdquo;Ik ben Th&eacute;nardier&rdquo;, wachtte hij.</p>
+<p>Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan
+Th&eacute;nardier voor zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had
+weder te vinden, was er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den
+kolonel Pontmercy gevolg geven. &rsquo;t Was voor hem een
+verootmoediging, dat deze held iets aan dezen schurk verschuldigd was,
+en dat de wisselbrief, dien zijn vader uit zijn graf op hem, Marius,
+had getrokken, tot heden geprotesteerd was. Ook meende hij in den
+zonderlingen toestand, waarin zijn geest zich ten opzichte van
+Th&eacute;nardier bevond, dat de kolonel gewroken moest worden over het
+ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe het ook zij, hij
+was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den kolonel van dezen
+schandelijken schuldeischer verlossen, en &rsquo;t was hem alsof hij de
+gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.</p>
+<p>Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo
+mogelijk, de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen
+zich de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Th&eacute;nardier
+iets. &rsquo;t Kon nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon
+hij.</p>
+<p>Th&eacute;nardier had het &bdquo;echte bankbriefje&rdquo; in zijn
+zak doen verdwijnen en aanschouwde Marius met schier teedere
+zachtheid.</p>
+<p>Marius verbrak de stilte.</p>
+<p>&bdquo;Th&eacute;nardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat
+ik u het geheim zegge, &rsquo;t welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik
+heb mijn inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean
+Valjean is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief,
+wijl hij een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft
+veroorzaakt, den heer Madeleine. Een <span class="pagenum">[<a id=
+"pb281" href="#pb281" name="pb281">281</a>]</span>moordenaar, wijl hij
+den politieagent Javert heeft vermoord.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp u niet, mijnheer de baron,&rdquo; zei
+Th&eacute;nardier.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement
+van Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger in
+aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van Madeleine
+zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was in de volle
+beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met een industrie,
+de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een geheele stad tot
+welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin gemaakt, doch slechts
+in de tweede plaats en als toevallig. Hij was de verzorger der armen.
+Hij stichtte hospitalen, opende scholen, bezocht de kranken, gaf
+huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde de weduwen, nam weezen
+aan; hij was als de voogd van het oord. Hij had het ridderkruis
+geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een in vrijheid gestelde
+galeiboef kende het geheim van een door dien man vroeger ondergane
+straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen nemen en maakte van deze
+gevangenneming gebruik om naar Parijs te gaan en zich door den bankier
+Laffitte&mdash;ik heb dit van den kassier zelven vernomen&mdash;door
+middel van een valsche handteekening, een som van meer dan een half
+millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, te laten uitbetalen.
+Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft bestolen, is Jean Valjean.
+Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin iets nieuws mededeelen. Jean
+Valjean heeft den agent Javert gedood; hem met een pistoolschot gedood.
+Ik zelf was er bij tegenwoordig.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een
+geslagen man, die de hand weder op de overwinning legt en in
+&eacute;&eacute;n minuut het terrein herwint, dat hij verloren had.
+Maar de glimlach keerde dadelijk terug; de mindere moet tegenover den
+meerdere heimelijk zegevieren, en Th&eacute;nardier zeide niets anders
+tot Marius dan:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg.&rdquo;</p>
+<p>En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting
+veelbeteekenend te rammelen.</p>
+<p>&bdquo;Wat!&rdquo; hernam Marius, &bdquo;spreekt ge dit tegen? Het
+zijn feiten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede
+mijnheer de baron mij vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te
+zeggen. Bovenal waarheid en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat
+de lieden onrechtvaardig beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean
+Valjean heeft den heer Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft
+Javert niet gedood.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is sterk! Hoe weet ge dit?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name="pb282">282</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Om twee redenen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke? Spreek.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen,
+aangezien hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat vertelt ge mij toch?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij,
+die Javert heeft gedood, Javert zelf is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat bedoelt ge?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Bewijs! bewijs!&rdquo; riep Marius buiten zich zelven.</p>
+<p>Th&eacute;nardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij
+een oud Alexandrijnsch vers opzeide:</p>
+<p>&bdquo;De
+politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar bewijs dit!&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag,
+waarin papieren van verschillende grootte schenen bewaard te
+worden.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb mijn aktestukken,&rdquo; zeide hij bedaard.</p>
+<p>En hij voegde er bij:</p>
+<p>&bdquo;In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig
+willen kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde
+persoon zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad
+dan Javert, en &rsquo;t geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke
+bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar gedrukte
+bewijzen.&rdquo;</p>
+<p>Dus sprekende nam Th&eacute;nardier uit den omslag twee nummers van
+geel geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het
+eene dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken
+vallende, scheen veel ouder dan het andere.</p>
+<p>&bdquo;Twee feiten, twee bewijzen,&rdquo; zei Th&eacute;nardier en
+reikte Marius de twee opengeslagen bladen.</p>
+<p>De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer
+van <i lang="fr">le Drapeau blanc</i> van 25 Juli 1823, van &rsquo;t
+welk men in het derde deel van dit werk den tekst heeft gezien,
+bevestigde de identiteit van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het
+andere, een <i>Moniteur</i> van 15 juni 1832, bewees den zelfmoord van
+Javert, met de bijvoeging, dat het uit een mondeling rapport van Javert
+aan den prefect van politie bleek, dat, toen hij in de barricade van de
+Chanvreriestraat gevangen was genomen, hij aan de edelmoedigheid van
+een opstandeling het leven te danken had gehad, daar deze, toen hij hem
+onder zijn pistool had, het in de lucht afschoot, in plaats van er hem
+mede door het hoofd te schieten. <span class="pagenum">[<a id="pb283"
+href="#pb283" name="pb283">283</a>]</span></p>
+<p>Marius las. &rsquo;t Was iets stelligs, een bepaalde datum, een
+onwraakbaar bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om
+Th&eacute;nardiers gezegde te bevestigen: het in den <i>Moniteur</i>
+geplaatste bericht was door de prefectuur van politie offici&euml;el
+medegedeeld. Marius kon niet twijfelen. De mededeelingen van den
+kassiers-klerk waren valsch, en deze had zich zelf vergist. Jean
+Valjean, eensklaps groot geworden, scheen als uit een wolk te komen.
+Marius kon een vreugdekreet niet bedwingen:</p>
+<p>&bdquo;Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch!
+dat geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de
+voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder
+van Javert! hij is een held, een heilige!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is noch een heilige noch een held,&rdquo; zei
+Th&eacute;nardier. &bdquo;Hij is een moordenaar en dief.&rdquo;</p>
+<p>En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij
+gezag begon te verkrijgen: &bdquo;Laat ons bedaard zijn!&rdquo;</p>
+<p>Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen
+waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.</p>
+<p>&bdquo;Nog?&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>&bdquo;Altijd,&rdquo; hernam Th&eacute;nardier. &bdquo;Jean Valjean
+heeft Madeleine niet bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert
+niet gedood, maar is toch een moordenaar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wilt ge,&rdquo; hernam Marius, &bdquo;van dien ellendigen
+diefstal, van voor veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen
+zelve blijkt, door een geheel leven van berouw, zelfverloochening en
+deugd geboet werd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal,
+dat ik van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is
+geheel en al onbekend. &rsquo;t Is niet gedrukt. En daar zult gij
+misschien de bron in vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo
+behendig aan mevrouw de barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want
+door een dergelijke gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks
+welvaart men zal deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad
+verbergt, genot van zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een
+familie schept, dit is inderdaad niet dom.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden,&rdquo; merkte Marius
+aan, &bdquo;maar ga voort.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw
+edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij
+zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer
+eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te
+uwen gunste; de berekening <span class="pagenum">[<a id="pb284" href=
+"#pb284" name="pb284">284</a>]</span>is zeer schrander; maar hij bezit
+nu geen centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik
+eenig geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit,
+de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid,
+veroorloof mij een stoel te nemen.&rdquo;</p>
+<p>Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.</p>
+<p>Th&eacute;nardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide
+dagbladen, stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de
+nagels op de <i lang="fr">Drapeau blanc</i> sloeg: &bdquo;&rsquo;t
+heeft mij moeite gekost dit te krijgen.&rdquo; Toen sloeg hij de beenen
+over elkander en leunde met den rug in den armstoel, welke houding te
+kennen geeft, dat men zeker is van &rsquo;t geen men zegt; vervolgens
+ging hij tot de zaak over, ernstig en op zijn woorden drukkende:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar
+geleden, op den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van
+Parijs, ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de
+brug der Invaliden en de brug van Jena.&rdquo;</p>
+<p>Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van
+Th&eacute;nardier. Th&eacute;nardier merkte deze beweging op, en sprak
+voort met de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en
+de hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:</p>
+<p>&bdquo;Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen,
+die overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf
+gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni
+was; &rsquo;t kon acht uren &rsquo;s avonds zijn. De man hoorde gerucht
+in het riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde.
+&rsquo;t Was &rsquo;t gerucht van voetstappen, men ging in de
+duisternis, en men kwam naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in
+het riool nog een ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool
+was niet ver. Een weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den
+nieuw gekomene te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug
+droeg. Hij ging gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude
+galeiboef, en wat hij op den rug droeg was een lijk. Kan er een
+tastbaarder bewijs van moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft,
+dit spreekt vanzelf, men vermoordt niet iemand voor niets. Deze
+galeiboef ging het lijk in de rivier werpen. Het verdient opmerking,
+dat deze galeiboef, v&oacute;&oacute;r hij aan het uitgangshek kwam,
+reeds zeer verre door het riool was gegaan, en noodwendig een
+schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij het lijk had kunnen
+achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers bij &rsquo;t schoonmaken
+den volgenden dag terstond den vermoorden man hebben gevonden, &rsquo;t
+geen de moordenaar <span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285"
+name="pb285">285</a>]</span>niet wilde. Hij torste zijn last liever
+door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke inspanning gekost
+hebben, want &rsquo;t is onmogelijk grooter levensgevaar te trotseeren;
+ik begrijp niet, hoe hij &rsquo;t er levend heeft
+afgebracht.&rdquo;</p>
+<p>Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Th&eacute;nardier maakte
+er gebruik van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles
+ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, moeten
+zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de
+doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot
+leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei tot
+den verblijfhouder: &bdquo;Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet
+hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij.&rdquo; Deze galeiboef
+was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel
+onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd
+te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan dat
+hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had en
+geheel door bloed misvormd was. Onder &rsquo;t gesprek vond hij middel
+om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat de
+moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, &rsquo;t was een bewijsstuk; een
+middel om weder op &rsquo;t spoor der zaak te komen en den schuldige
+van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak,
+waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet
+uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij
+volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, en
+vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar den
+vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, die
+het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, spreekt
+op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok...&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart
+laken te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij
+hield het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.</p>
+<p>Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart
+laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder
+zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, en
+zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar den
+sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen stak. Hij
+vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, zonder
+dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Th&eacute;nardier hem
+voorhield, stak hij zijn arm in de kast. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb286" href="#pb286" name="pb286">286</a>]</span></p>
+<p>Ondertusschen voer Th&eacute;nardier voort:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven
+dat de vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean
+in een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich
+had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!&rdquo; riep
+Marius, terwijl hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den
+grond wierp.</p>
+<p>Daarop rukte hij de lap uit Th&eacute;nardiers handen, knielde bij
+den rok, en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar
+het ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn
+geheel.</p>
+<p>Th&eacute;nardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in
+geloopen.</p>
+<p>Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich
+op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Th&eacute;nardier toe, en
+drukte hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend
+francs gevulde vuist op &rsquo;t gezicht.</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar,
+een schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem
+gerechtvaardigd; ge wildet hem in &rsquo;t verderf storten, en gij hebt
+hem verheerlijkt. Maar gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik
+heb u gezien, Th&eacute;nardier Jondrette, in het vervallen huis op den
+boulevard de l&rsquo;Hopital. Ik weet genoeg van u om u naar het bagno
+te zenden, en <span class="corr" id="xd20e6244" title=
+"Bron: zelf">zelfs</span> verder, zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend
+francs, spitsboef die ge zijt.&rdquo;</p>
+<p>En hij wierp Th&eacute;nardier een bankbiljet van duizend francs
+toe.</p>
+<p>&bdquo;Ha! Jondrette Th&eacute;nardier, lage schurk, dat u dit tot
+les strekke, verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden,
+ellendeling, die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd
+francs en scheer u weg! Waterloo beschermt u.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waterloo!&rdquo; mompelde Th&eacute;nardier, terwijl hij de
+vijfhonderd francs met de duizend in zijn zak stak.</p>
+<p>&bdquo;Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel
+gered....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van een generaal,&rdquo; zei Th&eacute;nardier het hoofd
+opheffend.</p>
+<p>&bdquo;Van een kolonel!&rdquo; hernam Marius driftig. &bdquo;Ik zou
+geen cent voor een generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden
+uitvoeren! Ik zeg u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek!
+verdwijn! &rsquo;t Ga u wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster!
+Ziedaar nog drieduizend francs<span class="corr" id="xd20e6259" title=
+"Bron: ,">.</span> Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika;
+want uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal &rsquo;t oog
+houden over uw <span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name=
+"pb287">287</a>]</span>vertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog
+twintigduizend francs geven. Laat u elders hangen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer de baron,&rdquo; antwoordde Th&eacute;nardier tot
+den grond buigend, &bdquo;eeuwige dankbaarheid.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die
+zachte verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden
+bliksem van bankbiljetten boven zijn hoofd.</p>
+<p>Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en &rsquo;t zou hem zeer
+gespeten hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.</p>
+<p>Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de
+gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door
+Marius&rsquo; bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en
+voorzien van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn
+dochter Azelma. De zedelijke ellende van Th&eacute;nardier, den
+mislukten burger, was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in
+Europa. De aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een
+goede daad te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met
+het geld van Marius werd Th&eacute;nardier slavenhandelaar.</p>
+<p>Zoodra Th&eacute;nardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin
+waar Cosette nog wandelde:</p>
+<p>&bdquo;Cosette! Cosette!&rdquo; riep hij &bdquo;kom, kom gauw. Laat
+ons gaan! Basque, een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft
+mij het leven gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl
+om!&rdquo;</p>
+<p>Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.</p>
+<p>Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de
+klopping ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder,
+hij omhelsde Cosette, zeggende: &bdquo;Ach, Cosette, ik ben een
+ongelukkige!&rdquo;</p>
+<p>Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon hij
+een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, stille
+deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor hem. De
+galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als verblind
+door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar &rsquo;t was
+iets grootsch.</p>
+<p>In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.</p>
+<p>Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.</p>
+<p>&bdquo;Koetsier,&rdquo; zeide hij, &bdquo;naar de straat de
+l&rsquo;Homme-Arm&eacute; No. 7.&rdquo;</p>
+<p>Het rijtuig vertrok.</p>
+<p>&bdquo;Ha! welk een geluk!&rdquo; riep Cosette, &bdquo;naar de
+straat de <span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name=
+"pb288">288</a>]</span>l&rsquo;Homme-Arm&eacute;. Ik durfde er u niet
+meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik
+begrijp het thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had
+ontvangen, dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen
+zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te
+redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft hij
+terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij heeft mij
+uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat schrikkelijk
+riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben een
+gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn
+geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken
+modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk
+verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten
+kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot
+bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of
+niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij
+hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar
+zijn. Ja, zoo zal &rsquo;t geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn
+brief hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt
+&rsquo;t nu.&rdquo;</p>
+<p>Cosette begreep niets.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk,&rdquo; zeide zij.</p>
+<p>Ondertusschen reed het rijtuig voort.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9.5" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Nacht, waarachter de dag is.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde
+hij zich om.</p>
+<p>&bdquo;Binnen,&rdquo; riep hij zwak.</p>
+<p>De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.</p>
+<p>Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den
+deurpost staan.</p>
+<p>&bdquo;Cosette!&rdquo; zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn
+stoel op, met open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met
+een oneindige blijdschap in de oogen.</p>
+<p>Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean
+Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Vader!&rdquo; zeide zij.</p>
+<p>Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean: <span class="pagenum">[<a id=
+"pb289" href="#pb289" name="pb289">289</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Cosette! Zijt gij &rsquo;t, mevrouw! Zijt gij &rsquo;t. O,
+mijn God!&rdquo;</p>
+<p>En in Cosettes armen geklemd, riep hij:</p>
+<p>&bdquo;Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!&rdquo;</p>
+<p>Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een
+schrede en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om
+zijn gesnik te bedekken:</p>
+<p>&bdquo;Mijn vader!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ook gij vergeeft mij!&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij:
+&bdquo;Heb dank.&rdquo;</p>
+<p>Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.</p>
+<p>&bdquo;Dit hindert mij,&rdquo; zeide zij.</p>
+<p>Toen zette zij zich op de knie&euml;n van den grijsaard, streek met
+een bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.</p>
+<p>Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.</p>
+<p>Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar
+liefkoozen, alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.</p>
+<p>Jean Valjean mompelde:</p>
+<p>&bdquo;Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien.
+Verbeeld u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik
+bij mij zelven zeide: &rsquo;t Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben
+een ellendig mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het
+oogenblik, dat gij de trap opgingt.</p>
+<p>Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op
+den goeden God. De goede God zegt: &bdquo;Gij verbeeldt u, dat men u
+zal verlaten! Neen. Neen, zoo zal &rsquo;t niet gebeuren. Kom, er is
+daar een arm oud man, die een engel noodig heeft.&rdquo; En de engel
+komt; en men ziet zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje
+weder. Ach! ik was zeer ongelukkig.&rdquo;</p>
+<p>Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:</p>
+<p>&bdquo;Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te
+zien. Een hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik,
+dat ik er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet
+noodig, blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te
+dringen. Ha, Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man
+zeer schoon is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik
+houd van dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet
+nog shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar
+spreken. &rsquo;t Zal niet lang meer duren.&rdquo;</p>
+<p>En Cosette zeide, hem berispend:</p>
+<p>&bdquo;Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn.
+<span class="pagenum">[<a id="pb290" href="#pb290" name=
+"pb290">290</a>]</span>Waar zijt ge toch geweest? Waarom zoo lang weg
+te zijn? Uw reizen duurden vroeger niet langer dan drie of vier dagen.
+Ik heb Nicolette gezonden; men antwoordde altijd: Hij is afwezend.
+Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom hebt ge &rsquo;t ons niet laten
+weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd zijt. O, ondeugende vader.
+Gij zijt ziek geweest en wij hebben er niets van geweten! Zie, Marius,
+voel zijn hand, hoe koud zij is!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft
+mij!&rdquo; herhaalde Jean Valjean.</p>
+<p>Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn
+gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende,
+barstte hij uit:</p>
+<p>&bdquo;Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En
+weet gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het
+leven gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En
+na mij gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij
+voor zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En
+mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, mijn
+geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te weinig
+zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien
+modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij
+heeft mij door <span class="corr" id="xd20e6374" title=
+"Bron: allerleid oodsgevaren">allerlei doodsgevaren</span> heen
+gedragen, welke hij van mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen
+moed, alle deugden, allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man
+is een engel!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Stil, stil!&rdquo; zei Jean Valjean zacht. &bdquo;Waarom van
+dat alles te spreken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij!&rdquo; riep Marius met een verstoordheid, waarin
+vereering lag, &bdquo;waarom hebt gij het niet gezegd? &rsquo;t Is ook
+uw schuld. Gij redt den menschen het leven en verbergt het hun! Gij
+doet meer, onder voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven.
+&rsquo;t Is ongehoord!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb de waarheid gezegd,&rdquo; antwoordde Jean
+Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; hernam Marius, &bdquo;waarheid is de geheele
+waarheid, en die hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine;
+waarom het niet gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd?
+Ik had u het leven te danken, waarom het niet gezegd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik
+moest heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt
+ge mij bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik
+gesproken had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291" name=
+"pb291">291</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!&rdquo; hernam Marius.
+&bdquo;Denkt ge dan, dat ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach,
+mijn God! als ik denk, dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij
+nemen u mede. Gij zijt een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en
+de mijne. Geen dag langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld
+u niet, dat ge morgen nog hier zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Morgen,&rdquo; zei Jean Valjean, &bdquo;zal ik niet hier
+zijn, maar ook niet bij u.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat bedoelt ge?&rdquo; vroeg Marius. &bdquo;O, wij geven u
+geen verlof tot reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort
+ons. Wij laten u niet los.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ditmaal is het ernst,&rdquo; voegde Cosette er bij. &bdquo;We
+hebben beneden een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik
+geweld gebruiken.&rdquo;</p>
+<p>En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard
+in haar armen optillen.</p>
+<p>&bdquo;In ons huis is nog altijd uw kamer,&rdquo; vervolgde zij.
+&bdquo;Ge moest eens weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De
+azale&euml;n komen goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met
+kleine schulpjes vermengd. Ge zult mijn aardbezi&euml;n proeven. Ik
+begiet ze zelf. En geen mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in
+een republiek, niet waar, Marius? Het <span class="corr" id="xd20e6401"
+title="Bron: pogramma">programma</span> is veranderd. Zoo ge wist,
+vader, welk een verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat
+van den muur zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het
+opgegeten. Mijn arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn
+venstertje stak en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat
+hebben kunnen vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht,
+allen zijn gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader
+zijn! Ge zult uw aardbezi&euml;nbed in den tuin hebben om het te
+beplanten, en wij zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne
+zijn. Vervolgens zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel
+gehoorzamen.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer
+de muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen,
+welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog op.
+Hij prevelde:</p>
+<p>&bdquo;Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn vader,&rdquo; zei Cosette.</p>
+<p>Jean Valjean hernam:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar, &rsquo;t zou aangenaam zijn samen te leven.
+Zij hebben boomen vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. &rsquo;t Is
+zoet tot levende wezens te behooren, die elkander goedendag zeggen, die
+elkander in den tuin roepen. Men ziet elkander <span class=
+"pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292" name="pb292">292</a>]</span>van
+&rsquo;s morgens af. Wij zouden ieder een hoekje gronds verzorgen. Zij
+zou mij haar aardbezi&euml;n doen eten, ik zou haar mijn rozen doen
+plukken. &rsquo;t Zou bekoorlijk zijn. Maar...&rdquo;</p>
+<p>Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is jammer.&rdquo;</p>
+<p>De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem
+door een glimlach.</p>
+<p>Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.</p>
+<p>&bdquo;Mijn God,&rdquo; zeide zij, &bdquo;uw handen zijn nog kouder.
+Zijt gij ziek? Deert u iets?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik? neen,&rdquo; antwoordde Jean Valjean, &bdquo;ik ben zeer
+w&egrave;l, maar...&rdquo;</p>
+<p>Hij zweeg.</p>
+<p>&bdquo;Maar, wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal spoedig sterven.&rdquo;</p>
+<p>Cosette en Marius huiverden.</p>
+<p>&bdquo;Sterven!&rdquo; riep Marius.</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar dat is niets,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>Hij haalde adem, glimlachte en hernam:</p>
+<p>&bdquo;Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw
+roodborstje is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren.&rdquo;</p>
+<p>Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een
+hartverscheurenden kreet.</p>
+<p>&bdquo;Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat
+ge leeft, hoort ge!&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:</p>
+<p>&bdquo;O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien
+gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij
+belet. &rsquo;t Kwam mij voor, dat ik herleefde.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt vol kracht en leven,&rdquo; riep Marius.
+&bdquo;Verbeeldt ge u, dat men z&oacute;&oacute; sterft? Ge hebt
+verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik vraag u vergiffenis,
+en wel op mijn knie&euml;n. Ge zult leven, met ons leven, lang leven.
+Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, zullen voortaan slechts
+&eacute;&eacute;ne gedachte hebben, uw geluk!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hoort immers,&rdquo; hernam Cosette, in tranen
+wegsmeltende, &bdquo;dat Marius zegt, dat ge niet zult
+sterven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een
+andere zijn dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en
+verandert niet van meening; &rsquo;t is noodzakelijk dat ik heenga. De
+dood is een goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven.
+Dat gij gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de
+jeugd den ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen
+omgeven, dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alle
+<span class="pagenum">[<a id="pb293" href="#pb293" name=
+"pb293">293</a>]</span>verrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en
+dat eindelijk ik, die tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig
+goed. Ziet ge, laat ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen,
+ik gevoel volkomen, dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik
+in onmacht. En dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken.
+Hoe goed is uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij
+mij.&rdquo;</p>
+<p>De deur kraakte. &rsquo;t Was de dokter, die binnentrad.</p>
+<p>&bdquo;Goedendag en vaarwel, dokter,&rdquo; zei Jean Valjean.
+&bdquo;Ziehier mijn arme kinderen.&rdquo;</p>
+<p>Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord:
+mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een
+volledige vraag.</p>
+<p>De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden
+blik.</p>
+<p>&bdquo;Omdat de dingen ons onaangenaam zijn,&rdquo; zei Jean
+Valjean, &bdquo;is dit geen reden om onbillijk jegens God te
+wezen.&rdquo;</p>
+<p>Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde
+zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld in de
+eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds verzonken
+was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog verrukking
+mogelijk.</p>
+<p>De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het
+graf kan ook zijn flikkering hebben.</p>
+<p>De dokter voelde hem den pols.</p>
+<p>&bdquo;Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!&rdquo; mompelde hij,
+Cosette en Marius aanziende.</p>
+<p>En zich tot Marius&rsquo; oor buigende, voegde hij er zeer zacht
+bij:</p>
+<p>&bdquo;Te laat.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen
+blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit
+zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is niets te sterven, maar &rsquo;t is vreeselijk,
+niet te leven.&rdquo;</p>
+<p>Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is
+dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij
+den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen,
+nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de
+gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, het
+kruisbeeld op de tafel zettende:</p>
+<p>&bdquo;Ziedaar den grooten lijder!&rdquo;</p>
+<p>Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door
+de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb294" href="#pb294" name="pb294">294</a>]</span>op
+zijn knie&euml;n rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof
+van zijn broek.</p>
+<p>Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde tot hem
+te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, temidden der
+woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden: <span class=
+"corr" id="xd20e6500" title="Niet in bron">&bdquo;</span>Vader! verlaat
+ons niet. Is &rsquo;t mogelijk, dat wij u slechts wedervinden om u te
+verliezen?&rdquo;</p>
+<p>Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en
+gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven ligt
+een zekere rondtasting.</p>
+<p>Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde
+zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel
+bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.</p>
+<p>&bdquo;Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!&rdquo; riep
+Marius.</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt beiden goed,&rdquo; zei Jean Valjean. &bdquo;Ik zal u
+zeggen, wat mij smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer
+Pontmercy, dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort
+wel deugdelijk uw vrouw. Ik zal &rsquo;t u verklaren, mijn kinderen, en
+juist daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit
+Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op
+dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der
+blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van &eacute;&eacute;n stuk
+uitgevonden. &rsquo;t Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij,
+hoeveel geld men daarme&ecirc; verdienen kan. Cosettes vermogen behoort
+haar alzoo. Ik deel u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust
+zij.&rdquo;</p>
+<p>De portierster was naar boven gekomen en zag door de half
+openstaande deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat
+de goede vrouw, v&oacute;&oacute;r ze ging, in haar godsdienstijver,
+den stervende toeriep:</p>
+<p>&bdquo;Wilt ge een priester?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb er een,&rdquo; antwoordde Jean Valjean.</p>
+<p>En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te
+wijzen, waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.</p>
+<p>&rsquo;t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit
+sterven tegenwoordig was.</p>
+<p>Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.</p>
+<p>Jean Valjean hernam:</p>
+<p>&bdquo;Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De
+zesmaal honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn
+leven zou verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in
+geslaagd dat glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met
+hetgeen men de zoogenaamde Berlijnsche <span class="pagenum">[<a id=
+"pb295" href="#pb295" name="pb295">295</a>]</span>juweelen noemt. Maar
+men kan, bij voorbeeld, het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een
+gros van twaalfhonderd zeer goed geslepen kralen kost slechts drie
+francs.&rdquo;</p>
+<p>Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met
+een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen
+tegenhouden.</p>
+<p>Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te
+zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem,
+elkander de hand gevende.</p>
+<p>Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den
+donkeren horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door
+gereutel afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn
+beenen waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam
+afnam, vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele
+majesteit der ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn
+oogen zichtbaar.</p>
+<p>Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet
+meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd
+grooter. &rsquo;t Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.</p>
+<p>Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. &rsquo;t Was
+blijkbaar de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen
+met zulk een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen,
+en men zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem
+bestond.</p>
+<p>&bdquo;Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, &rsquo;t is zoet
+z&oacute;&oacute; te sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist
+wel, dat gij steeds vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe
+lief zijt gij, mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge
+zult mij een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet,
+dat ge werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn
+kinderen. Ik heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder
+tongen meer verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf
+dozijn, kwam op tien francs en werd voor zestig verkocht. &rsquo;t Was
+voorwaar een goede handel. Gij moet u dus over de zesmaal
+honderdduizend francs niet verwonderen, mijnheer de Pontmercy. &rsquo;t
+Is eerlijk gewonnen geld. Ge moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig
+houden, nu en dan een loge in den schouwburg, fraaie kleederen hebben,
+mijn Cosette, en uw vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn.
+Straks schreef ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar
+vermaak ik de twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn
+van zilver; maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij
+veranderen de waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik
+weet niet of hij, die ze mij <span class="pagenum">[<a id="pb296" href=
+"#pb296" name="pb296">296</a>]</span>gegeven heeft, hierboven over mij
+tevreden is. Ik heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat
+ik een arm mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder
+een steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den
+steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal &rsquo;t mij
+genoegen doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik
+u niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt
+gij en zij slechts &eacute;&eacute;n voor mij. Ik ben u zeer dankbaar.
+Ik gevoel dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer
+Pontmercy, hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar
+bleek zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van
+vijfhonderd francs. Ik heb er niet aangeraakt. &rsquo;t Is voor de
+armen. Cosette, ziet ge uw jurkje, d&aacute;&aacute;r, op het bed?
+herkent ge het? &rsquo;t Is echter niet langer dan tien jaren geleden.
+Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn zeer gelukkig geweest. &rsquo;t Is
+nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, ik ga niet ver, ik zal u van
+d&agrave;&agrave;r zien. Ge behoeft slechts des nachts op te zien, en
+ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u Montfermeil? Ge
+waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, dat ik het hengsel
+van den emmer nam? &rsquo;t Was de eerste keer, dat ik uw arm klein
+handje raakte. &rsquo;t Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes zeer
+rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge u haar?
+Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster te hebben
+medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn lieve engel!
+Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen drijven en
+oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal met gele, blauwe
+en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij waart zulk een aardig
+meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge deedt kersen in de ooren.
+Dat zijn herinneringen uit het verledene. De bosschen, welke men met
+zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder men gewandeld, de
+kloosters waarin men zich verborgen heeft, de spelen, het vroolijk
+kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij verbeeld, dat mij dit
+alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Th&eacute;nardiers waren zeer
+ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is &rsquo;t oogenblik
+gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette Fantine.
+Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem uitspreekt.
+Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij heeft evenveel
+rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de beschikkingen Gods.
+Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet wat Hij temidden zijner
+oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, mijn kinderen. Bemint elkander
+steeds. Op de wereld is niets van meer belang dan dit: <span class=
+"pagenum">[<a id="pb297" href="#pb297" name=
+"pb297">297</a>]</span>elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan den
+armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette,
+&rsquo;t is mijn schuld niet, ik verzeker &rsquo;t u, dat ik u in al
+deze dagen niet gezien heb; &rsquo;t verscheurde mijn hart; ik ging tot
+aan den hoek der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de
+menschen, die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal
+ging ik zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik
+had u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan
+mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie
+licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde
+hoofden, dat ik er mijn handen oplegge.&rdquo;</p>
+<p>Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, en
+bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen zich
+niet meer.</p>
+<p>Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen;
+zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius
+zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.</p>
+<p>De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in de
+schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel
+wachtte.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch9.6" class="div1 imprint"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het gras verbergt en de regen wischt uit.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op het kerkhof van P&egrave;re-Lachaise, nabij de
+algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad,
+ver van al die weidsche grafgestichten, welke in &rsquo;t gezicht der
+eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een
+eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om
+welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een
+steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des
+tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen,
+de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men
+gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men
+dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er
+hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde
+haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.</p>
+<p>De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts
+aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, en <span class=
+"pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298" name="pb298">298</a>]</span>voor
+niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om
+een lijk te dekken.</p>
+<p>Men leest er geen naam op.</p>
+<p>Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze
+vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar
+zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">Il dort. Quoique le sort f&ucirc;t pour lui bien
+&eacute;trange,</p>
+<p class="line">Il vivait. Il mourut quand il n&rsquo;eut plus son
+ange<span class="corr" id="xd20e6573" title="Bron: ;">,</span></p>
+<p class="line">La chose simplement d&rsquo;elle-m&ecirc;me arriva,</p>
+<p class="line">Comme la nuit se fait lorsque le jour s&rsquo;en
+va.<a class="noteref" id="xd20e6579src" href="#xd20e6579" name=
+"xd20e6579src">1</a></p>
+</div>
+<p class="trailer xd20e6596">Einde van het vijfde en laatste deel.</p>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299" name=
+"pb299">299</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e6579" href="#xd20e6579src" name=
+"xd20e6579">1</a></span></p>
+<div class="q">
+<div class="body">
+<div class="lgouter footnote">
+<p class="line">Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.</p>
+<p class="line">Deez&rsquo; steen dekt thans zijn asch. Hij
+sneefde,</p>
+<p class="line xd20e6588">Toen hij zijn Engel niet meer zag.</p>
+<p class="line">De dood kwam zachtkens hem bevrijden,</p>
+<p class="line">En volgde op zijn maatloos lijden,</p>
+<p class="line xd20e6588">Zooals de nacht wijkt voor den dag.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div id="toc" class="div1 contents"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Inhoud.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first tocChapter"><span class="uc">Boek I.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">De oorlog tusschen vier
+muren.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"></td>
+<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.1">De Charybdis der
+voorstad St. Antoine en de Scylla der voorstad van den Tempel</a></td>
+<td class="tocPageNum">7</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.2">Wat kan men anders
+in den afgrond doen dan praten</a></td>
+<td class="tocPageNum">14</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.3">Verlichting en
+verduistering</a></td>
+<td class="tocPageNum">17</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.4">Vijf minder, een
+meer</a></td>
+<td class="tocPageNum">19</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.5">Welken horizont
+men van de kruin der barricade ziet</a></td>
+<td class="tocPageNum">25</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.6">Marius verwilderd,
+Javert laconisch</a></td>
+<td class="tocPageNum">29</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.7">De toestand wordt
+erger</a></td>
+<td class="tocPageNum">30</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.8">De artilleristen
+nemen het ernstig op</a></td>
+<td class="tocPageNum">34</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.9">Aanwending van het
+oude wildstrooperstalent en van het onfeilbaar schot, dat op de
+veroordeeling van 1796 van invloed is geweest</a></td>
+<td class="tocPageNum">37</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">X.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.10">De
+dageraad</a></td>
+<td class="tocPageNum">38</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.11">Het geweerschot
+dat niets mist en niemand doodt</a></td>
+<td class="tocPageNum">41</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.12">De wanorde als
+handlanger der orde</a></td>
+<td class="tocPageNum">43</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.13">Voorbijgaande
+flikkeringen</a></td>
+<td class="tocPageNum">46</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XIV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.14">Waarin men den
+naam van Enjolras&rsquo; geliefde lezen zal</a></td>
+<td class="tocPageNum">47</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.15">Gavroche
+buiten</a></td>
+<td class="tocPageNum">49</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XVI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.16">Hoe men van
+broeder vader wordt</a></td>
+<td class="tocPageNum">53</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XVII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.17">De doode vader
+wacht den stervenden zoon</a> <span class="pagenum">[<a id="pb300"
+href="#pb300" name="pb300">300</a>]</span></td>
+<td class="tocPageNum">60</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XVIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.18">De gier prooi
+geworden</a></td>
+<td class="tocPageNum">62</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XIX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.19">Jean Valjean
+wreekt zich</a></td>
+<td class="tocPageNum">66</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.20">De dooden hebben
+gelijk en de levenden geen ongelijk</a></td>
+<td class="tocPageNum">68</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XXI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.21">De
+helden</a></td>
+<td class="tocPageNum">77</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XXII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.22">Voet voor
+voet</a></td>
+<td class="tocPageNum">80</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XXIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.23">Orestes nuchter
+en Pylades dronken</a></td>
+<td class="tocPageNum">83</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XXIV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch1.24">Gevangene</a></td>
+<td class="tocPageNum">86</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek II.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">De ingewanden van den
+Leviathan.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.1">De aarde door de
+zee verarmd</a></td>
+<td class="tocPageNum">91</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.2">De oude
+geschiedenis der riolen</a></td>
+<td class="tocPageNum">94</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.3">Bruneseau</a></td>
+<td class="tocPageNum">97</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.4">Onbekende
+bijzonderheden</a></td>
+<td class="tocPageNum">99</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.5">Tegenwoordige
+vooruitgang</a></td>
+<td class="tocPageNum">102</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.6">Toekomstige
+vooruitgang</a></td>
+<td class="tocPageNum">103</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek III.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Slijk, echter ziel.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.1">Het riool en zijn
+verrassingen</a></td>
+<td class="tocPageNum">109</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch3.2">Verklaring</a></td>
+<td class="tocPageNum">114</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.3">De vervolgde
+man</a></td>
+<td class="tocPageNum">116</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.4">Ook hij draagt
+zijn kruis</a></td>
+<td class="tocPageNum">120</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.5">Zoowel voor het
+zand als voor de vrouw is er een verraderlijke fijnheid</a></td>
+<td class="tocPageNum">123</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.6">De
+modderwel</a></td>
+<td class="tocPageNum">126</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.7">De uiterste
+nood</a></td>
+<td class="tocPageNum">128</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.8">Het afgescheurde
+rokspand</a></td>
+<td class="tocPageNum">130</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.9">Marius schijnt
+dood voor iemand die er verstand van heeft</a></td>
+<td class="tocPageNum">135</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">X.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.10">Terugkeer van den
+verloren zoon tot het leven</a> <span class="pagenum">[<a id="pb301"
+href="#pb301" name="pb301">301</a>]</span></td>
+<td class="tocPageNum">139</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch3.11">Verbazing</a></td>
+<td class="tocPageNum">140</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.12">De
+grootvader</a></td>
+<td class="tocPageNum">142</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek IV.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Javert uit het spoor.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.1">Javert uit het
+spoor</a></td>
+<td class="tocPageNum">151</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek V.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">De kleinzoon en de
+grootvader.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.1">Men ziet den boom
+weder met den zinkpleister</a></td>
+<td class="tocPageNum">165</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.2">Marius uit den
+burgeroorlog gekomen, bereidt zich tot den huiselijken oorlog</a></td>
+<td class="tocPageNum">168</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.3">Marius&rsquo;
+aanval</a></td>
+<td class="tocPageNum">173</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.4">Mejuffrouw
+Gillenormand vindt het eindelijk niet kwaad meer, dat mijnheer
+Fauchelevent iets onder den arm medebracht</a></td>
+<td class="tocPageNum">175</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.5">Men belegge zijn
+geld liever in een bosch dan bij een notaris</a></td>
+<td class="tocPageNum">180</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.6">De beide oude
+lieden doen, ieder op zijn wijze, alles om Cosette gelukkig te
+maken</a></td>
+<td class="tocPageNum">181</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.7">De uitwerksels van
+den droom op het geluk</a></td>
+<td class="tocPageNum">189</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.8">Twee onmogelijk
+weder te vinden mannen</a></td>
+<td class="tocPageNum">191</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VI.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">De slapelooze nacht.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.1">De 16 Februari
+1833</a></td>
+<td class="tocPageNum">197</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.2">Jean Valjean
+draagt steeds den arm in een lichter</a></td>
+<td class="tocPageNum">205</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.3">De
+onafscheidbare</a></td>
+<td class="tocPageNum">213</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.4">Immortale
+jecur</a></td>
+<td class="tocPageNum">215</td>
+</tr>
+</table>
+<span class="pagenum">[<a id="pb302" href="#pb302" name=
+"pb302">302</a>]</span>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VII.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">De laatste teug uit den
+beker.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.1">De zevende cirkel
+en de achtste hemel</a></td>
+<td class="tocPageNum">223</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.2">De duisterheden,
+welke een openbaring kan bevatten</a></td>
+<td class="tocPageNum">238</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VIII.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">De afneming der
+duisternis.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.1">De
+benedenkamer</a></td>
+<td class="tocPageNum">249</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.2">Andere schreden
+achterwaarts</a></td>
+<td class="tocPageNum">253</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.3">Zij herinneren
+zich den tuin in de straat Plumet</a></td>
+<td class="tocPageNum">256</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.4">Aantrekking en
+uitdooving</a></td>
+<td class="tocPageNum">260</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek IX.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Zwaarste schaduw, helderst
+morgenrood.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9.1">Medelijden met de
+ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen</a></td>
+<td class="tocPageNum">265</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9.2">Laatste
+flikkeringen der lamp zonder olie</a></td>
+<td class="tocPageNum">267</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9.3">Een pen is zwaar
+voor dengene, die de kar van Fauchelevent oplichtte</a></td>
+<td class="tocPageNum">269</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9.4">Zwarte inkt die
+wit maakt</a></td>
+<td class="tocPageNum">271</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9.5">Nacht, waarachter
+de dag is</a></td>
+<td class="tocPageNum">288</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch9.6">Het gras verbergt
+en de regen wischt uit</a></td>
+<td class="tocPageNum">297</td>
+</tr>
+</table>
+<div class="transcribernote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
+<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
+overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+<a class="exlink xd20e32" title="Externe link" href=
+"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
+Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd20e32"
+title="Externe link" href=
+"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie
+team op <a class="exlink xd20e32" title="Externe link" href=
+"https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+<p>Dit is het tweede deel van een vertaling van <i lang="fr">Les
+mis&eacute;rables</i>, waarvan het Franse origineel beschikbaar is in
+Project Gutenberg (Deel <a class="pglink xd20e32" title=
+"Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17489">I</a>, <a class=
+"pglink xd20e32" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17493">II</a>, <a class=
+"pglink xd20e32" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17494">III</a>, <a class=
+"pglink xd20e32" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17518">IV</a>, <a class=
+"pglink xd20e32" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17519">V</a>). Een Engelse vertaling,
+<i lang="fr"><a class="pglink xd20e32" title=
+"Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/135">Les mis&eacute;rables</a></i> van
+Isabel F. Hapgood is ook beschikbaar.</p>
+<p><a class="pglink xd20e32" title="Link naar Project Gutenberg eboek"
+href="https://www.gutenberg.org/ebooks/37316">Deel
+&eacute;&eacute;n</a>, <a class="pglink xd20e32" title=
+"Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/37663">twee</a>, <a class=
+"pglink xd20e32" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/37749">drie</a>, en <a class=
+"pglink xd20e32" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/37869">vier</a> zijn ook beschikbaar
+in Project Gutenberg.</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p class="first">Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen
+poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in
+het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd
+met het corr-element.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2011-10-05 Begonnen.</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctiontable" summary=
+"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e196">7</a></td>
+<td class="width40 bottom">ont&euml;rfden</td>
+<td class="width40 bottom">onterfden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e204">8</a></td>
+<td class="width40 bottom">bewouderd</td>
+<td class="width40 bottom">bewonderd</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e219">8</a></td>
+<td class="width40 bottom">hetzij</td>
+<td class="width40 bottom">het zij</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e248">11</a></td>
+<td class="width40 bottom">wanstallige</td>
+<td class="width40 bottom">wanstaltige</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e253">11</a></td>
+<td class="width40 bottom">du-Temple</td>
+<td class="width40 bottom">du Temple</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e256">11</a></td>
+<td class="width40 bottom">romeinsche</td>
+<td class="width40 bottom">Romeinsche</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e329">15</a></td>
+<td class="width40 bottom">eu</td>
+<td class="width40 bottom">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e370">16</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e482">22</a></td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e489">22</a></td>
+<td class="width40 bottom">auderen</td>
+<td class="width40 bottom">anderen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e520">23</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e951">38</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e4764">223</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e614">27</a></td>
+<td class="width40 bottom">maatschapelijken</td>
+<td class="width40 bottom">maatschappelijken</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e617">27</a></td>
+<td class="width40 bottom">hand</td>
+<td class="width40 bottom">band</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e622">28</a></td>
+<td class="width40 bottom">dinastie</td>
+<td class="width40 bottom">dynastie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e683">30</a></td>
+<td class="width40 bottom">teostand</td>
+<td class="width40 bottom">toestand</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e739">33</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e751">33</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e945">38</a>, <a class="pageref" href="#xd20e960">39</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e1704">66</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e3586">169</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4394">204</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e4658">216</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e5666">263</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e744">33</a></td>
+<td class="width40 bottom">liggen</td>
+<td class="width40 bottom">leggen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e893">37</a></td>
+<td class="width40 bottom">mot</td>
+<td class="width40 bottom">met</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e943">38</a></td>
+<td class="width40 bottom">huisuitziende</td>
+<td class="width40 bottom">huis uitziende</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e948">38</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e6500">294</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e967">39</a></td>
+<td class="width40 bottom">en en</td>
+<td class="width40 bottom">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1057">44</a></td>
+<td class="width40 bottom">ge&iuml;mprovizeerde</td>
+<td class="width40 bottom">ge&iuml;mproviseerde</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1060">44</a></td>
+<td class="width40 bottom">heeft</td>
+<td class="width40 bottom">geeft</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1072">45</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e5929">275</a></td>
+<td class="width40 bottom">amunitie</td>
+<td class="width40 bottom">ammunitie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1105">47</a></td>
+<td class="width40 bottom">hardnekkingen</td>
+<td class="width40 bottom">hardnekkigen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1293">51</a></td>
+<td class="width40 bottom">kouplet</td>
+<td class="width40 bottom">couplet</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1512">61</a></td>
+<td class="width40 bottom">geschrampt</td>
+<td class="width40 bottom">geschampt</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1860">71</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e1980">78</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2204">92</a></td>
+<td class="width40 bottom">atlantischen oceaan</td>
+<td class="width40 bottom">Atlantischen Oceaan</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2302">98</a></td>
+<td class="width40 bottom">schelde</td>
+<td class="width40 bottom">Schelde</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2377">105</a></td>
+<td class="width40 bottom">onbeschaamheid</td>
+<td class="width40 bottom">onbeschaamdheid</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2421">110</a></td>
+<td class="width40 bottom">glooing</td>
+<td class="width40 bottom">glooiing</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2553">117</a></td>
+<td class="width40 bottom">Camps-Elys&eacute;es</td>
+<td class="width40 bottom">Champs-Elys&eacute;es</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2629">121</a></td>
+<td class="width40 bottom">duizende</td>
+<td class="width40 bottom">duizenden</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2634">121</a></td>
+<td class="width40 bottom">verhalen</td>
+<td class="width40 bottom">herinnere</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2666">123</a></td>
+<td class="width40 bottom">onderscheid</td>
+<td class="width40 bottom">onderscheidt</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2896">134</a></td>
+<td class="width40 bottom">veelbeteekende</td>
+<td class="width40 bottom">veelbeteekenende</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e2996">137</a></td>
+<td class="width40 bottom">&raquo;</td>
+<td class="width40 bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3180">143</a></td>
+<td class="width40 bottom">?</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3231">145</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">!</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3457">160</a></td>
+<td class="width40 bottom">glazendeur</td>
+<td class="width40 bottom">glazen deur</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3463">160</a></td>
+<td class="width40 bottom">kwartieruur</td>
+<td class="width40 bottom">kwartieruurs</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3470">161</a></td>
+<td class="width40 bottom">Notre-Dame</td>
+<td class="width40 bottom">N&ocirc;tre-Dame</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3535">167</a></td>
+<td class="width40 bottom">kwartier uurs</td>
+<td class="width40 bottom">kwartieruurs</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3574">168</a></td>
+<td class="width40 bottom">koud vuur</td>
+<td class="width40 bottom">koudvuur</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3595">169</a></td>
+<td class="width40 bottom">linlen</td>
+<td class="width40 bottom">linnen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3618">170</a></td>
+<td class="width40 bottom">vis</td>
+<td class="width40 bottom">viens</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3621">170</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e4517">208</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e6573">298</a></td>
+<td class="width40 bottom">;</td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3632">170</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e3638">170</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3635">170</a></td>
+<td class="width40 bottom">Diana</td>
+<td class="width40 bottom">Diane</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e3641">170</a></td>
+<td class="width40 bottom">tetons</td>
+<td class="width40 bottom">t&eacute;tons</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4003">184</a></td>
+<td class="width40 bottom">honderduizend</td>
+<td class="width40 bottom">honderdduizend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4016">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">burgelijke</td>
+<td class="width40 bottom">burgerlijke</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4024">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">ravissant</td>
+<td class="width40 bottom">ravissants</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4027">187</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e4031">187</a></td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+<td class="width40 bottom">!</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4053">188</a></td>
+<td class="width40 bottom">Rocheguyon</td>
+<td class="width40 bottom">Roche-Guyon</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4227">198</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e4906">231</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e6259">286</a></td>
+<td class="width40 bottom">,</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4252">200</a></td>
+<td class="width40 bottom">Chaus&eacute;e</td>
+<td class="width40 bottom">Chauss&eacute;e</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4493">207</a></td>
+<td class="width40 bottom">en</td>
+<td class="width40 bottom">een</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4625">215</a></td>
+<td class="width40 bottom">louisdo&rsquo;r</td>
+<td class="width40 bottom">louisd&rsquo;or</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4639">215</a></td>
+<td class="width40 bottom">bij</td>
+<td class="width40 bottom">hij</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4888">229</a></td>
+<td class="width40 bottom">Fauchelevant</td>
+<td class="width40 bottom">Fauchelevent</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e4915">232</a></td>
+<td class="width40 bottom">alphabeth</td>
+<td class="width40 bottom">alphabet</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5098">236</a></td>
+<td class="width40 bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40 bottom">&rsquo;t</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5327">251</a></td>
+<td class="width40 bottom">da</td>
+<td class="width40 bottom">dat</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5684">266</a></td>
+<td class="width40 bottom">:</td>
+<td class="width40 bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5742">267</a></td>
+<td class="width40 bottom">nauwelijk</td>
+<td class="width40 bottom">nauwelijks</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e5830">271</a></td>
+<td class="width40 bottom">&rsquo;</td>
+<td class="width40 bottom">&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6075">278</a></td>
+<td class="width40 bottom">hafluid</td>
+<td class="width40 bottom">halfluid</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6244">286</a></td>
+<td class="width40 bottom">zelf</td>
+<td class="width40 bottom">zelfs</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6374">290</a></td>
+<td class="width40 bottom">allerleid oodsgevaren</td>
+<td class="width40 bottom">allerlei doodsgevaren</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd20e6401">291</a></td>
+<td class="width40 bottom">pogramma</td>
+<td class="width40 bottom">programma</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 5 van 5), by Victor Hugo
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 5 VAN 5) ***
+
+***** This file should be named 38163-h.htm or 38163-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/8/1/6/38163/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/38163-h/images/book.png b/38163-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/38163-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/38163-h/images/card.png b/38163-h/images/card.png
new file mode 100644
index 0000000..1ffbe1a
--- /dev/null
+++ b/38163-h/images/card.png
Binary files differ
diff --git a/38163-h/images/cover.jpg b/38163-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..13ba5a6
--- /dev/null
+++ b/38163-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/38163-h/images/external.png b/38163-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/38163-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..ce48e7f
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #38163 (https://www.gutenberg.org/ebooks/38163)