summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/37663-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '37663-8.txt')
-rw-r--r--37663-8.txt13235
1 files changed, 13235 insertions, 0 deletions
diff --git a/37663-8.txt b/37663-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5dca7a1
--- /dev/null
+++ b/37663-8.txt
@@ -0,0 +1,13235 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Ellendigen (Deel 2 van 5)
+
+Author: Victor Hugo
+
+Release Date: October 7, 2011 [EBook #37663]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE ELLENDIGEN
+
+ Naar het Fransch
+ Van
+ VICTOR HUGO.
+
+ Opnieuw bewerkt.
+
+ Tweede deel.
+
+
+
+ Arnhem en Nijmegen,
+ Gebrs. E. & M. Cohen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK I.
+
+WATERLOO.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+WAT ER OP DEN WEG VAN NIVELLES GEVONDEN WORDT.
+
+
+Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een
+voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles
+en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen,
+over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt,
+welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als
+ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en
+Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten
+kerktoren van Braine-l'Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas
+heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een
+dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift: Ancienne
+barrière No. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:
+Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.
+
+Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan
+het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk
+staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van
+den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde,
+over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l'Alleud uit. Dáár,
+ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor
+welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken,
+een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in
+een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een
+jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet,
+waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning,
+in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een
+waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad
+door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.
+
+Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de
+eeuw te zijn gekomen, die in een spitse laag van overdwars gelegde
+steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in
+den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief
+zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam
+mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke
+allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten
+met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste
+klopper bevond.
+
+De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij
+in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze
+bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig
+vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom
+vroolijk te kwinkeleeren.
+
+De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het
+rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door
+een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden
+zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.
+
+Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.
+
+"Een Fransche kogel heeft dat gedaan," zeide zij.
+
+En zij voegde er bij:
+
+"Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat
+van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord."
+
+"Hoe heet deze plaats?" vroeg de wandelaar.
+
+"Hougomont," zei de boerin.
+
+De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over
+de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op
+die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.
+
+Hij was op het slagveld van Waterloo.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+HOUGOMONT.
+
+
+Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis,
+de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke
+Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den
+slag der bijl.
+
+'t Was een kasteel; 't is nu niet meer dan een hoeve. Voor den
+oudheidkenner is Hougomont Hugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo,
+heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij
+van Villers stichtte.
+
+De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude
+kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in
+'t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de
+boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen
+vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den
+muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV,
+door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag
+men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met
+zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een
+kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje,
+een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de
+plaats, welker verovering eens Napoleon's droom was. Zoo hij dit
+plekje gronds had kunnen nemen, zou 't hem misschien de overwinning
+der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort
+een gegrom; 't is een groote hond, die de tanden toont en er de
+Engelschen vervangt.
+
+De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende
+zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd
+aan de woede van een leger.
+
+De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden,
+vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één
+der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke
+poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel
+bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van
+het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen
+Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en
+Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille
+werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann
+waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin
+was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de
+brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.
+
+De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van
+de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog
+aan den muur. 't Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd,
+die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.
+
+De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet
+om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan 't einde van
+het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van
+hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. 't
+Is een gewone wagenpoort, zooals alle hoeven hebben; twee breede
+slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze
+poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort
+allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.
+
+De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het
+vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel
+heeft er zich versteend; 't leeft, 't sterft, 't is niet ouder dan
+gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen,
+de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen
+te willen vluchten.
+
+Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds
+afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.
+
+De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen
+er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde
+van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig
+overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men
+zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting,
+de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van
+alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren,
+boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit
+al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen
+aan en staken 't gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd
+met houtvuur beantwoord.
+
+Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters,
+de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die
+kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak
+gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap
+heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de
+bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. 't
+Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden
+zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een
+drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in
+haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de
+tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood;
+de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816
+heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.
+
+In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig,
+is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het
+altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten
+steenen muur. Deze kapel bestaat uit vier, met kalk gewitte muren;
+een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de
+deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant
+luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond
+een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld
+van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van
+het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een
+oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden,
+staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij
+is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten
+Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker
+verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van
+het oord zeggen, dat 't een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is
+zoo gelukkig niet geweest als de Christus.
+
+De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest
+men den naam: Henquinez. Voorts deze: Conde de Rio Maïor. Marques
+y Marquesa de Almagro (Habana). Er zijn Fransche namen met
+uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw
+gewit. De volken beleedigden er elkander op.
+
+Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de
+hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.
+
+Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit
+voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en
+katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen
+water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.
+
+De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van
+Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18
+Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.
+
+Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene
+dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot
+schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude
+afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het
+dichtste hout sidderend bivouakkeerden.
+
+Willem van Kylsom woonde te Hougomont "om het kasteel te bewaken" en
+verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men
+trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden
+zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem
+bracht hun water, 't welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar
+hun laatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den
+dood gingen, moest insgelijks sterven.
+
+Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood
+vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem
+aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men
+maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien
+met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van
+neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde,
+flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.
+
+De put staat afgezonderd op 't midden van het plein. Drie muren,
+half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een
+tochtscherm, hadden eenigszins 't voorkomen van een torentje en omgeven
+den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte
+men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien
+door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering,
+waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring
+van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en 't oog
+verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De
+put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.
+
+Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende,
+dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan
+is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken
+hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten,
+noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om 't water
+uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit
+de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.
+
+Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De
+deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke
+sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm
+van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche
+luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten,
+hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.
+
+De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude
+tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met
+grijs haar zeide ons: "Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit
+gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar
+de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met
+het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder
+na en riep bom bom."
+
+Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den
+boomgaard.
+
+Deze boomgaard is verschrikkelijk.
+
+Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit drie
+bedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke
+boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk
+omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel
+en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door
+een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is
+van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men
+in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,
+en vol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras
+van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. 't Was vroeger een
+slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging;
+thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen,
+die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig
+pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het
+gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele
+geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.
+
+In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes
+voltigeurs van het 1e regiment binnendrongen, zoodat zij er niet
+weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil
+aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan
+een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter
+deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen
+tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden
+geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan
+een kwartier.
+
+Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken
+boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte,
+vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur
+schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig
+schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in
+zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche
+grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten;
+de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten
+achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in
+de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er
+door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche
+garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker
+tijd hun vuur, een stortregen van kogels en schroot; de brigade-Soye
+werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.
+
+De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders,
+maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht
+men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. Een bataljon
+Nassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is
+de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht,
+als geheel afgeknaagd.
+
+Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij
+heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden
+weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te
+drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl
+de voet in een molshoop zinkt. In 't midden van 't gras ziet men een
+ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft
+zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten
+boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie
+behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land
+verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een
+verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen
+sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat
+heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in
+dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeien
+viooltjes.
+
+Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden,
+een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch
+bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk
+vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde
+verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps
+gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend
+man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;--en dit
+alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: "Mijnheer,
+geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo
+uitleggen."
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE 18 JUNI 1815.
+
+
+Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen
+wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin
+het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.
+
+Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou
+Europa's toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min
+of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts
+een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz
+te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting
+in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.
+
+De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor
+Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den
+regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd
+was om met de artillerie te kunnen manoeuvreeren.
+
+Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al
+zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een
+bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij
+ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een
+citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt
+met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In
+zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré's overhoop te werpen,
+regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor
+hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een
+vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien
+jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.
+
+Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal
+in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig
+vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.
+
+Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had
+kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee
+uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en
+gewonnen zijn geweest.
+
+In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuld van Napoleon
+geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich
+aan de blijkbare afneming van Napoleon's lichaamskrachten destijds
+een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs
+evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als
+het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in
+den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele
+voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede,
+om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen
+door den wind van een ongunstig lot? Werd hij--wat voor een veldheer
+hoogst noodlottig is--ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze
+soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling
+kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig
+wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale;
+de Dante's en Michel Angelo's nemen in den ouderdom toe; nemen
+de Hannibal's en Bonaparte's er door af? Had Napoleon den rechten
+zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen,
+den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds
+niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote
+handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van
+zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was
+hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte
+legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud,
+door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider
+van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?
+
+Wij gelooven het niet.
+
+Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een
+meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden
+rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden,
+de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren,
+van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen,
+Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee
+werpen; dit alles lag in Napoleon's doel van dezen veldslag. Vervolgens
+zou men zien.
+
+'t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de
+geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen
+van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag
+vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet;
+deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het
+eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door
+Charras. Wij laten beide geschiedschrijvers de zaak uitmaken; wij
+zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte,
+een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die
+misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet,
+ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten,
+waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten
+noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een
+stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren
+te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht
+geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde,
+wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+A.
+
+
+Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil
+maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te
+trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen
+de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain
+naar Braine-l'Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is
+Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille
+met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance;
+daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A
+het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In 't midden
+van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist
+werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld
+van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd
+door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte
+van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.
+
+De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs
+de wegen van Genappe en Nivelles; d'Erlon stond tegenover Picton;
+Reille tegenover Hill.
+
+Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is
+het bosch van Soignes.
+
+Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend
+terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen
+loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.
+
+Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij
+omvatten elkander en de een poogt den ander te doen vallen. Men
+klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van
+een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt
+heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond,
+een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus
+tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit
+te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor
+den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het
+kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.
+
+De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte
+van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar
+had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw
+genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had
+den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde,
+Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche
+leger beneden.
+
+'t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den
+kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op
+de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder
+hem in 't oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van
+Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de
+overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het
+vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen
+schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N's en arenden, de rijlaarzen
+over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,--deze
+geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding,
+door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.
+
+Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van
+zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid
+steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier
+haar licht aangebracht.
+
+Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge
+en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht
+is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden
+mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene
+de andere bestrijdt en terechtstelt--de duisternis van den despoot
+in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een
+juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon
+verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde
+Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. 't
+Is een ramp voor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn
+gestalte heeft.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+HET "DUISTERE IETS" DER VELDSLAGEN.
+
+
+Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward,
+onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer
+nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.
+
+Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt;
+in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op
+sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de
+buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die
+door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld
+en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging,
+voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.
+
+Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de
+gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden,
+om 't nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij
+had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden
+rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den
+grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. 't Was niet meer
+de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was,
+zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich,
+dat het vijf minuten over half twaalf was.
+
+Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer
+wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont
+begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de
+brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den
+rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel,
+die op Papelotte steunde.
+
+De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel,
+er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou
+gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige
+Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden,
+zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen,
+zich kon bepalen tot er ter versterking vier andere compagnieën der
+garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.
+
+De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende
+eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den
+weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den
+doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot
+Hougomont, van daar tot Braine-l'Alleud en verder tot Hal terug te
+drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten,
+gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd
+bemachtigd.
+
+Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie,
+voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover
+onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van
+veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als
+tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en
+wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden
+iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige
+infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.
+
+Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.
+
+In dezen dag, van 's middags af tot vier uur toe, ligt een duister
+tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden
+en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat
+een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen,
+een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier
+onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen,
+over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten,
+huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako's met
+vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode
+Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen,
+in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen
+hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten
+met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen
+onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige
+aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.
+
+In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd. Quid obscurum, quid
+divinum. Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min
+of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen
+geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg,
+onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het
+plan van den eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt
+door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als
+een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der
+legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen
+of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de
+andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie
+was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er
+was iets: zoek, en 't is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich,
+de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden
+deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en
+verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van
+een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag
+kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld
+bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der
+Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie
+uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan
+Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat
+er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke
+gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst,
+die, om Napoleon's eigen woorden te gebruiken, "veeleer tot de
+geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren." In
+zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot
+samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven,
+en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die
+vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is
+ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op
+Waterloo van toepassing.
+
+Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag
+duidelijker.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DES NAMIDDAGS TE VIER UREN.
+
+
+Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De
+prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel,
+Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins
+van Oranje den Hollanders-Belgen toe: "Nassau! Brunswijk! nimmer
+terug!" Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington
+geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de
+Engelschen den Franschen het vaandel van het 105e linie-regiment
+ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met
+een kogel door 't hoofd gedood. Wellington had in den slag twee
+steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde
+zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van
+het Duitsche bataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee
+en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld
+of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders
+elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser
+van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd
+er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven,
+Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij
+een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door
+een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze
+Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren
+neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van
+Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren
+zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee
+ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen,
+van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee
+divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.
+
+Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog
+slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd
+vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine
+stond, en Chassé, die te Braine-l'Alleud was.
+
+Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht
+ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van
+Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk
+steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, 't welk te
+dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat,
+waar beide wegen elkander kruisen. 't Is een gebouw uit de zestiende
+eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het
+te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen,
+die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den
+mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen
+gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit
+verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten
+toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen
+uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaan
+verkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht
+aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee
+barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.
+
+'t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte
+lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend,
+in het hooge koren.
+
+Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het
+Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.
+
+Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds
+aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en
+Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder
+zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen
+zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens
+de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen
+bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.
+
+Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van
+den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den
+linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen,
+aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de
+garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van
+Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge
+en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintig bataljons
+te zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt,
+achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse
+waar thans het zoogenaamde "museum van Waterloo" is, achter aardzakken
+gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der
+garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. 't Was de andere
+helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby
+vernietigd was, bleef nog Somerset over.
+
+De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond
+achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en
+een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid,
+men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.
+
+Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef
+den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden
+molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien
+later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed
+afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het
+regende kogels. Zijn adjudant Gordon viel aan zijn zijde. Lord Hill
+vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:--Mylord, welke
+instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?--"Te doen
+gelijk ik," antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch:
+"Hier blijven tot den laatsten man."--De dag nam blijkbaar een
+slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera,
+Vittoria en Salamanca toe: "Boys (jongens)! hoe kan men aan wijken
+denken? denkt aan Oud-Engeland!"
+
+Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche
+beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie
+en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche
+houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte,
+waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond
+een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington
+trok terug.--Het begin van den aftocht! riep Napoleon.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+NAPOLEON IN GOEDE LUIM.
+
+
+De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld,
+was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen
+glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde
+deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man,
+die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De
+gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze
+vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts
+aan God.
+
+Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen
+Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het
+dat Cesar lachte.
+
+Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen,
+met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange
+linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon,
+van Frischemont tot Braine l'Alleud, verlichtten, scheen het hem,
+dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van
+Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn
+paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de
+bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeft dezen
+fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen:
+"Wij zijn het eens." Napoleon bedroog zich. Zij waren 't niet eens.
+
+Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien
+nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs
+de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil
+gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had
+hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne
+gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij
+had aan Bertrand gezegd: "'t is de Engelsche achterhoede, die zich
+in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend
+Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen." Hij
+sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, 't welk
+hem den 1en Maart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf
+Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep:
+"Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!" In den nacht van den 17 op
+den 18 Juni schertste hij over Wellington.--"Deze kleine Engelschman
+heeft een les noodig," zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde,
+terwijl de keizer sprak.
+
+Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren
+ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen
+beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was
+uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op
+de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de
+veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade
+Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade
+Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging
+bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld,
+dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den
+slag afwachtte.--"Des te beter," had Napoleon geroepen. "Ik werp ze
+liever overhoop, dan ze achteruit te drijven."
+
+Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het
+slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel
+en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo
+als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid,
+daarbij tot Soult zeggende: "Een fraai schaakbord!"
+
+Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen,
+die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet
+kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder
+ontbijt, 't geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney
+te zeggen: "Wij hebben negentig kansen van de honderd." Te acht uren
+had men 's keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals
+genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den
+vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was
+geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht,
+had gezegd: "het bal is vandaag." De keizer had met Ney geschertst,
+die zeide: "Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te
+wachten." Zoo was overigens zijn gewoonte. "Hij schertste gaarne," zegt
+Fleury de Chaboulon. "De grond van zijn karakter was een vroolijke
+opgewektheid," zegt Gourgaud. "Hij vloeide over van kwinkslagen,
+die eer zonderling dan geestig waren," zegt Benjamin Constant. Deze
+vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij
+noemde zijn grenadiers "grombaarden;" hij kneep hen in de ooren, trok
+hen aan den knevel. "De keizer heeft altijd grappen met ons," zeide
+een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk
+ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik de
+Zephir de brik l'Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg
+aan den Inconstant berichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat
+oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn
+hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had
+glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: "de keizer
+bevindt zich wel." Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de
+gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo,
+bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had
+hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met
+een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo
+plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.
+
+Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf
+kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee
+liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan 't hoofd,
+met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige,
+uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de
+keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!
+
+Van negen tot half elf ure had het geheele leger--'t geen schier
+ongelooflijk schijnt--positie genomen en zich in zes liniën geschaard,
+die, om 's keizers uitdrukking te bezigen, "de figuur van zes V's"
+vormden.
+
+Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te
+midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht
+voorafgaat, had de keizer,--toen hij de drie batterijen twaalfponders
+zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon,
+van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om 't gevecht
+te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van
+Nivelles en Genappe zich kruisen,--Haxo op den schouder geklopt en
+gezegd: "Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!"
+
+Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste
+korps bij 't voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die
+kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken,
+zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts
+door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen
+hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is,
+de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden
+opeengedrongen zag, zeide hij: "Dit is jammer."
+
+Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden,
+waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van
+Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede
+standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren
+'s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk;
+'t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter
+de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien
+heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot
+bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit
+van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar
+zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander
+wapentuig gevonden. Scabrâ rubigine. Voor eenige jaren heeft men er
+een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf
+aan den kogel was afgebroken. 't Was op dit laatste standpunt, dat
+de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die
+aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij
+het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te
+verbergen, zeide:--"Domoor, 't is schande. Gij zult u in den rug laten
+dooden." Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing
+van deze hoogte, bij 't omwroeten van 't zand, de overblijfselen van
+den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en
+veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen
+zijn vingers braken.
+
+De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten,
+zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni
+1815 waren. Door van dien doodsakker de aarde af te nemen, die tot
+oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn
+eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan
+er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men
+het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag,
+riep hij: "Men heeft mijn slagveld veranderd." Waar thans de groote
+aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een
+bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe
+zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden
+naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe
+naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er
+is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten
+gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd
+vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn
+gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte
+helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk
+aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar
+zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het
+dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich
+konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold,
+het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren
+er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van
+verre niet kon gezien worden.
+
+Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l'Alleud is evenals
+Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen
+van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks
+anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een
+vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen
+weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het
+bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe
+en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was 't een
+holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor
+het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele
+uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en
+welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar
+instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij 't binnenkomen van
+Braine-l'Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een
+kar verplet werd, 't geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt,
+waarop de naam van den gedoode: Monsieur Bernard Debrye, marchand à
+Bruxelles, en de dagteekening van het ongeluk, fevrier 1637 [1] te
+lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat
+een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den
+kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge
+der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen
+voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde
+van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.
+
+Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd
+aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve
+boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar,
+en daardoor verschrikkelijk.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE KEIZER DOET DEN GIDS LACOSTE EEN VRAAG.
+
+
+Napoleon was dus in den morgen van den slag bij Waterloo tevreden.
+
+Hij had er reden toe; het door hem ontworpen plan, zooals wij gezegd
+hebben, was inderdaad bewonderenswaardig.
+
+De slag was begonnen; zijn zeer verschillende afwisselingen,--de
+verdediging van Hougomont, de hardnekkige weerstand van la
+Haie-Sainte, de dood van Bauduin, Foy buiten gevecht gesteld, de
+onverwachte muur waartegen zich de brigade Soye gebroken had, de
+noodlottige onbezonnenheid van Guilleminot, die noch springbussen
+noch kruitzakken had; het in de modder zinken der batterijen, de
+vijftien stukken zonder escorte, die door Uxbridge in een hollen weg
+werden geworpen, de geringe uitwerking der bommen die in de Engelsche
+liniën vielen, zich in den door den regen doorweekten grond boorden,
+en slechts uitbarstingen van slijk veroorzaakten, zoodat het schroot in
+modderspatten veranderde; de vruchteloosheid van Piré's demonstratie
+tegen Braine-l'Alleud; vijftien escadrons cavalerie schier geheel
+vernietigd; de slecht bestookte Engelsche rechter vleugel, de zwakke
+aanval van den linker; het zonderling misverstand van Ney die, in
+plaats van ze te echelonneeren, de vier divisiën van het eerste corps
+opeenhoopte, zoodat massa's van zevenentwintig gelederen, en fronten
+van tweehonderd man op deze wijze aan het schroot waren overgeleverd;
+de verschrikkelijke openingen, welke de kanonkogels in deze drommen
+maakten; de aanvalskolonnen gescheiden, de schuinsche vernielende
+batterij, die plotseling tegen hun flank werd geopend; Bourgeois,
+Donzelot en Durutte in nood, Quiot teruggedreven, de luitenant Vieux,
+deze herkules uit de polytechnische school, gekwetst, juist toen hij
+met bijlslagen, onder het verdelgend vuur der Engelsche barricade,
+die de kromming van den weg van Genappe naar Brussel versperde, de
+poort van la Haie-Sainte openbrak; de divisie Marcognet tusschen de
+infanterie en cavalerie ingesloten, door Best en Pake met het geweer
+op de borst in 't koren gefusilleerd en door Ponsonby nedergesabeld;
+zijn batterij van zeven stukken vernageld; de prins van Saksen Weimar,
+die, niettegenstaande den graaf van Erlon, Frischemont en Smohain
+bezet en in zijn macht hield; het vaandel van het 105e en van het
+45e regiment genomen; een zwarte Pruisische huzaar aangehouden door
+de veldontdekkers der vliegende colonne van driehonderd jagers,
+die tusschen Wavre en Plancenoit kruisten; de verontrustende
+zaken, welke deze gevangene meldde; het uitblijven van Grouchy; de
+vijftienhonderd man, die in minder dan een uur in den boomgaard van
+Hougomont gedood werden; de achttienhonderd man, die in nog korter
+tijd om la Haie-Sainte vielen,--al deze stormachtige tusschentooneelen,
+die evenals de rookwolken van den slag voorbij Napoleon vlogen, hadden
+nauwelijks zijn blik verontrust, of de zekerheid der overwinning op het
+keizerlijk gelaat betrokken. Napoleon was gewoon den oorlog strak in
+de oogen te zien; hij beschouwde niet angstvallig de bijzonderheden
+naar getallen; de getallen raakten hem weinig, zoo zij slechts
+tot algemeene uitkomst hadden--de overwinning; hij bekommerde er
+zich niet om, zoo het begin in de war liep, hij die zich meester en
+bezitter van het einde geloofde; hij wist te wachten, in den waan,
+dat omtrent den uitslag geen kwestie kon zijn, hij behandelde het
+noodlot als zijnsgelijke. Hij scheen tot het noodlot te zeggen:
+gij durft niet anders.
+
+Half licht en half schaduw, gevoelde Napoleon zich begunstigd door
+het goede, en geduld door het kwade. Hij had of meende te hebben eene
+verstandhouding, men zou schier kunnen zeggen een deelgenootschap, met
+de gebeurtenissen, welke met de onkwetsbaarheid der ouden overeenkwam.
+
+Wanneer men evenwel de Beresina, Leipzig en Fontainebleau achter zich
+heeft, zou men Waterloo hebben moeten mistrouwen. Een geheimzinnig
+fronsen der wenkbrauwen was in den hemel kenbaar.
+
+Toen Wellington terugtrok, beefde Napoleon van vreugde. Eensklaps zag
+hij het plateau van Mont-Saint-Jean ontruimen, en het front van het
+Engelsche leger verdwijnen. Het trok zich weder bijeen, maar verdween
+uit het gezicht. De keizer richtte zich in zijn stijgbeugels op. De
+bliksem der overwinning schoot uit zijn oogen.
+
+Wellington, tegen het bosch van Soignes gedrongen en van daar
+verdreven, was de eindelijke uitroeiing van Engeland door Frankrijk,
+'t was de wraak over Crecy, Poitiers, Malplaquet en Ramillies. De
+man van Marengo wischte Azincourt uit.
+
+De keizer, over deze vreeselijke ontknooping peinzend, richtte ten
+laatsten male zijn kijker over alle punten van het slagveld. Zijn
+garde, met het geweer aan den voet achter hem staande, keek van
+omlaag tot hem op met een soort van godsdienstigen eerbied. Hij
+dacht; hij beschouwde de hellingen, merkte de steilten op, onderzocht
+met zijn blik de boomengroepen, de roggevelden, de voetpaden, hij
+scheen ieder kreupelboschje te tellen. Hij staarde met strakken
+blik op de Engelsche barricaden der beide groote wegen, twee breede
+dammen van opeengestapelde boomen, de eerste op den weg van Genappe
+boven la Haie-Sainte, met twee kanonnen gewapend, de eenige van het
+Engelsche leger, die den bodem van het slagveld konden bestrijken; en
+de andere op den weg van Nivelles, waar de Hollandsche bajonetten der
+brigade-Chassé glinsterden. Bij deze barricade bespeurde hij de oude
+met kalk gewitte kapel van St. Nikolaas op den hoek van den dwarsweg
+naar Braine l'Alleud. Hij boog zich en sprak halfluid tot den gids
+Lacoste. De gids schudde ontkennend het hoofd, waarschijnlijk met
+een verraderlijk doel. De keizer richtte zich op en dacht na.
+
+Wellington was teruggetrokken.
+
+Er bleef slechts over dezen aftocht door eene verplettering te
+voltooien.
+
+Napoleon wendde zich eensklaps om en zond een renbode naar Parijs,
+om er te berichten dat de slag gewonnen was.
+
+Napoleon was een dier genieën, welke bliksems schieten.
+
+Hij had zijn bliksemstraal thans gevonden.
+
+Aan de kurassiers van Milhaud gaf hij bevel het plateau van
+Mont-Saint-Jean te bemachtigen.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+HET ONVERWACHTE.
+
+
+Zij waren drie duizend vijfhonderd man sterk. Hun front strekte
+zich een kwartier ver uit. 't Waren mannen als reuzen, op kolossale
+paarden. 't Waren zes-en-twintig escadrons; en achter zich hadden
+zij, om hen te ondersteunen, de divisie van Lefèbvre Desnouettes,
+de keurbende van zeshonderd gendarmes, de jagers der garde, sterk
+elfhonderd zeven-en-negentig man, en de lanciers der garde, sterk
+achthonderd tachtig lansen. Zij droegen den helm zonder paardenstaart
+en een kuras van geslagen ijzer, pistolen in de holsters en een langen
+rechten pallas. Des ochtends had het geheele leger hen bewonderd,
+toen zij, te negen uren, onder trompetgeschal en 't spelen der
+muziekkorpsen van Veillons au salut de l'Empire, in dichte colonnes,
+met een hunner batterijen in de flank en een andere in hun centrum,
+aanrukten, en zich in twee gelederen op den weg tusschen Genappe en
+Frischemont schaarden en plaats namen in de tweede slaglinie, zoo
+schrander door Napoleon samengesteld, daar ze aan haar linkereinde
+de kurassiers van Kellerman en aan haar rechtereinde de kurassiers
+van Milhaud, om zoo te spreken, als twee ijzeren vleugels had.
+
+De adjudant Bernard bracht hun 's keizers bevel. Ney trok den degen
+en stelde zich aan de spits. De ontzaggelijke escadrons geraakten
+in beweging.
+
+Nu zag men een grootsch schouwspel.
+
+Deze gansche cavalerie daalde, met opgeheven sabels, vliegende vaandels
+en schallende trompetten, in colonnes van een divisie, gelijktijdig
+en als één man, met de juistheid van een ijzeren stormram die een bres
+maakt, van de hoogte van Belle-Alliance, drong in de geduchte diepte,
+waar reeds zoo velen gevallen waren, verdween er in den kruitdamp,
+en weder uit die duisternis komende, verscheen zij opnieuw aan de
+andere zijde van het dal, steeds dicht inééngedrongen, en rende in
+vollen draf, te midden der schrootwolken, die boven haar losbarstten,
+tegen de vreeselijke slijkerige helling van den top van Mont-Saint-Jean
+op. Ernstig, dreigend, onwrikbaar stegen zij; in de tusschenpoozen van
+het geweer- en kanonvuur hoorde men het geweldig hoefgetrappel. Daar
+er twee divisiën waren, vormden zij twee colonnes; de divisie Wathier
+ter rechter-, de divisie Delord ter linkerzijde. In de verte zou men
+gemeend hebben, twee reusachtige ijzeren slangen te zien, die zich
+naar den top der hoogte kronkelden. Zij trokken als een wonder midden
+door den slag.
+
+Niets dergelijks was gezien sedert de inneming der groote redoute aan
+de Moskowa door de zware cavalerie; Murat ontbrak er, maar Ney bevond
+er zich weder. Het scheen, dat deze massa een monster ware geworden en
+slechts één ziel had. Ieder escadron golfde en verhief zich als de ring
+van een polyp. Men zag hen door de reten van een dichten rooksluier. 't
+Was een baaierd van helmen, kreten, sabels, woeste paardensprongen,
+kanongebulder en trompetgeschal, een geregelde, vreeselijke verwarring,
+en daarboven de kurassen als de schubben op de hydra.
+
+Deze verhalen schijnen tot een anderen tijd te behooren. Iets,
+dat hieraan gelijkt, komt in de oude heldendichten voor, die
+van manpaarden, de oude centauren gewagen, van deze titans met
+menschengelaat en paardenborst, die in galop den Olympus beklommen;
+vreeselijk, onkwetsbaar, verheven, goden en dieren tegelijk!
+
+Grillige overeenkomst van getallen: zes-en-twintig bataljons wachtten
+deze zes-en-twintig escadrons af. Achter den top der hoogte, in
+de schaduw der bedekte batterij, wachtte de Engelsche infanterie,
+bestaande uit dertien carré's, ieder carré van twee bataljons,
+en in twee liniën, de eerste van zes, de tweede van zeven carré's,
+met aangelegde geweren op 't geen komen zou, rustig, zwijgend en
+bewegingloos. Zij zag de kurassiers niet, de kurassiers konden
+haar niet zien. Zij hoorde 't gedreun van opstijgende menschen. Zij
+hoorde den nog sterker donder van drie duizend paarden, den dravenden
+hoefslag, het ritselen der kurassen, het kletteren der sabels en
+iets als een woeste windvlaag. Een vreeselijke stilte ontstond, toen
+verscheen eensklaps een lange reeks opgeheven armen met zwaaiende
+sabels op de heuvelvlakte, en helmen, en trompetten en standaarden,
+en drie duizend hoofden met grijze knevels, uitroepende: leve de
+keizer! Al deze cavalerie bereikte de hoogte. 't Was als 't begin
+van een aardbeving.
+
+Maar eensklaps, o ramp! aan de linkerzijde der Engelschen, aan onze
+rechterzijde, begon de voorste rij der colonne kurassiers onder
+vreeselijk getier te steigeren. Op het hoogste punt der kruin
+bespeurden de kurassiers, die van teugellooze woede brandden, om
+zich in de carré's en op de kanonnen te storten, tusschen zich en de
+Engelschen een groeve, een diepte. 't Was de holle weg van Ohain!
+
+'t Was een ontzettend oogenblik. De afgrond lag dáár twee vademen diep,
+tusschen zijn weerzijdsche glooiing, stijf voor de hoeven der paarden;
+het tweede gelid drong het eerste er in, en het derde het tweede;
+de paarden steigerden, wierpen zich achteruit, vielen op den rug met
+de vier pooten in de lucht, verpletterden en wierpen hun ruiters af;
+'t was onmogelijk terug te gaan; de geheele colonne was slechts één
+werptuig, en de ingespannen kracht om de Engelschen te verpletteren,
+verplette de Franschen; de ontzettende laagte kon eerst overgetrokken
+worden toen ze gevuld was; ruiters en paarden stortten er hals over
+kop in, vermorzelden elkander en vormden in dezen kolk slechts één
+vleeschklomp; toen deze kuil vol levende menschen was, vertrad men ze,
+en de rest ging er over. Schier een derde der brigade Dubois stortte
+in dien afgrond.
+
+Hier begon het verlies van den veldslag.
+
+Een plaatselijke overlevering, die blijkbaar overdrijft, zegt, dat
+twee duizend paarden en vijftienhonderd menschen in den hollen weg
+van Ohain begraven werden. Onder dit cijfer zijn waarschijnlijk al
+de andere lijken begrepen, welke den dag na het gevecht in den poel
+geworpen werden.
+
+Vóór dat Napoleon deze charge der kurassiers van Milhaud beval, had hij
+het terrein opgenomen, maar den hollen weg niet kunnen zien, die op
+het plateau van den heuvel zelfs geen streep vertoonde. Evenwel door
+de kleine witte kapel, op den hoek van den weg van Nivelles oplettend
+gemaakt, had hij den gids Lacoste omtrent eene mogelijke hindernis,
+die hier zou kunnen bestaan, ondervraagd. De gids had ontkennend
+geantwoord. Men zou dus bijna kunnen zeggen, dat dit hoofdschudden
+van een boer het ongeluk van Napoleon veroorzaakt heeft.
+
+Nog andere noodlottige omstandigheden moesten zich hierbij voegen.
+
+Was het mogelijk, dat Napoleon dezen slag won? Wij antwoorden:
+neen! Waarom? Uithoofde van Wellington? Uithoofde van
+Blücher? neen. Uithoofde van God.
+
+Dat Bonaparte te Waterloo overwinnaar zou zijn, lag niet meer in
+de wet der negentiende eeuw. Er bereidde zich een andere reeks van
+gebeurtenissen voor, waarin voor Napoleon geen plaats was. De kwade
+wil der gebeurtenissen had zich reeds sinds lang geopenbaard.
+
+'t Was tijd dat deze sterke man viel.
+
+Het overmatig gewicht van dezen man op het menschelijk lot,
+verstoorde het evenwicht. Dit enkel individu woog meer dan de geheele
+massa. Wanneer de geheele menschelijke levenskracht zich in een enkel
+hoofd samentrok, wanneer de wereld aan het genie van één mensch
+overgelaten was, zou het doodelijk voor de beschaving zijn, zoo
+zulks lang duurde. Het oogenblik was gekomen, dat de onverzettelijke
+hoogste rechtvaardigheid tusschenbeide kwam. 't Is mogelijk, dat
+de beginselen en oorzaken, die op regelmatige wijze het evenwicht
+in de zedelijke, zoowel als in de stoffelijke wereld teweegbrengen,
+zich beklaagden. Het rookend bloed, stapels van lijken, schreiende
+moeders zijn vreeselijke beschuldigers. Wanneer de aarde aan eenig
+overwicht lijdt, is er een geheimzinnig gerucht in de duisternis,
+dat door den afgrond gehoord wordt.
+
+Napoleon was bij het oneindige aangeklaagd, en zijn val was besloten.
+
+Hij hinderde God.
+
+Waterloo is geen veldslag; 't is een omkeering van 't gelaat der
+wereld.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET BERGVLAK VAN MONT-SAINT-JEAN.
+
+
+Ter zelfder tijde als de holle weg had ook de batterij zich vertoond.
+
+Zestig kanonnen en de dertien carré's verpletterden de kurassiers om
+zoo te spreken uit de dichtste nabijheid. De onverschrokken generaal
+Delord maakte voor de Engelsche batterij den militairen groet.
+
+De gansche vliegende artillerie der Engelschen had zich in galop
+in de carré's begeven. De kurrassiers hadden zelfs den tijd niet,
+een oogenblik in den adem te schieten. De ramp in den hollen weg
+had hen gedecimeerd, maar niet ontmoedigd. 't Waren mannen die, bij
+vermindering van getal, in moed toenamen. Alleen de colonne Wathier
+had door de ramp geleden; de colonne Delord, welke Ney links had doen
+zwenken, alsof hij een hinderlaag vermoedde, was ongedeerd aangekomen.
+
+De kurassiers wierpen zich op de Engelsche carré's. Spoorslags, met
+lossen teugel, de sabel tusschen de tanden, de pistolen in de vuist
+vielen zij aan.
+
+In de veldslagen zijn oogenblikken, die de ziel des menschen zoodanig
+verharden, dat zij in den soldaat slechts een beeld en in het vleesch
+slechts steen ziet. De Engelsche bataljons, schoon op zulk een woedende
+wijze aangevallen, hielden onbewegelijk stand.
+
+'t Was een vreeselijk moment.
+
+Alle fronten der Engelsche carré's werden tegelijkertijd
+aangevallen. Een woest geweld woedde tegen hen. De koele infanterie
+bleef pal en onverwrikt. Het eerste gelid ontving met gebogen knie de
+kurassiers op de bajonetten, het tweede gelid schoot op hen; achter
+het tweede gelid laadden de kanonniers hun stukken; het front van
+het carré opende zich, liet een uitbarsting van schroot door en sloot
+zich weder. De kurassiers beantwoordden dit door zich op de carré's
+te werpen. De zware paarden steigerden, braken door de gelederen,
+sprongen over de bajonetten en vielen als gevaarten in 't midden dier
+vier levende muren. De kogels maakten openingen in de kurassiers, de
+kurassiers maakten bressen in de carré's. Geheele rijen menschen werden
+vermorzeld onder de paarden. De bajonetten doorboorden de buiken dezer
+centauren. Hierdoor ontstonden de afzichtelijkste wonden, welke men
+misschien nimmer elders gezien heeft. De door deze verwoede cavalerie
+verminkte carré's, trokken zich samen, zonder te wankelen. Hun schroot
+was onuitputtelijk en woedde onder de aanvallers. Het gezicht van
+dat gevecht was gruwelijk. De carré's waren geen bataljons meer,
+'t waren kraters; de kurassiers waren geen cavalerie meer, 't was
+een orkaan. Ieder carré was een vulkaan, door een wolk bestormd;
+de lava streed tegen den bliksem.
+
+De uiterste rechtercarré die het meest van alle was blootgesteld, werd
+bij den eersten schok schier geheel vernield. Het bestond uit het 75e
+regiment hooglanders. De doedelzakspeler, in 't midden van het carré
+op een trom gezeten, in diepe onoplettendheid, zijn droefgeestige
+oogen neergeslagen, die vol van de herinnering aan zijn wouden en
+meren waren, speelde met de pibroch onder den arm de liederen van
+zijn bergen, terwijl men rondom hem elkander vernielde. Deze Schotten
+stierven, terwijl ze aan Ben Lothian dachten, evenals de Grieken met
+de gedachte aan Argos stierven. De pallas van een kurassier hieuw den
+arm af die den pibroch vasthield, en deed de muziek zwijgen door den
+muzikant te dooden.
+
+De kurassiers, die betrekkelijk weinig talrijk waren, zijnde door
+de ramp in den hollen weg zeer verminderd, hadden hier schier het
+geheele Engelsche leger tegen zich; zij vermenigvuldigden zich echter
+daar ieder man voor tien gold. Intusschen weken eenige Hanoveraansche
+bataljons. Wellington zag dit en dacht aan zijn cavalerie. Zoo Napoleon
+in ditzelfde oogenblik aan zijn infanterie had gedacht, zou hij den
+slag gewonnen hebben. Dit verzuim was zijn groote, noodlottige misslag.
+
+Eensklaps voelden de aanvallende kurassiers zich aangevallen. De
+Engelsche cavalerie was hun in den rug. Vóór hen stonden de carré's,
+achter hen Somerset; Somerset, dat wil zeggen de veertienhonderd
+dragonders der garde. Somerset had aan zijn rechterzijde Dornberg
+met de Duitsche lichte ruiterij en aan zijn linkerzijde Trip met de
+Belgische karabiniers; de kurassiers, in den flank en in het front
+van voren en van achteren aangevallen door de infanterie en cavalerie,
+moesten aan alle zijden het hoofd bieden. Wat kon 't hun schelen--zij
+waren een wervelwind. De dapperheid was onbeschrijfelijk.
+
+Buitendien hadden zij achter zich de immer donderende batterij. Alleen
+op deze wijze was 't mogelijk, dat deze mannen in den rug gekwetst
+werden. Een hunner kurassen, bij 't linker schouderblad door een kogel
+doorboord, bevindt zich bij de verzameling in 't museum van Waterloo.
+
+Voor zulke Franschen werden niets minder dan zulke Engelschen
+vereischt.
+
+'t Was geen gevecht meer, 't was een schaduw, een razernij,
+een duizelende dwarreling van zielen en moed, een orkaan
+van bliksemende zwaarden. In een oogenblik waren van de
+veertienhonderd garde-dragonders slechts achthonderd over; Fuller,
+hun luitenant-kononel, sneuvelde. Ney ijlde met de lanciers en de
+jagers van Lefèbvre Desnouettes toe. De vlakte van Mont-Saint-Jean
+werd genomen, hernomen, en weder genomen. De kurassiers verlieten de
+cavalerie, om naar de infanterie terug te keeren, of liever, deze
+gansche ontzaglijke massa's grepen en hielden elkander zonder dat
+de een den ander losliet. De carré's stonden immer pal. Zij werden
+twaalf keeren bestormd. Vier paarden werden onder Ney gedood. De
+helft der kurassiers bleef op de vlakte. Deze strijd duurde twee uren.
+
+Het Engelsche leger was er geweldig door geschokt. Er is geen twijfel,
+of de kurassiers, zoo zij niet bij den eersten aanval door de ramp in
+den hollen weg verzwakt waren geworden, zouden het centrum over hoop
+geworpen en de overwinning beslist hebben. Deze buitengewone cavalerie
+verstomde Clinton, die Talavera en Badajoz had gezien. Wellington,
+die voor drie vierde gedeelte overwonnen was, bewonderde als een held,
+en zeide halfluid: splendid! (prachtig).
+
+De kurassiers vernietigden zeven carré's van de dertien, namen
+of vernagelden zestig kanonstukken, en veroverden op de Engelsche
+regimenten zes vaandels, welke drie kurassiers en drie jagers der
+garde den keizer bij de hoeve van la Belle Alliance brachten.
+
+Wellingtons toestand was verergerd. Deze buitengewone veldslag was als
+een tweegevecht tusschen twee verwoede gekwetsten, die wederzijds,
+steeds strijdend en weerstand biedend, al hun bloed verliezen. Wie
+van beiden zal het eerst vallen?
+
+De worsteling op het bergplat werd voortgezet.
+
+Tot hoe ver de kurassiers zijn geweest, weet niemand te zeggen. Zeker
+is het, dat den dag na het gevecht een kurassier en zijn paard,
+beiden dood, tusschen het houtwerk der weegbrug voor de voertuigen
+te Mont-Saint-Jean werden gevonden, dat is ter plaatse waar de
+vier straatwegen van Nivelles, Genappe, la Hulpe en Brussel elkander
+kruisen. Deze ruiter was door de Engelsche gelederen heen gebroken. Een
+der mannen, die dit lijk wegvoerden, woont nog te Mont-Saint-Jean. Hij
+heet Dehaze, en was destijds achttien jaar oud.
+
+Wellington voelde zich wankelen. De krisis was nabij.
+
+De kurassiers waren niet geslaagd, in zooverre 't hun niet gelukt was
+het centrum te breken. Nu beide partijen het bergvlak bezet hadden,
+was niemand er uitsluitend meester van, terwijl het grootste gedeelte
+in allen geval in 't bezit der Engelschen was gebleven. Wellington
+had het dorp en het hoogste deel der vlakte; Ney had slechts den top
+en de glooiing. Van weerszijden scheen men in dien noodlottigen bodem
+vastgeworteld te zijn.
+
+De verzwakking der Engelschen scheen echter onherstelbaar. Het
+verlies van dat leger was ontzettend. Aan den linkervleugel vroeg
+Kempt versterking.--"Ik heb ze niet," antwoordde Wellington; "dat
+hij bezwijke!"--Schier in dezelfde minuut vroeg Ney--een zonderlinge
+samenloop, die de uitputting der beide legers schetst--infanterie
+aan Napoleon, en Napoleon riep: "Infanterie! Van waar zou ik ze
+halen? Meent hij dat ik ze kan maken?"
+
+Het Engelsche leger had evenwel het meest geleden. De verwoede
+aanvallen dezer geweldige escadrons met ijzeren kurassen en stalen
+harnassen hadden de infanterie vermorzeld. Eenige mannen om een
+vaandel duidden de plaats van een regiment aan; sommige bataljons
+werden nog slechts door een kapitein of luitenant gecommandeerd;
+de divisie-Alten, die reeds bij la Haie-Sainte zoo geducht geleden
+had, was schier geheel vernietigd; de moedige Belgen der brigade Van
+Kluze lagen in het koren langs den weg van Nivelles gezaaid; er was
+schier niets over van de Hollandsche grenadiers, die in 1811 in onze
+gelederen Wellington in Spanje bevochten, en in 1815 weder met de
+Engelschen vereenigd Napoleon bestreden. Het verlies aan officieren
+was aanzienlijk. Lord Uxbridge, die den volgenden dag zijn been
+liet begraven, had de knie verbrijzeld. Waren in dezen strijd der
+kurassiers aan de zijde der Franschen Delord, l'Héritier, Colbert,
+Dnop, Travers en Blancard buiten gevecht gesteld, aan de zijde der
+Engelschen waren Alten en Barne gekwetst, Delancey, Van Meeren,
+Ompteda gesneuveld, de staf van Wellington gedecimeerd, en Engeland
+had het slechtste deel in deze bloedige schaal. Het 2e regiment der
+garde te voet had vijf luitenant-kolonels, vier kapiteins en drie
+vaandrigs verloren; het eerste bataljon van het 30e regiment infanterie
+had vier-en-twintig officieren en honderd twaalf soldaten verloren,
+van het 79e Bergschotten waren vier-en-twintig officieren gekwetst,
+achttien officieren en vierhonderd vijftig soldaten gesneuveld. Het
+geheel Hanoversche huzarenregiment van Cumberland, met zijn kolonel
+Hacke aan 't hoofd, had vóór het gevecht den teugel gewend en
+vluchtte door het bosch van Soignes, het bericht der nederlaag tot
+Brussel verspreidende. De kolonel werd later gevonnist en afgezet. De
+artillerietrein, de voortreinen, de bagagewagens, de ziekenwagens vol
+gekwetsten namen, toen zij de Franschen zagen veld winnen en het bosch
+naderen, daarin de vlucht. Van Vert-Coucou tot Groenendaal, langs
+een uitgestrektheid van bijna twee uren in de richting van Brussel,
+was er een ongelooflijk gedrang van vluchtelingen, zooals nog levende
+getuigen heugt. De schrik was zoo groot, dat hij den prins van Condé
+te Mechelen en Lodewijk XVIII te Gend bereikte. Uitgezonderd de zwakke
+reserve, die achter de ambulance, in de hoeve van Mont-Saint-Jean,
+was geëchelonneerd, en de brigaden Vivian en Vandeleur, die aan den
+linkervleugel stonden, had Wellington geen cavalerie meer. Een
+aantal batterijen waren gedemonteerd. Deze feiten zijn door
+Siborne erkend; en Pringle, die de ramp overdrijft, zegt zelfs,
+dat het Engelsch-Hollandsch leger tot vier-en-dertig duizend man
+was ingekrompen. De "ijzeren hertog" bleef kalm, maar zijn lippen
+waren verbleekt. De Oostenrijksche commissaris Vincent, de Spaansche
+commissaris Alava, die bij den Engelschen staf den veldslag bijwoonden,
+hielden den hertog voor verloren. Te vijf uren zag Wellington op zijn
+horloge, en men hoorde hem deze sombere woorden mompelen: "Blücher,
+of de nacht!"
+
+'t Was omstreeks dit oogenblik, dat een verwijderde lijn van bajonetten
+op de hoogten, in de richting van Frischemont schitterde.
+
+Hier begint het keerpunt van dit reusachtige drama.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN SLECHTE GIDS VOOR NAPOLEON, EEN GOEDE GIDS VOOR BULOW.
+
+
+Men kent de grievende teleurstelling van Napoleon; hij verwachtte
+Grouchy, en Blücher kwam; de dood in plaats van het leven.
+
+Het lot heeft zulke wendingen; men verwacht de wereldheerschappij,
+en vindt Sint-Helena. Indien de kleine herder, die Bulow, den
+onderbevelhebber van Blücher, tot gids diende, hem had geraden
+het bosch uit te trekken boven Frischemont in plaats van beneden
+Plancenoit, de negentiende eeuw zou wellicht een geheel ander voorkomen
+hebben, Napoleon had dan den slag van Waterloo gewonnen. Immers langs
+iederen anderen weg dan dien beneden Plancenoit, zou het Pruisische
+leger aan een laagte zijn gekomen, die voor de artillerie onbruikbaar
+was, en Bulow zou niet zijn aangekomen. En langer dan een uur, de
+Pruisische generaal Muffling verklaart dit, zou Wellington zich niet
+meer hebben kunnen staande houden; "de slag ware verloren geweest."
+
+Men ziet, 't was hoog tijd dat Bulow kwam. Hij had trouwens veel
+oponthoud gehad. Met het krieken van den dag had hij Dion-le-Mont
+verlaten, waar hij gebivouakkeerd had. Maar de wegen waren onbruikbaar
+en zijn divisiën bleven in de modder steken. De kanonnen zonken er
+tot aan de assen in. Bovendien had men de Dyle over de smalle brug
+van Wavre moeten passeeren; de straat die naar de brug voerde was door
+de Franschen in brand gestoken; de kruitwagens en de artillerietrein
+konden niet tusschen twee rijen brandende huizen gaan en moesten
+wachten tot de brand gebluscht was. Het was middag eer de voorhoede
+van Bulow Chapelle-Saint-Lambert had kunnen bereiken.
+
+Zoo het gevecht twee uren eerder was begonnen, was het te vier uren
+geëindigd geweest, en Blücher zou in den door Napoleon gewonnen slag
+zijn gevallen. Zoo onmetelijk zijn de toevalligheden, in betrekking
+tot het oneindige, dat ons begrip te boven gaat.
+
+Tegen den middag had de Keizer voor het eerst met zijn kijker iets
+aan den verren horizont bespeurd, dat zijn aandacht trok. Hij had
+gezegd:--Ik zie ginds een wolk, die mij troepen toeschijnt. Daarop
+had hij aan den hertog van Dalmatie gevraagd: Soult, wat ziet gij
+naar den kant van Chapelle-Saint-Lambert?--De maarschalk, na zijn
+kijker te hebben gericht, had geantwoord:--Vier of vijf duizend man,
+Sire. Zeker Grouchy.--Maar in den nevel bleef alles onduidelijk. Al de
+kijkers van den generalen staf hadden de door den Keizer aangewezen
+"wolk" bestudeerd. Sommigen hadden gezegd: 't Zijn colonnes, die
+halt houden. De meesten hadden gezegd: 't Zijn boomen, 't Was waar,
+dat de wolk zich niet bewoog. De Keizer had ter verkenning van dat
+duistere punt de divisie lichte cavalerie van Domon afgezonden.
+
+Inderdaad, Bulow had zich niet bewogen. Zijn voorhoede was zeer zwak
+en kon niets uitrichten. Hij moest het hoofdleger wachten en had
+bevel zich te vereenigen vóór in slagorde op te rukken; doch toen,
+te vijf uren Blücher het gevaar van Wellington zag, gaf hij Bulow
+bevel aan te vallen en sprak dit merkwaardig woord: "Wij moeten het
+Engelsche leger lucht geven."
+
+Weldra ontwikkelden zich de divisiën Losthin, Hiller, Hacke en Ryssel
+tegenover het corps van Lobau, de cavalerie van prins Willem van
+Pruisen rukte uit het bosch van Parijs; Plancenoit stond in vlammen
+en de Pruisische kogels begonnen tot in de gelederen der garde te
+regenen, die achter Napoleon in reserve stond.
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE GARDE.
+
+
+Men kent het overige, de vernielende aanval van een derde leger, de
+veldslag verplaatst, zes en tachtig eensklaps donderende vuurmonden,
+Pirch I met Bulow verschenen, de cavalerie van Zieten door Blücher
+in persoon aangevoerd, de Franschen achteruitgedrongen, Marcognet
+van de hoogte van Ohain gedreven, Durutte uit Papelotte verjaagd,
+Lobau in den flank gegrepen, een nieuwe veldslag, waardoor bij
+het aanbreken van den nacht onze verzwakte en uitgeputte regimenten
+overvallen werden, de geheele Engelsche linie haar aanvallende houding
+hernemende en vooruit gedrongen, de reusachtige opening in het Fransche
+leger gemaakt, het Engelsche en Pruisische schroot elkander helpende,
+verdelging in het front, onheil in den flank, de garde, die zich bij
+deze vreeselijke verwoesting in slagorde schaart.
+
+Dewijl zij gevoelde, dat zij moest sterven, riep zij: leve de
+Keizer! De geschiedenis heeft niets treffender aan te wijzen dan
+dezen in gejuich uitbarstenden doodssnik.
+
+De lucht was den geheelen dag bewolkt geweest. Eensklaps, en op
+ditzelfde oogenblik, 't was acht uren 's avonds, scheidden zich de
+wolken aan den gezichteinder en het donker somber rood der ondergaande
+zon scheen door de olmen van den weg van Nivelles. Te Austerlitz had
+men haar zien opgaan.
+
+Ieder bataljon der garde werd, bij deze laatste worsteling, door een
+generaal gecommandeerd. Daar waren Friant, Michel, Roguet, Harlet,
+Mallet, Poret de Morvan. Toen de hooge berenmutsen van de garde met
+de adelaarsplaat, in stipte orde, in gelederen geschaard, bedaard in
+den nevel van het gevecht verschenen, gevoelde de vijand eerbied voor
+Frankrijk; men waande twintig overwinningen met uitgespreide vleugelen
+het slagveld te zien betreden, en zij, die verwinnaars waren, achtten
+zich verwonnen en deinsden achteruit; maar Wellington riep: "Staat,
+garden, en mikt juist!" Het roode regiment der Engelsche garde,
+dat achter de hagen lag, richtte zich op, een hageljacht van kogels
+doorschoot het driekleurig vaandel, dat om onze arenden fladderde;
+allen drongen voorwaarts, en het laatste bloedbad begon. De keizerlijke
+garde voelde in de schaduw, dat het leger 't welk haar omgaf, week en
+het uitgestrekte gedreun van den aftocht; zij hoorde het "vlucht! redt
+u!" dat het "leve de Keizer!" vervangen had; en met de vlucht achter
+zich, ging zij steeds voorwaarts, meer en meer vermorzeld en bij elke
+schrede die zij deed meer stervende. Er waren geen weifelenden noch
+versaagden. De soldaat van dezen troep was evenzeer een held als de
+generaal. Geen man onttrok zich aan dezen verheven zelfmoord.
+
+Ney, wanhopig, groot in al de verhevenheid van zijn wijding aan den
+dood, stelde zich aan al de slagen van dien storm bloot. Zijn vijfde
+paard werd onder hem gedood. Met zweet bedekt, met vlammende oogen,
+met schuim op de lippen, met losgeknoopte uniform, een epaulet half
+door de sabel van een horseguard doorgehouwen, zijn ordester van
+den adelaar door een kogel geschonden, bloedig, beslijkt, heerlijk,
+met den stomp van een degen in de hand, riep hij: "Ziet hoe een
+maarschalk van Frankrijk op het slagveld sneuvelt!" Maar te vergeefs;
+hij sneuvelde niet. Hij was wild en verontwaardigd. Hij beet Drouet
+d'Erlon de vraag toe: "Zijt gij bang u te laten dooden?" Te midden van
+al dat geschut, 't welk een handvol menschen verpletterde, riep hij:
+"Is er dan niets voor mij! O, hoe wenschte ik, dat al die Engelsche
+kogels mij doorboorden!" Ongelukkige, gij werdt behouden, om door
+Fransche kogels te sterven!
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE CATASTROPHE.
+
+
+De vlucht en de verwarring achter de garde was vreeselijk.
+
+Het leger trok zich eensklaps van alle zijden terug van Hougomont, van
+la Haie-Sainte, van Papelotte, van Plancenoit. De kreet: Verraad! werd
+gevolgd door den kreet: Vlucht! redt u! Een zich oplossend leger
+gelijkt aan een ijsgang. Alles buigt, berst, kraakt, drijft, zinkt,
+stoot en verdringt zich. 't Is een reusachtige ontbinding. Ney leent
+een paard, springt er op en plaatst zich, zonder hoed, zonder das,
+zonder degen, dwars op den weg naar Brussel, Engelschen en Franschen
+evenzeer tegenhoudende. Hij tracht het leger tot staan te brengen, hij
+roept, scheldt, houdt de vluchtenden vast. Alles stormt hem voorbij. De
+soldaten ontwijken hem, roepende: "leve de maarschalk Ney!" Twee
+regimenten van Durutte ijlen verschrikt heen en weder, teruggejaagd
+door de sabel der uhlanen en het geweervuur der brigades van Kempt,
+van Best, van Pack en van Ryland; de ergste worsteling is de vlucht;
+vrienden dooden elkander om te vlieden; escadrons en bataljons storten
+tegen een en spatten wijd en zijd uit elkander, als schuim van den
+veldslag. Lobau wordt aan het eene, Reille aan het andere eind door
+den stroom medegesleept. Te vergeefs maakt Napoleon muren van hetgeen
+hem van de garde overblijft, te vergeefs verspilt hij de escadrons
+onder zijn bevel tot een laatste inspanning. Quiot wijkt voor Vivian,
+Kellerman voor Vandeleur, Lobau voor Bulow, Morand voor Pirch, Domon
+en Subervic voor prins Willem van Pruisen. Guyot, die de escadrons
+des Keizers tot den aanval heeft gevoerd, valt onder de paarden
+der Engelsche dragonders. Napoleon galoppeert langs de vluchtenden,
+spreekt hun toe, spoort hen aan, dreigt, smeekt. Maar al de monden,
+die des morgens, "Leve de Keizer" riepen, gapen hem aan; nauwelijks
+kent men hem. De versch aangekomen Pruisische cavalerie stormt toe,
+vliegt, sabelt, houwt, doodt, verdelgt. De voorspannen steigeren, de
+kanonnen wijken, de treinsoldaten spannen de paarden van de kruitwagens
+om er op te vluchten, omgeworpen legerwagens met de vier wielen in
+de lucht versperren den weg en geven gelegenheid ter slachting. Men
+verplettert, vertreedt, gaat over dooden en levenden. De armen zijn
+als verlamd. Een ontzinde menigte vult de wegen, de paden, de bruggen,
+de dalen, de heuvelen, de valleien, de bosschen, waar deze veertig
+duizend menschen elkander verdringen en belemmeren. Geschreeuw,
+wanhoop; ransels en geweren in 't koren geworpen; met den degen
+zich een doortocht gebaand; geen krijgsmakkers, geen officieren,
+geen generaals meer; een onbeschrijfelijke ontzetting. Zieten op zijn
+gemak Frankrijk neersabelende. Leeuwen in herten herschapen. Zoodanig
+was deze vlucht.
+
+Te Genappe beproefde men te keeren, front te maken, zich te
+verzamelen. Lobau vereenigde driehonderd man. Men barricadeerde
+den ingang van het dorp; maar bij het eerste schot van het Pruisisch
+schroot vluchtte alles weder, en Lobau werd krijgsgevangen gemaakt. Men
+ziet nog heden de indruksels van dat eerste schot aan den gevel van een
+oud vervallen baksteenen huis, ter rechterzijde van den weg, eenige
+minuten vóór men Genappe binnenkomt. De Pruisen stormden in Genappe,
+woedend gewis, zoo gemakkelijk overwonnen te hebben. De vervolging
+was gruwelijk. Blücher beval alles neder te houwen. Roguet had het
+afgrijselijk voorbeeld gegeven door ieder Fransch grenadier met den
+dood te bedreigen die hem een Pruisisch krijgsgevangen bracht. Blücher
+overtrof Roguet. De generaal der jonge garde, Duhesme, die tegen
+de deur van een herberg te Genappe stond, gaf zijn degen aan een
+zwarten huzaar, die den degen nam en zijn gevangene doodde. De
+overwinning werd door de vermoording der verwonnenen voltooid. Laten
+wij straffen, wijl wij de geschiedenis zijn: de oude Blücher bevlekte
+zijn eer. Deze wreedheid bracht de ramp tot het uiterste. De wanhopige
+vlucht ging door Genappe, door Quatre-Bras, door Sombreffe, door
+Frasnes, door Thuin, door Charleroi, en kwam eerst aan de grenzen
+tot staan. Helaas! en wie was 't, die zoo vluchtte? het groote leger.
+
+Is deze verbijstering, deze schrik, deze instorting van de
+grootste dapperheid die ooit de geschiedenis verbaasd heeft, zonder
+oorzaak? Neen. De schaduw eener machtige hand ligt op Waterloo. 't Is
+de dag van het noodlot. Eene bovenmenschelijke macht heeft dien dag
+bereid. Vandaar de schrik op aller gelaat; vandaar dat zooveel groote
+harten hun degens overgaven. Zij, die Europa overwonnen hadden, zonken
+verpletterd neder, hadden niets meer te zeggen of te doen, en gevoelden
+in de schaduw iets vreeselijks tegenwoordig. Hoc erat in fatis. Die dag
+veranderde het uitzicht van het menschelijk geslacht. Waterloo is het
+keerpunt der negentiende eeuw. De verdwijning van den grooten man was
+noodzakelijk voor de verschijning der groote eeuw. Een oppermachtig
+wezen heeft zich hiermede belast. De paniek der helden is hierdoor
+verklaarbaar. In den slag van Waterloo vertoont zich meer dan een wolk,
+er vertoont zich een hemelverschijnsel. God is daar geweest.
+
+In 't vallen van den avond vatten Bernard en Bertrand op een veld bij
+Genappe een somber peinzend man bij zijn overjas, die door den stroom
+der vlucht medegesleept, van zijn paard was gestegen, den teugel in
+zijn arm had genomen en met verwilderden blik alleen naar Waterloo
+terugging. 't Was Napoleon, die nog beproefde voorwaarts te gaan--de
+groote slaapwandelaar van dien verstoorden droom!
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET LAATSTE CARRÉ.
+
+
+Eenige carré's der garde, onbewegelijk in de woelige vlucht als rotsen
+in het bruisend water, hielden stand tot den nacht. De nacht kwam,
+en met hem de dood; zij verwachtten die dubbele duisternis en lieten
+zich er onverschrokken door omvangen. Ieder regiment, van de andere
+gescheiden en niet meer aan 't leger verbonden, dat aan alle zijden
+gebroken was, sneefde voor eigen rekening. Zij hadden voor deze
+laatste heldendaad post gevat, eenige op de hoogten van Rossomme,
+andere op de vlakte van Mont-Saint-Jean. Daar, verlaten, overwonnen,
+hadden deze sombere carré's nog een vreeselijken doodsstrijd. Ulm,
+Wagram, Jena, Friedland stierven in hen.
+
+In de schemering, tegen negen uur 's avonds, bleef er op de vlakte
+van Mont-Saint-Jean slechts één over. In deze heillooze vallei, aan
+den voet dezer door de kurassiers bestegen helling, die thans door
+Engelsche drommen was overstroomd, had dit carré het kruisvuur
+der overwinnende vijandelijke artillerie, een vreeselijken,
+dichten schroot- en kogelregen uit te staan. Het werd door een
+weinig bekend officier, met name Cambronne, gecommandeerd. Bij elke
+losbranding verminderde het carré en schoot terug. Het beantwoordde
+het schrootvuur met geweervuur, terwijl het zijn vier muren steeds
+dichter bijeentrok. In de verte bleven de vluchtenden, buiten adem,
+even staan, om in de duisternis naar dit somber, steeds zwakker
+wordend geknetter te hooren.
+
+Toen dit legioen slechts een handvol meer was, toen hun vaandel was
+weggeschoten, toen hun kogels verschoten en hun geweren slechts
+knuppels meer waren, en de hoop lijken grooter was dan de groep
+levenden, ontstond bij de overwinnaars die deze verhevene stervenden
+omgaven een soort van heilige ontzetting, en de Engelsche artillerie
+verpoosde en zweeg. 't Was een soort van rust. Deze strijders waren
+omgeven door een gewemel van spookgedaanten, schimmen van mannen te
+paard, donkere omtrekken van kanonnen, door wier wielen en affuiten
+men den helderen hemel zag; het reusachtig doodshoofd, 't welk de
+helden altijd door den kruitdamp op den achtergrond van den slag
+zien, naderde en staarde hen aan. Zij konden in de schemering hooren,
+dat men de stukken laadde; de brandende lonten, die als tijgeroogen
+in den nacht glinsterden, vormden een kring om hun hoofden; al de
+lontstokken der Engelsche batterijen naderden de kanonnen; toen riep
+een Engelsch generaal--volgens sommigen Colville, volgens anderen
+Maitland--in dit uiterste oogenblik, aangedaan: Dappere Franschen,
+geeft u over!--Cambronne antwoordde: Merde!
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+CAMBRONNE.
+
+
+Voor den overdreven kieschkeurigen Franschen lezer mag het schoonste
+woord, 't welk een Franschman wellicht ooit gesproken heeft, niet
+herhaald worden. 't Is verboden het verhevene in de geschiedenis
+te vermelden.
+
+Voor onze rekening en gevaar overtreden wij dit verbod.
+
+Er was dus onder deze reuzen een titan, Cambronne.
+
+Zulk een woord te zeggen en dan te sterven, wat is er grootscher! want
+te willen sterven is sterven, en 't is de schuld van dezen man niet,
+dat hij het schrootvuur overleefd heeft.
+
+De man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is niet de vluchtende
+Napoleon; 't is niet Wellington, die te vier uren terugtrekt, te
+vijf uren wanhopend is; 't is niet Blücher, die niet gestreden heeft;
+de man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is Cambronne.
+
+Door zulk een woord den donder neer te slaan die u doodt, dit is
+overwinnen.
+
+Dit den rampspoed te antwoorden, dit aan het noodlot te zeggen, dit
+voetstuk aan den toekomstigen leeuw te geven, dit antwoord toegeworpen
+aan den nachtregen, den verraderlijken muur van Hougomont, den hollen
+weg van Ohain, de vertraging van Grouchy, de komst van Blücher;
+in het graf ironisch te zijn, zoo te handelen dat men zal staande
+blijven, na gevallen te zijn, in twee lettergrepen de Europeesche
+coalitie te beschimpen, den koningen dit door de Cesars reeds gekende
+present aan te bieden, van het laagste woord het verhevenste te
+maken, Waterloo met een vastenavond-scherts te besluiten, Leonidas
+met Rabelais aan te vullen, deze overwinning in een uiterste woord,
+dat niet genoemd mag worden, samen te vatten, terrein te verliezen
+en de geschiedenis te behouden, na zulk een bloedbad de lachers aan
+zijn zijde te hebben--dit is verheven--ontzaggelijk.
+
+'t Is den bliksem hoonen. 't Bereikt de verhevenheid van Eschylus.
+
+Het woord van Cambronne heeft de uitwerking van een breuk: het breekt
+de verachting; het breekt den trots. Wie heeft overwonnen? is
+'t Wellington? Neen. Zonder Blücher was hij verloren. Is 't
+Blücher? Neen. Zoo Wellington niet was begonnen, had Blücher niet
+kunnen eindigen. Deze Cambronne, die eerst in het laatste uur
+verschijnt, deze onbekende soldaat, dit oneindig kleine van den
+oorlog, gevoelt dat er een logen in een rampspoed is--dubbel grievend;
+en op 't oogenblik dat hij er door in woede is, biedt men hem deze
+bespotting--het leven! Waarom zou hij zich inhouden? Zij zijn dáár,
+al de koningen van Europa, de gelukkige veldheeren, de donderende
+Jupiters; zij hebben honderd duizend zegevierende soldaten; en achter
+de honderd duizend een millioen; hun kanonnen gapen, hun lonten
+vlammen; zij hebben de keizerlijke garde en de groote armee onder den
+voet; zij hebben Napoleon verpletterd, alleen Cambronne blijft over;
+niemand is er om te protesteeren dan deze nietige aardworm. Hij
+zal protesteeren. En hij zoekt een woord, evenals men een wapen
+zoekt. Gal komt bij hem op, en die gal is het woord. Tegenover
+deze ontzaggelijke en toch middelmatige zegepraal, tegenover deze
+overwinning zonder overwinnaars, richt zich deze wanhopige op; hij
+lijdt er het verschrikkelijke, maar betuigt er het nietige van; hij
+doet meer dan ze te bespuwen; en onder de bezwijking van getal, kracht
+en stof, vindt hij in de ziel een uitdrukking: verwerping. Wij herhalen
+'t, dit te zeggen, dit te doen, dit te vinden is overwinnaar zijn.
+
+De geest der groote dagen kwam in dien onbekenden man op dit noodlottig
+oogenblik. Cambronne vindt het woord voor Waterloo gelijk Rouget de
+l'Isle de Marseillaise vindt, door ingeving van boven. Een straal van
+den hemelstorm schiet door deze mannen; zij huiveren, en de een zingt
+den zwanenzang, de ander spreekt het verheven woord. Dit woord van
+reusachtige verachting werpt Cambronne, niet enkel in naam van het
+keizerrijk, Europa toe, 't zou weinig zijn; hij werpt het, in naam
+der revolutie, het verleden toe. Men hoort hem en herkent in Cambronne
+de ziel der oude reuzen. 't Is alsof Danton spreekt, of Kleber brult.
+
+Op het woord van Cambronne antwoordt de Engelsche stem: vuur! de
+batterijen vlamden, de heuvel beefde, al deze metalen monden braakten
+een laatste vreeselijk vuur; een geweldige rookwolk, flauw door de
+opgaande maan beschenen, golfde daarheen, en toen de damp verdween
+was er niets meer. Het vreeselijk overschot was vernietigd; de garde
+was dood. De vier muren van de levende schans lagen ter aarde; met
+moeite onderscheidde men hier en daar een trilling onder de lijken;
+alzoo sneefden de Fransche legioenen, grooter dan de Romeinsche,
+te Mont-Saint-Jean op de met regen en bloed gedrenkte aarde, in het
+donkere koren, ter plaatse waar thans Jozef, de postiljon van Nivelles,
+te vier uren des morgens, fluitend en vroolijk zijn paard zweepende,
+voorbij rijdt.
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+QUOT LIBRAS IN DUCE?
+
+
+De slag bij Waterloo is een raadsel. Hij is even duister voor hen die
+hem gewonnen, als voor hen die hem verloren hebben. Voor Napoleon is
+'t een paniek [2]; Blücher ziet er niets dan vuur; Wellington begrijpt
+er niets van. Zie de rapporten. De berichten zijn onduidelijk, de
+verklaringen zijn verward. Dezen stamelen, genen stotteren. Jomini
+verdeelt den slag bij Waterloo in vier momenten; Muffling in drie
+tooneelen; Charras, schoon hij eenige punten anders opvat dan wij,
+heeft alleen met zijn fieren blik de karakteristieke omtrekken van
+deze worsteling van 't menschelijk genie met de beschikking des
+Hemels begrepen. Al de overige geschiedschrijvers zijn in zekere
+verbijstering en zij tasten in deze verbijstering rond. Inderdaad een
+bedwelmende gebeurtenis, de instorting der militaire monarchie, die,
+tot ontzetting der koningen, alle koninkrijken heeft medegesleept,
+de val van het geweld, de nederlaag van den oorlog.
+
+De menschen hebben tot deze gebeurtenis, welke het merk der
+bovenmenschelijke noodzakelijkheid draagt, niets toegebracht.
+
+Wellington en Blücher Waterloo te ontnemen, is dit Engeland en
+Duitschland iets ontnemen? Neen. Noch het roemrijk Engeland, noch
+het doorluchtig Duitschland zijn in het probleem van Waterloo
+betrokken. Den hemel zij dank, de volken zijn groot buiten de
+sombere toevallen des degens. Noch Duitschland, noch Engeland, noch
+Frankrijk worden door een scheede besloten. In dit tijdperk, waarin
+Waterloo slechts een wapengekletter is, heeft Duitschland Goethe boven
+Blücher, Engeland Byron boven Wellington. Onze eeuw verheft zich op
+de ontwikkeling van den geest, en Engeland en Duitschland prijken in
+heerlijken glans op dit veld. Zij zijn majestueus, wijl zij denken. De
+vooruitgang der beschaving is mede hun werk, deze ontstaat uit hen en
+niet door het toeval. De grootheid welke zij in de negentiende eeuw
+hebben, heeft Waterloo niet tot oorsprong. Slechts barbaarsche volken
+breiden zich plotseling na een overwinning uit. 't Is de vluchtige
+zwelling der rivier na een stortvloed. De beschaafde volken, vooral
+in den tijd dien wij beleven, stijgen of dalen niet door het geluk of
+het ongeluk van een veldheer. Hun soortelijk gewicht in 't menschelijk
+geslacht ontstaat uit iets meer dan uit een veldslag. Hun eer, hun
+waardigheid, hun verlichting, hun genie zijn, Goddank, geen nummers,
+welke de helden en veroveraars, deze hazardspelers, in de loterij
+der veldslagen kunnen nemen. Vaak is een verloren veldslag, gewonnen
+vooruitgang. Hoe minder roem, hoe meer vrijheid. De trom zwijgt,
+de rede neemt het woord. 't Is het spel "die wint verliest." Laat
+ons dus van weerszijden met kalmte over Waterloo spreken. Geven wij
+het toeval wat het toeval toekomt, en aan God wat God toekomt. Wat
+is Waterloo? Een overwinning? Neen. Een lot uit de loterij.
+
+Een lot door Europa gewonnen; door Frankrijk betaald.
+
+'t Was nauwelijks der moeite waard, hiervoor een leeuw te
+plaatsen. Waterloo is overigens de vreemdste ontmoeting, die in de
+geschiedenis voorkomt. Napoleon en Wellington. 't Zijn geen vijanden,
+'t zijn tegenstrijdigheden. God, die tegenstellingen bemint,
+heeft nooit opmerkelijker contrast en buitengewoner samentreffing
+geschapen. Aan de eene zijde nauwkeurigheid, bedachtzaamheid,
+wiskundige berekening, voorzichtigheid, verzekerde aftocht, bespaarde
+reserven, een volhardende koelbloedigheid, een onwrikbare methode,
+een krijgskunst die zich het terrein ten nutte maakt, een tactiek die
+de bataljons in evenwicht houdt, een bloedbad met de lijn afgemeten,
+de oorlog met het horloge in de hand, geregeld, niets aan het toeval
+overgelaten, de oude klassieke moed, de volstrekte juistheid; aan
+de andere zijde onwillekeurige ingeving en voorgevoel, de militaire
+zonderlingheid, het bovenmenschelijk instinct, de vlammende blik,
+iets onbekends, dat als de arend nederschiet en als de bliksem treft;
+een wonderbaarlijke kunst bij een verachtende onstuimigheid, al de
+verborgenheden eener diepe ziel, het verbond met het noodlot; de
+stroom, de vlakte, het bosch, de heuvel, opgeroepen en eenigerwijs
+gedwongen tot gehoorzaamheid, de despoot, zelfs zoover gaande van
+het slagveld te tyranniseeren; het geloof aan een goed gesternte
+gepaard aan de krijgswetenschap, haar uitbreidende, maar zonder
+regel. Wellington was de Barême van den oorlog, Napoleon de Michel
+Angelo, en ditmaal werd het genie door de berekening verwonnen.
+
+Aan beide zijden wachtte men iemand. De nauwkeurige rekenaar
+slaagde. Napoleon verwachtte Grouchy; deze kwam niet. Wellington
+verwachtte Blücher: deze kwam.
+
+Wellington is de klassieke oorlog, die revanche neemt. Bonaparte
+had, bij zijn opkomst, dien oorlog in Italië gevonden en trotsch
+geslagen. De oude uil was voor den jongen gier gevlucht. De oude
+krijgskunst was niet alleen verpletterd, maar te schande gemaakt. Wie
+was deze zesentwintigjarige korsikaan, wat beteekende deze schitterende
+onbekende, die alles tegen, niets vóór zich had, zonder levensmiddelen,
+zonder ammunitie, zonder geschut, zonder schoenen, schier zonder
+wapens, zich met een handvol soldaten tegenover legerdrommen op
+het verbonden Europa wierp en ongerijmd, tegen alle regels, schier
+onmogelijke overwinningen behaalde? Wat was deze nieuweling in den
+oorlog, die de stoutheid van een bovenaardsch wezen had? De militaire
+hoogeschool deed hem in den ban, daar hij haar ontvluchtte. Hierdoor
+ontstond een onverzoenlijke vijandschap van het oude Cesarisme tegen
+het nieuwe, van de nauwkeurige sabel tegen het vlammende zwaard, en
+van het schaakspel tegen het genie. Den 18 Juni had deze vijandschap
+het laatste woord, en schreef, onder Lodi, Montebello, Montenotte,
+Mantua, Marengo, Arcola: "Waterloo." Zege der middelmatigheid, die
+de meerderheid behaagt. Het noodlot nam genoegen met deze ironie. Bij
+zijn ondergang vond Napoleon een jongen Suwarow voor zich.
+
+Om Suwarow te hebben was er inderdaad niet meer noodig dan Wellington's
+haar grijs te maken.
+
+Waterloo is een veldslag van den eersten rang, door een veldheer van
+den tweeden rang gewonnen.
+
+Wat men in den veldslag bij Waterloo moet bewonderen is Engeland,
+de Engelsche standvastigheid, de Engelsche vastberadenheid, het
+Engelsch bloed; wat Engeland er het heerlijkst heeft gehad, is, als
+ik 't zeggen mag, zich zelf. 't Is niet zijn veldheer, 't is zijn
+leger. Zonderling ondankbaar, verklaart Wellington, in een brief aan
+lord Bathurst, dat zijn leger, 't welk den 18 Juni 1815 gestreden
+heeft, een "afschuwelijk leger" was. Wat zegt hiervan de donkere
+ontzaggelijke hoop beenderen onder de voren van Waterloo begraven?
+
+Engeland is tegenover Wellington te nederig geweest. Wellington zoo
+groot te maken is Engeland verkleinen. Wellington is slechts een gewoon
+held. De grijze Schotten, de horseguards, de regimenten van Maitland
+en Mitchell, de infanterie van Pack en van Kempt, de cavalerie van
+Ponsonby en van Somerset, de Hooglanders die onder het schroot op
+de pibroch spelen, de bataljons van Rylandt, de jonge recruten,
+die nauwelijks het geweer wisten te hanteeren, en de oude benden
+van Esslingen en van Rivoli het hoofd boden,--ziedaar wat grootsch
+is. Wellington was volhardend, en dit was zijn eenige verdienste;
+wij willen er niets op afdingen, maar de minste zijner voetknechten
+en ruiters was even standvastig als hij. De iron-soldier (ijzeren
+soldaat) is evenveel waard als de iron-duke (ijzeren hertog). Onze
+geheele vereering is voor den Engelschen soldaat, het Engelsche leger,
+het Engelsche volk. Zoo er een zegeteeken moet zijn, komt het Engeland
+toe. De kolom van Waterloo zou juister zijn, zoo zij in plaats van
+de gestalte eens mans, het beeld eens volks in de wolken verhief.
+
+Maar het groote Engeland zal zich vertoornen over hetgeen wij
+hier zeggen. Het heeft nog, na zijn 1688 en ons 1789, zijn feodale
+hersenschim. Het gelooft aan de erfelijkheid en de hierarchie. Dit
+volk, dat door geen ander in macht en roem wordt overtroffen, acht
+zich als natie, niet als volk. Als volk onderwerpt het zich gewillig
+en neemt een lord tot hoofd aan. Als workman (arbeider) laat het
+zich verachten; als soldaat laat het zich stokslagen geven. Men weet,
+dat een sergeant, die naar 't schijnt, in den slag van Inkermann het
+leger gered heeft, door lord Raglan niet kon vermeld worden, wijl
+de Engelsche militaire hierarchie niet veroorlooft in een rapport
+melding te maken van een held beneden den rang van officier.
+
+Wat ons bovenal treft in een ontmoeting als die van Waterloo, is
+de wonderbare behendigheid van het toeval. De nachtregen, de muur
+van Hougomont, de holle weg van Ohain, Grouchy doof voor het kanon,
+Napoleon door den gids bedrogen, Bulow door den gids terechtgewezen,
+al deze omstandigheden zijn wonderbaar bestuurd.
+
+In 't algemeen moet gezegd worden, dat Waterloo veeleer een bloedbad
+dan een veldslag was. Waterloo heeft van alle geregelde veldslagen
+het kleinste front bij een zoo groot getal strijders. Napoleon drie
+kwartier; Wellington een half uur; twee en zeventig duizend strijders
+aan elke zijde. Uit deze gedrongenheid ontstond het bloedbad. Men heeft
+deze berekening en deze verhouding gevonden: Verlies aan troepen:
+te Austerlitz, Franschen, veertien percent; Russen, dertig percent;
+Oostenrijkers, vierenveertig percent. Te Wagram, Franschen, dertien
+percent, Oostenrijkers veertien percent. Aan de Moskowa, Franschen,
+zevenendertig, Russen vierenveertig percent. Te Bautzen, Franschen,
+dertien percent, Russen en Pruisen, veertien. Te Waterloo, Franschen,
+zesenvijftig percent, Gealliëerden eenendertig. Gezamenlijk voor
+Waterloo eenenveertig percent. Honderd vierenveertig duizend strijders;
+zestigduizend dooden.
+
+Het veld van Waterloo heeft thans de kalmte, welke aan de aarde,
+als de rustige voedster van den mensch, behoort, en het gelijkt op
+alle vlakten.
+
+Des nachts evenwel stijgt er als een tooverachtige nevel op, en zoo
+een reiziger er wandelt, er rondziet, er luistert, zoo hij mijmert
+als Virgilius op de noodlottige vlakte van Philippes, verschijnt
+het vreeselijke schouwspel voor zijn geest. De ontzettende 18 Juni
+herleeft; het valsche heuvel-monument wijkt, de leeuw, hoe dan ook,
+verdwijnt, het wezenlijke slagveld is er weder, infanterie-gelederen
+golven over de vlakte; in woesten galop vliegt de ruiterij langs
+den horizon; de verschrikte mijmeraar ziet het flikkeren der sabels,
+het schitteren der bajonetten, het vlammen der bommen, en verneemt
+het vreeselijke gebulder der elkander kruisende donders; hij hoort
+als een gereutel in de diepte van een graf, het flauw gerucht van
+het spookbeeld des veldslags; deze schimmen zijn de grenadiers;
+deze flikkeringen zijn de kurassiers; dit geraamte is Napoleon;
+dit geraamte is Wellington; dat alles is niet meer, en dringt en
+strijdt nog; de holle wegen worden purper, en de boomen rillen; er is
+zelfs woede in de wolken, en in de duisternis verschijnen op al deze
+woeste hoogten, Mont-Saint-Jean, Hougomont, Frischemont, Papelotte,
+Plancenoit, onduidelijk zwermen van schimmen, die elkander verdelgen.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+MOET MEN WATERLOO GOEDVINDEN?
+
+
+Er bestaat een zeer achtenswaardige vrijzinnige school, die Waterloo
+niet haat. Wij behooren er niet toe. Voor ons is Waterloo slechts
+de vervalschte dagteekening der vrijheid. Dat een arend als dien wij
+kennen uit zulk een ei voortkomt, is stellig onverwacht.
+
+Waterloo is, zoo men zich op het hoogste gezichtspunt der kwestie
+plaatst, een bedeelde anti-revolutionnaire overwinning. 't Is Europa
+tegen Frankrijk, 't is Petersburg, Berlijn en Weenen tegen Parijs,
+'t is het status-quo tegen het initiatief, 't is de 14 Juli 1789 door
+den 20 Maart 1815 aangevallen: 't is de wapenkreet der monarchieën
+tegen het onbedwingbaar Fransch oproer. Dit groote volk te dempen,
+dat sinds 26 jaar vuur en vlam verspreidde, was de bedoeling. Vandaar
+het verbond der Brunswijkers, Nassauers, Romanoffs, Hohenzollerns,
+Habsburgen met de Bourbons. Waterloo draagt het "bij de gratie Gods"
+aan 't hoofd. Het is waar, dat, wijl het Keizerrijk despotiek was
+geweest, het koningschap, tengevolge der natuurlijke terugwerking,
+gedwongen was liberaal te wezen, en dat een constitutioneele
+orde zeer tegen den zin en tot grooten spijt der overwinnaars uit
+Waterloo is voortgekomen. 't Is omdat de revolutie werkelijk niet
+verwonnen kan worden en als een noodwendig gevolg der omstandigheden
+steeds weder verschijnt, vóór Waterloo, in Bonaparte als hij de oude
+tronen omverwerpt, na Waterloo, in Lodewijk XVIII als hij het Charter
+verleent en er zich aan onderwerpt. Bonaparte plaatst een postiljon
+op den troon van Napels en een sergeant op den troon van Zweden;
+hij bezigt de ongelijkheid om de gelijkheid te bewijzen; Lodewijk
+XVIII onderteekent te Saint-Ouen de verklaring der rechten van den
+mensch. Wilt ge u rekenschap geven van wat revolutie is, noem haar
+"vooruitgang"; wilt ge u rekenschap geven van wat vooruitgang is,
+noem hem "morgen." "Morgen" verricht onweerstaanbaar zijn werk,
+en begint reeds heden. Op zonderlinge wijze bereikt het altijd zijn
+doel. Het gebruikt Wellington om van Foy, die slechts een soldaat
+was, een redenaar te maken. Foy valt te Hougomont en herrijst op de
+tribune. Zoo handelt de vooruitgang. Er zijn geen slechte werktuigen
+voor dezen arbeider! Onbekommerd bezigt hij voor zijn goddelijk werk
+den man die over de Alpen stapt, en den goeden zwakken grijsaard. Hij
+bedient zich van den podagrist evenzeer als van den overwinnaar; van
+den overwinnaar naar buiten, van den podagrist naar binnen. Waterloo
+heeft een einde gemaakt aan het omstorten der tronen van Europa
+door het zwaard, doch heeft geen ander gevolg gehad dan het werk der
+revolutie aan de andere zijde te doen voortzetten. De heerschappij
+van het zwaard was ten einde; de beurt was nu aan de denkers. De eeuw,
+welke Waterloo wilde tegenhouden, is er over heengegaan en heeft haar
+weg vervolgd. Deze treurige overwinning is door de vrijheid verworven.
+
+Wat ten slotte en onwedersprekelijk te Waterloo zegevierde, wat achter
+Wellington glimlachte, wat hem al de maarschalksstaven van Europa,
+daarbij zoo men zegt den maarschalksstaf van Frankrijk bezorgde, wat
+vroolijk den grond, nog vol beenderen, tot een heuvel deed opkruien
+om er den leeuw op te richten, wat zegepralend op dat voetstuk den
+datum "18 Juni 1815" heeft geschreven, wat Blücher aanmoedigde om de
+vluchtelingen neer te sabelen, wat van den top van Mont-Saint-Jean zich
+naar Frankrijk als naar een prooi boog, was de contra-revolutie. 't
+Was de tegenomwenteling, die het schandelijk woord: "Verbrokkeling"
+mompelde. Te Parijs gekomen, heeft zij den krater van nabij gezien,
+en voelde dat deze asch haar de voeten verbrandde, en zij bedacht
+zich. Zij vergenoegde zich met het stamelen van een charter.
+
+Laat ons in Waterloo niets zien dan 't geen in Waterloo is. Van
+vrijheid uit goeden wil, niets. De contra-revolutie was onwillekeurig
+liberaal, evenals door een hiermede overeenkomend verschijnsel Napoleon
+onwillekeurig revolutionnair was. Den 18 Juni 1815 werd de Robespierre
+te paard uit den zadel gelicht.
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+UITBREIDING VAN HET "GODDELIJK RECHT."
+
+
+Einde van het dictatorschap. Het geheele stelsel van Europa stortte in.
+
+Het Keizerrijk verzonk in een schaduw, welke die der stervende
+Romeinsche wereld geleek. Men zag weder een afgrond als ten tijde der
+barbaren. Maar de barbaarschheid van 1815, welke men bij haar korten
+naam van contra-revolutie moet noemen, had weinig adem, was spoedig
+uitgeput en bleef steken. Het Keizerrijk, wij moeten het zeggen, werd
+beweend, en beweend door de oogen van helden. Zoo de roem bestaat
+in het zwaard tot schepter gemaakt, was het Keizerrijk de roem zelf
+geweest. Het had op aarde al het licht verspreid, dat de dwingelandij
+geven kan; een somber licht. Wat meer is, een duister licht. Bij het
+ware daglicht vergeleken is het nacht. Deze verdwijning van den nacht,
+had de uitwerking eener eclips.
+
+Lodewijk XVIII kwam te Parijs terug. De rondedansen van den 8
+Juli wischten de geestdrift van den 20 Maart uit. De Korsikaan
+werd de tegenstelling van den Béarner. De vlag van den koepel der
+Tuilerieën werd wit. De verbanning zat op den troon. De withouten
+tafel van Hartwell nam plaats vóór den gelelieden armstoel van
+Lodewijk XIV. Men sprak van Bouvines en Fontenoy als van gisteren,
+Austerlitz was verouderd. Het altaar en de troon waren in hartelijke
+broederschap. Een der onbetwistbaarste vormen van geluk voor de
+maatschappij in de negentiende eeuw vestigde zich in Frankrijk en
+op het vasteland. Europa nam de witte kokarde aan. Trestaillon was
+beroemd. Het devies non pluribus impar verscheen weder in de steenen
+stralen, die op den voorgevel der kazerne van de kade Orsay een zon
+vormden. Waar een Keizerlijke garde was geweest, was een rood huis. De
+boog van het Carousel, overladen met kwalijk verdragen overwinningen,
+als vreemd temidden dezer nieuwigheden, misschien eenigszins beschaamd
+door Marengo en Arcola, trok zich uit de verlegenheid met het beeld
+van den hertog van Angoulême. Het Magdalena kerkhof, een ontzettende
+algemeene grafplaats van 93, werd met marmer en jaspis overdekt;
+het gebeente van Lodewijk XVI en van Maria Antoinette bevond zich in
+dit stof. In de slotgracht van Vincennes verrees een halve zuil, ter
+herinnering dat de hertog van Enghien in dezelfde maand was gestorven
+als Napoleon gekroond werd. Paus Pius VII, die deze kroning had
+gewijd, zoo dicht bij dezen dood, zegende den val even bedaard als
+hij de verheffing had gezegend. Te Schönbrunn was een kleine schim
+van vier jaren, men was een oproerling zoo men hem koning van Rome
+noemde. En al deze dingen zijn geschied, en deze koningen hebben hun
+tronen hernomen, en de meester van Europa is in een kooi gezet, en
+het oude regeeringstelsel is herleefd, en al de duisternis en al het
+licht der aarde zijn van plaats veranderd, wijl op den achtermiddag
+van een zomerdag een herder in een bosch tot een Pruis zeide: ga
+hierheen en niet daarheen!
+
+Dat 1815 was een soort van treurigen April. De oude ongezonde en
+giftige werkelijkheid nam een nieuw voorkomen aan. De logen vereenigde
+zich met 1789, het "goddelijk recht" vermomde zich onder een charter,
+fictiën werden constitutioneel, vooroordeelen, bijgeloovigheden
+en nevengedachten, met art. 14 in het hart, vernisten zich met het
+liberalisme. Verandering van vel bij de slang.
+
+De mensch was door Napoleon tevens verheven en vernederd. Het ideaal
+had, onder deze regeering van de schitterende stof, den zonderlingen
+naam van ideologie ontvangen. Een groote onvoorzichtigheid van een
+groot man, om met de toekomst te spotten. De volken evenwel, dat
+kanonnenvleesch, 't welk den kanonnier zoo lief had, zochten hem
+met de oogen. Waar is hij? Wat doet hij? Napoleon is dood, zeide
+een voorbijganger tot een invalide van Marengo en Waterloo.--"Hij
+dood!" riep de soldaat, "dan kent gij hem niet!" De geesten
+mistrouwden dien neergevelden man. Na Waterloo was de achtergrond
+van Europa duister. Eene ontzaggelijke plaats bleef lang ledig door
+de verdwijning van Napoleon.
+
+De koningen plaatsten zich in dat ledige. Het oude Europa
+maakte zich dit ten nutte om zich te hervormen. Er was een
+Heilig-Verbond. Belle-Alliance, had het noodlottig veld van Waterloo
+reeds vooraf gezegd.
+
+In de tegenwoordigheid en tegenover het oude herschapen Europa
+werden de lijnen van een nieuw Frankrijk getrokken. De toekomst,
+door den Keizer bespot, deed zijn intrede. Zij had op het voorhoofd
+deze ster, "Vrijheid." De vurige oogen der jonge geslachten richtten
+zich op haar. Zonderling, men was tegelijkertijd door deze toekomst,
+Vrijheid, en dat verleden, Napoleon, bekoord. De nederlaag had
+den verwonneling grooter gemaakt. De gevallen Bonaparte scheen
+hooger dan de staande Napoleon. Zij, die gezegevierd hadden, waren
+beangst. Engeland deed hem door Hudson Lowe bewaken, en Frankrijk hem
+door Montchenu bespieden. Het kruisen zijner armen wekte de bekommering
+der tronen. Alexander noemde hem: mijn slapeloosheid. Deze angst
+ontstond door de hoeveelheid revolutie, die in hem was. Dit verklaart
+en verschoont het Bonapartistische liberalisme. Dit spookbeeld deed de
+oude wereld beven. De koningen zaten niet op hun gemak op hun tronen,
+met de rots van St. Helena aan den horizon.
+
+Terwijl Napoleon te Longwood zieltoogde, verteerden de op het veld van
+Waterloo gevallen zestig duizend menschen rustig, en iets van hunne
+rust breidde zich over de wereld uit. Het Weener Congres maakte er
+de tractaten van 1815 van, en dit noemde Europa de restauratie.
+
+Dit is nu Waterloo!
+
+Maar wat doet het aan 't oneindige? deze orkaan, deze wolk, deze oorlog
+en vervolgens deze vrede, deze schim, verduisterde ook geen oogenblik
+het oneindig oog voor 't welk de worm, die van de eene grasspriet op
+de andere kruipt, even belangrijk is als de arend die van torenspits
+tot torenspits naar de Notre-Dame vliegt.
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET SLAGVELD DES NACHTS.
+
+
+Wij moeten nog eenmaal naar het noodlottig slagveld terugkeeren.
+
+'t Was den 18 Juni 1815 volle maan. Deze helderheid begunstigde de
+wreede vervolging van Blücher, verried het spoor der vluchtenden,
+leverde deze rampzalige massa aan de verwoede Pruisische cavalerie
+over, en was in 't moorden behulpzaam. Bij dergelijke rampspoeden
+toont de nacht zich dikwijls zoo welwillend.
+
+Na het laatste kanonschot, bleef de vlakte van Mont-Saint-Jean
+verlaten.
+
+De Engelschen betrokken het kamp der Franschen; in het bed van den
+overwonneling te slapen is de gewone bekrachtiging der overwinning. Zij
+richtten hun bivouakken op aan gene zijde van Rossomme. De Pruisen
+stormden voorwaarts om de vluchtelingen te vervolgen. Wellington
+ging naar het dorp Waterloo, om zijn rapport aan lord Bathurst op
+te stellen.
+
+Zoo ooit het sic vos non vobis van toepassing was, is 't onbetwistbaar
+op dat dorp Waterloo. Waterloo heeft niets gedaan en bleef een half
+uur van 't slagveld. Mont-Saint-Jean werd gebombardeerd, Hougomont
+werd verbrand, Papelotte werd verbrand, Plancenoit werd verbrand,
+la Haie-Sainte werd stormenderhand ingenomen, la Belle-Alliance zag
+de omhelzing der twee overwinnaars; men kent nauwelijks deze namen,
+en Waterloo, dat niets tot den slag heeft toegebracht, heeft er al
+de eer van.
+
+Wij behooren niet tot dezulken die den oorlog vleien; wanneer de
+gelegenheid zich voordoet, zeggen wij hem de waarheid. De oorlog
+heeft afgrijselijke schoonheden, welke wij niet verheeld hebben;
+hij heeft ook, wij erkennen het gaarne, zijn afzichtelijkheden. Een
+der treffendste is de spoedige ontkleeding en berooving der dooden na
+de overwinning. De morgenstond, die op een veldslag volgt, beschijnt
+steeds naakte lijken.
+
+Wie doet dat? Wie bezoedelt aldus de overwinning? Wie is die
+afschuwelijke, vlugge hand, die in den zak der overwinning sluipt? Wie
+zijn de gauwdieven, die achter den roem hun slag waarnemen? Eenige
+philosofen, Voltaire onder anderen, beweren, dat het juist dezulken
+zijn, die den roem verworven hebben. 't Zijn dezelfden, zeggen zij,
+geen anderen; zij die staan, plunderen degenen die liggen. De held van
+den dag is de vampier van den nacht. Men heeft toch in allen geval wel
+het recht, om het lijk dat ons werk is, een weinig te plunderen. Wij
+gelooven dit echter niet. 't Komt ons onmogelijk voor, dat dezelfde
+hand die lauweren heeft geplukt, de schoenen van een doode kan stelen.
+
+Zeker is het, dat na de overwinnaars gewoonlijk de dieven komen. Maar
+beschuldigen wij den soldaat, vooral den soldaat van den tegenwoordigen
+tijd niet.
+
+Ieder leger heeft een tros, en dezen moet men
+beschuldigen. Vleermuisachtige wezens, half roovers, half knechts, alle
+soort van gespuis, 't welk uit de duisternis geboren wordt, die men
+oorlog noemt; uniform dragenden, die niet vechten; geveinsde zieken;
+verminkten; cantine-houders, die soms met hun vrouwen op karretjes
+sluikswijze medetrekken en stelen wat zij verkoopen; bedelaars, die
+zich als gidsen bij de officieren aanbieden; trosboeven; stroopers--dit
+alles sleepten eertijds--wij spreken niet van den tegenwoordigen
+tijd--de marcheerende legers mede, en dit werd op eigenaardige wijze
+de "nakomers" (traînards) genoemd. Geen leger, geen natie was voor
+deze wezens verantwoordelijk; zij spraken Italiaansch en volgden de
+Duitschers; zij spraken Fransch en volgden de Engelschen. Door een
+dezer ellendelingen, een Spaansch "nakomer" die Fransch sprak, werd de
+markies Fervacques, die, door zijn Picardisch koeterwaalsch misleid,
+hem voor een der onzen hield, verraderlijk vermoord en uitgeplunderd,
+op het slagveld zelf in den nacht, die op de overwinning van Cérisolles
+volgde. Uit het stroopen ontstond de strooper. De verfoeielijke
+grondstelling: "Van den vijand leven" bracht dezen kanker voort, die
+slechts een strenge krijgstucht genezen kon. Er zijn bedriegelijke
+beroemdheden; men weet niet altijd, waarom zekere, schoon overigens
+groote, generaals zoo populair zijn geweest. Turenne werd door zijn
+soldaten aangebeden, wijl hij de plundering veroorloofde; het vergunde
+kwaad maakt een deel der goedheid uit; Turenne was zoo goed, dat hij
+den Palz te vuur en te zwaard liet verwoesten. In het gevolg des legers
+vond men meer of minder stroopers, naar gelang de bevelhebber min of
+meer streng was. Hoche en Marcheau hadden geen "nakomers;" Wellington,
+wij laten hem gaarne deze gerechtigheid wedervaren, had er weinig.
+
+Men plunderde evenwel in den nacht van den 18 op den 19 Juni de
+dooden. Wellington was streng; hij beval ieder die op heeter daad
+betrapt werd dood te schieten; maar de roof is hardnekkig. De stroopers
+dreven in den eenen hoek van het slagveld hun spel, terwijl men hen
+in den anderen doodschoot.
+
+De maan scheen akelig op de vlakte.
+
+Tegen middernacht sloop of liever kroop een man nabij den hollen
+weg van Ohain. 't Was, naar alle waarschijnlijkheid, een derzulken,
+welke wij zooeven geschetst hebben, noch Engelschman, noch Franschman,
+noch boer, noch soldaat, veeleer een vampier dan een mensch, door
+den reuk der lijken gelokt, voor wien diefstal overwinning was, en
+gekomen om Waterloo te berooven. Hij was in een kiel gekleed, die iets
+van een kapotjas had; onrustig en stoutmoedig ging hij voort, echter
+telkens omziende. Wie was deze man? De nacht kende hem waarschijnlijk
+beter dan de dag. Hij had geen ransel, maar blijkbaar groote zakken
+onder zijn kapotjas. Van tijd tot tijd bleef hij staan, keek rondom
+zich over de vlakte, als om te zien of hij ook werd opgemerkt, bukte
+schielijk, verschoof iets zwijgends en onbewegelijks op den grond,
+richtte zich weer op en ging verder. Zijn sluipende tred, zijn houding,
+zijn haastige geheimzinnige beweging deden hem een dier avondspoken
+gelijken, welke de bouwvallen bewonen, en waarvan de Normandische
+legenden spreken.
+
+Sommige vogels vertoonen des nachts dergelijke gedaanten in de
+moerassen.
+
+Een scherpe blik zou in die geheele schemering op eenigen
+afstand, achter een vervallen huis, ter plaatse waar de weg van
+Nivelles dien van Mont-Saint-Jean naar Braine-l'Alleud kruist,
+een marketenterskarretje hebben bespeurd, met een kap van geteerd
+twijgwerk, en bespannen met een hongerigen knol, die tusschen het
+gebit brandnetels knabbelde, en in het karretje een soort van vrouw,
+op kisten en pakken gezeten. Misschien bestond er wel betrekking
+tusschen dit karretje en dien strooper.
+
+'t Was een heldere duisternis. Geen wolk was aan den hemel. Schoon
+de aarde ook rood zij, de maan blijft wit. Zoo onverschillig is de
+hemel in vele opzichten voor de aarde. Op de weiden wiegelden zich
+in den avondwind de boomtakken, die de kogels gebroken, maar niet
+afgeschoten hadden. Een koeltje, schier een ademtocht, bewoog de
+struweelen. Het gras rilde, alsof er zielen uit opstegen.
+
+In de verte hoorde men flauw het komen en gaan der patrouilles en
+rondes van het Engelsche legerkamp.
+
+Hougomont en la Haie Sainte brandden nog en vormden, het een in 't
+westen, het ander in 't oosten, twee groote vlammen, waaraan zich,
+als een snoer van losse robijnen, met twee karbonkels aan beide einden,
+de rij der Engelsche wachtvuren sloot, die in een wijden halven kring
+op de heuvelen in de verte verspreid waren.
+
+Wij hebben den rampspoed in den hollen weg van Ohain verhaald. Het
+hart beeft als men aan dezen gruwzamen dood van zoovele dapperen denkt.
+
+Zoo er iets vreeselijks is, zoo er een werkelijkheid boven de
+voorstelling gaat, is het dit: te leven, de zon te zien, in het
+volle bezit van mannelijke kracht, gezond en vroolijk te zijn,
+hartelijk te lachen, naar een roem te ijlen, dien men voor zich
+ziet schitteren, zijn borst te voelen ademen, zijn hart te kloppen,
+een redelijken wil te hebben, te spreken, te denken, te hopen, te
+beminnen, een moeder, een gade, kinderen te hebben, het licht te zien,
+en eensklaps, in den tijd van een kreet, in minder dan een minuut
+in een afgrond te verzinken, te vallen, te rollen, te verpletteren,
+verpletterd te worden, koornaren, bloemen, bladeren, takken te zien,
+zonder zich aan iets te kunnen vasthouden, zijn sabel nutteloos,
+mannen onder zich, paarden boven zich, vruchteloos worstelen, de
+beenderen door 't spartelen van een paard in de duisternis gebroken,
+de oogen uitgetrapt, te stikken, te wringen, te krijten, en te moeten
+zeggen: zooeven leefde ik nog.
+
+Waar dit vreeselijk ongeluk had plaats gehad, was alles nu stil. De
+holle weg was tot aan den kant der glooiingen met paarden en menschen
+gevuld. Een ijselijke toestand. Er waren geen glooiingen meer,
+de lijken maakten de vlakte gelijk met den hollen weg, die als
+een korenmaat tot aan den rand vol was. Een hoop dooden van boven,
+een stroom bloeds beneden, aldus was deze weg in den avond van 18
+Juni 1815. Het bloed stroomde tot op den straatweg van Nivelles en
+vormde er een grooten plas vóór den hoop boomen, die den straatweg
+versperde, op een plek welke men nog aanduidt. Men herinnere zich,
+dat op het tegenovergestelde punt, naar den kant van Genappe, de ramp
+der kurassiers had plaats gehad. De dikte van den hoop lijken was
+geëvenredigd aan de diepte van den hollen weg. Omstreeks het midden,
+ter plaatse waar hij vlakker werd en de divisie Delord was overgegaan,
+was de hoop lijken dunner.
+
+De nachtelijke zwerver, dien wij den lezer hebben aangewezen, ging
+naar die zijde. Hij doorsnuffelde dit groote graf. Hij hield een
+afgrijselijke revue over deze dooden. Hij waadde door het bloed.
+
+Eensklaps stond hij stil.
+
+Eenige schreden voor hem, in den hollen weg, op het punt waar de hoop
+dooden eindigde, kwam uit dien stapel menschen en paarden een open
+hand te voorschijn, die door de maan beschenen werd.
+
+Aan een vinger van die hand zat iets dat glinsterde, een gouden ring.
+
+De man bukte, bleef een oogenblik gebogen, en toen hij zich oprichtte
+was aan de hand geen ring meer.
+
+Hij richtte zich eigenlijk niet op, maar bleef in een schuwe, woeste
+houding, met den rug naar de dooden gekeerd; hij boog het bovenlijf
+omlaag en liet het op de vingers rusten, die op den grond steunden,
+terwijl hij loerend het hoofd over den kant van den hollen weg stak. De
+vier pooten van den jakhals passen voor sommige handelingen.
+
+Toen hij een besluit had genomen, richtte hij zich overeind. Op
+'t zelfde oogenblik maakte hij schier een buiteling. Hij voelde,
+dat men hem van achter vasthield.
+
+Hij keerde zich om; 't was de open hand, die zich gesloten en den
+slip van zijn kapotjas gegrepen had.
+
+Een eerlijk man zou ontsteld zijn geweest. Deze lachte.
+
+"O," zeide hij, "'t is slechts de doode. Ik heb liever met een spook
+dan met een gendarm te doen."
+
+Maar de hand verzwakte en liet los. Een inspanning duurt slechts kort
+in het graf.
+
+"Ha," hernam de strooper, "is deze doode levend? Laat ons zien."
+
+Opnieuw bukte hij, woelde in den hoop, verwijderde wat hem hinderde,
+greep de hand, omklemde den arm, maakte het hoofd vrij, trok aan
+het lichaam, en eenige oogenblikken later sleepte hij in de schaduw
+van den hollen weg een zielloos, althans bewusteloos, mensch. 't
+Was een kurassier, een officier, zelfs een officier van voornamen
+rang; een dikke gouden epaulet kwam uit zijn kuras te voorschijn;
+de officier had geen helm meer. Een geweldige sabelhouw had zijn
+gezicht gewond, waarop men enkel bloed zag. Overigens scheen geen
+zijner leden gebroken te zijn; en door een gelukkig toeval, als wij
+'t zoo mogen noemen, hadden de dooden een boog boven hem gevormd,
+die hem voor verplettering behoed had. Zijn oogen waren dicht.
+
+Hij droeg op zijn kuras het zilveren kruis van het legioen van eer.
+
+De strooper rukte dit kruis af, 't welk in een der holen verdween,
+die hij onder zijn kapotjas had.
+
+Daarna betastte hij 't horlogezakje van den officier, voelde een
+horloge en nam het. Voorts onderzocht hij het vest, vond er een beurs
+en stak ze in zijn zak.
+
+Toen hij zoo ver was gekomen met de hulp, welke hij den stervende
+bracht, opende de officier de oogen.
+
+"Ik dank u," zeide hij flauw.
+
+De levendigheid der bewegingen van den man, die hem hanteerde, de
+frischheid van den nacht, de vrijelijk ingeademde lucht hadden hem
+uit zijn verdooving gewekt.
+
+De strooper antwoordde niet. Hij hief het hoofd op. Op de vlakte
+hoorde men het gerucht van voetstappen, waarschijnlijk een naderende
+patrouille.
+
+De officier stamelde, met de stem eens zieltogenden:
+
+"Wie heeft den slag gewonnen?"
+
+"De Engelschen," antwoordde de strooper.
+
+De officier hernam:
+
+"Zoek in mijn zakken. Ge zult er een beurs en een horloge vinden. Neem
+ze."
+
+Dit was reeds geschied.
+
+De strooper deed alsof hij ze zocht en zeide:
+
+"Er is niets."
+
+"Dan heeft men mij bestolen." hernam de officier, "'t spijt mij. 't
+Zou voor u zijn geweest."
+
+De voetstappen der patrouille werden steeds duidelijker.
+
+"Men nadert," zei de strooper, de beweging makende van zich te
+verwijderen.
+
+De officier lichtte met moeite den arm op en hield hem tegen.
+
+"Gij hebt mij 't leven gered. Wie zijt ge?"
+
+De strooper antwoordde haastig en zacht:
+
+"Ik behoorde evenals gij tot het Fransche leger. Ik moet u
+verlaten. Zoo men mij vatte, zou men mij dood schieten. Ik heb u het
+leven gered. Help nu u zelven."
+
+"Welken rang hebt ge?"
+
+"Sergeant."
+
+"Hoe heet ge?"
+
+"Thénardier."
+
+"Ik zal dien naam niet vergeten," zei de officier. "En onthoud gij
+den mijnen. Ik heet Pont-mercy."
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK II.
+
+HET SCHIP DE ORION.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+NOMMER 24601 WORDT NOMMER 9430.
+
+
+Jean Valjean was weder gevat.
+
+Men zal ons ten goede houden, dat wij haastig over smartelijke
+bijzonderheden heenstappen. Wij zullen alleen twee berichtjes
+overschrijven, die door de dagbladen werden gepubliceerd eenige
+maanden na de verwonderlijke gebeurtenissen te M. sur M.
+
+Deze berichten zijn vrij beknopt. Men herinnere zich, dat op dat
+tijdstip nog geen Gazette des Tribunaux bestond.
+
+Het eerste ontleenen wij aan de Drapeau blanc. Het draagt de
+dagteekening van 25 Juli 1823.
+
+"--Een arrondissement van Pas-de-Calais is het tooneel eener
+ongewone gebeurtenis geweest. Een vreemdeling in het departement,
+Madeleine genoemd, had sedert eenige jaren, door een nieuwe wijze
+van bewerking, een oude plaatselijke industrie, de fabricage van git
+en zwart glaswerk, uit het verval opgeheven. Hij had er zijn fortuin
+door gemaakt, en, men mag zeggen, ook dat van het arrondissement. Uit
+dankbaarheid voor zijn diensten had men hem tot maire benoemd. Nu heeft
+de politie ontdekt, dat Madeleine niemand anders was dan een voormalige
+galeislaaf, die zijn ban heeft verbroken, in 1796 wegens diefstal
+veroordeeld was en Jean Valjean heette. Jean Valjean is opnieuw naar
+het bagno gezonden. Het schijnt, dat hij vóór zijn inhechtenisneming
+bij den heer Laffitte een som van meer dan een half millioen, welke
+hij er geplaatst had, heeft teruggenomen, welke som hij overigens,
+zoo men zegt, eerlijk met zijn handel verdiend heeft. Men heeft
+niet kunnen ontdekken waar Jean Valjean deze som heeft verborgen,
+toen hij in het bagno van Toulon terugkwam."
+
+Het tweede meer uitvoerig bericht is ontleend aan het Journal de
+Paris van dezelfde dagteekening:
+
+"--Een voormalig ontslagen galeislaaf, met name Jean Valjean, is
+onder zeer opmerkelijke omstandigheden voor het hof van assises van
+Var verschenen. Dezen booswicht was 't gelukt, aan de waakzaamheid
+der politie te ontsnappen; hij had zijn naam veranderd en was er in
+geslaagd, zich in een onzer kleine steden in het noorden tot maire te
+doen benoemen. Hij had in die stad een vrij aanzienlijk handelshuis
+gevestigd. Maar ten laatste is hij ontmaskerd en in hechtenis genomen,
+dank zij den onvermoeiden ijver van het openbaar ministerie. Hij
+had tot bijzit een publieke vrouw, die op het oogenblik zijner
+gevangenneming van schrik overleden is. Deze ellendeling, die de
+kracht van een reus bezit, had middel gevonden te ontvluchten, maar
+drie of vier dagen na zijn vlucht vatte de politie hem opnieuw te
+Parijs, juist toen hij in een der kleine rijtuigen steeg, die van
+de hoofdstad naar het dorp Montfermeil (Seine-et-Oise) rijden. Men
+zegt, dat hij zich dezen tijd van drie of vier dagen vrijheid ten
+nutte had gemaakt om een aanzienlijke som, welke hij bij een onzer
+voornaamste bankiers had geplaatst, terug te nemen. Men schat deze som
+op zes- of zevenhonderd duizend francs. Hij zou ze, volgens de akte
+van beschuldiging, begraven hebben op eene hem alleen bekende plek,
+en men heeft ze niet kunnen ontdekken, hoe het zij, de genoemde Jean
+Valjean is voor het hof van assises van het departement du Var gevoerd,
+als beschuldigd van diefstal op den openbaren weg, gewapenderhand
+gepleegd, nu omstreeks acht jaar geleden, op een dier eerlijke knapen,
+die, gelijk de patriarch van Ferney in onsterfelijke dichtregelen zegt:
+
+
+ "--de Savoie arrivent tous les ans
+ "Et dont la main légèrement essuie
+ "Ces longs canaux engorgés par la suie. [3]
+
+
+"Deze bandiet heeft geweigerd zich te verdedigen. 't Is door het
+bekwaam en welsprekend orgaan van het openbaar ministerie bewezen,
+dat de dief medeplichtigen had en Jean Valjean tot een bende dieven
+van 't zuiden behoorde. Bijgevolg is Jean Valjean schuldig verklaard
+en tot de straffe des doods veroordeeld. De misdadiger had geweigerd
+zich in cassatie te voorzien. De koning heeft, in zijn onuitputtelijke
+goedertierenheid, zich verwaardigd zijn straf te verzachten en ze in
+eeuwigdurenden dwangarbeid te veranderen. Jean Valjean is terstond
+naar het bagno van Toulon overgebracht."
+
+Men zal niet vergeten hebben, dat Jean Valjean te M. sur M. de
+plichten van zijnen godsdienst trouw vervulde. Sommige dagbladen,
+onder andere de Constitutionnel, stelden deze verzachting van straf
+voor als het werk der priesterpartij.
+
+Jean Valjean kreeg in het tuchthuis een ander nommer. Hij heette 9430.
+
+Zeggen wij overigens, om er niet op terug te komen, dat met Madeleine
+ook de bloei van M. sur M. verdween; al wat hij had voorzien in dien
+bewusten radeloozen nacht verwezenlijkte zich; toen hij weg was,
+was inderdaad de ziel weg. Na zijn val volgde te M. sur M. die
+zelfzuchtige verdeeling van gevallen grootheid, die noodlottige
+verbrokkeling van bloeiende zaken, welke dagelijks onopgemerkt in
+de menschelijke maatschappij voorkomt, en waarvan de geschiedenis
+alleen melding heeft gemaakt, toen zij na den dood van Alexander
+plaats had. De onderbevelhebbers werpen zich tot koningen op; de
+meesterknechts maken zich tot fabrikanten. Afgunstige mededinging
+verhief zich. De groote werkplaatsen van Madeleine werden gesloten;
+de gebouwen vervielen; de werklieden verstrooiden zich. Eenigen
+verlieten het oord, anderen het beroep. Nu werd alles in 't klein,
+in plaats van in 't groot, gedreven; voor 't eigen voordeel, in
+plaats van voor 't algemeen welzijn. Er was geen middelpunt meer;
+overal concurrentie en vijandigheid. De heer Madeleine had alles
+beheerscht en bestierd. Nu hij was gevallen, haalde ieder wat hij
+kon; de geest van strijd verving den geest van samenwerking; ruwheid
+de hartelijkheid, onderlinge haat de welwillendheid des stichters
+jegens een ieder; de door Madeleine geweven draden raakten verward en
+braken; men vervalschte de fabrikaten, het fabrikaat werd slechter,
+het vertrouwen hield op, het vertier nam af, het loon verminderde,
+het werk werd gestaakt, de zaak ging op de flesch. Voor de armen
+bleef niets meer. Alles verdween.
+
+Zelfs de Staat bespeurde, dat ergens iets vernietigd moest zijn. Eer
+vier jaren verloopen waren na het vonnis van het hof van assises,
+dat de identiteit van Madeleine en van Jean Valjean uitsprak, waren
+de vervolgingskosten ter inning der belastingen in het arrondissement
+M. sur M. verdubbeld; in de maand Februari 1827 maakte de heer Villèle
+deze opmerking in de Kamer.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+WAARIN MEN TWEE DICHTREGELS ZAL LEZEN, DIE MISSCHIEN VAN DEN DUIVEL
+ZIJN.
+
+
+Voor wij verder gaan is 't noodig, eenigszins omstandig een zonderling
+feit te verhalen, 't welk te zelfder tijd te Montfermeil plaats had
+en misschien niet zonder invloed was op zekere gissingen van het
+openbaar ministerie.
+
+In de omstreken van Montfermeil bestaat een zeer oud bijgeloof, te
+vreemder en merkwaardiger, wijl een volksbijgeloof in de nabuurschap
+van Parijs als een aloë in Siberië is. Wij behooren tot degenen die
+achting voor zeldzame planten hebben. Het bijgeloof van Montfermeil
+bestaat hierin: sinds onheugelijke tijden gelooft men, dat de duivel de
+bosschen kiest om er zijn schatten te begraven. Oude vrouwen beweren
+dat het niet zeldzaam is tegen den avond, in afgelegen hoeken van
+het bosch, een zwarten man te ontmoeten, die het voorkomen van een
+voerman of houthakker heeft, met klompen aan de voeten, gekleed in een
+linnen broek en kiel, en herkenbaar aan twee groote hoorns, in plaats
+van muts of hoed op het hoofd. Inderdaad, dit moet hem wel kenbaar
+maken. Deze man is gewoonlijk bezig met een kuil te graven. Men kan
+zich op drieërlei wijze bij zulk eene ontmoeting gedragen. Vooreerst,
+door tot den man te gaan en hem aan te spreken. Dan ziet men dat de
+man eenvoudig een boer is, dat hij zwart schijnt, omdat het avond is,
+dat hij volstrekt geen kuil graaft, maar gras voor zijn koeien snijdt,
+en dat zijn gewaande hoorns niets anders zijn dan een mestvork,
+die hij op den rug draagt en wier tanden, op een afstand gezien,
+uit zijn hoofd schijnen te komen. Men gaat naar huis en sterft binnen
+een week. De tweede wijze is, hem gade te slaan, te wachten tot hij
+zijn kuil gegraven, dien weder dicht gemaakt heeft en heen is gegaan:
+dan haastig naar den kuil te loopen, dien te openen, en den "schat"
+er uit te halen, dien de zwarte man er noodwendig heeft in gelegd. In
+dat geval sterft men binnen een maand. Eindelijk de derde manier is,
+den zwarten man niet toe te spreken, hem niet aan te zien en zoo snel
+mogelijk weg te loopen. Men sterft dan binnen een jaar.
+
+Aangezien alle drie manieren hare bezwaren hebben, wordt de tweede, die
+ten minste eenige voordeelen biedt, onder anderen dat van--al is het
+slechts gedurende een maand--een schat te bezitten, het meest gevolgd.
+
+Naar men verzekert hebben stoutmoedige mannen zich dikwijls door de
+kans laten verlokken, om de door den zwarten man gegraven kuilen weder
+te openen en den duivel te bestelen. Het schijnt dat de uitkomst weinig
+bevredigend is. Ten minste zoo men de overlevering mag gelooven,
+en inzonderheid de beide raadselachtige versregels in barbaarsch
+Latijn, omtrent deze zaak nagelaten door een Normandischen monnik,
+die min of meer toovenaar was, Tryphon geheeten. Deze Tryphon is in
+de abdij van St. Georges de Bocherville bij Rouaan begraven en op
+zijn graf worden padden geboren.
+
+Men doet dus groote inspanningen; deze kuilen zijn gewoonlijk zeer
+diep; men zweet, delft, werkt den geheelen nacht, want dit geschiedt
+'s nachts; het hemd wordt nat, de kaars verbrandt, de spade wordt
+bot, en wanneer men op den bodem van den kuil is gekomen, wanneer men
+de hand op den "schat" legt, wat vindt men? wat is de schat van den
+duivel? een stuiver, soms een kroonstuk; een steen, een geraamte, een
+bloedend lijk, vaak een spook als een blad papier in een portefeuille
+in vieren gevouwen, soms niets. Dit schijnen de versregels van Tryphon
+den onbescheiden nieuwsgierigen aan te kondigen:
+
+
+ Fodit, et in fossa thesauros condit opaca,
+ As, nummos, lapides, cadaver, simulacra nihilque.
+
+
+'t Schijnt dat men er in onze dagen ook nu eens een kruithoorn met
+kogels, dan weder een oud, smerig en gebrand spel speelkaarten vindt,
+dat duidelijk den duivels heeft gediend. Tryphon spreekt van deze
+beide dingen niet, wijl Tryphon in de twaalfde eeuw leefde en de
+duivel niet zoo leep schijnt geweest te zijn het buskruit vóór Roger
+Bacon en de speelkaarten vóór Karel VI uitgevonden te hebben.
+
+Overigens is men zeker, dat, zoo men met deze kaarten speelt, men
+alles verliest wat men bezit; en het buskruit in den hoorn heeft de
+eigenschap, dat het u 't geweer in 't gezicht doet springen.
+
+Korten tijd nu, na het aan 't openbaar ministerie geschenen had, dat
+de ontslagen galeislaaf Jean Valjean, gedurende zijn korte vlucht van
+weinige dagen, om Montfermeil had gezworven, merkte men in dit dorp op,
+dat een zekere oude wegwerker, Boulatruelle geheeten, druk het bosch
+bezocht. Men meende in het oord te weten, dat Boulatruelle in het
+bagno was geweest; hij was eenigerwijs onder toezicht der politie, en
+wijl hij nergens werk vond, gebruikte het bestuur hem tegen verminderd
+loon als wegwerker aan den binnenweg van Gagny naar Lagny.
+
+Deze Boulatruelle was een man, die door de lieden van het dorp schuins
+werd aangezien; hij was al te onderdanig, te deemoedig, te gereed
+om voor ieder de pet af te nemen, bevende en glimlachende tegen de
+gendarmes, en stond, meende men, waarschijnlijk met dievenbenden in
+betrekking, en in verdenking van zich 's avonds in 't kreupelhout in
+hinderlaag te leggen.
+
+Men meende 't volgende te hebben opgemerkt:
+
+Sedert eenigen tijd verliet Boulatruelle vroegtijdig zijn arbeid bij
+'t bepuinen en in orde houden van den weg, om met zijn spade naar het
+bosch te gaan. Men ontmoette hem tegen den avond op de eenzaamste
+plaatsen, in het dichtste houtgewas, met het voorkomen alsof hij
+iets zocht, en soms bezig kuilen te graven. De oude vrouwen die
+voorbijgingen hielden hem aanvankelijk voor Beëlzebub, doch spoedig
+herkenden zij Boulatruelle en waren hier weinig geruster om. Deze
+ontmoetingen schenen Boulatruelle schrikkelijk te hinderen. 't Was
+duidelijk, dat hij zich trachtte te verbergen en iets geheimzinnigs
+uitvoerde.
+
+Men zeide in het dorp:--Zekerlijk heeft de duivel zich
+vertoond. Boulatruelle heeft hem gezien en zoekt. Hij is er wel
+toe in staat om Lucifer zijn schat te ontkapen.--De Voltairianen
+voegden er bij: Zal Boulatruelle den duivel beet hebben of de duivel
+Boulatruelle?--De oude vrouwen kruisten zich ijverig.
+
+Intusschen hielden de bezoeken van Boulatruelle in het bosch op, en hij
+was weer geregeld aan zijn wegarbeid. Men sprak weer van iets anders.
+
+Er waren echter eenige nieuwsgierigen gebleven, die meenden dat niet
+de fabelachtige schatten der legende hierin betrokken waren, maar
+een goede, degelijker en tastbaarder vond dan de bankbriefjes van den
+duivel, en waarvan de wegwerker waarschijnlijk half en half het geheim
+had ontdekt. De meest belangstellenden waren de schoolmeester en de
+kroeghouder Thénardier, die gaarne de vriend van ieder wilde zijn en
+'t niet versmaad had met Boulatruelle te verkeeren.--Hij is wel op
+de galeien geweest, zeide Thénardier, maar mijn hemel, men weet niet
+wie daar is, of wie er nog komen zal!
+
+Op zekeren avond betuigde de schoolmeester, dat de justitie vroeger
+wel onderzocht zou hebben wat Boulatruelle in het bosch ging doen,
+dat hij wel had moeten spreken, dat men hem desnoods op de pijnbank
+zou hebben gebracht, en dat Boulatruelle bij voorbeeld de waterproef
+niet zou hebben doorstaan.--Laten wij hem aan de wijnproef onderwerpen,
+zei Thénardier.
+
+Men maakte alles gereed en deed den ouden wegwerker
+drinken. Boulatruelle dronk ontzaggelijk veel en sprak weinig. Hij
+vereenigde, met wonderbare knapheid en in een meesterlijke
+verhouding, den dorst van een zwelger met de stilzwijgendheid van
+een rechter. Evenwel, door herhaalde aanvallen, en door de weinige
+onduidelijke woorden welke hem ontsnapten samen te voegen en te
+verbinden, meenden Thénardier en de schoolmeester het volgende begrepen
+te hebben:
+
+Boulatruelle zou op zekeren ochtend, dat hij zich bij het krieken
+van den dag naar zijn werk begaf, verrast zijn geworden door in een
+hoek van het bosch onder 't kreupelhout een schop en een houweel
+te vinden, die daar zoo 't scheen verborgen waren. Hij had evenwel
+gemeend, dat het waarschijnlijk de schop en het houweel van den ouden
+Six-Fours, den waterdrager, waren, en hij had er niet verder over
+gedacht. Maar des avonds van denzelfden dag zou hij, zelf onbemerkt,
+daar hij achter een dikken boom verscholen stond, een man hebben
+gezien, die zich van den weg naar het dichtst van het bosch begaf,
+"en welke man volstrekt niet uit de omstreken was, maar dien hij,
+Boulatruelle, zeer goed kende." Thénardier's vertaling hiervan was:
+"Een makker uit het bagno." Boulatruelle had hardnekkig geweigerd den
+naam te zeggen. Deze vreemde droeg een pakje, een vierkant voorwerp,
+als een groote doos of klein kistje. Boulatruelle was verwonderd. 't
+Was echter eerst na zeven of acht minuten, dat de gedachte bij hem
+opkwam den man te volgen. Maar 't was te laat, de man was reeds in
+het dichte houtgewas; het was donker geworden, en Boulatruelle had
+hem niet kunnen vinden. Toen had hij besloten aan den kant van 't
+bosch te wachten. 't Was lichte maan. Twee of drie uren later had
+Boulatruelle zijn man uit het kreupelhout zien komen, die nu geen
+kistje, maar een spade en een houweel droeg. Boulatruelle had den
+man laten voorbijgaan, maar durfde hem niet aanspreken, omdat hij
+bij zich zelven zeide, dat de andere driemaal sterker was dan hij, en
+met een schop gewapend, zoodat hij hem waarschijnlijk zou doodslaan,
+wanneer hij hem herkende en zich herkend zag. Een teedere opwelling
+van twee oude makkers, die elkander wedervinden! Maar de spade en het
+houweel waren voor Boulatruelle een lichtstraal geweest; hij was naar
+het struikgewas van des ochtends geijld, doch had er noch spade noch
+houweel meer gevonden. Daaruit had hij besloten, dat zijn man in het
+bosch was gegaan om met het houweel een gat te graven, het koffertje
+er in verborgen, en het gat met de spade dicht gemaakt had. Nu was
+het koffertje te klein om een lijk te bevatten, het moest dus geld
+bevatten. Tengevolge daarvan zijn navorschingen. Boulatruelle had
+het geheele bosch onderzocht, doorsnuffeld, en overal waar de aarde
+hem versch omgewoeld scheen, ze opgegraven. Vruchteloos.
+
+Hij had niets gevonden. Niemand dacht er meer aan in
+Montfermeil. Slechts eenige oude vrouwen zeiden: Wees verzekerd, dat
+de wegwerker van Gagny al die moeite niet voor niets heeft gedaan;
+de duivel is er bij in 't spel.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ER MOET AAN DE KETEN VOORAF IETS GESCHIED ZIJN, OM MET ÉÉN HAMERSLAG
+TE SPRINGEN.
+
+
+Tegen het einde van October van hetzelfde jaar 1823 zagen de inwoners
+van Toulon, tengevolge van hevig stormweder, en om eenige averij te
+herstellen, het schip de Orion hun haven binnenloopen, welk schip
+later te Brest tot exercitie-schip diende, maar toen tot het eskader
+der Middellandsche zee behoorde.
+
+Dit vaartuig, hoe ontredderd het was, want de zee had het deerlijk
+geteisterd, verwekte opzien toen het ter reede kwam. Ik weet niet
+meer welke vlag het voerde, die het een voorgeschreven saluut van elf
+schoten bezorgde, welke door het schip schot voor schot beantwoord
+werden: in 't geheel dus twee en twintig schoten. Men heeft berekend,
+dat voor salvo's, koninklijke en militaire eerbewijzen, wisseling van
+beleefd rumoer, etiquette-seinen, reede- en vestingsformaliteiten,
+de dagelijksche begroeting van het op- en ondergaan der zon door de
+vestingen en de oorlogsschepen, het openen en sluiten der havens
+enz. enz. door de beschaafde wereld over de geheele aarde elke
+vier-en-twintig uren honderd vijftig duizend nuttelooze kanonschoten
+met los kruit worden gedaan. Tegen zes francs het schot berekend,
+komt dit op negenhonderd duizend francs daags, driehonderd millioen 's
+jaars, die in rook vergaan. Dit is slechts een staaltje. In denzelfden
+tijd sterven er, wie weet hoeveel armen van honger.
+
+Het jaar 1823 was, wat de restauratie het tijdvak van den "Spaanschen
+oorlog" heeft genoemd.
+
+Deze oorlog bevatte vele gebeurtenissen in één enkele, en een
+menigte zonderlingheden. Een gewichtige familiezaak voor het huis
+van Bourbon; de Fransche tak hielp en beschermde den Madridschen
+tak, dat wil zeggen, hij deed zich als de oudere gelden; 't was een
+schijnbare terugkeer tot onze nationale overleveringen, gepaard aan
+de dienstbaarheid en onderwerping der noordsche kabinetten; de hertog
+van Angoulême, door de liberale bladen "de held van Andujar genoemd,"
+met een zegevierende houding, die eenigszins met zijn vreedzaam
+voorkomen in tegenspraak was, het oude wezenlijke schrikbewind van het
+heilige officie bedwingend, dat met het hersenschimmig schrikbewind
+der liberalen handgemeen was; de sansculottes tot grooten schrik
+der douairières onder den naam van descamisados herrijzend; het
+koningschap zich tegen den vooruitgang, met den naam van anarchie
+bestempeld, verzettend; de theorieën van 89 plotseling tot onder den
+grond afgebroken; een Europeesche stilstand aan de Fransche idee,
+die de wereld rondgaat, toegeroepen; aan de zijde van den zoon van
+Frankrijk, als generalissimus, de prins van Carignan, later Karel
+Albert, die in dezen kruistocht der koningen tegen de volken als
+vrijwilliger met roode wollen grenadiers epauletten dienst neemt; de
+soldaten van het Keizerrijk weder te veld gaande, maar na acht jaren
+rust, verouderd, somber en met de witte kokarde; de driekleurige vlag
+in den vreemde door een heldhaftig hoopje Franschen opgestoken, zooals
+dertig jaren vroeger de witte vlag te Coblentz werd gedaan; de monniken
+onder onze soldaten gemengd; de geest van vrijheid en nieuwheid door de
+bajonetten tot rede gebracht; de beginselen met kanonschoten vastgezet;
+Frankrijk door zijn wapenen vernietigende, wat het door zijn geest
+had opgericht; overigens, de vijandelijke opperhoofden omgekocht, de
+soldaten aarzelend, de steden belegerd door millioenen; geen militaire
+gevaren en toch ontploffingen mogelijk, evenals in elke mijn, die
+verrast en genomen wordt; weinig bloed vergoten, weinig eer verworven,
+schande voor eenigen, glorie voor niemand; zoodanig was deze oorlog,
+begonnen door vorsten, die afstamden van Lodewijk XIV, en geleid door
+generaals, die afkwamen van Napoleon. Zij had het treurige lot, noch
+den grooten oorlog, noch de groote politiek in herinnering te brengen.
+
+Eenige wapenfeiten waren van beteekenis; de inneming van het Trocadero
+o. a. was een schoone militaire daad; maar over 't algemeen geven
+de trompetten van dien oorlog een gebarsten geluid, het geheel
+was verdacht, de geschiedenis erkent Frankrijk's moeilijkheid in
+de aanneming van den valschen triomf. Het bleek klaar, dat sommige
+Spaansche officieren met den weerstand belast, te gemakkelijk toegaven,
+het idée van omkooping plaatste zich naast de overwinning; het scheen,
+dat men eerder de generaals dan de veldslagen had gewonnen, en de
+overwinnende keerde beschaamd terug. Een treurige oorlog waarlijk,
+waarin men Bank van Frankrijk lezen kon in de plooien der vlag!
+
+Soldaten uit den oorlog van 1808, op wie Saragossa geweldig inéén was
+gestort, fronsten de wenkbrauwen in 1823 bij de gemakkelijke opening
+der citadellen, en begonnen Palafox te betreuren.
+
+En nog een gezichtspunt is er, dat zeer in 't oog moet worden gevat:
+deze oorlog, die den militairen geest neerdrukte, verontwaardigde
+dien der democratie. Het was een poging tot onderwerping, tot
+dienstbaarmaking. In dien veldtocht was het doel van den Franschen
+soldaat, zoon der democratie, de overwinning van een juk voor
+anderen. Afschuwelijke tegenstrijdigheid.
+
+Frankrijk is er voor aangewezen, om den geest der volkeren op
+te wekken, niet om dien te verstikken. Sedert 1792 zijn alle
+revoluties van Europa de Fransche Revolutie; de vrijheid straalt
+uit van Frankrijk. De vrijheid is daar de zon. Wie het niet ziet,
+is blind! Napoleon heeft het gezegd.
+
+De oorlog van 1823, aanslag op de edelmoedige Spaansche natie, was
+dus tevens een aanslag op de Fransche Revolutie. En deze weg van
+monsterachtig geweld werd door Frankrijk ingeslagen; door geweld;
+want, buiten en behalve de bevrijdingsoorlogen, geschiedt alles
+wat de legers doen door geweld. Het woord lijdelijke gehoorzaamheid
+duidt het aan. Een leger is een vreemd meesterstuk van samenstel,
+waarin de kracht en de macht het gevolg is eener enorm groote som
+van onmachtige grootheden. Zoo laat zich de oorlog verklaren, door
+de menschheid tegen de menschheid gevoerd, ondanks de menschelijkheid.
+
+Wat de Bourbons betreft, hun was de oorlog van 1823 noodlottig. Zij
+hielden hem voor een succes. Zij zagen niet, welk gevaar er in is
+gelegen, een idée te laten dooden door een wachtwoord. Zij vergisten
+zich in die mate, dat ze, onnoozel genoeg, in hun staatsinstelling als
+krachtselement opnamen de onberekenbare verzwakking van een misdaad. De
+geest van misleiding en verraad kwam in hun politiek. De kiem van 1830
+ligt in 1823. De veldtocht van Spanje werd in hun raadsvergaderingen
+een argument voor de Coup's de force en voor de avonturen van het
+goddelijk recht. Frankrijk, dat el rey neto hersteld had in Spanje,
+kon daar ook den absoluten koning herstellen. Zij vervielen in die
+jammerlijke dwaling, dat ze de gehoorzaamheid van den soldaat voor
+de toestemming der natie hielden. Dat vertrouwen is de ondergang der
+tronen. Men mag evenmin inslapen in de schaduw van een leger als in
+die van een giftappelboom.
+
+Maar laten we tot de Orion terugkeeren.
+
+Gedurende de operaties van het leger, aangevoerd door den
+prins-generalissimus, kruiste een escader in de Middellandsche
+Zee. We zeiden reeds dat de Orion bij dat escader hoorde en dat
+het door verschillende zee-omstandigheden in de haven van Toulon
+was teruggevoerd.
+
+De aanwezigheid van een oorlogsschip in een haven heeft steeds zeker
+iets, dat de menigte lokt en bezig houdt.
+
+Het komt omdat het iets grootsch is, en de menigte het grootsche
+bemint.
+
+Een linieschip is een der heerlijkste samenwerkingen van het
+menschelijk genie met de macht der natuur.
+
+Een linieschip is samengesteld uit het zwaarste en het lichtste tevens,
+wijl het tegelijkertijd met de drie vormen der stof te doen heeft,
+met den vasten, vloeibaren en luchtvormigen, en met alle drie moet
+worstelen. Het heeft elf ijzeren klauwen om het graniet op den bodem
+der zee te grijpen, en meer vleugels en vliezen dan eenig insect,
+om den wind in de wolken te vatten. Zijn adem komt uit zijn honderd
+twintig kanonnen als uit groote klaroenen, en komt met den donder
+overeen. De oceaan tracht het te doen verdwalen in de vreeselijke
+gelijkheid zijner golven, maar het schip heeft zijn ziel, zijn kompas,
+die het raad geeft en immer het noorden wijst. In donkere nachten
+vervangen zijn lantaarns de sterren. Het heeft dus touw en doek tegen
+den wind, hout tegen het water, ijzer, koper en lood tegen de rots,
+licht tegen de duisternis, een wijzer tegen de onmetelijkheid.
+
+Om zich een denkbeeld te maken van al de reusachtige verhoudingen, wier
+geheel het linieschip vormt, behoeft men slechts een der overdekte
+hellingen van zes verdiepingen van Brest of van Toulon binnen te
+gaan. De daar in aanbouw zijnde schepen staan om zoo te zeggen onder
+een stolp. Die reusachtige balk is een ra; deze groote, op den grond
+liggende, schier onafzienbare kolom is de groote mast. Van zijn wortel
+in de kiel tot aan zijn top in de wolken is hij zestig vademen lang,
+en aan zijn basis drie voet in middellijn. De groote Engelsche mast
+verheft zich tweehonderd zeventien voet boven de waterlinie. In
+vroegeren tijd gebruikte de marine kabels, thans kettingen. De enkele
+stapel kettingen op een schip van honderd stukken is vier voet hoog,
+twintig voet lang, acht voet breed. En hoeveel hout is er noodig om
+zulk een schip te maken? Drie duizend wissen, (vierkante ellen). 't
+Is een drijvend woud.
+
+En, men bedenke wel, wij spreken hier slechts van het oorlogsschip
+van voor veertig jaren, van het gewone zeilschip; de stoom, toen in
+haar geboorte, heeft sedert nieuwe mirakelen gevoegd bij dat wonder,
+'t welk een oorlogsschip heet. Op dit oogenblik, bij voorbeeld, is
+het zeil- en stoomschip een wonderbare machine, voortgestuwd door
+een zeilwerk van drie duizend vierkante ellen oppervlakte en een
+stoomvermogen van twee duizend vijfhonderd paardekrachten.
+
+Zonder van deze nieuwe wonderen te spreken, is zelfs het oude schip van
+Christophorus Columbus en de Ruyter een der grootste kunstgewrochten
+van den mensch. Zijn kracht is onuitsprekelijk als het oneindige,
+het bewaart den wind in zijn zeilen, het beweegt zich met juistheid
+in de ontzaggelijke verwarring der golven; het drijft en heerscht.
+
+Evenwel komt een oogenblik, dat de rukwind deze zestig voet lange ra
+als een stroohalm breekt, dat de storm dezen vierhonderd voet hoogen
+mast als een riet buigt; dat dit anker 't welk tien duizend pond weegt,
+in den muil der baren gekromd wordt als de vischangel in de kieuwen
+van een snoek; dat deze monsterachtige kanonnen een jammerend maar
+vruchteloos gebrul slaken, 't welk de orkaan in de lucht en den nacht
+wegvoert; dat al deze macht, al deze majesteit in een hoogere macht
+en majesteit verdwijnen.
+
+Wanneer een ontzaggelijke kracht zich ontwikkelt om in een
+ontzaggelijke zwakheid onder te gaan, trekt dit de aandacht des
+menschen. Daardoor worden in de zeehavens de nieuwsgierigen, zonder
+dat zij er zich zelven rekenschap van geven, tot deze wonderbare
+werktuigen van den oorlog en de zeevaart gelokt.
+
+Alzoo waren dagelijks van 's morgens tot 's avonds de kaden en de
+havenhoofden van Toulon bedekt met een aantal nieuwsgierigen en
+straatslijpers, om naar de Orion te kijken.
+
+Sinds lang was de Orion een uitgediend schip. Op zijn vorige tochten
+hadden zich dikke schelplagen aan zijn kiel gehecht, zoodat het
+de helft van zijn snelheid had verloren; ten vorigen jare was
+het op het droog gehaald om de schelpen er af te krabben, en toen
+was het weder in zee gelaten. Maar deze afkrabbing had de bouten
+der kiel beschadigd. Op de hoogte der Balearische eilanden had de
+sluitrand sterk gewerkt en zich geopend, en dewijl destijds nog geen
+ijzeren bekleedingen bestonden, was het schip lek geworden. Een dier
+hevige evennachtsstormen had aan bakboordszijde het galjoen en een
+geschutpoort ingeslagen, en de fokkemast beschadigd. Tengevolge dezer
+averij was de Orion naar Toulon teruggekeerd.
+
+Het schip lag bij het Arsenaal vertuid. Het was nog gewapend en men
+was bezig het te herstellen. De romp was aan stuurboordzijde niet
+beschadigd, maar, naar gewoonte, was de buitenhuid hier en daar
+geopend om lucht in 't hol te laten.
+
+Op zekeren ochtend waren de toeschouwers getuigen van een ontzettend
+ongeluk.
+
+De equipage was bezig met de zeilen te reven. De matroos, wien gelast
+was het groote marszeil aan stuurboordzijde te vatten, verloor het
+evenwicht. Men zag hem waggelen: de menigte op de kade van het arsenaal
+verzameld slaakte een kreet, het hoofd sleepte het lichaam mede, de
+man draaide om de ra met de handen naar den afgrond gekeerd; hij greep
+in zijn val eerst met de eene, toen met de andere hand de ralijn en
+bleef er aan hangen. De zee was tot een duizelingwekkende diepte onder
+hem. De schok van zijn val had aan de ralijn een geweldig schommelende
+beweging gegeven. De man slingerde aan dat touw heen en weder.
+
+'t Was ontzettend gevaarlijk hem te hulp te komen. Geen der matrozen,
+allen kustvisschers, die eerst onlangs in dienst waren gekomen, durfde
+het wagen. Intusschen werd de ongelukkige matroos vermoeid; men kon
+zijn doodsangst wel niet op zijn gezicht zien, doch aan al zijn leden
+bespeurde men uitputting. Zijn armen rekten zich vreeselijk. Iedere
+poging, welke hij deed om zich op te werken, diende slechts om de
+ralijn te meer te doen slingeren. Hij schreeuwde niet, ten einde geen
+kracht te verliezen. Men verwachtte elk oogenblik niets anders dan
+hem het touw te zien loslaten, en telkens draaiden zich de hoofden
+om, ten einde hem niet te zien vallen. Er zijn oogenblikken, dat
+een eind touw, een staak, een boomtak het leven zelf is, en 't is
+vreeselijk om te zien, dat een levend wezen het loslaat en als een
+rijpe vrucht neervalt.
+
+Eensklaps zag men een man met de vlugheid van een kat in het want
+klimmen. Deze man was in 't rood gekleed; hij was dus een galeislaaf;
+hij had een groene muts op, dus een levenslang veroordeelde. Ter
+hoogte der mars gekomen, wierp een windvlaag hem de muts af en deed
+een geheel wit hoofd zien; hij was dus niet jong.
+
+Inderdaad, een tuchteling, die met anderen uit het bagno op het schip
+voor eenigen arbeid werd gebruikt, was dadelijk naar den officier van
+de wacht geijld, en onder de verwarring en ontsteltenis der geheele
+equipage, terwijl alle matrozen huiverden en terugtraden, had hij
+den officier verlof gevraagd zijn leven te mogen wagen om den man te
+redden. Op een toestemmend gebaar van den officier had hij met éénen
+hamerslag de keten, waaraan zijn been was geboeid, stuk geslagen;
+daarna greep hij een touw en had zich in 't want geslingerd. Niemand
+had opgemerkt hoe gemakkelijk de keten stuk geslagen was. Eerst later
+herinnerde men zich dit.
+
+In een oogenblik was hij op de ra. Hij hield eenige seconden stil en
+scheen ze met zijn blik te meten. Deze seconden, gedurende welke de
+wind den matroos aan een draad schommelde, schenen eeuwen voor hen die
+'t aanschouwden. Eindelijk hief de tuchteling de oogen ten hemel en
+deed een stap vooruit. De menigte ademde ruimer. Men zag hem over de ra
+gaan. Toen hij aan 't eind was gekomen, bond hij een touw, dat hij had
+medegebracht, er aan vast en liet het andere eind hangen; vervolgens
+liet hij zich langs dit touw afglijden en in doodelijken angst zag
+men nu, in plaats van één, twee menschen boven den afgrond hangen.
+
+'t Was als een spin, die zich op een vlieg werpt, maar hier bracht
+de spin het leven en niet den dood. Duizenden oogen waren op deze
+groep gericht. Geen kreet, geen woord, een gelijke siddering fronste
+aller wenkbrauwen. Aller monden hielden den adem in, als vreesden zij
+het minste tochtje te voegen bij den wind, die de beide rampzaligen
+bengelde.
+
+'t Was intusschen den tuchteling gelukt tot den matroos te dalen,
+'t was ook tijd; een minuut langer en de uitgeputte, wanhopende man
+zou zich in den afgrond hebben laten vallen; de tuchteling had hem
+stevig aan het touw vastgebonden, waaraan hij zich met de eene hand
+hield, terwijl hij met de andere zich opwerkte. Eindelijk zag men
+hem weder op de ra klauteren en den matroos ophijschen; hij liet
+hem hier een oogenblik rusten om hem zijn krachten te doen hernemen;
+vervolgens nam hij hem in zijn armen en droeg hem over de ra tot aan
+het ezelshoofd, en van daar in de mars, waar hij hem in de handen
+zijner kameraden gaf. Op dit oogenblik brak een levendig gejuich uit,
+oude galei-opzichters weenden, vrouwen vlogen elkander op de kade om
+den hals; en men hoorde uit aller mond, met een soort van verteederde
+woede den kreet: genade voor dien man!
+
+Hij was intusschen terstond naar beneden geklommen, om zijn werk te
+hervatten. Om er te spoediger te zijn, liet hij zich langs het want
+glijden en liep over een benedenra. Aller oogen volgden hem. Een
+oogenblik schrikte men; hetzij dat hij vermoeid was, hetzij dat hij
+duizelde, men meende hem te zien aarzelen en waggelen. Eensklaps
+slaakte de menigte een luiden kreet; de tuchteling was in zee gevallen.
+
+Een gevaarlijke val. Het fregat de Algesiras lag naast de Orion
+en de arme tuchteling was tusschen beide schepen gevallen. Het was
+te vreezen, dat hij onder het eene of het andere zou drijven. Vier
+mannen sprongen haastig in een sloep. De menigte moedigde hen aan;
+opnieuw waren alle harten in angst. De man was niet weer boven
+water gekomen. Hij was in de zee gevallen zonder een rimpel achter
+te laten, als ware hij in een ton olie gevallen. Men peilde, men
+dook. Vruchteloos. Men zocht tot den avond; men vond zelfs het
+lichaam niet.
+
+Den volgenden dag bevatte het dagblad van Toulon deze weinige
+regelen:--"17 November 1823.--Gisteren is een tuchteling, die aan
+boord van den Orion op corvée was, nadat hij een matroos uit een
+doodsgevaar had gered, in zee gevallen en verdronken. Men heeft
+zijn lijk niet kunnen wedervinden. Men vermoedt dat hij onder de
+palen aan den kant van 't Arsenaal is geraakt. Deze man stond in
+'t gevangenisregister onder No. 9430 en heette Jean Valjean."
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK III.
+
+VERVULLING VAN DE BELOFTE AAN DE STERVENDE GEDAAN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE WATERTOESTAND TE MONTFERMEIL.
+
+
+Montfermeil ligt tusschen Livry en Chelles op den zuidelijken zoom van
+het hooge bergplat, dat de Ourque van de Marne scheidt. Tegenwoordig
+is het een tamelijk groot dorp, dat het geheele jaar door met witte
+villa's, en des Zondags met uitgedoste burgers versierd is. In
+1823 zag men te Montfermeil noch zoovele witte huizen, noch zooveel
+vergenoegde burgers: 't was niets dan een dorp in een bosch. Men vond
+er wel hier en daar eenige lusthuizen der vorige eeuw, herkenbaar
+aan hun grootsch voorkomen, hun ijzeren balkons en hooge vensters,
+wier kleine glasruiten op de witte gesloten blinden allerlei soort
+van groene kleur vertoonen. Montfermeil was evenwel een dorp. De
+rentenierende ex-winkeliers en de minnaars van het landleven hadden
+het nog niet ontdekt. 't Was een vreedzaam, bekoorlijk oord, waar
+geen enkele weg langs liep; men leefde er goedkoop op landelijke
+wijs, onbekrompen en gemakkelijk. Alleen het water was er schaarsch,
+uithoofde der hooge ligging.
+
+Het moest tamelijk ver gehaald worden. Het einde van het dorp aan de
+zijde van Gagny putte zijn water uit de heerlijke vijvers, die daar
+in het bosch zijn; het andere einde, dat de kerk omgeeft, en aan de
+zijde van Chelles ligt, vond geen drinkbaar water dan aan een kleine
+bron, halfweg Chelles, bijna een kwartier van Montfermeil.
+
+'t Was voor ieder gezin dus een moeielijk werk zich van 't benoodigde
+water te voorzien. De groote huizen, de aristocratie, de kroeg
+van Thénardier behoorde hier ook onder, betaalden een oordje voor
+iederen emmer aan een ouden man, die hieruit een bestaan maakte,
+en die met dit waterbedrijf ongeveer acht stuivers daags verdiende;
+maar deze man werkte des zomers slechts tot zeven ure 's avonds,
+en des winters tot vijf ure; zoodra het donker was geworden en de
+vensterluiken gesloten waren, moest ieder die water wilde hebben het
+zelf zien te krijgen of het zonder doen.
+
+Dit was de schrik van het arme wezen, 't welk de lezer wel niet
+vergeten zal hebben, de kleine Cosette.
+
+Men herinnert zich, dat Cosette den Thénardier's op tweeërlei
+wijze nuttig was: zij lieten zich door de moeder betalen en door
+het kind bedienen. Toen de moeder geheel ophield te betalen--men
+heeft de reden ervan in de vorige hoofdstukken gelezen--behielden de
+Thénardier's evenwel Cosette. Zij verving voor hen een dienstbode. In
+deze hoedanigheid nu, ging zij water halen wanneer men 't moest
+hebben. Maar het kind, dat zeer bang was 's avonds naar de bron te
+gaan, zorgde dat er steeds water in huis was.
+
+Het Kerstfeest van 1823 was te Montfermeil bijzonder schitterend. Het
+begin van den winter was zacht geweest, het had nog niet gevrozen of
+gesneeuwd. Potsenmakers van Parijs hadden van den maire verlof gekregen
+hun tenten in de groote straat van het dorp op te slaan, en een troep
+reizende kooplieden had, met gelijke vergunning, hun kramen op het
+kerkplein geplaatst, tot in de Bakkersteeg, waar, zooals men zich
+misschien zal herinneren, de kroeg van Thénardier stond. Dit vulde
+de herbergen en logementen, en gaf aan dit stille oord een woelig,
+vroolijk leven. Wij moeten zelfs als trouw geschiedschrijver zeggen,
+dat onder de merkwaardigheden die op het plein te zien waren, zich een
+menagerie bevond, waarin leelijke, bonte hansworsten, wier herkomst
+men niet kon gissen, in 1823 aan de boeren van Montfermeil een dier
+ontzaggelijke Braziliaansche gieren vertoonden, welke ons koninklijk
+museum eerst sedert 1845 bezit, en wier oogen een driekleurige
+kokarde is. De natuurkundigen noemen, meen ik, dezen vogel Caracara
+Polyborus, hij behoort tot de orde der apiciden en tot de familie
+der gieren. Eenige oud-gedienden van Bonaparte, die nu hier leefden,
+gingen dit dier met allen eerbied kijken. De vertooners van den vogel
+verzekerden dat de driekleurige kokarde een éénig verschijnsel was,
+en opzettelijk door den goeden God voor hun menagerie geschapen.
+
+Dienzelfden Kerstavond zaten verscheidene mannen, voerlieden en
+marskramers, in de gelagkamer der herberg van Thénardier om een
+tafel met vier of vijf kaarsen te drinken. Deze kamer geleek op alle
+herbergkamers; tafels, tinnen kannen, flesschen, drinkers en rookers;
+weinig licht, veel leven. De datum van het jaar 1823 was er aangeduid
+door de twee destijds bij de burgerklasse in de mode zijnde voorwerpen,
+die op de tafel waren, namelijk een kaleidoskoop en een Engelsche lamp
+van gewaterd blik. Vrouw Thénardier hield het oog op het avondeten,
+dat voor een goed helder vuur brandde; Thénardier dronk met zijn
+gasten en sprak over politiek.
+
+Behalve de politieke gesprekken, welke den oorlog van Spanje en
+den hertog van Angoulême tot hoofdonderwerp hadden, hoorde men
+tusschenbeide onder het leven geheel plaatselijke zaken vermengd,
+als b. v.:
+
+--Naar den kant van Nanterre en Suresne is de wijnoogst zeer goed
+geweest. Waar men op tien stukken rekende, heeft men er twaalf. 't
+Heeft onder de pers veel nat geleverd.--Maar de druif kon niet rijp
+zijn?--In die oorden behoeft de druif niet rijp te zijn: zoodra 't
+lente is wordt de wijn zwaar.--'t Is dus een lichte wijn?--De wijn
+is er nog lichter dan hier, men moet er onrijp oogsten.
+
+Enz.--
+
+Of 't was een molenaar die riep:
+
+--Zijn wij verantwoordelijk voor 't geen in de zakken is? Wij
+vinden er een handvol kleine korrels in, die wij den tijd niet
+hebben er uit te zoeken en men wel onder den steen moet laten gaan;
+'t is onkruid; klaverzaad, korenbrand, wikke, hennepzaad, en een
+menigte ander tuig, zonder het zand te rekenen dat in sommig koren,
+vooral in het Bretonsche, overvloedig is. Ik houd er evenmin van,
+Bretonsch koren te malen, als de houtzagers van balken met spijkers
+er in te zagen. Ge kunt begrijpen hoeveel slecht stof dit alles
+bij de opbrengst geeft. En dan klaagt men over het meel. Men heeft
+ongelijk. Wij hebben geen schuld aan 't meel.
+
+Tusschen twee vensters zat aan een tafel een maaier met een
+landeigenaar over den prijs te knibbelen voor het maaien van een
+weide in 't voorjaar, en zeide:
+
+--'t Kan geen kwaad, dat het gras vochtig is. Des te beter snijdt
+het. Om 't even; dat gras, uw gras is jong en nog moeielijk; 't is
+te teer en buigt voor de zeis.
+
+Enz.--
+
+Cosette zat op het dwarshout der keukentafel, haar gewone plaats, bij
+den schoorsteen; zij was in lompen, met de bloote voeten in klompen,
+en breide bij het schijnsel van het vuur wollen kousen voor de kleine
+Thénardiers. Een zeer jong katje speelde onder de stoelen. Men hoorde
+twee frissche kinderstemmen in een belendend vertrek lachen en praten;
+'t waren Eponine en Azelma.
+
+In den hoek van den haard hing een karwats aan een spijker.
+
+Bij tusschenpoozen klonk het geschreeuw van een zeer jong kind,
+dat ergens in huis was, boven het geraas in de herberg uit. 't Was
+een jongentje, dat vrouw Thénardier in een der vorige winters had
+gekregen--"zonder te weten waarom," zeide zij: "een gevolg van de
+koude,"--en dat iets ouder dan drie jaar was. De moeder had dit
+gezoogd, maar beminde het niet. Wanneer het aanhoudend geschreeuw
+van den kleine te lastig werd, zeide Thénardier: Uw kleine schreit,
+ga toch zien wat hij wil. --Och! antwoordde de moeder, het verveelt
+mij.--En de kleine verlatene schreide verder in het donker.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+VOLTOOIING VAN TWEE PORTRETTEN.
+
+
+Men heeft de Thénardier's in ons verhaal tot hiertoe van ter zijde
+gezien; het oogenblik is gekomen om dit paar van alle kanten te
+beschouwen.
+
+Thénardier was over de vijftig jaren; zijne vrouw had bijna haar
+veertigste bereikt, dat het vijftigste der vrouw is, zoodat man en
+vrouw in ouderdom tegen elkander opwogen.
+
+Misschien hebben de lezers, sedert haar eerste verschijning, nog eenige
+herinnering van deze groote, blonde, roode, vette, vleezige, vierkante,
+zware en vlugge vrouw Thénardier behouden; zij had iets, wij hebben
+'t reeds gezegd, van het ras der wilde, kolossale vrouwmenschen,
+die op de kermissen het hoofd krommen onder het gewicht der aan
+heur haarvlechten gehangen keisteenen. Zij deed alles in het huis,
+bedden opmaken, kamers schoonmaken, de wasch, de keuken, zij maakte
+regen en zonneschijn en speelde bij gelegenheid voor den duivel. Zij
+had geen andere dienstmeid dan Cosette; een muis in den dienst van
+een olifant. Alles beefde voor den klank harer stem, vensterruiten,
+huisraad en menschen. Haar breed met sproeten bedekt gezicht had het
+aanzien van een schuimspaan. Zij had een baard. Zij was het ideaal
+van een lastdrager in vrouwenkleeding. Zij vloekte als een matroos
+en beroemde er zich op, een noot met een vuistslag te kunnen stuk
+slaan. Zoo zij geen romans had gelezen, die soms op zonderlinge
+wijze het nufje onder dit manwijf deden te voorschijn komen, zou
+'t niemand ooit in de gedachte zijn gekomen, haar voor een vrouw te
+houden. Deze vrouw Thénardier was als het voortbrengsel der enting
+van een juffertje op een vischwijf. Wanneer men haar hoorde spreken
+zeide men: 't Is een gendarm; wanneer men haar zag drinken, zeide men:
+'t Is een voerman; wanneer men haar Cosette zag mishandelen, zeide men:
+'t Is de beul. Als zij sliep stak een tand uit haar mond.
+
+Thénardier was een klein, mager, bleek, hoekig, knokig, tenger man,
+met een ziekelijk gezicht, maar die volkomen gezond was; hiermede
+begon zijn bedriegerij. Hij glimlachte gewoonlijk uit voorzorg,
+en was schier jegens iedereen beleefd, zelfs jegens den bedelaar,
+wien hij een aalmoes weigerde. Hij had het gezicht van een bunsing
+en het voorkomen van een geletterde. Hij leek veel op de portretten
+van den abt Delille. Hij stelde er een eer in, tegen voerlieden
+te drinken. Niemand had hem dronken kunnen maken. Hij rookte uit
+een groote pijp. Hij droeg een kiel, en onder zijn kiel een ouden
+zwarten rok. Hij gaf zich gaarne den schijn van letterkundige en
+materialist. Hij gebruikte gaarne eenige namen, om, wat hij ook zeide,
+te staven; Voltaire, Raynal, Parny en, zonderling, St. Augustinus. Hij
+verklaarde een "stelsel" te hebben. Overigens was hij een groote
+afzetter. Een "filousophe." Zulke samenvoegingen bestaan. Men weet,
+dat hij beweerde gediend te hebben; hij verhaalde met eenigen bluf,
+dat toen hij bij Waterloo als sergeant bij 't 6e of 9e--'t doet er niet
+toe--lichte infanterie stond, hij alleen tegen een escadron zwarte
+huzaren "een gevaarlijk gewonden generaal" met zijn lichaam bedekt
+en door het schrootvuur heen gered had. Vandaar voor zijn deur zijn
+schitterend uithangbord, en de naam van zijn herberg "de sergeant
+van Waterloo." Hij was liberaal, classiek en bonapartist. Hij had
+voor het Champ d'asile ingeteekend. In het dorp zeide men, dat hij
+voor priester had gestudeerd.
+
+Wij gelooven, dat hij eenvoudig in Holland voor herbergier had
+gestudeerd. Deze schurk der samengestelde orde was volgens alle
+waarschijnlijkheid een Vlaming uit Rijssel in Vlaanderen, een
+Franschman te Parijs, een Belg te Brussel, die met gemak schrijlings
+op twee grenzen zat. Men kent zijn heldendaad te Waterloo. Men ziet,
+dat hij ze een weinig overdreef. Vloed en ebbe, draaien en wenden,
+avonturen waren de elementen van zijn leven; een gescheurd geweten
+maakt een los leven; en Thénardier behoorde waarschijnlijk, in het
+stormachtig tijdstip van 18 Juni 1815, aan die verscheidenheid van
+stroopende marketenters, van welke wij gesproken hebben, die door
+het land zwerven, aan dezen verkoopende, genen bestelende, en met
+een geheel gezin, man, vrouw en kinderen, in een kreupel karretje de
+marcheerende troepen volgende, met het instinct zich steeds bij het
+overwinnend leger te houden. Na, dezen veldtocht had hij, zooals hij
+zeide, iets overgespaard, en was te Montfermeil een herberg begonnen.
+
+Zijn besparingen, die uit beurzen en horloges, gouden ringen en
+zilveren kruisen bestonden en in de met lijken bezaaide voren waren
+geoogst, maakten geen groot kapitaal uit en hadden den kroeghouder
+geworden marketenter niet ver gebracht.
+
+Thénardier had iets onbeschrijfelijk houterigs in zijn gebaar,
+dat, bij een vloek, aan de kazerne, en, bij een kruis, aan het
+seminarie herinnert. Hij sprak mooi en gaf zich gaarne den schijn van
+geleerdheid. De schoolmeester had echter opgemerkt dat hij vaak "groote
+bokken" schoot.--Hij wist uitmuntend de rekening der reizigers op te
+maken, maar geoefende oogen vonden er veel spelfouten in. Thénardier
+was een gluiper, een zwelger, een straatslijper en sluw. Hij verachtte
+zijn dienstmeiden niet, waarom zijn vrouw er geen meer hield. Deze
+reuzin was jaloersch, zij meende dat deze kleine magere, gele man
+het voorwerp der algemeene begeerlijkheid moest zijn.
+
+Thénardier, met zijn listig, berekenend karakter, was een schurk van
+de gematigde soort. Deze soort is de ergste; daarmede vermengt zich
+de huichelarij.
+
+Thénardier was bij gelegenheid niet minder tot toorn in staat dan
+zijne vrouw; maar deze aanvallen waren bij hem zeer zelden, en wijl
+hij in zulke oogenblikken het geheele menschelijke geslacht te lijf
+wilde, wijl in hem een diepe gloed van haat lag, wijl hij een dier
+lieden was, die zich altijd willen wreken, die alles beschuldigen wat
+hun voorbijgaat en wat op hen neerkomt, en steeds gereed zijn op den
+eerste den beste, als een wettige grieve, het gezamenlijk bedrag hunner
+teleurstellingen, bankroeten en rampen des levens te werpen,--wanneer
+al deze zuurdeesem in hem gistte en in zijn mond en oogen brandde,
+was hij vreeselijk. Wee hem, die dan onder zijne woede kwam!
+
+Buiten zijn overige hoedanigheden was Thénardier oplettend en
+scherpzinnig, naar gelegenheid stil of praatachtig, doch altijd met
+groote schranderheid. Hij had iets in zijn blik van de zeelieden,
+die gewoon zijn in den verrekijker te knipoogen. Thénardier was
+een staatsman.
+
+Ieder nieuweling die de kroeg binnentrad en vrouw Thénardier zag,
+zeide: zij is de meester in huis. Vergissing. Zij was zelfs de
+meesteres niet. De meester en de meesteres was de man. Zij handelde,
+hij schiep. Hij bestierde alles met een soort van onzichtbare,
+voortdurende magnetische werking. Een woord, soms een wenk was voor
+hem voldoende, en de mastodonte gehoorzaamde. Thénardier was voor
+vrouw Thénardier, zonder dat zij er zich van bewust was, een soort van
+bijzonder en oppermachtig wezen. Zij bezat de deugden van haar soort;
+wanneer ze over eenige zaak met "mijnheer Thénardier" in tegenspraak
+was geweest--een overigens schier onmogelijke veronderstelling--zou
+zij haar man nooit openlijk ongelijk geven, waarin 't ook wezen
+mocht. Nooit zou zij, tegenover vreemden, de bij vrouwen zoo gewone
+fout gepleegd hebben, den man, zooals men 't noemt, de kroon van 't
+hoofd te nemen. Hoewel hun eensgezindheid slechts kwaad ten doel had,
+was er toch eerbied in de onderwerping van vrouw Thénardier aan haar
+man. Deze berg van gerucht en vleesch bewoog zich onder den pink van
+dezen tengeren despoot. 't Was, van haar dwergachtige en bespottelijke
+zijde beschouwd, deze groote algemeene zaak: de beheersching der stof
+door den geest; want het leelijke heeft soms zijn reden van bestaan,
+zelfs in de diepten van het eeuwig schoone. Er was in Thénardier
+iets onbekends; vanhier het volstrekte gezag van dezen man op deze
+vrouw. In sommige oogenblikken zag zij in hem een brandende kaars;
+in andere voelde zij hem als een klauw.
+
+Deze vrouw was een geducht schepsel, dat alleen haar kinderen beminde
+en slechts haar man vreesde. Zij was moeder, wijl zij zoogdier
+was. Haar moederschap bepaalde zich overigens slechts tot haar
+dochters, en strekte, zooals men zien zal, zich niet tot de jongens
+uit. Hij, de man, had slechts één gedachte--zich te verrijken.
+
+'t Gelukte hem niet. Aan dit groote talent ontbrak een geschikt
+tooneel. Thénardier werd te Montfermeil arm, zoo 't mogelijk is
+met niets arm te worden; in Zwitserland of in de Pyreneeën zou hij
+millionair zijn geworden. Maar waar het lot den herbergier bindt,
+moet hij grazen.
+
+Men begrijpt dat het woord "herbergier" hier in beperkten zin is
+gebezigd en zich niet over een geheele klasse uitstrekt.
+
+In ditzelfde jaar 1823 had Thénardier ongeveer vijftienhonderd francs
+dringende schulden, 't geen hem zeer bezorgd maakte.
+
+Hoe halsstarrig de onrechtvaardigheid van het lot jegens hem was,
+Thénardier behoorde tot die menschen, welke het best, het innigst
+en op de nieuwste wijze datgene begrijpen, wat bij de barbaarsche
+volken een deugd en bij de beschaafde volken een koopwaar is,
+de gastvrijheid. Overigens was hij een uitmuntend jachtstrooper en
+vermaard wegen de juistheid van zijn schot. Zijn koude kalme glimlach
+was bijzonder gevaarlijk.
+
+Zijn herbergiers-theorieën schoten soms als weerlichten uit hem. Hij
+had grondregels van zijn beroep, welke hij in den geest zijner vrouw
+prentte.--"De plicht van den herbergier," zeide hij haar eenmaal met
+nadruk en zachte stem, "is aan ieder die komt gekookte spijs, rust,
+licht, vuur, vuile bedlakens, vlooien en beleefdheid te verkoopen;
+de reizigers op te houden, de schrale beurzen te ledigen en de
+goedgevulde fatsoenlijk te verlichten, de reizende gezinnen huisvesting
+te verleenen, den man te snijden, de vrouw te plukken en het kind af
+te zetten; in rekening te brengen voor het open venster, het gesloten
+venster, den hoek van den haard, den armstoel, den stoel, de bank,
+het voetbankje, het veerebed, de matras en den bos stroo; te weten
+hoeveel de schaduw den spiegel verslijt en hiervoor te rekenen, en,
+bij de vijfmaalhonderd duizend duivels, den reiziger alles te doen
+betalen, zelfs de vliegen die zijn hond eet!"
+
+Deze man en vrouw waren de in den echt getreden list en de woede,
+een leelijk en vreeselijk span.
+
+Terwijl de man overlegde en berekende, dacht de vrouw niet aan de
+afwezende schuldeischers, noch bekommerde zich om het gisteren of
+morgen, maar leefde in haar toorn slechts voor 't oogenblik.
+
+Zoodanig waren deze twee wezens. Cosette, die tusschen hen stond,
+ondervond hun dubbele werking, als een schepsel, dat onder een
+molensteen verpletterd en door een knijptang geknepen wordt. De
+man en de vrouw hadden ieder een verschillende handelwijze; Cosette
+werd met slagen gebeukt, dat kwam van de vrouw; zij ging blootvoets,
+dat kwam van den man.
+
+Cosette was nu boven, dan beneden, waschte, schuurde, boende, veegde,
+liep, werkte, sloofde, droeg zware lasten en, hoe klein zij was,
+deed het grove werk. Geen medelijden; een wreede meesteres, een
+kwaadaardig meester. De kroeg van Thénardier was als een spinneweb,
+waarin Cosette gevangen was en beefde. Het ideaal der verdrukking
+was in deze treurige dienstbaarheid verwezenlijkt. 't Had iets van
+een vlieg, in dienst van spinnen.
+
+Lijdelijk zweeg het arme kind.
+
+Wat heeft in zulke zielen plaats, die reeds van jongs af klein en
+naakt onder vreemden zijn gekomen, wanneer zij God verlaten?
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE MENSCHEN MOETEN WIJN, DE PAARDEN WATER HEBBEN.
+
+
+Er waren vier nieuwe reizigers aangekomen.
+
+Cosette was in treurige gedachten; want, hoewel eerst acht jaren oud,
+had zij bereids zooveel geleden, dat zij even sombere mijmeringen
+had als eene oude vrouw.
+
+Haar ooglid was blond, tengevolge van een vuistslag, dien Thénardier
+haar had gegeven, hetgeen vrouw Thénardier herhaaldelijk deed zeggen:
+Hoe leelijk is zij met haar blauwe oog!
+
+Cosette dacht er aan, dat het avond was, laat in den avond; dat zij
+onverwacht de kannen en karaffen in de kamers der aangekomen reizigers
+had moeten vullen en er geen water meer in 't vat was.
+
+Het stelde haar toch eenigszins gerust, dat men ten huize van
+Thénardier weinig water dronk. 't Ontbrak niet aan lieden, die dorst
+hadden; maar 't was een dorst die zich liever met wijn dan met water
+lescht. Wie een glas water tusschen al die glazen wijn had gevraagd,
+zou al deze mannen een wilde hebben toegeschenen. Er was evenwel een
+oogenblik, dat het kind beefde; vrouw Thénardier lichtte het deksel op
+van een pot die op 't vuur stond, nam een glas en naderde haastig het
+watervat. Zij draaide de kraan om; het kind had het hoofd opgericht
+en volgde al haar bewegingen. Een dunne waterstraal vloeide uit de
+kraan en vulde ten halve het glas.--Zie, er is geen water meer! zeide
+zij en zweeg toen een oogenblik. Het kind hield haar adem in.
+
+"Nu," hernam vrouw Thénardier, het halfvolle glas beziende, "'t zal
+wel genoeg zijn."
+
+Cosette hervatte haar arbeid, maar langer dan een kwartieruurs voelde
+zij haar hart als een hamer in haar borst kloppen.
+
+Zij telde de minuten, die aldus verliepen, en had wel gewenscht,
+dat reeds de volgende morgen daar was.
+
+Nu en dan zag een der drinkers naar de straat en riep:--'t Is zoo
+donker als in een oven!--of:--Men moet een kat zijn om in dit uur
+zonder lantaarn uit te gaan!--En Cosette rilde.
+
+Eensklaps trad een der in de herberg logeerende kramers binnen,
+en zeide met ruwe stem:
+
+"Men heeft mijn paard geen water gegeven."
+
+"O, zeker," zei vrouw Thénardier.
+
+"Ik zeg u van neen, vrouw," hernam de koopman.
+
+Cosette was van onder de tafel gekomen.
+
+"Ja, gewis, mijnheer," zeide zij, "het paard heeft gedronken, het
+heeft uit den emmer, den emmer leeg gedronken; ik zelve heb het te
+drinken gegeven en er meê gepraat."
+
+'t Was niet waar, Cosette loog.
+
+"Zie, zoo'n klein ding eens brutaal liegen," riep de koopman uit. "Ik
+zeg u, dat het paard niet gedronken heeft, kleine deugniet. Het
+snuift op bijzondere wijze als het niet gedronken heeft, ik weet het
+heel juist."
+
+Cosette hield vol en voegde er met een van angst bevende stem bij,
+die men nauwelijks kon verstaan:
+
+"En 't heeft zelfs zeer veel gedronken."
+
+"Nu," hernam de koopman vergramd, "'t doet er niet toe; laat men mijn
+paard te drinken geven en daarmede uit."
+
+Cosette keerde onder de tafel terug.
+
+"Ge hebt gelijk," zei vrouw Thénardier, "zoo het dier niet gedronken
+heeft, moet het drinken."
+
+En een blik om zich slaande:
+
+"Nu, waar is ze?"
+
+Zij bukte en ontdekte Cosette stijf aan 't andere einde der tafel,
+schier onder de voeten der drinkers.
+
+"Wilt ge komen?" riep vrouw Thénardier.
+
+Cosette kwam uit den hoek, waarin zij zich verborgen had. Vrouw
+Thénardier hernam:
+
+"Welaan, ondeugend nest, geef het paard water."
+
+"Maar er is geen water meer, madame," zei Cosette bedeesd.
+
+Vrouw Thénardier deed de voordeur wagenwijd open en hernam:
+
+"Nu, ga 't dan halen!"
+
+Cosette boog het hoofd en nam een ledigen emmer, die in den hoek van
+den schoorsteen stond.
+
+Deze emmer was grooter dan zij zelve, en 't kind had er gemakkelijk
+in kunnen zitten.
+
+Vrouw Thénardier keerde naar het vuur terug en proefde met een houten
+lepel 't geen in den pot was, daarbij brommende:
+
+"Er is rijkelijk water in. Nu, daarom is 't niet slechter. Ik geloof
+dat ik de uien wel had kunnen sparen."
+
+Toen zocht zij in een lade, waarin klein geld, peper en sjalotten
+waren, en zeide:
+
+"Daar, juffer pad, breng als ge terugkomt een grof brood van den
+bakker mede; hier hebt ge een vijftien-stuiversstuk."
+
+Cosette had een zakje in haar voorschoot; zonder te spreken nam zij
+het geld en stak het in dat zakje.
+
+Toen bleef zij stijf staan, met den emmer in de hand, voor de open
+deur. Zij scheen te wachten, tot men haar te hulp kwam.
+
+"Ga toch!" riep vrouw Thénardier.
+
+Cosette ging. De deur sloot zich achter haar.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN POP KOMT OP HET TOONEEL.
+
+
+De rij kramen strekte zich, zooals men zich herinnert, van de kerk tot
+aan de herberg van Thénardier uit. Al deze kramen waren, in afwachting
+der inwoners die naar de middernachtmis zouden gaan, met kaarsen in
+papieren lantaarns verlicht, 't geen, zooals de schoolmeester van
+Montfermeil zeide, die op dit oogenblik in de herberg van Thénardier
+zat, een "tooverachtige uitwerking" deed. Daarentegen zag men geen
+enkele ster aan den hemel.
+
+De laatste dezer kramen, die juist tegenover Thénardier's deur stond,
+was vol blinkende, rinkelende goederen, glaswaren en prachtige blikken
+voorwerpen. Vooraan in de kraam had de koopman tegen een achtergrond
+van witte servetten, een groote twee voet hooge pop geplaatst, in
+rose krip gekleed, met gouden koornaren op 't hoofd, met echt haar
+en porseleinen oogen. Den geheelen dag was dit wonder van verbazing
+voor de jeugd uitgestald geweest, zonder dat te Montfermeil een
+moeder was gevonden, rijk of scheutig genoeg om ze voor haar kind te
+koopen. Eponine en Azelma hadden uren in haar beschouwing doorbracht,
+en zelfs Cosette had, hoewel steelsgewijze, ze durven begluren.
+
+Toen Cosette met haar emmer in de hand uitging, kon zij zich niet
+weerhouden, hoe treurig en neerslachtig ze ook was, de oogen naar
+deze wonderschoone pop, naar deze dame, zooals zij ze noemde, op te
+slaan. Het arme kind was als versteend blijven staan. Zij had de pop
+nog niet van nabij gezien. De geheele kraam scheen haar een paleis,
+deze pop was geen pop, maar een verschijning. 't Was de vreugd, de
+luister, de rijkdom, het geluk, die in een soort van denkbeeldigen
+glans voor het kleine rampzalige wezen verschenen, dat zoo diep in
+een vreeselijke koude ellende gedompeld was. Cosette mat, met de
+onnoozele en treurige schranderheid der kindsheid, den afgrond die
+haar van deze pop scheidde. Zij dacht dat men ten minste koningin of
+prinses moest zijn om "zoo iets" te hebben. Zij aanschouwde dat fraaie
+rosé kleed, dat glad gestreken haar, en dacht: Hoe gelukkig moet deze
+pop zijn! Haar oogen konden zich van deze betooverende kraam niet
+afwenden. Hoe meer zij staarde, hoe meer zij werd verbijsterd. Zij
+meende den hemel te zien. Achter de groote stonden andere poppen,
+die haar feeën en geniën schenen. De koopman, die in zijn kraam heen
+en weder ging, kwam haar eenigszins als onze lieve Heer voor!
+
+In haar verrukking vergat zij alles, zelfs de boodschap waarmede zij
+belast was. Eensklaps riep de ruwe stem van vrouw Thénardier haar tot
+de wezenlijkheid terug:--"Hoe, deern! Zijt ge nog niet weg! Wacht, ik
+zal bij u komen! Ik vraag u, wat doet ge daar toch! klein monster, ga!"
+
+Vrouw Thénardier had even op straat gezien, en Cosette in hare
+verrukking opgemerkt.
+
+Cosette ijlde met haar emmer heen, en liep zoo hard zij kon.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE KLEINE ALLEEN.
+
+
+Dewijl de herberg van Thénardier in dat gedeelte van 't dorp stond,
+dat bij de kerk is, moest Cosette het water uit de bron in het bosch
+naar den kant van Chelles halen.
+
+Zij sloeg geen blik meer naar de kramen.
+
+Zoolang zij in de Bakkerssteeg en in de nabijheid der kerk was,
+verlichtten de kaarsen in de kramen haar weg, maar spoedig verdween
+het laatste licht der laatste kraam. Toen bevond het arme kind zich
+in de duisternis. Zij begaf er zich in. Door de ontroering waarin zij
+was, deelde zich haar onrust ook aan den emmer mede. Het gerucht dat
+de krijschende hengel maakte, vergezelde haar in haar loop.
+
+Hoe verder zij kwam, des te dikker werd de duisternis. Er was
+niemand meer op de straat. Evenwel ontmoette zij een vrouw, die in 't
+voorbijgaan het hoofd omkeerde, staan bleef en binnensmonds prevelde:
+Waar mag dat kind toch heengaan? Is 't een jonge weerwolf?--Maar toen
+de vrouw Cosette herkende, zeide zij:--'t Is de Leeuwerik.
+
+Zoo doorkruiste Cosette den doolhof van kromme, eenzame
+straten, waarin, aan den kant van Chelles, het dorp Montfermeil
+uitloopt. Zoolang er huizen, of zelfs maar muren aan de zijden van
+haar weg waren, ging zij tamelijk stoutmoedig voort. Nu en dan zag
+zij het schijnsel van een licht door de reet van een vensterluik; 't
+was licht en leven, er waren menschen en dat stelde haar gerust. Hoe
+verder zij echter voortging, des te langzamer werd als werktuiglijk
+haar tred. Voorbij den hoek van het laatste huis gekomen, bleef
+Cosette staan. Voorbij de laatste kraam te gaan was moeielijk geweest;
+verder dan het laatste huis te gaan werd onmogelijk. Zij zette den
+emmer neder, sloeg haar hand in het haar en krabde langzaam 't hoofd,
+een eigenaardige beweging van kinderen die ontsteld en besluiteloos
+zijn. 't Was nu Montfermeil niet meer, 't was het open veld. Een
+donkere, eenzame ruimte lag voor haar. Wanhopend aanschouwde zij deze
+duisternis, waarin geen mensch was, waarin dieren, waarin misschien
+spoken waren. Zij staarde angstvallig en hoorde dieren in het gras
+loopen, zij zag duidelijk spoken zich in de boomen bewegen. Toen
+greep zij weder den emmer; de angst gaf haar moed:--Ha! zeide zij,
+ik zal haar zeggen dat er geen water meer was.--En onversaagd trad
+zij Montfermeil weder binnen.
+
+Nauwelijks was zij honderd schreden gegaan, toen zij weder stilhield
+en haar hoofd krabde. Nu was het vrouw Thénardier die voor haar
+verscheen; vrouw Thénardier vreeselijk met haar hyena'smond en
+vlammenden toorn in de oogen. Het kind sloeg een erbarmelijken blik
+voor en achter zich. Wat te doen? Wat zou van haar worden? Waarheen te
+gaan? Voor zich het spookbeeld van vrouw Thénardier; achter zich al
+de verschijningen van den nacht en het bosch. Voor vrouw Thénardier
+deinsde zij achteruit. Zij sloeg weder den weg naar de bron in en
+begon te loopen. Loopende verliet zij het dorp, en loopende trad zij
+in het bosch, naar niets meer ziende, naar niets meer luisterende. Zij
+hield niet eerder op met loopen dan toen de adem haar ontbrak; zij
+ging echter langzamer voort, gejaagd en hijgend.
+
+Onder 't gaan had zij grooten lust tot schreien.
+
+De nachtelijke huivering van het bosch omgaf haar.
+
+Zij dacht, zij zag niet meer. Dit kleine wezen stond tegenover den
+onmetelijken nacht. Volslagen duisternis aan de eene zijde, een nietig
+stofdeeltje aan de andere.
+
+Van den zoom van 't bosch tot de bron was de afstand slechts zeven of
+acht minuten. Cosette kende den weg, wijl zij dien meermalen over dag
+had afgelegd! Zonderling, zij verdwaalde niet. Een soort van instinct
+leidde haar. Echter sloeg zij de oogen noch rechts noch links, uit
+vrees, iets in de takken en het struikgewas te zien. Eindelijk kwam
+zij aan de bron.
+
+'t Was een natuurlijke kuip, door het water in den leemachtigen
+bodem uitgehold, van omstreeks twee voet diep, omgeven van mos en
+hoog gerimpeld gras, kraagjes van Hendrik IV genoemd, en geplaveid
+met eenige groote steenen. Een stil kabbelend beekje stroomde er uit.
+
+Cosette gunde zich den tijd niet om te ademen. Het was zeer donker,
+maar Cosette was gewoon aan die fontein te komen. Met de linkerhand
+zocht zij in de duisternis een over de bron gebogen jongen eik,
+die haar gewoonlijk tot steunpunt diende, vond een tak, vatte dien,
+bukte en dompelde den emmer in 't water. Zij was in zulk een hevige
+overspanning, dat haar kracht verdrievoudigd was. Terwijl zij alzoo
+voorover was gebogen, lette zij er niet op, dat iets uit het zakje
+van haar voorschoot in de bron viel. Het vijftienstuiversstuk viel in
+'t water. Cosette zag noch hoorde het vallen. Zij haalde den emmer
+schier vol op en zette hem op het gras.
+
+Dit gedaan hebbende, gevoelde zij zich uitgeput van vermoeienis. Zij
+had wel dadelijk willen terugkeeren; maar haar inspanning, om den
+emmer te vullen, was zoo groot geweest, dat zij onmogelijk een voet
+kon verzetten. Zij moest een oogenblik rusten. Zij liet zich op het
+gras neer en bleef er gehurkt zitten.
+
+Zij sloot de oogen en opende ze weder, zonder te weten waarom, doch
+zij kon niet anders. Naast haar vormde het deinende water in den
+emmer nog kringen, die als slangen van wit vuur geleken.
+
+Boven haar hoofd was de hemel met groote, zwarte wolken bedekt, die
+als rook voorbijdreven. Het treurig masker der duisternis scheen zich
+eenigszins over dit kind te hangen.
+
+Jupiter verschool zich achter de wolken.
+
+Met ontstelden blik aanschouwde het kind deze groote ster, welke zij
+niet kende en die haar vrees inboezemde. De planeet was inderdaad op
+dat oogenblik zeer dicht aan den horizon en scheen door een dichten
+nevel, die haar een vreeselijk rood gaf. De purperkleurige nevel
+vergrootte de ster. Zij was als een lichtgevende wond. Een koude wind
+blies over de vlakte. Het bosch was donker, zonder bladerengeritsel,
+zonder de minste avondschemering. Dreigend verhieven zich de hooge
+takken. Het kleine struikgewas floot over de open plekken. Het hooge
+gras wemelde als alen onder den nachtwind. De braamstruiken geleken
+uitgestoken armen met klauwen gewapend, om haar prooi te vatten. Dorre
+heidestruiken, door den wind voortgedreven, vlogen voorbij en schenen
+verschrikt voor iets te vluchten, dat naderde. Aan alle zijden was
+'t een somber verschiet.
+
+De duisternis is duizelingwekkend. De mensch heeft licht noodig. Wie
+zich in 't donker begeeft, voelt zijn hart beklemd. Wanneer het
+oog zwart ziet, ziet de geest verward. Zelfs de sterkste mensch
+gevoelt zich onbehagelijk bij verduistering, in den nacht, in
+het donker. Niemand gaat 's nachts alleen door een bosch zonder
+huivering. Een hersenschimmige werkelijkheid verschijnt in de
+onbestemde diepte. Het onbegrijpelijke teekent zich op eenige schreden
+van u met spookachtige juistheid af. Men ziet in de ruimte of in zijn
+eigen hersenen iets onduidelijks, ontastbaars zweven, als de droom
+der slapende bloemen. Woeste gestalten staan aan den horizon. Men
+ademt de uitvloeisels van het groote donkere ledige. Men is angstig
+en wil toch omzien. Men is weerloos tegen de holte van den nacht,
+de schaduwachtige voorwerpen, de zwijgende gestalten die verdwijnen
+wanneer men nadert, tegen de dreigende struiken en struweelen,
+tegen vale plassen, tegen de oneindige stilte des grafs, tegen alle
+mogelijke onbekende wezens, tegen het geheimzinnig buigen der takken,
+tegen schrikbarende boomstompen. De grootste stoutmoedigheid beeft,
+en voelt de angst nabij. 't Is alsof de ziel zich in de donkerheid
+wil oplossen. Voor een kind is de eenzaamheid in de duisternis iets
+onuitsprekelijk vreeselijks.
+
+De bosschen zijn verborgenheden; en het klapwieken eener kleine ziel
+maakt een doodelijk gedruisch onder hun kolossaal gewelf.
+
+Zonder zich eenig begrip te vormen van haar gewaarwordingen, voelde
+Cosette zich door deze donkere verschrikkelijkheid der natuur
+aangegrepen. 't Was niet slechts schrik, die haar overweldigde,
+'t was iets nog vreeselijker. Zij sidderde. Er zijn geen woorden om
+te zeggen, hoe vreemd de huivering was, die haar tot in 't binnenste
+des harten deed ijzen. Haar oog was woest geworden. Zij meende te
+gevoelen, dat zij 't misschien niet zou kunnen verhinderen, morgen
+terzelfder plaatse, in hetzelfde uur terug te komen.
+
+Toen, als door instinct, en om uit den toestand, dien zij niet
+begreep, maar die haar beangstigde, te geraken, telde zij met luide
+stem een, twee, drie, vier, tot tien en begon dan opnieuw. Dit bracht
+haar tot het besef der dingen, die haar omgaven, terug. Zij voelde
+dat haar handen, door het waterputten nat geworden, koud waren. Zij
+stond op. Haar angst was teruggekeerd, een natuurlijke onverwinbare
+angst. Zij had slechts ééne gedachte, die van te vluchten; zoo snel
+zij kon door het bosch, over het veld tot de huizen, tot de vensters,
+tot de brandende kaarsen te vluchten. Haar blik viel op den voor haar
+staanden emmer.
+
+Haar angst voor vrouw Thénardier was zoo groot, dat zij niet zonder
+den emmer met water durfde vluchten. Zij vatte met bevende handen
+het hengsel. Met moeite kon zij den emmer dragen.
+
+Toen deed zij een twaalftal schreden, maar de emmer was vol, zwaar,
+en zij was gedwongen hem neder te zetten. Zij schoot even in den adem,
+toen nam zij den emmer weder en ging verder, nu iets langer. Maar
+wederom moest zij blijven staan. Na eenige seconden rust, ging zij
+opnieuw met voorover gebogen hoofd als een oude vrouw; het gewicht van
+den emmer rekte en verstijfde haar magere armen. Het ijzeren hengsel
+verdoofde en verkilde haar natte handen nog meer, gedurig moest zij
+stilstaan, en dan kletste telkens het over den emmer stroomend water
+tegen haar bloote voeten. Dit gebeurde in een bosch des nachts, des
+winters, ver van eenig menschelijk oog; 't was een achtjarig kind;
+God alleen zag dit oogenblik, dezen treurigen toestand.
+
+En zeker ook haar moeder, helaas!
+
+Want er zijn dingen, die de oogen der dooden in hun graf openen.
+
+Zij hijgde en steunde smartelijk; haar keel was door het gesnik dicht
+gewrongen, maar zij durfde niet weenen, zoo bevreesd was zij, zelfs
+in de verte, voor vrouw Thénardier. Zij was gewoon zich te verbeelden,
+dat vrouw Thénardier altijd tegenwoordig was.
+
+Op deze wijze kon zij evenwel weinig vorderen, niettegenstaande zij
+elk rustpunt verkortte en na ieder zoo lang en zoo snel mogelijk
+voortstapte. Met schrik dacht zij, dat er meer dan een uur verloopen
+zou, eer zij te Montfermeil terug was, en dat vrouw Thénardier haar
+slaan zou. Deze angst kwam nog bij haar schrik van zich des nachts
+in het bosch te bevinden. Zij was reeds uitgeput van vermoeidheid
+en nog altijd in het bosch. Bij een kastanjeboom gekomen, dien zij
+herkende, hield zij weder stil, en langer dan de vorige keeren, om
+voor de laatste maal eens goed te rusten; toen spande zij al haar
+krachten in, vatte den emmer weder op en ging moedig voort. Het arme
+kind was echter wanhopig en kon zich niet weerhouden uit te roepen:
+"o, mijn God! mijn God!"
+
+Op 't zelfde oogenblik voelde zij eensklaps dat de emmer geen zwaarte
+meer had. Een hand, die haar zeer groot scheen, had het hengsel
+gegrepen en hief het forsch omhoog. Zij richtte het hoofd op. Een
+groote donkere, rechte gestalte ging naast haar in de duisternis. 't
+Was een man, die haar gevolgd was en dien zij niet gezien had. Deze
+man had, zonder iets te zeggen, den emmer, dien zij droeg, gevat.
+
+Er is een instinct bij elke ontmoeting in het leven.
+
+Het kind was niet bevreesd.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DAT MISSCHIEN BOULATRUELLES SCHRANDERHEID BEWIJST.
+
+
+Tegen den avond van dienzelfden Kerstdag van 1823 wandelde een man
+tamelijk lang op het eenzaamst gedeelte van den boulevard de l'Hôpital
+te Parijs. Hij scheen een woning te zoeken en bij voorkeur voor de
+armoedigste huizen van dien bouwvalligen zoom der voorstad St. Marceau
+te blijven stilstaan.
+
+Men zal later zien, dat deze man inderdaad een kamer in deze
+afgezonderde wijk had gehuurd.
+
+Hij verwezenlijkte in zijn kleeding en geheelen persoon het type van
+wat men den fatsoenlijken bedelaar kan noemen, groote behoefte gepaard
+aan groote zindelijkheid. Een zeer zeldzame vereeniging, welke aan
+verstandige lieden dien dubbelen eerbied inboezemt, welken men voor den
+arme en verdienstelijke gevoelt. Hij had een zeer ouden en kalen hoed
+op 't hoofd, een bruine grof lakensche jas, tot op den draad versleten,
+welke kleur destijds geen opzien baarde, een groot vest met zakken
+van verouderden vorm, een zwarte broek, aan de knieën grijs geworden,
+zwart wollen kousen en lompe schoenen met koperen gespen. Men zou hem
+voor een ouden huisonderwijzer gehouden hebben, die uit de emigratie
+was teruggekeerd. Wegens zijn wit haar, zijn gerimpeld voorhoofd,
+zijn gezicht, dat neerslachtigheid en levenszatheid teekende, zou men
+hem voor ouder dan zestig jaar gehouden; doch naar zijn vasten, schoon
+langzamen tred, naar de zeldzame kracht, die uit al zijn bewegingen
+sprak, zou men hem nauwelijks vijftig jaren gegeven hebben. Zijn
+fraai gerimpeld voorhoofd zou iemand, die hem met oplettendheid
+beschouwde, gunstig voor hem hebben ingenomen. Zijn lip had een
+zonderlingen trek van strengheid en ootmoed. In zijn blik lag iets
+als een treurige kalmte. In de linkerhand droeg hij een klein, in een
+zakdoek geknoopt pakje; in de rechterhand hield hij een van ruw hout
+gesneden stok! Deze stok was met eenige zorg bewerkt en zag er aardig
+uit; van de naden was partij getrokken en de knop met lak rood gemaakt;
+'t was een knuppel, in de gedaante van een wandelstok.
+
+Men ziet weinig voorbijgangers op dien boulevard, vooral des
+winters. Deze man scheen ze, hoewel zonder dat dit in 't oog liep,
+eerder te vermijden dan te zoeken.
+
+In dien tijd ging koning Lodewijk XVIII schier dagelijks naar
+Choisy-le-Roi. 't Was een zijner begunstigde wandelingen. Tegen twee
+uur zag men bijna dagelijks het rijtuig en den koninklijken stoet in
+vollen galop den boulevard de l'Hôpital passeeren.
+
+Dit was voor de arme vrouwen dier wijk horloge en klok; zij zeiden:
+"'t is twee uur, hij keert naar de Tuilerieën terug."
+
+Eenigen liepen toe, anderen gingen aan den weg staan; want een
+voorbijgaand koning veroorzaakt altijd opschudding. De verschijning
+en verdwijning van Lodewijk XVIII maakte overigens een zekeren
+indruk in de straten van Parijs. 't Was snel maar majestueus. Deze
+jichtige koning had smaak in hard rijden; daar hij niet kon gaan,
+wilde hij vliegen; deze voetelooze liet zich gaarne door den
+bliksem trekken. Kalm en statig ging hij voorbij, omgeven door
+blanke sabels. Zijn zware, vergulde berline, op wier paneelen groote
+lelietakken waren geschilderd, rolde daverend voorbij en nauwelijks
+had men den tijd er het oog op te slaan. Men zag in den achtersten
+hoek ter rechterzijde, op wit satijnen kussens een breed, krachtig en
+blozend gezicht, een frisch gepoederd hoofd, een fieren, strengen,
+fijnen blik, den glimlach van een letterkundige, twee zware gouden
+epauletten met losse tressen op een burgerrok, het gulden vlies,
+het kruis van den H. Lodewijk, het kruis van het legioen van eer, de
+zilveren ster van den H. Geest, een dikken buik, en een breed blauw
+lint; dit was de koning. Buiten Parijs hield hij zijn hoed met witte
+pluimen op zijn in hooge Engelsche slobkousen gebakerde knieën, zoodra
+hij in de stad terugkeerde zette hij den hoed op en groette weinig. Hij
+zag koel naar het volk, dat hem met dezelfde munt betaalde. Toen hij
+den eersten keer in de wijk Saint-Marceau verscheen, was al de vrucht,
+die hij er van getrokken had, dit woord van een voorstadsbewoner tot
+zijn kameraad: "Deze dikke is het gouvernement."
+
+Dit onfeilbare voorbijrijden des konings op hetzelfde uur was dus de
+dagelijksche verschijning op den boulevard de l'Hôpital.
+
+De wandelaar in de bruine jas behoorde blijkbaar niet in deze wijk
+te huis, en waarschijnlijk niet te Parijs, want deze bijzonderheid
+was hem onbekend. Toen het koninklijk rijtuig, door een escadron
+gardes-du-corps met zilveren galon omgeven, te twee uren van den
+hoek van la Salpêtrière den boulevard opreed, scheen hij verrast en
+schier verschrikt. Hij alleen was in de zijlaan, hij trad haastig
+achter een hoek van den ringmuur, 't geen den hertog d'Havré echter
+niet belette hem te zien. De heer hertog d'Havré zat als dienstdoende
+kapitein der gardes dien dag in het rijtuig tegenover den koning. Hij
+zeide tot zijne majesteit: Ziedaar een man met een zeer slecht
+uitzicht! Politie-beambten, die den weg des konings verkenden,
+merkten hem ook op; een hunner ontving bevel hem te volgen. Maar de
+man verdween in de nauwe eenzame straten van de voorstad, en daar
+de avond begon te vallen, verloor de agent zijn spoor, zooals wordt
+bevestigd in een rapport aan den graaf Anglès, minister van staat en
+prefect van politie, van dienzelfden avond.
+
+Toen de man in de bruine jas de vervolging van den agent ontkomen
+was, versnelde hij zijn schreden, echter niet zonder telkens om te
+zien of hij ook werd gevolgd. Om kwartier over vier toen het reeds
+donker was, ging hij voorbij den schouwburg van de poort St. Martin,
+waar dien avond les deux Forçats werd gespeeld. Het aanplakbiljet,
+dat door de lantaarns van den schouwburg verlicht werd, trof hem,
+want hoewel hij haastig ging, hield hij stil om het te lezen. Een
+oogenblik later was hij in het slop la Planchette en trad de herberg le
+Plat d'étain binnen, waar destijds het bureau van den wagen op Lagny
+was. Die wagen vertrok te half vijf. De paarden waren voorgespannen
+en de reizigers, door den voerman opgeroepen, beklommen haastig de
+hooge ijzeren trede van 't rijtuig.
+
+De man vroeg:
+
+"Is er nog plaats?"
+
+"Nog eene, naast mij op den bok," zei de koetsier.
+
+"Ik neem ze."
+
+"Stap op dan."
+
+Maar voor hij wegreed sloeg de koetsier een blik op de sobere kleeding
+van den reiziger en zijn klein pakje, en liet zich terstond betalen.
+
+"Gaat ge tot Lagny?" vroeg de koetsier.
+
+"Ja," zei de man.
+
+De reiziger betaalde tot Lagny.
+
+Men vertrok. Toen men buiten de barrière was, wilde de koetsier een
+gesprek beginnen; maar de reiziger antwoordde slechts kortaf. Toen
+ging de koetsier aan 't fluiten en op zijn paarden vloeken.
+
+De koetsier wikkelde zich in zijn mantel. 't Was koud. De man scheen
+er niet aan te denken. Dus reed men door Gournay en Neuilly-sur-Marne.
+
+Tegen zes uur was men te Chelles. De koetsier hield stil om zijn
+paarden te laten drinken, vóór de voermansherberg, opgericht in de
+oude gebouwen van de koninklijke abdij.
+
+"Hier ga ik af," zei de man.
+
+Hij nam zijn pakje en stok, en sprong van het rijtuig.
+
+Een oogenblik later was hij uit het oog verdwenen.
+
+Hij was de herberg niet binnengegaan.
+
+Toen, na eenige minuten, het rijtuig naar Lagny voortreed, ontmoette
+'t hem niet in de groote straat van Chelles.
+
+De koetsier zeide tot de reizigers in 't rijtuig:
+
+"Deze man is niet van hier, want ik ken hem niet. Hij schijnt behoeftig
+te zijn, en echter hecht hij niet aan geld, want hij betaalt tot Lagny
+en gaat slechts tot Chelles. 't Is donker, al de huizen zijn gesloten,
+hij is de herberg niet binnengegaan, en is nergens te zien. Zou hij
+in den grond zijn gezonken?"
+
+De man was niet in den grond gezonken, maar was haastig in 't donker de
+groote straat van Chelles doorgegaan; vervolgens was hij links, vóór
+hij aan de kerk kwam, den binnenweg ingeslagen, die naar Montfermeil
+voert, als iemand die het oord kende en er vroeger geweest was.
+
+Hij liep met spoed. Ter plaatse, waar zijn pad door den met boomen
+beplanten weg van Gagny naar Lagny doorsneden wordt, hoorde hij
+menschen naderen. Hij verborg zich schielijk aan den kant van een sloot
+en wachtte tot de voorbijgangers verwijderd waren. Deze voorzorg was
+trouwens schier overbodig, want, zooals wij gezegd hebben, 't was
+een zeer donkere Decembernacht. Nauwelijks bespeurde men een paar
+sterren aan den hemel.
+
+Bij deze plek begint de glooiing van den heuvel. De man volgde den
+weg van Montfermeil niet; hij ging rechts over het veld en liep met
+haastigen tred naar het bosch.
+
+In 't bosch gekomen, ging hij langzamer en begon oplettend al de boomen
+te beschouwen, stap voor stap, als zocht en volgde hij een geheimen,
+hem alleen bekenden weg. Een oogenblik scheen hij verdwaald en stond
+besluiteloos stil. Eindelijk kwam hij zoekende en tastende op een
+onbegroeide plek, waar een hoop groote witachtige steenen lag. Haastig
+naderde hij deze steenen en in de nachtschemering onderzocht hij ze
+nauwkeurig en met de grootste aandacht. Een dikke boom, bedekt met die
+uitwassen, welke de wratten van 't plantenrijk zijn, stond op eenige
+schreden van den hoop steenen. Hij ging naar dien boom en bevoelde
+met zijn hand den stam, alsof hij de uitwassen poogde te herkennen
+en te tellen.
+
+Tegenover dezen boom, een els, stond een kastanjeboom, wiens
+schors beschadigd was, en waarop men als verband een reep zink had
+gespijkerd. Hij tilde zich op de teenen en betastte die reep.
+
+Daarop ging hij een poos tusschen den boom en de steenen heen en weer,
+als iemand die onderzocht of de grond kortelings is omgegraven.
+
+Dit gedaan hebbende, nam hij zijn richting en zette zijn tocht door
+het bosch voort.
+
+'t Was deze man, dien Cosette ontmoet had.
+
+Toen hij het kreupelhout naar den kant van Montfermeil doorging,
+had hij deze kleine schim gezien, welke zich zuchtend bewoog, die
+een last nederzette, dien weder opnam en haar weg vervolgde. Hij
+was nader gekomen en had gezien, dat 't een zeer jong kind was,
+een grooten emmer water torsende. Toen was hij tot het kind gegaan
+en had zwijgend het hengsel van den emmer gevat.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+COSETTE IN HET DONKER MET DEN ONBEKENDE.
+
+
+Wij hebben gezegd, dat Cosette voor den man niet bevreesd was geweest.
+
+Hij sprak haar aan en zeide met ernstige, zachte stem:
+
+"De vracht die ge draagt, is te zwaar voor u, mijn kind!"
+
+Cosette hief het hoofd op en antwoordde:
+
+"Ja, mijnheer."
+
+"Geef hem mij," hernam de man, "ik zal voor u dragen."
+
+Cosette liet den emmer los. De man ging naast haar voort.
+
+"'t Is inderdaad zwaar," zeide hij binnensmonds. En hij hernam:
+
+"Hoe oud zijt ge, kleine?"
+
+"Acht jaar, mijnheer."
+
+"En zijt ge hiermede reeds ver gekomen?"
+
+"Van de bron in het bosch."
+
+"En moet ge nog ver?"
+
+"Een goed kwartier van hier."
+
+De man zweeg een oogenblik en hernam toen eensklaps:
+
+"Hebt ge geen moeder?"
+
+"Ik weet niet," antwoordde het kind.
+
+Vóór de man den tijd had te spreken, hernam zij:
+
+"Ik geloof 't niet. Anderen hebben er een. Ik niet."
+
+Wederom na eenig zwijgen, zeide zij:
+
+"Ik geloof, dat ik er nooit een gehad heb"
+
+De man hield stil, zette den emmer neder, boog zich, legde zijn beide
+handen op de schouders van 't kind, en deed een poging om haar in
+'t gezicht te zien.
+
+Het mager kwijnend gezicht van Cosette was onduidelijk zichtbaar bij
+het bleeke licht des hemels.
+
+"Hoe heet ge?" vroeg de man.
+
+"Cosette."
+
+'t Was of de man door een electrieken schok getroffen werd. Hij zag
+haar nogmaals aan, nam zijn handen van Cosettes schouders, greep den
+emmer en ging weder voort.
+
+Na een poos, vroeg hij:
+
+"Waar woont ge, kleine?"
+
+"Te Montfermeil; zoo ge 't kent."
+
+"Gaan wij daarheen?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+Wederom ontstond een pauze, toen hernam hij:
+
+"Wie heeft u toch op dit uur water in 't bosch laten halen?"
+
+"Vrouw Thénardier."
+
+De man vroeg op een gedwongen onverschilligen toon, doch die echter
+op eene zonderlinge wijze beefde:
+
+"Wie is dat, vrouw Thénardier...?"
+
+"Zij is mijn meesteres," zei het kind. "Zij houdt een herberg."
+
+"Een herberg?" zei de man. "Welnu, dan zal ik er van nacht gaan
+logeeren. Breng er mij heen."
+
+"Wij gaan er heen," hernam het kind.
+
+De man stapte tamelijk snel voort. Cosette volgde hem zonder
+moeite. Zij voelde geen vermoeidheid meer. Nu en dan hief zij haar
+oogen tot dien man op, met een onbeschrijfelijke gerustheid en
+onbezorgdheid. Nooit had men haar geleerd zich tot de Voorzienigheid
+te wenden en te bidden. Evenwel voelde zij iets in zich, dat naar
+hoop en blijdschap geleek en tot den hemel opsteeg.
+
+Er verliepen eenige minuten. De man hernam:
+
+"Heeft vrouw Thénardier geen dienstmeid?"
+
+"Neen, mijnheer."
+
+"Zijt ge alleen?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+Wederom een tusschenpoos. Cosette nam het woord:
+
+"Maar er zijn twee meisjes."
+
+"Hoe heeten die meisjes?"
+
+"Ponine en Zelma."
+
+Het kind vereenvoudigde aldus de beide voor vrouw Thénardier zoo
+dierbare romaneske namen.
+
+"Wie zijn Ponine en Zelma?"
+
+"De jongejuffrouwen Thénardier, de dochtertjes mijner meesteres."
+
+"En wat doen die meisjes?"
+
+"O!" zei het kind, "zij hebben fraaie poppen, dingen met goud en
+allerlei moois. Zij spelen, zij vermaken zich."
+
+"Den geheelen dag?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+"En gij?"
+
+"Ik werk."
+
+"Den geheelen dag?"
+
+Het kind hief haar groote oogen op, waarin een traan stond, dien men
+in de duisternis niet zag, en antwoordde zacht:
+
+"Ja, mijnheer."
+
+Na een pauze hernam zij:
+
+"Soms, wanneer ik mijn werk gedaan heb en men 't mij vergunt, vermaak
+ik mij ook."
+
+"Hoe vermaakt ge u?"
+
+"Zooals ik kan, men laat mij begaan. Ik heb weinig speelgoed. Ponine
+en Zelma willen niet, dat ik met haar poppen speel. Ik heb niets dan
+een klein blikken sabeltje, niet langer dan zoo."
+
+Het kind wees haar pink.
+
+"Dat niet snijdt?"
+
+"Ja, zeker, mijnheer," zei het kind, "het snijdt salade en
+vliegenkoppen."
+
+Zij kwamen aan het dorp; Cosette voerde den vreemdeling door de
+straten. Zij gingen voorbij den bakkerswinkel, maar Cosette dacht niet
+aan het brood, dat zij moest medebrengen. De man had opgehouden met
+haar te spreken en bewaarde nu een somber zwijgen. Toen zij de kerk
+achter zich hadden, vroeg hij, op 't gezicht der kramen, aan Cosette:
+
+"Is 't hier jaarmarkt?"
+
+"Neen, mijnheer, 't is Kerstmis."
+
+Toen zij de herberg naderden, nam Cosette hem bedeesd bij den arm
+en zeide:
+
+"Mijnheer?"
+
+"Wat, mijn kind."
+
+"Wij zijn dicht bij huis."
+
+"Nu?"
+
+"Wilt ge mij nu weder den emmer laten dragen?"
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat, als vrouw Thénardier ziet, dat een ander hem voor mij heeft
+gedragen, zij mij slaan zal."
+
+De man gaf haar den emmer. Een oogenblik later waren zij aan de deur
+der kroeg.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET ONAANGENAME VAN EEN ARME BIJ ZICH TE ONTVANGEN, DIE MISSCHIEN
+RIJK IS.
+
+
+Cosette kon zich niet bedwingen een schuinschen blik naar de groote
+pop te slaan, die nog altijd in de prachtige kraam stond uitgestald;
+daarna klopte zij aan. De deur werd geopend. Vrouw Thénardier verscheen
+met een kaars in de hand.
+
+"Ha, zijt gij 't, kleine deugniet! God vergeef me, ge hebt er wel
+den tijd toe genomen, gij hebt zeker gespeeld!"
+
+"Madame," zei Cosette bevend, "hier is een heer die komt logeeren."
+
+Vrouw Thénardier trok spoedig haar norsch gezicht tot een vriendelijken
+glimlach, een bij herbergiers zeer gewone verandering van tooneel,
+en zag begeerig naar den nieuw aangekomene.
+
+"Gij, mijnheer?" zeide zij.
+
+"Ja, madame," antwoordde de man, de hand aan zijn hoed brengende.
+
+De rijke reizigers zijn niet zoo beleefd. Dit gebaar en 't gezicht
+van het kostuum en de bagage van den vreemdeling, die vrouw Thénardier
+met een oogwenk had opgenomen, deden den vriendelijken glimlach weder
+verdwijnen en het norsche gezicht opnieuw voor den dag komen. Zij
+hernam droogjes:
+
+"Kom binnen, vriend."
+
+De "vriend" trad binnen. Vrouw Thénardier sloeg opnieuw een blik
+op hem, beschouwde nauwkeurig zijn jas, die geheel kaal en zijn
+hoed die eenigszins gedeukt was en raadpleegde, hoofdschuddend,
+den neus optrekkend en knipoogend, haar man, die nog altijd met
+de voerlieden dronk. De man antwoordde met die onmerkbare beweging
+van den voorvinger, gepaard aan de uitzetting der lippen, welke in
+dergelijke gevallen beteekende: "niets aan te verdienen." Waarop
+vrouw Thénardier sprak:
+
+"'t Spijt mij, beste vriend, maar er is geen plaats meer."
+
+"Plaats mij waar ge wilt," zei de man, "op den zolder, in den stal. Ik
+zal betalen alsof ik een kamer had."
+
+"Twee francs."
+
+"Twee francs. Goed."
+
+"Twee francs," zei een voerman zacht tot vrouw Thénardier, "en 't is
+slechts één franc."
+
+"'t Is voor hem twee francs," antwoordde vrouw Thénardier op denzelfden
+toon. "Ik logeer geen armen minder."
+
+"Dit is waar," voegde de echtgenoot er gemoedelijk bij; "'t geeft
+een huis een slechten naam, zulk volk te logeeren."
+
+Intusschen had de man, na zijn pakje en stok op een bank te hebben
+gelegd, aan een tafeltje plaats genomen, waarop Cosette haastig een
+flesch wijn en een glas had gezet. De koopman, die den emmer water had
+gevraagd, was zelf het zijn paard gaan brengen. Cosette had haar plaats
+onder de keukentafel weder ingenomen en ook haar breiwerk gezocht.
+
+De man, die nauwelijks zijn lippen had bevochtigd met den wijn,
+dien hij zich had ingeschonken, aanschouwde het kind met zonderlinge
+oplettendheid.
+
+Cosette was leelijk. Ware zij gelukkig, dan zou ze misschien mooi zijn
+geweest. Wij hebben bereids deze sombere figuur geschetst. Cosette,
+bijna acht jaren oud, was mager en bleek; men zou haar nauwelijks op
+zes jaren hebben geschat. Haar groote oogen, als in schaduw verzonken,
+waren schier van 't weenen uitgedoofd. De hoeken van haar mond hadden
+gewoonlijk dien angstigen plooi, welken men bij veroordeelden en bij
+hopelooze zieken opmerkt. Zij had winterhanden, zooals haar moeder
+geraden had. Het vuur, dat haar op dit oogenblik bescheen, deed de
+hoeken van haar beenderen uitkomen en liet op schrikbare wijze zien
+hoe mager zij was. Wijl zij aanhoudend van koude bibberde, had zij
+de gewoonte aangenomen, beide knieën tegen elkander te drukken. Haar
+kleeding bestond uit lompen, en zou des zomers medelijden hebben
+verwekt, terwijl ze 's winters deed ijzen. Zij had niets aan, dan
+versleten katoen, geen lapje wol. Hier en daar scheen haar vel door,
+en overal bespeurde men blauwe of blonde plekken, welke de plaatsen
+aanduidden, waar vrouw Thénardier haar geslagen had. Haar naakte beenen
+waren rood en mager. De holte om hare schouderbladen was om van te
+schreien. De geheele persoon van het kind, haar gang, haar houding,
+de klank harer stem, haar afgebroken woorden, haar blik, haar stilte,
+haar minste beweging drukten een enkele gedachte uit: vrees.
+
+De vrees had haar geheel ingenomen; zij was er om zoo te spreken
+mede overdekt; de vrees bracht haar ellebogen tegen haar heupen,
+trok haar hielen onder haar rokjen, deed haar de kleinst mogelijke
+plaats beslaan, liet haar slechts zooveel ademen als noodig was,
+en was om zoo te spreken haar lichaamsgewoonte geworden, die voor
+geene verandering dan alleen toeneming vatbaar was. In haar oogappel
+was een plekje, dat verschrikking uitdrukte.
+
+Deze vrees was zoo sterk, dat, hoe nat Cosette ook was, zij zich
+niet aan 't vuur had durven drogen, maar stil weder aan haar werk
+was gegaan.
+
+Het uitzicht van dit achtjarig kind was gewoonlijk zoo somber, en
+vaak zoo wanhopig, dat het soms scheen, alsof zij op 't punt was een
+idiote of een duivelin te worden.
+
+Nooit, hebben wij gezegd, had zij geweten wat bidden is, nooit had zij
+den voet in een kerk gezet. Is daar tijd voor? zei vrouw Thénardier.
+
+De man met de bruine jas sloeg geen oog van Cosette.
+
+Eensklaps riep vrouw Thénardier:
+
+"Waar hebt ge het brood?"
+
+Cosette, zooals zij gewoon was wanneer vrouw Thénardier haar stem
+verhief, haastte zich van onder de tafel te komen.
+
+Zij had het brood geheel en al vergeten. Zij nam haar toevlucht tot
+het gewone hulpmiddel van beangste kinderen. Zij loog.
+
+"De bakkerij was gesloten, madame."
+
+"Dan moest ge geklopt hebben."
+
+"Ik heb geklopt, madame."
+
+"En?"
+
+"Er werd niet geopend."
+
+"Morgen zal ik weten of 't waar is," zei vrouw Thénardier,
+"en zoo ge liegt, zult ge er van lusten. Geef mij intusschen het
+vijftienstuiversstuk terug."
+
+Cosette stak haar hand in 't zakje van haar voorschoot en werd
+bleek. Het vijftienstuiversstuk was er niet meer.
+
+"Nu," zei vrouw Thénardier, "hebt ge mij verstaan?"
+
+Cosette keerde den zak om; er was niets in. Waar kon dat geld
+gebleven zijn? Het ongelukkige kind kon geen woord uitbrengen. Zij
+was versteend.
+
+"Hebt ge het vijftienstuiversstuk verloren?" gilde vrouw Thénardier,
+"of wilt ge mij bestelen?"
+
+Tezelfder tijd stak zij den arm uit naar de karwats in den hoek van
+den haard.
+
+Dit schrikkelijk gebaar gaf Cosette de kracht om uit te roepen:
+
+"Genade, madame, madame, ik zal 't niet weer doen."
+
+Vrouw Thénardier nam de karwats.
+
+Ondertusschen had de man met de bruine jas in zijn vestzakje getast,
+zonder dat men deze beweging had opgemerkt. Bovendien dronken of
+speelden de overige reizigers kaart en letten op niets.
+
+Cosette kroop angstig in den hoek van den haard ineen, en poogde haar
+halfnaakte leden bijeen te trekken en te beveiligen. Vrouw Thénardier
+lichtte den arm op.
+
+"Vergeving, madame," zei de man; "ik heb zoo aanstonds iets uit
+'t voorschootzakje der kleine zien rollen. Dat zal 't misschien zijn."
+
+Tezelfder tijd bukte hij en scheen een oogenblik op den vloer te
+zoeken.
+
+"Juist--hier heb ik 't," hernam hij, zich oprichtende.
+
+En hij reikte het geldstuk aan vrouw Thénardier.
+
+"Ja, dat is het," zeide zij.
+
+Dat was het niet, want 't was een vijffrancstuk, maar vrouw Thénardier
+had er winst bij. Zij stak het geldstuk in haar zak en vergenoegde
+zich een vasten blik op het kind te slaan en te zeggen:--"Pas op,
+dat het niet weer gebeurt!"
+
+Cosette keerde terug naar 't geen vrouw Thénardier "haar nest" noemde,
+en haar groote oogen, op den onbekenden reiziger gericht, namen een
+uitdrukking aan, welke zij nooit gehad hadden. 't Was slechts een
+naïeve verbazing, maar er paarde zich iets aan als een verwonderd
+vertrouwen.
+
+"Zeg eens, wilt ge van avond eten?" vroeg vrouw Thénardier den
+reiziger.
+
+Hij antwoordde niet. Hij scheen in diepe gedachten.
+
+Wie is toch deze man? zeide zij binnensmonds. Een arme drommel. Hij
+heeft geen geld om te eten. Zal hij mij 't logies wel betalen? 't Is
+maar gelukkig, dat 't hem niet in 't hoofd is gekomen het geld dat
+op den grond lag te stelen.
+
+Inmiddels was een deur geopend en Eponine en Azelma kwamen binnen.
+
+'t Waren inderdaad twee lieve kleine meisjes, eer juffertjes dan
+boerinnen; het eene had schitterend kastanjebruine krullen; het andere
+lange, zwarte vlechten, die op den rug hingen; beide waren levendig,
+net, mollig, frisch en gezond, oogbekorend. Zij waren warm gekleed,
+maar met zulk een moederlijke kunst, dat de dikte der stoffen het
+innemende van den opschik volstrekt niet schaadde. Voor den winter
+was gezorgd, zonder dat de lente verdreven was. Men zag 't haar
+aan, dat ze in huis heel wat te zeggen hadden. Uit haar toilet,
+uit haar vroolijkheid, uit haar luidruchtigheid sprak een soort van
+heerschappij. Toen zij binnenkwamen, zeide vrouw Thénardier haar op
+knorrenden, doch tevens liefderijken toon:--Ha! zijt ge daar eindelijk!
+
+Toen trok ze de eene na de andere tusschen haar knieën, streek
+heur haar glad, knoopte haar linten, en liet ze vervolgens los, met
+die streeling van welgevallen, welke alleen aan moeders eigen is,
+zeggende:--Wat hebben zij zich opgeschikt!
+
+Zij zetten zich in den hoek van den haard met een pop, welke ze op
+heur knieën, onder vroolijk gekeuvel, heen en weer bewogen. Nu en dan
+sloeg Cosette de oogen van haar breiwerk op, en aanschouwde haar spel
+met treurigen blik.
+
+Eponine en Azelma zagen niet om naar Cosette. Zij was voor haar
+niets meer dan een hond. Deze drie meisjes telden te zamen geen
+vier-en-twintig jaar, en vertegenwoordigden reeds de geheele
+menschelijke maatschappij; aan de eene zijde afgunst, aan de andere
+verachting.
+
+De pop der zusters Thénardier was zeer verlept, zeer oud en gebroken;
+zij scheen Cosette daarom niet minder fraai; want nooit had zij een
+pop, een "wezenlijke pop", zooals de kinderen zeggen, gehad.
+
+Eensklaps merkte vrouw Thénardier, die gestadig in 't vertrek op en
+neer ging, dat Cosette verstrooid was, en in plaats van te breien
+haar oog op de spelende meisjes gevestigd hield.
+
+"Ha, ik betrap u!" riep zij. "Is dat breien? Ik zal u met de karwats
+leeren breien."
+
+De vreemdeling wendde zich tot vrouw Thénardier, zonder zijn stoel
+te verlaten. Glimlachend, schier bedeesd zeide hij:
+
+"Och, madame, laat haar spelen."
+
+Van ieder reiziger, die voor zijn avondmaal een schijf lamsbout
+gegeten, twee flesschen wijn gedronken en niet het voorkomen
+van een armen drommel gehad had, zou zulk een wensch een bevel
+zijn geweest. Maar dat een man met zulk een hoed zich een wensch
+veroorloofde, en dat een man met zulk een jas een begeerte te kennen
+gaf, dit meende vrouw Thénardier niet te moeten dulden. Zij antwoordde
+scherp:
+
+"Zij moet werken, wijl zij eet. Ik voed haar niet om niets te doen."
+
+"Wat doet zij dan?" hernam de vreemdeling, met een zachte stem,
+die zoo zonderling in tegenspraak was met zijn bedelaarskleeding
+en sjouwermansschouders.
+
+Vrouw Thénardier verwaardigde zich te antwoorden:
+
+"Wel, kousen breien, kousen voor mijn dochtertjes, die er om zoo te
+spreken geen hebben en welhaast barrevoets zouden gaan."
+
+De man aanschouwde de naakte, roode beentjes van Cosette en hernam:
+
+"Wanneer zal zij dit paar kousen gereed hebben?"
+
+"Zij heeft er minstens nog drie of vier dagen werk aan, die luie meid."
+
+"En hoeveel is zulk een paar kousen waard als 't klaar is?"
+
+Vrouw Thénardier sloeg een schamperen blik op hem.
+
+"Ten minste dertig sous."
+
+"Zoudt ge het voor vijf francs willen geven?" hernam de man.
+
+"Drommels!" riep luid lachend een voerman, die luisterde, "vijf
+francs? Dat geloof ik wel!"
+
+Thénardier meende thans te moeten spreken.
+
+"Ja, mijnheer, zoo gij 't wenscht zal men u dat paar kousen voor vijf
+francs geven. Wij mogen den reizigers niets weigeren."
+
+"Maar ge moet dadelijk betalen," zei vrouw Thénardier op haar gewone
+korte en gebiedende wijze.
+
+"Ik koop dit paar kousen," antwoordde de man, "en," voegde hij er bij,
+een vijffrancstuk uit zijn zak nemende, dat hij op de tafel legde--"ik
+betaal het."
+
+Zich toen tot Cosette wendende:
+
+"Thans behoort uw werk mij. Speel nu, mijn kind."
+
+De voerman was zoo getroffen door het vijffrancstuk, dat hij zijn
+glas neerzette en nader kwam.
+
+"'t Is waarachtig waar," riep hij, het stuk beziende. "Een mooi stuk
+geld! en niet valsch!"
+
+Vrouw Thénardier naderde en stak zwijgend het geldstuk in haar
+zak. Zij kon geen tegenwerpingen maken, maar beet zich op de lip en
+haar gezicht nam een uitdrukking van haat aan.
+
+Intusschen beefde Cosette. Zij waagde toch te vragen:
+
+"Is 't waar, madame? mag ik spelen?"
+
+"Speel," zei vrouw Thénardier met vreeselijke stem.
+
+"Dank u, madame," zei Cosette.
+
+En terwijl haar mond vrouw Thénardier dankte, dankte haar ziel den
+reiziger.
+
+Thénardier had zich weder aan 't drinken gezet. Zijn vrouw fluisterde
+hem toe:
+
+"Wie kan toch deze bruine man zijn?"
+
+"Ik heb millionairs gezien," antwoordde Thénardier met gewicht,
+"die zulke jassen droegen."
+
+Cosette had haar breiwerk nedergelegd, maar haar plaats niet
+verlaten. Zij bewoog zich altijd zoo weinig mogelijk. Uit een doosje
+achter zich had zij eenige oude lapjes en haar klein blikken sabeltje
+genomen.
+
+Eponine en Azelma letten volstrekt niet op 't geen gebeurde. Zij
+hadden een gewichtige onderneming volbracht, zij hadden zich van
+de kat meester gemaakt. Zij wierpen de pop op den vloer. Eponine,
+de oudste, bakerde de kleine kat, in weerwil van haar gemiauw en
+gespartel, in een menigte roode en blauwe lappen. Terwijl zij dit
+ernstig en moeielijk werk verrichtte, zeide zij tot haar zuster,
+in die lieve bekoorlijke kindertaal, wier bevalligheid, evenals de
+kleurenpracht der kapel, verdwijnt, wanneer men ze vatten wil:
+
+"Ziet ge, zusje, deze pop is pleizieriger dan de andere. Zij beweegt
+zich, schreeuwt en is warm. Kom, zusje, spelen wij er meê. Zij zal
+mijn dochtertje zijn. Ik zal een dame wezen, die u bezoekt, en gij
+moet haar goed bekijken. Dan moet ge haar snorren zien en u daarover
+verwonderen. Vervolgens haar ooren en dan haar staart, en dat moet
+u ook verwonderen. Gij moet dan zeggen: Maar, mijn hemel! en ik zal
+dan zeggen: Ja, mevrouw, zulk een meisje heb ik. De meisjes zijn
+tegenwoordig zóó."
+
+Azelma luisterde met bewondering naar Eponine. Ondertusschen zongen
+de drinkers een vuil lied, en lachten daarbij dat de zoldering
+dreunde. Thénardier moedigde hen aan en accompagneerde hen.
+
+Evenals de vogels van alles een nestje, zoo maken de kinderen overal
+een pop van. Terwijl Eponine en Azelma de kat inbakerden, had Cosette
+van haar kant het sabeltje ingebakerd. Toen zij hiermede gereed was,
+nam zij het op den arm, en zong zacht om het in slaap te sussen.
+
+De pop is een der dringendste behoeften en terzelfder tijd een der
+bekoorlijkste instincten van de vrouwelijke kindsheid. Te verzorgen,
+op te schikken, te kleeden en te ontkleeden, te onderwijzen, een weinig
+te knorren, in slaap te sussen, te schommelen, zich te verbeelden dat
+iets iemand is, hierin ligt de geheele toekomst der vrouw. Al droomende
+en koutende, kleertjes en hoedjes makende, wordt het kind een meisje,
+het meisje wordt een jongedochter, de jongedochter vrouw. Het eerste
+kind is een voortzetting der laatste pop.
+
+Een meisje zonder pop is schier even ongelukkig en even onvolkomen
+als een vrouw zonder kinderen.
+
+Cosette had dus een pop van haar sabeltje gemaakt.
+
+Vrouw Thénardier was den "bruinen man" genaderd. Zij dacht: mijn
+man heeft gelijk, 't is misschien mijnheer Laffitte. Er zijn zulke
+zonderlinge rijken!
+
+Zij kwam met den elleboog op zijn tafeltje leunen.
+
+"Mijnheer," zeide zij....
+
+Op het woord "mijnheer" wendde de man zich om. Vrouw Thénardier had
+hem nog niet anders genoemd dan "vriend" of "man."
+
+"Ge ziet, mijnheer," zeide zij, met haar zoetsappig gezicht, 't welk
+nog onverdragelijker was dan haar wreed gezicht, "ik wil wel dat het
+kind eens spele, ik belet het niet; maar 't is goed voor een enkelen
+keer, omdat ge zoo edelmoedig zijt. Want weet ge, zij heeft niets. Zij
+moet werken."
+
+"Is dat kind dan niet van u?" vroeg de man.
+
+"Mijn God! neen, mijnheer; 't is een arm kind dat wij uit liefdadigheid
+hebben aangenomen. 't Is zoo'n half onnoozele. 't Schijnt het water
+in 't hoofd te hebben. Zie eens, welk een groot hoofd zij heeft. Wij
+doen voor haar wat wij kunnen, want wij zijn niet rijk. Wij hebben
+naar haar woonplaats geschreven, doch sedert zes maanden antwoordt
+men ons niet meer. Wij moeten gelooven, dat haar moeder overleden is."
+
+"Zoo!" zei de man en hij verviel weder in zijn mijmering.
+
+"Aan die moeder was weinig goeds," hernam vrouw Thénardier. "Zij liet
+haar kind achter."
+
+Gedurende dit gesprek had Cosette, alsof een inwendig gevoel haar had
+gewaarschuwd dat men over haar sprak, het oor niet van vrouw Thénardier
+afgewend. Zij luisterde, maar hoorde slechts nu en dan een enkel woord.
+
+Ondertusschen herhaalden de drinkers, die meer dan half dronken
+waren, met verdubbelde vroolijkheid hun vuil gezang. 't Was iets erg
+stuitends, waarin de Maagd Maria en het kind Jezus voorkwamen. Vrouw
+Thénardier had hartelijk met het schaterend gelach ingestemd:
+Cosette zag, onder de tafel, naar het vuur, dat zich in haar strak oog
+weerkaatste; zij wiegde weder het gebakerde voorwerp en zong daarbij
+zacht: Mijn moeder is dood! mijn moeder is dood! mijn moeder is dood!
+
+Op vernieuwd aanzoek der kasteleines, begeerde de bruine man,
+"de millionair," eindelijk te eten.
+
+"Wat verkiest mijnheer?"
+
+"Brood en kaas," zei de man.
+
+"Zeer zeker een arme drommel," dacht vrouw Thénardier.
+
+De dronkaards zongen nog altijd hun lied, en het kind onder de tafel
+zong het hare.
+
+Eensklaps zweeg Cosette. Zij had zich omgekeerd en zag nu de pop van
+de meisjes, welke zij voor de kat hadden verlaten, en die op eenigen
+afstand der keukentafel op den grond lag.
+
+Toen liet zij het gebakerd sabeltje vallen, dat haar slechts ten
+halve voldeed, en liet haar oogen langzaam door de zaal gaan. Vrouw
+Thénardier sprak zacht met haar man, en telde geld, Ponine en Zelma
+speelden met de kat, de reizigers aten of dronken of zongen, geen blik
+was op haar gericht. Zij had geen oogenblik te verliezen. Zij kroop
+op handen en knieën van onder de tafel, verzekerde zich nogmaals dat
+men haar niet gadesloeg, schoot toen ijlings naar de pop, en greep
+haar. Een oogenblik daarna zat zij weder op haar plaats, bewegingloos,
+doch zoodanig gekeerd, dat de pop, welke zij in haar armen hield,
+in de schaduw was. Het geluk van met een pop te spelen was voor haar
+zoo zeldzaam, dat het de macht van den wellust had.
+
+Niemand had het gezien dan de reiziger, die langzaam zijn sober
+avondeten nuttigde.
+
+Deze vreugd duurde schier een kwartieruurs.
+
+Maar hoe voorzichtig Cosette ook was, zij bespeurde niet, dat een van
+de beenen der pop "uitstak," en helder door het vuur van den haard
+verlicht werd. Dit rosé verlichte been, dat uit de schaduw kwam,
+trof plotseling den blik van Azelma, die tot Eponine zeide:--Zie
+eens, zusje!
+
+De twee meisjes staarden verstomd. Cosette had de pop durven nemen.
+
+Eponine stond op en zonder de kat los te laten, ging zij naar haar
+moeder en trok haar bij haar kleed.
+
+"Laat mij toch met rust," zei de moeder. "Wat wilt ge?"
+
+"Moeder," zei het kind, "zie eens."
+
+En zij wees met den vinger naar Cosette.
+
+Cosette, geheel in verrukking over het bezit, zag noch hoorde iets.
+
+Het gelaat van vrouw Thénardier nam die bijzondere uitdrukking aan,
+welke uit het vreeselijke, vermengd met het nietige des levens,
+bestaat, en die deze soort vrouwen den naam van "helleveeg" heeft
+gegeven.
+
+Nu bracht de gekwetste hoogmoed haar toorn tot het uiterste. Cosette
+had alle grenzen overschreden, Cosette had zich aan de pop vergrepen
+van "hare dochtertjes." Een czarin, die zag dat een mougick zich het
+groote blauwe lint van haar keizerlijken zoon omhing, zou geen ander
+gezicht gehad hebben.
+
+Met een van verontwaardiging schorre stem riep zij:
+
+"Cosette!"
+
+Cosette ontstelde, alsof de grond onder haar ingevallen ware. Zij
+keerde zich om.
+
+"Cosette!" herhaalde vrouw Thénardier.
+
+Cosette nam de pop en legde haar met een soort van eerbied, met wanhoop
+vermengd, op den grond. Toen vouwde zij, zonder haar oogen er van af
+te wenden, de handen samen, en, 't geen van een kind van dien leeftijd
+schrikkelijk is te zeggen, zij wrong ze; en--waartoe haar geen der
+aandoeningen van den dag, noch haar gang naar het bosch, noch den
+zwaren emmer, noch het verliezen van 't geld, noch het gezicht der
+karwats, zelfs niet de dreigende woorden van vrouw Thénardier hadden
+kunnen bewegen,--zij schreide. Zij barstte in snikken uit.
+
+Intusschen was de reiziger opgestaan.
+
+"Wat is er geschied?" vroeg hij aan vrouw Thénardier.
+
+"Ziet ge 't niet?" zei vrouw Thénardier met den vinger naar het corpus
+delicti wijzende, dat aan Cosettes voeten lag.
+
+"Welnu, wat?" hernam de man.
+
+"Deze bedelares," antwoordde vrouw Thénardier, "heeft zich vermeten,
+aan de pop der kinderen te raken."
+
+"En is daarvoor al dat leven!" zei de man. "Waarom mag zij niet met
+de pop spelen?"
+
+"Zij maakt ze smerig met haar vuile handen," hernam vrouw Thénardier,
+"met haar leelijke handen!"
+
+Cosette snikte luider bij deze woorden.
+
+"O, zult ge u stil houden!" riep vrouw Thénardier.
+
+De vreemde ging rechtstreeks naar de voordeur, opende ze en ging er
+uit. Zoodra hij weg was, nam vrouw Thénardier de gelegenheid waar,
+Cosette onder de tafel een geweldigen schop te geven, die het kind
+luid deed schreeuwen.
+
+De deur werd weder geopend, de man kwam terug, hield in zijn beide
+handen de fabelachtige pop, waarvan wij gesproken hebben en welke
+al de kinderen van het dorp den geheelen dag bewonderd hadden, en ze
+voor Cosette leggende, zeide hij:
+
+"Ziedaar, die is voor u."
+
+'t Is waarschijnlijk dat hij, die langer dan een uur hier was,
+te midden zijner mijmeringen, flauw de poppenkraam had opgemerkt,
+die zoo schitterend met lampen en kaarsen werd verlicht, dat men ze
+door het raam der herberg voor een illuminatie hield.
+
+Cosette hief de oogen op. Zij had den man met de pop haar zien naderen,
+evenals zij de zon tot haar zou hebben zien komen, zij hoorde deze
+nooit gehoorde woorden: "dit is voor u," zij zag hem, zij zag de
+pop aan, toen kroop zij langzaam achteruit, en verborg zich onder de
+tafel in den hoek van den muur.
+
+Zij schreide niet meer, noch kreet; 't was alsof zij niet durfde
+ademen.
+
+Vrouw Thénardier, Eponine, Azelma waren als zoovele beelden. Zelfs de
+drinkers hielden een oogenblik op. Er heerschte een plechtige stilte
+in de herberg.
+
+Vrouw Thénardier, versteend en sprakeloos, begon weder gissingen te
+maken:--Wie is deze oude? is hij arm? is hij millionair? Misschien
+beiden, namelijk een dief.
+
+Het gelaat van Thénardier vertoonde dien sprekenden plooi, welke het
+menschelijk gezicht aanneemt, wanneer het heerschend instinct er in al
+zijn dierlijke kracht op verschijnt. De kroeghouder zag beurtelings
+de pop en den reiziger aan; hij scheen dien man even begeerlijk aan
+te zien als hij een zak geld zou hebben aangezien. Dit duurde evenwel
+slechts een oogenblik. Hij naderde zijn vrouw en zeide zacht tot haar:
+"Dat ding kost ten minste dertig francs. Geen gekheid. Dien man moeten
+wij zien in te pakken."
+
+Ruwe naturen hebben dit met de naïeve gemeen, dat zij geen overgangen
+kennen.
+
+"Nu, Cosette," zei vrouw Thénardier met een stem, die zacht wilde
+zijn, maar al den bitteren honig van booze vrouwen had, "neemt ge de
+pop niet aan?"
+
+Cosette waagde het, uit haar schuilhoek te komen.
+
+"Nu, Cosetje," sprak Thénardier op vleienden toon, "mijnheer geeft
+u een pop. Neem ze. Ze is voor u."
+
+Cosette aanschouwde de tooverachtige pop met een soort van schrik. Haar
+gezicht was nog met tranen bedekt; maar haar oogen begonnen zich
+te vullen, evenals de hemel bij den dageraad, met de stralen der
+blijdschap. Wat zij thans gevoelde, had eenige overeenkomst met
+hetgeen zij gevoeld zou hebben, zoo men haar eensklaps gezegd had:
+"Kleine, gij zijt koningin van Frankrijk."
+
+Het scheen haar, alsof de bliksem uit de pop zou schieten, zoo zij
+ze aanraakte.
+
+Dit was in een zeker opzicht waar, want zij zeide bij zich zelve,
+dat vrouw Thénardier op haar zou schelden en haar zou slaan.
+
+De bekoring was echter te sterk. Zij naderde eindelijk en prevelde
+bedeesd, zich tot vrouw Thénardier wendende:
+
+"Mag ik, madame?"
+
+Geen woorden kunnen haar te gelijk wanhopige, angstige en verrukte
+houding uitdrukken.
+
+"Drommels," zei vrouw Thénardier, "ze behoort u. Mijnheer geeft ze
+u immers."
+
+"Is 't waar, mijnheer?" hernam Cosette, "in ernst? is die "dame"
+voor mij?"
+
+De vreemdeling scheen de oogen vol tranen te hebben, en tot dien
+graad van aandoening te zijn gekomen, dat men niet spreekt, ten einde
+niet te weenen. Hij knikte Cosette toe en legde de hand der "dame"
+in haar handje.
+
+Cosette trok schielijk haar hand terug, alsof die der pop haar
+brandde, en zag naar den grond. Wij moeten hier bijvoegen, dat zij
+terzelfdertijd de tong ver uitstak. Eensklaps keerde zij zich om en
+greep driftig de pop.
+
+"Ik zal haar Kaatje noemen," zeide zij.
+
+'t Was een wonderbaar oogenblik, toen de lompen van Cosette in
+aanraking kwamen met de linten en het frisch roodkleurig neteldoek
+der pop.
+
+"Madame," vroeg zij, "mag ik ze op een stoel zetten?"
+
+"Ja, mijn kind," antwoordde vrouw Thénardier.
+
+Nu beschouwden Eponine en Azelma Cosette met afgunst.
+
+Cosette zette Kaatje op een stoel, ging voor haar op den grond zitten
+en bleef haar stil, zonder te spreken, vol bewondering aanschouwen.
+
+"Speel nu, Cosette," zei de vreemdeling.
+
+"O, ik speel," antwoordde het kind.
+
+Deze vreemdeling, deze onbekende, die als een bezoek der Voorzienigheid
+aan Cosette geleek, was op dit oogenblik voor vrouw Thénardier het
+meest gehate voorwerp. Zij moest zich evenwel bedwingen. Zij was
+sterker ontstemd dan zij kon uithouden, hoezeer zij aan geveinsdheid
+gewoon was, doordien zij haar man in al zijne handelingen trachtte
+na te bootsen. Zij haastte zich haar dochtertjes naar bed te zenden,
+en verzocht toen den bruinen man "verlof" ook Cosette naar bed te
+doen gaan, "die," voegde zij er op moederlijken toon bij, "heden wel
+zeer vermoeid moet zijn." Cosette ging naar bed en nam Kaatje op haar
+armen mede.
+
+Vrouw Thénardier ging nu en dan naar het einde der kamer, waar haar
+man zat, om "haar hart te verlichten." Zij wisselde met haar man
+eenige woorden, die te heftiger waren, wijl zij ze niet luid durfde
+uitspreken:
+
+"Die oude schurk! Wat heeft hij toch in den zin, om ons hier te komen
+hinderen! hij wil dat het kleine monster spelen zal! hij geeft haar
+een pop! een pop van veertig francs aan een schepsel, dat geen veertig
+sous waard is! Straks zal hij haar nog majesteit noemen, evenals de
+hertogin van Berry! Heeft dit gezonden zin? De oude onbekende moet
+krankzinnig zijn!"
+
+"Waarom? 't Is zeer natuurlijk," antwoordde Thénardier, "wijl 't hem
+behaagt. Gij wilt dat het meisje werkt, hij wil dat ze speelt. Hij is
+in zijn recht. Een reiziger doet wat hij wil, zoo hij betaalt. Wat
+raakt het u, of deze oude een philanthroop is? 't raakt u niet of
+hij een dwaas is. Wat kan 't u schelen? hij heeft immers geld!"
+
+Taal van den meester en herbergiers-redeneering, waartegen niets is
+in te brengen.
+
+De man leunde met den elleboog op de tafel en had zich weder aan zijne
+gepeinzen overgegeven. De overige reizigers, kooplieden en voerlieden,
+hadden zich een weinig verwijderd en zongen niet meer. Zij beschouwden
+hem op een afstand met een soort van eerbiedige schuwheid. Deze zoo
+armoedig gekleede man, die zoo onverschillig de vijffrancsstukken
+uit zijn zak haalde en reusachtige poppen aan kleine morspotten op
+klompen schonk, was zekerlijk een rijk en machtig man.
+
+Er verliepen verscheidene uren. De middernachtmis was geëindigd, het
+kleine nachtfeest was afgeloopen, de drinkers waren heengegaan, de
+herberg was gesloten, de gelagkamer was ledig, het vuur was uitgedoofd,
+maar de man zat nog op dezelfde plaats en in dezelfde houding. Nu en
+dan verwisselde hij van elleboog om op te steunen. Dit was alles. Sinds
+Cosette er niet meer was, had hij geen woord gesproken.
+
+Alleen de Thénardier's waren uit voegzaamheid en nieuwsgierigheid in
+de kamer gebleven.
+
+"Zal hij den nacht aldus doorbrengen?" bromde vrouw Thénardier. Toen
+het twee uren na middernacht sloeg, verklaarde zij zich overwonnen en
+zeide tot haar man: "Ik ga naar bed. Doe zooals gij wilt."--Thénardier
+ging in een hoek aan een tafel zitten, stak een kaars aan en begon
+de Courrier Français te lezen.
+
+Aldus verstreek ruim een uur. De waardige herbergier had ten minste
+driemaal de courant gelezen, van den datum af tot den naam van den
+drukker toe. De vreemdeling verroerde zich niet.
+
+Thénardier bewoog zich, hoestte, spuwde, snoot den neus, schraapte
+met zijn keel. Geen beweging van den man.--Slaapt hij? dacht
+Thénardier.--De man sliep niet, maar niets kon hem uit zijn gepeins
+wekken.
+
+Eindelijk nam Thénardier zijn pet af, naderde zacht en waagde te
+zeggen:
+
+"Wil mijnheer niet "ter rust gaan"?"
+
+"Naar bed gaan" had hem te onfatsoenlijk en gemeenzaam geschenen. "Ter
+rust gaan" was deftig en eerbiedig. Zulke woorden hebben de geheime,
+wonderbare eigenschap, dat zij den volgenden dag het bedrag der
+rekening doen zwellen. Een kamer waar men "slaapt" kost een franc;
+een kamer, waar men "rust" moet twintig francs kosten.
+
+"Ja!" zei de vreemdeling, "gij hebt gelijk. Waar is de stal?"
+
+"Mijnheer," zei Thénardier met een glimlach, "ik zal mijnheer
+voorgaan."
+
+Hij nam de kaars, de man nam zijn pakje en stok, en Thénardier geleidde
+hem naar een kamer op de eerste verdieping, die bijzonder fraai was,
+met mahoniehouten meubels, ledikant en rood katoenen gordijnen.
+
+"Wat is dat?" vroeg de reiziger.
+
+"'t Is onze bruidskamer," zei de herbergier. "Mijn vrouw en ik bewonen
+een andere. Wij komen hier slechts drie- of viermaal in 't jaar."
+
+"De stal zou mij even lief zijn geweest," zei de man koel.
+
+Thénardier hield zich, alsof hij deze vleiende aanmerking niet hoorde.
+
+Hij ontstak twee nieuwe waskaarsen, die op den schoorsteen stonden. Een
+tamelijk goed vuur brandde in den haard.
+
+Op den schoorsteen lag onder een glazen stolp een vrouwenkapsel van
+zilverdraad en oranjebloesem.
+
+"Wat is dit?" vroeg de vreemdeling.
+
+"'t Is de bruidstooi mijner vrouw mijnheer," zei Thénardier.
+
+De reiziger beschouwde dat voorwerp met een blik, die scheen te zeggen:
+"dat monster is dus ook eens een meisje geweest."
+
+Thénardier loog trouwens. Toen hij het huis had gehuurd om er een
+kroeg van te maken, had hij deze kamer dus gestoffeerd gevonden, het
+huisraad overgenomen met den bruidskrans er bij, in de verwachting,
+dat die aan zijn vrouw een bevallig aanzien zou verleenen en aan zijn
+huis een zekere "respectabiliteit", zooals de Engelschen zeggen.
+
+Toen de reiziger zich omkeerde, was de herbergier verdwenen. Thénardier
+had zich bescheidenlijk verwijderd, zonder goeden nacht te durven
+zeggen, daar hij iemand niet met oneerbiedige gemeenzaamheid wilde
+behandelen, dien hij voornam den volgenden morgen op koninklijke
+wijze te plukken.
+
+De herbergier begaf zich naar zijn kamer. Zijn vrouw was te bed,
+maar sliep niet. Toen zij haar man hoorde komen, keerde zij zich om
+en zeide:
+
+"Weet ge, dat ik Cosette morgen de deur uit gooi?"
+
+Thénardier antwoordde koel:
+
+"Wat zijt ge driftig!"
+
+Zij spraken verder geen woord; na eenige oogenblikken was hun kaars
+uitgebluscht.
+
+De reiziger had zijn pakje en stok in een hoek gelegd.
+
+Toen de herbergier hem verlaten had, zette hij zich op een stoel en
+bleef een poos in gedachten verdiept. Vervolgens trok hij zijn schoenen
+uit, nam een der kaarsen, blies de andere uit, opende de deur, ging
+uit de kamer en zag om zich, als iemand die iets zoekt. Hij ging door
+een gang en kwam aan de trap. Daar hoorde hij een zeer zacht gerucht,
+dat de ademhaling van een kind geleek. Hij ging hierop af en het
+bracht hem voor een driehoekig hok onder de trap, of liever door de
+trap zelf gevormd. 't Was eenvoudig de ruimte onder de treden. Daar,
+onder allerlei oud mandewerk en vodden, in stof en spinnewebben,
+was een bed, indien een stroozak, door welks gaten men het stroo kon
+zien, en een oude deken, door welks gaten men den stroozak kon zien,
+aldus genoemd mogen worden. Lakens waren er niet. De stroozak lag op
+den vloer, en in dat bed sliep Cosette.
+
+De man trad nader en zag haar aan.
+
+Cosette sliep gerust en was geheel gekleed. Des winters ontkleedde
+zij zich niet, om minder kou te lijden.
+
+Zij hield de pop, wier groote oogen in de duisternis glinsterden,
+tegen zich gedrukt. Nu en dan loosde zij een zwaren zucht, als ware
+zij op 't punt te ontwaken, en schier stuipachtig klemde zij de pop
+in haar armen. Slechts één harer klompen stond bij haar bed.
+
+Door een open deur, dicht bij de slaapplaats van Cosette, kon men
+in een groote donkere kamer zien. De vreemdeling trad er binnen. De
+glazen deur deed in de kamer twee gelijke kleine, heldere bedden
+opmerken. Ze waren van Azelma en Eponine. Achter deze bedden ontdekte
+men flauw een teenen wieg zonder gordijnen, waarin het jongetje sliep,
+dat den ganschen avond geschreeuwd had.
+
+De vreemdeling vermoedde, dat deze kamer met die der echtgenooten
+in verbinding was. Hij wilde zich verwijderen, toen zijn blik op den
+schoorsteen viel; een dier groote herbergsschoorsteenen, waarin altijd
+zoo weinig vuur is, zoo er in 't geheel vuur in is, en die zich zoo
+koud laten aanzien. In dezen schoorsteen was geen vuur, zelfs geen
+asch; wat er in was, trok echter de aandacht des reizigers. 't Waren
+namelijk twee nette kinderschoentjes van verschillende grootte; de
+reiziger herinnerde zich de lieve, overoude gewoonte der kinderen
+in Frankrijk om op den Kerstdag hun schoenen onder den schoorsteen
+te zetten, opdat hun goede fée er des nachts een fraai geschenk in
+brenge. Eponine en Azelma hadden dan ook niet nagelaten, ieder haar
+schoentje onder den schoorsteen te zetten.
+
+De reiziger bukte.
+
+De fée, dat wil zeggen de moeder, was er reeds geweest, en in ieder
+schoentje zag men een fraai, geheel nieuw half-francstuk blinken.
+
+De man richtte zich op en wilde gaan, toen hij achter in den donkersten
+hoek van den schoorsteen nog een ander voorwerp bespeurde, een
+leelijk, lomp, half gebroken en met asch en slijk bedekt klompje. 't
+Was Cosettes klompje. Ook Cosette had met dat aandoenlijk vertrouwen
+der kinderen, dat, schoon telkens bedrogen, echter nooit den moed
+opgeeft, haar klompje in den schoorsteen gezet.
+
+De hoop van een kind, dat nooit iets anders dan wanhoop heeft gekend,
+is iets zeer verhevens en liefelijks.
+
+In dat klompje was niets.
+
+De vreemdeling tastte in zijn zak, bukte en legde in Cosettes klompje
+een louis d'or.
+
+Toen keerde hij zacht naar zijn kamer terug.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+THÉNARDIER AAN 'T WERK.
+
+
+Den volgenden morgen, ten minste twee uur vóór het dag was, zat
+Thénardier bij een kaars in de gelagkamer aan de tafel met een pen
+in de hand, en maakte de rekening op van den reiziger in de bruine jas.
+
+Zijn vrouw stond half gebogen naast hem en zag toe. Zij spraken geen
+woord. 't Was aan de eene zijde diepe overweging, aan de andere
+eerbiedige bewondering, als waarmede men een gewrocht van den
+menschelijken geest ziet ontstaan en zich ontwikkelen. Men hoorde
+gerucht in huis, 't was de "leeuwerik" die de trap veegde.
+
+Na een groot kwartieruurs en eenige doorhalingen, bracht Thénardier
+dit meesterstuk voor den dag:
+
+
+ Nota voor mijnheer No. 1.
+
+ Soupé fr. 3.
+ Kamer fr. 10.
+ Kaarsen fr. 5.
+ Vuur fr. 4.
+ Bediening fr. 1.
+ ------
+ Te zamen fr. 23.
+
+
+"Drie-en-twintig francs!" riep de vrouw verrukt, doch met eenige
+aarzeling vermengd.
+
+Evenals alle groote kunstenaars, was Thénardier niet tevreden.
+
+"Hm!" prevelde hij.
+
+'t Was de toon van Castlereagh, terwijl hij op 't congres van Weenen
+de rekening voor Frankrijk opmaakte.
+
+"Gij hebt gelijk, Thénardier, hij mag dit wel betalen," mompelde
+de vrouw, aan de pop denkende, welke hij in tegenwoordigheid harer
+dochtertjes aan Cosette had gegeven, "'t is niet meer dan billijk;
+ofschoon wat veel. Hij zal 't niet willen betalen."
+
+Thénardier antwoordde met zijn koelen glimlach:
+
+"Hij moet betalen."
+
+Deze glimlach was de hoogste uitdrukking van zekerheid en gezag. Wat
+zóó gezegd was moest gebeuren. De vrouw sprak er niet verder over. Zij
+bracht de tafels in orde; de man ging heen en weder door de kamer. Na
+eenige oogenblikken zeide hij:
+
+"Ik moet wel vijftienhonderd francs betalen."
+
+Hij zette zich in den hoek van den haard, met de voeten in de warme
+asch en peinsde.
+
+"Nu, ge vergeet toch niet, dat ik vandaag Cosette de deur uitzet. Het
+monster, ik kan haar niet uitstaan, met haar pop! Ik zou liever
+Lodewijk XVIII trouwen dan haar een dag langer in mijn huis hebben."
+
+Thénardier stak zijn pijp aan, en antwoordde tusschen de rookwolken:
+"Gij zult de rekening aan den man geven."
+
+Toen ging hij uit.
+
+Nauwelijks was hij uit de kamer, toen de reiziger binnenkwam.
+
+Thénardier verscheen weder onmiddellijk achter hem, bleef in de half
+open deur staan en was alleen zichtbaar voor zijn vrouw.
+
+De bruine man had zijn stok en zijn pakje in de hand.
+
+"Zoo vroeg bij de hand!" zei vrouw Thénardier, "gaat mijnheer ons
+reeds verlaten?"
+
+Dit zeggende draaide zij verlegen de rekening in haar hand en maakte
+er met haar vingers vouwen in. Haar strak gelaat vertoonde een haar
+geheel ongewone uitdrukking van bedeesdheid en schroom.
+
+'t Scheen haar moeielijk zulk een rekening aan iemand te geven,
+die zoo geheel 't voorkomen van "een arme" had.
+
+De reiziger scheen verstrooid en in gedachten. Hij antwoordde:
+
+"Ja, madame, ik vertrek."
+
+"Ge hebt dus te Montfermeil geen zaken te doen?"
+
+"Neen, ik reis hier slechts door, anders niet.--Wat ben ik u schuldig,
+madam?"
+
+Vrouw Thénardier reikte hem de toegevouwen rekening over, zonder een
+woord te zeggen.
+
+De man vouwde het papier open en zag het in; maar blijkbaar dacht
+hij aan iets anders.
+
+"Madame," vroeg hij, "maakt ge goede zaken hier te Montfermeil?"
+
+"Zoo, zoo, mijnheer," antwoordde vrouw Thénardier, verbaasd dat hij
+niet op eene andere wijze uitviel. Op treurigen, jammerenden toon
+voegde zij er bij: "'t Is een slechte tijd, mijnheer! en hier, in
+deze omstreken zijn weinig welgestelden. 't Zijn allen geringe lieden,
+weet ge. Zoo er niet nu en dan fatsoenlijke en rijke reizigers kwamen
+als mijnheer! Wij hebben zoovele lasten. Onder andere, die kleine
+kost ons ontzettend."
+
+"Welke kleine?"
+
+"Wel, de kleine, die gij gezien hebt! Cosette; de "leeuwerik" zooals
+men ze hier noemt."
+
+"Ha," zei de man.
+
+Zij voer voort:
+
+"De boeren zijn zoo dom met hun bijnamen; zij heeft meer van een
+vleermuis dan van een leeuwerik. Weet ge, mijnheer, wij vragen niet,
+maar kunnen evenmin geven. Wij verdienen niets en hebben veel te
+betalen. Het patent, de personeele belasting, deuren en vensters,
+de opcenten! Mijnheer weet, dat er ontzettend veel belasting moet
+betaald worden. Bovendien heb ik mijn dochtertjes; ik heb niet noodig
+het kind van een ander te voeden."
+
+De man hernam met eene stem, welke men onverschillig tracht te maken,
+doch evenwel beeft: "Zoo men er u eens van ontlastte?"
+
+"Van wie? van Cosette?"
+
+"Ja."
+
+Het roode heftige gezicht der herbergierster straalde van hatelijke
+vreugde.
+
+"O, mijnheer, houd haar, neem haar mede, doe met haar wat ge wilt en
+de H. Maagd en al de Heiligen in den hemel zegenen u er voor."
+
+"Afgedaan!"
+
+"Waarlijk? Neemt ge haar mede?"
+
+"Ik neem ze mede."
+
+"Aanstonds?"
+
+"Aanstonds. Roep het kind."
+
+"Cosette!" riep vrouw Thénardier.
+
+"Ondertusschen zal ik u mijn schuld betalen," hernam de man. "Hoeveel
+is 't?"
+
+Hij sloeg een blik in de rekening en kon een beweging van verbazing
+niet onderdrukken.
+
+"Drie-en-twintig francs!" zeide hij, de vrouw aanziende, en herhaalde:
+"Drie-en-twintig francs!"
+
+Op deze wijze herhaald lag in deze woorden de uitdrukking tusschen
+het verwonderings- en het vraagteeken.
+
+Vrouw Thénardier had den tijd gehad, zich tot den schok voor te
+bereiden. Zij antwoordde stoutmoedig:
+
+"Ja, mijnheer, 't is drie-en-twintig francs."
+
+De vreemdeling legde vijf vijffrancstukken op de tafel.
+
+"Ga nu het kind halen," zeide hij.
+
+Op dit oogenblik trad Thénardier in 't midden der kamer en zeide:
+
+"Mijnheer is nog zes-en-twintig sous schuldig."
+
+"Zes-en-twintig sous!" herhaalde de vrouw.
+
+"Twintig sous voor de kamer, zes voor het avondeten," hernam Thénardier
+koel. "Wat de kleine betreft moet ik met mijnheer nog een woord
+spreken. Ga, vrouw."
+
+Vrouw Thénardier was als verbijsterd door de verrassende spranken
+van haars mans schitterenden geest. Zij gevoelde dat de groote acteur
+thans ten tooneele trad; zij antwoordde niet en ging heen.
+
+Zoodra zij alleen waren, bood Thénardier den vreemdeling een stoel
+aan. De reiziger ging zitten; Thénardier bleef staan en zijn gelaat
+nam een zonderlinge goedhartigheid en onnoozelheid aan.
+
+"Ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik dit kind onuitsprekelijk liefheb."
+
+De vreemdeling zag hem strak aan.
+
+"Welk kind?" vroeg hij.
+
+"'t Is zonderling, hoe men zich aan iets hechten kan," vervolgde
+Thénardier. "Wat is al dat geld? Neem uw vijffrancstukken terug. Ik
+houd onuitsprekelijk van dat kind!"
+
+"Van welk?" vroeg de vreemde.
+
+"Wel, van onze kleine Cosette. Wilt ge dit niet van ons wegnemen? Nu,
+ik spreek openhartig; zoo waar als ik een eerlijk man ben, ik kan er
+niet in bewilligen. Ik zou het kind missen. Ik heb ze van jongs af
+bij mij gehad. 't Is waar, dat ze ons veel kost; 't is waar, dat ze
+haar gebreken heeft; 't is waar, dat wij niet rijk zijn; 't is waar
+dat, toen ze ziek was, ik meer dan vierhonderd francs aan artsenijen
+betaald heb. Maar men moet iets voor den lieven God doen. Zij heeft
+noch vader noch moeder, ik heb haar grootgebracht. Ik heb brood voor
+mij en voor haar. Kortom, ik ben aan 't kind gehecht. Ge begrijpt,
+men kan zich ergens aan hechten; ik ben een eenvoudige goede kerel;
+ik redeneer niet, en houd van de kleine; mijn vrouw is driftig,
+maar houdt ook van haar. 't Is als ware het ons kind. Ik moet haar
+in huis hooren keuvelen."
+
+De vreemde bleef hem strak aanzien. Thénardier voer voort:
+
+"Vergeving, verschooning, mijnheer, men geeft zoo maar zijn kind
+niet aan den eerste den beste. Niet waar, heb ik geen gelijk? 't
+Is zoo, gij zijt rijk, gij schijnt een zeer goed man, en zoo het
+tot haar geluk was? Maar wie weet dat? Ge begrijpt dat, zoo ik haar
+liet gaan en dit offer bracht, ik zou willen weten waar zij bleef,
+ik zou haar niet uit het oog willen verliezen, zou moeten weten bij
+wien zij is, om haar nu en dan te bezoeken, opdat zij zou weten dat
+haar goede pleegvader nog altijd over haar waakt. Er zijn voorwaar
+maar al te veel onmogelijke zaken. Ik weet zelfs uw naam niet. Zoo
+ge haar medenaamt, zou ik moeten vragen: waar is de Leeuwerik toch
+gebleven? Ik zou ten minste een stukje papier, een paspoort of iets
+van dien aard moeten zien.
+
+Zonder op te houden den herbergier met dien blik aan te zien, die,
+om zoo te spreken, tot in het diepst der ziel dringt, antwoordde de
+vreemde met ernstige, vaste stem:
+
+"Mijnheer Thénardier, men neemt geen pas om zich vijf uren van
+Parijs te verwijderen. Zoo ik Cosette medeneem, neem ik haar mede,
+dit is alles. Ge zult noch mijn naam, noch mijn woonplaats vernemen;
+ge zult haar verblijf niet vernemen, en 't is mijn bedoeling dat zij
+u nooit wederzie. Ik breek den draad, dien zij aan den voet heeft,
+en zij vliegt weg. Wilt gij dit, ja of neen?"
+
+Evenals goede en kwade geesten aan sommige teekenen de tegenwoordigheid
+van een hoogeren geest erkennen, zoo begreep Thénardier, dat hij
+met een zeer sterk man te doen had. Dit werd hem als ingegeven; hij
+begreep het dadelijk met zijn gewone scherpzinnigheid. Hij had reeds
+den vorigen avond, terwijl hij met de voerlieden dronk, rookte en zong,
+den vreemdeling oplettend gadegeslagen, hem als een kat beloerd en
+hem als een wiskunstenaar bestudeerd. Uit eigen beweging, voor zijn
+pleizier en uit instinct had hij hem gadegeslagen, en hem bespied
+als werd hij er voor betaald. Geen gebaar, geen beweging was hem
+van dezen man in de bruine jas ontsnapt. Zelfs vóór de onbekende zijn
+belangstelling in Cosette deed blijken, had Thénardier hem geraden. Hij
+had de doordringende blikken van den ouden man verrast, die zich immer
+op het kind richtten. Wat was de reden dezer belangstelling? Wie was
+deze man? Waarom zulk een armoedige kleeding, met zooveel geld in den
+zak? Deze vragen, welke hij zich deed en niet kon oplossen, kwelden
+hem. Hij had er den ganschen nacht over gedacht. 't Kon Cosettes vader
+niet zijn. Misschien een grootvader? maar waarom zich dan niet dadelijk
+kenbaar gemaakt? Zoo men recht op iets heeft, bewijst men het. 't
+Was duidelijk, dat deze man geen recht op Cosette had. Wie was hij
+dan? Thénardier verloor zich in gissingen. Hij meende alles te zien,
+en zag niets. Hoe het zij, toen hij met den man een gesprek begon,
+voelde hij zich sterk, in de overtuiging dat er een geheim onder
+schuilde, dat de man er belang bij had onbekend te blijven; doch
+bij het duidelijk en stellig antwoord van den vreemde, en toen hij
+zag van dit geheimzinnig personage zoo eenvoudig geheimzinnig was,
+gevoelde hij zich zwak. Iets dergelijks had hij niet verwacht. Al
+zijn gissingen vielen nu in duigen. Hij zamelde zijn gedachten. In
+een seconde overwoog hij dit alles. Thénardier was een dier menschen,
+die in een oogenblik over een toestand oordeelen. Hij begreep dat
+'t nu het oogenblik was om regelrecht en snel door te tasten. Hij
+handelde als de groote veldheeren op het beslissend oogenblik, dat
+zij alleen weten te erkennen; hij ontblootte eensklaps zijn batterij.
+
+"Mijnheer," zeide hij, "ik moet vijftienhonderd francs hebben."
+
+De vreemde nam uit zijn zak een oude, zwart lederen portefeuille,
+opende ze en haalde er drie bankbriefjes uit, welke hij op de tafel
+legde. Toen hield hij zijn grooten duim op de briefjes en zeide tot
+den herbergier:
+
+"Haal Cosette."
+
+Wat deed Cosette, terwijl dit plaats had?
+
+Cosette was terstond bij haar ontwaken naar haar klompje geloopen,
+en had daarin het goudstuk gevonden. 't Was geen gouden Napoleon,
+maar een dier nieuwe twintig-francstukken der restauratie, waarop de
+kleine Pruisische staart den lauwerkrans aan het borstbeeld vervangen
+had. Cosette was als verblind. Haar lot begon haar te bedwelmen. Zij
+wist niet wat een goudstuk was; nooit had zij er een gezien; zij
+bergde het haastig in haar zak alsof zij het gestolen had. Evenwel
+gevoelde zij, dat het haar behoorde; zij begreep, van waar dit geschenk
+kwam, maar haar vreugd was met vrees vermengd. Zij was tevreden;
+maar bovenal verbaasd. Deze heerlijke, schoone dingen schenen haar
+niet wezenlijk. De pop joeg haar vrees aan, het goudstuk beangstigde
+haar. Deze heerlijkheden deden haar onwillekeurig beven. Alleen de
+vreemde man baarde haar geen vrees; integendeel, hij stelde haar
+gerust. Sinds den vorigen avond dacht zij, bij al haar verbazing,
+in haar slaap, in haar kleinen kinderlijken geest aan den man, die
+zulk een oud, armoedig en treurig aanzien had en die zoo rijk en goed
+was. Sinds zij dien goeden man in het bosch had ontmoet was alles
+voor haar veranderd. Cosette, minder gelukkig dan de geringste zwaluw
+in de lucht, had nooit geweten wat het is, in de moederlijke hoede
+als onder een vleugel beschermd te zijn. Sedert vijf jaren, dat is
+zoo ver haar geheugen reikte, rilde en beefde het arme kind. Steeds
+was zij naakt geweest in den guren wind des ongeluks; nu scheen het
+haar, dat zij gekleed was. Vroeger was haar ziel koud, nu was zij
+warm.--Cosette had zooveel vrees niet meer voor Thénardier. Zij was
+niet meer alleen; er was iemand bij haar.
+
+Haastig had zij haar ochtendwerk begonnen. De louisd'or, welken zij bij
+zich had, in 't zelfde zakje van haar voorschoot, waaruit den vorigen
+avond het vijftien-sousstuk was gevallen, maakte haar verstrooid. Zij
+durfde het niet aanraken, maar beschouwde het elke vijf minuten,
+waarbij zij, wij moeten 't zeggen, de tong uitstak. Terwijl zij de
+trap veegde, hield zij stil, vergat haar bezem en de geheele wereld,
+en staarde bewegingloos naar de schitterende ster in haar zak.
+
+'t Was in zulk een beschouwing, dat vrouw Thénardier haar vond.
+
+Op 't bevel van haar man kwam deze haar zoeken. Vreemd! zij gaf haar
+geen klap en schold haar niet.
+
+"Cosette, kom dadelijk," zei zij schier vriendelijk.
+
+Een oogenblik later trad Cosette de gelagkamer binnen.
+
+De vreemde nam het pakje, dat hij had medegebracht, en ontknoopte
+het. Het bevatte een wollen jurkje, een schortje, een onderrok, een
+halsdoek, wollen kousen, schoenen, kortom de volledige kleeding voor
+een zevenjarig meisje. Alles was zwart.
+
+"Neem dit, mijn kind," zei de man, "en kleed u spoedig."
+
+'t Begon te dagen toen de inwoners van Montfermeil, die hun deuren
+allengskens openden, in de Parijsche straat een armoedig gekleed
+man zagen voorbijgaan, die een in den rouw gekleed meisje met een
+groote pop in de armen, aan de hand hield. Zij gingen in de richting
+van Livry.
+
+'t Was onze man met Cosette.
+
+Niemand kende hem; en wijl Cosette geen lompen meer droeg, herkenden
+velen haar niet.
+
+Cosette ging heen. Met wien? waarheen? dit wist zij niet. Al wat zij
+begreep was, dat zij Thénardier's kroeg verliet. Niemand had er aan
+gedacht haar vaarwel te zeggen, evenmin als zij om van iemand afscheid
+te nemen. Zij verliet dat huis, gehaat en hatende.
+
+Arm, zacht wezen, welks hart tot hiertoe immer onderdrukt was geweest.
+
+Cosette ging ernstig voorwaarts, met groote oogen den hemel
+aanschouwende. Zij had den louisd'or in het zakje van haar nieuwen
+boezelaar gestoken. Nu en dan boog zij 't hoofd en sloeg er een blik
+op, daarna zag zij telkens naar den man. Zij gevoelde iets, als ware
+zij bij den goeden God.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+WIE HET BESTE ZOEKT, VINDT SOMS HET SLECHTSTE.
+
+
+Vrouw Thénardier had, als gewoonlijk, haar man laten handelen. Zij
+verwachtte iets gewichtigs. Toen de vreemde en Cosette weg waren,
+liet Thénardier een groot kwartier voorbijgaan. Toen ging hij tot
+haar en toonde haar de vijftienhonderd francs.
+
+"Meer niet?" zeide zij.
+
+Dit was de eerste keer, sedert het begin van hun echtelijke
+samenleving, dat zij een daad van den meester durfde berispen.
+
+De slag trof.
+
+"Inderdaad, ge hebt gelijk," zeide hij, "ik ben een ezel. Geef
+mijn hoed."
+
+Hij vouwde de drie bankbriefjes samen, stak ze in zijn zak en
+verwijderde zich haastig. Hij vergiste zich echter in den weg en
+ging rechts. Eenige buren, bij wie hij onderzoek deed, brachten
+hem op het rechte spoor; de Leeuwerik en de vreemde waren den weg
+naar Livry gegaan. Hij volgde deze aanwijzing, en ging snel voort,
+in zich zelven sprekende.
+
+"Die man is blijkbaar een in 't bruin gekleede millionair, en ik ben
+een ezel. Eerst gaf hij twintig sous, toen vijf francs, vervolgens
+nog vijftig francs, eindelijk vijftienhonderd francs en alles zonder
+eenige moeielijkheid. Hij zou ook vijftienduizend francs hebben
+gegeven. Maar ik zal hem inhalen.
+
+Ook het vooraf gereed gemaakte pakje voor de kleine was iets
+zonderlings, daar schuilt een geheim achter. Wanneer men geheimen
+heeft, laat men ze niet spoedig los. De geheimen der rijken zijn
+met goud gevulde sponsen, die men moet weten uit te persen." Al deze
+gedachten woelden hem in 't hoofd.--"Ik ben een ezel," herhaalde hij.
+
+Zoodra men buiten Montfermeil den hoek van den weg naar Livry bereikt
+heeft, ziet men den weg zeer ver voor zich uit, in de hoogte. Hier
+gekomen, zou hij, naar zijn berekening, den man en het kind kunnen
+zien. Hij tuurde zoo ver zijn oogen reikten, maar bespeurde niets. Hij
+deed weder onderzoek. Hiermede verloor hij tijd. Voorbijgangers zeiden
+hem, dat de man en het kind, welke hij zocht, naar 't bosch, op den
+weg van Gagny, waren gegaan. Hij spoedde zich in deze richting voort.
+
+Zij waren hem een goed eind vooruit, maar een kind gaat langzaam en
+hij liep snel. Bovendien waren hem de omstreken bekend.
+
+Eensklaps bleef hij stil staan en sloeg zich voor 't hoofd, als iemand,
+die het voornaamste heeft vergeten en wil terugkeeren
+
+"Ik had mijn geweer moeten medenemen!" dacht hij.
+
+Thénardier was een dier dubbele naturen, welke vaak in ons midden
+verschijnen, zonder dat wij 't weten, en die verdwijnen, zonder dat
+men ze gekend heeft, wijl het lot er slechts ééne zijde van heeft
+getoond. Thénardier bezat in zijn gewonen rustigen toestand al wat
+er noodig is een eerlijk man van zaken, een "goed burger" genoemd te
+worden, wij zeggen niet--te zijn. Terzelfdertijd had hij, in zekere
+omstandigheden, wanneer zekere schokken zijn onderste natuur deden
+bovenkomen, alles wat noodig is om een schurk te zijn. Hij was een
+herbergier, in wien iets gedrochtelijks verborgen lag. Satan moest
+zich zeker nu en dan in een hoek der kroeg, waarin Thénardier huisde,
+neerzetten en over dit meesterstuk van het afschuwelijke nadenken.
+
+Na een korte aarzeling dacht hij:
+
+"Zij zouden den tijd hebben mij te ontkomen."
+
+Hij zette met snelle schreden, schier met een voorkomen van zekerheid
+en met de sluwheid van den vos, die een troep patrijzen riekt,
+regelrecht zijn weg voort.
+
+Toen hij voorbij de vijvers was, de groote vlakte ter rechterzijde
+van den weg naar Bellevue schuins overgegaan, en gekomen was
+aan het met gras begroeide pad, dat bijna om den geheelen heuvel
+loopt en den boog der oude waterleiding van de abdij van Chelles
+overdekt, bespeurde hij inderdaad boven het struikgewas een hoed,
+nopens welken hij reeds verscheidene gissingen had gemaakt. 't Was
+de hoed van den man. Het struikgewas was laag. Thénardier begreep,
+dat de man en Cosette dáár zaten. De kleinheid van het kind belette,
+dat men het kon zien, maar men zag het hoofd der pop.
+
+Thénardier bedroog zich niet. De man had zich dáár neergezet om Cosette
+een weinig te laten rusten. De herbergier ging om het kreupelhout
+heen en verscheen eensklaps voor de oogen van hen, welke hij zocht.
+
+"Vergeving, verschoon mij, mijnheer," zeide hij hijgend, "maar neem
+uw vijftienhonderd francs terug."
+
+Dit zeggende reikte hij den vreemde de drie bankbriefjes.
+
+De man sloeg de oogen op en vroeg:
+
+"Wat beteekent dat?"
+
+"Het beteekent, dat ik Cosette terugneem, mijnheer," antwoordde
+Thénardier heel onderdanig.
+
+Cosette beefde en klemde zich tegen den ouden man.
+
+Deze antwoordde, terwijl hij Thénardier strak in de oogen zag en op
+ieder zijner woorden drukte:
+
+"Ge neemt Cosette terug?"
+
+"Ja, mijnheer, ik neem haar terug. Ik moet u zeggen, dat ik heb
+nagedacht. Ik heb eigenlijk het recht niet haar aan u af te staan. Weet
+ge, ik ben een eerlijk man. Het kind behoort mij niet; het behoort
+aan haar moeder. Haar moeder heeft het mij toevertrouwd; ik mag het
+aan niemand dan aan haar moeder wedergeven. Ge zult mij zeggen, dat
+haar moeder dood is. Goed, maar in dat geval kan ik het kind niet
+overgeven dan aan dengene, die mij een door de moeder onderteekend
+geschrift brengt, krachtens 't welk ik het kind aan dien persoon moet
+overgeven. Dat is duidelijk."
+
+Zonder te antwoorden tastte de man in zijn zak, en Thénardier zag
+wederom de portefeuille met bankbriefjes te voorschijn komen.
+
+De kroeghouder trilde van blijdschap.
+
+"Ha!" dacht hij, "laat ik mij goed houden. Hij wil mij omkoopen."
+
+Vóór de reiziger de portefeuille opende, sloeg hij een blik rondom
+zich. De plaats was volkomen eenzaam; geen sterveling was in het bosch
+noch op de vlakte te zien. De man opende de portefeuille en nam er,
+niet een handvol bankbriefjes, zooals Thénardier verwacht had, maar
+een klein papiertje uit, dat hij losvouwde en den herbergier aanbood,
+zeggende:
+
+"Ge hebt gelijk. Lees dus."
+
+Thénardier nam het papier en las:
+
+
+ M. sur M. den 25 Maart 1823.
+
+
+ "Mijnheer Thénardier,
+
+
+ "Geef Cosette aan brenger dezes over. Men zal u alle kleinigheden
+ betalen.
+
+ "Met achting heb ik de eer u te groeten.
+
+
+ "Fantine."
+
+
+"Ge kent deze handteekening?" hernam de man.
+
+'t Was wel degelijk Fantines handteekening. Thénardier herkende
+haar. Er was niets tegen in te brengen. Hij gevoelde een dubbele,
+hevige spijt, vooreerst dat zijn hoop op buit verijdeld was, en ten
+tweede van geslagen te zijn. De man voegde er bij:
+
+"Ge moogt dit papier te uwer verantwoording behouden."
+
+Thénardier trok in goede orde terug:
+
+"Deze handteekening is tamelijk goed nagemaakt," mompelde hij tusschen
+zijn tanden. "Welnu, het zij zoo."
+
+Toen beproefde hij nog een wanhopige poging.
+
+"'t Is goed, mijnheer," zeide hij. "Wijl gij de brenger zijt. Maar men
+moet mij "alle kleinigheden" betalen. Men is mij nog veel schuldig."
+
+De man stond op en zeide, terwijl hij met zijn vingers het stof van
+zijn kale mouw knipte:
+
+"Mijnheer Thénardier, in Januari berekende de moeder, dat zij u
+honderd-twintig francs schuldig was; in Februari zondt ge haar een
+rekening van vijf-honderd francs; in het laatst van Februari hebt
+ge driehonderd francs en in 't begin van Maart nogmaals driehonderd
+francs ontvangen. Sinds zijn negen maanden verloopen, 't geen, tegen
+den bepaalden prijs van vijftien francs, honderd-vijf-en-dertig francs
+bedraagt. Gij hadt honderd francs te veel ontvangen. Dus hebt ge nog
+vijf-en-dertig francs tegoed. Ik heb u nu laatstelijk vijftienhonderd
+francs gegeven."
+
+Thénardier ondervond nu, wat een wolf ondervindt op het oogenblik
+dat hij zich door den stalen muil van de val gebeten en gegrepen voelt.
+
+"Wie is deze duivel van een kerel?" dacht hij.
+
+Hij deed wat de wolf doet: hij schudde zich. De vermetelheid was hem
+reeds eenmaal gelukt.
+
+"Mijnheer onbekend," zeide hij stoutmoedig en alle beleefdheid ter
+zijde stellende, "ik zal Cosette terugnemen zoo ge mij geen duizend
+kronen geeft."
+
+De vreemde zeide bedaard:
+
+"Kom, Cosette."
+
+Hij nam Cosette met de linkerhand en met de rechterhand zijn stok,
+die op den grond lag.
+
+Thénardier lette op de dikte van den knuppel en de eenzaamheid
+der plaats.
+
+De man ging met het kind het bosch in, en liet den herbergier
+verbluft staan.
+
+Terwijl zij voortgingen, beschouwde Thénardier de breede eenigszins
+gewelfde schouders en de grove vuisten van den man.
+
+Toen viel zijn blik op zijn eigen tengere armen en magere handen.--Ik
+ben toch zeer dom geweest, dacht hij, dat ik mijn geweer niet heb
+medegenomen, daar ik op de jacht ging.
+
+De herbergier gaf 't echter nog niet op.
+
+"Ik wil weten, waar hij heen gaat," zeide hij bij zich zelven, en hij
+volgde hen op een afstand. Twee dingen waren hem echter gebleven:
+eene bespotting, het stuk papier door Fantine onderteekend; en een
+troost, de vijftienhonderd francs.
+
+De man voerde Cosette in de richting van Livry en Bondy. Hij ging
+langzaam, met gebogen hoofd, in nadenkende en treurige houding. De
+winter had het bosch doorzichtig gemaakt, zoodat Thénardier hen in
+'t oog kon houden, hoewel hij ver achter hen bleef. Van tijd tot
+tijd wendde de man het hoofd om, ten einde te zien of men hem ook
+volgde. Eensklaps ontdekte hij Thénardier. Plotseling ging hij met
+Cosette in dicht kreupelhout, waar beiden onzichtbaar waren.
+
+"Verduiveld!" dacht Thénardier, en hij versnelde zijn schreden.
+
+De dichtheid van het houtgewas had hem genoopt hen meer te
+naderen. Toen de man in het dichtste hout was, keerde hij zich
+om. Thénardier trachtte zich vergeefs achter de takken te verbergen,
+hij kon niet verhinderen dat de man hem zag. De man wierp hem een
+wrevelen blik toe, schudde het hoofd en zette zijn weg voort. De
+herbergier volgde hem. Zoo deden zij twee- of driehonderd
+schreden. Eensklaps keerde de man zich weder om. Hij zag den
+herbergier. Ditmaal zag hij hem met zulk een dreigenden blik aan, dat
+Thénardier het "onnoodig" oordeelde verder te gaan. Hij keerde terug.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+NO. 9430 KOMT WEDER TE VOORSCHIJN EN COSETTE TREKT DAT LOT.
+
+
+Jean Valjean was niet dood.
+
+Toen hij in zee viel, of liever er in sprong, was hij, zooals men
+gezien heeft, niet geboeid. Hij zwom onder water naar een ten anker
+liggend schip, waaraan een boot was vastgemaakt. Het gelukte hem zich
+tot den avond in die boot te verbergen. Des nachts ging hij weder te
+water en zwom naar de kust, welke hij op korten afstand van kaap Brun
+bereikte. Daar kon hij zich, aangezien 't hem aan geen geld ontbrak,
+kleederen verschaffen. Een herberg in den omtrek van Balaguier
+was destijds het kleedermagazijn der ontvluchtte tuchtelingen,
+een zeer winstgevend bedrijf. Toen volgde Jean Valjean, zooals al
+die ongelukkige vluchtelingen, welke de waakzaamheid der wet en de
+maatschappelijke vervolging van het spoor willen leiden, een donkeren,
+kronkeligen weg. Hij vond een eerste schuilplaats te Pradeaux,
+bij Bausset. Vervolgens ging hij naar Grand-Villard bij Briançon in
+de Opper-Alpen. 't Was tastend en bevond, dat hij zijn weg volgde,
+die duister en onbekend was, als die van den mol. Later heeft men
+eenig spoor van zijn tocht gevonden in het departement der Ain op het
+gebied van Civrieux, in de Pyreneeën te Accons, in een oord genaamd la
+Grange-de-Doumecq, bij het gehucht van Chavailles, en in de omstreken
+van Perigueux, te Brunies, kanton van Chapelle-Gonaguet. Eindelijk
+bereikte hij Parijs. Men heeft hem nu te Montfermeil gezien.
+
+Zijn eerste zorg toen hij te Parijs kwam, was geweest rouwkleederen
+voor een zeven- of achtjarig meisje te koopen, en zich vervolgens van
+een verblijf te voorzien. Daarna had hij zich naar Montfermeil begeven.
+
+Men zal zich herinneren, dat hij reeds bij zijn voorgaande ontwijking
+naar deze streek een geheimzinnige reis had gedaan, waarvan de justitie
+eenige lucht had gekregen.
+
+Men hield hem overigens voor dood, en dit vermeerderde de duisternis
+die zich om hem gevormd had. Te Parijs kwam een der dagbladen in
+zijn handen, die van het feit melding maakten. Hij voelde zich
+gerustgesteld, schier evenzeer als ware hij werkelijk dood geweest.
+
+Den avond van den dag, op welken Jean Valjean Cosette uit Thénardier's
+klauwen had gerukt, kwam hij te Parijs terug. Hij ging in de
+avondschemering met het kind door de barrière van Monceaux. Daar nam
+hij een cabriolet, die hem naar de esplanade van 't Observatorium
+voerde. Hij steeg uit, betaalde den koetsier, nam Cosette bij de hand,
+en beiden gingen in den donkeren avond, door de eenzame straten in den
+omtrek van l'Ourcine en la Glaciere, naar den boulevard de l'Hôpital.
+
+De dag was voor Cosette wonderbaar en vol aandoeningen geweest;
+zij hadden achter hagen brood en kaas gegeten, die zij in afgelegen
+herbergen gekocht hadden; zij waren dikwerf van rijtuig veranderd,
+en hadden een eind weegs te voet afgelegd. Zij klaagde niet, maar
+zij was vermoeid; Jean Valjean bespeurde dit aan haar hand, waaraan
+zij zich schier liet voorttrekken. Hij nam haar op zijn rug; Cosette,
+zonder Kaatje los te laten, legde haar hoofd op Jean Valjeans schouder
+en viel in slaap.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK IV.
+
+HET OUDE HUIS GORBEAU.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+MEESTER GORBEAU.
+
+
+Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken der Salpêtrière
+waagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam
+op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. 't
+Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; 't was geen veld,
+want er waren huizen en straten; 't was geen stad, want in de straten
+waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras;
+'t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? 't
+Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; 't
+was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker
+des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.
+
+'t Was de oude wijk der Paardenmarkt.
+
+Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde,
+zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts
+voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld,
+waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven,
+voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en
+spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel
+vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de
+lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur,
+voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw,
+waarop in groote letters te lezen stond: hier mag niets aangeplakt
+worden,--deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek
+der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds
+nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat
+bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad
+groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de
+straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was
+verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.
+
+Het gebouw had slechts één verdieping.
+
+Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in 't oog, dat deze
+deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn
+geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk
+had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.
+
+De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden
+werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een
+steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge
+treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen,
+en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste
+der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle,
+dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd,
+welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht
+was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het
+cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men
+eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50,
+binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als
+draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.
+
+Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten;
+maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens
+verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl
+de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de
+voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar
+ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande
+aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend
+jaloezie en blind was.
+
+Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke
+men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die,
+met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan,
+en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.
+
+De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen,
+waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal,
+een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende
+grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen
+dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het
+onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig,
+somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht
+doorsneden, naarmate de reten in 't dak, of in de deur waren. Een
+belangrijke en schilderachtige bijzonderheid van dergelijke woningen
+is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.
+
+Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een
+manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde
+vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.
+
+Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over
+is, kan een denkbeeld geven van 't geen het was. In zijn geheel is
+'t een met 't ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren
+zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des
+menschen schijnt in 's menschen korten duur, en de tempel Gods in
+Gods eeuwigheid te deelen.
+
+De briefbestellers noemden dat gebouw 50-52, maar in de buurt was
+het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.
+
+Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van
+kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld
+vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw,
+omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een
+Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van
+deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er
+geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines
+fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:
+
+
+ Maître Corbeau, sur un dossier perché,
+ Tenait dans son bec une saisie exécutoire;
+ Maître Renard, par l'odeur alléché,
+ Lui fit à peu près cette histoire:
+ Hé bonjour! etc. [4]
+
+
+De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts
+en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en
+wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk
+XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de
+eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden
+devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder
+een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam,
+met een pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer,
+ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en
+ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans
+ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund
+een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen;
+meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan
+een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de
+tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.
+
+Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau
+eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l'Hôpital,
+genummerd 50-52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.
+
+Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau's-huis.
+
+Tegenover No. 50-52 staat, onder het geboomte van den boulevard,
+een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de
+ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds
+zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen--naar 't seizoen
+groen of slijkkleurig--beplant was, en regelrecht op den ringmuur van
+Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak
+eener naburige fabriek.
+
+De barrière was zeer dicht bij. In 't jaar 1823 bestond de ringmuur
+nog.
+
+Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. 't
+Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie
+kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling
+hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde "moord
+aan de barrière van Fontainebleau" gepleegd, waarvan de justitie de
+daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is
+opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige
+schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar
+Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde,
+evenals in een melodrama.
+
+Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun
+kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der
+philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke
+en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die,
+voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft
+afschaffen, noch ze met kracht handhaven.
+
+Zeven-en-dertig jaren geleden was--uitgezonderd dit plein St. Jaques,
+dat steeds afgrijselijk is geweest--misschien het treurigste punt
+van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig
+bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50-52 vond.
+
+Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te
+verheffen. 't Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten,
+die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière,
+welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is
+tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den
+man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen,
+den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen
+of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte
+muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal
+evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen,
+lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den
+grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. 't Was een
+koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer
+dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is
+de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets
+vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een
+hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel
+van den boulevard er de toegang van geweest zijn.
+
+Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht
+verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun
+laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer
+de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs
+vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in
+het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke
+galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord,
+waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men
+waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde
+schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen
+tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk,
+des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.
+
+Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude
+vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes
+waren hartstochtelijke bedelaressen.
+
+Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan
+een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping,
+en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederen dag verdween een
+afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren,
+is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude
+voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote
+stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en
+ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten
+van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines,
+bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten
+en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der
+menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen
+en nieuwe verheffen zich.
+
+Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière
+heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid
+der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig
+gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie
+of vier malen daags langs rijden en de huizen als 't ware rechts en
+links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken,
+die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat
+in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet
+bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen
+de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn
+duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen
+straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen
+en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van
+Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken;
+op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine
+was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+NEST VOOR UIL EN VLEERMUIS.
+
+
+Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de
+nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.
+
+Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur,
+trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende,
+klom hij de trap op.
+
+Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede
+hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentrad en welke
+hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering,
+waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel
+en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed
+zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte
+flauw dit armoedig vertrek. Achter in 't vertrek was een afgeschoten
+ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar
+dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.
+
+Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals
+hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een
+zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering
+te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen,
+'t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid
+eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort
+zonder te weten waar zij was.
+
+Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.
+
+Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was
+ingeslapen.
+
+Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.
+
+Hij knielde voor Cosettes bed.
+
+Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der
+December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange
+schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen
+kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen,
+zoodat het van boven tot onder schudde.
+
+"Ja, madame!" riep Cosette, die verschrikt wakker werd, "ik kom,
+ik kom!"
+
+Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog
+half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.
+
+"Ach, God! mijn bezem!" riep zij.
+
+Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.
+
+"Ha, ja, 't is waar!" zei het kind. "Goeden morgen, mijnheer."
+
+Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het
+geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.
+
+Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en
+nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean
+deed--Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madame Thénardier ver
+weg was? Of zij niet zou terugkomen? enz. enz. Eensklaps riep zij:
+"Hoe fraai is 't hier!"
+
+'t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.
+
+"Moet ik ook vegen?" vroeg zij eindelijk.
+
+"Speel maar," zei Jean Valjean.
+
+Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier
+iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man
+onbeschrijfelijk gelukkig.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DUBBEL ONGELUK MAAKT ÉÉN GELUK.
+
+
+Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean
+weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en
+bespiedde haar ontwaken.
+
+Iets nieuws kwam op in zijn ziel.
+
+Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was
+hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot,
+vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch,
+onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel
+versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een
+flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel
+verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden,
+doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De
+menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd,
+zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.
+
+Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had,
+voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem
+was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje
+waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen
+eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote,
+wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets
+zoets en geheimzinnigs.
+
+Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!
+
+Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was,
+smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben,
+tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.
+
+'t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.
+
+De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugd doen
+verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.
+
+De eerste dagen verstreken in deze verrukking.
+
+Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het
+zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder
+haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle
+kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had
+zij beproefd iets te beminnen. 't Was haar niet gelukt. Allen hadden
+haar afgestooten, de Thénardier's, hun kinderen, andere kinderen. Zij
+had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand
+meer van haar willen weten. 't Is treurig om te zeggen, en wij hebben
+'t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. 't
+Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar
+niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde,
+drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man
+te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld--eene inwendige
+verwarming en ontluiking.
+
+De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean
+schoon, evenals zij het krot fraai vond.
+
+Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van
+de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven
+aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de
+heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen
+hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.
+
+De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean
+en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove
+aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht
+deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom,
+elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde
+het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans
+instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In
+het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten
+deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat
+zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.
+
+De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men
+kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden,
+Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand
+maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.
+
+Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean,
+in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht, toen hij, in de
+duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De
+verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van
+God geweest.
+
+Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er,
+kon men zeggen, in volkomen veiligheid.
+
+De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op
+den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men,
+evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.
+
+Het benedengedeelte van No. 50-52, een soort van vervallen schuur,
+diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping
+geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden,
+die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding
+van 't huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte,
+zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes,
+waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw,
+die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.
+
+Deze oude vrouw, die de hoofd-huurderes heette, doch in waarheid
+de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze
+woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de
+Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje
+wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw
+opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze
+zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en
+alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.
+
+Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een
+gelukkig leven.
+
+Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen
+hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.
+
+'t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes
+nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was,
+wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.
+
+Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg
+geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.
+
+Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan,
+terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren
+lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu
+zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude
+tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.
+
+Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een
+hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede
+gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.
+
+Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier
+het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder
+en liet haar bidden.
+
+Zij noemde hem vader, en wist niet welken anderen naam hij had.
+
+Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar
+pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij
+keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen
+schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij
+niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou
+wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen
+hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn
+niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een
+soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.
+
+'t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel
+uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean,
+in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen,
+deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij
+had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende
+der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs
+slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in
+Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt;
+hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan;
+hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden
+hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op
+'t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en
+zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze
+heilige herinnering thans inderdaad aan 't verflauwen. Wie weet of Jean
+Valjean niet op 't punt was van den moed te verliezen en opnieuw te
+vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig
+minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte
+hem. 't Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; 't was door haar,
+dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en
+dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid
+van 't evenwicht in 's menschen lot.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE OPMERKINGEN DER HOOFD-HUURDERES.
+
+
+Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In
+den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen,
+meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard,
+en trad de kerken binnen als 't donker was. Hij ging gaarne naar de
+kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet
+medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar 't was een vreugd voor 't
+kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur
+boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij
+haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.
+
+Cosette was zeer vroolijk.
+
+De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de
+mondbehoeften.
+
+Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die
+het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad,
+sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes
+kamertje door een houten deur doen vervangen.
+
+Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de
+straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige
+vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou
+en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die
+zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook
+zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk,
+dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit
+had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder
+den naam van "de bedelaar die aalmoezen geeft."
+
+De oude "hoofd-huurderes", een hatelijk wezen, geheel vervuld met
+afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij 't
+vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg
+praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven-
+en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette
+uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat
+zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op,
+dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam, een
+der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als
+een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der
+deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was
+Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag
+dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam,
+toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening
+een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag
+met ontzetting dat 't een bankbriefje van duizend francs was. Het was
+het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt
+liep zij weg.
+
+Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken,
+het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde
+hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag
+ontvangen had.--Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór 's avonds
+te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet
+meer open.--De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte
+allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en
+vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes
+St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.
+
+De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in
+de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was
+hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude
+vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig
+op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en
+meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder
+twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.
+
+Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet
+alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had,
+maar een dikke portefeuille, een groot mes, en--wat zeer verdacht
+was--pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen 't
+een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.
+
+De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van
+den winter.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VIJFFRANCSTUK VALT OP DEN VLOER.
+
+
+Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren
+put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging
+hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met
+hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij "tot de politie"
+behoorde. 't Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden
+prevelde.
+
+Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging--hij had Cosette
+niet bij zich--zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de
+straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk
+te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem
+de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean
+Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze
+beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem,
+dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat
+van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had
+gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de
+duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend
+deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven,
+te vluchten,--den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen
+had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct,
+misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield
+Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar
+had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als
+alle dagen.--Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! 't is
+onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.
+
+Nauwelijks durfde hij 't zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht
+had meenen te zien.
+
+Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te
+hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals
+op te heffen.
+
+Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De
+bedelaar was op zijn gewone plaats.--Goeden avond, vriend, zei Jean
+Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en
+zeide met jammerlijke stem: "Ik dank u, mijn goede heer."--'t Was
+wel de oude bedelaar.
+
+Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hij glimlachte.--"Hoe
+drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn
+oogen beginnen te foppen?" Hij dacht er niet verder over.
+
+Eenige dagen later, 't kon acht uren 's avonds zijn, was hij in zijn
+kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur
+van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De
+oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds
+met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean
+wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. 't Is
+waar, 't kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den
+apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en
+klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen,
+en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude
+vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.
+
+Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: "Ga heel
+stil naar bed," en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de
+voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den
+rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had,
+met ingehouden adem, in 't donker zitten. Na een tamelijk geruime poos
+niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken,
+en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het
+sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in 't donker
+van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de
+hand luisterde.
+
+Na verloop van eenige minuten verdween het licht.
+
+Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, 't geen scheen aan
+te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had
+uitgetrokken.
+
+Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den
+geheelen nacht geen oog.
+
+Bij 't aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid
+insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan 't einde van de
+gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den
+vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit
+het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot
+was, in de hoop in 't voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in
+'t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. 't Was werkelijk
+een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer
+voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen
+onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het
+invallend daglicht zijn schaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen
+van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een
+stok onder zijn arm. 't Waren de forsche omtrekken van Javert.
+
+Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard
+hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen,
+en dit durfde hij niet.
+
+'t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hij te huis
+was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest
+dat beteekenen?
+
+Te zeven uren 's ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde
+brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg
+haar niets. Zij was als gewoonlijk.
+
+Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:
+
+"Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen."
+
+Op dien leeftijd en op dien boulevard is 't om acht ure reeds nacht.
+
+"Ja, inderdaad," antwoordde hij op onverschilligen toon. "Wie was het?"
+
+"Een nieuwe inwoner," zei de oude vrouw.
+
+"Hoe heet hij?"
+
+"Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets."
+
+"En wat is die mijnheer Daumont?"
+
+De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen,
+en antwoordde:
+
+"Een rentenier, evenals gij."
+
+Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende
+er die echter in te ontdekken.
+
+Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van
+een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn
+zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te
+doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers
+en rolde luid over den vloer.
+
+Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar
+alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen
+volkomen eenzaam. 't Is waar, dat men er zich achter een boom kon
+verbergen.
+
+Hij ging weder naar boven.
+
+"Kom," zeide hij tot Cosette.
+
+Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK V.
+
+EEN JACHT IN DEN NACHT MET STILLE HONDEN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE ZIGZAGS DER STRATEGIE.
+
+
+Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal,
+is hier een opmerking noodig.
+
+Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen
+van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad
+verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem
+schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij
+Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge
+van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs,
+'t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft
+medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem
+van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. 't Is mogelijk, dat,
+ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden:
+"In deze straat is dit huis," thans noch huis noch straat meer is,
+de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen
+geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude
+Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij
+vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van 't
+geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is
+verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt
+men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters,
+deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd,
+dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men
+niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen,
+welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij
+er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat
+wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren
+noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke
+wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnen konden gaan en wij op
+deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons
+hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet,
+die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke
+bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige
+verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te
+zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich
+zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er
+niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland
+gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. 't Zij ons dus
+geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware,
+en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen,
+gaan wij voort.
+
+Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten
+ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging
+vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.
+
+Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een
+bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere
+het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende
+voetsporen, in verwarring worden gebracht.
+
+'t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar
+zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op
+de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de
+schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in
+'t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere
+zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter
+verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen,
+in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.
+
+Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes
+eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks
+gegeven. Bovendien--en tot deze opmerking zullen wij meermalen
+terugkomen--was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en
+aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te
+denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.
+
+Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij
+vertrouwde op God, gelijk zij op hem. 't Was hem insgelijks alsof hij
+iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde
+een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij
+volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs
+niet volkomen zeker of het Javert was; en 't kon deze zijn, zonder dat
+Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders
+gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen
+zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had
+besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een
+opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen,
+tot hij er een vond om in te wonen.
+
+Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk
+Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der
+middeneeuwen en 't gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan
+hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene
+straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen,
+wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan,
+dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren
+zou hebben.
+
+Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg,
+ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris
+van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct,
+waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk
+drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij
+de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat
+gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De
+vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.
+
+"Kom, kind," zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat
+Pontoise te komen.
+
+Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de
+Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort
+van pleintje ontstaat.
+
+Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong
+zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog
+volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere
+plek overgingen.
+
+Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen
+verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in
+lange, bruine jassen, met ronde hoeden op 't hoofd en dikke stokken
+in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder
+verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken
+vier spoken in burgerkleeding.
+
+Op 't midden van 't pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander
+raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de
+aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand
+in de richting waar Jean Valjean zich bevond; een ander wees met
+nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde,
+bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk
+Javert.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+GELUKKIG DAT ER RIJTUIGEN OVER DE BRUG VAN AUSTERLITZ GAAN.
+
+
+Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort
+bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; 't was voor
+hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de
+deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes
+naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden;
+hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat,
+en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.
+
+Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet
+bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend
+oude opschrift leesbaar was:
+
+
+ De Goblet fils c'est ici la fabrique;
+ Venez choisir des cruches et des brocs.
+ Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.
+ A tout venant le Coeur vend des Carreaux. [5]
+
+
+Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein
+St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de
+kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand
+was achter hem. Hij ademde ruimer.
+
+Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.
+
+Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.
+
+Hij ging naar 't brugwachtershuisje en betaalde een sou.
+
+"'t Is twee sous," zei de invalide op de brug. "Ge draagt een kind
+dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen."
+
+Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking
+aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.
+
+Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den
+rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de
+brug overgaan.
+
+Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar
+voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.
+
+Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen;
+hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk
+groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die
+hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean
+achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.
+
+Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat
+du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk
+voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.
+
+Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.
+
+Vier donkere gestalten traden juist op de brug.
+
+Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen
+naar den rechteroever.
+
+'t Waren de vier mannen.
+
+Jean Valjean rilde als 't weder betrapte wild.
+
+Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog
+niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op 't oogenblik
+dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.
+
+In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor
+zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken
+en in 't vrije veld te komen.
+
+Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging
+er in.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+MEN ZIE DEN PLATTEN GROND VAN PARIJS IN 1727.
+
+
+Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse,
+waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de
+andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm
+zou hij er van kiezen?
+
+Hij aarzelde niet en koos den rechter.
+
+Waarom?
+
+Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de
+rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.
+
+Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette's schreden vertraagden
+die van Valjean.
+
+Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder
+en sprak geen woord.
+
+Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds
+aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem
+rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles
+was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps
+meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat,
+ver achter hem, in de duisternis bewoog.
+
+Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te
+vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het
+spoor te brengen.
+
+Hij kwam aan een muur.
+
+Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen
+muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean
+Valjean volgde.
+
+Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.
+
+Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen
+of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die
+blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien
+kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in
+een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.
+
+Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken,
+welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der
+steeg en deze straat iets als een zwart beeld.
+
+'t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en
+den doortocht te beletten.
+
+Jean Valjean trad achteruit.
+
+Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de
+voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de
+nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen
+volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De
+velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn
+er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes,
+spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er
+mede in verband staat.
+
+Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had,
+in de volkstaal "Klein Picpus."
+
+Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de
+poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen
+eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid,
+de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten
+uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren
+en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en
+ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten
+uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage
+huizen en groote muren, even hoog als de huizen.
+
+Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw
+aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald,
+doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig
+jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer
+kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.
+
+Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten,
+gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken
+splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien
+van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top
+als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.
+
+Hier nu bevond zich Jean Valjean.
+
+Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende
+gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze
+gestalte sloeg hem gade.
+
+Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.--Wat
+hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien
+bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden
+zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde
+Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof
+bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner
+mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid
+waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op
+Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij
+onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij
+zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker
+uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde
+zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend
+zag hij ten hemel.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HET RONDTASTEN DER VLUCHT.
+
+
+Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld
+vormen van de steeg Droit-Mur en in 't bijzonder van den hoek, ter
+linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter
+rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels
+armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende
+woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de
+kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant
+der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat
+was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag,
+dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig
+met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante
+ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat
+Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een
+somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever,
+twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.
+
+De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een
+onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde
+planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten
+werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte,
+die blijkbaar later was aangebracht.
+
+Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan
+den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.
+
+In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit
+somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet
+er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo 't hem gelukte er
+binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld
+en een hoop bij hem op.
+
+In 't middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat
+Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude
+trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit
+een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel
+een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude
+landhoeven ziet.
+
+Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het
+eerste wat Jean Valjean in 't oog viel. Hij zette Cosette met den rug
+tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de
+plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel
+daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in
+vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar
+houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs
+die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen
+de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der
+straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En
+wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge
+huis gebracht worden?
+
+Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den
+muur weder naar de Polonceau-straat.
+
+Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had
+achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals
+wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem
+bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren;
+misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den
+lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit,
+waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten
+minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.
+
+De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.
+
+Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van
+binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde
+hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte
+haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden,
+slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze
+vermolmde sluiting open te breken.
+
+Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke
+deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch
+middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het
+eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij
+een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon
+zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets
+anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk
+een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+'T GEEN BIJ GASVERLICHTING ONMOGELIJK ZOU ZIJN.
+
+
+In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand
+gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of
+acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau
+in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.
+
+Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende,
+naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. 't Was
+duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en
+gangen doorzochten.
+
+'t Was--deze gissing kon niet falen--een patrouille, welke Javert
+ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.
+
+Javerts beide helpers waren bij hem.
+
+Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden,
+hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen,
+waar Jean Valjean zich bevond. 't Was een vreeselijk oogenblik. Eenige
+minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die
+zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen
+het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is,
+een leven als in een graf.
+
+Één ding was nog slechts mogelijk.
+
+Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij
+twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige,
+in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de
+omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.
+
+Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno
+te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een
+volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder
+haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders,
+heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt
+te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een
+hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats
+van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de
+ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.
+
+Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboom zag, met zijn
+oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met
+den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm
+van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de
+onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg,
+om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.
+
+Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den
+muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.
+
+Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.
+
+De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar
+te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen
+was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een
+buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn
+zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.
+
+Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te
+middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean
+Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een
+touw hebben gegeven.
+
+In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf
+verblinden òf verlichten.
+
+De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn
+in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de
+straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere
+afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat
+van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en
+in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf,
+om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein
+ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl
+het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.
+
+Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean
+over de straat, liep het slop in, brak het slot van 't kastje met
+de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij
+Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend,
+naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.
+
+Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken
+waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin
+als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat
+zij niet als gewoonlijk hing.
+
+Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn
+zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan, dit alles begon
+Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd
+hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men
+hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.
+
+"Ik ben bang, vader," zeide zij zacht. "Wat komt daar?"
+
+"Stil!" antwoordde de ongelukkige man, "'t is vrouw Thénardier."
+
+Cosette schrikte. Hij hernam:
+
+"Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw
+Thénardier 't hooren. Zij komt om u te halen."
+
+Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die
+te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert
+ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond
+dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij 't kind niet
+kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een
+zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden,
+trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom
+op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die
+de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven,
+alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een
+halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.
+
+Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean
+Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen
+verstommen.
+
+Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:
+
+"Ga tegen den muur staan."
+
+Zij gehoorzaamde.
+
+"Spreek geen woord en wees niet bang," hernam Jean Valjean.
+
+Toen voelde zij zich van den grond opheffen.
+
+Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.
+
+Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes
+in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den
+muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond,
+welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond,
+met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.
+
+'t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur
+veel hooger dan aan de straat.
+
+Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij
+was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog
+niet losgelaten, toen een luid gerucht de komst der patrouille
+aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:
+
+"Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine
+Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in 't slop is."
+
+De soldaten stormden het slop Genrot in.
+
+Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds
+vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar
+beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil
+geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+BEGIN VAN EEN RAADSEL.
+
+
+Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die
+een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd
+schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze
+tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan
+het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze
+ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige
+kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken
+in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar
+stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met
+kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras
+begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.
+
+Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar
+beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen,
+dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht
+nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis
+onduidelijk te voorschijn kwam.
+
+Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers
+onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te
+dienen.
+
+Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine
+Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een
+rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de
+buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt
+geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingen waren koekoeken,
+als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op
+den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.
+
+Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich
+in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren,
+als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.
+
+Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er
+was niemand, 't geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag
+er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.
+
+De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en
+ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats
+te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind
+dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans
+zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.
+
+Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht
+der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten
+der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op
+wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden,
+welke men niet verstaan kon.
+
+Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean
+Valjean hield zijn adem in.
+
+Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.
+
+De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling
+rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet
+de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren
+met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.
+
+Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een
+hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het
+andere gruwelijk geweest was. 't Was een gezang, dat uit de duisternis
+kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke
+stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen
+klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden,
+stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken,
+welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds
+beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, 't welk
+aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween,
+scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.
+
+Cosette en Jean Valjean knielden.
+
+Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zij waren;
+maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige,
+gevoelden dat zij moesten knielen.
+
+Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam
+scheen. 't Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.
+
+Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij
+zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. 't Was hem, alsof die
+vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.
+
+Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang
+geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.
+
+Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat,
+niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem
+geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur,
+dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+VERVOLG VAN HET RAADSEL.
+
+
+De nachtwind verhief zich, 't geen aanduidde, dat het tusschen één
+en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij
+naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij
+dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in 't gezicht. Cosette had de
+oogen wijd open en een peinzend gelaat, 't geen Jean Valjean leed deed.
+
+Zij beefde nog altijd.
+
+"Hebt ge slaap?" vroeg Jean Valjean.
+
+"Ik ben koud," antwoordde zij.
+
+Een oogenblik later hernam zij:
+
+"Is zij er nog?"
+
+"Wie?" vroeg Jean Valjean.
+
+"Madame Thénardier."
+
+Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had,
+om Cosette stil te doen zijn.
+
+"O," zeide hij, "zij is weg. Vrees niet meer."
+
+Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.
+
+De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind
+werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde
+er Cosette in.
+
+"Voelt ge u nu minder koud?" vroeg hij.
+
+"O, ja, vader."
+
+"Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug."
+
+Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere
+schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor
+al de benedenvensters waren ijzeren tralies.
+
+Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij
+boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de
+teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in
+een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen
+en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een
+flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje
+in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel,
+na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te
+zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam
+geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met
+uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets,
+dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat
+deze akelige gestalte een touw om den hals had.
+
+De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte
+ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.
+
+Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem
+in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en
+ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit
+sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de
+onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog
+dat zij leefde.
+
+Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en
+te bespieden of 't geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar
+zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond
+liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een
+onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur,
+zonder te durven omzien. 't Scheen hem dat, zoo hij 't hoofd omwendde,
+hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich
+zou zien.
+
+Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; 't zweet brak
+hem van alle kanten uit.
+
+Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort
+van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit
+gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen
+met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk
+een schrikbarend visioen vertoonde, haar de schitterende poorten des
+hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf
+ontsloot. 't Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met
+een nummer! 't Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten,
+om het te kunnen gelooven.
+
+De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien
+avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward
+door zijn hoofd.
+
+Hij ging naar Cosette. Zij sliep.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET RAADSEL WORDT DUISTERDER.
+
+
+Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.
+
+Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs,
+en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn
+tegenwoordigheid van geest.
+
+Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig
+leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben,
+hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan
+alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was,
+wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.
+
+Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen
+tijd een zonderling geluid. 't Was als een schel, die van plaats
+verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel
+flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die 's
+nachts in de weide zijn.
+
+Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in
+den tuin was.
+
+'t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken
+ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande,
+met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of
+uitlegde. De man scheen te hinken.
+
+Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds
+eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag,
+omdat die hen in 't licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam
+is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was;
+nu sidderde hij, omdat er iemand was.
+
+Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij
+vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd
+hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking
+hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte,
+hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij
+de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud
+huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.
+
+Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het
+meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de
+bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het
+geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook 't geluid;
+'t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil,
+dan zweeg ook het geluid. 't Scheen duidelijk, dat de schel aan den
+man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man,
+die een bel droeg als een ram of os?
+
+Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij
+waren ijskoud.
+
+"Mijn God!" zuchtte hij. Hij riep zacht: "Cosette!"
+
+Zij opende de oogen niet.
+
+Hij schudde haar.
+
+Zij ontwaakte niet.
+
+"Zou zij dood zijn!" zeide hij, en richtte zich op, van 't hoofd tot
+de voeten bevende.
+
+De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn
+oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën
+bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid
+bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij
+beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht,
+onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.
+
+Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.
+
+Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende,
+flauw en op 't punt van te bezwijken.
+
+Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?
+
+Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld
+ijlde hij uit de schuur.
+
+Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te
+bed zijn.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+DE MAN MET DE SCHEL.
+
+
+Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij
+had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.
+
+De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden
+was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:
+
+"Honderd francs!"
+
+De man rilde van schrik en zag op.
+
+"Honderd francs," hernam Jean Valjean, "zoo ge mij voor dezen nacht
+huisvesting geeft."
+
+De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.
+
+"Mijn Hemel! zijt gij 't, mijnheer Madeleine?" zei de man.
+
+Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende
+plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean
+terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die
+tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als
+een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk,
+waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw
+was, kon men niet onderscheiden.
+
+De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:
+
+"Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge
+hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja
+waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe
+ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat
+ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere
+God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge
+toch hier gekomen?"
+
+Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde
+rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder 't spreken toonde
+hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.
+
+"Wie zijt gij? en wat is dit huis?" vroeg Jean Valjean.
+
+"Wel drommels, hoe is 't mogelijk!" riep de grijsaard; "ik ben immers
+degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij
+een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?"
+
+"Neen," zei Jean Valjean. "Maar van waar kent ge mij?"
+
+"Ge hebt mij het leven gered," zei de man.
+
+Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean
+Valjean herkende den ouden Fauchelevent.
+
+"Ha!" zei Jean Valjean, "zijt gij 't? ja, nu herken ik u."
+
+"'t Is wel gelukkig," zei de oude man op verwijtenden toon.
+
+"En wat doet ge hier?" hernam Jean Valjean.
+
+"Wel, ik dek mijn meloenen."
+
+De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak,
+het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het
+meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in
+den tuin was, meerdere op het bed gelegd.
+
+'t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean
+Valjean van uit de schuur had opgemerkt.
+
+De tuinman vervolgde:
+
+"Ik dacht: de maan is helder, 't zal vriezen. Ik zal mijn meloenen
+hun jas aandoen. En," voegde hij er luid lachend bij, "gij hadt dit
+waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?"
+
+Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den
+naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten
+zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de
+rollen omgekeerd: hij, de indringer, was 't die vroeg:
+
+"En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?"
+
+"De schel," antwoordde Fauchelevent, "dient opdat men mij uit den
+weg ga."
+
+"Hoe! opdat men u uit den weg ga?"
+
+De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.
+
+"Te drommel!" zeide hij, "in dit huis zijn niet anders dan vrouwen;
+veel jonge meisjes. 't Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De
+schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen."
+
+"Wat is dit voor een huis?"
+
+"Kom, dat weet ge immers wel?"
+
+"Neen, ik weet het niet."
+
+"En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen."
+
+"Antwoord mij, alsof ik niets weet."
+
+"Welnu, 't is het klooster van Petit-Picpus."
+
+Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de
+Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine
+gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door 't omvallen van
+zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling
+geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:
+
+"Het klooster van Petit-Picpus!"
+
+"Maar spreek," hernam Fauchelevent, "hoe drommels is 't u gelukt
+hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn,
+maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen."
+
+"En gij zijt er!"
+
+"Ik ben de eenige man."
+
+"Ik moet hier echter blijven," hernam Jean Valjean.
+
+"Ach, mijn God!" riep Fauchelevent.
+
+Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:
+
+"Vader Fauchelevent, ik heb u 't leven gered."
+
+"Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij," antwoordde Fauchelevent.
+
+"Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed."
+
+Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude,
+gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te
+kunnen spreken. Eindelijk riep hij:
+
+"O! 't zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins
+vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij,
+ouden man."
+
+Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat
+scheen te schitteren.
+
+"Wat wilt ge dat ik doen zal?" vroeg hij.
+
+"Ik zal 't u zeggen. Hebt ge een kamer?"
+
+"Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek,
+dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers."
+
+Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen,
+en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean
+het niet had gezien.
+
+"Goed," zei Jean Valjean. "Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken."
+
+"Wat, mijnheer de maire?"
+
+"Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede,
+dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen."
+
+"Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en
+dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij
+immers hier bezorgd. 't Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst."
+
+"Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen."
+
+"Zoo!" zei Fauchelevent. "Hebt ge een kind?"
+
+Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond
+zijn meester.
+
+Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos
+had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn
+das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen
+hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas
+aantrok, had Fauchelevent zich van zijn kniestuk met de schel bevrijd,
+dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide
+mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop
+Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen
+had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean
+leggende, tot dezen zeide:
+
+"O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het
+leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten
+u niet! Ge zijt een ondankbare!"
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+WAARIN VERHAALD WORDT HOE JAVERT NIETS ONTDEKT.
+
+
+De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben
+gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.
+
+Toen Jean Valjean--in denzelfden nacht dat Javert hem bij het
+sterfbed van Fantine in hechtenis nam--uit de stadsgevangenis
+van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling
+naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin
+alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld,
+gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed,
+als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van
+allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er
+zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom
+zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er
+den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de
+opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean
+te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid
+door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf
+Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger
+beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij
+de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en,
+wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast
+schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.
+
+Hij dacht niet meer aan Jean Valjean--de honden, die altijd ter
+jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden--toen
+hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet
+met couranten ophield; maar Javert, een koningsgezinde, had de
+bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den
+prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij
+belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean,
+onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat
+de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde
+woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven:
+"Ja, de dood is de beste keten!" Toen wierp hij het blad ter zijde
+en dacht niet meer aan de zaak.
+
+Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine
+en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden,
+betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men
+zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil
+had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door
+haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door
+een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind
+van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar,
+in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van
+Javert en maakte hem nadenkend.
+
+De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean
+hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het
+kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean
+Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar
+Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds
+doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats
+genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was
+geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de
+omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu
+begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean
+ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon
+deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean
+was dood.--Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in 't
+rijtuig van "le Plat d'étain" in het slop van la Planchette en reed
+naar Montfermeil.
+
+Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.
+
+In de eerste dagen hadden de Thénardier's in hun wrevel veel
+gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in 't dorp
+verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak
+in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een
+nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn
+bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was,
+spoedig begrepen, dat het nooit goed is mijnheer den procureur des
+konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van
+Cosettes "ontvoering" vooreerst het gevolg zouden hebben op hem,
+Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog
+der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen
+in 't licht brenge. En hoe zou hij 't maken met de vijftienhonderd
+francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg
+in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo
+men hem van het "gestolen" kind sprak. Hij begreep er niets van;
+'t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem "de lieve
+kleine" zoo spoedig "ontnomen" had, welke hij uit liefde nog een paar
+dagen wilde behouden hebben, maar 't was haar "grootvader," die op de
+natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak
+van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil
+kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean
+verdwijnen.
+
+Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn
+geschiedenis te peilen.--"Wie was deze grootvader en hoe heette
+hij?"--Thénardier antwoordde onnoozel: "Een rijk landbouwer. Ik heb
+zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet."
+
+Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde
+naar Parijs terug.
+
+"Jean Valjean is wel degelijk dood," zeide hij, "en ik ben een
+uilskuiken."
+
+Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart
+1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie
+St. Médard woonde en die men noemde den "bedelaar, die aalmoezen
+geeft." Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens
+eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig
+meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil
+kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor
+spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man
+aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.--De rentenier
+was zeer schuw--ging slechts 's avonds uit--sprak met niemand--enkele
+keeren slechts met de armen--en liet zich niet naderen. Hij droeg een
+oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest
+wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.--Dit prikkelde
+niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen
+rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op
+zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunje en de plaats, waar
+hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.
+
+De "verdachte" naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een
+aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean
+schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet
+minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.
+
+Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean's dood was
+officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man
+legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.
+
+Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw
+uit te hooren, 't geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit
+van de met millioenen gevoerden jas, en verhaalde hem de episode van
+het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in
+de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond
+betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de
+hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars
+door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.
+
+Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had
+echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt,
+en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en
+haastte zich Javert te verwittigen.
+
+Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met
+twee mannen achter de boomen op den boulevard.
+
+Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam
+niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was
+zijn geheim; 't geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl
+het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede,
+wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood
+waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de
+"gevaarlijkste soort van boosdoeners" genoemd hadden, een schitterende
+zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie
+zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij
+daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk,
+wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte
+die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid
+verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn
+meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in
+'t licht te onthullen.
+
+Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den
+anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs
+in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande,
+was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean
+niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.
+
+Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar
+gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen
+publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de
+Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De
+aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De
+agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op
+hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den
+indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen
+herhaald, gemaakt zou hebben:--"Gisteren is een oud man met wit haar,
+een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje
+wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der
+prefectuur overgebracht."--
+
+Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de
+vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij
+twijfelde werkelijk.
+
+Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.
+
+Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe
+ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk
+af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken,
+de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen,
+dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean
+Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs
+gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in
+kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te
+dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer,
+de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte,
+eindelijk het geloof dat hij in 't bagno gestorven was, vergrootten
+Javerts twijfel.
+
+Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren
+te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud,
+eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig
+vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien
+hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere
+talenten te verbergen--een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,
+medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De
+kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan
+te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten
+zou wezen "de hen met gouden eieren slachten." Wachten schaadde niet,
+immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.
+
+Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen
+nopens dien raadselachtigen persoon doende.
+
+'t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener
+herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.
+
+In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder
+die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde
+deze hevige siddering.
+
+Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend
+had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet
+dus bij den commissaris in de straat Pontoise versterking vragen. Vóór
+men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.
+
+Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het
+plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter
+begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich
+en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde
+als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te
+vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de
+brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld,
+waren hem voldoende: "Hebt ge een man met een meisje gezien?"--"Ik
+heb hem twee sous laten betalen," antwoordde de brugwachter. Javert
+kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean
+Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek
+te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan;
+hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond,
+en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat
+Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar
+den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar
+den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen
+zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn
+te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.
+
+Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean
+nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links
+en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.
+
+Thans begon hij te spelen. 't Was voor hem een oogenblik van helsche
+opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat
+hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met
+hem te vatten, in 't vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien,
+met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat,
+die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een
+vreeselijke beteekenis, 't is de gestremde beweging van het gevangen
+dier. Welk een genot, zulk een vangst.
+
+Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van
+te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.
+
+Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand
+te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook
+wezen mocht.
+
+Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de
+zakken van een dief navorschende en onderzoekende.
+
+Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de
+vlieg niet meer.
+
+Men kan zich zijne woede voorstellen.
+
+Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze
+agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet
+zien voorbijgaan.
+
+Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn
+hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van
+te denken. "'t Was geen hert, 't was een toovenaar."
+
+Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.
+
+Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.
+
+'t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in
+den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen
+fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean
+fouten beging. 't Was misschien een fout, dat hij aarzelde den
+ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou
+hem overtuigd hebben. 't Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in
+zijn woning in hechtenis nam. 't Was een fout, dat hij hem niet had
+aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. 't
+Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op
+het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en
+'t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen
+verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij
+op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door
+zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen,
+maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en
+deed het vlieden. Bovenal was 't een fout dat, na het spoor op de
+brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en
+kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij
+achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een
+muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen
+hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige
+voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten
+en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die
+bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men
+met een jachtterm noemt "een volleerde hond." Maar wie is volmaakt?
+
+De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.
+
+De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een
+menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den
+kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk
+kunnen breken, 't zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten
+en verbonden zijn zij onverbreekbaar; 't is Attila die weifelend
+tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat;
+'t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; 't is Danton die zich te
+Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.
+
+Hoe 't zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte,
+verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige
+tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen,
+klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het
+eerste dat hem in 't oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het
+touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed
+dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In
+dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende
+gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid
+gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan,
+zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou
+hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze
+tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.
+
+Bij 't aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking
+achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion,
+die door een dief verschalkt is.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VI.
+
+KLEIN PICPUS.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+KLEINE PICPUS-STRAAT NO. 62.
+
+
+Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in
+de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond
+op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien,
+die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden
+was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur
+zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats,
+en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de
+kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk
+mede te nemen. 't Was echter een somber oord, dat men had gezien.
+
+De ingang lachte; het huis bad en weende.
+
+Zoo men er in slaagde, 't geen niet gemakkelijk was, den portier
+voorbij te komen--iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker
+machtwoord bezat--en men rechts een klein portaal binnenging, waar,
+tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één
+persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele
+kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken
+en men 't waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens
+op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een
+gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige
+plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren
+door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming,
+waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden
+verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was
+gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer
+zes voet in 't vierkant; 't was zindelijk, kil, met steenen bevloerd
+en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht
+viel door een groot venster met kleine ruiten, dat links de geheele
+breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand;
+men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De
+wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.
+
+Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur
+een opening van ongeveer een voet in 't vierkant, met een traliewerk
+van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten--ik
+had schier mazen gezegd,--vormden, van omstreeks anderhalven duim. De
+groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze
+ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte
+of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door
+de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou 't
+hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel
+de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want
+achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd,
+kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet
+als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing
+een schelkoord.
+
+Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht
+bij zich een stem dat men er van schrikken zou.
+
+"Wie is daar?" vroeg de stem.
+
+'t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er
+treurig van werd.
+
+Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de
+stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf
+aan de andere zijde ware geweest.
+
+Zoo men het woord kende hernam de stem:
+
+"Ga ter rechterzijde binnen."
+
+Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een
+grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad
+binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in
+den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk
+neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een
+soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur
+ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden
+stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering,
+waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met
+vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte
+ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.
+
+Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve
+duisternis gewoon was geworden, beproefde het door de traliën te zien,
+maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het
+een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine
+houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren
+verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij
+waren altijd gesloten.
+
+Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden
+roepen en vragen:
+
+"Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?"
+
+'t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men
+hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn
+graf sprak.
+
+In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren,
+werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker
+geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën,
+achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd,
+waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was
+met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk
+en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak,
+maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.
+
+Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op
+dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een
+zinnebeeld.
+
+De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in
+deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde
+de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden
+te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij
+zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen
+nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte
+waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men
+niets zag, zelfs geen spookbeelden.
+
+Wat men zag was het binnenste eens kloosters.
+
+Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, 't welk men het
+klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge,
+waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke
+men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos
+en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante
+opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met
+duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.
+
+De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de
+spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had, zonder
+venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van
+dit gewijde oord zien.
+
+Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,--er was licht,
+leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren
+beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen
+en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder
+de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de
+verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben
+kunnen spreken.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE REGEL VAN MARTINUS VERGA.
+
+
+Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat
+bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van
+Martinus Verga.
+
+Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner
+monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere
+woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van
+den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.
+
+Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus
+Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen
+stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te
+Alcala was.
+
+Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.
+
+De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in
+de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te
+spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van
+Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië,
+de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny
+en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen,
+de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen,
+de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want
+Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van
+den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt
+van Molesme in de diocees van Langres. 't Was in 529 dat de duivel,
+die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij
+hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den
+ouden tempel van Apollo werd gejaagd.
+
+Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een
+teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de
+regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga
+de strengste. Zij zijn in 't zwart gekleed met een borstdoek die,
+volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet
+reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier,
+de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt,
+ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit
+is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar
+gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.
+
+De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben "de
+eeuwige aanbidding," evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen
+van het H. Sacrament worden genoemd, en in 't begin dezer eeuw te
+Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat
+Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen,
+waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der
+vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in
+het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner
+nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die
+der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve
+Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een
+H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks
+drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament
+niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en
+het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel
+verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige
+gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner
+van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling
+en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid,
+het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen
+twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche
+Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche
+Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.
+
+Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus
+Verga terug.
+
+De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthouden zich
+het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen
+buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur
+'s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen
+onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit
+een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden
+den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning,
+die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van
+den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze
+zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel
+jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte,
+veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van
+beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben
+de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken,
+drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede,
+kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij
+doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.
+
+De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke
+kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een
+priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, 't geen de langst
+mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.
+
+Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter
+een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen. Onder de
+predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier;
+zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd
+gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de
+aartsbisschop van de diocees.
+
+Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een
+grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de
+nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel
+aan de knie.
+
+Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke
+gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste
+zelfverloochening. Zooals op Christus' stem ut voci Christi, op een
+gebaar, bij den eersten wenk, ad nutum, ad primum signum, dadelijk,
+met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid,
+promptè, hilariter, perseveranter, et coecâ quadam obedientiâ, gelijk
+de vijl in de hand van den werkman, quasi liman in manibus fabri,
+niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven,
+legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.
+
+Beurtelings verricht ieder wat zij de "verzoening" noemen. Deze
+verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden. alle misslagen,
+alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde
+gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren 's avonds tot vier
+uren 's morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den
+steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en
+de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan
+uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en
+met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen
+der wereld. Dit is grootsch, verheven!
+
+Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt,
+zegt men eveneens "aan den paal zijn" als "om verzoening bidden." De
+nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur,
+die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.
+
+"Om verzoening bidden" is eene daad, die de geheele ziel vervult. De
+non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel,
+het hoofd niet wenden.
+
+Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij
+blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand
+soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.
+
+De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige
+bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in
+herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus
+Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie
+enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.
+
+Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.
+
+Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster
+geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van 't verderf der
+ziel zijn.
+
+Zij noemen het woord mijn niet. Zij bezitten niets en mogen aan niets
+gehecht zijn. Zij noemen alles "het onze," bij voorbeeld: onze sluier,
+onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij "ons hemd"
+zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een
+getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen,
+dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij
+herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke
+dame, toen zij in haar orde trad zeide: "Vergun, moeder, dat ik een
+heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben."--"Ha! zijt
+ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn."
+
+Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij
+bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkander ontmoeten, zegt de eene:
+"Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!" De
+andere antwoordt: "In alle eeuwigheid!" Hetzelfde heeft plaats als de
+eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt
+of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen:
+in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze "oefeningen"
+werktuiglijk; en vaak zegt de eene "in alle eeuwigheid" voor de
+andere den tijd heeft gehad te zeggen: "Geëerd en geloofd zij het
+allerheiligste Sacrament des altaars!" dat tamelijk lang is.
+
+Bij de visitandinen zegt de binnentredende Ave Maria, en de andere
+antwoordt: Gratiâ plena. 't Is haar "goeden morgen", die inderdaad
+"vol gratie" is.
+
+Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal
+geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters,
+leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken,
+en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: "Te vijf
+uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd
+en geloofd." Is het acht uren: "Te acht uren enz" en zoo vervolgens
+bij elk uur dat slaat.
+
+Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze
+immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de
+vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: "Op dit
+uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!"
+
+De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig
+jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar
+getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds
+met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje
+in 't missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: "Jezus, Maria,
+Jozef!" Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag,
+dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende
+treurige uitwerking voort.
+
+De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder
+doen maken voor de begraving harer zusters. Het "gouvernement",
+zooals zij 't noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet
+werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster
+verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.
+
+Zij hadden echter de vergunning verkregen, om--een geringe
+troost--op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude
+kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger
+aan het klooster behoord had.
+
+Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de
+diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezet al de kleine
+heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk
+eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië
+zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van
+het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld
+geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer:
+"De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen
+nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst."
+
+Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert,
+de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na
+de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de
+misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig
+heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en
+leggen luid de "penitentie" op.
+
+Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove
+misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat
+zij het Culpa noemen. Men legt zich om deze Culpa te doen, plat op
+den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit
+anders dan "moeder" wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar
+bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht die Culpa
+voor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier,
+een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche
+noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijn Culpa te
+doen. Het Culpa is geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt
+en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis
+voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder
+een psalm die met Ecce begon, maar in plaats van Ecce zong zij ut,
+si, sol, en onderging voor deze verstrooidheid een Culpa gedurende
+den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat
+het geheele kapittel gelachen had.
+
+Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het
+zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk
+men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de
+priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar
+naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig
+iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het
+klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande
+onderhandelingen. Zoo 't een vrouw is, wordt de vergunning soms
+verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden,
+die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt
+vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.
+
+Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.
+
+Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de
+geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van
+1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+STRENGHEDEN.
+
+
+Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren
+het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of
+vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner
+nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.
+
+Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over,
+waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men
+de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen,
+glanst en krult haar 't haar; dan knielt zij; men spreidt over haar
+een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts
+verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij
+en zegt op treurigen toon: "Onze zuster is dood," de andere rij
+antwoordt met helderklinkende stem: "Zij leeft in Jezus Christus!"
+
+Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster
+verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes,
+waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een
+Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam
+van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door
+deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en
+de eeuw. Een harer zeide ons eens: "toen ik de straat zag huiverde
+ik van top tot teen." Zij waren in 't blauw gekleed met een wit
+mutsje op 't hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op
+de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de
+H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non
+te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te
+verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar
+dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten
+haar kleeding leenen. 't Verdient opmerking, dat deze vertooningen
+waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een
+heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen
+voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een
+wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich
+mede. "'t Was iets nieuws, een verandering."
+
+Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen
+intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een
+wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande
+te zingen.
+
+De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen
+betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige
+jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen
+om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen:
+"in alle eeuwigheid." Evenals de nonnen spraken de pensionnairen
+haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd
+niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in
+dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar
+moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire
+weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was
+niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde,
+de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen
+kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+VROOLIJKHEID.
+
+
+Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke
+herinneringen achtergelaten.
+
+Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De
+klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De
+vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van
+jeugd overstroomde als 't ware dezen tuin, die, als een lijkkleed,
+kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende
+oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich
+in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep,
+na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling
+dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend
+werd. 't Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, en ieder
+bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen,
+stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte
+verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht
+verbergt; maar om 't even! Men was verheugd en lachte. Deze vier
+doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen
+van al die vreugde: 't was als een regen van rozen op een doodschen
+akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der
+zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond
+een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen
+huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in
+het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche,
+bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben,
+en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven,
+dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle
+grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje,
+van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.
+
+Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke,
+kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach
+uitlokken. 't Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig
+kind eens riep: "Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet
+langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!"
+
+Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:
+
+Een kapittel-moeder. "Waarom weent ge, mijn kind?"
+
+Het kind. (zes jaar oud) snikkend. "Ik heb aan Alix gezegd, dat ik
+mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken
+en ik ken ze"
+
+Alix, de groote (negen jaar oud). "Neen, zij kent ze niet."
+
+De moeder: "Waarom niet, mijn kind?"
+
+Alix. "Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan,
+haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden."
+
+"Nu?"
+
+"Zij heeft niet geantwoord."
+
+"Spreek, wat hebt ge gevraagd?"
+
+"Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de
+eerste vraag, die ik vond."
+
+"Hoe was deze vraag?"
+
+"'t Was: Wat gebeurde er vervolgens?"
+
+'t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den
+eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:
+
+"Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch."
+
+Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt,
+die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet
+te vergeten:
+
+"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.
+
+"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.
+
+"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te
+hebben geslagen."
+
+Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig
+mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:
+
+"Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen
+stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna
+plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf
+in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch,
+en hij at de jonge haantjes op."
+
+Dan nog dit gedicht:
+
+
+ "Er kwam een stokslag,
+ Polichinel sloeg de kat.
+ 't Deed haar geen goed, maar 't deed haar pijn.
+ Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis."
+
+
+'t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door
+een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid
+opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en
+mompelde in haar hoekje:
+
+"Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet."
+
+Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels
+door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De "zeer groote
+meisjes"--boven de tien jaren--noemden haar Agathoclès [6].
+
+Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal,
+die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving,
+was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden "vol dieren." Al
+wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der
+vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een
+bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek,
+den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek
+was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud
+dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat
+gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter
+onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een
+dezer vier natiën, al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende
+den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk
+bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje,
+met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire,
+een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:
+
+"Wie is deze?"
+
+"Een spinnekop, Monseigneur!"
+
+"Zoo! en gene?"
+
+"Een krekel."
+
+"En zij?"
+
+"Een rups."
+
+"Zoo waarlijk; en wat zijt gij?"
+
+"Ik ben een duizendbeen, Monseigneur."
+
+Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin
+dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar,
+in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.
+
+Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid
+tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook "troonhemelen"
+en "wierookvaten," namelijk zij, die de koorden van den troonhemel
+droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden
+van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier "maagden" gingen vooraan. 't
+Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag
+in de slaapzaal kon hooren vragen:
+
+"Wie van u is maagd?"
+
+Mevrouw Campan verhaalt van een "kleine," een zevenjarig meisje, dat
+tot een "groote" van zestien jaren, die aan 't hoofd der processie
+ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: "Gij zijt
+een maagd, en dat ben ik niet."
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+VERSTROOIDHEDEN.
+
+
+Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit
+gebed, 't welk men het "witte Vader ons" noemde en dat de kracht had
+de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.
+
+"Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God
+in den hemel bracht.
+
+"Toen ik 's avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bij mijn bed
+liggen, één aan het voeteneinde, twee aan 't hoofdeinde, de maagd
+Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en
+niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn
+moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn
+mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf
+gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven;
+de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den
+H. Johannes.--H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van de Ave
+Salus.--Hebt ge er den goeden God niet gezien?--Hij is aan den
+kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een
+klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds,
+en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven."
+
+In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele
+laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige
+jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.
+
+Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze
+eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels,
+ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen
+van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de
+tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander
+in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der
+kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen,
+of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen
+voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De
+kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week,
+die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te
+vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze
+stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een
+kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld,
+werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de
+week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels,
+waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten,
+en soms 't geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch,
+wierpen. Dit werd gestraft.
+
+Zij, die de stilte stoorde, moest een "kruis met de tong"
+maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit
+einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich
+aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.
+
+In het klooster was een boek, waarvan slechts "één exemplaar"
+is gedrukt, en dat verboden is te lezen. 't Is de regel van den
+H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.
+
+Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij
+begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst
+waren verrast te zullen worden, borgen zij 't haastig weer weg. Zij
+hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden
+blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der
+jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.
+
+Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen
+stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen,
+gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter
+sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer
+op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt,
+en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige
+pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van
+Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:
+
+"Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar
+boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te
+leggen, dan steekt men het ooft onder 't oorkussen en des avonds eet
+men 't in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats."
+
+Dit was een harer grootste geneugten.
+
+Eenmaal, 't was wederom bij gelegenheid van een bezoek des
+aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de
+jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap
+dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets
+ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen,
+maar niemand geloofde er aan. Op 't oogenblik dat de aartsbisschop
+voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot
+onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide:
+"Monseigneur, een dag vacantie als 't u belieft." De jonkvrouw
+Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat
+men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: "Wat, mijn
+lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen
+u drie dagen!" De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop
+had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het
+pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!
+
+Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven
+der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet
+binnendrongen. Om dit te bewijzen willen wij hier beknopt een waar,
+onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat
+met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts,
+opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.
+
+Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige
+persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en
+"madame Albertine" noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat
+zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide,
+dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen,
+die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.
+
+Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit
+haar groote zwarte oogen. 't Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men
+twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was
+niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken
+en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte,
+voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster
+zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: "Men houdt
+haar voor dood."--"Zij is 't misschien," antwoordde de andere.
+
+Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine
+verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der
+pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men het oeil de boeuf
+noemde. 't Was in deze tribune, met een rond raampje, een oeil de
+boeuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk
+was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping,
+den prediker, of misdoenden priester kon zien; 't geen aan de nonnen
+verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen
+rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode
+musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830
+als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. 't Was den
+eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus
+predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie
+en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich
+ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden
+der stilte, die in de kapel heerschte: "Ziedaar August!" De geheele
+kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de
+oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid
+verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was
+even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen
+en de zinnelooze weder een lijk geworden.
+
+Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen
+in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat
+"ziedaar August!" De heer de Rohan heette werkelijk August. 't Was
+stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij
+den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed
+had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat
+zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en
+wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.
+
+Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent,
+bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis als Magnates mulieres
+toegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de
+twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de
+oogen neder.
+
+Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp
+der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip,
+in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris
+van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in
+de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen
+zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde
+der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk
+aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.
+
+Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was;
+dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om
+het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok
+hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer
+zestienjarige meisjes.
+
+Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar
+evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis,
+welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.
+
+Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie,
+die thans reeds zeer verouderd is: "Mijn Zetulbé, kom, beheersch
+mijn hart," en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes
+luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de
+hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene
+maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden
+muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat
+Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd,
+alles beproefd hebben om slechts een seconde den "jongeling" te zien
+en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het
+te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen
+naar de derde verdieping om zoo mogelijk door de gesloten vensters in
+de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm
+boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren
+nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen
+eindelijk den "jongeling!" 't Was een arme, blinde, oude emigrant, die
+op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HET KLEINE KLOOSTER.
+
+
+Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander
+verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond,
+het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde
+Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden
+gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen
+der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte,
+grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke
+soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was,
+een harlekijns-klooster kunnen noemen.
+
+Sedert het Keizerrijk was 't aan al deze arme, verstoorde, verjaagde
+geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de
+vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het
+gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus
+hadden ze met welwillendheid ontvangen. 't Was een zonderling
+mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning
+veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven;
+ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere,
+de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en
+van moeder Jakob.
+
+Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. 't Was
+een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het
+begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure
+hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner
+nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor
+de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken
+scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig
+genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte. In 1824 bleef van
+deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.
+
+Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames,
+zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine
+Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort
+d'Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in
+'t klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat
+zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar
+Vacarmini. [7]
+
+In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein
+tijdschrift, de Intrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te
+mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch
+in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had
+romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze
+verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid
+ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar
+na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden,
+zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde
+de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis
+nog zeer goed de harp.
+
+Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel
+achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze
+twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden
+zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en
+juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar
+met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt,
+en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven
+te verschrikken:
+
+
+ Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:
+ Dismas et Gesmas, media est divina potestas;
+ Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,
+ Nos et res nostras conservet summa potestas.
+ Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.
+
+
+Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag
+oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men
+algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze
+spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de
+Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden
+hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzen
+wordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.
+
+De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote
+klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het
+kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er
+het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende,
+in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der
+kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een
+kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen
+was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter
+het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter
+rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze
+kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan
+wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten
+banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen
+op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben
+der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten
+bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang
+met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den
+tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar
+stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander
+bewijs dan de slagen der "disciplines" (geeselkoorden), die in de
+banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EENIGE SILHOUETTEN.
+
+
+In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus
+jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij
+behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van
+"Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus." Zij was
+herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw,
+die "als een gebersten pot zong," zegt de brief, welken wij reeds
+hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige
+vroolijke in het klooster en daarom bemind.
+
+Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite,
+de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de
+geschiedenis, zij verstond Latijn, Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch,
+en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.
+
+De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half
+blinde non.
+
+De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine,
+schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en
+moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes,
+moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het
+klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (Mlle Gauvain), nog jong,
+met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (Mlle Drouet), die
+in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen
+Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mlle de Colgolludo),
+moeder St. Adelaida (Mlle d'Averney), moeder Misericordia, (Mlle de
+Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion
+(Mlle de la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen
+ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia
+(Mlle de Laudinière), moeder Presentatie (Mlle de Siguenza), die
+in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den
+beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mlle de Suzon); welke
+beide krankzinnig werden.
+
+Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige
+vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder
+Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster
+moeder Assomption.
+
+Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had,
+gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele
+toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud,
+verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van
+de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit
+had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit
+engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen
+het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha,
+die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.
+
+Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng
+voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het
+voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij
+betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter
+een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.
+
+Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster
+de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aan onbezielde
+voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het
+schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat
+naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd,
+duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf,
+de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht
+worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis
+in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was
+een bijzonder getal. Voor de priorin was 't één en één; voor de
+onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der
+school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den
+klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden
+een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte
+met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar
+hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is,
+kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen
+er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud
+leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien;
+de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan
+men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een
+"afschuwelijken ouden bochel" afgeschilderd wordt.
+
+Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.
+
+Zoodanig was dit merkwaardig huis.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+POST CORDA LAPIDES.
+
+
+Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te
+hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden
+zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds
+een denkbeeld.
+
+Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel
+het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten
+Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg,
+die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier
+straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een
+vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een
+tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging
+van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen
+een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galg
+besloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat
+Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze,
+statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus;
+het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van
+dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur,
+waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags
+werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener
+non uit het klooster werd gedragen. 't Was de algemeene kerkdeur. De
+elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer
+diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters
+en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de
+kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der
+blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet
+zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin,
+die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat
+de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin,
+stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom,
+van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen,
+verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest,
+de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze
+paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende,
+waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het
+einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen
+van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot
+aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor
+het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit
+alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd,
+muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap
+dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat,
+en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van 't geen
+vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van
+Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar
+van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond,
+die, "het speelhuis der elf duizend duivels" werd genoemd.
+
+Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De
+namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er
+naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout
+geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep
+de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN EEUW ONDER EEN NONNEN BORSTDOEK.
+
+
+Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van 't geen eertijds het
+klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een
+blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog
+een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van
+dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen
+zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.
+
+In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit
+de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in
+de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil,
+zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat,
+met wie zij goed bekend was geweest. 't Was haar vermaak en trots,
+bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde
+wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek
+en in welk klooster straten waren.
+
+Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren
+vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen,
+zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem
+aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan
+Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan
+Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige
+vader.--En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk
+gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.
+
+Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij
+zeide, dat in haar jeugd "de bernardijnen niet voor de musketiers uit
+den weg gingen." 't Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij
+verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en
+Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot
+personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair
+door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke
+overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers
+aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker
+las men dit opschrift: "apenwijn," op den tweeden: "leeuwenwijn,"
+op den derden: "schapenwijn," op den vierden: "varkenswijn." Deze
+vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard
+nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweede
+vergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.
+
+Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan
+zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks
+niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op,
+'t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij
+het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot
+zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij,
+die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp
+sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de
+volhardendsten op haar halsstarrigheid.
+
+'t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen
+en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar
+en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk
+een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte
+reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw
+overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar
+de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen
+doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. 't Was een schotel van
+Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts,
+gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de
+vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke
+liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt
+weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles
+is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse
+schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld
+te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman
+in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.
+
+Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl,
+zooals zij zeide, "het spreekvertrek te somber was."
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+OORSPRONG DER EEUWIGDURENDE AANBIDDING.
+
+
+Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld
+te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel
+en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder
+in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een
+andere orde was, waren bruine gordijnen in plaats van zwarte blinden,
+en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke
+neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de
+wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht,
+geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.
+
+In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische
+kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd
+gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de
+vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.
+
+Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de
+benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel
+andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux
+behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder
+dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in
+weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en
+in St. Jean en Grève, ontheiligd; 't was zulk een vreeselijke en
+zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding
+bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval
+een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijke
+nuncius officiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee
+achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin
+de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des
+altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen
+niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door
+een "Eeuwigdurende aanbidding" in een vrouwenklooster. Beiden, de
+eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar,
+genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke
+schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus
+te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van
+Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde "dat geen
+jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch
+kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal
+medebracht." Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn
+goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven
+werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.
+
+Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding
+des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd
+"geheel nieuw gebouwd" in de straat Cassette voor de gelden der dames
+de Boucs en de Chateauvieux.
+
+Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen
+van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés,
+gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten
+en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen
+staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der
+bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In
+1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner
+nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de
+benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin
+bleven de twee orden geheel gescheiden.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+EINDE VAN KLEIN-PICPUS.
+
+
+Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van
+Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven
+dezer orde in 't algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden
+allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der
+menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt,
+een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken
+vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.
+
+Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine
+klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen
+noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren
+heengegaan. Volaverunt.
+
+De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke
+strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen
+nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen
+koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna
+honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel
+zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring
+der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar
+gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst
+van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen,
+dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal
+smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. 't Is een
+onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij
+drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van
+dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig
+jaar, de andere drieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval
+heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.
+
+Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen
+voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen
+binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige
+geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster
+binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo
+nieuw schijnen. 't Is de gesloten tuin. Hortus conclusus. Wij hebben
+van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten
+minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij
+begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver
+van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste
+zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire,
+die zelfs het kruis bespot.
+
+'t Was, in 't voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire;
+want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas
+verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis,
+zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De
+vermoording van een wijze.
+
+De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men
+verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van 't
+verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in 't menschelijk
+hart zijn. Veel wordt gesloopt, en 't is goed dat men het sloope,
+mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.
+
+Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. 't
+Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De
+namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich
+gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn
+pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het
+verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de
+geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.
+
+De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie
+van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze
+beschermt.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VII.
+
+PARENTHESIS.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HET KLOOSTER, ALS ABSTRACTE IDÉE.
+
+
+Dit boek is een drama, waarvan het oneindige de hoofdpersoon is.
+
+De tweede persoon is de mensch.
+
+Dit gesteld, en wijl een klooster op onzen weg lag, zijn wij er
+moeten binnengaan. Waarom? Wijl het klooster, zoowel eigen aan het
+Oosten als aan het Westen, aan den ouden als aan den nieuweren tijd,
+aan het heidendom, aan het boudhisme, aan het mahomedanisme, aan het
+Christendom, een optisch werktuig is, dat de mensch op het oneindige
+richt.
+
+'t Is hier de plaats niet om wijdloopig sommige ideeën te
+ontwikkelen; evenwel moeten wij--ons alle uitzonderingen en zelfs onze
+verontwaardiging bepaald voorbehoudende,--zeggen dat, telkens wanneer
+wij in den mensch het, goed of kwalijk begrepen, oneindige ontmoeten,
+wij ons van eerbied doordrongen gevoelen. In de synagoge, in de moskee,
+in de pagode, in de wigwam is een afschuwelijke zijde, welke wij
+verfoeien, maar ook een verhevene zijde, welke wij vereeren. Welk
+een bespiegeling voor den geest en welke peillooze overdenking is
+niet de weerkaatsing van God in den mensch!
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+HET KLOOSTER ALS HISTORISCH FEIT.
+
+
+Uit het gezichtspunt der geschiedenis, der rede en der waarheid is
+het kloosterleven verwerpelijk.
+
+De kloosters, zoo zij bij een natie te talrijk zijn, zijn als knoopen,
+die den band der samenleving belemmeren, 't zijn hinderende gebouwen,
+middelpunten van luiheid, dáár waar middelpunten van werkzaamheid
+zijn moesten. De kloostergemeenschap is voor de groote maatschappij
+wat de mistel voor den eik, wat de wrat voor het menschelijk lichaam
+is. Hun bloei en hun omvang verarmen het land. De kloosterregel,
+goed in de kindsheid der beschaving, nuttig om door het geestelijke de
+ruwheid te verminderen, is schadelijk voor den mannelijken leeftijd der
+volken. Maar wanneer hij verslapt en een tijdperk van ongeregeldheden
+intreedt, wanneer hij dan nog voortgaat tot voorbeeld te dienen,
+wordt hij nadeelig, om dezelfde redenen die hem in het tijdperk zijner
+zuiverheid heilzaam deden zijn.
+
+De kloosterlijke afzondering heeft haar tijd gehad. De kloosters,
+nuttig voor de eerste opvoeding der nieuwere beschaving, belemmerden
+haar groei en zijn schadelijk voor haar ontwikkeling. Evenzeer als
+instelling en als wijze van vorming voor den mensch zijn de kloosters,
+goed in de tiende eeuw, betwistbaar in de vijftiende, verwerpelijk in
+de negentiende. De klooster-melaatschheid heeft reeds twee schoone
+natiën, Italië en Spanje, de eene het licht, de andere de luister
+van Europa, sinds eeuwen tot op het gebeente afgeknaagd, en eerst
+nu, in den tijd, dien wij beleven, begint de genezing dier volken,
+dank zij de heilzame en krachtige gezondheidsleer van 1789.
+
+Het klooster, in 't bijzonder het vroegere vrouwenklooster,
+zooals het bij den aanvang onzer eeuw nog in Italië en Oostenrijk
+en Spanje verschijnt, is een der somberste voortbrengselen der
+Middeleeuwen. Zoodanig klooster is het vereenigingspunt van
+alle verschrikkingen. Het eigenlijke Katholieke klooster is vol
+van den zwarten glans des doods. Bovenal het Spaansche klooster
+is treurig. Daar verheffen zich in de duisternis, onder donkere
+gewelven, in nevelen gehulde koepeldaken, babylonische, kolossale
+altaren, zoo hoog als de kerken; daar hangen aan kettingen, in diepe
+duisternis, groote witte crucifixen, daar liggen op het ebbenhout
+groote naakte, meer dan bloedige, bloedende ivoren Christusbeelden
+uitgestrekt, afgrijselijk en toch heerlijk, wier ellebogen de knoken,
+wier knieschijven de vliezen, wier wonden het vleesch vertoonen,
+gekroond met zilveren doornen, vast gespijkerd met gouden nagels,
+met bloeddroppels van robijnen op het voorhoofd en diamanten tranen
+in de oogen.
+
+Do diamanten en robijnen schijnen vloeiend, en doen beneden, in
+de schaduw, gesluierde wezens weenen, wier lendenen gestriemd en
+verwond zijn door den geesel met ijzeren punten en het haren kleed,
+wier borsten door het teenen vlechtwerk plat zijn gedrukt, wier knieën
+door het gebed ontveld zijn; vrouwen, die zich echtgenooten wanen,
+spoken die serafijnen meenen te zijn. Denken deze vrouwen? Neen. Hebben
+zij een wil? Neen. Beminnen zij? Neen! Leven zij? Neen. Haar zenuwen
+zijn been geworden, haar gebeente is versteend. Haar sluier is uit
+nacht geweven. Onder dien sluier gelijkt haar adem eenigerwijs den
+akeligen ademtocht des doods. De abdis, een spooksel, zegent en
+verstijft ze van schrik. Daar is het onbevlekte woest. Zóó zijn de
+oude kloosters in Spanje, verblijven van schrikbarende godsvrucht,
+spelonken van maagden, ontzettende plaatsen.
+
+Het Katholieke Spanje was meer roomsch dan Rome zelf. Bij uitnemendheid
+was het Spaansche klooster het Katholieke klooster. Men rook er het
+Oosten. De aartsbisschop, de kizlar-aga des hemels, grendelde en
+bewaakte dat voor God bewaarde zielen serail. De non was de odaliske,
+de priester de gesnedene. De vurigste werden in den droom uitverkoren
+en bezaten Christus. Des nachts daalde de fraaie, naakte jonge man van
+het kruis, en werd de verrukking der cel. Hooge muren behoedden voor
+iedere verstrooidheid de geheimzinnige sultane, die den gekruisigde
+tot sultan had. Een blik naar buiten was een ontrouw. Het in pace
+verving den lederen zak. Wat men in het oosten in zee wierp, werd
+in het westen in de aarde geworpen. Hier zoowel als daar, wrongen
+vrouwen de handen; de golf voor deze, het graf voor de andere; hier
+verdronkenen, daar begravenen. Gruwzame gelijkenis.
+
+Nu de verdedigers van het verleden deze feiten niet meer
+kunnen loochenen, beginnen zij er om te lachen. Men heeft een
+zeer gemakkelijke, maar zonderlinge wijze in de mode gebracht
+om de openbaringen der geschiedenis van de hand te zetten, de
+verklaringen der wijsgeeren te verminken, en alle hinderlijke feiten
+en sombere kwestiën te ontgaan. "Stof tot declameeren," zeggen de
+behendigen. Declamatiën, herhalen de dommen. Jean Jacques Rousseau
+declameert; Diderot declameert; Voltaire declameert over Calas, Labarre
+en Sirven. Ik weet niet wie onlangs ontdekt heeft, dat Tacitus een
+declamateur, dat Nero een offer was, en dat men waarlijk met dien
+armen Holofernus medelijden moest hebben.
+
+De feiten zijn intusschen moeielijk ter zijde te stellen en staan vast.
+
+De schrijver van dit boek heeft met zijn eigen oogen, acht uren van
+Brussel, in de abdij van Villers, iets uit de Middeleeuwen gezien, dat
+in ieders bereik ligt--in het midden van 't geen toen de kloosterhof
+was, aan den oever der Dyle, het in pace, vier steenen cachotten,
+half in den grond half in het water gebouwd. Ieder dezer cachotten
+heeft nog het overblijfsel van een ijzeren deur, een geheim gemak,
+en een getralied luchtgat, dat buiten twee voet boven de rivier,
+binnen zes voet boven den grond is. Langs den muur stroomt de rivier
+ter hoogte van vier voet. De bodem is altijd vochtig. De bewoner van
+het in pace had dezen vochtigen bodem tot bed. In een dezer cachotten
+bevindt zich nog een brok van een in den muur gemetselden halsboei;
+in een ander ziet men een soort van vierkante kast, van vier steenen
+samengesteld, die te kort is om er in te kunnen liggen, te laag om er
+in te staan. Daarin stak men een mensch en legde er een steenen deksel
+op. Het bestaat nog. Men ziet, men betast het. Deze in paces, deze
+cachotten, deze ijzeren hengels, deze halsboeien, dit lage luchtgat
+vlak boven de rivier, deze met een granieten deksel als een graf
+gesloten steenen kist, met dit verschil dat daarin de doode levend
+was, deze bodem van slijk, dit rioolgat, deze zweetende muren--hoe
+"declameeren" zij!
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+OP WELKE VOORWAARDEN MEN HET VERLEDEN KAN EERBIEDIGEN.
+
+
+Het kloosterwezen, zooals dat in Spanje bestond en in Thibet bestaat,
+is voor de beschaving een soort van tering. Het stremt het leven;
+het ontvolkt. Voor Europa is 't een geesel geweest. Voeg daarbij
+het zoo dikwerf geweld aangedane geweten, de gedwongen roeping
+voor het klooster, het feodaalwezen steunende op het klooster, het
+eerstgeboorterecht, dat het te veel der familie aan het klooster
+overgaf, de wreedheden, waarvan wij gesproken hebben, de in pace, de
+gesloten monden, het inmetselen, zoovele ongelukkigen in den kerker
+der eeuwige geloften geworpen, de aanneming van het kloostergewaad,
+de begraving van levende zielen! Voeg hierbij, al naar den trap van
+verlaging der natiën, de persoonlijke straffen, en wie ge zijn moogt,
+ieder zal beven voor de pij en den sluier, voor deze twee lijkdoeken
+van menschelijke uitvinding.
+
+Evenwel, in weerwil der wijsbegeerte, in weerwil van den vooruitgang,
+blijft op enkele punten, en in zekere oorden de kloostergeest nog
+in 't midden der negentiende eeuw volharden, en een zonderlinge
+verlevendiging van het ascétisme verbaast thans de beschaafde
+wereld. De halsstarrigheid der verouderde instellingen om te blijven
+bestaan gelijkt de ransig geworden pommade, die ons haar met geweld
+welriekend wil maken, de eisch van den bedorven visch, die gegeten wil
+worden, van het kinderkleed dat den volwassen man zou willen dekken, en
+de liefde der lijken die zouden wederkomen om de levenden te omhelzen.
+
+Ondankbaren! zegt de kleeding. Ik heb u in 't slechte weder
+beschermd. Waarom wilt ge mij niet meer? Ik kom uit de verre zee,
+zegt de visch. Ik ben roos geweest, zegt de pommade. Ik heb u bemind,
+zegt het lijk. Ik heb u beschaafd, zegt het klooster.
+
+Hierop slechts dit antwoord: Voorheen!
+
+'t Schijnt zonderling, wanneer men aan den onbepaalden duur van
+gestorven dingen en van menschelijke heerschappij door inbalseming
+gelooft; wanneer men de bouwvallige leerstukken herstelt, de
+straalkransen opnieuw verguldt, de kloostermuren wit, de reliquikasten
+opnieuw wijdt, het bijgeloof versterkt, het fanatisme aanvuurt,
+nieuwe stelen en handvatsels aan wijwaterskwasten en sabels maakt,
+het kloosterdom en de militaire oppermacht weder opricht, wanneer
+men aan het heil der maatschappij gelooft door de woekerplanten te
+vermeerderen, en het verledene aan het tegenwoordige opdringt. En
+echter zijn er voorstanders dezer theorieën. Deze theoretici,
+overigens schrandere lieden, handelen zeer eenvoudig; zij leggen
+op het verledene een vernis, 't welk zij maatschappelijke orde,
+goddelijk recht, zedelijkheid, familie, eerbied voor de voorouders,
+oud gezag, heilige overleveringen, legitimiteit, godsdienst noemen,
+en zij roepen: Ziet! neemt dit, goede lieden!--Deze logica kenden
+reeds de ouden. De wichelaars gebruikten ze. Zij bestreken een zwarte
+vaars met krijt en zeiden: zij is wit. Bos cretatus.
+
+Wat ons aangaat, wij eerbiedigen het een en ander van--en sparen
+geheel--het verledene, mits het zich tevreden houdt dood te zijn. Zoo
+het levend wil zijn, vallen wij het aan en trachten het dan te dooden.
+
+Bijgeloof, bigotterie, kwezelarij, vooroordeel, deze spooksels,
+hoewel zij spooksels zijn, hebben een taai leven, zij hebben tanden
+en nagels; men moet ze een voor een aangrijpen en verstikken, hen
+bestrijden en onvermoeid bestrijden; want 't is het lot des menschen
+eeuwig in strijd met spookbeelden te zijn. Een schim is moeielijk
+bij de keel te grijpen en neder te werpen.
+
+Een klooster in Frankrijk in den vollen middag der negentiende eeuw is
+een uilennest, dat het daglicht durft tarten. Een ascetisch klooster,
+dat in het midden der stad van 89, van 1830 en van 1848, Rome in Parijs
+doet bloeien, is een anachronisme. In gewone tijden behoeft men,
+om een anachronisme op te lossen en te doen verdwijnen, het slechts
+het jaartal voor te spellen. Maar wij leven in geen gewonen tijd.
+
+Laat ons strijden!
+
+Laat ons strijden, maar met verstand. De waarheid heeft het
+eigenaardige, dat zij nooit buitensporig is. Waarom zou zij
+overdrijven? Er zijn dingen die vernietigd, er zijn andere dingen
+die eenvoudig toegelicht en beschouwd moeten worden. Welk een kracht
+heeft een welwillend, ernstig onderzoek!
+
+Brengen wij geen vlam dáár waar het licht voldoende is.
+
+In de negentiende eeuw zijn wij dus over 't algemeen, bij alle volken,
+in Azië evenals in Europa, in Indië evenals in Turkije, tegen de
+kloosters en het ascetisme. De kloosters gelijken moerassen. Hun
+overgang tot bederf is duidelijk, hun stilstand is ongezond; hun
+gisting maakt de volken koortsig en verzwakt ze; hun vermenigvuldiging
+wordt een egyptische plaag. Niet zonder huivering kunnen wij aan
+die landen denken, waar het van fakirs, bonzen, santons, caloyers,
+marabouts, talapoins en dervischen als van ongedierte wemelt.
+
+Er blijft dus de godsdienstige vraag over. Deze vraag heeft
+verschillende geheimzinnige, schier vreeselijke zijden: het zij ons
+vergund ze nader te beschouwen.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HET KLOOSTER UIT HET GEZICHTSPUNT VAN BEGINSELEN.
+
+
+Menschen vereenigen zich en wonen gemeenschappelijk. Volgens welk
+recht? Volgens het recht van vereeniging.
+
+Zij sluiten zich op. Volgens welk recht? Volgens het recht dat ieder
+mensch heeft om zijn deur te sluiten of te openen.
+
+Zij gaan niet uit. Volgens welk recht? Volgens het recht van te
+gaan en te zijn, naar verkiezing; 't welk het recht van te huis te
+blijven insluit.
+
+Te huis, wat doen zij dáár?
+
+Zij spreken zacht; slaan de oogen neder; werken. Zij verzaken de
+wereld, de steden, het zingenot, de vermaken, de ijdelheden, den
+hoogmoed, het eigenbelang. Zij zijn in grof linnen of in grove wol
+gekleed. Niemand hunner bezit iets in eigendom. Bij zijn intrede maakt
+hij die rijk was zich arm. Wat hij bezit, geeft hij aan allen. Hij die,
+zooals men 't heet, van adel, edelman en heer was, is de gelijke van
+hem, die boer was. De cel is voor allen dezelfde. Allen ondergaan
+dezelfde kruinschering, dragen dezelfde pij, eten hetzelfde zwarte
+brood, slapen op hetzelfde stroo, sterven op dezelfde asch. Zij dragen
+denzelfden zak op den rug, hetzelfde koord om de lendenen. Zoo men
+overeengekomen is barvoets te gaan, gaan allen barvoets. Is er een
+prins, die prins is dezelfde schim als de anderen. Geen titels. Zelfs
+de familienamen zijn verdwenen. Zij hebben slechts voornamen. Allen
+gaan gebogen onder de gelijkheid der doopnamen. Zij hebben de
+vleeschelijke familie ontbonden en in hun gemeenschap de geestelijke
+familie aangenomen. Zij hebben geen andere verwanten meer dan alle
+menschen. Zij helpen de armen, verplegen de kranken. Zij verkiezen hen,
+wien zij gehoorzamen. De een zegt tot den ander "mijn broeder."
+
+Valt mij niet in de rede met de woorden: "dit is een denkbeeldig
+klooster!"
+
+'t Is voldoende dat het een mogelijk klooster zij, om 't in aanmerking
+te nemen.
+
+'t Is ook om die reden, dat ik in 't voorgaande boek op eerbiedige
+wijze van een klooster gesproken heb. De middeleeuwen en Azië er buiten
+gelaten, en met voorbehoud der historische en politieke kwestie,
+beschouw ik, uit een zuiver, wijsgeerig oogpunt, de kloosterlijke
+samenleving, mits zij volkomen vrijwillig gekozen wordt, steeds met een
+gevoel van belangstelling en in sommige opzichten, van eerbied. Waar
+de gemeenschap is, is de gemeente, waar de gemeente is, is het
+recht. Het kloosterleven is de uitkomst der woorden: gelijkheid,
+broederschap! O, hoe grootsch is de vrijheid; welke schitterende
+herscheppingen bewerkt zij. De vrijheid is machtig om het klooster
+in een republiek te herscheppen.
+
+Gaan wij verder.
+
+Maar deze mannen, of deze vrouwen, de achter deze vier muren zittenden,
+kleeden zich in grove wol, allen zijn gelijk, zij noemen elkander
+broeders en zusters. Goed; maar doen zij nog iets anders?
+
+Ja.
+
+Wat?
+
+Zij beschouwen de duisternis, zij knielen, en vouwen de handen samen.
+
+Wat beteekent dat?
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+HET GEBED.
+
+
+Zij bidden.
+
+Tot wien?
+
+Tot God.
+
+Wat beteekent, tot God bidden?
+
+Bestaat een oneindige buiten ons? Is dat oneindige één, blijvend,
+eeuwig, noodzakelijk zelfstandig, wijl het oneindig is, en begrensd
+moest zijn, zoo het het stoffelijke miste; noodzakelijk intelligent,
+wijl het oneindig is, en het eindigen zou zoo het de intelligentie
+miste. Wekt dit oneindige in ons het denkbeeld van uitvloeisel,
+terwijl wij ons zelven slechts het denkbeeld van bestaan kunnen
+toeschrijven? Met andere woorden, is het niet het volstrekte, waarvan
+wij het betrekkelijke zijn.
+
+Is nu niet een oneindig in ons, evenals een oneindig buiten
+ons is? Plaatsen zich deze twee oneindigen (welk een ontzettend
+meervoud?) niet het een boven het ander. Is het tweede oneindige,
+om zoo te spreken, niet aan het eerste onderworpen? is het er de
+spiegel, de weerkaatsing, de echo niet van, een afgrond in een anderen
+afgrond? Is ook dat tweede oneindige intelligent? Denkt het, bemint
+het, heeft het een wil? Zoo de twee oneindigen intelligent zijn,
+heeft ook ieder hunner een wil, en in het oneindige boven is een
+"ik", evenals in 't oneindige beneden. Het ik beneden is de ziel;
+het ik boven is God.
+
+Bidden is nu: door de gedachten het oneindige beneden met het oneindige
+boven in aanraking brengen.
+
+Ontnemen wij den menschelijken geest niets; ontnemen deugt niet. Men
+moet hervormen en herscheppen. Sommige geestvermogens van den mensch
+zijn naar het onbekende gericht; de gedachte, de bespiegeling,
+het gebed. Het onbekende is een oceaan. Wat is het geweten? 't
+Is het kompas in het onbekende. Gedachte, bespiegeling, gebed zijn
+geheimzinnige stralen. Eerbiedigen wij ze. Waarheen gaan deze verhevene
+stralen der ziel? naar het duister; of liever gezegd naar het licht.
+
+De grootheid der democratie bestaat in niets van de menschheid te
+loochenen en niets te verloochenen. Naast het recht van den mensch,
+staat, ten minste even hoog, het recht der ziel.
+
+De wet is het fanatisme te vernietigen, en het oneindige te
+vereeren. Bepalen wij er ons niet bij, voor den boom "schepping"
+te knielen en zijn groote gesternde takken te aanschouwen. 't
+Is onze plicht aan de menschelijke ziel te arbeiden, het geheim
+tegen het wonder te beschermen, het onbegrijpelijke te aanbidden,
+het bespottelijke te verwerpen, slechts van het onverklaarbare het
+noodzakelijke toe te staan, het geloof te veredelen, den godsdienst
+van bijgeloovigheden te zuiveren; van God een helder begrip te vormen.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HET VOLSTREKT NUT VAN HET GEBED.
+
+
+Wat de wijze van bidden betreft; iedere wijze is goed, zoo zij slechts
+oprecht zij. Men draaie het boek om, en is toch in het oneindige.
+
+Er is een wijsbegeerte, wij weten het, die het oneindige loochent. Er
+is ook een ziekelijke filosofie, die de zon loochent; deze filosofie
+heet blindheid.
+
+Van een zintuig, dat ons ontbreekt, de bron der waarheid te maken,
+is als de overtuiging van den blinde. Merkwaardig is die hoogmoedige,
+aanmatigende, en medelijdende houding, welke deze in 't blinde tastende
+filosofie tegenover de wijsbegeerte aanneemt, die God ziet. Men meent
+een mol te hooren roepen: Hoe kunnen zij zoo dwaas zijn, aan een zon
+te gelooven?
+
+Er zijn, wij erkennen het, beroemde, geleerde Atheïsten. Maar deze,
+die hun eigen macht alleen tot de waarheid voert, zijn in den grond
+zelf niet zeker of zij wel Atheïsten zijn; 't is voor hen niet veel
+meer dan een punt van definitie; in allen gevalle, gelooven zij niet
+aan God, als groote geesten bewijzen zij het bestaan van God.
+
+Hen begroeten wij als wijsgeeren, hoewel wij onverbiddelijk hun
+filosofie veroordeelen.
+
+Verder:
+
+'t Is verwonderlijk hoe gemakkelijk men zich met woorden kan tevreden
+stellen. Een noordsche, bovennatuurkundige, min of meer nevelachtige
+school, heeft gemeend in het menschelijk verstand een omwenteling te
+bewerken, door voor het woord "kracht" het woord "wil" te stellen.
+
+Te zeggen: de plant wil; in plaats van: de plant groeit; 't
+zou inderdaad vrucht dragen, zoo men er bij voegde: de wereld
+wil. Waarom? wijl er dit uit zou volgen: de plant wil, zij heeft dus
+een ik; de wereld wil, zij heeft dus een God.
+
+Voor ons evenwel, die in tegenoverstelling met deze school, niets
+à priori verwerpen, schijnt een wil in de plant, door deze school
+geleerd, moeielijker aan te nemen, dan een wil in de wereld, dien
+zij loochent.
+
+Den wil van het oneindige, dat is van God, te loochenen, kan niet
+geschieden zonder het oneindige te loochenen. Wij hebben het bewezen.
+
+De loochening van het oneindige voert regelrecht naar het
+"nihilisme." Alles wordt "een begrip des geestes."
+
+Met het nihilisme is geen discussie mogelijk. Want de logische nihilist
+twijfelt dat zijn tegenpartij bestaat, en is zelfs niet eens zeker
+of hij zelf wel bestaat.
+
+Uit zijn gezichtspunt is het mogelijk, dat hij voor zich zelven niets
+anders zij dan "een begrip van zijn geest."
+
+Intusschen ziet hij niet, dat hij al het door hem geloochende in zijn
+geheel toestaat, alleen door het woord "geest" te noemen. Kortom,
+een filosofie die alles op het woordje "neen" laat uitloopen, laat
+geen weg voor de gedachte open.
+
+Voor neen, is slechts een antwoord: ja.
+
+Het nihilisme heeft geen gevolg.
+
+Er is geen niet. Nul bestaat niet. Alles is iets. Niets is niets.
+
+De mensch leeft meer nog van overtuiging dan van brood.
+
+'t Is niet voldoende te zien en te bewijzen. De wijsbegeerte moet
+kracht hebben, en de verbetering van den mensch haar doel en streven
+wezen. Socrates moet in Adam dringen en Marcus Aurelius voortbrengen;
+met andere woorden, uit den gelukkigen mensch den wijzen mensch
+tevoorschijn brengen; het Paradijs in een school veranderen. De
+wetenschap moet een versterking des harten zijn. Genieten! Welk een
+treurig doel en nietige eerzucht. Het dier geniet. Denken is de ware
+triumf der ziel. De gedachte naar den dorst der menschen te richten,
+aan allen de kennis Gods in te geven, onder hen het geweten en de
+wetenschap te verbroederen, hen door deze geheimzinnige verbroedering
+rechtvaardig te maken, ziedaar de taak der ware wijsbegeerte. De moraal
+is een ontluiking van waarheden. Beschouwing voert tot handelen. Het
+positieve moet practisch zijn. Het ideale moet voor den menschelijken
+geest adembaar, drinkbaar en eetbaar zijn. Het ideale heeft het recht
+te zeggen: "Neem, dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed." De wijsheid
+is een heilige gemeenschap. Op deze voorwaarde houdt zij op, een dorre
+liefde voor de wetenschap te zijn, om de eenige, oppermachtige wijze
+der menschelijke verbroedering en van wijsbegeerte tot godsdienst
+bevorderd te worden.
+
+De wijsbegeerte moet geen rustplaats zijn voor het geheimzinnige,
+om het op zijn gemak te kunnen beschouwen, zonder andere vrucht dan
+de nieuwsgierigheid te bevredigen.
+
+Terwijl wij echter de ontwikkeling onzer gedachte tot een andere
+gelegenheid uitstellen, bepalen wij ons bij de opmerking, dat wij den
+mensch noch als uitgangspunt, noch den vooruitgang als doel begrijpen,
+zonder deze twee drijfveeren: gelooven en beminnen.
+
+De vooruitgang is het doel, het ideaal is de type.
+
+Wat is het ideaal? God!
+
+Het ideaal, het volstrekte, het volmaakte, het oneindige;--zijn alle
+woorden van dezelfde beteekenis.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+VOORZORGEN TEGEN BERISPING.
+
+
+De geschiedenis en de wijsbegeerte hebben eeuwige plichten, die tevens
+eenvoudige plichten zijn; Cajaphas als bisschop, Draco als rechter,
+Trimalcion als wetgever, Tiberius als keizer te bestrijden, is klaar
+en duidelijk, zonder eenige duisternis. Maar het recht om afgezonderd
+te leven, zelfs met zijn bezwaren en misbruiken, wil bevestigd en
+vergund zijn.
+
+Wanneer men van de kloosters spreekt, van deze plaatsen van dwaling
+of onnoozelheid, van verbijstering of goeden wil, van onwetendheid of
+zelfopoffering, van straf of martelaarschap, moet men schier altijd
+ja en neen, beide, zeggen.
+
+Een klooster is een tegenstrijdigheid. Als doel, de zaligheid; als
+middel, de opoffering. Het klooster is de verhevenste zelfzucht,
+die tot de verhevenste zelfverloochening voert.
+
+Afstand te doen om te heerschen, schijnt de leus van het kloosterwezen
+te zijn.
+
+In het klooster lijdt men om te genieten. Men trekt een wissel op
+de eeuwigheid. Men disconteert voor aardsche duisternis hemelsch
+licht. In het klooster wordt bij voorbaat de hel aangenomen, om den
+hemel te erven.
+
+Het nemen van den sluier of de pij is een zelfmoord, die met de
+eeuwigheid wordt beloond.
+
+Wij meenen, dat bij zulk een onderwerp geen scherts te pas komt. Alles
+is er ernstig, zoowel het goede als het kwade.
+
+De weldenkende fronst de wenkbrauwen, maar glimlacht niet
+boosaardig. Wij begrijpen den tegenstand, niet de kwaadwilligheid.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+GELOOF, WET.
+
+
+Nog eenige woorden.
+
+Wij laken de kerk, wanneer zij van kuiperijen vervuld is; wij verachten
+het geestelijke, dat op het wereldlijke aast; maar alom eeren wij
+den denkenden mensch.
+
+Wij buigen ons voor ieder die knielt.
+
+Een geloof is voor den mensch noodzakelijk. Wee hem die niets gelooft!
+
+Men is niet werkeloos als men zich in zijn gedachten verdiept. Er is
+een zichtbare en een onzichtbare arbeid.
+
+Beschouwen is ploegen; denken is handelen. De over elkander geslagen
+armen, de saamgevouwen handen doen iets. Ook de ten hemel gerichte
+blik is een werk.
+
+Thales bleef vier jaren onbewegelijk. Hij vestigde de wijsbegeerte.
+
+Voor ons zijn de kloosterlingen geen lediggangers, en de eenzamen
+geen luiaards.
+
+Over de duisternis te denken is iets zeer ernstigs.
+
+Zonder iets van 't geen wij gezegd hebben terug te nemen,
+gelooven wij, dat het den levenden betaamt gestadig aan het graf te
+denken. Hieromtrent zijn priester en wijsgeer het eens. "Men moet
+sterven." De abt van la Trappe is eenstemmig met Horatius.
+
+Iets van het graf in zijn leven te mengen is de wet van den wijze;
+'t is de wet van den asceet. Beiden ontmoeten elkander hierin.
+
+Er is stoffelijke wasdom; dezen willen wij. Er is ook zedelijke
+grootheid; haar vereeren wij.
+
+Onbedachtzame en oppervlakkige geesten vragen:
+
+"Waartoe deze beweginglooze figuren naast het geheimzinnige? Waartoe
+dienen zij? Wat doen zij?"
+
+Helaas, in de duisternis die ons omgeeft en ons wacht, niet wetende
+wat de onmetelijke verspreiding van ons maken zal, antwoorden wij:
+"Er is misschien niets verhevener dan 't geen deze zielen doen." En
+wij voegen er bij: "Er is misschien niets nuttiger."
+
+Zij die altijd bidden, bidden mede voor hen, die nooit bidden.
+
+Voor ons komt alles op de gedachten aan, die zich aan het gebed paren.
+
+'t Is grootsch als Leibnitz bidt; 't is schoon als Voltaire
+aanbidt. Deo exerit Voltaire.
+
+Wij zijn vóór den godsdienst, tegen de godsdiensten.
+
+Wij behooren tot hen die aan de armzaligheid der formuliergebeden,
+en aan de verhevenheid van het gebed gelooven.
+
+In de tegenwoordige minuut, overigens, die gelukkig aan de negentiende
+eeuw haar gestalte niet zal achterlaten; in dit uur, nu zoo velen
+het hoofd laag en de ziel niet hoog hebben; onder zoovelen wier
+zedenleer genieten heet, en die zich slechts met het kortstondige,
+wanstaltige, stoffelijke bezighouden,--schijnt ons ieder eerwaardig,
+die zich zelven verbant. Dit klooster is een verloochening. Het offer,
+het moge verkeerd gebracht zijn, is evenwel een offer. 't Is grootsch,
+een strenge dwaling als plicht te beschouwen.
+
+Op zich zelf en als ideaal beschouwd, en om de waarheid door een
+onpartijdig onderzoek van al de zienswijzen te ontdekken, heeft het
+klooster--bovenal het vrouwenklooster--want in onze maatschappij
+lijdt de vrouw het meest, en in de ballingschap des kloosters ligt
+een protest--onbetwistbaar iets majestueus.
+
+Dit zoo streng en treurig kloosterlijk leven, waarvan wij eenige
+trekken hebben geschetst, is geen leven, want 't is geen vrijheid;
+'t is geen graf, want 't is niet de voleindiging des levens; 't is
+het zonderling oord, waar men, als van den top eens hoogen bergs,
+aan den eenen kant de diepte ziet waar wij zijn, aan den anderen kant
+de diepte waar wij komen zullen; 't is een enge, nevelachtige grens,
+die twee werelden scheidt, en te gelijker tijd door beide verlicht
+en verduisterd wordt; waar de verflauwde straal des levens met de
+schemerende straal des doods samensmelt; 't is de flikkering van
+het graf.
+
+Wij, die niet gelooven wat deze vrouwen gelooven, doch evenals zij in
+het geloof leven, nooit hebben wij, zonder een soort van godsdienstige,
+teedere huivering, zonder een soort van bewonderend medelijden, deze
+nederige en verheven zielen aanschouwd, welke zelfs op den rand dezer
+geheimenis durven leven, wachtende tusschen de wereld, die gesloten,
+en den hemel, die niet geopend is, gekeerd naar het licht, dat men
+niet ziet, slechts gelukkig in de meening te weten waar het is, naar
+den afgrond en het onbekende strevende, met het oog op de strakke
+duisternis gericht, geknield, bewogen, verstommend, bevend en in
+sommige oogenblikken door de diepe ademtocht der eeuwigheid opgeheven.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VIII.
+
+DE KERKHOVEN NEMEN WAT MEN ZE GEEFT.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HOE MEN IN HET KLOOSTER KOMT.
+
+
+'t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd
+"uit den hemel was gevallen."
+
+Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau
+vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord,
+was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij
+in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte,
+welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die
+de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank
+hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman,
+den ouden Fauchelevent, gehecht.
+
+Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent,
+gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas
+met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette
+in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo
+te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd:
+"dus moet ik nu hier blijven."--Deze woorden hadden den ganschen
+nacht Fauchelevent door 't hoofd gewoeld.
+
+Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.
+
+Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was,
+begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder
+ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in
+het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan
+er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster
+tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er
+mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo
+men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis
+zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hij er blijven mocht,
+wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding.
+
+Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij
+bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond
+Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? 't Is moeielijk, over
+kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in
+de armen is 't onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat
+kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was,
+had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van 't geen
+daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen
+afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet
+in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk
+van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden,
+meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk
+ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn
+schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was
+betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet
+mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk,
+in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen,
+het klooster tot wijkplaats genomen, en 't was natuurlijk dat hij
+er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen
+en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met
+het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde,
+sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in
+Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort
+in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft
+mij het leven gered.
+
+Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen.
+
+Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er
+bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest
+kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.
+
+Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik
+hem redden na 't geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief
+ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook
+dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.
+
+Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch
+Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige
+taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had
+dan zijn dankbaarheid, zijn goeden wil en een weinig van die oude
+boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk
+gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten
+van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was
+een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan 't einde
+zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer
+stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar
+te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er
+naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn
+bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en
+dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij
+reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke
+in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem
+had gemaakt.
+
+Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij
+hebben hem een "armen Picardischen boer" genoemd. Deze benaming
+is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij
+thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader
+leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; 't
+geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid
+scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken,
+tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver
+voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken
+en zweepslagen, welke, naar 't schijnt, de paarden noodig hebben, was
+er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet
+zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden,
+en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent
+was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar
+beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een
+vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid,
+die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want
+hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht
+was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen
+dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of
+domheid aanduiden.
+
+Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht,
+opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten
+en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten
+halve op en zeide:
+
+"Nu ge hier zijt, hoe zult ge 't maken om er weer uit te komen?"
+
+Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean
+uit zijn gepeins.
+
+Beide mannen raadpleegden.
+
+"Vooreerst," zei Fauchelevent, "moet ge beginnen den voet niet buiten
+deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin
+en wij zijn gesnapt."
+
+"'t Is waar."
+
+"Ge zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine,"
+hernam Fauchelevent, "ik wil zeggen een zeer slecht, want eene
+der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde
+zien. 't Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van
+veertig uren. Het geheele klooster is op de been. 't Geeft drukte. Zij
+die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen
+bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid,
+dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor
+de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de
+overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan
+ik niet instaan."
+
+"Maar," merkte Jean Valjean op, "het huisje staat tegen den muur
+en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan
+'t van uit het klooster niet zien."
+
+"En de nonnen komen nooit hier," voeg ik er bij.
+
+"Welnu?" riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven,
+dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent
+antwoordde:
+
+"Ja, maar de meisjes!"
+
+"Welke meisjes?" vroeg Jean Valjean.
+
+Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd
+had, hoorde men één slag van de klok.
+
+"De non is dood!" zeide hij, "'t is de doodsklok."
+
+En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.
+
+De klok werd weder gehoord.
+
+"'t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig
+uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke
+minuut geklept worden.--Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft
+een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze
+dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. 't Zijn duiveltjes,
+die cherubijntjes."
+
+"Wie?" vroeg Jean Valjean.
+
+"De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij
+zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen
+gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij
+hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. 't Is
+de doodsklok."
+
+"Nu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen."
+
+En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds
+gevonden zijn.
+
+Fauchelevent hernam:
+
+"Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan
+wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel,
+dat men mij een bel aan 't been heeft gebonden, als aan een wild dier."
+
+Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.--"Dit
+klooster zou ons kunnen redden," prevelde hij. En luid zeide hij:
+
+"Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven."
+
+"Neen," zei Fauchelevent, "'t is om hier uit te komen."
+
+Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.
+
+"Hier uit te komen!"
+
+"Ja, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier
+uitgaan."
+
+Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:
+
+"Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge
+uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk,
+dat men door de deur binnenkomt."
+
+Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. "Ha!" zei Fauchelevent,
+"men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is
+vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag
+gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden
+weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te
+weten hoe ge zijt binnengekomen."
+
+Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van
+in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit
+een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad
+te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor,
+dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden
+en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten,
+en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.
+
+"Onmogelijk!" zeide hij. "Houd het er voor, dat ik van boven ben
+gevallen."
+
+"Ik geloof het," hernam Fauchelevent. "Ge behoeft het mij niet te
+zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te
+bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in
+een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier,
+die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat
+de lijkarts ze kome schouwen. Dat alles behoort tot de plechtigheid
+van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet
+gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier
+op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat
+kan er gebeurd zijn?--Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?"
+
+"Cosette."
+
+"Is zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?"
+
+"Ja."
+
+"'t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur
+die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn
+draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. 't Is zeer
+natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet
+het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel
+verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin
+te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof
+is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in 't oor schreeuwen,
+dat 't een nichtje van mij is en zij 't tot morgen moet bewaren. Dan
+keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat
+moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?"
+
+Jean Valjean schudde het hoofd.
+
+"Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader
+Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette,
+in een overdekte draagkorf hieruit te brengen."
+
+Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn
+linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.
+
+Een derde gelui gaf een afleiding.
+
+"De lijkarts vertrekt," zei Fauchelevent. "Hij heeft geschouwd en
+gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel
+heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders
+in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de
+kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en
+half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek
+bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag
+binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat
+vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in
+galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en
+gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis. De profundis!"
+
+Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half
+geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean
+aanschouwde haar weder en luisterde niet meer naar Fauchelevent. Niet
+gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging
+bedaard met zijn gepraat voort:
+
+"Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit
+kerkhof zal worden afgeschaft. 't Is een oud kerkhof, dat buiten den
+regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. 't Is jammer,
+want 't is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er
+doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den
+avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den
+prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren
+al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine...."
+
+"Is begraven," zei Jean Valjean treurig glimlachend.
+
+Fauchelevent herhaalde het woord.
+
+"Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou 't een wezenlijke
+begrafenis zijn."
+
+Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk
+met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.
+
+"Nu is 't mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik
+ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine,
+en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge
+honger hebt."
+
+Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!
+
+Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn
+krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende.
+
+In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen
+op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem
+antwoordde: "In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid," dat wil zeggen,
+"binnen."
+
+Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den
+tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het
+kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel
+in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+FAUCHELEVENT TEGENOVER EEN BEZWAAR.
+
+
+Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige
+omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen,
+bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad,
+vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin,
+de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur,
+moeder Innocentia.
+
+De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel
+staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers
+liet glijden, hief de oogen op en zeide:
+
+"Ha, zijt gij 't, vader Fauvent?"
+
+Men had zijn naam in 't klooster zoo verkort.
+
+Fauchelevent boog nogmaals.
+
+"Ik heb u doen roepen, vader Fauvent."
+
+"Ik ben hier, eerwaardige moeder."
+
+"Ik heb u iets te zeggen."
+
+"Ook ik," zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig
+deed beven, "heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen."
+
+De priorin staarde hem aan.
+
+"Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?"
+
+"Een verzoek."
+
+"Nu, spreek."
+
+De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde
+tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn
+te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht
+er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer
+dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er
+gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk
+bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar
+hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande
+vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan
+zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen
+met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was
+als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens
+gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het
+verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,
+zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde
+hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield
+zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster
+hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De
+kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme
+nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk
+en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en
+den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze
+werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen
+praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van
+het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die
+hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij
+nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven,
+de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De
+congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel,
+tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk
+te vervangen geweest.
+
+Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de
+eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige
+toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken,
+over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den
+zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het
+nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de
+maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er
+eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had--(de priorin maakte
+een beweging)--een bejaarde broeder,--(tweede beweging der priorin,
+maar weer gerustgesteld)--dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij
+hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was,
+dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van
+hem, spreker, zelf;--dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat
+voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen
+zijn ontslag te verzoeken;--dat zijn broeder een dochtertje had,
+'t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen
+worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.
+
+Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van
+haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:
+
+"Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?"
+
+"Waartoe?"
+
+"Om tot hefboom te dienen."
+
+"Ja, eerwaardige moeder," antwoordde Fauchelevent.
+
+Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de
+belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de
+kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent
+bleef alleen.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+MOEDER INNOCENTIA.
+
+
+Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette
+zich op den stoel.
+
+Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten
+bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen
+beiden mede:
+
+"Vader Fauvent?"
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"Gij kent de kapel?"
+
+"Ik heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren."
+
+"En zijt ge wel eens wegens bezigheden in 't koor geweest?"
+
+"Twee of drie malen."
+
+"Er moet een steen worden opgeheven."
+
+"Een zwaren?"
+
+"De zerk naast het altaar."
+
+"De zerk die het gewelf sluit?"
+
+"Ja."
+
+"Daarvoor zouden twee mannen noodig zijn."
+
+"Moeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen."
+
+"Een vrouw is nooit een man."
+
+"Wij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij
+kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven
+van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367."
+
+"Ik evenmin."
+
+"De verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een
+klooster is geen timmerwerf."
+
+"En een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!"
+
+"En gij kunt een hefboom krijgen?"
+
+"Dit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past."
+
+"In den steen is een ring."
+
+"Ik zal den hefboom er door steken."
+
+"De steen is zoo ingericht, dat hij draait."
+
+"Goed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen."
+
+"En de vier koormoeders zullen u helpen."
+
+"En als het gewelf open is?"
+
+"Moet het weder gesloten worden."
+
+"Is dat alles?"
+
+"Neen."
+
+"Geef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder."
+
+"Wij stellen vertrouwen in u, Fauvent."
+
+"Ik ben hier om alles te doen."
+
+"En om te zwijgen."
+
+"Gewis, eerwaardige moeder."
+
+"Als het gewelf open is..."
+
+"Zal ik het weder sluiten."
+
+"Maar eerst..."
+
+"Wat, eerwaardige moeder?"
+
+"Er moet iets in nedergelaten worden."
+
+Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling
+scheen aan te duiden, hernam de priorin:
+
+"Vader Fauvent...."
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"Ge weet dat van ochtend een moeder is overleden."
+
+"Neen."
+
+"Hebt ge dan de klok niet gehoord?"
+
+"Men hoort niets aan 't einde van den tuin."
+
+"Waarlijk?"
+
+"Ik hoor nauwelijks als ik gescheld word."
+
+"Zij is bij 't aanbreken van den dag gestorven."
+
+"Van ochtend was de wind niet naar mijn kant."
+
+"'t Is moeder Crucifixion. Een zalige."
+
+De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in
+stilte, en hernam:
+
+"Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd,
+alleen door moeder Crucifixion te zien bidden."
+
+"Ha ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder."
+
+"De moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen."
+
+"Ik ken die kamer."
+
+"Geen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. 't
+Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt."
+
+"Vaker!"
+
+"Wat?"
+
+"Vaker!"
+
+"Wat zegt gij?"
+
+"Ik zeg vaker."
+
+"Vaker dan wat?"
+
+"Eerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker."
+
+"Ik begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?"
+
+"Om te zeggen als gij, eerwaarde moeder."
+
+"Maar ik heb niet vaker gezegd."
+
+"Ge hebt het niet gezegd, maar ik heb 't gezegd om als gij te zeggen."
+
+Op dit oogenblik sloeg het negen uren.
+
+"Te negen ure 's morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament
+des altaars geëerd en geloofd," zei de priorin.
+
+"Amen," zei Fauchelevent.
+
+Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het "vaker." 't
+Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden
+ontward hebben.
+
+Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.
+
+De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed,
+en zeide toen luid:
+
+"In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood
+zal zij wonderen doen."
+
+"Zij zal ze doen;" antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende
+nu niet meer te struikelen.
+
+"Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend
+geweest. 't Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals
+kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God
+te geven met de woorden: Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een
+uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een
+zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar
+kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de
+engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij
+een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou
+zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij
+glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat
+sterven was zaligheid."
+
+Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:
+
+"Amen."
+
+"Vader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen."
+
+De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers
+glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:
+
+"Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd,
+die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en
+heerlijke vruchten voortbrengen."
+
+"Eerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in
+den tuin."
+
+"Zij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige."
+
+"Gelijk gij, eerwaardige moeder."
+
+"Zij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk
+verlof van onzen heiligen vader Pius VII."
+
+"Die kei... Buonaparte gekroond heeft."
+
+Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer
+onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten
+verdiept was, hem niet. Zij hernam:
+
+"Vader Fauvent?"
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"De heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op
+zijn graf dit enkele woord grifte: Acarus, dat aardworm beteekent;
+'t werd gedaan. Is 't zoo niet?"
+
+"Ja, eerwaardige moeder."
+
+"De welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden
+begraven; 't werd gedaan."
+
+"'t Is waar."
+
+"De heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den
+Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte,
+'t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat
+de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men
+moet de dooden gehoorzamen."
+
+"Het zij zoo!"
+
+"Het lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille
+werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning
+van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht,
+hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men
+dit ontkennen?"
+
+"Volstrekt niet, eerwaardige moeder."
+
+"Het feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd."
+
+Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar
+vingers glijden, toen hernam de priorin:
+
+"Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist,
+waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft."
+
+"Dat is recht."
+
+"'t Is een voortzetting van den slaap."
+
+"Ik zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?"
+
+"Ja."
+
+"En wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?"
+
+"Zoo is het."
+
+"Ik ben ten dienste van het hoogwaardig klooster."
+
+"De vier koormoeders zullen u helpen."
+
+"Om de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig."
+
+"Neen, om ze neder te laten."
+
+"Waarin?"
+
+"In het gewelf."
+
+"Welk gewelf?"
+
+"Onder het altaar."
+
+Fauchelevent ontstelde en riep:
+
+"In het gewelf onder het altaar?"
+
+"Onder het altaar."
+
+"Maar..."
+
+"Gij kunt een ijzeren stang krijgen."
+
+"Ja, maar..."
+
+"Gij licht den steen met den stang in den ring op..."
+
+"Maar..."
+
+"Men moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der
+kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te
+blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van
+moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te
+zeggen bevolen."
+
+"Maar 't is verboden."
+
+"Door de menschen verboden, door God geboden."
+
+"Zoo men het te weten kwam?"
+
+"Wij vertrouwen u."
+
+"O, ik, ik ben als een steen van uw muur."
+
+"Het kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals
+geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder
+Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar
+zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen
+gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen
+komen uit de graven."
+
+"Maar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie...."
+
+"De H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus
+Pogonat wederstaan."
+
+"Maar de commissaris van politie..."
+
+"Chonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering
+van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der
+religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend."
+
+"Maar de inspecteur der prefectuur..."
+
+"De wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde
+generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde: Stat crux
+dum volvitur orbis [8]."
+
+"Amen," zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op
+deze wijze uit de verlegenheid redde.
+
+Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang
+gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis
+verliet, met een aantal dilemma's en syllogismen, die hij in zijn
+hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij
+ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om
+hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en
+te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een
+woordenstroom als van een opengezette sluis:
+
+"Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde
+Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines
+in Bourgogne is gezegend, wijl 't hem heeft zien geboren worden. Zijn
+vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen
+om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop
+van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd
+novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie
+van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede
+Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men
+apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen,
+verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie
+van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers,
+Eon de l'Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der
+vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius
+III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed
+tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig
+op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino;
+de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het
+Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig
+patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd
+bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen,
+een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden
+geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant
+St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan
+den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur
+van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de
+reglementen, het bestuur--kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men
+ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het
+recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie
+is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschikt gemaakt aan den
+commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!"
+
+Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De
+priorin hernam:
+
+"Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats
+twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een
+tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten,
+en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die
+het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en
+den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden
+geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne
+godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij
+Christus' kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn
+wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht
+meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van
+Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een
+rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist
+niet eens, dat Charles de Gondren--Bérulle, François Bourgoin--Gondren,
+Jean François Senault--Bourgoin, en pater Santa Marta--Jean François
+Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij
+een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar
+wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken
+gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk
+maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst
+aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius,
+bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was,
+en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat
+Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan
+een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor
+de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de
+blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk
+een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in
+naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden,
+noch aan de dooden, schuldig is. 't Is verboden heilig te sterven. De
+begrafenis is een burgerlijke zaak. 't Is afgrijselijk! De heilige Leo
+II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre
+Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de
+dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des
+keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons,
+verzette zich in dezelfde zaak tegen Otto, hertog van Bourgondië. De
+vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden
+wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van
+Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement
+van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het
+lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij
+van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te
+Monte Cassino op Zaterdag, den 21en der maand Maart van het jaar 543,
+overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik
+haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken
+wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin,
+Trithème, Marolicus en dom Luc d'Achery."
+
+De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende:
+
+"'t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?"
+
+"'t Is overeengekomen, eerwaardige moeder."
+
+"Kan men op u rekenen?"
+
+"Ik zal gehoorzamen."
+
+"Goed."
+
+"Ik ben geheel ten dienste van het klooster."
+
+"Afgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel
+dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het
+klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw
+ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In
+de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder
+Ascension en gij."
+
+"En de zuster aan den paal."
+
+"Zij zal niet omzien."
+
+"Maar hooren."
+
+"Zij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der
+wereld onbekend."
+
+Wederom een pauze. De priorin vervolgde:
+
+"Gij moet uwe schel afleggen. 't Is niet noodig dat de zuster aan
+den paal gewaar worde, dat gij er zijt."
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"Wat, vader Fauvent?"
+
+"Is de arts voor de lijkschouwing er geweest?"
+
+"Hij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts
+geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?"
+
+"Ik let slechts op het mijne."
+
+"Dat is zeer goed, vader Fauvent."
+
+"Eerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn."
+
+"Waar zult ge dien krijgen?"
+
+"Waar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb
+een hoop ijzerwerk achter in den tuin."
+
+"Vergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht."
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"Wat?"
+
+"Zoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk
+als een Turk."
+
+"Haast u zooveel mogelijk."
+
+"Haastig zal 't niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper
+behoeven. Ik ga kreupel."
+
+"Kreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik
+II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den
+pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en
+de kreupele."
+
+"Twee wijn-amen zijn beter dan een," mompelde Fauchelevent, die
+werkelijk eenigszins hardhoorend was.
+
+"Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet
+te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De
+dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te
+voren verricht zijn."
+
+"Ik zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit
+is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren
+zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen
+er zijn. 't Ware beter twee mannen. Om 't even! ik zal mijn hefboom
+meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten
+en 't gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te
+zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld,
+eerwaardige moeder?"
+
+"Neen."
+
+"Wat nog?"
+
+"De ledige doodkist."
+
+Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.
+
+"Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?"
+
+"Buiten begraven."
+
+"Ledig?"
+
+Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging,
+als om een moeielijke vraag op te lossen.
+
+Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast
+de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik
+er het lijkkleed over."
+
+"Ja, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den
+grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is."
+
+"O! dui...!" riep Fauchelevent.
+
+De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan,
+wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.
+
+Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.
+
+"Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. 't Zal hetzelfde
+zijn, alsof er iemand in lag."
+
+"Gij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo
+voor de ledige kist?"
+
+"Ik belast er mij mede."
+
+Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest,
+verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere
+ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan,
+zeide de priorin met vriendelijke stem:
+
+"Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis,
+uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt."
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+JEAN VALJEAN HEEFT HET VOORKOMEN ALSOF HIJ AUSTIN CASTILLEJO HAD
+GELEZEN.
+
+
+De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen;
+zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in
+groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan
+zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar
+voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean
+haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:
+
+"Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar
+zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man,
+die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan
+wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar,
+zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge
+gehoorzamen en niet spreken!"
+
+Cosette knikte ernstig met het hoofd.
+
+Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem
+en vroeg:
+
+"Welnu?"
+
+"Alles en niets is in orde," zei Fauchelevent. "Ik heb het verlof
+u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlaten moet ik er u
+uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk."
+
+"Ge draagt haar weg?"
+
+"Zal zij stil zijn?"
+
+"Daarvoor sta ik in."
+
+"Maar gij, vader Madeleine?"
+
+Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:
+
+"Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!"
+
+Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: "Onmogelijk!"
+
+Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende,
+mompelde:
+
+"Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde
+zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in 't geheel niet naar
+een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers
+zullen 't voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er
+achter komen."
+
+Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.
+
+Fauchelevent hernam:
+
+"Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen
+moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin
+wacht u."
+
+Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor
+een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat
+het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam
+te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het
+kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die 's morgens gestorven
+was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed
+had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden
+begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar
+dat men aan deze doode in 't bijzonder niets kon weigeren. Dat de
+priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt
+wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de
+doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen,
+en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin,
+om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder
+als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder
+mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast
+had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis,
+tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen,
+zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er
+nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.
+
+"Welke ledige doodkist?" vroeg Valjean.
+
+"De doodkist, welke het bestuur zendt," antwoordde Fauchelevent.
+
+"Welke doodkist en welk bestuur?"
+
+"Zoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is
+overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag
+zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof
+te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat
+er niets in de doodkist is."
+
+"Leg er iets in."
+
+"Eene doode? ik heb geen doode."
+
+"Neen."
+
+"Wat dan?"
+
+"Een levende."
+
+"Welken levende?"
+
+"Mij," zei Jean Valjean.
+
+Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder
+zijn stoel gesprongen.
+
+"Gij?"
+
+"Waarom niet?"
+
+Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de
+zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.
+
+"Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion
+is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal
+'t geschieden."
+
+"Och, ge schertst, ge spreekt niet in ernst."
+
+"In vollen ernst. Moet ik niet van hier?"
+
+"Zekerlijk."
+
+"Ik heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel
+moest vinden."
+
+"Nu?"
+
+"De draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn."
+
+"Een wit laken. De nonnen worden in 't wit begraven."
+
+"Goed. Een wit laken."
+
+"Ge zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine."
+
+Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in
+het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven,
+brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men
+een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.
+
+Jean Valjean hernam:
+
+"'t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is
+een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in
+zijn werk? Waar is de doodkist?"
+
+"De ledige?"
+
+"Ja."
+
+"Beneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op
+twee schragen, en is door 't lijkkleed bedekt."
+
+"Hoe lang is de doodkist?"
+
+"Zes voet."
+
+"Hoedanig is de lijkkamer?"
+
+"'t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in
+den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee
+deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert."
+
+"Welke kerk?"
+
+"De kerk aan de straat; de kerk voor iedereen."
+
+"Hebt ge de sleutels van deze twee deuren?"
+
+"Neen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert;
+de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk."
+
+"Wanneer opent de portier deze deur?"
+
+"Alleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra
+de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten."
+
+"Wie spijkert de kist dicht?"
+
+"Ik."
+
+"Wie legt er het lijkkleed op?"
+
+"Ik."
+
+"Zijt gij alleen?"
+
+"Geen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. 't
+Staat zelfs op den muur geschreven."
+
+"Zoudt ge mij van nacht, als alles in 't klooster slaapt, niet in
+die kamer kunnen verbergen?"
+
+"Neen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de
+lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg
+en waarvan ik den sleutel heb."
+
+"Hoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?"
+
+"Tegen drie uren 's namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis
+op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. 't Is tamelijk ver van hier."
+
+"Ik zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw
+gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger
+krijgen."
+
+"Ik zal u eten brengen."
+
+"Zoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren."
+
+Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.
+
+"Onmogelijk!"
+
+"Hoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?"
+
+Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het,
+zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden
+doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat
+de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de
+ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de
+dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen
+te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg
+te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar
+geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te
+sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.
+
+Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt,
+het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo
+men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van
+Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien,
+daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste
+te brengen en het haar te doen verlaten.
+
+Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:
+
+"Maar hoe zult ge lucht krijgen?"
+
+"Ik zal ademen."
+
+"In deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk."
+
+"Ge hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes
+ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist."
+
+"Goed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?"
+
+"Hij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent," voegde
+Jean Valjean er bij, "er moet een besluit worden genomen: hier gevangen
+genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden."
+
+Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder
+vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende
+deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft
+wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen,
+die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven
+dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de
+gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen
+vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten
+zijn. Fauchelevent behoorde tot die weifelaars. De koelbloedigheid
+van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:
+
+"'t Is waar, ik zie geen ander middel."
+
+Jean Valjean hernam:
+
+"Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren."
+
+"Dat bekommert mij juist volstrekt niet," riep Fauchelevent. "Zoo gij
+zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te
+kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. 't Is
+de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik
+steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren
+zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten
+van het hek van 't kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het
+graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer,
+een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers
+slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de
+gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik
+blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn
+vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo
+hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de
+herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; 't is niet
+moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is
+'t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om
+weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan
+hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar,
+ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil."
+
+Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid
+drukte.
+
+"'t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan."
+
+"Zoo er niets tusschenbeide komt," dacht Fauchelevent. "Het zou anders
+vreeselijk kunnen worden."
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DRONKENSCHAP IS NIET VOLDOENDE OM ONSTERFELIJK TE ZIJN.
+
+
+Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die
+op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche
+lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In
+deze lijkkoets was een doodkist met een wit lijkkleed overdekt, waarop
+een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen
+geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een
+priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het
+hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts
+en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in
+arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.
+
+Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer,
+een beitel en een nijptang steken.
+
+Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven
+van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort
+en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de
+ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner
+nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof
+verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden
+wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de
+doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter
+des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel
+onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd
+bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het
+stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de
+andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren
+twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat
+door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het
+kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten,
+zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op
+dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij
+het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der
+begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in
+het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart,
+de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur
+opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij
+zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op,
+ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor
+den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.
+
+Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig
+bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het
+kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde
+herberg bij het kerkhof Vaugirard erfde, welke een hoekhuis was en
+'t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer
+was geschilderd met het onderschrift: "In de goede kweepeer." [9]
+
+Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het
+was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne
+begraven worden, wijl 't als van den arme geleek, maar liever op
+Père Lachaise. Hier te worden begraven is 't zelfde als mahoniehouten
+meubelen te hebben, 't is elegant.
+
+Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormalige
+Fransche tuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen,
+steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des
+avonds was 't er treurig en doodsch.
+
+De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken
+en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De
+hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.
+
+De bijzetting van moeder Crucifixion in 't gewelf onder het altaar,
+het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean
+Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige
+hindernis afgeloopen.
+
+In 't voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion
+onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is,
+een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het
+bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening
+van het geweten. Wat men in het klooster "gouvernement" noemt, is
+slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het
+geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het
+wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken
+maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat
+men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God
+overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.
+
+Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide
+komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór-
+het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans
+onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent
+twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest
+worden, was van geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal
+den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken
+gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim,
+en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen
+zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof
+inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de
+grove handen en zeide halfluid:
+
+"'t Is waarachtig grappig."
+
+Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het
+verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man
+van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, 't
+welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende,
+achter de lijkkoets naast Fauchelevent. 't Was een arbeider, die een
+buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.
+
+Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:
+
+"Wie zijt ge?"
+
+De man antwoordde:
+
+"De doodgraver."
+
+Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben
+ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op
+dit oogenblik.
+
+"De doodgraver?"
+
+"Ja."
+
+"Gij!"
+
+"Ik."
+
+"De oude Mestienne is doodgraver."
+
+"Hij was 't."
+
+"Hoe! was?"
+
+"Hij is dood."
+
+Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven
+kon. 't Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor
+anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.
+
+Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:
+
+"'t Is niet mogelijk!"
+
+"'t Is zóó."
+
+"Maar de oude Mestienne is doodgraver," herhaalde hij flauw.
+
+"Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier,
+vriend."
+
+Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.
+
+Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.
+
+Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was
+geworden.
+
+Fauchelevent begon luide te lachen.
+
+"Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne
+dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? 't Spijt
+mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook
+vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch
+gaan drinken."
+
+De man antwoordde: "Ik heb gestudeerd; ik drink niet."
+
+De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de
+breede laan van het kerkhof.
+
+Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van
+kreupelheid.
+
+De doodgraver ging voor hem.
+
+Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.
+
+'t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager,
+zeer sterk zijn.
+
+"Kameraad!" riep Fauchelevent.
+
+De man keerde het hoofd om.
+
+"Ik ben de doodgraver van het klooster."
+
+"Mijn collega alzoo," zei de man.
+
+Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij
+met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij
+mompelde:
+
+"Welzoo! is de oude Mestienne dood?"
+
+De man antwoordde:
+
+"Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. 't
+Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden."
+
+Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:
+
+"De goede God..."
+
+"De goede God," hernam de man hoogdravend: "Voor de filosofen de
+eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen."
+
+"Willen wij geen kennis maken?" stamelde Fauchelevent.
+
+"Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar."
+
+"Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die
+zijn glas ledigt stort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert
+men niet."
+
+"Eerst het werk."
+
+Fauchelevent dacht: "ik ben verloren."
+
+Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen
+voerde.
+
+De doodgraver hernam:
+
+"Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten,
+mag ik niet drinken."
+
+En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij
+er bij:
+
+"Hun honger is de vijand van mijn dorst."
+
+De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan
+in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer,
+maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de
+grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en
+'t ging met moeite verder.
+
+Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.
+
+"Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;" fluisterde hij.
+
+"Man," antwoordde de andere, "ik moest eigenlijk geen doodgraver
+zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij
+voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs,
+en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog
+openbaar schrijver."
+
+"Ge zijt dus geen doodgraver?" hernam Fauchelevent, zich als een
+drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.
+
+"Het een belet het andere niet. Ik cumuleer."
+
+Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: "Laat ons gaan
+drinken."
+
+Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst
+was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich
+niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent
+den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt
+door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn
+te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt
+niet aan om het te betalen.
+
+De doodgraver hernam glimlachend:
+
+"Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt
+overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men
+wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In
+de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de
+parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot
+mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends
+schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik,
+vriend."
+
+De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid
+naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.
+
+"Men kan echter geen twee heeren dienen," vervolgde de doodgraver. "Ik
+moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand."
+
+De lijkkoets hield stil.
+
+De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de
+priester.
+
+Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde,
+waarachter men een open kuil zag.
+
+"Wel! dat is een grap!" herhaalde Fauchelevent ontsteld.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+TUSSCHEN VIER PLANKEN.
+
+
+Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.
+
+Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in 't leven blijven en met
+moeite ademen kon.
+
+'t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door
+Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij
+rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde
+volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker
+toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.
+
+De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust,
+en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.
+
+In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama
+kunnen volgen, die hij met den dood speelde.
+
+Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde
+Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het
+schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op
+den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een
+dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz
+reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was,
+en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.
+
+Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde
+hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was,
+'t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen
+volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers
+de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in
+den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale
+richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den
+bodem van 't graf en voelde een kille huivering.
+
+Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hij hoorde tamelijk
+duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond:
+
+Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam,
+et alii in opprobrium, ut videant semper.
+
+Een kinderstem zeide:
+
+"De profundis."
+
+De plechtige stem hernam:
+
+"Requiem aeternam dona ei, domine."
+
+De kinderstem antwoordde:
+
+"Et lux perpetua luceat ei."
+
+Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige
+regendroppels. 't Was waarschijnlijk het wijwater.
+
+Hij dacht: 't zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De
+priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de
+herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen
+terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.
+
+De plechtige stem hernam:
+
+"Requiescat in pace."
+
+De kinderstem antwoordde:
+
+"Amen."
+
+Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die
+zich verwijderden.
+
+Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.
+
+Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen
+des donders
+
+'t Was een schop aarde die op de doodkist viel.
+
+Een tweede schop volgde.
+
+Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstopt
+
+Een derde schop aarde viel.
+
+Toen een vierde.
+
+Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor
+het bewustzijn.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ZICH NIET VAN ZIJN STUK LATEN BRENGEN.
+
+
+Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag.
+
+Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap
+in het rijtuig gestegen en vertrokken waren, zag Fauchelevent, die
+zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade
+nemen die rechtop in den hoop aarde stond.
+
+Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.
+
+Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de
+armen over elkander en zeide:
+
+"Ik betaal!"
+
+De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:
+
+"Wat, landman?"
+
+Fauchelevent herhaalde: "Ik betaal!"
+
+"Wat?"
+
+"Den wijn."
+
+"Welken wijn?"
+
+"Van Argenteuil."
+
+"Waar?"
+
+"In de Goede Kweepeer."
+
+"Loop naar den duivel," zei de doodgraver.
+
+En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een
+doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op 't punt zelf in het
+graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij:
+
+"Voor dat de "Goede Kweepeer" gesloten is."
+
+De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:
+
+"Ik betaal," en vatte den arm des doodgravers. "Luister, kameraad. Ik
+ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. 't Is een werk dat
+'s nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken."
+
+Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij:
+Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?
+
+"Landman," zei de doodgraver, "zoo ge volstrekt wilt, 't is mij wèl,
+maar wij drinken na den arbeid, niet eerder."
+
+En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.
+
+"'t Is echte Argenteuil."
+
+"Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd
+hetzelfde. Ga voort."
+
+En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.
+
+Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat
+men zegt.
+
+"Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!"
+
+"Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd," zei de doodgraver.
+
+Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.
+
+Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:
+
+"Weet ge, 't zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen,
+zoo wij hem zonder deken achterlieten."
+
+Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents
+blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er
+op gevestigd.
+
+De zon was nog niet beneden den horizont en 't was nog licht genoeg
+om in dien zak iets wits te kunnen zien.
+
+Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem
+verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent,
+achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit.
+
+De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.
+
+Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent
+hem bedaard in de oogen en vroeg:
+
+"Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?"
+
+"Welke kaart?" vroeg de doodgraver zijn werk stakende.
+
+"De zon gaat onder."
+
+"Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten."
+
+"Het hek van 't kerkhof zal gesloten worden."
+
+"Nu, en dan?"
+
+"Hebt ge uw kaart bij u?"
+
+"Mijn kaart!" herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken,
+eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.
+
+"Neen," zeide hij, "ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben."
+
+"Vijftien francs boete," zei Fauchelevent.
+
+De doodgraver werd leikleurig-bleek.
+
+"Goede God!" riep hij, "vijftien francs boete!"
+
+"Ja, drie vijffrancsstukken," zei Fauchelevent.
+
+De doodgraver liet zijn spade vallen.
+
+Nu was de beurt aan Fauchelevent.
+
+"Nu, nu, rekruut," zeide hij, "geen wanhoop. Het is niet noodig,
+dat ge u om 't leven brengt en van den kuil gebruik maakt. 't Is niet
+meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik
+ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden
+raad geven. 't Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom
+reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten."
+
+"'t Is waar," antwoordde de doodgraver.
+
+"In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep,
+en van hier gaan voor dat het hek gesloten is."
+
+"Ge hebt gelijk."
+
+"Alzoo vijftien francs boete."
+
+"Vijftien francs."
+
+"Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?"
+
+"Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de
+straat Vaugirard No. 87."
+
+"Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen."
+
+"'t Is waar."
+
+"Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart,
+komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw
+kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik
+zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope"
+
+"Ge redt mij 't leven, landman."
+
+"Maak nu dat ge weg komt," zei Fauchelevent.
+
+De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen.
+
+Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte
+had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog
+hij zich over den kuil en zeide halfluid:
+
+"Vader Madeleine!"
+
+Geen antwoord.
+
+Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij
+er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:
+
+"Zijt ge er!"
+
+Stilte in de doodkist.
+
+Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer
+en opende het deksel.
+
+Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten
+oogen te voorschijn.
+
+Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen
+tegen den kant van den kuil, op 't punt van op de doodkist te zinken,
+en aanschouwde Jean Valjean.
+
+Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.
+
+Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:
+
+"Hij is dood!"
+
+Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander,
+dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.
+
+Hij riep uit:
+
+"Zóó heb ik hem dan gered!"
+
+Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te
+spreken. 't Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet
+natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot
+zich zelven.
+
+"'t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel
+gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men
+hem noodig had; hij is 't, die Madeleine heeft doen sterven. Vader
+Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! 't Is uit.--Mijn
+God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat
+zal de groentevrouw zeggen? Is 't, in 's Hemels naam, mogelijk
+dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder
+mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt,
+verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! 't is
+een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien
+men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig,
+ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite
+waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar
+hoe heeft hij 't toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was
+het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader
+Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer
+de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!"
+
+Hij rukte zich de haren uit het hoofd.
+
+In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. 't
+Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.
+
+Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings
+zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean
+had de oogen geopend en staarde hem strak aan.
+
+Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te
+zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek,
+verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken,
+niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean
+Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.
+
+"Ik was in slaap geraakt," zeide Jean Valjean, zich oprichtende.
+
+Fauchelevent zonk op de knieën.
+
+"Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!"
+
+En zich weder oprichtende riep hij: "Ik dank u, vader Madeleine!"
+
+Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had
+hem tot zich zelven gebracht.
+
+De blijdschap is de ebbe van den schrik. 't Was voor Fauchelevent
+schier even moeielijk, als 't voor Jean Valjean was geweest, tot
+besef te komen.
+
+"Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang
+geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik:
+Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo
+razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij
+naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge dood
+waart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen
+hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een
+geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar
+ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!"
+
+"Ik ben koud," zei Valjean.
+
+Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug,
+en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden
+herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste
+geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige
+plaats waar zij zich bevonden.
+
+"Spoeden wij ons," riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch
+nemende, waarvan hij zich voorzien had.
+
+"Maar eerst een slok," zeide hij.
+
+De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean
+Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.
+
+Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel
+opspijkeren.
+
+Drie minuten later waren zij uit den kuil.
+
+Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het
+kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden
+was niet te vreezen. Deze "rekruut" was te huis bezig met zijn kaart
+te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent
+was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren.
+
+Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven
+de ledige doodkist.
+
+Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:
+
+"Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel."
+
+De nacht daalde.
+
+Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was
+hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den
+dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich,
+om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.
+
+"Ge zijt verstijfd," zei Fauchelevent, "'t is jammer dat ik hink,
+wij zouden anders sneller kunnen gaan."
+
+"O," antwoordde Jean Valjean, "een paar schreden, en ik ben weder
+vlug ter been."
+
+Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het
+gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent,
+die de kaart van den doodgraver in de hand had, ze in de bus; de
+portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit.
+
+"'t Gaat alles best!" zei Fauchelevent, "ge hebt waarlijk een goed
+denkbeeld gehad, vader Madeleine."
+
+Zonder belemmering gingen zij door de barrière Vaugirard. In den
+omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.
+
+'t Was eenzaam in de straat Vaugirard.
+
+"Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine," zei Fauchelevent de
+oogen naar de huizen opheffende. "Wijs mij eens No 87."
+
+"'t Is hier."
+
+"Er is niemand in de straat," hernam Fauchelevent, "geef mij het
+houweel en wacht mij een paar minuten."
+
+Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping,
+door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert
+en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.
+
+"Binnen!"
+
+'t Was Gribier's stem.
+
+Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was,
+gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch
+vol. Een pakkist--misschien een doodkist--verving er een ladetafel,
+een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende
+er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van
+een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles
+lag overhoop en door elkander. 't Was alsof er een aardbeving had
+plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude
+kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder
+had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag
+de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. 't Was blijkbaar,
+dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van
+allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij
+zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan
+de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde
+van het gevolg zijner daad niet op.
+
+Hij trad binnen en zeide:
+
+"Ik breng uw spade en houweel terug."
+
+Gribier aanschouwde hem verstomd.
+
+"Gij hier, landman?"
+
+"Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart
+vinden," en hij legde spade en houweel op den vloer.
+
+"Wat beteekent dat?" vroeg Gribier.
+
+"Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik
+ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld
+en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven
+en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut."
+
+"Ik dank u, landman!" riep Gribier verrukt, "een volgenden keer zal
+ik het gelag betalen."
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET GOED AFGELOOPEN VERHOOR.
+
+
+Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen
+en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De
+eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.
+
+'t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden
+Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald,
+waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende
+en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht;
+zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten
+als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen
+gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te
+ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van 't geen zij sedert
+twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks
+op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest
+zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee
+woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: "zeg niets." De
+vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.
+
+Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean
+wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker,
+die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou
+vermoed hebben.
+
+Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle
+deuren werden voor hem geopend.
+
+Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: "uitgaan en
+binnenkomen", opgelost.
+
+De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur
+op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren
+geleden nog van de straat in den achtermuur der plaats tegenover de
+koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in,
+en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar
+Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.
+
+De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een
+kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een
+bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit
+de spreekkamer.
+
+De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger
+dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:
+
+"Zijt gij de broeder?"
+
+"Ja, eerwaardige moeder," antwoordde Fauchelevent.
+
+"Hoe heet gij?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Ultime Fauchelevent."
+
+Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die
+overleden was.
+
+"Van waar zijt ge?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Van Picquigny bij Amiens."
+
+"Hoe oud zijt ge?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Vijftig jaar."
+
+"Wat doet ge!"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Tuinier."
+
+"Zijt ge een goed Christen?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Allen zijn het in mijn familie."
+
+"Behoort u dit meisje?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Ja, eerwaardige moeder."
+
+"Zijt gij haar vader?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Haar grootvader."
+
+De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:
+
+"Hij antwoordt goed."
+
+Jean Valjean had geen woord gezegd.
+
+De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de
+kapittelmoeder:
+
+"Zij zal leelijk zijn."
+
+De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het
+spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:
+
+"Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans
+zijn er twee noodig."
+
+Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin,
+de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te
+lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander
+spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak
+de stilte om elkander te zeggen: "'t Is een hulptuinier."
+
+De kapittelmoeders voegden er bij: "'t Is een broeder van vader
+Fauvent."
+
+Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den
+knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime
+Fauchelevent.
+
+De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking
+geweest der priorin: "zij zal leelijk zijn."
+
+Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette
+op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.
+
+Dit alles is zeer logisch.
+
+Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er
+echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn,
+laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het
+klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en
+van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit
+ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.
+
+Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was
+drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats
+bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het
+klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het
+altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een
+doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op
+het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig
+gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het
+klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als
+een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij
+het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak
+aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op
+beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over
+en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des
+konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering
+voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een
+briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan
+een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs,
+die evenals hij, Della Genga heette; men leest er deze regels in:
+"'t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier,
+een heilig man, genaamd Fauvan is." Van al dien triomf drong niets
+tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten,
+harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn
+roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens
+portret in de Illustrated London News met dit opschrift voorkomt:
+"os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft."
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+BESLUIT.
+
+
+Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.
+
+'t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij
+overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval
+niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat
+de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette
+had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en
+het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar
+gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds
+zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven
+gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van
+spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: "Had ik 't geweten, vader,
+ik zou haar meêgenomen hebben."
+
+Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de
+kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg
+op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde. 't Was dezelfde
+rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van
+Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean
+borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met
+een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters
+zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, 't welk hij zich wist te
+verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed
+en droeg steeds den sleutel er van bij zich.--Vader, vroeg Cosette
+hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?
+
+Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent
+onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen
+belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede
+had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk,
+daar hij veel van een snuifje hield, snoof hij in de aanwezigheid van
+Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter,
+dewijl Madeleine de snuif betaalde.
+
+De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den "anderen Fauvent."
+
+Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten,
+zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens
+tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden,
+steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging,
+en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen,
+die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij
+zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.
+
+'t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield
+en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze
+buurt nauwkeurig bewaken.
+
+Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden
+is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag
+er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om
+gelukkig te wezen.
+
+Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.
+
+Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin.
+
+Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men
+weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren
+vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean
+afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje
+had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de
+draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat
+boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde:
+
+
+ KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.
+
+ In naam des Konings.
+
+ GOED VOOR TIEN LIVRES,
+
+ wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.
+
+ Serie 3. No. 10390.
+
+ STOFFLET.
+
+
+Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen
+tuinier, een voormalig Chouan, die in het klooster overleden was en
+wien Fauchelevent was opgevolgd.
+
+Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer
+nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel
+lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten
+en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de
+boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er
+heerlijke vruchten van.
+
+Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl
+de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek
+het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde
+zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en
+opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette
+bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap,
+dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender
+tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar
+in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere
+meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.
+
+Zelfs Cosette's gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was
+er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van
+'s menschen gelaat.
+
+Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean
+Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op,
+om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.
+
+God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er
+toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te
+houden en te volmaken. 't Is zeker, dat een der zijden van de deugd
+aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel
+gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij 't zelf wist,
+tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem
+in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij
+den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was
+hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij
+zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem
+op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.
+
+Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.
+
+Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en
+'t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog
+onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien,
+welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als
+de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij
+het klooster; en als hij overwoog, dat hij tot het bagno had behoord,
+en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek
+hij beide met belangstelling in zijn geest.
+
+Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze
+diepten der gedachten.
+
+Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij
+stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde
+men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts
+twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste
+maanden van 't jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen;
+men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een
+linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken
+geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden
+sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid
+door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt,
+zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden,
+en zij leefden onder den stok en in schande.
+
+Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn
+oogen had.
+
+Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen,
+spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld,
+heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de
+geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen;
+zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten
+zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen
+dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een
+zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht
+was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder,
+al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes
+maanden van 't jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts
+veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde
+zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op
+twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs
+de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten
+zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks
+verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen
+geknield bidden.
+
+Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren
+achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde
+en met uitgestrekte armen daarop liggen.
+
+De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.
+
+Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord,
+gewelddadigheden gepleegd; 't waren roovers, falsarissen, giftmengers,
+brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen
+gedaan? Zij hadden niets gedaan.
+
+Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de
+andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in
+den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door
+heiligheid reeds tot den hemel behoorende.
+
+Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in 't geheim
+toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide
+stem. En welke misdaden! en welke gebreken!
+
+Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende
+geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is,
+die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds
+een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar
+duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende
+glans.
+
+Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke
+bevrijding, een wettelijke grens steeds in 't vooruitzicht, en
+daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in 't ver
+verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid,
+'t welk de menschen den dood noemen.
+
+In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was
+men door zijn geloof geboeid.
+
+Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking,
+tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede
+tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat
+verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.
+
+En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten
+deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk,
+boetedoening.
+
+Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke
+boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der
+anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg
+hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?
+
+Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid
+des menschen, de boetedoening voor anderen.
+
+Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij
+verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean
+Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.
+
+Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppunt van
+mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun
+misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig
+aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige
+zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor
+de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd
+blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen
+van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond
+worden.
+
+En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!
+
+Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te
+hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een
+koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die
+terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om
+te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.
+
+Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware
+'t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest,
+diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles,
+zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten,
+en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een
+zinnebeeld van zijn lot?
+
+Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere,
+waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte
+aan ontvluchting bij hem opgekomen.
+
+Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen--om--wie te
+bewaren? Engelen.
+
+De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij
+hier om lammeren.
+
+'t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was
+zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze
+maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure
+wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en
+gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog
+woei door de kooi der duiven.
+
+Waarom?
+
+Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven
+verborgenheid.
+
+Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven,
+gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.
+
+Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot
+de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door
+liefde, het klooster door ootmoed.
+
+Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin
+verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster,
+door 't welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar
+de plek waar hij wist dat de zuster, die de "Verzoening" verrichtte,
+in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.
+
+Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.
+
+Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze
+vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille
+klooster--oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde
+zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als
+van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van
+deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er
+over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste
+omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle
+deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede
+toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw
+voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad,
+en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.
+
+Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer
+hoe meer met liefde.
+
+Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.
+
+
+ EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Boek I.
+
+Waterloo.
+ Bladz.
+ I. Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt 7
+ II. Hougomont 8
+ III. Den 18 Juni 1815 15
+ IV. A. 17
+ V. Het "duistere iets" der veldslagen 19
+ VI. Des namiddags te vier uren 21
+ VII. Napoleon in goede luim 24
+ VIII. De Keizer doet den gids Lacoste een vraag 29
+ IX. Het onverwachte 32
+ X. Het bergvlak van Mont-Saint-Jean 35
+ XI. Een slechte gids voor Napoleon, een goede gids voor
+ Bulow 40
+ XII. De garde 41
+ XIII. De catastrophe 43
+ XIV. Het laatste carré 45
+ XV. Cambronne 46
+ XVI. Quot Libras in Duce? 48
+ XVII. Moet men Waterloo goedvinden? 53
+ XVIII. Uitbreiding van het "Goddelijk recht" 54
+ XIX. Het slagveld des nachts 57
+
+
+Boek II.
+
+Het schip de Orion.
+
+ I. Nommer 24601 wordt 9430 65
+ II. Waarin men twee dichtregels zal lezen die misschien
+ van den duivel zijn 68
+ III. Er moet aan de keten vooraf iets geschied zijn, om
+ met één hamerslag te springen 72
+
+
+Boek III.
+
+Vervulling van de belofte aan de stervende gedaan.
+
+ I. De watertoestand te Montfermeil 83
+ II. Voltooiing van twee portretten 86
+ III. De menschen moeten wijn, de paarden water hebben 90
+ IV. Een pop komt op het tooneel 93
+ V. De kleine alleen 94
+ VI. Dat misschien Boulatruelles schranderheid bewijst. 99
+ VII. Cosette in het donker met den onbekende 103
+ VIII. Het onaangename van een arme bij zich te ontvangen,
+ die misschien rijk is 106
+ IX. Thénardier aan 't werk 121
+ X. Wie het beste zoekt, vindt soms het slechtste 128
+ XI. No. 9430 komt weder te voorschijn en Cosette trekt
+ dat lot 132
+
+
+Boek IV.
+
+Het oude Huis Gorbeau.
+
+ I. Meester Gorbeau 137
+ II. Nest voor uil en vleermuis 142
+ III. Een dubbel ongeluk maakt één geluk 144
+
+
+Boek V.
+
+Een jacht in den nacht met stille honden.
+
+ I. De zigzags der strategie 155
+ II. Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz
+ gaan 158
+ III. Men zie den platten grond van Parijs in 1727 159
+ IV. Het rondtasten der vlucht 162
+ V. 't Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn 164
+ VI. Begin van een raadsel 167
+ VII. Vervolg van het raadsel 169
+ VIII. Het raadsel wordt duisterder 171
+ IX. De man met de schel 173
+ X. Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt 176
+
+
+Boek VI.
+
+Klein Picpus.
+
+ I. Kleine Picpus-straat No. 62 187
+ II. De regel van Martinus Verga 190
+ III. Strengheden 196
+ IV. Vroolijkheid 197
+ V. Verstrooidheden 200
+ VI. Het kleine klooster 205
+ VII. Eenige silhouetten 207
+ VIII. Post corda lapides 209
+ IX. Een eeuw onder een nonnen borstdoek 211
+ X. Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding 212
+ XI. Einde van Klein-Picpus 214
+
+
+Boek VII.
+
+Parenthesis.
+
+ I. Het klooster als abstracte idée 219
+ II. Het klooster als historisch feit 219
+ III. Op welke voorwaarden men het verleden kan eerbiedigen 222
+ IV. Het klooster uit het gezichtspunt van beginselen 224
+ V. Het gebed 225
+ VI. Het volstrekt nut van het gebed 227
+ VII. Voorzorgen tegen berisping 229
+ VIII. Geloof, wet 229
+
+
+Boek VIII.
+
+De kerkhoven nemen wat men ze geeft.
+
+ I. Hoe men in het klooster komt 235
+ II. Fauchelevent tegenover een bezwaar 242
+ III. Moeder Innocentia 244
+ IV. Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin
+ Castillejo had gelezen 253
+ V. Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te zijn 258
+ VI. Tusschen vier planken 264
+ VII. Zich niet van zijn stuk laten brengen 265
+ VIII. Het goed afgeloopen verhoor 272
+ IX. Besluit 275
+
+
+
+
+
+
+NOTEN
+
+
+[1] Het opschrift luidt aldus:
+
+ D O M
+ CY A ETE ECRASE
+ PAR MALHEUR
+ SOUS UN CHARIOT
+ MONSIEUR BERNARD
+ DE BRYE MARCHAND
+ A BRUXELLE LE (onleesbaar)
+ FEBVRIER 1637.
+
+[2] "Een voleindigden veldslag, een voltooide zaak, verkeerde
+maatregelen verbeterd, grootere voordeelen voor den volgenden
+dag verzekerd--alles ging door een oogenblik van panischen schrik
+verloren."
+
+ (Napoleon, "Handschrift van Sint-Helena.")
+
+[3] Die jaarlijks uit Savoie komen en wier hand vaardig de lange
+kanalen veegt, die door roet gevuld zijn.
+
+[4] Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen
+en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt
+vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.
+
+[5] 't Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen
+uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt
+het harte ruiten.
+
+[6] Agathe-aux-clefs--(Agatha met de sleutels).
+
+[7] Vacarme, rumoer.
+
+[8] Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.
+
+[9] Au bon coing, (kweepeer) dat als coin (hoek) wordt uitgesproken
+beteekent hier "in den goeden hoek."
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) ***
+
+***** This file should be named 37663-8.txt or 37663-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/7/6/6/37663/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.