diff options
Diffstat (limited to '37663-8.txt')
| -rw-r--r-- | 37663-8.txt | 13235 |
1 files changed, 13235 insertions, 0 deletions
diff --git a/37663-8.txt b/37663-8.txt new file mode 100644 index 0000000..5dca7a1 --- /dev/null +++ b/37663-8.txt @@ -0,0 +1,13235 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ellendigen (Deel 2 van 5) + +Author: Victor Hugo + +Release Date: October 7, 2011 [EBook #37663] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + DE ELLENDIGEN + + Naar het Fransch + Van + VICTOR HUGO. + + Opnieuw bewerkt. + + Tweede deel. + + + + Arnhem en Nijmegen, + Gebrs. E. & M. Cohen. + + + + + + + +BOEK I. + +WATERLOO. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +WAT ER OP DEN WEG VAN NIVELLES GEVONDEN WORDT. + + +Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een +voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles +en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen, +over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt, +welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als +ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en +Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten +kerktoren van Braine-l'Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas +heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een +dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift: Ancienne +barrière No. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond: +Au quatre vents. Echabeau, café de particulier. + +Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan +het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk +staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van +den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde, +over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l'Alleud uit. Dáár, +ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor +welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken, +een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in +een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een +jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet, +waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning, +in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een +waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad +door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in. + +Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de +eeuw te zijn gekomen, die in een spitse laag van overdwars gelegde +steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in +den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief +zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam +mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke +allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten +met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste +klopper bevond. + +De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij +in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze +bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig +vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom +vroolijk te kwinkeleeren. + +De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het +rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door +een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden +zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten. + +Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek. + +"Een Fransche kogel heeft dat gedaan," zeide zij. + +En zij voegde er bij: + +"Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat +van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord." + +"Hoe heet deze plaats?" vroeg de wandelaar. + +"Hougomont," zei de boerin. + +De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over +de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op +die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek. + +Hij was op het slagveld van Waterloo. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +HOUGOMONT. + + +Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis, +de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke +Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den +slag der bijl. + +'t Was een kasteel; 't is nu niet meer dan een hoeve. Voor den +oudheidkenner is Hougomont Hugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo, +heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij +van Villers stichtte. + +De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude +kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in +'t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de +boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen +vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den +muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV, +door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag +men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met +zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een +kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje, +een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de +plaats, welker verovering eens Napoleon's droom was. Zoo hij dit +plekje gronds had kunnen nemen, zou 't hem misschien de overwinning +der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort +een gegrom; 't is een groote hond, die de tanden toont en er de +Engelschen vervangt. + +De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende +zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd +aan de woede van een leger. + +De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden, +vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één +der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke +poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel +bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van +het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen +Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en +Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille +werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann +waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin +was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de +brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen. + +De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van +de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog +aan den muur. 't Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd, +die de verwoestingen van den aanval nog doen zien. + +De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet +om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan 't einde van +het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van +hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. 't +Is een gewone wagenpoort, zooals alle hoeven hebben; twee breede +slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze +poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort +allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin. + +De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het +vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel +heeft er zich versteend; 't leeft, 't sterft, 't is niet ouder dan +gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen, +de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen +te willen vluchten. + +Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds +afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte. + +De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen +er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde +van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig +overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men +zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting, +de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van +alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren, +boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit +al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen +aan en staken 't gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd +met houtvuur beantwoord. + +Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters, +de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die +kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak +gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap +heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de +bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. 't +Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden +zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een +drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in +haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de +tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood; +de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816 +heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten. + +In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig, +is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het +altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten +steenen muur. Deze kapel bestaat uit vier, met kalk gewitte muren; +een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de +deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant +luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond +een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld +van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van +het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een +oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden, +staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij +is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten +Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker +verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van +het oord zeggen, dat 't een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is +zoo gelukkig niet geweest als de Christus. + +De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest +men den naam: Henquinez. Voorts deze: Conde de Rio Maïor. Marques +y Marquesa de Almagro (Habana). Er zijn Fransche namen met +uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw +gewit. De volken beleedigden er elkander op. + +Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de +hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros. + +Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit +voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en +katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen +water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is. + +De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van +Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18 +Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen. + +Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene +dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot +schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude +afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het +dichtste hout sidderend bivouakkeerden. + +Willem van Kylsom woonde te Hougomont "om het kasteel te bewaken" en +verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men +trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden +zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem +bracht hun water, 't welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar +hun laatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den +dood gingen, moest insgelijks sterven. + +Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood +vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem +aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men +maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien +met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van +neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde, +flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen. + +De put staat afgezonderd op 't midden van het plein. Drie muren, +half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een +tochtscherm, hadden eenigszins 't voorkomen van een torentje en omgeven +den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte +men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien +door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering, +waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring +van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en 't oog +verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De +put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt. + +Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende, +dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan +is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken +hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten, +noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om 't water +uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit +de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg. + +Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De +deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke +sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm +van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche +luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten, +hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af. + +De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude +tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met +grijs haar zeide ons: "Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit +gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar +de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met +het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder +na en riep bom bom." + +Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den +boomgaard. + +Deze boomgaard is verschrikkelijk. + +Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit drie +bedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke +boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk +omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel +en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door +een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is +van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men +in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen, +en vol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras +van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. 't Was vroeger een +slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging; +thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen, +die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig +pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het +gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele +geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk. + +In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes +voltigeurs van het 1e regiment binnendrongen, zoodat zij er niet +weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil +aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan +een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter +deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen +tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden +geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan +een kwartier. + +Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken +boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte, +vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur +schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig +schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in +zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche +grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten; +de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten +achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in +de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er +door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche +garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker +tijd hun vuur, een stortregen van kogels en schroot; de brigade-Soye +werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo. + +De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders, +maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht +men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. Een bataljon +Nassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is +de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht, +als geheel afgeknaagd. + +Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij +heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden +weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te +drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl +de voet in een molshoop zinkt. In 't midden van 't gras ziet men een +ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft +zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten +boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie +behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land +verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een +verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen +sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat +heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in +dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeien +viooltjes. + +Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden, +een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch +bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk +vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde +verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps +gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend +man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;--en dit +alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: "Mijnheer, +geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo +uitleggen." + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE 18 JUNI 1815. + + +Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen +wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin +het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had. + +Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou +Europa's toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min +of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts +een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz +te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting +in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten. + +De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor +Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den +regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd +was om met de artillerie te kunnen manoeuvreeren. + +Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al +zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een +bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij +ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een +citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt +met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In +zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré's overhoop te werpen, +regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor +hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een +vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien +jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte. + +Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal +in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig +vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig. + +Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had +kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee +uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en +gewonnen zijn geweest. + +In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuld van Napoleon +geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich +aan de blijkbare afneming van Napoleon's lichaamskrachten destijds +een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs +evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als +het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in +den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele +voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede, +om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen +door den wind van een ongunstig lot? Werd hij--wat voor een veldheer +hoogst noodlottig is--ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze +soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling +kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig +wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale; +de Dante's en Michel Angelo's nemen in den ouderdom toe; nemen +de Hannibal's en Bonaparte's er door af? Had Napoleon den rechten +zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen, +den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds +niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote +handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van +zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was +hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte +legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud, +door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider +van het lot niets meer dan een dolle moordenaar? + +Wij gelooven het niet. + +Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een +meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden +rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden, +de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren, +van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen, +Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee +werpen; dit alles lag in Napoleon's doel van dezen veldslag. Vervolgens +zou men zien. + +'t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de +geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen +van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag +vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet; +deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het +eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door +Charras. Wij laten beide geschiedschrijvers de zaak uitmaken; wij +zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte, +een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die +misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet, +ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten, +waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten +noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een +stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren +te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht +geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde, +wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +A. + + +Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil +maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te +trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen +de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain +naar Braine-l'Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is +Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille +met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance; +daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A +het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In 't midden +van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist +werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld +van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd +door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte +van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte. + +De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs +de wegen van Genappe en Nivelles; d'Erlon stond tegenover Picton; +Reille tegenover Hill. + +Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is +het bosch van Soignes. + +Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend +terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen +loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen. + +Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij +omvatten elkander en de een poogt den ander te doen vallen. Men +klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van +een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt +heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond, +een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus +tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit +te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor +den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het +kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne. + +De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte +van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar +had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw +genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had +den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde, +Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche +leger beneden. + +'t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den +kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op +de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder +hem in 't oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van +Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de +overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het +vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen +schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N's en arenden, de rijlaarzen +over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,--deze +geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding, +door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld. + +Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van +zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid +steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier +haar licht aangebracht. + +Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge +en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht +is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden +mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene +de andere bestrijdt en terechtstelt--de duisternis van den despoot +in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een +juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon +verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde +Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. 't +Is een ramp voor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn +gestalte heeft. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +HET "DUISTERE IETS" DER VELDSLAGEN. + + +Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward, +onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer +nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen. + +Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt; +in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op +sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de +buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die +door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld +en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging, +voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest. + +Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de +gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden, +om 't nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij +had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden +rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den +grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. 't Was niet meer +de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was, +zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich, +dat het vijf minuten over half twaalf was. + +Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer +wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont +begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de +brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den +rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel, +die op Papelotte steunde. + +De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel, +er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou +gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige +Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden, +zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen, +zich kon bepalen tot er ter versterking vier andere compagnieën der +garde en een bataljon Brunswijkers te zenden. + +De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende +eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den +weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den +doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot +Hougomont, van daar tot Braine-l'Alleud en verder tot Hal terug te +drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten, +gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd +bemachtigd. + +Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie, +voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover +onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van +veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als +tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en +wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden +iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige +infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington. + +Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend. + +In dezen dag, van 's middags af tot vier uur toe, ligt een duister +tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden +en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat +een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen, +een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier +onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen, +over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten, +huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako's met +vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode +Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen, +in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen +hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten +met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen +onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige +aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval. + +In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd. Quid obscurum, quid +divinum. Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min +of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen +geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg, +onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het +plan van den eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt +door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als +een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der +legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen +of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de +andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie +was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er +was iets: zoek, en 't is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich, +de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden +deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en +verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van +een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag +kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld +bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der +Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie +uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan +Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat +er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke +gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst, +die, om Napoleon's eigen woorden te gebruiken, "veeleer tot de +geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren." In +zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot +samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven, +en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die +vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is +ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op +Waterloo van toepassing. + +Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag +duidelijker. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DES NAMIDDAGS TE VIER UREN. + + +Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De +prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel, +Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins +van Oranje den Hollanders-Belgen toe: "Nassau! Brunswijk! nimmer +terug!" Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington +geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de +Engelschen den Franschen het vaandel van het 105e linie-regiment +ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met +een kogel door 't hoofd gedood. Wellington had in den slag twee +steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde +zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van +het Duitsche bataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee +en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld +of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders +elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser +van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd +er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven, +Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij +een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door +een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze +Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren +neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van +Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren +zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee +ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen, +van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee +divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield. + +Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog +slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd +vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine +stond, en Chassé, die te Braine-l'Alleud was. + +Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht +ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van +Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk +steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, 't welk te +dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat, +waar beide wegen elkander kruisen. 't Is een gebouw uit de zestiende +eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het +te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen, +die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den +mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen +gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit +verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten +toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen +uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaan +verkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht +aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee +barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden. + +'t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte +lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend, +in het hooge koren. + +Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het +Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling. + +Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds +aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en +Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder +zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen +zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens +de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen +bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden. + +Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van +den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den +linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen, +aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de +garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van +Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge +en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintig bataljons +te zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt, +achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse +waar thans het zoogenaamde "museum van Waterloo" is, achter aardzakken +gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der +garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. 't Was de andere +helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby +vernietigd was, bleef nog Somerset over. + +De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond +achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en +een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid, +men had den tijd niet gehad het te palissadeeren. + +Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef +den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden +molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien +later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed +afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het +regende kogels. Zijn adjudant Gordon viel aan zijn zijde. Lord Hill +vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:--Mylord, welke +instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?--"Te doen +gelijk ik," antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch: +"Hier blijven tot den laatsten man."--De dag nam blijkbaar een +slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera, +Vittoria en Salamanca toe: "Boys (jongens)! hoe kan men aan wijken +denken? denkt aan Oud-Engeland!" + +Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche +beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie +en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche +houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte, +waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond +een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington +trok terug.--Het begin van den aftocht! riep Napoleon. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +NAPOLEON IN GOEDE LUIM. + + +De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld, +was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen +glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde +deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man, +die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De +gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze +vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts +aan God. + +Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen +Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het +dat Cesar lachte. + +Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen, +met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange +linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon, +van Frischemont tot Braine l'Alleud, verlichtten, scheen het hem, +dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van +Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn +paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de +bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeft dezen +fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen: +"Wij zijn het eens." Napoleon bedroog zich. Zij waren 't niet eens. + +Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien +nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs +de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil +gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had +hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne +gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij +had aan Bertrand gezegd: "'t is de Engelsche achterhoede, die zich +in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend +Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen." Hij +sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, 't welk +hem den 1en Maart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf +Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep: +"Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!" In den nacht van den 17 op +den 18 Juni schertste hij over Wellington.--"Deze kleine Engelschman +heeft een les noodig," zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde, +terwijl de keizer sprak. + +Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren +ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen +beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was +uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op +de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de +veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade +Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade +Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging +bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld, +dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den +slag afwachtte.--"Des te beter," had Napoleon geroepen. "Ik werp ze +liever overhoop, dan ze achteruit te drijven." + +Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het +slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel +en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo +als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid, +daarbij tot Soult zeggende: "Een fraai schaakbord!" + +Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen, +die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet +kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder +ontbijt, 't geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney +te zeggen: "Wij hebben negentig kansen van de honderd." Te acht uren +had men 's keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals +genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den +vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was +geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht, +had gezegd: "het bal is vandaag." De keizer had met Ney geschertst, +die zeide: "Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te +wachten." Zoo was overigens zijn gewoonte. "Hij schertste gaarne," zegt +Fleury de Chaboulon. "De grond van zijn karakter was een vroolijke +opgewektheid," zegt Gourgaud. "Hij vloeide over van kwinkslagen, +die eer zonderling dan geestig waren," zegt Benjamin Constant. Deze +vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij +noemde zijn grenadiers "grombaarden;" hij kneep hen in de ooren, trok +hen aan den knevel. "De keizer heeft altijd grappen met ons," zeide +een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk +ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik de +Zephir de brik l'Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg +aan den Inconstant berichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat +oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn +hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had +glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: "de keizer +bevindt zich wel." Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de +gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo, +bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had +hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met +een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo +plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd. + +Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf +kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee +liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan 't hoofd, +met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige, +uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de +keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk! + +Van negen tot half elf ure had het geheele leger--'t geen schier +ongelooflijk schijnt--positie genomen en zich in zes liniën geschaard, +die, om 's keizers uitdrukking te bezigen, "de figuur van zes V's" +vormden. + +Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te +midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht +voorafgaat, had de keizer,--toen hij de drie batterijen twaalfponders +zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon, +van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om 't gevecht +te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van +Nivelles en Genappe zich kruisen,--Haxo op den schouder geklopt en +gezegd: "Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!" + +Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste +korps bij 't voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die +kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken, +zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts +door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen +hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is, +de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden +opeengedrongen zag, zeide hij: "Dit is jammer." + +Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden, +waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van +Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede +standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren +'s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk; +'t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter +de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien +heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot +bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit +van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar +zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander +wapentuig gevonden. Scabrâ rubigine. Voor eenige jaren heeft men er +een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf +aan den kogel was afgebroken. 't Was op dit laatste standpunt, dat +de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die +aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij +het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te +verbergen, zeide:--"Domoor, 't is schande. Gij zult u in den rug laten +dooden." Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing +van deze hoogte, bij 't omwroeten van 't zand, de overblijfselen van +den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en +veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen +zijn vingers braken. + +De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten, +zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni +1815 waren. Door van dien doodsakker de aarde af te nemen, die tot +oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn +eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan +er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men +het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag, +riep hij: "Men heeft mijn slagveld veranderd." Waar thans de groote +aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een +bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe +zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden +naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe +naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er +is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten +gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd +vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn +gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte +helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk +aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar +zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het +dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich +konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold, +het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren +er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van +verre niet kon gezien worden. + +Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l'Alleud is evenals +Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen +van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks +anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een +vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen +weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het +bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe +en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was 't een +holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor +het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele +uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en +welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar +instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij 't binnenkomen van +Braine-l'Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een +kar verplet werd, 't geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt, +waarop de naam van den gedoode: Monsieur Bernard Debrye, marchand à +Bruxelles, en de dagteekening van het ongeluk, fevrier 1637 [1] te +lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat +een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den +kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge +der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen +voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde +van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean. + +Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd +aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve +boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar, +en daardoor verschrikkelijk. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE KEIZER DOET DEN GIDS LACOSTE EEN VRAAG. + + +Napoleon was dus in den morgen van den slag bij Waterloo tevreden. + +Hij had er reden toe; het door hem ontworpen plan, zooals wij gezegd +hebben, was inderdaad bewonderenswaardig. + +De slag was begonnen; zijn zeer verschillende afwisselingen,--de +verdediging van Hougomont, de hardnekkige weerstand van la +Haie-Sainte, de dood van Bauduin, Foy buiten gevecht gesteld, de +onverwachte muur waartegen zich de brigade Soye gebroken had, de +noodlottige onbezonnenheid van Guilleminot, die noch springbussen +noch kruitzakken had; het in de modder zinken der batterijen, de +vijftien stukken zonder escorte, die door Uxbridge in een hollen weg +werden geworpen, de geringe uitwerking der bommen die in de Engelsche +liniën vielen, zich in den door den regen doorweekten grond boorden, +en slechts uitbarstingen van slijk veroorzaakten, zoodat het schroot in +modderspatten veranderde; de vruchteloosheid van Piré's demonstratie +tegen Braine-l'Alleud; vijftien escadrons cavalerie schier geheel +vernietigd; de slecht bestookte Engelsche rechter vleugel, de zwakke +aanval van den linker; het zonderling misverstand van Ney die, in +plaats van ze te echelonneeren, de vier divisiën van het eerste corps +opeenhoopte, zoodat massa's van zevenentwintig gelederen, en fronten +van tweehonderd man op deze wijze aan het schroot waren overgeleverd; +de verschrikkelijke openingen, welke de kanonkogels in deze drommen +maakten; de aanvalskolonnen gescheiden, de schuinsche vernielende +batterij, die plotseling tegen hun flank werd geopend; Bourgeois, +Donzelot en Durutte in nood, Quiot teruggedreven, de luitenant Vieux, +deze herkules uit de polytechnische school, gekwetst, juist toen hij +met bijlslagen, onder het verdelgend vuur der Engelsche barricade, +die de kromming van den weg van Genappe naar Brussel versperde, de +poort van la Haie-Sainte openbrak; de divisie Marcognet tusschen de +infanterie en cavalerie ingesloten, door Best en Pake met het geweer +op de borst in 't koren gefusilleerd en door Ponsonby nedergesabeld; +zijn batterij van zeven stukken vernageld; de prins van Saksen Weimar, +die, niettegenstaande den graaf van Erlon, Frischemont en Smohain +bezet en in zijn macht hield; het vaandel van het 105e en van het +45e regiment genomen; een zwarte Pruisische huzaar aangehouden door +de veldontdekkers der vliegende colonne van driehonderd jagers, +die tusschen Wavre en Plancenoit kruisten; de verontrustende +zaken, welke deze gevangene meldde; het uitblijven van Grouchy; de +vijftienhonderd man, die in minder dan een uur in den boomgaard van +Hougomont gedood werden; de achttienhonderd man, die in nog korter +tijd om la Haie-Sainte vielen,--al deze stormachtige tusschentooneelen, +die evenals de rookwolken van den slag voorbij Napoleon vlogen, hadden +nauwelijks zijn blik verontrust, of de zekerheid der overwinning op het +keizerlijk gelaat betrokken. Napoleon was gewoon den oorlog strak in +de oogen te zien; hij beschouwde niet angstvallig de bijzonderheden +naar getallen; de getallen raakten hem weinig, zoo zij slechts +tot algemeene uitkomst hadden--de overwinning; hij bekommerde er +zich niet om, zoo het begin in de war liep, hij die zich meester en +bezitter van het einde geloofde; hij wist te wachten, in den waan, +dat omtrent den uitslag geen kwestie kon zijn, hij behandelde het +noodlot als zijnsgelijke. Hij scheen tot het noodlot te zeggen: +gij durft niet anders. + +Half licht en half schaduw, gevoelde Napoleon zich begunstigd door +het goede, en geduld door het kwade. Hij had of meende te hebben eene +verstandhouding, men zou schier kunnen zeggen een deelgenootschap, met +de gebeurtenissen, welke met de onkwetsbaarheid der ouden overeenkwam. + +Wanneer men evenwel de Beresina, Leipzig en Fontainebleau achter zich +heeft, zou men Waterloo hebben moeten mistrouwen. Een geheimzinnig +fronsen der wenkbrauwen was in den hemel kenbaar. + +Toen Wellington terugtrok, beefde Napoleon van vreugde. Eensklaps zag +hij het plateau van Mont-Saint-Jean ontruimen, en het front van het +Engelsche leger verdwijnen. Het trok zich weder bijeen, maar verdween +uit het gezicht. De keizer richtte zich in zijn stijgbeugels op. De +bliksem der overwinning schoot uit zijn oogen. + +Wellington, tegen het bosch van Soignes gedrongen en van daar +verdreven, was de eindelijke uitroeiing van Engeland door Frankrijk, +'t was de wraak over Crecy, Poitiers, Malplaquet en Ramillies. De +man van Marengo wischte Azincourt uit. + +De keizer, over deze vreeselijke ontknooping peinzend, richtte ten +laatsten male zijn kijker over alle punten van het slagveld. Zijn +garde, met het geweer aan den voet achter hem staande, keek van +omlaag tot hem op met een soort van godsdienstigen eerbied. Hij +dacht; hij beschouwde de hellingen, merkte de steilten op, onderzocht +met zijn blik de boomengroepen, de roggevelden, de voetpaden, hij +scheen ieder kreupelboschje te tellen. Hij staarde met strakken +blik op de Engelsche barricaden der beide groote wegen, twee breede +dammen van opeengestapelde boomen, de eerste op den weg van Genappe +boven la Haie-Sainte, met twee kanonnen gewapend, de eenige van het +Engelsche leger, die den bodem van het slagveld konden bestrijken; en +de andere op den weg van Nivelles, waar de Hollandsche bajonetten der +brigade-Chassé glinsterden. Bij deze barricade bespeurde hij de oude +met kalk gewitte kapel van St. Nikolaas op den hoek van den dwarsweg +naar Braine l'Alleud. Hij boog zich en sprak halfluid tot den gids +Lacoste. De gids schudde ontkennend het hoofd, waarschijnlijk met +een verraderlijk doel. De keizer richtte zich op en dacht na. + +Wellington was teruggetrokken. + +Er bleef slechts over dezen aftocht door eene verplettering te +voltooien. + +Napoleon wendde zich eensklaps om en zond een renbode naar Parijs, +om er te berichten dat de slag gewonnen was. + +Napoleon was een dier genieën, welke bliksems schieten. + +Hij had zijn bliksemstraal thans gevonden. + +Aan de kurassiers van Milhaud gaf hij bevel het plateau van +Mont-Saint-Jean te bemachtigen. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +HET ONVERWACHTE. + + +Zij waren drie duizend vijfhonderd man sterk. Hun front strekte +zich een kwartier ver uit. 't Waren mannen als reuzen, op kolossale +paarden. 't Waren zes-en-twintig escadrons; en achter zich hadden +zij, om hen te ondersteunen, de divisie van Lefèbvre Desnouettes, +de keurbende van zeshonderd gendarmes, de jagers der garde, sterk +elfhonderd zeven-en-negentig man, en de lanciers der garde, sterk +achthonderd tachtig lansen. Zij droegen den helm zonder paardenstaart +en een kuras van geslagen ijzer, pistolen in de holsters en een langen +rechten pallas. Des ochtends had het geheele leger hen bewonderd, +toen zij, te negen uren, onder trompetgeschal en 't spelen der +muziekkorpsen van Veillons au salut de l'Empire, in dichte colonnes, +met een hunner batterijen in de flank en een andere in hun centrum, +aanrukten, en zich in twee gelederen op den weg tusschen Genappe en +Frischemont schaarden en plaats namen in de tweede slaglinie, zoo +schrander door Napoleon samengesteld, daar ze aan haar linkereinde +de kurassiers van Kellerman en aan haar rechtereinde de kurassiers +van Milhaud, om zoo te spreken, als twee ijzeren vleugels had. + +De adjudant Bernard bracht hun 's keizers bevel. Ney trok den degen +en stelde zich aan de spits. De ontzaggelijke escadrons geraakten +in beweging. + +Nu zag men een grootsch schouwspel. + +Deze gansche cavalerie daalde, met opgeheven sabels, vliegende vaandels +en schallende trompetten, in colonnes van een divisie, gelijktijdig +en als één man, met de juistheid van een ijzeren stormram die een bres +maakt, van de hoogte van Belle-Alliance, drong in de geduchte diepte, +waar reeds zoo velen gevallen waren, verdween er in den kruitdamp, +en weder uit die duisternis komende, verscheen zij opnieuw aan de +andere zijde van het dal, steeds dicht inééngedrongen, en rende in +vollen draf, te midden der schrootwolken, die boven haar losbarstten, +tegen de vreeselijke slijkerige helling van den top van Mont-Saint-Jean +op. Ernstig, dreigend, onwrikbaar stegen zij; in de tusschenpoozen van +het geweer- en kanonvuur hoorde men het geweldig hoefgetrappel. Daar +er twee divisiën waren, vormden zij twee colonnes; de divisie Wathier +ter rechter-, de divisie Delord ter linkerzijde. In de verte zou men +gemeend hebben, twee reusachtige ijzeren slangen te zien, die zich +naar den top der hoogte kronkelden. Zij trokken als een wonder midden +door den slag. + +Niets dergelijks was gezien sedert de inneming der groote redoute aan +de Moskowa door de zware cavalerie; Murat ontbrak er, maar Ney bevond +er zich weder. Het scheen, dat deze massa een monster ware geworden en +slechts één ziel had. Ieder escadron golfde en verhief zich als de ring +van een polyp. Men zag hen door de reten van een dichten rooksluier. 't +Was een baaierd van helmen, kreten, sabels, woeste paardensprongen, +kanongebulder en trompetgeschal, een geregelde, vreeselijke verwarring, +en daarboven de kurassen als de schubben op de hydra. + +Deze verhalen schijnen tot een anderen tijd te behooren. Iets, +dat hieraan gelijkt, komt in de oude heldendichten voor, die +van manpaarden, de oude centauren gewagen, van deze titans met +menschengelaat en paardenborst, die in galop den Olympus beklommen; +vreeselijk, onkwetsbaar, verheven, goden en dieren tegelijk! + +Grillige overeenkomst van getallen: zes-en-twintig bataljons wachtten +deze zes-en-twintig escadrons af. Achter den top der hoogte, in +de schaduw der bedekte batterij, wachtte de Engelsche infanterie, +bestaande uit dertien carré's, ieder carré van twee bataljons, +en in twee liniën, de eerste van zes, de tweede van zeven carré's, +met aangelegde geweren op 't geen komen zou, rustig, zwijgend en +bewegingloos. Zij zag de kurassiers niet, de kurassiers konden +haar niet zien. Zij hoorde 't gedreun van opstijgende menschen. Zij +hoorde den nog sterker donder van drie duizend paarden, den dravenden +hoefslag, het ritselen der kurassen, het kletteren der sabels en +iets als een woeste windvlaag. Een vreeselijke stilte ontstond, toen +verscheen eensklaps een lange reeks opgeheven armen met zwaaiende +sabels op de heuvelvlakte, en helmen, en trompetten en standaarden, +en drie duizend hoofden met grijze knevels, uitroepende: leve de +keizer! Al deze cavalerie bereikte de hoogte. 't Was als 't begin +van een aardbeving. + +Maar eensklaps, o ramp! aan de linkerzijde der Engelschen, aan onze +rechterzijde, begon de voorste rij der colonne kurassiers onder +vreeselijk getier te steigeren. Op het hoogste punt der kruin +bespeurden de kurassiers, die van teugellooze woede brandden, om +zich in de carré's en op de kanonnen te storten, tusschen zich en de +Engelschen een groeve, een diepte. 't Was de holle weg van Ohain! + +'t Was een ontzettend oogenblik. De afgrond lag dáár twee vademen diep, +tusschen zijn weerzijdsche glooiing, stijf voor de hoeven der paarden; +het tweede gelid drong het eerste er in, en het derde het tweede; +de paarden steigerden, wierpen zich achteruit, vielen op den rug met +de vier pooten in de lucht, verpletterden en wierpen hun ruiters af; +'t was onmogelijk terug te gaan; de geheele colonne was slechts één +werptuig, en de ingespannen kracht om de Engelschen te verpletteren, +verplette de Franschen; de ontzettende laagte kon eerst overgetrokken +worden toen ze gevuld was; ruiters en paarden stortten er hals over +kop in, vermorzelden elkander en vormden in dezen kolk slechts één +vleeschklomp; toen deze kuil vol levende menschen was, vertrad men ze, +en de rest ging er over. Schier een derde der brigade Dubois stortte +in dien afgrond. + +Hier begon het verlies van den veldslag. + +Een plaatselijke overlevering, die blijkbaar overdrijft, zegt, dat +twee duizend paarden en vijftienhonderd menschen in den hollen weg +van Ohain begraven werden. Onder dit cijfer zijn waarschijnlijk al +de andere lijken begrepen, welke den dag na het gevecht in den poel +geworpen werden. + +Vóór dat Napoleon deze charge der kurassiers van Milhaud beval, had hij +het terrein opgenomen, maar den hollen weg niet kunnen zien, die op +het plateau van den heuvel zelfs geen streep vertoonde. Evenwel door +de kleine witte kapel, op den hoek van den weg van Nivelles oplettend +gemaakt, had hij den gids Lacoste omtrent eene mogelijke hindernis, +die hier zou kunnen bestaan, ondervraagd. De gids had ontkennend +geantwoord. Men zou dus bijna kunnen zeggen, dat dit hoofdschudden +van een boer het ongeluk van Napoleon veroorzaakt heeft. + +Nog andere noodlottige omstandigheden moesten zich hierbij voegen. + +Was het mogelijk, dat Napoleon dezen slag won? Wij antwoorden: +neen! Waarom? Uithoofde van Wellington? Uithoofde van +Blücher? neen. Uithoofde van God. + +Dat Bonaparte te Waterloo overwinnaar zou zijn, lag niet meer in +de wet der negentiende eeuw. Er bereidde zich een andere reeks van +gebeurtenissen voor, waarin voor Napoleon geen plaats was. De kwade +wil der gebeurtenissen had zich reeds sinds lang geopenbaard. + +'t Was tijd dat deze sterke man viel. + +Het overmatig gewicht van dezen man op het menschelijk lot, +verstoorde het evenwicht. Dit enkel individu woog meer dan de geheele +massa. Wanneer de geheele menschelijke levenskracht zich in een enkel +hoofd samentrok, wanneer de wereld aan het genie van één mensch +overgelaten was, zou het doodelijk voor de beschaving zijn, zoo +zulks lang duurde. Het oogenblik was gekomen, dat de onverzettelijke +hoogste rechtvaardigheid tusschenbeide kwam. 't Is mogelijk, dat +de beginselen en oorzaken, die op regelmatige wijze het evenwicht +in de zedelijke, zoowel als in de stoffelijke wereld teweegbrengen, +zich beklaagden. Het rookend bloed, stapels van lijken, schreiende +moeders zijn vreeselijke beschuldigers. Wanneer de aarde aan eenig +overwicht lijdt, is er een geheimzinnig gerucht in de duisternis, +dat door den afgrond gehoord wordt. + +Napoleon was bij het oneindige aangeklaagd, en zijn val was besloten. + +Hij hinderde God. + +Waterloo is geen veldslag; 't is een omkeering van 't gelaat der +wereld. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +HET BERGVLAK VAN MONT-SAINT-JEAN. + + +Ter zelfder tijde als de holle weg had ook de batterij zich vertoond. + +Zestig kanonnen en de dertien carré's verpletterden de kurassiers om +zoo te spreken uit de dichtste nabijheid. De onverschrokken generaal +Delord maakte voor de Engelsche batterij den militairen groet. + +De gansche vliegende artillerie der Engelschen had zich in galop +in de carré's begeven. De kurrassiers hadden zelfs den tijd niet, +een oogenblik in den adem te schieten. De ramp in den hollen weg +had hen gedecimeerd, maar niet ontmoedigd. 't Waren mannen die, bij +vermindering van getal, in moed toenamen. Alleen de colonne Wathier +had door de ramp geleden; de colonne Delord, welke Ney links had doen +zwenken, alsof hij een hinderlaag vermoedde, was ongedeerd aangekomen. + +De kurassiers wierpen zich op de Engelsche carré's. Spoorslags, met +lossen teugel, de sabel tusschen de tanden, de pistolen in de vuist +vielen zij aan. + +In de veldslagen zijn oogenblikken, die de ziel des menschen zoodanig +verharden, dat zij in den soldaat slechts een beeld en in het vleesch +slechts steen ziet. De Engelsche bataljons, schoon op zulk een woedende +wijze aangevallen, hielden onbewegelijk stand. + +'t Was een vreeselijk moment. + +Alle fronten der Engelsche carré's werden tegelijkertijd +aangevallen. Een woest geweld woedde tegen hen. De koele infanterie +bleef pal en onverwrikt. Het eerste gelid ontving met gebogen knie de +kurassiers op de bajonetten, het tweede gelid schoot op hen; achter +het tweede gelid laadden de kanonniers hun stukken; het front van +het carré opende zich, liet een uitbarsting van schroot door en sloot +zich weder. De kurassiers beantwoordden dit door zich op de carré's +te werpen. De zware paarden steigerden, braken door de gelederen, +sprongen over de bajonetten en vielen als gevaarten in 't midden dier +vier levende muren. De kogels maakten openingen in de kurassiers, de +kurassiers maakten bressen in de carré's. Geheele rijen menschen werden +vermorzeld onder de paarden. De bajonetten doorboorden de buiken dezer +centauren. Hierdoor ontstonden de afzichtelijkste wonden, welke men +misschien nimmer elders gezien heeft. De door deze verwoede cavalerie +verminkte carré's, trokken zich samen, zonder te wankelen. Hun schroot +was onuitputtelijk en woedde onder de aanvallers. Het gezicht van +dat gevecht was gruwelijk. De carré's waren geen bataljons meer, +'t waren kraters; de kurassiers waren geen cavalerie meer, 't was +een orkaan. Ieder carré was een vulkaan, door een wolk bestormd; +de lava streed tegen den bliksem. + +De uiterste rechtercarré die het meest van alle was blootgesteld, werd +bij den eersten schok schier geheel vernield. Het bestond uit het 75e +regiment hooglanders. De doedelzakspeler, in 't midden van het carré +op een trom gezeten, in diepe onoplettendheid, zijn droefgeestige +oogen neergeslagen, die vol van de herinnering aan zijn wouden en +meren waren, speelde met de pibroch onder den arm de liederen van +zijn bergen, terwijl men rondom hem elkander vernielde. Deze Schotten +stierven, terwijl ze aan Ben Lothian dachten, evenals de Grieken met +de gedachte aan Argos stierven. De pallas van een kurassier hieuw den +arm af die den pibroch vasthield, en deed de muziek zwijgen door den +muzikant te dooden. + +De kurassiers, die betrekkelijk weinig talrijk waren, zijnde door +de ramp in den hollen weg zeer verminderd, hadden hier schier het +geheele Engelsche leger tegen zich; zij vermenigvuldigden zich echter +daar ieder man voor tien gold. Intusschen weken eenige Hanoveraansche +bataljons. Wellington zag dit en dacht aan zijn cavalerie. Zoo Napoleon +in ditzelfde oogenblik aan zijn infanterie had gedacht, zou hij den +slag gewonnen hebben. Dit verzuim was zijn groote, noodlottige misslag. + +Eensklaps voelden de aanvallende kurassiers zich aangevallen. De +Engelsche cavalerie was hun in den rug. Vóór hen stonden de carré's, +achter hen Somerset; Somerset, dat wil zeggen de veertienhonderd +dragonders der garde. Somerset had aan zijn rechterzijde Dornberg +met de Duitsche lichte ruiterij en aan zijn linkerzijde Trip met de +Belgische karabiniers; de kurassiers, in den flank en in het front +van voren en van achteren aangevallen door de infanterie en cavalerie, +moesten aan alle zijden het hoofd bieden. Wat kon 't hun schelen--zij +waren een wervelwind. De dapperheid was onbeschrijfelijk. + +Buitendien hadden zij achter zich de immer donderende batterij. Alleen +op deze wijze was 't mogelijk, dat deze mannen in den rug gekwetst +werden. Een hunner kurassen, bij 't linker schouderblad door een kogel +doorboord, bevindt zich bij de verzameling in 't museum van Waterloo. + +Voor zulke Franschen werden niets minder dan zulke Engelschen +vereischt. + +'t Was geen gevecht meer, 't was een schaduw, een razernij, +een duizelende dwarreling van zielen en moed, een orkaan +van bliksemende zwaarden. In een oogenblik waren van de +veertienhonderd garde-dragonders slechts achthonderd over; Fuller, +hun luitenant-kononel, sneuvelde. Ney ijlde met de lanciers en de +jagers van Lefèbvre Desnouettes toe. De vlakte van Mont-Saint-Jean +werd genomen, hernomen, en weder genomen. De kurassiers verlieten de +cavalerie, om naar de infanterie terug te keeren, of liever, deze +gansche ontzaglijke massa's grepen en hielden elkander zonder dat +de een den ander losliet. De carré's stonden immer pal. Zij werden +twaalf keeren bestormd. Vier paarden werden onder Ney gedood. De +helft der kurassiers bleef op de vlakte. Deze strijd duurde twee uren. + +Het Engelsche leger was er geweldig door geschokt. Er is geen twijfel, +of de kurassiers, zoo zij niet bij den eersten aanval door de ramp in +den hollen weg verzwakt waren geworden, zouden het centrum over hoop +geworpen en de overwinning beslist hebben. Deze buitengewone cavalerie +verstomde Clinton, die Talavera en Badajoz had gezien. Wellington, +die voor drie vierde gedeelte overwonnen was, bewonderde als een held, +en zeide halfluid: splendid! (prachtig). + +De kurassiers vernietigden zeven carré's van de dertien, namen +of vernagelden zestig kanonstukken, en veroverden op de Engelsche +regimenten zes vaandels, welke drie kurassiers en drie jagers der +garde den keizer bij de hoeve van la Belle Alliance brachten. + +Wellingtons toestand was verergerd. Deze buitengewone veldslag was als +een tweegevecht tusschen twee verwoede gekwetsten, die wederzijds, +steeds strijdend en weerstand biedend, al hun bloed verliezen. Wie +van beiden zal het eerst vallen? + +De worsteling op het bergplat werd voortgezet. + +Tot hoe ver de kurassiers zijn geweest, weet niemand te zeggen. Zeker +is het, dat den dag na het gevecht een kurassier en zijn paard, +beiden dood, tusschen het houtwerk der weegbrug voor de voertuigen +te Mont-Saint-Jean werden gevonden, dat is ter plaatse waar de +vier straatwegen van Nivelles, Genappe, la Hulpe en Brussel elkander +kruisen. Deze ruiter was door de Engelsche gelederen heen gebroken. Een +der mannen, die dit lijk wegvoerden, woont nog te Mont-Saint-Jean. Hij +heet Dehaze, en was destijds achttien jaar oud. + +Wellington voelde zich wankelen. De krisis was nabij. + +De kurassiers waren niet geslaagd, in zooverre 't hun niet gelukt was +het centrum te breken. Nu beide partijen het bergvlak bezet hadden, +was niemand er uitsluitend meester van, terwijl het grootste gedeelte +in allen geval in 't bezit der Engelschen was gebleven. Wellington +had het dorp en het hoogste deel der vlakte; Ney had slechts den top +en de glooiing. Van weerszijden scheen men in dien noodlottigen bodem +vastgeworteld te zijn. + +De verzwakking der Engelschen scheen echter onherstelbaar. Het +verlies van dat leger was ontzettend. Aan den linkervleugel vroeg +Kempt versterking.--"Ik heb ze niet," antwoordde Wellington; "dat +hij bezwijke!"--Schier in dezelfde minuut vroeg Ney--een zonderlinge +samenloop, die de uitputting der beide legers schetst--infanterie +aan Napoleon, en Napoleon riep: "Infanterie! Van waar zou ik ze +halen? Meent hij dat ik ze kan maken?" + +Het Engelsche leger had evenwel het meest geleden. De verwoede +aanvallen dezer geweldige escadrons met ijzeren kurassen en stalen +harnassen hadden de infanterie vermorzeld. Eenige mannen om een +vaandel duidden de plaats van een regiment aan; sommige bataljons +werden nog slechts door een kapitein of luitenant gecommandeerd; +de divisie-Alten, die reeds bij la Haie-Sainte zoo geducht geleden +had, was schier geheel vernietigd; de moedige Belgen der brigade Van +Kluze lagen in het koren langs den weg van Nivelles gezaaid; er was +schier niets over van de Hollandsche grenadiers, die in 1811 in onze +gelederen Wellington in Spanje bevochten, en in 1815 weder met de +Engelschen vereenigd Napoleon bestreden. Het verlies aan officieren +was aanzienlijk. Lord Uxbridge, die den volgenden dag zijn been +liet begraven, had de knie verbrijzeld. Waren in dezen strijd der +kurassiers aan de zijde der Franschen Delord, l'Héritier, Colbert, +Dnop, Travers en Blancard buiten gevecht gesteld, aan de zijde der +Engelschen waren Alten en Barne gekwetst, Delancey, Van Meeren, +Ompteda gesneuveld, de staf van Wellington gedecimeerd, en Engeland +had het slechtste deel in deze bloedige schaal. Het 2e regiment der +garde te voet had vijf luitenant-kolonels, vier kapiteins en drie +vaandrigs verloren; het eerste bataljon van het 30e regiment infanterie +had vier-en-twintig officieren en honderd twaalf soldaten verloren, +van het 79e Bergschotten waren vier-en-twintig officieren gekwetst, +achttien officieren en vierhonderd vijftig soldaten gesneuveld. Het +geheel Hanoversche huzarenregiment van Cumberland, met zijn kolonel +Hacke aan 't hoofd, had vóór het gevecht den teugel gewend en +vluchtte door het bosch van Soignes, het bericht der nederlaag tot +Brussel verspreidende. De kolonel werd later gevonnist en afgezet. De +artillerietrein, de voortreinen, de bagagewagens, de ziekenwagens vol +gekwetsten namen, toen zij de Franschen zagen veld winnen en het bosch +naderen, daarin de vlucht. Van Vert-Coucou tot Groenendaal, langs +een uitgestrektheid van bijna twee uren in de richting van Brussel, +was er een ongelooflijk gedrang van vluchtelingen, zooals nog levende +getuigen heugt. De schrik was zoo groot, dat hij den prins van Condé +te Mechelen en Lodewijk XVIII te Gend bereikte. Uitgezonderd de zwakke +reserve, die achter de ambulance, in de hoeve van Mont-Saint-Jean, +was geëchelonneerd, en de brigaden Vivian en Vandeleur, die aan den +linkervleugel stonden, had Wellington geen cavalerie meer. Een +aantal batterijen waren gedemonteerd. Deze feiten zijn door +Siborne erkend; en Pringle, die de ramp overdrijft, zegt zelfs, +dat het Engelsch-Hollandsch leger tot vier-en-dertig duizend man +was ingekrompen. De "ijzeren hertog" bleef kalm, maar zijn lippen +waren verbleekt. De Oostenrijksche commissaris Vincent, de Spaansche +commissaris Alava, die bij den Engelschen staf den veldslag bijwoonden, +hielden den hertog voor verloren. Te vijf uren zag Wellington op zijn +horloge, en men hoorde hem deze sombere woorden mompelen: "Blücher, +of de nacht!" + +'t Was omstreeks dit oogenblik, dat een verwijderde lijn van bajonetten +op de hoogten, in de richting van Frischemont schitterde. + +Hier begint het keerpunt van dit reusachtige drama. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +EEN SLECHTE GIDS VOOR NAPOLEON, EEN GOEDE GIDS VOOR BULOW. + + +Men kent de grievende teleurstelling van Napoleon; hij verwachtte +Grouchy, en Blücher kwam; de dood in plaats van het leven. + +Het lot heeft zulke wendingen; men verwacht de wereldheerschappij, +en vindt Sint-Helena. Indien de kleine herder, die Bulow, den +onderbevelhebber van Blücher, tot gids diende, hem had geraden +het bosch uit te trekken boven Frischemont in plaats van beneden +Plancenoit, de negentiende eeuw zou wellicht een geheel ander voorkomen +hebben, Napoleon had dan den slag van Waterloo gewonnen. Immers langs +iederen anderen weg dan dien beneden Plancenoit, zou het Pruisische +leger aan een laagte zijn gekomen, die voor de artillerie onbruikbaar +was, en Bulow zou niet zijn aangekomen. En langer dan een uur, de +Pruisische generaal Muffling verklaart dit, zou Wellington zich niet +meer hebben kunnen staande houden; "de slag ware verloren geweest." + +Men ziet, 't was hoog tijd dat Bulow kwam. Hij had trouwens veel +oponthoud gehad. Met het krieken van den dag had hij Dion-le-Mont +verlaten, waar hij gebivouakkeerd had. Maar de wegen waren onbruikbaar +en zijn divisiën bleven in de modder steken. De kanonnen zonken er +tot aan de assen in. Bovendien had men de Dyle over de smalle brug +van Wavre moeten passeeren; de straat die naar de brug voerde was door +de Franschen in brand gestoken; de kruitwagens en de artillerietrein +konden niet tusschen twee rijen brandende huizen gaan en moesten +wachten tot de brand gebluscht was. Het was middag eer de voorhoede +van Bulow Chapelle-Saint-Lambert had kunnen bereiken. + +Zoo het gevecht twee uren eerder was begonnen, was het te vier uren +geëindigd geweest, en Blücher zou in den door Napoleon gewonnen slag +zijn gevallen. Zoo onmetelijk zijn de toevalligheden, in betrekking +tot het oneindige, dat ons begrip te boven gaat. + +Tegen den middag had de Keizer voor het eerst met zijn kijker iets +aan den verren horizont bespeurd, dat zijn aandacht trok. Hij had +gezegd:--Ik zie ginds een wolk, die mij troepen toeschijnt. Daarop +had hij aan den hertog van Dalmatie gevraagd: Soult, wat ziet gij +naar den kant van Chapelle-Saint-Lambert?--De maarschalk, na zijn +kijker te hebben gericht, had geantwoord:--Vier of vijf duizend man, +Sire. Zeker Grouchy.--Maar in den nevel bleef alles onduidelijk. Al de +kijkers van den generalen staf hadden de door den Keizer aangewezen +"wolk" bestudeerd. Sommigen hadden gezegd: 't Zijn colonnes, die +halt houden. De meesten hadden gezegd: 't Zijn boomen, 't Was waar, +dat de wolk zich niet bewoog. De Keizer had ter verkenning van dat +duistere punt de divisie lichte cavalerie van Domon afgezonden. + +Inderdaad, Bulow had zich niet bewogen. Zijn voorhoede was zeer zwak +en kon niets uitrichten. Hij moest het hoofdleger wachten en had +bevel zich te vereenigen vóór in slagorde op te rukken; doch toen, +te vijf uren Blücher het gevaar van Wellington zag, gaf hij Bulow +bevel aan te vallen en sprak dit merkwaardig woord: "Wij moeten het +Engelsche leger lucht geven." + +Weldra ontwikkelden zich de divisiën Losthin, Hiller, Hacke en Ryssel +tegenover het corps van Lobau, de cavalerie van prins Willem van +Pruisen rukte uit het bosch van Parijs; Plancenoit stond in vlammen +en de Pruisische kogels begonnen tot in de gelederen der garde te +regenen, die achter Napoleon in reserve stond. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE GARDE. + + +Men kent het overige, de vernielende aanval van een derde leger, de +veldslag verplaatst, zes en tachtig eensklaps donderende vuurmonden, +Pirch I met Bulow verschenen, de cavalerie van Zieten door Blücher +in persoon aangevoerd, de Franschen achteruitgedrongen, Marcognet +van de hoogte van Ohain gedreven, Durutte uit Papelotte verjaagd, +Lobau in den flank gegrepen, een nieuwe veldslag, waardoor bij +het aanbreken van den nacht onze verzwakte en uitgeputte regimenten +overvallen werden, de geheele Engelsche linie haar aanvallende houding +hernemende en vooruit gedrongen, de reusachtige opening in het Fransche +leger gemaakt, het Engelsche en Pruisische schroot elkander helpende, +verdelging in het front, onheil in den flank, de garde, die zich bij +deze vreeselijke verwoesting in slagorde schaart. + +Dewijl zij gevoelde, dat zij moest sterven, riep zij: leve de +Keizer! De geschiedenis heeft niets treffender aan te wijzen dan +dezen in gejuich uitbarstenden doodssnik. + +De lucht was den geheelen dag bewolkt geweest. Eensklaps, en op +ditzelfde oogenblik, 't was acht uren 's avonds, scheidden zich de +wolken aan den gezichteinder en het donker somber rood der ondergaande +zon scheen door de olmen van den weg van Nivelles. Te Austerlitz had +men haar zien opgaan. + +Ieder bataljon der garde werd, bij deze laatste worsteling, door een +generaal gecommandeerd. Daar waren Friant, Michel, Roguet, Harlet, +Mallet, Poret de Morvan. Toen de hooge berenmutsen van de garde met +de adelaarsplaat, in stipte orde, in gelederen geschaard, bedaard in +den nevel van het gevecht verschenen, gevoelde de vijand eerbied voor +Frankrijk; men waande twintig overwinningen met uitgespreide vleugelen +het slagveld te zien betreden, en zij, die verwinnaars waren, achtten +zich verwonnen en deinsden achteruit; maar Wellington riep: "Staat, +garden, en mikt juist!" Het roode regiment der Engelsche garde, +dat achter de hagen lag, richtte zich op, een hageljacht van kogels +doorschoot het driekleurig vaandel, dat om onze arenden fladderde; +allen drongen voorwaarts, en het laatste bloedbad begon. De keizerlijke +garde voelde in de schaduw, dat het leger 't welk haar omgaf, week en +het uitgestrekte gedreun van den aftocht; zij hoorde het "vlucht! redt +u!" dat het "leve de Keizer!" vervangen had; en met de vlucht achter +zich, ging zij steeds voorwaarts, meer en meer vermorzeld en bij elke +schrede die zij deed meer stervende. Er waren geen weifelenden noch +versaagden. De soldaat van dezen troep was evenzeer een held als de +generaal. Geen man onttrok zich aan dezen verheven zelfmoord. + +Ney, wanhopig, groot in al de verhevenheid van zijn wijding aan den +dood, stelde zich aan al de slagen van dien storm bloot. Zijn vijfde +paard werd onder hem gedood. Met zweet bedekt, met vlammende oogen, +met schuim op de lippen, met losgeknoopte uniform, een epaulet half +door de sabel van een horseguard doorgehouwen, zijn ordester van +den adelaar door een kogel geschonden, bloedig, beslijkt, heerlijk, +met den stomp van een degen in de hand, riep hij: "Ziet hoe een +maarschalk van Frankrijk op het slagveld sneuvelt!" Maar te vergeefs; +hij sneuvelde niet. Hij was wild en verontwaardigd. Hij beet Drouet +d'Erlon de vraag toe: "Zijt gij bang u te laten dooden?" Te midden van +al dat geschut, 't welk een handvol menschen verpletterde, riep hij: +"Is er dan niets voor mij! O, hoe wenschte ik, dat al die Engelsche +kogels mij doorboorden!" Ongelukkige, gij werdt behouden, om door +Fransche kogels te sterven! + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +DE CATASTROPHE. + + +De vlucht en de verwarring achter de garde was vreeselijk. + +Het leger trok zich eensklaps van alle zijden terug van Hougomont, van +la Haie-Sainte, van Papelotte, van Plancenoit. De kreet: Verraad! werd +gevolgd door den kreet: Vlucht! redt u! Een zich oplossend leger +gelijkt aan een ijsgang. Alles buigt, berst, kraakt, drijft, zinkt, +stoot en verdringt zich. 't Is een reusachtige ontbinding. Ney leent +een paard, springt er op en plaatst zich, zonder hoed, zonder das, +zonder degen, dwars op den weg naar Brussel, Engelschen en Franschen +evenzeer tegenhoudende. Hij tracht het leger tot staan te brengen, hij +roept, scheldt, houdt de vluchtenden vast. Alles stormt hem voorbij. De +soldaten ontwijken hem, roepende: "leve de maarschalk Ney!" Twee +regimenten van Durutte ijlen verschrikt heen en weder, teruggejaagd +door de sabel der uhlanen en het geweervuur der brigades van Kempt, +van Best, van Pack en van Ryland; de ergste worsteling is de vlucht; +vrienden dooden elkander om te vlieden; escadrons en bataljons storten +tegen een en spatten wijd en zijd uit elkander, als schuim van den +veldslag. Lobau wordt aan het eene, Reille aan het andere eind door +den stroom medegesleept. Te vergeefs maakt Napoleon muren van hetgeen +hem van de garde overblijft, te vergeefs verspilt hij de escadrons +onder zijn bevel tot een laatste inspanning. Quiot wijkt voor Vivian, +Kellerman voor Vandeleur, Lobau voor Bulow, Morand voor Pirch, Domon +en Subervic voor prins Willem van Pruisen. Guyot, die de escadrons +des Keizers tot den aanval heeft gevoerd, valt onder de paarden +der Engelsche dragonders. Napoleon galoppeert langs de vluchtenden, +spreekt hun toe, spoort hen aan, dreigt, smeekt. Maar al de monden, +die des morgens, "Leve de Keizer" riepen, gapen hem aan; nauwelijks +kent men hem. De versch aangekomen Pruisische cavalerie stormt toe, +vliegt, sabelt, houwt, doodt, verdelgt. De voorspannen steigeren, de +kanonnen wijken, de treinsoldaten spannen de paarden van de kruitwagens +om er op te vluchten, omgeworpen legerwagens met de vier wielen in +de lucht versperren den weg en geven gelegenheid ter slachting. Men +verplettert, vertreedt, gaat over dooden en levenden. De armen zijn +als verlamd. Een ontzinde menigte vult de wegen, de paden, de bruggen, +de dalen, de heuvelen, de valleien, de bosschen, waar deze veertig +duizend menschen elkander verdringen en belemmeren. Geschreeuw, +wanhoop; ransels en geweren in 't koren geworpen; met den degen +zich een doortocht gebaand; geen krijgsmakkers, geen officieren, +geen generaals meer; een onbeschrijfelijke ontzetting. Zieten op zijn +gemak Frankrijk neersabelende. Leeuwen in herten herschapen. Zoodanig +was deze vlucht. + +Te Genappe beproefde men te keeren, front te maken, zich te +verzamelen. Lobau vereenigde driehonderd man. Men barricadeerde +den ingang van het dorp; maar bij het eerste schot van het Pruisisch +schroot vluchtte alles weder, en Lobau werd krijgsgevangen gemaakt. Men +ziet nog heden de indruksels van dat eerste schot aan den gevel van een +oud vervallen baksteenen huis, ter rechterzijde van den weg, eenige +minuten vóór men Genappe binnenkomt. De Pruisen stormden in Genappe, +woedend gewis, zoo gemakkelijk overwonnen te hebben. De vervolging +was gruwelijk. Blücher beval alles neder te houwen. Roguet had het +afgrijselijk voorbeeld gegeven door ieder Fransch grenadier met den +dood te bedreigen die hem een Pruisisch krijgsgevangen bracht. Blücher +overtrof Roguet. De generaal der jonge garde, Duhesme, die tegen +de deur van een herberg te Genappe stond, gaf zijn degen aan een +zwarten huzaar, die den degen nam en zijn gevangene doodde. De +overwinning werd door de vermoording der verwonnenen voltooid. Laten +wij straffen, wijl wij de geschiedenis zijn: de oude Blücher bevlekte +zijn eer. Deze wreedheid bracht de ramp tot het uiterste. De wanhopige +vlucht ging door Genappe, door Quatre-Bras, door Sombreffe, door +Frasnes, door Thuin, door Charleroi, en kwam eerst aan de grenzen +tot staan. Helaas! en wie was 't, die zoo vluchtte? het groote leger. + +Is deze verbijstering, deze schrik, deze instorting van de +grootste dapperheid die ooit de geschiedenis verbaasd heeft, zonder +oorzaak? Neen. De schaduw eener machtige hand ligt op Waterloo. 't Is +de dag van het noodlot. Eene bovenmenschelijke macht heeft dien dag +bereid. Vandaar de schrik op aller gelaat; vandaar dat zooveel groote +harten hun degens overgaven. Zij, die Europa overwonnen hadden, zonken +verpletterd neder, hadden niets meer te zeggen of te doen, en gevoelden +in de schaduw iets vreeselijks tegenwoordig. Hoc erat in fatis. Die dag +veranderde het uitzicht van het menschelijk geslacht. Waterloo is het +keerpunt der negentiende eeuw. De verdwijning van den grooten man was +noodzakelijk voor de verschijning der groote eeuw. Een oppermachtig +wezen heeft zich hiermede belast. De paniek der helden is hierdoor +verklaarbaar. In den slag van Waterloo vertoont zich meer dan een wolk, +er vertoont zich een hemelverschijnsel. God is daar geweest. + +In 't vallen van den avond vatten Bernard en Bertrand op een veld bij +Genappe een somber peinzend man bij zijn overjas, die door den stroom +der vlucht medegesleept, van zijn paard was gestegen, den teugel in +zijn arm had genomen en met verwilderden blik alleen naar Waterloo +terugging. 't Was Napoleon, die nog beproefde voorwaarts te gaan--de +groote slaapwandelaar van dien verstoorden droom! + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +HET LAATSTE CARRÉ. + + +Eenige carré's der garde, onbewegelijk in de woelige vlucht als rotsen +in het bruisend water, hielden stand tot den nacht. De nacht kwam, +en met hem de dood; zij verwachtten die dubbele duisternis en lieten +zich er onverschrokken door omvangen. Ieder regiment, van de andere +gescheiden en niet meer aan 't leger verbonden, dat aan alle zijden +gebroken was, sneefde voor eigen rekening. Zij hadden voor deze +laatste heldendaad post gevat, eenige op de hoogten van Rossomme, +andere op de vlakte van Mont-Saint-Jean. Daar, verlaten, overwonnen, +hadden deze sombere carré's nog een vreeselijken doodsstrijd. Ulm, +Wagram, Jena, Friedland stierven in hen. + +In de schemering, tegen negen uur 's avonds, bleef er op de vlakte +van Mont-Saint-Jean slechts één over. In deze heillooze vallei, aan +den voet dezer door de kurassiers bestegen helling, die thans door +Engelsche drommen was overstroomd, had dit carré het kruisvuur +der overwinnende vijandelijke artillerie, een vreeselijken, +dichten schroot- en kogelregen uit te staan. Het werd door een +weinig bekend officier, met name Cambronne, gecommandeerd. Bij elke +losbranding verminderde het carré en schoot terug. Het beantwoordde +het schrootvuur met geweervuur, terwijl het zijn vier muren steeds +dichter bijeentrok. In de verte bleven de vluchtenden, buiten adem, +even staan, om in de duisternis naar dit somber, steeds zwakker +wordend geknetter te hooren. + +Toen dit legioen slechts een handvol meer was, toen hun vaandel was +weggeschoten, toen hun kogels verschoten en hun geweren slechts +knuppels meer waren, en de hoop lijken grooter was dan de groep +levenden, ontstond bij de overwinnaars die deze verhevene stervenden +omgaven een soort van heilige ontzetting, en de Engelsche artillerie +verpoosde en zweeg. 't Was een soort van rust. Deze strijders waren +omgeven door een gewemel van spookgedaanten, schimmen van mannen te +paard, donkere omtrekken van kanonnen, door wier wielen en affuiten +men den helderen hemel zag; het reusachtig doodshoofd, 't welk de +helden altijd door den kruitdamp op den achtergrond van den slag +zien, naderde en staarde hen aan. Zij konden in de schemering hooren, +dat men de stukken laadde; de brandende lonten, die als tijgeroogen +in den nacht glinsterden, vormden een kring om hun hoofden; al de +lontstokken der Engelsche batterijen naderden de kanonnen; toen riep +een Engelsch generaal--volgens sommigen Colville, volgens anderen +Maitland--in dit uiterste oogenblik, aangedaan: Dappere Franschen, +geeft u over!--Cambronne antwoordde: Merde! + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +CAMBRONNE. + + +Voor den overdreven kieschkeurigen Franschen lezer mag het schoonste +woord, 't welk een Franschman wellicht ooit gesproken heeft, niet +herhaald worden. 't Is verboden het verhevene in de geschiedenis +te vermelden. + +Voor onze rekening en gevaar overtreden wij dit verbod. + +Er was dus onder deze reuzen een titan, Cambronne. + +Zulk een woord te zeggen en dan te sterven, wat is er grootscher! want +te willen sterven is sterven, en 't is de schuld van dezen man niet, +dat hij het schrootvuur overleefd heeft. + +De man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is niet de vluchtende +Napoleon; 't is niet Wellington, die te vier uren terugtrekt, te +vijf uren wanhopend is; 't is niet Blücher, die niet gestreden heeft; +de man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is Cambronne. + +Door zulk een woord den donder neer te slaan die u doodt, dit is +overwinnen. + +Dit den rampspoed te antwoorden, dit aan het noodlot te zeggen, dit +voetstuk aan den toekomstigen leeuw te geven, dit antwoord toegeworpen +aan den nachtregen, den verraderlijken muur van Hougomont, den hollen +weg van Ohain, de vertraging van Grouchy, de komst van Blücher; +in het graf ironisch te zijn, zoo te handelen dat men zal staande +blijven, na gevallen te zijn, in twee lettergrepen de Europeesche +coalitie te beschimpen, den koningen dit door de Cesars reeds gekende +present aan te bieden, van het laagste woord het verhevenste te +maken, Waterloo met een vastenavond-scherts te besluiten, Leonidas +met Rabelais aan te vullen, deze overwinning in een uiterste woord, +dat niet genoemd mag worden, samen te vatten, terrein te verliezen +en de geschiedenis te behouden, na zulk een bloedbad de lachers aan +zijn zijde te hebben--dit is verheven--ontzaggelijk. + +'t Is den bliksem hoonen. 't Bereikt de verhevenheid van Eschylus. + +Het woord van Cambronne heeft de uitwerking van een breuk: het breekt +de verachting; het breekt den trots. Wie heeft overwonnen? is +'t Wellington? Neen. Zonder Blücher was hij verloren. Is 't +Blücher? Neen. Zoo Wellington niet was begonnen, had Blücher niet +kunnen eindigen. Deze Cambronne, die eerst in het laatste uur +verschijnt, deze onbekende soldaat, dit oneindig kleine van den +oorlog, gevoelt dat er een logen in een rampspoed is--dubbel grievend; +en op 't oogenblik dat hij er door in woede is, biedt men hem deze +bespotting--het leven! Waarom zou hij zich inhouden? Zij zijn dáár, +al de koningen van Europa, de gelukkige veldheeren, de donderende +Jupiters; zij hebben honderd duizend zegevierende soldaten; en achter +de honderd duizend een millioen; hun kanonnen gapen, hun lonten +vlammen; zij hebben de keizerlijke garde en de groote armee onder den +voet; zij hebben Napoleon verpletterd, alleen Cambronne blijft over; +niemand is er om te protesteeren dan deze nietige aardworm. Hij +zal protesteeren. En hij zoekt een woord, evenals men een wapen +zoekt. Gal komt bij hem op, en die gal is het woord. Tegenover +deze ontzaggelijke en toch middelmatige zegepraal, tegenover deze +overwinning zonder overwinnaars, richt zich deze wanhopige op; hij +lijdt er het verschrikkelijke, maar betuigt er het nietige van; hij +doet meer dan ze te bespuwen; en onder de bezwijking van getal, kracht +en stof, vindt hij in de ziel een uitdrukking: verwerping. Wij herhalen +'t, dit te zeggen, dit te doen, dit te vinden is overwinnaar zijn. + +De geest der groote dagen kwam in dien onbekenden man op dit noodlottig +oogenblik. Cambronne vindt het woord voor Waterloo gelijk Rouget de +l'Isle de Marseillaise vindt, door ingeving van boven. Een straal van +den hemelstorm schiet door deze mannen; zij huiveren, en de een zingt +den zwanenzang, de ander spreekt het verheven woord. Dit woord van +reusachtige verachting werpt Cambronne, niet enkel in naam van het +keizerrijk, Europa toe, 't zou weinig zijn; hij werpt het, in naam +der revolutie, het verleden toe. Men hoort hem en herkent in Cambronne +de ziel der oude reuzen. 't Is alsof Danton spreekt, of Kleber brult. + +Op het woord van Cambronne antwoordt de Engelsche stem: vuur! de +batterijen vlamden, de heuvel beefde, al deze metalen monden braakten +een laatste vreeselijk vuur; een geweldige rookwolk, flauw door de +opgaande maan beschenen, golfde daarheen, en toen de damp verdween +was er niets meer. Het vreeselijk overschot was vernietigd; de garde +was dood. De vier muren van de levende schans lagen ter aarde; met +moeite onderscheidde men hier en daar een trilling onder de lijken; +alzoo sneefden de Fransche legioenen, grooter dan de Romeinsche, +te Mont-Saint-Jean op de met regen en bloed gedrenkte aarde, in het +donkere koren, ter plaatse waar thans Jozef, de postiljon van Nivelles, +te vier uren des morgens, fluitend en vroolijk zijn paard zweepende, +voorbij rijdt. + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +QUOT LIBRAS IN DUCE? + + +De slag bij Waterloo is een raadsel. Hij is even duister voor hen die +hem gewonnen, als voor hen die hem verloren hebben. Voor Napoleon is +'t een paniek [2]; Blücher ziet er niets dan vuur; Wellington begrijpt +er niets van. Zie de rapporten. De berichten zijn onduidelijk, de +verklaringen zijn verward. Dezen stamelen, genen stotteren. Jomini +verdeelt den slag bij Waterloo in vier momenten; Muffling in drie +tooneelen; Charras, schoon hij eenige punten anders opvat dan wij, +heeft alleen met zijn fieren blik de karakteristieke omtrekken van +deze worsteling van 't menschelijk genie met de beschikking des +Hemels begrepen. Al de overige geschiedschrijvers zijn in zekere +verbijstering en zij tasten in deze verbijstering rond. Inderdaad een +bedwelmende gebeurtenis, de instorting der militaire monarchie, die, +tot ontzetting der koningen, alle koninkrijken heeft medegesleept, +de val van het geweld, de nederlaag van den oorlog. + +De menschen hebben tot deze gebeurtenis, welke het merk der +bovenmenschelijke noodzakelijkheid draagt, niets toegebracht. + +Wellington en Blücher Waterloo te ontnemen, is dit Engeland en +Duitschland iets ontnemen? Neen. Noch het roemrijk Engeland, noch +het doorluchtig Duitschland zijn in het probleem van Waterloo +betrokken. Den hemel zij dank, de volken zijn groot buiten de +sombere toevallen des degens. Noch Duitschland, noch Engeland, noch +Frankrijk worden door een scheede besloten. In dit tijdperk, waarin +Waterloo slechts een wapengekletter is, heeft Duitschland Goethe boven +Blücher, Engeland Byron boven Wellington. Onze eeuw verheft zich op +de ontwikkeling van den geest, en Engeland en Duitschland prijken in +heerlijken glans op dit veld. Zij zijn majestueus, wijl zij denken. De +vooruitgang der beschaving is mede hun werk, deze ontstaat uit hen en +niet door het toeval. De grootheid welke zij in de negentiende eeuw +hebben, heeft Waterloo niet tot oorsprong. Slechts barbaarsche volken +breiden zich plotseling na een overwinning uit. 't Is de vluchtige +zwelling der rivier na een stortvloed. De beschaafde volken, vooral +in den tijd dien wij beleven, stijgen of dalen niet door het geluk of +het ongeluk van een veldheer. Hun soortelijk gewicht in 't menschelijk +geslacht ontstaat uit iets meer dan uit een veldslag. Hun eer, hun +waardigheid, hun verlichting, hun genie zijn, Goddank, geen nummers, +welke de helden en veroveraars, deze hazardspelers, in de loterij +der veldslagen kunnen nemen. Vaak is een verloren veldslag, gewonnen +vooruitgang. Hoe minder roem, hoe meer vrijheid. De trom zwijgt, +de rede neemt het woord. 't Is het spel "die wint verliest." Laat +ons dus van weerszijden met kalmte over Waterloo spreken. Geven wij +het toeval wat het toeval toekomt, en aan God wat God toekomt. Wat +is Waterloo? Een overwinning? Neen. Een lot uit de loterij. + +Een lot door Europa gewonnen; door Frankrijk betaald. + +'t Was nauwelijks der moeite waard, hiervoor een leeuw te +plaatsen. Waterloo is overigens de vreemdste ontmoeting, die in de +geschiedenis voorkomt. Napoleon en Wellington. 't Zijn geen vijanden, +'t zijn tegenstrijdigheden. God, die tegenstellingen bemint, +heeft nooit opmerkelijker contrast en buitengewoner samentreffing +geschapen. Aan de eene zijde nauwkeurigheid, bedachtzaamheid, +wiskundige berekening, voorzichtigheid, verzekerde aftocht, bespaarde +reserven, een volhardende koelbloedigheid, een onwrikbare methode, +een krijgskunst die zich het terrein ten nutte maakt, een tactiek die +de bataljons in evenwicht houdt, een bloedbad met de lijn afgemeten, +de oorlog met het horloge in de hand, geregeld, niets aan het toeval +overgelaten, de oude klassieke moed, de volstrekte juistheid; aan +de andere zijde onwillekeurige ingeving en voorgevoel, de militaire +zonderlingheid, het bovenmenschelijk instinct, de vlammende blik, +iets onbekends, dat als de arend nederschiet en als de bliksem treft; +een wonderbaarlijke kunst bij een verachtende onstuimigheid, al de +verborgenheden eener diepe ziel, het verbond met het noodlot; de +stroom, de vlakte, het bosch, de heuvel, opgeroepen en eenigerwijs +gedwongen tot gehoorzaamheid, de despoot, zelfs zoover gaande van +het slagveld te tyranniseeren; het geloof aan een goed gesternte +gepaard aan de krijgswetenschap, haar uitbreidende, maar zonder +regel. Wellington was de Barême van den oorlog, Napoleon de Michel +Angelo, en ditmaal werd het genie door de berekening verwonnen. + +Aan beide zijden wachtte men iemand. De nauwkeurige rekenaar +slaagde. Napoleon verwachtte Grouchy; deze kwam niet. Wellington +verwachtte Blücher: deze kwam. + +Wellington is de klassieke oorlog, die revanche neemt. Bonaparte +had, bij zijn opkomst, dien oorlog in Italië gevonden en trotsch +geslagen. De oude uil was voor den jongen gier gevlucht. De oude +krijgskunst was niet alleen verpletterd, maar te schande gemaakt. Wie +was deze zesentwintigjarige korsikaan, wat beteekende deze schitterende +onbekende, die alles tegen, niets vóór zich had, zonder levensmiddelen, +zonder ammunitie, zonder geschut, zonder schoenen, schier zonder +wapens, zich met een handvol soldaten tegenover legerdrommen op +het verbonden Europa wierp en ongerijmd, tegen alle regels, schier +onmogelijke overwinningen behaalde? Wat was deze nieuweling in den +oorlog, die de stoutheid van een bovenaardsch wezen had? De militaire +hoogeschool deed hem in den ban, daar hij haar ontvluchtte. Hierdoor +ontstond een onverzoenlijke vijandschap van het oude Cesarisme tegen +het nieuwe, van de nauwkeurige sabel tegen het vlammende zwaard, en +van het schaakspel tegen het genie. Den 18 Juni had deze vijandschap +het laatste woord, en schreef, onder Lodi, Montebello, Montenotte, +Mantua, Marengo, Arcola: "Waterloo." Zege der middelmatigheid, die +de meerderheid behaagt. Het noodlot nam genoegen met deze ironie. Bij +zijn ondergang vond Napoleon een jongen Suwarow voor zich. + +Om Suwarow te hebben was er inderdaad niet meer noodig dan Wellington's +haar grijs te maken. + +Waterloo is een veldslag van den eersten rang, door een veldheer van +den tweeden rang gewonnen. + +Wat men in den veldslag bij Waterloo moet bewonderen is Engeland, +de Engelsche standvastigheid, de Engelsche vastberadenheid, het +Engelsch bloed; wat Engeland er het heerlijkst heeft gehad, is, als +ik 't zeggen mag, zich zelf. 't Is niet zijn veldheer, 't is zijn +leger. Zonderling ondankbaar, verklaart Wellington, in een brief aan +lord Bathurst, dat zijn leger, 't welk den 18 Juni 1815 gestreden +heeft, een "afschuwelijk leger" was. Wat zegt hiervan de donkere +ontzaggelijke hoop beenderen onder de voren van Waterloo begraven? + +Engeland is tegenover Wellington te nederig geweest. Wellington zoo +groot te maken is Engeland verkleinen. Wellington is slechts een gewoon +held. De grijze Schotten, de horseguards, de regimenten van Maitland +en Mitchell, de infanterie van Pack en van Kempt, de cavalerie van +Ponsonby en van Somerset, de Hooglanders die onder het schroot op +de pibroch spelen, de bataljons van Rylandt, de jonge recruten, +die nauwelijks het geweer wisten te hanteeren, en de oude benden +van Esslingen en van Rivoli het hoofd boden,--ziedaar wat grootsch +is. Wellington was volhardend, en dit was zijn eenige verdienste; +wij willen er niets op afdingen, maar de minste zijner voetknechten +en ruiters was even standvastig als hij. De iron-soldier (ijzeren +soldaat) is evenveel waard als de iron-duke (ijzeren hertog). Onze +geheele vereering is voor den Engelschen soldaat, het Engelsche leger, +het Engelsche volk. Zoo er een zegeteeken moet zijn, komt het Engeland +toe. De kolom van Waterloo zou juister zijn, zoo zij in plaats van +de gestalte eens mans, het beeld eens volks in de wolken verhief. + +Maar het groote Engeland zal zich vertoornen over hetgeen wij +hier zeggen. Het heeft nog, na zijn 1688 en ons 1789, zijn feodale +hersenschim. Het gelooft aan de erfelijkheid en de hierarchie. Dit +volk, dat door geen ander in macht en roem wordt overtroffen, acht +zich als natie, niet als volk. Als volk onderwerpt het zich gewillig +en neemt een lord tot hoofd aan. Als workman (arbeider) laat het +zich verachten; als soldaat laat het zich stokslagen geven. Men weet, +dat een sergeant, die naar 't schijnt, in den slag van Inkermann het +leger gered heeft, door lord Raglan niet kon vermeld worden, wijl +de Engelsche militaire hierarchie niet veroorlooft in een rapport +melding te maken van een held beneden den rang van officier. + +Wat ons bovenal treft in een ontmoeting als die van Waterloo, is +de wonderbare behendigheid van het toeval. De nachtregen, de muur +van Hougomont, de holle weg van Ohain, Grouchy doof voor het kanon, +Napoleon door den gids bedrogen, Bulow door den gids terechtgewezen, +al deze omstandigheden zijn wonderbaar bestuurd. + +In 't algemeen moet gezegd worden, dat Waterloo veeleer een bloedbad +dan een veldslag was. Waterloo heeft van alle geregelde veldslagen +het kleinste front bij een zoo groot getal strijders. Napoleon drie +kwartier; Wellington een half uur; twee en zeventig duizend strijders +aan elke zijde. Uit deze gedrongenheid ontstond het bloedbad. Men heeft +deze berekening en deze verhouding gevonden: Verlies aan troepen: +te Austerlitz, Franschen, veertien percent; Russen, dertig percent; +Oostenrijkers, vierenveertig percent. Te Wagram, Franschen, dertien +percent, Oostenrijkers veertien percent. Aan de Moskowa, Franschen, +zevenendertig, Russen vierenveertig percent. Te Bautzen, Franschen, +dertien percent, Russen en Pruisen, veertien. Te Waterloo, Franschen, +zesenvijftig percent, Gealliëerden eenendertig. Gezamenlijk voor +Waterloo eenenveertig percent. Honderd vierenveertig duizend strijders; +zestigduizend dooden. + +Het veld van Waterloo heeft thans de kalmte, welke aan de aarde, +als de rustige voedster van den mensch, behoort, en het gelijkt op +alle vlakten. + +Des nachts evenwel stijgt er als een tooverachtige nevel op, en zoo +een reiziger er wandelt, er rondziet, er luistert, zoo hij mijmert +als Virgilius op de noodlottige vlakte van Philippes, verschijnt +het vreeselijke schouwspel voor zijn geest. De ontzettende 18 Juni +herleeft; het valsche heuvel-monument wijkt, de leeuw, hoe dan ook, +verdwijnt, het wezenlijke slagveld is er weder, infanterie-gelederen +golven over de vlakte; in woesten galop vliegt de ruiterij langs +den horizon; de verschrikte mijmeraar ziet het flikkeren der sabels, +het schitteren der bajonetten, het vlammen der bommen, en verneemt +het vreeselijke gebulder der elkander kruisende donders; hij hoort +als een gereutel in de diepte van een graf, het flauw gerucht van +het spookbeeld des veldslags; deze schimmen zijn de grenadiers; +deze flikkeringen zijn de kurassiers; dit geraamte is Napoleon; +dit geraamte is Wellington; dat alles is niet meer, en dringt en +strijdt nog; de holle wegen worden purper, en de boomen rillen; er is +zelfs woede in de wolken, en in de duisternis verschijnen op al deze +woeste hoogten, Mont-Saint-Jean, Hougomont, Frischemont, Papelotte, +Plancenoit, onduidelijk zwermen van schimmen, die elkander verdelgen. + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +MOET MEN WATERLOO GOEDVINDEN? + + +Er bestaat een zeer achtenswaardige vrijzinnige school, die Waterloo +niet haat. Wij behooren er niet toe. Voor ons is Waterloo slechts +de vervalschte dagteekening der vrijheid. Dat een arend als dien wij +kennen uit zulk een ei voortkomt, is stellig onverwacht. + +Waterloo is, zoo men zich op het hoogste gezichtspunt der kwestie +plaatst, een bedeelde anti-revolutionnaire overwinning. 't Is Europa +tegen Frankrijk, 't is Petersburg, Berlijn en Weenen tegen Parijs, +'t is het status-quo tegen het initiatief, 't is de 14 Juli 1789 door +den 20 Maart 1815 aangevallen: 't is de wapenkreet der monarchieën +tegen het onbedwingbaar Fransch oproer. Dit groote volk te dempen, +dat sinds 26 jaar vuur en vlam verspreidde, was de bedoeling. Vandaar +het verbond der Brunswijkers, Nassauers, Romanoffs, Hohenzollerns, +Habsburgen met de Bourbons. Waterloo draagt het "bij de gratie Gods" +aan 't hoofd. Het is waar, dat, wijl het Keizerrijk despotiek was +geweest, het koningschap, tengevolge der natuurlijke terugwerking, +gedwongen was liberaal te wezen, en dat een constitutioneele +orde zeer tegen den zin en tot grooten spijt der overwinnaars uit +Waterloo is voortgekomen. 't Is omdat de revolutie werkelijk niet +verwonnen kan worden en als een noodwendig gevolg der omstandigheden +steeds weder verschijnt, vóór Waterloo, in Bonaparte als hij de oude +tronen omverwerpt, na Waterloo, in Lodewijk XVIII als hij het Charter +verleent en er zich aan onderwerpt. Bonaparte plaatst een postiljon +op den troon van Napels en een sergeant op den troon van Zweden; +hij bezigt de ongelijkheid om de gelijkheid te bewijzen; Lodewijk +XVIII onderteekent te Saint-Ouen de verklaring der rechten van den +mensch. Wilt ge u rekenschap geven van wat revolutie is, noem haar +"vooruitgang"; wilt ge u rekenschap geven van wat vooruitgang is, +noem hem "morgen." "Morgen" verricht onweerstaanbaar zijn werk, +en begint reeds heden. Op zonderlinge wijze bereikt het altijd zijn +doel. Het gebruikt Wellington om van Foy, die slechts een soldaat +was, een redenaar te maken. Foy valt te Hougomont en herrijst op de +tribune. Zoo handelt de vooruitgang. Er zijn geen slechte werktuigen +voor dezen arbeider! Onbekommerd bezigt hij voor zijn goddelijk werk +den man die over de Alpen stapt, en den goeden zwakken grijsaard. Hij +bedient zich van den podagrist evenzeer als van den overwinnaar; van +den overwinnaar naar buiten, van den podagrist naar binnen. Waterloo +heeft een einde gemaakt aan het omstorten der tronen van Europa +door het zwaard, doch heeft geen ander gevolg gehad dan het werk der +revolutie aan de andere zijde te doen voortzetten. De heerschappij +van het zwaard was ten einde; de beurt was nu aan de denkers. De eeuw, +welke Waterloo wilde tegenhouden, is er over heengegaan en heeft haar +weg vervolgd. Deze treurige overwinning is door de vrijheid verworven. + +Wat ten slotte en onwedersprekelijk te Waterloo zegevierde, wat achter +Wellington glimlachte, wat hem al de maarschalksstaven van Europa, +daarbij zoo men zegt den maarschalksstaf van Frankrijk bezorgde, wat +vroolijk den grond, nog vol beenderen, tot een heuvel deed opkruien +om er den leeuw op te richten, wat zegepralend op dat voetstuk den +datum "18 Juni 1815" heeft geschreven, wat Blücher aanmoedigde om de +vluchtelingen neer te sabelen, wat van den top van Mont-Saint-Jean zich +naar Frankrijk als naar een prooi boog, was de contra-revolutie. 't +Was de tegenomwenteling, die het schandelijk woord: "Verbrokkeling" +mompelde. Te Parijs gekomen, heeft zij den krater van nabij gezien, +en voelde dat deze asch haar de voeten verbrandde, en zij bedacht +zich. Zij vergenoegde zich met het stamelen van een charter. + +Laat ons in Waterloo niets zien dan 't geen in Waterloo is. Van +vrijheid uit goeden wil, niets. De contra-revolutie was onwillekeurig +liberaal, evenals door een hiermede overeenkomend verschijnsel Napoleon +onwillekeurig revolutionnair was. Den 18 Juni 1815 werd de Robespierre +te paard uit den zadel gelicht. + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +UITBREIDING VAN HET "GODDELIJK RECHT." + + +Einde van het dictatorschap. Het geheele stelsel van Europa stortte in. + +Het Keizerrijk verzonk in een schaduw, welke die der stervende +Romeinsche wereld geleek. Men zag weder een afgrond als ten tijde der +barbaren. Maar de barbaarschheid van 1815, welke men bij haar korten +naam van contra-revolutie moet noemen, had weinig adem, was spoedig +uitgeput en bleef steken. Het Keizerrijk, wij moeten het zeggen, werd +beweend, en beweend door de oogen van helden. Zoo de roem bestaat +in het zwaard tot schepter gemaakt, was het Keizerrijk de roem zelf +geweest. Het had op aarde al het licht verspreid, dat de dwingelandij +geven kan; een somber licht. Wat meer is, een duister licht. Bij het +ware daglicht vergeleken is het nacht. Deze verdwijning van den nacht, +had de uitwerking eener eclips. + +Lodewijk XVIII kwam te Parijs terug. De rondedansen van den 8 +Juli wischten de geestdrift van den 20 Maart uit. De Korsikaan +werd de tegenstelling van den Béarner. De vlag van den koepel der +Tuilerieën werd wit. De verbanning zat op den troon. De withouten +tafel van Hartwell nam plaats vóór den gelelieden armstoel van +Lodewijk XIV. Men sprak van Bouvines en Fontenoy als van gisteren, +Austerlitz was verouderd. Het altaar en de troon waren in hartelijke +broederschap. Een der onbetwistbaarste vormen van geluk voor de +maatschappij in de negentiende eeuw vestigde zich in Frankrijk en +op het vasteland. Europa nam de witte kokarde aan. Trestaillon was +beroemd. Het devies non pluribus impar verscheen weder in de steenen +stralen, die op den voorgevel der kazerne van de kade Orsay een zon +vormden. Waar een Keizerlijke garde was geweest, was een rood huis. De +boog van het Carousel, overladen met kwalijk verdragen overwinningen, +als vreemd temidden dezer nieuwigheden, misschien eenigszins beschaamd +door Marengo en Arcola, trok zich uit de verlegenheid met het beeld +van den hertog van Angoulême. Het Magdalena kerkhof, een ontzettende +algemeene grafplaats van 93, werd met marmer en jaspis overdekt; +het gebeente van Lodewijk XVI en van Maria Antoinette bevond zich in +dit stof. In de slotgracht van Vincennes verrees een halve zuil, ter +herinnering dat de hertog van Enghien in dezelfde maand was gestorven +als Napoleon gekroond werd. Paus Pius VII, die deze kroning had +gewijd, zoo dicht bij dezen dood, zegende den val even bedaard als +hij de verheffing had gezegend. Te Schönbrunn was een kleine schim +van vier jaren, men was een oproerling zoo men hem koning van Rome +noemde. En al deze dingen zijn geschied, en deze koningen hebben hun +tronen hernomen, en de meester van Europa is in een kooi gezet, en +het oude regeeringstelsel is herleefd, en al de duisternis en al het +licht der aarde zijn van plaats veranderd, wijl op den achtermiddag +van een zomerdag een herder in een bosch tot een Pruis zeide: ga +hierheen en niet daarheen! + +Dat 1815 was een soort van treurigen April. De oude ongezonde en +giftige werkelijkheid nam een nieuw voorkomen aan. De logen vereenigde +zich met 1789, het "goddelijk recht" vermomde zich onder een charter, +fictiën werden constitutioneel, vooroordeelen, bijgeloovigheden +en nevengedachten, met art. 14 in het hart, vernisten zich met het +liberalisme. Verandering van vel bij de slang. + +De mensch was door Napoleon tevens verheven en vernederd. Het ideaal +had, onder deze regeering van de schitterende stof, den zonderlingen +naam van ideologie ontvangen. Een groote onvoorzichtigheid van een +groot man, om met de toekomst te spotten. De volken evenwel, dat +kanonnenvleesch, 't welk den kanonnier zoo lief had, zochten hem +met de oogen. Waar is hij? Wat doet hij? Napoleon is dood, zeide +een voorbijganger tot een invalide van Marengo en Waterloo.--"Hij +dood!" riep de soldaat, "dan kent gij hem niet!" De geesten +mistrouwden dien neergevelden man. Na Waterloo was de achtergrond +van Europa duister. Eene ontzaggelijke plaats bleef lang ledig door +de verdwijning van Napoleon. + +De koningen plaatsten zich in dat ledige. Het oude Europa +maakte zich dit ten nutte om zich te hervormen. Er was een +Heilig-Verbond. Belle-Alliance, had het noodlottig veld van Waterloo +reeds vooraf gezegd. + +In de tegenwoordigheid en tegenover het oude herschapen Europa +werden de lijnen van een nieuw Frankrijk getrokken. De toekomst, +door den Keizer bespot, deed zijn intrede. Zij had op het voorhoofd +deze ster, "Vrijheid." De vurige oogen der jonge geslachten richtten +zich op haar. Zonderling, men was tegelijkertijd door deze toekomst, +Vrijheid, en dat verleden, Napoleon, bekoord. De nederlaag had +den verwonneling grooter gemaakt. De gevallen Bonaparte scheen +hooger dan de staande Napoleon. Zij, die gezegevierd hadden, waren +beangst. Engeland deed hem door Hudson Lowe bewaken, en Frankrijk hem +door Montchenu bespieden. Het kruisen zijner armen wekte de bekommering +der tronen. Alexander noemde hem: mijn slapeloosheid. Deze angst +ontstond door de hoeveelheid revolutie, die in hem was. Dit verklaart +en verschoont het Bonapartistische liberalisme. Dit spookbeeld deed de +oude wereld beven. De koningen zaten niet op hun gemak op hun tronen, +met de rots van St. Helena aan den horizon. + +Terwijl Napoleon te Longwood zieltoogde, verteerden de op het veld van +Waterloo gevallen zestig duizend menschen rustig, en iets van hunne +rust breidde zich over de wereld uit. Het Weener Congres maakte er +de tractaten van 1815 van, en dit noemde Europa de restauratie. + +Dit is nu Waterloo! + +Maar wat doet het aan 't oneindige? deze orkaan, deze wolk, deze oorlog +en vervolgens deze vrede, deze schim, verduisterde ook geen oogenblik +het oneindig oog voor 't welk de worm, die van de eene grasspriet op +de andere kruipt, even belangrijk is als de arend die van torenspits +tot torenspits naar de Notre-Dame vliegt. + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +HET SLAGVELD DES NACHTS. + + +Wij moeten nog eenmaal naar het noodlottig slagveld terugkeeren. + +'t Was den 18 Juni 1815 volle maan. Deze helderheid begunstigde de +wreede vervolging van Blücher, verried het spoor der vluchtenden, +leverde deze rampzalige massa aan de verwoede Pruisische cavalerie +over, en was in 't moorden behulpzaam. Bij dergelijke rampspoeden +toont de nacht zich dikwijls zoo welwillend. + +Na het laatste kanonschot, bleef de vlakte van Mont-Saint-Jean +verlaten. + +De Engelschen betrokken het kamp der Franschen; in het bed van den +overwonneling te slapen is de gewone bekrachtiging der overwinning. Zij +richtten hun bivouakken op aan gene zijde van Rossomme. De Pruisen +stormden voorwaarts om de vluchtelingen te vervolgen. Wellington +ging naar het dorp Waterloo, om zijn rapport aan lord Bathurst op +te stellen. + +Zoo ooit het sic vos non vobis van toepassing was, is 't onbetwistbaar +op dat dorp Waterloo. Waterloo heeft niets gedaan en bleef een half +uur van 't slagveld. Mont-Saint-Jean werd gebombardeerd, Hougomont +werd verbrand, Papelotte werd verbrand, Plancenoit werd verbrand, +la Haie-Sainte werd stormenderhand ingenomen, la Belle-Alliance zag +de omhelzing der twee overwinnaars; men kent nauwelijks deze namen, +en Waterloo, dat niets tot den slag heeft toegebracht, heeft er al +de eer van. + +Wij behooren niet tot dezulken die den oorlog vleien; wanneer de +gelegenheid zich voordoet, zeggen wij hem de waarheid. De oorlog +heeft afgrijselijke schoonheden, welke wij niet verheeld hebben; +hij heeft ook, wij erkennen het gaarne, zijn afzichtelijkheden. Een +der treffendste is de spoedige ontkleeding en berooving der dooden na +de overwinning. De morgenstond, die op een veldslag volgt, beschijnt +steeds naakte lijken. + +Wie doet dat? Wie bezoedelt aldus de overwinning? Wie is die +afschuwelijke, vlugge hand, die in den zak der overwinning sluipt? Wie +zijn de gauwdieven, die achter den roem hun slag waarnemen? Eenige +philosofen, Voltaire onder anderen, beweren, dat het juist dezulken +zijn, die den roem verworven hebben. 't Zijn dezelfden, zeggen zij, +geen anderen; zij die staan, plunderen degenen die liggen. De held van +den dag is de vampier van den nacht. Men heeft toch in allen geval wel +het recht, om het lijk dat ons werk is, een weinig te plunderen. Wij +gelooven dit echter niet. 't Komt ons onmogelijk voor, dat dezelfde +hand die lauweren heeft geplukt, de schoenen van een doode kan stelen. + +Zeker is het, dat na de overwinnaars gewoonlijk de dieven komen. Maar +beschuldigen wij den soldaat, vooral den soldaat van den tegenwoordigen +tijd niet. + +Ieder leger heeft een tros, en dezen moet men +beschuldigen. Vleermuisachtige wezens, half roovers, half knechts, alle +soort van gespuis, 't welk uit de duisternis geboren wordt, die men +oorlog noemt; uniform dragenden, die niet vechten; geveinsde zieken; +verminkten; cantine-houders, die soms met hun vrouwen op karretjes +sluikswijze medetrekken en stelen wat zij verkoopen; bedelaars, die +zich als gidsen bij de officieren aanbieden; trosboeven; stroopers--dit +alles sleepten eertijds--wij spreken niet van den tegenwoordigen +tijd--de marcheerende legers mede, en dit werd op eigenaardige wijze +de "nakomers" (traînards) genoemd. Geen leger, geen natie was voor +deze wezens verantwoordelijk; zij spraken Italiaansch en volgden de +Duitschers; zij spraken Fransch en volgden de Engelschen. Door een +dezer ellendelingen, een Spaansch "nakomer" die Fransch sprak, werd de +markies Fervacques, die, door zijn Picardisch koeterwaalsch misleid, +hem voor een der onzen hield, verraderlijk vermoord en uitgeplunderd, +op het slagveld zelf in den nacht, die op de overwinning van Cérisolles +volgde. Uit het stroopen ontstond de strooper. De verfoeielijke +grondstelling: "Van den vijand leven" bracht dezen kanker voort, die +slechts een strenge krijgstucht genezen kon. Er zijn bedriegelijke +beroemdheden; men weet niet altijd, waarom zekere, schoon overigens +groote, generaals zoo populair zijn geweest. Turenne werd door zijn +soldaten aangebeden, wijl hij de plundering veroorloofde; het vergunde +kwaad maakt een deel der goedheid uit; Turenne was zoo goed, dat hij +den Palz te vuur en te zwaard liet verwoesten. In het gevolg des legers +vond men meer of minder stroopers, naar gelang de bevelhebber min of +meer streng was. Hoche en Marcheau hadden geen "nakomers;" Wellington, +wij laten hem gaarne deze gerechtigheid wedervaren, had er weinig. + +Men plunderde evenwel in den nacht van den 18 op den 19 Juni de +dooden. Wellington was streng; hij beval ieder die op heeter daad +betrapt werd dood te schieten; maar de roof is hardnekkig. De stroopers +dreven in den eenen hoek van het slagveld hun spel, terwijl men hen +in den anderen doodschoot. + +De maan scheen akelig op de vlakte. + +Tegen middernacht sloop of liever kroop een man nabij den hollen +weg van Ohain. 't Was, naar alle waarschijnlijkheid, een derzulken, +welke wij zooeven geschetst hebben, noch Engelschman, noch Franschman, +noch boer, noch soldaat, veeleer een vampier dan een mensch, door +den reuk der lijken gelokt, voor wien diefstal overwinning was, en +gekomen om Waterloo te berooven. Hij was in een kiel gekleed, die iets +van een kapotjas had; onrustig en stoutmoedig ging hij voort, echter +telkens omziende. Wie was deze man? De nacht kende hem waarschijnlijk +beter dan de dag. Hij had geen ransel, maar blijkbaar groote zakken +onder zijn kapotjas. Van tijd tot tijd bleef hij staan, keek rondom +zich over de vlakte, als om te zien of hij ook werd opgemerkt, bukte +schielijk, verschoof iets zwijgends en onbewegelijks op den grond, +richtte zich weer op en ging verder. Zijn sluipende tred, zijn houding, +zijn haastige geheimzinnige beweging deden hem een dier avondspoken +gelijken, welke de bouwvallen bewonen, en waarvan de Normandische +legenden spreken. + +Sommige vogels vertoonen des nachts dergelijke gedaanten in de +moerassen. + +Een scherpe blik zou in die geheele schemering op eenigen +afstand, achter een vervallen huis, ter plaatse waar de weg van +Nivelles dien van Mont-Saint-Jean naar Braine-l'Alleud kruist, +een marketenterskarretje hebben bespeurd, met een kap van geteerd +twijgwerk, en bespannen met een hongerigen knol, die tusschen het +gebit brandnetels knabbelde, en in het karretje een soort van vrouw, +op kisten en pakken gezeten. Misschien bestond er wel betrekking +tusschen dit karretje en dien strooper. + +'t Was een heldere duisternis. Geen wolk was aan den hemel. Schoon +de aarde ook rood zij, de maan blijft wit. Zoo onverschillig is de +hemel in vele opzichten voor de aarde. Op de weiden wiegelden zich +in den avondwind de boomtakken, die de kogels gebroken, maar niet +afgeschoten hadden. Een koeltje, schier een ademtocht, bewoog de +struweelen. Het gras rilde, alsof er zielen uit opstegen. + +In de verte hoorde men flauw het komen en gaan der patrouilles en +rondes van het Engelsche legerkamp. + +Hougomont en la Haie Sainte brandden nog en vormden, het een in 't +westen, het ander in 't oosten, twee groote vlammen, waaraan zich, +als een snoer van losse robijnen, met twee karbonkels aan beide einden, +de rij der Engelsche wachtvuren sloot, die in een wijden halven kring +op de heuvelen in de verte verspreid waren. + +Wij hebben den rampspoed in den hollen weg van Ohain verhaald. Het +hart beeft als men aan dezen gruwzamen dood van zoovele dapperen denkt. + +Zoo er iets vreeselijks is, zoo er een werkelijkheid boven de +voorstelling gaat, is het dit: te leven, de zon te zien, in het +volle bezit van mannelijke kracht, gezond en vroolijk te zijn, +hartelijk te lachen, naar een roem te ijlen, dien men voor zich +ziet schitteren, zijn borst te voelen ademen, zijn hart te kloppen, +een redelijken wil te hebben, te spreken, te denken, te hopen, te +beminnen, een moeder, een gade, kinderen te hebben, het licht te zien, +en eensklaps, in den tijd van een kreet, in minder dan een minuut +in een afgrond te verzinken, te vallen, te rollen, te verpletteren, +verpletterd te worden, koornaren, bloemen, bladeren, takken te zien, +zonder zich aan iets te kunnen vasthouden, zijn sabel nutteloos, +mannen onder zich, paarden boven zich, vruchteloos worstelen, de +beenderen door 't spartelen van een paard in de duisternis gebroken, +de oogen uitgetrapt, te stikken, te wringen, te krijten, en te moeten +zeggen: zooeven leefde ik nog. + +Waar dit vreeselijk ongeluk had plaats gehad, was alles nu stil. De +holle weg was tot aan den kant der glooiingen met paarden en menschen +gevuld. Een ijselijke toestand. Er waren geen glooiingen meer, +de lijken maakten de vlakte gelijk met den hollen weg, die als +een korenmaat tot aan den rand vol was. Een hoop dooden van boven, +een stroom bloeds beneden, aldus was deze weg in den avond van 18 +Juni 1815. Het bloed stroomde tot op den straatweg van Nivelles en +vormde er een grooten plas vóór den hoop boomen, die den straatweg +versperde, op een plek welke men nog aanduidt. Men herinnere zich, +dat op het tegenovergestelde punt, naar den kant van Genappe, de ramp +der kurassiers had plaats gehad. De dikte van den hoop lijken was +geëvenredigd aan de diepte van den hollen weg. Omstreeks het midden, +ter plaatse waar hij vlakker werd en de divisie Delord was overgegaan, +was de hoop lijken dunner. + +De nachtelijke zwerver, dien wij den lezer hebben aangewezen, ging +naar die zijde. Hij doorsnuffelde dit groote graf. Hij hield een +afgrijselijke revue over deze dooden. Hij waadde door het bloed. + +Eensklaps stond hij stil. + +Eenige schreden voor hem, in den hollen weg, op het punt waar de hoop +dooden eindigde, kwam uit dien stapel menschen en paarden een open +hand te voorschijn, die door de maan beschenen werd. + +Aan een vinger van die hand zat iets dat glinsterde, een gouden ring. + +De man bukte, bleef een oogenblik gebogen, en toen hij zich oprichtte +was aan de hand geen ring meer. + +Hij richtte zich eigenlijk niet op, maar bleef in een schuwe, woeste +houding, met den rug naar de dooden gekeerd; hij boog het bovenlijf +omlaag en liet het op de vingers rusten, die op den grond steunden, +terwijl hij loerend het hoofd over den kant van den hollen weg stak. De +vier pooten van den jakhals passen voor sommige handelingen. + +Toen hij een besluit had genomen, richtte hij zich overeind. Op +'t zelfde oogenblik maakte hij schier een buiteling. Hij voelde, +dat men hem van achter vasthield. + +Hij keerde zich om; 't was de open hand, die zich gesloten en den +slip van zijn kapotjas gegrepen had. + +Een eerlijk man zou ontsteld zijn geweest. Deze lachte. + +"O," zeide hij, "'t is slechts de doode. Ik heb liever met een spook +dan met een gendarm te doen." + +Maar de hand verzwakte en liet los. Een inspanning duurt slechts kort +in het graf. + +"Ha," hernam de strooper, "is deze doode levend? Laat ons zien." + +Opnieuw bukte hij, woelde in den hoop, verwijderde wat hem hinderde, +greep de hand, omklemde den arm, maakte het hoofd vrij, trok aan +het lichaam, en eenige oogenblikken later sleepte hij in de schaduw +van den hollen weg een zielloos, althans bewusteloos, mensch. 't +Was een kurassier, een officier, zelfs een officier van voornamen +rang; een dikke gouden epaulet kwam uit zijn kuras te voorschijn; +de officier had geen helm meer. Een geweldige sabelhouw had zijn +gezicht gewond, waarop men enkel bloed zag. Overigens scheen geen +zijner leden gebroken te zijn; en door een gelukkig toeval, als wij +'t zoo mogen noemen, hadden de dooden een boog boven hem gevormd, +die hem voor verplettering behoed had. Zijn oogen waren dicht. + +Hij droeg op zijn kuras het zilveren kruis van het legioen van eer. + +De strooper rukte dit kruis af, 't welk in een der holen verdween, +die hij onder zijn kapotjas had. + +Daarna betastte hij 't horlogezakje van den officier, voelde een +horloge en nam het. Voorts onderzocht hij het vest, vond er een beurs +en stak ze in zijn zak. + +Toen hij zoo ver was gekomen met de hulp, welke hij den stervende +bracht, opende de officier de oogen. + +"Ik dank u," zeide hij flauw. + +De levendigheid der bewegingen van den man, die hem hanteerde, de +frischheid van den nacht, de vrijelijk ingeademde lucht hadden hem +uit zijn verdooving gewekt. + +De strooper antwoordde niet. Hij hief het hoofd op. Op de vlakte +hoorde men het gerucht van voetstappen, waarschijnlijk een naderende +patrouille. + +De officier stamelde, met de stem eens zieltogenden: + +"Wie heeft den slag gewonnen?" + +"De Engelschen," antwoordde de strooper. + +De officier hernam: + +"Zoek in mijn zakken. Ge zult er een beurs en een horloge vinden. Neem +ze." + +Dit was reeds geschied. + +De strooper deed alsof hij ze zocht en zeide: + +"Er is niets." + +"Dan heeft men mij bestolen." hernam de officier, "'t spijt mij. 't +Zou voor u zijn geweest." + +De voetstappen der patrouille werden steeds duidelijker. + +"Men nadert," zei de strooper, de beweging makende van zich te +verwijderen. + +De officier lichtte met moeite den arm op en hield hem tegen. + +"Gij hebt mij 't leven gered. Wie zijt ge?" + +De strooper antwoordde haastig en zacht: + +"Ik behoorde evenals gij tot het Fransche leger. Ik moet u +verlaten. Zoo men mij vatte, zou men mij dood schieten. Ik heb u het +leven gered. Help nu u zelven." + +"Welken rang hebt ge?" + +"Sergeant." + +"Hoe heet ge?" + +"Thénardier." + +"Ik zal dien naam niet vergeten," zei de officier. "En onthoud gij +den mijnen. Ik heet Pont-mercy." + + + + + + + +BOEK II. + +HET SCHIP DE ORION. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +NOMMER 24601 WORDT NOMMER 9430. + + +Jean Valjean was weder gevat. + +Men zal ons ten goede houden, dat wij haastig over smartelijke +bijzonderheden heenstappen. Wij zullen alleen twee berichtjes +overschrijven, die door de dagbladen werden gepubliceerd eenige +maanden na de verwonderlijke gebeurtenissen te M. sur M. + +Deze berichten zijn vrij beknopt. Men herinnere zich, dat op dat +tijdstip nog geen Gazette des Tribunaux bestond. + +Het eerste ontleenen wij aan de Drapeau blanc. Het draagt de +dagteekening van 25 Juli 1823. + +"--Een arrondissement van Pas-de-Calais is het tooneel eener +ongewone gebeurtenis geweest. Een vreemdeling in het departement, +Madeleine genoemd, had sedert eenige jaren, door een nieuwe wijze +van bewerking, een oude plaatselijke industrie, de fabricage van git +en zwart glaswerk, uit het verval opgeheven. Hij had er zijn fortuin +door gemaakt, en, men mag zeggen, ook dat van het arrondissement. Uit +dankbaarheid voor zijn diensten had men hem tot maire benoemd. Nu heeft +de politie ontdekt, dat Madeleine niemand anders was dan een voormalige +galeislaaf, die zijn ban heeft verbroken, in 1796 wegens diefstal +veroordeeld was en Jean Valjean heette. Jean Valjean is opnieuw naar +het bagno gezonden. Het schijnt, dat hij vóór zijn inhechtenisneming +bij den heer Laffitte een som van meer dan een half millioen, welke +hij er geplaatst had, heeft teruggenomen, welke som hij overigens, +zoo men zegt, eerlijk met zijn handel verdiend heeft. Men heeft +niet kunnen ontdekken waar Jean Valjean deze som heeft verborgen, +toen hij in het bagno van Toulon terugkwam." + +Het tweede meer uitvoerig bericht is ontleend aan het Journal de +Paris van dezelfde dagteekening: + +"--Een voormalig ontslagen galeislaaf, met name Jean Valjean, is +onder zeer opmerkelijke omstandigheden voor het hof van assises van +Var verschenen. Dezen booswicht was 't gelukt, aan de waakzaamheid +der politie te ontsnappen; hij had zijn naam veranderd en was er in +geslaagd, zich in een onzer kleine steden in het noorden tot maire te +doen benoemen. Hij had in die stad een vrij aanzienlijk handelshuis +gevestigd. Maar ten laatste is hij ontmaskerd en in hechtenis genomen, +dank zij den onvermoeiden ijver van het openbaar ministerie. Hij +had tot bijzit een publieke vrouw, die op het oogenblik zijner +gevangenneming van schrik overleden is. Deze ellendeling, die de +kracht van een reus bezit, had middel gevonden te ontvluchten, maar +drie of vier dagen na zijn vlucht vatte de politie hem opnieuw te +Parijs, juist toen hij in een der kleine rijtuigen steeg, die van +de hoofdstad naar het dorp Montfermeil (Seine-et-Oise) rijden. Men +zegt, dat hij zich dezen tijd van drie of vier dagen vrijheid ten +nutte had gemaakt om een aanzienlijke som, welke hij bij een onzer +voornaamste bankiers had geplaatst, terug te nemen. Men schat deze som +op zes- of zevenhonderd duizend francs. Hij zou ze, volgens de akte +van beschuldiging, begraven hebben op eene hem alleen bekende plek, +en men heeft ze niet kunnen ontdekken, hoe het zij, de genoemde Jean +Valjean is voor het hof van assises van het departement du Var gevoerd, +als beschuldigd van diefstal op den openbaren weg, gewapenderhand +gepleegd, nu omstreeks acht jaar geleden, op een dier eerlijke knapen, +die, gelijk de patriarch van Ferney in onsterfelijke dichtregelen zegt: + + + "--de Savoie arrivent tous les ans + "Et dont la main légèrement essuie + "Ces longs canaux engorgés par la suie. [3] + + +"Deze bandiet heeft geweigerd zich te verdedigen. 't Is door het +bekwaam en welsprekend orgaan van het openbaar ministerie bewezen, +dat de dief medeplichtigen had en Jean Valjean tot een bende dieven +van 't zuiden behoorde. Bijgevolg is Jean Valjean schuldig verklaard +en tot de straffe des doods veroordeeld. De misdadiger had geweigerd +zich in cassatie te voorzien. De koning heeft, in zijn onuitputtelijke +goedertierenheid, zich verwaardigd zijn straf te verzachten en ze in +eeuwigdurenden dwangarbeid te veranderen. Jean Valjean is terstond +naar het bagno van Toulon overgebracht." + +Men zal niet vergeten hebben, dat Jean Valjean te M. sur M. de +plichten van zijnen godsdienst trouw vervulde. Sommige dagbladen, +onder andere de Constitutionnel, stelden deze verzachting van straf +voor als het werk der priesterpartij. + +Jean Valjean kreeg in het tuchthuis een ander nommer. Hij heette 9430. + +Zeggen wij overigens, om er niet op terug te komen, dat met Madeleine +ook de bloei van M. sur M. verdween; al wat hij had voorzien in dien +bewusten radeloozen nacht verwezenlijkte zich; toen hij weg was, +was inderdaad de ziel weg. Na zijn val volgde te M. sur M. die +zelfzuchtige verdeeling van gevallen grootheid, die noodlottige +verbrokkeling van bloeiende zaken, welke dagelijks onopgemerkt in +de menschelijke maatschappij voorkomt, en waarvan de geschiedenis +alleen melding heeft gemaakt, toen zij na den dood van Alexander +plaats had. De onderbevelhebbers werpen zich tot koningen op; de +meesterknechts maken zich tot fabrikanten. Afgunstige mededinging +verhief zich. De groote werkplaatsen van Madeleine werden gesloten; +de gebouwen vervielen; de werklieden verstrooiden zich. Eenigen +verlieten het oord, anderen het beroep. Nu werd alles in 't klein, +in plaats van in 't groot, gedreven; voor 't eigen voordeel, in +plaats van voor 't algemeen welzijn. Er was geen middelpunt meer; +overal concurrentie en vijandigheid. De heer Madeleine had alles +beheerscht en bestierd. Nu hij was gevallen, haalde ieder wat hij +kon; de geest van strijd verving den geest van samenwerking; ruwheid +de hartelijkheid, onderlinge haat de welwillendheid des stichters +jegens een ieder; de door Madeleine geweven draden raakten verward en +braken; men vervalschte de fabrikaten, het fabrikaat werd slechter, +het vertrouwen hield op, het vertier nam af, het loon verminderde, +het werk werd gestaakt, de zaak ging op de flesch. Voor de armen +bleef niets meer. Alles verdween. + +Zelfs de Staat bespeurde, dat ergens iets vernietigd moest zijn. Eer +vier jaren verloopen waren na het vonnis van het hof van assises, +dat de identiteit van Madeleine en van Jean Valjean uitsprak, waren +de vervolgingskosten ter inning der belastingen in het arrondissement +M. sur M. verdubbeld; in de maand Februari 1827 maakte de heer Villèle +deze opmerking in de Kamer. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +WAARIN MEN TWEE DICHTREGELS ZAL LEZEN, DIE MISSCHIEN VAN DEN DUIVEL +ZIJN. + + +Voor wij verder gaan is 't noodig, eenigszins omstandig een zonderling +feit te verhalen, 't welk te zelfder tijd te Montfermeil plaats had +en misschien niet zonder invloed was op zekere gissingen van het +openbaar ministerie. + +In de omstreken van Montfermeil bestaat een zeer oud bijgeloof, te +vreemder en merkwaardiger, wijl een volksbijgeloof in de nabuurschap +van Parijs als een aloë in Siberië is. Wij behooren tot degenen die +achting voor zeldzame planten hebben. Het bijgeloof van Montfermeil +bestaat hierin: sinds onheugelijke tijden gelooft men, dat de duivel de +bosschen kiest om er zijn schatten te begraven. Oude vrouwen beweren +dat het niet zeldzaam is tegen den avond, in afgelegen hoeken van +het bosch, een zwarten man te ontmoeten, die het voorkomen van een +voerman of houthakker heeft, met klompen aan de voeten, gekleed in een +linnen broek en kiel, en herkenbaar aan twee groote hoorns, in plaats +van muts of hoed op het hoofd. Inderdaad, dit moet hem wel kenbaar +maken. Deze man is gewoonlijk bezig met een kuil te graven. Men kan +zich op drieërlei wijze bij zulk eene ontmoeting gedragen. Vooreerst, +door tot den man te gaan en hem aan te spreken. Dan ziet men dat de +man eenvoudig een boer is, dat hij zwart schijnt, omdat het avond is, +dat hij volstrekt geen kuil graaft, maar gras voor zijn koeien snijdt, +en dat zijn gewaande hoorns niets anders zijn dan een mestvork, +die hij op den rug draagt en wier tanden, op een afstand gezien, +uit zijn hoofd schijnen te komen. Men gaat naar huis en sterft binnen +een week. De tweede wijze is, hem gade te slaan, te wachten tot hij +zijn kuil gegraven, dien weder dicht gemaakt heeft en heen is gegaan: +dan haastig naar den kuil te loopen, dien te openen, en den "schat" +er uit te halen, dien de zwarte man er noodwendig heeft in gelegd. In +dat geval sterft men binnen een maand. Eindelijk de derde manier is, +den zwarten man niet toe te spreken, hem niet aan te zien en zoo snel +mogelijk weg te loopen. Men sterft dan binnen een jaar. + +Aangezien alle drie manieren hare bezwaren hebben, wordt de tweede, die +ten minste eenige voordeelen biedt, onder anderen dat van--al is het +slechts gedurende een maand--een schat te bezitten, het meest gevolgd. + +Naar men verzekert hebben stoutmoedige mannen zich dikwijls door de +kans laten verlokken, om de door den zwarten man gegraven kuilen weder +te openen en den duivel te bestelen. Het schijnt dat de uitkomst weinig +bevredigend is. Ten minste zoo men de overlevering mag gelooven, +en inzonderheid de beide raadselachtige versregels in barbaarsch +Latijn, omtrent deze zaak nagelaten door een Normandischen monnik, +die min of meer toovenaar was, Tryphon geheeten. Deze Tryphon is in +de abdij van St. Georges de Bocherville bij Rouaan begraven en op +zijn graf worden padden geboren. + +Men doet dus groote inspanningen; deze kuilen zijn gewoonlijk zeer +diep; men zweet, delft, werkt den geheelen nacht, want dit geschiedt +'s nachts; het hemd wordt nat, de kaars verbrandt, de spade wordt +bot, en wanneer men op den bodem van den kuil is gekomen, wanneer men +de hand op den "schat" legt, wat vindt men? wat is de schat van den +duivel? een stuiver, soms een kroonstuk; een steen, een geraamte, een +bloedend lijk, vaak een spook als een blad papier in een portefeuille +in vieren gevouwen, soms niets. Dit schijnen de versregels van Tryphon +den onbescheiden nieuwsgierigen aan te kondigen: + + + Fodit, et in fossa thesauros condit opaca, + As, nummos, lapides, cadaver, simulacra nihilque. + + +'t Schijnt dat men er in onze dagen ook nu eens een kruithoorn met +kogels, dan weder een oud, smerig en gebrand spel speelkaarten vindt, +dat duidelijk den duivels heeft gediend. Tryphon spreekt van deze +beide dingen niet, wijl Tryphon in de twaalfde eeuw leefde en de +duivel niet zoo leep schijnt geweest te zijn het buskruit vóór Roger +Bacon en de speelkaarten vóór Karel VI uitgevonden te hebben. + +Overigens is men zeker, dat, zoo men met deze kaarten speelt, men +alles verliest wat men bezit; en het buskruit in den hoorn heeft de +eigenschap, dat het u 't geweer in 't gezicht doet springen. + +Korten tijd nu, na het aan 't openbaar ministerie geschenen had, dat +de ontslagen galeislaaf Jean Valjean, gedurende zijn korte vlucht van +weinige dagen, om Montfermeil had gezworven, merkte men in dit dorp op, +dat een zekere oude wegwerker, Boulatruelle geheeten, druk het bosch +bezocht. Men meende in het oord te weten, dat Boulatruelle in het +bagno was geweest; hij was eenigerwijs onder toezicht der politie, en +wijl hij nergens werk vond, gebruikte het bestuur hem tegen verminderd +loon als wegwerker aan den binnenweg van Gagny naar Lagny. + +Deze Boulatruelle was een man, die door de lieden van het dorp schuins +werd aangezien; hij was al te onderdanig, te deemoedig, te gereed +om voor ieder de pet af te nemen, bevende en glimlachende tegen de +gendarmes, en stond, meende men, waarschijnlijk met dievenbenden in +betrekking, en in verdenking van zich 's avonds in 't kreupelhout in +hinderlaag te leggen. + +Men meende 't volgende te hebben opgemerkt: + +Sedert eenigen tijd verliet Boulatruelle vroegtijdig zijn arbeid bij +'t bepuinen en in orde houden van den weg, om met zijn spade naar het +bosch te gaan. Men ontmoette hem tegen den avond op de eenzaamste +plaatsen, in het dichtste houtgewas, met het voorkomen alsof hij +iets zocht, en soms bezig kuilen te graven. De oude vrouwen die +voorbijgingen hielden hem aanvankelijk voor Beëlzebub, doch spoedig +herkenden zij Boulatruelle en waren hier weinig geruster om. Deze +ontmoetingen schenen Boulatruelle schrikkelijk te hinderen. 't Was +duidelijk, dat hij zich trachtte te verbergen en iets geheimzinnigs +uitvoerde. + +Men zeide in het dorp:--Zekerlijk heeft de duivel zich +vertoond. Boulatruelle heeft hem gezien en zoekt. Hij is er wel +toe in staat om Lucifer zijn schat te ontkapen.--De Voltairianen +voegden er bij: Zal Boulatruelle den duivel beet hebben of de duivel +Boulatruelle?--De oude vrouwen kruisten zich ijverig. + +Intusschen hielden de bezoeken van Boulatruelle in het bosch op, en hij +was weer geregeld aan zijn wegarbeid. Men sprak weer van iets anders. + +Er waren echter eenige nieuwsgierigen gebleven, die meenden dat niet +de fabelachtige schatten der legende hierin betrokken waren, maar +een goede, degelijker en tastbaarder vond dan de bankbriefjes van den +duivel, en waarvan de wegwerker waarschijnlijk half en half het geheim +had ontdekt. De meest belangstellenden waren de schoolmeester en de +kroeghouder Thénardier, die gaarne de vriend van ieder wilde zijn en +'t niet versmaad had met Boulatruelle te verkeeren.--Hij is wel op +de galeien geweest, zeide Thénardier, maar mijn hemel, men weet niet +wie daar is, of wie er nog komen zal! + +Op zekeren avond betuigde de schoolmeester, dat de justitie vroeger +wel onderzocht zou hebben wat Boulatruelle in het bosch ging doen, +dat hij wel had moeten spreken, dat men hem desnoods op de pijnbank +zou hebben gebracht, en dat Boulatruelle bij voorbeeld de waterproef +niet zou hebben doorstaan.--Laten wij hem aan de wijnproef onderwerpen, +zei Thénardier. + +Men maakte alles gereed en deed den ouden wegwerker +drinken. Boulatruelle dronk ontzaggelijk veel en sprak weinig. Hij +vereenigde, met wonderbare knapheid en in een meesterlijke +verhouding, den dorst van een zwelger met de stilzwijgendheid van +een rechter. Evenwel, door herhaalde aanvallen, en door de weinige +onduidelijke woorden welke hem ontsnapten samen te voegen en te +verbinden, meenden Thénardier en de schoolmeester het volgende begrepen +te hebben: + +Boulatruelle zou op zekeren ochtend, dat hij zich bij het krieken +van den dag naar zijn werk begaf, verrast zijn geworden door in een +hoek van het bosch onder 't kreupelhout een schop en een houweel +te vinden, die daar zoo 't scheen verborgen waren. Hij had evenwel +gemeend, dat het waarschijnlijk de schop en het houweel van den ouden +Six-Fours, den waterdrager, waren, en hij had er niet verder over +gedacht. Maar des avonds van denzelfden dag zou hij, zelf onbemerkt, +daar hij achter een dikken boom verscholen stond, een man hebben +gezien, die zich van den weg naar het dichtst van het bosch begaf, +"en welke man volstrekt niet uit de omstreken was, maar dien hij, +Boulatruelle, zeer goed kende." Thénardier's vertaling hiervan was: +"Een makker uit het bagno." Boulatruelle had hardnekkig geweigerd den +naam te zeggen. Deze vreemde droeg een pakje, een vierkant voorwerp, +als een groote doos of klein kistje. Boulatruelle was verwonderd. 't +Was echter eerst na zeven of acht minuten, dat de gedachte bij hem +opkwam den man te volgen. Maar 't was te laat, de man was reeds in +het dichte houtgewas; het was donker geworden, en Boulatruelle had +hem niet kunnen vinden. Toen had hij besloten aan den kant van 't +bosch te wachten. 't Was lichte maan. Twee of drie uren later had +Boulatruelle zijn man uit het kreupelhout zien komen, die nu geen +kistje, maar een spade en een houweel droeg. Boulatruelle had den +man laten voorbijgaan, maar durfde hem niet aanspreken, omdat hij +bij zich zelven zeide, dat de andere driemaal sterker was dan hij, en +met een schop gewapend, zoodat hij hem waarschijnlijk zou doodslaan, +wanneer hij hem herkende en zich herkend zag. Een teedere opwelling +van twee oude makkers, die elkander wedervinden! Maar de spade en het +houweel waren voor Boulatruelle een lichtstraal geweest; hij was naar +het struikgewas van des ochtends geijld, doch had er noch spade noch +houweel meer gevonden. Daaruit had hij besloten, dat zijn man in het +bosch was gegaan om met het houweel een gat te graven, het koffertje +er in verborgen, en het gat met de spade dicht gemaakt had. Nu was +het koffertje te klein om een lijk te bevatten, het moest dus geld +bevatten. Tengevolge daarvan zijn navorschingen. Boulatruelle had +het geheele bosch onderzocht, doorsnuffeld, en overal waar de aarde +hem versch omgewoeld scheen, ze opgegraven. Vruchteloos. + +Hij had niets gevonden. Niemand dacht er meer aan in +Montfermeil. Slechts eenige oude vrouwen zeiden: Wees verzekerd, dat +de wegwerker van Gagny al die moeite niet voor niets heeft gedaan; +de duivel is er bij in 't spel. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ER MOET AAN DE KETEN VOORAF IETS GESCHIED ZIJN, OM MET ÉÉN HAMERSLAG +TE SPRINGEN. + + +Tegen het einde van October van hetzelfde jaar 1823 zagen de inwoners +van Toulon, tengevolge van hevig stormweder, en om eenige averij te +herstellen, het schip de Orion hun haven binnenloopen, welk schip +later te Brest tot exercitie-schip diende, maar toen tot het eskader +der Middellandsche zee behoorde. + +Dit vaartuig, hoe ontredderd het was, want de zee had het deerlijk +geteisterd, verwekte opzien toen het ter reede kwam. Ik weet niet +meer welke vlag het voerde, die het een voorgeschreven saluut van elf +schoten bezorgde, welke door het schip schot voor schot beantwoord +werden: in 't geheel dus twee en twintig schoten. Men heeft berekend, +dat voor salvo's, koninklijke en militaire eerbewijzen, wisseling van +beleefd rumoer, etiquette-seinen, reede- en vestingsformaliteiten, +de dagelijksche begroeting van het op- en ondergaan der zon door de +vestingen en de oorlogsschepen, het openen en sluiten der havens +enz. enz. door de beschaafde wereld over de geheele aarde elke +vier-en-twintig uren honderd vijftig duizend nuttelooze kanonschoten +met los kruit worden gedaan. Tegen zes francs het schot berekend, +komt dit op negenhonderd duizend francs daags, driehonderd millioen 's +jaars, die in rook vergaan. Dit is slechts een staaltje. In denzelfden +tijd sterven er, wie weet hoeveel armen van honger. + +Het jaar 1823 was, wat de restauratie het tijdvak van den "Spaanschen +oorlog" heeft genoemd. + +Deze oorlog bevatte vele gebeurtenissen in één enkele, en een +menigte zonderlingheden. Een gewichtige familiezaak voor het huis +van Bourbon; de Fransche tak hielp en beschermde den Madridschen +tak, dat wil zeggen, hij deed zich als de oudere gelden; 't was een +schijnbare terugkeer tot onze nationale overleveringen, gepaard aan +de dienstbaarheid en onderwerping der noordsche kabinetten; de hertog +van Angoulême, door de liberale bladen "de held van Andujar genoemd," +met een zegevierende houding, die eenigszins met zijn vreedzaam +voorkomen in tegenspraak was, het oude wezenlijke schrikbewind van het +heilige officie bedwingend, dat met het hersenschimmig schrikbewind +der liberalen handgemeen was; de sansculottes tot grooten schrik +der douairières onder den naam van descamisados herrijzend; het +koningschap zich tegen den vooruitgang, met den naam van anarchie +bestempeld, verzettend; de theorieën van 89 plotseling tot onder den +grond afgebroken; een Europeesche stilstand aan de Fransche idee, +die de wereld rondgaat, toegeroepen; aan de zijde van den zoon van +Frankrijk, als generalissimus, de prins van Carignan, later Karel +Albert, die in dezen kruistocht der koningen tegen de volken als +vrijwilliger met roode wollen grenadiers epauletten dienst neemt; de +soldaten van het Keizerrijk weder te veld gaande, maar na acht jaren +rust, verouderd, somber en met de witte kokarde; de driekleurige vlag +in den vreemde door een heldhaftig hoopje Franschen opgestoken, zooals +dertig jaren vroeger de witte vlag te Coblentz werd gedaan; de monniken +onder onze soldaten gemengd; de geest van vrijheid en nieuwheid door de +bajonetten tot rede gebracht; de beginselen met kanonschoten vastgezet; +Frankrijk door zijn wapenen vernietigende, wat het door zijn geest +had opgericht; overigens, de vijandelijke opperhoofden omgekocht, de +soldaten aarzelend, de steden belegerd door millioenen; geen militaire +gevaren en toch ontploffingen mogelijk, evenals in elke mijn, die +verrast en genomen wordt; weinig bloed vergoten, weinig eer verworven, +schande voor eenigen, glorie voor niemand; zoodanig was deze oorlog, +begonnen door vorsten, die afstamden van Lodewijk XIV, en geleid door +generaals, die afkwamen van Napoleon. Zij had het treurige lot, noch +den grooten oorlog, noch de groote politiek in herinnering te brengen. + +Eenige wapenfeiten waren van beteekenis; de inneming van het Trocadero +o. a. was een schoone militaire daad; maar over 't algemeen geven +de trompetten van dien oorlog een gebarsten geluid, het geheel +was verdacht, de geschiedenis erkent Frankrijk's moeilijkheid in +de aanneming van den valschen triomf. Het bleek klaar, dat sommige +Spaansche officieren met den weerstand belast, te gemakkelijk toegaven, +het idée van omkooping plaatste zich naast de overwinning; het scheen, +dat men eerder de generaals dan de veldslagen had gewonnen, en de +overwinnende keerde beschaamd terug. Een treurige oorlog waarlijk, +waarin men Bank van Frankrijk lezen kon in de plooien der vlag! + +Soldaten uit den oorlog van 1808, op wie Saragossa geweldig inéén was +gestort, fronsten de wenkbrauwen in 1823 bij de gemakkelijke opening +der citadellen, en begonnen Palafox te betreuren. + +En nog een gezichtspunt is er, dat zeer in 't oog moet worden gevat: +deze oorlog, die den militairen geest neerdrukte, verontwaardigde +dien der democratie. Het was een poging tot onderwerping, tot +dienstbaarmaking. In dien veldtocht was het doel van den Franschen +soldaat, zoon der democratie, de overwinning van een juk voor +anderen. Afschuwelijke tegenstrijdigheid. + +Frankrijk is er voor aangewezen, om den geest der volkeren op +te wekken, niet om dien te verstikken. Sedert 1792 zijn alle +revoluties van Europa de Fransche Revolutie; de vrijheid straalt +uit van Frankrijk. De vrijheid is daar de zon. Wie het niet ziet, +is blind! Napoleon heeft het gezegd. + +De oorlog van 1823, aanslag op de edelmoedige Spaansche natie, was +dus tevens een aanslag op de Fransche Revolutie. En deze weg van +monsterachtig geweld werd door Frankrijk ingeslagen; door geweld; +want, buiten en behalve de bevrijdingsoorlogen, geschiedt alles +wat de legers doen door geweld. Het woord lijdelijke gehoorzaamheid +duidt het aan. Een leger is een vreemd meesterstuk van samenstel, +waarin de kracht en de macht het gevolg is eener enorm groote som +van onmachtige grootheden. Zoo laat zich de oorlog verklaren, door +de menschheid tegen de menschheid gevoerd, ondanks de menschelijkheid. + +Wat de Bourbons betreft, hun was de oorlog van 1823 noodlottig. Zij +hielden hem voor een succes. Zij zagen niet, welk gevaar er in is +gelegen, een idée te laten dooden door een wachtwoord. Zij vergisten +zich in die mate, dat ze, onnoozel genoeg, in hun staatsinstelling als +krachtselement opnamen de onberekenbare verzwakking van een misdaad. De +geest van misleiding en verraad kwam in hun politiek. De kiem van 1830 +ligt in 1823. De veldtocht van Spanje werd in hun raadsvergaderingen +een argument voor de Coup's de force en voor de avonturen van het +goddelijk recht. Frankrijk, dat el rey neto hersteld had in Spanje, +kon daar ook den absoluten koning herstellen. Zij vervielen in die +jammerlijke dwaling, dat ze de gehoorzaamheid van den soldaat voor +de toestemming der natie hielden. Dat vertrouwen is de ondergang der +tronen. Men mag evenmin inslapen in de schaduw van een leger als in +die van een giftappelboom. + +Maar laten we tot de Orion terugkeeren. + +Gedurende de operaties van het leger, aangevoerd door den +prins-generalissimus, kruiste een escader in de Middellandsche +Zee. We zeiden reeds dat de Orion bij dat escader hoorde en dat +het door verschillende zee-omstandigheden in de haven van Toulon +was teruggevoerd. + +De aanwezigheid van een oorlogsschip in een haven heeft steeds zeker +iets, dat de menigte lokt en bezig houdt. + +Het komt omdat het iets grootsch is, en de menigte het grootsche +bemint. + +Een linieschip is een der heerlijkste samenwerkingen van het +menschelijk genie met de macht der natuur. + +Een linieschip is samengesteld uit het zwaarste en het lichtste tevens, +wijl het tegelijkertijd met de drie vormen der stof te doen heeft, +met den vasten, vloeibaren en luchtvormigen, en met alle drie moet +worstelen. Het heeft elf ijzeren klauwen om het graniet op den bodem +der zee te grijpen, en meer vleugels en vliezen dan eenig insect, +om den wind in de wolken te vatten. Zijn adem komt uit zijn honderd +twintig kanonnen als uit groote klaroenen, en komt met den donder +overeen. De oceaan tracht het te doen verdwalen in de vreeselijke +gelijkheid zijner golven, maar het schip heeft zijn ziel, zijn kompas, +die het raad geeft en immer het noorden wijst. In donkere nachten +vervangen zijn lantaarns de sterren. Het heeft dus touw en doek tegen +den wind, hout tegen het water, ijzer, koper en lood tegen de rots, +licht tegen de duisternis, een wijzer tegen de onmetelijkheid. + +Om zich een denkbeeld te maken van al de reusachtige verhoudingen, wier +geheel het linieschip vormt, behoeft men slechts een der overdekte +hellingen van zes verdiepingen van Brest of van Toulon binnen te +gaan. De daar in aanbouw zijnde schepen staan om zoo te zeggen onder +een stolp. Die reusachtige balk is een ra; deze groote, op den grond +liggende, schier onafzienbare kolom is de groote mast. Van zijn wortel +in de kiel tot aan zijn top in de wolken is hij zestig vademen lang, +en aan zijn basis drie voet in middellijn. De groote Engelsche mast +verheft zich tweehonderd zeventien voet boven de waterlinie. In +vroegeren tijd gebruikte de marine kabels, thans kettingen. De enkele +stapel kettingen op een schip van honderd stukken is vier voet hoog, +twintig voet lang, acht voet breed. En hoeveel hout is er noodig om +zulk een schip te maken? Drie duizend wissen, (vierkante ellen). 't +Is een drijvend woud. + +En, men bedenke wel, wij spreken hier slechts van het oorlogsschip +van voor veertig jaren, van het gewone zeilschip; de stoom, toen in +haar geboorte, heeft sedert nieuwe mirakelen gevoegd bij dat wonder, +'t welk een oorlogsschip heet. Op dit oogenblik, bij voorbeeld, is +het zeil- en stoomschip een wonderbare machine, voortgestuwd door +een zeilwerk van drie duizend vierkante ellen oppervlakte en een +stoomvermogen van twee duizend vijfhonderd paardekrachten. + +Zonder van deze nieuwe wonderen te spreken, is zelfs het oude schip van +Christophorus Columbus en de Ruyter een der grootste kunstgewrochten +van den mensch. Zijn kracht is onuitsprekelijk als het oneindige, +het bewaart den wind in zijn zeilen, het beweegt zich met juistheid +in de ontzaggelijke verwarring der golven; het drijft en heerscht. + +Evenwel komt een oogenblik, dat de rukwind deze zestig voet lange ra +als een stroohalm breekt, dat de storm dezen vierhonderd voet hoogen +mast als een riet buigt; dat dit anker 't welk tien duizend pond weegt, +in den muil der baren gekromd wordt als de vischangel in de kieuwen +van een snoek; dat deze monsterachtige kanonnen een jammerend maar +vruchteloos gebrul slaken, 't welk de orkaan in de lucht en den nacht +wegvoert; dat al deze macht, al deze majesteit in een hoogere macht +en majesteit verdwijnen. + +Wanneer een ontzaggelijke kracht zich ontwikkelt om in een +ontzaggelijke zwakheid onder te gaan, trekt dit de aandacht des +menschen. Daardoor worden in de zeehavens de nieuwsgierigen, zonder +dat zij er zich zelven rekenschap van geven, tot deze wonderbare +werktuigen van den oorlog en de zeevaart gelokt. + +Alzoo waren dagelijks van 's morgens tot 's avonds de kaden en de +havenhoofden van Toulon bedekt met een aantal nieuwsgierigen en +straatslijpers, om naar de Orion te kijken. + +Sinds lang was de Orion een uitgediend schip. Op zijn vorige tochten +hadden zich dikke schelplagen aan zijn kiel gehecht, zoodat het +de helft van zijn snelheid had verloren; ten vorigen jare was +het op het droog gehaald om de schelpen er af te krabben, en toen +was het weder in zee gelaten. Maar deze afkrabbing had de bouten +der kiel beschadigd. Op de hoogte der Balearische eilanden had de +sluitrand sterk gewerkt en zich geopend, en dewijl destijds nog geen +ijzeren bekleedingen bestonden, was het schip lek geworden. Een dier +hevige evennachtsstormen had aan bakboordszijde het galjoen en een +geschutpoort ingeslagen, en de fokkemast beschadigd. Tengevolge dezer +averij was de Orion naar Toulon teruggekeerd. + +Het schip lag bij het Arsenaal vertuid. Het was nog gewapend en men +was bezig het te herstellen. De romp was aan stuurboordzijde niet +beschadigd, maar, naar gewoonte, was de buitenhuid hier en daar +geopend om lucht in 't hol te laten. + +Op zekeren ochtend waren de toeschouwers getuigen van een ontzettend +ongeluk. + +De equipage was bezig met de zeilen te reven. De matroos, wien gelast +was het groote marszeil aan stuurboordzijde te vatten, verloor het +evenwicht. Men zag hem waggelen: de menigte op de kade van het arsenaal +verzameld slaakte een kreet, het hoofd sleepte het lichaam mede, de +man draaide om de ra met de handen naar den afgrond gekeerd; hij greep +in zijn val eerst met de eene, toen met de andere hand de ralijn en +bleef er aan hangen. De zee was tot een duizelingwekkende diepte onder +hem. De schok van zijn val had aan de ralijn een geweldig schommelende +beweging gegeven. De man slingerde aan dat touw heen en weder. + +'t Was ontzettend gevaarlijk hem te hulp te komen. Geen der matrozen, +allen kustvisschers, die eerst onlangs in dienst waren gekomen, durfde +het wagen. Intusschen werd de ongelukkige matroos vermoeid; men kon +zijn doodsangst wel niet op zijn gezicht zien, doch aan al zijn leden +bespeurde men uitputting. Zijn armen rekten zich vreeselijk. Iedere +poging, welke hij deed om zich op te werken, diende slechts om de +ralijn te meer te doen slingeren. Hij schreeuwde niet, ten einde geen +kracht te verliezen. Men verwachtte elk oogenblik niets anders dan +hem het touw te zien loslaten, en telkens draaiden zich de hoofden +om, ten einde hem niet te zien vallen. Er zijn oogenblikken, dat +een eind touw, een staak, een boomtak het leven zelf is, en 't is +vreeselijk om te zien, dat een levend wezen het loslaat en als een +rijpe vrucht neervalt. + +Eensklaps zag men een man met de vlugheid van een kat in het want +klimmen. Deze man was in 't rood gekleed; hij was dus een galeislaaf; +hij had een groene muts op, dus een levenslang veroordeelde. Ter +hoogte der mars gekomen, wierp een windvlaag hem de muts af en deed +een geheel wit hoofd zien; hij was dus niet jong. + +Inderdaad, een tuchteling, die met anderen uit het bagno op het schip +voor eenigen arbeid werd gebruikt, was dadelijk naar den officier van +de wacht geijld, en onder de verwarring en ontsteltenis der geheele +equipage, terwijl alle matrozen huiverden en terugtraden, had hij +den officier verlof gevraagd zijn leven te mogen wagen om den man te +redden. Op een toestemmend gebaar van den officier had hij met éénen +hamerslag de keten, waaraan zijn been was geboeid, stuk geslagen; +daarna greep hij een touw en had zich in 't want geslingerd. Niemand +had opgemerkt hoe gemakkelijk de keten stuk geslagen was. Eerst later +herinnerde men zich dit. + +In een oogenblik was hij op de ra. Hij hield eenige seconden stil en +scheen ze met zijn blik te meten. Deze seconden, gedurende welke de +wind den matroos aan een draad schommelde, schenen eeuwen voor hen die +'t aanschouwden. Eindelijk hief de tuchteling de oogen ten hemel en +deed een stap vooruit. De menigte ademde ruimer. Men zag hem over de ra +gaan. Toen hij aan 't eind was gekomen, bond hij een touw, dat hij had +medegebracht, er aan vast en liet het andere eind hangen; vervolgens +liet hij zich langs dit touw afglijden en in doodelijken angst zag +men nu, in plaats van één, twee menschen boven den afgrond hangen. + +'t Was als een spin, die zich op een vlieg werpt, maar hier bracht +de spin het leven en niet den dood. Duizenden oogen waren op deze +groep gericht. Geen kreet, geen woord, een gelijke siddering fronste +aller wenkbrauwen. Aller monden hielden den adem in, als vreesden zij +het minste tochtje te voegen bij den wind, die de beide rampzaligen +bengelde. + +'t Was intusschen den tuchteling gelukt tot den matroos te dalen, +'t was ook tijd; een minuut langer en de uitgeputte, wanhopende man +zou zich in den afgrond hebben laten vallen; de tuchteling had hem +stevig aan het touw vastgebonden, waaraan hij zich met de eene hand +hield, terwijl hij met de andere zich opwerkte. Eindelijk zag men +hem weder op de ra klauteren en den matroos ophijschen; hij liet +hem hier een oogenblik rusten om hem zijn krachten te doen hernemen; +vervolgens nam hij hem in zijn armen en droeg hem over de ra tot aan +het ezelshoofd, en van daar in de mars, waar hij hem in de handen +zijner kameraden gaf. Op dit oogenblik brak een levendig gejuich uit, +oude galei-opzichters weenden, vrouwen vlogen elkander op de kade om +den hals; en men hoorde uit aller mond, met een soort van verteederde +woede den kreet: genade voor dien man! + +Hij was intusschen terstond naar beneden geklommen, om zijn werk te +hervatten. Om er te spoediger te zijn, liet hij zich langs het want +glijden en liep over een benedenra. Aller oogen volgden hem. Een +oogenblik schrikte men; hetzij dat hij vermoeid was, hetzij dat hij +duizelde, men meende hem te zien aarzelen en waggelen. Eensklaps +slaakte de menigte een luiden kreet; de tuchteling was in zee gevallen. + +Een gevaarlijke val. Het fregat de Algesiras lag naast de Orion +en de arme tuchteling was tusschen beide schepen gevallen. Het was +te vreezen, dat hij onder het eene of het andere zou drijven. Vier +mannen sprongen haastig in een sloep. De menigte moedigde hen aan; +opnieuw waren alle harten in angst. De man was niet weer boven +water gekomen. Hij was in de zee gevallen zonder een rimpel achter +te laten, als ware hij in een ton olie gevallen. Men peilde, men +dook. Vruchteloos. Men zocht tot den avond; men vond zelfs het +lichaam niet. + +Den volgenden dag bevatte het dagblad van Toulon deze weinige +regelen:--"17 November 1823.--Gisteren is een tuchteling, die aan +boord van den Orion op corvée was, nadat hij een matroos uit een +doodsgevaar had gered, in zee gevallen en verdronken. Men heeft +zijn lijk niet kunnen wedervinden. Men vermoedt dat hij onder de +palen aan den kant van 't Arsenaal is geraakt. Deze man stond in +'t gevangenisregister onder No. 9430 en heette Jean Valjean." + + + + + + + +BOEK III. + +VERVULLING VAN DE BELOFTE AAN DE STERVENDE GEDAAN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE WATERTOESTAND TE MONTFERMEIL. + + +Montfermeil ligt tusschen Livry en Chelles op den zuidelijken zoom van +het hooge bergplat, dat de Ourque van de Marne scheidt. Tegenwoordig +is het een tamelijk groot dorp, dat het geheele jaar door met witte +villa's, en des Zondags met uitgedoste burgers versierd is. In +1823 zag men te Montfermeil noch zoovele witte huizen, noch zooveel +vergenoegde burgers: 't was niets dan een dorp in een bosch. Men vond +er wel hier en daar eenige lusthuizen der vorige eeuw, herkenbaar +aan hun grootsch voorkomen, hun ijzeren balkons en hooge vensters, +wier kleine glasruiten op de witte gesloten blinden allerlei soort +van groene kleur vertoonen. Montfermeil was evenwel een dorp. De +rentenierende ex-winkeliers en de minnaars van het landleven hadden +het nog niet ontdekt. 't Was een vreedzaam, bekoorlijk oord, waar +geen enkele weg langs liep; men leefde er goedkoop op landelijke +wijs, onbekrompen en gemakkelijk. Alleen het water was er schaarsch, +uithoofde der hooge ligging. + +Het moest tamelijk ver gehaald worden. Het einde van het dorp aan de +zijde van Gagny putte zijn water uit de heerlijke vijvers, die daar +in het bosch zijn; het andere einde, dat de kerk omgeeft, en aan de +zijde van Chelles ligt, vond geen drinkbaar water dan aan een kleine +bron, halfweg Chelles, bijna een kwartier van Montfermeil. + +'t Was voor ieder gezin dus een moeielijk werk zich van 't benoodigde +water te voorzien. De groote huizen, de aristocratie, de kroeg +van Thénardier behoorde hier ook onder, betaalden een oordje voor +iederen emmer aan een ouden man, die hieruit een bestaan maakte, +en die met dit waterbedrijf ongeveer acht stuivers daags verdiende; +maar deze man werkte des zomers slechts tot zeven ure 's avonds, +en des winters tot vijf ure; zoodra het donker was geworden en de +vensterluiken gesloten waren, moest ieder die water wilde hebben het +zelf zien te krijgen of het zonder doen. + +Dit was de schrik van het arme wezen, 't welk de lezer wel niet +vergeten zal hebben, de kleine Cosette. + +Men herinnert zich, dat Cosette den Thénardier's op tweeërlei +wijze nuttig was: zij lieten zich door de moeder betalen en door +het kind bedienen. Toen de moeder geheel ophield te betalen--men +heeft de reden ervan in de vorige hoofdstukken gelezen--behielden de +Thénardier's evenwel Cosette. Zij verving voor hen een dienstbode. In +deze hoedanigheid nu, ging zij water halen wanneer men 't moest +hebben. Maar het kind, dat zeer bang was 's avonds naar de bron te +gaan, zorgde dat er steeds water in huis was. + +Het Kerstfeest van 1823 was te Montfermeil bijzonder schitterend. Het +begin van den winter was zacht geweest, het had nog niet gevrozen of +gesneeuwd. Potsenmakers van Parijs hadden van den maire verlof gekregen +hun tenten in de groote straat van het dorp op te slaan, en een troep +reizende kooplieden had, met gelijke vergunning, hun kramen op het +kerkplein geplaatst, tot in de Bakkersteeg, waar, zooals men zich +misschien zal herinneren, de kroeg van Thénardier stond. Dit vulde +de herbergen en logementen, en gaf aan dit stille oord een woelig, +vroolijk leven. Wij moeten zelfs als trouw geschiedschrijver zeggen, +dat onder de merkwaardigheden die op het plein te zien waren, zich een +menagerie bevond, waarin leelijke, bonte hansworsten, wier herkomst +men niet kon gissen, in 1823 aan de boeren van Montfermeil een dier +ontzaggelijke Braziliaansche gieren vertoonden, welke ons koninklijk +museum eerst sedert 1845 bezit, en wier oogen een driekleurige +kokarde is. De natuurkundigen noemen, meen ik, dezen vogel Caracara +Polyborus, hij behoort tot de orde der apiciden en tot de familie +der gieren. Eenige oud-gedienden van Bonaparte, die nu hier leefden, +gingen dit dier met allen eerbied kijken. De vertooners van den vogel +verzekerden dat de driekleurige kokarde een éénig verschijnsel was, +en opzettelijk door den goeden God voor hun menagerie geschapen. + +Dienzelfden Kerstavond zaten verscheidene mannen, voerlieden en +marskramers, in de gelagkamer der herberg van Thénardier om een +tafel met vier of vijf kaarsen te drinken. Deze kamer geleek op alle +herbergkamers; tafels, tinnen kannen, flesschen, drinkers en rookers; +weinig licht, veel leven. De datum van het jaar 1823 was er aangeduid +door de twee destijds bij de burgerklasse in de mode zijnde voorwerpen, +die op de tafel waren, namelijk een kaleidoskoop en een Engelsche lamp +van gewaterd blik. Vrouw Thénardier hield het oog op het avondeten, +dat voor een goed helder vuur brandde; Thénardier dronk met zijn +gasten en sprak over politiek. + +Behalve de politieke gesprekken, welke den oorlog van Spanje en +den hertog van Angoulême tot hoofdonderwerp hadden, hoorde men +tusschenbeide onder het leven geheel plaatselijke zaken vermengd, +als b. v.: + +--Naar den kant van Nanterre en Suresne is de wijnoogst zeer goed +geweest. Waar men op tien stukken rekende, heeft men er twaalf. 't +Heeft onder de pers veel nat geleverd.--Maar de druif kon niet rijp +zijn?--In die oorden behoeft de druif niet rijp te zijn: zoodra 't +lente is wordt de wijn zwaar.--'t Is dus een lichte wijn?--De wijn +is er nog lichter dan hier, men moet er onrijp oogsten. + +Enz.-- + +Of 't was een molenaar die riep: + +--Zijn wij verantwoordelijk voor 't geen in de zakken is? Wij +vinden er een handvol kleine korrels in, die wij den tijd niet +hebben er uit te zoeken en men wel onder den steen moet laten gaan; +'t is onkruid; klaverzaad, korenbrand, wikke, hennepzaad, en een +menigte ander tuig, zonder het zand te rekenen dat in sommig koren, +vooral in het Bretonsche, overvloedig is. Ik houd er evenmin van, +Bretonsch koren te malen, als de houtzagers van balken met spijkers +er in te zagen. Ge kunt begrijpen hoeveel slecht stof dit alles +bij de opbrengst geeft. En dan klaagt men over het meel. Men heeft +ongelijk. Wij hebben geen schuld aan 't meel. + +Tusschen twee vensters zat aan een tafel een maaier met een +landeigenaar over den prijs te knibbelen voor het maaien van een +weide in 't voorjaar, en zeide: + +--'t Kan geen kwaad, dat het gras vochtig is. Des te beter snijdt +het. Om 't even; dat gras, uw gras is jong en nog moeielijk; 't is +te teer en buigt voor de zeis. + +Enz.-- + +Cosette zat op het dwarshout der keukentafel, haar gewone plaats, bij +den schoorsteen; zij was in lompen, met de bloote voeten in klompen, +en breide bij het schijnsel van het vuur wollen kousen voor de kleine +Thénardiers. Een zeer jong katje speelde onder de stoelen. Men hoorde +twee frissche kinderstemmen in een belendend vertrek lachen en praten; +'t waren Eponine en Azelma. + +In den hoek van den haard hing een karwats aan een spijker. + +Bij tusschenpoozen klonk het geschreeuw van een zeer jong kind, +dat ergens in huis was, boven het geraas in de herberg uit. 't Was +een jongentje, dat vrouw Thénardier in een der vorige winters had +gekregen--"zonder te weten waarom," zeide zij: "een gevolg van de +koude,"--en dat iets ouder dan drie jaar was. De moeder had dit +gezoogd, maar beminde het niet. Wanneer het aanhoudend geschreeuw +van den kleine te lastig werd, zeide Thénardier: Uw kleine schreit, +ga toch zien wat hij wil. --Och! antwoordde de moeder, het verveelt +mij.--En de kleine verlatene schreide verder in het donker. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +VOLTOOIING VAN TWEE PORTRETTEN. + + +Men heeft de Thénardier's in ons verhaal tot hiertoe van ter zijde +gezien; het oogenblik is gekomen om dit paar van alle kanten te +beschouwen. + +Thénardier was over de vijftig jaren; zijne vrouw had bijna haar +veertigste bereikt, dat het vijftigste der vrouw is, zoodat man en +vrouw in ouderdom tegen elkander opwogen. + +Misschien hebben de lezers, sedert haar eerste verschijning, nog eenige +herinnering van deze groote, blonde, roode, vette, vleezige, vierkante, +zware en vlugge vrouw Thénardier behouden; zij had iets, wij hebben +'t reeds gezegd, van het ras der wilde, kolossale vrouwmenschen, +die op de kermissen het hoofd krommen onder het gewicht der aan +heur haarvlechten gehangen keisteenen. Zij deed alles in het huis, +bedden opmaken, kamers schoonmaken, de wasch, de keuken, zij maakte +regen en zonneschijn en speelde bij gelegenheid voor den duivel. Zij +had geen andere dienstmeid dan Cosette; een muis in den dienst van +een olifant. Alles beefde voor den klank harer stem, vensterruiten, +huisraad en menschen. Haar breed met sproeten bedekt gezicht had het +aanzien van een schuimspaan. Zij had een baard. Zij was het ideaal +van een lastdrager in vrouwenkleeding. Zij vloekte als een matroos +en beroemde er zich op, een noot met een vuistslag te kunnen stuk +slaan. Zoo zij geen romans had gelezen, die soms op zonderlinge +wijze het nufje onder dit manwijf deden te voorschijn komen, zou +'t niemand ooit in de gedachte zijn gekomen, haar voor een vrouw te +houden. Deze vrouw Thénardier was als het voortbrengsel der enting +van een juffertje op een vischwijf. Wanneer men haar hoorde spreken +zeide men: 't Is een gendarm; wanneer men haar zag drinken, zeide men: +'t Is een voerman; wanneer men haar Cosette zag mishandelen, zeide men: +'t Is de beul. Als zij sliep stak een tand uit haar mond. + +Thénardier was een klein, mager, bleek, hoekig, knokig, tenger man, +met een ziekelijk gezicht, maar die volkomen gezond was; hiermede +begon zijn bedriegerij. Hij glimlachte gewoonlijk uit voorzorg, +en was schier jegens iedereen beleefd, zelfs jegens den bedelaar, +wien hij een aalmoes weigerde. Hij had het gezicht van een bunsing +en het voorkomen van een geletterde. Hij leek veel op de portretten +van den abt Delille. Hij stelde er een eer in, tegen voerlieden +te drinken. Niemand had hem dronken kunnen maken. Hij rookte uit +een groote pijp. Hij droeg een kiel, en onder zijn kiel een ouden +zwarten rok. Hij gaf zich gaarne den schijn van letterkundige en +materialist. Hij gebruikte gaarne eenige namen, om, wat hij ook zeide, +te staven; Voltaire, Raynal, Parny en, zonderling, St. Augustinus. Hij +verklaarde een "stelsel" te hebben. Overigens was hij een groote +afzetter. Een "filousophe." Zulke samenvoegingen bestaan. Men weet, +dat hij beweerde gediend te hebben; hij verhaalde met eenigen bluf, +dat toen hij bij Waterloo als sergeant bij 't 6e of 9e--'t doet er niet +toe--lichte infanterie stond, hij alleen tegen een escadron zwarte +huzaren "een gevaarlijk gewonden generaal" met zijn lichaam bedekt +en door het schrootvuur heen gered had. Vandaar voor zijn deur zijn +schitterend uithangbord, en de naam van zijn herberg "de sergeant +van Waterloo." Hij was liberaal, classiek en bonapartist. Hij had +voor het Champ d'asile ingeteekend. In het dorp zeide men, dat hij +voor priester had gestudeerd. + +Wij gelooven, dat hij eenvoudig in Holland voor herbergier had +gestudeerd. Deze schurk der samengestelde orde was volgens alle +waarschijnlijkheid een Vlaming uit Rijssel in Vlaanderen, een +Franschman te Parijs, een Belg te Brussel, die met gemak schrijlings +op twee grenzen zat. Men kent zijn heldendaad te Waterloo. Men ziet, +dat hij ze een weinig overdreef. Vloed en ebbe, draaien en wenden, +avonturen waren de elementen van zijn leven; een gescheurd geweten +maakt een los leven; en Thénardier behoorde waarschijnlijk, in het +stormachtig tijdstip van 18 Juni 1815, aan die verscheidenheid van +stroopende marketenters, van welke wij gesproken hebben, die door +het land zwerven, aan dezen verkoopende, genen bestelende, en met +een geheel gezin, man, vrouw en kinderen, in een kreupel karretje de +marcheerende troepen volgende, met het instinct zich steeds bij het +overwinnend leger te houden. Na, dezen veldtocht had hij, zooals hij +zeide, iets overgespaard, en was te Montfermeil een herberg begonnen. + +Zijn besparingen, die uit beurzen en horloges, gouden ringen en +zilveren kruisen bestonden en in de met lijken bezaaide voren waren +geoogst, maakten geen groot kapitaal uit en hadden den kroeghouder +geworden marketenter niet ver gebracht. + +Thénardier had iets onbeschrijfelijk houterigs in zijn gebaar, +dat, bij een vloek, aan de kazerne, en, bij een kruis, aan het +seminarie herinnert. Hij sprak mooi en gaf zich gaarne den schijn van +geleerdheid. De schoolmeester had echter opgemerkt dat hij vaak "groote +bokken" schoot.--Hij wist uitmuntend de rekening der reizigers op te +maken, maar geoefende oogen vonden er veel spelfouten in. Thénardier +was een gluiper, een zwelger, een straatslijper en sluw. Hij verachtte +zijn dienstmeiden niet, waarom zijn vrouw er geen meer hield. Deze +reuzin was jaloersch, zij meende dat deze kleine magere, gele man +het voorwerp der algemeene begeerlijkheid moest zijn. + +Thénardier, met zijn listig, berekenend karakter, was een schurk van +de gematigde soort. Deze soort is de ergste; daarmede vermengt zich +de huichelarij. + +Thénardier was bij gelegenheid niet minder tot toorn in staat dan +zijne vrouw; maar deze aanvallen waren bij hem zeer zelden, en wijl +hij in zulke oogenblikken het geheele menschelijke geslacht te lijf +wilde, wijl in hem een diepe gloed van haat lag, wijl hij een dier +lieden was, die zich altijd willen wreken, die alles beschuldigen wat +hun voorbijgaat en wat op hen neerkomt, en steeds gereed zijn op den +eerste den beste, als een wettige grieve, het gezamenlijk bedrag hunner +teleurstellingen, bankroeten en rampen des levens te werpen,--wanneer +al deze zuurdeesem in hem gistte en in zijn mond en oogen brandde, +was hij vreeselijk. Wee hem, die dan onder zijne woede kwam! + +Buiten zijn overige hoedanigheden was Thénardier oplettend en +scherpzinnig, naar gelegenheid stil of praatachtig, doch altijd met +groote schranderheid. Hij had iets in zijn blik van de zeelieden, +die gewoon zijn in den verrekijker te knipoogen. Thénardier was +een staatsman. + +Ieder nieuweling die de kroeg binnentrad en vrouw Thénardier zag, +zeide: zij is de meester in huis. Vergissing. Zij was zelfs de +meesteres niet. De meester en de meesteres was de man. Zij handelde, +hij schiep. Hij bestierde alles met een soort van onzichtbare, +voortdurende magnetische werking. Een woord, soms een wenk was voor +hem voldoende, en de mastodonte gehoorzaamde. Thénardier was voor +vrouw Thénardier, zonder dat zij er zich van bewust was, een soort van +bijzonder en oppermachtig wezen. Zij bezat de deugden van haar soort; +wanneer ze over eenige zaak met "mijnheer Thénardier" in tegenspraak +was geweest--een overigens schier onmogelijke veronderstelling--zou +zij haar man nooit openlijk ongelijk geven, waarin 't ook wezen +mocht. Nooit zou zij, tegenover vreemden, de bij vrouwen zoo gewone +fout gepleegd hebben, den man, zooals men 't noemt, de kroon van 't +hoofd te nemen. Hoewel hun eensgezindheid slechts kwaad ten doel had, +was er toch eerbied in de onderwerping van vrouw Thénardier aan haar +man. Deze berg van gerucht en vleesch bewoog zich onder den pink van +dezen tengeren despoot. 't Was, van haar dwergachtige en bespottelijke +zijde beschouwd, deze groote algemeene zaak: de beheersching der stof +door den geest; want het leelijke heeft soms zijn reden van bestaan, +zelfs in de diepten van het eeuwig schoone. Er was in Thénardier +iets onbekends; vanhier het volstrekte gezag van dezen man op deze +vrouw. In sommige oogenblikken zag zij in hem een brandende kaars; +in andere voelde zij hem als een klauw. + +Deze vrouw was een geducht schepsel, dat alleen haar kinderen beminde +en slechts haar man vreesde. Zij was moeder, wijl zij zoogdier +was. Haar moederschap bepaalde zich overigens slechts tot haar +dochters, en strekte, zooals men zien zal, zich niet tot de jongens +uit. Hij, de man, had slechts één gedachte--zich te verrijken. + +'t Gelukte hem niet. Aan dit groote talent ontbrak een geschikt +tooneel. Thénardier werd te Montfermeil arm, zoo 't mogelijk is +met niets arm te worden; in Zwitserland of in de Pyreneeën zou hij +millionair zijn geworden. Maar waar het lot den herbergier bindt, +moet hij grazen. + +Men begrijpt dat het woord "herbergier" hier in beperkten zin is +gebezigd en zich niet over een geheele klasse uitstrekt. + +In ditzelfde jaar 1823 had Thénardier ongeveer vijftienhonderd francs +dringende schulden, 't geen hem zeer bezorgd maakte. + +Hoe halsstarrig de onrechtvaardigheid van het lot jegens hem was, +Thénardier behoorde tot die menschen, welke het best, het innigst +en op de nieuwste wijze datgene begrijpen, wat bij de barbaarsche +volken een deugd en bij de beschaafde volken een koopwaar is, +de gastvrijheid. Overigens was hij een uitmuntend jachtstrooper en +vermaard wegen de juistheid van zijn schot. Zijn koude kalme glimlach +was bijzonder gevaarlijk. + +Zijn herbergiers-theorieën schoten soms als weerlichten uit hem. Hij +had grondregels van zijn beroep, welke hij in den geest zijner vrouw +prentte.--"De plicht van den herbergier," zeide hij haar eenmaal met +nadruk en zachte stem, "is aan ieder die komt gekookte spijs, rust, +licht, vuur, vuile bedlakens, vlooien en beleefdheid te verkoopen; +de reizigers op te houden, de schrale beurzen te ledigen en de +goedgevulde fatsoenlijk te verlichten, de reizende gezinnen huisvesting +te verleenen, den man te snijden, de vrouw te plukken en het kind af +te zetten; in rekening te brengen voor het open venster, het gesloten +venster, den hoek van den haard, den armstoel, den stoel, de bank, +het voetbankje, het veerebed, de matras en den bos stroo; te weten +hoeveel de schaduw den spiegel verslijt en hiervoor te rekenen, en, +bij de vijfmaalhonderd duizend duivels, den reiziger alles te doen +betalen, zelfs de vliegen die zijn hond eet!" + +Deze man en vrouw waren de in den echt getreden list en de woede, +een leelijk en vreeselijk span. + +Terwijl de man overlegde en berekende, dacht de vrouw niet aan de +afwezende schuldeischers, noch bekommerde zich om het gisteren of +morgen, maar leefde in haar toorn slechts voor 't oogenblik. + +Zoodanig waren deze twee wezens. Cosette, die tusschen hen stond, +ondervond hun dubbele werking, als een schepsel, dat onder een +molensteen verpletterd en door een knijptang geknepen wordt. De +man en de vrouw hadden ieder een verschillende handelwijze; Cosette +werd met slagen gebeukt, dat kwam van de vrouw; zij ging blootvoets, +dat kwam van den man. + +Cosette was nu boven, dan beneden, waschte, schuurde, boende, veegde, +liep, werkte, sloofde, droeg zware lasten en, hoe klein zij was, +deed het grove werk. Geen medelijden; een wreede meesteres, een +kwaadaardig meester. De kroeg van Thénardier was als een spinneweb, +waarin Cosette gevangen was en beefde. Het ideaal der verdrukking +was in deze treurige dienstbaarheid verwezenlijkt. 't Had iets van +een vlieg, in dienst van spinnen. + +Lijdelijk zweeg het arme kind. + +Wat heeft in zulke zielen plaats, die reeds van jongs af klein en +naakt onder vreemden zijn gekomen, wanneer zij God verlaten? + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE MENSCHEN MOETEN WIJN, DE PAARDEN WATER HEBBEN. + + +Er waren vier nieuwe reizigers aangekomen. + +Cosette was in treurige gedachten; want, hoewel eerst acht jaren oud, +had zij bereids zooveel geleden, dat zij even sombere mijmeringen +had als eene oude vrouw. + +Haar ooglid was blond, tengevolge van een vuistslag, dien Thénardier +haar had gegeven, hetgeen vrouw Thénardier herhaaldelijk deed zeggen: +Hoe leelijk is zij met haar blauwe oog! + +Cosette dacht er aan, dat het avond was, laat in den avond; dat zij +onverwacht de kannen en karaffen in de kamers der aangekomen reizigers +had moeten vullen en er geen water meer in 't vat was. + +Het stelde haar toch eenigszins gerust, dat men ten huize van +Thénardier weinig water dronk. 't Ontbrak niet aan lieden, die dorst +hadden; maar 't was een dorst die zich liever met wijn dan met water +lescht. Wie een glas water tusschen al die glazen wijn had gevraagd, +zou al deze mannen een wilde hebben toegeschenen. Er was evenwel een +oogenblik, dat het kind beefde; vrouw Thénardier lichtte het deksel op +van een pot die op 't vuur stond, nam een glas en naderde haastig het +watervat. Zij draaide de kraan om; het kind had het hoofd opgericht +en volgde al haar bewegingen. Een dunne waterstraal vloeide uit de +kraan en vulde ten halve het glas.--Zie, er is geen water meer! zeide +zij en zweeg toen een oogenblik. Het kind hield haar adem in. + +"Nu," hernam vrouw Thénardier, het halfvolle glas beziende, "'t zal +wel genoeg zijn." + +Cosette hervatte haar arbeid, maar langer dan een kwartieruurs voelde +zij haar hart als een hamer in haar borst kloppen. + +Zij telde de minuten, die aldus verliepen, en had wel gewenscht, +dat reeds de volgende morgen daar was. + +Nu en dan zag een der drinkers naar de straat en riep:--'t Is zoo +donker als in een oven!--of:--Men moet een kat zijn om in dit uur +zonder lantaarn uit te gaan!--En Cosette rilde. + +Eensklaps trad een der in de herberg logeerende kramers binnen, +en zeide met ruwe stem: + +"Men heeft mijn paard geen water gegeven." + +"O, zeker," zei vrouw Thénardier. + +"Ik zeg u van neen, vrouw," hernam de koopman. + +Cosette was van onder de tafel gekomen. + +"Ja, gewis, mijnheer," zeide zij, "het paard heeft gedronken, het +heeft uit den emmer, den emmer leeg gedronken; ik zelve heb het te +drinken gegeven en er meê gepraat." + +'t Was niet waar, Cosette loog. + +"Zie, zoo'n klein ding eens brutaal liegen," riep de koopman uit. "Ik +zeg u, dat het paard niet gedronken heeft, kleine deugniet. Het +snuift op bijzondere wijze als het niet gedronken heeft, ik weet het +heel juist." + +Cosette hield vol en voegde er met een van angst bevende stem bij, +die men nauwelijks kon verstaan: + +"En 't heeft zelfs zeer veel gedronken." + +"Nu," hernam de koopman vergramd, "'t doet er niet toe; laat men mijn +paard te drinken geven en daarmede uit." + +Cosette keerde onder de tafel terug. + +"Ge hebt gelijk," zei vrouw Thénardier, "zoo het dier niet gedronken +heeft, moet het drinken." + +En een blik om zich slaande: + +"Nu, waar is ze?" + +Zij bukte en ontdekte Cosette stijf aan 't andere einde der tafel, +schier onder de voeten der drinkers. + +"Wilt ge komen?" riep vrouw Thénardier. + +Cosette kwam uit den hoek, waarin zij zich verborgen had. Vrouw +Thénardier hernam: + +"Welaan, ondeugend nest, geef het paard water." + +"Maar er is geen water meer, madame," zei Cosette bedeesd. + +Vrouw Thénardier deed de voordeur wagenwijd open en hernam: + +"Nu, ga 't dan halen!" + +Cosette boog het hoofd en nam een ledigen emmer, die in den hoek van +den schoorsteen stond. + +Deze emmer was grooter dan zij zelve, en 't kind had er gemakkelijk +in kunnen zitten. + +Vrouw Thénardier keerde naar het vuur terug en proefde met een houten +lepel 't geen in den pot was, daarbij brommende: + +"Er is rijkelijk water in. Nu, daarom is 't niet slechter. Ik geloof +dat ik de uien wel had kunnen sparen." + +Toen zocht zij in een lade, waarin klein geld, peper en sjalotten +waren, en zeide: + +"Daar, juffer pad, breng als ge terugkomt een grof brood van den +bakker mede; hier hebt ge een vijftien-stuiversstuk." + +Cosette had een zakje in haar voorschoot; zonder te spreken nam zij +het geld en stak het in dat zakje. + +Toen bleef zij stijf staan, met den emmer in de hand, voor de open +deur. Zij scheen te wachten, tot men haar te hulp kwam. + +"Ga toch!" riep vrouw Thénardier. + +Cosette ging. De deur sloot zich achter haar. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN POP KOMT OP HET TOONEEL. + + +De rij kramen strekte zich, zooals men zich herinnert, van de kerk tot +aan de herberg van Thénardier uit. Al deze kramen waren, in afwachting +der inwoners die naar de middernachtmis zouden gaan, met kaarsen in +papieren lantaarns verlicht, 't geen, zooals de schoolmeester van +Montfermeil zeide, die op dit oogenblik in de herberg van Thénardier +zat, een "tooverachtige uitwerking" deed. Daarentegen zag men geen +enkele ster aan den hemel. + +De laatste dezer kramen, die juist tegenover Thénardier's deur stond, +was vol blinkende, rinkelende goederen, glaswaren en prachtige blikken +voorwerpen. Vooraan in de kraam had de koopman tegen een achtergrond +van witte servetten, een groote twee voet hooge pop geplaatst, in +rose krip gekleed, met gouden koornaren op 't hoofd, met echt haar +en porseleinen oogen. Den geheelen dag was dit wonder van verbazing +voor de jeugd uitgestald geweest, zonder dat te Montfermeil een +moeder was gevonden, rijk of scheutig genoeg om ze voor haar kind te +koopen. Eponine en Azelma hadden uren in haar beschouwing doorbracht, +en zelfs Cosette had, hoewel steelsgewijze, ze durven begluren. + +Toen Cosette met haar emmer in de hand uitging, kon zij zich niet +weerhouden, hoe treurig en neerslachtig ze ook was, de oogen naar +deze wonderschoone pop, naar deze dame, zooals zij ze noemde, op te +slaan. Het arme kind was als versteend blijven staan. Zij had de pop +nog niet van nabij gezien. De geheele kraam scheen haar een paleis, +deze pop was geen pop, maar een verschijning. 't Was de vreugd, de +luister, de rijkdom, het geluk, die in een soort van denkbeeldigen +glans voor het kleine rampzalige wezen verschenen, dat zoo diep in +een vreeselijke koude ellende gedompeld was. Cosette mat, met de +onnoozele en treurige schranderheid der kindsheid, den afgrond die +haar van deze pop scheidde. Zij dacht dat men ten minste koningin of +prinses moest zijn om "zoo iets" te hebben. Zij aanschouwde dat fraaie +rosé kleed, dat glad gestreken haar, en dacht: Hoe gelukkig moet deze +pop zijn! Haar oogen konden zich van deze betooverende kraam niet +afwenden. Hoe meer zij staarde, hoe meer zij werd verbijsterd. Zij +meende den hemel te zien. Achter de groote stonden andere poppen, +die haar feeën en geniën schenen. De koopman, die in zijn kraam heen +en weder ging, kwam haar eenigszins als onze lieve Heer voor! + +In haar verrukking vergat zij alles, zelfs de boodschap waarmede zij +belast was. Eensklaps riep de ruwe stem van vrouw Thénardier haar tot +de wezenlijkheid terug:--"Hoe, deern! Zijt ge nog niet weg! Wacht, ik +zal bij u komen! Ik vraag u, wat doet ge daar toch! klein monster, ga!" + +Vrouw Thénardier had even op straat gezien, en Cosette in hare +verrukking opgemerkt. + +Cosette ijlde met haar emmer heen, en liep zoo hard zij kon. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE KLEINE ALLEEN. + + +Dewijl de herberg van Thénardier in dat gedeelte van 't dorp stond, +dat bij de kerk is, moest Cosette het water uit de bron in het bosch +naar den kant van Chelles halen. + +Zij sloeg geen blik meer naar de kramen. + +Zoolang zij in de Bakkerssteeg en in de nabijheid der kerk was, +verlichtten de kaarsen in de kramen haar weg, maar spoedig verdween +het laatste licht der laatste kraam. Toen bevond het arme kind zich +in de duisternis. Zij begaf er zich in. Door de ontroering waarin zij +was, deelde zich haar onrust ook aan den emmer mede. Het gerucht dat +de krijschende hengel maakte, vergezelde haar in haar loop. + +Hoe verder zij kwam, des te dikker werd de duisternis. Er was +niemand meer op de straat. Evenwel ontmoette zij een vrouw, die in 't +voorbijgaan het hoofd omkeerde, staan bleef en binnensmonds prevelde: +Waar mag dat kind toch heengaan? Is 't een jonge weerwolf?--Maar toen +de vrouw Cosette herkende, zeide zij:--'t Is de Leeuwerik. + +Zoo doorkruiste Cosette den doolhof van kromme, eenzame +straten, waarin, aan den kant van Chelles, het dorp Montfermeil +uitloopt. Zoolang er huizen, of zelfs maar muren aan de zijden van +haar weg waren, ging zij tamelijk stoutmoedig voort. Nu en dan zag +zij het schijnsel van een licht door de reet van een vensterluik; 't +was licht en leven, er waren menschen en dat stelde haar gerust. Hoe +verder zij echter voortging, des te langzamer werd als werktuiglijk +haar tred. Voorbij den hoek van het laatste huis gekomen, bleef +Cosette staan. Voorbij de laatste kraam te gaan was moeielijk geweest; +verder dan het laatste huis te gaan werd onmogelijk. Zij zette den +emmer neder, sloeg haar hand in het haar en krabde langzaam 't hoofd, +een eigenaardige beweging van kinderen die ontsteld en besluiteloos +zijn. 't Was nu Montfermeil niet meer, 't was het open veld. Een +donkere, eenzame ruimte lag voor haar. Wanhopend aanschouwde zij deze +duisternis, waarin geen mensch was, waarin dieren, waarin misschien +spoken waren. Zij staarde angstvallig en hoorde dieren in het gras +loopen, zij zag duidelijk spoken zich in de boomen bewegen. Toen +greep zij weder den emmer; de angst gaf haar moed:--Ha! zeide zij, +ik zal haar zeggen dat er geen water meer was.--En onversaagd trad +zij Montfermeil weder binnen. + +Nauwelijks was zij honderd schreden gegaan, toen zij weder stilhield +en haar hoofd krabde. Nu was het vrouw Thénardier die voor haar +verscheen; vrouw Thénardier vreeselijk met haar hyena'smond en +vlammenden toorn in de oogen. Het kind sloeg een erbarmelijken blik +voor en achter zich. Wat te doen? Wat zou van haar worden? Waarheen te +gaan? Voor zich het spookbeeld van vrouw Thénardier; achter zich al +de verschijningen van den nacht en het bosch. Voor vrouw Thénardier +deinsde zij achteruit. Zij sloeg weder den weg naar de bron in en +begon te loopen. Loopende verliet zij het dorp, en loopende trad zij +in het bosch, naar niets meer ziende, naar niets meer luisterende. Zij +hield niet eerder op met loopen dan toen de adem haar ontbrak; zij +ging echter langzamer voort, gejaagd en hijgend. + +Onder 't gaan had zij grooten lust tot schreien. + +De nachtelijke huivering van het bosch omgaf haar. + +Zij dacht, zij zag niet meer. Dit kleine wezen stond tegenover den +onmetelijken nacht. Volslagen duisternis aan de eene zijde, een nietig +stofdeeltje aan de andere. + +Van den zoom van 't bosch tot de bron was de afstand slechts zeven of +acht minuten. Cosette kende den weg, wijl zij dien meermalen over dag +had afgelegd! Zonderling, zij verdwaalde niet. Een soort van instinct +leidde haar. Echter sloeg zij de oogen noch rechts noch links, uit +vrees, iets in de takken en het struikgewas te zien. Eindelijk kwam +zij aan de bron. + +'t Was een natuurlijke kuip, door het water in den leemachtigen +bodem uitgehold, van omstreeks twee voet diep, omgeven van mos en +hoog gerimpeld gras, kraagjes van Hendrik IV genoemd, en geplaveid +met eenige groote steenen. Een stil kabbelend beekje stroomde er uit. + +Cosette gunde zich den tijd niet om te ademen. Het was zeer donker, +maar Cosette was gewoon aan die fontein te komen. Met de linkerhand +zocht zij in de duisternis een over de bron gebogen jongen eik, +die haar gewoonlijk tot steunpunt diende, vond een tak, vatte dien, +bukte en dompelde den emmer in 't water. Zij was in zulk een hevige +overspanning, dat haar kracht verdrievoudigd was. Terwijl zij alzoo +voorover was gebogen, lette zij er niet op, dat iets uit het zakje +van haar voorschoot in de bron viel. Het vijftienstuiversstuk viel in +'t water. Cosette zag noch hoorde het vallen. Zij haalde den emmer +schier vol op en zette hem op het gras. + +Dit gedaan hebbende, gevoelde zij zich uitgeput van vermoeienis. Zij +had wel dadelijk willen terugkeeren; maar haar inspanning, om den +emmer te vullen, was zoo groot geweest, dat zij onmogelijk een voet +kon verzetten. Zij moest een oogenblik rusten. Zij liet zich op het +gras neer en bleef er gehurkt zitten. + +Zij sloot de oogen en opende ze weder, zonder te weten waarom, doch +zij kon niet anders. Naast haar vormde het deinende water in den +emmer nog kringen, die als slangen van wit vuur geleken. + +Boven haar hoofd was de hemel met groote, zwarte wolken bedekt, die +als rook voorbijdreven. Het treurig masker der duisternis scheen zich +eenigszins over dit kind te hangen. + +Jupiter verschool zich achter de wolken. + +Met ontstelden blik aanschouwde het kind deze groote ster, welke zij +niet kende en die haar vrees inboezemde. De planeet was inderdaad op +dat oogenblik zeer dicht aan den horizon en scheen door een dichten +nevel, die haar een vreeselijk rood gaf. De purperkleurige nevel +vergrootte de ster. Zij was als een lichtgevende wond. Een koude wind +blies over de vlakte. Het bosch was donker, zonder bladerengeritsel, +zonder de minste avondschemering. Dreigend verhieven zich de hooge +takken. Het kleine struikgewas floot over de open plekken. Het hooge +gras wemelde als alen onder den nachtwind. De braamstruiken geleken +uitgestoken armen met klauwen gewapend, om haar prooi te vatten. Dorre +heidestruiken, door den wind voortgedreven, vlogen voorbij en schenen +verschrikt voor iets te vluchten, dat naderde. Aan alle zijden was +'t een somber verschiet. + +De duisternis is duizelingwekkend. De mensch heeft licht noodig. Wie +zich in 't donker begeeft, voelt zijn hart beklemd. Wanneer het +oog zwart ziet, ziet de geest verward. Zelfs de sterkste mensch +gevoelt zich onbehagelijk bij verduistering, in den nacht, in +het donker. Niemand gaat 's nachts alleen door een bosch zonder +huivering. Een hersenschimmige werkelijkheid verschijnt in de +onbestemde diepte. Het onbegrijpelijke teekent zich op eenige schreden +van u met spookachtige juistheid af. Men ziet in de ruimte of in zijn +eigen hersenen iets onduidelijks, ontastbaars zweven, als de droom +der slapende bloemen. Woeste gestalten staan aan den horizon. Men +ademt de uitvloeisels van het groote donkere ledige. Men is angstig +en wil toch omzien. Men is weerloos tegen de holte van den nacht, +de schaduwachtige voorwerpen, de zwijgende gestalten die verdwijnen +wanneer men nadert, tegen de dreigende struiken en struweelen, +tegen vale plassen, tegen de oneindige stilte des grafs, tegen alle +mogelijke onbekende wezens, tegen het geheimzinnig buigen der takken, +tegen schrikbarende boomstompen. De grootste stoutmoedigheid beeft, +en voelt de angst nabij. 't Is alsof de ziel zich in de donkerheid +wil oplossen. Voor een kind is de eenzaamheid in de duisternis iets +onuitsprekelijk vreeselijks. + +De bosschen zijn verborgenheden; en het klapwieken eener kleine ziel +maakt een doodelijk gedruisch onder hun kolossaal gewelf. + +Zonder zich eenig begrip te vormen van haar gewaarwordingen, voelde +Cosette zich door deze donkere verschrikkelijkheid der natuur +aangegrepen. 't Was niet slechts schrik, die haar overweldigde, +'t was iets nog vreeselijker. Zij sidderde. Er zijn geen woorden om +te zeggen, hoe vreemd de huivering was, die haar tot in 't binnenste +des harten deed ijzen. Haar oog was woest geworden. Zij meende te +gevoelen, dat zij 't misschien niet zou kunnen verhinderen, morgen +terzelfder plaatse, in hetzelfde uur terug te komen. + +Toen, als door instinct, en om uit den toestand, dien zij niet +begreep, maar die haar beangstigde, te geraken, telde zij met luide +stem een, twee, drie, vier, tot tien en begon dan opnieuw. Dit bracht +haar tot het besef der dingen, die haar omgaven, terug. Zij voelde +dat haar handen, door het waterputten nat geworden, koud waren. Zij +stond op. Haar angst was teruggekeerd, een natuurlijke onverwinbare +angst. Zij had slechts ééne gedachte, die van te vluchten; zoo snel +zij kon door het bosch, over het veld tot de huizen, tot de vensters, +tot de brandende kaarsen te vluchten. Haar blik viel op den voor haar +staanden emmer. + +Haar angst voor vrouw Thénardier was zoo groot, dat zij niet zonder +den emmer met water durfde vluchten. Zij vatte met bevende handen +het hengsel. Met moeite kon zij den emmer dragen. + +Toen deed zij een twaalftal schreden, maar de emmer was vol, zwaar, +en zij was gedwongen hem neder te zetten. Zij schoot even in den adem, +toen nam zij den emmer weder en ging verder, nu iets langer. Maar +wederom moest zij blijven staan. Na eenige seconden rust, ging zij +opnieuw met voorover gebogen hoofd als een oude vrouw; het gewicht van +den emmer rekte en verstijfde haar magere armen. Het ijzeren hengsel +verdoofde en verkilde haar natte handen nog meer, gedurig moest zij +stilstaan, en dan kletste telkens het over den emmer stroomend water +tegen haar bloote voeten. Dit gebeurde in een bosch des nachts, des +winters, ver van eenig menschelijk oog; 't was een achtjarig kind; +God alleen zag dit oogenblik, dezen treurigen toestand. + +En zeker ook haar moeder, helaas! + +Want er zijn dingen, die de oogen der dooden in hun graf openen. + +Zij hijgde en steunde smartelijk; haar keel was door het gesnik dicht +gewrongen, maar zij durfde niet weenen, zoo bevreesd was zij, zelfs +in de verte, voor vrouw Thénardier. Zij was gewoon zich te verbeelden, +dat vrouw Thénardier altijd tegenwoordig was. + +Op deze wijze kon zij evenwel weinig vorderen, niettegenstaande zij +elk rustpunt verkortte en na ieder zoo lang en zoo snel mogelijk +voortstapte. Met schrik dacht zij, dat er meer dan een uur verloopen +zou, eer zij te Montfermeil terug was, en dat vrouw Thénardier haar +slaan zou. Deze angst kwam nog bij haar schrik van zich des nachts +in het bosch te bevinden. Zij was reeds uitgeput van vermoeidheid +en nog altijd in het bosch. Bij een kastanjeboom gekomen, dien zij +herkende, hield zij weder stil, en langer dan de vorige keeren, om +voor de laatste maal eens goed te rusten; toen spande zij al haar +krachten in, vatte den emmer weder op en ging moedig voort. Het arme +kind was echter wanhopig en kon zich niet weerhouden uit te roepen: +"o, mijn God! mijn God!" + +Op 't zelfde oogenblik voelde zij eensklaps dat de emmer geen zwaarte +meer had. Een hand, die haar zeer groot scheen, had het hengsel +gegrepen en hief het forsch omhoog. Zij richtte het hoofd op. Een +groote donkere, rechte gestalte ging naast haar in de duisternis. 't +Was een man, die haar gevolgd was en dien zij niet gezien had. Deze +man had, zonder iets te zeggen, den emmer, dien zij droeg, gevat. + +Er is een instinct bij elke ontmoeting in het leven. + +Het kind was niet bevreesd. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DAT MISSCHIEN BOULATRUELLES SCHRANDERHEID BEWIJST. + + +Tegen den avond van dienzelfden Kerstdag van 1823 wandelde een man +tamelijk lang op het eenzaamst gedeelte van den boulevard de l'Hôpital +te Parijs. Hij scheen een woning te zoeken en bij voorkeur voor de +armoedigste huizen van dien bouwvalligen zoom der voorstad St. Marceau +te blijven stilstaan. + +Men zal later zien, dat deze man inderdaad een kamer in deze +afgezonderde wijk had gehuurd. + +Hij verwezenlijkte in zijn kleeding en geheelen persoon het type van +wat men den fatsoenlijken bedelaar kan noemen, groote behoefte gepaard +aan groote zindelijkheid. Een zeer zeldzame vereeniging, welke aan +verstandige lieden dien dubbelen eerbied inboezemt, welken men voor den +arme en verdienstelijke gevoelt. Hij had een zeer ouden en kalen hoed +op 't hoofd, een bruine grof lakensche jas, tot op den draad versleten, +welke kleur destijds geen opzien baarde, een groot vest met zakken +van verouderden vorm, een zwarte broek, aan de knieën grijs geworden, +zwart wollen kousen en lompe schoenen met koperen gespen. Men zou hem +voor een ouden huisonderwijzer gehouden hebben, die uit de emigratie +was teruggekeerd. Wegens zijn wit haar, zijn gerimpeld voorhoofd, +zijn gezicht, dat neerslachtigheid en levenszatheid teekende, zou men +hem voor ouder dan zestig jaar gehouden; doch naar zijn vasten, schoon +langzamen tred, naar de zeldzame kracht, die uit al zijn bewegingen +sprak, zou men hem nauwelijks vijftig jaren gegeven hebben. Zijn +fraai gerimpeld voorhoofd zou iemand, die hem met oplettendheid +beschouwde, gunstig voor hem hebben ingenomen. Zijn lip had een +zonderlingen trek van strengheid en ootmoed. In zijn blik lag iets +als een treurige kalmte. In de linkerhand droeg hij een klein, in een +zakdoek geknoopt pakje; in de rechterhand hield hij een van ruw hout +gesneden stok! Deze stok was met eenige zorg bewerkt en zag er aardig +uit; van de naden was partij getrokken en de knop met lak rood gemaakt; +'t was een knuppel, in de gedaante van een wandelstok. + +Men ziet weinig voorbijgangers op dien boulevard, vooral des +winters. Deze man scheen ze, hoewel zonder dat dit in 't oog liep, +eerder te vermijden dan te zoeken. + +In dien tijd ging koning Lodewijk XVIII schier dagelijks naar +Choisy-le-Roi. 't Was een zijner begunstigde wandelingen. Tegen twee +uur zag men bijna dagelijks het rijtuig en den koninklijken stoet in +vollen galop den boulevard de l'Hôpital passeeren. + +Dit was voor de arme vrouwen dier wijk horloge en klok; zij zeiden: +"'t is twee uur, hij keert naar de Tuilerieën terug." + +Eenigen liepen toe, anderen gingen aan den weg staan; want een +voorbijgaand koning veroorzaakt altijd opschudding. De verschijning +en verdwijning van Lodewijk XVIII maakte overigens een zekeren +indruk in de straten van Parijs. 't Was snel maar majestueus. Deze +jichtige koning had smaak in hard rijden; daar hij niet kon gaan, +wilde hij vliegen; deze voetelooze liet zich gaarne door den +bliksem trekken. Kalm en statig ging hij voorbij, omgeven door +blanke sabels. Zijn zware, vergulde berline, op wier paneelen groote +lelietakken waren geschilderd, rolde daverend voorbij en nauwelijks +had men den tijd er het oog op te slaan. Men zag in den achtersten +hoek ter rechterzijde, op wit satijnen kussens een breed, krachtig en +blozend gezicht, een frisch gepoederd hoofd, een fieren, strengen, +fijnen blik, den glimlach van een letterkundige, twee zware gouden +epauletten met losse tressen op een burgerrok, het gulden vlies, +het kruis van den H. Lodewijk, het kruis van het legioen van eer, de +zilveren ster van den H. Geest, een dikken buik, en een breed blauw +lint; dit was de koning. Buiten Parijs hield hij zijn hoed met witte +pluimen op zijn in hooge Engelsche slobkousen gebakerde knieën, zoodra +hij in de stad terugkeerde zette hij den hoed op en groette weinig. Hij +zag koel naar het volk, dat hem met dezelfde munt betaalde. Toen hij +den eersten keer in de wijk Saint-Marceau verscheen, was al de vrucht, +die hij er van getrokken had, dit woord van een voorstadsbewoner tot +zijn kameraad: "Deze dikke is het gouvernement." + +Dit onfeilbare voorbijrijden des konings op hetzelfde uur was dus de +dagelijksche verschijning op den boulevard de l'Hôpital. + +De wandelaar in de bruine jas behoorde blijkbaar niet in deze wijk +te huis, en waarschijnlijk niet te Parijs, want deze bijzonderheid +was hem onbekend. Toen het koninklijk rijtuig, door een escadron +gardes-du-corps met zilveren galon omgeven, te twee uren van den +hoek van la Salpêtrière den boulevard opreed, scheen hij verrast en +schier verschrikt. Hij alleen was in de zijlaan, hij trad haastig +achter een hoek van den ringmuur, 't geen den hertog d'Havré echter +niet belette hem te zien. De heer hertog d'Havré zat als dienstdoende +kapitein der gardes dien dag in het rijtuig tegenover den koning. Hij +zeide tot zijne majesteit: Ziedaar een man met een zeer slecht +uitzicht! Politie-beambten, die den weg des konings verkenden, +merkten hem ook op; een hunner ontving bevel hem te volgen. Maar de +man verdween in de nauwe eenzame straten van de voorstad, en daar +de avond begon te vallen, verloor de agent zijn spoor, zooals wordt +bevestigd in een rapport aan den graaf Anglès, minister van staat en +prefect van politie, van dienzelfden avond. + +Toen de man in de bruine jas de vervolging van den agent ontkomen +was, versnelde hij zijn schreden, echter niet zonder telkens om te +zien of hij ook werd gevolgd. Om kwartier over vier toen het reeds +donker was, ging hij voorbij den schouwburg van de poort St. Martin, +waar dien avond les deux Forçats werd gespeeld. Het aanplakbiljet, +dat door de lantaarns van den schouwburg verlicht werd, trof hem, +want hoewel hij haastig ging, hield hij stil om het te lezen. Een +oogenblik later was hij in het slop la Planchette en trad de herberg le +Plat d'étain binnen, waar destijds het bureau van den wagen op Lagny +was. Die wagen vertrok te half vijf. De paarden waren voorgespannen +en de reizigers, door den voerman opgeroepen, beklommen haastig de +hooge ijzeren trede van 't rijtuig. + +De man vroeg: + +"Is er nog plaats?" + +"Nog eene, naast mij op den bok," zei de koetsier. + +"Ik neem ze." + +"Stap op dan." + +Maar voor hij wegreed sloeg de koetsier een blik op de sobere kleeding +van den reiziger en zijn klein pakje, en liet zich terstond betalen. + +"Gaat ge tot Lagny?" vroeg de koetsier. + +"Ja," zei de man. + +De reiziger betaalde tot Lagny. + +Men vertrok. Toen men buiten de barrière was, wilde de koetsier een +gesprek beginnen; maar de reiziger antwoordde slechts kortaf. Toen +ging de koetsier aan 't fluiten en op zijn paarden vloeken. + +De koetsier wikkelde zich in zijn mantel. 't Was koud. De man scheen +er niet aan te denken. Dus reed men door Gournay en Neuilly-sur-Marne. + +Tegen zes uur was men te Chelles. De koetsier hield stil om zijn +paarden te laten drinken, vóór de voermansherberg, opgericht in de +oude gebouwen van de koninklijke abdij. + +"Hier ga ik af," zei de man. + +Hij nam zijn pakje en stok, en sprong van het rijtuig. + +Een oogenblik later was hij uit het oog verdwenen. + +Hij was de herberg niet binnengegaan. + +Toen, na eenige minuten, het rijtuig naar Lagny voortreed, ontmoette +'t hem niet in de groote straat van Chelles. + +De koetsier zeide tot de reizigers in 't rijtuig: + +"Deze man is niet van hier, want ik ken hem niet. Hij schijnt behoeftig +te zijn, en echter hecht hij niet aan geld, want hij betaalt tot Lagny +en gaat slechts tot Chelles. 't Is donker, al de huizen zijn gesloten, +hij is de herberg niet binnengegaan, en is nergens te zien. Zou hij +in den grond zijn gezonken?" + +De man was niet in den grond gezonken, maar was haastig in 't donker de +groote straat van Chelles doorgegaan; vervolgens was hij links, vóór +hij aan de kerk kwam, den binnenweg ingeslagen, die naar Montfermeil +voert, als iemand die het oord kende en er vroeger geweest was. + +Hij liep met spoed. Ter plaatse, waar zijn pad door den met boomen +beplanten weg van Gagny naar Lagny doorsneden wordt, hoorde hij +menschen naderen. Hij verborg zich schielijk aan den kant van een sloot +en wachtte tot de voorbijgangers verwijderd waren. Deze voorzorg was +trouwens schier overbodig, want, zooals wij gezegd hebben, 't was +een zeer donkere Decembernacht. Nauwelijks bespeurde men een paar +sterren aan den hemel. + +Bij deze plek begint de glooiing van den heuvel. De man volgde den +weg van Montfermeil niet; hij ging rechts over het veld en liep met +haastigen tred naar het bosch. + +In 't bosch gekomen, ging hij langzamer en begon oplettend al de boomen +te beschouwen, stap voor stap, als zocht en volgde hij een geheimen, +hem alleen bekenden weg. Een oogenblik scheen hij verdwaald en stond +besluiteloos stil. Eindelijk kwam hij zoekende en tastende op een +onbegroeide plek, waar een hoop groote witachtige steenen lag. Haastig +naderde hij deze steenen en in de nachtschemering onderzocht hij ze +nauwkeurig en met de grootste aandacht. Een dikke boom, bedekt met die +uitwassen, welke de wratten van 't plantenrijk zijn, stond op eenige +schreden van den hoop steenen. Hij ging naar dien boom en bevoelde +met zijn hand den stam, alsof hij de uitwassen poogde te herkennen +en te tellen. + +Tegenover dezen boom, een els, stond een kastanjeboom, wiens +schors beschadigd was, en waarop men als verband een reep zink had +gespijkerd. Hij tilde zich op de teenen en betastte die reep. + +Daarop ging hij een poos tusschen den boom en de steenen heen en weer, +als iemand die onderzocht of de grond kortelings is omgegraven. + +Dit gedaan hebbende, nam hij zijn richting en zette zijn tocht door +het bosch voort. + +'t Was deze man, dien Cosette ontmoet had. + +Toen hij het kreupelhout naar den kant van Montfermeil doorging, +had hij deze kleine schim gezien, welke zich zuchtend bewoog, die +een last nederzette, dien weder opnam en haar weg vervolgde. Hij +was nader gekomen en had gezien, dat 't een zeer jong kind was, +een grooten emmer water torsende. Toen was hij tot het kind gegaan +en had zwijgend het hengsel van den emmer gevat. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +COSETTE IN HET DONKER MET DEN ONBEKENDE. + + +Wij hebben gezegd, dat Cosette voor den man niet bevreesd was geweest. + +Hij sprak haar aan en zeide met ernstige, zachte stem: + +"De vracht die ge draagt, is te zwaar voor u, mijn kind!" + +Cosette hief het hoofd op en antwoordde: + +"Ja, mijnheer." + +"Geef hem mij," hernam de man, "ik zal voor u dragen." + +Cosette liet den emmer los. De man ging naast haar voort. + +"'t Is inderdaad zwaar," zeide hij binnensmonds. En hij hernam: + +"Hoe oud zijt ge, kleine?" + +"Acht jaar, mijnheer." + +"En zijt ge hiermede reeds ver gekomen?" + +"Van de bron in het bosch." + +"En moet ge nog ver?" + +"Een goed kwartier van hier." + +De man zweeg een oogenblik en hernam toen eensklaps: + +"Hebt ge geen moeder?" + +"Ik weet niet," antwoordde het kind. + +Vóór de man den tijd had te spreken, hernam zij: + +"Ik geloof 't niet. Anderen hebben er een. Ik niet." + +Wederom na eenig zwijgen, zeide zij: + +"Ik geloof, dat ik er nooit een gehad heb" + +De man hield stil, zette den emmer neder, boog zich, legde zijn beide +handen op de schouders van 't kind, en deed een poging om haar in +'t gezicht te zien. + +Het mager kwijnend gezicht van Cosette was onduidelijk zichtbaar bij +het bleeke licht des hemels. + +"Hoe heet ge?" vroeg de man. + +"Cosette." + +'t Was of de man door een electrieken schok getroffen werd. Hij zag +haar nogmaals aan, nam zijn handen van Cosettes schouders, greep den +emmer en ging weder voort. + +Na een poos, vroeg hij: + +"Waar woont ge, kleine?" + +"Te Montfermeil; zoo ge 't kent." + +"Gaan wij daarheen?" + +"Ja, mijnheer." + +Wederom ontstond een pauze, toen hernam hij: + +"Wie heeft u toch op dit uur water in 't bosch laten halen?" + +"Vrouw Thénardier." + +De man vroeg op een gedwongen onverschilligen toon, doch die echter +op eene zonderlinge wijze beefde: + +"Wie is dat, vrouw Thénardier...?" + +"Zij is mijn meesteres," zei het kind. "Zij houdt een herberg." + +"Een herberg?" zei de man. "Welnu, dan zal ik er van nacht gaan +logeeren. Breng er mij heen." + +"Wij gaan er heen," hernam het kind. + +De man stapte tamelijk snel voort. Cosette volgde hem zonder +moeite. Zij voelde geen vermoeidheid meer. Nu en dan hief zij haar +oogen tot dien man op, met een onbeschrijfelijke gerustheid en +onbezorgdheid. Nooit had men haar geleerd zich tot de Voorzienigheid +te wenden en te bidden. Evenwel voelde zij iets in zich, dat naar +hoop en blijdschap geleek en tot den hemel opsteeg. + +Er verliepen eenige minuten. De man hernam: + +"Heeft vrouw Thénardier geen dienstmeid?" + +"Neen, mijnheer." + +"Zijt ge alleen?" + +"Ja, mijnheer." + +Wederom een tusschenpoos. Cosette nam het woord: + +"Maar er zijn twee meisjes." + +"Hoe heeten die meisjes?" + +"Ponine en Zelma." + +Het kind vereenvoudigde aldus de beide voor vrouw Thénardier zoo +dierbare romaneske namen. + +"Wie zijn Ponine en Zelma?" + +"De jongejuffrouwen Thénardier, de dochtertjes mijner meesteres." + +"En wat doen die meisjes?" + +"O!" zei het kind, "zij hebben fraaie poppen, dingen met goud en +allerlei moois. Zij spelen, zij vermaken zich." + +"Den geheelen dag?" + +"Ja, mijnheer." + +"En gij?" + +"Ik werk." + +"Den geheelen dag?" + +Het kind hief haar groote oogen op, waarin een traan stond, dien men +in de duisternis niet zag, en antwoordde zacht: + +"Ja, mijnheer." + +Na een pauze hernam zij: + +"Soms, wanneer ik mijn werk gedaan heb en men 't mij vergunt, vermaak +ik mij ook." + +"Hoe vermaakt ge u?" + +"Zooals ik kan, men laat mij begaan. Ik heb weinig speelgoed. Ponine +en Zelma willen niet, dat ik met haar poppen speel. Ik heb niets dan +een klein blikken sabeltje, niet langer dan zoo." + +Het kind wees haar pink. + +"Dat niet snijdt?" + +"Ja, zeker, mijnheer," zei het kind, "het snijdt salade en +vliegenkoppen." + +Zij kwamen aan het dorp; Cosette voerde den vreemdeling door de +straten. Zij gingen voorbij den bakkerswinkel, maar Cosette dacht niet +aan het brood, dat zij moest medebrengen. De man had opgehouden met +haar te spreken en bewaarde nu een somber zwijgen. Toen zij de kerk +achter zich hadden, vroeg hij, op 't gezicht der kramen, aan Cosette: + +"Is 't hier jaarmarkt?" + +"Neen, mijnheer, 't is Kerstmis." + +Toen zij de herberg naderden, nam Cosette hem bedeesd bij den arm +en zeide: + +"Mijnheer?" + +"Wat, mijn kind." + +"Wij zijn dicht bij huis." + +"Nu?" + +"Wilt ge mij nu weder den emmer laten dragen?" + +"Waarom?" + +"Omdat, als vrouw Thénardier ziet, dat een ander hem voor mij heeft +gedragen, zij mij slaan zal." + +De man gaf haar den emmer. Een oogenblik later waren zij aan de deur +der kroeg. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +HET ONAANGENAME VAN EEN ARME BIJ ZICH TE ONTVANGEN, DIE MISSCHIEN +RIJK IS. + + +Cosette kon zich niet bedwingen een schuinschen blik naar de groote +pop te slaan, die nog altijd in de prachtige kraam stond uitgestald; +daarna klopte zij aan. De deur werd geopend. Vrouw Thénardier verscheen +met een kaars in de hand. + +"Ha, zijt gij 't, kleine deugniet! God vergeef me, ge hebt er wel +den tijd toe genomen, gij hebt zeker gespeeld!" + +"Madame," zei Cosette bevend, "hier is een heer die komt logeeren." + +Vrouw Thénardier trok spoedig haar norsch gezicht tot een vriendelijken +glimlach, een bij herbergiers zeer gewone verandering van tooneel, +en zag begeerig naar den nieuw aangekomene. + +"Gij, mijnheer?" zeide zij. + +"Ja, madame," antwoordde de man, de hand aan zijn hoed brengende. + +De rijke reizigers zijn niet zoo beleefd. Dit gebaar en 't gezicht +van het kostuum en de bagage van den vreemdeling, die vrouw Thénardier +met een oogwenk had opgenomen, deden den vriendelijken glimlach weder +verdwijnen en het norsche gezicht opnieuw voor den dag komen. Zij +hernam droogjes: + +"Kom binnen, vriend." + +De "vriend" trad binnen. Vrouw Thénardier sloeg opnieuw een blik +op hem, beschouwde nauwkeurig zijn jas, die geheel kaal en zijn +hoed die eenigszins gedeukt was en raadpleegde, hoofdschuddend, +den neus optrekkend en knipoogend, haar man, die nog altijd met +de voerlieden dronk. De man antwoordde met die onmerkbare beweging +van den voorvinger, gepaard aan de uitzetting der lippen, welke in +dergelijke gevallen beteekende: "niets aan te verdienen." Waarop +vrouw Thénardier sprak: + +"'t Spijt mij, beste vriend, maar er is geen plaats meer." + +"Plaats mij waar ge wilt," zei de man, "op den zolder, in den stal. Ik +zal betalen alsof ik een kamer had." + +"Twee francs." + +"Twee francs. Goed." + +"Twee francs," zei een voerman zacht tot vrouw Thénardier, "en 't is +slechts één franc." + +"'t Is voor hem twee francs," antwoordde vrouw Thénardier op denzelfden +toon. "Ik logeer geen armen minder." + +"Dit is waar," voegde de echtgenoot er gemoedelijk bij; "'t geeft +een huis een slechten naam, zulk volk te logeeren." + +Intusschen had de man, na zijn pakje en stok op een bank te hebben +gelegd, aan een tafeltje plaats genomen, waarop Cosette haastig een +flesch wijn en een glas had gezet. De koopman, die den emmer water had +gevraagd, was zelf het zijn paard gaan brengen. Cosette had haar plaats +onder de keukentafel weder ingenomen en ook haar breiwerk gezocht. + +De man, die nauwelijks zijn lippen had bevochtigd met den wijn, +dien hij zich had ingeschonken, aanschouwde het kind met zonderlinge +oplettendheid. + +Cosette was leelijk. Ware zij gelukkig, dan zou ze misschien mooi zijn +geweest. Wij hebben bereids deze sombere figuur geschetst. Cosette, +bijna acht jaren oud, was mager en bleek; men zou haar nauwelijks op +zes jaren hebben geschat. Haar groote oogen, als in schaduw verzonken, +waren schier van 't weenen uitgedoofd. De hoeken van haar mond hadden +gewoonlijk dien angstigen plooi, welken men bij veroordeelden en bij +hopelooze zieken opmerkt. Zij had winterhanden, zooals haar moeder +geraden had. Het vuur, dat haar op dit oogenblik bescheen, deed de +hoeken van haar beenderen uitkomen en liet op schrikbare wijze zien +hoe mager zij was. Wijl zij aanhoudend van koude bibberde, had zij +de gewoonte aangenomen, beide knieën tegen elkander te drukken. Haar +kleeding bestond uit lompen, en zou des zomers medelijden hebben +verwekt, terwijl ze 's winters deed ijzen. Zij had niets aan, dan +versleten katoen, geen lapje wol. Hier en daar scheen haar vel door, +en overal bespeurde men blauwe of blonde plekken, welke de plaatsen +aanduidden, waar vrouw Thénardier haar geslagen had. Haar naakte beenen +waren rood en mager. De holte om hare schouderbladen was om van te +schreien. De geheele persoon van het kind, haar gang, haar houding, +de klank harer stem, haar afgebroken woorden, haar blik, haar stilte, +haar minste beweging drukten een enkele gedachte uit: vrees. + +De vrees had haar geheel ingenomen; zij was er om zoo te spreken +mede overdekt; de vrees bracht haar ellebogen tegen haar heupen, +trok haar hielen onder haar rokjen, deed haar de kleinst mogelijke +plaats beslaan, liet haar slechts zooveel ademen als noodig was, +en was om zoo te spreken haar lichaamsgewoonte geworden, die voor +geene verandering dan alleen toeneming vatbaar was. In haar oogappel +was een plekje, dat verschrikking uitdrukte. + +Deze vrees was zoo sterk, dat, hoe nat Cosette ook was, zij zich +niet aan 't vuur had durven drogen, maar stil weder aan haar werk +was gegaan. + +Het uitzicht van dit achtjarig kind was gewoonlijk zoo somber, en +vaak zoo wanhopig, dat het soms scheen, alsof zij op 't punt was een +idiote of een duivelin te worden. + +Nooit, hebben wij gezegd, had zij geweten wat bidden is, nooit had zij +den voet in een kerk gezet. Is daar tijd voor? zei vrouw Thénardier. + +De man met de bruine jas sloeg geen oog van Cosette. + +Eensklaps riep vrouw Thénardier: + +"Waar hebt ge het brood?" + +Cosette, zooals zij gewoon was wanneer vrouw Thénardier haar stem +verhief, haastte zich van onder de tafel te komen. + +Zij had het brood geheel en al vergeten. Zij nam haar toevlucht tot +het gewone hulpmiddel van beangste kinderen. Zij loog. + +"De bakkerij was gesloten, madame." + +"Dan moest ge geklopt hebben." + +"Ik heb geklopt, madame." + +"En?" + +"Er werd niet geopend." + +"Morgen zal ik weten of 't waar is," zei vrouw Thénardier, +"en zoo ge liegt, zult ge er van lusten. Geef mij intusschen het +vijftienstuiversstuk terug." + +Cosette stak haar hand in 't zakje van haar voorschoot en werd +bleek. Het vijftienstuiversstuk was er niet meer. + +"Nu," zei vrouw Thénardier, "hebt ge mij verstaan?" + +Cosette keerde den zak om; er was niets in. Waar kon dat geld +gebleven zijn? Het ongelukkige kind kon geen woord uitbrengen. Zij +was versteend. + +"Hebt ge het vijftienstuiversstuk verloren?" gilde vrouw Thénardier, +"of wilt ge mij bestelen?" + +Tezelfder tijd stak zij den arm uit naar de karwats in den hoek van +den haard. + +Dit schrikkelijk gebaar gaf Cosette de kracht om uit te roepen: + +"Genade, madame, madame, ik zal 't niet weer doen." + +Vrouw Thénardier nam de karwats. + +Ondertusschen had de man met de bruine jas in zijn vestzakje getast, +zonder dat men deze beweging had opgemerkt. Bovendien dronken of +speelden de overige reizigers kaart en letten op niets. + +Cosette kroop angstig in den hoek van den haard ineen, en poogde haar +halfnaakte leden bijeen te trekken en te beveiligen. Vrouw Thénardier +lichtte den arm op. + +"Vergeving, madame," zei de man; "ik heb zoo aanstonds iets uit +'t voorschootzakje der kleine zien rollen. Dat zal 't misschien zijn." + +Tezelfder tijd bukte hij en scheen een oogenblik op den vloer te +zoeken. + +"Juist--hier heb ik 't," hernam hij, zich oprichtende. + +En hij reikte het geldstuk aan vrouw Thénardier. + +"Ja, dat is het," zeide zij. + +Dat was het niet, want 't was een vijffrancstuk, maar vrouw Thénardier +had er winst bij. Zij stak het geldstuk in haar zak en vergenoegde +zich een vasten blik op het kind te slaan en te zeggen:--"Pas op, +dat het niet weer gebeurt!" + +Cosette keerde terug naar 't geen vrouw Thénardier "haar nest" noemde, +en haar groote oogen, op den onbekenden reiziger gericht, namen een +uitdrukking aan, welke zij nooit gehad hadden. 't Was slechts een +naïeve verbazing, maar er paarde zich iets aan als een verwonderd +vertrouwen. + +"Zeg eens, wilt ge van avond eten?" vroeg vrouw Thénardier den +reiziger. + +Hij antwoordde niet. Hij scheen in diepe gedachten. + +Wie is toch deze man? zeide zij binnensmonds. Een arme drommel. Hij +heeft geen geld om te eten. Zal hij mij 't logies wel betalen? 't Is +maar gelukkig, dat 't hem niet in 't hoofd is gekomen het geld dat +op den grond lag te stelen. + +Inmiddels was een deur geopend en Eponine en Azelma kwamen binnen. + +'t Waren inderdaad twee lieve kleine meisjes, eer juffertjes dan +boerinnen; het eene had schitterend kastanjebruine krullen; het andere +lange, zwarte vlechten, die op den rug hingen; beide waren levendig, +net, mollig, frisch en gezond, oogbekorend. Zij waren warm gekleed, +maar met zulk een moederlijke kunst, dat de dikte der stoffen het +innemende van den opschik volstrekt niet schaadde. Voor den winter +was gezorgd, zonder dat de lente verdreven was. Men zag 't haar +aan, dat ze in huis heel wat te zeggen hadden. Uit haar toilet, +uit haar vroolijkheid, uit haar luidruchtigheid sprak een soort van +heerschappij. Toen zij binnenkwamen, zeide vrouw Thénardier haar op +knorrenden, doch tevens liefderijken toon:--Ha! zijt ge daar eindelijk! + +Toen trok ze de eene na de andere tusschen haar knieën, streek +heur haar glad, knoopte haar linten, en liet ze vervolgens los, met +die streeling van welgevallen, welke alleen aan moeders eigen is, +zeggende:--Wat hebben zij zich opgeschikt! + +Zij zetten zich in den hoek van den haard met een pop, welke ze op +heur knieën, onder vroolijk gekeuvel, heen en weer bewogen. Nu en dan +sloeg Cosette de oogen van haar breiwerk op, en aanschouwde haar spel +met treurigen blik. + +Eponine en Azelma zagen niet om naar Cosette. Zij was voor haar +niets meer dan een hond. Deze drie meisjes telden te zamen geen +vier-en-twintig jaar, en vertegenwoordigden reeds de geheele +menschelijke maatschappij; aan de eene zijde afgunst, aan de andere +verachting. + +De pop der zusters Thénardier was zeer verlept, zeer oud en gebroken; +zij scheen Cosette daarom niet minder fraai; want nooit had zij een +pop, een "wezenlijke pop", zooals de kinderen zeggen, gehad. + +Eensklaps merkte vrouw Thénardier, die gestadig in 't vertrek op en +neer ging, dat Cosette verstrooid was, en in plaats van te breien +haar oog op de spelende meisjes gevestigd hield. + +"Ha, ik betrap u!" riep zij. "Is dat breien? Ik zal u met de karwats +leeren breien." + +De vreemdeling wendde zich tot vrouw Thénardier, zonder zijn stoel +te verlaten. Glimlachend, schier bedeesd zeide hij: + +"Och, madame, laat haar spelen." + +Van ieder reiziger, die voor zijn avondmaal een schijf lamsbout +gegeten, twee flesschen wijn gedronken en niet het voorkomen +van een armen drommel gehad had, zou zulk een wensch een bevel +zijn geweest. Maar dat een man met zulk een hoed zich een wensch +veroorloofde, en dat een man met zulk een jas een begeerte te kennen +gaf, dit meende vrouw Thénardier niet te moeten dulden. Zij antwoordde +scherp: + +"Zij moet werken, wijl zij eet. Ik voed haar niet om niets te doen." + +"Wat doet zij dan?" hernam de vreemdeling, met een zachte stem, +die zoo zonderling in tegenspraak was met zijn bedelaarskleeding +en sjouwermansschouders. + +Vrouw Thénardier verwaardigde zich te antwoorden: + +"Wel, kousen breien, kousen voor mijn dochtertjes, die er om zoo te +spreken geen hebben en welhaast barrevoets zouden gaan." + +De man aanschouwde de naakte, roode beentjes van Cosette en hernam: + +"Wanneer zal zij dit paar kousen gereed hebben?" + +"Zij heeft er minstens nog drie of vier dagen werk aan, die luie meid." + +"En hoeveel is zulk een paar kousen waard als 't klaar is?" + +Vrouw Thénardier sloeg een schamperen blik op hem. + +"Ten minste dertig sous." + +"Zoudt ge het voor vijf francs willen geven?" hernam de man. + +"Drommels!" riep luid lachend een voerman, die luisterde, "vijf +francs? Dat geloof ik wel!" + +Thénardier meende thans te moeten spreken. + +"Ja, mijnheer, zoo gij 't wenscht zal men u dat paar kousen voor vijf +francs geven. Wij mogen den reizigers niets weigeren." + +"Maar ge moet dadelijk betalen," zei vrouw Thénardier op haar gewone +korte en gebiedende wijze. + +"Ik koop dit paar kousen," antwoordde de man, "en," voegde hij er bij, +een vijffrancstuk uit zijn zak nemende, dat hij op de tafel legde--"ik +betaal het." + +Zich toen tot Cosette wendende: + +"Thans behoort uw werk mij. Speel nu, mijn kind." + +De voerman was zoo getroffen door het vijffrancstuk, dat hij zijn +glas neerzette en nader kwam. + +"'t Is waarachtig waar," riep hij, het stuk beziende. "Een mooi stuk +geld! en niet valsch!" + +Vrouw Thénardier naderde en stak zwijgend het geldstuk in haar +zak. Zij kon geen tegenwerpingen maken, maar beet zich op de lip en +haar gezicht nam een uitdrukking van haat aan. + +Intusschen beefde Cosette. Zij waagde toch te vragen: + +"Is 't waar, madame? mag ik spelen?" + +"Speel," zei vrouw Thénardier met vreeselijke stem. + +"Dank u, madame," zei Cosette. + +En terwijl haar mond vrouw Thénardier dankte, dankte haar ziel den +reiziger. + +Thénardier had zich weder aan 't drinken gezet. Zijn vrouw fluisterde +hem toe: + +"Wie kan toch deze bruine man zijn?" + +"Ik heb millionairs gezien," antwoordde Thénardier met gewicht, +"die zulke jassen droegen." + +Cosette had haar breiwerk nedergelegd, maar haar plaats niet +verlaten. Zij bewoog zich altijd zoo weinig mogelijk. Uit een doosje +achter zich had zij eenige oude lapjes en haar klein blikken sabeltje +genomen. + +Eponine en Azelma letten volstrekt niet op 't geen gebeurde. Zij +hadden een gewichtige onderneming volbracht, zij hadden zich van +de kat meester gemaakt. Zij wierpen de pop op den vloer. Eponine, +de oudste, bakerde de kleine kat, in weerwil van haar gemiauw en +gespartel, in een menigte roode en blauwe lappen. Terwijl zij dit +ernstig en moeielijk werk verrichtte, zeide zij tot haar zuster, +in die lieve bekoorlijke kindertaal, wier bevalligheid, evenals de +kleurenpracht der kapel, verdwijnt, wanneer men ze vatten wil: + +"Ziet ge, zusje, deze pop is pleizieriger dan de andere. Zij beweegt +zich, schreeuwt en is warm. Kom, zusje, spelen wij er meê. Zij zal +mijn dochtertje zijn. Ik zal een dame wezen, die u bezoekt, en gij +moet haar goed bekijken. Dan moet ge haar snorren zien en u daarover +verwonderen. Vervolgens haar ooren en dan haar staart, en dat moet +u ook verwonderen. Gij moet dan zeggen: Maar, mijn hemel! en ik zal +dan zeggen: Ja, mevrouw, zulk een meisje heb ik. De meisjes zijn +tegenwoordig zóó." + +Azelma luisterde met bewondering naar Eponine. Ondertusschen zongen +de drinkers een vuil lied, en lachten daarbij dat de zoldering +dreunde. Thénardier moedigde hen aan en accompagneerde hen. + +Evenals de vogels van alles een nestje, zoo maken de kinderen overal +een pop van. Terwijl Eponine en Azelma de kat inbakerden, had Cosette +van haar kant het sabeltje ingebakerd. Toen zij hiermede gereed was, +nam zij het op den arm, en zong zacht om het in slaap te sussen. + +De pop is een der dringendste behoeften en terzelfder tijd een der +bekoorlijkste instincten van de vrouwelijke kindsheid. Te verzorgen, +op te schikken, te kleeden en te ontkleeden, te onderwijzen, een weinig +te knorren, in slaap te sussen, te schommelen, zich te verbeelden dat +iets iemand is, hierin ligt de geheele toekomst der vrouw. Al droomende +en koutende, kleertjes en hoedjes makende, wordt het kind een meisje, +het meisje wordt een jongedochter, de jongedochter vrouw. Het eerste +kind is een voortzetting der laatste pop. + +Een meisje zonder pop is schier even ongelukkig en even onvolkomen +als een vrouw zonder kinderen. + +Cosette had dus een pop van haar sabeltje gemaakt. + +Vrouw Thénardier was den "bruinen man" genaderd. Zij dacht: mijn +man heeft gelijk, 't is misschien mijnheer Laffitte. Er zijn zulke +zonderlinge rijken! + +Zij kwam met den elleboog op zijn tafeltje leunen. + +"Mijnheer," zeide zij.... + +Op het woord "mijnheer" wendde de man zich om. Vrouw Thénardier had +hem nog niet anders genoemd dan "vriend" of "man." + +"Ge ziet, mijnheer," zeide zij, met haar zoetsappig gezicht, 't welk +nog onverdragelijker was dan haar wreed gezicht, "ik wil wel dat het +kind eens spele, ik belet het niet; maar 't is goed voor een enkelen +keer, omdat ge zoo edelmoedig zijt. Want weet ge, zij heeft niets. Zij +moet werken." + +"Is dat kind dan niet van u?" vroeg de man. + +"Mijn God! neen, mijnheer; 't is een arm kind dat wij uit liefdadigheid +hebben aangenomen. 't Is zoo'n half onnoozele. 't Schijnt het water +in 't hoofd te hebben. Zie eens, welk een groot hoofd zij heeft. Wij +doen voor haar wat wij kunnen, want wij zijn niet rijk. Wij hebben +naar haar woonplaats geschreven, doch sedert zes maanden antwoordt +men ons niet meer. Wij moeten gelooven, dat haar moeder overleden is." + +"Zoo!" zei de man en hij verviel weder in zijn mijmering. + +"Aan die moeder was weinig goeds," hernam vrouw Thénardier. "Zij liet +haar kind achter." + +Gedurende dit gesprek had Cosette, alsof een inwendig gevoel haar had +gewaarschuwd dat men over haar sprak, het oor niet van vrouw Thénardier +afgewend. Zij luisterde, maar hoorde slechts nu en dan een enkel woord. + +Ondertusschen herhaalden de drinkers, die meer dan half dronken +waren, met verdubbelde vroolijkheid hun vuil gezang. 't Was iets erg +stuitends, waarin de Maagd Maria en het kind Jezus voorkwamen. Vrouw +Thénardier had hartelijk met het schaterend gelach ingestemd: +Cosette zag, onder de tafel, naar het vuur, dat zich in haar strak oog +weerkaatste; zij wiegde weder het gebakerde voorwerp en zong daarbij +zacht: Mijn moeder is dood! mijn moeder is dood! mijn moeder is dood! + +Op vernieuwd aanzoek der kasteleines, begeerde de bruine man, +"de millionair," eindelijk te eten. + +"Wat verkiest mijnheer?" + +"Brood en kaas," zei de man. + +"Zeer zeker een arme drommel," dacht vrouw Thénardier. + +De dronkaards zongen nog altijd hun lied, en het kind onder de tafel +zong het hare. + +Eensklaps zweeg Cosette. Zij had zich omgekeerd en zag nu de pop van +de meisjes, welke zij voor de kat hadden verlaten, en die op eenigen +afstand der keukentafel op den grond lag. + +Toen liet zij het gebakerd sabeltje vallen, dat haar slechts ten +halve voldeed, en liet haar oogen langzaam door de zaal gaan. Vrouw +Thénardier sprak zacht met haar man, en telde geld, Ponine en Zelma +speelden met de kat, de reizigers aten of dronken of zongen, geen blik +was op haar gericht. Zij had geen oogenblik te verliezen. Zij kroop +op handen en knieën van onder de tafel, verzekerde zich nogmaals dat +men haar niet gadesloeg, schoot toen ijlings naar de pop, en greep +haar. Een oogenblik daarna zat zij weder op haar plaats, bewegingloos, +doch zoodanig gekeerd, dat de pop, welke zij in haar armen hield, +in de schaduw was. Het geluk van met een pop te spelen was voor haar +zoo zeldzaam, dat het de macht van den wellust had. + +Niemand had het gezien dan de reiziger, die langzaam zijn sober +avondeten nuttigde. + +Deze vreugd duurde schier een kwartieruurs. + +Maar hoe voorzichtig Cosette ook was, zij bespeurde niet, dat een van +de beenen der pop "uitstak," en helder door het vuur van den haard +verlicht werd. Dit rosé verlichte been, dat uit de schaduw kwam, +trof plotseling den blik van Azelma, die tot Eponine zeide:--Zie +eens, zusje! + +De twee meisjes staarden verstomd. Cosette had de pop durven nemen. + +Eponine stond op en zonder de kat los te laten, ging zij naar haar +moeder en trok haar bij haar kleed. + +"Laat mij toch met rust," zei de moeder. "Wat wilt ge?" + +"Moeder," zei het kind, "zie eens." + +En zij wees met den vinger naar Cosette. + +Cosette, geheel in verrukking over het bezit, zag noch hoorde iets. + +Het gelaat van vrouw Thénardier nam die bijzondere uitdrukking aan, +welke uit het vreeselijke, vermengd met het nietige des levens, +bestaat, en die deze soort vrouwen den naam van "helleveeg" heeft +gegeven. + +Nu bracht de gekwetste hoogmoed haar toorn tot het uiterste. Cosette +had alle grenzen overschreden, Cosette had zich aan de pop vergrepen +van "hare dochtertjes." Een czarin, die zag dat een mougick zich het +groote blauwe lint van haar keizerlijken zoon omhing, zou geen ander +gezicht gehad hebben. + +Met een van verontwaardiging schorre stem riep zij: + +"Cosette!" + +Cosette ontstelde, alsof de grond onder haar ingevallen ware. Zij +keerde zich om. + +"Cosette!" herhaalde vrouw Thénardier. + +Cosette nam de pop en legde haar met een soort van eerbied, met wanhoop +vermengd, op den grond. Toen vouwde zij, zonder haar oogen er van af +te wenden, de handen samen, en, 't geen van een kind van dien leeftijd +schrikkelijk is te zeggen, zij wrong ze; en--waartoe haar geen der +aandoeningen van den dag, noch haar gang naar het bosch, noch den +zwaren emmer, noch het verliezen van 't geld, noch het gezicht der +karwats, zelfs niet de dreigende woorden van vrouw Thénardier hadden +kunnen bewegen,--zij schreide. Zij barstte in snikken uit. + +Intusschen was de reiziger opgestaan. + +"Wat is er geschied?" vroeg hij aan vrouw Thénardier. + +"Ziet ge 't niet?" zei vrouw Thénardier met den vinger naar het corpus +delicti wijzende, dat aan Cosettes voeten lag. + +"Welnu, wat?" hernam de man. + +"Deze bedelares," antwoordde vrouw Thénardier, "heeft zich vermeten, +aan de pop der kinderen te raken." + +"En is daarvoor al dat leven!" zei de man. "Waarom mag zij niet met +de pop spelen?" + +"Zij maakt ze smerig met haar vuile handen," hernam vrouw Thénardier, +"met haar leelijke handen!" + +Cosette snikte luider bij deze woorden. + +"O, zult ge u stil houden!" riep vrouw Thénardier. + +De vreemde ging rechtstreeks naar de voordeur, opende ze en ging er +uit. Zoodra hij weg was, nam vrouw Thénardier de gelegenheid waar, +Cosette onder de tafel een geweldigen schop te geven, die het kind +luid deed schreeuwen. + +De deur werd weder geopend, de man kwam terug, hield in zijn beide +handen de fabelachtige pop, waarvan wij gesproken hebben en welke +al de kinderen van het dorp den geheelen dag bewonderd hadden, en ze +voor Cosette leggende, zeide hij: + +"Ziedaar, die is voor u." + +'t Is waarschijnlijk dat hij, die langer dan een uur hier was, +te midden zijner mijmeringen, flauw de poppenkraam had opgemerkt, +die zoo schitterend met lampen en kaarsen werd verlicht, dat men ze +door het raam der herberg voor een illuminatie hield. + +Cosette hief de oogen op. Zij had den man met de pop haar zien naderen, +evenals zij de zon tot haar zou hebben zien komen, zij hoorde deze +nooit gehoorde woorden: "dit is voor u," zij zag hem, zij zag de +pop aan, toen kroop zij langzaam achteruit, en verborg zich onder de +tafel in den hoek van den muur. + +Zij schreide niet meer, noch kreet; 't was alsof zij niet durfde +ademen. + +Vrouw Thénardier, Eponine, Azelma waren als zoovele beelden. Zelfs de +drinkers hielden een oogenblik op. Er heerschte een plechtige stilte +in de herberg. + +Vrouw Thénardier, versteend en sprakeloos, begon weder gissingen te +maken:--Wie is deze oude? is hij arm? is hij millionair? Misschien +beiden, namelijk een dief. + +Het gelaat van Thénardier vertoonde dien sprekenden plooi, welke het +menschelijk gezicht aanneemt, wanneer het heerschend instinct er in al +zijn dierlijke kracht op verschijnt. De kroeghouder zag beurtelings +de pop en den reiziger aan; hij scheen dien man even begeerlijk aan +te zien als hij een zak geld zou hebben aangezien. Dit duurde evenwel +slechts een oogenblik. Hij naderde zijn vrouw en zeide zacht tot haar: +"Dat ding kost ten minste dertig francs. Geen gekheid. Dien man moeten +wij zien in te pakken." + +Ruwe naturen hebben dit met de naïeve gemeen, dat zij geen overgangen +kennen. + +"Nu, Cosette," zei vrouw Thénardier met een stem, die zacht wilde +zijn, maar al den bitteren honig van booze vrouwen had, "neemt ge de +pop niet aan?" + +Cosette waagde het, uit haar schuilhoek te komen. + +"Nu, Cosetje," sprak Thénardier op vleienden toon, "mijnheer geeft +u een pop. Neem ze. Ze is voor u." + +Cosette aanschouwde de tooverachtige pop met een soort van schrik. Haar +gezicht was nog met tranen bedekt; maar haar oogen begonnen zich +te vullen, evenals de hemel bij den dageraad, met de stralen der +blijdschap. Wat zij thans gevoelde, had eenige overeenkomst met +hetgeen zij gevoeld zou hebben, zoo men haar eensklaps gezegd had: +"Kleine, gij zijt koningin van Frankrijk." + +Het scheen haar, alsof de bliksem uit de pop zou schieten, zoo zij +ze aanraakte. + +Dit was in een zeker opzicht waar, want zij zeide bij zich zelve, +dat vrouw Thénardier op haar zou schelden en haar zou slaan. + +De bekoring was echter te sterk. Zij naderde eindelijk en prevelde +bedeesd, zich tot vrouw Thénardier wendende: + +"Mag ik, madame?" + +Geen woorden kunnen haar te gelijk wanhopige, angstige en verrukte +houding uitdrukken. + +"Drommels," zei vrouw Thénardier, "ze behoort u. Mijnheer geeft ze +u immers." + +"Is 't waar, mijnheer?" hernam Cosette, "in ernst? is die "dame" +voor mij?" + +De vreemdeling scheen de oogen vol tranen te hebben, en tot dien +graad van aandoening te zijn gekomen, dat men niet spreekt, ten einde +niet te weenen. Hij knikte Cosette toe en legde de hand der "dame" +in haar handje. + +Cosette trok schielijk haar hand terug, alsof die der pop haar +brandde, en zag naar den grond. Wij moeten hier bijvoegen, dat zij +terzelfdertijd de tong ver uitstak. Eensklaps keerde zij zich om en +greep driftig de pop. + +"Ik zal haar Kaatje noemen," zeide zij. + +'t Was een wonderbaar oogenblik, toen de lompen van Cosette in +aanraking kwamen met de linten en het frisch roodkleurig neteldoek +der pop. + +"Madame," vroeg zij, "mag ik ze op een stoel zetten?" + +"Ja, mijn kind," antwoordde vrouw Thénardier. + +Nu beschouwden Eponine en Azelma Cosette met afgunst. + +Cosette zette Kaatje op een stoel, ging voor haar op den grond zitten +en bleef haar stil, zonder te spreken, vol bewondering aanschouwen. + +"Speel nu, Cosette," zei de vreemdeling. + +"O, ik speel," antwoordde het kind. + +Deze vreemdeling, deze onbekende, die als een bezoek der Voorzienigheid +aan Cosette geleek, was op dit oogenblik voor vrouw Thénardier het +meest gehate voorwerp. Zij moest zich evenwel bedwingen. Zij was +sterker ontstemd dan zij kon uithouden, hoezeer zij aan geveinsdheid +gewoon was, doordien zij haar man in al zijne handelingen trachtte +na te bootsen. Zij haastte zich haar dochtertjes naar bed te zenden, +en verzocht toen den bruinen man "verlof" ook Cosette naar bed te +doen gaan, "die," voegde zij er op moederlijken toon bij, "heden wel +zeer vermoeid moet zijn." Cosette ging naar bed en nam Kaatje op haar +armen mede. + +Vrouw Thénardier ging nu en dan naar het einde der kamer, waar haar +man zat, om "haar hart te verlichten." Zij wisselde met haar man +eenige woorden, die te heftiger waren, wijl zij ze niet luid durfde +uitspreken: + +"Die oude schurk! Wat heeft hij toch in den zin, om ons hier te komen +hinderen! hij wil dat het kleine monster spelen zal! hij geeft haar +een pop! een pop van veertig francs aan een schepsel, dat geen veertig +sous waard is! Straks zal hij haar nog majesteit noemen, evenals de +hertogin van Berry! Heeft dit gezonden zin? De oude onbekende moet +krankzinnig zijn!" + +"Waarom? 't Is zeer natuurlijk," antwoordde Thénardier, "wijl 't hem +behaagt. Gij wilt dat het meisje werkt, hij wil dat ze speelt. Hij is +in zijn recht. Een reiziger doet wat hij wil, zoo hij betaalt. Wat +raakt het u, of deze oude een philanthroop is? 't raakt u niet of +hij een dwaas is. Wat kan 't u schelen? hij heeft immers geld!" + +Taal van den meester en herbergiers-redeneering, waartegen niets is +in te brengen. + +De man leunde met den elleboog op de tafel en had zich weder aan zijne +gepeinzen overgegeven. De overige reizigers, kooplieden en voerlieden, +hadden zich een weinig verwijderd en zongen niet meer. Zij beschouwden +hem op een afstand met een soort van eerbiedige schuwheid. Deze zoo +armoedig gekleede man, die zoo onverschillig de vijffrancsstukken +uit zijn zak haalde en reusachtige poppen aan kleine morspotten op +klompen schonk, was zekerlijk een rijk en machtig man. + +Er verliepen verscheidene uren. De middernachtmis was geëindigd, het +kleine nachtfeest was afgeloopen, de drinkers waren heengegaan, de +herberg was gesloten, de gelagkamer was ledig, het vuur was uitgedoofd, +maar de man zat nog op dezelfde plaats en in dezelfde houding. Nu en +dan verwisselde hij van elleboog om op te steunen. Dit was alles. Sinds +Cosette er niet meer was, had hij geen woord gesproken. + +Alleen de Thénardier's waren uit voegzaamheid en nieuwsgierigheid in +de kamer gebleven. + +"Zal hij den nacht aldus doorbrengen?" bromde vrouw Thénardier. Toen +het twee uren na middernacht sloeg, verklaarde zij zich overwonnen en +zeide tot haar man: "Ik ga naar bed. Doe zooals gij wilt."--Thénardier +ging in een hoek aan een tafel zitten, stak een kaars aan en begon +de Courrier Français te lezen. + +Aldus verstreek ruim een uur. De waardige herbergier had ten minste +driemaal de courant gelezen, van den datum af tot den naam van den +drukker toe. De vreemdeling verroerde zich niet. + +Thénardier bewoog zich, hoestte, spuwde, snoot den neus, schraapte +met zijn keel. Geen beweging van den man.--Slaapt hij? dacht +Thénardier.--De man sliep niet, maar niets kon hem uit zijn gepeins +wekken. + +Eindelijk nam Thénardier zijn pet af, naderde zacht en waagde te +zeggen: + +"Wil mijnheer niet "ter rust gaan"?" + +"Naar bed gaan" had hem te onfatsoenlijk en gemeenzaam geschenen. "Ter +rust gaan" was deftig en eerbiedig. Zulke woorden hebben de geheime, +wonderbare eigenschap, dat zij den volgenden dag het bedrag der +rekening doen zwellen. Een kamer waar men "slaapt" kost een franc; +een kamer, waar men "rust" moet twintig francs kosten. + +"Ja!" zei de vreemdeling, "gij hebt gelijk. Waar is de stal?" + +"Mijnheer," zei Thénardier met een glimlach, "ik zal mijnheer +voorgaan." + +Hij nam de kaars, de man nam zijn pakje en stok, en Thénardier geleidde +hem naar een kamer op de eerste verdieping, die bijzonder fraai was, +met mahoniehouten meubels, ledikant en rood katoenen gordijnen. + +"Wat is dat?" vroeg de reiziger. + +"'t Is onze bruidskamer," zei de herbergier. "Mijn vrouw en ik bewonen +een andere. Wij komen hier slechts drie- of viermaal in 't jaar." + +"De stal zou mij even lief zijn geweest," zei de man koel. + +Thénardier hield zich, alsof hij deze vleiende aanmerking niet hoorde. + +Hij ontstak twee nieuwe waskaarsen, die op den schoorsteen stonden. Een +tamelijk goed vuur brandde in den haard. + +Op den schoorsteen lag onder een glazen stolp een vrouwenkapsel van +zilverdraad en oranjebloesem. + +"Wat is dit?" vroeg de vreemdeling. + +"'t Is de bruidstooi mijner vrouw mijnheer," zei Thénardier. + +De reiziger beschouwde dat voorwerp met een blik, die scheen te zeggen: +"dat monster is dus ook eens een meisje geweest." + +Thénardier loog trouwens. Toen hij het huis had gehuurd om er een +kroeg van te maken, had hij deze kamer dus gestoffeerd gevonden, het +huisraad overgenomen met den bruidskrans er bij, in de verwachting, +dat die aan zijn vrouw een bevallig aanzien zou verleenen en aan zijn +huis een zekere "respectabiliteit", zooals de Engelschen zeggen. + +Toen de reiziger zich omkeerde, was de herbergier verdwenen. Thénardier +had zich bescheidenlijk verwijderd, zonder goeden nacht te durven +zeggen, daar hij iemand niet met oneerbiedige gemeenzaamheid wilde +behandelen, dien hij voornam den volgenden morgen op koninklijke +wijze te plukken. + +De herbergier begaf zich naar zijn kamer. Zijn vrouw was te bed, +maar sliep niet. Toen zij haar man hoorde komen, keerde zij zich om +en zeide: + +"Weet ge, dat ik Cosette morgen de deur uit gooi?" + +Thénardier antwoordde koel: + +"Wat zijt ge driftig!" + +Zij spraken verder geen woord; na eenige oogenblikken was hun kaars +uitgebluscht. + +De reiziger had zijn pakje en stok in een hoek gelegd. + +Toen de herbergier hem verlaten had, zette hij zich op een stoel en +bleef een poos in gedachten verdiept. Vervolgens trok hij zijn schoenen +uit, nam een der kaarsen, blies de andere uit, opende de deur, ging +uit de kamer en zag om zich, als iemand die iets zoekt. Hij ging door +een gang en kwam aan de trap. Daar hoorde hij een zeer zacht gerucht, +dat de ademhaling van een kind geleek. Hij ging hierop af en het +bracht hem voor een driehoekig hok onder de trap, of liever door de +trap zelf gevormd. 't Was eenvoudig de ruimte onder de treden. Daar, +onder allerlei oud mandewerk en vodden, in stof en spinnewebben, +was een bed, indien een stroozak, door welks gaten men het stroo kon +zien, en een oude deken, door welks gaten men den stroozak kon zien, +aldus genoemd mogen worden. Lakens waren er niet. De stroozak lag op +den vloer, en in dat bed sliep Cosette. + +De man trad nader en zag haar aan. + +Cosette sliep gerust en was geheel gekleed. Des winters ontkleedde +zij zich niet, om minder kou te lijden. + +Zij hield de pop, wier groote oogen in de duisternis glinsterden, +tegen zich gedrukt. Nu en dan loosde zij een zwaren zucht, als ware +zij op 't punt te ontwaken, en schier stuipachtig klemde zij de pop +in haar armen. Slechts één harer klompen stond bij haar bed. + +Door een open deur, dicht bij de slaapplaats van Cosette, kon men +in een groote donkere kamer zien. De vreemdeling trad er binnen. De +glazen deur deed in de kamer twee gelijke kleine, heldere bedden +opmerken. Ze waren van Azelma en Eponine. Achter deze bedden ontdekte +men flauw een teenen wieg zonder gordijnen, waarin het jongetje sliep, +dat den ganschen avond geschreeuwd had. + +De vreemdeling vermoedde, dat deze kamer met die der echtgenooten +in verbinding was. Hij wilde zich verwijderen, toen zijn blik op den +schoorsteen viel; een dier groote herbergsschoorsteenen, waarin altijd +zoo weinig vuur is, zoo er in 't geheel vuur in is, en die zich zoo +koud laten aanzien. In dezen schoorsteen was geen vuur, zelfs geen +asch; wat er in was, trok echter de aandacht des reizigers. 't Waren +namelijk twee nette kinderschoentjes van verschillende grootte; de +reiziger herinnerde zich de lieve, overoude gewoonte der kinderen +in Frankrijk om op den Kerstdag hun schoenen onder den schoorsteen +te zetten, opdat hun goede fée er des nachts een fraai geschenk in +brenge. Eponine en Azelma hadden dan ook niet nagelaten, ieder haar +schoentje onder den schoorsteen te zetten. + +De reiziger bukte. + +De fée, dat wil zeggen de moeder, was er reeds geweest, en in ieder +schoentje zag men een fraai, geheel nieuw half-francstuk blinken. + +De man richtte zich op en wilde gaan, toen hij achter in den donkersten +hoek van den schoorsteen nog een ander voorwerp bespeurde, een +leelijk, lomp, half gebroken en met asch en slijk bedekt klompje. 't +Was Cosettes klompje. Ook Cosette had met dat aandoenlijk vertrouwen +der kinderen, dat, schoon telkens bedrogen, echter nooit den moed +opgeeft, haar klompje in den schoorsteen gezet. + +De hoop van een kind, dat nooit iets anders dan wanhoop heeft gekend, +is iets zeer verhevens en liefelijks. + +In dat klompje was niets. + +De vreemdeling tastte in zijn zak, bukte en legde in Cosettes klompje +een louis d'or. + +Toen keerde hij zacht naar zijn kamer terug. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +THÉNARDIER AAN 'T WERK. + + +Den volgenden morgen, ten minste twee uur vóór het dag was, zat +Thénardier bij een kaars in de gelagkamer aan de tafel met een pen +in de hand, en maakte de rekening op van den reiziger in de bruine jas. + +Zijn vrouw stond half gebogen naast hem en zag toe. Zij spraken geen +woord. 't Was aan de eene zijde diepe overweging, aan de andere +eerbiedige bewondering, als waarmede men een gewrocht van den +menschelijken geest ziet ontstaan en zich ontwikkelen. Men hoorde +gerucht in huis, 't was de "leeuwerik" die de trap veegde. + +Na een groot kwartieruurs en eenige doorhalingen, bracht Thénardier +dit meesterstuk voor den dag: + + + Nota voor mijnheer No. 1. + + Soupé fr. 3. + Kamer fr. 10. + Kaarsen fr. 5. + Vuur fr. 4. + Bediening fr. 1. + ------ + Te zamen fr. 23. + + +"Drie-en-twintig francs!" riep de vrouw verrukt, doch met eenige +aarzeling vermengd. + +Evenals alle groote kunstenaars, was Thénardier niet tevreden. + +"Hm!" prevelde hij. + +'t Was de toon van Castlereagh, terwijl hij op 't congres van Weenen +de rekening voor Frankrijk opmaakte. + +"Gij hebt gelijk, Thénardier, hij mag dit wel betalen," mompelde +de vrouw, aan de pop denkende, welke hij in tegenwoordigheid harer +dochtertjes aan Cosette had gegeven, "'t is niet meer dan billijk; +ofschoon wat veel. Hij zal 't niet willen betalen." + +Thénardier antwoordde met zijn koelen glimlach: + +"Hij moet betalen." + +Deze glimlach was de hoogste uitdrukking van zekerheid en gezag. Wat +zóó gezegd was moest gebeuren. De vrouw sprak er niet verder over. Zij +bracht de tafels in orde; de man ging heen en weder door de kamer. Na +eenige oogenblikken zeide hij: + +"Ik moet wel vijftienhonderd francs betalen." + +Hij zette zich in den hoek van den haard, met de voeten in de warme +asch en peinsde. + +"Nu, ge vergeet toch niet, dat ik vandaag Cosette de deur uitzet. Het +monster, ik kan haar niet uitstaan, met haar pop! Ik zou liever +Lodewijk XVIII trouwen dan haar een dag langer in mijn huis hebben." + +Thénardier stak zijn pijp aan, en antwoordde tusschen de rookwolken: +"Gij zult de rekening aan den man geven." + +Toen ging hij uit. + +Nauwelijks was hij uit de kamer, toen de reiziger binnenkwam. + +Thénardier verscheen weder onmiddellijk achter hem, bleef in de half +open deur staan en was alleen zichtbaar voor zijn vrouw. + +De bruine man had zijn stok en zijn pakje in de hand. + +"Zoo vroeg bij de hand!" zei vrouw Thénardier, "gaat mijnheer ons +reeds verlaten?" + +Dit zeggende draaide zij verlegen de rekening in haar hand en maakte +er met haar vingers vouwen in. Haar strak gelaat vertoonde een haar +geheel ongewone uitdrukking van bedeesdheid en schroom. + +'t Scheen haar moeielijk zulk een rekening aan iemand te geven, +die zoo geheel 't voorkomen van "een arme" had. + +De reiziger scheen verstrooid en in gedachten. Hij antwoordde: + +"Ja, madame, ik vertrek." + +"Ge hebt dus te Montfermeil geen zaken te doen?" + +"Neen, ik reis hier slechts door, anders niet.--Wat ben ik u schuldig, +madam?" + +Vrouw Thénardier reikte hem de toegevouwen rekening over, zonder een +woord te zeggen. + +De man vouwde het papier open en zag het in; maar blijkbaar dacht +hij aan iets anders. + +"Madame," vroeg hij, "maakt ge goede zaken hier te Montfermeil?" + +"Zoo, zoo, mijnheer," antwoordde vrouw Thénardier, verbaasd dat hij +niet op eene andere wijze uitviel. Op treurigen, jammerenden toon +voegde zij er bij: "'t Is een slechte tijd, mijnheer! en hier, in +deze omstreken zijn weinig welgestelden. 't Zijn allen geringe lieden, +weet ge. Zoo er niet nu en dan fatsoenlijke en rijke reizigers kwamen +als mijnheer! Wij hebben zoovele lasten. Onder andere, die kleine +kost ons ontzettend." + +"Welke kleine?" + +"Wel, de kleine, die gij gezien hebt! Cosette; de "leeuwerik" zooals +men ze hier noemt." + +"Ha," zei de man. + +Zij voer voort: + +"De boeren zijn zoo dom met hun bijnamen; zij heeft meer van een +vleermuis dan van een leeuwerik. Weet ge, mijnheer, wij vragen niet, +maar kunnen evenmin geven. Wij verdienen niets en hebben veel te +betalen. Het patent, de personeele belasting, deuren en vensters, +de opcenten! Mijnheer weet, dat er ontzettend veel belasting moet +betaald worden. Bovendien heb ik mijn dochtertjes; ik heb niet noodig +het kind van een ander te voeden." + +De man hernam met eene stem, welke men onverschillig tracht te maken, +doch evenwel beeft: "Zoo men er u eens van ontlastte?" + +"Van wie? van Cosette?" + +"Ja." + +Het roode heftige gezicht der herbergierster straalde van hatelijke +vreugde. + +"O, mijnheer, houd haar, neem haar mede, doe met haar wat ge wilt en +de H. Maagd en al de Heiligen in den hemel zegenen u er voor." + +"Afgedaan!" + +"Waarlijk? Neemt ge haar mede?" + +"Ik neem ze mede." + +"Aanstonds?" + +"Aanstonds. Roep het kind." + +"Cosette!" riep vrouw Thénardier. + +"Ondertusschen zal ik u mijn schuld betalen," hernam de man. "Hoeveel +is 't?" + +Hij sloeg een blik in de rekening en kon een beweging van verbazing +niet onderdrukken. + +"Drie-en-twintig francs!" zeide hij, de vrouw aanziende, en herhaalde: +"Drie-en-twintig francs!" + +Op deze wijze herhaald lag in deze woorden de uitdrukking tusschen +het verwonderings- en het vraagteeken. + +Vrouw Thénardier had den tijd gehad, zich tot den schok voor te +bereiden. Zij antwoordde stoutmoedig: + +"Ja, mijnheer, 't is drie-en-twintig francs." + +De vreemdeling legde vijf vijffrancstukken op de tafel. + +"Ga nu het kind halen," zeide hij. + +Op dit oogenblik trad Thénardier in 't midden der kamer en zeide: + +"Mijnheer is nog zes-en-twintig sous schuldig." + +"Zes-en-twintig sous!" herhaalde de vrouw. + +"Twintig sous voor de kamer, zes voor het avondeten," hernam Thénardier +koel. "Wat de kleine betreft moet ik met mijnheer nog een woord +spreken. Ga, vrouw." + +Vrouw Thénardier was als verbijsterd door de verrassende spranken +van haars mans schitterenden geest. Zij gevoelde dat de groote acteur +thans ten tooneele trad; zij antwoordde niet en ging heen. + +Zoodra zij alleen waren, bood Thénardier den vreemdeling een stoel +aan. De reiziger ging zitten; Thénardier bleef staan en zijn gelaat +nam een zonderlinge goedhartigheid en onnoozelheid aan. + +"Ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik dit kind onuitsprekelijk liefheb." + +De vreemdeling zag hem strak aan. + +"Welk kind?" vroeg hij. + +"'t Is zonderling, hoe men zich aan iets hechten kan," vervolgde +Thénardier. "Wat is al dat geld? Neem uw vijffrancstukken terug. Ik +houd onuitsprekelijk van dat kind!" + +"Van welk?" vroeg de vreemde. + +"Wel, van onze kleine Cosette. Wilt ge dit niet van ons wegnemen? Nu, +ik spreek openhartig; zoo waar als ik een eerlijk man ben, ik kan er +niet in bewilligen. Ik zou het kind missen. Ik heb ze van jongs af +bij mij gehad. 't Is waar, dat ze ons veel kost; 't is waar, dat ze +haar gebreken heeft; 't is waar, dat wij niet rijk zijn; 't is waar +dat, toen ze ziek was, ik meer dan vierhonderd francs aan artsenijen +betaald heb. Maar men moet iets voor den lieven God doen. Zij heeft +noch vader noch moeder, ik heb haar grootgebracht. Ik heb brood voor +mij en voor haar. Kortom, ik ben aan 't kind gehecht. Ge begrijpt, +men kan zich ergens aan hechten; ik ben een eenvoudige goede kerel; +ik redeneer niet, en houd van de kleine; mijn vrouw is driftig, +maar houdt ook van haar. 't Is als ware het ons kind. Ik moet haar +in huis hooren keuvelen." + +De vreemde bleef hem strak aanzien. Thénardier voer voort: + +"Vergeving, verschooning, mijnheer, men geeft zoo maar zijn kind +niet aan den eerste den beste. Niet waar, heb ik geen gelijk? 't +Is zoo, gij zijt rijk, gij schijnt een zeer goed man, en zoo het +tot haar geluk was? Maar wie weet dat? Ge begrijpt dat, zoo ik haar +liet gaan en dit offer bracht, ik zou willen weten waar zij bleef, +ik zou haar niet uit het oog willen verliezen, zou moeten weten bij +wien zij is, om haar nu en dan te bezoeken, opdat zij zou weten dat +haar goede pleegvader nog altijd over haar waakt. Er zijn voorwaar +maar al te veel onmogelijke zaken. Ik weet zelfs uw naam niet. Zoo +ge haar medenaamt, zou ik moeten vragen: waar is de Leeuwerik toch +gebleven? Ik zou ten minste een stukje papier, een paspoort of iets +van dien aard moeten zien. + +Zonder op te houden den herbergier met dien blik aan te zien, die, +om zoo te spreken, tot in het diepst der ziel dringt, antwoordde de +vreemde met ernstige, vaste stem: + +"Mijnheer Thénardier, men neemt geen pas om zich vijf uren van +Parijs te verwijderen. Zoo ik Cosette medeneem, neem ik haar mede, +dit is alles. Ge zult noch mijn naam, noch mijn woonplaats vernemen; +ge zult haar verblijf niet vernemen, en 't is mijn bedoeling dat zij +u nooit wederzie. Ik breek den draad, dien zij aan den voet heeft, +en zij vliegt weg. Wilt gij dit, ja of neen?" + +Evenals goede en kwade geesten aan sommige teekenen de tegenwoordigheid +van een hoogeren geest erkennen, zoo begreep Thénardier, dat hij +met een zeer sterk man te doen had. Dit werd hem als ingegeven; hij +begreep het dadelijk met zijn gewone scherpzinnigheid. Hij had reeds +den vorigen avond, terwijl hij met de voerlieden dronk, rookte en zong, +den vreemdeling oplettend gadegeslagen, hem als een kat beloerd en +hem als een wiskunstenaar bestudeerd. Uit eigen beweging, voor zijn +pleizier en uit instinct had hij hem gadegeslagen, en hem bespied +als werd hij er voor betaald. Geen gebaar, geen beweging was hem +van dezen man in de bruine jas ontsnapt. Zelfs vóór de onbekende zijn +belangstelling in Cosette deed blijken, had Thénardier hem geraden. Hij +had de doordringende blikken van den ouden man verrast, die zich immer +op het kind richtten. Wat was de reden dezer belangstelling? Wie was +deze man? Waarom zulk een armoedige kleeding, met zooveel geld in den +zak? Deze vragen, welke hij zich deed en niet kon oplossen, kwelden +hem. Hij had er den ganschen nacht over gedacht. 't Kon Cosettes vader +niet zijn. Misschien een grootvader? maar waarom zich dan niet dadelijk +kenbaar gemaakt? Zoo men recht op iets heeft, bewijst men het. 't +Was duidelijk, dat deze man geen recht op Cosette had. Wie was hij +dan? Thénardier verloor zich in gissingen. Hij meende alles te zien, +en zag niets. Hoe het zij, toen hij met den man een gesprek begon, +voelde hij zich sterk, in de overtuiging dat er een geheim onder +schuilde, dat de man er belang bij had onbekend te blijven; doch +bij het duidelijk en stellig antwoord van den vreemde, en toen hij +zag van dit geheimzinnig personage zoo eenvoudig geheimzinnig was, +gevoelde hij zich zwak. Iets dergelijks had hij niet verwacht. Al +zijn gissingen vielen nu in duigen. Hij zamelde zijn gedachten. In +een seconde overwoog hij dit alles. Thénardier was een dier menschen, +die in een oogenblik over een toestand oordeelen. Hij begreep dat +'t nu het oogenblik was om regelrecht en snel door te tasten. Hij +handelde als de groote veldheeren op het beslissend oogenblik, dat +zij alleen weten te erkennen; hij ontblootte eensklaps zijn batterij. + +"Mijnheer," zeide hij, "ik moet vijftienhonderd francs hebben." + +De vreemde nam uit zijn zak een oude, zwart lederen portefeuille, +opende ze en haalde er drie bankbriefjes uit, welke hij op de tafel +legde. Toen hield hij zijn grooten duim op de briefjes en zeide tot +den herbergier: + +"Haal Cosette." + +Wat deed Cosette, terwijl dit plaats had? + +Cosette was terstond bij haar ontwaken naar haar klompje geloopen, +en had daarin het goudstuk gevonden. 't Was geen gouden Napoleon, +maar een dier nieuwe twintig-francstukken der restauratie, waarop de +kleine Pruisische staart den lauwerkrans aan het borstbeeld vervangen +had. Cosette was als verblind. Haar lot begon haar te bedwelmen. Zij +wist niet wat een goudstuk was; nooit had zij er een gezien; zij +bergde het haastig in haar zak alsof zij het gestolen had. Evenwel +gevoelde zij, dat het haar behoorde; zij begreep, van waar dit geschenk +kwam, maar haar vreugd was met vrees vermengd. Zij was tevreden; +maar bovenal verbaasd. Deze heerlijke, schoone dingen schenen haar +niet wezenlijk. De pop joeg haar vrees aan, het goudstuk beangstigde +haar. Deze heerlijkheden deden haar onwillekeurig beven. Alleen de +vreemde man baarde haar geen vrees; integendeel, hij stelde haar +gerust. Sinds den vorigen avond dacht zij, bij al haar verbazing, +in haar slaap, in haar kleinen kinderlijken geest aan den man, die +zulk een oud, armoedig en treurig aanzien had en die zoo rijk en goed +was. Sinds zij dien goeden man in het bosch had ontmoet was alles +voor haar veranderd. Cosette, minder gelukkig dan de geringste zwaluw +in de lucht, had nooit geweten wat het is, in de moederlijke hoede +als onder een vleugel beschermd te zijn. Sedert vijf jaren, dat is +zoo ver haar geheugen reikte, rilde en beefde het arme kind. Steeds +was zij naakt geweest in den guren wind des ongeluks; nu scheen het +haar, dat zij gekleed was. Vroeger was haar ziel koud, nu was zij +warm.--Cosette had zooveel vrees niet meer voor Thénardier. Zij was +niet meer alleen; er was iemand bij haar. + +Haastig had zij haar ochtendwerk begonnen. De louisd'or, welken zij bij +zich had, in 't zelfde zakje van haar voorschoot, waaruit den vorigen +avond het vijftien-sousstuk was gevallen, maakte haar verstrooid. Zij +durfde het niet aanraken, maar beschouwde het elke vijf minuten, +waarbij zij, wij moeten 't zeggen, de tong uitstak. Terwijl zij de +trap veegde, hield zij stil, vergat haar bezem en de geheele wereld, +en staarde bewegingloos naar de schitterende ster in haar zak. + +'t Was in zulk een beschouwing, dat vrouw Thénardier haar vond. + +Op 't bevel van haar man kwam deze haar zoeken. Vreemd! zij gaf haar +geen klap en schold haar niet. + +"Cosette, kom dadelijk," zei zij schier vriendelijk. + +Een oogenblik later trad Cosette de gelagkamer binnen. + +De vreemde nam het pakje, dat hij had medegebracht, en ontknoopte +het. Het bevatte een wollen jurkje, een schortje, een onderrok, een +halsdoek, wollen kousen, schoenen, kortom de volledige kleeding voor +een zevenjarig meisje. Alles was zwart. + +"Neem dit, mijn kind," zei de man, "en kleed u spoedig." + +'t Begon te dagen toen de inwoners van Montfermeil, die hun deuren +allengskens openden, in de Parijsche straat een armoedig gekleed +man zagen voorbijgaan, die een in den rouw gekleed meisje met een +groote pop in de armen, aan de hand hield. Zij gingen in de richting +van Livry. + +'t Was onze man met Cosette. + +Niemand kende hem; en wijl Cosette geen lompen meer droeg, herkenden +velen haar niet. + +Cosette ging heen. Met wien? waarheen? dit wist zij niet. Al wat zij +begreep was, dat zij Thénardier's kroeg verliet. Niemand had er aan +gedacht haar vaarwel te zeggen, evenmin als zij om van iemand afscheid +te nemen. Zij verliet dat huis, gehaat en hatende. + +Arm, zacht wezen, welks hart tot hiertoe immer onderdrukt was geweest. + +Cosette ging ernstig voorwaarts, met groote oogen den hemel +aanschouwende. Zij had den louisd'or in het zakje van haar nieuwen +boezelaar gestoken. Nu en dan boog zij 't hoofd en sloeg er een blik +op, daarna zag zij telkens naar den man. Zij gevoelde iets, als ware +zij bij den goeden God. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +WIE HET BESTE ZOEKT, VINDT SOMS HET SLECHTSTE. + + +Vrouw Thénardier had, als gewoonlijk, haar man laten handelen. Zij +verwachtte iets gewichtigs. Toen de vreemde en Cosette weg waren, +liet Thénardier een groot kwartier voorbijgaan. Toen ging hij tot +haar en toonde haar de vijftienhonderd francs. + +"Meer niet?" zeide zij. + +Dit was de eerste keer, sedert het begin van hun echtelijke +samenleving, dat zij een daad van den meester durfde berispen. + +De slag trof. + +"Inderdaad, ge hebt gelijk," zeide hij, "ik ben een ezel. Geef +mijn hoed." + +Hij vouwde de drie bankbriefjes samen, stak ze in zijn zak en +verwijderde zich haastig. Hij vergiste zich echter in den weg en +ging rechts. Eenige buren, bij wie hij onderzoek deed, brachten +hem op het rechte spoor; de Leeuwerik en de vreemde waren den weg +naar Livry gegaan. Hij volgde deze aanwijzing, en ging snel voort, +in zich zelven sprekende. + +"Die man is blijkbaar een in 't bruin gekleede millionair, en ik ben +een ezel. Eerst gaf hij twintig sous, toen vijf francs, vervolgens +nog vijftig francs, eindelijk vijftienhonderd francs en alles zonder +eenige moeielijkheid. Hij zou ook vijftienduizend francs hebben +gegeven. Maar ik zal hem inhalen. + +Ook het vooraf gereed gemaakte pakje voor de kleine was iets +zonderlings, daar schuilt een geheim achter. Wanneer men geheimen +heeft, laat men ze niet spoedig los. De geheimen der rijken zijn +met goud gevulde sponsen, die men moet weten uit te persen." Al deze +gedachten woelden hem in 't hoofd.--"Ik ben een ezel," herhaalde hij. + +Zoodra men buiten Montfermeil den hoek van den weg naar Livry bereikt +heeft, ziet men den weg zeer ver voor zich uit, in de hoogte. Hier +gekomen, zou hij, naar zijn berekening, den man en het kind kunnen +zien. Hij tuurde zoo ver zijn oogen reikten, maar bespeurde niets. Hij +deed weder onderzoek. Hiermede verloor hij tijd. Voorbijgangers zeiden +hem, dat de man en het kind, welke hij zocht, naar 't bosch, op den +weg van Gagny, waren gegaan. Hij spoedde zich in deze richting voort. + +Zij waren hem een goed eind vooruit, maar een kind gaat langzaam en +hij liep snel. Bovendien waren hem de omstreken bekend. + +Eensklaps bleef hij stil staan en sloeg zich voor 't hoofd, als iemand, +die het voornaamste heeft vergeten en wil terugkeeren + +"Ik had mijn geweer moeten medenemen!" dacht hij. + +Thénardier was een dier dubbele naturen, welke vaak in ons midden +verschijnen, zonder dat wij 't weten, en die verdwijnen, zonder dat +men ze gekend heeft, wijl het lot er slechts ééne zijde van heeft +getoond. Thénardier bezat in zijn gewonen rustigen toestand al wat +er noodig is een eerlijk man van zaken, een "goed burger" genoemd te +worden, wij zeggen niet--te zijn. Terzelfdertijd had hij, in zekere +omstandigheden, wanneer zekere schokken zijn onderste natuur deden +bovenkomen, alles wat noodig is om een schurk te zijn. Hij was een +herbergier, in wien iets gedrochtelijks verborgen lag. Satan moest +zich zeker nu en dan in een hoek der kroeg, waarin Thénardier huisde, +neerzetten en over dit meesterstuk van het afschuwelijke nadenken. + +Na een korte aarzeling dacht hij: + +"Zij zouden den tijd hebben mij te ontkomen." + +Hij zette met snelle schreden, schier met een voorkomen van zekerheid +en met de sluwheid van den vos, die een troep patrijzen riekt, +regelrecht zijn weg voort. + +Toen hij voorbij de vijvers was, de groote vlakte ter rechterzijde +van den weg naar Bellevue schuins overgegaan, en gekomen was +aan het met gras begroeide pad, dat bijna om den geheelen heuvel +loopt en den boog der oude waterleiding van de abdij van Chelles +overdekt, bespeurde hij inderdaad boven het struikgewas een hoed, +nopens welken hij reeds verscheidene gissingen had gemaakt. 't Was +de hoed van den man. Het struikgewas was laag. Thénardier begreep, +dat de man en Cosette dáár zaten. De kleinheid van het kind belette, +dat men het kon zien, maar men zag het hoofd der pop. + +Thénardier bedroog zich niet. De man had zich dáár neergezet om Cosette +een weinig te laten rusten. De herbergier ging om het kreupelhout +heen en verscheen eensklaps voor de oogen van hen, welke hij zocht. + +"Vergeving, verschoon mij, mijnheer," zeide hij hijgend, "maar neem +uw vijftienhonderd francs terug." + +Dit zeggende reikte hij den vreemde de drie bankbriefjes. + +De man sloeg de oogen op en vroeg: + +"Wat beteekent dat?" + +"Het beteekent, dat ik Cosette terugneem, mijnheer," antwoordde +Thénardier heel onderdanig. + +Cosette beefde en klemde zich tegen den ouden man. + +Deze antwoordde, terwijl hij Thénardier strak in de oogen zag en op +ieder zijner woorden drukte: + +"Ge neemt Cosette terug?" + +"Ja, mijnheer, ik neem haar terug. Ik moet u zeggen, dat ik heb +nagedacht. Ik heb eigenlijk het recht niet haar aan u af te staan. Weet +ge, ik ben een eerlijk man. Het kind behoort mij niet; het behoort +aan haar moeder. Haar moeder heeft het mij toevertrouwd; ik mag het +aan niemand dan aan haar moeder wedergeven. Ge zult mij zeggen, dat +haar moeder dood is. Goed, maar in dat geval kan ik het kind niet +overgeven dan aan dengene, die mij een door de moeder onderteekend +geschrift brengt, krachtens 't welk ik het kind aan dien persoon moet +overgeven. Dat is duidelijk." + +Zonder te antwoorden tastte de man in zijn zak, en Thénardier zag +wederom de portefeuille met bankbriefjes te voorschijn komen. + +De kroeghouder trilde van blijdschap. + +"Ha!" dacht hij, "laat ik mij goed houden. Hij wil mij omkoopen." + +Vóór de reiziger de portefeuille opende, sloeg hij een blik rondom +zich. De plaats was volkomen eenzaam; geen sterveling was in het bosch +noch op de vlakte te zien. De man opende de portefeuille en nam er, +niet een handvol bankbriefjes, zooals Thénardier verwacht had, maar +een klein papiertje uit, dat hij losvouwde en den herbergier aanbood, +zeggende: + +"Ge hebt gelijk. Lees dus." + +Thénardier nam het papier en las: + + + M. sur M. den 25 Maart 1823. + + + "Mijnheer Thénardier, + + + "Geef Cosette aan brenger dezes over. Men zal u alle kleinigheden + betalen. + + "Met achting heb ik de eer u te groeten. + + + "Fantine." + + +"Ge kent deze handteekening?" hernam de man. + +'t Was wel degelijk Fantines handteekening. Thénardier herkende +haar. Er was niets tegen in te brengen. Hij gevoelde een dubbele, +hevige spijt, vooreerst dat zijn hoop op buit verijdeld was, en ten +tweede van geslagen te zijn. De man voegde er bij: + +"Ge moogt dit papier te uwer verantwoording behouden." + +Thénardier trok in goede orde terug: + +"Deze handteekening is tamelijk goed nagemaakt," mompelde hij tusschen +zijn tanden. "Welnu, het zij zoo." + +Toen beproefde hij nog een wanhopige poging. + +"'t Is goed, mijnheer," zeide hij. "Wijl gij de brenger zijt. Maar men +moet mij "alle kleinigheden" betalen. Men is mij nog veel schuldig." + +De man stond op en zeide, terwijl hij met zijn vingers het stof van +zijn kale mouw knipte: + +"Mijnheer Thénardier, in Januari berekende de moeder, dat zij u +honderd-twintig francs schuldig was; in Februari zondt ge haar een +rekening van vijf-honderd francs; in het laatst van Februari hebt +ge driehonderd francs en in 't begin van Maart nogmaals driehonderd +francs ontvangen. Sinds zijn negen maanden verloopen, 't geen, tegen +den bepaalden prijs van vijftien francs, honderd-vijf-en-dertig francs +bedraagt. Gij hadt honderd francs te veel ontvangen. Dus hebt ge nog +vijf-en-dertig francs tegoed. Ik heb u nu laatstelijk vijftienhonderd +francs gegeven." + +Thénardier ondervond nu, wat een wolf ondervindt op het oogenblik +dat hij zich door den stalen muil van de val gebeten en gegrepen voelt. + +"Wie is deze duivel van een kerel?" dacht hij. + +Hij deed wat de wolf doet: hij schudde zich. De vermetelheid was hem +reeds eenmaal gelukt. + +"Mijnheer onbekend," zeide hij stoutmoedig en alle beleefdheid ter +zijde stellende, "ik zal Cosette terugnemen zoo ge mij geen duizend +kronen geeft." + +De vreemde zeide bedaard: + +"Kom, Cosette." + +Hij nam Cosette met de linkerhand en met de rechterhand zijn stok, +die op den grond lag. + +Thénardier lette op de dikte van den knuppel en de eenzaamheid +der plaats. + +De man ging met het kind het bosch in, en liet den herbergier +verbluft staan. + +Terwijl zij voortgingen, beschouwde Thénardier de breede eenigszins +gewelfde schouders en de grove vuisten van den man. + +Toen viel zijn blik op zijn eigen tengere armen en magere handen.--Ik +ben toch zeer dom geweest, dacht hij, dat ik mijn geweer niet heb +medegenomen, daar ik op de jacht ging. + +De herbergier gaf 't echter nog niet op. + +"Ik wil weten, waar hij heen gaat," zeide hij bij zich zelven, en hij +volgde hen op een afstand. Twee dingen waren hem echter gebleven: +eene bespotting, het stuk papier door Fantine onderteekend; en een +troost, de vijftienhonderd francs. + +De man voerde Cosette in de richting van Livry en Bondy. Hij ging +langzaam, met gebogen hoofd, in nadenkende en treurige houding. De +winter had het bosch doorzichtig gemaakt, zoodat Thénardier hen in +'t oog kon houden, hoewel hij ver achter hen bleef. Van tijd tot +tijd wendde de man het hoofd om, ten einde te zien of men hem ook +volgde. Eensklaps ontdekte hij Thénardier. Plotseling ging hij met +Cosette in dicht kreupelhout, waar beiden onzichtbaar waren. + +"Verduiveld!" dacht Thénardier, en hij versnelde zijn schreden. + +De dichtheid van het houtgewas had hem genoopt hen meer te +naderen. Toen de man in het dichtste hout was, keerde hij zich +om. Thénardier trachtte zich vergeefs achter de takken te verbergen, +hij kon niet verhinderen dat de man hem zag. De man wierp hem een +wrevelen blik toe, schudde het hoofd en zette zijn weg voort. De +herbergier volgde hem. Zoo deden zij twee- of driehonderd +schreden. Eensklaps keerde de man zich weder om. Hij zag den +herbergier. Ditmaal zag hij hem met zulk een dreigenden blik aan, dat +Thénardier het "onnoodig" oordeelde verder te gaan. Hij keerde terug. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +NO. 9430 KOMT WEDER TE VOORSCHIJN EN COSETTE TREKT DAT LOT. + + +Jean Valjean was niet dood. + +Toen hij in zee viel, of liever er in sprong, was hij, zooals men +gezien heeft, niet geboeid. Hij zwom onder water naar een ten anker +liggend schip, waaraan een boot was vastgemaakt. Het gelukte hem zich +tot den avond in die boot te verbergen. Des nachts ging hij weder te +water en zwom naar de kust, welke hij op korten afstand van kaap Brun +bereikte. Daar kon hij zich, aangezien 't hem aan geen geld ontbrak, +kleederen verschaffen. Een herberg in den omtrek van Balaguier +was destijds het kleedermagazijn der ontvluchtte tuchtelingen, +een zeer winstgevend bedrijf. Toen volgde Jean Valjean, zooals al +die ongelukkige vluchtelingen, welke de waakzaamheid der wet en de +maatschappelijke vervolging van het spoor willen leiden, een donkeren, +kronkeligen weg. Hij vond een eerste schuilplaats te Pradeaux, +bij Bausset. Vervolgens ging hij naar Grand-Villard bij Briançon in +de Opper-Alpen. 't Was tastend en bevond, dat hij zijn weg volgde, +die duister en onbekend was, als die van den mol. Later heeft men +eenig spoor van zijn tocht gevonden in het departement der Ain op het +gebied van Civrieux, in de Pyreneeën te Accons, in een oord genaamd la +Grange-de-Doumecq, bij het gehucht van Chavailles, en in de omstreken +van Perigueux, te Brunies, kanton van Chapelle-Gonaguet. Eindelijk +bereikte hij Parijs. Men heeft hem nu te Montfermeil gezien. + +Zijn eerste zorg toen hij te Parijs kwam, was geweest rouwkleederen +voor een zeven- of achtjarig meisje te koopen, en zich vervolgens van +een verblijf te voorzien. Daarna had hij zich naar Montfermeil begeven. + +Men zal zich herinneren, dat hij reeds bij zijn voorgaande ontwijking +naar deze streek een geheimzinnige reis had gedaan, waarvan de justitie +eenige lucht had gekregen. + +Men hield hem overigens voor dood, en dit vermeerderde de duisternis +die zich om hem gevormd had. Te Parijs kwam een der dagbladen in +zijn handen, die van het feit melding maakten. Hij voelde zich +gerustgesteld, schier evenzeer als ware hij werkelijk dood geweest. + +Den avond van den dag, op welken Jean Valjean Cosette uit Thénardier's +klauwen had gerukt, kwam hij te Parijs terug. Hij ging in de +avondschemering met het kind door de barrière van Monceaux. Daar nam +hij een cabriolet, die hem naar de esplanade van 't Observatorium +voerde. Hij steeg uit, betaalde den koetsier, nam Cosette bij de hand, +en beiden gingen in den donkeren avond, door de eenzame straten in den +omtrek van l'Ourcine en la Glaciere, naar den boulevard de l'Hôpital. + +De dag was voor Cosette wonderbaar en vol aandoeningen geweest; +zij hadden achter hagen brood en kaas gegeten, die zij in afgelegen +herbergen gekocht hadden; zij waren dikwerf van rijtuig veranderd, +en hadden een eind weegs te voet afgelegd. Zij klaagde niet, maar +zij was vermoeid; Jean Valjean bespeurde dit aan haar hand, waaraan +zij zich schier liet voorttrekken. Hij nam haar op zijn rug; Cosette, +zonder Kaatje los te laten, legde haar hoofd op Jean Valjeans schouder +en viel in slaap. + + + + + + + +BOEK IV. + +HET OUDE HUIS GORBEAU. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +MEESTER GORBEAU. + + +Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken der Salpêtrière +waagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam +op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. 't +Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; 't was geen veld, +want er waren huizen en straten; 't was geen stad, want in de straten +waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras; +'t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? 't +Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; 't +was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker +des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof. + +'t Was de oude wijk der Paardenmarkt. + +Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde, +zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts +voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld, +waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, +voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en +spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel +vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de +lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur, +voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, +waarop in groote letters te lezen stond: hier mag niets aangeplakt +worden,--deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek +der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds +nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat +bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad +groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de +straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was +verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van. + +Het gebouw had slechts één verdieping. + +Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in 't oog, dat deze +deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn +geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk +had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn. + +De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden +werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een +steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge +treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen, +en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste +der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle, +dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd, +welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht +was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het +cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men +eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50, +binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als +draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen. + +Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten; +maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens +verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl +de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de +voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar +ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande +aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend +jaloezie en blind was. + +Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke +men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die, +met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan, +en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest. + +De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen, +waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal, +een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende +grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen +dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het +onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig, +somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht +doorsneden, naarmate de reten in 't dak, of in de deur waren. Een +belangrijke en schilderachtige bijzonderheid van dergelijke woningen +is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn. + +Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een +manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde +vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen. + +Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over +is, kan een denkbeeld geven van 't geen het was. In zijn geheel is +'t een met 't ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren +zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des +menschen schijnt in 's menschen korten duur, en de tempel Gods in +Gods eeuwigheid te deelen. + +De briefbestellers noemden dat gebouw 50-52, maar in de buurt was +het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau. + +Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van +kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld +vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw, +omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een +Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van +deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er +geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines +fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid: + + + Maître Corbeau, sur un dossier perché, + Tenait dans son bec une saisie exécutoire; + Maître Renard, par l'odeur alléché, + Lui fit à peu près cette histoire: + Hé bonjour! etc. [4] + + +De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts +en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en +wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk +XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de +eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden +devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder +een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam, +met een pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer, +ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en +ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans +ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund +een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen; +meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan +een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de +tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste. + +Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau +eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l'Hôpital, +genummerd 50-52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster. + +Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau's-huis. + +Tegenover No. 50-52 staat, onder het geboomte van den boulevard, +een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de +ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds +zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen--naar 't seizoen +groen of slijkkleurig--beplant was, en regelrecht op den ringmuur van +Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak +eener naburige fabriek. + +De barrière was zeer dicht bij. In 't jaar 1823 bestond de ringmuur +nog. + +Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. 't +Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie +kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling +hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde "moord +aan de barrière van Fontainebleau" gepleegd, waarvan de justitie de +daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is +opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige +schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar +Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde, +evenals in een melodrama. + +Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun +kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der +philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke +en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die, +voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft +afschaffen, noch ze met kracht handhaven. + +Zeven-en-dertig jaren geleden was--uitgezonderd dit plein St. Jaques, +dat steeds afgrijselijk is geweest--misschien het treurigste punt +van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig +bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50-52 vond. + +Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te +verheffen. 't Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten, +die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière, +welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is +tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den +man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen, +den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen +of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte +muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal +evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen, +lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den +grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. 't Was een +koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer +dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is +de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets +vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een +hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel +van den boulevard er de toegang van geweest zijn. + +Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht +verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun +laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer +de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs +vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in +het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke +galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord, +waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men +waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde +schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen +tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk, +des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend. + +Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude +vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes +waren hartstochtelijke bedelaressen. + +Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan +een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping, +en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederen dag verdween een +afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren, +is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude +voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote +stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en +ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten +van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines, +bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten +en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der +menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen +en nieuwe verheffen zich. + +Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière +heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid +der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig +gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie +of vier malen daags langs rijden en de huizen als 't ware rechts en +links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken, +die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat +in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet +bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen +de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn +duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen +straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen +en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van +Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken; +op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine +was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +NEST VOOR UIL EN VLEERMUIS. + + +Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de +nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen. + +Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur, +trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende, +klom hij de trap op. + +Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede +hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentrad en welke +hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering, +waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel +en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed +zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte +flauw dit armoedig vertrek. Achter in 't vertrek was een afgeschoten +ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar +dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken. + +Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals +hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een +zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering +te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen, +'t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid +eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort +zonder te weten waar zij was. + +Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind. + +Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was +ingeslapen. + +Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart. + +Hij knielde voor Cosettes bed. + +Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der +December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange +schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen +kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen, +zoodat het van boven tot onder schudde. + +"Ja, madame!" riep Cosette, die verschrikt wakker werd, "ik kom, +ik kom!" + +Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog +half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit. + +"Ach, God! mijn bezem!" riep zij. + +Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht. + +"Ha, ja, 't is waar!" zei het kind. "Goeden morgen, mijnheer." + +Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het +geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn. + +Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en +nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean +deed--Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madame Thénardier ver +weg was? Of zij niet zou terugkomen? enz. enz. Eensklaps riep zij: +"Hoe fraai is 't hier!" + +'t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij. + +"Moet ik ook vegen?" vroeg zij eindelijk. + +"Speel maar," zei Jean Valjean. + +Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier +iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man +onbeschrijfelijk gelukkig. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +EEN DUBBEL ONGELUK MAAKT ÉÉN GELUK. + + +Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean +weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en +bespiedde haar ontwaken. + +Iets nieuws kwam op in zijn ziel. + +Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was +hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot, +vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch, +onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel +versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een +flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel +verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden, +doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De +menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd, +zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen. + +Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had, +voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem +was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje +waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen +eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote, +wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets +zoets en geheimzinnigs. + +Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart! + +Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was, +smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben, +tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen. + +'t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette. + +De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugd doen +verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen. + +De eerste dagen verstreken in deze verrukking. + +Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het +zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder +haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle +kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had +zij beproefd iets te beminnen. 't Was haar niet gelukt. Allen hadden +haar afgestooten, de Thénardier's, hun kinderen, andere kinderen. Zij +had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand +meer van haar willen weten. 't Is treurig om te zeggen, en wij hebben +'t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. 't +Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar +niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde, +drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man +te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld--eene inwendige +verwarming en ontluiking. + +De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean +schoon, evenals zij het krot fraai vond. + +Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van +de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven +aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de +heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen +hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje. + +De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean +en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove +aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht +deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom, +elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde +het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans +instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In +het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten +deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat +zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander. + +De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men +kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden, +Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand +maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader. + +Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean, +in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht, toen hij, in de +duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De +verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van +God geweest. + +Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er, +kon men zeggen, in volkomen veiligheid. + +De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op +den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men, +evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had. + +Het benedengedeelte van No. 50-52, een soort van vervallen schuur, +diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping +geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden, +die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding +van 't huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte, +zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes, +waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw, +die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond. + +Deze oude vrouw, die de hoofd-huurderes heette, doch in waarheid +de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze +woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de +Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje +wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw +opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze +zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en +alles gereed gemaakt op den avond hunner komst. + +Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een +gelukkig leven. + +Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen +hebben, evenals de vogels, hun morgenzang. + +'t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes +nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was, +wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen. + +Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg +geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven. + +Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan, +terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren +lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu +zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude +tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen. + +Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een +hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede +gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte. + +Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier +het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder +en liet haar bidden. + +Zij noemde hem vader, en wist niet welken anderen naam hij had. + +Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar +pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij +keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen +schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij +niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou +wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen +hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn +niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een +soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn. + +'t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel +uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean, +in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen, +deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij +had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende +der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs +slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in +Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt; +hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan; +hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden +hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op +'t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en +zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze +heilige herinnering thans inderdaad aan 't verflauwen. Wie weet of Jean +Valjean niet op 't punt was van den moed te verliezen en opnieuw te +vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig +minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte +hem. 't Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; 't was door haar, +dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en +dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid +van 't evenwicht in 's menschen lot. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE OPMERKINGEN DER HOOFD-HUURDERES. + + +Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In +den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen, +meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard, +en trad de kerken binnen als 't donker was. Hij ging gaarne naar de +kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet +medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar 't was een vreugd voor 't +kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur +boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij +haar de hand en vertelde haar allerlei fraais. + +Cosette was zeer vroolijk. + +De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de +mondbehoeften. + +Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die +het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad, +sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes +kamertje door een houten deur doen vervangen. + +Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de +straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige +vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou +en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die +zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook +zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk, +dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit +had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder +den naam van "de bedelaar die aalmoezen geeft." + +De oude "hoofd-huurderes", een hatelijk wezen, geheel vervuld met +afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij 't +vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg +praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven- +en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette +uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat +zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op, +dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam, een +der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als +een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der +deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was +Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag +dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam, +toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening +een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag +met ontzetting dat 't een bankbriefje van duizend francs was. Het was +het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt +liep zij weg. + +Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken, +het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde +hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag +ontvangen had.--Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór 's avonds +te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet +meer open.--De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte +allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en +vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes +St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken. + +De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in +de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was +hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude +vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig +op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en +meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder +twijfel andere bankbriefjes van duizend francs. + +Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet +alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, +maar een dikke portefeuille, een groot mes, en--wat zeer verdacht +was--pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen 't +een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon. + +De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van +den winter. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +EEN VIJFFRANCSTUK VALT OP DEN VLOER. + + +Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren +put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging +hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met +hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij "tot de politie" +behoorde. 't Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden +prevelde. + +Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging--hij had Cosette +niet bij zich--zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de +straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk +te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem +de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean +Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze +beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, +dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat +van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had +gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de +duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend +deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, +te vluchten,--den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen +had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, +misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield +Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar +had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als +alle dagen.--Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! 't is +onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis. + +Nauwelijks durfde hij 't zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht +had meenen te zien. + +Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te +hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals +op te heffen. + +Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De +bedelaar was op zijn gewone plaats.--Goeden avond, vriend, zei Jean +Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en +zeide met jammerlijke stem: "Ik dank u, mijn goede heer."--'t Was +wel de oude bedelaar. + +Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hij glimlachte.--"Hoe +drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn +oogen beginnen te foppen?" Hij dacht er niet verder over. + +Eenige dagen later, 't kon acht uren 's avonds zijn, was hij in zijn +kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur +van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De +oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds +met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean +wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. 't Is +waar, 't kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den +apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en +klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, +en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude +vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit. + +Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: "Ga heel +stil naar bed," en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de +voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den +rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had, +met ingehouden adem, in 't donker zitten. Na een tamelijk geruime poos +niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken, +en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het +sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in 't donker +van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de +hand luisterde. + +Na verloop van eenige minuten verdween het licht. + +Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, 't geen scheen aan +te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had +uitgetrokken. + +Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den +geheelen nacht geen oog. + +Bij 't aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid +insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan 't einde van de +gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den +vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit +het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot +was, in de hoop in 't voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in +'t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. 't Was werkelijk +een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer +voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen +onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het +invallend daglicht zijn schaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen +van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een +stok onder zijn arm. 't Waren de forsche omtrekken van Javert. + +Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard +hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, +en dit durfde hij niet. + +'t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hij te huis +was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest +dat beteekenen? + +Te zeven uren 's ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde +brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg +haar niets. Zij was als gewoonlijk. + +Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij: + +"Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen." + +Op dien leeftijd en op dien boulevard is 't om acht ure reeds nacht. + +"Ja, inderdaad," antwoordde hij op onverschilligen toon. "Wie was het?" + +"Een nieuwe inwoner," zei de oude vrouw. + +"Hoe heet hij?" + +"Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets." + +"En wat is die mijnheer Daumont?" + +De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, +en antwoordde: + +"Een rentenier, evenals gij." + +Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende +er die echter in te ontdekken. + +Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van +een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn +zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te +doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers +en rolde luid over den vloer. + +Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar +alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen +volkomen eenzaam. 't Is waar, dat men er zich achter een boom kon +verbergen. + +Hij ging weder naar boven. + +"Kom," zeide hij tot Cosette. + +Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen. + + + + + + + +BOEK V. + +EEN JACHT IN DEN NACHT MET STILLE HONDEN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE ZIGZAGS DER STRATEGIE. + + +Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal, +is hier een opmerking noodig. + +Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen +van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad +verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem +schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij +Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge +van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs, +'t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft +medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem +van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. 't Is mogelijk, dat, +ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden: +"In deze straat is dit huis," thans noch huis noch straat meer is, +de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen +geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude +Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij +vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van 't +geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is +verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt +men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters, +deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd, +dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men +niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen, +welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij +er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat +wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren +noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke +wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnen konden gaan en wij op +deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons +hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, +die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke +bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige +verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te +zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich +zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er +niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland +gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. 't Zij ons dus +geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware, +en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen, +gaan wij voort. + +Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten +ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging +vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd. + +Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een +bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere +het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende +voetsporen, in verwarring worden gebracht. + +'t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar +zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op +de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de +schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in +'t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere +zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter +verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen, +in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen. + +Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes +eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks +gegeven. Bovendien--en tot deze opmerking zullen wij meermalen +terugkomen--was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en +aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te +denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig. + +Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij +vertrouwde op God, gelijk zij op hem. 't Was hem insgelijks alsof hij +iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde +een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij +volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs +niet volkomen zeker of het Javert was; en 't kon deze zijn, zonder dat +Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders +gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen +zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had +besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een +opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen, +tot hij er een vond om in te wonen. + +Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk +Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der +middeneeuwen en 't gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan +hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene +straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen, +wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan, +dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren +zou hebben. + +Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg, +ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris +van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct, +waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk +drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij +de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat +gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De +vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor. + +"Kom, kind," zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat +Pontoise te komen. + +Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de +Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort +van pleintje ontstaat. + +Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong +zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog +volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere +plek overgingen. + +Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen +verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in +lange, bruine jassen, met ronde hoeden op 't hoofd en dikke stokken +in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder +verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken +vier spoken in burgerkleeding. + +Op 't midden van 't pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander +raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de +aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand +in de richting waar Jean Valjean zich bevond; een ander wees met +nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde, +bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk +Javert. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +GELUKKIG DAT ER RIJTUIGEN OVER DE BRUG VAN AUSTERLITZ GAAN. + + +Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort +bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; 't was voor +hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de +deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes +naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden; +hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat, +en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet. + +Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet +bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend +oude opschrift leesbaar was: + + + De Goblet fils c'est ici la fabrique; + Venez choisir des cruches et des brocs. + Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique. + A tout venant le Coeur vend des Carreaux. [5] + + +Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein +St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de +kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand +was achter hem. Hij ademde ruimer. + +Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz. + +Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden. + +Hij ging naar 't brugwachtershuisje en betaalde een sou. + +"'t Is twee sous," zei de invalide op de brug. "Ge draagt een kind +dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen." + +Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking +aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn. + +Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den +rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de +brug overgaan. + +Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar +voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand. + +Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen; +hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk +groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die +hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean +achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd. + +Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat +du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk +voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om. + +Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien. + +Vier donkere gestalten traden juist op de brug. + +Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen +naar den rechteroever. + +'t Waren de vier mannen. + +Jean Valjean rilde als 't weder betrapte wild. + +Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog +niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op 't oogenblik +dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging. + +In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor +zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken +en in 't vrije veld te komen. + +Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging +er in. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +MEN ZIE DEN PLATTEN GROND VAN PARIJS IN 1727. + + +Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse, +waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de +andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm +zou hij er van kiezen? + +Hij aarzelde niet en koos den rechter. + +Waarom? + +Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de +rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde. + +Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette's schreden vertraagden +die van Valjean. + +Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder +en sprak geen woord. + +Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds +aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem +rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles +was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps +meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat, +ver achter hem, in de duisternis bewoog. + +Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te +vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het +spoor te brengen. + +Hij kwam aan een muur. + +Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen +muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean +Valjean volgde. + +Hier moest hij wederom rechts of links kiezen. + +Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen +of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die +blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien +kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in +een straat uit. Naar dien kant bestond er redding. + +Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken, +welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der +steeg en deze straat iets als een zwart beeld. + +'t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en +den doortocht te beletten. + +Jean Valjean trad achteruit. + +Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de +voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de +nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen +volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De +velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn +er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes, +spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er +mede in verband staat. + +Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had, +in de volkstaal "Klein Picpus." + +Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de +poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen +eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid, +de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten +uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren +en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en +ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten +uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage +huizen en groote muren, even hoog als de huizen. + +Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw +aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald, +doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig +jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer +kenbaar; thans is zij geheel verdwenen. + +Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten, +gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken +splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien +van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top +als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur. + +Hier nu bevond zich Jean Valjean. + +Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende +gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze +gestalte sloeg hem gade. + +Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.--Wat +hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien +bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden +zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde +Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof +bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner +mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid +waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op +Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij +onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij +zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker +uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde +zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend +zag hij ten hemel. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +HET RONDTASTEN DER VLUCHT. + + +Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld +vormen van de steeg Droit-Mur en in 't bijzonder van den hoek, ter +linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter +rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels +armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende +woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de +kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant +der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat +was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag, +dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig +met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante +ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat +Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een +somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever, +twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren. + +De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een +onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde +planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten +werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte, +die blijkbaar later was aangebracht. + +Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan +den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt. + +In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit +somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet +er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo 't hem gelukte er +binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld +en een hoop bij hem op. + +In 't middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat +Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude +trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit +een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel +een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude +landhoeven ziet. + +Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het +eerste wat Jean Valjean in 't oog viel. Hij zette Cosette met den rug +tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de +plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel +daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in +vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar +houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs +die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen +de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der +straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En +wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge +huis gebracht worden? + +Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den +muur weder naar de Polonceau-straat. + +Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had +achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals +wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem +bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren; +misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den +lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit, +waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten +minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen. + +De tijd verstreek. Hij moest zich haasten. + +Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van +binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde +hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte +haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden, +slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze +vermolmde sluiting open te breken. + +Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke +deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch +middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het +eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij +een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon +zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets +anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk +een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +'T GEEN BIJ GASVERLICHTING ONMOGELIJK ZOU ZIJN. + + +In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand +gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of +acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau +in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af. + +Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende, +naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. 't Was +duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en +gangen doorzochten. + +'t Was--deze gissing kon niet falen--een patrouille, welke Javert +ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen. + +Javerts beide helpers waren bij hem. + +Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden, +hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen, +waar Jean Valjean zich bevond. 't Was een vreeselijk oogenblik. Eenige +minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die +zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen +het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is, +een leven als in een graf. + +Één ding was nog slechts mogelijk. + +Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij +twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige, +in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de +omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen. + +Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno +te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een +volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder +haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders, +heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt +te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een +hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats +van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de +ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden. + +Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboom zag, met zijn +oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met +den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm +van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de +onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, +om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs. + +Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den +muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen. + +Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen. + +De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar +te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen +was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een +buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn +zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten. + +Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te +middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean +Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een +touw hebben gegeven. + +In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf +verblinden òf verlichten. + +De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn +in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de +straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere +afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat +van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en +in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, +om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein +ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl +het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd. + +Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean +over de straat, liep het slop in, brak het slot van 't kastje met +de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij +Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, +naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel. + +Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken +waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin +als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat +zij niet als gewoonlijk hing. + +Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn +zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan, dit alles begon +Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd +hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men +hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille. + +"Ik ben bang, vader," zeide zij zacht. "Wat komt daar?" + +"Stil!" antwoordde de ongelukkige man, "'t is vrouw Thénardier." + +Cosette schrikte. Hij hernam: + +"Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw +Thénardier 't hooren. Zij komt om u te halen." + +Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die +te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert +ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond +dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij 't kind niet +kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een +zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, +trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom +op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die +de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, +alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een +halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën. + +Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean +Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen +verstommen. + +Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep: + +"Ga tegen den muur staan." + +Zij gehoorzaamde. + +"Spreek geen woord en wees niet bang," hernam Jean Valjean. + +Toen voelde zij zich van den grond opheffen. + +Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur. + +Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes +in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den +muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, +welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, +met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep. + +'t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur +veel hooger dan aan de straat. + +Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij +was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog +niet losgelaten, toen een luid gerucht de komst der patrouille +aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen: + +"Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine +Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in 't slop is." + +De soldaten stormden het slop Genrot in. + +Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds +vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar +beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil +geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +BEGIN VAN EEN RAADSEL. + + +Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die +een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd +schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze +tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan +het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze +ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige +kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken +in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar +stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met +kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras +begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt. + +Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar +beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen, +dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht +nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis +onduidelijk te voorschijn kwam. + +Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers +onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te +dienen. + +Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine +Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een +rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de +buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt +geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingen waren koekoeken, +als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op +den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken. + +Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich +in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, +als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau. + +Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er +was niemand, 't geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag +er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag. + +De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en +ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats +te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind +dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans +zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen. + +Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht +der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten +der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op +wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, +welke men niet verstaan kon. + +Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean +Valjean hield zijn adem in. + +Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd. + +De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling +rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet +de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren +met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt. + +Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een +hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het +andere gruwelijk geweest was. 't Was een gezang, dat uit de duisternis +kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke +stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen +klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden, +stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken, +welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds +beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, 't welk +aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween, +scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen. + +Cosette en Jean Valjean knielden. + +Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zij waren; +maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige, +gevoelden dat zij moesten knielen. + +Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam +scheen. 't Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis. + +Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij +zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. 't Was hem, alsof die +vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben. + +Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang +geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut. + +Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat, +niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem +geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur, +dat een zacht, treurig geritsel voortbracht. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +VERVOLG VAN HET RAADSEL. + + +De nachtwind verhief zich, 't geen aanduidde, dat het tusschen één +en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij +naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij +dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in 't gezicht. Cosette had de +oogen wijd open en een peinzend gelaat, 't geen Jean Valjean leed deed. + +Zij beefde nog altijd. + +"Hebt ge slaap?" vroeg Jean Valjean. + +"Ik ben koud," antwoordde zij. + +Een oogenblik later hernam zij: + +"Is zij er nog?" + +"Wie?" vroeg Jean Valjean. + +"Madame Thénardier." + +Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, +om Cosette stil te doen zijn. + +"O," zeide hij, "zij is weg. Vrees niet meer." + +Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen. + +De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind +werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde +er Cosette in. + +"Voelt ge u nu minder koud?" vroeg hij. + +"O, ja, vader." + +"Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug." + +Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere +schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor +al de benedenvensters waren ijzeren tralies. + +Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij +boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de +teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in +een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen +en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een +flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje +in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, +na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te +zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam +geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met +uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, +dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat +deze akelige gestalte een touw om den hals had. + +De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte +ruimten, dat het schrikbarende verhoogt. + +Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem +in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en +ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit +sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de +onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog +dat zij leefde. + +Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en +te bespieden of 't geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar +zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond +liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een +onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur, +zonder te durven omzien. 't Scheen hem dat, zoo hij 't hoofd omwendde, +hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich +zou zien. + +Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; 't zweet brak +hem van alle kanten uit. + +Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort +van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit +gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen +met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk +een schrikbarend visioen vertoonde, haar de schitterende poorten des +hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf +ontsloot. 't Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met +een nummer! 't Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten, +om het te kunnen gelooven. + +De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien +avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward +door zijn hoofd. + +Hij ging naar Cosette. Zij sliep. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +HET RAADSEL WORDT DUISTERDER. + + +Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen. + +Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, +en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn +tegenwoordigheid van geest. + +Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig +leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben, +hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan +alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was, +wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken. + +Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen +tijd een zonderling geluid. 't Was als een schel, die van plaats +verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel +flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die 's +nachts in de weide zijn. + +Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in +den tuin was. + +'t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken +ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande, +met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of +uitlegde. De man scheen te hinken. + +Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds +eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag, +omdat die hen in 't licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam +is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was; +nu sidderde hij, omdat er iemand was. + +Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij +vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd +hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking +hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, +hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij +de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud +huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet. + +Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het +meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de +bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het +geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook 't geluid; +'t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil, +dan zweeg ook het geluid. 't Scheen duidelijk, dat de schel aan den +man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man, +die een bel droeg als een ram of os? + +Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij +waren ijskoud. + +"Mijn God!" zuchtte hij. Hij riep zacht: "Cosette!" + +Zij opende de oogen niet. + +Hij schudde haar. + +Zij ontwaakte niet. + +"Zou zij dood zijn!" zeide hij, en richtte zich op, van 't hoofd tot +de voeten bevende. + +De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn +oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën +bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid +bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij +beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht, +onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn. + +Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten. + +Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende, +flauw en op 't punt van te bezwijken. + +Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken? + +Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld +ijlde hij uit de schuur. + +Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te +bed zijn. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +DE MAN MET DE SCHEL. + + +Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij +had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was. + +De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden +was Jean Valjean bij hem en riep hem toe: + +"Honderd francs!" + +De man rilde van schrik en zag op. + +"Honderd francs," hernam Jean Valjean, "zoo ge mij voor dezen nacht +huisvesting geeft." + +De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat. + +"Mijn Hemel! zijt gij 't, mijnheer Madeleine?" zei de man. + +Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende +plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean +terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die +tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als +een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, +waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw +was, kon men niet onderscheiden. + +De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend: + +"Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge +hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja +waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe +ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat +ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere +God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge +toch hier gekomen?" + +Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde +rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder 't spreken toonde +hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid. + +"Wie zijt gij? en wat is dit huis?" vroeg Jean Valjean. + +"Wel drommels, hoe is 't mogelijk!" riep de grijsaard; "ik ben immers +degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij +een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?" + +"Neen," zei Jean Valjean. "Maar van waar kent ge mij?" + +"Ge hebt mij het leven gered," zei de man. + +Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean +Valjean herkende den ouden Fauchelevent. + +"Ha!" zei Jean Valjean, "zijt gij 't? ja, nu herken ik u." + +"'t Is wel gelukkig," zei de oude man op verwijtenden toon. + +"En wat doet ge hier?" hernam Jean Valjean. + +"Wel, ik dek mijn meloenen." + +De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak, +het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het +meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in +den tuin was, meerdere op het bed gelegd. + +'t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean +Valjean van uit de schuur had opgemerkt. + +De tuinman vervolgde: + +"Ik dacht: de maan is helder, 't zal vriezen. Ik zal mijn meloenen +hun jas aandoen. En," voegde hij er luid lachend bij, "gij hadt dit +waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?" + +Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den +naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten +zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de +rollen omgekeerd: hij, de indringer, was 't die vroeg: + +"En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?" + +"De schel," antwoordde Fauchelevent, "dient opdat men mij uit den +weg ga." + +"Hoe! opdat men u uit den weg ga?" + +De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze. + +"Te drommel!" zeide hij, "in dit huis zijn niet anders dan vrouwen; +veel jonge meisjes. 't Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De +schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen." + +"Wat is dit voor een huis?" + +"Kom, dat weet ge immers wel?" + +"Neen, ik weet het niet." + +"En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen." + +"Antwoord mij, alsof ik niets weet." + +"Welnu, 't is het klooster van Petit-Picpus." + +Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de +Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine +gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door 't omvallen van +zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling +geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende: + +"Het klooster van Petit-Picpus!" + +"Maar spreek," hernam Fauchelevent, "hoe drommels is 't u gelukt +hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn, +maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen." + +"En gij zijt er!" + +"Ik ben de eenige man." + +"Ik moet hier echter blijven," hernam Jean Valjean. + +"Ach, mijn God!" riep Fauchelevent. + +Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem: + +"Vader Fauchelevent, ik heb u 't leven gered." + +"Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij," antwoordde Fauchelevent. + +"Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed." + +Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude, +gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te +kunnen spreken. Eindelijk riep hij: + +"O! 't zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins +vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij, +ouden man." + +Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat +scheen te schitteren. + +"Wat wilt ge dat ik doen zal?" vroeg hij. + +"Ik zal 't u zeggen. Hebt ge een kamer?" + +"Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek, +dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers." + +Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen, +en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean +het niet had gezien. + +"Goed," zei Jean Valjean. "Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken." + +"Wat, mijnheer de maire?" + +"Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede, +dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen." + +"Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en +dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij +immers hier bezorgd. 't Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst." + +"Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen." + +"Zoo!" zei Fauchelevent. "Hebt ge een kind?" + +Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond +zijn meester. + +Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos +had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn +das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen +hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas +aantrok, had Fauchelevent zich van zijn kniestuk met de schel bevrijd, +dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide +mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop +Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen +had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean +leggende, tot dezen zeide: + +"O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het +leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten +u niet! Ge zijt een ondankbare!" + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +WAARIN VERHAALD WORDT HOE JAVERT NIETS ONTDEKT. + + +De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben +gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen. + +Toen Jean Valjean--in denzelfden nacht dat Javert hem bij het +sterfbed van Fantine in hechtenis nam--uit de stadsgevangenis +van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling +naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin +alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, +gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, +als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van +allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er +zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom +zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er +den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de +opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean +te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid +door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf +Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger +beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij +de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en, +wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast +schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk. + +Hij dacht niet meer aan Jean Valjean--de honden, die altijd ter +jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden--toen +hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet +met couranten ophield; maar Javert, een koningsgezinde, had de +bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den +prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij +belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean, +onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat +de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde +woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven: +"Ja, de dood is de beste keten!" Toen wierp hij het blad ter zijde +en dacht niet meer aan de zaak. + +Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine +en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden, +betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men +zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil +had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door +haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door +een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind +van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, +in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van +Javert en maakte hem nadenkend. + +De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean +hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het +kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean +Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar +Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds +doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats +genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was +geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de +omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu +begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean +ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon +deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean +was dood.--Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in 't +rijtuig van "le Plat d'étain" in het slop van la Planchette en reed +naar Montfermeil. + +Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis. + +In de eerste dagen hadden de Thénardier's in hun wrevel veel +gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in 't dorp +verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak +in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een +nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn +bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was, +spoedig begrepen, dat het nooit goed is mijnheer den procureur des +konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van +Cosettes "ontvoering" vooreerst het gevolg zouden hebben op hem, +Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog +der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen +in 't licht brenge. En hoe zou hij 't maken met de vijftienhonderd +francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg +in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo +men hem van het "gestolen" kind sprak. Hij begreep er niets van; +'t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem "de lieve +kleine" zoo spoedig "ontnomen" had, welke hij uit liefde nog een paar +dagen wilde behouden hebben, maar 't was haar "grootvader," die op de +natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak +van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil +kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean +verdwijnen. + +Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn +geschiedenis te peilen.--"Wie was deze grootvader en hoe heette +hij?"--Thénardier antwoordde onnoozel: "Een rijk landbouwer. Ik heb +zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet." + +Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde +naar Parijs terug. + +"Jean Valjean is wel degelijk dood," zeide hij, "en ik ben een +uilskuiken." + +Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart +1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie +St. Médard woonde en die men noemde den "bedelaar, die aalmoezen +geeft." Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens +eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig +meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil +kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor +spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man +aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.--De rentenier +was zeer schuw--ging slechts 's avonds uit--sprak met niemand--enkele +keeren slechts met de armen--en liet zich niet naderen. Hij droeg een +oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest +wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.--Dit prikkelde +niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen +rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op +zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunje en de plaats, waar +hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde. + +De "verdachte" naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een +aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean +schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet +minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien. + +Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean's dood was +officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man +legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand. + +Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw +uit te hooren, 't geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit +van de met millioenen gevoerden jas, en verhaalde hem de episode van +het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in +de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond +betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de +hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars +door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen. + +Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had +echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt, +en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en +haastte zich Javert te verwittigen. + +Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met +twee mannen achter de boomen op den boulevard. + +Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam +niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was +zijn geheim; 't geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl +het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, +wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood +waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de +"gevaarlijkste soort van boosdoeners" genoemd hadden, een schitterende +zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie +zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij +daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk, +wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte +die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid +verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn +meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in +'t licht te onthullen. + +Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den +anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs +in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande, +was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean +niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was. + +Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar +gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen +publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de +Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De +aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De +agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op +hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den +indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen +herhaald, gemaakt zou hebben:--"Gisteren is een oud man met wit haar, +een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje +wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der +prefectuur overgebracht."-- + +Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de +vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij +twijfelde werkelijk. + +Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis. + +Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe +ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk +af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, +de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, +dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean +Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs +gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in +kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te +dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, +de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte, +eindelijk het geloof dat hij in 't bagno gestorven was, vergrootten +Javerts twijfel. + +Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren +te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud, +eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig +vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien +hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere +talenten te verbergen--een bekend middel. Hij had dan vertrouwden, +medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De +kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan +te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten +zou wezen "de hen met gouden eieren slachten." Wachten schaadde niet, +immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen. + +Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen +nopens dien raadselachtigen persoon doende. + +'t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener +herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende. + +In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder +die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde +deze hevige siddering. + +Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend +had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet +dus bij den commissaris in de straat Pontoise versterking vragen. Vóór +men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan. + +Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het +plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter +begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich +en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde +als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te +vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de +brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld, +waren hem voldoende: "Hebt ge een man met een meisje gezien?"--"Ik +heb hem twee sous laten betalen," antwoordde de brugwachter. Javert +kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean +Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek +te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan; +hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond, +en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat +Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar +den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar +den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen +zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn +te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn. + +Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean +nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links +en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje. + +Thans begon hij te spelen. 't Was voor hem een oogenblik van helsche +opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat +hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met +hem te vatten, in 't vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien, +met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat, +die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een +vreeselijke beteekenis, 't is de gestremde beweging van het gevangen +dier. Welk een genot, zulk een vangst. + +Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van +te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken. + +Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand +te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook +wezen mocht. + +Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de +zakken van een dief navorschende en onderzoekende. + +Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de +vlieg niet meer. + +Men kan zich zijne woede voorstellen. + +Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze +agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet +zien voorbijgaan. + +Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn +hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van +te denken. "'t Was geen hert, 't was een toovenaar." + +Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen. + +Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede. + +'t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in +den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen +fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean +fouten beging. 't Was misschien een fout, dat hij aarzelde den +ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou +hem overtuigd hebben. 't Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in +zijn woning in hechtenis nam. 't Was een fout, dat hij hem niet had +aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. 't +Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op +het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en +'t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen +verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij +op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door +zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen, +maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en +deed het vlieden. Bovenal was 't een fout dat, na het spoor op de +brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en +kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij +achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een +muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen +hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige +voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten +en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die +bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men +met een jachtterm noemt "een volleerde hond." Maar wie is volmaakt? + +De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken. + +De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een +menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den +kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk +kunnen breken, 't zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten +en verbonden zijn zij onverbreekbaar; 't is Attila die weifelend +tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat; +'t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; 't is Danton die zich te +Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft. + +Hoe 't zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte, +verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige +tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen, +klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het +eerste dat hem in 't oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het +touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed +dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In +dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende +gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid +gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan, +zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou +hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze +tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht. + +Bij 't aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking +achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion, +die door een dief verschalkt is. + + + + + + + +BOEK VI. + +KLEIN PICPUS. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +KLEINE PICPUS-STRAAT NO. 62. + + +Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in +de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond +op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien, +die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden +was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur +zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats, +en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de +kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk +mede te nemen. 't Was echter een somber oord, dat men had gezien. + +De ingang lachte; het huis bad en weende. + +Zoo men er in slaagde, 't geen niet gemakkelijk was, den portier +voorbij te komen--iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker +machtwoord bezat--en men rechts een klein portaal binnenging, waar, +tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één +persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele +kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken +en men 't waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens +op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een +gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige +plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren +door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming, +waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden +verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was +gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer +zes voet in 't vierkant; 't was zindelijk, kil, met steenen bevloerd +en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht +viel door een groot venster met kleine ruiten, dat links de geheele +breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand; +men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De +wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel. + +Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur +een opening van ongeveer een voet in 't vierkant, met een traliewerk +van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten--ik +had schier mazen gezegd,--vormden, van omstreeks anderhalven duim. De +groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze +ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte +of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door +de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou 't +hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel +de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want +achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd, +kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet +als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing +een schelkoord. + +Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht +bij zich een stem dat men er van schrikken zou. + +"Wie is daar?" vroeg de stem. + +'t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er +treurig van werd. + +Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de +stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf +aan de andere zijde ware geweest. + +Zoo men het woord kende hernam de stem: + +"Ga ter rechterzijde binnen." + +Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een +grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad +binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in +den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk +neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een +soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur +ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden +stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering, +waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met +vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte +ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld. + +Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve +duisternis gewoon was geworden, beproefde het door de traliën te zien, +maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het +een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine +houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren +verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij +waren altijd gesloten. + +Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden +roepen en vragen: + +"Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?" + +'t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men +hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn +graf sprak. + +In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren, +werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker +geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën, +achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd, +waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was +met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk +en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak, +maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit. + +Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op +dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een +zinnebeeld. + +De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in +deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde +de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden +te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij +zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen +nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte +waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men +niets zag, zelfs geen spookbeelden. + +Wat men zag was het binnenste eens kloosters. + +Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, 't welk men het +klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge, +waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke +men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos +en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante +opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met +duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier. + +De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de +spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had, zonder +venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van +dit gewijde oord zien. + +Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,--er was licht, +leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren +beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen +en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder +de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de +verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben +kunnen spreken. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE REGEL VAN MARTINUS VERGA. + + +Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat +bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van +Martinus Verga. + +Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner +monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere +woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van +den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus. + +Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus +Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen +stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te +Alcala was. + +Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt. + +De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in +de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te +spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van +Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië, +de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny +en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen, +de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen, +de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want +Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van +den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt +van Molesme in de diocees van Langres. 't Was in 529 dat de duivel, +die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij +hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den +ouden tempel van Apollo werd gejaagd. + +Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een +teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de +regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga +de strengste. Zij zijn in 't zwart gekleed met een borstdoek die, +volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet +reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier, +de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt, +ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit +is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar +gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde. + +De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben "de +eeuwige aanbidding," evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen +van het H. Sacrament worden genoemd, en in 't begin dezer eeuw te +Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat +Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen, +waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der +vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in +het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner +nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die +der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve +Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een +H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks +drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament +niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en +het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel +verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige +gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner +van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling +en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid, +het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen +twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche +Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche +Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht. + +Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus +Verga terug. + +De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthouden zich +het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen +buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur +'s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen +onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit +een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden +den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning, +die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van +den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze +zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel +jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte, +veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van +beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben +de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken, +drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede, +kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij +doen, en die door den regel zeer verzwaard worden. + +De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke +kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een +priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, 't geen de langst +mogelijke regeering tot negen jaren beperkt. + +Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter +een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen. Onder de +predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier; +zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd +gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de +aartsbisschop van de diocees. + +Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een +grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de +nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel +aan de knie. + +Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke +gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste +zelfverloochening. Zooals op Christus' stem ut voci Christi, op een +gebaar, bij den eersten wenk, ad nutum, ad primum signum, dadelijk, +met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid, +promptè, hilariter, perseveranter, et coecâ quadam obedientiâ, gelijk +de vijl in de hand van den werkman, quasi liman in manibus fabri, +niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven, +legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ. + +Beurtelings verricht ieder wat zij de "verzoening" noemen. Deze +verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden. alle misslagen, +alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde +gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren 's avonds tot vier +uren 's morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den +steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en +de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan +uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en +met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen +der wereld. Dit is grootsch, verheven! + +Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt, +zegt men eveneens "aan den paal zijn" als "om verzoening bidden." De +nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur, +die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat. + +"Om verzoening bidden" is eene daad, die de geheele ziel vervult. De +non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel, +het hoofd niet wenden. + +Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij +blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand +soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding. + +De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige +bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in +herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus +Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie +enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden. + +Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond. + +Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster +geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van 't verderf der +ziel zijn. + +Zij noemen het woord mijn niet. Zij bezitten niets en mogen aan niets +gehecht zijn. Zij noemen alles "het onze," bij voorbeeld: onze sluier, +onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij "ons hemd" +zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een +getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen, +dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij +herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke +dame, toen zij in haar orde trad zeide: "Vergun, moeder, dat ik een +heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben."--"Ha! zijt +ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn." + +Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij +bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkander ontmoeten, zegt de eene: +"Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!" De +andere antwoordt: "In alle eeuwigheid!" Hetzelfde heeft plaats als de +eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt +of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen: +in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze "oefeningen" +werktuiglijk; en vaak zegt de eene "in alle eeuwigheid" voor de +andere den tijd heeft gehad te zeggen: "Geëerd en geloofd zij het +allerheiligste Sacrament des altaars!" dat tamelijk lang is. + +Bij de visitandinen zegt de binnentredende Ave Maria, en de andere +antwoordt: Gratiâ plena. 't Is haar "goeden morgen", die inderdaad +"vol gratie" is. + +Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal +geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters, +leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken, +en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: "Te vijf +uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd +en geloofd." Is het acht uren: "Te acht uren enz" en zoo vervolgens +bij elk uur dat slaat. + +Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze +immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de +vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: "Op dit +uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!" + +De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig +jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar +getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds +met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje +in 't missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: "Jezus, Maria, +Jozef!" Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag, +dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende +treurige uitwerking voort. + +De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder +doen maken voor de begraving harer zusters. Het "gouvernement", +zooals zij 't noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet +werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster +verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid. + +Zij hadden echter de vergunning verkregen, om--een geringe +troost--op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude +kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger +aan het klooster behoord had. + +Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de +diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezet al de kleine +heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk +eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië +zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van +het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld +geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer: +"De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen +nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst." + +Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert, +de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na +de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de +misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig +heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en +leggen luid de "penitentie" op. + +Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove +misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat +zij het Culpa noemen. Men legt zich om deze Culpa te doen, plat op +den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit +anders dan "moeder" wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar +bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht die Culpa +voor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier, +een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche +noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijn Culpa te +doen. Het Culpa is geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt +en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis +voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder +een psalm die met Ecce begon, maar in plaats van Ecce zong zij ut, +si, sol, en onderging voor deze verstrooidheid een Culpa gedurende +den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat +het geheele kapittel gelachen had. + +Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het +zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk +men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de +priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar +naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig +iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het +klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande +onderhandelingen. Zoo 't een vrouw is, wordt de vergunning soms +verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden, +die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt +vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt. + +Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus. + +Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de +geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van +1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +STRENGHEDEN. + + +Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren +het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of +vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner +nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan. + +Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over, +waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men +de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen, +glanst en krult haar 't haar; dan knielt zij; men spreidt over haar +een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts +verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij +en zegt op treurigen toon: "Onze zuster is dood," de andere rij +antwoordt met helderklinkende stem: "Zij leeft in Jezus Christus!" + +Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster +verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes, +waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een +Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam +van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door +deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en +de eeuw. Een harer zeide ons eens: "toen ik de straat zag huiverde +ik van top tot teen." Zij waren in 't blauw gekleed met een wit +mutsje op 't hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op +de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de +H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non +te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te +verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar +dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten +haar kleeding leenen. 't Verdient opmerking, dat deze vertooningen +waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een +heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen +voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een +wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich +mede. "'t Was iets nieuws, een verandering." + +Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen +intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een +wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande +te zingen. + +De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen +betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige +jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen +om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen: +"in alle eeuwigheid." Evenals de nonnen spraken de pensionnairen +haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd +niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in +dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar +moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire +weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was +niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde, +de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen +kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +VROOLIJKHEID. + + +Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke +herinneringen achtergelaten. + +Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De +klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De +vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van +jeugd overstroomde als 't ware dezen tuin, die, als een lijkkleed, +kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende +oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich +in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep, +na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling +dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend +werd. 't Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, en ieder +bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen, +stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte +verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht +verbergt; maar om 't even! Men was verheugd en lachte. Deze vier +doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen +van al die vreugde: 't was als een regen van rozen op een doodschen +akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der +zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond +een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen +huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in +het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche, +bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben, +en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven, +dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle +grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje, +van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans. + +Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke, +kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach +uitlokken. 't Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig +kind eens riep: "Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet +langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!" + +Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd: + +Een kapittel-moeder. "Waarom weent ge, mijn kind?" + +Het kind. (zes jaar oud) snikkend. "Ik heb aan Alix gezegd, dat ik +mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken +en ik ken ze" + +Alix, de groote (negen jaar oud). "Neen, zij kent ze niet." + +De moeder: "Waarom niet, mijn kind?" + +Alix. "Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan, +haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden." + +"Nu?" + +"Zij heeft niet geantwoord." + +"Spreek, wat hebt ge gevraagd?" + +"Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de +eerste vraag, die ik vond." + +"Hoe was deze vraag?" + +"'t Was: Wat gebeurde er vervolgens?" + +'t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den +eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen: + +"Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch." + +Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt, +die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet +te vergeten: + +"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid. + +"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk. + +"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te +hebben geslagen." + +Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig +mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen: + +"Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen +stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna +plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf +in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch, +en hij at de jonge haantjes op." + +Dan nog dit gedicht: + + + "Er kwam een stokslag, + Polichinel sloeg de kat. + 't Deed haar geen goed, maar 't deed haar pijn. + Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis." + + +'t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door +een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid +opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en +mompelde in haar hoekje: + +"Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet." + +Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels +door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De "zeer groote +meisjes"--boven de tien jaren--noemden haar Agathoclès [6]. + +Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal, +die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving, +was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden "vol dieren." Al +wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der +vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een +bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek, +den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek +was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud +dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat +gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter +onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een +dezer vier natiën, al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende +den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk +bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje, +met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire, +een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond: + +"Wie is deze?" + +"Een spinnekop, Monseigneur!" + +"Zoo! en gene?" + +"Een krekel." + +"En zij?" + +"Een rups." + +"Zoo waarlijk; en wat zijt gij?" + +"Ik ben een duizendbeen, Monseigneur." + +Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin +dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar, +in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden. + +Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid +tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook "troonhemelen" +en "wierookvaten," namelijk zij, die de koorden van den troonhemel +droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden +van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier "maagden" gingen vooraan. 't +Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag +in de slaapzaal kon hooren vragen: + +"Wie van u is maagd?" + +Mevrouw Campan verhaalt van een "kleine," een zevenjarig meisje, dat +tot een "groote" van zestien jaren, die aan 't hoofd der processie +ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: "Gij zijt +een maagd, en dat ben ik niet." + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +VERSTROOIDHEDEN. + + +Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit +gebed, 't welk men het "witte Vader ons" noemde en dat de kracht had +de menschen regelrecht naar den hemel te voeren. + +"Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God +in den hemel bracht. + +"Toen ik 's avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bij mijn bed +liggen, één aan het voeteneinde, twee aan 't hoofdeinde, de maagd +Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en +niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn +moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn +mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf +gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven; +de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den +H. Johannes.--H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van de Ave +Salus.--Hebt ge er den goeden God niet gezien?--Hij is aan den +kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een +klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds, +en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven." + +In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele +laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige +jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn. + +Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze +eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels, +ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen +van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de +tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander +in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der +kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen, +of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen +voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De +kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week, +die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te +vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze +stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een +kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld, +werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de +week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels, +waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten, +en soms 't geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch, +wierpen. Dit werd gestraft. + +Zij, die de stilte stoorde, moest een "kruis met de tong" +maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit +einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich +aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden. + +In het klooster was een boek, waarvan slechts "één exemplaar" +is gedrukt, en dat verboden is te lezen. 't Is de regel van den +H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag. + +Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij +begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst +waren verrast te zullen worden, borgen zij 't haastig weer weg. Zij +hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden +blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der +jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden. + +Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen +stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen, +gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter +sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer +op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt, +en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige +pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van +Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder: + +"Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar +boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te +leggen, dan steekt men het ooft onder 't oorkussen en des avonds eet +men 't in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats." + +Dit was een harer grootste geneugten. + +Eenmaal, 't was wederom bij gelegenheid van een bezoek des +aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de +jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap +dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets +ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen, +maar niemand geloofde er aan. Op 't oogenblik dat de aartsbisschop +voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot +onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide: +"Monseigneur, een dag vacantie als 't u belieft." De jonkvrouw +Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat +men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: "Wat, mijn +lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen +u drie dagen!" De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop +had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het +pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen! + +Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven +der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet +binnendrongen. Om dit te bewijzen willen wij hier beknopt een waar, +onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat +met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts, +opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben. + +Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige +persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en +"madame Albertine" noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat +zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide, +dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen, +die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest. + +Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit +haar groote zwarte oogen. 't Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men +twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was +niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken +en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte, +voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster +zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: "Men houdt +haar voor dood."--"Zij is 't misschien," antwoordde de andere. + +Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine +verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der +pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men het oeil de boeuf +noemde. 't Was in deze tribune, met een rond raampje, een oeil de +boeuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk +was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping, +den prediker, of misdoenden priester kon zien; 't geen aan de nonnen +verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen +rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode +musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830 +als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. 't Was den +eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus +predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie +en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich +ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden +der stilte, die in de kapel heerschte: "Ziedaar August!" De geheele +kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de +oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid +verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was +even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen +en de zinnelooze weder een lijk geworden. + +Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen +in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat +"ziedaar August!" De heer de Rohan heette werkelijk August. 't Was +stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij +den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed +had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat +zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en +wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde. + +Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent, +bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis als Magnates mulieres +toegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de +twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de +oogen neder. + +Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp +der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip, +in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris +van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in +de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen +zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde +der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk +aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem. + +Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was; +dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om +het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok +hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer +zestienjarige meisjes. + +Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar +evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis, +welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren. + +Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie, +die thans reeds zeer verouderd is: "Mijn Zetulbé, kom, beheersch +mijn hart," en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes +luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de +hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene +maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden +muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat +Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd, +alles beproefd hebben om slechts een seconde den "jongeling" te zien +en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het +te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen +naar de derde verdieping om zoo mogelijk door de gesloten vensters in +de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm +boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren +nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen +eindelijk den "jongeling!" 't Was een arme, blinde, oude emigrant, die +op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +HET KLEINE KLOOSTER. + + +Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander +verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond, +het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde +Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden +gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen +der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte, +grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke +soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was, +een harlekijns-klooster kunnen noemen. + +Sedert het Keizerrijk was 't aan al deze arme, verstoorde, verjaagde +geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de +vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het +gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus +hadden ze met welwillendheid ontvangen. 't Was een zonderling +mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning +veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven; +ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere, +de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en +van moeder Jakob. + +Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. 't Was +een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het +begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure +hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner +nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor +de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken +scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig +genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte. In 1824 bleef van +deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over. + +Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames, +zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine +Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort +d'Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in +'t klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat +zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar +Vacarmini. [7] + +In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein +tijdschrift, de Intrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te +mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch +in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had +romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze +verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid +ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar +na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden, +zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde +de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis +nog zeer goed de harp. + +Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel +achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze +twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden +zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en +juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar +met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt, +en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven +te verschrikken: + + + Imparibus meritis pendent tria corpora ramis: + Dismas et Gesmas, media est divina potestas; + Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas, + Nos et res nostras conservet summa potestas. + Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas. + + +Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag +oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men +algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze +spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de +Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden +hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzen +wordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen. + +De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote +klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het +kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er +het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende, +in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der +kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een +kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen +was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter +het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter +rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze +kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan +wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten +banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen +op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben +der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten +bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang +met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den +tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar +stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander +bewijs dan de slagen der "disciplines" (geeselkoorden), die in de +banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EENIGE SILHOUETTEN. + + +In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus +jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij +behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van +"Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus." Zij was +herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw, +die "als een gebersten pot zong," zegt de brief, welken wij reeds +hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige +vroolijke in het klooster en daarom bemind. + +Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite, +de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de +geschiedenis, zij verstond Latijn, Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch, +en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin. + +De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half +blinde non. + +De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine, +schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en +moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes, +moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het +klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (Mlle Gauvain), nog jong, +met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (Mlle Drouet), die +in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen +Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mlle de Colgolludo), +moeder St. Adelaida (Mlle d'Averney), moeder Misericordia, (Mlle de +Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion +(Mlle de la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen +ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia +(Mlle de Laudinière), moeder Presentatie (Mlle de Siguenza), die +in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den +beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mlle de Suzon); welke +beide krankzinnig werden. + +Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige +vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder +Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster +moeder Assomption. + +Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had, +gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele +toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud, +verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van +de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit +had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit +engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen +het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha, +die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten. + +Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng +voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het +voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij +betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter +een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet. + +Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster +de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aan onbezielde +voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het +schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat +naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd, +duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf, +de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht +worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis +in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was +een bijzonder getal. Voor de priorin was 't één en één; voor de +onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der +school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den +klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden +een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte +met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar +hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is, +kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen +er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud +leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien; +de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan +men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een +"afschuwelijken ouden bochel" afgeschilderd wordt. + +Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren. + +Zoodanig was dit merkwaardig huis. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +POST CORDA LAPIDES. + + +Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te +hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden +zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds +een denkbeeld. + +Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel +het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten +Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg, +die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier +straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een +vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een +tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging +van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen +een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galg +besloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat +Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze, +statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus; +het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van +dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur, +waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags +werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener +non uit het klooster werd gedragen. 't Was de algemeene kerkdeur. De +elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer +diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters +en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de +kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der +blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet +zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin, +die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat +de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin, +stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom, +van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen, +verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest, +de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze +paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende, +waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het +einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen +van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot +aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor +het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit +alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd, +muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap +dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat, +en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van 't geen +vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van +Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar +van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond, +die, "het speelhuis der elf duizend duivels" werd genoemd. + +Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De +namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er +naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout +geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep +de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +EEN EEUW ONDER EEN NONNEN BORSTDOEK. + + +Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van 't geen eertijds het +klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een +blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog +een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van +dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen +zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn. + +In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit +de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in +de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil, +zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat, +met wie zij goed bekend was geweest. 't Was haar vermaak en trots, +bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde +wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek +en in welk klooster straten waren. + +Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren +vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen, +zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem +aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan +Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan +Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige +vader.--En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk +gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen. + +Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij +zeide, dat in haar jeugd "de bernardijnen niet voor de musketiers uit +den weg gingen." 't Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij +verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en +Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot +personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair +door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke +overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers +aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker +las men dit opschrift: "apenwijn," op den tweeden: "leeuwenwijn," +op den derden: "schapenwijn," op den vierden: "varkenswijn." Deze +vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard +nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweede +vergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt. + +Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan +zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks +niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op, +'t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij +het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot +zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij, +die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp +sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de +volhardendsten op haar halsstarrigheid. + +'t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen +en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar +en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk +een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte +reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw +overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar +de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen +doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. 't Was een schotel van +Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts, +gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de +vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke +liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt +weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles +is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse +schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld +te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman +in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais. + +Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl, +zooals zij zeide, "het spreekvertrek te somber was." + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +OORSPRONG DER EEUWIGDURENDE AANBIDDING. + + +Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld +te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel +en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder +in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een +andere orde was, waren bruine gordijnen in plaats van zwarte blinden, +en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke +neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de +wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht, +geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk. + +In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische +kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd +gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de +vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn. + +Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de +benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel +andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux +behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder +dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in +weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en +in St. Jean en Grève, ontheiligd; 't was zulk een vreeselijke en +zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding +bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval +een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijke +nuncius officiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee +achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin +de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des +altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen +niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door +een "Eeuwigdurende aanbidding" in een vrouwenklooster. Beiden, de +eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar, +genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke +schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus +te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van +Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde "dat geen +jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch +kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal +medebracht." Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn +goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven +werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd. + +Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding +des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd +"geheel nieuw gebouwd" in de straat Cassette voor de gelden der dames +de Boucs en de Chateauvieux. + +Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen +van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés, +gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten +en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen +staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der +bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In +1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner +nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de +benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin +bleven de twee orden geheel gescheiden. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +EINDE VAN KLEIN-PICPUS. + + +Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van +Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven +dezer orde in 't algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden +allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der +menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt, +een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken +vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn. + +Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine +klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen +noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren +heengegaan. Volaverunt. + +De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke +strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen +nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen +koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna +honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel +zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring +der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar +gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst +van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen, +dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal +smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. 't Is een +onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij +drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van +dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig +jaar, de andere drieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval +heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien. + +Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen +voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen +binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige +geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster +binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo +nieuw schijnen. 't Is de gesloten tuin. Hortus conclusus. Wij hebben +van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten +minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij +begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver +van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste +zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire, +die zelfs het kruis bespot. + +'t Was, in 't voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire; +want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas +verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis, +zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De +vermoording van een wijze. + +De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men +verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van 't +verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in 't menschelijk +hart zijn. Veel wordt gesloopt, en 't is goed dat men het sloope, +mits daarvoor iets anders worde opgebouwd. + +Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. 't +Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De +namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich +gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn +pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het +verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de +geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af. + +De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie +van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze +beschermt. + + + + + + + +BOEK VII. + +PARENTHESIS. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET KLOOSTER, ALS ABSTRACTE IDÉE. + + +Dit boek is een drama, waarvan het oneindige de hoofdpersoon is. + +De tweede persoon is de mensch. + +Dit gesteld, en wijl een klooster op onzen weg lag, zijn wij er +moeten binnengaan. Waarom? Wijl het klooster, zoowel eigen aan het +Oosten als aan het Westen, aan den ouden als aan den nieuweren tijd, +aan het heidendom, aan het boudhisme, aan het mahomedanisme, aan het +Christendom, een optisch werktuig is, dat de mensch op het oneindige +richt. + +'t Is hier de plaats niet om wijdloopig sommige ideeën te +ontwikkelen; evenwel moeten wij--ons alle uitzonderingen en zelfs onze +verontwaardiging bepaald voorbehoudende,--zeggen dat, telkens wanneer +wij in den mensch het, goed of kwalijk begrepen, oneindige ontmoeten, +wij ons van eerbied doordrongen gevoelen. In de synagoge, in de moskee, +in de pagode, in de wigwam is een afschuwelijke zijde, welke wij +verfoeien, maar ook een verhevene zijde, welke wij vereeren. Welk +een bespiegeling voor den geest en welke peillooze overdenking is +niet de weerkaatsing van God in den mensch! + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +HET KLOOSTER ALS HISTORISCH FEIT. + + +Uit het gezichtspunt der geschiedenis, der rede en der waarheid is +het kloosterleven verwerpelijk. + +De kloosters, zoo zij bij een natie te talrijk zijn, zijn als knoopen, +die den band der samenleving belemmeren, 't zijn hinderende gebouwen, +middelpunten van luiheid, dáár waar middelpunten van werkzaamheid +zijn moesten. De kloostergemeenschap is voor de groote maatschappij +wat de mistel voor den eik, wat de wrat voor het menschelijk lichaam +is. Hun bloei en hun omvang verarmen het land. De kloosterregel, +goed in de kindsheid der beschaving, nuttig om door het geestelijke de +ruwheid te verminderen, is schadelijk voor den mannelijken leeftijd der +volken. Maar wanneer hij verslapt en een tijdperk van ongeregeldheden +intreedt, wanneer hij dan nog voortgaat tot voorbeeld te dienen, +wordt hij nadeelig, om dezelfde redenen die hem in het tijdperk zijner +zuiverheid heilzaam deden zijn. + +De kloosterlijke afzondering heeft haar tijd gehad. De kloosters, +nuttig voor de eerste opvoeding der nieuwere beschaving, belemmerden +haar groei en zijn schadelijk voor haar ontwikkeling. Evenzeer als +instelling en als wijze van vorming voor den mensch zijn de kloosters, +goed in de tiende eeuw, betwistbaar in de vijftiende, verwerpelijk in +de negentiende. De klooster-melaatschheid heeft reeds twee schoone +natiën, Italië en Spanje, de eene het licht, de andere de luister +van Europa, sinds eeuwen tot op het gebeente afgeknaagd, en eerst +nu, in den tijd, dien wij beleven, begint de genezing dier volken, +dank zij de heilzame en krachtige gezondheidsleer van 1789. + +Het klooster, in 't bijzonder het vroegere vrouwenklooster, +zooals het bij den aanvang onzer eeuw nog in Italië en Oostenrijk +en Spanje verschijnt, is een der somberste voortbrengselen der +Middeleeuwen. Zoodanig klooster is het vereenigingspunt van +alle verschrikkingen. Het eigenlijke Katholieke klooster is vol +van den zwarten glans des doods. Bovenal het Spaansche klooster +is treurig. Daar verheffen zich in de duisternis, onder donkere +gewelven, in nevelen gehulde koepeldaken, babylonische, kolossale +altaren, zoo hoog als de kerken; daar hangen aan kettingen, in diepe +duisternis, groote witte crucifixen, daar liggen op het ebbenhout +groote naakte, meer dan bloedige, bloedende ivoren Christusbeelden +uitgestrekt, afgrijselijk en toch heerlijk, wier ellebogen de knoken, +wier knieschijven de vliezen, wier wonden het vleesch vertoonen, +gekroond met zilveren doornen, vast gespijkerd met gouden nagels, +met bloeddroppels van robijnen op het voorhoofd en diamanten tranen +in de oogen. + +Do diamanten en robijnen schijnen vloeiend, en doen beneden, in +de schaduw, gesluierde wezens weenen, wier lendenen gestriemd en +verwond zijn door den geesel met ijzeren punten en het haren kleed, +wier borsten door het teenen vlechtwerk plat zijn gedrukt, wier knieën +door het gebed ontveld zijn; vrouwen, die zich echtgenooten wanen, +spoken die serafijnen meenen te zijn. Denken deze vrouwen? Neen. Hebben +zij een wil? Neen. Beminnen zij? Neen! Leven zij? Neen. Haar zenuwen +zijn been geworden, haar gebeente is versteend. Haar sluier is uit +nacht geweven. Onder dien sluier gelijkt haar adem eenigerwijs den +akeligen ademtocht des doods. De abdis, een spooksel, zegent en +verstijft ze van schrik. Daar is het onbevlekte woest. Zóó zijn de +oude kloosters in Spanje, verblijven van schrikbarende godsvrucht, +spelonken van maagden, ontzettende plaatsen. + +Het Katholieke Spanje was meer roomsch dan Rome zelf. Bij uitnemendheid +was het Spaansche klooster het Katholieke klooster. Men rook er het +Oosten. De aartsbisschop, de kizlar-aga des hemels, grendelde en +bewaakte dat voor God bewaarde zielen serail. De non was de odaliske, +de priester de gesnedene. De vurigste werden in den droom uitverkoren +en bezaten Christus. Des nachts daalde de fraaie, naakte jonge man van +het kruis, en werd de verrukking der cel. Hooge muren behoedden voor +iedere verstrooidheid de geheimzinnige sultane, die den gekruisigde +tot sultan had. Een blik naar buiten was een ontrouw. Het in pace +verving den lederen zak. Wat men in het oosten in zee wierp, werd +in het westen in de aarde geworpen. Hier zoowel als daar, wrongen +vrouwen de handen; de golf voor deze, het graf voor de andere; hier +verdronkenen, daar begravenen. Gruwzame gelijkenis. + +Nu de verdedigers van het verleden deze feiten niet meer +kunnen loochenen, beginnen zij er om te lachen. Men heeft een +zeer gemakkelijke, maar zonderlinge wijze in de mode gebracht +om de openbaringen der geschiedenis van de hand te zetten, de +verklaringen der wijsgeeren te verminken, en alle hinderlijke feiten +en sombere kwestiën te ontgaan. "Stof tot declameeren," zeggen de +behendigen. Declamatiën, herhalen de dommen. Jean Jacques Rousseau +declameert; Diderot declameert; Voltaire declameert over Calas, Labarre +en Sirven. Ik weet niet wie onlangs ontdekt heeft, dat Tacitus een +declamateur, dat Nero een offer was, en dat men waarlijk met dien +armen Holofernus medelijden moest hebben. + +De feiten zijn intusschen moeielijk ter zijde te stellen en staan vast. + +De schrijver van dit boek heeft met zijn eigen oogen, acht uren van +Brussel, in de abdij van Villers, iets uit de Middeleeuwen gezien, dat +in ieders bereik ligt--in het midden van 't geen toen de kloosterhof +was, aan den oever der Dyle, het in pace, vier steenen cachotten, +half in den grond half in het water gebouwd. Ieder dezer cachotten +heeft nog het overblijfsel van een ijzeren deur, een geheim gemak, +en een getralied luchtgat, dat buiten twee voet boven de rivier, +binnen zes voet boven den grond is. Langs den muur stroomt de rivier +ter hoogte van vier voet. De bodem is altijd vochtig. De bewoner van +het in pace had dezen vochtigen bodem tot bed. In een dezer cachotten +bevindt zich nog een brok van een in den muur gemetselden halsboei; +in een ander ziet men een soort van vierkante kast, van vier steenen +samengesteld, die te kort is om er in te kunnen liggen, te laag om er +in te staan. Daarin stak men een mensch en legde er een steenen deksel +op. Het bestaat nog. Men ziet, men betast het. Deze in paces, deze +cachotten, deze ijzeren hengels, deze halsboeien, dit lage luchtgat +vlak boven de rivier, deze met een granieten deksel als een graf +gesloten steenen kist, met dit verschil dat daarin de doode levend +was, deze bodem van slijk, dit rioolgat, deze zweetende muren--hoe +"declameeren" zij! + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +OP WELKE VOORWAARDEN MEN HET VERLEDEN KAN EERBIEDIGEN. + + +Het kloosterwezen, zooals dat in Spanje bestond en in Thibet bestaat, +is voor de beschaving een soort van tering. Het stremt het leven; +het ontvolkt. Voor Europa is 't een geesel geweest. Voeg daarbij +het zoo dikwerf geweld aangedane geweten, de gedwongen roeping +voor het klooster, het feodaalwezen steunende op het klooster, het +eerstgeboorterecht, dat het te veel der familie aan het klooster +overgaf, de wreedheden, waarvan wij gesproken hebben, de in pace, de +gesloten monden, het inmetselen, zoovele ongelukkigen in den kerker +der eeuwige geloften geworpen, de aanneming van het kloostergewaad, +de begraving van levende zielen! Voeg hierbij, al naar den trap van +verlaging der natiën, de persoonlijke straffen, en wie ge zijn moogt, +ieder zal beven voor de pij en den sluier, voor deze twee lijkdoeken +van menschelijke uitvinding. + +Evenwel, in weerwil der wijsbegeerte, in weerwil van den vooruitgang, +blijft op enkele punten, en in zekere oorden de kloostergeest nog +in 't midden der negentiende eeuw volharden, en een zonderlinge +verlevendiging van het ascétisme verbaast thans de beschaafde +wereld. De halsstarrigheid der verouderde instellingen om te blijven +bestaan gelijkt de ransig geworden pommade, die ons haar met geweld +welriekend wil maken, de eisch van den bedorven visch, die gegeten wil +worden, van het kinderkleed dat den volwassen man zou willen dekken, en +de liefde der lijken die zouden wederkomen om de levenden te omhelzen. + +Ondankbaren! zegt de kleeding. Ik heb u in 't slechte weder +beschermd. Waarom wilt ge mij niet meer? Ik kom uit de verre zee, +zegt de visch. Ik ben roos geweest, zegt de pommade. Ik heb u bemind, +zegt het lijk. Ik heb u beschaafd, zegt het klooster. + +Hierop slechts dit antwoord: Voorheen! + +'t Schijnt zonderling, wanneer men aan den onbepaalden duur van +gestorven dingen en van menschelijke heerschappij door inbalseming +gelooft; wanneer men de bouwvallige leerstukken herstelt, de +straalkransen opnieuw verguldt, de kloostermuren wit, de reliquikasten +opnieuw wijdt, het bijgeloof versterkt, het fanatisme aanvuurt, +nieuwe stelen en handvatsels aan wijwaterskwasten en sabels maakt, +het kloosterdom en de militaire oppermacht weder opricht, wanneer +men aan het heil der maatschappij gelooft door de woekerplanten te +vermeerderen, en het verledene aan het tegenwoordige opdringt. En +echter zijn er voorstanders dezer theorieën. Deze theoretici, +overigens schrandere lieden, handelen zeer eenvoudig; zij leggen +op het verledene een vernis, 't welk zij maatschappelijke orde, +goddelijk recht, zedelijkheid, familie, eerbied voor de voorouders, +oud gezag, heilige overleveringen, legitimiteit, godsdienst noemen, +en zij roepen: Ziet! neemt dit, goede lieden!--Deze logica kenden +reeds de ouden. De wichelaars gebruikten ze. Zij bestreken een zwarte +vaars met krijt en zeiden: zij is wit. Bos cretatus. + +Wat ons aangaat, wij eerbiedigen het een en ander van--en sparen +geheel--het verledene, mits het zich tevreden houdt dood te zijn. Zoo +het levend wil zijn, vallen wij het aan en trachten het dan te dooden. + +Bijgeloof, bigotterie, kwezelarij, vooroordeel, deze spooksels, +hoewel zij spooksels zijn, hebben een taai leven, zij hebben tanden +en nagels; men moet ze een voor een aangrijpen en verstikken, hen +bestrijden en onvermoeid bestrijden; want 't is het lot des menschen +eeuwig in strijd met spookbeelden te zijn. Een schim is moeielijk +bij de keel te grijpen en neder te werpen. + +Een klooster in Frankrijk in den vollen middag der negentiende eeuw is +een uilennest, dat het daglicht durft tarten. Een ascetisch klooster, +dat in het midden der stad van 89, van 1830 en van 1848, Rome in Parijs +doet bloeien, is een anachronisme. In gewone tijden behoeft men, +om een anachronisme op te lossen en te doen verdwijnen, het slechts +het jaartal voor te spellen. Maar wij leven in geen gewonen tijd. + +Laat ons strijden! + +Laat ons strijden, maar met verstand. De waarheid heeft het +eigenaardige, dat zij nooit buitensporig is. Waarom zou zij +overdrijven? Er zijn dingen die vernietigd, er zijn andere dingen +die eenvoudig toegelicht en beschouwd moeten worden. Welk een kracht +heeft een welwillend, ernstig onderzoek! + +Brengen wij geen vlam dáár waar het licht voldoende is. + +In de negentiende eeuw zijn wij dus over 't algemeen, bij alle volken, +in Azië evenals in Europa, in Indië evenals in Turkije, tegen de +kloosters en het ascetisme. De kloosters gelijken moerassen. Hun +overgang tot bederf is duidelijk, hun stilstand is ongezond; hun +gisting maakt de volken koortsig en verzwakt ze; hun vermenigvuldiging +wordt een egyptische plaag. Niet zonder huivering kunnen wij aan +die landen denken, waar het van fakirs, bonzen, santons, caloyers, +marabouts, talapoins en dervischen als van ongedierte wemelt. + +Er blijft dus de godsdienstige vraag over. Deze vraag heeft +verschillende geheimzinnige, schier vreeselijke zijden: het zij ons +vergund ze nader te beschouwen. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +HET KLOOSTER UIT HET GEZICHTSPUNT VAN BEGINSELEN. + + +Menschen vereenigen zich en wonen gemeenschappelijk. Volgens welk +recht? Volgens het recht van vereeniging. + +Zij sluiten zich op. Volgens welk recht? Volgens het recht dat ieder +mensch heeft om zijn deur te sluiten of te openen. + +Zij gaan niet uit. Volgens welk recht? Volgens het recht van te +gaan en te zijn, naar verkiezing; 't welk het recht van te huis te +blijven insluit. + +Te huis, wat doen zij dáár? + +Zij spreken zacht; slaan de oogen neder; werken. Zij verzaken de +wereld, de steden, het zingenot, de vermaken, de ijdelheden, den +hoogmoed, het eigenbelang. Zij zijn in grof linnen of in grove wol +gekleed. Niemand hunner bezit iets in eigendom. Bij zijn intrede maakt +hij die rijk was zich arm. Wat hij bezit, geeft hij aan allen. Hij die, +zooals men 't heet, van adel, edelman en heer was, is de gelijke van +hem, die boer was. De cel is voor allen dezelfde. Allen ondergaan +dezelfde kruinschering, dragen dezelfde pij, eten hetzelfde zwarte +brood, slapen op hetzelfde stroo, sterven op dezelfde asch. Zij dragen +denzelfden zak op den rug, hetzelfde koord om de lendenen. Zoo men +overeengekomen is barvoets te gaan, gaan allen barvoets. Is er een +prins, die prins is dezelfde schim als de anderen. Geen titels. Zelfs +de familienamen zijn verdwenen. Zij hebben slechts voornamen. Allen +gaan gebogen onder de gelijkheid der doopnamen. Zij hebben de +vleeschelijke familie ontbonden en in hun gemeenschap de geestelijke +familie aangenomen. Zij hebben geen andere verwanten meer dan alle +menschen. Zij helpen de armen, verplegen de kranken. Zij verkiezen hen, +wien zij gehoorzamen. De een zegt tot den ander "mijn broeder." + +Valt mij niet in de rede met de woorden: "dit is een denkbeeldig +klooster!" + +'t Is voldoende dat het een mogelijk klooster zij, om 't in aanmerking +te nemen. + +'t Is ook om die reden, dat ik in 't voorgaande boek op eerbiedige +wijze van een klooster gesproken heb. De middeleeuwen en Azië er buiten +gelaten, en met voorbehoud der historische en politieke kwestie, +beschouw ik, uit een zuiver, wijsgeerig oogpunt, de kloosterlijke +samenleving, mits zij volkomen vrijwillig gekozen wordt, steeds met een +gevoel van belangstelling en in sommige opzichten, van eerbied. Waar +de gemeenschap is, is de gemeente, waar de gemeente is, is het +recht. Het kloosterleven is de uitkomst der woorden: gelijkheid, +broederschap! O, hoe grootsch is de vrijheid; welke schitterende +herscheppingen bewerkt zij. De vrijheid is machtig om het klooster +in een republiek te herscheppen. + +Gaan wij verder. + +Maar deze mannen, of deze vrouwen, de achter deze vier muren zittenden, +kleeden zich in grove wol, allen zijn gelijk, zij noemen elkander +broeders en zusters. Goed; maar doen zij nog iets anders? + +Ja. + +Wat? + +Zij beschouwen de duisternis, zij knielen, en vouwen de handen samen. + +Wat beteekent dat? + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +HET GEBED. + + +Zij bidden. + +Tot wien? + +Tot God. + +Wat beteekent, tot God bidden? + +Bestaat een oneindige buiten ons? Is dat oneindige één, blijvend, +eeuwig, noodzakelijk zelfstandig, wijl het oneindig is, en begrensd +moest zijn, zoo het het stoffelijke miste; noodzakelijk intelligent, +wijl het oneindig is, en het eindigen zou zoo het de intelligentie +miste. Wekt dit oneindige in ons het denkbeeld van uitvloeisel, +terwijl wij ons zelven slechts het denkbeeld van bestaan kunnen +toeschrijven? Met andere woorden, is het niet het volstrekte, waarvan +wij het betrekkelijke zijn. + +Is nu niet een oneindig in ons, evenals een oneindig buiten +ons is? Plaatsen zich deze twee oneindigen (welk een ontzettend +meervoud?) niet het een boven het ander. Is het tweede oneindige, +om zoo te spreken, niet aan het eerste onderworpen? is het er de +spiegel, de weerkaatsing, de echo niet van, een afgrond in een anderen +afgrond? Is ook dat tweede oneindige intelligent? Denkt het, bemint +het, heeft het een wil? Zoo de twee oneindigen intelligent zijn, +heeft ook ieder hunner een wil, en in het oneindige boven is een +"ik", evenals in 't oneindige beneden. Het ik beneden is de ziel; +het ik boven is God. + +Bidden is nu: door de gedachten het oneindige beneden met het oneindige +boven in aanraking brengen. + +Ontnemen wij den menschelijken geest niets; ontnemen deugt niet. Men +moet hervormen en herscheppen. Sommige geestvermogens van den mensch +zijn naar het onbekende gericht; de gedachte, de bespiegeling, +het gebed. Het onbekende is een oceaan. Wat is het geweten? 't +Is het kompas in het onbekende. Gedachte, bespiegeling, gebed zijn +geheimzinnige stralen. Eerbiedigen wij ze. Waarheen gaan deze verhevene +stralen der ziel? naar het duister; of liever gezegd naar het licht. + +De grootheid der democratie bestaat in niets van de menschheid te +loochenen en niets te verloochenen. Naast het recht van den mensch, +staat, ten minste even hoog, het recht der ziel. + +De wet is het fanatisme te vernietigen, en het oneindige te +vereeren. Bepalen wij er ons niet bij, voor den boom "schepping" +te knielen en zijn groote gesternde takken te aanschouwen. 't +Is onze plicht aan de menschelijke ziel te arbeiden, het geheim +tegen het wonder te beschermen, het onbegrijpelijke te aanbidden, +het bespottelijke te verwerpen, slechts van het onverklaarbare het +noodzakelijke toe te staan, het geloof te veredelen, den godsdienst +van bijgeloovigheden te zuiveren; van God een helder begrip te vormen. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +HET VOLSTREKT NUT VAN HET GEBED. + + +Wat de wijze van bidden betreft; iedere wijze is goed, zoo zij slechts +oprecht zij. Men draaie het boek om, en is toch in het oneindige. + +Er is een wijsbegeerte, wij weten het, die het oneindige loochent. Er +is ook een ziekelijke filosofie, die de zon loochent; deze filosofie +heet blindheid. + +Van een zintuig, dat ons ontbreekt, de bron der waarheid te maken, +is als de overtuiging van den blinde. Merkwaardig is die hoogmoedige, +aanmatigende, en medelijdende houding, welke deze in 't blinde tastende +filosofie tegenover de wijsbegeerte aanneemt, die God ziet. Men meent +een mol te hooren roepen: Hoe kunnen zij zoo dwaas zijn, aan een zon +te gelooven? + +Er zijn, wij erkennen het, beroemde, geleerde Atheïsten. Maar deze, +die hun eigen macht alleen tot de waarheid voert, zijn in den grond +zelf niet zeker of zij wel Atheïsten zijn; 't is voor hen niet veel +meer dan een punt van definitie; in allen gevalle, gelooven zij niet +aan God, als groote geesten bewijzen zij het bestaan van God. + +Hen begroeten wij als wijsgeeren, hoewel wij onverbiddelijk hun +filosofie veroordeelen. + +Verder: + +'t Is verwonderlijk hoe gemakkelijk men zich met woorden kan tevreden +stellen. Een noordsche, bovennatuurkundige, min of meer nevelachtige +school, heeft gemeend in het menschelijk verstand een omwenteling te +bewerken, door voor het woord "kracht" het woord "wil" te stellen. + +Te zeggen: de plant wil; in plaats van: de plant groeit; 't +zou inderdaad vrucht dragen, zoo men er bij voegde: de wereld +wil. Waarom? wijl er dit uit zou volgen: de plant wil, zij heeft dus +een ik; de wereld wil, zij heeft dus een God. + +Voor ons evenwel, die in tegenoverstelling met deze school, niets +à priori verwerpen, schijnt een wil in de plant, door deze school +geleerd, moeielijker aan te nemen, dan een wil in de wereld, dien +zij loochent. + +Den wil van het oneindige, dat is van God, te loochenen, kan niet +geschieden zonder het oneindige te loochenen. Wij hebben het bewezen. + +De loochening van het oneindige voert regelrecht naar het +"nihilisme." Alles wordt "een begrip des geestes." + +Met het nihilisme is geen discussie mogelijk. Want de logische nihilist +twijfelt dat zijn tegenpartij bestaat, en is zelfs niet eens zeker +of hij zelf wel bestaat. + +Uit zijn gezichtspunt is het mogelijk, dat hij voor zich zelven niets +anders zij dan "een begrip van zijn geest." + +Intusschen ziet hij niet, dat hij al het door hem geloochende in zijn +geheel toestaat, alleen door het woord "geest" te noemen. Kortom, +een filosofie die alles op het woordje "neen" laat uitloopen, laat +geen weg voor de gedachte open. + +Voor neen, is slechts een antwoord: ja. + +Het nihilisme heeft geen gevolg. + +Er is geen niet. Nul bestaat niet. Alles is iets. Niets is niets. + +De mensch leeft meer nog van overtuiging dan van brood. + +'t Is niet voldoende te zien en te bewijzen. De wijsbegeerte moet +kracht hebben, en de verbetering van den mensch haar doel en streven +wezen. Socrates moet in Adam dringen en Marcus Aurelius voortbrengen; +met andere woorden, uit den gelukkigen mensch den wijzen mensch +tevoorschijn brengen; het Paradijs in een school veranderen. De +wetenschap moet een versterking des harten zijn. Genieten! Welk een +treurig doel en nietige eerzucht. Het dier geniet. Denken is de ware +triumf der ziel. De gedachte naar den dorst der menschen te richten, +aan allen de kennis Gods in te geven, onder hen het geweten en de +wetenschap te verbroederen, hen door deze geheimzinnige verbroedering +rechtvaardig te maken, ziedaar de taak der ware wijsbegeerte. De moraal +is een ontluiking van waarheden. Beschouwing voert tot handelen. Het +positieve moet practisch zijn. Het ideale moet voor den menschelijken +geest adembaar, drinkbaar en eetbaar zijn. Het ideale heeft het recht +te zeggen: "Neem, dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed." De wijsheid +is een heilige gemeenschap. Op deze voorwaarde houdt zij op, een dorre +liefde voor de wetenschap te zijn, om de eenige, oppermachtige wijze +der menschelijke verbroedering en van wijsbegeerte tot godsdienst +bevorderd te worden. + +De wijsbegeerte moet geen rustplaats zijn voor het geheimzinnige, +om het op zijn gemak te kunnen beschouwen, zonder andere vrucht dan +de nieuwsgierigheid te bevredigen. + +Terwijl wij echter de ontwikkeling onzer gedachte tot een andere +gelegenheid uitstellen, bepalen wij ons bij de opmerking, dat wij den +mensch noch als uitgangspunt, noch den vooruitgang als doel begrijpen, +zonder deze twee drijfveeren: gelooven en beminnen. + +De vooruitgang is het doel, het ideaal is de type. + +Wat is het ideaal? God! + +Het ideaal, het volstrekte, het volmaakte, het oneindige;--zijn alle +woorden van dezelfde beteekenis. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +VOORZORGEN TEGEN BERISPING. + + +De geschiedenis en de wijsbegeerte hebben eeuwige plichten, die tevens +eenvoudige plichten zijn; Cajaphas als bisschop, Draco als rechter, +Trimalcion als wetgever, Tiberius als keizer te bestrijden, is klaar +en duidelijk, zonder eenige duisternis. Maar het recht om afgezonderd +te leven, zelfs met zijn bezwaren en misbruiken, wil bevestigd en +vergund zijn. + +Wanneer men van de kloosters spreekt, van deze plaatsen van dwaling +of onnoozelheid, van verbijstering of goeden wil, van onwetendheid of +zelfopoffering, van straf of martelaarschap, moet men schier altijd +ja en neen, beide, zeggen. + +Een klooster is een tegenstrijdigheid. Als doel, de zaligheid; als +middel, de opoffering. Het klooster is de verhevenste zelfzucht, +die tot de verhevenste zelfverloochening voert. + +Afstand te doen om te heerschen, schijnt de leus van het kloosterwezen +te zijn. + +In het klooster lijdt men om te genieten. Men trekt een wissel op +de eeuwigheid. Men disconteert voor aardsche duisternis hemelsch +licht. In het klooster wordt bij voorbaat de hel aangenomen, om den +hemel te erven. + +Het nemen van den sluier of de pij is een zelfmoord, die met de +eeuwigheid wordt beloond. + +Wij meenen, dat bij zulk een onderwerp geen scherts te pas komt. Alles +is er ernstig, zoowel het goede als het kwade. + +De weldenkende fronst de wenkbrauwen, maar glimlacht niet +boosaardig. Wij begrijpen den tegenstand, niet de kwaadwilligheid. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +GELOOF, WET. + + +Nog eenige woorden. + +Wij laken de kerk, wanneer zij van kuiperijen vervuld is; wij verachten +het geestelijke, dat op het wereldlijke aast; maar alom eeren wij +den denkenden mensch. + +Wij buigen ons voor ieder die knielt. + +Een geloof is voor den mensch noodzakelijk. Wee hem die niets gelooft! + +Men is niet werkeloos als men zich in zijn gedachten verdiept. Er is +een zichtbare en een onzichtbare arbeid. + +Beschouwen is ploegen; denken is handelen. De over elkander geslagen +armen, de saamgevouwen handen doen iets. Ook de ten hemel gerichte +blik is een werk. + +Thales bleef vier jaren onbewegelijk. Hij vestigde de wijsbegeerte. + +Voor ons zijn de kloosterlingen geen lediggangers, en de eenzamen +geen luiaards. + +Over de duisternis te denken is iets zeer ernstigs. + +Zonder iets van 't geen wij gezegd hebben terug te nemen, +gelooven wij, dat het den levenden betaamt gestadig aan het graf te +denken. Hieromtrent zijn priester en wijsgeer het eens. "Men moet +sterven." De abt van la Trappe is eenstemmig met Horatius. + +Iets van het graf in zijn leven te mengen is de wet van den wijze; +'t is de wet van den asceet. Beiden ontmoeten elkander hierin. + +Er is stoffelijke wasdom; dezen willen wij. Er is ook zedelijke +grootheid; haar vereeren wij. + +Onbedachtzame en oppervlakkige geesten vragen: + +"Waartoe deze beweginglooze figuren naast het geheimzinnige? Waartoe +dienen zij? Wat doen zij?" + +Helaas, in de duisternis die ons omgeeft en ons wacht, niet wetende +wat de onmetelijke verspreiding van ons maken zal, antwoorden wij: +"Er is misschien niets verhevener dan 't geen deze zielen doen." En +wij voegen er bij: "Er is misschien niets nuttiger." + +Zij die altijd bidden, bidden mede voor hen, die nooit bidden. + +Voor ons komt alles op de gedachten aan, die zich aan het gebed paren. + +'t Is grootsch als Leibnitz bidt; 't is schoon als Voltaire +aanbidt. Deo exerit Voltaire. + +Wij zijn vóór den godsdienst, tegen de godsdiensten. + +Wij behooren tot hen die aan de armzaligheid der formuliergebeden, +en aan de verhevenheid van het gebed gelooven. + +In de tegenwoordige minuut, overigens, die gelukkig aan de negentiende +eeuw haar gestalte niet zal achterlaten; in dit uur, nu zoo velen +het hoofd laag en de ziel niet hoog hebben; onder zoovelen wier +zedenleer genieten heet, en die zich slechts met het kortstondige, +wanstaltige, stoffelijke bezighouden,--schijnt ons ieder eerwaardig, +die zich zelven verbant. Dit klooster is een verloochening. Het offer, +het moge verkeerd gebracht zijn, is evenwel een offer. 't Is grootsch, +een strenge dwaling als plicht te beschouwen. + +Op zich zelf en als ideaal beschouwd, en om de waarheid door een +onpartijdig onderzoek van al de zienswijzen te ontdekken, heeft het +klooster--bovenal het vrouwenklooster--want in onze maatschappij +lijdt de vrouw het meest, en in de ballingschap des kloosters ligt +een protest--onbetwistbaar iets majestueus. + +Dit zoo streng en treurig kloosterlijk leven, waarvan wij eenige +trekken hebben geschetst, is geen leven, want 't is geen vrijheid; +'t is geen graf, want 't is niet de voleindiging des levens; 't is +het zonderling oord, waar men, als van den top eens hoogen bergs, +aan den eenen kant de diepte ziet waar wij zijn, aan den anderen kant +de diepte waar wij komen zullen; 't is een enge, nevelachtige grens, +die twee werelden scheidt, en te gelijker tijd door beide verlicht +en verduisterd wordt; waar de verflauwde straal des levens met de +schemerende straal des doods samensmelt; 't is de flikkering van +het graf. + +Wij, die niet gelooven wat deze vrouwen gelooven, doch evenals zij in +het geloof leven, nooit hebben wij, zonder een soort van godsdienstige, +teedere huivering, zonder een soort van bewonderend medelijden, deze +nederige en verheven zielen aanschouwd, welke zelfs op den rand dezer +geheimenis durven leven, wachtende tusschen de wereld, die gesloten, +en den hemel, die niet geopend is, gekeerd naar het licht, dat men +niet ziet, slechts gelukkig in de meening te weten waar het is, naar +den afgrond en het onbekende strevende, met het oog op de strakke +duisternis gericht, geknield, bewogen, verstommend, bevend en in +sommige oogenblikken door de diepe ademtocht der eeuwigheid opgeheven. + + + + + + + +BOEK VIII. + +DE KERKHOVEN NEMEN WAT MEN ZE GEEFT. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HOE MEN IN HET KLOOSTER KOMT. + + +'t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd +"uit den hemel was gevallen." + +Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau +vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord, +was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij +in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte, +welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die +de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank +hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman, +den ouden Fauchelevent, gehecht. + +Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent, +gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas +met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette +in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo +te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd: +"dus moet ik nu hier blijven."--Deze woorden hadden den ganschen +nacht Fauchelevent door 't hoofd gewoeld. + +Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen. + +Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was, +begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder +ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in +het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan +er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster +tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er +mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo +men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis +zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hij er blijven mocht, +wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding. + +Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij +bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond +Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? 't Is moeielijk, over +kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in +de armen is 't onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat +kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was, +had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van 't geen +daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen +afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet +in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk +van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden, +meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk +ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn +schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was +betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet +mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk, +in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen, +het klooster tot wijkplaats genomen, en 't was natuurlijk dat hij +er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen +en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met +het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde, +sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in +Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort +in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft +mij het leven gered. + +Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen. + +Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er +bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest +kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden. + +Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik +hem redden na 't geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief +ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook +dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk. + +Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch +Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige +taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had +dan zijn dankbaarheid, zijn goeden wil en een weinig van die oude +boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk +gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten +van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was +een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan 't einde +zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer +stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar +te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er +naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn +bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en +dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij +reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke +in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem +had gemaakt. + +Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij +hebben hem een "armen Picardischen boer" genoemd. Deze benaming +is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij +thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader +leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; 't +geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid +scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken, +tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver +voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken +en zweepslagen, welke, naar 't schijnt, de paarden noodig hebben, was +er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet +zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden, +en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent +was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar +beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een +vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid, +die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want +hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht +was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen +dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of +domheid aanduiden. + +Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht, +opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten +en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten +halve op en zeide: + +"Nu ge hier zijt, hoe zult ge 't maken om er weer uit te komen?" + +Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean +uit zijn gepeins. + +Beide mannen raadpleegden. + +"Vooreerst," zei Fauchelevent, "moet ge beginnen den voet niet buiten +deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin +en wij zijn gesnapt." + +"'t Is waar." + +"Ge zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine," +hernam Fauchelevent, "ik wil zeggen een zeer slecht, want eene +der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde +zien. 't Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van +veertig uren. Het geheele klooster is op de been. 't Geeft drukte. Zij +die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen +bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid, +dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor +de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de +overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan +ik niet instaan." + +"Maar," merkte Jean Valjean op, "het huisje staat tegen den muur +en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan +'t van uit het klooster niet zien." + +"En de nonnen komen nooit hier," voeg ik er bij. + +"Welnu?" riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven, +dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent +antwoordde: + +"Ja, maar de meisjes!" + +"Welke meisjes?" vroeg Jean Valjean. + +Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd +had, hoorde men één slag van de klok. + +"De non is dood!" zeide hij, "'t is de doodsklok." + +En hij wenkte Jean Valjean te luisteren. + +De klok werd weder gehoord. + +"'t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig +uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke +minuut geklept worden.--Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft +een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze +dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. 't Zijn duiveltjes, +die cherubijntjes." + +"Wie?" vroeg Jean Valjean. + +"De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij +zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen +gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij +hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. 't Is +de doodsklok." + +"Nu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen." + +En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds +gevonden zijn. + +Fauchelevent hernam: + +"Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan +wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel, +dat men mij een bel aan 't been heeft gebonden, als aan een wild dier." + +Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.--"Dit +klooster zou ons kunnen redden," prevelde hij. En luid zeide hij: + +"Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven." + +"Neen," zei Fauchelevent, "'t is om hier uit te komen." + +Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen. + +"Hier uit te komen!" + +"Ja, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier +uitgaan." + +Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent: + +"Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge +uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk, +dat men door de deur binnenkomt." + +Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. "Ha!" zei Fauchelevent, +"men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is +vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag +gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden +weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te +weten hoe ge zijt binnengekomen." + +Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van +in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit +een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad +te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor, +dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden +en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten, +en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond. + +"Onmogelijk!" zeide hij. "Houd het er voor, dat ik van boven ben +gevallen." + +"Ik geloof het," hernam Fauchelevent. "Ge behoeft het mij niet te +zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te +bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in +een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier, +die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat +de lijkarts ze kome schouwen. Dat alles behoort tot de plechtigheid +van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet +gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier +op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat +kan er gebeurd zijn?--Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?" + +"Cosette." + +"Is zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?" + +"Ja." + +"'t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur +die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn +draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. 't Is zeer +natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet +het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel +verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin +te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof +is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in 't oor schreeuwen, +dat 't een nichtje van mij is en zij 't tot morgen moet bewaren. Dan +keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat +moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?" + +Jean Valjean schudde het hoofd. + +"Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader +Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette, +in een overdekte draagkorf hieruit te brengen." + +Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn +linkerhand, een teeken van groote verlegenheid. + +Een derde gelui gaf een afleiding. + +"De lijkarts vertrekt," zei Fauchelevent. "Hij heeft geschouwd en +gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel +heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders +in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de +kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en +half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek +bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag +binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat +vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in +galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en +gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis. De profundis!" + +Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half +geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean +aanschouwde haar weder en luisterde niet meer naar Fauchelevent. Niet +gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging +bedaard met zijn gepraat voort: + +"Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit +kerkhof zal worden afgeschaft. 't Is een oud kerkhof, dat buiten den +regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. 't Is jammer, +want 't is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er +doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den +avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den +prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren +al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine...." + +"Is begraven," zei Jean Valjean treurig glimlachend. + +Fauchelevent herhaalde het woord. + +"Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou 't een wezenlijke +begrafenis zijn." + +Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk +met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been. + +"Nu is 't mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik +ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine, +en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge +honger hebt." + +Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom! + +Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn +krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende. + +In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen +op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem +antwoordde: "In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid," dat wil zeggen, +"binnen." + +Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den +tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het +kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel +in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +FAUCHELEVENT TEGENOVER EEN BEZWAAR. + + +Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige +omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen, +bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad, +vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin, +de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur, +moeder Innocentia. + +De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel +staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers +liet glijden, hief de oogen op en zeide: + +"Ha, zijt gij 't, vader Fauvent?" + +Men had zijn naam in 't klooster zoo verkort. + +Fauchelevent boog nogmaals. + +"Ik heb u doen roepen, vader Fauvent." + +"Ik ben hier, eerwaardige moeder." + +"Ik heb u iets te zeggen." + +"Ook ik," zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig +deed beven, "heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen." + +De priorin staarde hem aan. + +"Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?" + +"Een verzoek." + +"Nu, spreek." + +De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde +tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn +te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht +er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer +dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er +gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk +bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar +hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande +vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan +zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen +met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was +als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens +gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het +verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig, +zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde +hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield +zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster +hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De +kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme +nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk +en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en +den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze +werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen +praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van +het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die +hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij +nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven, +de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De +congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel, +tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk +te vervangen geweest. + +Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de +eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige +toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken, +over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den +zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het +nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de +maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er +eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had--(de priorin maakte +een beweging)--een bejaarde broeder,--(tweede beweging der priorin, +maar weer gerustgesteld)--dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij +hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was, +dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van +hem, spreker, zelf;--dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat +voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen +zijn ontslag te verzoeken;--dat zijn broeder een dochtertje had, +'t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen +worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden. + +Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van +haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide: + +"Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?" + +"Waartoe?" + +"Om tot hefboom te dienen." + +"Ja, eerwaardige moeder," antwoordde Fauchelevent. + +Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de +belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de +kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent +bleef alleen. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +MOEDER INNOCENTIA. + + +Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette +zich op den stoel. + +Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten +bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen +beiden mede: + +"Vader Fauvent?" + +"Eerwaardige moeder?" + +"Gij kent de kapel?" + +"Ik heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren." + +"En zijt ge wel eens wegens bezigheden in 't koor geweest?" + +"Twee of drie malen." + +"Er moet een steen worden opgeheven." + +"Een zwaren?" + +"De zerk naast het altaar." + +"De zerk die het gewelf sluit?" + +"Ja." + +"Daarvoor zouden twee mannen noodig zijn." + +"Moeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen." + +"Een vrouw is nooit een man." + +"Wij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij +kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven +van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367." + +"Ik evenmin." + +"De verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een +klooster is geen timmerwerf." + +"En een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!" + +"En gij kunt een hefboom krijgen?" + +"Dit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past." + +"In den steen is een ring." + +"Ik zal den hefboom er door steken." + +"De steen is zoo ingericht, dat hij draait." + +"Goed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen." + +"En de vier koormoeders zullen u helpen." + +"En als het gewelf open is?" + +"Moet het weder gesloten worden." + +"Is dat alles?" + +"Neen." + +"Geef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder." + +"Wij stellen vertrouwen in u, Fauvent." + +"Ik ben hier om alles te doen." + +"En om te zwijgen." + +"Gewis, eerwaardige moeder." + +"Als het gewelf open is..." + +"Zal ik het weder sluiten." + +"Maar eerst..." + +"Wat, eerwaardige moeder?" + +"Er moet iets in nedergelaten worden." + +Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling +scheen aan te duiden, hernam de priorin: + +"Vader Fauvent...." + +"Eerwaardige moeder?" + +"Ge weet dat van ochtend een moeder is overleden." + +"Neen." + +"Hebt ge dan de klok niet gehoord?" + +"Men hoort niets aan 't einde van den tuin." + +"Waarlijk?" + +"Ik hoor nauwelijks als ik gescheld word." + +"Zij is bij 't aanbreken van den dag gestorven." + +"Van ochtend was de wind niet naar mijn kant." + +"'t Is moeder Crucifixion. Een zalige." + +De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in +stilte, en hernam: + +"Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd, +alleen door moeder Crucifixion te zien bidden." + +"Ha ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder." + +"De moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen." + +"Ik ken die kamer." + +"Geen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. 't +Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt." + +"Vaker!" + +"Wat?" + +"Vaker!" + +"Wat zegt gij?" + +"Ik zeg vaker." + +"Vaker dan wat?" + +"Eerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker." + +"Ik begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?" + +"Om te zeggen als gij, eerwaarde moeder." + +"Maar ik heb niet vaker gezegd." + +"Ge hebt het niet gezegd, maar ik heb 't gezegd om als gij te zeggen." + +Op dit oogenblik sloeg het negen uren. + +"Te negen ure 's morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament +des altaars geëerd en geloofd," zei de priorin. + +"Amen," zei Fauchelevent. + +Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het "vaker." 't +Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden +ontward hebben. + +Fauchelevent wischte zich het voorhoofd. + +De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed, +en zeide toen luid: + +"In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood +zal zij wonderen doen." + +"Zij zal ze doen;" antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende +nu niet meer te struikelen. + +"Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend +geweest. 't Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals +kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God +te geven met de woorden: Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een +uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een +zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar +kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de +engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij +een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou +zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij +glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat +sterven was zaligheid." + +Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide: + +"Amen." + +"Vader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen." + +De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers +glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam: + +"Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd, +die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en +heerlijke vruchten voortbrengen." + +"Eerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in +den tuin." + +"Zij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige." + +"Gelijk gij, eerwaardige moeder." + +"Zij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk +verlof van onzen heiligen vader Pius VII." + +"Die kei... Buonaparte gekroond heeft." + +Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer +onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten +verdiept was, hem niet. Zij hernam: + +"Vader Fauvent?" + +"Eerwaardige moeder?" + +"De heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op +zijn graf dit enkele woord grifte: Acarus, dat aardworm beteekent; +'t werd gedaan. Is 't zoo niet?" + +"Ja, eerwaardige moeder." + +"De welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden +begraven; 't werd gedaan." + +"'t Is waar." + +"De heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den +Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte, +'t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat +de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men +moet de dooden gehoorzamen." + +"Het zij zoo!" + +"Het lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille +werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning +van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht, +hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men +dit ontkennen?" + +"Volstrekt niet, eerwaardige moeder." + +"Het feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd." + +Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar +vingers glijden, toen hernam de priorin: + +"Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist, +waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft." + +"Dat is recht." + +"'t Is een voortzetting van den slaap." + +"Ik zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?" + +"Ja." + +"En wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?" + +"Zoo is het." + +"Ik ben ten dienste van het hoogwaardig klooster." + +"De vier koormoeders zullen u helpen." + +"Om de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig." + +"Neen, om ze neder te laten." + +"Waarin?" + +"In het gewelf." + +"Welk gewelf?" + +"Onder het altaar." + +Fauchelevent ontstelde en riep: + +"In het gewelf onder het altaar?" + +"Onder het altaar." + +"Maar..." + +"Gij kunt een ijzeren stang krijgen." + +"Ja, maar..." + +"Gij licht den steen met den stang in den ring op..." + +"Maar..." + +"Men moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der +kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te +blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van +moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te +zeggen bevolen." + +"Maar 't is verboden." + +"Door de menschen verboden, door God geboden." + +"Zoo men het te weten kwam?" + +"Wij vertrouwen u." + +"O, ik, ik ben als een steen van uw muur." + +"Het kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals +geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder +Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar +zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen +gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen +komen uit de graven." + +"Maar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie...." + +"De H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus +Pogonat wederstaan." + +"Maar de commissaris van politie..." + +"Chonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering +van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der +religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend." + +"Maar de inspecteur der prefectuur..." + +"De wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde +generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde: Stat crux +dum volvitur orbis [8]." + +"Amen," zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op +deze wijze uit de verlegenheid redde. + +Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang +gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis +verliet, met een aantal dilemma's en syllogismen, die hij in zijn +hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij +ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om +hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en +te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een +woordenstroom als van een opengezette sluis: + +"Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde +Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines +in Bourgogne is gezegend, wijl 't hem heeft zien geboren worden. Zijn +vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen +om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop +van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd +novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie +van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede +Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men +apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen, +verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie +van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers, +Eon de l'Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der +vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius +III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed +tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig +op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino; +de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het +Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig +patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd +bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen, +een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden +geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant +St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan +den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur +van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de +reglementen, het bestuur--kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men +ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het +recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie +is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschikt gemaakt aan den +commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!" + +Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De +priorin hernam: + +"Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats +twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een +tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten, +en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die +het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en +den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden +geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne +godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij +Christus' kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn +wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht +meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van +Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een +rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist +niet eens, dat Charles de Gondren--Bérulle, François Bourgoin--Gondren, +Jean François Senault--Bourgoin, en pater Santa Marta--Jean François +Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij +een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar +wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken +gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk +maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst +aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius, +bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was, +en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat +Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan +een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor +de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de +blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk +een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in +naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden, +noch aan de dooden, schuldig is. 't Is verboden heilig te sterven. De +begrafenis is een burgerlijke zaak. 't Is afgrijselijk! De heilige Leo +II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre +Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de +dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des +keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons, +verzette zich in dezelfde zaak tegen Otto, hertog van Bourgondië. De +vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden +wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van +Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement +van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het +lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij +van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te +Monte Cassino op Zaterdag, den 21en der maand Maart van het jaar 543, +overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik +haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken +wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin, +Trithème, Marolicus en dom Luc d'Achery." + +De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende: + +"'t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?" + +"'t Is overeengekomen, eerwaardige moeder." + +"Kan men op u rekenen?" + +"Ik zal gehoorzamen." + +"Goed." + +"Ik ben geheel ten dienste van het klooster." + +"Afgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel +dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het +klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw +ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In +de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder +Ascension en gij." + +"En de zuster aan den paal." + +"Zij zal niet omzien." + +"Maar hooren." + +"Zij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der +wereld onbekend." + +Wederom een pauze. De priorin vervolgde: + +"Gij moet uwe schel afleggen. 't Is niet noodig dat de zuster aan +den paal gewaar worde, dat gij er zijt." + +"Eerwaardige moeder?" + +"Wat, vader Fauvent?" + +"Is de arts voor de lijkschouwing er geweest?" + +"Hij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts +geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?" + +"Ik let slechts op het mijne." + +"Dat is zeer goed, vader Fauvent." + +"Eerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn." + +"Waar zult ge dien krijgen?" + +"Waar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb +een hoop ijzerwerk achter in den tuin." + +"Vergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht." + +"Eerwaardige moeder?" + +"Wat?" + +"Zoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk +als een Turk." + +"Haast u zooveel mogelijk." + +"Haastig zal 't niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper +behoeven. Ik ga kreupel." + +"Kreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik +II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den +pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en +de kreupele." + +"Twee wijn-amen zijn beter dan een," mompelde Fauchelevent, die +werkelijk eenigszins hardhoorend was. + +"Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet +te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De +dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te +voren verricht zijn." + +"Ik zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit +is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren +zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen +er zijn. 't Ware beter twee mannen. Om 't even! ik zal mijn hefboom +meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten +en 't gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te +zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld, +eerwaardige moeder?" + +"Neen." + +"Wat nog?" + +"De ledige doodkist." + +Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht. + +"Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?" + +"Buiten begraven." + +"Ledig?" + +Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging, +als om een moeielijke vraag op te lossen. + +Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast +de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik +er het lijkkleed over." + +"Ja, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den +grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is." + +"O! dui...!" riep Fauchelevent. + +De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan, +wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken. + +Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten. + +"Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. 't Zal hetzelfde +zijn, alsof er iemand in lag." + +"Gij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo +voor de ledige kist?" + +"Ik belast er mij mede." + +Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest, +verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere +ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan, +zeide de priorin met vriendelijke stem: + +"Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis, +uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt." + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +JEAN VALJEAN HEEFT HET VOORKOMEN ALSOF HIJ AUSTIN CASTILLEJO HAD +GELEZEN. + + +De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen; +zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in +groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan +zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar +voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean +haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende: + +"Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar +zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man, +die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan +wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar, +zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge +gehoorzamen en niet spreken!" + +Cosette knikte ernstig met het hoofd. + +Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem +en vroeg: + +"Welnu?" + +"Alles en niets is in orde," zei Fauchelevent. "Ik heb het verlof +u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlaten moet ik er u +uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk." + +"Ge draagt haar weg?" + +"Zal zij stil zijn?" + +"Daarvoor sta ik in." + +"Maar gij, vader Madeleine?" + +Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent: + +"Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!" + +Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: "Onmogelijk!" + +Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende, +mompelde: + +"Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde +zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in 't geheel niet naar +een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers +zullen 't voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er +achter komen." + +Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde. + +Fauchelevent hernam: + +"Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen +moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin +wacht u." + +Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor +een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat +het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam +te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het +kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die 's morgens gestorven +was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed +had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden +begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar +dat men aan deze doode in 't bijzonder niets kon weigeren. Dat de +priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt +wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de +doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen, +en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin, +om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder +als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder +mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast +had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis, +tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen, +zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er +nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist. + +"Welke ledige doodkist?" vroeg Valjean. + +"De doodkist, welke het bestuur zendt," antwoordde Fauchelevent. + +"Welke doodkist en welk bestuur?" + +"Zoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is +overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag +zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof +te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat +er niets in de doodkist is." + +"Leg er iets in." + +"Eene doode? ik heb geen doode." + +"Neen." + +"Wat dan?" + +"Een levende." + +"Welken levende?" + +"Mij," zei Jean Valjean. + +Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder +zijn stoel gesprongen. + +"Gij?" + +"Waarom niet?" + +Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de +zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen. + +"Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion +is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal +'t geschieden." + +"Och, ge schertst, ge spreekt niet in ernst." + +"In vollen ernst. Moet ik niet van hier?" + +"Zekerlijk." + +"Ik heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel +moest vinden." + +"Nu?" + +"De draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn." + +"Een wit laken. De nonnen worden in 't wit begraven." + +"Goed. Een wit laken." + +"Ge zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine." + +Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in +het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven, +brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men +een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag. + +Jean Valjean hernam: + +"'t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is +een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in +zijn werk? Waar is de doodkist?" + +"De ledige?" + +"Ja." + +"Beneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op +twee schragen, en is door 't lijkkleed bedekt." + +"Hoe lang is de doodkist?" + +"Zes voet." + +"Hoedanig is de lijkkamer?" + +"'t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in +den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee +deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert." + +"Welke kerk?" + +"De kerk aan de straat; de kerk voor iedereen." + +"Hebt ge de sleutels van deze twee deuren?" + +"Neen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert; +de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk." + +"Wanneer opent de portier deze deur?" + +"Alleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra +de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten." + +"Wie spijkert de kist dicht?" + +"Ik." + +"Wie legt er het lijkkleed op?" + +"Ik." + +"Zijt gij alleen?" + +"Geen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. 't +Staat zelfs op den muur geschreven." + +"Zoudt ge mij van nacht, als alles in 't klooster slaapt, niet in +die kamer kunnen verbergen?" + +"Neen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de +lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg +en waarvan ik den sleutel heb." + +"Hoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?" + +"Tegen drie uren 's namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis +op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. 't Is tamelijk ver van hier." + +"Ik zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw +gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger +krijgen." + +"Ik zal u eten brengen." + +"Zoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren." + +Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken. + +"Onmogelijk!" + +"Hoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?" + +Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het, +zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden +doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat +de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de +ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de +dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen +te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg +te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar +geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te +sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean. + +Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt, +het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo +men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van +Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien, +daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste +te brengen en het haar te doen verlaten. + +Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij: + +"Maar hoe zult ge lucht krijgen?" + +"Ik zal ademen." + +"In deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk." + +"Ge hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes +ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist." + +"Goed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?" + +"Hij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent," voegde +Jean Valjean er bij, "er moet een besluit worden genomen: hier gevangen +genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden." + +Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder +vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende +deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft +wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen, +die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven +dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de +gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen +vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten +zijn. Fauchelevent behoorde tot die weifelaars. De koelbloedigheid +van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde: + +"'t Is waar, ik zie geen ander middel." + +Jean Valjean hernam: + +"Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren." + +"Dat bekommert mij juist volstrekt niet," riep Fauchelevent. "Zoo gij +zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te +kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. 't Is +de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik +steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren +zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten +van het hek van 't kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het +graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer, +een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers +slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de +gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik +blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn +vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo +hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de +herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; 't is niet +moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is +'t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om +weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan +hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar, +ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil." + +Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid +drukte. + +"'t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan." + +"Zoo er niets tusschenbeide komt," dacht Fauchelevent. "Het zou anders +vreeselijk kunnen worden." + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DRONKENSCHAP IS NIET VOLDOENDE OM ONSTERFELIJK TE ZIJN. + + +Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die +op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche +lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In +deze lijkkoets was een doodkist met een wit lijkkleed overdekt, waarop +een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen +geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een +priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het +hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts +en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in +arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard. + +Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer, +een beitel en een nijptang steken. + +Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven +van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort +en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de +ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner +nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof +verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden +wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de +doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter +des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel +onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd +bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het +stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de +andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren +twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat +door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het +kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten, +zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op +dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij +het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der +begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in +het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart, +de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur +opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij +zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op, +ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor +den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen. + +Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig +bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het +kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde +herberg bij het kerkhof Vaugirard erfde, welke een hoekhuis was en +'t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer +was geschilderd met het onderschrift: "In de goede kweepeer." [9] + +Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het +was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne +begraven worden, wijl 't als van den arme geleek, maar liever op +Père Lachaise. Hier te worden begraven is 't zelfde als mahoniehouten +meubelen te hebben, 't is elegant. + +Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormalige +Fransche tuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen, +steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des +avonds was 't er treurig en doodsch. + +De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken +en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De +hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent. + +De bijzetting van moeder Crucifixion in 't gewelf onder het altaar, +het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean +Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige +hindernis afgeloopen. + +In 't voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion +onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is, +een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het +bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening +van het geweten. Wat men in het klooster "gouvernement" noemt, is +slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het +geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het +wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken +maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat +men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God +overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel. + +Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide +komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór- +het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans +onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent +twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest +worden, was van geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal +den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken +gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim, +en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen +zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof +inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de +grove handen en zeide halfluid: + +"'t Is waarachtig grappig." + +Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het +verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man +van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, 't +welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende, +achter de lijkkoets naast Fauchelevent. 't Was een arbeider, die een +buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had. + +Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg: + +"Wie zijt ge?" + +De man antwoordde: + +"De doodgraver." + +Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben +ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op +dit oogenblik. + +"De doodgraver?" + +"Ja." + +"Gij!" + +"Ik." + +"De oude Mestienne is doodgraver." + +"Hij was 't." + +"Hoe! was?" + +"Hij is dood." + +Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven +kon. 't Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor +anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne. + +Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen: + +"'t Is niet mogelijk!" + +"'t Is zóó." + +"Maar de oude Mestienne is doodgraver," herhaalde hij flauw. + +"Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier, +vriend." + +Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan. + +Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man. + +Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was +geworden. + +Fauchelevent begon luide te lachen. + +"Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne +dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? 't Spijt +mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook +vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch +gaan drinken." + +De man antwoordde: "Ik heb gestudeerd; ik drink niet." + +De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de +breede laan van het kerkhof. + +Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van +kreupelheid. + +De doodgraver ging voor hem. + +Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw. + +'t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager, +zeer sterk zijn. + +"Kameraad!" riep Fauchelevent. + +De man keerde het hoofd om. + +"Ik ben de doodgraver van het klooster." + +"Mijn collega alzoo," zei de man. + +Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij +met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij +mompelde: + +"Welzoo! is de oude Mestienne dood?" + +De man antwoordde: + +"Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. 't +Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden." + +Fauchelevent herhaalde werktuiglijk: + +"De goede God..." + +"De goede God," hernam de man hoogdravend: "Voor de filosofen de +eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen." + +"Willen wij geen kennis maken?" stamelde Fauchelevent. + +"Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar." + +"Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die +zijn glas ledigt stort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert +men niet." + +"Eerst het werk." + +Fauchelevent dacht: "ik ben verloren." + +Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen +voerde. + +De doodgraver hernam: + +"Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten, +mag ik niet drinken." + +En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij +er bij: + +"Hun honger is de vijand van mijn dorst." + +De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan +in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer, +maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de +grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en +'t ging met moeite verder. + +Fauchelevent ging weder tot den doodgraver. + +"Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;" fluisterde hij. + +"Man," antwoordde de andere, "ik moest eigenlijk geen doodgraver +zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij +voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs, +en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog +openbaar schrijver." + +"Ge zijt dus geen doodgraver?" hernam Fauchelevent, zich als een +drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende. + +"Het een belet het andere niet. Ik cumuleer." + +Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: "Laat ons gaan +drinken." + +Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst +was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich +niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent +den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt +door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn +te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt +niet aan om het te betalen. + +De doodgraver hernam glimlachend: + +"Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt +overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men +wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In +de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de +parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot +mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends +schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik, +vriend." + +De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid +naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd. + +"Men kan echter geen twee heeren dienen," vervolgde de doodgraver. "Ik +moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand." + +De lijkkoets hield stil. + +De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de +priester. + +Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde, +waarachter men een open kuil zag. + +"Wel! dat is een grap!" herhaalde Fauchelevent ontsteld. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +TUSSCHEN VIER PLANKEN. + + +Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean. + +Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in 't leven blijven en met +moeite ademen kon. + +'t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door +Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij +rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde +volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker +toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn. + +De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust, +en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden. + +In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama +kunnen volgen, die hij met den dood speelde. + +Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde +Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het +schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op +den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een +dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz +reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was, +en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil. + +Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde +hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was, +'t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen +volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers +de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in +den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale +richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den +bodem van 't graf en voelde een kille huivering. + +Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hij hoorde tamelijk +duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond: + +Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam, +et alii in opprobrium, ut videant semper. + +Een kinderstem zeide: + +"De profundis." + +De plechtige stem hernam: + +"Requiem aeternam dona ei, domine." + +De kinderstem antwoordde: + +"Et lux perpetua luceat ei." + +Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige +regendroppels. 't Was waarschijnlijk het wijwater. + +Hij dacht: 't zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De +priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de +herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen +terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen. + +De plechtige stem hernam: + +"Requiescat in pace." + +De kinderstem antwoordde: + +"Amen." + +Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die +zich verwijderden. + +Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen. + +Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen +des donders + +'t Was een schop aarde die op de doodkist viel. + +Een tweede schop volgde. + +Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstopt + +Een derde schop aarde viel. + +Toen een vierde. + +Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor +het bewustzijn. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +ZICH NIET VAN ZIJN STUK LATEN BRENGEN. + + +Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag. + +Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap +in het rijtuig gestegen en vertrokken waren, zag Fauchelevent, die +zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade +nemen die rechtop in den hoop aarde stond. + +Toen nam Fauchelevent een moedig besluit. + +Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de +armen over elkander en zeide: + +"Ik betaal!" + +De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde: + +"Wat, landman?" + +Fauchelevent herhaalde: "Ik betaal!" + +"Wat?" + +"Den wijn." + +"Welken wijn?" + +"Van Argenteuil." + +"Waar?" + +"In de Goede Kweepeer." + +"Loop naar den duivel," zei de doodgraver. + +En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een +doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op 't punt zelf in het +graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij: + +"Voor dat de "Goede Kweepeer" gesloten is." + +De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde: + +"Ik betaal," en vatte den arm des doodgravers. "Luister, kameraad. Ik +ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. 't Is een werk dat +'s nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken." + +Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij: +Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt? + +"Landman," zei de doodgraver, "zoo ge volstrekt wilt, 't is mij wèl, +maar wij drinken na den arbeid, niet eerder." + +En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen. + +"'t Is echte Argenteuil." + +"Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd +hetzelfde. Ga voort." + +En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist. + +Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat +men zegt. + +"Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!" + +"Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd," zei de doodgraver. + +Hij wierp den derden schop aarde in den kuil. + +Toen stak hij zijn spade in den grond en zei: + +"Weet ge, 't zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen, +zoo wij hem zonder deken achterlieten." + +Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents +blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er +op gevestigd. + +De zon was nog niet beneden den horizont en 't was nog licht genoeg +om in dien zak iets wits te kunnen zien. + +Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem +verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent, +achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit. + +De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil. + +Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent +hem bedaard in de oogen en vroeg: + +"Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?" + +"Welke kaart?" vroeg de doodgraver zijn werk stakende. + +"De zon gaat onder." + +"Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten." + +"Het hek van 't kerkhof zal gesloten worden." + +"Nu, en dan?" + +"Hebt ge uw kaart bij u?" + +"Mijn kaart!" herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken, +eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om. + +"Neen," zeide hij, "ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben." + +"Vijftien francs boete," zei Fauchelevent. + +De doodgraver werd leikleurig-bleek. + +"Goede God!" riep hij, "vijftien francs boete!" + +"Ja, drie vijffrancsstukken," zei Fauchelevent. + +De doodgraver liet zijn spade vallen. + +Nu was de beurt aan Fauchelevent. + +"Nu, nu, rekruut," zeide hij, "geen wanhoop. Het is niet noodig, +dat ge u om 't leven brengt en van den kuil gebruik maakt. 't Is niet +meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik +ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden +raad geven. 't Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom +reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten." + +"'t Is waar," antwoordde de doodgraver. + +"In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep, +en van hier gaan voor dat het hek gesloten is." + +"Ge hebt gelijk." + +"Alzoo vijftien francs boete." + +"Vijftien francs." + +"Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?" + +"Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de +straat Vaugirard No. 87." + +"Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen." + +"'t Is waar." + +"Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart, +komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw +kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik +zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope" + +"Ge redt mij 't leven, landman." + +"Maak nu dat ge weg komt," zei Fauchelevent. + +De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen. + +Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte +had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog +hij zich over den kuil en zeide halfluid: + +"Vader Madeleine!" + +Geen antwoord. + +Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij +er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep: + +"Zijt ge er!" + +Stilte in de doodkist. + +Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer +en opende het deksel. + +Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten +oogen te voorschijn. + +Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen +tegen den kant van den kuil, op 't punt van op de doodkist te zinken, +en aanschouwde Jean Valjean. + +Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos. + +Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht: + +"Hij is dood!" + +Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander, +dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten. + +Hij riep uit: + +"Zóó heb ik hem dan gered!" + +Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te +spreken. 't Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet +natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot +zich zelven. + +"'t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel +gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men +hem noodig had; hij is 't, die Madeleine heeft doen sterven. Vader +Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! 't Is uit.--Mijn +God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat +zal de groentevrouw zeggen? Is 't, in 's Hemels naam, mogelijk +dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder +mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt, +verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! 't is +een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien +men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig, +ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite +waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar +hoe heeft hij 't toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was +het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader +Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer +de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!" + +Hij rukte zich de haren uit het hoofd. + +In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. 't +Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd. + +Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings +zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean +had de oogen geopend en staarde hem strak aan. + +Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te +zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek, +verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken, +niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean +Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde. + +"Ik was in slaap geraakt," zeide Jean Valjean, zich oprichtende. + +Fauchelevent zonk op de knieën. + +"Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!" + +En zich weder oprichtende riep hij: "Ik dank u, vader Madeleine!" + +Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had +hem tot zich zelven gebracht. + +De blijdschap is de ebbe van den schrik. 't Was voor Fauchelevent +schier even moeielijk, als 't voor Jean Valjean was geweest, tot +besef te komen. + +"Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang +geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik: +Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo +razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij +naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge dood +waart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen +hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een +geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar +ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!" + +"Ik ben koud," zei Valjean. + +Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug, +en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden +herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste +geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige +plaats waar zij zich bevonden. + +"Spoeden wij ons," riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch +nemende, waarvan hij zich voorzien had. + +"Maar eerst een slok," zeide hij. + +De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean +Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen. + +Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel +opspijkeren. + +Drie minuten later waren zij uit den kuil. + +Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het +kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden +was niet te vreezen. Deze "rekruut" was te huis bezig met zijn kaart +te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent +was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren. + +Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven +de ledige doodkist. + +Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean: + +"Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel." + +De nacht daalde. + +Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was +hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den +dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich, +om zoo te zeggen, van het graf ontdooien. + +"Ge zijt verstijfd," zei Fauchelevent, "'t is jammer dat ik hink, +wij zouden anders sneller kunnen gaan." + +"O," antwoordde Jean Valjean, "een paar schreden, en ik ben weder +vlug ter been." + +Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het +gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent, +die de kaart van den doodgraver in de hand had, ze in de bus; de +portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit. + +"'t Gaat alles best!" zei Fauchelevent, "ge hebt waarlijk een goed +denkbeeld gehad, vader Madeleine." + +Zonder belemmering gingen zij door de barrière Vaugirard. In den +omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen. + +'t Was eenzaam in de straat Vaugirard. + +"Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine," zei Fauchelevent de +oogen naar de huizen opheffende. "Wijs mij eens No 87." + +"'t Is hier." + +"Er is niemand in de straat," hernam Fauchelevent, "geef mij het +houweel en wacht mij een paar minuten." + +Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping, +door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert +en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde. + +"Binnen!" + +'t Was Gribier's stem. + +Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was, +gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch +vol. Een pakkist--misschien een doodkist--verving er een ladetafel, +een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende +er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van +een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles +lag overhoop en door elkander. 't Was alsof er een aardbeving had +plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude +kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder +had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag +de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. 't Was blijkbaar, +dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van +allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij +zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan +de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde +van het gevolg zijner daad niet op. + +Hij trad binnen en zeide: + +"Ik breng uw spade en houweel terug." + +Gribier aanschouwde hem verstomd. + +"Gij hier, landman?" + +"Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart +vinden," en hij legde spade en houweel op den vloer. + +"Wat beteekent dat?" vroeg Gribier. + +"Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik +ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld +en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven +en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut." + +"Ik dank u, landman!" riep Gribier verrukt, "een volgenden keer zal +ik het gelag betalen." + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +HET GOED AFGELOOPEN VERHOOR. + + +Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen +en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De +eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht. + +'t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden +Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald, +waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende +en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht; +zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten +als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen +gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te +ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van 't geen zij sedert +twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks +op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest +zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee +woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: "zeg niets." De +vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind. + +Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean +wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker, +die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou +vermoed hebben. + +Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle +deuren werden voor hem geopend. + +Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: "uitgaan en +binnenkomen", opgelost. + +De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur +op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren +geleden nog van de straat in den achtermuur der plaats tegenover de +koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in, +en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar +Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen. + +De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een +kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een +bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit +de spreekkamer. + +De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger +dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem: + +"Zijt gij de broeder?" + +"Ja, eerwaardige moeder," antwoordde Fauchelevent. + +"Hoe heet gij?" + +Fauchelevent antwoordde: + +"Ultime Fauchelevent." + +Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die +overleden was. + +"Van waar zijt ge?" + +Fauchelevent antwoordde: + +"Van Picquigny bij Amiens." + +"Hoe oud zijt ge?" + +Fauchelevent antwoordde: + +"Vijftig jaar." + +"Wat doet ge!" + +Fauchelevent antwoordde: + +"Tuinier." + +"Zijt ge een goed Christen?" + +Fauchelevent antwoordde: + +"Allen zijn het in mijn familie." + +"Behoort u dit meisje?" + +Fauchelevent antwoordde: + +"Ja, eerwaardige moeder." + +"Zijt gij haar vader?" + +Fauchelevent antwoordde: + +"Haar grootvader." + +De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin: + +"Hij antwoordt goed." + +Jean Valjean had geen woord gezegd. + +De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de +kapittelmoeder: + +"Zij zal leelijk zijn." + +De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het +spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide: + +"Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans +zijn er twee noodig." + +Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin, +de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te +lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander +spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak +de stilte om elkander te zeggen: "'t Is een hulptuinier." + +De kapittelmoeders voegden er bij: "'t Is een broeder van vader +Fauvent." + +Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den +knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime +Fauchelevent. + +De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking +geweest der priorin: "zij zal leelijk zijn." + +Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette +op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods. + +Dit alles is zeer logisch. + +Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er +echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn, +laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het +klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en +van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit +ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes. + +Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was +drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats +bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het +klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het +altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een +doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op +het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig +gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het +klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als +een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij +het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak +aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op +beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over +en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des +konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering +voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een +briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan +een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs, +die evenals hij, Della Genga heette; men leest er deze regels in: +"'t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier, +een heilig man, genaamd Fauvan is." Van al dien triomf drong niets +tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten, +harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn +roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens +portret in de Illustrated London News met dit opschrift voorkomt: +"os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft." + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +BESLUIT. + + +Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen. + +'t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij +overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval +niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat +de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette +had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en +het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar +gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds +zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven +gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van +spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: "Had ik 't geweten, vader, +ik zou haar meêgenomen hebben." + +Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de +kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg +op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde. 't Was dezelfde +rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van +Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean +borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met +een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters +zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, 't welk hij zich wist te +verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed +en droeg steeds den sleutel er van bij zich.--Vader, vroeg Cosette +hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt? + +Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent +onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen +belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede +had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk, +daar hij veel van een snuifje hield, snoof hij in de aanwezigheid van +Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter, +dewijl Madeleine de snuif betaalde. + +De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den "anderen Fauvent." + +Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten, +zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens +tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden, +steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging, +en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen, +die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij +zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden. + +'t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield +en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze +buurt nauwkeurig bewaken. + +Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden +is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag +er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om +gelukkig te wezen. + +Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven. + +Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin. + +Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men +weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren +vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean +afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje +had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de +draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat +boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde: + + + KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER. + + In naam des Konings. + + GOED VOOR TIEN LIVRES, + + wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede. + + Serie 3. No. 10390. + + STOFFLET. + + +Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen +tuinier, een voormalig Chouan, die in het klooster overleden was en +wien Fauchelevent was opgevolgd. + +Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer +nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel +lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten +en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de +boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er +heerlijke vruchten van. + +Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl +de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek +het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde +zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en +opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette +bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap, +dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender +tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar +in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere +meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette. + +Zelfs Cosette's gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was +er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van +'s menschen gelaat. + +Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean +Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op, +om naar de vensters van haar slaapzaal te zien. + +God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er +toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te +houden en te volmaken. 't Is zeker, dat een der zijden van de deugd +aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel +gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij 't zelf wist, +tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem +in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij +den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was +hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij +zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem +op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn. + +Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen. + +Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en +'t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog +onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien, +welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als +de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij +het klooster; en als hij overwoog, dat hij tot het bagno had behoord, +en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek +hij beide met belangstelling in zijn geest. + +Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze +diepten der gedachten. + +Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij +stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde +men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts +twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste +maanden van 't jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen; +men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een +linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken +geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden +sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid +door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt, +zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden, +en zij leefden onder den stok en in schande. + +Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn +oogen had. + +Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen, +spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld, +heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de +geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen; +zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten +zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen +dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een +zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht +was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder, +al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes +maanden van 't jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts +veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde +zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op +twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs +de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten +zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks +verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen +geknield bidden. + +Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren +achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde +en met uitgestrekte armen daarop liggen. + +De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen. + +Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord, +gewelddadigheden gepleegd; 't waren roovers, falsarissen, giftmengers, +brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen +gedaan? Zij hadden niets gedaan. + +Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de +andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in +den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door +heiligheid reeds tot den hemel behoorende. + +Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in 't geheim +toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide +stem. En welke misdaden! en welke gebreken! + +Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende +geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is, +die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds +een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar +duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende +glans. + +Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke +bevrijding, een wettelijke grens steeds in 't vooruitzicht, en +daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in 't ver +verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid, +'t welk de menschen den dood noemen. + +In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was +men door zijn geloof geboeid. + +Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking, +tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede +tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat +verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde. + +En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten +deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk, +boetedoening. + +Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke +boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der +anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg +hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening? + +Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid +des menschen, de boetedoening voor anderen. + +Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij +verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean +Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen. + +Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppunt van +mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun +misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig +aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige +zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor +de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd +blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen +van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond +worden. + +En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen! + +Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te +hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een +koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die +terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om +te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven. + +Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware +'t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest, +diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles, +zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten, +en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een +zinnebeeld van zijn lot? + +Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere, +waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte +aan ontvluchting bij hem opgekomen. + +Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen--om--wie te +bewaren? Engelen. + +De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij +hier om lammeren. + +'t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was +zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze +maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure +wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en +gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog +woei door de kooi der duiven. + +Waarom? + +Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven +verborgenheid. + +Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven, +gevoelde zijner nietigheid en weende vaak. + +Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot +de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door +liefde, het klooster door ootmoed. + +Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin +verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster, +door 't welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar +de plek waar hij wist dat de zuster, die de "Verzoening" verrichtte, +in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster. + +Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen. + +Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze +vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille +klooster--oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde +zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als +van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van +deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er +over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste +omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle +deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede +toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw +voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad, +en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen. + +Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer +hoe meer met liefde. + +Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op. + + + EINDE VAN HET TWEEDE DEEL. + + + + + + +INHOUD. + + +Boek I. + +Waterloo. + Bladz. + I. Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt 7 + II. Hougomont 8 + III. Den 18 Juni 1815 15 + IV. A. 17 + V. Het "duistere iets" der veldslagen 19 + VI. Des namiddags te vier uren 21 + VII. Napoleon in goede luim 24 + VIII. De Keizer doet den gids Lacoste een vraag 29 + IX. Het onverwachte 32 + X. Het bergvlak van Mont-Saint-Jean 35 + XI. Een slechte gids voor Napoleon, een goede gids voor + Bulow 40 + XII. De garde 41 + XIII. De catastrophe 43 + XIV. Het laatste carré 45 + XV. Cambronne 46 + XVI. Quot Libras in Duce? 48 + XVII. Moet men Waterloo goedvinden? 53 + XVIII. Uitbreiding van het "Goddelijk recht" 54 + XIX. Het slagveld des nachts 57 + + +Boek II. + +Het schip de Orion. + + I. Nommer 24601 wordt 9430 65 + II. Waarin men twee dichtregels zal lezen die misschien + van den duivel zijn 68 + III. Er moet aan de keten vooraf iets geschied zijn, om + met één hamerslag te springen 72 + + +Boek III. + +Vervulling van de belofte aan de stervende gedaan. + + I. De watertoestand te Montfermeil 83 + II. Voltooiing van twee portretten 86 + III. De menschen moeten wijn, de paarden water hebben 90 + IV. Een pop komt op het tooneel 93 + V. De kleine alleen 94 + VI. Dat misschien Boulatruelles schranderheid bewijst. 99 + VII. Cosette in het donker met den onbekende 103 + VIII. Het onaangename van een arme bij zich te ontvangen, + die misschien rijk is 106 + IX. Thénardier aan 't werk 121 + X. Wie het beste zoekt, vindt soms het slechtste 128 + XI. No. 9430 komt weder te voorschijn en Cosette trekt + dat lot 132 + + +Boek IV. + +Het oude Huis Gorbeau. + + I. Meester Gorbeau 137 + II. Nest voor uil en vleermuis 142 + III. Een dubbel ongeluk maakt één geluk 144 + + +Boek V. + +Een jacht in den nacht met stille honden. + + I. De zigzags der strategie 155 + II. Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz + gaan 158 + III. Men zie den platten grond van Parijs in 1727 159 + IV. Het rondtasten der vlucht 162 + V. 't Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn 164 + VI. Begin van een raadsel 167 + VII. Vervolg van het raadsel 169 + VIII. Het raadsel wordt duisterder 171 + IX. De man met de schel 173 + X. Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt 176 + + +Boek VI. + +Klein Picpus. + + I. Kleine Picpus-straat No. 62 187 + II. De regel van Martinus Verga 190 + III. Strengheden 196 + IV. Vroolijkheid 197 + V. Verstrooidheden 200 + VI. Het kleine klooster 205 + VII. Eenige silhouetten 207 + VIII. Post corda lapides 209 + IX. Een eeuw onder een nonnen borstdoek 211 + X. Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding 212 + XI. Einde van Klein-Picpus 214 + + +Boek VII. + +Parenthesis. + + I. Het klooster als abstracte idée 219 + II. Het klooster als historisch feit 219 + III. Op welke voorwaarden men het verleden kan eerbiedigen 222 + IV. Het klooster uit het gezichtspunt van beginselen 224 + V. Het gebed 225 + VI. Het volstrekt nut van het gebed 227 + VII. Voorzorgen tegen berisping 229 + VIII. Geloof, wet 229 + + +Boek VIII. + +De kerkhoven nemen wat men ze geeft. + + I. Hoe men in het klooster komt 235 + II. Fauchelevent tegenover een bezwaar 242 + III. Moeder Innocentia 244 + IV. Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin + Castillejo had gelezen 253 + V. Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te zijn 258 + VI. Tusschen vier planken 264 + VII. Zich niet van zijn stuk laten brengen 265 + VIII. Het goed afgeloopen verhoor 272 + IX. Besluit 275 + + + + + + +NOTEN + + +[1] Het opschrift luidt aldus: + + D O M + CY A ETE ECRASE + PAR MALHEUR + SOUS UN CHARIOT + MONSIEUR BERNARD + DE BRYE MARCHAND + A BRUXELLE LE (onleesbaar) + FEBVRIER 1637. + +[2] "Een voleindigden veldslag, een voltooide zaak, verkeerde +maatregelen verbeterd, grootere voordeelen voor den volgenden +dag verzekerd--alles ging door een oogenblik van panischen schrik +verloren." + + (Napoleon, "Handschrift van Sint-Helena.") + +[3] Die jaarlijks uit Savoie komen en wier hand vaardig de lange +kanalen veegt, die door roet gevuld zijn. + +[4] Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen +en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt +vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz. + +[5] 't Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen +uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt +het harte ruiten. + +[6] Agathe-aux-clefs--(Agatha met de sleutels). + +[7] Vacarme, rumoer. + +[8] Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat. + +[9] Au bon coing, (kweepeer) dat als coin (hoek) wordt uitgesproken +beteekent hier "in den goeden hoek." + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) *** + +***** This file should be named 37663-8.txt or 37663-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/7/6/6/37663/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
