diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:08:43 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:08:43 -0700 |
| commit | 6619f28d79c95b86e50d1feba35a4301a222437f (patch) | |
| tree | 5c21bc22051cc66d0b1741e718063030e0726a28 | |
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 37749-8.txt | 12000 | ||||
| -rw-r--r-- | 37749-8.zip | bin | 0 -> 212444 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37749-h.zip | bin | 0 -> 396852 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37749-h/37749-h.htm | 12200 | ||||
| -rw-r--r-- | 37749-h/images/book.png | bin | 0 -> 364 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37749-h/images/card.png | bin | 0 -> 249 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37749-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 164681 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37749-h/images/external.png | bin | 0 -> 172 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
11 files changed, 24216 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/37749-8.txt b/37749-8.txt new file mode 100644 index 0000000..b1b34c5 --- /dev/null +++ b/37749-8.txt @@ -0,0 +1,12000 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ellendigen (Deel 3 van 5) + +Author: Victor Hugo + +Release Date: October 13, 2011 [EBook #37749] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 3 VAN 5) *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + DE ELLENDIGEN + + Naar het Fransch + Van + VICTOR HUGO. + + Opnieuw bewerkt. + + Derde deel. + + + + Arnhem en Nijmegen, + Gebrs. E. & M. Cohen. + + + + + + + +BOEK I. + +PARIJS IN ZIJN ATOMEN BESTUDEERD. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +PARVULUS. + + +Parijs heeft een kind, en het bosch een vogel; de vogel heet musch; +het kind heet gamin (straatjongen). + +Vereenig deze twee denkbeelden, die het eene een vuurhaard, het +andere het morgenrood bevatten, breng deze twee vonken in aanraking; +Parijs, de kindsheid, en er ontstaat een klein wezen. Homuncio zou +Plautus zeggen. + +Dit kleine wezen is vroolijk. Hij eet niet alle dagen, maar gaat zoo +'t hem goeddunkt alle avonden naar den schouwburg. Hij heeft geen hemd +aan 't lijf, geen schoenen aan de voeten, geen dak boven het hoofd, +hij is als de vliegen des hemels, die van dat alles niets hebben. Hij +is tusschen de zeven en dertien jaar oud, leeft in troepen, zwerft +langs de straat, woont onder den blooten hemel, draagt een oude broek +van zijn vader, die hem op de hielen hangt, een ouden hoed van een +anderen vader, die hem over de ooren zit, een draagband van gele +zelfkant; hij loopt, ziet, vraagt, verslijt den tijd, rookt, vloekt +als een heiden, bezoekt de kroegen, kent de dieven, spreekt gemeenzaam +met publieke vrouwen, kent de dieventaal, zingt onzedelijke liedjes, +maar heeft niets kwaads in 't hart. Want zijn ziel bezit een parel, +de onschuld; en paarlen worden niet opgelost in slijk. Zoolang de +mensch kind is, wil God dat hij onschuldig zij. + +Zoo men aan de groote stad vroeg: wie is dat? zou zij antwoorden: +'t Is mijn kind. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EENIGE ZIJNER BIJZONDERE KENTEEKENEN. + + +De straatjongen van Parijs is de dwerg der reuzin. + +Laat ons niet overdrijven, deze straatengel draagt soms een hemd, +maar dan is het zijn eenig; ook draagt hij soms schoenen, maar dan +zijn zij zonder zolen; soms heeft hij een tehuiskomen, en 't is hem +lief, want hij vindt er zijn moeder; maar aan de straat geeft hij de +voorkeur, wijl hij er de vrijheid vindt. Hij heeft eigenaardige spelen, +zijn eigenaardige guitenstreken, waarvan de haat tegen den vreedzamen +burger den grond legt; hij heeft eigenaardige leenspreuken: dood +zijn, noemt hij "paardebloemen bij den wortel opeten." Zijn beroepen +zijn: huurrijtuigen halen, de voettreden der koetsen nederlaten, bij +plasregens planken van den eenen naar den anderen kant der straat +leggen, 't geen hij noemt ponts des arts (kunstbruggen) maken, de +door de regeering ten gunste van het Fransche volk uitgesproken +redevoeringen uitventen, en tusschen de straatsteenen krabben; +hij heeft zijn eigen munt, bestaande uit allerlei stukjes koper +die men op de straat kan vinden. Deze zonderlinge munt, die men +vodderijen kan noemen, heeft een onveranderlijken, goed geregelden +koers onder deze soort van kleine heidens. Hij heeft nog zijn eigen +dierenwereld, welke hij nauwkeurig in haar schuilhoeken gadeslaat, het +onze lieven-heers-beestje, de boomluis met den doodskop, "de duivel," +een zwart insect, dat met zijn tweehoornigen staart dreigt. Hij heeft +zijn fabelachtig monster met schubben onder den buik, niet de hagedis, +met puisten op den rug--niet de pad--een monster, dat in oude kalkovens +en droge waterputten huist, dat zwart, harig, kleverig is, nu langzaam +dan snel voortkruipt, dat geen geluid geeft, maar slechts kijkt en +zoo vreeselijk is, dat nooit iemand het gezien heeft; hij noemt dit +monster "de doove." Dooven onder de steenen te zoeken is voor hem +een vermaak, dat tot de vreeselijke vermaken behoort. 't Is ook een +vermaak voor hem, plotseling een steen op te lichten om duizendbeenen +te zien. Ieder gedeelte van Parijs is wegens een of ander belangrijk +beest bekend, dat men er vinden kan. Er zijn oorwormen op de werven +der Ursulinen, duizendpooten bij het Pantheon en bloedzuigers in de +slooten van het Champ-de-Mars. + +De straatjongen heeft overigens spreekwijzen als Talleyrand. Hij is +niet minder hondsch, maar eerlijker. Hij bezit een vroolijkheid, +die hem soms overvalt zonder dat men weet waarom; hij ergert den +winkelier door zijn dol gelach. Zijn toonladder daalt gemakkelijk +van het treurspel tot de klucht af. + +Een lijkstoet gaat voorbij. Onder de volgers van het lijk bevindt zich +een geneesheer.--Hei! roept een straatjongen sinds wanneer brengen +de geneesheeren zelven hun werk thuis? + +Een andere jongen is in 't gedrang. Een deftig man met een bril en +horlogeketting keert zich verstoord om en roept: Deugniet, gij hebt +den arm mijner vrouw genomen.--Ik, mijnheer? Voel maar in mijn zakken. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +HIJ IS BEHAGELIJK. + + +Des avonds gaat de homuncio voor eenige sous, welke hij zich steeds +weet te verschaffen, naar een schouwburg. Zoodra hij den tooverachtigen +drempel heeft overschreden, is hij herschapen: hij was straatjongen, +nu wordt hij werkgast. De schouwburgen zijn een soort van schepen met +het ruim boven. In dit ruim pakken de werkgasten zich op elkander. De +werkgast is in verhouding tot den straatjongen, wat de vlinder tot de +pop is; hij is een even fladderend en zwevend wezen. 't Is genoeg, +dat hij er is met zijn glans van geluk, zijn machtige geestdrift en +vroolijkheid, zijn handgeklap dat op wiekgeklap gelijkt, om dit enge, +bedompte, donkere, vuile, ongezonde, leelijke, afschuwelijke ruim +den naam van "paradijs" (engelenbak) te geven. + +Geef iemand het onnoodige en ontneem hem het noodzakelijke, en ge +hebt den straatjongen. + +De straatjongen is niet zonder eenig letterkundig gevoel. Wij zeggen +het met leedwezen, zijn smaak is niet voor het klassieke. Van natuur +is hij weinig Akademisch. Een voorbeeld daarvan is, dat de beroemdheid +van mademoiselle Mars bij dit kleine stormachtige kinderpubliek stof +tot spotternij gaf. De straatjongen noemde haar mademoiselle Muche. + +Hij raast, schimpt, stoeit, vecht, heeft vodderijen als een zuigeling +en lompen als een wijsgeer, vischt in de goot, jaagt in den modderpoel, +trekt vroolijkheid uit vuilnis, vervult de pleinen met zijn geschreeuw, +lacht en bijt, fluit en zingt, applaudisseert en jouwt uit, paart +aan het halleluja een straatlied, zingt alles, zelfs de profundis, +vindt zonder te zoeken, weet wat hem onbekend is, is Spartaan zelfs +tot stelen, dwaas tot wijsheid, lyrisch tot het onreine toe en zou +op den Olymp nederhurken, wentelt zich op een mesthoop en komt er +uit met sterren overdekt. De straatjongen van Parijs is een kleine +Rabelais! Met zijn broek is hij niet tevreden, zoo er geen horlogezak +in is. + +Hij verwondert zich zelden, schrikt evenmin, bespot de +bijgeloovigheden, drukt de opgeblazen overdrijvingen plat, lacht om de +verborgenheden, steekt de tong voor de spoken uit, ontneemt de stelten +haar poëzie en brengt in het gezwollen heldendicht caricaturen, niet +omdat hij prozaïsch is, verre van daar; maar hij brengt in de plaats +van het plechtige visioen een grappig geestenspel. Zoo Adamastor hem +verscheen zou de straatjongen: "Ha! Ziedaar blauwbaard!" roepen. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +HIJ KAN NUTTIG ZIJN. + + +Parijs begint met den gaper en eindigt met den straatjongen, twee +wezens die een andere stad niet kan opleveren; het lijdelijk wezen +dat zich tevreden stelt met te aanschouwen, en de onuitputtelijke +zelfhandeling; Prudhomme en Fouillou. Alleen Parijs heeft dit in +haar natuurlijke historie. De geheele monarchie ligt in den gaper; +de geheele anarchie in den straatjongen. + +Dit bleeke kind der Parijsche voorsteden leeft en ontwikkelt +zich, ontstaat en lost zich op in lijden, als peinzend getuige der +maatschappelijke wezenlijkheid en menschelijke zaken. Hij waant zich +onverschillig, hij is 't niet. Hij aanschouwt, tot lachen gereed; +maar ook tot iets anders. Wie ge ook zijn moogt, die u Vooroordeel, +Misbruik, Eerloosheid, Verdrukking, Ongerechtigheid, Despotisme, +Onrechtvaardigheid, Fanatisme, Dwingelandij heet--hoed u voor den +straatjongen. + +Deze kleine zal groot worden. + +Van welk leem is hij gevormd? Van het eerste het beste slijk. Een +handvol modder, een adem, en Adam ontstaat. Er behoeft slechts een +God voorbij te gaan; en een God is altijd langs een straatjongen +gegaan. De fortuin bewerkt dit kleine wezen. Onder het woord fortuin +verstaan wij min of meer het toeval. Zal deze van grove, gemeene +aarde gekneede dwerg dom, ongeleerd, ruw, eenmaal een Ioniër of een +Beotiër zijn? Heb geduld, currit rota, (het rad wentelt) de geest +van Parijs, deze demon, die de kinderen des toevals en de mannen der +wereldgeschiedenis schept, maakt, in tegenstelling van den latijnschen +pottenbakker, van de kruik een amphora. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +ZIJN GRENZEN. + + +De straatjongen bemint de stad, maar ook de eenzaamheid, hij heeft +iets van den wijze in zich. Urbis amator, gelijk Fuscus; ruris amator, +gelijk Flaccus. + +Peinzend omdolen, dat is flaneeren, is voor den wijsgeer een goed +tijdverdrijf; vooral op die tamelijk leelijke, zonderlinge en +uit twee naturen bestaande bastaardvelden, welke zekere groote +steden, ook Parijs, omgeven. De omstreken eener stad hebben iets +tweeslachtigs. Einde van het geboomte, begin der daken, einde van +het gras, begin der straat, einde der akkers, begin der winkels, +einde der wagensporen, begin der hartstochten, einde van het goddelijk +gemurmel, begin van het menschelijk gewoel; dit wekt een buitengewone +belangstelling. + +Dit is de oorzaak dier schijnbaar doellooze wandelingen van den denker +in deze weinig bekoorlijke plaatsen, welke door den voorbijganger +met den naam van "treurig" worden bestempeld. + +De schrijver dezer regels zwierf dikwerf buiten de barrières van +Parijs, en dit is voor hem een bron van diepe herinneringen. Dat +korte gras, deze steenachtige paden, dat krijt, dit mergel, het +gips, die ruwe eenvormigheid der braakliggende velden, de vroege +groenten der warmoeziers, welke men eensklaps in een diepte ziet, +dat mengsel van woestheid en boerschheid, die groote woeste vlakten, +waar de tamboers van het garnizoen een gerucht makende school houden +en eenigszins een veldslag stamelen, deze spelonken des daags en +moordenaarsholen des nachts, de verlamde, draaiende windmolen, de +windassen der steengroeven, de kroegen aan den hoek der kerkhoven, +de geheimzinnige bekoorlijkheid der hooge donkere muren, welke groote +vlakten, vol zon en vlinders, doorsnijden--dit alles trok hem aan. + +Schier niemand kent deze zonderlinge plaatsen. De Campagne van Rome +is een idée; het rechtsgebied van Parijs is een andere idée; wie, in +'t geen ons een verschiet aanbiedt, niets dan velden, huizen of boomen +ziet, blijft aan de oppervlakte hangen. Al wat de dingen voorstellen +zijn gedachten Gods. De plaats, waar een vlakte zich met een stad +vereenigt, draagt immer het stempel eener treffende zwaarmoedigheid. De +natuur en het menschelijke spreken er gelijktijdig, en de plaatselijke +eigenaardigheden komen er te voorschijn. + +Wie als wij in deze eenzame streken, welke onze voorsteden begrenzen, +omdoolde, heeft niet hier en daar, op de eenzaamste plekken, +onverhoeds, achter een schrale heg of in den hoek van een treurigen +muur, levendige groepen slijkerige, met stof bedekte, havelooze +spelende kinderen gezien, die zich met koornbloempjes tooiden?! Al +die in het wilde zwervende kinderen zijn van arme gezinnen. De +buiten-boulevard is eigenlijk hun levensoord; het rechtsgebied der +stad behoort hun. Daarheen ontloopen zij immer de school. Zij zingen +er in eenvoud hun gemeene liedjes. Zij zijn dáár, of, liever gezegd, +zij leven dáár ver van aller blikken, in de zachte helderheid van de +maand Mei of Juni, geknield om een kuiltje in de aarde, knikkerende, +dobbelende, bandeloos, weggevlogen, vrij en gelukkig; maar zoodra +zij iemand zien, herinneren zij zich, dat zij een bedrijf hebben, +dat zij den kost moeten verdienen en bieden hem een oude wollen kous +met goudhanen of een ruiker seringen te koop aan. De ontmoeting van +deze zonderlinge kinderen is tevens een der aangenaamste en lastigste +bekoorlijkheden der omstreken van Parijs. + +Soms zijn er in deze troepen jongens, kleine meisjes--zijn 't +hun zusjes?--schier jongedochters, mager, koortsig, door de zon +bruin gebrand, met sproeten besprikkeld, opgeschikt met roggearen en +klaprozen in 't haar, vroolijk en gelaten, met bloote voeten. Men ziet +er die in het koren kersen eten. Des avonds hoort men ze lachen. Deze +groepen, warm door de middagzon beschenen of in den schemeravond +gezien, houden den denker lang bezig, en deze verschijningen mengen +zich in zijn mijmeringen. + +Voor deze kinderen is Parijs het middelpunt, het rechtsgebied, de +omtrek van geheel de aarde. Nooit wagen zij zich verder. Zij kunnen +evenmin uit den Parijschen dampkring komen als de visschen uit het +water. Voor hen is twee uren buiten de barrière niets meer. Met de +voorsteden eindigt voor hen de wereld. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN WEINIG GESCHIEDENIS. + + +Op het tijdstip--'t welk nog tot onzen tijd behoort--dat de +gebeurtenis, in dit boek verhaald, plaats had, was er niet, zooals +thans, een stadssergeant aan den hoek van iedere straat, maar vloeide +het in Parijs over van zwervende kinderen. De statistiek geeft een +middelbaar cijfer van tweehonderd zestig kinderen zonder woonplaats, +die toen jaarlijks door de politieronden op den openbaren weg, +in allerlei schuilplaatsen en onder de bogen der bruggen gevonden +werden. Een dezer nesten, dat berucht is gebleven, heeft "de zwaluwen +der brug van Arcola" voortgebracht. 't Is overigens het rampzaligste +der maatschappelijke verschijnselen, dat al de misdaden van den man +met het zwerven van het kind een aanvang nemen. + +Wij zonderen echter Parijs uit. In een zekere mate, en in weerwil +van 't geen wij vermelden, is deze uitzondering gegrond. Terwijl in +iedere andere groote stad een zwervend kind, als 't man is geworden, +verloren gaat, terwijl schier alom het aan zich zelf overgelaten +kind eenigerwijs bestemd en gedoemd is tot een soort van noodlottige +dompeling in misdaden, welke hem van eerlijkheid en geweten berooft, is +de straatjongen van Parijs,--wij moeten hierop drukken--hoe gehavend +en geschonden hij uiterlijk zij, inwendig schier ongedeerd. 't +Is heerlijk er op te wijzen en het blinkt uit in de eerlijkheid +onzer volksomwentelingen; de idée, welke in de Parijsche lucht is, +veroorzaakt een soort van bederfwerend zout als dat van het water +des oceaans. In Parijs te ademen, is het behoud der ziel. + +Wat wij hier zeggen vermindert de hartsbeklemming, die men telkens +gevoelt als men een dier kinderen ontmoet, welke men als gebroken +familiebanden ziet fladderen. Bij de tegenwoordige nog zoo onvolmaakte +beschaving is het niet ongewoon, dat gezinnen vervallen, die niet eens +weten wat van hun kinderen is geworden en ze op de openbare straat +laten rondzwerven. Dit is de oorzaak van zoo veler donker lot. Men +noemt dit, want deze treurige zaak is een spreekwijze geworden: +"Op de straat geworpen te zijn." + +'t Zij in het voorbijgaande gezegd, dat door de oude monarchie +deze verlatenheid der kinderen niet werd tegengegaan. Een weinig +landlooperij onder de lagere klassen kwam de hoogere kringen niet +ongelegen en strekte ten dienste der machtigen. De afkeer van het +onderwijs der kinderen van het volk was een leerstuk. Waartoe "halve +verlichting?" Dat was het orderwoord. Het zwervende kind is het gevolg +van het onwetende kind. + +Ook had de monarchie soms kinderen noodig en dan schuimde zij de +straat. + +Onder Lodewijk XIV, om niet verder terug te gaan, wilde de koning +met recht een vloot scheppen. Een goed denkbeeld. Maar laat ons het +middel zien. Er bestaat geen vloot, zoo men bij het zeilschip, een +speeltuig van den wind, niet het vaartuig heeft, om het des vereischt +te boegseeren, opdat het òf door riemen, òf door stoom gaat waarheen +men wil; destijds waren de galeien voor de zeevaart, wat thans de +stoomschepen zijn. Er waren alzoo galeien noodig, maar de galei wordt +slechts door roeiers in beweging gebracht; men had dus roeiers noodig, +dat is, galeislaven. Colbert liet door de intendanten der provinciën +en door de parlementen zooveel mogelijk tuchtelingen maken. De +rechterlijke macht ging hierbij zeer voorkomend te werk. Zoo iemand +den hoed op het hoofd hield bij het voorbijgaan eener processie was hij +een hugenoot en men zond hem naar de galeien. Zoo men een knaap op de +straat vond, die vijftien jaar oud was en niet wist waar hij woonde, +zond men hem naar de galeien. Een groote regeering; een groote eeuw. + +Onder Lodewijk XV verdwenen de kinderen te Parijs; de politie ontvoerde +ze, men weet niet voor welk geheimzinnig doel. Men fluisterde met +ontzetting van afschuwelijke vermoedens omtrent de purperbaden des +konings. Barbier spreekt zeer naïef van deze dingen. Het gebeurde vaak +dat de agenten, die kinderen moesten hebben, dezulken namen die vaders +hadden. De wanhopige vaders liepen de agenten te lijf. In zoodanig +geval kwam het parlement tusschenbeide en liet ophangen--wie? de +politieagenten? Neen, de vaders. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE STRAATJONGEN VINDT ZIJN PLAATS IN DE KLASSIFICATIE DER INDIËN. + + +De Parijsche straatjongens vormen schier een kaste. Men zou kunnen +zeggen: dat niet ieder die wil er toe behooren kan. + +Dat woord gamin werd voor het eerst gedrukt en kwam uit de volks- in +de boekentaal in 1834. 't Was in een werkje, getiteld Claude Gueux +dat dit woord gevonden werd. De ergernis was groot, maar het woord +bleef in gebruik. + +De elementen, die den straatjongens onder elkander aanzien geven, +zijn zeer verschillend. Wij hebben er een gekend, die zeer geacht +en bewonderd werd, wijl hij een man van den top van den toren van +Notre Dame had zien vallen; een ander, wijl het hem gelukt was op +de achterplaats te komen waar voorloopig de beelden voor den dom +der invaliden waren geplaatst, en ze lood had weten te ontnemen; +een derde, wijl hij een diligence had zien omstorten; nog een, wijl +hij een soldaat "kende" dien een burger bijna het oog had uitgeslagen. + +Dit verklaart dezen uitroep van een Parijschen straatjongen, +iets diepzinnigs waarover men lacht zonder het te begrijpen: "Mijn +hemel! wat ben ik ongelukkig; ik heb nog nooit iemand uit de vijfde +verdieping zien vallen." + +Zekerlijk is het antwoord fraai van een boer, wien gevraagd werd: +"Vriend, uw vrouw is aan haar ziekte overleden; waarom hebt ge niet om +den dokter gezonden?"--"Wat zal ik u zeggen, mijnheer, wij arme lieden +sterven vanzelf." Ligt nu in deze woorden de geheele lijdelijkheid +van den boer, dan zekerlijk ligt de geheele, bandelooze vrijheid van +denken van den voorstadsknaap in die andere. Een ter dood veroordeelde +luistert op de kar naar zijn biechtvader. De Parijsche jongen roept: +Hij praat met den paap, o de fielt! + +Dat de straatjongen in godsdienstzaken tamelijk oneerbiedig is, +daarop laat hij zich niet weinig voorstaan. 't Geeft aanzien als hij +vrijgeest is. + +Hij acht het een plicht de doodsvoltrekkingen bij te wonen. Men wijst +elkander de guillotine lachend en geeft ze allerlei namen: De laatste +lepel soep, de laatste hap enz. enz. Om niets van de zaak te missen +klimt men op muren, op balkons, op boomen; hangt zich aan de hekken, +klemt men zich aan schoorsteenen. De straatjongen is evenzeer tot +leidekker als tot zeeman geboren. Voor een dak is hij evenmin bevreesd +als voor een mast. Geen feest is voor hem bij een terechtstelling +op het Grève-plein te vergelijken. Samson en de abbé Montès, +deze namen zijn populair. Men beschimpt den veroordeelde om hem te +bemoedigen. Soms bewondert men hem. Toen Lacenaire, als straatjongen, +den afschuwelijken Dautun moedig zag sterven, zeide hij deze woorden, +waarin een toekomst ligt besloten: "Ik benijdde hem." De straatjongen +kent niet Voltaire, maar wel Papavoine. In hetzelfde verhaal verwart +hij "staatkundigen" met moordenaars. Hij weet hoe allen het laatst +gekleed waren, deze had een hoed, gene een pet op; de een was kaal +en blootshoofd, een ander was blozend en gezond; weder een andere +twistte met zijn moeder. "Verwijt elkander toch niets!" riep een +straatjongen hun toe. Een straatjongen, te klein om in het gedrang een +veroordeelde te kunnen zien voorbijgaan, klimt op een lantaarnpaal. Een +gendarm ziet hem en fronst de wenkbrauwen.--"Laat mij gerust klimmen, +mijnheer de gendarm," zegt de jongen, "ik zal niet vallen."--"'t Is +mij onverschillig of ge valt," was het antwoord. + +In de straatjongens-wereld wordt een gewichtig ongeluk in hooge waarde +gehouden. Men heeft het toppunt bereikt, zoo men zich "tot op het been" +gesneden heeft. + +De vuist is een krachtig element van eerbied. Iets wat de straatjongen +het liefst zegt is: "Ik verzeker u, dat ik sterk ben." Links te zijn +is benijdenswaard. Scheel te zien wordt geacht. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN VRIENDELIJK WOORD VAN DEN LAATSTEN KONING. + + +Des zomers wordt de straatjongen kikvorsch; des avonds, als het donker +wordt, werpt hij zich bij de bruggen van Austerlitz en Jena, van de +koolschepen en waschvrouwen-schuiten, met het hoofd vooruit, in de +Seine, in strijd met alle mogelijke voorschriften der zedelijkheid +en politie. Maar de stadssergeanten waken, en het komt tot een zeer +dramatischen toestand, die eens tot een gedenkwaardigen broederlijken +kreet aanleiding gaf; deze kreet, in 1830 beroemd, is een strategische +waarschuwing die de eene aan den anderen straatjongen geeft; die +kreet wordt bijna als een vers van Homerus gescandeerd, met even +onuitsprekelijke melodie als de eleusische melopée der Panatheners, +en men vindt er het oude Evohé in: "Hei Titi! O hee!" zoo begint hij +en het overige beteekent dat er dienders zijn; dat er slagen kunnen +vallen en men zich met zijn kleederen uit de voeten moet maken. + +Deze mug--zoo noemt hij zich--kan lezen; soms kan hij ook schrijven, +altijd kan hij kladden. Eensklaps verschaft hij zich, men weet niet +door welk wederkeerig onderwijs, al de talenten, die de openbare zaak +nuttig kunnen zijn: van 1815 tot 1830, bootste hij het geschreeuw +van den kalkoen na; van 1830 tot 1848 krabbelde hij een peer op de +muren. Op een zomeravond zag Lodewijk Filips, te voet huiswaarts +keerende, een zeer kleinen jongen, die, op de teenen, zich in het +zweet werkte om een reusachtige peer op een der pilaren van het hek +van Neuilly te teekenen; de koning, met de goedheid, welke hij van +Hendrik IV erfde, hielp den jongen, voltooide de peer, en gaf een +louisd'or aan den knaap, zeggende: "Zie, daar staat ook een peer +op." De straatjongen houdt van rumoer, en allerlei woestheid behaagt +hem. Hij verfoeit "de pastoors." Op een dag teekende een dier jonge +snaken een grooten neus op de koetspoort van het huis No. 69. "Waarom +teekent ge dit op deze deur?" vroeg hem een voorbijganger. De jongen +antwoordde: "Er woont een pastoor." Inderdaad, de pauselijke nuntius +woonde er. Welk een Voltairiaan de straatjongen overigens zij, +zoo de gelegenheid zich voordoet dat hij koorknaap kan worden, is +'t mogelijk dat hij er toe overgaat, en in dit geval dient hij zeer +lief de mis. Hij is Tantalus in twee zaken, en deze wenscht hij immer +zonder ze te kunnen verkrijgen: het gouvernement omver te werpen en +zijn broek gelapt te krijgen. + +Allernauwkeurigst kent de straatjongen al de stadssergeanten, en +weet altijd, zoo hij er een ontmoet, hem te noemen. Hij telt ze op +de vingers. Hij bestudeert hun zeden, en heeft nopens ieder hunner +bijzondere aanteekeningen. Als in een open boek leest hij in de zielen +der politie. Zonder te stotteren zegt hij: deze is een verrader; deze +is zeer ondeugend; deze is groot; deze is belachelijk (al deze woorden +hebben in zijn mond een bijzondere beteekenis), deze verbeeldt zich +dat de Pontneuf hem behoort en belet den lieden op den rand buiten +de borstwering te gaan; gene trekt de menschen aan de ooren, enz. enz. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +DE OUDE GEEST VAN GALLIË. + + +In Molière was iets van den straatjongen; ook in Beaumarchais. In +het leven des straatjongens is iets van den Gallischen geest. Deze, +gepaard aan zijn gezond verstand, geeft hem soms kracht als de +alcohol den wijn. Soms is deze geest een gebrek. De straatjongen +treedt in Voltaire te voorschijn. Camille Desmoulins was een kind der +voorstad. Championnet, die de mirakelen brutaliseerde, kwam van de +Parijsche straat; jong had hij in de portalen der kerken van St. Jan +van Beauvais en van Saint Etienne du Mont kattenkwaad bedreven en +de reliquieënkast der H. Genoveva tamelijk oneerbiedig behandeld, +om later bevelen aan het fleschje van den H. Januarius te geven. + +De straatjongen van Parijs is eerbiedig, spotziek en onbeschoft. Hij +heeft leelijke tanden, omdat hij slecht gevoed wordt en zijn maag +ziekelijk is; hij heeft fraaie oogen, wijl hij schrander is. Hij groeit +tot alles op. Hij speelt in de goot en verheft zich door den opstand; +zijn onbeschaamdheid blijft hem bij, zelfs in het schrootvuur; hij +was een kwajongen, en wordt een held; gelijk de jonge Thebaan schudt +hij de leeuwenhuid; de tamboer Barra was een straatjongen van Parijs; +hij roept: Voorwaarts! en in een oogenblik is de dreumes een reus. + +Dit kind uit het straatslijk is ook het kind van het ideaal. Men mete +slechts de vleugelvlucht van Molière tot Barra. + +Ten slotte, en om alles in één woord samen te vatten: de straatjongen +is een wezen, dat zich vermaakt, wijl het ongelukkig is. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +ECCE PARIS, ECCE HOMO. + + +Om alles nog eens in een enkel woord te zeggen: de straatjongen van +Parijs is heden, gelijk eertijds de groeculus van Rome, 't is het +volk als kind, met den rimpel der oude wereld op het voorhoofd. + +De straatjongen is voor de natie tevens een bekoorlijkheid en een +ziekte; een ziekte die genezen moet worden; hoe? door verlichting. + +Het licht maakt gezond. + +Het licht verheldert. + +Alle maatschappelijke weldaden komen voort uit de wetenschappen, de +letterkunde, de kunsten, het onderwijs. Men vorme menschen! Verlicht +ze, opdat zij u verwarmen. Vroeg of laat zal de gewichtige +kwestie van het algemeen onderwijs met de onweerstaanbare macht van +onwedersprekelijke waarheid gevestigd zijn, en zij die dan onder het +opzicht der Fransche idée regeeren, zullen kiezen moeten tusschen de +kinderen van Frankrijk of de straatjongens van Parijs; licht tusschen +vlammen, of dwaallichten in de duisternis. + +De straatjongen is de vertegenwoordiging van Parijs, Parijs die +der wereld. + +Want Parijs is een geheel. Parijs is de zoldering van het menschelijk +geslacht. Geheel deze groote stad is een samenvatting der doode en +levende zeden. Wie Parijs ziet, meent de geheele geschiedenis met +den hemel en de sterren er tusschen te aanschouwen. Parijs heeft een +kapitool, het stadhuis, een Parthenon, Notre Dame, een berg Aventinus, +de voorstad St. Antoine, een asinarium, de Sorbonne, een Pantheon, +het Pantheon, een heilige weg (via Sacra), de boulevard des Italiens, +een windtoren, de openbare meening; en voor de gemoniën heeft het 't +belachelijke. Zijn majo heet faraud (handwerkgezel), zijn transteverijn +heet voorstedeling, zijn lazzarone heet pègre (dief), en zijn Cockney +heet Gandin. Al wat elders is, is ook te Parijs. + +Zoek iets wat Parijs niet heeft. De kuip van Trophonius bevat alles +wat in den bak van Mesmer was; Ergaphilas herrijst in Cagliostro; de +bramin Vasaphanta verlichamelijkt zich in den graaf van Saint-Germain; +en het kerkhof van St. Medardus doet evengoed wonderen als de moskee +Oumoumié te Damaskus. + +Parijs heeft een Esopus, Mayeux, en een Canidia, mejuffrouw Le +Normand. Het schrikt als Delphus bij de treffende vertooningen +der geestverschijningen; het doet de tafels draaien gelijk Dodona +de drievoeten. Het plaatst de grisette op den troon, gelijk Rome +de courtisane. Kortom: Is Lodewijk XV erger dan Claudius, madame +Dubarry is beter dan Messalina. Parijs vereenigt in zich, als in +een onbeschrijfelijke type, die bestaan heeft en waarmede wij zelfs +in aanraking zijn geweest, de Grieksche naaktheid, de hebreeuwsche +melaatschheid en de gasconsche kwinkslag. Het mengt Diogenes, Job +en Paljas ondereen, bekleedt een spook met oude nummers van den +Constitutionnel en brengt Chodruc Duclos voort. + +Hoewel Plutarchus zegt: "de tyran wordt niet oud", onderwerpt zich +toch Rome onder Sulla evenals onder Domitiaan en mengde gaarne water in +zijn wijn. De Tiber was een Lethé, zoo men den lof van Varus Vibiscus +mag gelooven: Contra Gracchos Tiberim habemus. Bibere Tiberim id est +seditionem oblevisci. Tegen de Grieken hebben wij den Tiber. Uit den +Tiber te drinken is het oproer vergeten. Parijs drinkt dagelijks een +millioen kannen water, maar dit belet niet, dat het bij gelegenheid +den stormmarsch slaat en de stormklok luidt. + +Overigens is Parijs toch goedhartig. Het neemt alles aan; in 't geen +Venus betreft, is het niet keurig; zijn Callipyge is een Hottentotsche +vrouw; zoo het maar kan lachen, vergeeft het alles; leelijkheid, +wanstaltigheid vervroolijkt het; de ondeugd verschaft het verstrooiing; +wees grappig en ge kunt een grappenmaker zijn; zelfs de huichelarij, +deze uiterste onbeschaamdheid, walgt het niet; het is zoo letterkundig, +dat het voor Basile den neus niet dichtknijpt, en zich evenmin ergert +over het gebed van Tartuffe als Horatius voor den hik van Priapus +terugdeinst. Geen trek van het gelaat der wereld ontbreekt aan het +gezicht van Parijs. Het bal-Mabille is wel niet de Polymnische dans +op den Janiculus, maar de uitdraagster loert er toch op de lorette +evenals de koppelaarster Staphyla op de maagd Planesium loerde. De +"barrière du combat" is geen Colyseum, maar men is er toch wreed +alsof Cæsar toeschouwer was. De syrische herbergierster is bevalliger +dan moeder Saguet; maar zoo Virgilius de romeinsche herberg bezocht, +David d'Angers, Balzac en Charlet kwamen in de Parijsche kroeg. Parijs +heerscht. De genieën fonkelen, de roodstaarten bloeien er. Adonaï +rijdt er door op zijn wagen met twaalf wielen van donder en bliksem, +en Sileen doet er zijn intrede op een ezel. + +Parijs is synoniem met Cosmos. Parijs is Athene, Rome, Sybaris, +Jeruzalem, Pantin. 't Is het kort begrip van alle beschaving, +evenals van alle barbaarschheden. 't Zou Parijs leed doen zoo 't geen +guillotine had. + +Een weinig Grève-plein is goed. Wat zou dit eeuwige feest zijn zonder +deze toespijs? Onze wetten hebben er wijselijk in voorzien; en aan +haar is het te danken, dat deze valbijl zijn droppels op dit carnaval +laat vallen. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +SCHERTSEN EN HEERSCHEN. + + +Parijs kent geen grenzen. Geen stad heeft zulk een heerschappij +gehad als de hare, die soms hen bespotte, welke zij onder het juk +bracht. "U te behagen, o Atheniensers!" riep Alexander. Parijs maakt +meer dan wetten, het maakt de mode; meer dan de mode, den sleur. Parijs +kan, als 't wil, dom zijn, en veroorlooft zich soms deze weelde; +maar dan is de wereld met Parijs dom; doch straks ontwaakt het, +wrijft zich de oogen uit, zegt: "Wat ben ik dom!" en lacht in 't +aanzien van het geheele menschdom. Welk een wonder is zulk een stad; +'t is zonderling, dat deze grootheid en dit bespottelijke zulke goede +buren zijn, dat al deze majesteit door al die parodie niet in de war +wordt gebracht, en dat dezelfde mond heden de bazuin van het laatste +oordeel en morgen een zakpijp kan blazen. Parijs bezit een heerschende +vroolijkheid. Zijn vroolijkheid is de bliksem, en zijn kluchtigheid +draagt een schepter. Zijn orkaan ontstaat soms uit een grimas. Zijn +uitbarstingen, zijn groote dagen, zijn kunstgewrochten, zijn wonderen, +zijn heldenfeiten gaan tot de uitersten der wereld; zijn domheden +insgelijks. Zijn gelach is de krater van een vulkaan, die de geheele +aarde bespat. Zijn lazzi zijn vonken. Het legt den volken zoowel zijn +caricaturen als zijn ideaal op; de hoogste monumenten der menschelijke +beschaving nemen zijn spotternijen aan en leenen hun eeuwigheid aan +zijn kwajongensstreken. Parijs is majestueus; het heeft een wonderbare +14 Juli, die den aardbol vrijmaakt; aan alle natiën laat het den eed +van de kaatsbaan doen; zijn nacht van 4 Augustus vernietigt in drie +uren de drieduizendjarige leenheerschappij; het maakt van zijn logica +de speer van den algemeenen wil; het vermenigvuldigt zich onder de +vormen van het verhevene; het vervult met zijn glans Washington, +Kosciusko, Bolivar, Botzaris, Rigo, Bem, Manin, Lopez, John Brown, +Garibaldi; het is overal waar de toekomst zich verheldert, te Boston +in 1779, op 't eiland Lion in 1820; te Pesth in 1848, te Palermo in +1860; het fluistert het machtige wachtwoord: vrijheid! in het oor +der Amerikaansche abolitionisten die bij Harpers-Ferry verzameld +zijn, en in het oor der patriotten van Ancona aan den oever der +zee, in de schaduw der Archi voor de herberg van Gozzi vereenigd; +het schept Canaris, Pisacana, Quiroga; het straalt het grootsche +op de wereld uit; 't is wijl zijn adem hen voortstuwt, dat Byron te +Missolonghi, en Mazet te Barcelona gaan sterven; het is de tribune +onder de voeten van Mirabeau en de krater onder die van Robespierre; +zijn boeken, zijn schouwburg, zijn kunsten, zijn wetenschappen, +letterkunde en wijsbegeerte zijn de leesboeken voor het menschelijk +geslacht; het heeft Pascal, Regnier, Corneille, Descartes, Jean +Jacques; Voltaire voor iederen dag, Molière voor alle eeuwen; het +doet den mond der wereld zijn taal spreken, en deze taal is woord +geworden; in alle geesten bouwt het de idée van den vooruitgang; de +bevrijdende leerstukken, die het verspreidt, zijn voor de geslachten +uitgetrokken zwaarden, en van den geest zijner denkers en dichters +zijn sedert 1789 al de helden van alle volken gevormd; schoon dat +alles het echter niet belet straatjongen te zijn; en dit groot genie, +dat Parijs wordt geheeten, en de wereld door zijn licht herschept, +teekent met houtskool Bouginiers neus op den tempel van Theseus en +schrijft "Credeville dief" op de pyramiden. + +Parijs toont altijd de tanden; als het niet bromt, lacht het. + +Zoo is Parijs. De rook zijner schoorsteenen vormt de denkbeelden der +wereld. 't Is, zoo men wil, een hoop steenen en slijk, maar bovenal een +zedelijk wezen. 't Is meer dan groot, 't is onmetelijk. Waarom? Wijl +het durft. + +Durven is de prijs van den vooruitgang. + +Alle grootsche veroveringen zijn min of meer de prijs der +stoutmoedigheid. 't Is niet voldoende, dat Montesquieu de revolutie +vooruit ziet, dat Diderot ze preekt, dat Beaumarchais ze aankondigt, +dat Condorcet ze berekent, dat Arouet ze voorbereidt, dat Rousseau +er over mijmert. Danton moet ze durven ondernemen. + +De kreet: Durven! is een Daar zij licht! Voor den vooruitgang van +het menschelijk geslacht moeten uit de hoogte steeds fiere lessen van +moed gegeven worden. Vermetelheid begoochelt de geschiedenis en stelt +den mensch in 't schitterendst licht. De dageraad durft, wanneer +zij aan de kimmen verrijst. Pogen, tarten, volharden, aanhouden, +zich zelven trouw zijn, met het voorstellen de gebeurtenissen te +verstommen door er geen vrees voor te toonen, de onrechtvaardige macht +en de bedwelmde zegepraal tarten, pal staan; ziedaar het voorbeeld, +dat de volken behoeven en het licht dat hen electriseert. Dezelfde +ontzettende bliksem schiet zoowel uit de toorts van Prometheus als +uit Cambronnes stompje. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE IN HET VOLK BESLOTEN TOEKOMST. + + +Zelfs als man, is het Parijsche volk altijd straatjongen; zoo men +den jongen schildert, schildert men de stad, en daarom hebben wij +den adelaar in de musch bestudeerd. + +'t Is vooral in de voorsteden, wij herhalen het, dat de Parijzenaar +te voorschijn treedt; dáár is de volbloed Parijzenaar; daar vertoont +hij zich in zijn ware gedaante, daar werkt en lijdt het volk: lijden +en werken zijn de twee gestalten der menschheid. Daar zijn onpeilbare +drommen onbekende wezens, en 't wemelt er van de zonderlingste typen, +van den sjouwerman der Rapée af tot den viller van Montfaucon. Fex +Urbis, roept Cicero; mob, voegt Burke verontwaardigd er bij. Gemeen +volk, gepeupel, deze woorden zijn gemakkelijk gezegd. Goed! Wat doet +het er toe, wat scheelt het mij, dat zij barrevoets gaan? Zoo zij +niet lezen kunnen, des te erger. Moet men hen daarom aan hun lot +overlaten? Moet men van hun nood een vloek maken? Kan het licht +deze drommen niet doordringen? Herhalen wij den kreet: licht! met +volharding. Licht! licht!--Wie weet, of deze duisternis zich niet +zal ophelderen? Zijn de revolutiën geen herscheppingen? Gaat, +wijsgeeren, onderwijst, verlicht, ontvlamt, denkt luidt, spreekt +luid, gaat vroolijk in het volle zonlicht, maakt u met de openbare +pleinen vertrouwd, verkondigt blijde tijdingen, strooit het alphabet, +verklaart de rechten van den mensch, zingt de Marseillaise, zaait +geestdrift en breekt de groene takken van de eiken. Laat de idée een +maalstroom worden. Het volk kan gereinigd worden. Laat ons gebruik +maken van deze uitgebreide ontvlamming der beginselen en deugden, die +nu en dan opgaat. Deze bloote voeten, deze bloote armen, deze lompen, +deze onwetendheid, deze verdorvenheid, deze duisternis kunnen nuttig +aangewend worden. Men zie door het volk heen, en men zal de waarheid +ontdekken. Dat men het gemeene zand, 't welk men onder den voet treedt, +in den oven werpe, het smelt en zal schitterend kristal worden, +en daarmede zullen Newtons en Galiléis sterren en werelden ontdekken. + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +DE KLEINE GAVROCHE. + + +Acht of negen jaren na de in de tweede afdeeling van dit werk verhaalde +gebeurtenissen, zag men op den boulevard du Temple en in den omtrek +van het Waterkasteel een elf- of twaalfjarigen knaap, die tamelijk +nauwkeurig de type van den hiervoren geschetsten straatjongen zou +hebben verwezenlijkt, zoo, bij den glimlach van zijn leeftijd op de +lippen, zijn hart niet geheel somber en ledig ware geweest. Deze knaap +droeg wel een broek, maar hij had ze niet van zijn vader, wel een +vrouwenjak, maar niet van zijn moeder. Vreemde lieden hadden hem uit +liefdadigheid in de plunje gestoken. Hij had evenwel een vader en een +moeder. Maar zijn vader dacht niet aan hem, en zijn moeder beminde hem +niet. 't Was een dier bij uitnemendheid medelijdenswaardige kinderen, +die ouders hebben en toch weezen zijn. + +Deze knaap bevond zich nergens liever dan op de straat. Voor hem +waren de straatsteenen minder hard dan het hart zijner moeder. + +Zijn ouders hadden hem ruw in de wereld geworpen. En hij was eenvoudig +zijn weg gegaan. + +'t Was een drokke, bleeke, vlugge, snuggere, grappige knaap met +levendig, maar ziekelijk voorkomen. Hij ging, liep, zong, speelde, +morste in de goten, stal een weinig, maar vroolijk gelijk de katten +en musschen, lachte wanneer men hem deugniet, en werd kwaad als men +hem bengel noemde. Hij had geen huisvesting, geen brood, geen vuur, +geen liefde; maar hij was vroolijk, wijl hij vrij was. + +Zoodra deze arme wezens mannen zijn geworden, ontmoet hen schier altijd +de molensteen der maatschappelijke orde, die hen vermorzelt; als kind +ontsnappen zij, wijl zij klein zijn. Het kleinste gaatje redt hen. + +Hoe verlaten deze knaap was, gebeurde 't soms echter om de twee of +drie maanden, dat hij zeide: Kom, ik ga moeder bezoeken! Dan verliet +hij den boulevard, den circus, de porte St. Martin, ging langs de +kaden, over de bruggen naar de voorsteden tot aan la Salpetrière, +en waar kwam hij daar? Juist voor het dubbel nummer 50-52, dat de +lezer reeds kent, aan het vervallen huis-Gorbeau. + +Op dit tijdstip was dit oude huis 50-52, dat gewoonlijk ledig stond +en met het bordje: "kamers te huur," prijkte--zeldzamerwijs--bewoond +door verscheidene personen, die overigens, gelijk dit immer te Parijs +het geval is, volstrekt in geen betrekking tot elkander stonden. Allen +behoorden tot die armoedige klasse, welke aanvangt bij den geringen +burger, die in slechte omstandigheden verkeert, en van den eenen trap +van armoede tot den anderen in de maatschappelijke diepte verzinkt, +tot aan de volgende twee wezens, bij wie alle stoffelijke zaken der +beschaving een einde nemen: den gotenschepper, die het slijk wegveegt, +en den voddenraper. + +De "hoofdhuurderes," tijdens Jean Valjean er woonde, was overleden +en door een dergelijke vervangen. Ik weet niet, welke wijsgeer gezegd +heeft: "Aan oude vrouwen is nooit gebrek." + +Deze nieuwe oude vrouw heette vrouw Burgon en had niets merkwaardigs +in haar leven dan een dynastie van drie papegaaien, die achtereen +over haar hart geregeerd hadden. + +De armste dergenen, die het oude huis bewoonden, was een gezin van +vier personen, vader, moeder, en twee bijna volwassen dochters, allen +in dezelfde kamer gehuisvest, in een dier cellen, waarvan wij reeds +gesproken hebben. + +Dit gezin vertoonde bij den eersten aanblik niets bijzonders dan de +uiterste armoede. De vader had, toen hij de kamer huurde, gezegd, +dat hij Jondrette heette. Eenigen tijd nadat hij hier ingetrokken was, +welke intrekking, om de eigenaardige uitdrukking der "hoofdhuurderes" +te bezigen, een "verhuizing van niets" geleek, had Jondrette aan deze +vrouw gezegd, die gelijk haar voorgangster, tevens portierster was +en de trap veegde:--"Buurvrouw, zoo iemand mocht komen om een Pool +of een Italiaan, of ook een Spanjaard te spreken... deze ben ik." + +Die familie was de familie van den vroolijken barvoetigen knaap. Hij +kwam te huis en vond er nood; doch wat treuriger was, geen enkelen +glimlach; koude aan den haard en koude in de harten. Wanneer hij +binnenkwam, vroeg men hem:--"Van waar komt ge?"--Hij antwoordde:--"Van +de straat."--Wanneer hij heen ging, vroeg men hem:--"Waar gaat ge +heen?" en hij antwoordde: "Naar de straat." Zijn moeder vroeg hem: +"Wat komt ge hier doen?" + +Deze knaap leefde in ontbering van alle liefde, gelijk bleeke +grasscheuten in de kelders bij gemis van alle licht. Hij leed er +niet onder en nam het niemand kwalijk. Hij wist eigenlijk niet hoe +een vader en een moeder zijn moesten. + +Zijn moeder beminde evenwel zijn zusters. + +Wij hebben vergeten te zeggen, dat men op den boulevard du +Temple dezen knaap den kleinen Gavroche noemde. Waarom heette hij +Gavroche? Waarschijnlijk omdat zijn vader Jondrette heette. + +Den familieband te verbreken, schijnt bij sommige arme familiën een +instinct te zijn. + +De kamer, welke het gezin Jondrette in het huis Gorbeau bewoonde, +was de laatste aan het einde van de gang. + +De cel er naast werd bewoond door een zeer arm jong mensch, die +mijnheer Marius werd genoemd. + +Laat ons zeggen wie mijnheer Marius was. + + + + + + + +BOEK II. + +DE GROOTE BURGER. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +NEGENTIG JAREN EN TWEE-EN-DERTIG TANDEN. + + +In de straat Boucherat, in de straat de Normandie, en in de straat +Saintonge bestaan nog eenige lieden, die zich een oud man, een zekeren +mijnheer Gillenormand, herinneren en gaarne van hem spreken. Deze +man was reeds oud, toen zij jong waren. Zijn gestalte is voor hen, +die met droefgeestigen blik dat flauwe schimmengewemel aanschouwen, +'t welk men het verleden noemt, nog niet geheel en al uit dien doolhof +van straten in den omtrek van den Temple verdwenen, waaraan, onder de +regeering van Lodewijk XIV, de namen van al de provinciën van Frankrijk +werden gegeven, gelijk men in onzen tijd aan de straten der nieuwe +wijk Tivoli de namen van al de hoofdsteden van Europa gegeven heeft; +een bewijs van vooruitgang ook in dit opzicht. + +De heer Gillenormand die in 1831 nog springlevend was, was een dier +menschen, welke door hun hoogen leeftijd merkwaardig worden en thans +ongemeen zijn, terwijl zij vroeger als iedereen geleken en thans +op niemand meer gelijken. Hij was een zonderling grijsaard en wel +degelijk een man van een andere eeuw, de volmaakte en een weinig +trotsche burger der achttiende eeuw, die even fier op zijn oud +burgerschap was als de markies op zijn markiezaat. Hij was over de +negentig jaar oud, ging rechtop, sprak luid, zag helder, dronk goed, +at, sliep en ronkte evenals vroeger. Hij had nog al zijn twee-en-dertig +tanden. Slechts om te lezen gebruikte hij een bril. Hij was verliefd +van natuur, maar zeide dat hij sedert tien jaren bepaald geheel en al +van de vrouwen had afgezien. Hij kon niet meer behagen, zooals hij +zeide; hij voegde er echter niet bij: ik ben te oud; maar: ik ben +te arm; ware ik niet geruïneerd... O!--Hij bezat inderdaad slechts +een inkomen van omstreeks vijftien duizend francs. Zijn eenigste +wensch was te erven en honderd duizend francs rente te bezitten om +maitressen te kunnen houden. Hij behoorde, gelijk men ziet, niet tot +die soort van ziekelijke grijsaards die, zooals Voltaire, levenslang +sterven; hij had niet het lange leven van een gebarsten pot; de +fiksche grijsaard was altijd gezond geweest. Hij was oppervlakkig, +driftig, spoedig vergramd. Bij elke gelegenheid bruiste hij op, +meestal ten onrechte. Zoo men hem tegensprak, hief hij zijn stok op, +en sloeg de menschen als in de "groote eeuw." Hij had een ongehuwde +dochter van over de vijftig jaar, welke hij duchtig ranselde, als +hij toornig werd, en zeer gaarne zelfs had gegeeseld. Zij was voor +hem niet ouder dan acht jaar. Zijn dienstboden gaf hij oorvegen, +noemde ze beesten! en overlaadde ze met vloeken. Toch was hij soms +buitengewoon kalm en rustig; en liet zich dagelijks door een barbier +scheren, die krankzinnig was geweest en mijnheer Gillenormand haatte, +wijl hij jaloersch op hem was, om zijn vrouw, een bekoorlijke coquette. + +De heer Gillenormand bewonderde zijn eigen knapheid in alle zaken, en +verklaarde zich zelven voor zeer schrander en verstandig; hij zeide +onder anderen: "Ik heb waarlijk zooveel scherpzinnigheid, dat ik u +zou kunnen zeggen van welke vrouw ik de vloo heb, die mij bijt." De +woorden, die hij 't meest gebruikte, waren: "de gevoelige mensch" en +"de natuur." Hij gaf aan dit laatste woord niet dezelfde grootsche +beteekenis, die onze eeuw er aan hecht, maar mengde het op zijn wijze +onder zijn bijtende uitvallen in het hoekje van den haard.--De natuur, +zeide hij, schenkt der beschaving, opdat zij een weinig van alles +hebbe, zelfs velerlei soorten van vermakelijke barbaarschheden. Europa +heeft staaltjes van Azië en Afrika in klein formaat. De kat is een +kamertijger, de hagedis een zakkrokodil. De danseressen der opera +zijn rozeroode wilden. Zij eten de mannen niet op, maar zuigen ze +uit. Ofwel--die tooveressen!--zij veranderen ze in oesters en slikken +ze aldus. De Karaïeben laten slechts de beenderen over, zij niets +dan de schaal. Zoo zijn onze zeden. Wij verslinden niet, maar knagen; +wij vernietigen niet, maar houden toch vast met onze klauwen. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +ZOO DE MAN, ZOO DE WONING. + + +Hij woonde in het Marais, in de straat des filles du Calvaire +No. 6. Het huis behoorde hem. Dit huis is sedert afgebroken en +herbouwd, en het nummer ervan waarschijnlijk in de omwentelingen der +hernummering, welke de straten van Parijs ondergaan, veranderd. Hij +bewoonde ruime ouderwetsche vertrekken op de eerste verdieping, +tusschen de straat en de tuinen. De wanden waren er tot aan de +zoldering behangen met groote tapijten van Gobelin en Beauvais, waarop +herderlijke tafereelen voorgesteld werden, die op de bekleedsels der +stoelen in 't klein waren nageschetst. Zijn bed was achter een groot +kamerscherm van negen, met Coromandelsch lakwerk versierde, bladen +verborgen. Lange gordijnen hingen in prachtige zware plooien voor de +ramen. De vlak onder zijn vensters liggende tuin was met een der ramen, +die den hoek vormde, verbonden door middel van een twaalf of vijftien +treden hooge trap, die de goede man zeer vlug op- en afging. Behalve +een bibliotheek naast zijn kamer had hij een boudoir, waarop hij zeer +gesteld was, met een leliegeel behang versierd, dat op order van den +heer de Vivonne, die 't zijne minnares wilde geven, op de galeien +van Lodewijk XIV door de galeislaven vervaardigd was. Dit had de +heer de Gillenormand van een knorrige tante van moederszijde geërfd, +die honderd jaar oud was geworden. Hij had twee vrouwen gehad. In zijn +manieren bezat hij iets van een hoveling, als hij nooit geweest was, en +van een magistraatspersoon, als hij had kunnen zijn. Hij was vroolijk +en als hij wilde vleiend. In zijn jongen tijd was hij een derzulken +geweest, die altijd door hun vrouwen en nooit door hun minnaressen +bedrogen worden, wijl zij tegelijk de onaangenaamste echtgenooten en +de teederste minnaars zijn. Hij was kunstkenner. In zijn kamer had hij +een bewonderenswaardig schoon portret van een onbekende, door Jordaens +met stout penseel geschilderd. De kleeding van mijnheer Gillenormand +was niet uit den tijd van Lodewijk XV of van Lodewijk XVI; 't was het +kostuum der incroyables (modegekken) van het Directoire. Tot dien tijd +had hij zich altijd jong geloofd en de mode gevolgd. Zijn rok was van +licht laken met breede overslagen, panden zoo lang als zwaluwstaarten +en groote stalen knoopen. Daarbij een korte broek en gespen op de +schoenen. Hij hield altijd de handen in zijn zakken, en zei dikwijls +met gezag: "De Fransche Revolutie was niets dan een hoop bandieten." + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ZIJN DOOPNAMEN. + + +Op zijn zestiende jaar had hij de eer gehad, op één avond in de +opera te gelijk door twee destijds rijpe en vermaarde schoonheden, +beide door Voltaire bezongen, door la Camargo en la Sallé begluurd +te worden. Tusschen twee vuren geraakt, had hij toen een heldhaftigen +aftocht gemaakt naar een kleine danseres, Naherry genaamd, die evenals +hij zestien jaar oud en geheel onbekend was, en op wie hij verliefd +was geworden. Hij vloeide over van herinneringen. "O!" riep hij vaak, +"hoe schoon was Guimard, toen ik haar het laatst te Longchamps zag, +met haar heerlijke, sentimenteele lokken, turkooizen-oorbellen, +nieuwmodisch kleed en mof!"--In zijn jongelingsjaren had hij een +buis à la Nain-Londrin gedragen, waarvan hij gaarne en met genoegen +sprak.--"Ik was als een Turk uit de Levant gekleed," zeide hij +dan. Mevrouw de Boufflers, die hem toevallig had gezien, noemde hem, +toen hij twintig jaar oud was: "een allerliefste dwaas." Hij ergerde +zich over al de namen, welke hij in de politiek en het bewind zag, +en vond ze gemeen en burgerlijk. Hij las de dagbladen, en noemde +ze in lachen uitbarstend de "nieuwe papieren." "Wie zijn toch deze +lieden: Corbiere, Humann! Casimir Perier!" vroeg hij dan, "zijn +zij ministers? Wat zou 't grappig zijn, zoo ik eens in de courant +las: mijnheer de minister Gillenormand.--Nu, zij zijn dom genoeg om +zoo iets te doen!" Hij noemde alles onbewimpeld bij den waren naam, +zonder zich in de tegenwoordigheid van vrouwen te ontzien. De grootste +onbetamelijkheden en vuilste taal sprak hij op zulk een ongedwongen +en kalmen toon uit, alsof 't zoo behoorde. + +Wel was dit de ongedwongenheid zijner eeuw. Het is opmerkelijk, +dat de tijd van sierlijke omschrijvingen in dichtmaat juist die van +ruwheid in het proza was. Zijn peet had voorspeld, dat hij een man +van genie zou zijn en had hem de twee veelbeteekenende namen van +Luc-Esprit gegeven. (Lucas-Geest). + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN ASPIRANT NAAR DE HONDERD JAAR. + + +In zijn kindsheid had hij in de school te Moulins, waar hij geboren +was, menigmaal prijzen behaald en was er zelfs door de hand van +den hertog van Nivernais, dien hij den hertog van Nevers noemde, +bekroond. Noch de conventie, noch de dood van Lodewijk XIV, noch +Napoleon, noch de terugkomst der Bourbons, hadden de herinnering aan +die bekroning kunnen uitwisschen. De "hertog van Nevers" was voor +hem de groote figuur der eeuw. "Welk een goed, groot heer was hij, +en hoe fraai stond hem het blauwe lint," dus sprak hij dikwijls. In +zijn oogen had Katharina II de misdaad van Polens verbrokkeling +uitgewischt, door van Bestuchef voor drie duizend roebels het geheim +van het goud-elixer te koopen. Als hij daarvan sprak, geraakte hij in +vuur. "Het goud-elixer," riep hij dan, "de gele tinctuur van Bestuchef, +de droppels van generaal Lamotte,--het was in de negentiende eeuw, +voor een louisd'or het fleschje van een half ons, het groote hulpmiddel +tegen de rampen der liefde, het panacee tegen Venus. Lodewijk XV zond +er tweehonderd flesschen van aan den paus."--Men zou hem vertoornd +en tot het uiterste gebracht hebben, zoo men hem gezegd had, dat +het goud-elixer niets anders dan perchlorure van ijzer was. Mijnheer +Gillenormand vereerde de Bourbons en verfoeide 1789; zonder ophouden +kon hij vertellen, op welke wijze hij tijdens het schrikbewind +ontsnapt was, en hoe vroolijk en schrander hij had moeten zijn om +zijn hoofd te kunnen behouden. Zoo een jongeling het waagde hem +met lof van de republiek te spreken, werd hij zoo rood van toorn, +dat hij schier in onmacht viel. Soms zinspelend op zijn negentig +jaren zeide hij: "Ik hoop niet, dat ik tweemalen drie-en-negentig +jaren zal beleven." Een andermaal echter gaf hij weer te kennen, +dat hij voornemens was honderd jaar oud te worden. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +BASQUE EN NICOLETTE. + + +Hij had theorieën. Eene er van was: "Zoo een man de vrouwen +hartstochtelijk bemint en hij zelf een vrouw heeft, die hem +onverschillig, die leelijk, bits, en bijgevolg vol aanmatigingen, +desnoods jaloersch is en op het wetboek steunt, schiet hem slechts +één middel over om rust en vrede te hebben, namelijk: die vrouw over +de beurs te laten beschikken. Deze afstand maakt hem vrij. Dan toch +heeft de vrouw bezigheid, krijgt zooveel lust in 't geld tellen, +dat haar vingers vuil worden, rijdt de huurders en pachters na, +raadpleegt procureurs, notarissen, advocaten, procedeert, stelt +huurcontracten op, gevoelt zich meesteres, koopt, verkoopt, regelt, +belooft, bindt en ontbindt, brengt nu alles in orde, dan in wanorde, +bezuinigt, verspilt, doet dwaasheden, hetgeen een groot geluk is, en +vindt daarin haar troost. Terwijl de echtgenoot haar veronachtzaamt, +heeft zij dus het vermaak hem te ruïneeren." Deze theorie had mijnheer +Gillenormand op zich zelven toegepast en zij was zijn geschiedenis +geworden. Zijn tweede vrouw toch had zijn vermogen zóó beheerd, dat +den heer Gillenormand, toen hij op zekeren dag weduwnaar werd, juist +genoeg overbleef om ervan te kunnen leven, zoo hij alles op lijfrente +zette, hetgeen een rente van vijftienduizend francs uitmaakte, waarvan +drie vierden met hem te niet moesten gaan. Hij had zich niet lang +bedacht en er zich weinig om bekommerd, of hij al dan niet een erfenis +naliet. Bovendien had hij gezien, dat eigendommen aan verandering +onderhevig waren en, bij voorbeeld, soms "nationaal eigendom" konden +worden; en daar hij tierceering had bijgewoond, stelde hij ook in +het grootboek geen crediet.--Dat alles was "straat Quincampoix," +zwendelarij. Wij hebben gezegd, dat het huis in de straat "des filles +du Calvaire" hem behoorde. Hij had twee dienstboden, "een mannelijke +en een vrouwelijke." Zoodra iemand bij den heer Gillenormand in dienst +kwam, werd die door hem herdoopt. Hij gaf den mannen den naam hunner +provincie: Nîmois, Courtois, Poitevin of Picard. Zijn laatste knecht +was een dik, amechtig man van vijf-en-vijftig jaar, die geen twintig +schreden kon loopen; doch daar hij te Bayonne geboren was, noemde de +heer Gillenormand hem Basque. De dienstmeiden heetten alle Nicolette +bij hem, zelfs Magnon, van wie later zal gesproken worden. Op zekeren +dag bood een keukenmeid van den eersten rang hem haar dienst aan. + +"Hoeveel loon begeert ge 's maands?" vroeg mijnheer Gillenormand. + +"Dertig francs." + +"Hoe heet ge?" + +"Olympia." + +"Ge zult vijftig francs hebben en Nicolette heeten." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +MAGNON MET HAAR TWEE KINDEREN. + + +Bij den heer Gillenormand uitte zich de smart in toorn; hij kon +woedend zijn over zijn wanhoop. Hij had allerlei vooroordeelen en +veroorloofde zich alles. Bovenal was hij trotsch en innig tevreden +dat hij, zooals wij gezegd hebben, nog in zijn ouderdom zoo galant was +gebleven en daarvoor ook gehouden werd. Hij noemde dit een koninklijke +vermaardheid. En zij bezorgde hem ook zonderlinge voordeelen. Op +zekeren dag bracht men hem in een oestermand een dik pasgeboren +knaapje, schreeuwende als de drommel en goed ingebakerd, waarvan +hem het vaderschap werd toegeschreven door een dienstmeid, welke hij +zes maanden geleden had weggejaagd. Mijnheer Gillenormand was toen +vier-en-tachtig jaar oud. Ergernis en gebabbel in de buurt. "Wien zou +die schaamtelooze zoo iets durven wijs maken? Welk een vermetelheid, +welk een schandelijke laster!" Maar mijnheer Gillenormand was +er volstrekt niet verstoord over. Hij beschouwde het kind met den +tevreden glimlach van iemand, wien de laster vleit, en zei: "Welnu, +wat zou dat, wat is er te doen? ge verwondert u waarlijk als menschen, +die van niets weten. De hertog van Angoulême, bastaard van zijne +Majesteit Karel IX, trouwde, toen hij vijf-en-tachtig jaar oud was, +met een nufje van vijftien jaar, mijnheer Virginal, markies van Alluye, +broeder van den kardinaal de Sourdis, aartsbisschop van Bordeaux, +verwekte, drie-en-tachtig jaar oud zijnde, een zoon bij een kamenier +van de presidentsvrouw Jaquin, een waar kind der liefde, die Malthezer +ridder en staatsraad met den degen werd; een der grootste mannen +dezer eeuw, de abt Tabaraud, is de zoon van een zeven-en-tachtigjarig +man. Die dingen hebben niets buitengewoons. En dan de bijbel! Ik +verklaar echter, dat deze kleine niet van mij is. Toch moet men hem +verzorgen. 't Is zijn schuld niet."--Zijn handelwijze was waarlijk +goedaardig. + +Het schepsel, dat Magnon heette, zond hem het volgende jaar een +dergelijk geschenk. Nu kapituleerde mijnheer Gillenormand. Hij gaf +aan de moeder de twee kleinen terug en verbond zich, om maandelijks +tachtig francs voor hun onderhoud te betalen, op voorwaarde dat +gezegde moeder het er nu bij zou laten. Hij voegde er nog bij: +"Ik verlang, dat de moeder ze goed behandelen zal. Van tijd tot tijd +zal ik ze bezoeken." En dit deed hij. Hij had een broeder gehad, die +priester en dertig jaren rector der academie van Poitiers geweest en +op negen-en-zeventigjarigen ouderdom overleden was. Toch zeide hij, +dat hij hem jong verloren had. Deze broeder, die weinige herinneringen +heeft achtergelaten, was een vreedzame vrek, die als priester zich +verplicht achtte den armen, welke hij ontmoette, aalmoezen te geven, +maar hun ook niets dan slecht of valsch geld schonk, en aldus het +middel vond langs den weg des hemels naar de hel te gaan. Mijnheer +Gillenormand senior zag op geen aalmoes en gaf gaarne en mild. Hij was +goedhartig, ruw, liefdadig, en ware hij rijk geweest, hij zou misschien +naar prachtlievendheid zijn overgeheld. Alles moest, voor zoover +'t hem aanging, op groote schaal gebeuren, zelfs schurkenstreken. + +Eenmaal, toen hij bij een erfenis op de gemeenste en tastbaarste +wijze door een zaakwaarnemer geplukt was, riep hij op plechtige wijze: +"Foei! dat is slordig! ik schaam mij er over. Alles ontaardt in deze +eeuw, zelfs de schelmen. Wat duivel! zóó laat iemand van mijn soort +zich niet plunderen. Ik ben bestolen als in een bosch, maar gemeen +bestolen. Silvæ sint consule dignæ."--Hij had, zooals wij zeiden, +twee vrouwen gehad; van de eerste had hij een dochter, die ongehuwd +was gebleven, en van de tweede nog een dochter, die op dertigjarigen +leeftijd gestorven was, na uit liefde of toevallig met een soldaat van +fortuin getrouwd te zijn geweest, die in de gelederen van republiek +en keizerrijk gediend en bij Austerlitz het kruis gekregen had, te +Waterloo tot kolonel was verheven en door den ouden burger nochtans +de schandvlek der familie werd genoemd. Hij snoof sterk en wist zeer +bevallig met den rug zijner hand de snuifkorrels van zijn kanten +chabot te slaan. Aan God geloofde hij niet sterk. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +REGEL: ONTVANG ALLEEN DES AVONDS BEZOEK. + + +Zoo was mijnheer Luc Esprit Gillenormand, die zijn meer grijze dan +witte haren nog niet verloren had en nog altijd naar de mode zijner +jeugd gekapt was. Overigens was hij bij dat alles zeer deftig. + +Hij had iets van de achttiende eeuw: beuzelachtig en groot. + +In het jaar 1814 en de eerste jaren der restauratie woonde +Gillenormand, destijds nog jong--hij was niet ouder dan +vier-en-zeventig jaar--in de voorstad Saint-Germain, in de straat +Servandoni, bij Saint-Sulpice. Eerst toen hij zich van de wereld +afzonderde, trok hij naar het Marais en wel met tachtig jaren achter +den rug. De wereld verlatende, was hij als door zijn gewoonten +ommuurd. De voornaamste en de onwrikbaarste was, dat hij des daags +zijn deur gesloten hield en niemand, voor welke zaak het ook ware, +anders dan des avonds ontving. Hij dineerde te vijf uren en zette dan +zijn deur open. 't Was de mode zijner eeuw en hij wilde er niet van +afzien.--"De dag is schelmachtig," zeide hij, "en verdient niets dan +gesloten vensters. Fatsoenlijke menschen laten hun geest lichten als +het luchtruim zijn sterren ontsteekt."--En dus bleef hij voor ieder, +zelfs voor den koning, ongenaakbaar. Dat was de oude bevalligheid +van zijn tijd. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +TWEE MAKEN GEEN PAAR. + + +Van de twee dochters des heeren Gillenormand hebben wij reeds +gesproken. De eene was tien jaren voor de andere geboren. In haar +jeugd geleken zij weinig op elkander, zoomin wat gelaat als karakter +betreft, en schenen bijna geen zusters te zijn. De jongste wendde haar +bekoorlijk hart naar al wat licht was, zij hield zich met bloemen, +verzen en muziek bezig, kon zich met etherische geestvervoering in +hooger sferen verplaatsen en was reeds van haar kindsheid af aan het +ideaal van een denkbeeldigen held verloofd. Ook de oudste had haar +droombeelden; zij zag in de wolken een zeer rijken leverancier, een +van domheid schitterend echtgenoot, een mensch geworden millioen, +of wel een prefect; terwijl de receptiën in 's prefects huis, de +boden in de voorkamer met een keten om den hals, de officiëele bals, +de aanspraken in de mairie en het denkbeeld: de vrouw van een prefect +te zijn, in haar verbeelding dooreen dwarrelden. Beide zusters hadden +alzoo ieder haar wenschen, toen zij jong waren. Beide hadden vleugelen: +de eene als van een engel, de andere als van een gans. + +Geen eerzucht wordt, ten minste niet hier op aarde, volkomen +vervuld. Er is geen aardsch paradijs meer in onzen tijd. De jongere +zuster was met den man harer droomen getrouwd, maar stierf. De oudste +was niet getrouwd. + +Op het oogenblik, dat zij in onze geschiedenis optreedt, was zij een +oude vrome, onontvlambare nuf, met den puntigsten neus en het stompste +verstand, dat men maar vinden kon. Een karakteristieke bijzonderheid +was 't voorzeker, dat niemand buiten den engen familiekring ooit haar +voornaam geweten had. Men noemde haar altijd de oudste mejuffrouw +Gillenormand. Wat de preutschheid betreft, zou zij 't van een Engelsche +dame zelfs gewonnen hebben. 't Was de beschaamdheid tot het uiterste +gedreven. Zoolang zij leefde, vervolgde haar één schrikkelijke +herinnering; eens toch had een man haar kousenband gezien. + +En deze onmeêdoogende beschaamdheid was met de jaren nog erger +geworden. Haar halsdoek was nooit dicht genoeg en zij kon ze nooit hoog +genoeg ophalen. Zij zette steeds meer haken en oogen aan en stak zelfs +spelden, waar niemand er aan dacht om te gluren. Het eigenaardige der +preutschheid is immers ook, dat er te meer schildwachten worden gezet, +naarmate de vesting minder wordt bedreigd. + +Toch liet zij zich--wie er in staat toe is verklare deze oude +verborgenheid der onschuld--niet ongaarne door een officier der +lanciers omhelzen, die haar achterneef was en Theodule heette. + +In spijt nochtans van dien begunstigden lancier kwam haar de benaming +van "preutsch", welke wij haar gegeven hebben, toch volkomen +toe. Juffrouw Gillenormand was een soort van schemeringsziel. De +preutschheid is half deugd, half ondeugd. + +Bij haar preutschheid voegde zij nog dweperij, dubbele voering voor +zulk een kleed. Zij behoorde tot het genootschap der H. Maagd, droeg +op sommige feestdagen een witten sluier, prevelde bijzondere gebeden, +vereerde het "heilige bloed" en "het heilige hart", kon uren lang +aandachtig voor een kakelbont opgeschikt jezuïetisch altaar in een +afzonderlijke, voor 't geloovig gemeen gesloten kapel blijven liggen, +en liet daar haar ziel omhoog stijgen naar marmeren wolkjes en groote +vergulde houten stralen. + +Zij had een kerkvriendin, een bedaagde maagd als zij, en daarbij zeer +dom, die juffrouw Vaubois heette, en bij wie juffrouw Gillenormand het +geluk had voor een genie door te gaan. Uitgezonderd de Agnus Dei en de +Ave Maria, verstond juffrouw Vaubois niets, dan het op verschillende +wijzen toebereiden van confituren. Juffrouw Vaubois, volmaakt in haar +soort, was de hermelijn der domheid zonder een enkel smetje verstand. + +Wij moeten zeggen, dat juffrouw Gillenormand bij de vermeerdering +harer jaren meer gewonnen dan verloren had, zooals bij lijdelijke +naturen gewoonlijk het geval is. Zij was nooit slecht geweest, +hetgeen betrekkelijk goed is; bovendien slijt de ouderdom de hoeken, +en had de tijd haar week gemaakt. Zij had een sombere treurigheid, +waarvan zij de oorzaak niet wist. In geheel haar persoon uitte zich +de verbazing over een geëindigd leven, dat geen begin heeft gekend. + +Zij bestierde de huishouding van haar vader. Mijnheer Gillenormand +had zijn dochter evenzoo bij zich, als Monseigneur Bienvenu zijn +zuster. Zulke huishoudingen van een grijsaard en een oude vrijster zijn +niet zeldzaam en vertoonen het aandoenlijk tooneel van twee zwakheden, +die elkander steunen. + +Bovendien stond in dit huis, tusschen deze oude vrijster en dezen +grijsaard in: een kind, een knaapje, steeds sprakeloos en bevende als +mijnheer Gillenormand er bij was. Nooit sprak mijnheer Gillenormand +dat kind anders dan op strengen toon en soms met opgeheven stok +toe.--"Hier, domoor, deugniet, kom nader!--Antwoord, schelm!--Zoo +ge mij weder onder de oogen durft komen!" enz. enz. enz. Toch aanbad +hij het kind. + +Het was zijn kleinzoon. Wij zullen dat kind wedervinden. + + + + + + + +BOEK III. + +DE GROOTVADER EN DE KLEINZOON. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN VOORMALIG SALON. + + +Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde, +bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd +er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een +dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men +hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar +hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed +uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde; +die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer +Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde +kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij +was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en +Bengy-Puy Vallée. + +Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij +mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou, +woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder +Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de +T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische +verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, +niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood +marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen +ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve +deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente, +die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van 't hof +verwijderd! een "zeer gemengde wereld," zooals zij het in haar edele, +fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden +zich tweemaal 's weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een +zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang +men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kreten +van afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de +veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven, +en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over +de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf. + +Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon +Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste +vrouwen zelfs, geraakten er in verrukking over verzen als deze, +aan de federalisten gericht: + + + Renfoncez dans vos culottes + Le bout d' chemise qui vous pend. + Qu'on n' dis pas qu' les patriotes + Ont arboré l' drapeau blanc! [1] + + +Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met +onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier, +zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een +gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden. + + + Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base, + Il faut changer de sol et de serre et de case [2] + + +Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke +Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen. + +Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den +zin van het ça ira om en zong: + + + Ah! ça ira! ça ira! ça ira! + Les buonapartist' à la lanterne! + + +Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig, +heden dezen, morgen genen. 't Zijn slechts variatiën. + +In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd, +koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès "buonapartist" +was. Men noemde de liberalen "broeders en vrienden," en dit was een +beleediging in den hoogsten graad. + +Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee +weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de +Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid +toefluisterde: "Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer." + +Partijen verleenen zonderlinge amnestieën. + +In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het +aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam +zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering +van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering +van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De +oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle +andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins +van Soubise. Hoewel? neen, omdat hij dit was. Du Barry, peet van +la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne +gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié +waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een +god was. + +De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard +was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding, +zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn +tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in +een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander +waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek. + +Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid +"in tel" en, zonderling, ook door den naam van Valois. + +Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, +was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij +was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn +voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, +gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De +jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs. + +Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit +den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, +na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den +naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk +XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van +markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde +dit goed.--"Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn," +zeide hij, "zijn provincie-koningen." Op zekeren dag vroeg men in +zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van den Courier Français +veroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte +Gillenormand op [3], dat sus hier te veel was. Woorden als deze geven +iemand vermaardheid. + +Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons +het Te Deum werd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand +zag voorbijgaan: "Ziedaar Zijne Excellentie de Booze." + +Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange +dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en +door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke +oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem +om hem heen te hooren fluisteren: "Welk een lieve knaap! hoe jammer, +die arme jongen!" Dit knaapje nu was het kind, van 't welk wij zoo +even gesproken hebben. Men noemde hem--"arme jongen"--wijl hij een +"bandiet van de Loire" tot vader had. + +Deze "bandiet van de Loire" was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de +Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek +zijner familie genoemd had. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN DER ROODE SPOKEN VAN DIEN TIJD. + + +Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone +monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig +door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, +en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man +van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen +pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was +genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen +droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn +hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over +de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde +bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een +der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker +Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij +grooter waren, hoven, en zoo zij kleiner waren, bloemruikers konden +heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier, +aan 't andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen, +van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en +het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en +arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch +boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond, +dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de +schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid. + +Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het +hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen +en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij +was vindingrijk en Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending +van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche +en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon +tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten, +alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het +gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een +vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of +staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed +schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij +dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd +door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw +ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, +die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, +een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de +eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen +en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was +de bandiet van de Loire. + +Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën, +den Moniteur en de bulletins van het groote leger had gelezen, +zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in +voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze +Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie +brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van +den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen +van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in +1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, +te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de +tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden. Met +twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van +den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug, +dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder +Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel, +waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij +naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, +die met Joubert den Colde-Tende verdedigden. Joubert werd +hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant +bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het +schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: +Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn +ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven +sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden +van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua +naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij +in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche +kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks +verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar +Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch +de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij +met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, +dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot +aan de spuigaten volgeladen was. + +In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog +Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van +kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9e reg. dragonders +doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich +te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur +des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische +garde een bataljon van het 4e linieregiment in de pan hakte, +behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde +overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag +achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm +krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote +leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens +ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van +Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige +kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met +zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen +van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, +welke levend dit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens +zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden, +Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail, +Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne, +en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te +Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar +zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men +uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht +dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild +en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den +ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde, +of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier +een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening +verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen, +zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen +zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was +hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was 't, die +het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten +des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw, +dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer +tevreden toe: "Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van +het legioen van eer!" Toen antwoordde Pontmercy: "Sire, ik dank u voor +mijn weduwe." Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En +wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire. + +Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag +van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit +den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het +leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in +het kantonnement der Loire voort te sleepen. + +De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, +natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning +Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet +gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier +van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel +van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan +om zich kolonel baron Pontmercy te teekenen. Hij had slechts één +blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van +het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem +verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragen dezer decoratie zou +vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, +antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: "Ik weet niet of ik geen +Fransch meer versta, of dat gij 't niet meer spreekt, maar dit weet +ik, dat ik u niet begrijp."--Vervolgens ging hij acht dagen achtereen +met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of +drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant +van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant +Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd +handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe +aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde +stof als zijn keizer gemaakt. + +Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt, +die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal's ziel +in zich hadden.--Op zekeren ochtend toen hij den procureur des +konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg: +"Is 't geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn +litteeken drage?" + +Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te +Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men +heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk +had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw +Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig +verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: "De aanzienlijkste +familiën zijn er toe gedwongen." In 1815 was mevrouw Pontmercy, een +alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot +waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind +zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de +grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat +hij hem, zoo men 't kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in +'t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet +meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben. + +Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam +geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen +de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij +verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier +te verbeiden en Austerlitz te gedenken. + +Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De +kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel +een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met +"zijn baronie" te spotten. Men was nadrukkelijk overeengekomen, +dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken, +op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou +worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij +wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel +ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich, +in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde. + +De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude +juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was +rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke +erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar +niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, +de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader +hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon +te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en +meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, +langzamerhand in zich opnam,--slechts met schaamte en een beklemd +hart aan zijn vader denken kon. + +Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden +eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf +ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van +St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de +mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, +achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn +kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster. + +Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt +Mabeuf, ontstaan. + +Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester +van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij 't aanschouwen van zijn +kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen +die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, +die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den +kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven. + +Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij +kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van +St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden +brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit +werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, +werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met +de geheele geschiedenis bekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn +gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had +ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te +gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den +pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, +is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en +een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert +zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; +een ander verschil is er niet. + +Tweemaal 's jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges, +schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante +hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was +alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere +brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +REQUIESCANT. + + +De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de +wereld kende. 't Was de eenige opening, door welke hij het leven +kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude +dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd +en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten +tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook +ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, +schouwde hij met ernstige verbazing in 't rond. Alles vereenigde +zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw +T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, +Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze +ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest +van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, +en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, +ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge +gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, +waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden +eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de +kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, +maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag. + +Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone +bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de +markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; +de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van "Charles +Antoine" gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die +hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, +geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden +kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de +markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk +de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M..., +een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, +steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke +cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer +verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij +zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en +daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten +had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, +den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de +hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te +rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, +hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, +die 's ochtends droog en 's avonds vochtig was. Van deze treurige +verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er +Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een +thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord +du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van +de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met +zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar +den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van +den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die +op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen +en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken. + +Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer +Larose, zijn medearbeider aan la Foudre zeide: Wel! wie is er geen +vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur, +hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop, +of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen +droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de +pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi, +later kardinaal, merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, +en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, +een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der +uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen, postulatore +di Sancti, 't geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel +als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk +twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de +kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later +de eer zou hebben in den Conservateur naast Chateaubriand zijn +artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van +Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn +neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog +is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke +grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen +vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie +en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die +destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van +Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en +de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, +monseigneur Cottret, bisschop inpartibus van Carysta het: "Markeer, +abt, ik caramboleer!" toeriep. De kardinaal de C... T... was door +zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een +van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure +was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver +voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de +glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche +Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis +aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige +kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand +boordje beter in 't oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon +evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid +van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk, +de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d'Herb..., +de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister +bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen +vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk +en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij +zeide: "De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn +de Fransche pairs van Engeland." Overigens--want in deze eeuw moet +de revolutie wel overal zijn--gaf in dezen adellijken salon, zooals +wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan. + +Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij +vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er +quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een +weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, +zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit +verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige +bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich +te beteren. + +De "adellijke" salons van heden gelijken die salons niet meer. De +voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De +koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, +bij toen vergeleken. + +Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte +er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en +veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei +verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, +schoon begraven, nog leefde. + +Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen +zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben +gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouw mevrouw de +generaalse. 't Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw de kolonelse +zeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering +aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming +boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich +mevrouw de kolonelse. + +Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning +ingevoerd om, met den koning sprekende, "de koning" in den derden +persoon en nooit "uwe majesteit" te zeggen, daar deze titel door den +"overweldiger bezoedeld was." + +Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte +er de eeuw, 't geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp +elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men +bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde +op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van +nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in +het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten +van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap. + +Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was +er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de +salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren +reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien +ouderwetsch. De meesters werden er bediend door dienstboden, even +verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich +tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat +was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was "in goeden +reuk te staan." Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer +eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. 't Was een +wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet. + +Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één +dienstmaagd had, sprak voortdurend van "mijne dienstboden." + +Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was er ultra. + +Ultra te zijn,--het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt +misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit +verklaren. + +Ultra zijn is overdrijven. 't Is den schepter in naam van den troon, +en den mijter in naam van het altaar aanranden; 't is de zaak, die +men behandelt, mishandelen; 't is achteruit schoppen in het tuig; +'t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters +lastig vallen; 't is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten; +'t is door te veel eerbied beleedigen; 't is in den paus te weinig +pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te +veel licht zien; 't is in naam der blankheid ontevreden zijn op het +albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; 't is voor sommige +zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt; +'t is zoozeer "voor iets" zijn, dat men er "tegen" wordt! + +De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie. + +Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt +en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, +den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren +een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk +en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de +duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog +bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en +die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en +treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;--niets gelijkt +meer naar 't ontwaken dan de terugkomst;--het was er een groep, +die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend +beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met +wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên, die over +alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in +Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland +mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden; +het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk, +namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten, +die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel +den groote vergezelden en de kameraden van Napoleon verachtten. De +degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk +en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een +sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer +voor hetgeen groot noch besef van 't geen bespottelijk was. Er was +iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet +meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo +wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen +geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een +voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed +verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom +van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en +begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten! + +Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden, +toen Martainville geestiger dan Voltaire was. + +Die salons hadden een eigen literatuur en politiek. Men geloofde er +aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den +publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet +anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats, +die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal +der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den +tijdgeest deed. + +Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenige +doctrinaires op, als een onrustbarend verschijnsel. Dezen waren +koningsgezind, maar slechts toen ze 't moesten zijn. Waar de ultra's +zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij +waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed +tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een +nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte +rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk der doctrinaires was, dat +zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij +droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een +gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid +een afbrekend liberalisme tegenover een behoudend. Zij zeiden: "Genade +voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft +ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied +weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en +verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der +natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat +het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere +denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar +het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij 't ook soms +niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn, +moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak +met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! Het +revolutionaire Frankrijk heeft geen eerbied voor het historische +Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den +5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men 't na +den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig +tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men +dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan +de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild +van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de +brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat +wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons +evengoed als de N. 't Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men +moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige +verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom +niet geheel Frankrijk bemind?" + +Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, +dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het +beschermd werd. De ultra's kenmerkten het eerste tijdperk van het +royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde +behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets. + +In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik +der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in +'t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier +nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en +zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige +herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat +verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar +grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, +noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd. + +Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de +handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een +onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, +die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in +die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de +rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had +weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge +wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber. + +Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, +godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die +tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid +ontaarde. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE BANDIET STERFT. + + +Het einde van Marius' klassieke studie viel samen met de verwijdering +van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam +afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en +betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij +had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die +op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien +we boven reeds hebben gesproken. + +In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond +te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand. + +"Marius," zei mijnheer de Gillenormand, "morgen moet ge naar Vernon +vertrekken." + +"Waarom?" vroeg Marius. + +"Om uw vader te bezoeken." + +Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de +mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem +onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer +zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. 't Was geen verdriet, +maar een last. + +Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn +vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij +goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; 't was bewezen, wijl hij +hem anders niet verlaten en aan anderen overgegeven zou hebben. Nu +hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger +naar hij dacht. + +Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets +vroeg. Deze hernam: + +"'t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien." + +En hij voegde er na eenig zwijgen bij: + +"Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen +vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt, +dat er haast bij is." + +Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had +denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend +bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy +reed destijds 's nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand +noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen. + +Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar +werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, +dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij +was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader +evenmin als baron of kolonel. + +Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje +in de hand opende de deur. + +"Is mijnheer Pontmercy er ook?" vroeg Marius. + +De vrouw bleef onbewegelijk. + +"Ben ik terecht?" vroeg Marius. + +De vrouw knikte bevestigend. + +"Zou ik hem dan kunnen spreken?" + +De vrouw schudde ontkennend het hoofd. + +"Maar ik ben zijn zoon!" hernam Marius. "Hij wacht mij." + +"Hij wacht u niet meer," sprak de vrouw. + +Toen zag hij, dat zij weende. + +Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij +trad binnen. + +In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht, +waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in 't +hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel. + +De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad. + +De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang +der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer +de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden +avond van Marius' komst te Vernon had de kolonel een aanval van +waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode, +uit het bed gekomen en had geroepen: "Mijn zoon komt niet, ik ga +hem te gemoet!"--Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de +voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven. + +Men had den geneesheer en den pastoor geroepen. + +De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen. + +Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den +overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid. + +Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was +om het uitblijven van zijn zoon gestort. + +Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst +zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, +die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar +bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar +kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat +aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, +een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader +was en nu was gestorven, en hij bleef koel. + +Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen +doode gevoeld zou hebben. + +Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde +in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer +wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook. + +Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun +tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En +Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen +in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen, +opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast +te houden. + +Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste +en verachtte hij zich zelven om die daad. + +Maar was 't zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu! + +De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte +ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond +een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel +had er op geschreven: + +"Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo +baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen +titel, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen +en voeren. 't Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn." Op de +achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: "In dienzelfden slag van +Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik +geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van +Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn +zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan." + +Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor +den dood, die in 't menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt, +nam Marius het papier en stak het bij zich. + +Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet +zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren +plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten +verwilderden en verstierven. + +Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na +de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën, +zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd +had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen +was hij vergeten. + +Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +OM REVOLUTIONAIR TE WORDEN, IS 'T ZEER GOED DE MIS BIJ TE WONEN. + + +Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een +Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde +kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein +was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter +een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op +welks rug: de heer Mabeuf, kerkmeester geschilderd stond. Nauwelijks +was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide: + +"Mijnheer, dit is mijn plaats." + +Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik +nam. + +Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van +daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide: + +"Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals +storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u +verklaring geven." + +"Dat is onnoodig, mijnheer," zei Marius. + +"Neen," hernam de oude man, "ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld +van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is +mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien +jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed +vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om +zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij +kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar +de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar +was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader +had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien +zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad +zijn kind. Ik heb 't gezien. Die plek is als 't ware heilig voor mij +geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies +ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien +ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader, +een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te +onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd, +opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem +van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke +meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een +mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond; +daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel +onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te +Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie +of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!" + +"Pontmercy," zei Marius verbleekend. + +"Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?" + +"Mijnheer," zei Marius, "hij was mijn vader." + +De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: "Zijt ge zijn +zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon, +gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!" + +Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den +volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand: + +"Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe, +dat ik mij voor drie dagen verwijder?" + +"Wel vier," antwoordde de grootvader, "ga en vermaak u." + +En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe: + +"Zeker een liefdesgeschiedenis." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +WAT ER VAN KOMT, ALS MEN EEN KERKMEESTER ONTMOET. + + +Waarheen Marius ging zal men iets verder zien. + +Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, +ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de +verzamelde Moniteurs. + +Hij las den Moniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek +en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, +dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den +eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam +vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, +onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf +H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde +hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen +en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, +verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn +vader volkomen. + +Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn +gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij +verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder +hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: +"Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!"--Soms voegde de grijsaard +er bij:--"Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar +'t schijnt werkelijk liefde te zijn." + +En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief +te hebben. + +Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn +denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar +dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het +noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen +en aan te wijzen. + +De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem. + +De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch +waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De +Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een +zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan +een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, +aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, +Vergniaud, Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en +een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor +zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste +verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, +en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, +zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden +zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; +ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in +twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van +het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in +de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; +hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit +het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn +geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest. + +Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering +over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te +voeren. 't Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij +aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens +vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor 't geen volgen zal; +gaan wij nu voort. + +Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als +zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was +met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde +aan den eenen, vereerde aan den anderen kant. + +Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn +ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo +zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, +meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, +hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader +gespoed en uitgeroepen hebben: "Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; +ik heb hetzelfde hart als gij!" O, hoe zou hij zijn grijze hoofd +gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, +zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd +hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de +rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius' +hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen +werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en +meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er +ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij +gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem +geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten. + +Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem +openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans +zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken +geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, +en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan +zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem +toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf +en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk +ook die van Napoleon gevolgd. + +Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied. + +Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent +Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, +al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te +misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg +had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik +gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en +om hem voor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, +de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van +1814 beurtelings de schrikbarendste maskers--van wat vreeselijk en toch +grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van +Tiberius af tot Blauwbaard toe--te voorschijn treden. Wanneer er dus +van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, +mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius' geest had, +nopens dezen man,--zooals men hem noemde--nooit andere denkbeelden +gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid +saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat +Napoleon haatte. + +Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken +en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den +sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen +iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent +Bonaparte als al het overige bedrogen had. + +Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, +aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap +en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de +donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende +trappen der geestvervoering. + +Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht +brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te +lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengden +zich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men +hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij +komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die +twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de +sterren fonkelen;--'t is een ontzettend grootsch gezicht! + +Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen +op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam +zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk +daagde voor hem op; hij gevoelde als 't ware dat er een zwellende vloed +in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim +voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe +zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, +het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, +verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen +naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, +fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek +en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart +was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, +zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, +richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak +vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de +eeuwige onmetelijkheid, en riep: "Leve de Keizer!" + +Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche +menscheneter--de overweldiger,--de dwingeland,--het monster dat de +minnaar zijner eigen zuster was,--de komediant wien Talma les gaf,--de +vergiftiger van Jaffa,--de tijger,--Buonaparte,--dat alles verdween +en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, +waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar +blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde +veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert; +voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde +grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij, +op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van +hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk +XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité +van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, +en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar +die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken, +machtig in zijn misdaden bleek. + +Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen had van "de groote +natie" te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden +Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg, +en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in +Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen +zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook +dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich +opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus +de Godmensch is. + +Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde, +dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op +een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme +voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor +de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het +genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd +het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog +hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms +kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed +geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de +nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling +der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem, +de verzachtende omstandigheden. + +Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den +val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was +veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had +zich omgewend. + +Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets +van vermoedde. + +En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche +huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en +den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair, +innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een +graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met +het opschrift: "Baron Marius Pontmercy." + +Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, +een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij +echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon +afgeven, stak hij ze in zijn zak. + +Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich +meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de +kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij +zich meer van zijn grootvader verwijderde. Wij hebben 't reeds gezegd, +dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer +behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken, +die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards +moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en +bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke +meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls +tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug +instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde +Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de +gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend +aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind +zijn vader ontnomen had. + +Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn +grootvader geworden. + +Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe +langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo +zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde +studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader +hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: "Hij is verliefd; +ik ken die dingen." + +Marius was nu en dan afwezig. + +"Waar zou hij toch heengaan?" vroeg tante. + +Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar +Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem +had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den +herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de +herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door +al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit. + +"Nu is 't zeker," zei de grootvader; "zijn hoofd raakt in de war." + +Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd +iets aan een zwart lint om den hals droeg. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EEN VROUW IN 'T SPEL. + + +Wij hebben van een lansier gesproken. + +Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, +die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven +leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de +voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij +had een "dames-taille," droeg een opgestreken knevel en liet zijn +sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden, +dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts +bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de +gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem +niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei +uitmuntende hoedanigheden toe. + +Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een +opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter +slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor +een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.--"'t +Is goed!" had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog +optrekkende, bijgevoegd: "Hij blijft 's nachts uitgaan." Tante was +in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: +"'t Is erg! waar gaat hij toch heen?" Zij vermoedde zekerlijk een +of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg +of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van +willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het +nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In +de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig +naar een schandaal. + +Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te +vernemen. + +Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning +bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en +zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de +Restauratie in zwang was. 't Was een eentonige arbeid en een onwillige +werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd +geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de +luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet. + +Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en +tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer +te zien. + +"Gij hier, Théodule!" riep zij. + +"Voor een oogenblik, tante." + +"Maar kus mij toch!" + +"Komaan," zei Théodule. + +En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en +opende ze. + +"Ge blijft immers de geheele week?" + +"Neen, ik vertrek van avond, tante." + +"Dat is onmogelijk!" + +"Stellig!" + +"Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag." + +"Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! 't Is heel eenvoudig. Wij +wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit +het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En +toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken." + +"Dit is voor uw moeite." En zij drukte hem tien louisd'ors in de hand. + +"Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante." + +En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen, +dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd. + +"Doet ge de reis te paard met uw regiment?" vroeg zij. + +"Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof +verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de +diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde." + +"Wat dan?" + +"Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?" + +"Hoe weet ge dat?" hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid +opnieuw geprikkeld. + +"Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats +te bespreken." + +"Welnu?" + +"Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik +zag zijn naam op het register." + +"Welken naam?" + +"Marius Pontmercy." + +"Welk een losbol!" riep tante. "Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als +gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!" + +"Evenals ik." + +"Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid." + +"Duivels!" zei Théodule. + +Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand; +zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor +het voorhoofd hebben geslagen. "Weet ge ook of neef u kent?" vroeg zij. + +"Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd +op mij te letten." + +"En ge gaat dus morgen beiden op reis?" + +"Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé." + +"Waar gaat die diligence heen?" + +"Naar Andelys." + +"Gaat Marius dan ook naar Andelys?" + +"Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te +Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De +reisroute van Marius ken ik echter niet." + +"Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te +noemen. Gij heet ten minste Théodule." + +"Ik zou liever Alfred willen heeten," zei de officier. + +"Luister, Théodule." + +"Ik luister al, tante." + +"Let dan op." + +"Ik let op." + +"Nu, luistert ge?" + +"Ja." + +"Marius is dikwerf afwezig." + +"Ei, ei!" + +"Hij reist veel." + +"Aha!" + +"Hij blijft 's nachts uit." + +"Zoo, zoo!" + +"En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt." + +Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding: + +"Een vrouw in 't spel." + +En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij +er bij: + +"Een liefje." + +"Ja, 't is duidelijk!" riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende +te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier +op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam: + +"Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in 't oog. 't Zal u +gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet +ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat +zal zijn grootvader pleizier doen." + +Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch +verteederd door de tien louisd'ors, die mogelijk nog vermeerderd konden +worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: "Zooals 't u belieft, +tante;" en voegde er in stilte bij: + +"Nu ben ik duegna geworden." + +Juffrouw Gillenormand kuste hem. + +"Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule," sprak zij. "Gij +gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een +nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten +zou om een deerne na te loopen." + +De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men +dezen om zijn eerlijkheid prees. + +Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, +zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, +het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was 't een vaste +gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht. + +Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence "Vernon! de +reizigers voor Vernon!" De luitenant Théodule ontwaakte. + +"Ha!" bromde hij nog half slapend, "hier moet ik er uit." + +Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en +dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd'ors; en aan het verslag, +dat hij op zich genomen had van Marius' gedrag te zullen doen. Dit +bracht hem aan 't lachen. + +"Hij is misschien niet meer in het rijtuig," dacht hij, zijn +kleintenue-jasje dichtknoopende. "Wellicht is hij er te Poissy of +te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds +te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts +naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, +wat drommel zal ik de goede oude schrijven?" + +Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje +der coupé voorbij. + +"Zou 't Marius zijn?" dacht de luitenant. + +Het was Marius. + +Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een +boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: +Koopt bloemen voor uw dames. + +Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje. + +"Nu waarlijk," zei Théodule uit de coupé springende, "word ik zelf +nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai +bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wil haar zien." + +En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon +hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen. + +Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de +diligence, hij zag er niet naar om. 't Scheen alsof hij niets zag van +'t geen hem omgaf. + +"Wat is hij verliefd!" dacht Théodule. + +Marius ging naar de kerk. + +"Heerlijk!" dacht Théodule. "De kerk, dat is het juist. Rendez-vous, +met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan +een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat." + +Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween +hij achter den hoek van een der zijmuren. + +"Het rendez-vous is buiten," zei Théodule, "laat ons nu zien, wie +'t liefje is." + +En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest. + +Daar gekomen bleef hij verstomd staan. + +Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras +bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde +van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters: +Kolonel Baron Pontmercy. + +Marius weende hoorbaar. + +Het liefje was een graf. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +MARMER TEGEN GRANIET. + + +Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was 't dat +hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: "hij blijft van +nacht weêr uit." + +Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij +zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename, +zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die +uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging +terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; 't was of zijn +aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met +zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat +hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en +waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende +Marius' liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier +geheimzinnige en veelvuldige spelingen van het noodlot, het tooneel +te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden. + +Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en +de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence +doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich +naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden +en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging +toen een bad nemen. + +Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij +de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel +zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius' +kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen +van waar hij kwam. + +Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, +dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand +het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, +dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos +nedergelegd. + +"Dat heb ik liever," zei Gillenormand. + +En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude +juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende +intocht. + +In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de +andere het zwarte lint en riep: "Victorie! wij zullen het geheim +ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons +de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik +heb het portret!" + +Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon, +hing aan het lint. + +De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder +het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van +een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus +voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. "Het is +stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn +hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De +jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak." + +"Laat eens zien, vader," zei de oude vrijster. + +Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een +zorgvuldig dichtgevouwen papier. + +"Van denzelfde aan denzelfde," zei Gillenormand, met schaterenden +lach. "Ik weet wat het is. Een minnebrief." + +"O, laat mij lezen," zei tante. + +En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen: + +"Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot +baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik +met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het +spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn." + +Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren +als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd +gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich +zelven: + +"'t Is het schrift van den voorvechter." + +De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde +het weder in het doosje. + +Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld +pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het +op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes +van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las: +"Baron Marius Pontmercy." + +De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het +lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in 't vertrek op +den vloer en zeide: + +"Breng die plunje weg." + +Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude +vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder +waarschijnlijk aan hetzelfde. Na verloop van dat uur zeide tante +Gillenormand: + +"'t Is mooi!" + +Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van +den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner +kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon +en met burgerlijken trots, waarin iets verpletterends lag, hem toeriep: + +"Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat +beteekent dat?" + +Marius bloosde en antwoordde: + +"Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben." + +Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw: + +"Ik ben uw vader." + +"Mijn vader," hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat, +"was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek +roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis, +welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw +in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels, +des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd, +twintig wonden ontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid +gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij +twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!" Dit was meer dan +de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord "republiek" was hij +opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had +op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan, +als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van +somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden. + +"Marius!" riep hij. "Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader +was! Ik wil 't niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is, +dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is, +dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg +allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort +ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het +waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die +Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden +en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor +de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer +uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja 't spijt mij... des +te erger." + +Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer +Gillenormand de blaasbalg. Marius' geheele lichaam rilde; hij wist +niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die +al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een +voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet +straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te +doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, +maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder +den ander te hoonen? 't Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen +en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde +een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik +waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd +voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak +aan en riep met donderende stem: + +"Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!" + +Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij +zich niet. + +Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn +haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die +op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge +majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den +schoorsteen naar het venster en van het venster naar den schoorsteen, +de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen +beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over +zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud +schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende: + +"Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder +hetzelfde dak blijven." + +En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een +gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar +Marius uit en schreeuwde hem toe: + +"Ga heen!" + +Marius verliet het huis. + +Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter: + +"Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd'ors, en spreek +mij nooit meer van hem." + +Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen +weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u. + +Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, +welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er +zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer +verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er +eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van +grootvader de "plunje" van Marius haastig naar diens kamer bracht, +had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere +zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het +door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren +later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat "mijnheer +Gillenormand"--van dien dag af noemde hij hem nooit anders--het +"testament zijns vaders" in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige +regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg +niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie, +dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan? + +Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig +francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij +had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche +wijk laten brengen. + +Wat zal er van Marius worden? + + + + + + + +BOEK IV. + +DE VRIENDEN VAN HET A. B. C. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN GROEP, DIE BIJNA TOT DE HISTORIE HAD BEHOORD. + + +In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekere +revolutionaire huivering door 't land. Een wind, uit de duisternis +van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd--men vergeve +ons deze uitdrukking--begon te ruien. Door de beweging des tijds +werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over +de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed +den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden +liberalen, de liberalen democraten. + +'t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende +vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden +de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk +Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. 't +Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van +vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, +heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; 't was het +Bonapartisch liberalisme. + +Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde +men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in +drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen; +want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts +en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen +te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de +droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been. + +De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van +verborgenheid bedreigde de "gevestigde orde", die verdacht en gluipend +was. Een hoogst revolutionair verschijnsel. De nevengedachte van +het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks +samen. Het broeien van den opstand is het antwoord op het voorbereiden +der staatsgrepen. + +Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund +in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet, +maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De +Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen +van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C. + +Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar +de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen +ten doel had. + +Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Het abaissé +(A. B. C. klinkt als abaissé en beteekent "vernederd") was het +volk. Dat wilde men opheffen; 't was een woordspeling, waarmede men +niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in 't staatkundige van +groot gewicht; ten bewijze hiervan het Castratus ad castra dat van +Narsés een veldheer maakte; het Barbari et Barberini; het Fueros y +Fuegos; het Tu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz. + +De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts +een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een +coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs +op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, +waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een +klein koffiehuis op het plein St. Michel, het Café Musain genaamd, +dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden, +het tweede voor de studenten. + +De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een +achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke +koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer +lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met +geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte, +dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over +andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens +de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om +hen op het spoor te komen. + +Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met +verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier +hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean +Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly +en Grantaire. + +Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort +van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden. + +Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten, +die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu +gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten +vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw +van een treurig voorval wegzinken ziet. + +Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben--men zal later zien waarom--was +een eenige zoon en zeer rijk. + +Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te +worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien +van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in +het vorig leven reeds de revolutionaire apokalypse was doorgegaan. De +overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij +kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een +priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij +verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der +democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek +hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een +weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn +voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan +den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het +einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige +jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog +toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig +scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te +weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had +slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping +der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de +conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij +wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote +hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben; +voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het +zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles +wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was +de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en +trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee +de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette +van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, +aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers, +blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche +lippen en prachtige tanden ziende, op al dat ochtendrood belust +ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven, +zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in +hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van +Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren. + +Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, +vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica +der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar +logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts +tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde +hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men +'s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene +denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: "Revolutie, maar ook +beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe +horizont." Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets +genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre +dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, +Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij +Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre +leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo 't dien beiden +jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, +zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras +was mannelijker, Combeferre menschelijker. Homo en Vir, mensch en +man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht +als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, +maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk +de Spanjaards, Hombre (man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, +ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago +de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing +waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en +uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de +andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, +vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, +brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, +teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in de +Fransche dictionnaire de l' académie aan, bestudeerde Puységur en +Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets, +zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van den Moniteur, en +dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand +ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de +maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan 's volks verstandelijke +en zedelijke ontwikkeling, aan de uitbreiding der wetenschap, aan +het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de +jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het +armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde +klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten, +en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot +kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch, +nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam +hij het "oneindige", zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan +alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij +heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in de camera +obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den +luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten, +allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij +behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand +zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den +een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet +wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een +hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar 't was hem +liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en +'t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn +bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed +zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan +zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den +dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht +nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone +boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde +helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien +teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van +een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij +van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood +in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht, +en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den +Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand, +noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke +liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire +avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang; +misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar +onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield, +opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken +grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! "Het goede moet schuldeloos +zijn," herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der +revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en +er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan +te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos +te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en +Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil +dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt. + +Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde +zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de +machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie +der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, +kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk +lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde +vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een +koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem +was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was +geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche +talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, +de voorkeur aan het grootsche--iets dat zeer begrijpelijk is voor +hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende +Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem +om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te +lezen. In 't Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa +d'Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met +korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met +de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan +de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde +of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke +vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, +den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de +opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, +de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de +wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds +aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, +evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het +hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, +bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken. + +Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie +francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te +verlossen. Ook had hij nog een andere zorg, namelijk zich zelven te +onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich +zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit +zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld +omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis +eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, +dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, +bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het +nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd +om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien +jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig +hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk +Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze +namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De +verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau +door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de +groote moord van 1772, de verdeeling van Polen. Er is geen krachtiger +welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij +welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, +dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige +drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld +van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd +zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte +verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke +aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling +van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, +waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is +geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens +verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd en ne varietur, +geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad +doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft +deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het +jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly's gewone +tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, +en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in +het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De +koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft +het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland +wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het +recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een +volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebben geen toekomst. Men +kan het merk eener natie niet uittornen zooals men 't een zakdoek doet! + +Courfeyrac had een vader, dien men mijnheer de Courfeyrac noemde. 't +Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van +aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet +dat het de volstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den +tijd van la Minerve waardeerde dat arme de zoo hoog, dat men zich +verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet +zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, +Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac +wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac. + +Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen +en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes. + +Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, 't welk men de schoonheid +der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals +de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij +den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit. + +De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, +de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van +geestigheid over; zij gaat quasi cuisores van de eene in de andere +hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, +gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou +hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was +een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig +verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In +beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In +Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder. + +Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo +de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk +alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling. + +Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid +der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld. + +Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, +moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en +welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, +met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in 't +groot, die niets liever had dan twist of 't moest oproer, niets liever +dan oproer of 't moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen +in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te +werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde +academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn +leuze was: "nooit advocaat!" en zijn wapenschild een nachttafeltje met +een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, +'t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,--de paletot was +toen nog niet uitgevonden,--en "ging voor zijn gezondheid zorgen." Het +portaal der academie noemde hij "een mooien grijsaard!" en den deken +Delvincourt: "een monument!" In een cursus zag hij een onderwerp voor +een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus +niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als +drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds +eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen. + +Van hen sprekende zeide hij: 't Zijn boeren en geen burgers; daarom +hebben zij verstand. + +Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; +de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is +menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger +en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen. + +Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en +andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te +voorschijn zouden treden. + +In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d'Avaray, +wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het +land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in +1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais +ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had. + +"Wat verzoekt ge?" vroeg toen de koning. + +"Een postkantoor, sire." + +"Hoe heet ge?" + +"L'Aigle." + +De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van +het request en zag den naam Lesgle. + +Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij +glimlachte.--Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was +hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd +mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door +verbastering l'Aigle.--De koning lachte en gaf opzettelijk of bij +vergissing den man later het postkantoor te Meaux. [4] + +Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, +of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn +vrienden hem Bossuet. + +Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid +toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op +zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. 't Was zijn vader +gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de +zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie +dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij +had verstand en wetenschap, maar 't baatte hem niet. Alles ontbrak, +alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, +hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij +spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, +maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: "Ik woon onder een +dak, waar de pannen afvallen." Nooit verwonderd--want voor hem was +een ramp iets dat hij verwachtte--onderwierp hij zich gelaten aan het +ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die +een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede +luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter +nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden +kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den +schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, +dat hij 't zonder plichtplegingen "schalk!" noemde. + +Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij +had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond +hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, "dolle verteringen" +te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé +met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige +woorden: "Meisje van vijf louisd'or; trek mijn laarzen uit." + +Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde +op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms +in 't geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal +bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger +dan Bossuet. + +Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde +gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op +drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn +leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat +de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom +zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het +voeteneinde naar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts +door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou +worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was +hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, +inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis +en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden +Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, +zei Jean Prouvaire tot hem. + +Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, +'t geen het kenteeken van een schranderen bol is. + +Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts +ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang. + +Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten +werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar +den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen +geweest. Om 't even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was +gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun +aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich +aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast. + +Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal. + +Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was +een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige +aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich +gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor +wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, +die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; +hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart +in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in +de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder +Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en +een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij +kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de +danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in +het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van +dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis +gewezen: "Grantaire is onmogelijk!" Maar Grantaire's zelfbehagen werd +toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met +een blik, die scheen te zeggen: "Zoo ik wilde!" en hij poogde zijn +vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd. + +Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, +maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, +democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren +voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte +er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn +geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van +spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas +vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, +of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles +gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het +kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, +speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun +verdriet gestadig: J'aimons les filles et j'aimons le bon vin; air: +Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!) + +Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme +was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; +'t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde +Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, +in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten +van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne +ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf +waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige +is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, +trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De +dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten +hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de +twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij +had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van +te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het +te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, +regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij +zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, +wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng +vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij +Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee +schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en +hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist +geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote +tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was +zijn natuur. Er zijn menschen, die geschapen schijnen om steeds keer- +en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, +Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan +door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt +niet anders dan met het voegwoordje en geschreven; hun leven behoort +hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne +niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde +van Enjolras. + +Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet +verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men +kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen. + +Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien +jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; +hij volgde hen overal. 't Was hem een lust, die schaduwen te midden +der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd +hij verdragen. + +Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en +matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een +weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades. + +Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch +terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: "Wat fraai marmer!" + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +LIJKREDE VAN BOSSUET OP BLONDEAU. + + +Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt +met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de "arend van Meaux," +behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek +veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn +peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen +is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam +is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, +hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen +voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest. + +Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en +zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd +en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen +een voertuig met twee wielen, dat stapvoets en besluiteloos over het +plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De +arend lette er op. + +Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een +tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers +een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters: Marius +Pontmercy stond. + +Die naam deed L'aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en +riep den jongeling in de cabriolet toe: + +"Mijnheer Marius Pontmercy!" + +De aangeroepen cabriolet hield stil. + +De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op. + +"Nu?" zeide hij. + +"Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?" + +"Ja gewis." + +"Ik zocht u," hernam L'aigle de Meaux. + +"Waarom?" vroeg Marius; want hij was 't werkelijk, die het huis +zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, +die hij nog nooit gezien had; "ik ken u niet." + +"Ik u evenmin," antwoordde L'aigle. + +Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op +de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit +oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L'aigle +van Meaux hernam echter gelaten: + +"Ge waart eergisteren niet bij de lessen?" + +"'t Is mogelijk." + +"'t Is zeker." + +"Zijt gij dan student?" vroeg Marius. + +"Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de +academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was +bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk +een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, +wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!" + +Marius begon te luisteren. L'aigle ging voort: + +"'t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn +spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig +is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze +letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; +allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, +lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te +doen. Eensklaps roept Blondeau: "Marius Pontmercy." En hij neemt +zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij +mij zelven: zou men zoo'n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een +fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, +die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, +de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar +een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve +grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu +wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale +Blondeau! Hij doopte juist zijn van 't doorschrappen reeds zwarte +pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan +en herhaalde ten derde male: "Marius Pontmercy!" Toen antwoordde ik: +Present! En gij zijt dus niet geschrapt." + +"Mijnheer," zei Marius. + +"Maar ik ben wèl geschrapt," voegde de arend van Meaux er bij. + +"Ik begrijp u niet," zei Marius. + +L'aigle hernam: + +"Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was +om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag +mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe +neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu +is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux." + +"L'aigle!" herhaalde Marius, "een fraaie naam." + +"Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L'aigle! Ik +antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een +tijger aan, glimlacht en zegt: Als ge Pontmercy zijt, kunt ge L'aigle +niet zijn,--woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig +waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij." + +"Mijnheer!" riep Marius, "het doet mij waarlijk leed!" + +"Vóór alles," hernam L'aigle, "zou ik Blondeau wel in eenige diep +gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan +zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel +veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik: Erudimini qui judicatis +terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline, +bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van 't appèl, die recht, +vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, +zoo als hij mij geschrapt heeft." + +"'t Doet mij leed," hernam Marius nogmaals. + +"Jonkman," zei de arend van Meaux, "dat u dit tot een les diene! Wees +in 't vervolg wat nauwgezetter." + +"Ik vraag u duizendmaal vergeving." + +"Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil +geschrapt worde." + +"Ik ben wanhopig..." + +Daar begon L'aigle luidkeels te lachen. + +"En ik verheugd. Ik was op 't punt advocaat te worden. Die schrapping +nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe +niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan +u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil +u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?" + +"In deze cabriolet," zei Marius. + +"Dat is een bewijs van weelde," hernam L'aigle bedaard. "Ik wensch +er u geluk mede. 't Is een huur van 9000 francs per jaar." + +Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis. + +Marius glimlachte treurig en zeide: + +"Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar +'t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!" + +"Kom bij mij wonen, mijnheer," zei Courfeyrac. + +"Ik zou de voorhand hebben," hernam L'aigle, "maar ik heb zelf geen +woning?" + +"Zwijg Bossuet," riep Courfeyrac. + +"Bossuet," zei Marius, "maar ik meende dat ge u L'aigle hebt genoemd." + +"Van Meaux," antwoordde L'aigle, "bloemsprakig: Bossuet." Courfeyrac +klom in de cabriolet en zei: + +"Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier." + +Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte +St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +MARIUS IS VERBAASD. + + +In weinige dagen was Marius Courfeyrac's vriend. De jeugd is het +seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde +Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem +niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het +gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou +men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander. + +Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts: + +"A propos, hebt ge ook een politieke meening?" + +"Wat?" zei Marius door die vraag schier beleedigd. + +"Wat zijt ge?" + +"Democraat-Bonapartist." + +"De grijze kleur van de geruste muis," zei Courfeyrac. + +Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in 't Café Musain. Daar +fluisterde hij hem glimlachend toe: "ik moet u entrée bij de +revolutie geven."--En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het +A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit +enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: "Een leerling." + +Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, +hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend. + +Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak +meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig +voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillende +meeningen trachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig +gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden +duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze +nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, +literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag +vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij +niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze +van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast +te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder 't zich +zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, +waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere +schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een +wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn. + +Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius +hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog +beschroomden geest hinderde. + +Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd +classiek treurspel aankondigde.--"Weg met het treurspel, waarmeê de +burgerlui zoo hoog loopen!" riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre +antwoorden: + +"Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief +en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie +heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens +Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in +de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels, +die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen, +die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn. Smartekreten, die +ons doen lachen,--dat zijn haar grillen. En daar het gevogelte naast +den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet +tegenover de tragedie der ouden zou staan." + +Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat +Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm +en zeide: + +"Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat +Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een +zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd +tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en +Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis." + +En Enjolras duwde Courfeyrac toe: + +"Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. 't Is waar: hij verloochende +zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan." + +Geen der jongelieden sprak ooit het woord: "keizer" uit. Alleen Jean +Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras +zeide Buonaparte. + +Marius was wel eenigszins verbaasd. Initium Sapientiæ--het begin +der wijsheid. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE ACHTERKAMER VAN HET KOFFIEHUIS MUSAIN. + + +Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig +was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok +in zijn geest teweeg. + +Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna +alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De +lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift +maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen, +sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms +bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een +gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men +sprak aan alle kanten. + +Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison, +de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep +om van en naar haar arbeid te gaan. + +Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den +hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde: + +"Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een +beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben, +die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te +vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet +wien. Het duurt niet en 't deugt niet. Het leven breekt iemand den +hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk +is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo +zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die +misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen, +kleedde zich in de ijdelheid. + +"O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is +een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is +een gymnasticus, een bokser is een kampvechter of worstelaar, een +apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey +een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de +voorzijde is dom, 't is de neger met zijn koralen; de achterzijde is +dwaas, 't is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot +den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over 't algemeen +slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed +hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een +runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en +den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig +eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op +den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou +zij de duivel hekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt, +is venijniger dan een adder. 't Is jammer dat ik maar onwetend ben; +ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet +weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling +bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes +te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft; +en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik. + +"Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere +deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan +gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets +vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd +in de deugd als er gaten in Diogenes' mantel zijn. Wien bewondert +ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over +'t algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft +vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote +mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, die Cesar vermoordde, +was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van +den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur +Eucnemos, "het schoone beeld" genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk +Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden +nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op +het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een +eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van +Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis +en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen +bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen; +de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge +slaagt, zijt ge tevreden--dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en +lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica. Si volet +usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen +wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken +bewondere? Maar welk volk dan, als 't u belieft? Griekenland? De +Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion, +evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van +Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende +vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus +Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood +moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het +marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan +Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates +gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn +roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk +bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over +Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En +Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen +in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen +van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik +een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen +bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder +Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet +veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland +over, zoo ge het zijn time is money (tijd is geld) ontneemt? Wat +van Amerika zoo ge het zijn cotton is king (de katoen is koning) +rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan +in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij +bewonderde China ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit, +onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun +gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een +geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt, +verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen +vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers +bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des +denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde +oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de +rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de +strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult +mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het: +Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij +den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw +modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd, +van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van +den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel +wordt het meeste bier, te Stockholm de meeste brandewijn, te Madrid de +meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste +wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe +gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft +bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te +Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op +het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt +dit nog: de kroegen der voddenrapers heeten bibines en de vermaardste +zijn la Casserolle (braadpan), en de Abbatoir (slachtplaats). Dus, +kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij +Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er +met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha, +zijt gij 't Louison, goeden avond." + +Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken +Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain +de vatenwaschster beet nam. + +Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te +leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks: + +"Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt +geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van +Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik +ben voor 't overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht, +de mensch is wanstaltig; de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God +heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De +eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb +het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee +en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en +verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!" + +"Zwijg toch, kapitale R.!" hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt +te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin +verzonken was, welks slot dus luidde: + +"En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel +minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen +der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent +moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten +het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars +als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen, +contracten, hypotheken......" + +"Echos, nymphes plaintives!" neuriede Grantaire er tusschen. + +In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen +twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig +een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend +behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander. + +"Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp +vanzelf." + +"Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven." + +"Mijnheer Dorimon." + +"Rentenier?" + +"Zeker." + +"Zijn dochter Célestine." + +"...tine. Verder?" + +"Kolonel Sainval." + +"Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin." + +Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas +gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van +dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem, +met welk een tegenstander hij te doen had. + +"Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent +de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen; +hij heeft een forsche vuist, is vlug als 't weerlicht, pareert juist +en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook." + +In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en +spraken over liefdezaken. + +"Ge zijt wel gelukkig," zei Joly; "ge hebt een liefje, dat altijd +lacht." + +"Dat is juist een fout in haar," antwoordde Bahorel. "De minnares, +die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge +haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig, +dan voelt ge uw geweten." + +"Ondankbare! 't Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij +twist nooit met elkander?" + +"Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van +ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij +niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede." + +"De vrede is een verterend geluk." + +"En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge +weet wat ik zeggen wil?" + +"Met wreed geduld blijft zij pruilen." + +"Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid." + +"Helaas!" + +"In uw plaats zou ik haar laten loopen." + +"Dat is gemakkelijk gezegd." + +"En gedaan. Heet zij niet Musichetta?" + +"Ja, och, mijn goede Bahorel, 't is een voortreffelijk meisje, zeer +geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank, +en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar." + +"Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn, +en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede +broek van cuir de laine. Die kan 't uithouden." + +In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De +heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er +werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit +romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij +in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij +los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij +beurtelings lachend en lyrisch. + +"Dat wij de goden niet hoonen!" sprak hij. "De goden zijn misschien +nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode +voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur, +gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de +oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als +de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi; +voor mij is 't nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollen +stam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten +van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd +dat Iö in den waterval van Pissevache is." + +In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men +mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw, +Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig +exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat +en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier +parend. + +"Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een +staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een +woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen +zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld +dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg +ze twee milliards, zeshonderd millioen, 't geen, volgens Desmarets, +in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en +thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre +duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel +tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok +te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie +te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën--dat alles +zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit +met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen +constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen +octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt +een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die +terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker, +waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt, +doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!" + +'t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend +en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme +Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in 't vuur. Het papier +vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met +wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan: + +"De Charte in een vlam herschapen!" + +Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschen +entrain, wat de Engelschen humor noemen, goede en slechte smaak, +goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek, +dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer +uitbreidde,--het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk +gebulder. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +UITBREIDING VAN DEN GEZICHTEINDER. + + +Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig, +dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal +er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan +een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet +de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord +het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is +voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met +plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het +toeval is de machinist dier gesprekken. + +Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek +geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire, +Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen +schermden. + +Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, +dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij +hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, +besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide, plotseling met +deze dagteekening: + +"18 Juni 1815. Waterloo." + +Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de +ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag +het gezelschap met strakken blik. + +"Pardieu!" riep Courfeyrac (Parbleu was op dat tijdstip in verval) +"dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. 't Is Bonapartes noodlottig +nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel +het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het +begin door het einde als op den voet wordt gevolgd." + +Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot +Courfeyrac. + +"Ge bedoelt de misdaad door de boete." + +Het woord "misdaad" overschreed alles, wat Marius, die reeds door de +plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon. + +Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den +wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland +zag; hierop legde hij den vinger en sprak: + +"Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt." + +'t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men +gevoelde dat er iets gebeuren moest. + +Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde +classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij +het echter. + +Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het +ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien: + +"Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk +is groot, omdat het Frankrijk is. Quia nominor leo." + +Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot +Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van +zijn hart ontstond. + +"God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men +verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, +laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat +ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt +gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u +Buonaparte zeggen en op de u drukken evenals de koningsgezinden. Ik +verzeker u, dat mijn grootvader 't nog beter doet: hij zegt +Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe +geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het +den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man +niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was +volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar +volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde +als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal +aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; +zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met +de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, +groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit +kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; +in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den +een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was +rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; +evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij +naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, +hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich +bij de wieg van zijn kind te verblijden;--en eensklaps luisterde het +verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts, artillerie-parken rolden, +schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie +galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende +tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men +hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede +verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de +hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder +ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de +aartsengel van den oorlog!" + +Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het +kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te +wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende +geestdrift voort: + +"Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een +keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk +Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of +wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, +op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, +van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te +kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging +te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in +één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te +zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht +van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der +Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare +eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; +ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van +overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk +tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger +te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, +gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, +te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te +zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen +klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen +en eens door den glans der overwinningen,--wat kan er grootscher zijn?" + +"Vrij te wezen!" antwoordde Combeferre. + +Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord +had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, +en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was +Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord +op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, +waren hem gevolgd. De kamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius +alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden +eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; +er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in +tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo +men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren +zingen. 't Was Combeferre, die zong: + + + Si César m'avait donné + La gloire et la guerre, + Et qu'il me fallût quitter + L'amour de ma mêre. + Je dirais au grand César: + Reprends ton sceptre et ton char, + J'aime mieux ma mêre, o gué' + J'aime mieux ma mêre. [5] + + +De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf +het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts +geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!... + +Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder. + +"Burger," sprak Enjolras tot hem, "mijn moeder is de republiek." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +RES AUGUSTA. + + +Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige +duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde +gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de +graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de +trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later. + +Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest +hij die nu reeds weder verwerpen? Hij nam zich voor het niet te doen, +en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, +schoon hij 't onwillekeurig reeds deed. 't Is ondragelijk, tusschen +twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen +heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius +had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van +den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij +was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan, +te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem +dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem +nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten, +die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide +door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag +hij zich omgeven. Hij was 't noch met zijn grootvader noch met zijn +vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen, +gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en +door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer. + +In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des +levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens +kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot. + +Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen +en zeide: + +"Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven." + +"Ja." + +"Maar ik heb geld noodig!" + +"Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen," zei Marius. + +Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde +Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos +en alleen op de wereld was. + +"En wat zal er dan van u worden?" vroeg Courfeyrac. + +"Ik weet het niet," antwoordde Marius. + +"Wat zult ge doen?" + +"Ik weet het niet." + +"Hebt ge geld?" + +"Vijftien francs." + +"Wil ik u leenen?" + +"Neen." + +"Hebt ge kleederen?" + +"Deze." + +"Hebt ge kostbaarheden?" + +"Een horloge." + +"Een zilveren?" + +"Een gouden, zie." + +"Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen." + +"Goed." + +"Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over." + +"En mijn laarzen." + +"Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!" + +"Genoeg!" + +"Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen." + +"Goed." + +"Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?" + +"Alles is mij om 't even, mits het eerlijk zij." + +"Verstaat ge Engelsch?" + +"Neen." + +"Verstaat ge Duitsch?" + +"Neen." + +"Des te erger." + +"Waarom?" + +"Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van +encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen +hadt kunnen vertalen. 't Wordt slecht betaald, maar men kan er toch +van leven." + +"Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren." + +"En intusschen?" + +"Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven." + +Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig +francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge +veertig francs. + +"Dat is zoo slecht niet," zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis +kwam; "'t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit." + +"En de rekening van den huisheer?" merkte Courfeyrac op. + +"Ja, daar dacht ik niet aan," zei Marius. + +De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij +bedroeg zeventig francs. + +"Dan blijven mij tien francs over," zei Marius. + +"Verduiveld," riep Courfeyrac, "zoo ge nu vijf francs moet uitgeven, +terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge +heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk +verteerd hebben." + +Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige +omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk +in geslaagd Marius' verblijf te vinden. + +Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam, vond hij een +brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld +doosje. + +Marius zond de dertig louisd'ors aan zijn tante terug met een +eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan +had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik +had hij nog drie francs over. + +Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat +het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men +mij nooit van dezen bloeddrinker spreke! + +Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden +te komen. + + + + + + + +BOEK V. + +HET NUT DES ONGELUKS. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +MARIUS BEHOEFTIG. + + +Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te +verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een +onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!--want toen +kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder +licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze +toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de +meisjes den spot dreven, een deur, die men 's avonds gesloten vindt, +wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier, +het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte +eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet, +bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles +moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men +te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch +hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot, +omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op +dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid +klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen, +en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede +kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar, +waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn +treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het +een ellendige of een halfgod wil scheppen. + +Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er +is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis +voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en +laagheid. 't Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, +geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, +de verlatenheid, de armoede,--het zijn slagvelden, die hun helden +hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde. + +Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de +armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen +de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de +fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen. + +Er was een oogenblik in Marius' leven, dat hij zijn eigen portaal +veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in +te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn +vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een +jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door +een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, +om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men +hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd +nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, +waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een +papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den +arm mede te verwijderen. 't Was Marius. Van de cotelet, welke hij +zelf braadde, leefde hij drie dagen. + +Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den +derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante +Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens +terug, zeggende dat hij niets behoefde. + +Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering +in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet +afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij +geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te +doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, +gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een +kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een +groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte +dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij +zich in de tint des nachts. + +In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, +dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar +eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen +van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen +voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren. + +Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervan door een +koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand +nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de +voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar +vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde +telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en +de grijsaard zeide: "Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten, +dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn." + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +MARIUS IS ARM. + + +'t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten +laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men +leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts +genoeg om in 't leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de +Pontmercy zijn leven had ingericht. + +Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor +hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in +geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs 's jaars te +verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac, +die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht +had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van +"noodhulp." Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte +noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende, +alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs 's jaars. Daarvan +leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen 't uitleggen. + +Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs 's jaars een +krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets +dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan +de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij +zijn kamertje schoon hield en hem 's ochtends een weinig warm water, +een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat +broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren +goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield +hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover +Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij +at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes, +een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous; +voor drie sous had men er brood zooveel men wilde. In plaats van +wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige +en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht +en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok +hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad. + +Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water +werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken +bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde +hem "den waterigen Rousseau." + +Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous +kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, 't geen +driehonderd vijf en zestig francs 's jaars bedroeg. Zoo men daarbij +de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent, +ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend +en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed +vijftig en zijn wasch ook vijftig francs, zoodat alles te zamen +geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs +over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een +franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat +de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, +zeer vereenvoudigd. + +Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, "voor alle dagen" +het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij +had slechts drie hemden, een aan 't lijf, een bij de waschvrouw en een +in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren +zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht. + +Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand +kwam. Ruwe jaren waren 't, pijnlijk om door te komen, moeielijk om +te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle +ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij +kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een +stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin +der slavernij. Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger +dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de +schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever +had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij +beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, +zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der +ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een +uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk +zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voor +hem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op +zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot +schuwheid toe. + +In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs +gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het +lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, +die haar kooi draagt. + +Naast den naam van zijn vader stond in Marius' hart een andere naam +gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en +opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans, +waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien +onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen +bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit +van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. 't Was een soort +van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel, +het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid +vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist +dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil +het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij +alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem +in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier +was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te +Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie +jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld +verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier +eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd +land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht, +met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de +hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich, +dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. 't Was de eenige schuld, +die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te +voldoen.--Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, +wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het +schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon +hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig +ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op +mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem +wedervinden!--Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een +zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed +wel hebben veil gehad. Thénardier te zien, hem een dienst te bewijzen, +tot hem te zeggen: "Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; +beschik over mij,"--dat was Marius' liefste en heerlijkste droom. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +MARIUS GROOT GEWORDEN. + + +Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij +zijn grootvader had verlaten. + +Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder +eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En +waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing +te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben +gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot. + +Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders +miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, +en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die +lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor +hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader +gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet +beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet +liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in +den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs +met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een +donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem +sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In +den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die +terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen +voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den +heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.--Ik +kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij +zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, +zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: +ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde +treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius +ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte +noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius' afzijn toch iets +in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien "kleinen snaak" +geen schrede genaderd zijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij +naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde +hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk +en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, +als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een +soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:--"O +wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!" + +Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius +niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was +zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan +met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had. + +Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, +dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn +verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook +verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem +van Marius spraken en vroegen: "Wat doet, of wat wordt mijnheer uw +kleinzoon?" Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te +treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde +schijnen: "Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar." + +Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven +geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid +ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, +maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen die +slecht jegens zijn vader was geweest.--'t Was nu de verzachte vertaling +van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden +te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober +leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd +dacht hij er aan, dat dit het minste--dat dit een boetedoening was; +dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn +vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden +zijn;--dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets +had geleden;--wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen +bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?--en eindelijk dat de +eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, +moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den +vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld +had met de woorden: "hij zal dit waardig zijn." Woorden, die Marius +voortdurend, niet op de borst--want het geschrift van den kolonel +was verloren gegaan--maar in zijn hart droeg. + +Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nog slechts een knaap +nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,--wij +drukken hierop--was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft +dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede +legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden +in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar +het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende +en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, +spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het +lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme +jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als +hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om +niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, +het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid +waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt +de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang +tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij +denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des +lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen +over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid +voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare +geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt +tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt +hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit +zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor +'t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit +ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met +zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, +warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, +witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig +kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood +te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding +aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt +zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en +vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen +de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met +het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, +oplettend, met weinig tevreden, goedwillig--en hij dankt God, dat die +hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: +de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt. + +Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheid te zeggen, +wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was +zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij +bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid +ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die +zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld +dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met +overpeinzingen door. + +Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk +stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk +was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de +overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, +bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid +wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften +des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam. + +'t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur +slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen +de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou. + +Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, +pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het +verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken +en zaken op te loopen. Waartoe zou 't hem dienen? Hij vond geen +enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor +den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, +waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had. + +Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,--ik geloof de Heer +Magimel--had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij +behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs 's +jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer +verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een +soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius' gedachte zou, +zoo hij 't voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; +wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was +een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang +veranderde; 't was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij +weigerde dus. + +Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er +bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras +presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander +bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet. + +Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, +Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij +dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze +hem zijn vader leeren kennen en beminnen. "Hij heeft mij van de staar +gelicht," zeide hij. + +Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist. + +De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, +lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius +toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars +doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet +de persoon geweest. + +De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke +verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen. + +Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden +nopens hem niet onnoodig. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE HEER MABEUF. + + +Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: "zekerlijk, ik +keur politieke meeningen goed," drukte hij den wezenlijken toestand +van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, +en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust +lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de +goeden en bekoorlijken de Eumeniden noemden. De politieke meening van +den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal +voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreep ist tot uitgang, +zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, +bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij was bouquinist +(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens +zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, +de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in +de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die +zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij +wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, +belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had +leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl +deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in +geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen. + +Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl +hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in +de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat +iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was +'t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een +tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds +lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: "Zijt ge nooit gehuwd +geweest?"--"Ik heb 't vergeten," antwoordde hij. Zoo 't hem nu en +dan gebeurde--en wien gebeurt dit niet?--te zeggen: "O, zoo ik rijk +ware!"--was 't niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader +Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek. + +Hij leefde alleen met een oude huishoudster--en was min of meer +jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme +verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over +de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een +tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf +verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat +Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs +op, en was ongeveer zijn geheele fortuin. + +Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, +ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige +exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek +onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige +versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn +woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het +gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn +gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel +der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, +met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving +in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en +een gezicht als een oud schaap. + +Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden +boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk +ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van +onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die +het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, +vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in +haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De +kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelde roem +in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met +haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed +uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit +liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van +"moeder Plutarchus" gegeven. + +Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en +zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te +verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van +een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen +roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone +veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, +bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding +zijner bloemen. + +Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier +eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer +Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet--van een +notaris--verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles +was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte +een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden +zelden Floras verkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz +ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een +kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel +hoorde.--"Neen, mijnheer," zeide moeder Plutarchus dan treurig, +"'t is de waterdrager."--Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de +straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht +een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten--waaraan +hij 't minst gehecht was,--en betrok een huisje op den boulevard +Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om +twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd +francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon +betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was +en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren. + +Hij nam zijn Flora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles +en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in +een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig +francs 's jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put +had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad +te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij +zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn +prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchus +des avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij +glimlachend zeide: + +"Wij hebben de indigo!" + +Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er +toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem +vrij onaangenaam was. + +Hersenen,--zooals wij hebben aangewezen--die met wijsheid of +dwaasheid zijn gevuld, of, 't geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, +zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des +levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat +een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon +gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er +bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, +maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel +om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, +doch zien bij het spel onverschillig toe! + +Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen +zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch +behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld +was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar +de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door +een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim +reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op +'t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest. + +De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; +het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus +in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter +te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging +van 't geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, +alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen. + +Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand +hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren. + +Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van +een dragonderofficier en een schoone. + +" ... De schoone pruilde, en de dragonder..." [6] + +Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken. + +"Bouddha en de draak," zei Mabeuf halfluid. "Ja, 't is waar, er was +een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel +verbrandde. Verscheidene sterren waren reeds door dat monster verbrand, +dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en +'t gelukte hem den draak te bekeeren. 't Is een goed boek, dat ge +daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende." + +En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +ARMOEDE IS EEN GOED GEBUUR VOOR ELLENDE. + + +Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die +langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, +zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en +zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in +de maand. + +Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs +de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte +lanen van het Luxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de +beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een +mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers +zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts +en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, +die zich aan zijn gedachten overgaf. + +Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de +eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er +een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius. + +Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem +uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet +geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader +te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal +Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken +af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius +zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, +dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen +en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken. + +Vaak zeide hij, doch zonder wrevel: + +"Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt +men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt er alleen: +onberispelijkheid--van geweten?--neen, van laarzen." + +Alle driften, behalve die van 't hart, vervliegen bij den denker. Ook +de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie +van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op +zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde +meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had +hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde +hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; +in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral +had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven +een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek +als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, +wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard +huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos +uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de +verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en +nietig voor. + +Hij geloofde zoo zeker, het ware in 't leven en de wijsbegeerte +gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij +eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men +in den put der waarheid zien kan. + +Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en +luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van +Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als +verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart +van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar +'t geen hij droomt dan naar 't geen hij denkt beoordeelen. In de +gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom +neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest +aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht +uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den +glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, +beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter +van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze +droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke. + +In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius' +dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, +buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, +wist nauwelijks dat hij buren had. + +"Waarom?" vroeg hij. + +"Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen +schuldig." + +"Hoeveel bedraagt de som?" + +"Twintig francs," antwoordde de oude vrouw. + +"Ziedaar," sprak hij tot de oude vrouw, "hier hebt ge vijfentwintig +francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, +maar zeg niet dat het van mij komt." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE PLAATSVERVANGER. + + +Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule +behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand +gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer +had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu +besloot zij Theodule in Marius' plaats te stellen. + +'t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte +had een jeugdig gezicht in huis te hebben--het ochtendrood doet de +bouwvallen soms genoegelijk aan--'t was noodig, een anderen Marius te +vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen 't als een drukfout beschouwen +en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius. + +Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat +neemt men een lansier. + +Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen +van een blad, de Quotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den +vleiendsten toon--want het gold haar gunsteling--zeide: + +"Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen." + +"Welke Theodule?" + +"Uw achterneef." + +"Zoo," zei de grootvader. + +Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef +te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal +gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las--natuurlijk +koningsgezind--kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine +politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de +orde van den dag waren: dat de studenten in de medicijnen en de +rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten +bijeenkomen om te delibereeren. Het gold een kwestie van den dag: +de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen +den minister van oorlog en de "burgerwacht," ter zake van de op de +binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten +de studenten "raadplegen." Er was niet veel meer noodig om den heer +Gillenormand op te winden. + +Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk +de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan +"delibereeren." + +Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd +luitenant Theodule, in burgerkleeding, 't geen zeer slim overlegd was, +door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd +als volgt: "De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is +dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden." + +Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: "Theodule, uw neef." + +En zacht tot den luitenant: + +"Geef hem maar altijd gelijk." + +Toen verwijderde zij zich. + +De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde +eenigszins verlegen: "Goeden morgen, oom," en groette werktuiglijk +half als militair, half als burger. + +"Ha, zijt gij 't, goed; ga zitten," sprak grootvader. En tegelijk +vergat hij den officier weder geheel en al. + +Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen +in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en +klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in +zijn oude vingers. + +"Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het +Pantheon! knapen, die nauwelijks de min ontloopen zijn! Zoo men hun in +den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren +zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? 't Is duidelijk, +dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados +toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de +burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu +eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, +dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en +verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar +als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: "Waar zal ik heen gaan, +verrader?" En Fouché antwoordde: "Waarheen ge wilt, dwaas!" Dat zijn +nu republikeinen!" + +"'t Is waar," zei Theodule. + +De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en +ging voort: + +"Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro +te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te +worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil +ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd +koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het +volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, +hoort ge. 't Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, +de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van +de guitar, onder het balkon van 93! 't Is om te spuwen, zoo dom zijn +die jongelieden! Zij zijn 't allen: geen uitgezonderd. Men behoeft +de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar +'t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen +de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en +loopt van zijn oude lui weg. 't Is republikeinsch, romantisch. Wat +is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle +mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag +ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, +die zelfs niet in goed Fransch zijn geschreven! En dan zet men nog +kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in +dezen tijd!" + +"Ge hebt gelijk, oom," zei Theodule. + +De heer Gillenormand hernam: + +"Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen +daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de +blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van +dezen tijd, 't zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin +Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al 't +mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor +de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; +op mijn woord van eer, 't is alsof zij, als 't op liefde aankomt, +bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij +herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen +als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, +schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun +geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje +wil politieke meeningen hebben! 't moest streng verboden worden, +politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de +maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr, +gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; +zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in +'t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, +Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken +en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de +wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien +en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde +delibereeren, men zou 't niet eens bij de Ogibberra's en de Cadodachen +zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op 't hoofd hebben als +de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder +verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! 't +Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was +een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert +maar, guiten! 't Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen +van 't Odéon zullen gaan lezen. 't Kost hun alles maar een stuiver, +maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt +het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; +alle, zelfs de Drapeau blanc! Martainville was in den grond ook maar +een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot +wanhoop te hebben gebracht!" + +"Dat is duidelijk," zei Theodule. + +En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, +voegde de lansier er op hoogen toon bij: + +"Er moest geen ander blad dan de Moniteur, en geen ander boek dan de +militaire almanak zijn." + +De heer Gillenormand voer voort: + +"Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want +daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, +om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan +de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem +mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te +hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens +heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen +bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren +afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar +u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, +dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw +maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor +allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, +en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekend dan +met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!" + +"Parbleu!" riep de luitenant, "dat is meesterlijk en waar!" + +De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich +om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide: + +"Gij zijt een ezel!" + + + + + + + +BOEK VI. + +DE CONJUNCTIE VAN TWEE STERREN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HOE FAMILIENAMEN ONTSTAAN. + + +Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare +grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, +hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, +waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking +lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig +en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen +in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van +hoeken, 't welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, +en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in +den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in +gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In +gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar +zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn +manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar +zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend +wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op +zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast +met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot. + +In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes +omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde +hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude +kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om +zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem. + +Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem +voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, +om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, +besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei. + +Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig te zijn. Wil +ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar +kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, +Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, +zult ge een wild dier worden. + +Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer +de abt! + +Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius +acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, +en Courfeyrac op den koop toe. + +Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius +niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. 't Is waar, +dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, +dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer +schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, +wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een +jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag. + +Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het +Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, +een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een +bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de +Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen +bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze +laan bracht, 't geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit +paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; +zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen +van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, +zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij +had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn +blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een +blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, +en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon +van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: +Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren. + +De eerste maal dat het meisje, 't welk hem vergezelde, met hem op de +bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een +dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links +en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij +sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij +droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, +een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. 't Was of +zij vader en dochter waren. + +Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen +grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, +toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs +niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het +meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig +en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar. + +Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg: + +Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner +bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan +weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder +opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal +voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat +hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander +te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, +het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van +vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij +naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder +anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd +gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het +zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op +haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje +en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind +"juffer Lanoire" (de zwarte) en den vader "mijnheer Leblanc" (den +witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen +niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc +weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk +den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen. + +Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen. + +Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen +op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij +onbevallig. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EN 'T WERD LICHT. + + +In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis +gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn +gewone wandeling in het Luxemburg varen, en had sinds bijna zes maanden +geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien +zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. 't +Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het +vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon. + +Regelrecht ging hij naar "zijn laan," en zag, toen hij aan het einde +ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar +weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje +scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, +was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de +vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve +bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, +reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, +kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine +lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, +wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, +een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, +de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria +zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben +toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, +was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet +Italiaansch, noch Grieksch; 't was de Parijsche neus, namelijk zoo +geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig +maakt en de dichters verrukt. + +Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds +waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers +vol schaduw en kuischheid. + +Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar +den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was +bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen. + +Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden +man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone +wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij +haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was +het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon +dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps +ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze +nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen. + +Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk +sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven om zich met bloesem +te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in +schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen. + +Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen +te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei +verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan +is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen +insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben. + +Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, +merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid +was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens +was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille +van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen +toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel +van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid +van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den +voorbijganger als doordrong. + +De man was dezelfde gebleven. + +Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame +de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in +dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig +staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, +die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn +wandeling voort, en dacht aan iets anders. + +Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, +doch zonder zijn oogen naar haar te richten. + +De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, +waar hij "vader en dochter" als gewoonlijk vond; doch hij lette niet +op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij +er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging +hij dicht voorbij de bank, wijl 't zoo zijn gewoonte was. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +WERKING DER LENTE. + + +Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans +overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends +gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius +had zijn gansche ziel voor de natuur geopend; hij dacht aan niets; +hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge +meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander. + +Wat lag er thans in den blik der jonge maagd? + +Marius zou 't niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag +alles in. 't Was een wonderbaar weêrlicht. + +Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort. + +Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een +kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling +weder gesloten had. + +Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die +haar dan nabij is. + +Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het +morgenrood aan den hemel. 't Is het ontwaken van iets schitterends en +onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien +onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht +en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid +der toekomst bestaat. 't Is een zekere besluitelooze teederheid, +die zich toevallig openbaart en wacht. 't Is een valstrik, welke de +onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het +te weten de harten vangt. 't Is een maagd met den blik eener vrouw. + +Zeldzaam is 't, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet +droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien +hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste +lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die +donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde +wordt genoemd. + +Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn +kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en +ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den +tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove +laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, +die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +BEGIN EENER ZWARE ZIEKTE. + + +Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, +nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast, kleedde zich, trok +handschoenen aan--een ongekende weelde--en wandelde naar het Luxemburg. + +Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen +Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij: + +"Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, +ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een +zeer dom voorkomen." + +Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde +de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, +welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den +vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig +knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: "Vermijd overdrijving. Houd +u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn +zoon." Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den +vijver heên, en eindelijk naar "zijn laan," maar langzaam en als met +weerzin. 't Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen +te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te +doen, wat hij alle dagen deed. + +Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc +en de jonge dame "op hun bank." Hij knoopte zijn rok tot bovenaan +dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig +welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets +aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij +trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok. + +Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden +de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij +dacht op dat oogenblik welk een zot boek die "Manuel du Baccalaureat" +toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge +brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken +geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière +in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek +hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het +meisje. 't Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een +zacht blauw licht vulde. + +Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs +langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog +verre van 't einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf +wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde +te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren +en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij +zeer rechtop, om een goed figuur te maken in geval iemand hem van +achteren nastaarde. + +Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam +dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er +nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, +doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en +hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar +blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, +onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later +ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de +bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, +en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik +dat hij voorbijging--als onder het geschut der vesting--voelde hij +een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen +dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke +stem, die de "hare" moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, +dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien. + +Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij +zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over +Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau +als de zijne aan het hoofd zijner éditie van Gil-Blas heeft geplaatst. + +Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij +was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge +dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer +onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge +meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde +hij zich, dat zij naar hem keek, 't geen hem deed struikelen. + +Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil +in het midden der laan, en ging zitten, 't geen hij anders nooit deed, +terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in 't diepst zijner ziel dacht, +dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed +en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor +zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok. + +Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de +bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar +hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden +zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter +dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn +gedrag wel wonderlijk moest vinden. + +Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in, om dien man, +zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen. + +Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met +zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling +in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts. + +Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, +toen het 's avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om +naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood. + +Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes +opgevouwen te hebben. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +JUFFROUW BOUGON WORDT DOOR VERSCHEIDENE BLIKSEMSTRALEN GETROFFEN. + + +Den volgenden dag zag juffrouw Bougon--zoo noemde Courfeyrac de +oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon +zij werkelijk juffrouw Burgon heette--met de uiterste verbazing, +dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging. + +Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het +midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen +dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den +witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij +bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den +tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet +heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren +vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, +waar hij dien avond gegeten had. + +Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder +als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen +rok uit!--Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande. + +Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, +dat hij een nijlpaard geleek, 't welk op een gems jacht maakt. In een +oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van +kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.--Is dat +verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken +en de menschen zóó te laten loopen! + +Marius ging naar het Luxemburg. + +De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek +te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk +verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier +uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan +huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden. + +Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg +om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder +dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich +niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen +avond weder aan. + +De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, +die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen +haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar +gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk +overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +GEVANGEN GEMAAKT. + + +In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk +op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren +geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets +aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun +bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, +waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder +en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks +op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik +aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en +de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel +'t slechts een seconde duurde.--Wat willen zij hier? vroeg hij bij +zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit +zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de +grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde +te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden +tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik +op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het +hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame +ging voorbij, hem strak en met een zachten, peinzenden blik aanziende, +die hem van 't hoofd tot de voeten deed rillen. 't Was alsof zij hem +verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij +tot hem zeide: Nu kom ik. Marius was verbijsterd door haar diepe, +schitterende oogen. + +Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een +vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar +schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, +zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar +geknield zou hebben. 't Was hem alsof hij in het azuur des hemels +zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, +zijn laarzen waren bestoven. + +Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien. + +Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij +als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en +sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, +die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was. + +Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen +vinden. + +Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: +"Ga met mij dineeren." Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes +francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij +het dessert zeide hij tot Courfeyrac: "Hebt ge de courant gelezen? Welk +een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!" + +Hij was smoorlijk verliefd. + +Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac: "Ga mede naar den schouwburg; +ik zal betalen." Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in +de Auberge des Adrets te zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk. + +Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg +verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die +over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen +deze zeide: "Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen." + +Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire +te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen +dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden +aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen +vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om +hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat +betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, +vervolgens viel het gesprek op de gebreken en leemten der woordenboeken +en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit +te roepen: "'t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!" + +"'t Is waarlijk kluchtig!" fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe. + +"Neen," antwoordde Jean Prouvaire, "'t is ernstig!" + +'t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, +bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen. + +Een blik had dat alles bewerkt. + +Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer +eenvoudig. Een blik is een vonk. + +'t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het +onbekende in. + +De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch +geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd +voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er +zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar +eensklaps voelt men zich gegrepen! 't Is gedaan! Het rad houdt u, +de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om 't even waar +of hoe; 't zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw +geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in 't raderwerk +beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos +biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men +valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den +anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, +uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een +slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, +óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +GISSINGEN NOPENS DE LETTER U. + + +De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de +onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen +en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der +kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius +tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem +schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, +tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond +zijn. De liefde kwam! + +Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het +Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.--Hij is +in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. 't Was zeker +dat de jonge dame hem aanschouwde. + +Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging +hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan +dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde +het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij +berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen +en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk +door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien +worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw +van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over +'t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar +kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde. + +Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden +man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik +op Marius. 't Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den +eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des +levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander. + +Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want +dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had +hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij +den "Worstelaar" ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius +begreep hier niets van, en beging deze fout. "De vader" was sinds +niet meer zoo stipt, en bracht "zijne dochter" niet dagelijks meer +mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout. + +Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van +verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, +het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; +alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk +gehad--olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond +had hij in de schemering op de bank, die mijnheer "Leblanc en zijn +dochter" zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, +zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke +geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot +zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het +schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; +deze twee letters waren het eerste wat hij van haar bezat, dierbare +letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken. + +U was ontwijfelbaar de voornaam. "Ursula!" dacht hij, een bekoorlijke +naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags +hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen. + +"Ik gevoel er haar geheele ziel in!" riep hij. + +Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak +had laten vallen. + +Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, +dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De +schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare +teekenen blijken. + +"O! onschuld!" zei Marius. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +ZELFS INVALIDEN KUNNEN GELUKKIG ZIJN. + + +Vermits wij het woord "onschuld" hebben genoemd en niets willen +verzwijgen, moeten wij zeggen dat "zijn Ursula" hem eens, in weerwil +van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. 't Was op een dag, dat +zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de +laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen +der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij +de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, +zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is. + +Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig +om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene +nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, +bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam +te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn. + +Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar +kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.--Hij was +wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En +zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? 't +Was ontzettend wat zij gedaan had.--Helaas, het arme meisje had +niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien +onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld +gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. 't Is inderdaad, dat +zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange, +zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs +afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk +been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste +vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan. + +Toen "zijne Ursula" aan 't einde der laan, met mijnheer Leblanc, +terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet +had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar. + +De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, +als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij? + +Dit was "hun eerste twist." + +Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen +iemand door de laan ging. 't Was een gebogen, gerimpelde, grijze +invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, +waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, +op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, +met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, +dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. 't Scheen hem zelfs, dat +deze oude synicus hem in 't voorbijhinken een broederlijken, vroolijken +lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in +verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje +hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was +tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den +hoogsten graad van ijverzucht.--Hij was er misschien, dacht hij, hij +heeft misschien iets gezien!--Hij had den invalide willen vernielen. + +Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius +tegen "Ursula," hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok +over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar 't kostte veel +moeite; hij was drie dagen kwaad op haar. + +Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn +liefde schier tot waanzin aan. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +ECLIPS. + + +Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, +dat zij Ursula heette. + +Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; 't was veel, te weten +dat zij Ursula heette; maar 't was eigenlijk ook weinig. Marius had +zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een +ander. Hij wilde weten, waar zij woonde. + +Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator +te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te +blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden +misslag, een grooten: hij volgde "Ursula." + +Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in +een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog. + +Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het +Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen. + +Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, +den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij +woonde; nu wilde hij weten, wie zij was. + +Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te +hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg +den portier: + +"Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis +is gekomen?" + +"Neen," antwoordde de portier: "'t is de heer der derde verdieping." + +'t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger. + +"Aan de straat?" vroeg hij. + +"Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat," zei de portier. + +"En wat doet deze heer?" hernam Marius. + +"Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan +ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is." + +"Hoe heet hij?" vroeg Marius. + +De portier richtte het hoofd op en zeide: + +"Is mijnheer een stille verklikker?" + +Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij +was iets gevorderd. + +"Goed," dacht hij. "Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter +van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping +woont." + +Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer +kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel. + +Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur +van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijn dochter binnengaan, +bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken +blik aan. + +Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos +wachtte Marius den geheelen dag. + +Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan +de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, +tot het licht werd uitgedaan. + +Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte +den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters +betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De +koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde. + +Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn +dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte +treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet +bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel +van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er +schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart. + +Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen +licht.--Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. 't Is +toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot +middernacht; tot één ure 's ochtends. Geen licht scheen door de +vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis. + +Treurig verwijderde hij zich. + +Den volgenden dag,--want hij leefde van den eenen dag op den anderen, +er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer--den volgenden dag +vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering +ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën +waren dicht; alles was donker. + +Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier: + +"De heer der derde verdieping?" + +"Verhuisd," antwoordde de portier. + +Marius wankelde en zeide stamelend: + +"Sinds wanneer?" + +"Sinds gisteren." + +"Waar woont hij nu?" + +"Ik weet er niets van." + +"Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?" + +"Neen." + +De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: "Ha, +zijt gij 't! ge zijt dus werkelijk een verspieder?" + + + + + + + +BOEK VII. + +PATRON-MINETTE. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE MIJNEN EN DE MIJNWERKERS. + + +De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen +een "onder het tooneel" noemt. De maatschappelijke bodem is overal +ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken +liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven +en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving +instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder +den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier +een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen +van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een +gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht +te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten +licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt +uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, +waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche +gewelven der wereld. + +Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, +zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, +de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze +delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men +roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën +doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms +ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn +houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden +zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of +weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze +eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, +op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het +buitenste door het binnenste verandert; een verborgen ontzaggelijk +gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke +haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er +zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, +en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te +voorschijn? De toekomst. + +Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot +op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de +arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; +komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn +de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, +waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters +wordt hier mogelijk. + +De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een +verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, +waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan +ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder +Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet +is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En +zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het +onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, +die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die +van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze +onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van +den wijsgeer. + +Een wereld in den toestand van wording.--Welk een ongezien beeld! + +Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen. + +Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, +zonder dat zij 't weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd +wanen, doch 't niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en +het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene +is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling +zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, +van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: +onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij +stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen +zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het +volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in 't oog; de laatste, +hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten +schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien +hemelschen blik bezit. + +Het oog van den nacht is het andere teeken. + +Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De +maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers. + +Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat. + +Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze +galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk +van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager +dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige +gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een +vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de +galerij der duisternissen, de kolder der blinden. Inferi. + +Deze grenst aan den afgrond. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE DIEPTE. + + +Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te +voorschijn; 't is daar ieder voor zich. Het ik zonder oogen brult, +zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel. + +De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich +in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken +vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij +denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier +geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarend +niet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en +de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen +van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil +zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden +gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling, +verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de +derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht +naar het volkomene, 't is de tegenspraak der stof. De mensch wordt +er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit +bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire. + +Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, +van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij +gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, is alles edel, zuiver, waardig, +eerlijk. Men kan er zich bedriegen, 't is waar, en men bedriegt er +zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich +sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang. + +Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke +diepten, te aanschouwen. + +Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, +tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van +het kwaad. + +Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. 't Is de haat zonder +uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit +een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele +zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die +zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een +dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat +is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping +van alles ten doel. + +Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het +verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, +de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, +de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de +revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, +moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn +gewelf is uit onwetendheid samengesteld. + +Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan +zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte +en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het +wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het +hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol--misdaad. + +Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van 't geen wij geschreven +hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis. + +Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier +beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst +dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar +zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt +zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en +wordt in hem het kwaad. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +BABET, GUEULEMER, CLAQUESOUS EN MONTPARNASSE. + + +Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse, +regeerden van 1830-1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs. + +Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van +de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen +armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van +een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en +een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen, +maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd, +breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig, +kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn +spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een +geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men +geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met +maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon +sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden. + +De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de +vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar +ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen +door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij +Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel +had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar +die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn +handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten +van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de +kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent +bezeten, met een trompet en dit uithangbord: "Babet, dentiste, lid +van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen +en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden +uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee +tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van +de gelegenheid." (Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden +uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist +niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze +verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen--een +zeldzame uitzondering in de wereld, waarin hij leefde. In den tijd, +toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in den +Messager gelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen, +dat een kalfssnuit had, en hij riep: "Dat heet ik geluk! Mijn vrouw +zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!" + +Sinds had hij alles verlaten om "Parijs te ondernemen," zooals hij +zich uitdrukte. + +Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te +vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit +een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat +hol? 't Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met +zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette +hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht +kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: +Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een +schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een +naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij +een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet +zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn +masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren +als verrijzenissen uit de aarde. + +Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig +jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart +haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden +en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed +de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet +geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief, +zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, +om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde +van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, +maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden +plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn +zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: +Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en +van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant +willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de +werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo +geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij +reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet +had, lag met uitgestrekte armen en met 't gezicht in een plas bloed, +in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun +middel, vrouwenheupen, de borst van een pruisisch officier, door al +de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, +een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat--zoo was +deze moordenaarpronker. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +SAMENSTELLING DER BENDE. + + +Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus, +die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik +van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden +elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren +voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van +hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, +kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden, +en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte. + +Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te +zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn +handwerk in 't groot dreef; 't was de monster-polyp van het kwaad, +dat het benedenste hol der maatschappij bewoont. + +Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, +Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers +der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de +voorbijgangers coups d'états van den laagsten rang uit. Vindingrijke +lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich +tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het +plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij +waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle +aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor +een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor +alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar. + +Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den +tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar +raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en +regelden het gebruik daarvan. + +Patron-Minette was de naam, die aan het onderaardsche genootschap +dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal, +die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekent Patron-Minette ochtend, +zooals entre chien et loup avond beteekent. De naam Patron-Minette +kwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den +dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier +mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises +Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een +misdaad, welke Lacenaire loochende.--Wie heeft ze gepleegd? vroeg +de president.--Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor +den rechter, maar duidelijk voor de politie was: "'t Is misschien +Patron-Minette." + +Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen +beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier +eenige namen, die nog in 't geheugen van sommigen gebleven zijn, +en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden. + +Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille. + +Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord +zullen zeggen). + +Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben. + +Laveuve. + +Finistère. + +Homère-Hogu, een neger. + +Mardisoir. + +Dépêche. + +Fauntleroy, genaamd Bouquetière. + +Glorieux, een ontslagen galeislaaf. + +Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont. + +Lesplanade-du-Sud. + +Poussagrive. + +Carmagnolet. + +Kruideniers, genaamd Bizarro. + +Mangedentelle. + +Les-pieds-en-l'air. + +Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz. + +Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek, +en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen +behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van +den ondergrond der beschaving. + +Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen, +die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten, +sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten +steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen +in den grond. + +Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd +bestaan. Horatius spreekt van hen: Ambubaïarum collegia, pharmacopolæ, +mendici, mimoe; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, +zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, +ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij +komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde +namen en dezelfde lichamen niet meer. + +Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben +altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden +de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver +hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen +men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen +geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of +provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen. + +Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een +eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar +uit levenden nevel gevormde gestalten; 't is alsof zij zoodanig met +de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden +zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts +voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een +gedrochtelijk leven te voeren. + +Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen +licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste +rangen der maatschappij. + + + + + + + +BOEK VIII. + +DE SLECHTE ARME. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +MARIUS ZOEKT EEN MEISJE MET EEN HOED EN ONTMOET EEN MAN MET EEN PET. + + +De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer +Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg +gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk +gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar +vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden, +vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt; +de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen, +ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij +verzonk in treurige zwaarmoedigheid. 't Was gedaan. Hij had afkeer van +den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de +vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen, +uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen +hem alsof alles verdwenen was. + +Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen +behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend +zacht voorstelden, antwoordde hij somber: "waartoe?" + +Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was +reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat +niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat +niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. 't +Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, +dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo +diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, +waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk +een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: "Ik zie, dat +ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière." + +Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet +en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop--welk +een droom!--haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt +vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.--'t Is toch hier, +mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen +vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet, +vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd +door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende +gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en +om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende, +huiswaarts. + +Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn +treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en +wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, +door liefde verstompt. + +Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem +maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard +der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, +met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te +voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar +getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke +gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc +te herkennen. 't Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de +pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar +waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde +deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, +was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het +spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man +van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich +te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een +zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden. + +Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij +ze.--'t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een +gelijkenis, dacht hij. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN VOND. + + +Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand. + +Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen andere bewoners dan +hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, +zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken +te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of +bij gebreke van betaling op de straat gezet. + +Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond; +'t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon, +de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze +terecht klassiek gebleven verzen inboezemde: + + + Qu'il luise ou qu'il luiserne, + L'ours rentre en sa caverne. [7] + + +Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. 't Was tijd te +gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O +zwakheden der ideale liefde! + +Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was +te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield: + +"Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen +des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed +voor niets." + +Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den +boulevard naar de straat St. Jacques. + +Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen; +hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene +lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt +voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen, +hadden hem niet gezien en in 't voorbijgaan hem gestooten. Marius +onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde, +vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote +voeten. Onder 't loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide +met zachte stem: + +"Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt." + +De andere antwoordde: "Ik zag ze komen en ging aan den haal." + +Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes +of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij 't +ontkomen waren. + +Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevard achter hem, +en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een +flauwen schijn, die echter spoedig verdween. + +Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen, +toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte +en raapte het op. 't Was een soort van omslag, dat papieren scheen +te bevatten. + +De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij. + +Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn +zak en ging naar zijn diner. + +Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van +een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een +kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in +'t geheugen. + +"Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen +te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven." + +Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn +droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn +gewone mijmeringen. + +Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk +onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg. + +"Hoe somber is mijn leven geworden," dacht hij. "Nog altijd verschijnen +mij jonge meisjes; maar vroeger waren 't engelen; thans zijn 't +duivelinnen." + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +VIER BRIEVEN. + + +Toen hij zich 's avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij +in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had +opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het +nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes +kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval +de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen, +die het verloren had. + +Hij opende het omslag. + +Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld +waren. + +Er stonden adressen op. + +Alle vier roken vreeselijk naar tabak. + +Op den eersten brief stond dit adres: "Aan mevrouw, mevrouw +de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der +gedeputeerden, No...." + +Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht, +en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder +bezwaar gelezen worden. + +Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl: + + + "Mevrouw de markiezin, + + "De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste + band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en + medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van + zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, + waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, + om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende + bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal + verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een + militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, + die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de + belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige + natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een + aangename herinnering blijven. + + "Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn, + + + Mevrouw, + + "Don Alvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk + uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en + wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten." + + +Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte +het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: +"Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette +No. 9." Marius las het volgende: + + + "Mevrouw de gravin. + + + "Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het + jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste + kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, + zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede. + + "In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te + zijn met diepen eerbied + + + "Vrouw Balizard." + + +Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was, +en las: + + +"Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in 't groot, +straat St. Denis, hoek der straat aux Fers. + + + "Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij + de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling + in een letterkundige, die aan het Théâtre Français een drama + heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt + in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl + natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier + plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, + ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der + karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele + intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende + tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen + oplost. + + "'t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer + hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen + grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert. + + "In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de + ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit + den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede + men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend. + + "Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een + verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij + mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal + blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit + strenge seizoen. 't Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn + drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te + bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming + te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo + ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik + mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van + dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, 't welk ik zoo volmaakt + mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan + 't hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd + worden. + + + "Aan mijnheer + en mevrouw Pabourgeot + mijn eerbiedigste hulde. + + Genflot, letterkundige." + + P. S. "Al is 't maar twee francs." + + "Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar + treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, + uit te gaan..." + + +Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: "Aan den +weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas. + + + "Weldadig man, + + "Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge + een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen. + + "Bij 't gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen + worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte + wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen. + + "Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten + nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te + moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, + alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, + in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed + voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen. + + "Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt + zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen + ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn, + + + "Wezenlijk grootmoedig man, + + "Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar, + + "P. Fabantou, dramatisch artist." + + +Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer +dan vroeger. + +Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op. + +Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn; +van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van +den dramatischen artist Fabantou; maar 't was zonderling, dat deze +brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren. + +Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden +persoon kwamen? + +Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de +vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, +ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel 't duidelijk was dat +men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort +van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij +den Spaanschen kapitein. + +'t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden. Zoo +'t geen vond ware geweest, zou 't een fopperij geleken hebben. Marius +was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van +het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare +straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij +blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den +mal hielden. + +Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes +behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. 't Waren in +allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden. + +Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde +zich te bed. + +Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten +en wilde zich aan 't werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd +geklopt. + +Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, +behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens +liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.--"Men +zal u bestelen," zei vrouw Bougon.--"Wat?" vroeg Marius.--Men had hem +evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote +zelfvoldoening van vrouw Bougon. + +Men klopte nogmaals zeer zacht. + +"Binnen," zei Marius. + +De deur werd geopend. + +"Wat wilt ge, vrouw Bougon?" vroeg Marius zonder zijn oogen van de +boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen. + +Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde: + +"Vergeving, mijnheer..." + +'t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die +dronken is of zich overschreeuwd heeft. + +Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN ROOS IN ELLENDE. + + +Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door +'t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en +verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, +tenger, mager; slechts een hemd en een rok bedekten haar bibberende +naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar +kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was +ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half +open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de +vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven +vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens +zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen. + +Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing +dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom +verschijnen. + +Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter +wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij +zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog +bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht +van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag +nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij +een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd. + +Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich +te herinneren het ergens gezien te hebben. + +"Wat begeert ge?" vroeg hij. + +Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef: + +"Hier is een brief voor u, mijnheer Marius." + +Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij +bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij +zijn naam? + +Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij +binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, +die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde +bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon +men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude. + +Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood. + +Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat +was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las: + + + "Lieve buurman,--geëerde jonge heer! + + "Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden + geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn + oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons + vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is. Zoo ik mij in mijn + gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig + hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen + mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen. + + Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de + weldoeners der menschheid schuldig is + + + Jondrette." + + + P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius." + + +Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, 't welk Marius +sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de +duisternis. Alles helderde zich eensklaps op. + +Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was +dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, +dezelfde tabaksreuk. + +Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf +handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don +Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot, +de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste +Jondrette zelf Jondrette heette. + +Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, +zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste +buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar +de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes +in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts +schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den +vorigen avond de dochters van Jondrette tegen 't lijf was geloopen, +zonder ze te kennen, want zij waren 't ongetwijfeld geweest, en zij, +die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden, +welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem +opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had. + +Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette +in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid +van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen +bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en +mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen +kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij +dobbelde met het lot en zette haar op 't spel. Marius begreep, uit haar +hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge +woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog +andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij door een en ander, +te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld, +twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes, +noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren. + +Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor +wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de +kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, +noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, +heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn +gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd +worden. + +Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar +richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en +weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid +te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar +borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op +de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde +in alle hoeken. + +"Ha!" zeide zij, "hebt ge een spiegel?" + +En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles, +vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk +klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere +gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is +een schande. + +Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen +als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken +heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, +onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel +anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de +dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, +in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen. + +Marius dacht, en liet haar begaan. + +Zij naderde de tafel. + +"Ha, zeide zij, boeken!" + +Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem +drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen +menschelijk schepsel ongevoelig is: + +"Ik kan lezen." + +Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk +vlug: + +"...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijf bataljons zijner +brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte +van Waterloo ligt, in te nemen..." + +Zij brak 't lezen af, met de woorden: + +"Ha! Waterloo! dat ken ik. 't Was een fameuze slag! mijn vader was +er bij. Mijn vader heeft in 't leger gediend. Wij zijn bonapartisten, +dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen." + +Zij legde het boek neder, nam een pen en riep: + +"Ik kan ook schrijven!" + +Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide: + +"Wilt ge 't zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om 't u te toonen." + +Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat +op de tafel lag: "De dienders zijn er." + +Toen hernam zij, de pen wegwerpende: + +"Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben +een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu +zijn. Wij waren niet bestemd om ..." + +Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid +te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche +onverschilligheid onderdrukt verried: + +"Och, kom!" + +En op een vroolijke wijs zong zij: + + + J'ai faim, mon père. + Pas de fricot. + J'ai froid, ma mère. + Pas de tricot. + Grelotte, + Lolotte! + Sanglote, + Jacquot. + + +Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig: + +"Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls +heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en +mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit +er ongemakkelijk. 't Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die +leelijk rieken." + +Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon: + +"Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?" + +En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar +deed glimlachen en hem deed blozen. + +Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder: + +"Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik +ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer +Mabeuf ingaan, die in de nabijheid van Austerlitz woont, wanneer ik +daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed." + +Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer +grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar +de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken. + +Marius was een weinig achteruit gegaan. + +"Juffer," zeide hij, op koelen, ernstigen toon, "ik heb hier een pakje, +dat geloof ik van u is. Vergun mij 't u weder te geven." + +En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven. + +Zij klapte in haar handen en riep: + +"Wij hebben 't overal gezocht." + +Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide: + +"Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij 't +gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, 't moet op den boulevard +zijn. Weet ge, 't is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn +lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was 't +weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, 't geen onnoodig, volkomen +onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd +waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn +de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, +aan 't schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen 't lijf zijn +geloopen. 't Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg +aan mijn zuster: Was 't een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, +dat 't een heer was." + +Intusschen had zij den bedelbrief "aan den weldadigen heer der kerk +van St. Jacques-du-Haut-Pas" geopend. + +"Zie," zeide zij, "deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. 't +Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien +zooveel geven om te kunnen ontbijten." + +En wederom lachende, voegde zij er bij: + +"Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? 't Zal ons +ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons +ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen +wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt, +berst dan, honden!" + +Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken. + +Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets. + +Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht, +dat Marius tegenwoordig was. + +"Soms ga ik 's avonds uit. Soms kom ik niet weer t'huis. Verleden +winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der +bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn +klein zusje weende. Water! 't is treurig. Als ik er aan dacht mij +te verdrinken, zeide ik: Neen, 't is te koud. Ik ga, als ik wil, +alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den +boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen +zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte +muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn +als illumineerglazen, 't is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait; +ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel +'t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen, +wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht +zonder te weten waarom... alles draait, draait... 't Is aardig als +men niet gegeten heeft..." + +Zij zag hem verwilderd aan. + +Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk +vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op +dit oogenblik in de wereld bezat. + +"Dit is voor mijn middagmaal van heden," dacht hij, "morgen zullen +wij zien." Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs. + +Zij nam het geld. + +"Goed!" zeide zij: "dat is zonneschijn." + +En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal +in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte +onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar +hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging, +vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende: + +"Goeden dag, mijnheer. Om 't even, ik ga toch mijn oude opzoeken." + +De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in +het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide: + +"'t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk." + +Toen verdween zij. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +HET SPIEGAT. + + +Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs +in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellende der +armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. 't Was het spooksel, +dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de +ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de +ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien, +heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien. + +Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan +het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem +nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles +ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te +worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in +deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind, +en dwingt ze tot eerloosheden. + +Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen +omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen. + +Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog +nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere +hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die +naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin +schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, +dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke +vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, +ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, +in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij +elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, +dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij. + +Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis. + +Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht. + +Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering +en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn +buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een +werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar +hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur +scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, +verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, +zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van +het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of +liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks, +ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan, +spreken en hij merkte 't niet; in die woorden was gekerm, en hij +luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan +droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, +aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid +deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn +broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel +aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, +een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en +liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, +hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij +opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer +verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar 't is +zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één +punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en +zich vermengen, een heilloos woord "verstootenen". Aan wie ligt de +schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is? + +Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,--want het +gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, +zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij +verdiende,--zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette +scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten +dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond +slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd +is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest +zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt +te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius +was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van. + +Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, +onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen +zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij +den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten +gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode +klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het +mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening +was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden +om haar bij te staan.--Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden +zijn en hoe 't er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn +oog voor de opening en gluurde er door. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE WILDE MENSCH IN ZIJN HOL. + + +De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich +het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar +in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; +dat wil zeggen leelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, +wild en groot, dat wil zeggen schoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen +der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn +beter dan menschenholen. + +Wat Marius zag was zulk een hol. + +Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede +was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik +insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen +ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige +potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; +geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, +vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een +spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien +en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte +misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men +zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend. + +De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere +had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden +kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken +grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem +gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, +sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het +voor veertig francs 's jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats +een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, +een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten +er treurig. + +De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er +waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien +en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar 't oog +niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen +en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, +monsterachtige menschelijke wezens. + +Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen +met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In +een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den +muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote +letters geschreven stond: de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor, +met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een +kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde +zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een +stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende, +waarop deze inscriptie: + + + Marengo + Austerlits + Jena + Wagramme + Elot + + +Onder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan +breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, +die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze +later weder op te hangen. + +Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein, +mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig +gelaat; kortom een afschuwelijke kerel. + +Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan +den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die +wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door +den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk +te maken. + +Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, +dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen +bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, +waaruit de teenen staken. + +Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij +schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had. + +Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, +welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote +kapitale letters: Dieu, le Roi, l'honneur et les dames par +Ducray-Duminil. 1814. + +Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden: + +"Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie +Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan +die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen, +de armen, de ongelukkigen! O, men legt ze beneden, waar men tot aan +de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar, +opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder +in den grond te zakken." + +Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde +hij er bij: + +"Ik zou de wereld willen verslinden!" + +Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn, +zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt. + +Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken +oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft +van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij +zeer groot van gestalte was, 't was een soort van reuzin, bij haar +man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij +nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde. + +Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van +hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden +roman. + +Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier +naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren, +noch te zien, noch te leven. + +Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest. + +Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig +beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit +was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: +"Ik ging aan den haal!" + +Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, +doch dan eensklaps en snel opgroeit. 't Is de armoede, die zulke +treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch +kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf +jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, +morgen vrouw. 't Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen +om te eerder aan het einde te zijn. + +Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind. + +Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van +arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In +een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. 't Was de vadzige luiheid, +welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat. + +Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker +dan 't inwendige van een graf scheen, want men zag de menschelijke +ziel bewegen en het leven er in kloppen. + +De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste +trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het +graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht +aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn +grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen. + +De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te +ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen. + +De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: "canaille, canaille, +alles is canaille!" + +Deze variant op Salomo's uitroep: "IJdelheid" enz., deed de vrouw +zuchten. + +"Wees bedaard, mijn vriend," zeide zij. "Maak u niet kwaad, mijn +lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven, +mijn beste." + +In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar +de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze +vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, +maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche +verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, +uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor +haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, +overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: "mijn lieve, mijn hart, +mijn vriend enz." met den mond, maar het hart zweeg. + +De man had zich weder aan 't schrijven gezet. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +STRATEGIE EN TACTIEK. + + +Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium +dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht +trok en er hem deed blijven. + +Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter +verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk +overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude +gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar +vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had +nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij 't heengaan +weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht, +stond even stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk, +en riep toen op zegevierenden verheugden toon: + +"Hij komt!" + +De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje +bewoog zich niet. + +"Wie?" vroeg de vader. + +"De mijnheer." + +"De menschenvriend?" + +"Ja." + +"Van de kerk St. Jacques?" + +"Ja." + +"Die oude?" + +"Ja." + +"Zal hij spoedig komen?" + +"Hij volgt mij." + +"Is 't zeker?" + +"Gewis.--In een huurrijtuig." + +"In een huurrijtuig! 't Is een Rothschild!" + +De vader stond op. + +"Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het +dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel +gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan +het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem +dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij +u gezegd?" + +"Ho! ho! ho!" riep de dochter, "wat draaft ge door, man! Ik zal +u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats, +boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide +mij: "Waar woont ge, mijn kind?" Ik antwoordde: Ik zal 't u wijzen, +mijnheer. "Neen," zeide hij; "geef mij uw adres; mijn dochter heeft +nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even +spoedig zijn als gij." Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis +aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar +zeide eindelijk: "Om 't even, ik zal gaan." Toen de mis geëindigd +was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een +huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur +rechts, aan 't einde van de gang." + +"Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?" + +"Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed, +daarom heb ik zoo hard geloopen." + +"Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?" + +"Wijl ik het nummer ervan had onthouden." + +"Welk nummer?" + +"440." + +"Goed, ge zijt een schrandere meid." + +Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen +wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij: + +"Schrander, 't is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet +meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid, +en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het +water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets." + +"Ge hebt gelijk," antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij +de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; "maar dan zal men u niet +meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat +niet barrevoets tot den goeden God," voegde hij er bitter bij. En op +het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: "Nu, zijt ge zeker, +heel zeker, dat hij komt?" + +"Hij volgt mij op de hielen," was het antwoord. + +De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn +gezicht. + +"Vrouw," riep hij, "hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het +vuur uit." + +De verbaasde moeder bewoog zich niet. + +Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot +van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders. + +Toen zeide hij tot zijn oudste dochter: + +"Komaan, ruk de mat uit den stoel." + +Zijn dochter begreep hem niet. + +Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been +er doorging. + +Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter: + +"Is 't koud?" + +"Fel koud; het sneeuwt." + +Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster +zat, riep hij haar toe, met donderende stem: + +"Haast u, van 't bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla +een ruit in!" + +Bibberend sprong het meisje van het bed. + +"Sla een ruit in!" herhaalde hij. + +Het kind was als versuft. + +"Hoort ge niet?" herhaalde de vader, "ik zeg u, dat ge een ruit moet +stuk slaan." + +Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op de teenen +omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel +rinkelend op den grond. + +"Goed," zei de vader. + +Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken +van 't vertrek. + +Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een +veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal. + +De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg +met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak +bevrozen waren: + +"Lieve man, wat wilt ge doen?" + +"Ga naar bed," antwoordde de man. + +De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder +gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben. + +Intusschen hoorde men in een hoek snikken. + +"Wat is er?" vroeg de vader. + +De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren +hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich +met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder +gegaan, waar zij stil weende. + +'t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen. + +"Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas +gesneden, toen zij het stuk sloeg." + +"Des te beter," zei de man, "ik had er op gerekend..." + +"Wat? des te beter?" hernam de vrouw. + +"Zwijg!" riep de vader, "ik hef de vrijheid der pers op!" + +En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, +en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje. + +Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd +hemd. + +"Ook het hemd," zeide hij, "alles heeft nu een goed aanzien." + +Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong +binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw +binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, +had beloofd, was inderdaad gekomen. + +De vader sloeg zijn blik in 't rond, als wilde hij zich overtuigen, +dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch +op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen. + +Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij: +"Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten." + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN LICHTSTRAAL IN HET HOL. + + +Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, +zeggende: + +"Voel, hoe koud ik ben." + +"Och," antwoordde de vader, "ik ben nog kouder dan gij." + +De moeder riep heftig: + +"Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het +kwade toe." + +"Zwijg!" zei de man. + +De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg. + +Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf. + +De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den +rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder +had het hoofd van 't kind in beide handen genomen en bedekte het met +kussen, fluisterend zeggende: + +"Wees stil, mijn schatje, 't is niets; ween niet, uw vader zou boos +worden." + +"Neen," riep de vader; "integendeel, schrei en snik, dat is goed." + +En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij: + +"Wel, hoe is 't! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets +mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en +mijn ruit gebroken hebben." + +"En de kleine gewond," mompelde de moeder. + +"Weet ge," hernam de vader, "dat het duivels koud in dit hondenhok +is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt: +Laat hen wachten, zij zijn er voor.--O, ik haat deze rijken, en zou +ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die +zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan, +die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven +ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen, +zooals zij zeggen! vodden zijn 't, die geen oordje waard zijn; en +brood! Dat is 't niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat +geven ze niet, want zij zeggen dat wij 't zouden verdrinken en dat +wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij +in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, +men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen +en alles in de lucht uitslaan! 't is mogelijk dat alles brak, maar +niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.--Maar waar +blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien +heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier..." + +Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, +terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep: + +"Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige +weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!" + +Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel. + +Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde +is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken. + +"Zij was 't!" + +Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woord +zij ligt. + +Zij was 't inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den +flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. 't Was het +liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had, +en toen verdwenen was; 't was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat +bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis +had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug. + +Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk +verblijf, in deze ellende. + +Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was 't! Zijn hartkloppingen +verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op 't punt in tranen uit +te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht +te hebben! 't Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij +verloren had. + +Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door +een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen +onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar +kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn. + +Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc. + +Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd. + +De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag +met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het +bekoorlijk, gelukkig gelaat. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +JONDRETTE WEENT BIJNA. + + +Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, +aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen +naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende +onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de +oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren. + +Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, +en zeide tot vader Jondrette: + +"Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en +dekens vinden." + +"Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden," zei Jondrette +tot den grond buigende.--Toen de beide bezoekers daarop het armoedig +verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn +oudste dochter in 't oor: + +"Nu, heb ik 't niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn +allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm +onderteekend?" + +"Fabantou," antwoordde de dochter. + +"Dramatisch artist, goed!" + +'t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de +heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand, +die een naam zoekt: + +"Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer..." + +"Fabantou," antwoordde Jondrette haastig. + +"Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij." + +"Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht." + +Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den +menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van +den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den +ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: "Een leerling van Talma, +mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij +de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn +weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen +vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in +zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!" + +"Arme vrouw!" zei Leblanc. + +"Mijn kind gewond!" voegde Jondrette er bij. + +Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehouden te +schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame. + +"Schrei, balk toch!" beet Jondrette haar in 't oor. Tegelijkertijd +kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de +behendigheid van een goochelaar. + +Het meisje begon luide te krijten. + +De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart "zijn Ursula" +noemde, naderde haastig, uitroepende: + +"Arm, lief kind!" + +"Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame," zei Jondrette. "Dat +ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om +dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet +moeten worden." + +"Waarlijk," zei de oude heer verschrikt. + +Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te +schreien. + +"Helaas! ja, mijn weldoener," antwoordde de vader. + +Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend +op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en +nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een +oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling +het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn +vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en +heel zacht tot haar: + +"Bezie dien man eens nauwkeurig!" + +Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn +jammerklacht: + +"Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner +vrouw, een gescheurd hemd! in 't hartje van den winter. Ik kan niet +uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame +kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer +genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge, +mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan +haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire +zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in +huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond, +en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. 't Is de ouderdom, +en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter +ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik +zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met +de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn +edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, die deugd en goedheid +ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult, +en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige +opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik +zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat +punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd, +eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt +op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet +tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en +eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en +wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik +wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de +vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer, +weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari, +de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft +gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen, +mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met +haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, +op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, +in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, +een jaar! dat wil zeggen zestig francs." + +Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en +hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden +verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had. + +Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op +de tafel. + +Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in 't oor te fluisteren: + +"De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn +stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog +kosten!" + +Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken, +die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel +geworpen. + +"Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs +bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond +terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?" + +Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig +antwoordde hij: + +"Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn." + +"Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen." + +"Mijn weldoener!" riep Jondrette in vervoering. + +En hij voegde er zacht bij: + +"Bezie hem goed, vrouw!" + +Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde +zich naar de deur. + +"Tot van avond, vrienden!" zeide hij. + +"Te zes uren?" riep Jondrette. + +"Te zes uren precies." + +De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog +der oudste dochter, die zeide: + +"Gij vergeet uw overjas", mijnheer." + +Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard +aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, +en antwoordde glimlachend: "Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier." + +"O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan +mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig +uitgeleide doe." + +"Trek die overjas aan, als ge uitgaat," antwoordde mijnheer Leblanc; +"'t is scherp koud." + +Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine +overjas aan. + +Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +TARIEF DER HUURRIJTUIGEN: TWEE FRANCS IN 'T UUR. + + +Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er +inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest +op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat +en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij +er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen +het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel +op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht +met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer +binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn. + +Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens +ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje +met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte +haar woorden te verstaan. Hij kende haar oogen, haar voorhoofd, haar +schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer +stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar +te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had +tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel +een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de +erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit +mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond +haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk +dit goddelijke wezen was, 't welk hij te midden dezer afzichtelijke +schepsels in dit afschuwlijk hol zag. 't Was hem als zag hij een +colibri tusschen padden. + +Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te +volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten +dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te +verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong +van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der +deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang +was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was +zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den +drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou +hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, +en dan was 't weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar +terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote +verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer. + +In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was +niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op +den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat +Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed. + +Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard +gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat +Mouffetard doorreed; 't rijtuig was reeds ver, en geen middel het in +te halen. 't Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou +men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit +alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius, +als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over +den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te +stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste +en zekerste middel. + +Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep: + +"Bij 't uur!" + +Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, +voor de borst was zijn overhemd gescheurd. + +De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, +en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen. + +"Wat?" zei Marius. + +"Vooraf betalen!" zei de koetsier. + +Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij +zich had. + +"Hoeveel?" vroeg hij. + +"Twee francs." + +"Ik zal u betalen als ik te huis ben." + +De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde +de zweep over zijn paard. + +Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die +hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij +verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter +leedwezen, en wij moeten 't erkennen met diepen spijt, dacht hij aan +de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje +had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en +van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den +zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, +die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend +keerde hij naar zijn woning terug. + +Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had +'s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te +volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord. + +Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde +van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der +barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den +"menschenvriend", sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen, +welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en +verontrustende woorden, die 't voorkomen hebben steeds aan slechte +dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, 't geen doet +vermoeden, dat zij 's nachts werken. + +Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, +in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een +stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette +er nauwelijks op. + +Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept +was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denken dat de +schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud, +bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens +gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver +gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man +gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam +later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens +een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd +deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven +en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in +zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, +sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse +waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig +gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door +hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in +'t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +DIENSTAANBIEDING VAN DE ARMOEDE AAN DE SMART. + + +Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde +binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van +Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was +het, die zijn vijf francs had, 't was te laat om ze haar terug te +vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij +zou ze hem bovendien niet wedergeven. 't Was overigens nutteloos +haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te +ondervragen; 't was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief, +als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan "den weldadigen heer +der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas." + +Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar +zij was niet in 't slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de +half opene deur tegenhield. + +"Wat is dat?" vroeg hij, "wie is daar?" + +'t Was de dochter van Jondrette. + +"Zijt gij 't?" hernam Marius eenigszins ruw, "gij wederom! Wat +wilt ge?" + +Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo +stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de +schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag. + +"Nu, waarom antwoordt ge niet?" hernam Marius. "Wat wilt ge?" + +Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht +scheen te ontsteken, en zeide: + +"Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?" + +"Mij?" zei Marius. + +"Ja, u." + +"Mij deert niets." + +"Toch." + +"Neen." + +"Ik zeg u, ja." + +"Laat mij met vrede." + +Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen. + +"Luister," zeide zij, "ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt, +zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees 't nu ook. Ge hebt mij +iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat +gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik +er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik +begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen, +maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik +mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen, +in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand +te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan +spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt, +en de zaak komt in orde. Bedien u van mij." + +Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen +gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal. + +Hij naderde het meisje en zeide: + +"Luister." + +Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede +en zeide: + +"Ha, nu doet gij wel." + +"Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?" hernam +hij. + +"Ja." + +"Weet ge waar zij wonen?" + +"Neen." + +"Poog het voor mij te ontdekken." + +Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; +nu werd het weder van vroolijk treurig. + +"Is het dat, wat ge begeert?" vroeg zij. + +"Ja." + +"Kent gij hen?" + +"Neen." + +"Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen," +hernam zij levendig. + +In dat woordje haar, dat zij nu in plaats van hen gebruikte, lag iets +bijzonders en scherps. + +"Nu, kunt ge 't doen?" vroeg Marius. + +"Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben." + +Er lag in deze woorden "schoone jonge dame" weder iets dat Marius +hinderde. Hij hernam: + +"Om 't even! de woning van den vader en van de dochter. Hun +woning! hoor?" + +Zij zag hem strak aan. + +"Wat geeft ge mij?" + +"Al wat ge wilt." + +"Al wat ik wil?" + +"Ja." + +"Ge zult het adres hebben." + +Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur +achter zich dicht. + +Marius was alleen. + +Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen +op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, +alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen +gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem +het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende +wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd +hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe +stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste +belangstelling inboezemden: + +"Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb." + +Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den +vader van "zijn Ursula?" Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op +zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen, +zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk +weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader +was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te +verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel! + +Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich +weder voor het kleine spiegat in den wand. + +Hij zag weder in Jondrettes woning. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +BESTEDING VAN HET VIJFFRANCSTUK VAN DEN HEER LEBLANC. + + +Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw +en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken +aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben +gelegd. + +Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de +buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; +de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd +gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande +krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en +weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking. + +De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme +verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen: + +"Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?" + +"Gewis! 't Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik +herkende hem terstond. Is 't u dan niet dadelijk in het oog gevallen?" + +"Neen." + +"Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! 't Is zijn gestalte, +zijn gezicht, nauwelijks iets verouderd; er zijn lieden die niet +verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. 't Was de toon zijner +stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige +duivel, nu heb ik u! + +Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters: + +"Gaat!--'t Is zonderling dat 't u niet in 't oog is gevallen." + +Zij stonden op om te gaan. + +De moeder stamelde: + +"Met haar gewonde hand?" + +"De lucht zal haar goed doen," zei Jondrette. "Gaat." + +De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak +dulden. De beide meisjes gingen. + +Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij +den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon: + +"Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig." + +Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid. + +Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar +keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige +oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, +weder in zijn broek te stoppen. + +Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander +en riep: + +"Wil ik u iets zeggen? de jonge dame..." + +"Nu wat?" hernam de vrouw, "de jonge dame?" + +Marius kon niet twijfelen, 't was inderdaad van haar, dat men +sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in +zijn ooren. + +Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw +gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid: + +"Deze is 't!" + +"Die?" hernam de vrouw. + +"Ja, zij!" herhaalde de man. + +'t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord +"die" der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering, +woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam, +door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren +voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk +vreeselijk. + +"Niet mogelijk!" riep zij; "als ik er aan denk, dat mijn dochters +blootsvoets gaan en geen kleeren aan 't lijf hebben. Hoe! een +satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer +dan tweehonderd francs aan 't lijf! zoodat men haar voor een dame zou +moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk, +deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan +het niet zijn!" + +"Ik zeg u, dat zij 't is. Ge zult zien." + +Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, +blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen +oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. 't Was +een zeug met den blik van een tijgerin. + +"Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die +mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern +zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen." + +Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar, +uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in +den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging +op en neder, zonder op zijn vrouw te letten. + +Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een +oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan. + +"Zal ik u nog eens iets zeggen?" + +"Wat?" vroeg zij. + +Kortaf en met zachte stem antwoordde hij: + +"Dat mijn fortuin gemaakt is." + +Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: +"Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?" + +Hij hernam: + +"Voor den donder! 't is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie +behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij +brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van +anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb +nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als +ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer 't mij lust; enfin, vóór +ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn." + +Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij: + +"Gelijk anderen." + +"Wat bedoelt ge?" vroeg de vrouw. + +Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een +marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil: + +"Wat ik bedoel? Luister!" + +"Stil," mompelde vrouw Jondrette, "niet zoo luid; 't zijn zaken, +die anderen niet behoeven te hooren." + +"Kom! wie zou 't hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En +bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg, +uitgegaan." + +Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch +niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige +omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het +geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen +woord ontging. + +Marius hoorde nu dit: + +"Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. 't Is zoo goed als +geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt +van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt +ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, +en 4 Februari beet heb gehad? 't is nog geen drie maanden! Hij zal +dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon +is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit +vóór elf uren t'huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet +ons helpen. Het moet gebeuren!" + +"En zoo 't niet gebeurt?" vroeg de vrouw. + +Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende: + +"Dan zullen wij 't hem wel leeren." + +Hij lachte luide. + +'t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en +flauw en deed iemand rillen. + +Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude +pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben. + +"Nu ga ik uit," zeide hij. "Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge +zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; 't zal +een mooie slag zijn; blijf gij te huis." + +Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in +nadenken staan en riep eindelijk: + +"'t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij +mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. 't +Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief +romantisch baardje!" + +En wederom lachte hij. + +Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht +was grijs. + +"'t Is een hondenweer!" zeide hij. + +Toen knoopte hij de jas dicht. + +"Ze is mij te wijd," zeide hij. "Om 't even; de oude schurk heeft wel +gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan, +en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de +gebeurtenissen?" + +Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit. + +Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur +weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning +verscheen. + +"Ik vergat iets," zeide hij. "Ge moet houtskool halen." En hij wierp +het vijffrancstuk dat de "menschenvriend" hem gegeven had in den +schoot der vrouw. + +"Houtskool?" vroeg de vrouw. + +"Ja." + +"Hoeveel maten?" + +"Twee." + +"Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed +maken." + +"Verduiveld, neen." + +"Waarom?" + +"Geef het vijffrancstuk niet geheel uit." + +"Waarom?" + +"Wijl ik iets voor mij moet koopen." + +"Wat?" + +"Iets." + +"Hoeveel hebt ge noodig?" + +"Is hier in de buurt een ijzerwinkel?" + +"In de straat Mouffetard." + +"Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij." + +"Zeg mij hoeveel ge noodig hebt." + +"Twee en een half of drie francs." + +"Er zal niet veel voor het eten overblijven." + +"Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen." + +"'t Is goed, mijn schat." + +Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde +Marius hem haastig door de gang en de trap afgaan. + +Op St. Medard sloeg het één uur. + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +TWEE ALLEEN BIDDEN NIET OP EEN AFGELEGEN PLAATS. + + +Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, +zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, +denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had +wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer +van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat +bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter, +hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En 't was +een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had. + +Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij. + +Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was +opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder +geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den +man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In +de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, +dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag +werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, +zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat +de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web +dier spinnen moest verscheurd worden. + +Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek +een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk. + +Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen +gerucht te maken. + +In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijn afgrijzen, +'t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort +van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn +een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen. + +Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar +zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een +oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke +diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren +aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik +waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht +zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, +zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, +dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen; +te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf +uren voor zich. + +Er was slechts één zaak te doen. + +Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam +zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij +blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette +voort met in het oud ijzer te rammelen. + +Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat +Petit-Banquier. + +Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men +op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij +ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de +sneeuw verdoofd. Hij wendde 't hoofd om, de straat was eenzaam, +hij zag niemand, 't was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij +duidelijk stemmen. + +Hij zag over den muur, langs welken hij ging. + +Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die +zacht spraken. + +'t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een +kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde +droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw +in de haren. + +Toen Marius 't hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden. + +De langharige stiet den andere aan en zeide: + +"Met Patron-Minette kan 't niet missen." + +"Dunkt u?" zei de gebaarde; en de langharige hernam: + +"'t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en +het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!" + +De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch +mutsje bibberend: + +"'t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken +kan voortkomen." + +"Ik zeg u dat ze niet kan mislukken," hernam de langharige. + +Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de +Gaîté gezien hadden. + +Marius zette zijn weg voort. + +Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden +dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in +verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. 't +Kon de bewuste "zaak" zijn. + +Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den +besten winkel naar een commissaris van politie. + +Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14. + +Marius ging er heen. + +Hij kocht in 't voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en +at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben. + +Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien +morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette +had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn, +en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag +van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware +geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens. + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +WAARIN EEN POLITIEAGENT TWEE PISTOLEN AAN EEN ADVOCAAT GEEFT. + + +Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de +eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken. + +"Mijnheer de commissaris is hier niet," zei een schrijver; "maar er +is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is +er haast bij?" + +"Ja," zei Marius. + +De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man +van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, +met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen +ophoudende. 't Was een vierkant gezicht, met dunne krachtige lippen, +zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om +te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij +doordringend was, maar dat hij omwoelde. + +Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan +dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf. + +"Wat wilt ge?" zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen. + +"Mijnheer de commissaris van politie?" + +"Hij is afwezend. Ik vervang hem." + +"'t Betreft een zeer geheime zaak." + +"Spreek dan." + +"Er is veel haast bij." + +"Spreek dan spoedig." + +Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en +geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde +hem de zaak.--Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, +dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;--dat hij, Marius +Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd +was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord +had--dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;--dat hij zeker +medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder +anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;--dat +de dochters van Jondrette op wacht zouden staan--dat er geen middel +bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men +zijn naam niet kende;--en eindelijk, dat dit alles 's avonds te zes +uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l'Hôpital zou worden +uitgevoerd, in het huis No. 50-52. + +Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op +en zeide koel: + +"'t Is dus in de kamer aan 't einde van de gang?" + +"Juist," zei Marius, en hij voegde erbij: "kent ge dat huis?" + +De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij +den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde: + +"Wel mogelijk." + +Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das +sprekende, bij: + +"Daar moet iets van Patron-Minette onder schuilen." + +Die naam trof Marius. + +"Patron-Minette," zeide hij. "Ik heb inderdaad dat woord hooren +noemen." + +En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den +langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur +der straat Petit-Banquier zaten. + +De inspecteur mompelde: + +"De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd +Deux-Milliards." + +Hij sloeg de oogen neder en dacht na. + +"Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas +gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer +50--52, vroeger 't huis Gorbeau." + +Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg: + +"Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?" + +"En Panchaud." + +"Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?" + +"Neen." + +"Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?" + +"Neen." + +"Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?" + +"Neen." + +"Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden +en ondergeschikten. 't Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet +gezien hebt." + +"Wie zijn al deze menschen?" vroeg Marius. + +De inspecteur antwoordde: + +"'t Is trouwens hun uur niet." + +Weder zweeg hij, waarna hij hernam: + +"No. 50--52! Ik ken dat hol.--'t Is onmogelijk ons er in te verbergen +zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het +kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek +hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten +dansen." + +Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak +in de oogen ziende: + +"Zijt ge bang?" + +"Waarvoor?" zei Marius. + +"Voor die lieden?" + +"Evenmin als voor u!" antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten, +dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd. + +De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een +soort van plechtigen nadruk: + +"Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad +niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag." + +Marius viel hem in de rede: + +"Goed, maar wat zijt ge voornemens?" + +De inspecteur antwoordde niets anders dan: + +"De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om +'s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?" + +"Ja," zei Marius. + +"Hebt ge hem bij u?" + +"Ja." + +"Geef hem mij," zei de inspecteur. + +Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, +zeggende: + +"Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede." + +De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der +academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had +voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de +wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij +Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide: + +"Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men +gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let +wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden +zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt +dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een +pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om 't even waar. Maar +vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge +zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is." + +Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas. + +"Dat veroorzaakt een bult, men kan 't zien," zei de inspecteur. "Steek +ze liever in uw broekzakken." + +Marius deed het. + +"Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen," vervolgde de +inspecteur. "Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?" + +"Om zes uur," zei Marius. + +"Ik heb den tijd," hernam de inspecteur, "maar ook niet meer dan den +tijd. Vergeet niets van 't geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot." + +"Wees gerust," antwoordde Marius. + +En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de +inspecteur hem toe: + +"Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend +iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen." + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +JONDRETTE DOET INKOOPEN. + + +Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig +door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel +sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac: + +"Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in +den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte." + +Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de +richting der barrière ging. + +"Zie," zei Bossuet, "Marius!" + +"Ik heb hem gezien," zei Courfeyrac; "spreken wij hem niet aan." + +"Waarom?" + +"Hij is ingespannen." + +"Waarmee?" + +"Ziet ge 't niet aan zijn gezicht?" + +"Wat dan?" + +"Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt." + +"'t Is waar." zei Bossuet. + +"Zie welke oogen hij zet!" hernam Courfeyrac. + +"Maar wie drommel volgt hij?" + +"Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!" + +"Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs +geen vrouw." + +Courfeyrac keek en riep: + +"Hij volgt een man!" + +Inderdaad, een man met een pet op 't hoofd, en wiens grijzen baard men +eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag, +ging een twintigtal schreden vóór Marius uit. + +Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een +leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt. + +Bossuet lachte luidkeels. + +"Wie kan de man zijn?" + +"'t Is een poëet," antwoordde Courfeyrac. "Poëten dragen gaarne +pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van +Frankrijk." + +"Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen, +zullen we?" + +"Bossuet!" riep Courfeyrac, "Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk +dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!" + +Zij keerden om. + +Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan, +en sloeg hem gade. + +Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem +gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in +een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden, +waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar +de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel, +die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond, +en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met +wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel +komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat +Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een +oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool +zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd +was, en volgde Jondrette niet. 't Was gelukkig voor hem, want bij +den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde +samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat +niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween. + +Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap +met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest +en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude +rijtuigen had. + +Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te +maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden +ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon +de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was; +Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven; +'t was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte. + +De avond was gekomen; 't was bijna geheel donker; aan den horizon en +het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan. + +Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op. + +Haastig naderde Marius het huis No. 50--52. Hij ging op de teenen naar +boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Men herinnere zich, +dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle +ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de +deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij +in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos, +en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen. + +Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte +hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het +was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de +voordeur sluiten. + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +HET LIEDJE OP EEN ENGELSCHE WIJS, IN 1832 IN DE MODE. + + +Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog +slechts een half uur scheidde hem van 't geen zou gebeuren. Hij hoorde +zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij +dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis +gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan +de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een +zekere siddering denken aan 't geen gebeuren zou. Zooals met allen het +geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast, +scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij +niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken +de koude pistolen betasten. + +Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door +de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der +gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting. + +Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van +den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam. + +Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd +voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de +Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte +was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf +hebben gewaand. + +Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed. + +Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar +hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, +en de klink der deur hard oplichten; 't was Jondrette die te huis kwam. + +Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was +in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester +stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf. + +"Ik ben 't," zeide hij. + +"Goeden avond, vadertje," riepen de meisjes. + +"Welnu?" vroeg de moeder. + +"Alles gaat goed," antwoordde Jondrette, "maar mijn voeten zijn +gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen +kunnen inboezemen." + +"Gereed om uit te gaan." + +"Zult ge niets vergeten van 't geen ik u gezegd heb; en alles +behoorlijk uitvoeren?" + +"Wees gerust." + +"'t Is..." zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet. + +Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den +beitel dien hij gekocht had. + +"Wel," hernam Jondrette, "is hier gegeten?" + +"Ja," zei de moeder, "drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur +had, heb ik ze gekookt." + +"Goed," hernam Jondrette, "morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel +en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.--Alles gaat goed." + +En met zachte stem voegde hij er bij: + +"De muizenval is open. De katten zijn er." + +En met nog zachter stem: + +"Leg dit in het vuur." + +Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in +de houtskolen woelt, en Jondrette hernam: + +"Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen." + +"Ja," antwoordde de moeder. + +"Hoe laat is het?" + +"Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen." + +"Duivels," zei Jondrette. "De meisjes moeten op de wacht. Komt hier, +kinderen; luistert." + +Er werd gefluisterd. + +Wederom verhief zich de stem van Jondrette. + +"Is vrouw Burgon uitgegaan?" + +"Ja," zei de moeder. + +"Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?" + +"Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel, +dat het nu zijn etensuur is." + +"Zijt ge er zeker van?" + +"Zeker." + +"Om 't even," hernam Jondrette, "'t kan geen kwaad te gaan zien of +hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien." + +Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder +zijn bed. + +Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten +der deur licht. + +"Va!" riep een stem, "hij is uit." + +Marius herkende de stem der oudste dochter. + +"Zijt ge binnen geweest?" vroeg de vader. + +"Neen," antwoordde de dochter; "maar hij is uit; want de sleutel is +in het slot." + +De vader riep: + +"Ga evenwel binnen." + +De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars +in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het +licht nog afschuwelijker. + +Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van +onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij 't bed een +spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief +zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in +het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar +hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, +zong zij met haar schorre grafstem: + + + Nos amours ont duré toute une semaine. + Mais que du bonheur les instants sont courts! + S'adorer huit jours, c'était bien la peine! + Le temps des amours devrait durer toujours! + Devrait durer toujours! devrait durer toujours! [8] + + +Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest +hooren ademen. + +Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, +met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide: + +"Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken." + +Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en +beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden. + +"Nu!" riep de vader, "wat doet ge toch?" + +"Ik zie onder het bed en de meubels," antwoordde zij, terwijl ze heur +haar bleef glad strijken; "er is niemand." + +"Kom hier, dadelijk," brulde de vader, "laat ons geen tijd verliezen." + +"Ik kom, ik kom," antwoordde zij. "Men heeft in hun kot den tijd +voor niets." + +Zij neuriede: + + + Vous me quittez pour aller à la gloire, + Mon triste coeur suivra partout vos pas. [9] + + +Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en +sloot de deur achter zich. + +Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van +de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep: + +"Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere +bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur +van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug, +zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen." + +De oudste dochter bromde: + +"Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen." + +"Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!" zei de vader. Zij +gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan +der voordeur, dat zij op de straat waren. + +Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, +waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de +deur der onbewoonde kamer had gezien. + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +HOE HET VIJFFRANCSTUK VAN MARIUS BESTEED WERD. + + +Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn +observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, +was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door. + +Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en +Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij +had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen +kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het +geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende +kolen in een groot ijzeren komfoor, dat onder den schoorsteen stond. De +kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door +en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in +de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend +werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen +van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik +schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat +hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams +of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek +meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien +schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid. + +De hitte van 't vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de +zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn, +die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn +geweest, stond op den schoorsteen. + +Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half +uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en +veroorzaakte geen lucht in 't vertrek. + +De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in +het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den +poëtischen geest van Marius, die zelfs op 't oogenblik der handeling +nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de +verwarde droomen der aarde. + +De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp +verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken. + +Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij +van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats +ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te +verbergen. 't Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis +op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag +gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben. + +De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, +scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het +had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren +en rasterwerk. + +Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel +te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem. + +Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, +die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend +zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij +droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkende op de hoeden der +wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl +over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar +dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met +welgevallen doen zeggen: + +"Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in +te boezemen." + +Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer +Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog +altijd het contrast aan van jas en pantalon, 't welk naar Courfeyrac's +meening het ideaal van den dichter daarstelde. + +Eensklaps zeide Jondrette luid: + +"Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als 't nu is, zal hij +zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede +naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de +deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven +gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt, +gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het +rijtuig heengaan." + +"En het geld?" vroeg de vrouw. + +Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk. + +"Wat is dat?" riep zij verwonderd. + +Jondrette antwoordde deftig: + +"'t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft." + +Na eene poos hernam hij: + +"Er zijn twee stoelen noodig." + +"Waarom?" + +"Om op te zitten." + +Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw +Jondrette koel hoorde antwoorden: + +"Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen." + +Haastig opende zij de deur en trad in de gang. + +Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed +te gaan en er zich onder te verbergen. + +"Neem de kaars," riep Jondrette. + +"Neen," zeide zij, "dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen +dragen. De maan schijnt." + +Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis +naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en +ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats. + +Vrouw Jondrette trad binnen. + +Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote +vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen +Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was. + +Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius +bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande. + +"Hier zijn de twee stoelen," zeide zij, de kamer binnentredende. + +"En daar hebt ge de lantaarn," zei de man. "Ga nu spoedig naar +beneden." + +Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen. + +Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den +beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud +vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de +hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte +Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een +touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen. + +Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, +die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends +niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius +afwezig was, gebracht. + +'t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius. + +Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten +hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten +waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; +beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn. + +De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht +tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer +alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of +den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg +de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende +stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren. + +Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in +gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken +van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de +wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op +de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij +een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij +driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er +in had geborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen +legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof. + +Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was, +te voorschijn, en spande den haan. + +Dit veroorzaakte een licht knappend geluid. + +Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op. + +"Wat is dat?" riep hij. + +Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon +toen te lachen en zeide: + +"Hoe dom? 't Is de wand die kraakt." + +Marius hield het pistool steeds in zijn hand. + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +DE TWEE STOELEN VAN MARIUS STAAN TEGENOVER ELKANDER. + + +Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten +trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren. + +Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden +slag snoot hij de kaars met zijn vingers. + +Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde +weder. + +"Als hij maar komt!" bromde hij binnensmonds. + +Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten +toen de deur geopend werd. + +Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht, +'t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen, +in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende. + +"Kom binnen, mijnheer," zeide zij. + +"Kom binnen, mijn weldoener," herhaalde Jondrette, haastig opstaande. + +De heer Leblanc verscheen. + +Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, 't geen hem +een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende. + +Hij legde vier Louisd'ors op de tafel. + +"Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou," +sprak hij. "Vervolgens zullen wij zien." + +"God beloone 't u, mijn edele weldoener," zei Jondrette. Daarop +haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in: + +"Zend de huurkoets weg!" + +Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblanc met +beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later +kwam zij terug en fluisterde hem in 't oor: + +"'t Is geschied." + +De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men +de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde +wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats +genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet. + +Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet +de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame +omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in 't maanlicht +als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns, +die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen +zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op +straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste +stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van +Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen +aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend +en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius +onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord, +geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand. + +Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, +maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de +hand gedrukt en gevoelde zich gerust.--Ik zal dien ellendeling kunnen +tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij. + +Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag +was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit +te steken. + +Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette +en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij +wenschte te weten. + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN DONKERE ACHTERGROND. + + +Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige +kribben. + +"Hoe gaat het met de kleine gewonde?" vroeg hij. + +"Slecht," antwoordde Jondrette treurig, met verplichtenden glimlach, +"zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan +om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij +terugkomen." + +"Uw vrouw schijnt beter te zijn?" hernam mijnheer Leblanc, een blik +op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen +hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in +een dreigende houding aanziende. + +"Zij is doodziek," zei Jondrette. "Maar wat zal men zeggen, +mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. 't Is geen +vrouw, 't is een os." + +Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de +liefelijkheid van een gevleid monster: + +"Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!" + +"Jondrette," zei de heer Leblanc, "ik meende dat uw naam Fabantou was?" + +"Fabantou, genaamd Jondrette!" hernam de man schielijk. "Een +acteurs-bijnaam." En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien +de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke +ophemeling: + +"O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme +lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn +zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen +arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de +regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, +ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar +niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, 't zou, zoo +waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het +doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een +beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een +vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets +overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een +schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch +zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!" + +Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit +iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg +Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand, +dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen, +dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil +gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon +van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals, +bloote getatoueerde armen, terwijl zijn gezicht was zwart gemaakt. Hij +had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats +genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts +onduidelijk zien. + +Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, +veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius +omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, 't welk +Jondrette opmerkte. + +"Ha, ik zie!" riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn +jas dichtknoopende, "gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar, +hij zit mij goed!" + +"Wie is die man?" vroeg de heer Leblanc. + +"Hij?" hernam Jondrette. "Een buurman, laat hij u niet hinderen." + +De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint +Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in +die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele +voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst +vertrouwen te kennen. Hij hernam: + +"Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?" + +"Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer," hernam Jondrette, +de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke, +teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, "ik zeide u, +dat ik een schilderij te koop had." + +Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon +trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals +de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor +'t gezicht. + +Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer +Leblanc hem evenwel opgemerkt. + +"Sla er geen acht op," zei Jondrette. "'t Zijn lieden van het huis. Ik +zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie +hier, mijnheer, zie." + +Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij +gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij 't echter tegen +den muur liet staan. 't Was werkelijk iets dat een schilderij geleek +en door de kaars min of meer in het licht kwam. Marius kon er niets +van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond; +hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk, +met harde kleuren als van een uithangbord. + +"Wat is dat?" vroeg de heer Leblanc. + +Jondrette sprak met ophef: + +"Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er +niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters; het wekt dierbare +herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet +intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen..." + +Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van +ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de +schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier +mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande; +alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte +gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met +gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk +aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen +jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner +droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets. + +Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen +was gericht. + +"'t Zijn vrienden, buren," zeide hij. "Zij zijn zwart, wijl zij met +kolen omgaan. 't Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener, +maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik +zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?" + +"Wel," zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande, +als iemand die op zijn hoede is; "'t is een uithangbord van een of +andere herberg, dat misschien drie francs waard is." + +Jondrette antwoordde heel bedaard: + +"Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden +stellen." + +De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een +snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde +bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn +rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en +schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden +toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, +dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, +van ellende krankzinnig was geworden. + +"Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener," zei Jondrette, +"zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te +springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor +heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op +den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een +pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij +voor hout, papier of stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden +van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen +te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles +om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder +doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier +bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u, +vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!" + +Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem +gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van +dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in +'t oog. + +Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen: + +"Is hij krankzinnig?" Jondrette herhaalde twee of drie keeren in +allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: "Mij blijft niets over +dan in 't water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van +Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!" + +Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine +man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer +Leblanc en riep hem met donderende stem toe: + +"Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?" + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE HINDERLAAG. + + +De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen +in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te +voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen +knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van +den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen, +in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager +dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer +grooten sleutel als die eener gevangenisdeur. + +Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig +gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere. + +"Is alles gereed?" vroeg Jondrette. + +"Ja," antwoordde de magere man. + +"Waar is Montparnasse?" + +"Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken." + +"Welke?" + +"De oudste." + +"Is er een huurkoets beneden?" + +"Ja." + +"Is het rijtuig ingespannen?" + +"Ingespannen." + +"Met twee goede paarden?" + +"Beste." + +"Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?" + +"Ja." + +"Goed," zei Jondrette. + +De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het +vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is; +zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden +wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets +aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van +verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen +had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar +geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug +van den stoel. + +Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar, +scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid +is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet +onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende. + +Drie der mannen welke Jondrette "stokers" had genoemd, hadden uit +den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang, +de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor +de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts +de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hem nedergezet. + +Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten +komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang, +gereed om zijn pistool te lossen. + +Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich +weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen, +onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was: + +"Gij herkent mij dus niet?" + +De heer Leblanc zag hem in 't gezicht en antwoordde: + +"Neen." + +Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste +armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde +gezicht van den heer Leblanc, en naderde hem zoo dicht mogelijk, +zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van +een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij: + +"Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik +ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent +ge mij nu?" + +Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer +Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich +verhief, en met zijn gewone bedaardheid: + +"Evenmin!" + +Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in +de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en +verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide: +"Ik heet Thénardier," had Marius door al zijn leden gebeefd en +zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een +degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot +te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald: +"Hoort ge wel, Thénardier?" liet Marius het pistool schier uit zijn +bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was, +had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de +grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer +Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat +deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns +vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste +zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling: +"Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem +ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is." Men +herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp +zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier +van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk +had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een +bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren, +was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt +een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm +zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk +een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader +beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen; +sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening +van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door +de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten, +roept het lot hem toe: 't Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan +dezen man het leven zijns vaders, dat te midden van het schrootvuur +op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het +betalen met--het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien +Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij +hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader +zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige +stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het +schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques, +van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en +welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius, +aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo +lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven, +op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het +tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen +aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer +veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling +dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren +gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij +huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield +hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen +bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en +Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc +geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in 't ongeluk +storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te +doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigste +verbintenissen met zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten +plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns +vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant +scheen hij "zijn Ursula" hem voor haar vader te hooren bidden, aan +den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde +zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet +te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor +zijn oogen had. 't Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had +gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen. + +Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders +noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij +van verwarring en zegepraal. + +Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen +slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den +muur spatte. + +Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed: + +"In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden, +mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer +de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge +niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest, +in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij +medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een +pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij +kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! 't schijnt, dat het zijn liefhebberij +is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude +menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft +ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij +niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw +neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of 't altijd even aardig +is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel +dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch, +wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den +edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en +hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later, +wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee +ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!" + +Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het +was alsof zijn toorn, gelijk de Rhône, in een hol viel; toen, als +voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist +op de tafel en riep: + +"Met zijn goedhartig voorkomen!" + +En tot den heer Leblanc het woord richtende: + +"Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld +van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een +meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke +lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van 't +welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen +bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die +afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O, +ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft, +in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om 't +even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de +leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij +waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij +zijt kapot, goede man. Ik lach, ja, waarachtig, ik lach! Hij is +heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik +Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld, +dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft +zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari +vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken +met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad +om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij +heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb +u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik +u het hart uit het lijf!" + +Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als +een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een +zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen +wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg, +die den voet op 't hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een +jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om +zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden. + +De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg: + +"Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man, +en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor +een ander aan." + +"Ha," krijschte Thénardier; "gij wilt nog verder met mij +schertsen! Maar, 't is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet +gij niet wie ik ben?" + +"Verschoon mij, mijnheer," antwoordde de heer Leblanc op een beleefden +toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; "ik zie, +dat ge een bandiet zijt." + +Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige +plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord "bandiet", +sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel, +als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen. + +"Verroer u niet!" riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc +zeide hij: + +"Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja, +'t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood, +geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten, +ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van +Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont +op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels, +asperges, die in de maand Januari veertig francs de bos kosten; +ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of 't koud is, +kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn +zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l'Horloge +te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed +in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen: +Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons +bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet, +mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man, +een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien +niet, gij!" + +Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden +en voegde er wrokkend bij: + +"Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper +ben." + +Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc: + +"Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben, +ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de +huizen haalt. Ik ben een oud Fransch soldaat, ik moest gedecoreerd +zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal, +graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die +David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij +stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik +houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur +heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor +mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin, +met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol +getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En, +nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een +einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld, +of ik verdelg u, voor den d.....!" + +Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De +laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. 't Was wel degelijk +de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van +ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, 't welk hij op 't punt was +zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor +toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon, +in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in +deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in +dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed en nietigheid, +van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en +valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die +zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming +van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat--iets afschuwelijks +als het kwade, iets treffends als de waarheid. + +Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer +Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed +hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men +zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van +zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven. + +Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd, +kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij +werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man +die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy; +de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze +schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; 't was niet meer +het uithangbord der kroeg van Montfermeil, 't was een verrijzenis; +een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn +polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn +bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem, +en 't was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde. + +Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn +bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf: + +"Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?" + +De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in +de gang deze gruwzame spotternij: + +"Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!" + +'t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn. + +Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht +met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van +tanden liet zien. + +'t Was het gezicht van den man met de bijl. + +"Waarom hebt ge uw masker afgedaan?" riep Thénardier toornig. + +"Om te lachen," antwoordde de man. + +Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen +van Thénardier in 't oog te houden en te volgen, die, door zijn woede +verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het +volle vertrouwen dat de deur goed bewaakt werd, in het bewustzijn dat +hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren, +zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen +Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar +den heer Leblanc gekeerd. + +Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel, +met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare +vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om +te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit +te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen +zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. 't +Waren de drie "stokers", die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd +had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen. + +Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de +gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en +naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand. + +Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd +beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud, +bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd +van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf, +aan beide einden met een looden kogel. + +Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.--"Vergeef mij, +mijn vader!" dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn +pistool. Hij was op 't punt om 't over te halen, toen Thénardier riep: + +"Doe hem geen leed!" + +Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats +van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht. + +In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe +had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte, +lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen +deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de +listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand. + +"Doe hem geen leed!" herhaalde hij, en zonder het te vermoeden, +had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn +pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te +zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog +te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet 't een of ander gebeurt, +dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te +doen omkomen, òf den redder van den kolonel in 't verderf te storten? + +Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de +heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met +twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder +een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder +een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard +bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen +"stokers" steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen +en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend, +en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende +af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar +onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn +onder een troep huilende doggen en jachthonden. + +'t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te +krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn +haar niet losgelaten. + +"Bemoei gij er u niet meê," riep Thénardier. "Ge zult uw kleeren +beschadigen." + +Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf +gehoorzaamt. + +"Onderzoekt hem nu," beval Thénardier aan de overigen. + +De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men +doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, +waarin zes francs, en zijn zakdoek. + +Thénardier stak den zakdoek bij zich. + +"Hoe, geen portefeuille?" vroeg hij. + +"Noch horloge," antwoordde een der "stokers." + +"Om 't even," zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde +man met den grooten sleutel, "de oude is sterk." + +Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw, +dien hij hun toewierp. + +"Bindt hem aan den voet van de krib," zeide hij en, den oude ziende, +die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen, +was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij: + +"Is Boulatruelle dood?" + +"Neen," antwoordde Bigrenaille, "hij is dronken." + +"Veeg hem in een hoek," zei Thénardier. + +Twee "stokers" stieten den dronkaard met den voet naar den hoop +oud ijzer. + +"Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?" zei Thénardier zacht +tot den man met den knuppel, "dit was niet noodig." + +"Wat zal ik zeggen?" antwoordde de man met den knuppel; "zij wilden +er allen bij zijn. 't Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen." + +De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit +een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer +Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl +hij stond, met de voeten aan 't hoofdeneind der krib, die het verst +van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was. + +Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette +zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet +meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot +bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks +in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den +dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing +aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping, +en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur +zag veranderen. + +"Mijnheer..." zei Thénardier. + +En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc +nog vasthielden: + +"Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken." + +Allen traden naar de deur terug. Hij hernam: + +"Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij +hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens +bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die +ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt." + +Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan +Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks +eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in +zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het +diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam: + +"Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, +zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden +soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben +genomen. 't Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, +wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men +zou 't u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben +gestopt. Ik zal u zeggen waarom. 't Is omdat niets uit deze kamer kan +gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; 't is er echter +een! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten, +zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte, +dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon +als de donder. 't Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt +niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u +zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie, +en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd, +en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en +justitie in aanraking te komen. En wel--zooals ik reeds sinds lang +vermoedde--omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij, +van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus." + +Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den +heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in +het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens +was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, +zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die +zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester +had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze +voorzorg, die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de +waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur +geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had, +wij moeten 't bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor +Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk. + +De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog +dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac +den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn +mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te +zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder +hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van +Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik +zijn verheven treurig gezicht te bewonderen. + +'t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die +niet wist wat vertwijfeling was. 't Was een derzulken, die zelfs de +verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot +het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen, +hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water +zijn verschrikte oogen opent. + +Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam +het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo +het komfoor met gloeiende kolen, waarin de gevangene duidelijk den +wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes +gespikkeld was. + +Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc. + +"Ik herhaal," zeide hij, "wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze +zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te +maken, ik weet niet wat mij in het hoofd kwam; ik ben te ver gegaan; ik +heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide +ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit +was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; +ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, +ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden +die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het +uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een +opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs." + +De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort: + +"Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van +uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan 't geld gehecht zijt, +en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs +aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.--Gij zijt zeker ook een +verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden +al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht +zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren +kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas +wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt +er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u, +dat alles is afgedaan en gij 't minst niet meer te vreezen hebt. Ge +zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O, +dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts +de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen." + +Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een +glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande: + +"Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt +kunnen schrijven, niet aanneem." + +Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier +schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen +en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin +het lange mes glinsterde. + +Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc. + +"Schrijf!" zeide hij. + +Eindelijk sprak de gevangene: + +"Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden." + +"'t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk," zei Thénardier; en zich tot +Bigrenaille wendende: + +"Maak den rechterarm van Mijnheer los." + +Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers +bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier +de pen in den inkt en reikte ze hem. + +"Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan +ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden +en 't ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot +onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw +woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult +blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd +is. Wees nu zoo goed te schrijven." + +"Wat?" vroeg de gevangene. + +"Ik zal 't u voorzeggen." + +De heer Leblanc nam de pen. + +Thénardier begon te dicteeren. + +"Lieve dochter..." + +De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier. + +"Schrijf: "lieve dochter," hernam Thénardier. De heer Leblanc +gehoorzaamde. Thénardier ging voort: + +"Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit +briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik +wacht u. Kom onbevreesd." + +De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam: + +"Wacht! schrap "kom onbevreesd" uit; 't zou kunnen doen vermoeden +dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen." + +De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit. + +"Zet nu uw naam," zeide Thénardier; "hoe heet ge?" + +De gevangene legde de pen neder en vroeg: + +"Voor wie is deze brief?" + +"Ge weet het immers," antwoordde Thénardier, "voor het meisje. Ik heb +'t u straks gezegd." + +Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van 't +welk spraak was. Hij zeide "de leeuwerik"--"het meisje", maar noemde +geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen +het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele +"zaak" overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten. + +Hij hernam: + +"Teeken. Hoe heet ge?" + +"Urbain Fabre," zei de gevangene. + +Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en +haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk +op en trad dicht bij de kaars. "U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu, +teeken U. F." + +De gevangene onderteekende. + +"Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen, +zal ik hem dichtvouwen." + +Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier: + +"Schrijf het adres. "Mejuffrouw Fabre" te uwen huize. Ik weet dat ge +niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacques du Haut-Pas, +wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke +straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam +niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats +doen. Schrijf dus." + +De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef: + +"Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat +St. Dominique d'Enfer No. 17." + +Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking. + +"Vrouw!" riep hij. + +Vrouw Thénardier kwam toeloopen. + +"Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets +wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug." + +"Gij," voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, "daar gij +uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het +rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?" + +"Ja," zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij +vrouw Thénardier. + +Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half +geopende deur en riep in de gang: + +"Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd +duizend francs bij u hebt." + +Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem: + +"Wees gerust; ik heb hem goed geborgen." + +Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener +zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf. + +"Goed," mompelde Thénardier. "Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn +vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn." + +Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer, +met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten +uit naar het komfoor. + +"Ik heb koude voeten," zeide hij. + +Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangene slechts nog vijf +bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte +gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden +zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad +pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten, +bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem +van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en +zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel +zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat +eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte. + +De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle +ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke +hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering. + +Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man, +die sliep. + +Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het +raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit "meisje" dat +Thénardier ook de "leeuwerik" had genoemd? Was het "zijn Ursula?" Den +gevangene scheen dat woord "de leeuwerik" niet getroffen te hebben +en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: "Ik +weet niet wat ge meent." Van den anderen kant waren de twee letters +U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, en Ursula heette niet +meer Ursula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort +van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij +dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks +in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de +afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij +wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om 't even wat, want hij kon +tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen. + +"In allen geval," zeide hij bij zich zelven, "zoo zij de Leeuwerik is +zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan +zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo 't zijn moet, mijn bloed en +leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden." + +Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere +gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel +meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht +van den kant des gevangenen op te merken. + +Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene: + +"Luister, mijnheer Fabre, 't is even goed, dat ik 't u dadelijk zegge." + +Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te +zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde: + +"Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik +geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het +heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn +vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich +fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter +haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets +plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der +barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men +uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar +plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug, +om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden, +het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is, +en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven, +krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn +kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen." + +De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier: + +"Ge ziet, 't is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren, +zoo ge 't zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u, +opdat ge weet waaraan u te houden." + +Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam: + +"Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg, +zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge +ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben." + +Afgrijselijke beelden verrezen in Marius' geest. + +Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters +zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?... + +En zoo zij het ware! En 't was duidelijk dat zij het was! Marius +voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool +lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar +de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten +alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij +de bloedige beteekenis begreep: "Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, +weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet." + +Nu was 't niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield, +maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde, +verkeerde. + +Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, +veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de +pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden, maar vond +ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de +noodlottige stilte van het roovershol. + +Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten. + +De gevangene bewoog zich in zijn banden. + +"Daar is mijn vrouw terug," zei Thénardier. + +Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood, +blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar +beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep: + +"Een valsch adres!" + +De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam +weder zijn bijl. + +"Een valsch adres?" herhaalde Thénardier. + +Zij hernam: + +"Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain +Fabre! Men kent er niemand van dien naam." + +Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze: + +"Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te +goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt, +en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem +wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en +waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk +te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer +zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop +naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en +alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, +een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet." + +Marius ademde ruimer. Zij, Ursula of de Leeuwerik, hij wist niet meer +hoe haar te noemen, was gered. + +Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier +zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet, +schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik +naar het komfoor. + +Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den +gevangene: + +"Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?" + +"Tijd te winnen!" riep de gevangene met heldere, forsche stem. + +En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De +gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden. + +Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op +hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen, stak de hand +naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier, +zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden +hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene +vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, +die een heilloozen gloed wierp. + +Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis +Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een +doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd +gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een +staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno's +weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten +dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen +ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen +eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der +dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina's, +evenals er in de taal Villon's zijn. De rampzalige, die naar zijn +vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een +koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen +zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen +te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. 't Is dan een +doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer +wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven +kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts +een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. 't Was zulk een +koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee +stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een +klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. 't +Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, +hij dat koperstuk, 't welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en +het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het +zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden +was; 't geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen, +welke Marius had opgemerkt, verklaart. + +Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had +hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden. + +De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld. + +"Wees gerust," zei Bigrenaille tot Thénardier, "hij is nog aan een +been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien +poot gebonden." + +Nu sprak de gevangene: + +"Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het +zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken, +doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil..." + +Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij: + +"Zietdaar!" + +Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den +gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand +hield. + +Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht +verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs +de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, +en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, +richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, +waarin de smart zich in kalme majesteit oploste. + +Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der +zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op +'t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de +kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden. + +"Ellendigen," zeide hij, "hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees +voor u heb!" + +En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene +venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht, +om op een afstand in de sneeuw uit te dooven. + +De gevangene hernam: + +"Doet met mij wat ge wilt." + +Hij was weerloos. + +"Vat hem!" zei Thénardier. + +Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met +de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij +de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen. + +Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand +om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak: + +"Er blijft nog maar één ding te doen over." + +"Hem koud te maken." + +"Ja." + +'t Waren de man en de vrouw die raadpleegden. + +Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het +mes uit. + +Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste +vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn +binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest +eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp +moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort, +die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt +een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming +te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd +intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden; +op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten, +met het mes in de hand. + +Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel +der wanhoop. + +Eensklaps ontroerde hij. + +Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder +verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel, +dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote +letters geschreven: + +de dienders komen. + +Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius' geest; dit was het +middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, 't +welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij +boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte +zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier, +en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol. + +'t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten +schroom overwonnen, en naderde den gevangene. + +"Er valt iets," riep vrouw Thénardier. + +"Wat is 't?" zei de man. + +De vrouw was toegesneld, en had het in 't papier gewikkelde stuk kalk +opgeraapt. Zij gaf het haar man. + +"Waar is dit vandaan gekomen?" vroeg Thénardier. + +"Waar zou 't anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster," +zei de vrouw. + +"Ik heb 't zien vallen," zei Bigrenaille. + +Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht. + +"'t Is Epopine's schrift. Duivels!" + +Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op +het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende: + +"Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge +in de val achterblijven." + +"Zonder den kerel den hals af te snijden?" vroeg vrouw Thénardier. + +"Wij hebben geen tijd." + +"Waarheen?" vroeg Bigrenaille. + +"Door het venster," antwoordde Thénardier. "Dewijl Ponine den steen +door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet +omsingeld." + +De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten +sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot +driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot +den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten +hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig +met de twee ijzeren haken aan 't kozijn gehecht. + +De gevangene sloeg geen acht op 't geen gebeurde. Hij scheen te denken +of te bidden. + +Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier: + +"Kom, vrouw!" + +En hij ijlde naar het raam. + +Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij +den kraag. + +"Neen, neen, oude snaak! na ons!" + +"Na ons!" brulden de bandieten. + +"Ge zijt kinderachtig," zei Thénardier, "wij verliezen tijd. De +dienders zijn ons op de hielen." + +"Nu," zei een der bandieten, "laat er ons om trekken, wie 't eerst +zal gaan." + +Maar Thénardier riep: + +"Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd +verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op +papiertjes schrijven en ze in een pet schudden...." + +"Wilt ge mijn hoed?" riep een stem op den drempel. + +Allen zagen om. 't Was Javert! + +Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe. + + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +MEN MOET ALTIJD EERST DE OFFERS VATTEN. + + +Javert had, zoodra het donker werd, agenten op de loer gesteld en zelf +zich achter de boomen der straat de la Barrière der Gobelins tegenover +het huis Gorbeau en den boulevard verscholen. Hij was begonnen met de +twee meisjes te willen inpakken, die gelast waren de toegangen van +het huis te bewaken. Doch hij had alleen Azelme gevat. Eponine was +niet meer op haar post, maar verdwenen, en hij had haar niet kunnen +vangen. Toen had Javert gewacht naar het afgesproken teeken. Het heen +en weder rijden van het huurrijtuig had hem in niet geringe onrust +gebracht. Eindelijk was hij ongeduldig geworden, en in de overtuiging +dat hier een nest was, en zeker dat er een vangst was te doen, wijl +hij verscheidene bandieten had herkend, die waren binnengegaan, +besloot hij ten laatste ook binnen te gaan, zonder langer op het +pistoolschot te wachten. + +Men weet, dat hij den huissleutel van Marius had. Hij was te juister +ure gekomen. + +De verschrikte bandieten wierpen zich op de wapens, welke zij in alle +hoeken hadden geworpen, toen zij wilden vluchten. In minder dan een +seconde tijds groepeerden zich deze zeven afschuwelijke lieden in +een verdedigende houding, de eene met zijn bijl, de andere met zijn +sleutel, de derde met den knuppel, de anderen met staven, tangen +en hamers; Thénardier met het mes in de hand. Vrouw Thénardier nam +een grooten straatsteen, die in een hoek lag en haar dochters tot +zitbankje diende. + +Javert zette den hoed weder op, deed een paar schreden in de kamer, +met de armen over elkander, den stok onder den arm, den degen in +de scheede. + +"Halt!" riep hij. "Gij zult niet door het venster, maar door de deur +gaan; dit is niet zoo gevaarlijk. Gij zijt zeven man sterk, wij zijn +met ons vijftienen. Laat ons dus niet als straatjongens vechten. Houdt +uw fatsoen." + +Bigrenaille nam een pistool, dat hij onder zijn kiel droeg, en gaf +het Thénardier, dezen in 't oor fluisterend: "'t Is Javert. Ik durf +op dien man niet te schieten. Durft gij?" + +"Waarom niet?" antwoordde Thénardier. + +"Schiet dan!" + +Thénardier nam het pistool, en legde op Javert aan. + +Javert, die drie schreden van hem stond, aanschouwde hem strak en +zeide niets anders dan: + +"Schiet niet; het pistool zal ketsen." + +Thénardier drukte af. Het pistool weigerde. + +"Heb ik 't niet gezegd!" riep Javert. + +Bigrenaille wierp zijn knots Javert voor de voeten, en zeide: + +"Gij zijt de keizer der duivels! ik geef mij over." + +"En gij?" vroeg Javert de andere bandieten. + +Zij antwoordden: + +"Wij ook." + +Javert hernam bedaard: + +"Zoo is 't goed, ik heb u immers gezegd, dat ge uw fatsoen moest +houden." + +"Slechts één verzoek," hernam Bigrenaille; "dat men mij tabak geve, +zoo lang ik opgesloten ben." + +"Toegestaan," zei Javert. + +En zich omkeerende, riep hij: + +"Komt nu binnen!" + +Verscheiden stadssergeanten, met den degen in de vuist, en +politieagenten, met knuppels en stokken gewapend, stormden toe op +Javerts geroep. Men knevelde de bandieten. Deze troep menschen, +ternauwernood door een kaars beschenen, vervulden het hol met +duisternis. + +"Allen de duimschroeven aangelegd!" riep Javert. + +"Nadert als ge durft," riep een stem, die geen mannenstem scheen, +doch welke niemand voor een vrouwenstem zou erkend hebben. Vrouw +Thénardier had zich in een hoek bij het venster verschanst en deze +woorden uitgebraakt. + +De stadssergeanten en politieagenten traden achteruit. + +Zij had haar shawl afgeworpen, maar haar hoed opgehouden; haar man, +achter haar gehurkt, was schier onzichtbaar onder den gevallen shawl, +en zij dekte hem met haar lichaam, terwijl zij met beide handen den +straatsteen boven haar hoofd hief, als een reuzin die een rotsklomp +wil slingeren. + +"Neemt u in acht!" riep zij. + +Allen deinsden naar de gang. Een groote ruimte ontstond in 't midden +van 't vertrek. + +Vrouw Thénardier sloeg een blik op de bandieten, die zich hadden +laten binden, en mompelde met schorre, barsche stem: + +"Lafaards!" + +Javert trad glimlachend in de ledige ruimte, die vrouw Thénardier +met bliksemende oogen beheerschte. + +"Nader niet, ga!" riep zij, "of ik verpletter u!" + +"Een grenadier!" riep Javert; "ge hebt een baard als een man, wijfje, +maar ik heb nagels als een vrouw." + +Hij naderde haar dichter. + +Vrouw Thénardier, die schrikkelijk was om te zien, met haar woest +vliegend haar, zette de beenen van elkander, boog zich achterover en +wierp uit alle macht de straatkei naar Javerts hoofd. Javert bukte, +de steen vloog over hem, tegen den muur, waarvan brokken kalk vielen, +en rolde achter de voeten van Javert. + +Ter zelfder tijd naderde Javert het echtpaar Thénardier. Hij legde +een zijner forsche vuisten op den schouder der vrouw, en de andere +op het hoofd van den man. + +"De duimschroeven!" riep hij. + +De politieagenten kwamen toeschieten, en in weinige seconden was +Javerts bevel volbracht. + +Vrouw Thénardier was als verpletterd, zij zag haar handen en die van +haar man gekneveld, zonk op den grond en riep weenend: + +"Mijn dochters!" + +"Zij zijn in zekerheid," zei Javert. + +Ondertusschen hadden de politieagenten den slapenden dronkaard achter +de deur gevonden en schudden hem. Hij werd wakker en stamelde: + +"Is 't gedaan, Jondrette?" + +"Ja," antwoordde Javert. + +De zes bandieten stonden gekneveld; zij hadden overigens nog hun +spookachtig voorkomen; drie met zwartgemaakte gezichten, drie +gemaskerd. + +"Houdt uw maskers," zei Javert. + +Hij monsterde ze toen met een blik als dien van Frederik II op de +parade van Potsdam, en zeide tot de drie "stokers": + +"Goeden dag, Bigrenaille! Goeden dag, Brujon! Goeden dag, +Deux-Milliards!" + +En zich toen tot de drie gemaskerden wendende, zeide hij tot den man +met de bijl: + +"Goeden dag, Gueulemer!" + +Tot den man met den knuppel: + +"Goeden dag, Babet!" + +En tot den buikspreker: + +"Wees gegroet, Claquesous!" + +In hetzelfde oogenblik ontdekte hij den gevangene der bandieten, +die sedert de komst der politieagenten geen woord had gesproken en +zijn hoofd gebogen hield. + +"Maakt mijnheer los!" zei Javert, "en dat niemand de kamer verlate!" + +Dit gezegd hebbende ging hij met waardigheid aan de tafel zitten, +waarop nog de kaars en de inktpot stonden, nam een gezegeld papier +uit zijn zak en begon zijn proces-verbaal. + +Toen hij eenige regels geschreven had, behelzende de gewone formules, +sloeg hij de oogen op, zeggende: + +"Laat de heer naderen, dien deze heeren gebonden hadden." + +De agenten zagen naar hem om. + +"Nu," vroeg Javert, "waar is hij?" + +De gevangene der bandieten, de heer Leblanc, de heer Urbain Fabre, +de vader van Ursula of de Leeuwerik, was verdwenen. + +De deur was bewaakt, maar het venster niet. Zoodra hij los was en +terwijl Javert het proces-verbaal schreef, had hij van de verwarring, +het gewoel, het gedrang, de duisternis en van een oogenblik dat men +niet op hem lette, gebruik gemaakt om door het venster te ontvluchten. + +Een agent ijlde naar het raam en zag er uit. Hij zag niemand. + +De touwladder slingerde nog. + +"Verduiveld!" zei Javert binnensmonds, "dit moest de beste van de +vangst zijn!" + + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE KLEINE DIE IN HET TWEEDE DEEL SCHREEUWDE. + + +Den dag, nadat deze gebeurtenissen in het huis op den boulevard de +l'Hopital waren voorgevallen, ging een knaap, die van de brug van +Austerlitz scheen te komen, langs het rechter voetpad naar de barrière +van Fontainebleau. 't Was een donkere avond. + +Deze knaap was bleek, mager, in lompen gekleed, met een linnen broek, +hoewel 't Februari was, en zong luidkeels. + +Om den hoek der straat Petit-Banquier stond een oude vrouw bij een hoop +vuilnis gebogen, waarin zij bij het licht der straatlantaarn zocht. De +knaap stiet haar in het voorbijgaan, trad toen achteruit en riep: + +"Kijk, ik dacht dat 't een groote hond was!" + +Hij herhaalde op spottenden en gerekten toon het woord, alsof men +schrijven zou "groote hond." + +De vrouw richtte zich verwoed op. + +"Leelijke bengel!" bromde zij. "Zoo ik niet gebukt had gestaan, +zou ik u een schop voor uw .... gegeven hebben." + +De knaap was reeds op behoorlijken afstand. + +"Ksch! ksch! Nu zie ik dat ik mij niet vergist heb!" tergde hij. + +De oude vrouw, van woede stikkend, richtte zich geheel op, en het roode +licht der lantaarn bescheen haar bleek, hoekig, gerimpeld gelaat. Men +zag niets dan haar hoofd, daar 't overige van haar lichaam in de +schaduw was gehuld. Zij geleek het beeld der afgeleefdheid, door een +lichtstraal in den nacht beschenen. De knaap keek haar aan. + +"Mevrouw bezit de soort van schoonheid niet die mij zou +behagen!" schimpte hij. + +Toen zette hij zijn weg voort, zingende: + + + Le roi Coupdesabot + S'en allait à la chasse, + A la chasse aux corbeaux... + + +Na deze drie regels zweeg hij. Hij bevond zich voor het huis No. 50-52, +en de deur gesloten vindende begon hij er met zulk een geweld tegen +te schoppen en te trappen, dat het gerucht veelmeer de mansschoenen +die hij droeg dan de kindervoeten die hij had, deed uitkomen. + +Intusschen was de oude vrouw, welke hij aan den hoek der straat +Petit-Banquier had ontmoet, hem nageloopen en schreeuwde en dreigde +hem. + +"Wat is dat? wat is dat?" riep zij. "Heer, mijn God! men trapt de +deur in; men vernielt het huis!" + +De knaap ging voort met tegen de deur te trappen. + +De oude vrouw riep buiten adem: + +"Gaat men tegenwoordig zoo met de huizen om!" + +Eensklaps hield zij stil. Zij had den straatjongen herkend. + +"Hoe! is 't deze duivel?" + +"Ha! 't is de oude!" zei de knaap. "Dag, moeder Burgon! Ik kom mijn +oudelui bezoeken." + +De oude vrouw antwoordde, met een gezicht dat haat, ouderdom en +leelijkheid uitdrukte, 't geen helaas echter in de duisternis +verloren ging: + +"Er is niemand in huis, kwâjongen." + +"Zoo!" hernam de knaap, "waar is dan mijn vader?" + +"In de gevangenis." + +"Zoo! en mijn moeder?" + +"In de gevangenis." + +"Zoo, en mijn zusters?" + +"In de gevangenis." + +De knaap krabde zich achter het oor, zag vrouw Burgon aan en zeide +eenvoudig: "Zoo!" + +Toen draaide hij zich op de hielen om, en een oogenblik later hoorde +de oude vrouw, die hem aan de deur nazag, hem met heldere, jeugdige +stem zingen, terwijl hij onder de donkere boomen, die in den nachtwind +floten, verdween: + + + Le roi Coupdesabot + S'en allait à la chasse, + A la chasse aux corbeaux, + Monté sur des échasses. + Quand on passait dessous, + On lui payait deux sous. + + + + EINDE VAN HET DERDE DEEL. + + + + + + + +INHOUD. + + +Boek I. + +Parijs in zijn atomen bestudeerd. + + Bladz. + I. Parvulus 7 + II. Eenige zijner bijzondere kenteekenen 8 + III. Hij is behagelijk 9 + IV. Hij kan nuttig zijn 10 + V. Zijn grenzen 11 + VI. Een weinig geschiedenis 12 + VII. De straatjongen vindt zijn plaats in de klassificatie + der Indiën 14 + VIII. Een vriendelijk woord van den laatsten koning 16 + IX. De oude geest van Gallië 17 + X. Ecce Paris, ecce Homo 18 + XI. Schertsen en heerschen 20 + XII. De in het volk besloten toekomst 22 + XIII. De kleine Gavroche 23 + + +Boek II. + +De groote burger. + + I. Negentig jaren en twee-en-dertig tanden 29 + II. Zoo de man, zoo de woning 30 + III. Zijn doopnamen 32 + IV. Een aspirant naar de honderd jaar 33 + V. Basque en Nicolette 34 + VI. Magnon met hare twee kinderen 35 + VII. Regel: ontvang alleen des avonds bezoek 36 + VIII. Twee maken geen paar 37 + + +Boek III. + +De grootvader en de kleinzoon. + + I. Een voormalig salon 43 + II. Een der roode spoken van dien tijd 46 + III. Requiescant 52 + IV. De bandiet sterft 59 + V. Om revolutionair te worden, is 't zeer goed de mis + bij te wonen 62 + VI. Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet 64 + VII. Een vrouw in 't spel 70 + VIII. Marmer tegen graniet 74 + + +Boek IV. + +De vrienden van het A. B. C. + + I. Een groep, die bijna tot de historie had behoord 81 + II. Lijkrede van Bossuet op Blondeau 93 + III. Marius is verbaasd 96 + IV. De achterkamer van het koffiehuis Musain 98 + V. Uitbreiding van den gezichteinder 105 + VI. Res Augusta 108 + + +Boek V. + +Het nut des ongeluks. + + I. Marius behoeftig 115 + II. Marius is arm 117 + III. Marius groot geworden 120 + IV. De heer Mabeuf 124 + V. Armoede is een goede gebuur voor ellende 128 + VI. De plaatsvervanger 130 + + +Boek VI. + +De conjunctie van twee sterren. + + I. Hoe familienamen ontstaan 137 + II. En 't werd licht 139 + III. Werking der lente 141 + IV. Begin eener zware ziekte 142 + V. Juffrouw Bougon wordt door verscheidene + bliksemstralen getroffen 145 + VI. Gevangen gemaakt 146 + VII. Gissingen nopens de letter U 148 + VIII. Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn 150 + IX. Eclips 151 + + +Boek VII. + +Patron-Minette. + + I. De mijnen en de mijnwerkers 157 + II. De diepte 159 + III. Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse 161 + IV. Samenstelling der bende 163 + + +Boek VIII. + +De slechte arme. + + I. Marius zoekt een meisje met een hoed, en ontmoet een + man met een pet 169 + II. Een vond 170 + III. Vier brieven 172 + IV. Een roos in ellende 176 + V. Het spiegat 182 + VI. De wilde mensch in zijn hol 185 + VII. Strategie en tactiek 188 + VIII. Een lichtstraal in het hol 192 + IX. Jondrette weent bijna 194 + X. Tarief der huurrijtuigen: twee francs in 't uur 197 + XI. Dienstaanbieding van de armoede aan de smart 200 + XII. Besteding van het vijffrancsstuk van den heer Leblanc 203 + XIII. Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats 207 + XIV. Waarin een politieagent twee pistolen aan een + advocaat geeft 209 + XV. Jondrette doet inkoopen 213 + XVI. Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode 215 + XVII. Hoe het vijffrancsstuk van Marius besteed werd 218 + XVIII. De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander 222 + XIX. Een donkere achtergrond 223 + XX. De hinderlaag 227 + XXI. Men moet altijd eerst de offers vatten 249 + XXII. De kleine die in het tweede deel schreeuwde 252 + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, +dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen. + +[2] Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De +beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond +vesten geschokten troon te schragen, men van bodem, de sol, van +broeikas, de serre, en van hut, de case, veranderen moet; alzoo +Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden. + +[3] Een woordspeling. Door van suspendu (geschorst) de eerste +lettergreep sus te nemen, krijgt men pendu (gehangen). + +[4] L'Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te +Meaux was. + +[5] Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde +mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw +schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever. + +[6] La belle bouda et le dragon. Hierop slaat Bouddha en draak. + +[7] Zij moge schijnen of stralen, + De beer keert naar zijn hol terug. + +[8] Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de +oogenblikken des geluks! 't Is niet der moeite waard acht dagen te +beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren! + +[9] Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom +uw schreden. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 3 VAN 5) *** + +***** This file should be named 37749-8.txt or 37749-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/7/7/4/37749/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/37749-8.zip b/37749-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4bf02e2 --- /dev/null +++ b/37749-8.zip diff --git a/37749-h.zip b/37749-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..76f1b9b --- /dev/null +++ b/37749-h.zip diff --git a/37749-h/37749-h.htm b/37749-h/37749-h.htm new file mode 100644 index 0000000..c711897 --- /dev/null +++ b/37749-h/37749-h.htm @@ -0,0 +1,12200 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" +"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2011-10-13T21:34:43.375+02:00. --> +<html lang="nl-1900"> +<head> +<meta name="generator" content= +"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org"> +<title>De Ellendigen: Derde deel</title> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=us-ascii"> +<meta name="generator" content= +"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/"> +<meta name="author" content="Victor Hugo (1802–1885)"> +<link rel="schema.DC" href= +"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/"> +<meta name="DC.Creator" content="Victor Hugo (1802–1885)"> +<meta name="DC.Title" content="De Ellendigen: Derde deel"> +<meta name="DC.Date" content="#####"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<meta name="DC:Subject" content="Historical fiction"> +<meta name="DC:Subject" content="Orphans -- Fiction"> +<meta name="DC:Subject" content="Paris (France) -- Fiction"> +<meta name="DC:Subject" content="Ex-convicts -- Fiction"> +<style type="text/css"> +body +{ +font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif; +margin: 1.58em 16%; +text-align: left; +} +/* Titlepage */ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/* End Titlepage */ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +table.alignedtext +{ +border-collapse: collapse; +} +table.alignedtext td +{ +vertical-align: top; +width: 50%; +} +table.alignedtext td.first +{ +border-width: 0 0.2px 0 0; +border-color: gray; +border-style: solid; +padding-right: 10px; +} +table.alignedtext td.second +{ +padding-left: 10px; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, .h4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocPart +{ +margin:1.58em 0%; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +.opener, .address +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline +{ +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.hangq +{ +text-indent: -0.35em; +} +.hangqq +{ +text-indent: -0.44em; +} +.hangqqq +{ +text-indent: -0.78em; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/* Tables */ +td, th +{ +vertical-align: top; +} +td.label, tr.label td +{ +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td +{ +font-style: italic; +} +td.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/* Poetry */ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/* Drama */ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/* End Drama */ +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +table.tocList +{ +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum +{ +text-align: right; +width: 10%; +border-width: 0; +} +td.tocDivNum +{ +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +} +td.tocPageNum +{ +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +} +td.tocDivTitle +{ +width: auto; +} +span.corr, span.gap +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/* Font Styles and Colors */ +.ex +{ +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc +{ +font-variant: small-caps; +} +.uc +{ +text-transform: uppercase; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/* End Font Styles and Colors */ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote, div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +/* External Links */ +.pglink, .catlink, .exlink +{ +background-repeat: no-repeat; +background-position: right center; +} +.pglink +{ +background-image: url(images/book.png); +padding-right: 18px; +} +.catlink +{ +background-image: url(images/card.png); +padding-right: 17px; +} +.exlink +{ +background-image: url(images/external.png); +padding-right: 13px; +} +.pglink:hover +{ +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover +{ +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover +{ +background-color: #FFDCDC; +} +body +{ +background: #FFFFFF; +font-family: "Times New Roman", Times, serif; +} +body, a.hidden +{ +color: black; +} +.titlePage +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} +sub, sup +{ +line-height: 0; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xd20e123width +{ +width:451px; +} +.xd20e129 +{ +text-align:center; +} +.xd20e2249 +{ +text-indent:2em; +} +.xd20e6237 +{ +text-align:center; +} +</style> +</head> +<body> + + +<pre> + +The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ellendigen (Deel 3 van 5) + +Author: Victor Hugo + +Release Date: October 13, 2011 [EBook #37749] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ASCII + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 3 VAN 5) *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + +</pre> + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd20e123width"><img src="images/cover.jpg" alt= +"Oorspronkelijke voorkant." width="451" height="720"></div> +</div> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd20e129">De Ellendigen. <span class="pagenum">[<a id= +"xd20e131" href="#xd20e131" name="xd20e131">3</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="mainTitle">De Ellendigen</div> +</div> +<div class="byline">Naar het Fransch<br> +Van<br> +<span class="docAuthor">Victor Hugo.</span><br> +Opnieuw bewerkt.</div> +<div class="docTitle"> +<div class="subTitle">Derde deel.</div> +</div> +<div class="docImprint">Arnhem en Nijmegen,<br> +Gebrs. E. & M. Cohen.</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e154" href="#xd20e154" name= +"xd20e154">4</a>]</span></p> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd20e129">Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen. +<span class="pagenum">[<a id="xd20e158" href="#xd20e158" name= +"xd20e158">5</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek I.</h2> +<h2 class="main">Parijs in zijn atomen bestudeerd.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span> +<div id="ch1.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Parvulus.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Parijs heeft een kind, en het bosch een vogel; de +vogel heet musch; het kind heet <i>gamin</i> (straatjongen).</p> +<p>Vereenig deze twee denkbeelden, die het eene een vuurhaard, het +andere het morgenrood bevatten, breng deze twee vonken in aanraking; +Parijs, de kindsheid, en er ontstaat een klein wezen. <i>Homuncio</i> +zou Plautus zeggen.</p> +<p>Dit kleine wezen is vroolijk. Hij eet niet alle dagen, maar gaat zoo +’t hem goeddunkt alle avonden naar den schouwburg. Hij heeft geen +hemd aan ’t lijf, geen schoenen aan de voeten, geen dak boven het +hoofd, hij is als de vliegen des hemels, die van dat alles niets +hebben. Hij is tusschen de zeven en dertien jaar oud, leeft in troepen, +zwerft langs de straat, woont onder den blooten hemel, draagt een oude +broek van zijn vader, die hem op de hielen hangt, een ouden hoed van +een anderen vader, die hem over de ooren zit, een draagband van gele +zelfkant; hij loopt, ziet, vraagt, verslijt den tijd, rookt, vloekt als +een heiden, bezoekt de kroegen, kent de dieven, spreekt gemeenzaam met +publieke vrouwen, kent de dieventaal, zingt onzedelijke liedjes, maar +heeft niets kwaads in ’t hart. Want zijn ziel bezit een parel, de +onschuld; en paarlen worden niet opgelost in slijk. Zoolang de mensch +kind is, wil God dat hij onschuldig zij.</p> +<p>Zoo men aan de groote stad vroeg: wie is dat? zou zij antwoorden: +’t Is mijn kind. <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" +name="pb8">8</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Eenige zijner bijzondere kenteekenen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De straatjongen van Parijs is de dwerg der reuzin.</p> +<p>Laat ons niet overdrijven, deze straatengel draagt soms een hemd, +maar dan is het zijn eenig; ook draagt hij soms schoenen, maar dan zijn +zij zonder zolen; soms heeft hij een tehuiskomen, en ’t is hem +lief, want hij vindt er zijn moeder; maar aan de straat geeft hij de +voorkeur, wijl hij er de vrijheid vindt. Hij heeft eigenaardige spelen, +zijn eigenaardige guitenstreken, waarvan de haat tegen den vreedzamen +burger den grond legt; hij heeft eigenaardige leenspreuken: dood zijn, +noemt hij „paardebloemen bij den wortel opeten.” Zijn +beroepen zijn: huurrijtuigen halen, de voettreden der koetsen +nederlaten, bij plasregens planken van den eenen naar den anderen kant +der straat leggen, ’t geen hij noemt <i>ponts des arts</i> +(kunstbruggen) maken, de door de regeering ten gunste van het Fransche +volk uitgesproken redevoeringen uitventen, en tusschen de straatsteenen +krabben; hij heeft zijn eigen munt, bestaande uit allerlei stukjes +koper die men op de straat kan vinden. Deze zonderlinge munt, die men +vodderijen kan noemen, heeft een onveranderlijken, goed geregelden +koers onder deze soort van kleine heidens. Hij heeft nog zijn eigen +dierenwereld, welke hij nauwkeurig in haar schuilhoeken gadeslaat, het +onze lieven-heers-beestje, de boomluis met den doodskop, „de +duivel,” een zwart insect, dat met zijn tweehoornigen staart +dreigt. Hij heeft zijn fabelachtig monster met schubben onder den buik, +niet de hagedis, met puisten op den rug—niet de pad—een +monster, dat in oude kalkovens en droge waterputten huist, dat zwart, +harig, kleverig is, nu langzaam dan snel voortkruipt, dat geen geluid +geeft, maar slechts kijkt en zoo vreeselijk is, dat nooit iemand het +gezien heeft; hij noemt dit monster „de doove.” Dooven +onder de steenen te zoeken is voor hem een vermaak, dat tot de +vreeselijke vermaken behoort. ’t Is ook een vermaak voor hem, +plotseling een steen op te lichten om duizendbeenen te zien. Ieder +gedeelte van Parijs is wegens een of ander belangrijk beest bekend, dat +men er vinden kan. Er zijn oorwormen op de werven der Ursulinen, +duizendpooten bij het Pantheon en bloedzuigers in de slooten van het +Champ-de-Mars.</p> +<p>De straatjongen heeft overigens spreekwijzen als Talleyrand. Hij is +niet minder hondsch, maar eerlijker. Hij bezit een vroolijkheid, die +hem soms overvalt zonder dat men weet <span class="pagenum">[<a id= +"pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span>waarom; hij ergert den +winkelier door zijn dol gelach. Zijn toonladder daalt gemakkelijk van +het treurspel tot de klucht af.</p> +<p>Een lijkstoet gaat voorbij. Onder de volgers van het lijk bevindt +zich een geneesheer.—Hei! roept een straatjongen sinds wanneer +brengen de geneesheeren zelven hun werk thuis?</p> +<p>Een andere jongen is in ’t gedrang. Een deftig man met een +bril en horlogeketting keert zich verstoord om en roept: Deugniet, gij +hebt den arm mijner vrouw genomen.—Ik, mijnheer? Voel maar in +mijn zakken.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Hij is behagelijk.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Des avonds gaat de <i lang="la">homuncio</i> voor +eenige sous, welke hij zich steeds weet te verschaffen, naar een +schouwburg. Zoodra hij den tooverachtigen drempel heeft overschreden, +is hij herschapen: hij was straatjongen, nu wordt hij werkgast. De +schouwburgen zijn een soort van schepen met het ruim boven. In dit ruim +pakken de werkgasten zich op elkander. De werkgast is in verhouding tot +den straatjongen, wat de vlinder tot de pop is; hij is een even +fladderend en zwevend wezen. ’t Is genoeg, dat hij er is met zijn +glans van geluk, zijn machtige geestdrift en vroolijkheid, zijn +handgeklap dat op wiekgeklap gelijkt, om dit enge, bedompte, donkere, +vuile, ongezonde, leelijke, afschuwelijke ruim den naam van +„paradijs” (engelenbak) te geven.</p> +<p>Geef iemand het onnoodige en ontneem hem het noodzakelijke, en ge +hebt den straatjongen.</p> +<p>De straatjongen is niet zonder eenig letterkundig gevoel. Wij zeggen +het met leedwezen, zijn smaak is niet voor het klassieke. Van natuur is +hij weinig Akademisch. Een voorbeeld daarvan is, dat de beroemdheid van +mademoiselle Mars bij dit kleine stormachtige kinderpubliek stof tot +spotternij gaf. De straatjongen noemde haar mademoiselle +<i>Muche</i>.</p> +<p>Hij raast, schimpt, stoeit, vecht, heeft vodderijen als een +zuigeling en lompen als een wijsgeer, vischt in de goot, jaagt in den +modderpoel, trekt vroolijkheid uit vuilnis, vervult de pleinen met zijn +geschreeuw, lacht en bijt, fluit en zingt, applaudisseert en jouwt uit, +paart aan het halleluja een straatlied, zingt alles, zelfs de +profundis, vindt zonder te zoeken, weet wat hem onbekend is, is +Spartaan zelfs tot stelen, dwaas tot wijsheid, lyrisch tot het onreine +toe en zou op den Olymp <span class="pagenum">[<a id="pb10" href= +"#pb10" name="pb10">10</a>]</span>nederhurken, wentelt zich op een +mesthoop en komt er uit met sterren overdekt. De straatjongen van +Parijs is een kleine Rabelais! Met zijn broek is hij niet tevreden, zoo +er geen horlogezak in is.</p> +<p>Hij verwondert zich zelden, schrikt evenmin, bespot de +bijgeloovigheden, drukt de opgeblazen overdrijvingen plat, lacht om de +verborgenheden, steekt de tong voor de spoken uit, ontneemt de stelten +haar poëzie en brengt in het gezwollen heldendicht caricaturen, +niet omdat hij prozaïsch is, verre van daar; maar hij brengt in de +plaats van het plechtige visioen een grappig geestenspel. Zoo Adamastor +hem verscheen zou de straatjongen: <span class="corr" id="xd20e229" +title="Niet in bron">„</span>Ha! Ziedaar blauwbaard!<span class= +"corr" id="xd20e232" title="Niet in bron">”</span> roepen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Hij kan nuttig zijn.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Parijs begint met den gaper en eindigt met den +straatjongen, twee wezens die een andere stad niet kan opleveren; het +lijdelijk wezen dat zich tevreden stelt met te aanschouwen, en de +onuitputtelijke zelfhandeling; Prudhomme en Fouillou. Alleen Parijs +heeft dit in haar natuurlijke historie. De geheele monarchie ligt in +den gaper; de geheele anarchie in den straatjongen.</p> +<p>Dit bleeke kind der Parijsche voorsteden leeft en ontwikkelt zich, +ontstaat en lost zich op in lijden, als peinzend getuige der +maatschappelijke wezenlijkheid en menschelijke zaken. Hij waant zich +onverschillig, hij is ’t niet. Hij aanschouwt, tot lachen gereed; +maar ook tot iets anders. Wie ge ook zijn moogt, die u Vooroordeel, +Misbruik, Eerloosheid, Verdrukking, Ongerechtigheid, Despotisme, +Onrechtvaardigheid, Fanatisme, Dwingelandij heet—hoed u voor den +straatjongen.</p> +<p>Deze kleine zal groot worden.</p> +<p>Van welk leem is hij gevormd? Van het eerste het beste slijk. Een +handvol modder, een adem, en Adam ontstaat. Er behoeft slechts een God +voorbij te gaan; en een God is altijd langs een straatjongen gegaan. De +fortuin bewerkt dit kleine wezen. Onder het woord fortuin verstaan wij +min of meer het toeval. Zal deze van grove, gemeene aarde gekneede +dwerg dom, ongeleerd, ruw, eenmaal een Ioniër of een Beotiër +zijn? Heb geduld, <i>currit rota</i>, (het rad wentelt) de geest van +Parijs, deze demon, die de kinderen des toevals en de mannen der +wereldgeschiedenis schept, maakt, in tegenstelling van den latijnschen +pottenbakker, van de kruik een amphora. <span class="pagenum">[<a id= +"pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Zijn grenzen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De straatjongen bemint de stad, maar ook de +eenzaamheid, hij heeft iets van den wijze in zich. <i lang="la">Urbis +amator</i>, gelijk Fuscus; <i lang="la">ruris amator</i>, gelijk +Flaccus.</p> +<p>Peinzend omdolen, dat is flaneeren, is voor den wijsgeer een goed +tijdverdrijf; vooral op die tamelijk leelijke, zonderlinge en uit twee +naturen bestaande bastaardvelden, welke zekere groote steden, ook +Parijs, omgeven. De omstreken eener stad hebben iets tweeslachtigs. +Einde van het geboomte, begin der daken, einde van het gras, begin der +straat, einde der akkers, begin der winkels, einde der wagensporen, +begin der hartstochten, einde van het goddelijk gemurmel, begin van het +menschelijk gewoel; dit wekt een buitengewone belangstelling.</p> +<p>Dit is de oorzaak dier schijnbaar doellooze wandelingen van den +denker in deze weinig bekoorlijke plaatsen, welke door den +voorbijganger met den naam van „treurig” worden +bestempeld.</p> +<p>De schrijver dezer regels zwierf dikwerf buiten de barrières +van Parijs, en dit is voor hem een bron van diepe herinneringen. Dat +korte gras, deze steenachtige paden, dat krijt, dit mergel, het gips, +die ruwe eenvormigheid der braakliggende velden, de vroege groenten der +warmoeziers, welke men eensklaps in een diepte ziet, dat mengsel van +woestheid en boerschheid, die groote woeste vlakten, waar de tamboers +van het garnizoen een gerucht makende school houden en eenigszins een +veldslag stamelen, deze spelonken des daags en moordenaarsholen des +nachts, de verlamde, draaiende windmolen, de windassen der +steengroeven, de kroegen aan den hoek der kerkhoven, de geheimzinnige +bekoorlijkheid der hooge donkere muren, welke groote vlakten, vol zon +en vlinders, doorsnijden—dit alles trok hem aan.</p> +<p>Schier niemand kent deze zonderlinge plaatsen. De Campagne van Rome +is een idée; het rechtsgebied van Parijs is een andere +idée; wie, in ’t geen ons een verschiet aanbiedt, niets +dan velden, huizen of boomen ziet, blijft aan de oppervlakte hangen. Al +wat de dingen voorstellen zijn gedachten Gods. De plaats, waar een +vlakte zich met een stad vereenigt, draagt immer het stempel eener +treffende zwaarmoedigheid. De natuur en het menschelijke spreken er +gelijktijdig, en de plaatselijke eigenaardigheden komen er te +voorschijn.</p> +<p>Wie als wij in deze eenzame streken, welke onze voorsteden +begrenzen, omdoolde, heeft niet hier en daar, op de eenzaamste +<span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name= +"pb12">12</a>]</span>plekken, onverhoeds, achter een schrale heg of in +den hoek van een treurigen muur, levendige groepen slijkerige, met stof +bedekte, havelooze spelende kinderen gezien, die zich met +koornbloempjes tooiden?! Al die in het wilde zwervende kinderen zijn +van arme gezinnen. De buiten-boulevard is eigenlijk hun levensoord; het +rechtsgebied der stad behoort hun. Daarheen ontloopen zij immer de +school. Zij zingen er in eenvoud hun gemeene liedjes. Zij zijn +dáár, of, liever gezegd, zij leven dáár ver +van aller blikken, in de zachte helderheid van de maand Mei of Juni, +geknield om een kuiltje in de aarde, knikkerende, dobbelende, +bandeloos, weggevlogen, vrij en gelukkig; maar zoodra zij iemand zien, +herinneren zij zich, dat zij een bedrijf hebben, dat zij den kost +moeten verdienen en bieden hem een oude wollen kous met goudhanen of +een ruiker seringen te koop aan. De ontmoeting van deze zonderlinge +kinderen is tevens een der aangenaamste en lastigste bekoorlijkheden +der omstreken van Parijs.</p> +<p>Soms zijn er in deze troepen jongens, kleine meisjes—zijn +’t hun zusjes?—schier jongedochters, mager, koortsig, door +de zon bruin gebrand, met sproeten besprikkeld, opgeschikt met +roggearen en klaprozen in ’t haar, vroolijk en gelaten, met +bloote voeten. Men ziet er die in het koren kersen eten. Des avonds +hoort men ze lachen. Deze groepen, warm door de middagzon beschenen of +in den schemeravond gezien, houden den denker lang bezig, en deze +verschijningen mengen zich in zijn mijmeringen.</p> +<p>Voor deze kinderen is Parijs het middelpunt, het rechtsgebied, de +omtrek van geheel de aarde. Nooit wagen zij zich verder. Zij kunnen +evenmin uit den Parijschen dampkring komen als de visschen uit het +water. Voor hen is twee uren buiten de barrière niets meer. Met +de voorsteden eindigt voor hen de wereld.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een weinig geschiedenis.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op het tijdstip—’t welk nog tot onzen tijd +behoort—dat de gebeurtenis, in dit boek verhaald, plaats had, was +er niet, zooals thans, een stadssergeant aan den hoek van iedere +straat, maar vloeide het in Parijs over van zwervende kinderen. De +statistiek geeft een middelbaar cijfer van tweehonderd zestig kinderen +zonder woonplaats, die toen jaarlijks door de politieronden op den +openbaren weg, in allerlei schuilplaatsen en <span class= +"pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span>onder de +bogen der bruggen gevonden werden. Een dezer nesten, dat berucht is +gebleven, heeft „de zwaluwen der brug van Arcola” +voortgebracht. ’t Is overigens het rampzaligste der +maatschappelijke verschijnselen, dat al de misdaden van den man met het +zwerven van het kind een aanvang nemen.</p> +<p>Wij zonderen echter Parijs uit. In een zekere mate, en in weerwil +van ’t geen wij vermelden, is deze uitzondering gegrond. Terwijl +in iedere andere groote stad een zwervend kind, als ’t man is +geworden, verloren gaat, terwijl schier alom het aan zich zelf +overgelaten kind eenigerwijs bestemd en gedoemd is tot een soort van +noodlottige dompeling in misdaden, welke hem van eerlijkheid en geweten +berooft, is de straatjongen van Parijs,—wij moeten hierop +drukken—hoe gehavend en geschonden hij uiterlijk zij, inwendig +schier ongedeerd. ’t Is heerlijk er op te wijzen en het blinkt +uit in de eerlijkheid onzer volksomwentelingen; de idée, welke +in de Parijsche lucht is, veroorzaakt een soort van bederfwerend zout +als dat van het water des oceaans. In Parijs te ademen, is het behoud +der ziel.</p> +<p>Wat wij hier zeggen vermindert de hartsbeklemming, die men telkens +gevoelt als men een dier kinderen ontmoet, welke men als gebroken +familiebanden ziet fladderen. Bij de tegenwoordige nog zoo onvolmaakte +beschaving is het niet ongewoon, dat gezinnen vervallen, die niet eens +weten wat van hun kinderen is geworden en ze op de openbare straat +laten rondzwerven. Dit is de oorzaak van zoo veler donker lot. Men +noemt dit, want deze treurige zaak is een spreekwijze geworden: +„Op de straat geworpen te zijn.”</p> +<p>’t Zij in het voorbijgaande gezegd, dat door de oude monarchie +deze verlatenheid der kinderen niet werd tegengegaan. Een weinig +landlooperij onder de lagere klassen kwam de hoogere kringen niet +ongelegen en strekte ten dienste der machtigen. De afkeer van het +onderwijs der kinderen van het volk was een leerstuk. Waartoe +„halve verlichting?” Dat was het orderwoord. Het zwervende +kind is het gevolg van het onwetende kind.</p> +<p>Ook had de monarchie soms kinderen noodig en dan schuimde zij de +straat.</p> +<p>Onder Lodewijk XIV, om niet verder terug te gaan, wilde de koning +met recht een vloot scheppen. Een goed denkbeeld. Maar laat ons het +middel zien. Er bestaat geen vloot, zoo men bij het zeilschip, een +speeltuig van den wind, niet het vaartuig heeft, om het des vereischt +te boegseeren, opdat het òf door riemen, òf door stoom +gaat waarheen men wil; destijds waren de galeien voor de zeevaart, wat +thans de stoomschepen zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb14" href= +"#pb14" name="pb14">14</a>]</span>Er waren alzoo galeien noodig, maar +de galei wordt slechts door roeiers in beweging gebracht; men had dus +roeiers noodig, dat is, galeislaven. Colbert liet door de intendanten +der provinciën en door de parlementen zooveel mogelijk +tuchtelingen maken. De rechterlijke macht ging hierbij zeer voorkomend +te werk. Zoo iemand den hoed op het hoofd hield bij het voorbijgaan +eener processie was hij een hugenoot en men zond hem naar de galeien. +Zoo men een knaap op de straat vond, die vijftien jaar oud was en niet +wist waar hij woonde, zond men hem naar de galeien. Een groote +regeering; een groote eeuw.</p> +<p>Onder Lodewijk XV verdwenen de kinderen te Parijs; de politie +ontvoerde ze, men weet niet voor welk geheimzinnig doel. Men fluisterde +met ontzetting van afschuwelijke vermoedens omtrent de purperbaden des +konings. Barbier spreekt zeer naïef van deze dingen. Het gebeurde +vaak dat de agenten, die kinderen moesten hebben, dezulken namen die +vaders hadden. De wanhopige vaders liepen de agenten te lijf. In +zoodanig geval kwam het parlement tusschenbeide en liet +ophangen—wie? de politieagenten? Neen, de vaders.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De straatjongen vindt zijn plaats in de klassificatie +der Indiën.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De Parijsche straatjongens vormen schier een kaste. +Men zou kunnen zeggen: dat niet ieder die wil er toe behooren kan.</p> +<p>Dat woord <i>gamin</i> werd voor het eerst gedrukt en kwam uit de +volks- in de boekentaal in 1834. ’t Was in een werkje, getiteld +<i>Claude Gueux</i> dat dit woord gevonden werd. De ergernis was groot, +maar het woord bleef in gebruik.</p> +<p>De elementen, die den straatjongens onder elkander aanzien geven, +zijn zeer verschillend. Wij hebben er een gekend, die zeer geacht en +bewonderd werd, wijl hij een man van den top van den toren van Notre +Dame had zien vallen; een ander, wijl het hem gelukt was op de +achterplaats te komen waar voorloopig de beelden voor den dom der +invaliden waren geplaatst, en ze lood had weten te ontnemen; een derde, +wijl hij een diligence had zien omstorten; nog een, wijl hij een +soldaat „kende” dien een burger bijna het oog had +uitgeslagen.</p> +<p>Dit verklaart dezen uitroep van een Parijschen straatjongen, iets +diepzinnigs waarover men lacht zonder het te begrijpen: <span class= +"pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name= +"pb15">15</a>]</span>„Mijn hemel! wat ben ik ongelukkig; ik heb +nog nooit iemand uit de vijfde verdieping zien vallen.”</p> +<p>Zekerlijk is het antwoord fraai van een boer, wien gevraagd werd: +„Vriend, uw vrouw is aan haar ziekte overleden; waarom hebt ge +niet om den dokter gezonden?”—„Wat zal ik u zeggen, +mijnheer, wij arme lieden sterven vanzelf.” Ligt nu in deze +woorden de geheele lijdelijkheid van den boer, dan zekerlijk ligt de +geheele, bandelooze vrijheid van denken van den voorstadsknaap in die +andere. Een ter dood veroordeelde luistert op de kar naar zijn +biechtvader. De Parijsche jongen roept: Hij praat met den paap, o de +fielt!</p> +<p>Dat de straatjongen in godsdienstzaken tamelijk oneerbiedig is, +daarop laat hij zich niet weinig voorstaan. ’t Geeft aanzien als +hij vrijgeest is.</p> +<p>Hij acht het een plicht de doodsvoltrekkingen bij te wonen. Men +wijst elkander de guillotine lachend en geeft ze allerlei namen: De +laatste lepel soep, de laatste hap enz. enz. Om niets van de zaak te +missen klimt men op muren, op balkons, op boomen; hangt zich aan de +hekken, klemt men zich aan schoorsteenen. De straatjongen is evenzeer +tot leidekker als tot zeeman geboren. Voor een dak is hij evenmin +bevreesd als voor een mast. Geen feest is voor hem bij een +terechtstelling op het Grève-plein te vergelijken. Samson en de +abbé Montès, deze namen zijn populair. Men beschimpt den +veroordeelde om hem te bemoedigen. Soms bewondert men hem. Toen +Lacenaire, als straatjongen, den afschuwelijken Dautun moedig zag +sterven, zeide hij deze woorden, waarin een toekomst ligt besloten: +„Ik benijdde hem.” De straatjongen kent niet Voltaire, maar +wel Papavoine. In hetzelfde verhaal verwart hij +„staatkundigen” met moordenaars. Hij weet hoe allen het +laatst gekleed waren, deze had een hoed, gene een pet op; de een was +kaal en blootshoofd, een ander was blozend en gezond; weder een andere +twistte met zijn moeder. „Verwijt elkander toch niets!” +riep een straatjongen hun toe. Een straatjongen, te klein om in het +gedrang een veroordeelde te kunnen zien voorbijgaan, klimt op een +lantaarnpaal. Een gendarm ziet hem en fronst de +wenkbrauwen.—<span class="corr" id="xd20e331" title= +"Niet in bron">„</span>Laat mij gerust klimmen, mijnheer de +gendarm,<span class="corr" id="xd20e334" title= +"Niet in bron">”</span> zegt de jongen, <span class="corr" id= +"xd20e337" title="Niet in bron">„</span>ik zal niet +vallen.<span class="corr" id="xd20e340" title= +"Niet in bron">”</span>—<span class="corr" id="xd20e343" +title="Niet in bron">„</span>’t Is mij onverschillig of ge +valt,<span class="corr" id="xd20e347" title= +"Niet in bron">”</span> was het antwoord.</p> +<p>In de straatjongens-wereld wordt een gewichtig ongeluk in hooge +waarde gehouden. Men heeft het toppunt bereikt, zoo men zich „tot +op het been” gesneden heeft.</p> +<p>De vuist is een krachtig element van eerbied. Iets wat de +straatjongen het liefst zegt is: „Ik verzeker u, dat ik sterk +ben.” Links te zijn is benijdenswaard. Scheel te zien wordt +geacht. <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name= +"pb16">16</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een vriendelijk woord van den laatsten koning.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Des zomers wordt de straatjongen kikvorsch; des +avonds, als het donker wordt, werpt hij zich bij de bruggen van +Austerlitz en Jena, van de koolschepen en waschvrouwen-schuiten, met +het hoofd vooruit, in de Seine, in strijd met alle mogelijke +voorschriften der zedelijkheid en politie. Maar de stadssergeanten +waken, en het komt tot een zeer dramatischen toestand, die eens tot een +gedenkwaardigen broederlijken kreet aanleiding gaf; deze kreet, in 1830 +beroemd, is een strategische waarschuwing die de eene aan den anderen +straatjongen geeft; die kreet wordt bijna als een vers van Homerus +gescandeerd, met even onuitsprekelijke melodie als de eleusische +melopée der Panatheners, en men vindt er het oude +<i>Evohé</i> in: „Hei Titi! O hee!” zoo begint hij +en het overige beteekent dat er dienders zijn; dat er slagen kunnen +vallen en men zich met zijn kleederen uit de voeten moet maken.</p> +<p>Deze mug—zoo noemt hij zich—kan lezen; soms kan hij ook +schrijven, altijd kan hij kladden. Eensklaps verschaft hij zich, men +weet niet door welk wederkeerig onderwijs, al de talenten, die de +openbare zaak nuttig kunnen zijn: van 1815 tot 1830, bootste hij het +geschreeuw van den kalkoen na; van 1830 tot 1848 krabbelde hij een peer +op de muren. Op een zomeravond zag Lodewijk Filips, te voet huiswaarts +keerende, een zeer kleinen jongen, die, op de teenen, zich in het zweet +werkte om een reusachtige peer op een der pilaren van het hek van +Neuilly te teekenen; de koning, met de goedheid, welke hij van Hendrik +IV erfde, hielp den jongen, voltooide de peer, en gaf een +louisd’or aan den knaap, zeggende: „Zie, daar staat ook een +peer op.” De straatjongen houdt van rumoer, en allerlei woestheid +behaagt hem. Hij verfoeit „de pastoors.” Op een dag +teekende een dier jonge snaken een grooten neus op de koetspoort van +het huis No. 69. <span class="corr" id="xd20e367" title= +"Niet in bron">„</span>Waarom teekent ge dit op deze +deur?<span class="corr" id="xd20e370" title= +"Niet in bron">”</span> vroeg hem een voorbijganger. De jongen +antwoordde: <span class="corr" id="xd20e373" title= +"Niet in bron">„</span>Er woont een pastoor.<span class="corr" +id="xd20e376" title="Niet in bron">”</span> Inderdaad, de +pauselijke nuntius woonde er. Welk een Voltairiaan de straatjongen +overigens zij, zoo de gelegenheid zich voordoet dat hij koorknaap kan +worden, is ’t mogelijk dat hij er toe overgaat, en in dit geval +dient hij zeer lief de mis. Hij is Tantalus in twee zaken, en deze +wenscht hij immer zonder ze te kunnen verkrijgen: het gouvernement +omver te werpen en zijn broek gelapt te krijgen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p> +<p>Allernauwkeurigst kent de straatjongen al de stadssergeanten, en +weet altijd, zoo hij er een ontmoet, hem te noemen. Hij telt ze op de +vingers. Hij bestudeert hun zeden, en heeft nopens ieder hunner +bijzondere aanteekeningen. Als in een open boek leest hij in de zielen +der politie. Zonder te stotteren zegt hij: deze is een verrader; deze +is zeer ondeugend; deze is groot; deze is belachelijk (al deze woorden +hebben in zijn mond een bijzondere beteekenis), deze verbeeldt zich dat +de Pontneuf hem behoort en belet den lieden op den rand buiten de +borstwering te gaan; gene trekt de menschen aan de ooren, enz. enz.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De oude geest van Gallië.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In Molière was iets van den straatjongen; ook +in Beaumarchais. In het leven des straatjongens is iets van den +Gallischen geest. Deze, gepaard aan zijn gezond verstand, geeft hem +soms kracht als de alcohol den wijn. Soms is deze geest een gebrek. De +straatjongen treedt in Voltaire te voorschijn. Camille Desmoulins was +een kind der voorstad. Championnet, die de mirakelen brutaliseerde, +kwam van de Parijsche straat; jong had hij in de portalen der kerken +van St. Jan van Beauvais en van Saint Etienne du Mont kattenkwaad +bedreven en de reliquieënkast der H. Genoveva tamelijk oneerbiedig +behandeld, om later bevelen aan het fleschje van den H. Januarius te +geven.</p> +<p>De straatjongen van Parijs is eerbiedig, spotziek en onbeschoft. Hij +heeft leelijke tanden, omdat hij slecht gevoed wordt en zijn maag +ziekelijk is; hij heeft fraaie oogen, wijl hij schrander is. Hij groeit +tot alles op. Hij speelt in de goot en verheft zich door den opstand; +zijn onbeschaamdheid blijft hem bij, zelfs in het schrootvuur; hij was +een kwajongen, en wordt een held; gelijk de jonge Thebaan schudt hij de +leeuwenhuid; de tamboer Barra was een straatjongen van Parijs; hij +roept: Voorwaarts! en in een oogenblik is de dreumes een reus.</p> +<p>Dit kind uit het straatslijk is ook het kind van het ideaal. Men +mete slechts de vleugelvlucht van Molière tot Barra.</p> +<p>Ten slotte, en om alles in één woord samen te vatten: +de straatjongen is een wezen, dat zich vermaakt, wijl het ongelukkig +is. <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name= +"pb18">18</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2> +<h2 lang="la" class="main">Ecce Paris, ecce Homo.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Om alles nog eens in een enkel woord te zeggen: de +straatjongen van Parijs is heden, gelijk eertijds de +<i>grœculus</i> van Rome, ’t is het volk als kind, met den +rimpel der oude wereld op het voorhoofd.</p> +<p>De straatjongen is voor de natie tevens een bekoorlijkheid en een +ziekte; een ziekte die genezen moet worden; hoe? door verlichting.</p> +<p>Het licht maakt gezond.</p> +<p>Het licht verheldert.</p> +<p>Alle maatschappelijke weldaden komen voort uit de wetenschappen, de +letterkunde, de kunsten, het onderwijs. Men vorme menschen! Verlicht +ze, opdat zij u verwarmen. Vroeg of laat zal de gewichtige kwestie van +het algemeen onderwijs met de onweerstaanbare macht van +onwedersprekelijke waarheid gevestigd zijn, en zij die dan onder het +opzicht der Fransche idée regeeren, zullen kiezen moeten +tusschen de kinderen van Frankrijk of de straatjongens van Parijs; +licht tusschen vlammen, of dwaallichten in de duisternis.</p> +<p>De straatjongen is de vertegenwoordiging van Parijs, Parijs die der +wereld.</p> +<p>Want Parijs is een geheel. Parijs is de zoldering van het +menschelijk geslacht. Geheel deze groote stad is een samenvatting der +doode en levende zeden. Wie Parijs ziet, meent de geheele geschiedenis +met den hemel en de sterren er tusschen te aanschouwen. Parijs heeft +een kapitool, het stadhuis, een Parthenon, Notre Dame, een berg +Aventinus, de voorstad St. Antoine, een asinarium, de Sorbonne, een +Pantheon, het Pantheon, een heilige weg (<i lang="la">via Sacra</i>), +de boulevard des Italiens, een windtoren, de openbare meening; en voor +de gemoniën heeft het ’t belachelijke. Zijn <i>majo</i> heet +<i>faraud</i> (handwerkgezel), zijn transteverijn heet voorstedeling, +zijn lazzarone heet pègre (dief), en zijn <i>Cockney</i> heet +<i>Gandin</i>. Al wat elders is, is ook te Parijs.</p> +<p>Zoek iets wat Parijs niet heeft. De kuip van Trophonius bevat alles +wat in den bak van Mesmer was; Ergaphilas herrijst in Cagliostro; de +bramin Vasaphanta verlichamelijkt zich in den graaf van Saint-Germain; +en het kerkhof van St. Medardus doet evengoed wonderen als de moskee +Oumoumié te Damaskus. <span class="pagenum">[<a id="pb19" href= +"#pb19" name="pb19">19</a>]</span></p> +<p>Parijs heeft een Esopus, Mayeux, en een Canidia, mejuffrouw Le +Normand. Het schrikt als Delphus bij de treffende vertooningen der +geestverschijningen; het doet de tafels draaien gelijk Dodona de +drievoeten. Het plaatst de grisette op den troon, gelijk Rome de +courtisane. Kortom: Is Lodewijk XV erger dan Claudius, madame Dubarry +is beter dan Messalina. Parijs vereenigt in zich, als in een +onbeschrijfelijke type, die bestaan heeft en waarmede wij zelfs in +aanraking zijn geweest, de <span class="corr" id="xd20e439" title= +"Bron: grieksche">Grieksche</span> naaktheid, de hebreeuwsche +melaatschheid en de gasconsche kwinkslag. Het mengt Diogenes, Job en +Paljas ondereen, bekleedt een spook met oude nummers van den +<i>Constitutionnel</i> en brengt Chodruc Duclos voort.</p> +<p>Hoewel Plutarchus zegt: „de tyran wordt niet oud”, +onderwerpt zich toch Rome onder Sulla evenals onder Domitiaan en mengde +gaarne water in zijn wijn. De Tiber was een Lethé, zoo men den +lof van Varus Vibiscus mag gelooven: <i lang="la">Contra Gracchos +Tiberim habemus. Bibere Tiberim id est seditionem oblevisci</i>. Tegen +de Grieken hebben wij den Tiber. Uit den Tiber te drinken is het oproer +vergeten. Parijs drinkt dagelijks een millioen kannen water, maar dit +belet niet, dat het bij gelegenheid den stormmarsch slaat en de +stormklok luidt.</p> +<p>Overigens is Parijs toch goedhartig. Het neemt alles aan; in +’t geen Venus betreft, is het niet keurig; zijn Callipyge is een +Hottentotsche vrouw; zoo het maar kan lachen, vergeeft het alles; +leelijkheid, wanstaltigheid vervroolijkt het; de ondeugd verschaft het +verstrooiing; wees grappig en ge kunt een grappenmaker zijn; zelfs de +huichelarij, deze uiterste onbeschaamdheid, walgt het niet; het is zoo +letterkundig, dat het voor Basile den neus niet dichtknijpt, en zich +evenmin ergert over het gebed van Tartuffe als Horatius voor den hik +van Priapus terugdeinst. Geen trek van het gelaat der wereld ontbreekt +aan het gezicht van Parijs. Het bal-Mabille is wel niet de Polymnische +dans op den Janiculus, maar de uitdraagster loert er toch op de lorette +evenals de koppelaarster Staphyla op de maagd Planesium loerde. De +„barrière du combat” is geen Colyseum, maar men is +er toch wreed alsof Cæsar toeschouwer was. De syrische +herbergierster is bevalliger dan moeder Saguet; maar zoo Virgilius de +romeinsche herberg bezocht, David d’Angers, Balzac en Charlet +kwamen in de Parijsche kroeg. Parijs heerscht. De genieën +fonkelen, de roodstaarten bloeien er. Adonaï rijdt er door op zijn +wagen met twaalf wielen van donder en bliksem, en Sileen doet er zijn +intrede op een ezel.</p> +<p>Parijs is synoniem met Cosmos. Parijs is Athene, Rome, Sybaris, +Jeruzalem, Pantin. ’t Is het kort begrip van alle <span class= +"pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name= +"pb20">20</a>]</span>beschaving, evenals van alle barbaarschheden. +’t Zou Parijs leed doen zoo ’t geen guillotine had.</p> +<p>Een weinig Grève-plein is goed. Wat zou dit eeuwige feest +zijn zonder deze toespijs? Onze wetten hebben er wijselijk in voorzien; +en aan haar is het te danken, dat deze valbijl zijn droppels op dit +carnaval laat vallen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Schertsen en heerschen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Parijs kent geen grenzen. Geen stad heeft zulk een +heerschappij gehad als de hare, die soms hen bespotte, welke zij onder +het juk bracht. „U te behagen, o Atheniensers!” riep +Alexander. Parijs maakt meer dan wetten, het maakt de mode; meer dan de +mode, den sleur. Parijs kan, als ’t wil, dom zijn, en veroorlooft +zich soms deze weelde; maar dan is de wereld met Parijs dom; doch +straks ontwaakt het, wrijft zich de oogen uit, zegt: „Wat ben ik +dom!” en lacht in ’t aanzien van het geheele menschdom. +Welk een wonder is zulk een stad; ’t is zonderling, dat deze +grootheid en dit bespottelijke zulke goede buren zijn, dat al deze +majesteit door al die parodie niet in de war wordt gebracht, en dat +dezelfde mond heden de bazuin van het laatste oordeel en morgen een +zakpijp kan blazen. Parijs bezit een heerschende vroolijkheid. Zijn +vroolijkheid is de bliksem, en zijn kluchtigheid draagt een schepter. +Zijn orkaan ontstaat soms uit een grimas. Zijn uitbarstingen, zijn +groote dagen, zijn kunstgewrochten, zijn wonderen, zijn heldenfeiten +gaan tot de uitersten der wereld; zijn domheden insgelijks<span class= +"corr" id="xd20e466" title="Niet in bron">.</span> Zijn gelach is de +krater van een vulkaan, die de geheele aarde bespat. Zijn lazzi zijn +vonken. Het legt den volken zoowel zijn caricaturen als zijn ideaal op; +de hoogste monumenten der menschelijke beschaving nemen zijn +spotternijen aan en leenen hun eeuwigheid aan zijn kwajongensstreken. +Parijs is majestueus; het heeft een wonderbare 14 Juli, die den aardbol +vrijmaakt; aan alle natiën laat het den eed van de kaatsbaan doen; +zijn nacht van 4 Augustus vernietigt in drie uren de drieduizendjarige +leenheerschappij; het maakt van zijn logica de speer van den algemeenen +wil; het vermenigvuldigt zich onder de vormen van het verhevene; het +vervult met zijn glans Washington, Kosciusko, Bolivar, Botzaris, Rigo, +Bem, Manin, Lopez, John Brown, Garibaldi; het is overal waar de +toekomst zich verheldert, te Boston in 1779, op ’t eiland Lion in +1820; te Pesth in 1848, te Palermo in 1860; het fluistert het machtige +<span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name= +"pb21">21</a>]</span>wachtwoord: vrijheid! in het oor der Amerikaansche +abolitionisten die bij Harpers-Ferry verzameld zijn, en in het oor der +patriotten van Ancona aan den oever der zee, in de schaduw der Archi +voor de herberg van Gozzi vereenigd; het schept Canaris, Pisacana, +Quiroga; het straalt het grootsche op de wereld uit; ’t is wijl +zijn adem hen voortstuwt, dat Byron te Missolonghi, en Mazet te +Barcelona gaan sterven; het is de tribune onder de voeten van Mirabeau +en de krater onder die van Robespierre; zijn boeken, zijn schouwburg, +zijn kunsten, zijn wetenschappen, letterkunde en wijsbegeerte zijn de +leesboeken voor het menschelijk geslacht; het heeft Pascal, Regnier, +Corneille, Descartes, Jean Jacques; Voltaire voor iederen dag, +Molière voor alle eeuwen; het doet den mond der wereld zijn taal +spreken, en deze taal is woord geworden; in alle geesten bouwt het de +idée van den vooruitgang; de bevrijdende leerstukken, die het +verspreidt, zijn voor de geslachten uitgetrokken zwaarden, en van den +geest zijner denkers en dichters zijn sedert 1789 al de helden van alle +volken gevormd; schoon dat alles het echter niet belet straatjongen te +zijn; en dit groot genie, dat Parijs wordt geheeten, en de wereld door +zijn licht herschept, teekent met houtskool Bouginiers neus op den +tempel van Theseus en schrijft „Credeville dief” op de +pyramiden.</p> +<p>Parijs toont altijd de tanden; als het niet bromt, lacht het.</p> +<p>Zoo is Parijs. De rook zijner schoorsteenen vormt de denkbeelden der +wereld. ’t Is, zoo men wil, een hoop steenen en slijk, maar +bovenal een zedelijk wezen. ’t Is meer dan groot, ’t is +onmetelijk. Waarom? Wijl het durft.</p> +<p>Durven is de prijs van den vooruitgang.</p> +<p>Alle grootsche veroveringen zijn min of meer de prijs der +stoutmoedigheid. ’t Is niet voldoende, dat Montesquieu de +revolutie vooruit ziet, dat Diderot ze preekt, dat Beaumarchais ze +aankondigt, dat Condorcet ze berekent, dat Arouet ze voorbereidt, dat +Rousseau er over mijmert. Danton moet ze durven ondernemen.</p> +<p>De kreet: <i>Durven!</i> is een <i>Daar zij licht!</i> Voor den +vooruitgang van het menschelijk geslacht moeten uit de hoogte steeds +fiere lessen van moed gegeven worden. Vermetelheid begoochelt de +geschiedenis en stelt den mensch in ’t schitterendst licht. De +dageraad durft, wanneer zij aan de kimmen verrijst. Pogen, tarten, +volharden, aanhouden, zich zelven trouw zijn, met het voorstellen de +gebeurtenissen te verstommen door er geen vrees voor te toonen, de +onrechtvaardige macht en de bedwelmde zegepraal tarten, pal staan; +ziedaar het voorbeeld, dat de volken behoeven en het licht dat hen +electriseert. <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name= +"pb22">22</a>]</span>Dezelfde ontzettende bliksem schiet zoowel uit de +toorts van Prometheus als uit Cambronnes stompje.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.12" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Twaalfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De in het volk besloten toekomst.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zelfs als man, is het Parijsche volk altijd +straatjongen; zoo men den jongen schildert, schildert men de stad, en +daarom hebben wij den adelaar in de musch bestudeerd.</p> +<p>’t Is vooral in de voorsteden, wij herhalen het, dat de +Parijzenaar te voorschijn treedt; dáár is de volbloed +Parijzenaar; daar vertoont hij zich in zijn ware gedaante, daar werkt +en lijdt het volk: lijden en werken zijn de twee gestalten der +menschheid. Daar zijn onpeilbare drommen onbekende wezens, en ’t +wemelt er van de zonderlingste typen, van den sjouwerman der +Rapée af tot den viller van Montfaucon. <i lang="la">Fex +Urbis</i>, roept Cicero; <i lang="en">mob</i>, voegt Burke +verontwaardigd er bij. Gemeen volk, gepeupel, deze woorden zijn +gemakkelijk gezegd. Goed! Wat doet het er toe, wat scheelt het mij, dat +zij barrevoets gaan? Zoo zij niet lezen kunnen, des te erger. Moet men +hen daarom aan hun lot overlaten? Moet men van hun nood een vloek +maken? Kan het licht deze drommen niet doordringen? Herhalen wij den +kreet: licht! met volharding. Licht! licht!—Wie weet, of deze +duisternis zich niet zal ophelderen? Zijn de revolutiën geen +herscheppingen? Gaat, wijsgeeren, onderwijst, verlicht, ontvlamt, denkt +luidt, spreekt luid, gaat vroolijk in het volle zonlicht, maakt u met +de openbare pleinen vertrouwd, verkondigt blijde tijdingen, strooit het +alphabet, verklaart de rechten van den mensch, zingt de <span class= +"corr" id="xd20e504" title="Bron: marseillaise">Marseillaise</span>, +zaait geestdrift en breekt de groene takken van de eiken. Laat de +idée een maalstroom worden. Het volk kan gereinigd worden. Laat +ons gebruik maken van deze uitgebreide ontvlamming der beginselen en +deugden, die nu en dan opgaat. Deze bloote voeten, deze bloote armen, +deze lompen, deze onwetendheid, deze verdorvenheid, deze duisternis +kunnen nuttig aangewend worden. Men zie door het volk heen, en men zal +de waarheid ontdekken. Dat men het gemeene zand, ’t welk men +onder den voet treedt, in den oven werpe, het smelt en zal schitterend +kristal worden, en daarmede zullen Newtons en Galiléis sterren +en werelden ontdekken. <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" +name="pb23">23</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.13" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Dertiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De kleine Gavroche.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Acht of negen jaren na de in de tweede afdeeling van +dit werk verhaalde gebeurtenissen, zag men op den boulevard du Temple +en in den omtrek van het Waterkasteel een elf- of twaalfjarigen knaap, +die tamelijk nauwkeurig de type van den hiervoren geschetsten +straatjongen zou hebben verwezenlijkt, zoo, bij den glimlach van zijn +leeftijd op de lippen, zijn hart niet geheel somber en ledig ware +geweest. Deze knaap droeg wel een broek, maar hij had ze niet van zijn +vader, wel een vrouwenjak, maar niet van zijn moeder. Vreemde lieden +hadden hem uit liefdadigheid in de plunje gestoken. Hij had evenwel een +vader en een moeder. Maar zijn vader dacht niet aan hem, en zijn moeder +beminde hem niet. ’t Was een dier bij uitnemendheid +medelijdenswaardige kinderen, die ouders hebben en toch weezen +zijn.</p> +<p>Deze knaap bevond zich nergens liever dan op de straat. Voor hem +waren de straatsteenen minder hard dan het hart zijner moeder.</p> +<p>Zijn ouders hadden hem ruw in de wereld geworpen. En hij was +eenvoudig zijn weg gegaan.</p> +<p>’t Was een drokke, bleeke, vlugge, snuggere, grappige knaap +met levendig, maar ziekelijk voorkomen. Hij ging, liep, zong, speelde, +morste in de goten, stal een weinig, maar vroolijk gelijk de katten en +musschen, lachte wanneer men hem deugniet, en werd kwaad als men hem +bengel noemde. Hij had geen huisvesting, geen brood, geen vuur, geen +liefde; maar hij was vroolijk, wijl hij vrij was.</p> +<p>Zoodra deze arme wezens mannen zijn geworden, ontmoet hen schier +altijd de molensteen der maatschappelijke orde, die hen vermorzelt; als +kind ontsnappen zij, wijl zij klein zijn. Het kleinste gaatje redt +hen.</p> +<p>Hoe verlaten deze knaap was, gebeurde ’t soms echter om de +twee of drie maanden, dat hij zeide: Kom, ik ga moeder bezoeken! Dan +verliet hij den boulevard, den circus, de porte St. Martin, ging langs +de kaden, over de bruggen naar de voorsteden tot aan la +Salpetrière, en waar kwam hij daar? Juist voor het dubbel nummer +50–52, dat de lezer reeds kent, aan het vervallen +huis-Gorbeau.</p> +<p>Op dit tijdstip was dit oude huis 50–52, dat gewoonlijk ledig +stond en met het bordje: „kamers te huur,” +prijkte—zeldzamerwijs—bewoond door verscheidene personen, +die overigens, <span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name= +"pb24">24</a>]</span>gelijk dit immer te Parijs het geval is, volstrekt +in geen betrekking tot elkander stonden. Allen behoorden tot die +armoedige klasse, welke aanvangt bij den geringen burger, die in +slechte omstandigheden verkeert, en van den eenen trap van armoede tot +den anderen in de maatschappelijke diepte verzinkt, tot aan de volgende +twee wezens, bij wie alle stoffelijke zaken der beschaving een einde +nemen: den gotenschepper, die het slijk wegveegt, en den +voddenraper.</p> +<p>De „hoofdhuurderes,” tijdens Jean Valjean er woonde, was +overleden en door een dergelijke vervangen. Ik weet niet, welke +wijsgeer gezegd heeft: <span class="corr" id="xd20e531" title= +"Niet in bron">„</span>Aan oude vrouwen is nooit +gebrek.<span class="corr" id="xd20e534" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Deze nieuwe oude vrouw heette vrouw Burgon en had niets merkwaardigs +in haar leven dan een dynastie van drie papegaaien, die achtereen over +haar hart geregeerd hadden.</p> +<p>De armste dergenen, die het oude huis bewoonden, was een gezin van +vier personen, vader, moeder, en twee bijna volwassen dochters, allen +in dezelfde kamer gehuisvest, in een dier cellen, waarvan wij reeds +gesproken hebben.</p> +<p>Dit gezin vertoonde bij den eersten aanblik niets bijzonders dan de +uiterste armoede. De vader had, toen hij de kamer huurde, gezegd, dat +hij Jondrette heette. Eenigen tijd nadat hij hier ingetrokken was, +welke intrekking, om de eigenaardige uitdrukking der +„hoofdhuurderes” te bezigen, een „verhuizing van +niets” geleek, had Jondrette aan deze vrouw gezegd, die gelijk +haar voorgangster, tevens portierster was en de trap +veegde:—„Buurvrouw, zoo iemand mocht komen om een Pool of +een Italiaan, of ook een Spanjaard te spreken... deze ben +ik.”</p> +<p>Die familie was de familie van den vroolijken barvoetigen knaap. Hij +kwam te huis en vond er nood; doch wat treuriger was, geen enkelen +glimlach; koude aan den haard en koude in de harten. Wanneer hij +binnenkwam, vroeg men hem:—„Van waar komt +ge?”—Hij antwoordde:—„Van de +straat.”—Wanneer hij heen ging, vroeg men +hem:—„Waar gaat ge heen?” en hij antwoordde: +„Naar de straat.” Zijn moeder vroeg hem: „Wat komt ge +hier doen?”</p> +<p>Deze knaap leefde in ontbering van alle liefde, gelijk bleeke +grasscheuten in de kelders bij gemis van alle licht. Hij leed er niet +onder en nam het niemand kwalijk. Hij wist eigenlijk niet hoe een vader +en een moeder zijn moesten.</p> +<p>Zijn moeder beminde evenwel zijn zusters.</p> +<p>Wij hebben vergeten te zeggen, dat men op den boulevard du Temple +dezen knaap den kleinen Gavroche noemde. Waarom heette hij Gavroche? +Waarschijnlijk omdat zijn vader Jondrette heette. <span class= +"pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span></p> +<p>Den familieband te verbreken, schijnt bij sommige arme familiën +een instinct te zijn.</p> +<p>De kamer, welke het gezin Jondrette in het huis Gorbeau bewoonde, +was de laatste aan het einde van de gang.</p> +<p>De cel er naast werd bewoond door een zeer arm jong mensch, die +mijnheer Marius werd genoemd.</p> +<p>Laat ons zeggen wie mijnheer Marius was. <span class= +"pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek II.</h2> +<h2 class="main">De groote burger.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name= +"pb29">29</a>]</span> +<div id="ch2.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Negentig jaren en twee-en-dertig tanden.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In de straat Boucherat, in de straat de Normandie, en +in de straat Saintonge bestaan nog eenige lieden, die zich een oud man, +een zekeren mijnheer Gillenormand, herinneren en gaarne van hem +spreken. Deze man was reeds oud, toen zij jong waren. Zijn gestalte is +voor hen, die met droefgeestigen blik dat flauwe schimmengewemel +aanschouwen, ’t welk men het verleden noemt, nog niet geheel en +al uit dien doolhof van straten in den omtrek van den Temple verdwenen, +waaraan, onder de regeering van Lodewijk XIV, de namen van al de +provinciën van Frankrijk werden gegeven, gelijk men in onzen tijd +aan de straten der nieuwe wijk Tivoli de namen van al de hoofdsteden +van Europa gegeven heeft; een bewijs van vooruitgang ook in dit +opzicht.</p> +<p>De heer Gillenormand die in 1831 nog springlevend was, was een dier +menschen, welke door hun hoogen leeftijd merkwaardig worden en thans +ongemeen zijn, terwijl zij vroeger als iedereen geleken en thans op +niemand meer gelijken. Hij was een zonderling grijsaard en wel degelijk +een man van een andere eeuw, de volmaakte en een weinig trotsche burger +der achttiende eeuw, die even fier op zijn oud burgerschap was als de +markies op zijn markiezaat. Hij was over de negentig jaar oud, ging +rechtop, sprak luid, zag helder, dronk goed, at, sliep en ronkte +evenals vroeger. Hij had nog al zijn twee-en-dertig tanden. Slechts om +te lezen gebruikte hij een bril. Hij was verliefd van natuur, maar +zeide dat hij sedert tien jaren bepaald geheel en al van de vrouwen had +afgezien. Hij kon niet meer behagen, zooals hij zeide; hij voegde er +echter niet bij: ik ben te oud; maar: ik ben te arm; ware ik niet +geruïneerd... O!—Hij bezat inderdaad slechts een inkomen van +omstreeks vijftien duizend francs. Zijn eenigste wensch was te erven en +honderd duizend francs rente te bezitten om <span class= +"pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name= +"pb30">30</a>]</span>maitressen te kunnen houden. Hij behoorde, gelijk +men ziet, niet tot die soort van ziekelijke grijsaards die, zooals +Voltaire, levenslang sterven; hij had niet het lange leven van een +gebarsten pot; de fiksche grijsaard was altijd gezond geweest. Hij was +oppervlakkig, driftig, spoedig vergramd. Bij elke gelegenheid bruiste +hij op, meestal ten onrechte. Zoo men hem tegensprak, hief hij zijn +stok op, en sloeg de menschen als in de „groote eeuw.” Hij +had een ongehuwde dochter van over de vijftig jaar, welke hij duchtig +ranselde, als hij toornig werd, en zeer gaarne zelfs had gegeeseld. Zij +was voor hem niet ouder dan acht jaar. Zijn dienstboden gaf hij +oorvegen, noemde ze beesten! en overlaadde ze met vloeken. Toch was hij +soms buitengewoon kalm en rustig; en liet zich dagelijks door een +barbier scheren, die krankzinnig was geweest en mijnheer Gillenormand +haatte, wijl hij jaloersch op hem was, om zijn vrouw, een bekoorlijke +coquette.</p> +<p>De heer Gillenormand bewonderde zijn eigen knapheid in alle zaken, +en verklaarde zich zelven voor zeer schrander en verstandig; hij zeide +onder anderen: „Ik heb waarlijk zooveel scherpzinnigheid, dat ik +u zou kunnen zeggen van welke vrouw ik de vloo heb, die mij +bijt.” De woorden, die hij ’t meest gebruikte, waren: +„de gevoelige mensch” en „de natuur.” Hij gaf +aan dit laatste woord niet dezelfde grootsche beteekenis, die onze eeuw +er aan hecht, maar mengde het op zijn wijze onder zijn bijtende +uitvallen in het hoekje van den haard.—De natuur, zeide hij, +schenkt der beschaving, opdat zij een weinig van alles hebbe, zelfs +velerlei soorten van vermakelijke barbaarschheden. Europa heeft +staaltjes van Azië en Afrika in klein formaat. De kat is een +kamertijger, de hagedis een zakkrokodil. De danseressen der opera zijn +rozeroode wilden. Zij eten de mannen niet op, maar zuigen ze uit. +Ofwel—die tooveressen!—zij veranderen ze in oesters en +slikken ze aldus. De Karaïeben laten slechts de beenderen over, +zij niets dan de schaal. Zoo zijn onze zeden. Wij verslinden niet, maar +knagen; wij vernietigen niet, maar houden toch vast met onze +klauwen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Zoo de man, zoo de woning.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij woonde in het Marais, in de straat des filles du +Calvaire No. 6. Het huis behoorde hem. Dit huis is sedert afgebroken en +herbouwd, en het nummer ervan waarschijnlijk in de <span class= +"pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name= +"pb31">31</a>]</span>omwentelingen der hernummering, welke de straten +van Parijs ondergaan, veranderd. Hij bewoonde ruime ouderwetsche +vertrekken op de eerste verdieping, tusschen de straat en de tuinen. De +wanden waren er tot aan de zoldering behangen met groote tapijten van +Gobelin en Beauvais, waarop herderlijke tafereelen voorgesteld werden, +die op de bekleedsels der stoelen in ’t klein waren nageschetst. +Zijn bed was achter een groot kamerscherm van negen, met Coromandelsch +lakwerk versierde, bladen verborgen. Lange gordijnen hingen in +prachtige zware plooien voor de ramen. De vlak onder zijn vensters +liggende tuin was met een der ramen, die den hoek vormde, verbonden +door middel van een twaalf of vijftien treden hooge trap, die de goede +man zeer vlug op- en afging. Behalve een bibliotheek naast zijn kamer +had hij een boudoir, waarop hij zeer gesteld was, met een leliegeel +behang versierd, dat op order van den heer de Vivonne, die ’t +zijne minnares wilde geven, op de galeien van Lodewijk XIV door de +galeislaven vervaardigd was. Dit had de heer de <span class="corr" id= +"xd20e590" title="Bron: Gillernormand">Gillenormand</span> van een +knorrige tante van moederszijde geërfd, die honderd jaar oud was +geworden. Hij had twee vrouwen gehad. In zijn manieren bezat hij iets +van een hoveling, als hij nooit geweest was, en van een +magistraatspersoon, als hij had kunnen zijn. Hij was vroolijk en als +hij wilde vleiend. In zijn jongen tijd was hij een derzulken geweest, +die altijd door hun vrouwen en nooit door hun minnaressen bedrogen +worden, wijl zij tegelijk de onaangenaamste echtgenooten en de +teederste minnaars zijn. Hij was kunstkenner. In zijn kamer had hij een +bewonderenswaardig schoon portret van een onbekende, door Jordaens met +stout penseel geschilderd. De kleeding van mijnheer Gillenormand was +niet uit den tijd van Lodewijk XV of van Lodewijk XVI; ’t was het +kostuum der <i lang="fr">incroyables</i> (modegekken) van het +Directoire. Tot dien tijd had hij zich altijd jong geloofd en de mode +gevolgd. Zijn rok was van licht laken met breede overslagen, panden zoo +lang als zwaluwstaarten en groote stalen knoopen. Daarbij een korte +broek en gespen op de schoenen. Hij hield altijd de handen in zijn +zakken, en zei dikwijls met gezag: „De Fransche Revolutie was +niets dan een hoop bandieten.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb32" href="#pb32" name="pb32">32</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Zijn doopnamen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op zijn zestiende jaar had hij de eer gehad, op +één avond in de opera te gelijk door twee destijds rijpe +en vermaarde schoonheden, beide door Voltaire bezongen, door la Camargo +en la Sallé begluurd te worden. Tusschen twee vuren geraakt, had +hij toen een heldhaftigen aftocht gemaakt naar een kleine danseres, +Naherry genaamd, die evenals hij zestien jaar oud en geheel onbekend +was, en op wie hij verliefd was geworden. Hij vloeide over van +herinneringen. „O!” riep hij vaak, „hoe schoon was +Guimard, toen ik haar het laatst te Longchamps zag, met haar heerlijke, +sentimenteele lokken, turkooizen-oorbellen, nieuwmodisch kleed en +mof!”—In zijn jongelingsjaren had hij een buis à la +Nain-Londrin gedragen, waarvan hij gaarne en met genoegen +sprak.—„Ik was als een Turk uit de Levant gekleed,” +zeide hij dan. Mevrouw de Boufflers, die hem toevallig had gezien, +noemde hem, toen hij twintig jaar oud was: „een allerliefste +dwaas.” Hij ergerde zich over al de namen, welke hij in de +politiek en het bewind zag, en vond ze gemeen en burgerlijk. Hij las de +dagbladen, en noemde ze in lachen uitbarstend de „nieuwe +papieren.” „Wie zijn toch deze lieden: Corbiere, Humann! +Casimir Perier!” vroeg hij dan, „zijn zij ministers? Wat +zou ’t grappig zijn, zoo ik eens in de courant las: mijnheer de +minister Gillenormand.—Nu, zij zijn dom genoeg om zoo iets te +doen!” Hij noemde alles onbewimpeld bij den waren naam, zonder +zich in de tegenwoordigheid van vrouwen te ontzien. De grootste +onbetamelijkheden en vuilste taal sprak hij op zulk een ongedwongen en +kalmen toon uit, alsof ’t zoo behoorde.</p> +<p>Wel was dit de ongedwongenheid zijner eeuw. Het is opmerkelijk, dat +de tijd van sierlijke omschrijvingen in dichtmaat juist die van ruwheid +in het proza was. Zijn peet had voorspeld, dat hij een man van genie +zou zijn en had hem de twee veelbeteekenende namen van Luc-Esprit +gegeven. (Lucas-Geest). <span class="pagenum">[<a id="pb33" href= +"#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een aspirant naar de honderd jaar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In zijn kindsheid had hij in de school te Moulins, +waar hij geboren was, menigmaal prijzen behaald en was er zelfs door de +hand van den hertog van Nivernais, dien hij den hertog van Nevers +noemde, bekroond. Noch de conventie, noch de dood van Lodewijk XIV, +noch Napoleon, noch de terugkomst der Bourbons, hadden de herinnering +aan die bekroning kunnen uitwisschen. De „hertog van +Nevers” was voor hem de groote figuur der eeuw. „Welk een +goed, groot heer was hij, en hoe fraai stond hem het blauwe +lint,” dus sprak hij dikwijls. In zijn oogen had Katharina II de +misdaad van Polens verbrokkeling uitgewischt, door van Bestuchef voor +drie duizend roebels het geheim van het goud-elixer te koopen. Als hij +daarvan sprak, geraakte hij in vuur. „Het goud-elixer,” +riep hij dan, „de gele tinctuur van Bestuchef, de droppels van +generaal Lamotte,—het was in de negentiende eeuw, voor een +louisd’or het fleschje van een half ons, het groote hulpmiddel +tegen de rampen der liefde, het <i>panacee</i> tegen Venus. Lodewijk XV +zond er tweehonderd flesschen van aan den paus.”—Men zou +hem vertoornd en tot het uiterste gebracht hebben, zoo men hem gezegd +had, dat het goud-elixer niets anders dan perchlorure van ijzer was. +Mijnheer Gillenormand vereerde de Bourbons en verfoeide 1789; zonder +ophouden kon hij vertellen, op welke wijze hij tijdens het schrikbewind +ontsnapt was, en hoe vroolijk en schrander hij had moeten zijn om zijn +hoofd te kunnen behouden. Zoo een jongeling het waagde hem met lof van +de republiek te spreken, werd hij zoo rood van toorn, dat hij schier in +onmacht viel. Soms zinspelend op zijn negentig jaren zeide hij: +„Ik hoop niet, dat ik tweemalen drie-en-negentig jaren zal +beleven.” Een andermaal echter gaf hij weer te kennen, dat hij +voornemens was honderd jaar oud te worden. <span class= +"pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Basque en Nicolette.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij had theorieën. Eene er van was: „Zoo +een man de vrouwen hartstochtelijk bemint en hij zelf een vrouw heeft, +die hem onverschillig, die leelijk, bits, en bijgevolg vol +aanmatigingen, desnoods jaloersch is en op het wetboek steunt, schiet +hem slechts één middel over om rust en vrede te hebben, +namelijk: die vrouw over de beurs te laten beschikken. Deze afstand +maakt hem vrij. Dan toch heeft de vrouw bezigheid, krijgt zooveel lust +in ’t geld tellen, dat haar vingers vuil worden, rijdt de +huurders en pachters na, raadpleegt procureurs, notarissen, advocaten, +procedeert, stelt huurcontracten op, gevoelt zich meesteres, koopt, +verkoopt, regelt, belooft, bindt en ontbindt, brengt nu alles in orde, +dan in wanorde, bezuinigt, verspilt, doet dwaasheden, hetgeen een groot +geluk is, en vindt daarin haar troost. Terwijl de echtgenoot haar +veronachtzaamt, heeft zij dus het vermaak hem te ruïneeren.” +Deze theorie had mijnheer Gillenormand op zich zelven toegepast en zij +was zijn geschiedenis geworden. Zijn tweede vrouw toch had zijn +vermogen zóó beheerd, dat den heer Gillenormand, toen hij +op zekeren dag weduwnaar werd, juist genoeg overbleef om ervan te +kunnen leven, zoo hij alles op lijfrente zette, hetgeen een rente van +vijftienduizend francs uitmaakte, waarvan drie vierden met hem te niet +moesten gaan. Hij had zich niet lang bedacht en er zich weinig om +bekommerd, of hij al dan niet een erfenis naliet. Bovendien had hij +gezien, dat eigendommen aan verandering onderhevig waren en, bij +voorbeeld, soms „nationaal eigendom” konden worden; en daar +hij tierceering had bijgewoond, stelde hij ook in het grootboek geen +crediet.—Dat alles was „straat Quincampoix,” +zwendelarij. Wij hebben gezegd, dat het huis in de straat „des +filles du Calvaire” hem behoorde. Hij had twee dienstboden, +„een mannelijke en een vrouwelijke.” Zoodra iemand bij den +heer Gillenormand in dienst kwam, werd die door hem herdoopt. Hij gaf +den mannen den naam hunner provincie: Nîmois, Courtois, Poitevin +of Picard. Zijn laatste knecht was een dik, amechtig man van +vijf-en-vijftig jaar, die geen twintig schreden kon loopen; doch daar +hij te Bayonne geboren was, noemde de heer Gillenormand hem Basque. De +dienstmeiden heetten alle Nicolette bij hem, zelfs Magnon, van wie +later zal gesproken worden. Op zekeren dag bood een keukenmeid van den +eersten rang hem haar dienst aan. <span class="pagenum">[<a id="pb35" +href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span></p> +<p>„Hoeveel loon begeert ge ’s maands?” vroeg +mijnheer Gillenormand.</p> +<p>„Dertig francs.”</p> +<p>„Hoe heet ge?”</p> +<p>„Olympia.”</p> +<p>„Ge zult vijftig francs hebben en Nicolette heeten.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Magnon met haar twee kinderen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij den heer Gillenormand uitte zich de smart in +toorn; hij kon woedend zijn over zijn wanhoop. Hij had allerlei +vooroordeelen en veroorloofde zich alles. Bovenal was hij trotsch en +innig tevreden dat hij, zooals wij gezegd hebben, nog in zijn ouderdom +zoo galant was gebleven en daarvoor ook gehouden werd. Hij noemde dit +een koninklijke vermaardheid. En zij bezorgde hem ook zonderlinge +voordeelen. Op zekeren dag bracht men hem in een oestermand een dik +pasgeboren knaapje, schreeuwende als de drommel en goed ingebakerd, +waarvan hem het vaderschap werd toegeschreven door een dienstmeid, +welke hij zes maanden geleden had weggejaagd. Mijnheer Gillenormand was +toen vier-en-tachtig jaar oud. Ergernis en gebabbel in de buurt. +„Wien zou die schaamtelooze zoo iets durven wijs maken? Welk een +vermetelheid, welk een schandelijke laster!” Maar mijnheer +Gillenormand was er volstrekt niet verstoord over. Hij beschouwde het +kind met den tevreden glimlach van iemand, wien de laster vleit, en +zei: „Welnu, wat zou dat, wat is er te doen? ge verwondert u +waarlijk als menschen, die van niets weten. De hertog van +Angoulême, bastaard van zijne Majesteit Karel IX, trouwde, toen +hij vijf-en-tachtig jaar oud was, met een nufje van vijftien jaar, +mijnheer Virginal, markies van Alluye, broeder van den kardinaal de +Sourdis, aartsbisschop van Bordeaux, verwekte, drie-en-tachtig jaar oud +zijnde, een zoon bij een kamenier van de presidentsvrouw Jaquin, een +waar kind der liefde, die Malthezer ridder en staatsraad met den degen +werd; een der grootste mannen dezer eeuw, de abt Tabaraud, is de zoon +van een zeven-en-tachtigjarig man. Die dingen hebben niets +buitengewoons. En dan de bijbel! Ik verklaar echter, dat deze kleine +niet van mij is. Toch moet men hem verzorgen. ’t Is zijn schuld +niet.”—Zijn handelwijze was waarlijk goedaardig.</p> +<p>Het schepsel, dat Magnon heette, zond hem het volgende <span class= +"pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>jaar een +dergelijk geschenk. Nu kapituleerde mijnheer Gillenormand. Hij gaf aan +de moeder de twee kleinen terug en verbond zich, om maandelijks tachtig +francs voor hun onderhoud te betalen, op voorwaarde dat gezegde moeder +het er nu bij zou laten. Hij voegde er nog bij: „Ik verlang, dat +de moeder ze goed behandelen zal. Van tijd tot tijd zal ik ze +bezoeken.” En dit deed hij. Hij had een broeder gehad, die +priester en dertig jaren rector der academie van Poitiers geweest en op +negen-en-zeventigjarigen ouderdom overleden was. Toch zeide hij, dat +<i>hij hem jong verloren had</i>. Deze broeder, die weinige +herinneringen heeft achtergelaten, was een vreedzame vrek, die als +priester zich verplicht achtte den armen, welke hij ontmoette, +aalmoezen te geven, maar hun ook niets dan slecht of valsch geld +schonk, en aldus het middel vond langs den weg des hemels naar de hel +te gaan. Mijnheer Gillenormand senior zag op geen aalmoes en gaf gaarne +en mild. Hij was goedhartig, ruw, liefdadig, en ware hij rijk geweest, +hij zou misschien naar prachtlievendheid zijn overgeheld. Alles moest, +voor zoover ’t hem aanging, op groote schaal gebeuren, zelfs +schurkenstreken.</p> +<p>Eenmaal, toen hij bij een erfenis op de gemeenste en tastbaarste +wijze door een zaakwaarnemer geplukt was, riep hij op plechtige wijze: +„Foei! dat is slordig! ik schaam mij er over. Alles ontaardt in +deze eeuw, zelfs de schelmen. Wat duivel! zóó laat iemand +van mijn soort zich niet plunderen. Ik ben bestolen als in een bosch, +maar gemeen bestolen. <i lang="la">Silvæ sint consule +dignæ.</i>”—Hij had, zooals wij zeiden, twee vrouwen +gehad; van de eerste had hij een dochter, die ongehuwd was gebleven, en +van de tweede nog een dochter, die op dertigjarigen leeftijd gestorven +was, na uit liefde of toevallig met een soldaat van fortuin getrouwd te +zijn geweest, die in de gelederen van republiek en keizerrijk gediend +en bij Austerlitz het kruis gekregen had, te Waterloo tot kolonel was +verheven en door den ouden burger nochtans <i>de schandvlek der +familie</i> werd genoemd. Hij snoof sterk en wist zeer bevallig met den +rug zijner hand de snuifkorrels van zijn kanten chabot te slaan. Aan +God geloofde hij niet sterk.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Regel: ontvang alleen des avonds bezoek.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zoo was mijnheer Luc Esprit Gillenormand, die zijn +meer grijze dan witte haren nog niet verloren had en nog altijd +<span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name= +"pb37">37</a>]</span>naar de mode zijner jeugd gekapt was. Overigens +was hij bij dat alles zeer deftig.</p> +<p>Hij had iets van de achttiende eeuw: beuzelachtig en groot.</p> +<p>In het jaar 1814 en de eerste jaren der restauratie woonde +Gillenormand, destijds nog jong—hij was niet ouder dan +vier-en-zeventig jaar—in de voorstad Saint-Germain, in de straat +Servandoni, bij Saint-Sulpice. Eerst toen hij zich van de wereld +afzonderde, trok hij naar het Marais en wel met tachtig jaren achter +den rug. De wereld verlatende, was hij als door zijn gewoonten ommuurd. +De voornaamste en de onwrikbaarste was, dat hij des daags zijn deur +gesloten hield en niemand, voor welke zaak het ook ware, anders dan des +avonds ontving. Hij dineerde te vijf uren en zette dan zijn deur open. +’t Was de mode zijner eeuw en hij wilde er niet van +afzien.—„De dag is schelmachtig,” zeide hij, +„en verdient niets dan gesloten vensters. Fatsoenlijke menschen +laten hun geest lichten als het luchtruim zijn sterren +ontsteekt.”—En dus bleef hij voor ieder, zelfs voor den +koning, ongenaakbaar. Dat was de oude bevalligheid van zijn tijd.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Twee maken geen paar.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Van de twee dochters des heeren Gillenormand hebben +wij reeds gesproken. De eene was tien jaren voor de andere geboren. In +haar jeugd geleken zij weinig op elkander, zoomin wat gelaat als +karakter betreft, en schenen bijna geen zusters te zijn. De jongste +wendde haar bekoorlijk hart naar al wat licht was, zij hield zich met +bloemen, verzen en muziek bezig, kon zich met etherische +geestvervoering in hooger sferen verplaatsen en was reeds van haar +kindsheid af aan het ideaal van een denkbeeldigen held verloofd. Ook de +oudste had haar droombeelden; zij zag in de wolken een zeer rijken +leverancier, een van domheid schitterend echtgenoot, een mensch +geworden millioen, of wel een prefect; terwijl de receptiën in +’s prefects huis, de boden in de voorkamer met een keten om den +hals, de officiëele bals, de aanspraken in de mairie en het +denkbeeld: de vrouw van een prefect te zijn, in haar verbeelding +<span class="corr" id="xd20e678" title="Bron: dooreeen">dooreen</span> +dwarrelden. Beide zusters hadden alzoo ieder haar wenschen, toen zij +jong waren. Beide hadden vleugelen: de eene als van een engel, de +andere als van een gans.</p> +<p>Geen eerzucht wordt, ten minste niet hier op aarde, volkomen +vervuld. Er is geen aardsch paradijs meer in onzen tijd. <span class= +"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span>De +jongere zuster was met den man harer droomen getrouwd, maar stierf. De +oudste was niet getrouwd.</p> +<p>Op het oogenblik, dat zij in onze geschiedenis optreedt, was zij een +oude vrome, onontvlambare nuf, met den puntigsten neus en het stompste +verstand, dat men maar vinden kon. Een karakteristieke bijzonderheid +was ’t voorzeker, dat niemand buiten den engen familiekring ooit +haar voornaam geweten had. Men noemde haar altijd de oudste mejuffrouw +Gillenormand. Wat de preutschheid betreft, zou zij ’t van een +Engelsche dame zelfs gewonnen hebben. ’t Was de beschaamdheid tot +het uiterste gedreven. Zoolang zij leefde, vervolgde haar +één schrikkelijke herinnering; eens toch had een man haar +kousenband gezien.</p> +<p>En deze onmeêdoogende beschaamdheid was met de jaren nog erger +geworden. Haar halsdoek was nooit dicht genoeg en zij kon ze nooit hoog +genoeg ophalen. Zij zette steeds meer haken en oogen aan en stak zelfs +spelden, waar niemand er aan dacht om te gluren. Het eigenaardige der +preutschheid is immers ook, dat er te meer schildwachten worden gezet, +naarmate de vesting minder wordt bedreigd.</p> +<p>Toch liet zij zich—wie er in staat toe is verklare deze oude +verborgenheid der onschuld—niet ongaarne door een officier der +lanciers omhelzen, die haar achterneef was en Theodule heette.</p> +<p>In spijt nochtans van dien begunstigden lancier kwam haar de +benaming van „preutsch”, welke wij haar gegeven hebben, +toch volkomen toe. Juffrouw Gillenormand was een soort van +schemeringsziel. De preutschheid is half deugd, half ondeugd.</p> +<p>Bij haar preutschheid voegde zij nog dweperij, dubbele voering voor +zulk een kleed. Zij behoorde tot het genootschap der H. Maagd, droeg op +sommige feestdagen een witten sluier, prevelde bijzondere gebeden, +vereerde het „heilige bloed” en „het heilige +hart”, kon uren lang aandachtig voor een kakelbont opgeschikt +jezuïetisch altaar in een afzonderlijke, voor ’t geloovig +gemeen gesloten kapel blijven liggen, en liet daar haar ziel omhoog +stijgen naar marmeren wolkjes en groote vergulde houten stralen.</p> +<p>Zij had een kerkvriendin, een bedaagde maagd als zij, en daarbij +zeer dom, die juffrouw Vaubois heette, en bij wie juffrouw Gillenormand +het geluk had voor een genie door te gaan. Uitgezonderd de Agnus Dei en +de Ave Maria, verstond juffrouw Vaubois niets, dan het op verschillende +wijzen toebereiden van confituren. Juffrouw Vaubois, volmaakt in haar +soort, was de hermelijn der domheid zonder een enkel smetje verstand. +<span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name= +"pb39">39</a>]</span></p> +<p>Wij moeten zeggen, dat juffrouw Gillenormand bij de vermeerdering +harer jaren meer gewonnen dan verloren had, zooals bij lijdelijke +naturen gewoonlijk het geval is. Zij was nooit slecht geweest, hetgeen +betrekkelijk goed is; bovendien slijt de ouderdom de hoeken, en had de +tijd haar week gemaakt. Zij had een sombere treurigheid, waarvan zij de +oorzaak niet wist. In geheel haar persoon uitte zich de verbazing over +een geëindigd leven, dat geen begin heeft gekend.</p> +<p>Zij bestierde de huishouding van haar vader. Mijnheer Gillenormand +had zijn dochter evenzoo bij zich, als Monseigneur Bienvenu zijn +zuster. Zulke huishoudingen van een grijsaard en een oude vrijster zijn +niet zeldzaam en vertoonen het aandoenlijk tooneel van twee zwakheden, +die elkander steunen.</p> +<p>Bovendien stond in dit huis, tusschen deze oude vrijster en dezen +grijsaard in: een kind, een knaapje, steeds sprakeloos en bevende als +mijnheer Gillenormand er bij was. Nooit sprak mijnheer Gillenormand dat +kind anders dan op strengen toon en soms met opgeheven stok +toe.—„Hier, domoor, deugniet, kom nader!—Antwoord, +schelm!—Zoo ge mij weder onder de oogen durft komen!” enz. +enz. enz. Toch aanbad hij het kind.</p> +<p>Het was zijn kleinzoon. Wij zullen dat kind wedervinden. +<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name= +"pb41">41</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek III.</h2> +<h2 class="main">De grootvader en de kleinzoon.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name= +"pb43">43</a>]</span> +<div id="ch3.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een voormalig salon.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni +woonde, bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij +werd er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij +een dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke +men hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan +waar hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs +invloed uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig +houde; die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. +Mijnheer Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de +koningsgezinde kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn +eigenwaarde. Hij was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan +Mr. de Bonald en Bengy-Puy Vallée.</p> +<p>Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij +mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou, +woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder Lodewijk +XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de T...., die +zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische verrukkingen en +vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, niets nalatende dan +tien deelen handschriften, gebonden in rood marokijn en verguld op +snede, die zeer merkwaardige herinneringen ten opzichte van Mesmer +behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve deze gedenkschriften niet +uitgegeven, en leefde van een kleine rente, die haar, men weet niet +hoe, was overgebleven. Zij leefde van ’t hof verwijderd! een +„zeer gemengde wereld,” zooals zij het in haar edele, fiere +en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden zich +tweemaal ’s weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een +zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang men +treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kreten +<span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name= +"pb44">44</a>]</span>van afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de +bonapartisten, de veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers +werd gegeven, en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er +fluisterend over de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.</p> +<p>Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon +Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste +vrouwen zelfs, geraakten<a id="xd20e727" name="xd20e727"></a> er in +verrukking over verzen als deze, aan de federalisten gericht:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Renfoncez dans vos culottes</p> +<p class="line">Le bout d’ chemise qui vous pend.</p> +<p class="line">Qu’on n’ dis pas qu’ les +patriotes</p> +<p class="line">Ont arboré l’ drapeau blanc!<a class= +"noteref" id="xd20e738src" href="#xd20e738" name= +"xd20e738src">1</a></p> +</div> +<p class="first">Men vermaakte zich met woordspelingen die men +vreeselijk vond, met onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en +met verzen van vier, zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het +ministerie-Desolles, een gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en +Deserre zitting hadden.</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Pour raffermir le trône ebranlé sur sa +base,</p> +<p class="line">Il faut changer de sol et de serre et de case<a class= +"noteref" id="xd20e747src" href="#xd20e747" name= +"xd20e747src">2</a></p> +</div> +<p class="first">Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een +afschuwelijke Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen +aaneen.</p> +<p>Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld +den zin van het <i lang="fr">ça ira</i> om en zong:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Ah! ça <i>ira</i>! ça <i>ira</i>! +ça <i>ira</i>!</p> +<p class="line">Les buonapartist’ à la lanterne!</p> +</div> +<p class="first">Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden +onverschillig, heden dezen, morgen genen. ’t Zijn slechts +variatiën.</p> +<p>In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd +werd, koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès +„buonapartist” was. Men noemde de liberalen „broeders +en vrienden,” en dit was een beleediging in den hoogsten graad. +<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name= +"pb45">45</a>]</span></p> +<p>Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee +weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de +Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid +toefluisterde: „Ge weet wel, het is Lamothe van dat +parelsnoer.”</p> +<p>Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.</p> +<p>In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het +aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam +zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering van +koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering van +hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De oude, groote +wereld verhief zich boven deze wet als boven alle andere. Marigny, +broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins van Soubise. +Hoewel? neen, <i>omdat</i> hij dit was. Du Barry, peet van la +Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne gezien. +Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van +Guémenié waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, +mits hij tevens een god was.</p> +<p>De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige +grijsaard was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende +houding, zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, +zijn tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in +een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander waren +geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.</p> +<p>Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid +„in tel” en, zonderling, ook door den naam van Valois.</p> +<p>Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, +was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij was, +en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn voorkomen +indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, gepaard aan +zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De jaren +omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.</p> +<p>Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit den +ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, na Lodewijk +XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den naam van graaf van +Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk XIV met de meest +kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van markies van +Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde dit +goed.—„Alle koningen, die geen koning van Frankrijk +zijn,” zeide hij, „zijn provincie-koningen.” Op +zekeren dag vroeg men <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" +name="pb46">46</a>]</span>in zijn tegenwoordigheid: waartoe de +redacteur van den <i>Courier Français</i> veroordeeld was? en +toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte Gillenormand +op<a class="noteref" id="xd20e807src" href="#xd20e807" name= +"xd20e807src">3</a>, dat <i>sus</i> hier te veel was. Woorden als deze +geven iemand vermaardheid.</p> +<p>Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons +het <i>Te Deum</i> werd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij +Talleyrand zag voorbijgaan: „Ziedaar Zijne Excellentie de +Booze.”</p> +<p>Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange +dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en +door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke +oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem om +hem heen te hooren fluisteren: „Welk een lieve knaap! hoe jammer, +die arme jongen!” Dit knaapje nu was het kind, van ’t welk +wij zoo even gesproken hebben. Men noemde hem—„arme +jongen”—wijl hij een „bandiet van de Loire” tot +vader had.</p> +<p>Deze „bandiet van de Loire” was dezelfde behuwdzoon van +mijnheer de Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de +schandvlek zijner familie genoemd had.</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e738" href="#xd20e738src" name= +"xd20e738">1</a></span> Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat +men niet zegge, dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.</p> +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e747" href="#xd20e747src" name= +"xd20e747">2</a></span> Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, +Decases en Deserre. De beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om +den op zijn grond vesten geschokten troon te schragen, men van bodem, +<i>de sol</i>, van broeikas, <i>de serre</i>, en van hut, <i>de +case</i>, veranderen moet; alzoo Desolles, Deserre, Decases moesten +vervangen worden.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e807" href="#xd20e807src" name="xd20e807">3</a></span> Een +woordspeling. Door van <i>suspendu</i> (geschorst) de eerste +lettergreep <i>sus</i> te nemen, krijgt men <i>pendu</i> +(gehangen).</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een der roode spoken van dien tijd.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de +schoone monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig +door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, en dan +een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man van +vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen pet, een +broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was genaaid, dat +vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen droeg. Zijn +gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn hart schier +wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over de wang. Hij +ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde bijna dagelijks, +met een spade en een snoeimes in de hand, in een der met muren omgeven +tuinen, die als een terrassen-keten den linker Seine-oever met hun +bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij grooter waren, +<i>hoven</i>, en zoo zij kleiner <span class="pagenum">[<a id="pb47" +href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span>waren, <i>bloemruikers</i> +konden heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de +rivier, aan ’t andere einde aan een huis. De man met het buis en +de klompen, van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier +tuintjes en het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en +eenzaam, stil en arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch +leelijke, noch boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het +stukje grond, dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad +vermaard om de schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er +zijn bezigheid.</p> +<p>Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het +hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen en +dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij was +<span class="corr" id="xd20e849" title= +"Bron: vingdingrijk">vindingrijk</span> en Soulange Bodin zelfs voor +geweest in de aanwending van heidegrond voor de kweeking van zeldzame +en kostbare Amerikaansche en Chineesche heesters. Des zomers was hij +reeds met het opgaan der zon tusschen zijn bloembedden bezig om te +enten, te snoeien en te begieten, alles met een uitdrukking van +goedheid, treurigheid en zachtheid op het gelaat; stond dan soms uren +lang onbewegelijk naar het gezang van een vogel in een boom en het +neuriën van een kind in huis te luisteren, of staarde naar een +grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed schitteren als +een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij dronk meer melk +dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd door zijn +dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw ware, ging +zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, die aan +zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, een oud goed +man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de eersten de +besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen en rozen te +zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was de bandiet van +de Loire.</p> +<p>Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de +biographieën, den <i>Moniteur</i> en de bulletins van het groote +leger had gelezen, zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo +dikwerf in voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was +deze Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De +Revolutie brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger +van den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen +van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in +1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, te +Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de +tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden. +<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name= +"pb48">48</a>]</span>Met twaalf man hield hij achter den ouden wal van +Andernach het corps van den prins van Hessen tegen en trok niet eerder +naar het leger terug, dan toen het vijandelijk geschut een groote bres +had geschoten. Onder Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht +van Mont-Palissel, waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen +trok hij naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, +die met Joubert den <i>Colde-Tende</i> verdedigden. Joubert werd +hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant +bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het +schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: +Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn ouden +generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven sabel, +voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden van den +veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua naar ik +weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij in een +wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche +kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks +verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar +Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch de +kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij met +stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, dat +troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot aan +de spuigaten volgeladen was.</p> +<p>In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog +Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van +kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9<sup>e</sup> reg. +dragonders doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde +zich te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur +des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische +garde een <span class="corr" id="xd20e867" title= +"Bron: bataillon">bataljon</span> van het 4e linieregiment in de pan +hakte, behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde +overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag +achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te +Ulm krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het +groote leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. +Vervolgens ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment +van Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige +kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met +zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen +van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, +welke levend <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name= +"pb49">49</a>]</span>dit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. +Vervolgens zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, +Dresden, Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen +Montmirail, Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der +Aisne, en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te +Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar +zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men +uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht +dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een +kameraad geruild en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat +men in den ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem +hetzelfde, of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als +officier een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door +oefening verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden +voortgekomen, zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en +infanteristen zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te +Waterloo was hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. +Hij was ’t, die het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, +en het aan de voeten des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt +door een sabelhouw, dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen +riep hem de keizer tevreden toe: „Ge zijt kolonel, ge zijt baron, +ge zijt officier van het legioen van eer!” Toen antwoordde +Pontmercy: „Sire, ik dank u voor mijn weduwe.” Een uur +later viel hij in den hollen weg van Ohain. En wie was nu die Georges +Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.</p> +<p>Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag +van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit den +hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het leger te +voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in het +kantonnement der Loire voort te sleepen.</p> +<p>De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, +natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning +Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet +gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier +van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel +van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan +om zich <i>kolonel baron Pontmercy</i> te teekenen. Hij had slechts +één blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van +officier van het legioen van eer op te hechten. De procureur des +konings deed hem verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragen +<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name= +"pb50">50</a>]</span>dezer decoratie zou vervolgen. Toen deze +waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, antwoordde Pontmercy +met bitteren glimlach: „Ik weet niet of ik geen Fransch meer +versta, of dat gij ’t niet meer spreekt, maar dit weet ik, dat ik +u niet begrijp.”—Vervolgens ging hij acht dagen achtereen +met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of +drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant +van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant +Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd +handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe aan +generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde stof +als zijn keizer gemaakt.</p> +<p>Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen +gemaakt, die weigerden Flaminius te groeten en die iets van +Hannibal’s ziel in zich hadden.—Op zekeren ochtend toen hij +den procureur des konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij +hem en vroeg: „Is ’t geoorloofd, mijnheer de procureur des +konings, dat ik mijn litteeken drage?”</p> +<p>Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. +Te Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men +heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk had +hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw +Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig +verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: „De +aanzienlijkste familiën zijn er toe gedwongen.” In 1815 was +mevrouw Pontmercy, een alleszins bewonderenswaardige, verhevene, +zeldzame en haar echtgenoot waardige vrouw, overleden en had hem een +kind nagelaten. Dit kind zou den kolonel in zijne eenzaamheid een +vreugd zijn geweest; maar de grootvader had gebiedend zijn kleinzoon +opgeëischt, en verklaard dat hij hem, zoo men ’t kind niet +gaf, onterven zou. De vader had zich in ’t belang van den kleine +onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet meer bezitten kon, de +bloemen gaan liefhebben.</p> +<p>Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam +geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen de +onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij +verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier te +verbeiden en Austerlitz te gedenken.</p> +<p>Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. +De kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel een +zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met +„zijn baronie” te spotten. Men <span class= +"pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>was +nadrukkelijk overeengekomen, dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon +te zien of te spreken, op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd +teruggezonden zou worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een +pestziekte. Zij wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de +kolonel ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp +zich, in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven +opofferde.</p> +<p>De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude +juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was +rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke +erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar +niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, de +toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader hem +bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon te +begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en +meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, +langzamerhand in zich opnam,—slechts met schaamte en een beklemd +hart aan zijn vader denken kon.</p> +<p>Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden +eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf ontsnapte +gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van St. Sulpice, +omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de mis bracht. +Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, achter een +pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn kind. De +dappere krijger was bang voor een oude vrijster.</p> +<p>Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt +Mabeuf, ontstaan.</p> +<p>Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester van +St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij ’t aanschouwen van zijn +kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen +die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, die +zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den +kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.</p> +<p>Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij +kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van St. +Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden brachten, +onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit werd door +meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, werd +eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met de +geheele geschiedenis <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" +name="pb52">52</a>]</span>bekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn +gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had ten +gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te +gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den +pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, is +er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en een +oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert +zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; +een ander verschil is er niet.</p> +<p>Tweemaal ’s jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. +Georges, schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken +zijn tante hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd +was. Dit was alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in +zeer teedere brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te +lezen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Requiescant.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy +van de wereld kende. ’t Was de eenige opening, door welke hij het +leven kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude +dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd en +licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten tijd +treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook ernstig. +Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, schouwde hij met +ernstige verbazing in ’t rond. Alles vereenigde zich om zijn +verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw T. waren oude +adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, Levis, +dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze +ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest +van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, en +wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, ten +halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge +gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, +waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden +eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de +kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, +maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag. +<span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name= +"pb53">53</a>]</span></p> +<p>Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone +bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de +markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; de +markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van „Charles +Antoine” gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die +hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, +geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden +kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de +markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk de +verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M..., een +goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, +steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke +cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer +verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij +zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en +daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten had +geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, den eed had +geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de hoofden en +lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te rapen; en daar +zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, hadden hun roode +galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, die ’s ochtends +droog en ’s avonds vochtig was. Van deze treurige verhalen +vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er Marat en +verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een thans +verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord du +Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van de +rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met zijn +korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar den +heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van den +graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die op +Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen en +de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.</p> +<p>Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den +heer Larose, zijn medearbeider aan <i lang="fr">la Foudre</i> zeide: +Wel! wie is er geen vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de +abt Letourneur, hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of +bisschop, of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder +knoopen droeg; de abt Keravenant, pastoor van +Saint-Germain-de-Prés; dan de pauselijke nuntius, dan Monsignor +Macchi, aartsbisschop van Nisibi, later kardinaal, <span class= +"pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name= +"pb54">54</a>]</span>merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, +en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, een +der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der uitmuntende +liberische baziliek, advocaat der heiligen, <i lang="it">postulatore di +Sancti</i>, ’t geen tot de zaken der kanonisatie behoort en +zooveel als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. +Eindelijk twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... +Mgr. de kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren +later de eer zou hebben in den <i>Conservateur</i> naast Chateaubriand +zijn artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van +Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn neef +den markies de T..., die minister van marine en van oorlog is geweest. +De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke grijsaard, die +onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen vertoonde, en +zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie en zijn +bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die destijds op +zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van Cl... +T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en de +scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, +monseigneur Cottret, bisschop <i>inpartibus</i> van Carysta het: +„Markeer, abt, ik caramboleer!” toeriep. De kardinaal de +C... T... was door zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop +van Senlis een van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de +Roquelaure was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen +ijver voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door +de glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de +Fransche Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop +van Senlis aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met +violetkleurige kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk +om zijn staand boordje beter in ’t oog te doen vallen. Al deze +geestelijken, schoon evenzeer hovelingen als mannen der kerk, +vermeerderden de deftigheid van den salon van mevrouw T...., waaraan +vijf pairs van Frankrijk, de markies de Vib..., de markies de Tal..., +de markies d’Herb..., de vicomte Damb... en de hertog de Val... +niet weinig luister bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van +Non..., dat wil zeggen vreemd soeverein prins, had zulk een verheven +denkbeeld van Frankrijk en van het pairschap, dat hij alleen door dit +glas alles bezag. Hij zeide: „De kardinalen zijn de Fransche +pairs van Rome; de lords zijn de Fransche pairs van Engeland.” +Overigens—want in deze eeuw moet de revolutie wel overal +zijn—gaf in dezen adellijken salon, zooals wij gezegd hebben, een +burger, de heer de Gillenormand, den toon aan. <span class= +"pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span></p> +<p>Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij +vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er +quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een weinig +regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, zou er +zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit +verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige +bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich te +beteren.</p> +<p>De „adellijke” salons van heden gelijken die salons niet +meer. De voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De +koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, +bij toen vergeleken.</p> +<p>Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte er +onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en veel +hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei verfijning +onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, schoon +begraven, nog leefde.</p> +<p>Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen zonderling. +Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben gehouden wat +slechts verouderd was. Men noemde een vrouw <i>mevrouw de +generaalse</i>. ’t Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw de +<i>kolonelse</i> zeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk +als herinnering aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, +stelde deze benaming boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de +Crequi noemde zich mevrouw de <i>kolonelse</i>.</p> +<p>Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de +verfijning ingevoerd om, met den koning sprekende, „de +koning” in den derden persoon en nooit „uwe +majesteit” te zeggen, daar deze titel door den +„overweldiger bezoedeld was.”</p> +<p>Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. +Men bespotte er de eeuw, ’t geen iemand ontsloeg om haar te +begrijpen. Men hielp elkander in verwondering. Men deelde elkander het +licht mede dat men bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode +hielp den blinde op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz +verstreken, van nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de +gratie Gods in het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren +de emigranten van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner +jongelingschap.</p> +<p>Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was er +nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de salons, +scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren reeds +eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien +ouderwetsch. De meesters werden er <span class="pagenum">[<a id="pb56" +href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span>bediend door dienstboden, even +verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich +tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat was er +bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was „in goeden reuk +te staan.” Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer +eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. ’t +Was een wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de +knechts opgezet.</p> +<p>Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts +één dienstmaagd had, sprak voortdurend van „mijne +dienstboden.”</p> +<p>Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was er +<i>ultra</i>.</p> +<p><i>Ultra</i> te zijn,—het woord heeft, hoezeer hetgeen het +vertegenwoordigt misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. +Laat ons dit verklaren.</p> +<p><i>Ultra</i> zijn is overdrijven. ’t Is den schepter in naam +van den troon, en den mijter in naam van het altaar aanranden; ’t +is de zaak, die men behandelt, mishandelen; ’t is achteruit +schoppen in het tuig; ’t is den brandstapel om de meer of mindere +gaarheid der ketters lastig vallen; ’t is den afgod zijn weinige +afgoderij verwijten; ’t is door te veel eerbied beleedigen; +’t is in den paus te weinig pausdom, in den koning te weinig +koningschap en in den nacht te veel licht zien; ’t is in naam der +blankheid ontevreden zijn op het albast, op de sneeuw, op den zwaan en +op de lelie; ’t is voor sommige zaken zoo vooringenomen zijn, dat +men er bijna vijandig tegen wordt; ’t is zoozeer „voor +iets” zijn, dat men er „tegen” wordt!</p> +<p>De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der +Restauratie.</p> +<p>Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt +en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, +den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren een +buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk en +somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de +duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog +bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en +die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en +treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;—niets +gelijkt meer naar ’t ontwaken dan de terugkomst;—het was er +een groep, die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder +spottend beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, +met wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên, +<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name= +"pb57">57</a>]</span>die over alles verbaasd waren, van brave en edele +edellieden, verheugd in Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt +dat ze hun vaderland mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie +niet wedervonden; het was de adel der kruistochten, die den adel van +het keizerrijk, namelijk den adel van den degen, beschimpte; +historische geslachten, die den zin der geschiedenis vergeten hadden; +zonen van hen die Karel den groote <span class="corr" id="xd20e981" +title="Bron: verzelden">vergezelden</span> en de kameraden van Napoleon +verachtten. De degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was +bespottelijk en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en +heette een sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel +meer voor hetgeen groot noch besef van ’t geen bespottelijk was. +Er was iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet +meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo wij +toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen geest +pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een +voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed +verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom +van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en +begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!</p> +<p>Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte +tijden, toen Martainville geestiger dan Voltaire was.</p> +<p>Die salons hadden een eigen <span class="corr" id="xd20e988" title= +"Bron: litteratuur">literatuur</span> en politiek. Men geloofde er aan +Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er +Colnet, den publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd +er niet anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere +plaats, die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als +luitenant-generaal der koninklijke legers vond, was slechts een +concessie welke men den tijdgeest deed.</p> +<p>Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenige +<i>doctrinaires</i> op, als een onrustbarend verschijnsel<span class= +"corr" id="xd20e996" title="Niet in bron">.</span> Dezen waren +koningsgezind, maar slechts toen ze ’t moesten zijn. Waar de +ultra’s zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig +beschaamd. Zij waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd +door hoogmoed tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien +maakten zij een nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en +dicht geknoopte rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk der +<i>doctrinaires</i> was, dat zij de jeugd oud maakten. Zij namen de +houding van wijsgeeren aan. Zij droomden er van om op een absoluut en +buitensporig beginsel een gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met +zeldzame schranderheid een afbrekend liberalisme <span class= +"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name= +"pb58">58</a>]</span>tegenover een behoudend. Zij zeiden: „Genade +voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst +bewezen. Het heeft ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, +den eerbied weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, +beminnend en verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe +grootheid der natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft +ongelijk dat het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, +de jongere denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. +Maar het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij ’t ook +soms niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij +zijn, moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in +weerspraak met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! +Het <span class="corr" id="xd20e1004" title= +"Bron: revolutionnaire">revolutionaire</span> Frankrijk heeft geen +eerbied voor het historische Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is +voor zich zelven. Na den 5 September behandelt men den adel der +monarchie evenals men ’t na den 8 Juli den adel van het +keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig tegen den adelaar, wij zijn +onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men dan altijd iets te bannen +hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan de kroon van Lodewijk XIV haar +verguldsel te ontnemen, het schild van Hendrik IV stuk te slaan? Wij +lachen om de Vaublanc, die aan de brug van Jena de N liet uitwisschen. +Wat deed hij dan? Hetzelfde dat wij doen. Bouvines behoort ons evenals +Marengo. De lelie behoort ons evengoed als de N. ’t Is ons +erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men moet evenmin het vaderland in +het verleden als in het tegenwoordige verloochenen. Waarom niet de +geheele geschiedenis aangenomen? Waarom niet geheel Frankrijk +bemind?<span class="corr" id="xd20e1008" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, dat +misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het beschermd +werd. De ultra’s kenmerkten het eerste tijdperk van het +royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde +behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.</p> +<p>In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig +oogenblik der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er +in ’t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen +dier nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en +zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige +herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat +verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar +grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, +noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd. <span class= +"pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span></p> +<p>Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de +handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een +onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, +die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in die +van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de +rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had +weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge +wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.</p> +<p>Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, +godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die +tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid +ontaarde.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De bandiet sterft.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het einde van Marius’ klassieke studie viel +samen met de verwijdering van den heer Gillenormand uit de groote +wereld. De grijsaard nam afscheid van de voorstad St. Germain en den +salon van mevrouw T... en betrok het huis in de straat des +Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij had er, behalve den portier, +dezelfde Nicolette in zijn dienst, die op Magnon was gevolgd en den +amechtigen hijgenden Basque, van wien we boven reeds hebben +gesproken.</p> +<p>In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren +avond te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de +hand.</p> +<p>„Marius,” zei mijnheer de Gillenormand, „morgen +moet ge naar Vernon vertrekken.”</p> +<p>„Waarom?” vroeg Marius.</p> +<p>„Om uw vader te bezoeken.”</p> +<p>Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de +mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem +onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer +zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. ’t Was geen +verdriet, maar een last.</p> +<p>Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn +vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij +goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; ’t was bewezen, wijl +hij hem anders niet verlaten en aan <span class="pagenum">[<a id="pb60" +href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>anderen overgegeven zou hebben. +Nu hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was +eenvoudiger naar hij dacht.</p> +<p>Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets vroeg. +Deze hernam:</p> +<p>„’t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te +zien.”</p> +<p>En hij voegde er na eenig zwijgen bij:</p> +<p>„Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een +wagen vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij +zegt, dat er haast bij is.”</p> +<p>Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had +denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend +bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy reed +destijds ’s nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand +noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.</p> +<p>Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en +daar werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, +dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij +was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader +evenmin als baron of kolonel.</p> +<p>Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een +lampje in de hand opende de deur.</p> +<p>„Is mijnheer Pontmercy er ook?” vroeg Marius.</p> +<p>De vrouw bleef onbewegelijk.</p> +<p>„Ben ik terecht?” vroeg Marius.</p> +<p>De vrouw knikte bevestigend.</p> +<p>„Zou ik hem dan kunnen spreken?”</p> +<p>De vrouw schudde ontkennend het hoofd.</p> +<p>„Maar ik ben zijn zoon!” hernam Marius. „Hij wacht +mij.”</p> +<p>„Hij wacht u niet meer,” sprak de vrouw.</p> +<p>Toen zag hij, dat zij weende.</p> +<p>Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij +trad binnen.</p> +<p>In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars +verlicht, waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een +in ’t hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was +de kolonel.</p> +<p>De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.</p> +<p>De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den +aanvang der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij +mijnheer de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. +Denzelfden avond van Marius’ komst te Vernon <span class= +"pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>had de +kolonel een aanval van waanzin gehad; hij was, in weerwil van de +pogingen der dienstbode, uit het bed gekomen en had geroepen: +„Mijn zoon komt niet, ik ga hem te gemoet!”—Toen was +hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de voorkamer nedergezonken. Daar +was hij ook gestorven.</p> +<p>Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.</p> +<p>De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat +gekomen.</p> +<p>Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den +overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was +gevloeid.</p> +<p>Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was +om het uitblijven van zijn zoon gestort.</p> +<p>Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst +zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, +die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar bruine +lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar kogels +hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat aan dit +gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, een +stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader was en +nu was gestorven, en hij bleef koel.</p> +<p>Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder +anderen doode gevoeld zou hebben.</p> +<p>Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde +in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer +wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.</p> +<p>Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door +hun tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier +vreemdeling. En Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd +en verlegen in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet +hem vallen, opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam +hem vast te houden.</p> +<p>Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste +en verachtte hij zich zelven om die daad.</p> +<p>Maar was ’t zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader +niet, welnu!</p> +<p>De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte +ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond +een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel had +er op geschreven:</p> +<p>„<i>Voor mijn zoon.</i> De keizer heeft mij op het slagveld +van Waterloo baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist +van dezen titel, dien ik met mijn bloed betaald heb, <span class= +"pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span>zal mijn +zoon hem nemen en voeren. ’t Spreekt vanzelf dat hij hem waardig +zal zijn.” Op de achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: +„In dienzelfden slag van Waterloo redde een sergeant mij het +leven. Deze man heet Thénardier. Ik geloof, dat hij in den +laatsten tijd op een dorp in de omstreken van Parijs te Chelles of +Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn zoon Thénardier +ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan.”</p> +<p>Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor +den dood, die in ’t menschelijk hart altijd zoo gebiedend +spreekt, nam Marius het papier en stak het bij zich.</p> +<p>Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet zijn +degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren plunderden +den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten +verwilderden en verstierven.</p> +<p>Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na +de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn +studiën, zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze +nooit geleefd had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in +drie dagen was hij vergeten.</p> +<p>Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Om revolutionair te worden, is ’t zeer goed de +mis bij te wonen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd +behouden. Op een Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en +wel in dezelfde kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde +toen hij nog klein was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender +dan ooit achter een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel +te letten, op welks rug: <i>de heer Mabeuf, kerkmeester</i> geschilderd +stond. Nauwelijks was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde +hem en zeide:</p> +<p>„Mijnheer, dit is mijn plaats.”</p> +<p>Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik +nam.</p> +<p>Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van +daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:</p> +<p>„Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u +nogmaals storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u +verklaring geven.” <span class="pagenum">[<a id="pb63" href= +"#pb63" name="pb63">63</a>]</span></p> +<p>„Dat is onnoodig, mijnheer,” zei Marius.</p> +<p>„Neen,” hernam de oude man, „ik wil niet, dat ge +een slecht denkbeeld van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats +gehecht. Het is mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen +waarom. Tien jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden +een arm, goed vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander +middel had om zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken +belette. Hij kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend +was, naar de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn +vader daar was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij +een vader had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem +niet zien zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme +man aanbad zijn kind. Ik heb ’t gezien. Die plek is als ’t +ware heilig voor mij geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te +hooren. Ik verkies ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op +heb. Ik heb dien ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een +schoonvader, een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind +dreigden te onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich +opgeofferd, opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men +scheidde hem van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen +politieke meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, +een mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo +bijgewoond; daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij +was kolonel onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij +woonde te Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, +Pontmarie of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht +litteeken!”</p> +<p>„Pontmercy,” zei Marius verbleekend.</p> +<p>„Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?”</p> +<p>„Mijnheer,” zei Marius, „hij was mijn +vader.”</p> +<p>De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: „Zijt ge +zijn zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme +zoon, gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief +gehad!”</p> +<p>Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den +volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:</p> +<p>„Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge +het toe, dat ik mij voor drie dagen verwijder?”</p> +<p>„Wel vier,” antwoordde de grootvader, „ga en +vermaak u.<span class="corr" id="xd20e1163" title= +"Bron: ’">”</span></p> +<p>En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:</p> +<p>„Zeker een liefdesgeschiedenis.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch3.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.</p> +<p>Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, ging +regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de verzamelde +<i>Moniteurs</i>.</p> +<p>Hij las den <i>Moniteur</i>, hij las de geheele geschiedenis van +Republiek en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle +gedenkschriften, dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij +verslond alles. Toen hij den eersten keer in de bulletins van het +groote leger zijns vaders naam vond, had hij de geheele week de koorts. +Hij bezocht de generaals, onder welke Georges Pontmercy gediend had, +onder anderen den graaf H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een +bezoek, en deze vertelde hem van het afgezonderde leven des kolonels, +van zijn bloemen en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den +zeldzamen, verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij +zijn vader volkomen.</p> +<p>Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn +gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij +verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder +hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: +„Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!”—Soms +voegde de grijsaard er bij:—„Drommels, ik meende dat het +slechts een galanterie was. Maar ’t schijnt werkelijk liefde te +zijn.”</p> +<p>En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief +te hebben.</p> +<p>Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn +denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar dit de +geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het +noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen +en aan te wijzen.</p> +<p>De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte +hem.</p> +<p>De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch +waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De +Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een +zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan +een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, +aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, +Vergniaud, <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name= +"pb65">65</a>]</span>Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, +Danton, en een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij +was. Voor zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de +eerste verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, +en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, +zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden +zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; ieder +dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in twee groote +feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van het +burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in de +souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; hij +zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit het +Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn geweten +verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.</p> +<p>Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende +waardeering over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan +te voeren. ’t Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien +wij aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap +noodig. Dit eens vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor ’t +geen volgen zal; gaan wij nu voort.</p> +<p>Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als +zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was met +vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde aan +den eenen, vereerde aan den anderen kant.</p> +<p>Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn +ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo zijn +vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, +meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, hoe +zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader gespoed en +uitgeroepen hebben: „Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; ik heb +hetzelfde hart als gij!” O, hoe zou hij zijn grijze hoofd gekust, +zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, zijn handen +gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd hebben! Ach, +waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, +vóór de rechtvaardigheid, vóór de liefde +van zijn zoon gestorven! Marius’ hart was zoo vol zuchten, dat +het telkens, helaas! schreide. Toen werd hij tevens meer degelijk en +ernstig, meer zeker van geloof en meeningen. Ieder oogenblik hielp het +licht der waarheid zijn rede. Er ontstond in hem als een inwendige +vermeerdering van groeikracht. Hij gevoelde, dat hij natuurlijk grooter +werd door hetgeen die beide hem geheel nieuwe dingen, zijn vader en +zijn vaderland, hem brachten. <span class="pagenum">[<a id="pb66" href= +"#pb66" name="pb66">66</a>]</span></p> +<p>Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem +openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans +zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken +geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, +en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan zijn +vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem toch +reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf en +lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk ook +die van Napoleon gevolgd.</p> +<p>Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.</p> +<p>Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 +omtrent Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, +al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te +misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg +had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik +gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en om +<i>hem</i> voor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks +bewezen, de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de +partij van 1814 beurtelings de schrikbarendste maskers—van wat +vreeselijk en toch grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is +daarenboven, van Tiberius af tot Blauwbaard toe—te voorschijn +treden. Wanneer er dus van Bonaparte werd gesproken, stond beide, +weenen of lachen, vrij, mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. +Marius’ geest had, nopens dezen man,—zooals men hem +noemde—nooit andere denkbeelden gekoesterd. Zij waren met de in +zijn aard liggende vasthoudendheid saamgeweven. Er was een hardnekkig +ventje in zijn binnenste, dat Napoleon haatte.</p> +<p>Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele +stukken en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs +den sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen +iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent +Bonaparte als al het overige bedrogen had.</p> +<p>Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor +stap, aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap +en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de +donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende +trappen der geestvervoering.</p> +<p>Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht +brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te lezen. +Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengden <span class= +"pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span>zich met +zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men hoort +onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij komen; men +ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die twaalfmaal +grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de sterren +fonkelen;—’t is een ontzettend grootsch gezicht!</p> +<p>Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen op +het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam zijns +vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk +daagde voor hem op; hij gevoelde als ’t ware dat er een zwellende +vloed in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim +voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe +zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, +het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, +verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen +naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, +fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek en +zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart was +beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, zonder +te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, richtte hij +zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak vooruit in de +schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de eeuwige +onmetelijkheid, en riep: „Leve de Keizer!”</p> +<p>Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche +menscheneter—de overweldiger,—de dwingeland,—het +monster dat de minnaar zijner eigen zuster was,—de komediant wien +Talma les gaf,—de vergiftiger van Jaffa,—de +tijger,—Buonaparte,—dat alles verdween en maakte plaats in +zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, waarin, op onbereikbare +hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar blonk. De Keizer was voor +zijn vader niets anders dan de geliefde veldheer geweest, dien men +bewondert en voor wien men zich opoffert; voor Marius was hij iets +meer. Voor hem was hij de voorbestemde grondvester van het Fransche +volk, dat, in de wereldheerschappij, op het Romeinsche volgde. Voor hem +was hij de wonderbare opbouwer van hetgeen was ingestort, de opvolger +van Karel den Groote, van Lodewijk XI, van Hendrik IV, van Richelieu, +van Lodewijk XIV en van het comité van algemeen welzijn, een +man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, en zelfs zijne misdaden +had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar die ook verheven in zijn +misslagen, schitterend in zijn vlekken, machtig in zijn misdaden +bleek.</p> +<p>Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen had +<span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name= +"pb68">68</a>]</span>van „de groote natie” te spreken. Hij +was meer nog; hij was het menschgeworden Frankrijk zelf, dat Europa +veroverde met den degen dien hij droeg, en de wereld door het licht dat +van hem afstraalde. Marius zag in Bonaparte het begoochelend +droombeeld, dat immer aan de grenzen zal oprijzen om de toekomst te +bewaken. Despoot was hij, maar ook dictator; despoot, uit de republiek +ontstaan, en een revolutie in zich opnemend. Napoleon werd voor Marius +de volkmensch, gelijk Christus de Godmensch is.</p> +<p>Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem +bedwelmde, dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; +eenmaal op een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. +Het fanatisme voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn +enthousiasme voor de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, +vermengd met het genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding +tegelijkertijd het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende +opzichten bedroog hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde +alles goed. Soms kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling +ontmoeten. Zijn goed geloof was zoo sterk, dat hij alles +onvoorwaardelijk aannam. Op de nieuwe baan, die hij betrad, +veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling der grieven van de oude +regeering en de afmeting van Napoleons roem, de verzachtende +omstandigheden.</p> +<p>Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den +val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was +veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had +zich omgewend.</p> +<p>Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er +iets van vermoedde.</p> +<p>En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud +ultra-bourbonsche huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, +den jakobijn en den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al +revolutionnair, innig democraat en bijna republikein was geworden, ging +hij naar een graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er +honderd kaartjes met het opschrift: „Baron Marius +Pontmercy.”</p> +<p>Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, een +verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij echter +niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier +kon afgeven, stak hij ze in zijn zak.</p> +<p>Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich +meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de +kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij +zich meer van zijn grootvader <span class="pagenum">[<a id="pb69" href= +"#pb69" name="pb69">69</a>]</span>verwijderde. Wij hebben ’t +reeds gezegd, dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand +niet meer behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de +wanklanken, die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des +grijsaards moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is +stuitend en bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider +politieke meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius +dikwijls tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen +de brug instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal +gevoelde Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid +bij de gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen +onmeedoogend aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind +en het kind zijn vader ontnomen had.</p> +<p>Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn +grootvader geworden.</p> +<p>Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen +hoe langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo +zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde +studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De +grootvader hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: „Hij is +verliefd; ik ken die dingen.”</p> +<p>Marius was nu en dan afwezig.</p> +<p>„Waar zou hij toch heengaan?” vroeg tante.</p> +<p>Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar +Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem had +achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den +herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet +gegaan, de herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen +was. Door al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.</p> +<p>„Nu is ’t zeker,” zei de grootvader; „zijn +hoofd raakt in de war.”</p> +<p>Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd +iets aan een zwart lint om den hals droeg. <span class= +"pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch3.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een vrouw in ’t spel.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wij hebben van een lansier gesproken.</p> +<p>Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, +die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven +leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de +voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij had +een „dames-taille,” droeg een opgestreken knevel en liet +zijn sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo +zelden, dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander +slechts bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te +hebben, de gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat +zij hem niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, +allerlei uitmuntende hoedanigheden toe.</p> +<p>Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een +opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter +slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor +een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde +vertrekken.—”’t Is goed!” had grootvader daarop +geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog optrekkende, bijgevoegd: +„Hij blijft ’s nachts uitgaan.” Tante was in +gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: +„’t Is erg! waar gaat hij toch heen?” Zij vermoedde +zekerlijk een of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich +verborg of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van +willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het +nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In de +geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig naar een +schandaal.</p> +<p>Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te +vernemen.</p> +<p>Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning +bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en +zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de +Restauratie in zwang was. ’t Was een eentonige arbeid en een +onwillige werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de +deur werd geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar +stond de luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn +militairen groet. <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" +name="pb71">71</a>]</span></p> +<p>Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en +tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer te +zien.</p> +<p>„Gij hier, Théodule!” riep zij.</p> +<p>„Voor een oogenblik, tante.”</p> +<p>„Maar kus mij toch!”</p> +<p>„Komaan,” zei Théodule.</p> +<p>En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en +opende ze.</p> +<p>„Ge blijft immers de geheele week?”</p> +<p>„Neen, ik vertrek van avond, tante.”</p> +<p>„Dat is onmogelijk!”</p> +<p>„Stellig!”</p> +<p>„Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden +mag.”</p> +<p>„Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! ’t Is heel +eenvoudig. Wij wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun +naar Gaillon. Om uit het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet +men Parijs door. En toen dacht ik: ik ga tante eens +bezoeken.”</p> +<p>„Dit is voor uw moeite.” En zij drukte hem tien +louisd’ors in de hand.</p> +<p>„Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve +tante.”</p> +<p>En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het +genoegen, dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform +geschaafd werd.</p> +<p>„Doet ge de reis te paard met uw regiment?” vroeg +zij.</p> +<p>„Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof +verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de diligence. +Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde.”</p> +<p>„Wat dan?”</p> +<p>„Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet +waar?”</p> +<p>„Hoe weet ge dat?” hernam tante, plotseling door haar +nieuwsgierigheid opnieuw geprikkeld.</p> +<p>„Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een +plaats te bespreken.”</p> +<p>„Welnu?”</p> +<p>„Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. +Ik zag zijn naam op het register.”</p> +<p>„Welken naam?”</p> +<p>„Marius Pontmercy.”</p> +<p>„Welk een losbol!” riep tante. „Ja, uw neef is zoo +ordelijk niet als gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te +brengen!”</p> +<p>„Evenals ik.”</p> +<p>„Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem +losbandigheid.” <span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" +name="pb72">72</a>]</span></p> +<p>„Duivels!” zei Théodule.</p> +<p>Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw +Gillenormand; zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou +zij zich voor het voorhoofd hebben geslagen. „Weet ge ook of neef +u kent?” vroeg zij.</p> +<p>„Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit +verwaardigd op mij te letten.”</p> +<p>„En ge gaat dus morgen beiden op reis?”</p> +<p>„Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé.”</p> +<p>„Waar gaat die diligence heen?”</p> +<p>„Naar Andelys.”</p> +<p>„Gaat Marius dan ook naar Andelys?”</p> +<p>„Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik +stap te Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te +pakken. De reisroute van Marius ken ik echter niet.”</p> +<p>„Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem +Marius te noemen. Gij heet ten minste Théodule.”</p> +<p>„Ik zou liever Alfred willen heeten,” zei de +officier.</p> +<p>„Luister, Théodule.”</p> +<p>„Ik luister al, tante.”</p> +<p>„Let dan op.”</p> +<p>„Ik let op.”</p> +<p>„Nu, luistert ge?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Marius is dikwerf afwezig.”</p> +<p>„Ei, ei!”</p> +<p>„Hij reist veel.”</p> +<p>„Aha!”</p> +<p>„Hij blijft ’s nachts uit.”</p> +<p>„Zoo, zoo!<span class="corr" id="xd20e1388" title= +"Niet in bron">”</span></p> +<p>„En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt.”</p> +<p>Théodule antwoordde met de kalmte van een man van +ondervinding:</p> +<p>„Een vrouw in ’t spel.”</p> +<p>En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij +er bij:</p> +<p>„Een liefje.”</p> +<p>„Ja, ’t is duidelijk!” riep tante nu, die mijnheer +Gillenormand meende te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en +achterneef schier op denzelfden toon uitspraken, geheel en al +overtuigde. Zij hernam:</p> +<p>„Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in ’t +oog. ’t Zal u gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er +een liefje is, moet ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de +geschiedenis. Dat zal zijn grootvader pleizier doen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name= +"pb73">73</a>]</span></p> +<p>Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd +toch verteederd door de tien louisd’ors, die mogelijk nog +vermeerderd konden worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: +„<span class="corr" id="xd20e1408" title= +"Bron: Zools">Zooals</span> ’t u belieft, tante;” en voegde +er in stilte bij:</p> +<p>„Nu ben ik duegna geworden.”</p> +<p>Juffrouw Gillenormand kuste hem.</p> +<p>„Gij zoudt dergelijke streken niet doen, +Théodule,” sprak zij. „Gij gehoorzaamt de +krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een nauwgezet mensch, +die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten zou om een deerne +na te loopen.”</p> +<p>De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men +dezen om zijn eerlijkheid prees.</p> +<p>Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, +zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, het +eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was ’t een vaste +gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.</p> +<p>Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence „Vernon! +de reizigers voor Vernon!” De luitenant Théodule +ontwaakte.</p> +<p>„Ha!” bromde hij nog half slapend, „hier moet ik +er uit.”</p> +<p>Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, +en dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd’ors; en aan het +verslag, dat hij op zich genomen had van Marius’ gedrag te zullen +doen. Dit bracht hem aan ’t lachen.</p> +<p>„Hij is misschien niet meer in het rijtuig,” dacht +hij<span class="corr" id="xd20e1430" title="Niet in bron">,</span> zijn +kleintenue-jasje dichtknoopende. „Wellicht is hij er te Poissy of +te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds te +Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts naar +Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, wat +drommel zal ik de goede oude schrijven?”</p> +<p>Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje +der coupé voorbij.</p> +<p>„Zou ’t Marius zijn?” dacht de luitenant.</p> +<p>Het was Marius.</p> +<p>Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een +boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: Koopt +bloemen voor uw dames.</p> +<p>Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar +mandje.</p> +<p>„Nu waarlijk,” zei Théodule uit de coupé +springende, „word ik zelf nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen +gaan brengen? Zulk een fraai bouquet moet wel voor een zeer schoon +meisje zijn. Ik wil <span class="corr" id="xd20e1449" title= +"Bron: ze">haar</span> zien.” <span class="pagenum">[<a id="pb74" +href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span></p> +<p>En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, +begon hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te +volgen.</p> +<p>Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames +stapten uit de diligence, hij zag er niet naar om. ’t Scheen +alsof hij niets zag van ’t geen hem omgaf.</p> +<p>„Wat is hij verliefd!” dacht Théodule.</p> +<p>Marius ging naar de kerk.</p> +<p>„Heerlijk!” dacht Théodule. „De kerk, dat +is het juist. Rendez-vous, met een weinig mis gekruid, zijn de beste. +Niets bekoorlijker dan een lonkje dat langs een kruisbeeld +gaat.”</p> +<p>Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar +verdween hij achter den hoek van een der zijmuren.</p> +<p>„Het rendez-vous is buiten,” zei Théodule, +„laat ons nu zien, wie ’t liefje is.”</p> +<p>En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn +moest.</p> +<p>Daar gekomen bleef hij verstomd staan.</p> +<p>Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras +bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde +van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters: +<span class="sc">Kolonel Baron Pontmercy</span>.</p> +<p>Marius weende hoorbaar.</p> +<p>Het liefje was een graf.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Marmer tegen graniet.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar +was ’t dat hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: +„hij blijft van nacht weêr uit.”</p> +<p>Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, +toen hij zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een +onaangename, zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon +verklaren en die uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel +bestond. Hij ging terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; +’t was of zijn aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood +verscheen hem met zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. +Niet wetende, wat hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te +schrijven; en waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane +ontdekking betreffende Marius’ liefdeshistorie niets gevolgd +zijn, zoo niet, door een dier geheimzinnige en veelvuldige spelingen +van het <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name= +"pb75">75</a>]</span>noodlot, het tooneel te Vernon bijna onmiddellijk +te Parijs herhaald ware geworden.</p> +<p>Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en +de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence +doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich naar +zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden en het +zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging toen een +bad nemen.</p> +<p>Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij +de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel +zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar +Marius’ kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo +wat te vernemen van waar hij kwam.</p> +<p>Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, dan +de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand het +zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, dat +niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos +nedergelegd.</p> +<p>„Dat heb ik liever,” zei Gillenormand.</p> +<p>En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude +juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende +intocht.</p> +<p>In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de andere +het zwarte lint en riep: „Victorie! wij zullen het geheim +ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons +de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik heb +het portret!”</p> +<p>Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een +medaillon, hing aan het lint.</p> +<p>De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder +het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van een +hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus +voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. „Het +is stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op +zijn hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. +De jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak.”</p> +<p>„Laat eens zien, vader,” zei de oude vrijster.</p> +<p>Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een +zorgvuldig dichtgevouwen papier.</p> +<p>„Van denzelfde aan denzelfde,” zei Gillenormand, met +schaterenden lach. „Ik weet wat het is. Een +minnebrief.”</p> +<p>„O, laat mij lezen,” zei tante.</p> +<p>En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij +lazen: <span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name= +"pb76">76</a>]</span></p> +<p>„<i>Voor mijn zoon.</i> De keizer heeft mij op het slagveld +van Waterloo tot baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel +betwist, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en +dragen. Het spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn.”</p> +<p>Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren +als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd +gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich +zelven:</p> +<p>„’t Is het schrift van den voorvechter.”</p> +<p>De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde +het weder in het doosje.</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier +gewikkeld pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand +raapte het op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd +kaartjes van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die +las: „<i>Baron Marius Pontmercy.</i>”</p> +<p>De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het +lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in ’t vertrek +op den vloer en zeide:</p> +<p>„Breng die plunje weg.”</p> +<p>Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude +vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder +waarschijnlijk aan hetzelfde<span class="corr" id="xd20e1543" title= +"Niet in bron">.</span> Na verloop van dat uur zeide tante +Gillenormand:</p> +<p>„’t Is mooi!”</p> +<p>Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij +den drempel van den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die +een zijner kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op +hoonenden toon en met burgerlijken trots, <span class="corr" id= +"xd20e1550" title="Bron: waari niets">waarin iets</span> verpletterends +lag, hem toeriep:</p> +<p>„Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. +Wat beteekent dat?”</p> +<p>Marius bloosde en antwoordde:</p> +<p>„Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben.”</p> +<p>Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:</p> +<p>„Ik ben uw vader.”</p> +<p>„Mijn vader,” hernam Marius met nedergeslagen oogen en +streng gelaat, „was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en +de Republiek roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste +geschiedenis, welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van +een eeuw in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en +kogels, des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels +veroverd, twintig wonden <span class="pagenum">[<a id="pb77" href= +"#pb77" name="pb77">77</a>]</span>ontvangen heeft, die in vergetelheid +en verlatenheid gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad +dan toen hij twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!” +Dit was meer dan de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord +„republiek” was hij opgestaan, of beter gezegd, +opgesprongen. Ieder woord van Marius had op het gezicht van den ouden +koningsman dezelfde uitwerking gedaan, als de wind uit de blaasbalg +eener smidse op een glimmende kool. Van somber was hij rood, van rood +purper en van purper gloeiend geworden.</p> +<p>„Marius!” riep hij. „Verfoeielijk kind! ik weet +niet wat uw vader was! Ik wil ’t niet weten! ik weet er niets +van; maar wat ik weet is, dat onder die lieden niets anders dan +ellendigen zijn geweest! het is, dat allen schooiers, moordenaars, +roodmutsen, dieven waren! ik zeg allen! ik zeg allen! ik ken niemand +hunner, maar ik zeg allen! hoort ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge +baron evenals mijn pantoffel! het waren allen roovers, die Robespierre +dienden! allen bandieten, die Bu-o-naparté dienden! allen +verraders, die hun wettigen koning verraden en nog eens verraden +hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor de Pruisen en Engelschen +zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer uw vader daarbij was, weet +ik niet... zoo ja ’t spijt mij... des te erger.”</p> +<p>Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer +Gillenormand de blaasbalg. Marius’ geheele lichaam rilde; hij +wist niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die +al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een +voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet +straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te doen? +Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, maar +door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder den +ander te hoonen? ’t Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen +en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde een +geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik +waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd +voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak +aan en riep met donderende stem:</p> +<p>„Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk +XVIII!”</p> +<p>Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij +zich niet.</p> +<p>Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn +haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die op +den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge +majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den +schoorsteen naar het venster <span class="pagenum">[<a id="pb78" href= +"#pb78" name="pb78">78</a>]</span>en van het venster naar den +schoorsteen, de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er +een steenen beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij +zich over zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van +een oud schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:</p> +<p>„Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet +onder hetzelfde dak blijven.”</p> +<p>En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een +gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar +Marius uit en schreeuwde hem toe:</p> +<p>„Ga heen!”</p> +<p>Marius verliet het huis.</p> +<p>Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:</p> +<p>„Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig +louisd’ors, en spreek mij nooit meer van hem.”</p> +<p>Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen +weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.</p> +<p>Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, +welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er +zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer +verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er +eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van +grootvader de „plunje” van Marius haastig naar diens kamer +bracht, had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere +zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het +door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren +later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat „mijnheer +Gillenormand”—van dien dag af noemde hij hem nooit +anders—het „testament zijns vaders” in het vuur had +geworpen. Hij kende de weinige regels, door den kolonel geschreven, van +buiten, en had er bijgevolg niets aan verloren. Maar het papier, het +schrift, die heilige reliquie, dat alles was zijn hart zelf. Wat had +men er mede gedaan?</p> +<p>Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig +francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij had +een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche wijk +laten brengen.</p> +<p>Wat zal er van Marius worden? <span class="pagenum">[<a id="pb79" +href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek IV.</h2> +<h2 class="main">De vrienden van het A. B. C.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name= +"pb81">81</a>]</span> +<div id="ch4.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een groep, die bijna tot de historie had behoord.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een +zekere <span class="corr" id="xd20e1615" title= +"Bron: revolutionnaire">revolutionaire</span> huivering door ’t +land. Een wind, uit de duisternis van 89 en 92 geboren, vloog door de +lucht. De jeugd—men vergeve ons deze uitdrukking—begon te +ruien. Door de beweging des tijds werd men schier herschapen zonder het +te weten. De wijzer, die over de uurplaat loopt, gaat ook in de +gemoederen voorwaarts. Ieder deed den stap voorwaarts, dien hij doen +moest. De koningsgezinden werden liberalen, de liberalen +democraten.</p> +<p>’t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende vloed; +al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden de +zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk +Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. ’t +Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van +vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, +heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; ’t was het +Bonapartisch liberalisme.</p> +<p>Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier +peilde men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men +geraakte in drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze +verwezenlijkingen; want door zijn strengheid zelf drijft het absolute +de geesten opwaarts en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets +geschikter om droomen te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de +toekomst meer dan de droom. Heden een utopie, morgen vleesch en +been.</p> +<p>De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van +verborgenheid bedreigde de „gevestigde orde”, die verdacht +en gluipend was. Een hoogst <span class="corr" id="xd20e1624" title= +"Bron: revolutionnair">revolutionair</span> verschijnsel. De +nevengedachte van het gezag treft in het ondermijnen met de +nevengedachte des volks samen. Het broeien <span class= +"pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span>van den +opstand is het antwoord op het voorbereiden der staatsgrepen.</p> +<p>Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de +Tugendbund in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in +Frankrijk nog niet, maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime +loopgraven. De Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer +samenscholingen van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. +B. C.</p> +<p>Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat +schijnbaar de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der +menschen ten doel had.</p> +<p>Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Het <i lang= +"fr">abaissé</i> (A. B. C. klinkt als <i lang= +"fr">abaissé</i> en beteekent „vernederd”) was het +volk. Dat wilde men opheffen; ’t was een woordspeling, waarmede +men niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in ’t +staatkundige van groot gewicht; ten bewijze hiervan het <i lang= +"la">Castratus ad castra</i> dat van Narsés een veldheer maakte; +het <i lang="it">Barbari et Barberini</i>; het <i lang="es">Fueros y +Fuegos</i>; het <i lang="la">Tu es Petrus et super hanc Petram</i>, +enz. enz.</p> +<p>De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts +een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een +coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs +op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, waarvan +later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een klein koffiehuis +op het plein St. Michel, het <i lang="fr">Café Musain</i> +genaamd, dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de +werklieden, het tweede voor de studenten.</p> +<p>De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een +achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het +eigenlijke koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een +zeer lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met +geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men +rookte, dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en +zacht over andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk +tijdens de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een +politie-agent om hen op het spoor te komen.</p> +<p>Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met +verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier hoe +de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean +Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly en +Grantaire.</p> +<p>Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort +van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden<span class= +"corr" id="xd20e1666" title="Niet in bron">.</span> <span class= +"pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span></p> +<p>Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare +diepten, die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij +nu gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten +vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw van +een treurig voorval wegzinken ziet.</p> +<p>Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben—men zal later zien +waarom—was een eenige zoon en zeer rijk.</p> +<p>Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te +worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het +zien van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat +hij in het vorig leven reeds de <span class="corr" id="xd20e1676" +title="Bron: revolutionnaire">revolutionaire</span> apokalypse was +doorgegaan. De overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van +geweest was. Hij kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij +had een priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een +jongeling. Hij verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij +soldaat der democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd +verheven, bleek hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne +oogleden een weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend +gekruld, zijn voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als +veel lucht aan den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang +van deze en het einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij +een krachtige jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan +beneveld. Nog toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van +twee-en-twintig scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en +scheen niet te weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw +heette. Hij had slechts één liefde, het recht; slechts +één gedachte, de omverwerping der hindernissen. Op den +Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de conventie Saint-Just zijn +geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij wist van geen lente, hij hoorde +de vogelen niet zingen; de bloote hals van Evadné zou hem +evenmin als Aristogiton verteederd hebben; voor hem, evenals voor +Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het zwaard in te verbergen. +Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles wat geen republiek was +sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was de marmeren minnaar der +vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en trilden als een hymne. +Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee de minnaresse, die zich +aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette van het plein Cambray of +de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, aan de school ontsnapt, +die page-figuur, die lange blonde wimpers, blauwe oogen, in den wind +wuivende lokken, rozige wangen, frissche lippen en prachtige tanden +ziende, op <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name= +"pb84">84</a>]</span>al dat ochtendrood belust ware geworden en haar +schoonheid op Enjolras had willen beproeven, zou een vreeselijke, +verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in hem getoond en geleerd +hebben den schrikkelijken cherub, cherub van Ezechiël, niet met +den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.</p> +<p>Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, +vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica der +Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar logica +tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts tot vrede +leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde hem. Hij was +niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men ’s menschen geest +met de uitgebreide beginselen der algemeene denkbeelden gemeenzaam +maakte; hij zeide: „Revolutie, maar ook beschaving, en om den +steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe horizont.” +Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets genaakbaars +en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre dan met +Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, Combeferre +het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij Robespierre aan, +de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre leefde, meer dan +Enjolras, ieders leven mede. Zoo ’t dien beiden jongelieden +verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, zou de een de +rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras was +mannelijker, Combeferre menschelijker. <i>Homo</i> en <i>Vir</i>, +mensch en man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even +zacht als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, +maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk de +Spanjaards, <i>Hombre</i> (man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, +ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago +de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing +waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en +uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de +andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, +vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, brak de +keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, teekende uit het +hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in de <span class="corr" +id="xd20e1692" title="Bron: fransche">Fransche</span> <i lang= +"fr">dictionnaire de l’ académie</i> aan, bestudeerde +Puységur en Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, +loochende niets, zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van den +<i lang="fr">Moniteur</i>, en dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst +in des onderwijzers hand ligt, en hield zich met +opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de maatschappij +onvermoeid werkzaam zou zijn aan ’s volks verstandelijke en +zedelijke ontwikkeling, <span class="pagenum">[<a id="pb85" href= +"#pb85" name="pb85">85</a>]</span>aan de uitbreiding der wetenschap, +aan het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest +in de jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, +het armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie +zoogenaamde klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van +officiëele pedanten, en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze +collegiën eindelijk tot kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij +was geleerd, puristisch, nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp +zijner gedachten nam hij het „oneindige”, zooals zijn +vrienden zeiden. Hij geloofde aan alle droombeelden: aan spoorwegen, +aan onderdrukking der pijn bij heelkundige operatiën, aan het +vormen der beelden in de <i>camera obscura</i>, aan de electrieke +telegraaf en de besturing van den luchtbol. Overigens was hij niet zeer +bevreesd voor de sterkten, allerwege door bijgeloof, despotisme en +vooroordeel gebouwd. Hij behoorde tot dezulken, die meenen, dat de +wetenschap den toestand zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, +Combeferre gids. Met den een zou men hebben willen strijden, met den +ander willen gaan. Niet wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; +nimmer weigerde hij een hindernis te bekampen en met geweld aan te +grijpen; maar ’t was hem liever, langzamerhand door het +onderwijzen van grondstellingen en ’t verkondigen der positieve +wetten het menschelijk geslacht met zijn bestemming in harmonie te +brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed zag, was hij meer voor +verlichten dan voor verbranden. Een brand kan zekerlijk ook ochtendrood +geven, maar waarom het aanbreken van den dag niet afgewacht? Een +vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht nog beter. Combeferre gaf +misschien aan de blankheid van het schoone boven de vlammen van het +verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde helderheid, een door +geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien teederen, ernstigen +geest slechts ten halve. De nederstorting van een volk in de waarheid, +een 93, verschrikte hem; en toch had hij van stilstand nog meer afkeer: +hij gevoelde er verrotting en dood in; alles bijeengenomen had hij +liever schuim dan bedorven lucht, en boven den modderpoel verkoos hij +den stortvloed, den val van den Niagara boven het meer van Montfaucon. +Kortom, hij wilde stilstand, noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige +vrienden, in ridderlijke liefde voor het absolute, voor de schitterende +revolutionnaire avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten +vooruitgang; misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; +bedaard maar onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben +geknield, opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets +der volken grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! „<i>Het +goede moet schuldeloos <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" +name="pb86">86</a>]</span>zijn</i>,” herhaalde hij gestadig. En +inderdaad, zoo de grootheid der revolutie is, om het verblindend ideaal +goed in de oogen te zien en er, te midden van den bliksem, met bloed en +vuur aan de klauwen op aan te vliegen, dan is de schoonheid van den +vooruitgang ook, vlekkeloos te zijn; en tusschen Washington, die de +eene vertegenwoordigt, en Danton, die de andere verlichamelijkt, +bestaat hetzelfde verschil dat den engel met donzen wieken van dien met +arendsvleugelen scheidt.</p> +<p>Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde +zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de +machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie der +Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, kweekte +bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk lief, +beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde +vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een +koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. +Zijn stem was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. +Hij was geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de +oostersche talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van +poëzie, de voorkeur aan het grootsche—iets dat zeer +begrijpelijk is voor hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is +verwant. Hij kende Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit +diende hem om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en +Jesaja te lezen. In ’t Fransch stelde hij Corneille boven Racine, +en Agrippa d’Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne +op roggevelden met korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de +wolken als met de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee +zijden over, aan de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; +hij studeerde of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de +maatschappelijke vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, +het huwelijk, den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van +beminnen, de opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den +eigendom, de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat +de wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds +aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, evenals +Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het hoofd, +sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, bloosde +om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij +onverschrokken<span class="corr" id="xd20e1714" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p>Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie +francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de +wereld te verlossen. Ook had hij nog een andere zorg, <span class= +"pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>namelijk +zich zelven te onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had +uit zich zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij +uit zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld +omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis +eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, dat +iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, bij den +diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het +nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd +om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien +jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig +hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk +Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze +namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De +verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van +Warschau door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. +Bovenal de groote moord van 1772, de verdeeling van Polen<span class= +"corr" id="xd20e1721" title="Bron: ,">.</span> Er is geen krachtiger +welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij +welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, +dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige +drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld van +al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd zoovele +edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte +verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke +aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling van +Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, waarvan +al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is geen +despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens +verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd en <i>ne +varietur</i>, geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche +verraad doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen +heeft deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne +volbracht. 1772 doet het jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. +Dit was Feuilly’s gewone tekst. De arme werkman had zich tot +voogd der gerechtigheid verheven, en zij beloonde hem door hem groot te +maken. Immers er is eeuwigheid in het recht. Warschau kan evenmin +Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De koningen geven vergeefs +moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft het overstroomde vaderland +boven en verschijnt weder. Griekenland wordt weder Griekenland, +Italië weder Italië. Het protest van het recht tegen het feit +blijft immer volharden. De roof van geheel een volk verjaart niet. Die +hooge afzetterijen hebben <span class="pagenum">[<a id="pb88" href= +"#pb88" name="pb88">88</a>]</span>geen toekomst. Men kan het merk eener +natie niet uittornen zooals men ’t een zakdoek doet!</p> +<p>Courfeyrac had een vader, dien men mijnheer <i>de</i> Courfeyrac +noemde. ’t Was een valsch begrip der burgerij tijdens de +Restauratie in zake van aristocratie en adel, om aan het de nog waarde +te hechten. Men weet dat het <i>de</i> volstrekt geen beteekenis heeft. +Maar de burgerij uit den tijd van <i>la Minerve</i> waardeerde dat arme +<i>de</i> zoo hoog, dat men zich verplicht achtte er afstand van te +doen. De heer de Chauvelin liet zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, +de Constant de Rebecque, Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, +noemen. De Courfeyrac wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf +Courfeyrac.</p> +<p>Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen +bepalen en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie +Tholomyes.</p> +<p>Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, ’t welk men de +schoonheid der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, +evenals de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt +bij den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater +uit.</p> +<p>De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, de +lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van +geestigheid over; zij gaat <i>quasi cuisores</i> van de eene in de +andere hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste +die, gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend +zou hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac +was een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van +oppervlakkig verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem +zeer groot. In beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan +bij genen. In Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend +ridder.</p> +<p>Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. +Zoo de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had +werkelijk alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en +straling.</p> +<p>Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid +der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.</p> +<p>Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, moedig, +verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en welsprekend, +soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, met +onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in ’t +groot, die niets liever had dan twist of ’t moest oproer, niets +liever dan oproer of <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" +name="pb89">89</a>]</span>’t moest revolutie zijn, die immer +gereed was de glazen in te slaan, de straatsteenen op te breken of een +gouvernement om te werpen om er de gevolgen van te zien, en thans +studeerde in zijn elfde academiejaar. Hij was student in de rechten, +maar studeerde niet. Zijn leuze was: „<i>nooit +advocaat!</i>” en zijn wapenschild een nachttafeltje met een +rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, +’t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,—de +paletot was toen nog niet uitgevonden,—en „ging voor zijn +gezondheid zorgen.” Het portaal der academie noemde hij +„een mooien grijsaard!” en den deken Delvincourt: +„een monument!” In een cursus zag hij een onderwerp voor +een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus +niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als +drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds +eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.</p> +<p>Van hen sprekende zeide hij: ’t Zijn boeren en geen burgers; +daarom hebben zij verstand.</p> +<p>Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; de +anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is +menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger +en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.</p> +<p>Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en +andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te +voorschijn zouden treden.</p> +<p>In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies +d’Avaray, wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, +toen hij het land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, +vertelde dat in 1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de +koning te Calais ontscheept was, iemand hem een request aangeboden +had.</p> +<p>„Wat verzoekt ge?” vroeg toen de koning.</p> +<p>„Een postkantoor, sire.”</p> +<p>„Hoe heet ge?”</p> +<p>„L’Aigle.”</p> +<p>De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van +het request en zag den naam <span class="sc">Lesgle</span>.</p> +<p>Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij +glimlachte.—Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was +hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd mijn +naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door +verbastering l’Aigle.—De koning lachte en gaf opzettelijk +of bij vergissing den man later het postkantoor te Meaux.<a class= +"noteref" id="xd20e1788src" href="#xd20e1788" name="xd20e1788src">1</a> +<span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name= +"pb90">90</a>]</span></p> +<p>Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen +Lesgle, of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij +verkorting noemden zijn vrienden hem Bossuet.</p> +<p>Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn +eigenaardigheid toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte +hij om alles. Op zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. +’t Was zijn vader gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te +krijgen, terwijl hij, de zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door +een verkeerde speculatie dien akker en dat huis te verliezen. Niets was +hem gebleven. Hij had verstand en wetenschap, maar ’t baatte hem +niet. Alles ontbrak, alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo +hij hout hakte, hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, +ontdekte hij spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof +hem een ramp, maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: +„Ik woon onder een dak, waar de pannen afvallen.” Nooit +verwonderd—want voor hem was een ramp iets dat hij +verwachtte—onderwierp hij zich gelaten aan het ongeluk en +glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die een +schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede +luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter +nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden +kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den +schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, +dat hij ’t zonder plichtplegingen „schalk!” +noemde.</p> +<p>Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij +had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond hij +middelen om, wanneer hij er lust toe had, „dolle +verteringen” te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs +uit voor een soupé met een meisje, en sprak te midden der +slemppartij deze gedenkwaardige woorden: „Meisje van vijf +louisd’or; trek mijn laarzen uit.”</p> +<p>Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij +studeerde op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, +soms in ’t geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, +meestal bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren +jonger dan Bossuet.</p> +<p>Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde +gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op +drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht +zijn leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, +dat de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste +daarom zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en +met het voeteneinde <span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" +name="pb91">91</a>]</span>naar het noorden, opdat de omloop van zijn +bloed des nachts door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet +verhinderd zou worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. +Overigens was hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: +jonkheid, inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed +huis en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden +Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (<i lang="fr">ailes</i>, vleugels) +vliegen, zei Jean Prouvaire tot hem.</p> +<p>Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te +houden, ’t geen het kenteeken van een schranderen bol is.</p> +<p>Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens +slechts ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den +Vooruitgang.</p> +<p>Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten +werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar den +vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden +óf doctrinairen geweest. Om ’t even; dit mengelmoes, dat +hun, jongeren, vooraf was gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der +beginselen vloeide in hun aderen. Zonder zich aan eenige kleur te +hechten, hielden zij zich aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten +plicht, vast.</p> +<p>Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.</p> +<p>Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was een +ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige aangroeiing. +Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich gewoonlijk R. (grand +R.) Hij was iemand, die zich er wel voor wachtte aan iets te gelooven. +Overigens was hij een der studenten, die gedurende hun academietijd te +Parijs het meest geleerd hadden; hij wist dat het beste koffiehuis dat +van Lemblin, het beste biljart in het Café Voltaire was; dat men +goede wafels en goede meisjes in de Hermitage op den boulevard du +Maine, gebraden hoenders bij moeder Saguet, uitmuntende waterzoodjes +aan de barrière de la Cunette en een lekker wit wijntje aan de +barrière du Combat vond. Kortom, hij kende alle goede plaatsen; +bovendien verstond hij de scherm- en de danskunst en was een duchtig +batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in het drinken. Hij was +ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van dien tijd, Irma +Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis gewezen: +„Grantaire is onmogelijk!” Maar Grantaire’s +zelfbehagen werd toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij +alle vrouwen met een blik, die scheen te zeggen: „Zoo ik +wilde!” en hij <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" +name="pb92">92</a>]</span>poogde zijn vrienden te doen gelooven, dat +hij algemeen gezocht werd.</p> +<p>Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, +maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, +democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren voor +Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte er om. De +twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn geest geen +enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van spotternij. Zijn +leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas vol is. Hij stak den +draak met den opofferingszin aller partijen, of het die van Robespierre +den jonge, dan wel die van Loizerolles gold. Zij hebben het ver +gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het kruis noemde hij: Een +galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, speler, losbol en +dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun verdriet gestadig: +<i lang="fr">J’aimons les filles et j’aimons le bon +vin</i>; air: Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)</p> +<p>Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat +fanatisme was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; +’t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde +Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, in dezen +phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten van allen. Op +welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne ideeën? Neen. Door +zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf waargenomen. De +aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige is even eenvoudig als +de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, trekt ons aan. Niemand +heeft het licht meer lief dan een blinde. De dwerg bewondert den +tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten hemel; waarom? Om den +vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de twijfel rondkroop, zag in +Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij had behoefte aan Enjolras. +Zonder er zich een duidelijk begrip van te kunnen vormen, en zonder dat +het hem in de gedachte kwam het te verklaren, bekoorde hem die kiesche, +gezonde, standvastige, regelmatige, harde, eerlijke natuur. +Instinctmatig beminde hij zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, +ontwrichte, ziekelijke, wanstaltige ideeën hechtten zich aan +Enjolras als aan een ruggestreng vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte +vond steun in deze vastheid. Bij Enjolras werd Grantaire iets. Van zich +zelven was hij uit twee schijnbaar onvereenigbare elementen +samengesteld. Hij was ironisch en hartelijk. Hij had een beminnelijke +onverschilligheid. Zijn geest wist geloof te ontberen, en zijn hart kon +de vriendschap niet missen. Groote tegenstrijdigheid voorzeker, want +vriendschap is overtuiging. Zóó was zijn natuur. Er zijn +menschen, die <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name= +"pb93">93</a>]</span>geschapen schijnen om steeds keer- en weerzijde te +moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, Nisus, Eudamidos, +Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan door tegen een ander +te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt niet anders dan met het +voegwoordje <i>en</i> geschreven; hun leven behoort hun niet; het is de +andere zijde van een bestemming, die de hunne niet was. Grantaire was +een dier menschen. Hij was de keerzijde van Enjolras.</p> +<p>Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het +alphabet verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. +Men kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.</p> +<p>Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien +jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; hij +volgde hen overal. ’t Was hem een lust, die schaduwen te midden +der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd +hij verdragen.</p> +<p>Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en +matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een +weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.</p> +<p>Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch +terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: „Wat fraai +marmer!”</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e1788" href="#xd20e1788src" name="xd20e1788">1</a></span> +L’Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te +Meaux was.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Lijkrede van Bossuet op Blondeau.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate +samenhangt met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de +„arend van Meaux,” behagelijk tegen den deurpost van het +café Musain geleund. Hij leek veel op een cariatide die vacantie +had; want hij droeg niets dan zijn peinzerijen. Hij keek het plein St. +Michel rond. Tegen iets leunen is een manier van staande te liggen, die +den denkers niet onaangenaam is. De arend van Meaux dacht zonder +treurigheid aan een klein ongeval, hem den voorlaatsten dag aan de +academie overkomen, en dat zijn plannen voor de toekomst, die trouwens +zeer onbepaald waren, veranderen moest.</p> +<p>Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en +zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd +en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen een +voertuig met twee wielen, <span class="pagenum">[<a id="pb94" href= +"#pb94" name="pb94">94</a>]</span>dat stapvoets en besluiteloos over +het plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De +arend lette er op.</p> +<p>Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een +tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers een +kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters: <span class= +"sc">Marius Pontmercy</span> stond.</p> +<p>Die naam deed L’aigle van houding veranderen. Hij richtte zich +op en riep den jongeling in de cabriolet toe:</p> +<p>„Mijnheer Marius Pontmercy!”</p> +<p>De aangeroepen cabriolet hield stil.</p> +<p>De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen +op.</p> +<p>„Nu?” zeide hij.</p> +<p>„Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?”</p> +<p>„Ja gewis.”</p> +<p>„Ik zocht u,” hernam L’aigle de Meaux.</p> +<p>„Waarom?” vroeg Marius; want hij was ’t werkelijk, +die het huis zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor +zich zag, die hij nog nooit gezien had; „ik ken u +niet.”</p> +<p>„Ik u evenmin,” antwoordde L’aigle.</p> +<p>Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op +de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit +oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. +L’aigle van Meaux hernam echter gelaten:</p> +<p>„Ge waart eergisteren niet bij de lessen?”</p> +<p>„’t Is mogelijk.”</p> +<p>„’t Is zeker.”</p> +<p>„Zijt gij dan student?” vroeg Marius.</p> +<p>„Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de +academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was +bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op +zulk een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl +ontbreekt, wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de +maan!”</p> +<p>Marius begon te luisteren. L’aigle ging voort:</p> +<p>„’t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau +met zijn spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er +afwezig is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl +deze letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen +uitschrapping; allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik +dacht: neen, lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor +u te doen. Eensklaps roept Blondeau: „Marius Pontmercy.” En +hij neemt zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig +bij mij zelven: <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name= +"pb95">95</a>]</span>zou men zoo’n goeden jongen laten schrappen? +Opgelet! Een fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is +een blokker, die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in +de letteren, de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, +maar een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve +grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu wel +juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale +Blondeau! Hij doopte juist zijn van ’t doorschrappen reeds zwarte +pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan en +herhaalde ten derde male: „Marius Pontmercy!” Toen +antwoordde ik: Present! En gij zijt dus niet geschrapt.”</p> +<p>„Mijnheer,” zei Marius.</p> +<p>„Maar <i>ik</i> ben wèl geschrapt,” voegde de +arend van Meaux er bij.</p> +<p>„Ik begrijp u niet,” zei Marius.</p> +<p>L’aigle hernam:</p> +<p>„Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder +was om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor +zag mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe +neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu is +mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux.”</p> +<p>„L’aigle!” herhaalde Marius, „een fraaie +naam.”</p> +<p>„Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: +L’aigle! Ik antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de +teederheid van een tijger aan, glimlacht en zegt: Als ge <span class= +"corr" id="xd20e1913" title="Bron: Pentmercy">Pontmercy</span> zijt, +kunt ge L’aigle niet zijn,—woorden die voor u onaangenaam, +voor mij echter treurig waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij +mij.”</p> +<p>„Mijnheer!” riep Marius, „het doet mij waarlijk +leed!”</p> +<p>„Vóór alles,” hernam L’aigle, +„zou ik Blondeau wel in eenige diep gevoelde lofredenen willen +balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan zijn magerheid, bleekheid, +kilheid, stijfheid en geur zou niet veel veranderd behoeven te worden. +En dan zeg ik: <i lang="la">Erudimini qui judicatis terram</i>. Hier +ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline, <i lang="la">bos +disciplinæ</i>, de rekel der orde, de engel van ’t +appèl, die recht, vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en +leelijk was. God schrapte hem, zoo als hij mij geschrapt +heeft.”</p> +<p>„’t Doet mij leed,” hernam Marius nogmaals.</p> +<p>„Jonkman,” zei de arend van Meaux, „dat u dit tot +een les diene! Wees in ’t vervolg wat nauwgezetter.”</p> +<p>„Ik vraag u duizendmaal vergeving.”</p> +<p>„Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil +geschrapt worde.” <span class="pagenum">[<a id="pb96" href= +"#pb96" name="pb96">96</a>]</span></p> +<p>„Ik ben wanhopig...”</p> +<p>Daar begon L’aigle luidkeels te lachen.</p> +<p>„En ik verheugd. Ik was op ’t punt advocaat te +worden<span class="corr" id="xd20e1942" title="Bron: ,">.</span> Die +schrapping nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik +zal de weduwe niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen +tabbaard meer. Aan u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te +danken. Ik wil u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont +ge?”</p> +<p>„In deze cabriolet,” zei Marius.</p> +<p>„Dat is een bewijs van weelde,” hernam L’aigle +bedaard. „Ik wensch er u geluk mede. ’t Is een huur van +9000 francs per jaar.”</p> +<p>Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.</p> +<p>Marius glimlachte treurig en zeide:</p> +<p>„Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te +verlaten; maar ’t is een rare geschiedenis, want ik weet niet +waar ik heêngaan zal!”</p> +<p>„Kom bij mij wonen, mijnheer,” zei Courfeyrac.</p> +<p>„Ik zou de voorhand hebben,” hernam L’aigle, +„maar ik heb zelf geen woning?”</p> +<p>„Zwijg Bossuet,” riep Courfeyrac.</p> +<p>„Bossuet,” zei Marius, „maar ik meende dat ge u +L’aigle hebt genoemd.”</p> +<p>„Van Meaux,” antwoordde L’aigle, +„bloemsprakig: Bossuet.” Courfeyrac klom in de cabriolet en +zei:</p> +<p>„Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier.”</p> +<p>Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte +St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Marius is verbaasd.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In weinige dagen was Marius Courfeyrac’s vriend. +De jeugd is het seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij +Courfeyrac ademde Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. +Courfeyrac ondervroeg hem niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. +Op dien leeftijd zegt het gezicht dadelijk alles. Woorden zijn +onnoodig. Van menig jongeling zou men kunnen zeggen dat zijn gelaat +spreekt. Men ziet en kent elkander.</p> +<p>Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:</p> +<p>„A propos, hebt ge ook een politieke meening?”</p> +<p>„Wat?” zei Marius door die vraag schier beleedigd.</p> +<p>„Wat zijt ge?” <span class="pagenum">[<a id="pb97" href= +"#pb97" name="pb97">97</a>]</span></p> +<p>„Democraat-Bonapartist.”</p> +<p>„De grijze kleur van de geruste muis,” zei +Courfeyrac.</p> +<p>Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in ’t Café +Musain. Daar fluisterde hij hem glimlachend toe: „ik moet u +entrée bij de revolutie geven.”—En toen voerde hij +hem de zaal der vrienden van het A. B. C. binnen, en stelde hem aan de +overigen voor, door halfluid dit enkele woord uit te spreken, dat +Marius niet begreep: „Een leerling.”</p> +<p>Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, +hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en +gewapend.</p> +<p>Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en +smaak meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een +weinig voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillende +<span class="corr" id="xd20e1997" title= +"Bron: meenigen">meeningen</span> trachtten hem stormenderhand te +winnen. Het onstuimig gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed +zijn denkbeelden duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat +hij ze nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, +literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag +vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij +niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze van +zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast te +staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder ’t zich +zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, +waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere +schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een +wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.</p> +<p>Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius +hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog +beschroomden geest hinderde.</p> +<p>Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud +zoogenaamd classiek treurspel aankondigde.—„Weg met het +treurspel, waarmeê de burgerlui zoo hoog loopen!” riep +Bahorel. En Marius hoorde Combeferre antwoorden:</p> +<p>„Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het +treurspel lief en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De +pruiken-tragedie heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot +dezulken, die namens Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook +onvoltooide omtrekken in de natuur; ook volkomene parodieën in de +schepping; er zijn snavels, die eigenlijk geen snavels, vleugels, die +geen vleugels, vinnen, die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn. +<span class="corr" id="xd20e2006" title= +"Bron: smartekreten">Smartekreten</span>, die ons doen +lachen,—dat zijn haar grillen. En daar het gevogelte <span class= +"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>naast +den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet +tegenover de tragedie der ouden zou staan.”</p> +<p>Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de +straat Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den +arm en zeide:</p> +<p>„Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de +straat Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier +een zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. +Van tijd tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze +ter wereld en Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis.”</p> +<p>En Enjolras duwde Courfeyrac toe:</p> +<p>„Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. ’t Is waar: +hij verloochende zijn kinderen, maar hij nam het volk toch +aan.”</p> +<p>Geen der jongelieden sprak ooit het woord: „keizer” uit. +Alleen Jean Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. +Enjolras zeide <i>Buonaparte</i>.</p> +<p>Marius was wel eenigszins verbaasd. <i lang="la">Initium +Sapientiæ</i>—het begin der wijsheid.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De achterkamer van het koffiehuis Musain.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij +Marius tegenwoordig was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een +werkelijken schok in zijn geest teweeg.</p> +<p>Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café +Musain. Bijna alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond +vereenigd. De lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander +zonder drift maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, +die zwegen, sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden +zijn soms bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont +gewemel als een gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die +teruggekaatst werden. Men sprak aan alle kanten.</p> +<p>Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison, +de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep +om van en naar haar arbeid te gaan.</p> +<p>Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den +hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde: <span class= +"pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span></p> +<p>„Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche +vat een beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers +ben, die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven +te vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet +wien. Het duurt niet en ’t deugt niet. Het leven breekt iemand +den hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het +geluk is een chassinet, dat slechts aan één kant +beschilderd is. Salomo zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als +die goede man, die misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt +wilde loopen, kleedde zich in de ijdelheid.</p> +<p>„O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een +keuken is een laboratorium, een danser is een professor, een +koorddanser is een gymnasticus<span class="corr" id="xd20e2047" title= +"Niet in bron">,</span> een bokser is een kampvechter of worstelaar, +een apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een +jockey een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; +de voorzijde is dom, ’t is de neger met zijn koralen; de +achterzijde is dwaas, ’t is de filozoof met zijn lompen. Ik +beween den een en bespot den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, +is over ’t algemeen slechts valsch zilver. De koningen maken van +den menschelijken hoogmoed hun speelgoed. Caligula verhief een paard +tot consul; Karel II een runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen +den consul Incitatus en den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der +menschen is weinig eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den +eenen gebuur op den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken +kon, hoe zou zij de <span class="corr" id="xd20e2050" title= +"Bron: duive">duivel</span> hekelen! Een kwezel, die van een devote +vrouw spreekt, is venijniger dan een adder. ’t Is jammer dat ik +maar onwetend ben; ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, +die ik nu niet weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik +nog leerling bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met +schilderijtjes te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij +betreft; en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik.</p> +<p>„Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en +hoedanigheden. Iedere deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid +grenst aan gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan +grootspraak; wie iets vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er +is evenveel ondeugd in de deugd als er gaten in Diogenes’ mantel +zijn. Wien bewondert ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of +Brutus? Men is over ’t algemeen vóór den +moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft vermoord. Dat is deugd. +Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote mannen hebben zonderlinge +vlekken. Brutus, die <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" +name="pb100">100</a>]</span>Cesar vermoordde, was verliefd op het beeld +van een knaapje. Dat beeld was van den Griekschen beeldhouwer +Strongylio, die ook de amazonenfiguur Eucnemos, „het schoone +beeld” genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk Nero op reis medenam. +Deze Strongylio heeft slechts twee beelden nagelaten, waardoor Brutus +en Nero elkander geleken; Brutus was op het eene, Nero op het andere +verliefd. De geheele geschiedenis is een eeuwigdurend herkauwen. De +eene eeuw bootst de andere na. De slag van Marengo is een copie van den +slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis en het Austerlitz van Napoleon +gelijken elkander als twee droppelen bloeds. Een overwinning tel ik +weinig. Niets is dommer dan overwinnen; de ware roem is overtuigen. +Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge slaagt, zijt ge +tevreden—dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en lafheid. Alles +gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica. <i>Si volet usus</i>, zegt +Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen wij van het +geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken bewondere? +Maar welk volk dan, als ’t u belieft? Griekenland? De Atheners, +die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion, evenals Coligny, en +vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van Pisistratus zeide: +Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende vijftig jaren was in +Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus Philetas, die zoo +klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood moest vullen, om +niet door den wind weggevoerd te worden. Op het marktplein te Corinthe +stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan Plinius gewag maakt; +het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates gedaan? Het +beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn roem! +Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk +bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over +Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En +Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen +in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen van +honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik een +Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen bril. +Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder +Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet veel +van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland over, zoo +ge het zijn <i lang="en">time is money</i> (tijd is geld) ontneemt? Wat +van Amerika zoo ge het zijn <i lang="en">cotton is king</i> (de katoen +is koning) rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. +Zullen wij dan in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde +het. Maar hij bewonderde <span class="pagenum">[<a id="pb101" href= +"#pb101" name="pb101">101</a>]</span>China ook. Ik beken, dat Rusland +zijn schoonheden bezit, onder andere een sterk despotisme; maar ik +beklaagde despoten. Hun gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een +doorstoken Peter, een geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken +der laarzen vertrapt, verscheidene Ivans vermoord, verscheidene +Nicolazen en Basiliussen vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis +der Russische keizers bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken +geven der bewondering des denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de +oorlog nu, de beschaafde oorlog, bevat alle vormen van het +rooversbedrijf in zich, van de rooverijen der troepen in de engten van +het Jaxa-gebergte af tot de strooptochten der comansche Indianen op de +prairieën toe. Ge zult mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan +Azië is. Ik beken het: Azië is een koddige boel; maar ik weet +eigenlijk niet, waarom ge bij den grooten Lama zoo moet lachen, gij, +westersche volken, die in uw modes en bevalligheden al de onreinheden +der majesteit hebt gemengd, van het vuile hemd van koningin Isabella af +tot den kinderstoel van den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge +hebt het mis! Te Brussel wordt het meeste bier, te <span class="corr" +id="xd20e2069" title="Bron: Stokholm">Stockholm</span> de meeste +brandewijn, te Madrid de meeste chocolade, te Amsterdam de meeste +jenever, te Londen de meeste wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, +te Parijs de meeste absynthe gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke +inlichtingen. Parijs heeft bij slot van rekening het overwicht. Zelfs +de voddenrapers zijn te Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even +gaarne voddenraper op het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs +geweest zijn. Verneemt dit nog: de kroegen der voddenrapers heeten +<i lang="fr">bibines</i> en de vermaardste zijn <i lang="fr">la +Casserolle</i> (braadpan), en de <i>Abbatoir</i> (slachtplaats). Dus, +kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij +Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er met +een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha, zijt gij +’t Louison, goeden avond.”</p> +<p>Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken +Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain de +vatenwaschster beet nam.</p> +<p>Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te +leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks:</p> +<p>„Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij +volstrekt geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de +snuisterijen van Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot +bedaren te brengen. Ik ben voor ’t overige treurig. Wat zal ik +zeggen? De mensch is slecht, de mensch is wanstaltig; <span class= +"pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span>de +kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God heeft dit dier niet +afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De eerste de beste is +een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb het spleen, alleen +nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee en hypochondrie er +bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en verveel mij, ik word +stomp en dom. De duivel hale alles!”</p> +<p>„Zwijg toch, kapitale R.!” hernam Bossuet, die bezig was +een rechtspunt te verdedigen en tot over de heupen in een +rechtsgeleerden volzin verzonken was, welks slot dus luidde:</p> +<p>„En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en +veel minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen +der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent +moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten het +recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars als bij +erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen, contracten, +hypotheken......”</p> +<p>„<i lang="fr">Echos, nymphes plaintives!</i>” neuriede +Grantaire er tusschen.</p> +<p>In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen +twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig +een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend +behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander.</p> +<p>„Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het +onderwerp vanzelf.”</p> +<p>„Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven.”</p> +<p>„Mijnheer Dorimon.”</p> +<p>„Rentenier?”</p> +<p>„Zeker.”</p> +<p>„Zijn dochter Célestine.”</p> +<p>„...tine. Verder?”</p> +<p>„Kolonel Sainval.”</p> +<p>„Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin.”</p> +<p>Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas +gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van +dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem, +met welk een tegenstander hij te doen had.</p> +<p>„Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. +Hij kent de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te +verspillen; hij heeft een forsche vuist, is vlug als ’t +weerlicht, pareert juist en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij +ook.”</p> +<p>In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en +spraken over liefdezaken. <span class="pagenum">[<a id="pb103" href= +"#pb103" name="pb103">103</a>]</span></p> +<p>„Ge zijt wel gelukkig,” zei Joly; „ge hebt een +liefje, dat altijd lacht.”</p> +<p>„Dat is juist een fout in haar,” antwoordde Bahorel. +„De minnares, die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot +bedriegerij. Zoo ge haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar +ziet ge haar treurig, dan voelt ge uw geweten.”</p> +<p>„Ondankbare! ’t Is zulk een lief gezicht als een vrouw +lacht! En gij twist nooit met elkander?”</p> +<p>„Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het +aangaan van ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, +welke wij niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede.”</p> +<p>„De vrede is een verterend geluk.”</p> +<p>„En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... +Ge weet wat ik zeggen wil?”</p> +<p>„Met wreed geduld blijft zij pruilen.”</p> +<p>„Ge zijt toch zoo verteederend mager van +verliefdheid.”</p> +<p>„Helaas!”</p> +<p>„In uw plaats zou ik haar laten loopen.”</p> +<p>„Dat is gemakkelijk gezegd.”</p> +<p>„En gedaan. Heet zij niet Musichetta?”</p> +<p>„Ja, och, mijn goede Bahorel, ’t is een voortreffelijk +meisje, zeer geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net +gekleed, blank, en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op +haar.”</p> +<p>„Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant +zijn, en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede +broek van cuir de laine. Die kan ’t uithouden.”</p> +<p>In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. +De heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er +werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit +romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij in +rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij los, +dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij +beurtelings lachend en lyrisch.</p> +<p>„Dat wij de goden niet hoonen!” sprak hij. „De +goden zijn misschien nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt +niet als een doode voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, +zelfs in de natuur, gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning +dier droomen nog al de oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met +zijn vestingvorm als de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd +Cybeles hoofdtooi; voor mij is ’t nog niet bewezen, dat Pan des +nachts niet in den hollen <span class="pagenum">[<a id="pb104" href= +"#pb104" name="pb104">104</a>]</span>stam der wilgen blaast en er met +zijn vingers beurtelings de gaten van sluit alsof hij een fluit +speelde, en nog altijd heb ik geloofd dat Iö in den waterval van +Pissevache is.”</p> +<p>In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men +mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw, +Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig +exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat en +schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier +parend.</p> +<p>„Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een +staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een +woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen +zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld +dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg ze +twee milliards, zeshonderd millioen, ’t geen, volgens Desmarets, +in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en thans +gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre duide het +mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel tot +beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok te +verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie te +brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën—dat +alles zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit +met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen +constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen +octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt een +artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die terug neemt. +Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker, waarachter de +logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt, doet afstand. +Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!”</p> +<p>’t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was +verlokkend en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij +kreukte het arme Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in ’t +vuur. Het papier vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van +Lodewijk XVIII met wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets +dan:</p> +<p>„De Charte in een vlam herschapen!”</p> +<p>Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschen +<i lang="fr">entrain</i>, wat de Engelschen <i lang="en">humor</i> +noemen, goede en slechte smaak, goede en slechte redenen, vernuftige +fonkelingen van het gesprek, dat zich nu en dan plotseling verhief en +tot in alle hoeken der kamer uitbreidde,—het schiep boven hun +hoofden een soort van vroolijk gebulder. <span class="pagenum">[<a id= +"pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch4.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Uitbreiding van den gezichteinder.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds +bewonderenswaardig, dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan +zien. Wat zal er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit +verteedering kan een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste +oogenblik doet de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het +eerste woord het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi +(kwinkslag) is voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn +gesprekken met plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet +verandert. Het toeval is de machinist dier gesprekken.</p> +<p>Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een +gesprek geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin +Grantaire, Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac +verward dooreen schermden.</p> +<p>Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, +dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij +hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, +besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide, <span class="corr" +id="xd20e2191" title="Bron: plotselin">plotseling</span> met deze +dagteekening:</p> +<p>„18 Juni 1815. Waterloo.”</p> +<p>Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de +ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag +het gezelschap met strakken blik.</p> +<p>„Pardieu!” riep Courfeyrac (<i>Parbleu</i> was op dat +tijdstip in verval) „dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. +’t Is Bonapartes noodlottig nommer. Plaats er Lodewijk voor en +Brumaire achter, en ge hebt geheel het lot van den man, met deze +merkwaardige bijzonderheid, dat het begin door het einde als op den +voet wordt gevolgd.”</p> +<p>Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot +Courfeyrac.</p> +<p>„Ge bedoelt de misdaad door de boete.”</p> +<p>Het woord „misdaad” overschreed alles, wat Marius, die +reeds door de plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden +kon.</p> +<p>Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den +wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland +zag; hierop legde hij den vinger en sprak: <span class= +"pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name="pb106">106</a>]</span></p> +<p>„Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft +gemaakt.”</p> +<p>’t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. +Men gevoelde dat er iets gebeuren moest.</p> +<p>Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde +classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij het +echter.</p> +<p>Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het +ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:</p> +<p>„Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. +Frankrijk is groot, omdat het Frankrijk is. <i lang="la">Quia nominor +leo.</i>”</p> +<p>Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot +Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van +zijn hart ontstond.</p> +<p>„God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar +men verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, +laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat +ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt +gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u +Buonaparte zeggen en op de <i>u</i> drukken evenals de koningsgezinden. +Ik verzeker u, dat mijn grootvader ’t nog beter doet: hij zegt +Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe +geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het +den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man niet +wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was +volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar +volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde als +Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal aan +den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; zijn +bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met de +bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, groot +als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit +kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; in +den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den een +en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was +rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; +evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij +naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, hij +wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich bij de +wieg van zijn kind te verblijden;—en eensklaps luisterde het +verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts, <span class= +"pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name= +"pb107">107</a>]</span>artillerie-parken rolden, schipbruggen strekten +zich uit over de rivieren, drommen cavalerie galoppeerden in +stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende tronen alom; de +grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men hoorde het klinken +van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede verliet; men zag hem +aan den horizon opdagen met een bliksem in de hand en schittering in de +oogen, zijn beide vleugelen in den donder ontplooiende, over het groote +leger en de oude garde, en dat was de aartsengel van den +oorlog!”</p> +<p>Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het +kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te +wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende +geestdrift voort:</p> +<p>„Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk +een keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk +Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of wat +is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, op te +rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, van zijn +grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te +kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging +te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in +één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; +het volk te zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend +bericht van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon +der Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare +eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; +ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van +overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk tot +tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger te +verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, gelijk +een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, te +overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te zijn +in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen +klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen +en eens door den glans der overwinningen,—wat kan er grootscher +zijn?”</p> +<p>„Vrij te wezen!” antwoordde Combeferre.</p> +<p>Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord had, +als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, en hij +voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was +Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord op +de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, waren +hem gevolgd. De <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" +name="pb108">108</a>]</span>kamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius +alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden +eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; er +was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in tegen +Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo men niet +eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren zingen. +’t Was Combeferre, die zong:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Si César m’avait donné</p> +<p class="line xd20e2249">La gloire et la guerre,</p> +<p class="line">Et qu’il me fallût quitter</p> +<p class="line xd20e2249">L’amour de ma mêre.</p> +<p class="line">Je dirais au grand César:</p> +<p class="line xd20e2249">Reprends ton sceptre et ton char,</p> +<p class="line">J’aime mieux ma mêre, o +gué’</p> +<p class="line xd20e2249">J’aime mieux ma mêre.<a class= +"noteref" id="xd20e2263src" href="#xd20e2263" name= +"xd20e2263src">1</a></p> +</div> +<p class="first">De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit +lied zong, gaf het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de +oogen opwaarts geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn +moeder!...</p> +<p>Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn +schouder.</p> +<p>„Burger,” sprak Enjolras tot hem, „mijn moeder is +de republiek.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e2263" href="#xd20e2263src" name= +"xd20e2263">1</a></span> Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik +daarvoor de liefde mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar +zeggen: neem uw schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog +liever.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Res Augusta.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een +treurige duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de +aarde gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de +graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de +trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.</p> +<p>Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest +hij die nu reeds weder verwerpen? Hij nam <span class="pagenum">[<a id= +"pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>zich voor het niet te +doen, en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, +schoon hij ’t onwillekeurig reeds deed. ’t Is ondragelijk, +tusschen twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of +aangenomen heeft; de schemering behaagt immers slechts aan +vleêrmuiszielen. Marius had een onbevangen blik en verlangde het +ware licht. Het halfdonker van den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij +ook begeerde te blijven wat hij was en zich daaraan te houden, toch was +hij gedwongen verder te gaan, te onderzoeken, te denken, voorwaarts te +schrijden. Waarheen zou hem dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele +stappen te hebben gedaan, die hem nader tot zijn vader hadden gebracht, +weder schreden te moeten zetten, die er hem van verwijderden. En zijn +onaangename stemming groeide door al deze beschouwingen nog aan. Als +door een steile hoogte zag hij zich omgeven. Hij was ’t noch met +zijn grootvader noch met zijn vrienden eens; vermetel voor den een, ten +achter bij de anderen, gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, +door den ouderdom en door de jeugd. Toen bezocht hij het café +Musain niet meer.</p> +<p>In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des +levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens kan +men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.</p> +<p>Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen +en zeide:</p> +<p>„Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven.”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Maar ik heb geld noodig!”</p> +<p>„Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen,” zei +Marius.</p> +<p>Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde +Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos en +alleen op de wereld was.</p> +<p>„En wat zal er dan van u worden?” vroeg Courfeyrac.</p> +<p>„Ik weet het niet,” antwoordde Marius.</p> +<p>„Wat zult ge doen?”</p> +<p>„Ik weet het niet.”</p> +<p>„Hebt ge geld?”</p> +<p>„Vijftien francs.”</p> +<p>„Wil ik u leenen?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Hebt ge kleederen?”</p> +<p>„Deze.”</p> +<p>„Hebt ge kostbaarheden?”</p> +<p>„Een horloge.”</p> +<p>„Een zilveren?” <span class="pagenum">[<a id="pb110" +href="#pb110" name="pb110">110</a>]</span></p> +<p>„Een gouden, zie.”</p> +<p>„Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal +willen nemen.”</p> +<p>„Goed.”</p> +<p>„Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed +over.”</p> +<p>„En mijn laarzen.”</p> +<p>„Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een +weelde!”</p> +<p>„Genoeg!”</p> +<p>„Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal +koopen.”</p> +<p>„Goed.”</p> +<p>„Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?”</p> +<p>„Alles is mij om ’t even, mits het eerlijk +zij.”</p> +<p>„Verstaat ge Engelsch?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Verstaat ge Duitsch?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Des te erger.”</p> +<p>„Waarom?”</p> +<p>„Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van +encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen hadt +kunnen vertalen. ’t Wordt slecht betaald, maar men kan er toch +van leven.”</p> +<p>„Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren.”</p> +<p>„En intusschen?”</p> +<p>„Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge +leven.”</p> +<p>Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor +twintig francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het +horloge veertig francs.</p> +<p>„Dat is zoo slecht niet,” zei Marius tot Courfeyrac toen +hij te huis kwam; „’t maakt met mijn vijftien, tachtig +francs uit.”</p> +<p>„En de rekening van den huisheer?” merkte Courfeyrac +op.</p> +<p>„Ja, daar dacht ik niet aan,” zei Marius.</p> +<p>De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij +bedroeg zeventig francs.</p> +<p>„Dan blijven mij tien francs over,” zei Marius.</p> +<p>„Verduiveld,” riep Courfeyrac, „zoo ge nu vijf +francs moet uitgeven, terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge +Duitsch leert, zult ge heel schielijk een taal geleerd, of heel +langzaam een vijf-francstuk verteerd hebben.”</p> +<p>Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige +omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk in +geslaagd Marius’ verblijf te vinden.</p> +<p>Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam, +<span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name= +"pb111">111</a>]</span>vond hij een brief van zijn tante en zeshonderd +francs aan goud in een verzegeld doosje.</p> +<p>Marius zond de dertig louisd’ors aan zijn tante terug met een +eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan had +en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik had hij +nog drie francs over.</p> +<p>Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat +het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men mij +nooit van dezen bloeddrinker spreke!</p> +<p>Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in +schulden te komen. <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" +name="pb113">113</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek V.</h2> +<h2 class="main">Het nut des ongeluks.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name= +"pb115">115</a>]</span> +<div id="ch5.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Marius behoeftig.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en +horloge te verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van +een onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk +lot!—want toen kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder +slaap, avonden zonder licht, een haard zonder vuur, weken zonder +arbeid, een hopelooze toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude +hoed, waarmede de meisjes den spot dreven, een deur, die men ’s +avonds gesloten vindt, wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid +van een portier, het smadelijk lachen der buren, allerlei +vernederingen, een vertrapte eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men +zich onderwerpt, verdriet, bitterheid en moedeloosheid. Marius had +geleerd, hoe men dit alles moest verduren en hoe het soms zelfs de +eenige dingen zijn, die men te verduren heeft. Op dat tijdstip des +levens, wanneer de mensch hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde +behoeft, zag hij zich bespot, omdat hij slecht gekleed, en belachelijk +gemaakt, omdat hij arm was. Op dien leeftijd, wanneer der jeugd het +hart van keizerlijke fierheid klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op +zijn gescheurde laarzen, en leerde hij de valsche schaamte en de +knagende smart der armoede kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke +beproeving voorwaar, waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer +te voorschijn treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, +telkens als het een ellendige of een halfgod wil scheppen.</p> +<p>Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. +Er is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis voet +voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en laagheid. +’t Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, geen +vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, de +verlatenheid, de <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" +name="pb116">116</a>]</span>armoede,—het zijn slagvelden, die hun +helden hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de +beroemde.</p> +<p>Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen +geboren; schoon de armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch +somtijds moeder; alleen de behoefte verwekt zulk een geest- en +zielskracht; de nood voedt de fierheid, en het ongeluk is een gezonde +melk voor de hooghartigen.</p> +<p>Er was een oogenblik in Marius’ leven, dat hij zijn eigen +portaal veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel +in te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn +vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een +jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door een +hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, om den +slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men hem voor de +verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd nemen en, na +een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, waarvoor hij zes +of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een papier gewikkeld, +tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den arm mede te +verwijderen. ’t Was Marius. Van de cotelet, welke hij zelf +braadde, leefde hij drie dagen.</p> +<p>Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den +derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante +Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens +terug, zeggende dat hij niets behoefde.</p> +<p>Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering in +hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet +afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij geen +kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te doen? +Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, gaf +hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een +kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een +groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte dat +zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij zich in +de tint des nachts.</p> +<p>In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, dat +hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar eenige +rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen van gelijk +gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen +voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.</p> +<p>Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervan +<span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name= +"pb117">117</a>]</span>door een koelen, maar overigens eerbiedigen +brief kennis. De heer Gillenormand nam den brief bevend op, las hem, +scheurde hem in vieren voor de voddenmand. Een paar dagen later hoorde +juffrouw Gillenormand haar vader, die alleen in zijn kamer was, luid +spreken. Dat gebeurde telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij +luisterde dus, en de grijsaard zeide: „Zoo ge geen botterik +waart, zoudt ge weten, dat men niet tegelijk baron en advocaat kan +zijn.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Marius is arm.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">’t Is met de armoede als met alles. Zij wordt +eindelijk mogelijk. Ten laatste begint ze een vorm aan te nemen en +gewent men er zich aan. Men leidt een plantenleven, dat is, men +ontwikkelt zich zwak en slechts genoeg om in ’t leven te blijven. +Ziehier op welke wijze Marius de Pontmercy zijn leven had +ingericht.</p> +<p>Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer +voor hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in +geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs ’s jaars +te verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij +Courfeyrac, die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking +gebracht had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol +van „noodhulp.” Hij stelde prospectussen, vertaalde uit +dagbladen, maakte noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen +enz., en verdiende, alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs +’s jaars. Daarvan leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen +’t uitleggen.</p> +<p>Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs ’s +jaars een krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch +waarin niets dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad +behoorde hem. Aan de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, +waarvoor zij zijn kamertje schoon hield en hem ’s ochtends een +weinig warm water, een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met +dat ei en dat broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar +gelang de eieren goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes +uren hield hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, +tegenover Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des +Mathurins. Hij at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie +vleesch van zes, een halve portie groente van drie, en een dessert van +nog drie sous; voor drie sous had men er <span class="pagenum">[<a id= +"pb118" href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span>brood zooveel men +wilde. In plaats van wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de +destijds nog mollige en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een +sou voor den knecht en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk +lonkje. Daarmeê vertrok hij. Voor zestien sous had hij dus een +diné en een lonk gehad.</p> +<p>Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water +werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken +bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde hem +„den waterigen Rousseau.”</p> +<p>Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous +kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, ’t +geen driehonderd vijf en zestig francs ’s jaars bedroeg. Zoo men +daarbij de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven +rekent, ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, +bediend en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn +linnengoed vijftig en zijn wasch ook <span class="corr" id="xd20e2445" +title="Bron: vijtig">vijftig</span> francs, zoodat alles te zamen geen +zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs over. +Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een franc of +tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat de +verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, +zeer vereenvoudigd.</p> +<p>Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, „voor alle +dagen” het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren +zwart. Hij had slechts drie hemden, een aan ’t lijf, een bij de +waschvrouw en een in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. +Gewoonlijk waren zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan +de kin dicht.</p> +<p>Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand kwam. +Ruwe jaren waren ’t, pijnlijk om door te komen, moeielijk om te +doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle +ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij kon +zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een stuiver +schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin der +slavernij<span class="corr" id="xd20e2452" title= +"Niet in bron">.</span> Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger +dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de +schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever had +hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij beleefd. +Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, zoo men er +niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der ziel leiden kan, +waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een uitdrukking of een +daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk zou zijn voorgekomen, +scheen hem nu gemeen en was stuitend voor <span class="pagenum">[<a id= +"pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>hem. Hij waagde +niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op zijn gelaat lag een +zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot schuwheid toe.</p> +<p>In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs +gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het +lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, +die haar kooi draagt.</p> +<p>Naast den naam van zijn vader stond in Marius’ hart een andere +naam gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn +ernstige en opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van +stralen-krans, waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te +hebben, dien onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den +kogelregen bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien +man nooit van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. +’t Was een soort van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar +voor den kolonel, het kleine voor Thénardier. Wat het teedere +zijner dankbaarheid vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, +waardoor hij wist dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. +Marius had te Montfermeil het bankroet van den ongelukkigen herbergier +vernomen. Sinds had hij alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn +spoor te ontdekken en hem in den donkeren afgrond der armoede te +bereiken, waarin Thénardier was verdwenen. Marius had de geheele +streek doorkruist; hij was te Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent +en te Lagny geweest. Drie jaren had hij hierin volhard, met deze +nasporingen het weinige geld verterende, dat hij bespaard had. Niemand +had hem nopens Thénardier eenig bericht kunnen geven; men +geloofde, dat hij naar een vreemd land vertrokken was. Ook zijn +schuldeischers hadden hem gezocht, met minder liefde zeker dan Marius, +schoon even halsstarrig, maar de hand niet op hem kunnen leggen. Marius +beschuldigde en verweet zich, dat hij in zijn nasporingen niet kon +slagen. ’t Was de eenige schuld, die de kolonel had +achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te voldoen.—Toen +mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, wist +Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het +schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon hij +hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig +ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op +mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem +wedervinden!—Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius +zeker een zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al +zijn bloed wel hebben veil gehad. Thénardier <span class= +"pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>te +zien, hem een dienst te bewijzen, tot hem te zeggen: „Gij kent +mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; beschik over +mij,”—dat was Marius’ liefste en heerlijkste +droom.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Marius groot geworden.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren +geleden, dat hij zijn grootvader had verlaten.</p> +<p>Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder +eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En +waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing te +veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben gehad? +Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.</p> +<p>Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders +miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, en +dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die lachte, +vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor hem +hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader +gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet +beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet +liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in +den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs +met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een +donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem +sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In +den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die +terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen voorbij, +maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den heer +Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.—Ik +kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij zich +zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, zou ik +het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: ja! maar zijn +oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde treurig: neen. Hij had +oogenblikken van neerslachtigheid. Marius ontbrak hem. Grijsaards +hebben evengoed genegenheid als zon of warmte noodig. Hoe sterk hij ook +van aard was, had Marius’ afzijn toch iets in hem veranderd. Voor +alles ter wereld zou hij dien „kleinen snaak” geen schrede +genaderd <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name= +"pb121">121</a>]</span>zijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij naar +hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde hij +afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk en +driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, als +bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een soort van +zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:—„O +wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!”</p> +<p>Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius +niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was zij +zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan met de +kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.</p> +<p>Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, +dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn +verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook +verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem van +Marius spraken en vroegen: „Wat doet, of wat wordt mijnheer uw +kleinzoon?” Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te +treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde +schijnen: „Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of +daar.”</p> +<p>Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven +geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid +ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, +maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen die +<i>slecht jegens zijn vader was geweest</i>.—’t Was nu de +verzachte vertaling van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij +zich gelukkig, geleden te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn +vader. Zijn sober leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker +gevoel van vreugd dacht hij er aan, dat dit het minste—dat dit +een boetedoening was; dat hij anders wegens zijn goddelooze +onverschilligheid voor zijn vader, en wel voor zulk een vader, later +zeker gestraft zou geworden zijn;—dat het niet rechtvaardig was, +zoo zijn vader alles en hij niets had geleden;—wat waren +overigens zijn werkzaamheden en ontberingen bij het heldenleven van den +kolonel vergeleken?—en eindelijk dat de eenige manier om zijn +vader meer nabij te komen en te gelijken was, moedig tegen de behoefte +te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den vijand was geweest, en dat +de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld had met de woorden: +„<i>hij zal dit waardig zijn</i>.” Woorden, die Marius +voortdurend, niet op de borst—want het geschrift van den kolonel +was verloren gegaan—maar in zijn hart droeg.</p> +<p>Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nog <span class= +"pagenum">[<a id="pb122" href="#pb122" name= +"pb122">122</a>]</span>slechts een knaap nu echter was hij man +geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,—wij drukken +hierop—was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft dit +nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede legt +het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden in al +hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar het +ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende en +zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, spel, +goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het lagere in +de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme jongeling +doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als hij gegeten +heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om niet naar +het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, het +uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid waarin +hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt de +menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang tot hij +er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij denkt nog +dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des lijdenden +gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen over. Een +bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid voor zich +zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare geneugten +denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt tot overstelpens +toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt hij, rijk door +verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit zijn hart naarmate +het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor ’t overige +ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit ongelukkig. De +eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met zijn gezondheid, +zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, warm stroomend bloed, +zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, witte tanden en zuiveren +adem nog altijd een ouden keizer afgunstig kunnen maken. Bovendien +begint hij iederen ochtend weder zijn brood te verdienen; en terwijl +zijn handen dit winnen, wint zijn houding aan fierheid, zijn verstand +aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt zijn geest in onuitsprekelijke +genoegens, in aanschouwingen, en vreugde rond. Zijn voet treedt door +tegenspoeden en hindernissen de straat over, langs doornen, wel soms in +het slijk, maar toch met het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, +kalm, zacht, vreedzaam, oplettend, met weinig tevreden, +goedwillig—en hij dankt God, dat die hem die rijkdommen gaf, +welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: de arbeid, die hem vrij +maakt, en de gedachte, die hem veredelt.</p> +<p>Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheid +<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name= +"pb123">123</a>]</span>te zeggen, wel wat te veel tot bespiegeling +over. Sinds het hem gelukt was zijn brood bijna zeker te kunnen +verdienen, had hij zich daarbij bepaald, het goedkeurende dat hij arm +was en den tijd aan den arbeid ontwoekerend om dien aan overpeinzing te +wijden. Een ziener gelijk, die zich in de stille weelde der verrukking +en eener inwendige lichtwereld dompelt en daardoor verzwolgen wordt, +bracht hij geheele dagen met overpeinzingen door.</p> +<p>Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min +mogelijk stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar +mogelijk was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke +leven, de overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets +ontbrak, bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der +luiheid wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste +behoeften des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.</p> +<p>’t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele +natuur slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok +tegen de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken +zou.</p> +<p>Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, +pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het +verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken en +zaken op te loopen. Waartoe zou ’t hem dienen? Hij vond geen +enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor den +boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, waaraan +hij, zooals wij zeiden, genoeg had.</p> +<p>Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,—ik geloof de +Heer Magimel—had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar +hij hem bij behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en +vijftienhonderd francs ’s jaars zou geven. Een goede huisvesting +en vijftienhonderd francs! Zeer verlokkend! Maar van zijn vrijheid af +te staan! een loontrekkend, een soort van letterkundig bediende te +zijn! Naar Marius’ gedachte zou, zoo hij ’t voorstel +aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; wat +hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was een +volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang +veranderde; ’t was iets als een blinde, die +éénoogig worden kon. Hij weigerde dus.</p> +<p>Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij +er bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras +presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander +bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet. +<span class="pagenum">[<a id="pb124" href="#pb124" name= +"pb124">124</a>]</span></p> +<p>Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, +Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij +dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze hem +zijn vader leeren kennen en beminnen. „Hij heeft mij van de staar +gelicht,” zeide hij.</p> +<p>Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.</p> +<p>De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het +rustige, lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius +toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars +doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet +de persoon geweest.</p> +<p>De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke +verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.</p> +<p>Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden +nopens hem niet onnoodig.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De heer Mabeuf.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: +„zekerlijk, ik keur politieke meeningen goed,” drukte hij +den wezenlijken toestand van zijn geest uit. Alle politieke meeningen +waren hem onverschillig, en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, +mits zij hem met rust lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de +furiën, de schoonen, de goeden en bekoorlijken de <i>Eumeniden</i> +noemden. De politieke meening van den heer Mabeuf was een +hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal voor boeken. Hij had, +zooals iedereen, de lettergreep <i>ist</i> tot uitgang, zonder welke +niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, bonapartist, +chartist, orleanist, noch anarchist; hij was <i>bouquinist</i> +(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens zulke +nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, de +monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in de +wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die zij +beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij wilde +niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, belette hem +niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had leeren kennen, +ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl deze bloemen en de +ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in geslaagd even +uitmuntende peren als die van St. Germain te telen. <span class= +"pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name="pb125">125</a>]</span></p> +<p>Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook +wijl hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in +de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat iets +moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was ’t +hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een +tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds +lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: „Zijt ge nooit +gehuwd geweest?”—„Ik heb ’t vergeten,” +antwoordde hij. Zoo ’t hem nu en dan gebeurde—en wien +gebeurt dit niet?—te zeggen: „O, zoo ik rijk +ware!”—was ’t niet terwijl hij een meisje begluurde, +gelijk vader Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud +boek.</p> +<p>Hij leefde alleen met een oude huishoudster—en was min of meer +jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme +verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over de +omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een tamelijk +goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf verkocht. +Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat +Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend +francs op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.</p> +<p>Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door +geduld, ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, +veelsoortige exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met +een boek onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De +eenige versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin +zijn woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het +gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn gansche +leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel der +Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, met +witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving in +al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en een +gezicht als een oud schaap.</p> +<p>Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, +een ouden boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de +indigo-bouw in Frankrijk ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid +was een rariteit van onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, +haar kater, die het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had +kunnen mauwen, vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid +hartstocht die in haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een +man verheven. De kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij +stelde <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name= +"pb126">126</a>]</span>roem in een heldere muts. Zij vermaakte zich des +zondags na de mis met haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen +katoen op haar bed uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen +kocht, doch nooit liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar +den bijnaam van „moeder Plutarchus” gegeven.</p> +<p>Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en +zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te +verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van +een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen +roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone +veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, +bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding +zijner bloemen.</p> +<p>Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier +eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer Mabeuf de +geheele horizont verduisterd. Door een bankroet—van een +notaris—verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen +alles was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie +veroorzaakte een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen +nood worden zelden <i>Floras</i> verkocht. De Flora over de omstreken +van Cauteretz ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er +een kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel +hoorde.—„Neen, mijnheer,” zeide moeder Plutarchus dan +treurig, „’t is de waterdrager.”—Kortom, op +zekeren dag verliet Mabeuf de straat Mezières, deed afstand van +zijn kerkmeesterschap, verkocht een gedeelte, niet van zijn boeken, +maar van zijn prenten—waaraan hij ’t minst gehecht +was,—en betrok een huisje op den boulevard Mont-Parnasse, dat hij +echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om twee redenen: eerstens +wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd francs kostte, en hij niet +meer dan tweehonderd francs huur kon betalen, en ten tweede wijl erin +de buurt een schijfschieterij was en hij pistoolschoten hoorde, die hem +ondragelijk waren.</p> +<p>Hij nam zijn <i>Flora</i>, zijn koperen platen, zijn herbariums, +portefeuilles en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la +Salpétrière, in een soort hut van het dorp Austerlitz, +waar hij voor honderdvijftig francs ’s jaars drie kamers en een +omheinden tuin met een put had. Hij maakte van die verhuizing gebruik +om bijna al zijn huisraad te verkoopen. Op den dag zijner komst in de +nieuwe woning was hij zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den +muur, om er zijn prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij +moeder Plutarchus <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" +name="pb127">127</a>]</span>des avonds treurig zag, klopte hij haar op +den schouder, terwijl hij glimlachend zeide:</p> +<p>„Wij hebben de indigo!”</p> +<p>Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er +toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem +vrij onaangenaam was.</p> +<p>Hersenen,—zooals wij hebben aangewezen—die met wijsheid +of dwaasheid zijn gevuld, of, ’t geen vaak gebeurt, door beide +tegelijk, zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen +des levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat een +lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon gelijken. +Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er bijna +iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, maar +dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel om hun +geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, doch zien +bij het spel onverschillig toe!</p> +<p>Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen +verdwijnen zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn +vroolijkheid toch behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, +toch diep gevoeld was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig +van de eene naar de andere zijde, als de slinger van een klok. En die +slingering, door een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs +wanneer de schim reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet +dadelijk stil op ’t oogenblik, dat men den sleutel er van +verliest.</p> +<p>De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en +onverwacht; het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder +Plutarchus in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het +dan beter te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de +bevestiging van ’t geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer +luid lezen, alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij +lezen.</p> +<p>Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand +hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.</p> +<p>Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van +een dragonderofficier en een schoone.</p> +<p>„ ... De schoone pruilde, en de dragonder...”<a class= +"noteref" id="xd20e2576src" href="#xd20e2576" name= +"xd20e2576src">1</a></p> +<p>Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.</p> +<p>„Bouddha en de draak,” zei Mabeuf halfluid. „Ja, +’t is waar, er was een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit +den muil en den hemel verbrandde. Verscheidene sterren waren +<span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name= +"pb128">128</a>]</span>reeds door dat monster verbrand, dat bovendien +tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en ’t gelukte +hem den draak te bekeeren. ’t Is een goed boek, dat ge daar +leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende.”</p> +<p>En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id= +"xd20e2576" href="#xd20e2576src" name="xd20e2576">1</a></span> +<span lang="fr">La belle bouda et le dragon.</span> Hierop slaat +Bouddha en draak.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Armoede is een goed gebuur voor ellende.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius had genegenheid opgevat voor den goeden +grijsaard, die langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs +verwonderde, zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette +Courfeyrac en zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar +keeren in de maand.</p> +<p>Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs de +buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte lanen +van het <span class="corr" id="xd20e2598" title= +"Bron: Luxembourg">Luxemburg</span>. Soms besteedde hij een halven dag +met de beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op +een mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers +zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts en +gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, die +zich aan zijn gedachten overgaf.</p> +<p>Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de +eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er een +kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.</p> +<p>Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem +uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet +geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader te +spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal +Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden +bezoeken af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken +droeg Marius zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze +soirées of bals, dan wanneer het steendik vroor; want hij kon +geen huurrijtuig betalen en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, +die als spiegels blonken.</p> +<p>Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:</p> +<p>„Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo +beslijkt men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt er +<span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name= +"pb129">129</a>]</span>alleen: onberispelijkheid—van +geweten?—neen, van laarzen.”</p> +<p>Alle driften, behalve die van ’t hart, vervliegen bij den +denker. Ook de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had +de revolutie van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral +medegewerkt. Op zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog +altijd dezelfde meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; +eigenlijk gezegd, had hij geen meeningen meer, maar sympathieën. +Tot welke partij behoorde hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos +Frankrijk tot haar doel; in de natie koos hij het volk, in het volk de +vrouw. Met haar vooral had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan +een denkbeeld boven een feit, aan een dichter boven een held, en +bewonderde meer een boek als dat van Job dan een gebeurtenis als die +van Marengo. En dan weer, wanneer hij na een dag van bespiegeling des +avonds langs den boulevard huiswaarts keerde, en door de takken van het +geboomte het peilloos uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de +diepte, de schaduw, de verborgenheid, aanschouwde, kwam al het +menschelijke hem klein en nietig voor.</p> +<p>Hij geloofde zoo zeker, het ware in ’t leven en de +wijsbegeerte gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat +hij eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat +men in den put der waarheid zien kan.</p> +<p>Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en +luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van +Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als +verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart +van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar +’t geen hij droomt dan naar ’t geen hij denkt beoordeelen. +In de gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom +neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest aan +en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht uit onze +ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den glans van het +lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, beredeneerde en +geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter van ieder mensch +wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze droomen. Ieder droomt +naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.</p> +<p>In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, +Marius’ dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin +Jondrette, buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen +dag uit was, wist nauwelijks dat hij buren had.</p> +<p>„Waarom?” vroeg hij. <span class="pagenum">[<a id= +"pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p> +<p>„Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen +schuldig.”</p> +<p>„Hoeveel bedraagt de som?”</p> +<p>„Twintig francs,” antwoordde de oude vrouw.</p> +<p>„Ziedaar,” sprak hij tot de oude vrouw, „hier hebt +ge vijfentwintig francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef +hun vijf francs, maar zeg niet dat het van mij komt.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De plaatsvervanger.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de +luitenant Theodule behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante +Gillenormand gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den +eersten keer had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten +bespieden; nu besloot zij Theodule in Marius’ plaats te +stellen.</p> +<p>’t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins +behoefte had een jeugdig gezicht in huis te hebben—het +ochtendrood doet de bouwvallen soms genoegelijk aan—’t was +noodig, een anderen Marius te vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen +’t als een drukfout beschouwen en, met verschillende boeken, +zeggen: Theodule, lees Marius.</p> +<p>Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat +neemt men een lansier.</p> +<p>Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het +lezen van een blad, de <i>Quotidienne</i>, toen zijn dochter binnentrad +en op den vleiendsten toon—want het gold haar +gunsteling—zeide:</p> +<p>„Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek +brengen.”</p> +<p>„Welke Theodule?”</p> +<p>„Uw achterneef.”</p> +<p>„Zoo,” zei de grootvader.</p> +<p>Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef te +denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal gebeurde +wanneer hij las. Het blad, dat hij las—natuurlijk +koningsgezind—kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine +politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de orde van +den dag waren: <a id="xd20e2657" name="xd20e2657"></a>dat de studenten +in de medicijnen en de rechtsgeleerdheid des middags op het plein van +het Pantheon moesten bijeenkomen om te delibereeren. <span class= +"pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span>Het +gold een kwestie van den dag: de artillerie der nationale garde, +alsmede een conflict tusschen den minister van oorlog en de +„burgerwacht,” ter zake van de op de binnenplaats van het +Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten de studenten +„raadplegen.” Er was niet veel meer noodig om den heer +Gillenormand op te winden.</p> +<p>Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk de +anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan +„delibereeren.”</p> +<p>Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd +luitenant Theodule, in burgerkleeding, ’t geen zeer slim overlegd +was, door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had +geredeneerd als volgt: „De oude heeft niet alles op lijfrente +geplaatst. Het is dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger +te kleeden.”</p> +<p>Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: „Theodule, +uw neef.”</p> +<p>En zacht tot den luitenant:</p> +<p>„Geef hem maar altijd gelijk.”</p> +<p>Toen verwijderde zij zich.</p> +<p>De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde +eenigszins verlegen: „Goeden morgen, oom,” en groette +werktuiglijk half als militair, half als burger.</p> +<p>„Ha, zijt gij ’t, goed; ga zitten,” sprak +grootvader. En tegelijk vergat hij den officier weder geheel en al.</p> +<p>Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de +handen in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich +zelven en klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, +vergramd in zijn oude vingers.</p> +<p>„Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van +het Pantheon! knapen, die <span class="corr" id="xd20e2682" title= +"Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> de min ontloopen zijn! Zoo men hun +in den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren +zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? ’t Is duidelijk, dat +men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados toe +gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de +burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu +eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, dat +er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en +verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar als +een neus en een zakdoek. Carnot zeide: „Waar zal ik heen gaan, +verrader?” En Fouché antwoordde: „Waarheen ge wilt, +dwaas!” Dat zijn nu republikeinen!”</p> +<p>„’t Is waar,” zei Theodule. <span class= +"pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span></p> +<p>De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en ging +voort:</p> +<p>„Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om +carbonaro te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein +te worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil +ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd +koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het +volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, +hoort ge. ’t Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te +worden, de guillotine toe te lonken, romances te zingen met +accompagnement van de guitar, onder het balkon van 93! ’t Is om +te spuwen, zoo dom zijn die jongelieden! Zij zijn ’t allen: geen +uitgezonderd. Men behoeft de lucht op straat slechts in te ademen, om +zinneloos te worden, naar ’t schijnt. De negentiende eeuw is +vergiftigd. De eerste straatjongen de beste laat zijn boksbaard +groeien, meent al een kerel te zijn en loopt van zijn oude lui weg. +’t Is republikeinsch, romantisch. Wat is romantisch? Wees zoo +goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle mogelijke gekheid. Een +jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag ik u! naar Hernani! Welke +tegenstrijdigheden en schandelijkheden, die zelfs niet in goed +<span class="corr" id="xd20e2693" title="Bron: fransch">Fransch</span> +zijn geschreven! En dan zet men nog kanonnen op het plein van het +Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in dezen tijd!”</p> +<p>„Ge hebt gelijk, oom,” zei Theodule.</p> +<p>De heer Gillenormand hernam:</p> +<p>„Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die +kanonnen daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? +Wat hebben de blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die +jongelieden van dezen tijd, ’t zijn allen schoften! Welk een +beweging met hun Benjamin Constant. En wie geen schurken zijn, zijn +pap-eters. Zij doen al ’t mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan +slecht gekleed, zijn bang voor de vrouwen, en de deerns lachen hen uit +om hun bedelaarsmanieren; op mijn woord van eer, ’t is alsof zij, +als ’t op liefde aankomt, bedeelde armen zijn. Zij zijn +wanstaltig en, wat meer is, dom; zij herhalen de woordspelingen van +Tiercelin en Pothier, dragen jassen als zakken, palfreniersvesten, +grove hemden, grove lakensche broeken, schoenen van dik leder, en hun +gesnater is als hun vederen. Hun geraaskal is evenmin iets waard als +hun sloffen. En dat dom rapalje wil politieke meeningen hebben! +’t moest streng verboden worden, politieke meeningen te hebben. +Zij fabrieken stelsels, keeren de maatschappij om, breken de monarchie +af, smijten alle wetten neêr, <span class="pagenum">[<a id= +"pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>gooien den zolder +naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; zij keeren Europa +het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in ’t geniep +durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, Marius! O, +schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken en +maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de +wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien +en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde +delibereeren, men zou ’t niet eens bij de Ogibberra’s en de +Cadodachen zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op ’t +hoofd hebben als de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn +nog minder verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten +einde! ’t Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten +aardbol. Er was een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. +Delibereert maar, guiten! ’t Zal zoo ver gaan, dat zij de +dagbladen onder de bogen van ’t Odéon zullen gaan lezen. +’t Kost hun alles maar een stuiver, maar ook hun gezond verstand, +en hart, en ziel, en geest. Daar komt het van dat men van zijn familie +wegloopt. Dagbladen zijn de pest; alle, zelfs de <i lang="fr">Drapeau +blanc</i>! Martainville was <span class="corr" id="xd20e2707" title= +"Bron: is">in</span> den grond ook maar een Jakobijn. O! hemel, wel +kunt ge u beroemen uw grootvader tot wanhoop te hebben +gebracht!”</p> +<p>„Dat is duidelijk,” zei Theodule.</p> +<p>En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand +zweeg, voegde de lansier er op hoogen toon bij:</p> +<p>„Er moest geen ander blad dan de <i>Moniteur</i>, en geen +ander boek dan de militaire almanak zijn.”</p> +<p>De heer Gillenormand voer voort:</p> +<p>„Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die +senator wordt; want daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander +burger te noemen, om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf +niet dikker dan de arm der doodslagers van September. De wijsgeer +Sieyès! Ik beroem mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren +nooit meer waarde te hebben gehecht, dan aan den bril van den +grappenmaker in Tivoli. Eens heb ik de senatoren op de kade Malaquais +in violetkleurige, met bijen bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre +hoeden gezien. Zij waren afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van +den tijger. Ik verklaar u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat +uw humaniteit een droom, dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek +een monster, dat uw maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd +ik staande voor allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, +economisten, of legisten, en met vrijheid, gelijkheid en broederschap +veel beter bekend <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" +name="pb134">134</a>]</span>dan met de bijl der guillotine! Dit, goede +lieden, zeg ik u!”</p> +<p>„Parbleu!” riep de luitenant, „dat is meesterlijk +en waar!”</p> +<p>De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich +om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:</p> +<p>„Gij zijt een ezel!” <span class="pagenum">[<a id= +"pb135" href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek VI.</h2> +<h2 class="main">De conjunctie van twee sterren.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name= +"pb137">137</a>]</span> +<div id="ch6.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Hoe familienamen ontstaan.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van +middelbare grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander +voorhoofd, hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige +trekken, waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige +uitdrukking lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin +krachtig en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en +Lotharingen in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen +gemis van hoeken, ’t welk de Sicambren onder de Romeinen zoo +kenbaar maakte, en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht +onderscheidt. Hij was in den leeftijd, wanneer de geest van den +denkenden mensch bijna in gelijke mate uit diepzinnigheid en +naïeveteit is samengesteld. In gewichtige aangelegenheden had hij +alle gegevens om dom te zijn; maar zoo men den sleutel nog eens +omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn manieren waren terughoudend, +koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar zijn mond bekoorlijk was, zijn +lippen rood en zijn tanden schitterend wit waren, temperde zijn +glimlach het strenge van zijn gelaat. Op zekere oogenblikken was zijn +kuisch voorhoofd in zonderling contrast met zijn weelderigen glimlach. +Zijn oog was klein, zijn blik groot.</p> +<p>In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes +omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde +hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude +kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om zijn +bevalligheid na en droomden soms wel van hem.</p> +<p>Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem +voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, om de +goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, besluiteloos +voort, zooals Courfeyrac zei.</p> +<p>Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig te +<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name= +"pb138">138</a>]</span>zijn. Wil ik u een goeden raad geven? Lees niet +zooveel in de boeken, maar kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes +zijn zoo kwaad niet, Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds +voor haar bloost, zult ge een wild dier worden.</p> +<p>Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, +mijnheer de abt!</p> +<p>Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius +acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, en +Courfeyrac op den koop toe.</p> +<p>Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke +Marius niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. +’t Is waar, dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem +gezegd had, dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die +zijne kamer schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt +geen baard, wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere +was een jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit +aanzag.</p> +<p>Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het +Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, een +man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een bank zitten, +en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de Westerstraat. +Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen bemoeit van hen +die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze laan bracht, ’t +geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit paar. De man kon +zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; zijn geheele persoon +toonde het forsche maar vermoeide voorkomen van een gepensioneerd +krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, zou Marius hem voor een +voormalig officier hebben gehouden. Hij had een goed, maar niet zeer +innemend gezicht en liet nooit zijn blik op dien van een ander rusten. +Hij droeg een blauwe broek, een blauwe jas en een hoed met breeden +rand, die altijd nieuw schenen, en daarbij een zwarte das en een +kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon van grof linnen was. Een grisette +die hem eens voorbij ging, zei: Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had +zeer witte haren.</p> +<p>De eerste maal dat het meisje, ’t welk hem vergezelde, met hem +op de bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij +een dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links +en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij +sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij +droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, +een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. ’t Was +of zij vader en dochter waren. <span class="pagenum">[<a id="pb139" +href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span></p> +<p>Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen +grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, +toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs +niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het +meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig en +sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.</p> +<p>Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:</p> +<p>Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant +hunner bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, +ging dan weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon +dan weder opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of +zesmaal voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, +zonder dat hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met +elkander te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien +wel omdat, het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de +aandacht van vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de +boomkweekerij naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. +Courfeyrac, onder anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar +eenigen tijd gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had +hij het zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een +bijnaam op haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het +meisje en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het +kind „juffer Lanoire” (de zwarte) en den vader +„mijnheer Leblanc” (den witte). En deze bijnamen behielden +beiden, omdat men hun ware namen niet kende. De studenten zeiden dus: +Ha, daar zit mijnheer Leblanc weêr op zijn bank! en Marius vond +het evenals de anderen, gemakkelijk den onbekende maar mijnheer Leblanc +te noemen.</p> +<p>Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc +zeggen.</p> +<p>Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen op +hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij +onbevallig.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">En ’t werd licht.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met +onze geschiedenis gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten +waarom, zijn gewone wandeling in het Luxemburg varen, en <span class= +"pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span>had +sinds bijna zes maanden geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging +hij er op een fraaien zomermorgen weêr heen. Marius verheugde +zich in het fraaie weder. ’t Was hem, alsof de vogels die hij +hoorde in zijn harte zongen en het vol was van den blauwen hemel, dien +hij door het loover heen zien kon.</p> +<p>Regelrecht ging hij naar „zijn laan,” en zag, toen hij +aan het einde ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem +bekende paar weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, +maar het meisje scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat +hij thans vond, was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke +vormen, welke de vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog +met de naïeve bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is +dat vluchtige, reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: +vijftien jaar, kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, +kastanjebruine lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen +voorhoofd, wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere +blankheid, een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering +ontschiet, de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat +Raphaël aan Maria zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon +aan Venus zou hebben toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke +gestalte zou ontbreken, was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, +noch gebogen, niet Italiaansch, noch Grieksch; ’t was de +Parijsche neus, namelijk zoo geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, +dat hij de schilders wanhopig maakt en de dichters verrukt.</p> +<p>Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die +steeds waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige +wimpers vol schaduw en kuischheid.</p> +<p>Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij +naar den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets +was bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen +oogen.</p> +<p>Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden +man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone +wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij +haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was +het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon +dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps +ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze +nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te +benemen.</p> +<p>Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk +sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven om <span class= +"pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span>zich +met bloesem te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om +zich in schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.</p> +<p>Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen +te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei +verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan is er +een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen insgelijks +haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.</p> +<p>Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, +merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid +was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens was haar +gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille van dezelfde +stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen toonden de +fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel van een +parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid van haar +voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den +voorbijganger als doordrong.</p> +<p>De man was dezelfde gebleven.</p> +<p>Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame +de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in dat +omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig staarde +zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, die op de +bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn wandeling +voort, en dacht aan iets anders.</p> +<p>Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje +zat, doch zonder zijn oogen naar haar te richten.</p> +<p>De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, +waar hij „vader en dochter” als gewoonlijk vond; doch hij +lette niet op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, +als hij er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger +ging hij dicht voorbij de bank, wijl ’t zoo zijn gewoonte +was.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Werking der lente.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en +zonneglans overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des +ochtends gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; +Marius had zijn gansche ziel voor de <span class="pagenum">[<a id= +"pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span>natuur geopend; hij +dacht aan niets; hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de +bank; het jonge meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken +ontmoetten elkander.</p> +<p>Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?</p> +<p>Marius zou ’t niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er +lag alles in. ’t Was een wonderbaar weêrlicht.</p> +<p>Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.</p> +<p>Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een +kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling +weder gesloten had.</p> +<p>Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die +haar dan nabij is.</p> +<p>Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als +het morgenrood aan den hemel. ’t Is het ontwaken van iets +schitterends en onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid +beschrijven van dien onverwachten glans, die eensklaps een +aanbiddelijke duisternis verlicht en uit al de onnoozelheid van het +heden en al de hartstochtelijkheid der toekomst bestaat. ’t Is +een zekere besluitelooze teederheid, die zich toevallig openbaart en +wacht. ’t Is een valstrik, welke de onschuld argeloos spreidt en +waarin zij onwillekeurig en zonder het te weten de harten vangt. +’t Is een maagd met den blik eener vrouw.</p> +<p>Zeldzaam is ’t, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet +droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien +hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste +lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die +donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde +wordt genoemd.</p> +<p>Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn +kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en +ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den tuin +van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove +laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, +die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Begin eener zware ziekte.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn +nieuwen rok, nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast, +<span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name= +"pb143">143</a>]</span>kleedde zich, trok handschoenen aan—een +ongekende weelde—en wandelde naar het Luxemburg.</p> +<p>Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. +Toen Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:</p> +<p>„Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, +ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een zeer +dom voorkomen.”</p> +<p>Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en +beschouwde de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld +staan, welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij +den vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een +vijfjarig knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: „Vermijd +overdrijving. Houd u evenzeer van het despotisme als van de anarchie +verwijderd, mijn zoon.” Marius luisterde naar den man. Toen ging +hij nogmaals om den vijver heên, en eindelijk naar „zijn +laan,” maar langzaam en als met weerzin. ’t Was of hij +tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen te gaan. Hij wist het +zich niet te verklaren en meende hetzelfde te doen, wat hij alle dagen +deed.</p> +<p>Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc en +de jonge dame „op hun bank.” Hij knoopte zijn rok tot +bovenaan dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met +eenig welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was +iets aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. +Hij trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.</p> +<p>Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik +werden de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. +Hij dacht op dat oogenblik welk een zot boek die „Manuel du +Baccalaureat” toch was, en dat het geschreven moest zijn door +zonderlinge brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den +menschelijken geest, drie treurspelen van Racine en slechts +één comedie van Molière in ontleedde. Het suisde +hem in de ooren. De bank naderende streek hij weder de plooien van zijn +rok glad en richtte zijn oogen op het meisje. ’t Scheen hem, +alsof zij het geheele einde der laan met een zacht blauw licht +vulde.</p> +<p>Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs +langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog verre +van ’t einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf +wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde te +gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren en +zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij zeer +rechtop, om een goed <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" +name="pb144">144</a>]</span>figuur te maken in geval iemand hem van +achteren nastaarde.</p> +<p>Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam dezen +keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er nog slechts +een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, doch toen +gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en hij aarzelde. Hij +meende gezien te hebben, dat het meisje haar blik op hem had gericht. +Hij deed echter een krachtige poging, onderdrukte zijn aarzeling en +ging voort. Eenige seconden later ging hij, recht en stijf, schoon tot +over de ooren blozende, de bank voorbij, zonder rechts noch links een +blik te durven slaan, en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. +Op het oogenblik dat hij voorbijging—als onder het geschut der +vesting—voelde hij een geweldige hartklopping. De jonge dame +droeg evenals den vorigen dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij +hoorde een bekoorlijke stem, die de „hare” moest zijn. Zij +sprak bedaard. Zij was zeer lief, dat gevoelde hij, hoewel hij geen +moeite deed haar te zien.</p> +<p>Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij +bij zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over +Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de +Neufchateau als de zijne aan het hoofd zijner éditie van +<i>Gil-Blas</i> heeft geplaatst.</p> +<p>Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht +bij was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge +dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer +onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge +meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde +hij zich, dat zij naar hem keek, ’t geen hem deed struikelen.</p> +<p>Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield +stil in het midden der laan, en ging zitten, ’t geen hij anders +nooit deed, terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in ’t diepst +zijner ziel dacht, dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, +wier witten hoed en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig +zou zijn voor zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.</p> +<p>Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de +bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar +hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden +zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter +dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn +gedrag wel wonderlijk moest vinden.</p> +<p>Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in, +<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name= +"pb145">145</a>]</span>om dien man, zelfs in zijn gedachte, met den +bijnaam van Leblanc te bestempelen.</p> +<p>Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok +met zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich +plotseling in de tegenovergestelde richting der bank en ging +huiswaarts.</p> +<p>Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst +op, toen het ’s avonds acht uren was, en vermits het toen te laat +was om naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk +brood.</p> +<p>Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes +opgevouwen te hebben.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Juffrouw Bougon wordt door verscheidene bliksemstralen +getroffen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden dag zag juffrouw Bougon—zoo noemde +Courfeyrac de oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, +ofschoon zij werkelijk juffrouw Burgon heette—met de uiterste +verbazing, dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.</p> +<p>Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het +midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen dag, +nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den witten hoed, +het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij bewoog zich +niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den tuin gesloten werd. +Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet heengaan, en vermoedde +dat zij door het hek in de Oosterstraat waren vertrokken. Eenige weken +later wist hij zich niet te herinneren, waar hij dien avond gegeten +had.</p> +<p>Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder +als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen rok +uit!—Drie dagen achtereen! riep zij, de handen +inéénslaande.</p> +<p>Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote +schreden, dat hij een nijlpaard geleek, ’t welk op een gems jacht +maakt. In een oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam +hijgende van kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te +huis.—Is dat verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok +aan te trekken en de menschen zóó te laten loopen! +<span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name= +"pb146">146</a>]</span></p> +<p>Marius ging naar het Luxemburg.</p> +<p>De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een +boek te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk +verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier +uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan +huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.</p> +<p>Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg +om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder +dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich niet +meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen avond +weder aan.</p> +<p>De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige +aanmerking, die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil +tusschen haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, +aan haar gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe +bekoorlijk overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Gevangen gemaakt.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In een der laatste dagen van de volgende week zat +Marius als gewoonlijk op zijn bank met een open boek in de hand, +waarvan hij sinds twee uren geen blad had omgeslagen. Eensklaps +ontroerde hij. Er gebeurde iets aan het einde der laan. De heer Leblanc +en zijn dochter hadden hun bank verlaten en beiden gingen langzaam naar +het midden der laan, waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, +opende het weder en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam +rechtstreeks op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke +houding ik aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar +en de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel +’t slechts een seconde duurde.—Wat willen zij hier? vroeg +hij bij zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen +dit zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de +grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde +te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden +tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik op +hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het +hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame +ging voorbij, hem strak en met een zachten, <span class= +"pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name= +"pb147">147</a>]</span>peinzenden blik aanziende, die hem van ’t +hoofd tot de voeten deed rillen. ’t Was alsof zij hem verweet in +zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij tot hem zeide: +Nu kom <i>ik</i>. Marius was verbijsterd door haar diepe, schitterende +oogen.</p> +<p>Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een +vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar +schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, zoo +volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar geknield +zou hebben. ’t Was hem alsof hij in het azuur des hemels zweefde. +Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, zijn laarzen +waren bestoven.</p> +<p>Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.</p> +<p>Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep +hij als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide +en sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, +die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.</p> +<p>Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen +vinden.</p> +<p>Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en +zeide tot hem: „Ga met mij dineeren.” Zij gingen naar +Rousseau en verteerden zes francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes +sous aan den knecht. Bij het dessert zeide hij tot Courfeyrac: +<span class="corr" id="xd20e2926" title= +"Niet in bron">„</span>Hebt ge de courant gelezen? Welk een +fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!<span class="corr" +id="xd20e2929" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Hij was smoorlijk verliefd.</p> +<p>Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac: <span class="corr" id= +"xd20e2936" title="Niet in bron">„</span>Ga mede naar den +schouwburg; ik zal betalen.<span class="corr" id="xd20e2939" title= +"Niet in bron">”</span> Zij gingen naar de porte St. Martin om +Frederick in de <i lang="fr">Auberge des Adrets</i> te zien. Marius +vermaakte zich ontzaggelijk.</p> +<p>Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den +schouwburg verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste +zien, die over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier +afschuwelijk toen deze zeide: „Ik zou dit meisje wel in mijn +collectie willen opnemen.”</p> +<p>Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café +Voltaire te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den +vorigen dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle +gelegenheden aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde +teederlijk iederen vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring +studenten had zich om hun tafel geschaard en men sprak over de +zotternijen, door den staat betaald, welke in de Sorbonne van den +katheder worden voorgedragen, vervolgens viel het gesprek op de +gebreken en <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name= +"pb148">148</a>]</span>leemten der woordenboeken en taalkundige werken. +Marius stoorde het gesprek door plotseling uit te roepen: +„’t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te +hebben!”</p> +<p>„’t Is waarlijk kluchtig!” fluisterde Courfeyrac +Jean Prouvaire toe.</p> +<p>„Neen,” antwoordde Jean Prouvaire, „’t is +ernstig!”</p> +<p>’t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, +bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.</p> +<p>Een blik had dat alles bewerkt.</p> +<p>Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer +eenvoudig. Een blik is een vonk.</p> +<p>’t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het +onbekende in.</p> +<p>De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch +geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd +voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er +zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar +eensklaps voelt men zich gegrepen! ’t Is gedaan! Het rad houdt u, +de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om ’t even waar +of hoe; ’t zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw +geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in ’t raderwerk +beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos +biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men valt +van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den anderen, van +de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, uw toekomst, uw +ziel; en al naar gelang men in de macht van een slecht of een edel hart +is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, óf door schande +misvormd, óf door liefde veredeld.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Gissingen nopens de letter U.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, +de onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan +dagelijkschen en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime +strijd der kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden +Marius tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor +hem schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, tot +diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond zijn. +De liefde kwam! <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" +name="pb149">149</a>]</span></p> +<p>Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het +Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.—Hij +is in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. ’t Was +zeker dat de jonge dame hem aanschouwde.</p> +<p>Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging hij +echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan dat der +voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde het raadzaam +de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij berekende met +diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen en voetstukken +der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk door de jonge +dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien worden. Soms +bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw van een Leonidas +of Spartacus staan, met een boek in de hand, over ’t welk zijn +oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar kant met een +vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.</p> +<p>Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden +man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik op +Marius. ’t Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den +eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des +levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.</p> +<p>Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, +want dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij +had hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank +bij den „Worstelaar” ingenomen, om te zien of Marius hen +zou volgen. Marius begreep hier niets van, en beging deze fout. +„De vader” was sinds niet meer zoo stipt, en bracht +„zijne dochter” niet dagelijks meer mede. Soms kwam hij +alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.</p> +<p>Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van +verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, het +tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; alle +nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk +gehad—olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een +avond had hij in de schemering op de bank, die mijnheer „Leblanc +en zijn dochter” zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen +zakdoek gevonden, zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem +onbeschrijfelijke geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met +verrukking tot zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets +van het schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar +woning; deze twee letters waren <span class="pagenum">[<a id="pb150" +href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span>het eerste wat hij van haar +bezat, dierbare letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op +te trekken.</p> +<p>U was ontwijfelbaar de voornaam. „Ursula!” dacht hij, +een bekoorlijke naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde +des daags hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te +slapen.</p> +<p>„Ik gevoel er haar geheele ziel in!” riep hij.</p> +<p>Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak +had laten vallen.</p> +<p>Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het +Luxemburg, dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. +De schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door +onmiskenbare teekenen blijken.</p> +<p>„O! onschuld!” zei Marius.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Vermits wij het woord „onschuld” hebben +genoemd en niets willen verzwijgen, moeten wij zeggen dat „zijn +Ursula” hem eens, in weerwil van zijn vervoering, ernstig leed +veroorzaakte. ’t Was op een dag, dat zij den heer Leblanc er toe +overhaalde de bank te verlaten en in de laan te wandelen. Er woei een +scherpe voorjaars-wind, die de twijgen der boomen deed ruischen. Arm in +arm gingen vader en dochter voorbij de bank van Marius. Marius was +achter hen opgestaan en oogde hen na, zooals in zulk een teederen +zielstoestand gebruikelijk is.</p> +<p>Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig om +het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene nimf +omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, bijna tot +aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam te voorschijn. +Marius zag het. Hij was woedend van toorn.</p> +<p>Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar +kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.—Hij was +wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En +zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? ’t +Was ontzettend wat zij gedaan had.—Helaas, het arme meisje had +niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien +onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld +gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. ’t Is inderdaad, +dat zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange, +<span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name= +"pb151">151</a>]</span>zonderlinge jaloezie des vleesches wordt +opgewekt. Overigens, zelfs afgescheiden van deze jaloezie, had het +gezicht van dat bekoorlijk been voor hem niets aangenaams; de witte +kous van de eerste de beste vrouw zou hem meer pleizier hebben +gedaan.</p> +<p>Toen „zijne Ursula” aan ’t einde der laan, met +mijnheer Leblanc, terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius +zich weder neergezet had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op +haar.</p> +<p>De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, +als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?</p> +<p>Dit was „hun eerste twist.”</p> +<p>Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen +iemand door de laan ging. ’t Was een gebogen, gerimpelde, grijze +invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, +waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, +op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, +met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, +dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. ’t Scheen hem zelfs, +dat deze oude synicus hem in ’t voorbijhinken een broederlijken, +vroolijken lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat +zij in verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk +fortuintje hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? +Wat was tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot +den hoogsten graad van ijverzucht.—Hij was er misschien, dacht +hij, hij heeft misschien iets gezien!—Hij had den invalide willen +vernielen.</p> +<p>Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius tegen +„Ursula,” hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok +over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar ’t kostte veel +moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.</p> +<p>Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn +liefde schier tot waanzin aan.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Eclips.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende +ontdekt te hebben, dat zij Ursula heette.</p> +<p>Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; ’t was veel, te +weten dat zij Ursula heette; maar ’t was eigenlijk ook +<span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name= +"pb152">152</a>]</span>weinig. Marius had zich drie of vier weken met +dit geluk verheugd. Hij wilde thans een ander. Hij wilde weten, waar +zij woonde.</p> +<p>Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den +Gladiator te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg +te blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een +derden misslag, een grooten: hij volgde „Ursula.”</p> +<p>Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in +een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.</p> +<p>Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het +Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.</p> +<p>Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar +voornaam, den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist +waar zij woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.</p> +<p>Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te +hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg den +portier:</p> +<p>„Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te +huis is gekomen?”</p> +<p>„Neen,” antwoordde de portier: „’t is de +heer der derde verdieping.”</p> +<p>’t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius +stoutmoediger.</p> +<p>„Aan de straat?” vroeg hij.</p> +<p>„Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat,” zei +de portier.</p> +<p>„En wat doet deze heer?” hernam Marius.</p> +<p>„Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed +aan ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is.”</p> +<p>„Hoe heet hij?” vroeg Marius.</p> +<p>De portier richtte het hoofd op en zeide:</p> +<p>„Is mijnheer een stille verklikker?”</p> +<p>Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij +was iets gevorderd.</p> +<p>„Goed,” dacht hij. „Ik weet dat zij Ursula heet, +dat zij de dochter van een rentenier is en hier in de Westerstraat op +de derde verdieping woont.”</p> +<p>Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts +zeer kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang +vóór de avond viel.</p> +<p>Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de +deur van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijn <span class= +"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name= +"pb153">153</a>]</span>dochter binnengaan, bleef op den drempel staan, +keerde zich om en zag Marius met strakken blik aan.</p> +<p>Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos +wachtte Marius den geheelen dag.</p> +<p>Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan +de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, tot +het licht werd uitgedaan.</p> +<p>Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte +den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters +betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De +koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.</p> +<p>Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn dochter +lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte treurige +gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet bespieden. +Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel van het +licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er schimmen +langs zweven, en dan klopte zijn hart.</p> +<p>Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen +licht.—Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. +’t Is toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien +uren, tot middernacht; tot één ure ’s ochtends. +Geen licht scheen door de vensters der derde verdieping, en niemand +kwam te huis.</p> +<p>Treurig verwijderde hij zich.</p> +<p>Den volgenden dag,—want hij leefde van den eenen dag op den +anderen, er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer—den +volgenden dag vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de +schemering ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de +jaloezieën waren dicht; alles was donker.</p> +<p>Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:</p> +<p>„De heer der derde verdieping?”</p> +<p>„Verhuisd,” antwoordde de portier.</p> +<p>Marius wankelde en zeide stamelend:</p> +<p>„Sinds wanneer?”</p> +<p>„Sinds gisteren.”</p> +<p>„Waar woont hij nu?”</p> +<p>„Ik weet er niets van.”</p> +<p>„Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: +„Ha, zijt gij ’t! ge zijt dus werkelijk een +verspieder?” <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" +name="pb155">155</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek VII.</h2> +<h2 class="main">Patron-Minette.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name= +"pb157">157</a>]</span> +<div id="ch7.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De mijnen en de mijnwerkers.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de +schouwburgen een „onder het tooneel” noemt. De +maatschappelijke bodem is overal ondermijnd, hier voor het goede, daar +voor het kwade. Deze werken liggen boven elkander. Er zijn boven- en +ondermijnen; er is een boven en een onder in dien donkeren grond, welke +soms onder de beschaving instort, en die door onze onverschilligheid en +onbezorgdheid onder den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de +Encyclopédie schier een mijn onder den blooten hemel. De sombere +holen, de kweekplaatsen van het eerste Christendom, wachtten onder de +Cesars slechts een gelegenheid om open te breken en het menschelijk +geslacht met licht te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is +een besloten licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De +lava komt uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd +gelezen, waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de +onderaardsche gewelven der wereld.</p> +<p>Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval +gevormd, zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de +philosophische, de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire +mijn. Deze delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den +toorn. Men roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De +Utopieën doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle +zijden. Soms ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean +Jacques leent zijn houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. +Soms bestrijden zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets +stuit of weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch +deze eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en +weder, op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, +en het buitenste door het binnenste verandert; <span class= +"pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span>een +verborgen ontzaggelijk gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze +ondermijning, welke haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar +ingewanden verandert. Er zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als +verschillende werken, en verschillende producten. Wat komt uit die +diepe ondermijningen te voorschijn? De toekomst.</p> +<p>Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot op +een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de arbeid +goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; komt men +lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn de holen +niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, +waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters +wordt hier mogelijk.</p> +<p>De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een +verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, +waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan +ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder +Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet is +Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En zoo +gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het +onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, die +misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die van +morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze +onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van den +wijsgeer.</p> +<p>Een wereld in den toestand van wording.—Welk een ongezien +beeld!</p> +<p>Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.</p> +<p>Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze +mijngravers, zonder dat zij ’t weten, verbindt, en zij zich +steeds afgezonderd wanen, doch ’t niet zijn, is hun arbeid echter +zeer verschillend en het licht van den eenen is in strijd met de vlam +der anderen. Het eene is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot +echter de tegenstelling zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot +den donkersten, van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander +overeen in: onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als +Jezus. Zij stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, +verloochenen zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en +die blik zoekt het volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in +’t oog; de laatste, hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder +den wenkbrauw den matten schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat +hij doen moge, dien hemelschen blik bezit. <span class= +"pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name="pb159">159</a>]</span></p> +<p>Het oog van den nacht is het andere teeken.</p> +<p>Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De +maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.</p> +<p>Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.</p> +<p>Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze +galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk van +den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager dan +Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige +gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een +vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de +galerij der duisternissen, de kolder der blinden. <i>Inferi.</i></p> +<p>Deze grenst aan den afgrond.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De diepte.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt +onduidelijk te voorschijn; ’t is daar ieder voor zich. Het +<i>ik</i> zonder oogen brult, zoekt, tast en knaagt. De +maatschappelijke Ugolino is in dien poel.</p> +<p>De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich +in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken +vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij denken +aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier geen +gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarend +<i>niet</i>. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de +onwetendheid en de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor +alle vormen van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, +dat wil zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het +lijden gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige +aaneenschakeling, verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. +Wat zich in de derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de +gesmoorde zucht naar het volkomene, ’t is de tegenspraak der +stof. De mensch wordt er draak. Honger, dorst te hebben, is het +uitgangspunt; het komt uit bij den duivel. Uit die verdieping kwam +Lacenaire.</p> +<p>Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, +van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij +gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, is <span class= +"pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name= +"pb160">160</a>]</span>alles edel, zuiver, waardig, eerlijk. Men kan er +zich bedriegen, ’t is waar, en men bedriegt er zich; maar de +dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich sluit. De +algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.</p> +<p>Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke +diepten, te aanschouwen.</p> +<p>Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, +tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van het +kwaad.</p> +<p>Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. ’t Is de haat +zonder uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft +nooit een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de +edele zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, +die zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, +een dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat +is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping +van alles ten doel.</p> +<p>Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het verfoeit. +Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, de +tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, de +wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de +revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, +moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn +gewelf is uit onwetendheid samengesteld.</p> +<p>Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan +zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte en +de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het +wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het +hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de +mol—misdaad.</p> +<p>Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van ’t geen wij +geschreven hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de +duisternis.</p> +<p>Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. +Hier beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst +dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar +zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt zij +het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en wordt in +hem het kwaad. <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name= +"pb161">161</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch7.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en +Montparnasse, regeerden van 1830–1835 het derde onderaardsche +gewelf van Parijs.</p> +<p>Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel +van de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, +stalen armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd +van een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek +en een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen +bedwingen, maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag +voorhoofd, breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, +borstelig, kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze +man. Zijn spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij +was een geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit +onverschilligheid. Men geloofde, dat hij een creool was. Hij was +misschien een weinig met maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl +hij in 1815 te Avignon sjouwer geweest was. Later was hij bandiet +geworden.</p> +<p>De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de +vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar +ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen +door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij +Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van +Saint-Michel had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, +een redenaar die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk +gaf. Zijn handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en +portretten van het hoofd van den staat. Bovendien was hij +kiezentrekker. Op de kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden +vertoond, en een tent bezeten, met een trompet en dit uithangbord: +„Babet, dentiste, lid van verscheidene academiën, neemt +natuurkundige proeven op metalen en metaloïden, trekt tanden en +wortels, die door geen anderen konden uitgehaald worden. Prijs: +één tand, één franc vijftig centimes, twee +tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van +de gelegenheid.<span class="corr" id="xd20e3202" title= +"Niet in bron">”</span> (Dat wilde zeggen: laat u zooveel +mogelijk tanden uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen +gehad; maar wist niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. +Hij had ze verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de +dagbladen—een zeldzame uitzondering in de wereld, waarin +<span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name= +"pb162">162</a>]</span>hij leefde. In den tijd, toen hij zijn familie +nog met zijn tent rondtrok, had hij in den <i>Messager</i> gelezen, dat +een vrouw van een levend kind was bevallen, dat een kalfssnuit had, en +hij riep: „Dat heet ik geluk! Mijn vrouw zal nooit zoo verstandig +zijn mij zulk een kind te schenken!”</p> +<p>Sinds had hij alles verlaten om „Parijs te ondernemen,” +zooals hij zich uitdrukte.</p> +<p>Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te +vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit een +hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was +dat hol? ’t Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en +met zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette +hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht kwam, +deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: Claquesous +is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een schaduw, zwervend, +verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een naam had, want +Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij een stem had, +want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet zeker of hij een +gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn masker gezien. Hij +verdween als een schim; zijn verschijningen waren als verrijzenissen +uit de aarde.</p> +<p>Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig jaar +oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart haar, den +glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden en streefde naar +alle misdaden. De verduwing van het kwade deed de begeerte naar het +ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet geworden straatjongen, de +bandiet geworden deugniet; overigens lief, zacht, bevallig, sterk, +week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, om den +haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde van +gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, maar +kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden plegende. +De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn zucht om +goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: Ge zijt +schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en van dezen +Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant willen +zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de +werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo +geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij reeds +verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet had, lag +met uitgestrekte armen en met ’t gezicht in een plas bloed, in de +schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun middel, +vrouwenheupen, <span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name= +"pb163">163</a>]</span>de borst van een pruisisch officier, door al de +meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, een +moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat—zoo was +deze moordenaarpronker.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Samenstelling der bende.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van +Proteus, die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen +blik van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden +elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren voor +elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van hun +persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, kwamen +soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon +voorstelden, en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een +menigte.</p> +<p>Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te +zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te +Parijs zijn handwerk in ’t groot dreef; ’t was de +monster-polyp van het kwaad, dat het benedenste hol der maatschappij +bewoont.</p> +<p>Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, +Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers der +aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de +voorbijgangers <span lang="fr">coups d’états</span> van +den laagsten rang uit. Vindingrijke lieden in het vak, mannen met roof- +en moordgedachten wendden zich tot hen voor de uitvoering ervan. Men +gaf dezen vier schurken het plan op en zij voerden het uit. Zij werkten +als voor een tooneel. Zij waren altijd in staat een genoegzaam en +geschikt personeel voor alle aanslagen, die hulp behoefden en winst +beloofden, te leveren; zoo voor een misdaad armen noodig waren, +verstrekten zij die. Zij hadden voor alle helsche treurspelen een troep +duivelachtige acteurs beschikbaar.</p> +<p>Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den +tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. +Daar raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en +regelden het gebruik daarvan.</p> +<p><i>Patron-Minette</i> was de naam, die aan het onderaardsche +genootschap dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige +volkstaal, die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekent <span class= +"pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name= +"pb164">164</a>]</span><i>Patron-Minette</i> ochtend, zooals <i lang= +"fr">entre chien et loup</i> avond beteekent. De naam +<i>Patron-Minette</i> kwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid +eindigde: met den dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de +bandieten. Deze vier mannen waren onder dien naam bekend. Toen de +president der assises Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg +hij hem nopens een misdaad, welke Lacenaire loochende.—Wie heeft +ze gepleegd? vroeg de president.—Lacenaire gaf dit antwoord, dat +raadselachtig voor den rechter, maar duidelijk voor de politie was: +„’t Is misschien Patron-Minette.”</p> +<p>Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen +beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier eenige +namen, die nog in ’t geheugen van sommigen gebleven zijn, en aan +de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.</p> +<p>Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.</p> +<p>Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord +zullen zeggen).</p> +<p>Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.</p> +<p>Laveuve.</p> +<p>Finistère.</p> +<p>Homère-Hogu, een neger.</p> +<p>Mardisoir.</p> +<p>Dépêche.</p> +<p>Fauntleroy, genaamd Bouquetière.</p> +<p>Glorieux, een ontslagen galeislaaf.</p> +<p>Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.</p> +<p>Lesplanade-du-Sud.</p> +<p>Poussagrive.</p> +<p>Carmagnolet.</p> +<p>Kruideniers, genaamd Bizarro.</p> +<p>Mangedentelle.</p> +<p>Les-pieds-en-l’air.</p> +<p>Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.</p> +<p>Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn +karakteristiek, en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder +dezer namen behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige +paddestoelen van den ondergrond der beschaving.</p> +<p>Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot +degenen, die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke +nachten, sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de +verlaten steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij +kropen in den grond.</p> +<p>Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd +bestaan. Horatius spreekt van hen: <i lang="la">Ambubaïarum +<span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name= +"pb165">165</a>]</span>collegia, pharmacopolæ, mendici, +mimœ</i>; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, zullen +zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, ontstaan +zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij komen immer +als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde namen en dezelfde +lichamen niet meer.</p> +<p>Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben +altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden de +geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver hebben +voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen men zou +kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen geduldig +deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of +provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.</p> +<p>Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een +eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar +uit levenden nevel gevormde gestalten; ’t is alsof zij zoodanig +met de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te +onderscheiden zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en +zich slechts voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige +minuten een gedrochtelijk leven te voeren.</p> +<p>Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen +licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste +rangen der maatschappij. <span class="pagenum">[<a id="pb167" href= +"#pb167" name="pb167">167</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek VIII.</h2> +<h2 class="main">De slechte arme.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name= +"pb169">169</a>]</span> +<div id="ch8.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Marius zoekt een meisje met een hoed en ontmoet een +man met een pet.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. +Noch mijnheer Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het +Luxemburg gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en +bekoorlijk gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht +overal, maar vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, +de beraden, vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd +biedt; de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol +plannen, ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. +Hij verzonk in treurige zwaarmoedigheid. ’t Was gedaan. Hij had +afkeer van den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde +hem; de vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, +raadgevingen, uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. +Het scheen hem alsof alles verdwenen was.</p> +<p>Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen +behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend zacht +voorstelden, antwoordde hij somber: „waartoe?”</p> +<p>Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was +reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat niet +onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat niet alles? +Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. ’t Is mijn +schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, dit was zoo +zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo diens aard, +was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, waarover hij +zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk een +zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: „Ik zie, dat ge +niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la +Chaumière.” <span class="pagenum">[<a id="pb170" href= +"#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p> +<p>Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet +en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de +hoop—welk een droom!—haar misschien dáár te +zullen wedervinden. Het spreekt vanzelf dat hij haar niet vond, welke +hij zocht.—’t Is toch hier, mompelde Grantaire bij zich +zelven, dat men alle lichte vrouwen vindt. Marius liet zijn vrienden op +het bal en ging alleen te voet, vermoeid, koortsig, met doffe oogen en +treurig, in den nacht, verdoofd door het geraas en het stof der +rijtuigen, die vol vroolijke, zingende gasten van het feest +wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en om zich te verfrisschen +den scherpen reuk der noteboomen inademende, huiswaarts.</p> +<p>Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn +treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en +wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, +door liefde verstompt.</p> +<p>Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem +maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard der +Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, met een pet +met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te voorschijn kwamen. +Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar getroffen en +beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke gedachten +verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc te +herkennen. ’t Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de +pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar waarom +in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde deze +vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, was zijn +eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het spoor zou +brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man van +dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich te lang; +reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een zijstraat +ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.</p> +<p>Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij +ze.—’t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders +dan een gelijkenis, dacht hij.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een vond.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij +lette er op niemand.</p> +<p>Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen andere <span class= +"pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name= +"pb171">171</a>]</span>bewoners dan hij en de familie Jondrette, voor +wie hij eens de huur had betaald, zonder overigens ooit met den vader, +de moeder of de dochters gesproken te hebben. De andere bewoners waren +of verhuisd, of overleden, of bij gebreke van betaling op de straat +gezet.</p> +<p>Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even +vertoond; ’t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker +verraderlijke zon, de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu +Laensberg deze terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Qu’il luise ou qu’il luiserne,</p> +<p class="line">L’ours rentre en sa caverne.<a class="noteref" +id="xd20e3350src" href="#xd20e3350" name="xd20e3350src">1</a></p> +</div> +<p class="first">Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. +’t Was tijd te gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het +eten moeten gaan. O zwakheden der ideale liefde!</p> +<p>Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was +te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:</p> +<p>„Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de +zorgen des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed +voor niets.”</p> +<p>Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den +boulevard naar de straat St. Jacques.</p> +<p>Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf +loopen; hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, +het eene lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, +verschrikt voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen +kant gekomen, hadden hem niet gezien en in ’t voorbijgaan hem +gestooten. Marius onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, +haar verwarde, vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde +kleederen en bloote voeten. Onder ’t loopen spraken zij met +elkander. De grootste zeide met zachte stem:</p> +<p>„Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt.”</p> +<p>De andere antwoordde: „Ik zag ze komen en ging aan den +haal.”</p> +<p>Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes of +stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij ’t +ontkomen waren.</p> +<p>Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevard +<span class="pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name= +"pb172">172</a>]</span>achter hem, en zij vertoonden daar voor eenige +oogenblikken in de duisternis een flauwen schijn, die echter spoedig +verdween.</p> +<p>Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg +vervolgen, toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. +Hij bukte en raapte het op. ’t Was een soort van omslag, dat +papieren scheen te bevatten.</p> +<p>De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.</p> +<p>Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn +zak en ging naar zijn diner.</p> +<p>Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van +een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een +kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in +’t geheugen.</p> +<p>„Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn +kinderen te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven.”</p> +<p>Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn +droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn +gewone mijmeringen.</p> +<p>Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk +onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het +Luxemburg.</p> +<p>„Hoe somber is mijn leven geworden,” dacht hij. +„Nog altijd verschijnen mij jonge meisjes; maar vroeger waren +’t engelen; thans zijn ’t duivelinnen.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e3350" href="#xd20e3350src" name= +"xd20e3350">1</a></span></p> +<div class="q"> +<div class="body"> +<div class="lgouter footnote"> +<p class="line">Zij moge schijnen of stralen,</p> +<p class="line">De beer keert naar zijn hol terug.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="ch8.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Vier brieven.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen hij zich ’s avonds ontkleedde om naar bed +te gaan, voelde hij in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den +boulevard had opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende +hij, dat het nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het +adres der meisjes kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, +of in allen geval de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug +te bezorgen, die het verloren had.</p> +<p>Hij opende het omslag.</p> +<p>Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin +verzegeld waren.</p> +<p>Er stonden adressen op.</p> +<p>Alle vier roken vreeselijk naar tabak.</p> +<p>Op den eersten brief stond dit adres: „Aan mevrouw, mevrouw de +markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der +gedeputeerden, No....” <span class="pagenum">[<a id="pb173" href= +"#pb173" name="pb173">173</a>]</span></p> +<p>Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij +zocht, en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk +zonder bezwaar gelezen worden.</p> +<p>Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Mevrouw de markiezin,</p> +<p>„De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste +band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en +medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van zijn +trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, waarvoor +hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, om deze zaak +te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende bevindt. Hij +twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal verleenen, om het uiterst +smartelijk leven te behouden van een militair van goede geboorte en een +man van eer, vol kwetsuren, die vooraf op de menschelijkheid rekent, +die u bezielt en op de belangstelling van mevrouw de markiezin voor +zulk een ongelukkige natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun +dank zal u een aangename herinnering blijven.</p> +<p>„Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te +zijn,</p> +<p class="signed">Mevrouw,</p> +<p class="signed">„Don <span class="sc">Alvarès</span>, +Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk uitgeweken +koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en wien geld +ontbreekt om zijn reis voort te zetten.”</p> +</div> +<p>Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte het +adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: „Aan +Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette No. 9.” +Marius las het volgende:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Mevrouw de gravin.</p> +<p>„Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan +het jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste +kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, zonder +eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.</p> +<p>„In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer +te zijn met diepen eerbied</p> +<p class="signed">„Vrouw <span class= +"sc">Balizard</span>.”</p> +</div> +<p>Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief +was, en las: <span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name= +"pb174">174</a>]</span></p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in +wollen stoffen in ’t groot, straat St. Denis, hoek der straat aux +Fers.</p> +<p>„Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek +mij de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling +in een letterkundige, die aan het <span lang="fr">Théâtre +<span class="corr" id="xd20e3461" title= +"Bron: français">Français</span></span> een drama heeft +gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt in Auvergne, +tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl natuurlijk, kernachtig +en niet zonder verdienste is. Op vier plaatsen zijn er liedjes +ingelascht. Overigens is het komieke, ernstige, verrassende er +ingemengd met de verscheidenheid der karakters, en een romantische tint +ligt zacht over de geheele intrigue verspreid, die geheimzinnig, te +midden van treffende tusschenbedrijven voortgaat en zich in +schitterende tooneelen oplost.</p> +<p>„’t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe +langer hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen +grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.</p> +<p>„In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat +de ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit +den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede men de +nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.</p> +<p>„Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een +verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij mijn +dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal blootleggen, +want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit strenge seizoen. +’t Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn drama, en alle die +ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te bewijzen, hoe vurig ik +naar de eer streef mij in uw bescherming te stellen, en mijn +geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo ge u verwaardigt mij met +een kleine gift te vereeren, zal ik mij dadelijk aan een gedicht zetten +om u mijn schatting van dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, ’t +welk ik zoo volmaakt mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden +vóór het aan ’t hoofd van het drama zal geplaatst +en op het tooneel gedebuteerd worden.</p> +<p class="signed">„Aan mijnheer<br> +en mevrouw Pabourgeot<br> +mijn eerbiedigste hulde.</p> +<p class="signed"><span class="sc">Genflot</span>, +letterkundige.”</p> +<p>P. S. „Al is ’t maar twee francs.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span></p> +<p>„Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar +treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, uit te +gaan...”</p> +</div> +<p>Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: „Aan +den weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Weldadig man,</p> +<p>„Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult +ge een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.</p> +<p>„Bij ’t gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel +bewogen worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte +wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.</p> +<p>„Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den +vreeselijksten nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de +overheid te moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te +erlangen, alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, +in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed voor +sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.</p> +<p>„Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt +zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen ontvangen, +waarmede ik de eer heb te zijn,</p> +<p class="signed"><span class="corr" id="xd20e3500" title= +"Niet in bron">„</span>Wezenlijk grootmoedig man,</p> +<p class="signed"><span class="corr" id="xd20e3504" title= +"Niet in bron">„</span>Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame +dienaar,</p> +<p class="signed"><span class="corr" id="xd20e3508" title= +"Niet in bron">„</span><span class="sc">P. Fabantou</span>, +dramatisch artist.”</p> +</div> +<p>Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer +dan vroeger.</p> +<p>Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.</p> +<p>Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te +zijn; van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter +Genflot en van den dramatischen artist Fabantou; maar ’t was +zonderling, dat deze brieven alle vier door dezelfde hand geschreven +waren.</p> +<p>Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden +persoon kwamen?</p> +<p>Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de +vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, ook +hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel ’t duidelijk was dat +men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort +van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij +den Spaanschen kapitein.</p> +<p>’t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen +doorgronden. <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name= +"pb176">176</a>]</span>Zoo ’t geen vond ware geweest, zou +’t een fopperij geleken hebben. Marius was te droefgeestig om +behagen te vinden zelfs in een scherts van het toeval, of om zich op te +houden met een spel, dat de openbare straat met hem scheen te willen +spelen. Het scheen hem, alsof hij blindemannetje was tusschen deze vier +brieven, en deze hem voor den mal hielden.</p> +<p>Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes +behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. ’t Waren in +allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.</p> +<p>Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde +zich te bed.</p> +<p>Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had +ontbeten en wilde zich aan ’t werk zetten, toen zacht aan zijn +deur werd geklopt.</p> +<p>Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, +behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens +liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de +deur.—„Men zal u bestelen,” zei vrouw +Bougon.—„Wat?” vroeg Marius.—Men had hem +evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote +zelfvoldoening van vrouw Bougon.</p> +<p>Men klopte nogmaals zeer zacht.</p> +<p>„Binnen,” zei Marius.</p> +<p>De deur werd geopend.</p> +<p>„Wat wilt ge, vrouw Bougon?” vroeg Marius zonder zijn +oogen van de boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.</p> +<p>Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:</p> +<p>„Vergeving, mijnheer...”</p> +<p>’t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man +die dronken is of zich overschreeuwd heeft.</p> +<p>Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een roos in ellende.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het +zoldervenster, door ’t welk het licht in het vertrek viel, was +recht tegenover de deur en verlichtte deze gestalte met een vaal +schijnsel. Het meisje was bleek, tenger, mager; slechts een hemd en een +<span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name= +"pb177">177</a>]</span>rok bedekten haar bibberende naakte lijf. Een +bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar kapsel +samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was ziekelijk +bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half open mond die +reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de vormen van een +halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven vrouw; vijftig +en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens zwakke en leelijke +wezens, die ons doen huiveren of weenen.</p> +<p>Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing dit +schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom +verschijnen.</p> +<p>Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter +wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij +zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog bij +haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht van +buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag nog op +dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij een +wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.</p> +<p>Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich +te herinneren het ergens gezien te hebben.</p> +<p>„Wat begeert ge?” vroeg hij.</p> +<p>Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken +galeiboef:</p> +<p>„Hier is een brief voor u, mijnheer Marius.”</p> +<p>Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij +bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij zijn +naam?</p> +<p>Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij binnen. +Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, die het +hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde bed +sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon men +haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van +koude.</p> +<p>Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.</p> +<p>Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat +was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Lieve buurman,—geëerde jonge +heer!</p> +<p>„Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden +geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn +oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons vieren +zonder brood, en mijn vrouw ziek is<span class="corr" id="xd20e3588" +title="Niet in bron">.</span> <span class="pagenum">[<a id="pb178" +href="#pb178" name="pb178">178</a>]</span>Zoo ik mij in mijn gedachten +omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig hart zich zal +verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen mij behulpzaam te +zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.</p> +<p>Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de +weldoeners der menschheid schuldig is</p> +<p class="signed"><span class="sc">Jondrette</span>.”</p> +<p>P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer +Marius.”</p> +</div> +<p>Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, ’t welk +Marius sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de +duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.</p> +<p>Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was +dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, +dezelfde tabaksreuk.</p> +<p>Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf +handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche +kapitein don Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de +tooneeldichter Genflot, de oude komediant Fatanbou heetten alle vier +Jondrette, zoo ten minste Jondrette zelf Jondrette heette.</p> +<p>Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, +zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste +buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar +de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes +in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts +schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den +vorigen avond de dochters van Jondrette tegen ’t lijf was +geloopen, zonder ze te kennen, want zij waren ’t ongetwijfeld +geweest, en zij, die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer +en het medelijden, welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe +herinnering in hem opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.</p> +<p>Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette +in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid van +menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen bezorgde, +en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en +mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen +kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij +dobbelde met het lot en zette haar op ’t spel. Marius begreep, +uit haar hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de +zonderlinge woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen +bovendien nog andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij door +<span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name= +"pb179">179</a>]</span>een en ander, te midden der menschelijke +maatschappij, zooals die is samengesteld, twee ellendige wezens waren +geworden, die noch kinderen, noch meisjes, noch vrouwen, maar een soort +van onreine en onschuldige monsters waren.</p> +<p>Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor +wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de +kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, +noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, +heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn +gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd +worden.</p> +<p>Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar +richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en +weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid +te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar +borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op de +commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde in +alle hoeken.</p> +<p>„Ha!” zeide zij, „hebt ge een spiegel?”</p> +<p>En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit +vaudevilles, vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem +afschuwelijk klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere +gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is +een schande.</p> +<p>Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen +als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken +heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, +onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel +anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de dieren +verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, in een +uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.</p> +<p>Marius dacht, en liet haar begaan.</p> +<p>Zij naderde de tafel.</p> +<p>„Ha, zeide zij, boeken!”</p> +<p>Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem +drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen +menschelijk schepsel ongevoelig is:</p> +<p>„Ik kan lezen.”</p> +<p>Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk +vlug:</p> +<p>„...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijf <span class= +"corr" id="xd20e3639" title="Bron: batailjons">bataljons</span> zijner +brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte van +Waterloo ligt, in te nemen...”</p> +<p>Zij brak ’t lezen af, met de woorden: <span class= +"pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name="pb180">180</a>]</span></p> +<p>„Ha! Waterloo! dat ken ik. ’t Was een <span class="corr" +id="xd20e3647" title="Bron: fameuse">fameuze</span> slag! mijn vader +was er bij. Mijn vader heeft in ’t leger gediend. Wij zijn +bonapartisten, dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de +Engelschen.”</p> +<p>Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:</p> +<p>„Ik kan ook schrijven!”</p> +<p>Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:</p> +<p>„Wilt ge ’t zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om +’t u te toonen.”</p> +<p>Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel +papier, dat op de tafel lag: „De dienders zijn er.”</p> +<p>Toen hernam zij, de pen wegwerpende:</p> +<p>„Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik +hebben een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij +nu zijn. Wij waren niet bestemd om ...”</p> +<p>Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid +te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche +onverschilligheid onderdrukt verried:</p> +<p>„Och, kom!”</p> +<p>En op een vroolijke wijs zong zij:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">J’ai faim, mon père.</p> +<p class="line">Pas de fricot.</p> +<p class="line">J’ai froid, ma mère.</p> +<p class="line">Pas de tricot.</p> +<p class="line">Grelotte,</p> +<p class="line">Lolotte!</p> +<p class="line">Sanglote,</p> +<p class="line">Jacquot.</p> +</div> +<p class="first">Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij +haastig:</p> +<p>„Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er +dikwijls heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is +en mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit +er ongemakkelijk. ’t Is er meestal stampvol; en er zijn lieden +die leelijk rieken.”</p> +<p>Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:</p> +<p>„Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen +zijt?”</p> +<p>En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar +deed glimlachen en hem deed blozen.</p> +<p>Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:</p> +<p>„Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u +toch. Ik ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden +heer Mabeuf ingaan, die in de nabijheid van <span class= +"pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name= +"pb181">181</a>]</span>Austerlitz woont, wanneer ik daar wandel. Uw +verward haar staat u zeer goed.”</p> +<p>Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts +zeer grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel +naar de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen +ontbreken.</p> +<p>Marius was een weinig achteruit gegaan.</p> +<p>„Juffer,” zeide hij, op koelen, ernstigen toon, +„ik heb hier een pakje, dat geloof ik van u is. Vergun mij +’t u weder te geven.”</p> +<p>En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.</p> +<p>Zij klapte in haar handen en riep:</p> +<p>„Wij hebben ’t overal gezocht.”</p> +<p>Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij +zeide:</p> +<p>„Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij +’t gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, ’t moet op +den boulevard zijn. Weet ge, ’t is ons ontvallen, toen wij op den +loop gingen. Mijn lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te +huis kwamen was ’t weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, +’t geen onnoodig, volkomen onnoodig, geheel en al onnoodig is, +zeiden wij, dat de brieven bezorgd waren bij de personen welke men ons +had opgegeven. Ja wel! hier zijn de brieven! Maar waaraan hebt ge +gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, aan ’t schrift. Gij zijt +het dus, dien wij gisteren tegen ’t lijf zijn geloopen. ’t +Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg aan mijn +zuster: Was ’t een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, dat +’t een heer was.”</p> +<p>Intusschen had zij den bedelbrief „aan den weldadigen heer der +kerk van St. Jacques-du-Haut-Pas” geopend.</p> +<p>„Zie,” zeide zij, „deze is voor den ouden man, die +naar de mis gaat. ’t Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. +Hij zal ons misschien zooveel geven om te kunnen ontbijten.”</p> +<p>En wederom lachende, voegde zij er bij:</p> +<p>„Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? ’t +Zal ons ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, +ons ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen +wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede +tevreden zijt, berst dan, honden!”</p> +<p>Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.</p> +<p>Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.</p> +<p>Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan +dacht, dat Marius tegenwoordig was. <span class="pagenum">[<a id= +"pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span></p> +<p>„Soms ga ik ’s avonds uit. Soms kom ik niet weer +t’huis. Verleden winter, vóór dat wij hier kwamen, +woonden wij onder de bogen der bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar +om niet te bevriezen. Mijn klein zusje weende. Water! ’t is +treurig. Als ik er aan dacht mij te verdrinken, zeide ik: Neen, +’t is te koud. Ik ga, als ik wil, alleen uit en slaap in slooten. +Weet ge, des nachts als ik op den boulevard ga, schijnen mij de boomen +als masten en de donkere huizen zwaar als de torens van Notre Dame, ik +verbeeld mij, dat de witte muren water zijn en zeg dan: zie, daar is +water! De sterren zijn als illumineerglazen, ’t is alsof zij +rooken en de wind ze uitwaait; ik ben dan duizelig alsof paarden mij in +de ooren snoven, en hoewel ’t nacht is, hoor ik straatorgels en +het geratel van weefgetouwen, wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met +steenen werpt; ik vlucht zonder te weten waarom... alles draait, +draait... ’t Is aardig als men niet gegeten heeft...”</p> +<p>Zij zag hem verwilderd aan.</p> +<p>Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk +vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op +dit oogenblik in de wereld bezat.</p> +<p>„Dit is voor mijn middagmaal van heden,” dacht hij, +„morgen zullen wij zien.” Hij hield de zestien sous en gaf +het meisje de vijf francs.</p> +<p>Zij nam het geld.</p> +<p>„Goed!” zeide zij: „dat is zonneschijn.”</p> +<p>En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en +dieventaal in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene +menigte onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok +zij haar hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe +buiging, vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, +zeggende:</p> +<p>„Goeden dag, mijnheer. Om ’t even, ik ga toch mijn oude +opzoeken.”</p> +<p>De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in +het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:</p> +<p>„’t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op +stuk.”</p> +<p>Toen verdween zij.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Het spiegat.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering +en zelfs in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellende +<span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name= +"pb183">183</a>]</span>der armoede niet gekend had. Hij had ze nu +gezien. ’t Was het spooksel, dat zooeven voorbij zijn oogen was +gegaan. Inderdaad, die slechts de ellende van den man heeft gezien, +heeft niets gezien, men moet ook de ellende der vrouw zien; die slechts +de ellende der vrouw heeft gezien, heeft niets gezien, men moet de +ellende van het kind zien.</p> +<p>Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan het +einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem nabijkomen. +Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles ontbreekt hem +tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te worden uitgedoofd, +het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in deze duisternis vindt +de man de zwakheid der vrouw en van het kind, en dwingt ze tot +eerloosheden.</p> +<p>Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke +schuttingen omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad +uitkomen.</p> +<p>Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog +nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere +hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die naar +redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin schikt. +Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, dochters +kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke vorming, +in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, ouderdom, +schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, in een soort van +noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij elkander. O! de +rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, dat zij op een +planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.</p> +<p>Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.</p> +<p>Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den +nacht.</p> +<p>Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering en +hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn buren te +slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een werktuiglijke +beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar hij, Marius, had +iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur scheidde hem van +deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, verwijderd van +andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, zij waren om zoo te +spreken met hem, als de uiterste schakel van het menschelijk geslacht, +in aanraking; hij hoorde ze leven, of liever reutelen, naast zich, en +hij lette er niet op; dagelijks, ieder oogenblik hoorde hij door den +muur heen, hen op en neer gaan, spreken <span class="pagenum">[<a id= +"pb184" href="#pb184" name="pb184">184</a>]</span>en hij merkte +’t niet; in die woorden was gekerm, en hij luisterde er zelfs +niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan droomen, aan +hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, aan dwaasheden +overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid deze menschelijke +wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn broeders in het volk; zij +zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel aan hun ongeluk en +verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, een minder +hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en liefderijk +mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, hun +noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij opgenomen +en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer verlaagd, +verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar ’t is zeldzaam, +dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één +punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord +samensmelten en zich vermengen, een heilloos woord +„verstootenen”. Aan wie ligt de schuld? En moet de liefde +niet grooter zijn naarmate de val dieper is?</p> +<p>Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,—want het +gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, zijn +eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij +verdiende,—zag hij naar den muur, die hem van de familie +Jondrette scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen +laten dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur +bestond slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals +gezegd is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men +moest zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet +opgemerkt te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van +Marius was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.</p> +<p>Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, +onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen +zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij den +zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten +gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode +klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het +mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening +was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden om +haar bij te staan.—Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden +zijn en hoe ’t er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield +zijn oog voor de opening en gluurde er door. <span class= +"pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch8.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De wilde mensch in zijn hol.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar +holen, waarin zich het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij +bevatten verbergt. Maar in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, +wild, onrein en nietig; dat wil zeggen <i>leelijk</i>; wat zich in de +wouden verbergt is wreed, wild en groot, dat wil zeggen <i>schoon</i>. +Hoe het zij, de schuilplaatsen der dieren zijn boven die der menschen +te verkiezen. Dierenholen zijn beter dan menschenholen.</p> +<p>Wat Marius zag was zulk een hol.</p> +<p>Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn +armoede was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn +blik insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen +ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige +potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; +geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, vol +spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een +spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien +en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte +misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men zag +er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.</p> +<p>De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere +had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden +kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken +grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem +gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, +sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het voor +veertig francs ’s jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats een +komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, een +vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten er +treurig.</p> +<p>De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. +Er waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien +en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar ’t oog +niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen en +duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, +monsterachtige menschelijke wezens. <span class="pagenum">[<a id= +"pb186" href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span></p> +<p>Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide +kwamen met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. +In een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den +muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote +letters geschreven stond: <span class="sc">de droom</span>. Zij stelde +een slapende vrouw voor, met een slapend kind op haar schoot, een arend +in een wolk, met een kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het +hoofd des kinds afwendde zonder dat zij overigens ontwaakte; op den +achtergrond Napoleon in een stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met +geel kapiteel rustende, waarop deze inscriptie:</p> +<ul> +<li><span class="sc">Marengo</span></li> +<li><span class="sc">Austerlits</span></li> +<li><span class="sc">Jena</span></li> +<li><span class="sc">Wagramme</span></li> +<li><span class="sc">Elot</span></li> +</ul> +<p>Onder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan +breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, +die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze +later weder op te hangen.</p> +<p>Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een +klein, mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en +onrustig gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.</p> +<p>Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan +den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die +wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door +den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk +te maken.</p> +<p>Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, +dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen +bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, +waaruit de teenen staken.</p> +<p>Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. +Hij schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen +had.</p> +<p>Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, +welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote +kapitale letters: <span class="sc" lang="fr">Dieu, le Roi, +l’honneur et les dames par Ducray-Duminil</span>. 1814.</p> +<p>Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze +woorden:</p> +<p>„Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! +Zie Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de +acacia-laan die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de +kleinen, de armen, de ongelukkigen! O, men legt <span class= +"pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span>ze +beneden, waar men tot aan de knieën in de modder, in gaten en +plassen zinkt. Men legt ze daar, opdat zij spoediger vergaan zouden. +Men kan ze niet bezoeken zonder in den grond te zakken.”</p> +<p>Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde +hij er bij:</p> +<p>„Ik zou de wereld willen verslinden!”</p> +<p>Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon +zijn, zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.</p> +<p>Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met +stukken oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de +helft van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat +zij zeer groot van gestalte was, ’t was een soort van reuzin, bij +haar man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij +nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, +woelde.</p> +<p>Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van +hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden +roman.</p> +<p>Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, +schier naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te +hooren, noch te zien, noch te leven.</p> +<p>Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.</p> +<p>Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig +beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit +was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: +„Ik ging aan den haal!”</p> +<p>Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, +doch dan eensklaps en snel opgroeit. ’t Is de armoede, die zulke +treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch +kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf +jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, +morgen vrouw. ’t Is alsof zij het leven met groote stappen +doorloopen om te eerder aan het einde te zijn.</p> +<p>Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.</p> +<p>Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van +arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In een +hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. ’t Was de vadzige luiheid, +welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.</p> +<p>Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker +dan ’t inwendige van een graf scheen, want men zag <span class= +"pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span>de +menschelijke ziel bewegen en het leven er in kloppen.</p> +<p>De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der +laagste trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet +volkomen het graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun +grootste pracht aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, +schijnt de dood zijn grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, +welke aan hem grenzen.</p> +<p>De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te +ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.</p> +<p>De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: „canaille, +canaille, alles is canaille!”</p> +<p>Deze variant op Salomo’s uitroep: „IJdelheid” +enz., deed de vrouw zuchten.</p> +<p>„Wees bedaard, mijn vriend,” zeide zij. „Maak u +niet kwaad, mijn lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die +lieden te schrijven, mijn beste.”</p> +<p>In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar +de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze vrouw +dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, maar +vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche +verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, +uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor +haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, +overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: „mijn lieve, mijn hart, +mijn vriend enz.” met den mond, maar het hart zweeg.</p> +<p>De man had zich weder aan ’t schrijven gezet.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Strategie en tactiek.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van +observatorium dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn +aandacht trok en er hem deed blijven.</p> +<p>Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter +verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk +overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude +gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar +vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan +de deur had nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij +’t heengaan weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur +achter zich dicht, stond <span class="pagenum">[<a id="pb189" href= +"#pb189" name="pb189">189</a>]</span>even stil om in den adem te +schieten, want zij hijgde vreeselijk, en riep toen op zegevierenden +verheugden toon:</p> +<p>„Hij komt!”</p> +<p>De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje +bewoog zich niet.</p> +<p>„Wie?” vroeg de vader.</p> +<p>„De mijnheer.”</p> +<p>„De menschenvriend?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Van de kerk St. Jacques?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Die oude?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Zal hij spoedig komen?”</p> +<p>„Hij volgt mij.”</p> +<p>„Is ’t zeker?”</p> +<p>„Gewis.—In een huurrijtuig.”</p> +<p>„In een huurrijtuig! ’t Is een Rothschild!”</p> +<p>De vader stond op.</p> +<p>„Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe +komt het dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten +minste het adres wel gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de +laatste deur rechts aan het einde van de gang is? Als hij zich maar +niet vergist! Ge hebt hem dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief +gelezen? Wat heeft hij u gezegd?”</p> +<p>„Ho! ho! ho!” riep de dochter, „wat draaft ge +door, man! Ik zal u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn +gewone plaats, boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las +hem en zeide mij: „Waar woont ge, mijn kind?” Ik +antwoordde: Ik zal ’t u wijzen, mijnheer. „Neen,” +zeide hij; „geef mij uw adres; mijn dochter heeft nog eenige +boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even spoedig zijn +als gij.” Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis aanduidde, +scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar zeide eindelijk: +„Om ’t even, ik zal gaan.” Toen de mis geëindigd +was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een +huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur +rechts, aan ’t einde van de gang.”</p> +<p>„Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?”</p> +<p>„Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier +inreed, daarom heb ik zoo hard geloopen.”</p> +<p>„Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?”</p> +<p>„Wijl ik het nummer ervan had onthouden.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span></p> +<p>„Welk nummer?”</p> +<p>„440.”</p> +<p>„Goed, ge zijt een schrandere meid.”</p> +<p>Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen +wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:</p> +<p>„Schrander, ’t is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze +schoenen niet meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn +gezondheid, en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan +zolen die het water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever +barrevoets.”</p> +<p>„Ge hebt gelijk,” antwoordde de vader op vriendelijken +toon, die bij de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; „maar dan +zal men u niet meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen +hebben. Men gaat niet barrevoets tot den goeden God,” voegde hij +er bitter bij. En op het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: +„Nu, zijt ge zeker, heel zeker, dat hij komt?”</p> +<p>„Hij volgt mij op de hielen,” was het antwoord.</p> +<p>De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn +gezicht.</p> +<p>„Vrouw,” riep hij, „hoort ge. De menschenvriend +komt. Doof het vuur uit.”</p> +<p>De verbaasde moeder bewoog zich niet.</p> +<p>Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot +van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.</p> +<p>Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:</p> +<p>„Komaan, ruk de mat uit den stoel.”</p> +<p>Zijn dochter begreep hem niet.</p> +<p>Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been er +doorging.</p> +<p>Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn +dochter:</p> +<p>„Is ’t koud?”</p> +<p>„Fel koud; het sneeuwt.”</p> +<p>Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster +zat, riep hij haar toe, met donderende stem:</p> +<p>„Haast u, van ’t bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets +doen! sla een ruit in!”</p> +<p>Bibberend sprong het meisje van het bed.</p> +<p>„Sla een ruit in!” herhaalde hij.</p> +<p>Het kind was als versuft.</p> +<p>„Hoort ge niet?” herhaalde de vader, „ik zeg u, +dat ge een ruit moet stuk slaan.”</p> +<p>Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op de +<span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name= +"pb191">191</a>]</span>teenen omhoog, en sloeg met haar vuist een +glasruit stuk. Het glas viel rinkelend op den grond.</p> +<p>„Goed,” zei de vader.</p> +<p>Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken +van ’t vertrek.</p> +<p>Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een +veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.</p> +<p>De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg met +zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak +bevrozen waren:</p> +<p>„Lieve man, wat wilt ge doen?”</p> +<p>„Ga naar bed,” antwoordde de man.</p> +<p>De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder +gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.</p> +<p>Intusschen hoorde men in een hoek snikken.</p> +<p>„Wat is er?” vroeg de vader.</p> +<p>De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den +donkeren hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij +had zich met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed +harer moeder gegaan, waar zij stil weende.</p> +<p>’t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te +schreeuwen.</p> +<p>„Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het +glas gesneden, toen zij het stuk sloeg.”</p> +<p>„Des te beter,” zei de man, „ik had er op +gerekend...”</p> +<p>„Wat? des te beter?” hernam de vrouw.</p> +<p>„Zwijg!” riep de vader, „ik hef de vrijheid der +pers op!”</p> +<p>En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, en +wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.</p> +<p>Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn +gescheurd hemd.</p> +<p>„Ook het hemd,” zeide hij, „alles heeft nu een +goed aanzien.”</p> +<p>Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong +binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw +binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, +had beloofd, was inderdaad gekomen.</p> +<p>De vader sloeg zijn blik in ’t rond, als wilde hij zich +overtuigen, dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en +strooide asch op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel +te verbergen.</p> +<p>Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide +hij: „Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten.” +<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name= +"pb192">192</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch8.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een lichtstraal in het hol.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het groote meisje naderde en legde haar hand op die +haars vaders, zeggende:</p> +<p>„Voel, hoe koud ik ben.”</p> +<p>„Och,” antwoordde de vader, „ik ben nog kouder dan +gij.”</p> +<p>De moeder riep heftig:</p> +<p>„Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot +zelfs het kwade toe.”</p> +<p>„Zwijg!” zei de man.</p> +<p>De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar +sloeg.</p> +<p>Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.</p> +<p>De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den +rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder +had het hoofd van ’t kind in beide handen genomen en bedekte het +met kussen, fluisterend zeggende:</p> +<p>„Wees stil, mijn schatje, ’t is niets; ween niet, uw +vader zou boos worden.”</p> +<p>„Neen,” riep de vader; „integendeel, schrei en +snik, dat is goed.”</p> +<p>En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:</p> +<p>„Wel, hoe is ’t! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou +ik voor niets mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd +gescheurd en mijn ruit gebroken hebben.”</p> +<p>„En de kleine gewond,” mompelde de moeder.</p> +<p>„Weet ge,” hernam de vader, „dat het duivels koud +in dit hondenhok is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich +wachten en denkt: Laat hen wachten, zij zijn er voor.—O, ik haat +deze rijken, en zou ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust +kunnen worgen; die zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom +houden, ter mis gaan, die met de zwartrokken en priester verkeeren, en +meenen dat zij boven ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en +ons kleeren brengen, zooals zij zeggen! vodden zijn ’t, die geen +oordje waard zijn; en brood! Dat is ’t niet wat ik wil, +canailletroep! ik wil geld! Geld! dat geven ze niet, want zij zeggen +dat wij ’t zouden verdrinken en dat wij luiaards en dronkaards +zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij in hun tijd geweest? dieven, +zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, men moest de maatschappij als +een laken aan de vier hoeken nemen en alles in de lucht uitslaan! +’t is mogelijk <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" +name="pb193">193</a>]</span>dat alles brak, maar niemand zou iets +hebben, en dat was reeds iets gewonnen.—Maar waar blijft toch de +oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien heeft de ezel het +adres vergeten; ik wed dat het oude dier...”</p> +<p>Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, +terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:</p> +<p>„Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, +eerbiedwaardige weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!”</p> +<p>Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.</p> +<p>Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik +gevoelde is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.</p> +<p>„<i>Zij</i> was ’t!”</p> +<p>Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woord +<i>zij</i> ligt.</p> +<p>Zij was ’t inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden +door den flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. +’t Was het liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem +geschenen had, en toen verdwenen was; ’t was dat oog, dat +voorhoofd, die mond, dat bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar +verdwijnen, hem in duisternis had gehuld. De eclips was geëindigd; +het hemellichaam kwam terug.</p> +<p>Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk +verblijf, in deze ellende.</p> +<p>Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was ’t! Zijn +hartkloppingen verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op ’t +punt in tranen uit te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo +lang gezocht te hebben! ’t Was hem, alsof hij zijn ziel +wedervond, welke hij verloren had.</p> +<p>Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was +door een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte +verborgen onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam +even haar kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.</p> +<p>Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.</p> +<p>Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op +gelegd.</p> +<p>De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag met +somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het +bekoorlijk, gelukkig gelaat. <span class="pagenum">[<a id="pb194" href= +"#pb194" name="pb194">194</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch8.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Jondrette weent bijna.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die +van buiten kwamen, aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide +zoo even gekomenen naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de +voorwerpen kunnende onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en +opgenomen werden door de oogen der bewoners van het kot, die aan deze +schemering gewoon waren.</p> +<p>Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, en +zeide tot vader Jondrette:</p> +<p>„Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen +en dekens vinden.”</p> +<p>„Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden,” +zei Jondrette tot den grond buigende.—Toen de beide bezoekers +daarop het armoedig verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht +en haastig zijn oudste dochter in ’t oor:</p> +<p>„Nu, heb ik ’t niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij +zijn allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm +onderteekend?”</p> +<p>„Fabantou,” antwoordde de dochter.</p> +<p>„Dramatisch artist, goed!”</p> +<p>’t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist +kwam de heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van +iemand, die een naam zoekt:</p> +<p>„Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, +mijnheer...”</p> +<p>„Fabantou,” antwoordde Jondrette haastig.</p> +<p>„Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij.”</p> +<p>„Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer +toegejuicht.”</p> +<p>Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den +menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van den bluf +des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den ootmoed des +straatbedelaars had, riep hij: „Een leerling van Talma, mijnheer! +Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij de fortuin toe. +Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn weldoener, geen +brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen vuur. Mijn eenige +stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in zulk een weder! Mijn +vrouw ziek te bed!”</p> +<p>„Arme vrouw!” zei Leblanc.</p> +<p>„Mijn kind gewond!” voegde Jondrette er bij.</p> +<p>Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehouden +<span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name= +"pb195">195</a>]</span>te schreien en zag nu met alle aandacht naar de +jonge dame.</p> +<p>„Schrei, balk toch!” beet Jondrette haar in ’t +oor. Tegelijkertijd kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde +hij uit met de behendigheid van een goochelaar.</p> +<p>Het meisje begon luide te krijten.</p> +<p>De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart „zijn +Ursula” noemde, naderde haastig, uitroepende:</p> +<p>„Arm, lief kind!”</p> +<p>„Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame,” zei +Jondrette. „Dat ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, +waaraan zij werkt, om dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal +misschien afgezet moeten worden.”</p> +<p>„Waarlijk,” zei de oude heer verschrikt.</p> +<p>Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te +schreien.</p> +<p>„Helaas! ja, mijn weldoener,” antwoordde de vader.</p> +<p>Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend op +een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en +nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een +oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling het +meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn vrouw, +die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en heel zacht +tot haar:</p> +<p>„Bezie dien man eens nauwkeurig!”</p> +<p>Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn +jammerklacht:</p> +<p>„Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd +mijner vrouw, een gescheurd hemd! in ’t hartje van den winter. Ik +kan niet uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins +voegzame kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en +mij zeer genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? +Weet ge, mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb +deel aan haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis +helpen, mijnheer! Elmire zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, +niets. Geen sou in huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter +gevaarlijk gewond, en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. +’t Is de ouderdom, en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp +hebben, en mijn dochter ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze +te betalen? Geen cent! Ik zou voor een sou op de knieën vallen, +mijnheer! Zoover is het met de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke +jonge dame, en gij mijn edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, +die <span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name= +"pb196">196</a>]</span>deugd en goedheid ademt, dagelijks ziet in de +kerk, welke gij met uw geuren vervult, en waar zij gaat bidden? Want ik +geef mijn kinderen een godsdienstige opvoeding. Ik wil niet, dat zij +zich aan het tooneel verbinden. Ik zou haar niet raden, dat ze iets +onbehoorlijks deden; want op dat punt versta ik geen scherts. Ik prent +haar de beginselen van deugd, eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag +haar maar! Zij moeten strikt op den rechten weg blijven. Zij hebben een +vader. Zij behooren niet tot die rampzaligen, welke beginnen met geen +vader te hebben en eindigen met het publiek te trouwen. Men is +mejuffrouw Niemand en wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de +familie Fabantou! Ik wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en +braaf zijn, en in de vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, +mijn waarde heer, weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de +Februari, de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij +heeft gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij +morgen, mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind +met haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, +op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, in de +sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, een jaar! +dat wil zeggen zestig francs.”</p> +<p>Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en hij +kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden verstreken +waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.</p> +<p>Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op +de tafel.</p> +<p>Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in ’t oor te +fluisteren:</p> +<p>„De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? +Mijn stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu +nog kosten!”</p> +<p>Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas +uitgetrokken, die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den +stoel geworpen.</p> +<p>„Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf +francs bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond +terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?”</p> +<p>Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig +antwoordde hij:</p> +<p>„Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer +zijn.”</p> +<p>„Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs +brengen.” <span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" +name="pb197">197</a>]</span></p> +<p>„Mijn weldoener!” riep Jondrette in vervoering.</p> +<p>En hij voegde er zacht bij:</p> +<p>„Bezie hem goed, vrouw!”</p> +<p>Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en +wendde zich naar de deur.</p> +<p>„Tot van avond, vrienden!” zeide hij.</p> +<p>„Te zes uren?” riep Jondrette.</p> +<p>„Te zes uren precies.”</p> +<p>De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog +der oudste dochter, die zeide:</p> +<p>„Gij vergeet uw overjas”, mijnheer.”</p> +<p>Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard +aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, en +antwoordde glimlachend: „Ik vergeet hem niet, maar laat hem +hier.”</p> +<p>„O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik +kan mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het +rijtuig uitgeleide doe.”</p> +<p>„Trek die overjas aan, als ge uitgaat,” antwoordde +mijnheer Leblanc; „’t is scherp koud.”</p> +<p>Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de +bruine overjas aan.</p> +<p>Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden +voor.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Tarief der huurrijtuigen: twee francs in ’t +uur.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en +evenwel had hij er inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds +gericht geweest op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken +geheel omvat en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. +Zoolang zij er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de +zintuigen het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele +ziel op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge +dame, maar dat licht met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de +ster Sirius de kamer binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter +hebben kunnen zijn.</p> +<p>Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens +ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje met +teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte haar +woorden te verstaan. Hij <span class="pagenum">[<a id="pb198" href= +"#pb198" name="pb198">198</a>]</span>kende haar oogen, haar voorhoofd, +haar schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank +harer stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van +haar te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij +had tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn +ziel een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de +erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit +mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond +haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk +dit goddelijke wezen was, ’t welk hij te midden dezer +afzichtelijke schepsels in dit afschuwlijk hol zag. ’t Was hem +als zag hij een colibri tusschen padden.</p> +<p>Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne +gedachte: haar te volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet +eerder te verlaten dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen +geval weder te verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben +wedergevonden. Hij sprong van de commode en greep zijn hoed. Toen hij +de hand aan den knop der deur legde en wilde uitgaan, hield een +overweging hem tegen. De gang was lang, de trap steil, Jondrette +praatachtig; mijnheer Leblanc was zeker nog niet in het rijtuig; zoo +hij in de gang, op de trap of op den drempel omzag, zou hij hem, +Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou hij er door getroffen zijn +en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, en dan was ’t weder +gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar terwijl hij wachtte, +kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote verlegenheid. Eindelijk +waagde hij het en verliet de kamer.</p> +<p>In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was +niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op den +boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat +Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.</p> +<p>Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard +gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat +Mouffetard doorreed; ’t rijtuig was reeds ver, en geen middel het +in te halen. ’t Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en +bovendien zou men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, +die het uit alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag +Marius, als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig +over den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet +te stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste +en zekerste middel.</p> +<p>Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep: <span class= +"pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name="pb199">199</a>]</span></p> +<p>„Bij ’t uur!”</p> +<p>Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, +voor de borst was zijn overhemd gescheurd.</p> +<p>De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, +en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.</p> +<p>„Wat?” zei Marius.</p> +<p>„Vooraf betalen!” zei de koetsier.</p> +<p>Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij zich +had.</p> +<p>„Hoeveel?” vroeg hij.</p> +<p>„Twee francs.”</p> +<p>„Ik zal u betalen als ik te huis ben.”</p> +<p>De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde +de zweep over zijn paard.</p> +<p>Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die hem +ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij +verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter +leedwezen, en wij moeten ’t erkennen met diepen spijt, dacht hij +aan de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje +had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en +van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den +zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, +die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend +keerde hij naar zijn woning terug.</p> +<p>Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd +had ’s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om +hem te volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks +gehoord.</p> +<p>Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde van +den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der barrière +des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den +„menschenvriend”, sprekende met een dier lieden van +verdacht voorkomen, welke men barrière-schooiers noemt, lieden +met dubbelzinnig gelaat en verontrustende woorden, die ’t +voorkomen hebben steeds aan slechte dingen te denken, en gewoonlijk des +daags slapen, ’t geen doet vermoeden, dat zij ’s nachts +werken.</p> +<p>Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, +in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een +stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette er +nauwelijks op.</p> +<p>Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept +was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denken <span class= +"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>dat +de schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren +Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien +Courfeyrac hem eens gewezen had en die in de buurt voor een zeer +gevaarlijk nachtzwerver gehouden werd. In het vorige boek heeft men den +naam van dien man gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of +Bigrenaille, kwam later in verscheidene crimineele processen voor, en +is vervolgens een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts +een befaamd deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen +van dieven en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij +in zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, +sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse +waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig +gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door hem +zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in +’t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Dienstaanbieding van de armoede aan de smart.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn +kamertje wilde binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste +dochter van Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, +zij was het, die zijn vijf francs had, ’t was te laat om ze haar +terug te vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang +weg. Zij zou ze hem bovendien niet wedergeven. ’t Was overigens +nutteloos haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest +waren, te ondervragen; ’t was blijkbaar dat zij die niet wist, +wijl de brief, als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan +„den weldadigen heer der kerk van Saint Jacques du +Haut-Pas.”</p> +<p>Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. +Maar zij was niet in ’t slot; hij wendde zich om, en zag een +hand, die de half opene deur tegenhield.</p> +<p>„Wat is dat?” vroeg hij, „wie is daar?”</p> +<p>’t Was de dochter van Jondrette.</p> +<p>„Zijt gij ’t?” hernam Marius eenigszins ruw, +„gij wederom! Wat wilt ge?”</p> +<p>Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo +stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de +schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag. +<span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name= +"pb201">201</a>]</span></p> +<p>„Nu, waarom antwoordt ge niet?” hernam Marius. +„Wat wilt ge?”</p> +<p>Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht +scheen te ontsteken, en zeide:</p> +<p>„Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?”</p> +<p>„Mij?” zei Marius.</p> +<p>„Ja, u.”</p> +<p>„Mij deert niets.”</p> +<p>„Toch.”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Ik zeg u, ja.”</p> +<p>„Laat mij met vrede.”</p> +<p>Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.</p> +<p>„Luister,” zeide zij, „ge hebt ongelijk. Hoewel +gij niet rijk zijt, zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees ’t +nu ook. Ge hebt mij iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u +deert. Men ziet, dat gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen +verdriet hadt. Wat kan ik er voor doen. Kan ik u in iets van dienst +zijn. Beschik over mij. Ik begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft +ze mij niet te zeggen, maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u +evengoed helpen, als ik mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om +brieven te bezorgen, in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres +te zoeken, iemand te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal +de lieden gaan spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de +menschen spreekt, en de zaak komt in orde. Bedien u van mij.”</p> +<p>Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen +gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.</p> +<p>Hij naderde het meisje en zeide:</p> +<p>„Luister.”</p> +<p>Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede en +zeide:</p> +<p>„Ha, nu doet gij wel.”</p> +<p>„Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen +gebracht?” hernam hij.</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Weet ge waar zij wonen?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Poog het voor mij te ontdekken.”</p> +<p>Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; nu +werd het weder van vroolijk treurig.</p> +<p>„Is het dat, wat ge begeert?” vroeg zij.</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Kent gij hen?” <span class="pagenum">[<a id="pb202" +href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span></p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te +kennen,” hernam zij levendig.</p> +<p>In dat woordje <i>haar</i>, dat zij nu in plaats van <i>hen</i> +gebruikte, lag iets bijzonders en scherps.</p> +<p>„Nu, kunt ge ’t doen?” vroeg Marius.</p> +<p>„Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben.”</p> +<p>Er lag in deze woorden „schoone jonge dame” weder iets +dat Marius hinderde. Hij hernam:</p> +<p>„Om ’t even! de woning van den vader en van de dochter. +Hun woning! hoor?”</p> +<p>Zij zag hem strak aan.</p> +<p>„Wat geeft ge mij?”</p> +<p>„Al wat ge wilt.”</p> +<p>„Al wat ik wil?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Ge zult het adres hebben.”</p> +<p>Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur +achter zich dicht.</p> +<p>Marius was alleen.</p> +<p>Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen op +het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, alsof +hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen gebeurd +was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem het meisje +gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende wanhoop, dit +alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd hij met geweld +uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe stem van +Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste +belangstelling inboezemden:</p> +<p>„Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend +heb.”</p> +<p>Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? +den vader van „zijn Ursula?” Hoe? kende Jondrette hem? Zou +Marius nu op zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen +verkrijgen, zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij +eindelijk weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader +was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te +verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!</p> +<p>Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich +weder voor het kleine spiegat in den wand.</p> +<p>Hij zag weder in Jondrettes woning. <span class="pagenum">[<a id= +"pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch8.12" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Twaalfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Besteding van het vijffrancstuk van den heer +Leblanc.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan +dat de vrouw en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen +en jakken aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide +kribben gelegd.</p> +<p>Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de +buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; de +oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd gezicht +als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande krib. +Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en weder. Zijn +oogen hadden een buitengewone uitdrukking.</p> +<p>De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme +verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:</p> +<p>„Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?”</p> +<p>„Gewis! ’t Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem +volkomen, ik herkende hem terstond. Is ’t u dan niet dadelijk in +het oog gevallen?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! ’t Is +zijn gestalte, zijn gezicht, <span class="corr" id="xd20e4437" title= +"Bron: nauwlijks">nauwelijks</span> iets verouderd; er zijn lieden die +niet verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. ’t Was de +toon zijner stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude +geheimzinnige duivel, nu heb ik u!</p> +<p>Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:</p> +<p>„Gaat!—’t Is zonderling dat ’t u niet in +’t oog is gevallen.”</p> +<p>Zij stonden op om te gaan.</p> +<p>De moeder stamelde:</p> +<p>„Met haar gewonde hand?”</p> +<p>„De lucht zal haar goed doen,” zei Jondrette. +„Gaat.”</p> +<p>De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak +dulden. De beide meisjes gingen.</p> +<p>Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij +den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:</p> +<p>„Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u +noodig.”</p> +<p>Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.</p> +<p>Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar +keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige +oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, weder +in zijn broek te stoppen. <span class="pagenum">[<a id="pb204" href= +"#pb204" name="pb204">204</a>]</span></p> +<p>Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over +elkander en riep:</p> +<p>„Wil ik u iets zeggen? de jonge dame...”</p> +<p>„Nu wat?” hernam de vrouw, „de jonge +dame?”</p> +<p>Marius kon niet twijfelen, ’t was inderdaad van haar, dat men +sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in +zijn ooren.</p> +<p>Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw +gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:</p> +<p>„Deze is ’t!”</p> +<p>„Die?” hernam de vrouw.</p> +<p>„Ja, zij!” herhaalde de man.</p> +<p>’t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het +woord „die” der moeder lag. In haar afgrijselijken toon +waren verwondering, woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, +vermoedelijk de naam, door haar man deze dikke halfslapende vrouw +ingefluisterd, waren voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd +zij van afzichtelijk vreeselijk.</p> +<p>„Niet mogelijk!” riep zij; „als ik er aan denk, +dat mijn dochters blootsvoets gaan en geen kleeren aan ’t lijf +hebben. Hoe! een satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en +alles! voor meer dan tweehonderd francs aan ’t lijf! zoodat men +haar voor een dame zou moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was +de andere leelijk, deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet +leelijk; zij kan het niet zijn!”</p> +<p>„Ik zeg u, dat zij ’t is. Ge zult zien.”</p> +<p>Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, +blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen +oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. ’t Was +een zeug met den blik van een tijgerin.</p> +<p>„Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, +die mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern +zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen +intrappen.”</p> +<p>Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend +haar, uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd +in den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging +op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.</p> +<p>Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een +oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar +staan.</p> +<p>„Zal ik u nog eens iets zeggen?”</p> +<p>„Wat?” vroeg zij. <span class="pagenum">[<a id="pb205" +href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span></p> +<p>Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:</p> +<p>„Dat mijn fortuin gemaakt is.”</p> +<p>Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: +„Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?”</p> +<p>Hij hernam:</p> +<p>„Voor den donder! ’t is reeds lang genoeg dat ik tot de +armenparochie behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou +als gij brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat +van anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik +heb nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als +ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer ’t mij lust; enfin, +vóór ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig +millionair zijn.”</p> +<p>Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:</p> +<p>„Gelijk anderen.”</p> +<p>„Wat bedoelt ge?” vroeg de vrouw.</p> +<p>Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een +marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:</p> +<p>„Wat ik bedoel? Luister!”</p> +<p>„Stil,” mompelde vrouw Jondrette, „niet zoo luid; +’t zijn zaken, die anderen niet behoeven te hooren.”</p> +<p>„Kom! wie zou ’t hooren? de buurman? Ik heb hem straks +zien uitgaan. En bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, +zooals ik u zeg, uitgegaan.”</p> +<p>Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, +doch niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een +gunstige omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw +het geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen +woord ontging.</p> +<p>Marius hoorde nu dit:</p> +<p>„Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. ’t Is zoo +goed als geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij +komt van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! +Hebt ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, +en 4 Februari beet heb gehad? ’t is nog geen drie maanden! Hij +zal dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw +Burgon is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt +nooit vóór elf uren t’huis. De meisjes zullen de +wacht houden. Gij moet ons helpen. Het moet gebeuren!”</p> +<p>„En zoo ’t niet gebeurt?” vroeg de vrouw.</p> +<p>Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:</p> +<p>„Dan zullen wij ’t hem wel leeren.”</p> +<p>Hij lachte luide. <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" +name="pb206">206</a>]</span></p> +<p>’t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was +kil en flauw en deed iemand rillen.</p> +<p>Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude +pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.</p> +<p>„Nu ga ik uit,” zeide hij. „Ik moet nog lieden +spreken... goede. Ge zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang +uitblijven; ’t zal een mooie slag zijn; blijf gij te +huis.”</p> +<p>Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in +nadenken staan en riep eindelijk:</p> +<p>„’t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend +heeft. Zoo hij mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons +ontsnappen. ’t Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn +romantische baard; mijn lief romantisch baardje!”</p> +<p>En wederom lachte hij.</p> +<p>Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht was +grijs.</p> +<p>„’t Is een hondenweer!” zeide hij.</p> +<p>Toen knoopte hij de jas dicht.</p> +<p>„Ze is mij te wijd,” zeide hij<span class="corr" id= +"xd20e4562" title="Niet in bron">.</span> „Om ’t even; de +oude schurk heeft wel gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben +kunnen uitgaan, en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden +hangen toch de gebeurtenissen?”</p> +<p>Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.</p> +<p>Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur weder +geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning +verscheen.</p> +<p>„Ik vergat iets,” zeide hij. „Ge moet houtskool +halen.” En hij wierp het vijffrancstuk dat de +„menschenvriend” hem gegeven had in den schoot der +vrouw.</p> +<p>„Houtskool?” vroeg de vrouw.</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Hoeveel maten?”</p> +<p>„Twee.”</p> +<p>„Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal +gereed maken.”</p> +<p>„Verduiveld, neen.”</p> +<p>„Waarom?”</p> +<p>„Geef het vijffrancstuk niet geheel uit.”</p> +<p>„Waarom?”</p> +<p>„Wijl ik iets voor mij moet koopen.”</p> +<p>„Wat?”</p> +<p>„Iets.”</p> +<p>„Hoeveel hebt ge noodig?”</p> +<p>„Is hier in de buurt een ijzerwinkel?” <span class= +"pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name="pb207">207</a>]</span></p> +<p>„In de straat Mouffetard.”</p> +<p>„Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij.”</p> +<p>„Zeg mij hoeveel ge noodig hebt.”</p> +<p>„Twee en een half of drie francs.”</p> +<p>„Er zal niet veel voor het eten overblijven.”</p> +<p><span class="corr" id="xd20e4614" title= +"Niet in bron">„</span>Vandaag denken wij niet aan eten. Er is +iets beter te doen.”</p> +<p>„’t Is goed, mijn schat.”</p> +<p>Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu +hoorde Marius hem haastig door de gang en de <span class="corr" id= +"xd20e4621" title="Bron: trad">trap</span> afgaan.</p> +<p>Op St. Medard sloeg het één uur.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.13" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Dertiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij +echter, zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn +eenzaam, denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem +ontwikkelde, had wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, +maar zijn afkeer van wat laag en verachtelijk is in volle kracht +gelaten; hij bezat bij de welwillendheid van een bramin de strengheid +van een rechter, hij had medelijden met een padde, maar vertrad een +slang. En ’t was een slangennest dat hij thans voor zijn oogen +had.</p> +<p>Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.</p> +<p>Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was +opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder +geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den +man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In de +onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, dan +dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag werd +voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, zij +misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat de +heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web dier +spinnen moest verscheurd worden.</p> +<p>Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek +een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.</p> +<p>Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen +gerucht te maken.</p> +<p>In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijn +<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name= +"pb208">208</a>]</span>afgrijzen, ’t welk de Jondrettes hem +hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort van vreugde bij de gedachte, +dat het hem misschien mogelijk zou zijn een wezenlijken dienst aan +haar, die hij beminde, te bewijzen.</p> +<p>Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? +Waar zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem +een oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de +ontzaggelijke diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te +zes uren aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik +waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht zien +staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, zij +zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, dien +Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur +geslagen; te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog +vijf uren voor zich.</p> +<p>Er was slechts één zaak te doen.</p> +<p>Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam +zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij +blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette voort +met in het oud ijzer te rammelen.</p> +<p>Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat +Petit-Banquier.</p> +<p>Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken +men op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. +Hij ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de +sneeuw verdoofd. Hij wendde ’t hoofd om, de straat was eenzaam, +hij zag niemand, ’t was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij +duidelijk stemmen.</p> +<p>Hij zag over den muur, langs welken hij ging.</p> +<p>Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die +zacht spraken.</p> +<p>’t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en +droeg een kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De +gebaarde droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de +sneeuw in de haren.</p> +<p>Toen Marius ’t hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij +zeiden.</p> +<p>De langharige stiet den andere aan en zeide:</p> +<p>„Met Patron-Minette kan ’t niet missen.”</p> +<p>„Dunkt u?” zei de gebaarde; en de langharige hernam:</p> +<p>„’t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven +geven, en het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien +jaren!” <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name= +"pb209">209</a>]</span></p> +<p>De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch +mutsje bibberend:</p> +<p>„’t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit +zulke zaken kan voortkomen.”</p> +<p>„Ik zeg u dat ze niet kan mislukken,” hernam de +langharige.</p> +<p>Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de +Gaîté gezien hadden.</p> +<p>Marius zette zijn weg voort.</p> +<p>Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden +dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in +verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. +’t Kon de bewuste „zaak” zijn.</p> +<p>Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den +besten winkel naar een commissaris van politie.</p> +<p>Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.</p> +<p>Marius ging er heen.</p> +<p>Hij kocht in ’t voorbijgaan bij een bakker een +tweesous-broodje en at het, wel voorziende dat hij vandaag geen +middagmaal zou hebben.</p> +<p>Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij +dien morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van +Jondrette had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou +nagereden zijn, en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan +den aanslag van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc +verloren ware geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.14" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Veertiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Waarin een politieagent twee pistolen aan een advocaat +geeft.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, +klom Marius naar de eerste verdieping en verzocht den commissaris van +politie te spreken.</p> +<p>„Mijnheer de commissaris is hier niet,” zei een +schrijver; „maar er is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt +ge dezen spreken? Is er haast bij?”</p> +<p>„Ja,” zei Marius.</p> +<p>De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man van +rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, met beide +handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen ophoudende. +’t Was een vierkant gezicht, met <span class="pagenum">[<a id= +"pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span>dunne krachtige +lippen, zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken +scheen om te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet +dat hij doordringend was, maar dat hij omwoelde.</p> +<p>Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan +dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de +wolf.</p> +<p>„Wat wilt ge?” zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer +te noemen.</p> +<p>„Mijnheer de commissaris van politie?”</p> +<p>„Hij is afwezend. Ik vervang hem.”</p> +<p>„’t Betreft een zeer geheime zaak.”</p> +<p>„Spreek dan.”</p> +<p>„Er is veel haast bij.”</p> +<p>„Spreek dan spoedig.”</p> +<p>Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en geruststellend. +Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde hem de +zaak.—Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, dien avond +in een hinderlaag zou worden gelokt;—dat hij, Marius Pontmercy, +advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd was +bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord +had—dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;—dat hij +zeker medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk +barrière-schooiers, onder anderen een zekeren Panchaud, genoemd +Printanier of Bigrenaille;—dat de dochters van Jondrette op wacht +zouden staan—dat er geen middel bestond om den bedreigden persoon +te waarschuwen, aangezien men zijn naam niet kende;—en eindelijk, +dat dit alles ’s avonds te zes uren op de eenzaamste plek van den +boulevard de l’Hôpital zou worden uitgevoerd, in het huis +No. 50–52.</p> +<p>Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op +en zeide koel:</p> +<p>„’t Is dus in de kamer aan ’t einde van de +gang?”</p> +<p>„Juist,” zei Marius, en hij voegde erbij: „kent ge +dat huis?”</p> +<p>De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij +den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:</p> +<p>„Wel mogelijk.”</p> +<p>Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das +sprekende, bij:</p> +<p>„Daar moet iets van <span class="corr" id="xd20e4744" title= +"Bron: Patron Minette">Patron-Minette</span> onder schuilen.”</p> +<p>Die naam trof Marius.</p> +<p>„<span class="corr" id="xd20e4752" title= +"Bron: Patron Minette">Patron-Minette</span>,” zeide hij. +„Ik heb inderdaad dat woord hooren noemen.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name="pb211">211</a>]</span></p> +<p>En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den +langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur der +straat Petit-Banquier zaten.</p> +<p>De inspecteur mompelde:</p> +<p>„De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, +genaamd Deux-Milliards.”</p> +<p>Hij sloeg de oogen neder en dacht na.</p> +<p>„Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas +gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer +50—52, vroeger ’t huis Gorbeau.”</p> +<p>Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:</p> +<p>„Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige +gezien?”</p> +<p>„En Panchaud.”</p> +<p>„Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien +zwerven?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin +gelijkt?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, +bedienden en ondergeschikten. ’t Is dus niet te verwonderen, dat +gij hem niet gezien hebt.”</p> +<p>„Wie zijn al deze menschen?” vroeg Marius.</p> +<p>De inspecteur antwoordde:</p> +<p>„’t Is trouwens hun uur niet.”</p> +<p>Weder zweeg hij, waarna hij hernam:</p> +<p>„No. 50—52! Ik ken dat hol.—’t Is onmogelijk +ons er in te verbergen zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden +zij er af zijn met het kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo +bescheiden; het publiek hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze +hooren zingen en ze laten dansen.”</p> +<p>Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak +in de oogen ziende:</p> +<p>„Zijt ge bang?”</p> +<p>„Waarvoor?” zei Marius.</p> +<p>„Voor die lieden?”</p> +<p>„Evenmin als voor u!” antwoordde Marius ruw, die er op +begon te letten, dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had +genoemd.</p> +<p>De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een +soort van plechtigen nadruk:</p> +<p>„Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de +misdaad niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name="pb212">212</a>]</span></p> +<p>Marius viel hem in de rede:</p> +<p>„Goed, maar wat zijt ge voornemens?”</p> +<p>De inspecteur antwoordde niets anders dan:</p> +<p>„De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de +voordeur om ’s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker +ook een, niet waar?”</p> +<p>„Ja,” zei Marius.</p> +<p>„Hebt ge hem bij u?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Geef hem mij,” zei de inspecteur.</p> +<p>Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, +zeggende:</p> +<p>„Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede.”</p> +<p>De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der +academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had +voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de +wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij +Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:</p> +<p>„Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat +men gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. +Let wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De +lieden zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt +dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een +pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om ’t even waar. Maar +vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge +zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is.”</p> +<p>Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.</p> +<p>„Dat veroorzaakt een bult, men kan ’t zien,” zei +de inspecteur. „Steek ze liever in uw broekzakken.”</p> +<p>Marius deed het.</p> +<p>„Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen,” +vervolgde de inspecteur. „Hoe laat is het? half drie. Dus te +zeven uren?”</p> +<p>„Om zes uur,” zei Marius.</p> +<p>„Ik heb den tijd,” hernam de inspecteur, „maar ook +niet meer dan den tijd. Vergeet niets van ’t geen ik u gezegd +heb. Één pistoolschot.”</p> +<p>„Wees gerust,” antwoordde Marius.</p> +<p>En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de +inspecteur hem toe:</p> +<p>„Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom +dan of zend iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen.” +<span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name= +"pb213">213</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch8.15" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijftiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Jondrette doet inkoopen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging +Courfeyrac toevallig door de straat Mouffetard in gezelschap van +Bossuet. De sneeuw viel sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet +zeide tot Courfeyrac:</p> +<p>„Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er +in den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte.”</p> +<p>Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de +richting der barrière ging.</p> +<p>„Zie,” zei Bossuet, „Marius!”</p> +<p>„Ik heb hem gezien,” zei Courfeyrac; „spreken wij +hem niet aan.”</p> +<p>„Waarom?”</p> +<p>„Hij is ingespannen.”</p> +<p>„Waarmee?”</p> +<p>„Ziet ge ’t niet aan zijn gezicht?”</p> +<p>„Wat dan?”</p> +<p>„Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt.”</p> +<p>„’t Is waar<span class="corr" id="xd20e4888" title= +"Bron: ;">.</span>” zei Bossuet.</p> +<p>„Zie welke oogen hij zet!” hernam Courfeyrac.</p> +<p>„Maar wie drommel volgt hij?”</p> +<p>„Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!”</p> +<p>„Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; +zelfs geen vrouw.”</p> +<p>Courfeyrac keek en riep:</p> +<p>„Hij volgt een man!”</p> +<p>Inderdaad, een man met een pet op ’t hoofd, en wiens grijzen +baard men eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den +rug zag, ging een twintigtal schreden vóór Marius +uit.</p> +<p>Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een +leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt.</p> +<p>Bossuet lachte luidkeels.</p> +<p>„Wie kan de man zijn?”</p> +<p>„’t Is een poëet,” antwoordde Courfeyrac. +„Poëten dragen gaarne pantalons als die van oude joden, en +jassen als die van pairs van Frankrijk.”</p> +<p>„Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij +hen, zullen we?” <span class="pagenum">[<a id="pb214" href= +"#pb214" name="pb214">214</a>]</span></p> +<p>„Bossuet!” riep Courfeyrac, „Arend van Meaux, ge +zijt soms vreeselijk dwaas. Een man na te loopen, die een man +naloopt!”</p> +<p>Zij keerden om.</p> +<p>Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan, +en sloeg hem gade.</p> +<p>Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op +hem gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem +in een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden, +waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar de +straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel, die zich +destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond, en eenige +minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met wit houten +steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel komen. Ter +hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat +Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een +oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool zich +om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd was, en +volgde Jondrette niet. ’t Was gelukkig voor hem, want bij den +lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde samen +had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat niemand +hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween.</p> +<p>Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap +met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest +en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude +rijtuigen had.</p> +<p>Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te +maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden +ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon de +huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was; Marius +had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven; ’t was +dus noodzakelijk, dat hij zich haastte.</p> +<p>De avond was gekomen; ’t was bijna geheel donker; aan den +horizon en het uitspansel was nog slechts één door de zon +verlicht punt, de maan.</p> +<p>Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière +op.</p> +<p>Haastig naderde Marius het huis No. 50—52. Hij ging op de +teenen naar boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Men +<span class="corr" id="xd20e4936" title= +"Bron: herinnerde">herinnere</span> zich, dat deze gang aan beide +zijden kamers had, die op dit oogenblik alle ledig waren en te huur +stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de deuren van open. Toen +Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij in het onbewoonde +kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos, <span class= +"pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span>en +flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen.</p> +<p>Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het +gelukte hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te +komen. Het was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon +uitgaan en de voordeur sluiten.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.16" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zestiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de +mode.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn +geweest. Nog slechts een half uur scheidde hem van ’t geen zou +gebeuren. Hij hoorde zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de +duisternis hoort. Hij dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik +in de duisternis gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de +justitie die aan de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon +niet zonder een zekere siddering denken aan ’t geen gebeuren zou. +Zooals met allen het geval is, die eensklaps door een wonderbaar +avontuur worden verrast, scheen deze dag voor hem een droom, en om zich +te overtuigen, dat hij niet onder den druk eener nacht-merrie was, +moest hij in zijn zakken de koude pistolen betasten.</p> +<p>Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door +de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der +gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.</p> +<p>Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van +den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.</p> +<p>Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd +voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de +Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte +was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf +hebben gewaand.</p> +<p>Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.</p> +<p>Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar +hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, +en de klink der deur hard oplichten; ’t was Jondrette die te huis +kwam.</p> +<p>Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was +in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester +stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den +wolf.</p> +<p>„Ik ben ’t,” zeide hij. <span class= +"pagenum">[<a id="pb216" href="#pb216" name="pb216">216</a>]</span></p> +<p>„Goeden avond, vadertje,” riepen de meisjes.</p> +<p>„Welnu?” vroeg de moeder.</p> +<p>„Alles gaat goed,” antwoordde Jondrette, „maar +mijn voeten zijn gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge +moet vertrouwen kunnen inboezemen.”</p> +<p>„Gereed om uit te gaan.”</p> +<p>„Zult ge niets vergeten van ’t geen ik u gezegd heb; en +alles behoorlijk uitvoeren?”</p> +<p>„Wees gerust.”</p> +<p>„’t Is...” zei Jondrette; maar hij voleindde den +zin niet.</p> +<p>Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den +beitel dien hij gekocht had.</p> +<p>„Wel,” hernam Jondrette, „is hier +gegeten?”</p> +<p>„Ja,” zei de moeder, „drie groote aardappelen met +zout. Wijl ik vuur had, heb ik ze gekookt.”</p> +<p>„Goed,” hernam Jondrette, „morgen zullen wij +anders eten. Een eendvogel en wat er bij behoort. Ge zult smullen als +koningen.—Alles gaat goed.”</p> +<p>En met zachte stem voegde hij er bij:</p> +<p>„De muizenval is open. De katten zijn er.”</p> +<p>En met nog zachter stem:</p> +<p>„Leg dit in het vuur.”</p> +<p>Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in +de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:</p> +<p>„Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen +krijschen.”</p> +<p>„Ja,” antwoordde de moeder.</p> +<p>„Hoe laat is het?”</p> +<p>„Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur +geslagen.”</p> +<p>„Duivels,” zei Jondrette. „De meisjes moeten op de +wacht. Komt hier, kinderen; luistert.”</p> +<p>Er werd gefluisterd.</p> +<p>Wederom verhief zich de stem van Jondrette.</p> +<p>„Is vrouw Burgon uitgegaan?”</p> +<p>„Ja,” zei de moeder.</p> +<p>„Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman +is?”</p> +<p>„Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet +wel, dat het nu zijn etensuur is.”</p> +<p>„Zijt ge er zeker van?”</p> +<p>„Zeker.”</p> +<p>„Om ’t even,” hernam Jondrette, „’t +kan geen kwaad te gaan zien of hij te huis is. Neem de kaars, meisje, +en ga zien.”</p> +<p>Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder +zijn bed. <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name= +"pb217">217</a>]</span></p> +<p>Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten +der deur licht.</p> +<p>„Va!” riep een stem, „hij is uit.”</p> +<p>Marius herkende de stem der oudste dochter.</p> +<p>„Zijt ge binnen geweest?” vroeg de vader.</p> +<p>„Neen,” antwoordde de dochter; „maar hij is uit; +want de sleutel is in het slot.”</p> +<p>De vader riep:</p> +<p>„Ga evenwel binnen.”</p> +<p>De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars +in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het +licht nog afschuwelijker.</p> +<p>Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van +onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij ’t bed +een spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief +zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in het +belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar hand +streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, zong +zij met haar schorre grafstem:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Nos amours ont duré toute une semaine.</p> +<p class="line">Mais que du bonheur les instants sont courts!</p> +<p class="line">S’adorer huit jours, c’était bien la +peine!</p> +<p class="line">Le temps des amours devrait durer toujours!</p> +<p class="line">Devrait durer toujours! devrait durer +toujours!<a class="noteref" id="xd20e5061src" href="#xd20e5061" name= +"xd20e5061src">1</a></p> +</div> +<p class="first">Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem +stellig moest hooren ademen.</p> +<p>Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, met +de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:</p> +<p>„Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft +aangetrokken.”</p> +<p>Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en +beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.</p> +<p>„Nu!” riep de vader, „wat doet ge toch?”</p> +<p>„Ik zie onder het bed en de meubels,” antwoordde zij, +terwijl ze heur haar bleef glad strijken; „er is +niemand.”</p> +<p>„Kom hier, dadelijk,” brulde de vader, „laat ons +geen tijd verliezen.” <span class="pagenum">[<a id="pb218" href= +"#pb218" name="pb218">218</a>]</span></p> +<p>„Ik kom, ik kom,” antwoordde zij. „Men heeft in +hun kot den tijd voor niets.”</p> +<p>Zij neuriede:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Vous me quittez pour aller à la gloire,</p> +<p class="line">Mon triste coeur suivra partout vos pas.<a class= +"noteref" id="xd20e5088src" href="#xd20e5088" name= +"xd20e5088src">2</a></p> +</div> +<p class="first">Na een laatsten blik in den spiegel te hebben +geworpen, ging zij en sloot de deur achter zich.</p> +<p>Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van +de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar +toeriep:</p> +<p>„Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der +barrière; de andere bij den hoek der straat Petit-Banquier. +Verlies geen minuut de deur van het huis uit het oog, en keer, zoo hard +ge loopen kunt, terug, zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen +te komen.”</p> +<p>De oudste dochter bromde:</p> +<p>„Met bloote voeten in de sneeuw te staan +schilderen.”</p> +<p>„Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!” zei +de vader. Zij gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde +het dichtslaan der voordeur, dat zij op de straat waren.</p> +<p>Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, +waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de +deur der onbewoonde kamer had gezien.</p> +</div> +<div class="footnotes"> +<hr class="fnsep"> +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e5061" href="#xd20e5061src" name= +"xd20e5061">1</a></span> Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe +kort zijn de oogenblikken des geluks! ’t Is niet der moeite waard +acht dagen te beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, +immer duren!</p> +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class= +"noteref" id="xd20e5088" href="#xd20e5088src" name= +"xd20e5088">2</a></span> Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn +treurig hart volgt alom uw schreden.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.17" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zeventiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Hoe het vijffrancstuk van Marius besteed werd.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om +zich weder op zijn observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de +vlugheid der jeugd, was hij voor de opening in den wand. Hij zag er +door.</p> +<p>Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en Marius +ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij had opgemerkt. +Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen kandelaar, maar deze +kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het geheele hol was als +geïllumineerd door het schijnsel van de brandende kolen in een +groot ijzeren <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name= +"pb219">219</a>]</span>komfoor, dat onder den schoorsteen stond. De +kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door +en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in +de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend +werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen +van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik +schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat +hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams of +iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek meer +een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien schijn +meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.</p> +<p>De hitte van ’t vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de +tafel aan de zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen +dievenlantaarn, die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, +goed zou zijn geweest, stond op den schoorsteen.</p> +<p>Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half +uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en +veroorzaakte geen lucht in ’t vertrek.</p> +<p>De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in +het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den +poëtischen geest van Marius, die zelfs op ’t oogenblik der +handeling nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd +met de verwarde droomen der aarde.</p> +<p>De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp +verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.</p> +<p>Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij +van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats ter +uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te +verbergen. ’t Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste +huis op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen +hinderlaag gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.</p> +<p>De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, +scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het had, +zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren en +rasterwerk.</p> +<p>Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel +te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.</p> +<p>Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, die +in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend zijn +uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij droeg een +zwarten hoed met veeren, zeer gelijkende <span class="pagenum">[<a id= +"pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span>op de hoeden der +wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl +over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar +dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met +welgevallen doen zeggen:</p> +<p>„Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen +weten in te boezemen.”</p> +<p>Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer +Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog +altijd het contrast aan van jas en pantalon, ’t welk naar +Courfeyrac’s meening het ideaal van den dichter daarstelde.</p> +<p>Eensklaps zeide Jondrette luid:</p> +<p>„Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als +’t nu is, zal hij zeker met een huurrijtuig komen. Steek de +lantaarn aan en ga er mede naar beneden. Blijf beneden achter de deur +staan. Open dadelijk de deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; +hij zal dan naar boven gaan; licht hem op de trap en de gang, en +terwijl hij binnenkomt, gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den +koetsier en laat het rijtuig heengaan.”</p> +<p>„En het geld?” vroeg de vrouw.</p> +<p>Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.</p> +<p>„Wat is dat?” riep zij verwonderd.</p> +<p>Jondrette antwoordde deftig:</p> +<p>„’t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven +heeft.”</p> +<p>Na eene poos hernam hij:</p> +<p>„Er zijn twee stoelen noodig.”</p> +<p>„Waarom?”</p> +<p>„Om op te zitten.”</p> +<p>Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw +Jondrette koel hoorde antwoorden:</p> +<p>„Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen.”</p> +<p>Haastig opende zij de deur en trad in de gang.</p> +<p>Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed +te gaan en er zich onder te verbergen.</p> +<p>„Neem de kaars,” riep Jondrette.</p> +<p>„Neen,” zeide zij, „dit zou mij te lastig zijn, ik +moet twee stoelen dragen. De maan schijnt.”</p> +<p>Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis +naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en +ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.</p> +<p>Vrouw Jondrette trad binnen. <span class="pagenum">[<a id="pb221" +href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p> +<p>Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee +groote vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, +waartegen Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.</p> +<p>Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die +Marius bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich +dichtslaande.</p> +<p>„Hier zijn de twee stoelen,” zeide zij, de kamer +binnentredende.</p> +<p>„En daar hebt ge de lantaarn,” zei de man. „Ga nu +spoedig naar beneden.”</p> +<p>Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.</p> +<p>Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den +beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud +vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de +hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte +Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een +touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te +hangen.</p> +<p>Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, +die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends +niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius +afwezig was, gebracht.</p> +<p>’t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.</p> +<p>Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten +hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten waren +om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; beide soorten +van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.</p> +<p>De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht +tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer +alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of den +schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg de +helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende +stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.</p> +<p>Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in +gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken +van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de +wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op +de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij +een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij +driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er in +had <span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name= +"pb222">222</a>]</span>geborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte +ervan. Toen legde hij het mes weder in de lade, die hij +dichtschoof.</p> +<p>Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak +was, te voorschijn, en spande den haan.</p> +<p>Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.</p> +<p>Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel +op.</p> +<p>„Wat is dat?” riep hij.</p> +<p>Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon +toen te lachen en zeide:</p> +<p>„Hoe dom? ’t Is de wand die kraakt.”</p> +<p>Marius hield het pistool steeds in zijn hand.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.18" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achttiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De twee stoelen van Marius staan tegenover +elkander.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener +klok de glasruiten trillen. Het sloeg op St. Médard zes +uren.</p> +<p>Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden +slag snoot hij de kaars met zijn vingers.</p> +<p>Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde +weder.</p> +<p>„Als hij maar komt!” bromde hij binnensmonds.</p> +<p>Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten +toen de deur geopend werd.</p> +<p>Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar +gezicht, ’t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen +bescheen, in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.</p> +<p>„Kom binnen, mijnheer,” zeide zij.</p> +<p>„Kom binnen, mijn weldoener,” herhaalde Jondrette, +haastig opstaande.</p> +<p>De heer Leblanc verscheen.</p> +<p>Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, ’t +geen hem een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.</p> +<p>Hij legde vier Louisd’ors op de tafel.</p> +<p>„Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer +Fabantou,” sprak hij. „Vervolgens zullen wij +zien.”</p> +<p>„God beloone ’t u, mijn edele weldoener,” zei +Jondrette. Daarop haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar +in:</p> +<p>„Zend de huurkoets weg!”</p> +<p>Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblanc +<span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name= +"pb223">223</a>]</span>met beleefdheden overlaadde en een stoel +aanbood. Een oogenblik later kwam zij terug en fluisterde hem in +’t oor:</p> +<p>„’t Is geschied.”</p> +<p>De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men +de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde +wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats genomen. +Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.</p> +<p>Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet de +lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame omstreken +van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in ’t +maanlicht als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der +straatlantaarns, die hier en daar op den treurigen boulevard en op de +lange rijen zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch +misschien op straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de +diepste stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim +vertrek van Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot +twee mannen aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette +glimlachend en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en +Marius onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen +woord, geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de +hand.</p> +<p>Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, +maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de +hand gedrukt en gevoelde zich gerust.—Ik zal dien ellendeling +kunnen tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.</p> +<p>Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag +was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit te +steken.</p> +<p>Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van +Jondrette en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles +wat hij wenschte te weten.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.19" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negentiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een donkere achtergrond.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen +naar de ledige kribben.</p> +<p>„Hoe gaat het met de kleine gewonde?” vroeg hij.</p> +<p>„Slecht,” antwoordde Jondrette treurig, met +verplichtenden <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name= +"pb224">224</a>]</span>glimlach, „zeer slecht, mijn waarde heer. +Haar zuster is met haar uitgegaan om haar te laten verbinden. Ge zult +ze aanstonds zien, als zij terugkomen.”</p> +<p>„Uw vrouw schijnt beter te zijn?” hernam mijnheer +Leblanc<span class="corr" id="xd20e5285" title="Bron: .">,</span> een +blik op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die +tusschen hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en +hem in een dreigende houding aanziende.</p> +<p>„Zij is doodziek,” zei Jondrette. „Maar wat zal +men zeggen, mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. +’t Is geen vrouw, ’t is een os.”</p> +<p>Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de +liefelijkheid van een gevleid monster:</p> +<p>„Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!”</p> +<p>„Jondrette,” zei de heer Leblanc, „ik meende dat +uw naam Fabantou was?”</p> +<p>„Fabantou, genaamd Jondrette!” hernam de man schielijk. +„Een acteurs-bijnaam.” En terwijl hij zijn vrouw een blik +toewierp, dien de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van +vriendelijke ophemeling:</p> +<p>„O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne +arme lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij +zijn zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar +geen arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de +regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, ik +ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar niets +geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, ’t zou, zoo waar +ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het doozen +maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een beroep! +een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een vernedering, +na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets overgebleven van +onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een schilderij, waaraan +ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch zou willen ontdoen, want +men moet leven, ja, men moet leven!”</p> +<p>Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat +dit iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, +sloeg Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek +iemand, dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht +binnengekomen, dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg +een vuil gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde +pantalon van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, +blooten hals, bloote getatoueerde armen, terwijl zijn <span class= +"pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name= +"pb225">225</a>]</span>gezicht was zwart gemaakt. Hij had stil, met +over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats genomen, en wijl +hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts onduidelijk +zien.</p> +<p>Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, +veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius +omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, ’t +welk Jondrette opmerkte.</p> +<p>„Ha, ik zie!” riep Jondrette, met een houding van +welgevallen zijn jas dichtknoopende, „gij beziet mijn jas? Hij +zit mij goed, niet waar, hij zit mij goed!”</p> +<p>„Wie is die man?” vroeg de heer Leblanc.</p> +<p>„Hij?” hernam Jondrette. „Een buurman, laat hij u +niet hinderen.”</p> +<p>De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint +Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden +in die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele +voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst +vertrouwen te kennen. Hij hernam:</p> +<p>„Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?”</p> +<p>„Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer,” hernam +Jondrette, de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met +strakke, teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, +„ik zeide u, dat ik een schilderij te koop had.”</p> +<p>Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon +trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals +de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor +’t gezicht.</p> +<p>Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer +Leblanc hem evenwel opgemerkt.</p> +<p>„Sla er geen acht op,” zei Jondrette. „’t +Zijn lieden van het huis. Ik zeide dan, dat mij nog een kostbare +schilderij was overgebleven.... Zie hier, mijnheer, zie.”</p> +<p>Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij +gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij ’t echter +tegen den muur liet staan. ’t Was werkelijk iets dat een +schilderij geleek en door de kaars min of meer in <span class="corr" +id="xd20e5328" title="Bron: hij ’t">het</span> licht kwam. Marius +kon er niets van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de +schilderij stond; hij zag slechts onduidelijk een soort van +hoofdpersoon in ruw kladwerk, met harde kleuren als van een +uithangbord.</p> +<p>„Wat is dat?” vroeg de heer Leblanc.</p> +<p>Jondrette sprak met ophef:</p> +<p>„Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik +ben er niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters; +<span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name= +"pb226">226</a>]</span>het wekt dierbare herinneringen in mij op; maar +ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet intrekken, ik ben zoo +ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen...”</p> +<p>Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van +ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de +schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier +mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost +staande; alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart +gemaakte gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den +muur met gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een +vreeselijk aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen +schenen jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen +hunner droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren +blootsvoets.</p> +<p>Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen +was gericht.</p> +<p>„’t Zijn vrienden, buren,” zeide hij. „Zij +zijn zwart, wijl zij met kolen omgaan. ’t Zijn stokers. Sla geen +acht op hen, mijn weldoener, maar koop mij mijn schilderij af. Heb +medelijden met mijn ellende. Ik zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog +schat gij ze?”</p> +<p>„Wel,” zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen +blik slaande, als iemand die op zijn hoede is; „’t is een +uithangbord van een of andere herberg, dat misschien drie francs waard +is.”</p> +<p>Jondrette antwoordde heel bedaard:</p> +<p>„Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen +tevreden stellen.”</p> +<p>De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een +snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde bij +het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn +rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en +schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden toon +te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, dat de +heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, van ellende +krankzinnig was geworden.</p> +<p>„Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener,” +zei Jondrette, „zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan +in het water te springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten +leeren. Daarvoor heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het +glas niet op den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt +fornuis, een pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al +naar zij voor hout, papier <span class="pagenum">[<a id="pb227" href= +"#pb227" name="pb227">227</a>]</span>of stoffen moeten dienen, een mes +voor het snijden van het karton, een vormblok, een hamertje om de +stalen versierselen te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al +meer! en dat alles om vier sous daags te verdienen! en men werkt +veertien uren! en ieder doosje gaat dertien malen door de hand der +werkster! en het papier bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm +houden! ik zeg u, vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan +leve!”</p> +<p>Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die +hem gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat +van dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden +in ’t oog.</p> +<p>Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:</p> +<p>„Is hij krankzinnig?” Jondrette herhaalde twee of drie +keeren in allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: „Mij +blijft niets over dan in ’t water te springen! ik ben onlangs +daartoe bij de brug van Austerlitz drie treden naar beneden +gegaan!”</p> +<p>Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine +man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer +Leblanc en riep hem met donderende stem toe:</p> +<p>„Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge +mij?”</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.20" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Twintigste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De hinderlaag.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie +mannen in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden +te voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen +knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van +den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen, in de +hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager dan de +eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer grooten +sleutel als die eener gevangenisdeur.</p> +<p>Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig +gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den +magere.</p> +<p>„Is alles gereed?” vroeg Jondrette.</p> +<p>„Ja,” antwoordde de magere man.</p> +<p>„Waar is Montparnasse?”</p> +<p>„Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken.” +<span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name= +"pb228">228</a>]</span></p> +<p>„Welke?”</p> +<p>„De oudste.”</p> +<p>„Is er een huurkoets beneden?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Is het rijtuig ingespannen?”</p> +<p>„Ingespannen.”</p> +<p>„Met twee goede paarden?”</p> +<p>„Beste.”</p> +<p>„Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten +moest?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Goed,” zei Jondrette.</p> +<p>De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het +vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is; +zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden +wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets aan +hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van +verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen had +van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar geworden +en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug van den +stoel.</p> +<p>Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar, +scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid is +aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet +onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende.</p> +<p>Drie der mannen welke Jondrette „stokers” had genoemd, +hadden uit den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere +een tang, de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te +spreken voor de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had +slechts de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hem +<span class="corr" id="xd20e5416" title= +"Bron: nederzet">nedergezet</span>.</p> +<p>Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou +moeten komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van +de gang, gereed om zijn pistool te lossen.</p> +<p>Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich +weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen, +onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was:</p> +<p>„Gij herkent mij dus niet?”</p> +<p>De heer Leblanc zag hem in ’t gezicht en antwoordde:</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst +gekruiste armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het +bedaarde gezicht van den heer Leblanc, en naderde <span class= +"pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span>hem +zoo dicht mogelijk, zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in +deze houding van een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij:</p> +<p>„Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet +Thénardier! ik ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? +Thénardier! herkent ge mij nu?”</p> +<p>Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer +Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich +verhief, en met zijn gewone bedaardheid:</p> +<p>„Evenmin!”</p> +<p>Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in de +duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en verplet +gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide: „Ik heet +Thénardier,” had Marius door al zijn leden gebeefd en zich +aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een degenkling +in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot te lossen, was +langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald: „Hoort ge wel, +Thénardier?” liet Marius het pistool schier uit zijn +bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was, had +hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de grootste +ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer Leblanc +niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat deze naam +voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns vaders +geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste zijner +gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling: +„Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn +zoon hem ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen +is.” Men herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, +het voorwerp zijner vereering was. En dit was nu deze +Thénardier, deze herbergier van Montfermeil, dien hij zoo lang +vruchteloos gezocht had. Eindelijk had hij hem gevonden, maar hoe? deze +redder zijns vaders was een bandiet! deze man, voor wien Marius vurig +wenschte zich op te offeren, was een schurk! deze redder van den +kolonel Pontmercy was op het punt een aanslag te volvoeren, waarvan +Marius nog niet duidelijk den vorm zag, maar die een moordaanslag +geleek! en op wien? goede God! welk een noodlottigheid! welk een +bittere scherts van het lot! Zijn vader beval hem uit zijn graf, +Thénardier zooveel mogelijk goed te doen; sinds vier jaren had +Marius geen andere gedachten, dan de voldoening van deze schuld zijns +vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door de justitie een roover +te midden zijner misdaad wil doen vatten, roept het lot hem toe: +’t Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan dezen man het +leven zijns vaders, dat te midden van <span class="pagenum">[<a id= +"pb230" href="#pb230" name="pb230">230</a>]</span>het schrootvuur op +het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het betalen +met—het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien +Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu +vond hij hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn +vader zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze +vereerde, heilige stem met Thénardier te verpletteren! met zijn +vader in diens graf het schouwspel te geven van de terechtstelling op +het plein St. Jacques, van den man, die hem met levensgevaar aan den +dood ontrukt had, en welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, +door dien Marius, aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een +tegenstelling! zoo lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door +hem geschreven, op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze +geheel het tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij +dezen aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het +offer veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een +ellendeling dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert +vier jaren gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als +vernietigd. Hij huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het +wisten, hield hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor +zijn oogen bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc +gered en Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de +heer Leblanc geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den +een in ’t ongeluk storten of den ander doen vallen? Aan beide +kanten wroeging. Wat te doen? Wat te kiezen? de plechtigste +herinneringen hoonen; de innigste <span class="corr" id="xd20e5444" +title="Bron: ververbintenissen">verbintenissen</span> met zich zelven +aangegaan verbreken, den heiligsten plicht, het eerwaardigst +voorschrift verkrachten; het testament zijns vaders niet nakomen of een +misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant scheen hij „zijn +Ursula” hem voor haar vader te hooren bidden, aan den anderen +kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde zich +als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet te +overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor zijn +oogen had. ’t Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had +gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te +bezwijmen.</p> +<p>Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan +niet anders noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van +razernij van verwarring en zegepraal.</p> +<p>Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een +geweldigen slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet +tegen den muur spatte. <span class="pagenum">[<a id="pb231" href= +"#pb231" name="pb231">231</a>]</span></p> +<p>Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed:</p> +<p>„In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden, +mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer de +poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge niet, acht +jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest, in den +kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij +medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een +pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij +kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! ’t schijnt, dat het zijn +liefhebberij is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die +oude menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? +geeft ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij +niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw neus +hadt ingestoken. Men zal eens zien of ’t altijd even aardig is de +huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel dat men er +logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch, wien men een cent +zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den edelmoedige te +spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en hen in het bosch +te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later, wanneer de +menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee ellendige +hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!”</p> +<p>Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het was +alsof zijn toorn, gelijk de <span class="corr" id="xd20e5459" title= +"Bron: Rhone">Rhône</span>, in een hol viel; toen, als voltooide +hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist op de tafel +en riep:</p> +<p>„Met zijn goedhartig voorkomen!”</p> +<p>En tot den heer Leblanc het woord richtende:</p> +<p>„Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de +schuld van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs +een meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan +rijke lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van +’t welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te +kunnen bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in +die afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O, +ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft, in vergif +ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om ’t even! Maar +zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de leeuwerik +heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij waart de +sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij zijt kapot, +goede man. Ik lach, ja, <span class="pagenum">[<a id="pb232" href= +"#pb232" name="pb232">232</a>]</span>waarachtig, ik lach! Hij is +heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik +Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld, dat +mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft zelfs +niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari +vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken +met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad om +slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij heeft +hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb u in mijn +macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik u het hart +uit het lijf!”</p> +<p>Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst +hijgde als een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde +van een zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan +nederwerpen wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van +een dwerg, die den voet op ’t hoofd van Goliath zou zetten, de +vreugd van een jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te +stervend om zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te +lijden.</p> +<p>De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij +zweeg:</p> +<p>„Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer +arm man, en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij +voor een ander aan.”</p> +<p>„Ha,” krijschte Thénardier; „gij wilt nog +verder met mij schertsen! Maar, ’t is mis, man! Zoo, herinnert +gij het u niet! Ziet gij niet wie ik ben?”</p> +<p>„Verschoon mij, mijnheer,” antwoordde de heer Leblanc op +een beleefden toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs +had; „ik zie, dat ge een bandiet zijt.”</p> +<p>Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige +plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord +„bandiet”, sprong vrouw Thénardier uit het bed, +greep Thénardier zijn stoel, als wilde hij dien in zijn hand +vermorzelen.</p> +<p>„Verroer u niet!” riep hij zijn vrouw toe, en tot den +heer Leblanc zeide hij:</p> +<p>„Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo +noemt! Ja, ’t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik +heb geen brood, geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik +niet gegeten, ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt +schoenen van Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge +woont op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels, +asperges, <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name= +"pb233">233</a>]</span>die in de maand Januari veertig francs de bos +kosten; ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of ’t +koud is, kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn +zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de +l’Horloge te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij +voelen het bloed in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, +en wij zeggen: Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze +holen, om ons bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja +verslinden! Weet, mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, +gepatenteerd man, een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij +zijt het misschien niet, gij!”</p> +<p>Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de +deur stonden en voegde er wrokkend bij:</p> +<p>„Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een +schoenlapper ben.”</p> +<p>Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer +Leblanc:</p> +<p>„Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper +ben, ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit +de huizen haalt. Ik ben een oud <span class="corr" id="xd20e5497" +title="Bron: fransch">Fransch</span> soldaat, ik moest gedecoreerd +zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal, +graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die +David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij stelt +mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik houd +generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur heen. +Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor mij +gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin, met +gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol +getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En, +nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een einde +aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld, of ik +verdelg u, voor den d.....!”</p> +<p>Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. +De laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. ’t Was wel +degelijk de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij +dit verwijt van ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, ’t welk +hij op ’t punt was zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn +verlegenheid nam hierdoor toe. Overigens was in al de woorden van +Thénardier, in zijn toon, in zijn gebaren, in zijn blik, die bij +ieder woord vlammen schoot, in deze uitbarsting eener slechte natuur, +die zich geheel vertoonde, in dit mengsel van pralerij en +verworpenheid, van hoogmoed en <span class="pagenum">[<a id="pb234" +href="#pb234" name="pb234">234</a>]</span>nietigheid, van woede en +dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en valsche gevoelens, +in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die zich aan den wellust +van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming van allerlei lijden, +vermengd met allerlei haat—iets afschuwelijks als het kwade, iets +treffends als de waarheid.</p> +<p>Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer +Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed +hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men +zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van +zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven.</p> +<p>Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd, kon +deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij +werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man +die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en +Pontmercy; de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als +dronken, deze schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; +’t was niet meer het uithangbord der kroeg van Montfermeil, +’t was een verrijzenis; een graf opende zich, een schim richtte +zich op. Marius hoorde zijn polsen kloppen; het kanon van Waterloo +suisde in zijn ooren, zijn bloedende vader, onduidelijk op dit paneel +voorgesteld, ontroerde hem, en ’t was hem alsof deze wanstaltige +figuur hem strak aanschouwde.</p> +<p>Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij +zijn bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, +kortaf:</p> +<p>„Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere +middelen overgaat?”</p> +<p>De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in +de gang deze gruwzame spotternij:</p> +<p>„Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!”</p> +<p>’t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn.</p> +<p>Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk +gezicht met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken +van tanden liet zien.</p> +<p>’t Was het gezicht van den man met de bijl.</p> +<p>„Waarom hebt ge uw masker afgedaan?” riep +Thénardier toornig.</p> +<p>„Om te lachen,” antwoordde de man.</p> +<p>Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen +van Thénardier in ’t oog te houden en te volgen, die, door +zijn woede verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, +in het volle vertrouwen dat de deur <span class="pagenum">[<a id= +"pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span>goed bewaakt werd, in +het bewustzijn dat hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen +tegen één waren, zelfs aannemende dat vrouw +Thénardier slechts voor één man telde. Toen +Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug +naar den heer Leblanc gekeerd.</p> +<p>Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel, +met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met +wonderbare vlugheid aan het venster, vóór +Thénardier den tijd had gehad zich om te keeren. Het venster te +openen, er in te klimmen, er het been uit te brengen was het werk van +een oogenblik. Hij was er half buiten toen zeer forsche vuisten hem +grepen en ruw in het vertrek terug trokken. ’t Waren de drie +„stokers”, die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd +had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen.</p> +<p>Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de +gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en +naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand.</p> +<p>Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd +beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud, +bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd +van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf, +aan beide einden met een looden kogel.</p> +<p>Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.—„Vergeef +mij, mijn vader!” dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van +zijn pistool. Hij was op ’t punt om ’t over te halen, toen +Thénardier riep:</p> +<p>„Doe hem geen leed!”</p> +<p>Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in +plaats van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht.</p> +<p>In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot +hiertoe had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de +nedergedrukte, lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, +maar toen deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam +de listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand.</p> +<p>„Doe hem geen leed!” herhaalde hij, en zonder het te +vermoeden, had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden +zijn pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken +te zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog +te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet ’t een of ander gebeurt, +dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van +Ursula te doen omkomen, òf den redder van den kolonel in +’t verderf te storten? <span class="pagenum">[<a id="pb236" href= +"#pb236" name="pb236">236</a>]</span></p> +<p>Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had +de heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop +met twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder +onder een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als +onder een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken +grijsaard bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee +nedergeworpen „stokers” steeds onder zijne knieën +hield. Alzoo meester van de eenen en door de anderen overweldigd, de +onder hem liggenden verpletterend, en stikkende onder de bovensten, +vruchteloos al het geweld trachtende af te schudden, dat hem aanviel, +werd de heer Leblanc onzichtbaar onder den afschuwelijken groep +bandieten, evenals een wild zwijn onder een troep huilende doggen en +jachthonden.</p> +<p>’t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het +venster te krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw +Thénardier had zijn haar niet losgelaten.</p> +<p>„Bemoei gij er u niet meê,” riep +Thénardier. „Ge zult uw kleeren beschadigen.”</p> +<p>Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een +wolf gehoorzaamt.</p> +<p>„Onderzoekt hem nu,” beval Thénardier aan de +overigen.</p> +<p>De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men +doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, waarin +zes francs, en zijn zakdoek.</p> +<p>Thénardier stak den zakdoek bij zich.</p> +<p>„Hoe, geen portefeuille?” vroeg hij.</p> +<p>„Noch horloge,” antwoordde een der +„stokers.”</p> +<p>„Om ’t even,” zei, met een stem als van een +buikspreker, de gemaskerde man met den grooten sleutel, „de oude +is sterk.”</p> +<p>Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop +touw, dien hij hun toewierp.</p> +<p>„Bindt hem aan den voet van de krib,” zeide hij en, den +oude ziende, die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond +geworpen, was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:</p> +<p>„Is Boulatruelle dood?”</p> +<p>„Neen,” antwoordde Bigrenaille, „hij is +dronken.”</p> +<p>„Veeg hem in een hoek,” zei Thénardier.</p> +<p>Twee „stokers” stieten den dronkaard met den voet naar +den hoop oud ijzer.</p> +<p>„Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?” +zei <span class="corr" id="xd20e5585" title= +"Bron: Thenardier">Thénardier</span> zacht tot den man met den +knuppel, „dit was niet noodig.” <span class= +"pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name="pb237">237</a>]</span></p> +<p>„Wat zal ik zeggen?” antwoordde de man met den knuppel; +„zij wilden er allen bij zijn. ’t Is een slechte tijd; er +valt zoo weinig te doen.”</p> +<p>De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit een +hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer +Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl +hij stond, met de voeten aan ’t hoofdeneind der krib, die het +verst van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.</p> +<p>Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en +zette zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier +scheen niet meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle +woede tot bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon +nauwelijks in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, +den dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met +verbazing aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende +herschepping, en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een +solliciteur zag veranderen.</p> +<p>„Mijnheer...” zei Thénardier.</p> +<p>En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc +nog vasthielden:</p> +<p>„Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer +spreken.”</p> +<p>Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:</p> +<p>„Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. +Gij hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens +bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die ik +maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt +hebt.”</p> +<p>Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon +het aan Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had +nauwelijks eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en +zelfs in zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had +hij het diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. +Thénardier hernam:</p> +<p>„Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, +zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden soms +moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben genomen. +’t Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, wanneer +men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men zou ’t u +niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben gestopt. Ik zal +u zeggen waarom. ’t Is omdat niets uit deze kamer kan gehoord +worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; ’t is er echter +<span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" name= +"pb238">238</a>]</span>een! Ze is als een kelder. Men zou hier een +kanon kunnen afschieten, zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer +gerucht veroorzaakte, dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft +evenzeer het kanon als de donder. ’t Is een zeer gemakkelijke +woning. Kortom, ge hebt niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u +mijn compliment en zal u zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men +schreeuwt komt de politie, en na de politie, de justitie. Welnu, gij +hebt niet geschreeuwd, en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om +met de politie en justitie in aanraking te komen. En wel—zooals +ik reeds sinds lang vermoedde—omdat gij er belang bij hebt iets +te verbergen. Wij, van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij +begrijpen elkander dus.”</p> +<p>Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik +op den heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot +in het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens +was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, +zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die +zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester had +gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze +voorzorg<span class="corr" id="xd20e5614" title="Bron: .">,</span> die +zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de waagschaal stelde, +die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur geboden, die tot het +slaken van een kreet aandreef, dit alles had, wij moeten ’t +bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor Marius iets +onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.</p> +<p>De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius +in nog dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien +Courfeyrac den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel +ook zijn mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om +zoo te zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper +onder hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid +van Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit +oogenblik zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.</p> +<p>’t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende +en die niet wist wat vertwijfeling was. ’t Was een derzulken, die +zelfs de verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. +Hoe groot het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop +scheen, hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder +water zijn verschrikte oogen opent.</p> +<p>Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den +schoorsteen, nam het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en +vertoonde alzoo het komfoor met gloeiende kolen, <span class= +"pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name= +"pb239">239</a>]</span>waarin de gevangene duidelijk den wit gegloeiden +beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes gespikkeld +was.</p> +<p>Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.</p> +<p>„Ik herhaal,” zeide hij, „wij kunnen elkander +verstaan. Laten wij onze zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk +mij aanstonds driftig te maken, ik weet niet wat mij in het hoofd<a id= +"xd20e5629" name="xd20e5629"></a> kwam; ik ben te ver gegaan; ik heb +dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide ik, +dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit was +onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; ge hebt +ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, ik ben +in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden die, omdat +zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het uiterste +gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een +opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend +francs.”</p> +<p>De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:</p> +<p>„Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den +staat van uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan ’t geld +gehecht zijt, en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd +duizend francs aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.—Gij +zijt zeker ook een verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, +dat ik mij heden al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in +orde gebracht zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, +zooals deze heeren kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te +vragen, voor een glas wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd +duizend francs komt er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, +dan verzeker ik u, dat alles is afgedaan en gij ’t minst niet +meer te vreezen hebt. Ge zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd +duizend francs bij mij. O, dat verlang ik ook niet; ik ben niet +ongemakkelijk. Ik vraag u slechts de goedheid te hebben te schrijven +wat ik u zal voorzeggen.”</p> +<p>Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en +een glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:</p> +<p>„Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet +zoudt kunnen schrijven, niet aanneem.”</p> +<p>Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. +Thénardier schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den +inktpot, een pen en een vel papier uit de lade, welke hij half open +liet, en waarin het lange mes glinsterde.</p> +<p>Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.</p> +<p>„Schrijf!” zeide hij.</p> +<p>Eindelijk sprak de gevangene: <span class="pagenum">[<a id="pb240" +href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p> +<p>„Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden.”</p> +<p>„’t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk,” zei +Thénardier; en zich tot Bigrenaille wendende:</p> +<p>„Maak den rechterarm van Mijnheer los.”</p> +<p>Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht +Thénardiers bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los +was, stak Thénardier de pen in den inkt en reikte ze hem.</p> +<p>„Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel +aan ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden +en ’t ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot +onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw +woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult +blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd is. +Wees nu zoo goed te schrijven.”</p> +<p>„Wat?” vroeg de gevangene.</p> +<p>„Ik zal ’t u voorzeggen.”</p> +<p>De heer Leblanc nam de pen.</p> +<p>Thénardier begon te dicteeren.</p> +<p>„Lieve dochter...”</p> +<p>De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.</p> +<p><span class="corr" id="xd20e5673" title= +"Bron: »">„</span>Schrijf: „lieve dochter,” +hernam Thénardier. De heer Leblanc gehoorzaamde. +Thénardier ging voort:</p> +<p>„Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die +u dit briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. +Ik wacht u. Kom onbevreesd.”</p> +<p>De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:</p> +<p>„Wacht! schrap „kom onbevreesd” uit; ’t zou +kunnen doen vermoeden dat er iets achter schuilt, en wantrouwen +inboezemen.”</p> +<p>De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.</p> +<p>„Zet nu uw naam,” zeide Thénardier; „hoe +heet ge?”</p> +<p>De gevangene legde de pen neder en vroeg:</p> +<p>„Voor wie is deze brief?”</p> +<p>„Ge weet het immers,” antwoordde Thénardier, +„voor het meisje. Ik heb ’t u straks gezegd.<span class= +"corr" id="xd20e5693" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te +noemen, van ’t welk spraak was. Hij zeide „de +leeuwerik”—„het meisje”, maar noemde geen naam. +Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen het geheim te +bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele +„zaak” overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden +te weten.</p> +<p>Hij hernam:</p> +<p>„Teeken. Hoe heet ge?”</p> +<p>„Urbain Fabre,” zei de gevangene. <span class= +"pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span></p> +<p>Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn +zak en haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het +merk op en trad dicht bij de kaars. „U. F. Juist. Urbain Fabre. +Welnu, teeken U. F.”</p> +<p>De gevangene onderteekende.</p> +<p>„Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te +vouwen, zal ik hem dichtvouwen.”</p> +<p>Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:</p> +<p>„Schrijf het adres. „Mejuffrouw Fabre” te uwen +huize. Ik weet dat ge niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. +Jacques <span class="corr" id="xd20e5715" title="Bron: du-Haut Pas">du +Haut-Pas</span>, wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet +in welke straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent +uw naam niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer +woonplaats doen. Schrijf dus.”</p> +<p>De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en +schreef:</p> +<p>„Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de +straat St. Dominique d’Enfer No. 17.”</p> +<p>Thénardier greep den brief met koortsachtige +stuiptrekking.</p> +<p>„Vrouw!” riep hij.</p> +<p>Vrouw Thénardier kwam toeloopen.</p> +<p>„Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een +huurkoets wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste +terug.”</p> +<p>„Gij,” voegde hij er bij, tot den man met de bijl +gewend, „daar gij uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn +vrouw; ga achter op het rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig +gelaten hebt?”</p> +<p>„Ja,” zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, +volgde hij vrouw Thénardier.</p> +<p>Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door +de half geopende deur en riep in de gang:</p> +<p>„Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal +honderd duizend francs bij u hebt.”</p> +<p>Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:</p> +<p>„Wees gerust; ik heb hem goed geborgen.”</p> +<p>Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener +zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.</p> +<p>„Goed,” mompelde Thénardier. „Zij rijden +hard. Op die wijze zal mijn vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen +zijn.”</p> +<p>Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op +neer, met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte +voeten uit naar het komfoor.</p> +<p>„Ik heb koude voeten,” zeide hij.</p> +<p>Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangene +<span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name= +"pb242">242</a>]</span>slechts nog vijf bandieten. Deze geleken, met +hunne zwarte maskers of zwart gemaakte gezichten, kolenbranders, negers +of duivels, overigens hielden zij zich onverschillig en stil; men +gevoelde dat zij een misdaad pleegden, evenals zij iedere andere +bezigheid zouden verrichten, bedaard, zonder toorn en zonder +medelijden, zelfs met een zweem van verveling. Zij waren in een hoek +als dieren samengedrongen en zwegen. Thénardier warmde zijn +voeten. De gevangene was weder geheel zwijgend. Een akelige stilte was +op het woest gerucht gevolgd, dat eenige oogenblikken te voren in het +vertrek heerschte.</p> +<p>De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle +ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke +hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.</p> +<p>Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden +man, die sliep.</p> +<p>Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. +Het raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit +„meisje” dat Thénardier ook de +„leeuwerik” had genoemd? Was het „zijn Ursula?” +Den gevangene scheen dat woord „de leeuwerik” niet +getroffen te hebben en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld +geantwoord: „Ik weet niet wat ge meent.” Van den anderen +kant waren de twee letters U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain +Fabre, en <span class="corr" id="xd20e5762" title= +"Bron: Ursule">Ursula</span> heette niet meer <span class="corr" id= +"xd20e5765" title="Bron: Ursule">Ursula</span>. Dit was Marius van +alles het duidelijkst. Een soort van betoovering hield hem op zijn +plaats gekluisterd, van waar hij dit geheele tooneel aanschouwde en +beheerschte. Hij was nauwelijks in staat te denken en zich te bewegen, +en als vernietigd door de afschuwelijke omstandigheden, welke hij van +zoo dicht bij zag. Hij wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om +’t even wat, want hij kon tot geen kalm overleg komen en wist +niet wat te doen.</p> +<p>„In allen geval,” zeide hij bij zich zelven, „zoo +zij de Leeuwerik is zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal +haar hier brengen. Dan zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo +’t zijn moet, mijn bloed en leven geven, maar ik zal haar +bevrijden! Niets zal mij tegenhouden.”</p> +<p>Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen +in sombere gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich +niet. Evenwel meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een +zacht gerucht van den kant des gevangenen op te merken.</p> +<p>Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:</p> +<p>„Luister, mijnheer Fabre, ’t is even goed, dat ik +’t u dadelijk zegge.” <span class="pagenum">[<a id="pb243" +href="#pb243" name="pb243">243</a>]</span></p> +<p>Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te zijn. +Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:</p> +<p>„Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik +geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het heel +natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn vrouw +brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich +fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter haar +zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets plaats +nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der +barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen +voert men uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt +met haar plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt +hier terug, om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed +geschieden, het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en +veilig is, en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt +gegeven, krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet +mijn kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen.”</p> +<p>De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:</p> +<p>„Ge ziet, ’t is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad +gebeuren, zoo ge ’t zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en +waarschuw u, opdat ge weet waaraan u te houden.”</p> +<p>Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier +hernam:</p> +<p>„Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is +onderweg, zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan +slapen. Ge ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben.”</p> +<p>Afgrijselijke beelden verrezen in Marius’ geest.</p> +<p>Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters +zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...</p> +<p>En zoo zij het ware! En ’t was duidelijk dat zij het was! +Marius voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het +pistool lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie +overleveren? Maar de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met +het meisje buiten alle bereik zijn, en Marius dacht aan +Thénardiers woorden, waarvan hij de bloedige beteekenis begreep: +„Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad wat hij +met de Leeuwerik doen moet.”</p> +<p>Nu was ’t niet alleen het testament van den kolonel dat hem +weerhield, maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij +beminde, verkeerde.</p> +<p>Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, +veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de +pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden, <span class= +"pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244" name="pb244">244</a>]</span>maar +vond ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met +de noodlottige stilte van het roovershol.</p> +<p>Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder +sluiten.</p> +<p>De gevangene bewoog zich in zijn banden.</p> +<p>„Daar is mijn vrouw terug,” zei Thénardier.</p> +<p>Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier +inderdaad rood, blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, +met haar beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:</p> +<p>„Een valsch adres!”</p> +<p>De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam +weder zijn bijl.</p> +<p>„Een valsch adres?” herhaalde Thénardier.</p> +<p>Zij hernam:</p> +<p>„Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen +mijnheer Urbain Fabre! Men kent er niemand van dien naam.”</p> +<p>Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:</p> +<p>„Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; +ge zijt al te goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben +aangepakt, en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik +zou hem wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, +en waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk +te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer +zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop naar +de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en alles +voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, een schoone +sterke vrouw; zij kenden den naam niet.”</p> +<p>Marius ademde ruimer. Zij, <span class="corr" id="xd20e5828" title= +"Bron: Ursule">Ursula</span> of de Leeuwerik, hij wist niet meer hoe +haar te noemen, was gered.</p> +<p>Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had +Thénardier zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken +sprak hij niet, schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met +woesten blik naar het komfoor.</p> +<p>Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den +gevangene:</p> +<p>„Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?”</p> +<p>„Tijd te winnen!” riep de gevangene met heldere, forsche +stem.</p> +<p>En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. +De gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.</p> +<p>Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te +herstellen en zich op hem te werpen, bukte hij zich naar den +schoorsteen, <span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name= +"pb245">245</a>]</span>stak de hand naar het komfoor, en toen hij zich +weder oprichtte waren Thénardier, zijn vrouw en de bandieten +verschrikt achteruit geweken en staarden hem met ontzetting aan, +terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene vreeselijke houding boven +zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, die een heilloozen gloed +wierp.</p> +<p>Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis +Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een +doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd +gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een +staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de +bagno’s weet voort te brengen, en welke kunststukken in de +duisternis en ten dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn +dan werktuigen ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne +voortbrengselen eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de +beelden der dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn +Benvenuto Cellina’s, evenals er in de taal Villon’s zijn. +De rampzalige, die naar zijn vrijheid snakt, weet soms zonder +werktuigen, met een oud mes, een koperen sou in tweeën te +splijten, de twee plaatjes uit te hollen zonder de munt te beschadigen +en een schroefdraad aan de randen te brengen, om beide stukken weder +aaneen te sluiten. ’t Is dan een doosje, dat men open en dicht +kan schroeven, en waarin een horlogeveer wordt verborgen, met welke +horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven kunnen worden doorgesneden. +Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts een koperen sou bezit; +neen, hij bezit de vrijheid. ’t Was zulk een koperen sou, die, +bij een later onderzoek der politie, open en in twee stukken onder het +bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een klein zaagje van +blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. ’t Is +waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, hij +dat koperstuk, ’t welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en +het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het +zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden +was; ’t geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare +bewegingen, welke Marius had opgemerkt, verklaart.</p> +<p>Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had +hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.</p> +<p>De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.</p> +<p>„Wees gerust,” zei Bigrenaille tot Thénardier, +„hij is nog aan een been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta +er voor in. Ik heb dien poot gebonden.”</p> +<p>Nu sprak de gevangene: <span class="pagenum">[<a id="pb246" href= +"#pb246" name="pb246">246</a>]</span></p> +<p>„Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard +is het zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen +spreken, doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven +wil...”</p> +<p>Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:</p> +<p>„Zietdaar!”</p> +<p>Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den +gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand +hield.</p> +<p>Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht +verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs +de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, en +terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, richtte hij +rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, waarin de +smart zich in kalme majesteit oploste.</p> +<p>Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der +zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op +’t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten +de kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.</p> +<p>„Ellendigen,” zeide hij, „hebt evenmin vrees voor +mij, als ik vrees voor u heb!”</p> +<p>En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open +geblevene venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den +nacht, om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.</p> +<p>De gevangene hernam:</p> +<p>„Doet met mij wat ge wilt.”</p> +<p>Hij was weerloos.</p> +<p>„Vat hem!” zei Thénardier.</p> +<p>Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met +de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij de +minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.</p> +<p>Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den +wand om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde +samenspraak:</p> +<p>„Er blijft nog maar één ding te doen +over.”</p> +<p>„Hem koud te maken.”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>’t Waren de man en de vrouw die raadpleegden.</p> +<p>Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam +er het mes uit. <span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" +name="pb247">247</a>]</span></p> +<p>Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de +ontzettendste vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen +in zijn binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns +vaders moest eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene +te hulp moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd +voort, die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald +gehoopt een middel te zullen vinden om deze twee plichten in +overeenstemming te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. +Het gevaar werd intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag +was overschreden; op korten afstand van den gevangene stond +Thénardier in gedachten, met het mes in de hand.</p> +<p>Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel +der wanhoop.</p> +<p>Eensklaps ontroerde hij.</p> +<p>Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan +helder verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen +regel, dien zelfden ochtend door de oudste dochter van +Thénardier met groote letters geschreven:</p> +<p><span class="sc">de dienders komen.</span></p> +<p>Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius’ geest; dit was +het middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, +’t welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te +redden. Hij boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, +maakte zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het +papier, en wierp een en ander door de opening te midden van het +dievenhol.</p> +<p>’t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, +zijn laatsten schroom overwonnen, en naderde den gevangene.</p> +<p>„Er valt iets,” riep vrouw Thénardier.</p> +<p>„Wat is ’t?” zei de man.</p> +<p>De vrouw was toegesneld, en had het in ’t papier gewikkelde +stuk kalk opgeraapt. Zij gaf het haar man.</p> +<p>„Waar is dit vandaan gekomen?” vroeg +Thénardier.</p> +<p>„Waar zou ’t anders vandaan gekomen zijn, dan door het +venster,” zei de vrouw.</p> +<p>„Ik heb ’t zien vallen,” zei Bigrenaille.</p> +<p>Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het +licht.</p> +<p>„’t Is Epopine’s schrift. Duivels!”</p> +<p>Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op +het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:</p> +<p>„Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek +moge in de val achterblijven.” <span class="pagenum">[<a id= +"pb248" href="#pb248" name="pb248">248</a>]</span></p> +<p>„Zonder den kerel den hals af te snijden?” vroeg vrouw +Thénardier.</p> +<p>„Wij hebben geen tijd.”</p> +<p>„Waarheen?” vroeg Bigrenaille.</p> +<p>„Door het venster,” antwoordde Thénardier. +„Dewijl Ponine den steen door het venster heeft geworpen, is aan +die zijde het huis niet omsingeld.”</p> +<p>De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten +sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot +driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot +den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten hem +los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig met de +twee ijzeren haken aan ’t kozijn gehecht.</p> +<p>De gevangene sloeg geen acht op ’t geen gebeurde. Hij scheen +te denken of te bidden.</p> +<p>Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:</p> +<p>„Kom, vrouw!”</p> +<p>En hij ijlde naar het raam.</p> +<p>Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij +den kraag.</p> +<p>„Neen, neen, oude snaak! na ons!”</p> +<p>„Na ons!” brulden de bandieten.</p> +<p>„Ge zijt kinderachtig,” zei Thénardier, +„wij verliezen tijd. De dienders zijn ons op de +hielen.”</p> +<p>„Nu,” zei een der bandieten, „laat er ons om +trekken, wie ’t eerst zal gaan.”</p> +<p>Maar Thénardier riep:</p> +<p>„Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, +tijd verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen +op papiertjes schrijven en ze in een pet schudden....”</p> +<p>„Wilt ge mijn hoed?” riep een stem op den drempel.</p> +<p>Allen zagen om. ’t Was Javert!</p> +<p>Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.21" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Een-en-twintigste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Men moet altijd eerst de offers vatten.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Javert had, zoodra het donker werd, agenten op de loer +gesteld en zelf zich achter de boomen der straat de la Barrière +der Gobelins tegenover het huis Gorbeau en den boulevard verscholen. +Hij was begonnen met de twee meisjes te willen <span class= +"pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name= +"pb249">249</a>]</span>inpakken, die gelast waren de toegangen van het +huis te bewaken. Doch hij had alleen Azelme gevat. Eponine was niet +meer op haar post, maar verdwenen, en hij had haar niet kunnen vangen. +Toen had Javert gewacht naar het afgesproken teeken<span class="corr" +id="xd20e5985" title="Bron: ,">.</span> Het heen en weder rijden van +het huurrijtuig had hem in niet geringe onrust gebracht. Eindelijk was +hij ongeduldig geworden, en in de overtuiging dat hier een nest was, en +zeker dat er een vangst was te doen, wijl hij verscheidene bandieten +had herkend, die waren binnengegaan, besloot hij ten laatste ook binnen +te gaan, zonder langer op het pistoolschot te wachten.</p> +<p>Men weet, dat hij den huissleutel van Marius had. Hij was te juister +ure gekomen.</p> +<p>De verschrikte bandieten wierpen zich op de wapens, welke zij in +alle hoeken hadden geworpen, toen zij wilden vluchten. In minder dan +een seconde tijds groepeerden zich deze zeven afschuwelijke lieden in +een verdedigende houding, de eene met zijn bijl, de andere met zijn +sleutel, de derde met den knuppel, de anderen met staven, tangen en +hamers; Thénardier met het mes in de hand. Vrouw +Thénardier nam een grooten straatsteen, die in een hoek lag en +haar dochters tot zitbankje diende.</p> +<p>Javert zette den hoed weder op, deed een paar schreden in de kamer, +met de armen over elkander, den stok onder den arm, den degen in de +scheede.</p> +<p>„Halt!” riep hij. „Gij zult niet door het venster, +maar door de deur gaan; dit is niet zoo gevaarlijk. Gij zijt zeven man +sterk, wij zijn met ons vijftienen. Laat ons dus niet als straatjongens +vechten. Houdt uw fatsoen.”</p> +<p>Bigrenaille nam een pistool, dat hij onder zijn kiel droeg, en gaf +het Thénardier, dezen in ’t oor fluisterend: +„’t Is Javert. Ik durf op dien man niet te schieten. Durft +gij?”</p> +<p>„Waarom niet?” antwoordde Thénardier.</p> +<p>„Schiet dan!”</p> +<p>Thénardier nam het pistool, en legde op Javert aan.</p> +<p>Javert, die drie schreden van hem stond, aanschouwde hem strak en +zeide niets anders dan:</p> +<p>„Schiet niet; het pistool zal ketsen.”</p> +<p>Thénardier drukte af. Het pistool weigerde.</p> +<p>„Heb ik ’t niet gezegd!” riep Javert.</p> +<p>Bigrenaille wierp zijn knots Javert voor de voeten, en zeide:</p> +<p>„Gij zijt de keizer der duivels! ik geef mij over.”</p> +<p>„En gij?” vroeg Javert de andere bandieten.</p> +<p>Zij antwoordden:</p> +<p>„Wij ook.”</p> +<p>Javert hernam bedaard: <span class="pagenum">[<a id="pb250" href= +"#pb250" name="pb250">250</a>]</span></p> +<p>„Zoo is ’t goed, ik heb u immers gezegd, dat ge uw +fatsoen moest houden.”</p> +<p>„Slechts één verzoek,” hernam Bigrenaille; +„dat men mij tabak geve, zoo lang ik opgesloten ben.”</p> +<p>„Toegestaan,” zei Javert.</p> +<p>En zich omkeerende, riep hij:</p> +<p>„Komt nu binnen!”</p> +<p>Verscheiden stadssergeanten, met den degen in de vuist, en +politieagenten, met knuppels en stokken gewapend, stormden toe op +Javerts geroep. Men knevelde de bandieten. Deze troep menschen, +ternauwernood door een kaars beschenen, vervulden het hol met +duisternis.</p> +<p>„Allen de duimschroeven aangelegd!” riep Javert.</p> +<p>„Nadert als ge durft,” riep een stem, die geen +mannenstem scheen, doch welke niemand voor een vrouwenstem zou erkend +hebben. Vrouw Thénardier had zich in een hoek bij het venster +verschanst en deze woorden uitgebraakt.</p> +<p>De stadssergeanten en politieagenten traden achteruit.</p> +<p>Zij had haar shawl afgeworpen, maar haar hoed opgehouden; haar man, +achter haar gehurkt, was schier onzichtbaar onder den gevallen shawl, +en zij dekte hem met haar lichaam, terwijl zij met beide handen den +straatsteen boven haar hoofd hief, als een reuzin die een rotsklomp wil +slingeren.</p> +<p>„Neemt u in acht!” riep zij.</p> +<p>Allen deinsden naar de gang. Een groote ruimte ontstond in ’t +midden van ’t vertrek.</p> +<p>Vrouw Thénardier sloeg een blik op de bandieten, die zich +hadden laten binden, en mompelde met schorre, barsche stem:</p> +<p>„Lafaards!”</p> +<p>Javert trad glimlachend in de ledige ruimte, die vrouw +Thénardier met bliksemende oogen beheerschte.</p> +<p>„Nader niet, ga!” riep zij, „of ik verpletter +u!”</p> +<p>„Een grenadier!” riep Javert; „ge hebt een baard +als een man, wijfje, maar ik heb nagels als een vrouw.”</p> +<p>Hij naderde haar dichter.</p> +<p>Vrouw Thénardier, die schrikkelijk was om te zien, met haar +woest vliegend haar, zette de beenen van elkander, boog zich achterover +en wierp uit alle macht de straatkei naar Javerts hoofd. Javert bukte, +de steen vloog over hem, tegen den muur, waarvan brokken kalk vielen, +en rolde achter de voeten van Javert.</p> +<p>Ter zelfder tijd naderde Javert het echtpaar Thénardier. Hij +legde een zijner forsche vuisten op den schouder der vrouw, en de +andere op het hoofd van den man.</p> +<p>„De duimschroeven!” riep hij. <span class= +"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span></p> +<p>De politieagenten kwamen toeschieten, en in weinige seconden was +Javerts bevel volbracht.</p> +<p>Vrouw Thénardier was als verpletterd, zij zag haar handen en +die van haar man gekneveld, zonk op den grond en riep weenend:</p> +<p>„Mijn dochters!”</p> +<p>„Zij zijn in zekerheid,” zei Javert.</p> +<p>Ondertusschen hadden de politieagenten den slapenden dronkaard +achter de deur gevonden en schudden hem. Hij werd wakker en +stamelde:</p> +<p>„Is ’t gedaan, Jondrette?”</p> +<p>„Ja,” antwoordde Javert.</p> +<p>De zes bandieten stonden gekneveld; zij hadden overigens nog hun +spookachtig voorkomen; drie met zwartgemaakte gezichten, drie +gemaskerd.</p> +<p>„Houdt uw maskers,” zei Javert.</p> +<p>Hij monsterde ze toen met een blik als dien van Frederik II op de +parade van Potsdam, en zeide tot de drie „stokers<span class= +"corr" id="xd20e6092" title="Bron: :”">”:</span></p> +<p>„Goeden dag, Bigrenaille! Goeden dag, Brujon! Goeden dag, +Deux-Milliards!”</p> +<p>En zich toen tot de drie gemaskerden wendende, zeide hij tot den man +met de bijl:</p> +<p>„Goeden dag, Gueulemer!”</p> +<p>Tot den man met den knuppel:</p> +<p>„Goeden dag, Babet!”</p> +<p>En tot den buikspreker:</p> +<p>„Wees gegroet, Claquesous!”</p> +<p>In hetzelfde oogenblik ontdekte hij den gevangene der bandieten, die +sedert de komst der politieagenten geen woord had gesproken en zijn +hoofd gebogen hield.</p> +<p>„Maakt mijnheer los!” zei Javert, „en dat niemand +de kamer verlate!”</p> +<p>Dit gezegd hebbende ging hij met waardigheid aan de tafel zitten, +waarop nog de kaars en de inktpot stonden, nam een gezegeld papier uit +zijn zak en begon zijn proces-verbaal.</p> +<p>Toen hij eenige regels geschreven had, behelzende de gewone +formules, sloeg hij de oogen op, zeggende:</p> +<p>„Laat de heer naderen, dien deze heeren gebonden +hadden.”</p> +<p>De agenten zagen naar hem om.</p> +<p>„Nu,” vroeg Javert, „waar is hij?”</p> +<p>De gevangene der bandieten, de heer Leblanc, de heer Urbain Fabre, +de vader van Ursula of de Leeuwerik, was verdwenen.</p> +<p>De deur was bewaakt, maar het venster niet. Zoodra hij los was en +terwijl Javert het proces-verbaal schreef, had hij van de verwarring, +het gewoel, het gedrang, de duisternis en van <span class= +"pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>een +oogenblik dat men niet op hem lette, gebruik gemaakt om door het +venster te ontvluchten.</p> +<p>Een agent ijlde naar het raam en zag er uit. Hij zag niemand.</p> +<p>De touwladder slingerde nog.</p> +<p>„Verduiveld!” zei Javert binnensmonds, „dit moest +de beste van de vangst zijn!”</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.22" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Twee-en-twintigste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De kleine die in het tweede deel schreeuwde.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den dag, nadat deze gebeurtenissen in het huis op den +boulevard de l’Hopital waren voorgevallen, ging een knaap, die +van de brug van Austerlitz scheen te komen, langs het rechter voetpad +naar de barrière van Fontainebleau. ’t Was een donkere +avond.</p> +<p>Deze knaap was bleek, mager, in lompen gekleed, met een linnen +broek, hoewel ’t Februari was, en zong luidkeels.</p> +<p>Om den hoek der straat Petit-Banquier stond een oude vrouw bij een +hoop vuilnis gebogen, waarin zij bij het licht der straatlantaarn +zocht. De knaap stiet haar in het voorbijgaan, trad toen achteruit en +riep:</p> +<p>„Kijk, ik dacht dat ’t een groote hond was!”</p> +<p>Hij herhaalde op spottenden en gerekten toon het woord, alsof men +schrijven zou „<span class="sc">groote hond</span>.”</p> +<p>De vrouw richtte zich verwoed op.</p> +<p>„Leelijke bengel!” bromde zij. „Zoo ik niet gebukt +had gestaan, zou ik u een schop voor uw .... gegeven hebben.”</p> +<p>De knaap was reeds op behoorlijken afstand.</p> +<p>„Ksch! ksch! Nu zie ik dat ik mij niet vergist heb!” +tergde hij.</p> +<p>De oude vrouw, van woede stikkend, richtte zich geheel op, en het +roode licht der lantaarn bescheen haar bleek, hoekig, gerimpeld gelaat. +Men zag niets dan haar hoofd, daar ’t overige van haar lichaam in +de schaduw was gehuld. Zij geleek het beeld der afgeleefdheid, door een +lichtstraal in den nacht beschenen. De knaap keek haar aan.</p> +<p>„Mevrouw bezit de soort van schoonheid niet die mij zou +behagen!” schimpte hij<span class="corr" id="xd20e6168" title= +"Niet in bron">.</span></p> +<p>Toen zette hij zijn weg voort, zingende:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Le roi Coupdesabot</p> +<p class="line">S’en allait à la chasse,</p> +<p class="line">A la chasse aux corbeaux...</p> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name= +"pb253">253</a>]</span></p> +<p>Na deze drie regels zweeg hij. Hij bevond zich voor het huis No. +50–52, en de deur gesloten vindende begon hij er met zulk een +geweld tegen te schoppen en te trappen, dat het gerucht veelmeer de +mansschoenen die hij droeg dan de kindervoeten die hij had, deed +uitkomen.</p> +<p>Intusschen was de oude vrouw, welke hij aan den hoek der straat +Petit-Banquier had ontmoet, hem nageloopen en schreeuwde en dreigde +hem.</p> +<p>„Wat is dat? wat is dat?” riep zij. „Heer, mijn +God! men trapt de deur in; men vernielt het huis!”</p> +<p>De knaap ging voort met tegen de deur te trappen.</p> +<p>De oude vrouw riep buiten adem:</p> +<p>„Gaat men tegenwoordig zoo met de huizen om!”</p> +<p>Eensklaps hield zij stil. Zij had den straatjongen herkend.</p> +<p>„Hoe! is ’t deze duivel?”</p> +<p>„Ha! ’t is de oude!” zei de knaap. „Dag, +moeder <span class="corr" id="xd20e6200" title= +"Bron: Bourgon">Burgon</span>! Ik kom mijn oudelui bezoeken.”</p> +<p>De oude vrouw antwoordde, met een gezicht dat haat, ouderdom en +leelijkheid uitdrukte, ’t geen helaas echter in de duisternis +verloren ging:</p> +<p>„Er is niemand in huis, kwâjongen.”</p> +<p>„Zoo!” hernam de knaap, „waar is dan mijn +vader?”</p> +<p>„In de gevangenis.”</p> +<p>„Zoo! en mijn moeder?”</p> +<p>„In de gevangenis.”</p> +<p>„Zoo, en mijn zusters?”</p> +<p>„In de gevangenis.”</p> +<p>De knaap krabde zich achter het oor, zag vrouw Burgon aan en zeide +eenvoudig: „Zoo!”</p> +<p>Toen draaide hij zich op de hielen om, en een oogenblik later hoorde +de oude vrouw, die hem aan de deur nazag, hem met heldere, jeugdige +stem zingen, terwijl hij onder de donkere boomen, die in den nachtwind +floten, verdween:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Le roi Coupdesabot</p> +<p class="line">S’en allait à la chasse,</p> +<p class="line">A la chasse aux corbeaux,</p> +<p class="line">Monté sur des échasses.</p> +<p class="line">Quand on passait dessous,</p> +<p class="line">On lui payait deux sous.</p> +</div> +<p class="trailer xd20e6237">Einde van het derde deel.</p> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name= +"pb254">254</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div id="toc" class="div1"><span class="pagenum">[<a href= +"#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="main">Inhoud.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first tocChapter"><span class="uc">Boek I.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Parijs in zijn atomen +bestudeerd.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"></td> +<td class="tocPageNum">Bladz.</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.1">Parvulus</a></td> +<td class="tocPageNum">7</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.2">Eenige zijner +bijzondere kenteekenen</a></td> +<td class="tocPageNum">8</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.3">Hij is +behagelijk</a></td> +<td class="tocPageNum">9</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.4">Hij kan nuttig +zijn</a></td> +<td class="tocPageNum">10</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.5">Zijn +grenzen</a></td> +<td class="tocPageNum">11</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.6">Een weinig +geschiedenis</a></td> +<td class="tocPageNum">12</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.7">De straatjongen +vindt zijn plaats in de klassificatie der Indiën</a></td> +<td class="tocPageNum">14</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.8">Een vriendelijk +woord van den laatsten koning</a></td> +<td class="tocPageNum">16</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.9">De oude geest van +Gallië</a></td> +<td class="tocPageNum">17</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">X.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.10">Ecce Paris, ecce +Homo</a></td> +<td class="tocPageNum">18</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.11">Schertsen en +heerschen</a></td> +<td class="tocPageNum">20</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.12">De in het volk +besloten toekomst</a></td> +<td class="tocPageNum">22</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.13">De kleine +Gavroche</a></td> +<td class="tocPageNum">23</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek II.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">De groote burger.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.1">Negentig jaren en +twee-en-dertig tanden</a></td> +<td class="tocPageNum">29</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.2">Zoo de man, zoo de +woning</a></td> +<td class="tocPageNum">30</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.3">Zijn +doopnamen</a></td> +<td class="tocPageNum">32</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.4">Een aspirant naar +de honderd jaar</a></td> +<td class="tocPageNum">33</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.5">Basque en +Nicolette</a></td> +<td class="tocPageNum">34</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.6">Magnon met hare +twee kinderen</a></td> +<td class="tocPageNum">35</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.7">Regel: ontvang +alleen des avonds bezoek</a></td> +<td class="tocPageNum">36</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.8">Twee maken geen +paar</a></td> +<td class="tocPageNum">37</td> +</tr> +</table> +<span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name= +"pb255">255</a>]</span> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek III.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">De grootvader en de +kleinzoon.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.1">Een voormalig +salon</a></td> +<td class="tocPageNum">43</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.2">Een der roode +spoken van dien tijd</a></td> +<td class="tocPageNum">46</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href= +"#ch3.3">Requiescant</a></td> +<td class="tocPageNum">52</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.4">De bandiet +sterft</a></td> +<td class="tocPageNum">59</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.5">Om revolutionair +te worden, is ’t zeer goed de mis bij te wonen</a></td> +<td class="tocPageNum">62</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.6">Wat er van komt, +als men een kerkmeester ontmoet</a></td> +<td class="tocPageNum">64</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.7">Een vrouw in +’t spel</a></td> +<td class="tocPageNum">70</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.8">Marmer tegen +graniet</a></td> +<td class="tocPageNum">74</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek IV.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">De vrienden van het A. B. +C.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.1">Een groep, die +bijna tot de historie had behoord</a></td> +<td class="tocPageNum">81</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.2">Lijkrede van +Bossuet op Blondeau</a></td> +<td class="tocPageNum">93</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.3">Marius is +verbaasd</a></td> +<td class="tocPageNum">96</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.4">De achterkamer van +het koffiehuis Musain</a></td> +<td class="tocPageNum">98</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.5">Uitbreiding van +den gezichteinder</a></td> +<td class="tocPageNum">105</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.6">Res +Augusta</a></td> +<td class="tocPageNum">108</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek V.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Het nut des ongeluks.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.1">Marius +behoeftig</a></td> +<td class="tocPageNum">115</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.2">Marius is +arm</a></td> +<td class="tocPageNum">117</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.3">Marius groot +geworden</a></td> +<td class="tocPageNum">120</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.4">De heer +Mabeuf</a></td> +<td class="tocPageNum">124</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.5">Armoede is een +goede gebuur voor ellende</a></td> +<td class="tocPageNum">128</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.6">De +plaatsvervanger</a></td> +<td class="tocPageNum">130</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VI.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">De conjunctie van twee +sterren.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.1">Hoe familienamen +ontstaan</a></td> +<td class="tocPageNum">137</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.2">En ’t werd +licht</a></td> +<td class="tocPageNum">139</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.3">Werking der +lente</a></td> +<td class="tocPageNum">141</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.4">Begin eener zware +ziekte</a></td> +<td class="tocPageNum">142</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.5">Juffrouw Bougon +wordt door verscheidene bliksemstralen getroffen</a> <span class= +"pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" name= +"pb256">256</a>]</span></td> +<td class="tocPageNum">145</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.6">Gevangen +gemaakt</a></td> +<td class="tocPageNum">146</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.7">Gissingen nopens +de letter U</a></td> +<td class="tocPageNum">148</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.8">Zelfs invaliden +kunnen gelukkig zijn</a></td> +<td class="tocPageNum">150</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.9">Eclips</a></td> +<td class="tocPageNum">151</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VII.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Patron-Minette.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.1">De mijnen en de +mijnwerkers</a></td> +<td class="tocPageNum">157</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.2">De diepte</a></td> +<td class="tocPageNum">159</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.3">Babet, Gueulemer, +Claquesous en Montparnasse</a></td> +<td class="tocPageNum">161</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.4">Samenstelling der +bende</a></td> +<td class="tocPageNum">163</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VIII.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">De slechte arme.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.1">Marius zoekt een +meisje met een hoed, en ontmoet een man met een pet</a></td> +<td class="tocPageNum">169</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.2">Een vond</a></td> +<td class="tocPageNum">170</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.3">Vier +brieven</a></td> +<td class="tocPageNum">172</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.4">Een roos in +ellende</a></td> +<td class="tocPageNum">176</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.5">Het +spiegat</a></td> +<td class="tocPageNum">182</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.6">De wilde mensch in +zijn hol</a></td> +<td class="tocPageNum">185</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.7">Strategie en +tactiek</a></td> +<td class="tocPageNum">188</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.8">Een lichtstraal in +het hol</a></td> +<td class="tocPageNum">192</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.9">Jondrette weent +bijna</a></td> +<td class="tocPageNum">194</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">X.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.10">Tarief der +huurrijtuigen: twee francs in ’t uur</a></td> +<td class="tocPageNum">197</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.11">Dienstaanbieding +van de armoede aan de smart</a></td> +<td class="tocPageNum">200</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.12">Besteding van het +vijffrancsstuk van den heer Leblanc</a></td> +<td class="tocPageNum">203</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.13">Twee alleen +bidden niet op een afgelegen plaats</a></td> +<td class="tocPageNum">207</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.14">Waarin een +politieagent twee pistolen aan een advocaat geeft</a></td> +<td class="tocPageNum">209</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XV.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.15">Jondrette doet +inkoopen</a></td> +<td class="tocPageNum">213</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XVI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.16">Het liedje op een +Engelsche wijs, in 1832 in de mode</a></td> +<td class="tocPageNum">215</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XVII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.17">Hoe het +vijffrancsstuk van Marius besteed werd</a></td> +<td class="tocPageNum">218</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XVIII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.18">De twee stoelen +van Marius staan tegenover elkander</a></td> +<td class="tocPageNum">222</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIX.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.19">Een donkere +achtergrond</a></td> +<td class="tocPageNum">223</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XX.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.20">De +hinderlaag</a></td> +<td class="tocPageNum">227</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XXI.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.21">Men moet altijd +eerst de offers vatten</a></td> +<td class="tocPageNum">249</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XXII.</td> +<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.22">De kleine die in +het tweede deel schreeuwde</a></td> +<td class="tocPageNum">252</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3> +<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen +overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het +kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de +<a class="exlink xd20e34" title="Externe link" href= +"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg +Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd20e34" +title="Externe link" href= +"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p> +<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie +team op <a class="exlink xd20e34" title="Externe link" href= +"https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p> +<p>Dit is het tweede deel van een vertaling van <i lang="fr">Les +misérables</i>, waarvan het Franse origineel beschikbaar is in +Project Gutenberg (Deel <a class="pglink xd20e34" title= +"Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"https://www.gutenberg.org/ebooks/17489">I</a>, <a class= +"pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"https://www.gutenberg.org/ebooks/17493">II</a>, <a class= +"pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"https://www.gutenberg.org/ebooks/17494">III</a>, <a class= +"pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"https://www.gutenberg.org/ebooks/17518">IV</a>, <a class= +"pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"https://www.gutenberg.org/ebooks/17519">V</a>). Een Engelse vertaling, +<i lang="fr"><a class="pglink xd20e34" title= +"Link naar Project Gutenberg eboek" href= +"https://www.gutenberg.org/ebooks/135">Les misérables</a></i> van +Isabel F. Hapgood is ook beschikbaar.</p> +<p>Gerelateerde WorldCat catalogus pagina: <a class="catlink" href= +"http://www.worldcat.org/oclc/82574320">82574320</a>.</p> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p class="first">Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen +poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in +het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd +met het corr-element.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2011-10-05 Begonnen.</li> +</ul> +<h3 class="main">Externe Referenties</h3> +<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn +dat deze links voor u niet werken.</p> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%" summary= +"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e229">10</a>, <a class="pageref" href="#xd20e331">15</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e337">15</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e343">15</a>, <a class="pageref" href="#xd20e367">16</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e373">16</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e531">24</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2926">147</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e2936">147</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e3500">175</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3504">175</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e3508">175</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e4614">207</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e232">10</a>, <a class="pageref" href="#xd20e334">15</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e340">15</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e347">15</a>, <a class="pageref" href="#xd20e370">16</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e376">16</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e534">24</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1008">58</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e1388">72</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e2929">147</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2939">147</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e3202">161</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e5693">240</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e439">19</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">grieksche</td> +<td class="width40" valign="bottom">Grieksche</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e466">20</a>, <a class="pageref" href="#xd20e996">57</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e1543">76</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e1666">82</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1714">86</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e2452">118</a>, <a class="pageref" href= +"#xd20e3588">177</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4562">206</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e6168">252</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e504">22</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">marseillaise</td> +<td class="width40" valign="bottom">Marseillaise</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e590">31</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Gillernormand</td> +<td class="width40" valign="bottom">Gillenormand</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e678">37</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">dooreeen</td> +<td class="width40" valign="bottom">dooreen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e727">44</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5629">239</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e849">47</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vingdingrijk</td> +<td class="width40" valign="bottom">vindingrijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e867">48</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">bataillon</td> +<td class="width40" valign="bottom">bataljon</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e981">57</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">verzelden</td> +<td class="width40" valign="bottom">vergezelden</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e988">57</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">litteratuur</td> +<td class="width40" valign="bottom">literatuur</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1004">58</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1615">81</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e1676">83</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">revolutionnaire</td> +<td class="width40" valign="bottom">revolutionaire</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1163">63</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">’</td> +<td class="width40" valign="bottom">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1408">73</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Zools</td> +<td class="width40" valign="bottom">Zooals</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1430">73</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2047">99</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1449">73</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">ze</td> +<td class="width40" valign="bottom">haar</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1550">76</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">waari niets</td> +<td class="width40" valign="bottom">waarin iets</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1624">81</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">revolutionnair</td> +<td class="width40" valign="bottom">revolutionair</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1692">84</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">fransche</td> +<td class="width40" valign="bottom">Fransche</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1721">87</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1942">96</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e5985">249</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1913">95</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Pentmercy</td> +<td class="width40" valign="bottom">Pontmercy</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e1997">97</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">meenigen</td> +<td class="width40" valign="bottom">meeningen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2006">97</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">smartekreten</td> +<td class="width40" valign="bottom">Smartekreten</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2050">99</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">duive</td> +<td class="width40" valign="bottom">duivel</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2069">101</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Stokholm</td> +<td class="width40" valign="bottom">Stockholm</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2191">105</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">plotselin</td> +<td class="width40" valign="bottom">plotseling</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2445">118</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vijtig</td> +<td class="width40" valign="bottom">vijftig</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2598">128</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Luxembourg</td> +<td class="width40" valign="bottom">Luxemburg</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2657">130</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">„</td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2682">131</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4437">203</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">nauwlijks</td> +<td class="width40" valign="bottom">nauwelijks</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2693">132</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5497">233</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">fransch</td> +<td class="width40" valign="bottom">Fransch</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e2707">133</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">is</td> +<td class="width40" valign="bottom">in</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3461">174</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">français</td> +<td class="width40" valign="bottom">Français</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3639">179</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">batailjons</td> +<td class="width40" valign="bottom">bataljons</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e3647">180</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">fameuse</td> +<td class="width40" valign="bottom">fameuze</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4621">207</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">trad</td> +<td class="width40" valign="bottom">trap</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4744">210</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4752">210</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Patron Minette</td> +<td class="width40" valign="bottom">Patron-Minette</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4888">213</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">;</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e4936">214</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">herinnerde</td> +<td class="width40" valign="bottom">herinnere</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5285">224</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5614">238</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5328">225</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">hij ’t</td> +<td class="width40" valign="bottom">het</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5416">228</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">nederzet</td> +<td class="width40" valign="bottom">nedergezet</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5444">230</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">ververbintenissen</td> +<td class="width40" valign="bottom">verbintenissen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5459">231</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Rhone</td> +<td class="width40" valign="bottom">Rhône</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5585">236</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Thenardier</td> +<td class="width40" valign="bottom">Thénardier</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5673">240</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">»</td> +<td class="width40" valign="bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5715">241</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">du-Haut Pas</td> +<td class="width40" valign="bottom">du Haut-Pas</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e5762">242</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5765">242</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e5828">244</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Ursule</td> +<td class="width40" valign="bottom">Ursula</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e6092">251</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">:”</td> +<td class="width40" valign="bottom">”:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href= +"#xd20e6200">253</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Bourgon</td> +<td class="width40" valign="bottom">Burgon</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + + + + + + + +<pre> + + + + + +End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 3 VAN 5) *** + +***** This file should be named 37749-h.htm or 37749-h.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/7/7/4/37749/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + +</pre> + +</body> +</html> diff --git a/37749-h/images/book.png b/37749-h/images/book.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..963d165 --- /dev/null +++ b/37749-h/images/book.png diff --git a/37749-h/images/card.png b/37749-h/images/card.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..1ffbe1a --- /dev/null +++ b/37749-h/images/card.png diff --git a/37749-h/images/cover.jpg b/37749-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..13ba5a6 --- /dev/null +++ b/37749-h/images/cover.jpg diff --git a/37749-h/images/external.png b/37749-h/images/external.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..ba4f205 --- /dev/null +++ b/37749-h/images/external.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..22d832e --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #37749 (https://www.gutenberg.org/ebooks/37749) |
