summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--37663-8.txt13235
-rw-r--r--37663-8.zipbin0 -> 233378 bytes
-rw-r--r--37663-h.zipbin0 -> 417265 bytes
-rw-r--r--37663-h/37663-h.htm13206
-rw-r--r--37663-h/images/book.pngbin0 -> 364 bytes
-rw-r--r--37663-h/images/card.pngbin0 -> 249 bytes
-rw-r--r--37663-h/images/cover.jpgbin0 -> 164681 bytes
-rw-r--r--37663-h/images/external.pngbin0 -> 172 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
11 files changed, 26457 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/37663-8.txt b/37663-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5dca7a1
--- /dev/null
+++ b/37663-8.txt
@@ -0,0 +1,13235 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Ellendigen (Deel 2 van 5)
+
+Author: Victor Hugo
+
+Release Date: October 7, 2011 [EBook #37663]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE ELLENDIGEN
+
+ Naar het Fransch
+ Van
+ VICTOR HUGO.
+
+ Opnieuw bewerkt.
+
+ Tweede deel.
+
+
+
+ Arnhem en Nijmegen,
+ Gebrs. E. & M. Cohen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK I.
+
+WATERLOO.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+WAT ER OP DEN WEG VAN NIVELLES GEVONDEN WORDT.
+
+
+Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een
+voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles
+en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen,
+over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt,
+welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als
+ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en
+Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten
+kerktoren van Braine-l'Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas
+heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een
+dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift: Ancienne
+barrière No. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:
+Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.
+
+Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan
+het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk
+staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van
+den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde,
+over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l'Alleud uit. Dáár,
+ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor
+welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken,
+een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in
+een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een
+jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet,
+waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning,
+in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een
+waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad
+door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.
+
+Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de
+eeuw te zijn gekomen, die in een spitse laag van overdwars gelegde
+steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in
+den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief
+zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam
+mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke
+allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten
+met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste
+klopper bevond.
+
+De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij
+in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze
+bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig
+vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom
+vroolijk te kwinkeleeren.
+
+De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het
+rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door
+een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden
+zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.
+
+Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.
+
+"Een Fransche kogel heeft dat gedaan," zeide zij.
+
+En zij voegde er bij:
+
+"Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat
+van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord."
+
+"Hoe heet deze plaats?" vroeg de wandelaar.
+
+"Hougomont," zei de boerin.
+
+De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over
+de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op
+die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.
+
+Hij was op het slagveld van Waterloo.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+HOUGOMONT.
+
+
+Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis,
+de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke
+Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den
+slag der bijl.
+
+'t Was een kasteel; 't is nu niet meer dan een hoeve. Voor den
+oudheidkenner is Hougomont Hugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo,
+heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij
+van Villers stichtte.
+
+De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude
+kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in
+'t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de
+boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen
+vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den
+muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV,
+door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag
+men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met
+zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een
+kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje,
+een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de
+plaats, welker verovering eens Napoleon's droom was. Zoo hij dit
+plekje gronds had kunnen nemen, zou 't hem misschien de overwinning
+der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort
+een gegrom; 't is een groote hond, die de tanden toont en er de
+Engelschen vervangt.
+
+De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende
+zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd
+aan de woede van een leger.
+
+De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden,
+vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één
+der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke
+poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel
+bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van
+het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen
+Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en
+Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille
+werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann
+waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin
+was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de
+brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.
+
+De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van
+de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog
+aan den muur. 't Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd,
+die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.
+
+De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet
+om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan 't einde van
+het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van
+hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. 't
+Is een gewone wagenpoort, zooals alle hoeven hebben; twee breede
+slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze
+poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort
+allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.
+
+De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het
+vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel
+heeft er zich versteend; 't leeft, 't sterft, 't is niet ouder dan
+gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen,
+de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen
+te willen vluchten.
+
+Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds
+afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.
+
+De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen
+er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde
+van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig
+overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men
+zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting,
+de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van
+alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren,
+boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit
+al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen
+aan en staken 't gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd
+met houtvuur beantwoord.
+
+Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters,
+de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die
+kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak
+gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap
+heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de
+bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. 't
+Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden
+zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een
+drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in
+haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de
+tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood;
+de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816
+heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.
+
+In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig,
+is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het
+altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten
+steenen muur. Deze kapel bestaat uit vier, met kalk gewitte muren;
+een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de
+deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant
+luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond
+een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld
+van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van
+het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een
+oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden,
+staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij
+is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten
+Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker
+verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van
+het oord zeggen, dat 't een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is
+zoo gelukkig niet geweest als de Christus.
+
+De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest
+men den naam: Henquinez. Voorts deze: Conde de Rio Maïor. Marques
+y Marquesa de Almagro (Habana). Er zijn Fransche namen met
+uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw
+gewit. De volken beleedigden er elkander op.
+
+Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de
+hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.
+
+Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit
+voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en
+katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen
+water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.
+
+De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van
+Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18
+Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.
+
+Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene
+dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot
+schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude
+afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het
+dichtste hout sidderend bivouakkeerden.
+
+Willem van Kylsom woonde te Hougomont "om het kasteel te bewaken" en
+verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men
+trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden
+zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem
+bracht hun water, 't welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar
+hun laatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den
+dood gingen, moest insgelijks sterven.
+
+Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood
+vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem
+aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men
+maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien
+met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van
+neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde,
+flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.
+
+De put staat afgezonderd op 't midden van het plein. Drie muren,
+half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een
+tochtscherm, hadden eenigszins 't voorkomen van een torentje en omgeven
+den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte
+men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien
+door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering,
+waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring
+van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en 't oog
+verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De
+put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.
+
+Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende,
+dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan
+is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken
+hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten,
+noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om 't water
+uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit
+de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.
+
+Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De
+deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke
+sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm
+van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche
+luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten,
+hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.
+
+De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude
+tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met
+grijs haar zeide ons: "Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit
+gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar
+de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met
+het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder
+na en riep bom bom."
+
+Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den
+boomgaard.
+
+Deze boomgaard is verschrikkelijk.
+
+Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit drie
+bedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke
+boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk
+omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel
+en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door
+een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is
+van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men
+in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,
+en vol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras
+van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. 't Was vroeger een
+slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging;
+thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen,
+die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig
+pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het
+gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele
+geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.
+
+In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes
+voltigeurs van het 1e regiment binnendrongen, zoodat zij er niet
+weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil
+aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan
+een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter
+deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen
+tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden
+geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan
+een kwartier.
+
+Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken
+boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte,
+vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur
+schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig
+schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in
+zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche
+grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten;
+de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten
+achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in
+de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er
+door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche
+garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker
+tijd hun vuur, een stortregen van kogels en schroot; de brigade-Soye
+werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.
+
+De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders,
+maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht
+men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. Een bataljon
+Nassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is
+de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht,
+als geheel afgeknaagd.
+
+Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij
+heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden
+weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te
+drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl
+de voet in een molshoop zinkt. In 't midden van 't gras ziet men een
+ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft
+zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten
+boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie
+behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land
+verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een
+verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen
+sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat
+heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in
+dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeien
+viooltjes.
+
+Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden,
+een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch
+bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk
+vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde
+verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps
+gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend
+man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;--en dit
+alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: "Mijnheer,
+geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo
+uitleggen."
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE 18 JUNI 1815.
+
+
+Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen
+wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin
+het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.
+
+Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou
+Europa's toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min
+of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts
+een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz
+te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting
+in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.
+
+De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor
+Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den
+regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd
+was om met de artillerie te kunnen manoeuvreeren.
+
+Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al
+zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een
+bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij
+ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een
+citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt
+met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In
+zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré's overhoop te werpen,
+regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor
+hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een
+vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien
+jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.
+
+Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal
+in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig
+vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.
+
+Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had
+kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee
+uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en
+gewonnen zijn geweest.
+
+In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuld van Napoleon
+geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich
+aan de blijkbare afneming van Napoleon's lichaamskrachten destijds
+een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs
+evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als
+het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in
+den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele
+voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede,
+om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen
+door den wind van een ongunstig lot? Werd hij--wat voor een veldheer
+hoogst noodlottig is--ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze
+soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling
+kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig
+wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale;
+de Dante's en Michel Angelo's nemen in den ouderdom toe; nemen
+de Hannibal's en Bonaparte's er door af? Had Napoleon den rechten
+zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen,
+den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds
+niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote
+handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van
+zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was
+hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte
+legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud,
+door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider
+van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?
+
+Wij gelooven het niet.
+
+Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een
+meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden
+rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden,
+de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren,
+van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen,
+Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee
+werpen; dit alles lag in Napoleon's doel van dezen veldslag. Vervolgens
+zou men zien.
+
+'t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de
+geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen
+van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag
+vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet;
+deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het
+eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door
+Charras. Wij laten beide geschiedschrijvers de zaak uitmaken; wij
+zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte,
+een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die
+misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet,
+ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten,
+waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten
+noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een
+stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren
+te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht
+geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde,
+wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+A.
+
+
+Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil
+maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te
+trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen
+de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain
+naar Braine-l'Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is
+Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille
+met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance;
+daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A
+het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In 't midden
+van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist
+werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld
+van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd
+door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte
+van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.
+
+De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs
+de wegen van Genappe en Nivelles; d'Erlon stond tegenover Picton;
+Reille tegenover Hill.
+
+Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is
+het bosch van Soignes.
+
+Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend
+terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen
+loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.
+
+Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij
+omvatten elkander en de een poogt den ander te doen vallen. Men
+klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van
+een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt
+heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond,
+een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus
+tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit
+te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor
+den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het
+kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.
+
+De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte
+van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar
+had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw
+genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had
+den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde,
+Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche
+leger beneden.
+
+'t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den
+kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op
+de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder
+hem in 't oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van
+Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de
+overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het
+vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen
+schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N's en arenden, de rijlaarzen
+over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,--deze
+geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding,
+door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.
+
+Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van
+zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid
+steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier
+haar licht aangebracht.
+
+Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge
+en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht
+is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden
+mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene
+de andere bestrijdt en terechtstelt--de duisternis van den despoot
+in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een
+juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon
+verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde
+Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. 't
+Is een ramp voor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn
+gestalte heeft.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+HET "DUISTERE IETS" DER VELDSLAGEN.
+
+
+Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward,
+onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer
+nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.
+
+Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt;
+in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op
+sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de
+buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die
+door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld
+en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging,
+voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.
+
+Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de
+gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden,
+om 't nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij
+had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden
+rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den
+grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. 't Was niet meer
+de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was,
+zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich,
+dat het vijf minuten over half twaalf was.
+
+Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer
+wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont
+begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de
+brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den
+rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel,
+die op Papelotte steunde.
+
+De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel,
+er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou
+gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige
+Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden,
+zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen,
+zich kon bepalen tot er ter versterking vier andere compagnieën der
+garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.
+
+De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende
+eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den
+weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den
+doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot
+Hougomont, van daar tot Braine-l'Alleud en verder tot Hal terug te
+drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten,
+gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd
+bemachtigd.
+
+Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie,
+voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover
+onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van
+veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als
+tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en
+wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden
+iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige
+infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.
+
+Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.
+
+In dezen dag, van 's middags af tot vier uur toe, ligt een duister
+tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden
+en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat
+een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen,
+een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier
+onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen,
+over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten,
+huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako's met
+vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode
+Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen,
+in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen
+hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten
+met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen
+onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige
+aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.
+
+In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd. Quid obscurum, quid
+divinum. Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min
+of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen
+geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg,
+onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het
+plan van den eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt
+door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als
+een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der
+legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen
+of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de
+andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie
+was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er
+was iets: zoek, en 't is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich,
+de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden
+deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en
+verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van
+een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag
+kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld
+bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der
+Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie
+uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan
+Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat
+er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke
+gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst,
+die, om Napoleon's eigen woorden te gebruiken, "veeleer tot de
+geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren." In
+zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot
+samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven,
+en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die
+vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is
+ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op
+Waterloo van toepassing.
+
+Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag
+duidelijker.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DES NAMIDDAGS TE VIER UREN.
+
+
+Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De
+prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel,
+Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins
+van Oranje den Hollanders-Belgen toe: "Nassau! Brunswijk! nimmer
+terug!" Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington
+geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de
+Engelschen den Franschen het vaandel van het 105e linie-regiment
+ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met
+een kogel door 't hoofd gedood. Wellington had in den slag twee
+steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde
+zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van
+het Duitsche bataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee
+en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld
+of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders
+elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser
+van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd
+er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven,
+Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij
+een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door
+een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze
+Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren
+neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van
+Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren
+zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee
+ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen,
+van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee
+divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.
+
+Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog
+slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd
+vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine
+stond, en Chassé, die te Braine-l'Alleud was.
+
+Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht
+ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van
+Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk
+steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, 't welk te
+dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat,
+waar beide wegen elkander kruisen. 't Is een gebouw uit de zestiende
+eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het
+te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen,
+die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den
+mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen
+gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit
+verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten
+toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen
+uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaan
+verkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht
+aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee
+barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.
+
+'t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte
+lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend,
+in het hooge koren.
+
+Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het
+Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.
+
+Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds
+aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en
+Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder
+zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen
+zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens
+de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen
+bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.
+
+Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van
+den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den
+linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen,
+aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de
+garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van
+Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge
+en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintig bataljons
+te zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt,
+achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse
+waar thans het zoogenaamde "museum van Waterloo" is, achter aardzakken
+gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der
+garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. 't Was de andere
+helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby
+vernietigd was, bleef nog Somerset over.
+
+De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond
+achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en
+een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid,
+men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.
+
+Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef
+den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden
+molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien
+later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed
+afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het
+regende kogels. Zijn adjudant Gordon viel aan zijn zijde. Lord Hill
+vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:--Mylord, welke
+instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?--"Te doen
+gelijk ik," antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch:
+"Hier blijven tot den laatsten man."--De dag nam blijkbaar een
+slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera,
+Vittoria en Salamanca toe: "Boys (jongens)! hoe kan men aan wijken
+denken? denkt aan Oud-Engeland!"
+
+Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche
+beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie
+en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche
+houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte,
+waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond
+een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington
+trok terug.--Het begin van den aftocht! riep Napoleon.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+NAPOLEON IN GOEDE LUIM.
+
+
+De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld,
+was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen
+glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde
+deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man,
+die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De
+gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze
+vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts
+aan God.
+
+Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen
+Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het
+dat Cesar lachte.
+
+Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen,
+met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange
+linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon,
+van Frischemont tot Braine l'Alleud, verlichtten, scheen het hem,
+dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van
+Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn
+paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de
+bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeft dezen
+fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen:
+"Wij zijn het eens." Napoleon bedroog zich. Zij waren 't niet eens.
+
+Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien
+nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs
+de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil
+gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had
+hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne
+gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij
+had aan Bertrand gezegd: "'t is de Engelsche achterhoede, die zich
+in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend
+Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen." Hij
+sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, 't welk
+hem den 1en Maart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf
+Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep:
+"Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!" In den nacht van den 17 op
+den 18 Juni schertste hij over Wellington.--"Deze kleine Engelschman
+heeft een les noodig," zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde,
+terwijl de keizer sprak.
+
+Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren
+ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen
+beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was
+uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op
+de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de
+veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade
+Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade
+Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging
+bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld,
+dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den
+slag afwachtte.--"Des te beter," had Napoleon geroepen. "Ik werp ze
+liever overhoop, dan ze achteruit te drijven."
+
+Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het
+slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel
+en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo
+als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid,
+daarbij tot Soult zeggende: "Een fraai schaakbord!"
+
+Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen,
+die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet
+kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder
+ontbijt, 't geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney
+te zeggen: "Wij hebben negentig kansen van de honderd." Te acht uren
+had men 's keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals
+genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den
+vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was
+geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht,
+had gezegd: "het bal is vandaag." De keizer had met Ney geschertst,
+die zeide: "Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te
+wachten." Zoo was overigens zijn gewoonte. "Hij schertste gaarne," zegt
+Fleury de Chaboulon. "De grond van zijn karakter was een vroolijke
+opgewektheid," zegt Gourgaud. "Hij vloeide over van kwinkslagen,
+die eer zonderling dan geestig waren," zegt Benjamin Constant. Deze
+vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij
+noemde zijn grenadiers "grombaarden;" hij kneep hen in de ooren, trok
+hen aan den knevel. "De keizer heeft altijd grappen met ons," zeide
+een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk
+ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik de
+Zephir de brik l'Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg
+aan den Inconstant berichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat
+oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn
+hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had
+glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: "de keizer
+bevindt zich wel." Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de
+gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo,
+bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had
+hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met
+een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo
+plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.
+
+Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf
+kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee
+liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan 't hoofd,
+met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige,
+uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de
+keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!
+
+Van negen tot half elf ure had het geheele leger--'t geen schier
+ongelooflijk schijnt--positie genomen en zich in zes liniën geschaard,
+die, om 's keizers uitdrukking te bezigen, "de figuur van zes V's"
+vormden.
+
+Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te
+midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht
+voorafgaat, had de keizer,--toen hij de drie batterijen twaalfponders
+zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon,
+van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om 't gevecht
+te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van
+Nivelles en Genappe zich kruisen,--Haxo op den schouder geklopt en
+gezegd: "Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!"
+
+Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste
+korps bij 't voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die
+kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken,
+zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts
+door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen
+hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is,
+de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden
+opeengedrongen zag, zeide hij: "Dit is jammer."
+
+Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden,
+waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van
+Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede
+standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren
+'s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk;
+'t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter
+de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien
+heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot
+bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit
+van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar
+zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander
+wapentuig gevonden. Scabrâ rubigine. Voor eenige jaren heeft men er
+een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf
+aan den kogel was afgebroken. 't Was op dit laatste standpunt, dat
+de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die
+aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij
+het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te
+verbergen, zeide:--"Domoor, 't is schande. Gij zult u in den rug laten
+dooden." Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing
+van deze hoogte, bij 't omwroeten van 't zand, de overblijfselen van
+den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en
+veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen
+zijn vingers braken.
+
+De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten,
+zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni
+1815 waren. Door van dien doodsakker de aarde af te nemen, die tot
+oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn
+eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan
+er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men
+het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag,
+riep hij: "Men heeft mijn slagveld veranderd." Waar thans de groote
+aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een
+bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe
+zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden
+naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe
+naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er
+is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten
+gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd
+vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn
+gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte
+helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk
+aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar
+zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het
+dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich
+konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold,
+het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren
+er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van
+verre niet kon gezien worden.
+
+Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l'Alleud is evenals
+Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen
+van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks
+anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een
+vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen
+weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het
+bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe
+en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was 't een
+holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor
+het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele
+uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en
+welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar
+instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij 't binnenkomen van
+Braine-l'Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een
+kar verplet werd, 't geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt,
+waarop de naam van den gedoode: Monsieur Bernard Debrye, marchand à
+Bruxelles, en de dagteekening van het ongeluk, fevrier 1637 [1] te
+lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat
+een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den
+kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge
+der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen
+voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde
+van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.
+
+Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd
+aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve
+boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar,
+en daardoor verschrikkelijk.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE KEIZER DOET DEN GIDS LACOSTE EEN VRAAG.
+
+
+Napoleon was dus in den morgen van den slag bij Waterloo tevreden.
+
+Hij had er reden toe; het door hem ontworpen plan, zooals wij gezegd
+hebben, was inderdaad bewonderenswaardig.
+
+De slag was begonnen; zijn zeer verschillende afwisselingen,--de
+verdediging van Hougomont, de hardnekkige weerstand van la
+Haie-Sainte, de dood van Bauduin, Foy buiten gevecht gesteld, de
+onverwachte muur waartegen zich de brigade Soye gebroken had, de
+noodlottige onbezonnenheid van Guilleminot, die noch springbussen
+noch kruitzakken had; het in de modder zinken der batterijen, de
+vijftien stukken zonder escorte, die door Uxbridge in een hollen weg
+werden geworpen, de geringe uitwerking der bommen die in de Engelsche
+liniën vielen, zich in den door den regen doorweekten grond boorden,
+en slechts uitbarstingen van slijk veroorzaakten, zoodat het schroot in
+modderspatten veranderde; de vruchteloosheid van Piré's demonstratie
+tegen Braine-l'Alleud; vijftien escadrons cavalerie schier geheel
+vernietigd; de slecht bestookte Engelsche rechter vleugel, de zwakke
+aanval van den linker; het zonderling misverstand van Ney die, in
+plaats van ze te echelonneeren, de vier divisiën van het eerste corps
+opeenhoopte, zoodat massa's van zevenentwintig gelederen, en fronten
+van tweehonderd man op deze wijze aan het schroot waren overgeleverd;
+de verschrikkelijke openingen, welke de kanonkogels in deze drommen
+maakten; de aanvalskolonnen gescheiden, de schuinsche vernielende
+batterij, die plotseling tegen hun flank werd geopend; Bourgeois,
+Donzelot en Durutte in nood, Quiot teruggedreven, de luitenant Vieux,
+deze herkules uit de polytechnische school, gekwetst, juist toen hij
+met bijlslagen, onder het verdelgend vuur der Engelsche barricade,
+die de kromming van den weg van Genappe naar Brussel versperde, de
+poort van la Haie-Sainte openbrak; de divisie Marcognet tusschen de
+infanterie en cavalerie ingesloten, door Best en Pake met het geweer
+op de borst in 't koren gefusilleerd en door Ponsonby nedergesabeld;
+zijn batterij van zeven stukken vernageld; de prins van Saksen Weimar,
+die, niettegenstaande den graaf van Erlon, Frischemont en Smohain
+bezet en in zijn macht hield; het vaandel van het 105e en van het
+45e regiment genomen; een zwarte Pruisische huzaar aangehouden door
+de veldontdekkers der vliegende colonne van driehonderd jagers,
+die tusschen Wavre en Plancenoit kruisten; de verontrustende
+zaken, welke deze gevangene meldde; het uitblijven van Grouchy; de
+vijftienhonderd man, die in minder dan een uur in den boomgaard van
+Hougomont gedood werden; de achttienhonderd man, die in nog korter
+tijd om la Haie-Sainte vielen,--al deze stormachtige tusschentooneelen,
+die evenals de rookwolken van den slag voorbij Napoleon vlogen, hadden
+nauwelijks zijn blik verontrust, of de zekerheid der overwinning op het
+keizerlijk gelaat betrokken. Napoleon was gewoon den oorlog strak in
+de oogen te zien; hij beschouwde niet angstvallig de bijzonderheden
+naar getallen; de getallen raakten hem weinig, zoo zij slechts
+tot algemeene uitkomst hadden--de overwinning; hij bekommerde er
+zich niet om, zoo het begin in de war liep, hij die zich meester en
+bezitter van het einde geloofde; hij wist te wachten, in den waan,
+dat omtrent den uitslag geen kwestie kon zijn, hij behandelde het
+noodlot als zijnsgelijke. Hij scheen tot het noodlot te zeggen:
+gij durft niet anders.
+
+Half licht en half schaduw, gevoelde Napoleon zich begunstigd door
+het goede, en geduld door het kwade. Hij had of meende te hebben eene
+verstandhouding, men zou schier kunnen zeggen een deelgenootschap, met
+de gebeurtenissen, welke met de onkwetsbaarheid der ouden overeenkwam.
+
+Wanneer men evenwel de Beresina, Leipzig en Fontainebleau achter zich
+heeft, zou men Waterloo hebben moeten mistrouwen. Een geheimzinnig
+fronsen der wenkbrauwen was in den hemel kenbaar.
+
+Toen Wellington terugtrok, beefde Napoleon van vreugde. Eensklaps zag
+hij het plateau van Mont-Saint-Jean ontruimen, en het front van het
+Engelsche leger verdwijnen. Het trok zich weder bijeen, maar verdween
+uit het gezicht. De keizer richtte zich in zijn stijgbeugels op. De
+bliksem der overwinning schoot uit zijn oogen.
+
+Wellington, tegen het bosch van Soignes gedrongen en van daar
+verdreven, was de eindelijke uitroeiing van Engeland door Frankrijk,
+'t was de wraak over Crecy, Poitiers, Malplaquet en Ramillies. De
+man van Marengo wischte Azincourt uit.
+
+De keizer, over deze vreeselijke ontknooping peinzend, richtte ten
+laatsten male zijn kijker over alle punten van het slagveld. Zijn
+garde, met het geweer aan den voet achter hem staande, keek van
+omlaag tot hem op met een soort van godsdienstigen eerbied. Hij
+dacht; hij beschouwde de hellingen, merkte de steilten op, onderzocht
+met zijn blik de boomengroepen, de roggevelden, de voetpaden, hij
+scheen ieder kreupelboschje te tellen. Hij staarde met strakken
+blik op de Engelsche barricaden der beide groote wegen, twee breede
+dammen van opeengestapelde boomen, de eerste op den weg van Genappe
+boven la Haie-Sainte, met twee kanonnen gewapend, de eenige van het
+Engelsche leger, die den bodem van het slagveld konden bestrijken; en
+de andere op den weg van Nivelles, waar de Hollandsche bajonetten der
+brigade-Chassé glinsterden. Bij deze barricade bespeurde hij de oude
+met kalk gewitte kapel van St. Nikolaas op den hoek van den dwarsweg
+naar Braine l'Alleud. Hij boog zich en sprak halfluid tot den gids
+Lacoste. De gids schudde ontkennend het hoofd, waarschijnlijk met
+een verraderlijk doel. De keizer richtte zich op en dacht na.
+
+Wellington was teruggetrokken.
+
+Er bleef slechts over dezen aftocht door eene verplettering te
+voltooien.
+
+Napoleon wendde zich eensklaps om en zond een renbode naar Parijs,
+om er te berichten dat de slag gewonnen was.
+
+Napoleon was een dier genieën, welke bliksems schieten.
+
+Hij had zijn bliksemstraal thans gevonden.
+
+Aan de kurassiers van Milhaud gaf hij bevel het plateau van
+Mont-Saint-Jean te bemachtigen.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+HET ONVERWACHTE.
+
+
+Zij waren drie duizend vijfhonderd man sterk. Hun front strekte
+zich een kwartier ver uit. 't Waren mannen als reuzen, op kolossale
+paarden. 't Waren zes-en-twintig escadrons; en achter zich hadden
+zij, om hen te ondersteunen, de divisie van Lefèbvre Desnouettes,
+de keurbende van zeshonderd gendarmes, de jagers der garde, sterk
+elfhonderd zeven-en-negentig man, en de lanciers der garde, sterk
+achthonderd tachtig lansen. Zij droegen den helm zonder paardenstaart
+en een kuras van geslagen ijzer, pistolen in de holsters en een langen
+rechten pallas. Des ochtends had het geheele leger hen bewonderd,
+toen zij, te negen uren, onder trompetgeschal en 't spelen der
+muziekkorpsen van Veillons au salut de l'Empire, in dichte colonnes,
+met een hunner batterijen in de flank en een andere in hun centrum,
+aanrukten, en zich in twee gelederen op den weg tusschen Genappe en
+Frischemont schaarden en plaats namen in de tweede slaglinie, zoo
+schrander door Napoleon samengesteld, daar ze aan haar linkereinde
+de kurassiers van Kellerman en aan haar rechtereinde de kurassiers
+van Milhaud, om zoo te spreken, als twee ijzeren vleugels had.
+
+De adjudant Bernard bracht hun 's keizers bevel. Ney trok den degen
+en stelde zich aan de spits. De ontzaggelijke escadrons geraakten
+in beweging.
+
+Nu zag men een grootsch schouwspel.
+
+Deze gansche cavalerie daalde, met opgeheven sabels, vliegende vaandels
+en schallende trompetten, in colonnes van een divisie, gelijktijdig
+en als één man, met de juistheid van een ijzeren stormram die een bres
+maakt, van de hoogte van Belle-Alliance, drong in de geduchte diepte,
+waar reeds zoo velen gevallen waren, verdween er in den kruitdamp,
+en weder uit die duisternis komende, verscheen zij opnieuw aan de
+andere zijde van het dal, steeds dicht inééngedrongen, en rende in
+vollen draf, te midden der schrootwolken, die boven haar losbarstten,
+tegen de vreeselijke slijkerige helling van den top van Mont-Saint-Jean
+op. Ernstig, dreigend, onwrikbaar stegen zij; in de tusschenpoozen van
+het geweer- en kanonvuur hoorde men het geweldig hoefgetrappel. Daar
+er twee divisiën waren, vormden zij twee colonnes; de divisie Wathier
+ter rechter-, de divisie Delord ter linkerzijde. In de verte zou men
+gemeend hebben, twee reusachtige ijzeren slangen te zien, die zich
+naar den top der hoogte kronkelden. Zij trokken als een wonder midden
+door den slag.
+
+Niets dergelijks was gezien sedert de inneming der groote redoute aan
+de Moskowa door de zware cavalerie; Murat ontbrak er, maar Ney bevond
+er zich weder. Het scheen, dat deze massa een monster ware geworden en
+slechts één ziel had. Ieder escadron golfde en verhief zich als de ring
+van een polyp. Men zag hen door de reten van een dichten rooksluier. 't
+Was een baaierd van helmen, kreten, sabels, woeste paardensprongen,
+kanongebulder en trompetgeschal, een geregelde, vreeselijke verwarring,
+en daarboven de kurassen als de schubben op de hydra.
+
+Deze verhalen schijnen tot een anderen tijd te behooren. Iets,
+dat hieraan gelijkt, komt in de oude heldendichten voor, die
+van manpaarden, de oude centauren gewagen, van deze titans met
+menschengelaat en paardenborst, die in galop den Olympus beklommen;
+vreeselijk, onkwetsbaar, verheven, goden en dieren tegelijk!
+
+Grillige overeenkomst van getallen: zes-en-twintig bataljons wachtten
+deze zes-en-twintig escadrons af. Achter den top der hoogte, in
+de schaduw der bedekte batterij, wachtte de Engelsche infanterie,
+bestaande uit dertien carré's, ieder carré van twee bataljons,
+en in twee liniën, de eerste van zes, de tweede van zeven carré's,
+met aangelegde geweren op 't geen komen zou, rustig, zwijgend en
+bewegingloos. Zij zag de kurassiers niet, de kurassiers konden
+haar niet zien. Zij hoorde 't gedreun van opstijgende menschen. Zij
+hoorde den nog sterker donder van drie duizend paarden, den dravenden
+hoefslag, het ritselen der kurassen, het kletteren der sabels en
+iets als een woeste windvlaag. Een vreeselijke stilte ontstond, toen
+verscheen eensklaps een lange reeks opgeheven armen met zwaaiende
+sabels op de heuvelvlakte, en helmen, en trompetten en standaarden,
+en drie duizend hoofden met grijze knevels, uitroepende: leve de
+keizer! Al deze cavalerie bereikte de hoogte. 't Was als 't begin
+van een aardbeving.
+
+Maar eensklaps, o ramp! aan de linkerzijde der Engelschen, aan onze
+rechterzijde, begon de voorste rij der colonne kurassiers onder
+vreeselijk getier te steigeren. Op het hoogste punt der kruin
+bespeurden de kurassiers, die van teugellooze woede brandden, om
+zich in de carré's en op de kanonnen te storten, tusschen zich en de
+Engelschen een groeve, een diepte. 't Was de holle weg van Ohain!
+
+'t Was een ontzettend oogenblik. De afgrond lag dáár twee vademen diep,
+tusschen zijn weerzijdsche glooiing, stijf voor de hoeven der paarden;
+het tweede gelid drong het eerste er in, en het derde het tweede;
+de paarden steigerden, wierpen zich achteruit, vielen op den rug met
+de vier pooten in de lucht, verpletterden en wierpen hun ruiters af;
+'t was onmogelijk terug te gaan; de geheele colonne was slechts één
+werptuig, en de ingespannen kracht om de Engelschen te verpletteren,
+verplette de Franschen; de ontzettende laagte kon eerst overgetrokken
+worden toen ze gevuld was; ruiters en paarden stortten er hals over
+kop in, vermorzelden elkander en vormden in dezen kolk slechts één
+vleeschklomp; toen deze kuil vol levende menschen was, vertrad men ze,
+en de rest ging er over. Schier een derde der brigade Dubois stortte
+in dien afgrond.
+
+Hier begon het verlies van den veldslag.
+
+Een plaatselijke overlevering, die blijkbaar overdrijft, zegt, dat
+twee duizend paarden en vijftienhonderd menschen in den hollen weg
+van Ohain begraven werden. Onder dit cijfer zijn waarschijnlijk al
+de andere lijken begrepen, welke den dag na het gevecht in den poel
+geworpen werden.
+
+Vóór dat Napoleon deze charge der kurassiers van Milhaud beval, had hij
+het terrein opgenomen, maar den hollen weg niet kunnen zien, die op
+het plateau van den heuvel zelfs geen streep vertoonde. Evenwel door
+de kleine witte kapel, op den hoek van den weg van Nivelles oplettend
+gemaakt, had hij den gids Lacoste omtrent eene mogelijke hindernis,
+die hier zou kunnen bestaan, ondervraagd. De gids had ontkennend
+geantwoord. Men zou dus bijna kunnen zeggen, dat dit hoofdschudden
+van een boer het ongeluk van Napoleon veroorzaakt heeft.
+
+Nog andere noodlottige omstandigheden moesten zich hierbij voegen.
+
+Was het mogelijk, dat Napoleon dezen slag won? Wij antwoorden:
+neen! Waarom? Uithoofde van Wellington? Uithoofde van
+Blücher? neen. Uithoofde van God.
+
+Dat Bonaparte te Waterloo overwinnaar zou zijn, lag niet meer in
+de wet der negentiende eeuw. Er bereidde zich een andere reeks van
+gebeurtenissen voor, waarin voor Napoleon geen plaats was. De kwade
+wil der gebeurtenissen had zich reeds sinds lang geopenbaard.
+
+'t Was tijd dat deze sterke man viel.
+
+Het overmatig gewicht van dezen man op het menschelijk lot,
+verstoorde het evenwicht. Dit enkel individu woog meer dan de geheele
+massa. Wanneer de geheele menschelijke levenskracht zich in een enkel
+hoofd samentrok, wanneer de wereld aan het genie van één mensch
+overgelaten was, zou het doodelijk voor de beschaving zijn, zoo
+zulks lang duurde. Het oogenblik was gekomen, dat de onverzettelijke
+hoogste rechtvaardigheid tusschenbeide kwam. 't Is mogelijk, dat
+de beginselen en oorzaken, die op regelmatige wijze het evenwicht
+in de zedelijke, zoowel als in de stoffelijke wereld teweegbrengen,
+zich beklaagden. Het rookend bloed, stapels van lijken, schreiende
+moeders zijn vreeselijke beschuldigers. Wanneer de aarde aan eenig
+overwicht lijdt, is er een geheimzinnig gerucht in de duisternis,
+dat door den afgrond gehoord wordt.
+
+Napoleon was bij het oneindige aangeklaagd, en zijn val was besloten.
+
+Hij hinderde God.
+
+Waterloo is geen veldslag; 't is een omkeering van 't gelaat der
+wereld.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET BERGVLAK VAN MONT-SAINT-JEAN.
+
+
+Ter zelfder tijde als de holle weg had ook de batterij zich vertoond.
+
+Zestig kanonnen en de dertien carré's verpletterden de kurassiers om
+zoo te spreken uit de dichtste nabijheid. De onverschrokken generaal
+Delord maakte voor de Engelsche batterij den militairen groet.
+
+De gansche vliegende artillerie der Engelschen had zich in galop
+in de carré's begeven. De kurrassiers hadden zelfs den tijd niet,
+een oogenblik in den adem te schieten. De ramp in den hollen weg
+had hen gedecimeerd, maar niet ontmoedigd. 't Waren mannen die, bij
+vermindering van getal, in moed toenamen. Alleen de colonne Wathier
+had door de ramp geleden; de colonne Delord, welke Ney links had doen
+zwenken, alsof hij een hinderlaag vermoedde, was ongedeerd aangekomen.
+
+De kurassiers wierpen zich op de Engelsche carré's. Spoorslags, met
+lossen teugel, de sabel tusschen de tanden, de pistolen in de vuist
+vielen zij aan.
+
+In de veldslagen zijn oogenblikken, die de ziel des menschen zoodanig
+verharden, dat zij in den soldaat slechts een beeld en in het vleesch
+slechts steen ziet. De Engelsche bataljons, schoon op zulk een woedende
+wijze aangevallen, hielden onbewegelijk stand.
+
+'t Was een vreeselijk moment.
+
+Alle fronten der Engelsche carré's werden tegelijkertijd
+aangevallen. Een woest geweld woedde tegen hen. De koele infanterie
+bleef pal en onverwrikt. Het eerste gelid ontving met gebogen knie de
+kurassiers op de bajonetten, het tweede gelid schoot op hen; achter
+het tweede gelid laadden de kanonniers hun stukken; het front van
+het carré opende zich, liet een uitbarsting van schroot door en sloot
+zich weder. De kurassiers beantwoordden dit door zich op de carré's
+te werpen. De zware paarden steigerden, braken door de gelederen,
+sprongen over de bajonetten en vielen als gevaarten in 't midden dier
+vier levende muren. De kogels maakten openingen in de kurassiers, de
+kurassiers maakten bressen in de carré's. Geheele rijen menschen werden
+vermorzeld onder de paarden. De bajonetten doorboorden de buiken dezer
+centauren. Hierdoor ontstonden de afzichtelijkste wonden, welke men
+misschien nimmer elders gezien heeft. De door deze verwoede cavalerie
+verminkte carré's, trokken zich samen, zonder te wankelen. Hun schroot
+was onuitputtelijk en woedde onder de aanvallers. Het gezicht van
+dat gevecht was gruwelijk. De carré's waren geen bataljons meer,
+'t waren kraters; de kurassiers waren geen cavalerie meer, 't was
+een orkaan. Ieder carré was een vulkaan, door een wolk bestormd;
+de lava streed tegen den bliksem.
+
+De uiterste rechtercarré die het meest van alle was blootgesteld, werd
+bij den eersten schok schier geheel vernield. Het bestond uit het 75e
+regiment hooglanders. De doedelzakspeler, in 't midden van het carré
+op een trom gezeten, in diepe onoplettendheid, zijn droefgeestige
+oogen neergeslagen, die vol van de herinnering aan zijn wouden en
+meren waren, speelde met de pibroch onder den arm de liederen van
+zijn bergen, terwijl men rondom hem elkander vernielde. Deze Schotten
+stierven, terwijl ze aan Ben Lothian dachten, evenals de Grieken met
+de gedachte aan Argos stierven. De pallas van een kurassier hieuw den
+arm af die den pibroch vasthield, en deed de muziek zwijgen door den
+muzikant te dooden.
+
+De kurassiers, die betrekkelijk weinig talrijk waren, zijnde door
+de ramp in den hollen weg zeer verminderd, hadden hier schier het
+geheele Engelsche leger tegen zich; zij vermenigvuldigden zich echter
+daar ieder man voor tien gold. Intusschen weken eenige Hanoveraansche
+bataljons. Wellington zag dit en dacht aan zijn cavalerie. Zoo Napoleon
+in ditzelfde oogenblik aan zijn infanterie had gedacht, zou hij den
+slag gewonnen hebben. Dit verzuim was zijn groote, noodlottige misslag.
+
+Eensklaps voelden de aanvallende kurassiers zich aangevallen. De
+Engelsche cavalerie was hun in den rug. Vóór hen stonden de carré's,
+achter hen Somerset; Somerset, dat wil zeggen de veertienhonderd
+dragonders der garde. Somerset had aan zijn rechterzijde Dornberg
+met de Duitsche lichte ruiterij en aan zijn linkerzijde Trip met de
+Belgische karabiniers; de kurassiers, in den flank en in het front
+van voren en van achteren aangevallen door de infanterie en cavalerie,
+moesten aan alle zijden het hoofd bieden. Wat kon 't hun schelen--zij
+waren een wervelwind. De dapperheid was onbeschrijfelijk.
+
+Buitendien hadden zij achter zich de immer donderende batterij. Alleen
+op deze wijze was 't mogelijk, dat deze mannen in den rug gekwetst
+werden. Een hunner kurassen, bij 't linker schouderblad door een kogel
+doorboord, bevindt zich bij de verzameling in 't museum van Waterloo.
+
+Voor zulke Franschen werden niets minder dan zulke Engelschen
+vereischt.
+
+'t Was geen gevecht meer, 't was een schaduw, een razernij,
+een duizelende dwarreling van zielen en moed, een orkaan
+van bliksemende zwaarden. In een oogenblik waren van de
+veertienhonderd garde-dragonders slechts achthonderd over; Fuller,
+hun luitenant-kononel, sneuvelde. Ney ijlde met de lanciers en de
+jagers van Lefèbvre Desnouettes toe. De vlakte van Mont-Saint-Jean
+werd genomen, hernomen, en weder genomen. De kurassiers verlieten de
+cavalerie, om naar de infanterie terug te keeren, of liever, deze
+gansche ontzaglijke massa's grepen en hielden elkander zonder dat
+de een den ander losliet. De carré's stonden immer pal. Zij werden
+twaalf keeren bestormd. Vier paarden werden onder Ney gedood. De
+helft der kurassiers bleef op de vlakte. Deze strijd duurde twee uren.
+
+Het Engelsche leger was er geweldig door geschokt. Er is geen twijfel,
+of de kurassiers, zoo zij niet bij den eersten aanval door de ramp in
+den hollen weg verzwakt waren geworden, zouden het centrum over hoop
+geworpen en de overwinning beslist hebben. Deze buitengewone cavalerie
+verstomde Clinton, die Talavera en Badajoz had gezien. Wellington,
+die voor drie vierde gedeelte overwonnen was, bewonderde als een held,
+en zeide halfluid: splendid! (prachtig).
+
+De kurassiers vernietigden zeven carré's van de dertien, namen
+of vernagelden zestig kanonstukken, en veroverden op de Engelsche
+regimenten zes vaandels, welke drie kurassiers en drie jagers der
+garde den keizer bij de hoeve van la Belle Alliance brachten.
+
+Wellingtons toestand was verergerd. Deze buitengewone veldslag was als
+een tweegevecht tusschen twee verwoede gekwetsten, die wederzijds,
+steeds strijdend en weerstand biedend, al hun bloed verliezen. Wie
+van beiden zal het eerst vallen?
+
+De worsteling op het bergplat werd voortgezet.
+
+Tot hoe ver de kurassiers zijn geweest, weet niemand te zeggen. Zeker
+is het, dat den dag na het gevecht een kurassier en zijn paard,
+beiden dood, tusschen het houtwerk der weegbrug voor de voertuigen
+te Mont-Saint-Jean werden gevonden, dat is ter plaatse waar de
+vier straatwegen van Nivelles, Genappe, la Hulpe en Brussel elkander
+kruisen. Deze ruiter was door de Engelsche gelederen heen gebroken. Een
+der mannen, die dit lijk wegvoerden, woont nog te Mont-Saint-Jean. Hij
+heet Dehaze, en was destijds achttien jaar oud.
+
+Wellington voelde zich wankelen. De krisis was nabij.
+
+De kurassiers waren niet geslaagd, in zooverre 't hun niet gelukt was
+het centrum te breken. Nu beide partijen het bergvlak bezet hadden,
+was niemand er uitsluitend meester van, terwijl het grootste gedeelte
+in allen geval in 't bezit der Engelschen was gebleven. Wellington
+had het dorp en het hoogste deel der vlakte; Ney had slechts den top
+en de glooiing. Van weerszijden scheen men in dien noodlottigen bodem
+vastgeworteld te zijn.
+
+De verzwakking der Engelschen scheen echter onherstelbaar. Het
+verlies van dat leger was ontzettend. Aan den linkervleugel vroeg
+Kempt versterking.--"Ik heb ze niet," antwoordde Wellington; "dat
+hij bezwijke!"--Schier in dezelfde minuut vroeg Ney--een zonderlinge
+samenloop, die de uitputting der beide legers schetst--infanterie
+aan Napoleon, en Napoleon riep: "Infanterie! Van waar zou ik ze
+halen? Meent hij dat ik ze kan maken?"
+
+Het Engelsche leger had evenwel het meest geleden. De verwoede
+aanvallen dezer geweldige escadrons met ijzeren kurassen en stalen
+harnassen hadden de infanterie vermorzeld. Eenige mannen om een
+vaandel duidden de plaats van een regiment aan; sommige bataljons
+werden nog slechts door een kapitein of luitenant gecommandeerd;
+de divisie-Alten, die reeds bij la Haie-Sainte zoo geducht geleden
+had, was schier geheel vernietigd; de moedige Belgen der brigade Van
+Kluze lagen in het koren langs den weg van Nivelles gezaaid; er was
+schier niets over van de Hollandsche grenadiers, die in 1811 in onze
+gelederen Wellington in Spanje bevochten, en in 1815 weder met de
+Engelschen vereenigd Napoleon bestreden. Het verlies aan officieren
+was aanzienlijk. Lord Uxbridge, die den volgenden dag zijn been
+liet begraven, had de knie verbrijzeld. Waren in dezen strijd der
+kurassiers aan de zijde der Franschen Delord, l'Héritier, Colbert,
+Dnop, Travers en Blancard buiten gevecht gesteld, aan de zijde der
+Engelschen waren Alten en Barne gekwetst, Delancey, Van Meeren,
+Ompteda gesneuveld, de staf van Wellington gedecimeerd, en Engeland
+had het slechtste deel in deze bloedige schaal. Het 2e regiment der
+garde te voet had vijf luitenant-kolonels, vier kapiteins en drie
+vaandrigs verloren; het eerste bataljon van het 30e regiment infanterie
+had vier-en-twintig officieren en honderd twaalf soldaten verloren,
+van het 79e Bergschotten waren vier-en-twintig officieren gekwetst,
+achttien officieren en vierhonderd vijftig soldaten gesneuveld. Het
+geheel Hanoversche huzarenregiment van Cumberland, met zijn kolonel
+Hacke aan 't hoofd, had vóór het gevecht den teugel gewend en
+vluchtte door het bosch van Soignes, het bericht der nederlaag tot
+Brussel verspreidende. De kolonel werd later gevonnist en afgezet. De
+artillerietrein, de voortreinen, de bagagewagens, de ziekenwagens vol
+gekwetsten namen, toen zij de Franschen zagen veld winnen en het bosch
+naderen, daarin de vlucht. Van Vert-Coucou tot Groenendaal, langs
+een uitgestrektheid van bijna twee uren in de richting van Brussel,
+was er een ongelooflijk gedrang van vluchtelingen, zooals nog levende
+getuigen heugt. De schrik was zoo groot, dat hij den prins van Condé
+te Mechelen en Lodewijk XVIII te Gend bereikte. Uitgezonderd de zwakke
+reserve, die achter de ambulance, in de hoeve van Mont-Saint-Jean,
+was geëchelonneerd, en de brigaden Vivian en Vandeleur, die aan den
+linkervleugel stonden, had Wellington geen cavalerie meer. Een
+aantal batterijen waren gedemonteerd. Deze feiten zijn door
+Siborne erkend; en Pringle, die de ramp overdrijft, zegt zelfs,
+dat het Engelsch-Hollandsch leger tot vier-en-dertig duizend man
+was ingekrompen. De "ijzeren hertog" bleef kalm, maar zijn lippen
+waren verbleekt. De Oostenrijksche commissaris Vincent, de Spaansche
+commissaris Alava, die bij den Engelschen staf den veldslag bijwoonden,
+hielden den hertog voor verloren. Te vijf uren zag Wellington op zijn
+horloge, en men hoorde hem deze sombere woorden mompelen: "Blücher,
+of de nacht!"
+
+'t Was omstreeks dit oogenblik, dat een verwijderde lijn van bajonetten
+op de hoogten, in de richting van Frischemont schitterde.
+
+Hier begint het keerpunt van dit reusachtige drama.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN SLECHTE GIDS VOOR NAPOLEON, EEN GOEDE GIDS VOOR BULOW.
+
+
+Men kent de grievende teleurstelling van Napoleon; hij verwachtte
+Grouchy, en Blücher kwam; de dood in plaats van het leven.
+
+Het lot heeft zulke wendingen; men verwacht de wereldheerschappij,
+en vindt Sint-Helena. Indien de kleine herder, die Bulow, den
+onderbevelhebber van Blücher, tot gids diende, hem had geraden
+het bosch uit te trekken boven Frischemont in plaats van beneden
+Plancenoit, de negentiende eeuw zou wellicht een geheel ander voorkomen
+hebben, Napoleon had dan den slag van Waterloo gewonnen. Immers langs
+iederen anderen weg dan dien beneden Plancenoit, zou het Pruisische
+leger aan een laagte zijn gekomen, die voor de artillerie onbruikbaar
+was, en Bulow zou niet zijn aangekomen. En langer dan een uur, de
+Pruisische generaal Muffling verklaart dit, zou Wellington zich niet
+meer hebben kunnen staande houden; "de slag ware verloren geweest."
+
+Men ziet, 't was hoog tijd dat Bulow kwam. Hij had trouwens veel
+oponthoud gehad. Met het krieken van den dag had hij Dion-le-Mont
+verlaten, waar hij gebivouakkeerd had. Maar de wegen waren onbruikbaar
+en zijn divisiën bleven in de modder steken. De kanonnen zonken er
+tot aan de assen in. Bovendien had men de Dyle over de smalle brug
+van Wavre moeten passeeren; de straat die naar de brug voerde was door
+de Franschen in brand gestoken; de kruitwagens en de artillerietrein
+konden niet tusschen twee rijen brandende huizen gaan en moesten
+wachten tot de brand gebluscht was. Het was middag eer de voorhoede
+van Bulow Chapelle-Saint-Lambert had kunnen bereiken.
+
+Zoo het gevecht twee uren eerder was begonnen, was het te vier uren
+geëindigd geweest, en Blücher zou in den door Napoleon gewonnen slag
+zijn gevallen. Zoo onmetelijk zijn de toevalligheden, in betrekking
+tot het oneindige, dat ons begrip te boven gaat.
+
+Tegen den middag had de Keizer voor het eerst met zijn kijker iets
+aan den verren horizont bespeurd, dat zijn aandacht trok. Hij had
+gezegd:--Ik zie ginds een wolk, die mij troepen toeschijnt. Daarop
+had hij aan den hertog van Dalmatie gevraagd: Soult, wat ziet gij
+naar den kant van Chapelle-Saint-Lambert?--De maarschalk, na zijn
+kijker te hebben gericht, had geantwoord:--Vier of vijf duizend man,
+Sire. Zeker Grouchy.--Maar in den nevel bleef alles onduidelijk. Al de
+kijkers van den generalen staf hadden de door den Keizer aangewezen
+"wolk" bestudeerd. Sommigen hadden gezegd: 't Zijn colonnes, die
+halt houden. De meesten hadden gezegd: 't Zijn boomen, 't Was waar,
+dat de wolk zich niet bewoog. De Keizer had ter verkenning van dat
+duistere punt de divisie lichte cavalerie van Domon afgezonden.
+
+Inderdaad, Bulow had zich niet bewogen. Zijn voorhoede was zeer zwak
+en kon niets uitrichten. Hij moest het hoofdleger wachten en had
+bevel zich te vereenigen vóór in slagorde op te rukken; doch toen,
+te vijf uren Blücher het gevaar van Wellington zag, gaf hij Bulow
+bevel aan te vallen en sprak dit merkwaardig woord: "Wij moeten het
+Engelsche leger lucht geven."
+
+Weldra ontwikkelden zich de divisiën Losthin, Hiller, Hacke en Ryssel
+tegenover het corps van Lobau, de cavalerie van prins Willem van
+Pruisen rukte uit het bosch van Parijs; Plancenoit stond in vlammen
+en de Pruisische kogels begonnen tot in de gelederen der garde te
+regenen, die achter Napoleon in reserve stond.
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE GARDE.
+
+
+Men kent het overige, de vernielende aanval van een derde leger, de
+veldslag verplaatst, zes en tachtig eensklaps donderende vuurmonden,
+Pirch I met Bulow verschenen, de cavalerie van Zieten door Blücher
+in persoon aangevoerd, de Franschen achteruitgedrongen, Marcognet
+van de hoogte van Ohain gedreven, Durutte uit Papelotte verjaagd,
+Lobau in den flank gegrepen, een nieuwe veldslag, waardoor bij
+het aanbreken van den nacht onze verzwakte en uitgeputte regimenten
+overvallen werden, de geheele Engelsche linie haar aanvallende houding
+hernemende en vooruit gedrongen, de reusachtige opening in het Fransche
+leger gemaakt, het Engelsche en Pruisische schroot elkander helpende,
+verdelging in het front, onheil in den flank, de garde, die zich bij
+deze vreeselijke verwoesting in slagorde schaart.
+
+Dewijl zij gevoelde, dat zij moest sterven, riep zij: leve de
+Keizer! De geschiedenis heeft niets treffender aan te wijzen dan
+dezen in gejuich uitbarstenden doodssnik.
+
+De lucht was den geheelen dag bewolkt geweest. Eensklaps, en op
+ditzelfde oogenblik, 't was acht uren 's avonds, scheidden zich de
+wolken aan den gezichteinder en het donker somber rood der ondergaande
+zon scheen door de olmen van den weg van Nivelles. Te Austerlitz had
+men haar zien opgaan.
+
+Ieder bataljon der garde werd, bij deze laatste worsteling, door een
+generaal gecommandeerd. Daar waren Friant, Michel, Roguet, Harlet,
+Mallet, Poret de Morvan. Toen de hooge berenmutsen van de garde met
+de adelaarsplaat, in stipte orde, in gelederen geschaard, bedaard in
+den nevel van het gevecht verschenen, gevoelde de vijand eerbied voor
+Frankrijk; men waande twintig overwinningen met uitgespreide vleugelen
+het slagveld te zien betreden, en zij, die verwinnaars waren, achtten
+zich verwonnen en deinsden achteruit; maar Wellington riep: "Staat,
+garden, en mikt juist!" Het roode regiment der Engelsche garde,
+dat achter de hagen lag, richtte zich op, een hageljacht van kogels
+doorschoot het driekleurig vaandel, dat om onze arenden fladderde;
+allen drongen voorwaarts, en het laatste bloedbad begon. De keizerlijke
+garde voelde in de schaduw, dat het leger 't welk haar omgaf, week en
+het uitgestrekte gedreun van den aftocht; zij hoorde het "vlucht! redt
+u!" dat het "leve de Keizer!" vervangen had; en met de vlucht achter
+zich, ging zij steeds voorwaarts, meer en meer vermorzeld en bij elke
+schrede die zij deed meer stervende. Er waren geen weifelenden noch
+versaagden. De soldaat van dezen troep was evenzeer een held als de
+generaal. Geen man onttrok zich aan dezen verheven zelfmoord.
+
+Ney, wanhopig, groot in al de verhevenheid van zijn wijding aan den
+dood, stelde zich aan al de slagen van dien storm bloot. Zijn vijfde
+paard werd onder hem gedood. Met zweet bedekt, met vlammende oogen,
+met schuim op de lippen, met losgeknoopte uniform, een epaulet half
+door de sabel van een horseguard doorgehouwen, zijn ordester van
+den adelaar door een kogel geschonden, bloedig, beslijkt, heerlijk,
+met den stomp van een degen in de hand, riep hij: "Ziet hoe een
+maarschalk van Frankrijk op het slagveld sneuvelt!" Maar te vergeefs;
+hij sneuvelde niet. Hij was wild en verontwaardigd. Hij beet Drouet
+d'Erlon de vraag toe: "Zijt gij bang u te laten dooden?" Te midden van
+al dat geschut, 't welk een handvol menschen verpletterde, riep hij:
+"Is er dan niets voor mij! O, hoe wenschte ik, dat al die Engelsche
+kogels mij doorboorden!" Ongelukkige, gij werdt behouden, om door
+Fransche kogels te sterven!
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE CATASTROPHE.
+
+
+De vlucht en de verwarring achter de garde was vreeselijk.
+
+Het leger trok zich eensklaps van alle zijden terug van Hougomont, van
+la Haie-Sainte, van Papelotte, van Plancenoit. De kreet: Verraad! werd
+gevolgd door den kreet: Vlucht! redt u! Een zich oplossend leger
+gelijkt aan een ijsgang. Alles buigt, berst, kraakt, drijft, zinkt,
+stoot en verdringt zich. 't Is een reusachtige ontbinding. Ney leent
+een paard, springt er op en plaatst zich, zonder hoed, zonder das,
+zonder degen, dwars op den weg naar Brussel, Engelschen en Franschen
+evenzeer tegenhoudende. Hij tracht het leger tot staan te brengen, hij
+roept, scheldt, houdt de vluchtenden vast. Alles stormt hem voorbij. De
+soldaten ontwijken hem, roepende: "leve de maarschalk Ney!" Twee
+regimenten van Durutte ijlen verschrikt heen en weder, teruggejaagd
+door de sabel der uhlanen en het geweervuur der brigades van Kempt,
+van Best, van Pack en van Ryland; de ergste worsteling is de vlucht;
+vrienden dooden elkander om te vlieden; escadrons en bataljons storten
+tegen een en spatten wijd en zijd uit elkander, als schuim van den
+veldslag. Lobau wordt aan het eene, Reille aan het andere eind door
+den stroom medegesleept. Te vergeefs maakt Napoleon muren van hetgeen
+hem van de garde overblijft, te vergeefs verspilt hij de escadrons
+onder zijn bevel tot een laatste inspanning. Quiot wijkt voor Vivian,
+Kellerman voor Vandeleur, Lobau voor Bulow, Morand voor Pirch, Domon
+en Subervic voor prins Willem van Pruisen. Guyot, die de escadrons
+des Keizers tot den aanval heeft gevoerd, valt onder de paarden
+der Engelsche dragonders. Napoleon galoppeert langs de vluchtenden,
+spreekt hun toe, spoort hen aan, dreigt, smeekt. Maar al de monden,
+die des morgens, "Leve de Keizer" riepen, gapen hem aan; nauwelijks
+kent men hem. De versch aangekomen Pruisische cavalerie stormt toe,
+vliegt, sabelt, houwt, doodt, verdelgt. De voorspannen steigeren, de
+kanonnen wijken, de treinsoldaten spannen de paarden van de kruitwagens
+om er op te vluchten, omgeworpen legerwagens met de vier wielen in
+de lucht versperren den weg en geven gelegenheid ter slachting. Men
+verplettert, vertreedt, gaat over dooden en levenden. De armen zijn
+als verlamd. Een ontzinde menigte vult de wegen, de paden, de bruggen,
+de dalen, de heuvelen, de valleien, de bosschen, waar deze veertig
+duizend menschen elkander verdringen en belemmeren. Geschreeuw,
+wanhoop; ransels en geweren in 't koren geworpen; met den degen
+zich een doortocht gebaand; geen krijgsmakkers, geen officieren,
+geen generaals meer; een onbeschrijfelijke ontzetting. Zieten op zijn
+gemak Frankrijk neersabelende. Leeuwen in herten herschapen. Zoodanig
+was deze vlucht.
+
+Te Genappe beproefde men te keeren, front te maken, zich te
+verzamelen. Lobau vereenigde driehonderd man. Men barricadeerde
+den ingang van het dorp; maar bij het eerste schot van het Pruisisch
+schroot vluchtte alles weder, en Lobau werd krijgsgevangen gemaakt. Men
+ziet nog heden de indruksels van dat eerste schot aan den gevel van een
+oud vervallen baksteenen huis, ter rechterzijde van den weg, eenige
+minuten vóór men Genappe binnenkomt. De Pruisen stormden in Genappe,
+woedend gewis, zoo gemakkelijk overwonnen te hebben. De vervolging
+was gruwelijk. Blücher beval alles neder te houwen. Roguet had het
+afgrijselijk voorbeeld gegeven door ieder Fransch grenadier met den
+dood te bedreigen die hem een Pruisisch krijgsgevangen bracht. Blücher
+overtrof Roguet. De generaal der jonge garde, Duhesme, die tegen
+de deur van een herberg te Genappe stond, gaf zijn degen aan een
+zwarten huzaar, die den degen nam en zijn gevangene doodde. De
+overwinning werd door de vermoording der verwonnenen voltooid. Laten
+wij straffen, wijl wij de geschiedenis zijn: de oude Blücher bevlekte
+zijn eer. Deze wreedheid bracht de ramp tot het uiterste. De wanhopige
+vlucht ging door Genappe, door Quatre-Bras, door Sombreffe, door
+Frasnes, door Thuin, door Charleroi, en kwam eerst aan de grenzen
+tot staan. Helaas! en wie was 't, die zoo vluchtte? het groote leger.
+
+Is deze verbijstering, deze schrik, deze instorting van de
+grootste dapperheid die ooit de geschiedenis verbaasd heeft, zonder
+oorzaak? Neen. De schaduw eener machtige hand ligt op Waterloo. 't Is
+de dag van het noodlot. Eene bovenmenschelijke macht heeft dien dag
+bereid. Vandaar de schrik op aller gelaat; vandaar dat zooveel groote
+harten hun degens overgaven. Zij, die Europa overwonnen hadden, zonken
+verpletterd neder, hadden niets meer te zeggen of te doen, en gevoelden
+in de schaduw iets vreeselijks tegenwoordig. Hoc erat in fatis. Die dag
+veranderde het uitzicht van het menschelijk geslacht. Waterloo is het
+keerpunt der negentiende eeuw. De verdwijning van den grooten man was
+noodzakelijk voor de verschijning der groote eeuw. Een oppermachtig
+wezen heeft zich hiermede belast. De paniek der helden is hierdoor
+verklaarbaar. In den slag van Waterloo vertoont zich meer dan een wolk,
+er vertoont zich een hemelverschijnsel. God is daar geweest.
+
+In 't vallen van den avond vatten Bernard en Bertrand op een veld bij
+Genappe een somber peinzend man bij zijn overjas, die door den stroom
+der vlucht medegesleept, van zijn paard was gestegen, den teugel in
+zijn arm had genomen en met verwilderden blik alleen naar Waterloo
+terugging. 't Was Napoleon, die nog beproefde voorwaarts te gaan--de
+groote slaapwandelaar van dien verstoorden droom!
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET LAATSTE CARRÉ.
+
+
+Eenige carré's der garde, onbewegelijk in de woelige vlucht als rotsen
+in het bruisend water, hielden stand tot den nacht. De nacht kwam,
+en met hem de dood; zij verwachtten die dubbele duisternis en lieten
+zich er onverschrokken door omvangen. Ieder regiment, van de andere
+gescheiden en niet meer aan 't leger verbonden, dat aan alle zijden
+gebroken was, sneefde voor eigen rekening. Zij hadden voor deze
+laatste heldendaad post gevat, eenige op de hoogten van Rossomme,
+andere op de vlakte van Mont-Saint-Jean. Daar, verlaten, overwonnen,
+hadden deze sombere carré's nog een vreeselijken doodsstrijd. Ulm,
+Wagram, Jena, Friedland stierven in hen.
+
+In de schemering, tegen negen uur 's avonds, bleef er op de vlakte
+van Mont-Saint-Jean slechts één over. In deze heillooze vallei, aan
+den voet dezer door de kurassiers bestegen helling, die thans door
+Engelsche drommen was overstroomd, had dit carré het kruisvuur
+der overwinnende vijandelijke artillerie, een vreeselijken,
+dichten schroot- en kogelregen uit te staan. Het werd door een
+weinig bekend officier, met name Cambronne, gecommandeerd. Bij elke
+losbranding verminderde het carré en schoot terug. Het beantwoordde
+het schrootvuur met geweervuur, terwijl het zijn vier muren steeds
+dichter bijeentrok. In de verte bleven de vluchtenden, buiten adem,
+even staan, om in de duisternis naar dit somber, steeds zwakker
+wordend geknetter te hooren.
+
+Toen dit legioen slechts een handvol meer was, toen hun vaandel was
+weggeschoten, toen hun kogels verschoten en hun geweren slechts
+knuppels meer waren, en de hoop lijken grooter was dan de groep
+levenden, ontstond bij de overwinnaars die deze verhevene stervenden
+omgaven een soort van heilige ontzetting, en de Engelsche artillerie
+verpoosde en zweeg. 't Was een soort van rust. Deze strijders waren
+omgeven door een gewemel van spookgedaanten, schimmen van mannen te
+paard, donkere omtrekken van kanonnen, door wier wielen en affuiten
+men den helderen hemel zag; het reusachtig doodshoofd, 't welk de
+helden altijd door den kruitdamp op den achtergrond van den slag
+zien, naderde en staarde hen aan. Zij konden in de schemering hooren,
+dat men de stukken laadde; de brandende lonten, die als tijgeroogen
+in den nacht glinsterden, vormden een kring om hun hoofden; al de
+lontstokken der Engelsche batterijen naderden de kanonnen; toen riep
+een Engelsch generaal--volgens sommigen Colville, volgens anderen
+Maitland--in dit uiterste oogenblik, aangedaan: Dappere Franschen,
+geeft u over!--Cambronne antwoordde: Merde!
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+CAMBRONNE.
+
+
+Voor den overdreven kieschkeurigen Franschen lezer mag het schoonste
+woord, 't welk een Franschman wellicht ooit gesproken heeft, niet
+herhaald worden. 't Is verboden het verhevene in de geschiedenis
+te vermelden.
+
+Voor onze rekening en gevaar overtreden wij dit verbod.
+
+Er was dus onder deze reuzen een titan, Cambronne.
+
+Zulk een woord te zeggen en dan te sterven, wat is er grootscher! want
+te willen sterven is sterven, en 't is de schuld van dezen man niet,
+dat hij het schrootvuur overleefd heeft.
+
+De man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is niet de vluchtende
+Napoleon; 't is niet Wellington, die te vier uren terugtrekt, te
+vijf uren wanhopend is; 't is niet Blücher, die niet gestreden heeft;
+de man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is Cambronne.
+
+Door zulk een woord den donder neer te slaan die u doodt, dit is
+overwinnen.
+
+Dit den rampspoed te antwoorden, dit aan het noodlot te zeggen, dit
+voetstuk aan den toekomstigen leeuw te geven, dit antwoord toegeworpen
+aan den nachtregen, den verraderlijken muur van Hougomont, den hollen
+weg van Ohain, de vertraging van Grouchy, de komst van Blücher;
+in het graf ironisch te zijn, zoo te handelen dat men zal staande
+blijven, na gevallen te zijn, in twee lettergrepen de Europeesche
+coalitie te beschimpen, den koningen dit door de Cesars reeds gekende
+present aan te bieden, van het laagste woord het verhevenste te
+maken, Waterloo met een vastenavond-scherts te besluiten, Leonidas
+met Rabelais aan te vullen, deze overwinning in een uiterste woord,
+dat niet genoemd mag worden, samen te vatten, terrein te verliezen
+en de geschiedenis te behouden, na zulk een bloedbad de lachers aan
+zijn zijde te hebben--dit is verheven--ontzaggelijk.
+
+'t Is den bliksem hoonen. 't Bereikt de verhevenheid van Eschylus.
+
+Het woord van Cambronne heeft de uitwerking van een breuk: het breekt
+de verachting; het breekt den trots. Wie heeft overwonnen? is
+'t Wellington? Neen. Zonder Blücher was hij verloren. Is 't
+Blücher? Neen. Zoo Wellington niet was begonnen, had Blücher niet
+kunnen eindigen. Deze Cambronne, die eerst in het laatste uur
+verschijnt, deze onbekende soldaat, dit oneindig kleine van den
+oorlog, gevoelt dat er een logen in een rampspoed is--dubbel grievend;
+en op 't oogenblik dat hij er door in woede is, biedt men hem deze
+bespotting--het leven! Waarom zou hij zich inhouden? Zij zijn dáár,
+al de koningen van Europa, de gelukkige veldheeren, de donderende
+Jupiters; zij hebben honderd duizend zegevierende soldaten; en achter
+de honderd duizend een millioen; hun kanonnen gapen, hun lonten
+vlammen; zij hebben de keizerlijke garde en de groote armee onder den
+voet; zij hebben Napoleon verpletterd, alleen Cambronne blijft over;
+niemand is er om te protesteeren dan deze nietige aardworm. Hij
+zal protesteeren. En hij zoekt een woord, evenals men een wapen
+zoekt. Gal komt bij hem op, en die gal is het woord. Tegenover
+deze ontzaggelijke en toch middelmatige zegepraal, tegenover deze
+overwinning zonder overwinnaars, richt zich deze wanhopige op; hij
+lijdt er het verschrikkelijke, maar betuigt er het nietige van; hij
+doet meer dan ze te bespuwen; en onder de bezwijking van getal, kracht
+en stof, vindt hij in de ziel een uitdrukking: verwerping. Wij herhalen
+'t, dit te zeggen, dit te doen, dit te vinden is overwinnaar zijn.
+
+De geest der groote dagen kwam in dien onbekenden man op dit noodlottig
+oogenblik. Cambronne vindt het woord voor Waterloo gelijk Rouget de
+l'Isle de Marseillaise vindt, door ingeving van boven. Een straal van
+den hemelstorm schiet door deze mannen; zij huiveren, en de een zingt
+den zwanenzang, de ander spreekt het verheven woord. Dit woord van
+reusachtige verachting werpt Cambronne, niet enkel in naam van het
+keizerrijk, Europa toe, 't zou weinig zijn; hij werpt het, in naam
+der revolutie, het verleden toe. Men hoort hem en herkent in Cambronne
+de ziel der oude reuzen. 't Is alsof Danton spreekt, of Kleber brult.
+
+Op het woord van Cambronne antwoordt de Engelsche stem: vuur! de
+batterijen vlamden, de heuvel beefde, al deze metalen monden braakten
+een laatste vreeselijk vuur; een geweldige rookwolk, flauw door de
+opgaande maan beschenen, golfde daarheen, en toen de damp verdween
+was er niets meer. Het vreeselijk overschot was vernietigd; de garde
+was dood. De vier muren van de levende schans lagen ter aarde; met
+moeite onderscheidde men hier en daar een trilling onder de lijken;
+alzoo sneefden de Fransche legioenen, grooter dan de Romeinsche,
+te Mont-Saint-Jean op de met regen en bloed gedrenkte aarde, in het
+donkere koren, ter plaatse waar thans Jozef, de postiljon van Nivelles,
+te vier uren des morgens, fluitend en vroolijk zijn paard zweepende,
+voorbij rijdt.
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+QUOT LIBRAS IN DUCE?
+
+
+De slag bij Waterloo is een raadsel. Hij is even duister voor hen die
+hem gewonnen, als voor hen die hem verloren hebben. Voor Napoleon is
+'t een paniek [2]; Blücher ziet er niets dan vuur; Wellington begrijpt
+er niets van. Zie de rapporten. De berichten zijn onduidelijk, de
+verklaringen zijn verward. Dezen stamelen, genen stotteren. Jomini
+verdeelt den slag bij Waterloo in vier momenten; Muffling in drie
+tooneelen; Charras, schoon hij eenige punten anders opvat dan wij,
+heeft alleen met zijn fieren blik de karakteristieke omtrekken van
+deze worsteling van 't menschelijk genie met de beschikking des
+Hemels begrepen. Al de overige geschiedschrijvers zijn in zekere
+verbijstering en zij tasten in deze verbijstering rond. Inderdaad een
+bedwelmende gebeurtenis, de instorting der militaire monarchie, die,
+tot ontzetting der koningen, alle koninkrijken heeft medegesleept,
+de val van het geweld, de nederlaag van den oorlog.
+
+De menschen hebben tot deze gebeurtenis, welke het merk der
+bovenmenschelijke noodzakelijkheid draagt, niets toegebracht.
+
+Wellington en Blücher Waterloo te ontnemen, is dit Engeland en
+Duitschland iets ontnemen? Neen. Noch het roemrijk Engeland, noch
+het doorluchtig Duitschland zijn in het probleem van Waterloo
+betrokken. Den hemel zij dank, de volken zijn groot buiten de
+sombere toevallen des degens. Noch Duitschland, noch Engeland, noch
+Frankrijk worden door een scheede besloten. In dit tijdperk, waarin
+Waterloo slechts een wapengekletter is, heeft Duitschland Goethe boven
+Blücher, Engeland Byron boven Wellington. Onze eeuw verheft zich op
+de ontwikkeling van den geest, en Engeland en Duitschland prijken in
+heerlijken glans op dit veld. Zij zijn majestueus, wijl zij denken. De
+vooruitgang der beschaving is mede hun werk, deze ontstaat uit hen en
+niet door het toeval. De grootheid welke zij in de negentiende eeuw
+hebben, heeft Waterloo niet tot oorsprong. Slechts barbaarsche volken
+breiden zich plotseling na een overwinning uit. 't Is de vluchtige
+zwelling der rivier na een stortvloed. De beschaafde volken, vooral
+in den tijd dien wij beleven, stijgen of dalen niet door het geluk of
+het ongeluk van een veldheer. Hun soortelijk gewicht in 't menschelijk
+geslacht ontstaat uit iets meer dan uit een veldslag. Hun eer, hun
+waardigheid, hun verlichting, hun genie zijn, Goddank, geen nummers,
+welke de helden en veroveraars, deze hazardspelers, in de loterij
+der veldslagen kunnen nemen. Vaak is een verloren veldslag, gewonnen
+vooruitgang. Hoe minder roem, hoe meer vrijheid. De trom zwijgt,
+de rede neemt het woord. 't Is het spel "die wint verliest." Laat
+ons dus van weerszijden met kalmte over Waterloo spreken. Geven wij
+het toeval wat het toeval toekomt, en aan God wat God toekomt. Wat
+is Waterloo? Een overwinning? Neen. Een lot uit de loterij.
+
+Een lot door Europa gewonnen; door Frankrijk betaald.
+
+'t Was nauwelijks der moeite waard, hiervoor een leeuw te
+plaatsen. Waterloo is overigens de vreemdste ontmoeting, die in de
+geschiedenis voorkomt. Napoleon en Wellington. 't Zijn geen vijanden,
+'t zijn tegenstrijdigheden. God, die tegenstellingen bemint,
+heeft nooit opmerkelijker contrast en buitengewoner samentreffing
+geschapen. Aan de eene zijde nauwkeurigheid, bedachtzaamheid,
+wiskundige berekening, voorzichtigheid, verzekerde aftocht, bespaarde
+reserven, een volhardende koelbloedigheid, een onwrikbare methode,
+een krijgskunst die zich het terrein ten nutte maakt, een tactiek die
+de bataljons in evenwicht houdt, een bloedbad met de lijn afgemeten,
+de oorlog met het horloge in de hand, geregeld, niets aan het toeval
+overgelaten, de oude klassieke moed, de volstrekte juistheid; aan
+de andere zijde onwillekeurige ingeving en voorgevoel, de militaire
+zonderlingheid, het bovenmenschelijk instinct, de vlammende blik,
+iets onbekends, dat als de arend nederschiet en als de bliksem treft;
+een wonderbaarlijke kunst bij een verachtende onstuimigheid, al de
+verborgenheden eener diepe ziel, het verbond met het noodlot; de
+stroom, de vlakte, het bosch, de heuvel, opgeroepen en eenigerwijs
+gedwongen tot gehoorzaamheid, de despoot, zelfs zoover gaande van
+het slagveld te tyranniseeren; het geloof aan een goed gesternte
+gepaard aan de krijgswetenschap, haar uitbreidende, maar zonder
+regel. Wellington was de Barême van den oorlog, Napoleon de Michel
+Angelo, en ditmaal werd het genie door de berekening verwonnen.
+
+Aan beide zijden wachtte men iemand. De nauwkeurige rekenaar
+slaagde. Napoleon verwachtte Grouchy; deze kwam niet. Wellington
+verwachtte Blücher: deze kwam.
+
+Wellington is de klassieke oorlog, die revanche neemt. Bonaparte
+had, bij zijn opkomst, dien oorlog in Italië gevonden en trotsch
+geslagen. De oude uil was voor den jongen gier gevlucht. De oude
+krijgskunst was niet alleen verpletterd, maar te schande gemaakt. Wie
+was deze zesentwintigjarige korsikaan, wat beteekende deze schitterende
+onbekende, die alles tegen, niets vóór zich had, zonder levensmiddelen,
+zonder ammunitie, zonder geschut, zonder schoenen, schier zonder
+wapens, zich met een handvol soldaten tegenover legerdrommen op
+het verbonden Europa wierp en ongerijmd, tegen alle regels, schier
+onmogelijke overwinningen behaalde? Wat was deze nieuweling in den
+oorlog, die de stoutheid van een bovenaardsch wezen had? De militaire
+hoogeschool deed hem in den ban, daar hij haar ontvluchtte. Hierdoor
+ontstond een onverzoenlijke vijandschap van het oude Cesarisme tegen
+het nieuwe, van de nauwkeurige sabel tegen het vlammende zwaard, en
+van het schaakspel tegen het genie. Den 18 Juni had deze vijandschap
+het laatste woord, en schreef, onder Lodi, Montebello, Montenotte,
+Mantua, Marengo, Arcola: "Waterloo." Zege der middelmatigheid, die
+de meerderheid behaagt. Het noodlot nam genoegen met deze ironie. Bij
+zijn ondergang vond Napoleon een jongen Suwarow voor zich.
+
+Om Suwarow te hebben was er inderdaad niet meer noodig dan Wellington's
+haar grijs te maken.
+
+Waterloo is een veldslag van den eersten rang, door een veldheer van
+den tweeden rang gewonnen.
+
+Wat men in den veldslag bij Waterloo moet bewonderen is Engeland,
+de Engelsche standvastigheid, de Engelsche vastberadenheid, het
+Engelsch bloed; wat Engeland er het heerlijkst heeft gehad, is, als
+ik 't zeggen mag, zich zelf. 't Is niet zijn veldheer, 't is zijn
+leger. Zonderling ondankbaar, verklaart Wellington, in een brief aan
+lord Bathurst, dat zijn leger, 't welk den 18 Juni 1815 gestreden
+heeft, een "afschuwelijk leger" was. Wat zegt hiervan de donkere
+ontzaggelijke hoop beenderen onder de voren van Waterloo begraven?
+
+Engeland is tegenover Wellington te nederig geweest. Wellington zoo
+groot te maken is Engeland verkleinen. Wellington is slechts een gewoon
+held. De grijze Schotten, de horseguards, de regimenten van Maitland
+en Mitchell, de infanterie van Pack en van Kempt, de cavalerie van
+Ponsonby en van Somerset, de Hooglanders die onder het schroot op
+de pibroch spelen, de bataljons van Rylandt, de jonge recruten,
+die nauwelijks het geweer wisten te hanteeren, en de oude benden
+van Esslingen en van Rivoli het hoofd boden,--ziedaar wat grootsch
+is. Wellington was volhardend, en dit was zijn eenige verdienste;
+wij willen er niets op afdingen, maar de minste zijner voetknechten
+en ruiters was even standvastig als hij. De iron-soldier (ijzeren
+soldaat) is evenveel waard als de iron-duke (ijzeren hertog). Onze
+geheele vereering is voor den Engelschen soldaat, het Engelsche leger,
+het Engelsche volk. Zoo er een zegeteeken moet zijn, komt het Engeland
+toe. De kolom van Waterloo zou juister zijn, zoo zij in plaats van
+de gestalte eens mans, het beeld eens volks in de wolken verhief.
+
+Maar het groote Engeland zal zich vertoornen over hetgeen wij
+hier zeggen. Het heeft nog, na zijn 1688 en ons 1789, zijn feodale
+hersenschim. Het gelooft aan de erfelijkheid en de hierarchie. Dit
+volk, dat door geen ander in macht en roem wordt overtroffen, acht
+zich als natie, niet als volk. Als volk onderwerpt het zich gewillig
+en neemt een lord tot hoofd aan. Als workman (arbeider) laat het
+zich verachten; als soldaat laat het zich stokslagen geven. Men weet,
+dat een sergeant, die naar 't schijnt, in den slag van Inkermann het
+leger gered heeft, door lord Raglan niet kon vermeld worden, wijl
+de Engelsche militaire hierarchie niet veroorlooft in een rapport
+melding te maken van een held beneden den rang van officier.
+
+Wat ons bovenal treft in een ontmoeting als die van Waterloo, is
+de wonderbare behendigheid van het toeval. De nachtregen, de muur
+van Hougomont, de holle weg van Ohain, Grouchy doof voor het kanon,
+Napoleon door den gids bedrogen, Bulow door den gids terechtgewezen,
+al deze omstandigheden zijn wonderbaar bestuurd.
+
+In 't algemeen moet gezegd worden, dat Waterloo veeleer een bloedbad
+dan een veldslag was. Waterloo heeft van alle geregelde veldslagen
+het kleinste front bij een zoo groot getal strijders. Napoleon drie
+kwartier; Wellington een half uur; twee en zeventig duizend strijders
+aan elke zijde. Uit deze gedrongenheid ontstond het bloedbad. Men heeft
+deze berekening en deze verhouding gevonden: Verlies aan troepen:
+te Austerlitz, Franschen, veertien percent; Russen, dertig percent;
+Oostenrijkers, vierenveertig percent. Te Wagram, Franschen, dertien
+percent, Oostenrijkers veertien percent. Aan de Moskowa, Franschen,
+zevenendertig, Russen vierenveertig percent. Te Bautzen, Franschen,
+dertien percent, Russen en Pruisen, veertien. Te Waterloo, Franschen,
+zesenvijftig percent, Gealliëerden eenendertig. Gezamenlijk voor
+Waterloo eenenveertig percent. Honderd vierenveertig duizend strijders;
+zestigduizend dooden.
+
+Het veld van Waterloo heeft thans de kalmte, welke aan de aarde,
+als de rustige voedster van den mensch, behoort, en het gelijkt op
+alle vlakten.
+
+Des nachts evenwel stijgt er als een tooverachtige nevel op, en zoo
+een reiziger er wandelt, er rondziet, er luistert, zoo hij mijmert
+als Virgilius op de noodlottige vlakte van Philippes, verschijnt
+het vreeselijke schouwspel voor zijn geest. De ontzettende 18 Juni
+herleeft; het valsche heuvel-monument wijkt, de leeuw, hoe dan ook,
+verdwijnt, het wezenlijke slagveld is er weder, infanterie-gelederen
+golven over de vlakte; in woesten galop vliegt de ruiterij langs
+den horizon; de verschrikte mijmeraar ziet het flikkeren der sabels,
+het schitteren der bajonetten, het vlammen der bommen, en verneemt
+het vreeselijke gebulder der elkander kruisende donders; hij hoort
+als een gereutel in de diepte van een graf, het flauw gerucht van
+het spookbeeld des veldslags; deze schimmen zijn de grenadiers;
+deze flikkeringen zijn de kurassiers; dit geraamte is Napoleon;
+dit geraamte is Wellington; dat alles is niet meer, en dringt en
+strijdt nog; de holle wegen worden purper, en de boomen rillen; er is
+zelfs woede in de wolken, en in de duisternis verschijnen op al deze
+woeste hoogten, Mont-Saint-Jean, Hougomont, Frischemont, Papelotte,
+Plancenoit, onduidelijk zwermen van schimmen, die elkander verdelgen.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+MOET MEN WATERLOO GOEDVINDEN?
+
+
+Er bestaat een zeer achtenswaardige vrijzinnige school, die Waterloo
+niet haat. Wij behooren er niet toe. Voor ons is Waterloo slechts
+de vervalschte dagteekening der vrijheid. Dat een arend als dien wij
+kennen uit zulk een ei voortkomt, is stellig onverwacht.
+
+Waterloo is, zoo men zich op het hoogste gezichtspunt der kwestie
+plaatst, een bedeelde anti-revolutionnaire overwinning. 't Is Europa
+tegen Frankrijk, 't is Petersburg, Berlijn en Weenen tegen Parijs,
+'t is het status-quo tegen het initiatief, 't is de 14 Juli 1789 door
+den 20 Maart 1815 aangevallen: 't is de wapenkreet der monarchieën
+tegen het onbedwingbaar Fransch oproer. Dit groote volk te dempen,
+dat sinds 26 jaar vuur en vlam verspreidde, was de bedoeling. Vandaar
+het verbond der Brunswijkers, Nassauers, Romanoffs, Hohenzollerns,
+Habsburgen met de Bourbons. Waterloo draagt het "bij de gratie Gods"
+aan 't hoofd. Het is waar, dat, wijl het Keizerrijk despotiek was
+geweest, het koningschap, tengevolge der natuurlijke terugwerking,
+gedwongen was liberaal te wezen, en dat een constitutioneele
+orde zeer tegen den zin en tot grooten spijt der overwinnaars uit
+Waterloo is voortgekomen. 't Is omdat de revolutie werkelijk niet
+verwonnen kan worden en als een noodwendig gevolg der omstandigheden
+steeds weder verschijnt, vóór Waterloo, in Bonaparte als hij de oude
+tronen omverwerpt, na Waterloo, in Lodewijk XVIII als hij het Charter
+verleent en er zich aan onderwerpt. Bonaparte plaatst een postiljon
+op den troon van Napels en een sergeant op den troon van Zweden;
+hij bezigt de ongelijkheid om de gelijkheid te bewijzen; Lodewijk
+XVIII onderteekent te Saint-Ouen de verklaring der rechten van den
+mensch. Wilt ge u rekenschap geven van wat revolutie is, noem haar
+"vooruitgang"; wilt ge u rekenschap geven van wat vooruitgang is,
+noem hem "morgen." "Morgen" verricht onweerstaanbaar zijn werk,
+en begint reeds heden. Op zonderlinge wijze bereikt het altijd zijn
+doel. Het gebruikt Wellington om van Foy, die slechts een soldaat
+was, een redenaar te maken. Foy valt te Hougomont en herrijst op de
+tribune. Zoo handelt de vooruitgang. Er zijn geen slechte werktuigen
+voor dezen arbeider! Onbekommerd bezigt hij voor zijn goddelijk werk
+den man die over de Alpen stapt, en den goeden zwakken grijsaard. Hij
+bedient zich van den podagrist evenzeer als van den overwinnaar; van
+den overwinnaar naar buiten, van den podagrist naar binnen. Waterloo
+heeft een einde gemaakt aan het omstorten der tronen van Europa
+door het zwaard, doch heeft geen ander gevolg gehad dan het werk der
+revolutie aan de andere zijde te doen voortzetten. De heerschappij
+van het zwaard was ten einde; de beurt was nu aan de denkers. De eeuw,
+welke Waterloo wilde tegenhouden, is er over heengegaan en heeft haar
+weg vervolgd. Deze treurige overwinning is door de vrijheid verworven.
+
+Wat ten slotte en onwedersprekelijk te Waterloo zegevierde, wat achter
+Wellington glimlachte, wat hem al de maarschalksstaven van Europa,
+daarbij zoo men zegt den maarschalksstaf van Frankrijk bezorgde, wat
+vroolijk den grond, nog vol beenderen, tot een heuvel deed opkruien
+om er den leeuw op te richten, wat zegepralend op dat voetstuk den
+datum "18 Juni 1815" heeft geschreven, wat Blücher aanmoedigde om de
+vluchtelingen neer te sabelen, wat van den top van Mont-Saint-Jean zich
+naar Frankrijk als naar een prooi boog, was de contra-revolutie. 't
+Was de tegenomwenteling, die het schandelijk woord: "Verbrokkeling"
+mompelde. Te Parijs gekomen, heeft zij den krater van nabij gezien,
+en voelde dat deze asch haar de voeten verbrandde, en zij bedacht
+zich. Zij vergenoegde zich met het stamelen van een charter.
+
+Laat ons in Waterloo niets zien dan 't geen in Waterloo is. Van
+vrijheid uit goeden wil, niets. De contra-revolutie was onwillekeurig
+liberaal, evenals door een hiermede overeenkomend verschijnsel Napoleon
+onwillekeurig revolutionnair was. Den 18 Juni 1815 werd de Robespierre
+te paard uit den zadel gelicht.
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+UITBREIDING VAN HET "GODDELIJK RECHT."
+
+
+Einde van het dictatorschap. Het geheele stelsel van Europa stortte in.
+
+Het Keizerrijk verzonk in een schaduw, welke die der stervende
+Romeinsche wereld geleek. Men zag weder een afgrond als ten tijde der
+barbaren. Maar de barbaarschheid van 1815, welke men bij haar korten
+naam van contra-revolutie moet noemen, had weinig adem, was spoedig
+uitgeput en bleef steken. Het Keizerrijk, wij moeten het zeggen, werd
+beweend, en beweend door de oogen van helden. Zoo de roem bestaat
+in het zwaard tot schepter gemaakt, was het Keizerrijk de roem zelf
+geweest. Het had op aarde al het licht verspreid, dat de dwingelandij
+geven kan; een somber licht. Wat meer is, een duister licht. Bij het
+ware daglicht vergeleken is het nacht. Deze verdwijning van den nacht,
+had de uitwerking eener eclips.
+
+Lodewijk XVIII kwam te Parijs terug. De rondedansen van den 8
+Juli wischten de geestdrift van den 20 Maart uit. De Korsikaan
+werd de tegenstelling van den Béarner. De vlag van den koepel der
+Tuilerieën werd wit. De verbanning zat op den troon. De withouten
+tafel van Hartwell nam plaats vóór den gelelieden armstoel van
+Lodewijk XIV. Men sprak van Bouvines en Fontenoy als van gisteren,
+Austerlitz was verouderd. Het altaar en de troon waren in hartelijke
+broederschap. Een der onbetwistbaarste vormen van geluk voor de
+maatschappij in de negentiende eeuw vestigde zich in Frankrijk en
+op het vasteland. Europa nam de witte kokarde aan. Trestaillon was
+beroemd. Het devies non pluribus impar verscheen weder in de steenen
+stralen, die op den voorgevel der kazerne van de kade Orsay een zon
+vormden. Waar een Keizerlijke garde was geweest, was een rood huis. De
+boog van het Carousel, overladen met kwalijk verdragen overwinningen,
+als vreemd temidden dezer nieuwigheden, misschien eenigszins beschaamd
+door Marengo en Arcola, trok zich uit de verlegenheid met het beeld
+van den hertog van Angoulême. Het Magdalena kerkhof, een ontzettende
+algemeene grafplaats van 93, werd met marmer en jaspis overdekt;
+het gebeente van Lodewijk XVI en van Maria Antoinette bevond zich in
+dit stof. In de slotgracht van Vincennes verrees een halve zuil, ter
+herinnering dat de hertog van Enghien in dezelfde maand was gestorven
+als Napoleon gekroond werd. Paus Pius VII, die deze kroning had
+gewijd, zoo dicht bij dezen dood, zegende den val even bedaard als
+hij de verheffing had gezegend. Te Schönbrunn was een kleine schim
+van vier jaren, men was een oproerling zoo men hem koning van Rome
+noemde. En al deze dingen zijn geschied, en deze koningen hebben hun
+tronen hernomen, en de meester van Europa is in een kooi gezet, en
+het oude regeeringstelsel is herleefd, en al de duisternis en al het
+licht der aarde zijn van plaats veranderd, wijl op den achtermiddag
+van een zomerdag een herder in een bosch tot een Pruis zeide: ga
+hierheen en niet daarheen!
+
+Dat 1815 was een soort van treurigen April. De oude ongezonde en
+giftige werkelijkheid nam een nieuw voorkomen aan. De logen vereenigde
+zich met 1789, het "goddelijk recht" vermomde zich onder een charter,
+fictiën werden constitutioneel, vooroordeelen, bijgeloovigheden
+en nevengedachten, met art. 14 in het hart, vernisten zich met het
+liberalisme. Verandering van vel bij de slang.
+
+De mensch was door Napoleon tevens verheven en vernederd. Het ideaal
+had, onder deze regeering van de schitterende stof, den zonderlingen
+naam van ideologie ontvangen. Een groote onvoorzichtigheid van een
+groot man, om met de toekomst te spotten. De volken evenwel, dat
+kanonnenvleesch, 't welk den kanonnier zoo lief had, zochten hem
+met de oogen. Waar is hij? Wat doet hij? Napoleon is dood, zeide
+een voorbijganger tot een invalide van Marengo en Waterloo.--"Hij
+dood!" riep de soldaat, "dan kent gij hem niet!" De geesten
+mistrouwden dien neergevelden man. Na Waterloo was de achtergrond
+van Europa duister. Eene ontzaggelijke plaats bleef lang ledig door
+de verdwijning van Napoleon.
+
+De koningen plaatsten zich in dat ledige. Het oude Europa
+maakte zich dit ten nutte om zich te hervormen. Er was een
+Heilig-Verbond. Belle-Alliance, had het noodlottig veld van Waterloo
+reeds vooraf gezegd.
+
+In de tegenwoordigheid en tegenover het oude herschapen Europa
+werden de lijnen van een nieuw Frankrijk getrokken. De toekomst,
+door den Keizer bespot, deed zijn intrede. Zij had op het voorhoofd
+deze ster, "Vrijheid." De vurige oogen der jonge geslachten richtten
+zich op haar. Zonderling, men was tegelijkertijd door deze toekomst,
+Vrijheid, en dat verleden, Napoleon, bekoord. De nederlaag had
+den verwonneling grooter gemaakt. De gevallen Bonaparte scheen
+hooger dan de staande Napoleon. Zij, die gezegevierd hadden, waren
+beangst. Engeland deed hem door Hudson Lowe bewaken, en Frankrijk hem
+door Montchenu bespieden. Het kruisen zijner armen wekte de bekommering
+der tronen. Alexander noemde hem: mijn slapeloosheid. Deze angst
+ontstond door de hoeveelheid revolutie, die in hem was. Dit verklaart
+en verschoont het Bonapartistische liberalisme. Dit spookbeeld deed de
+oude wereld beven. De koningen zaten niet op hun gemak op hun tronen,
+met de rots van St. Helena aan den horizon.
+
+Terwijl Napoleon te Longwood zieltoogde, verteerden de op het veld van
+Waterloo gevallen zestig duizend menschen rustig, en iets van hunne
+rust breidde zich over de wereld uit. Het Weener Congres maakte er
+de tractaten van 1815 van, en dit noemde Europa de restauratie.
+
+Dit is nu Waterloo!
+
+Maar wat doet het aan 't oneindige? deze orkaan, deze wolk, deze oorlog
+en vervolgens deze vrede, deze schim, verduisterde ook geen oogenblik
+het oneindig oog voor 't welk de worm, die van de eene grasspriet op
+de andere kruipt, even belangrijk is als de arend die van torenspits
+tot torenspits naar de Notre-Dame vliegt.
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET SLAGVELD DES NACHTS.
+
+
+Wij moeten nog eenmaal naar het noodlottig slagveld terugkeeren.
+
+'t Was den 18 Juni 1815 volle maan. Deze helderheid begunstigde de
+wreede vervolging van Blücher, verried het spoor der vluchtenden,
+leverde deze rampzalige massa aan de verwoede Pruisische cavalerie
+over, en was in 't moorden behulpzaam. Bij dergelijke rampspoeden
+toont de nacht zich dikwijls zoo welwillend.
+
+Na het laatste kanonschot, bleef de vlakte van Mont-Saint-Jean
+verlaten.
+
+De Engelschen betrokken het kamp der Franschen; in het bed van den
+overwonneling te slapen is de gewone bekrachtiging der overwinning. Zij
+richtten hun bivouakken op aan gene zijde van Rossomme. De Pruisen
+stormden voorwaarts om de vluchtelingen te vervolgen. Wellington
+ging naar het dorp Waterloo, om zijn rapport aan lord Bathurst op
+te stellen.
+
+Zoo ooit het sic vos non vobis van toepassing was, is 't onbetwistbaar
+op dat dorp Waterloo. Waterloo heeft niets gedaan en bleef een half
+uur van 't slagveld. Mont-Saint-Jean werd gebombardeerd, Hougomont
+werd verbrand, Papelotte werd verbrand, Plancenoit werd verbrand,
+la Haie-Sainte werd stormenderhand ingenomen, la Belle-Alliance zag
+de omhelzing der twee overwinnaars; men kent nauwelijks deze namen,
+en Waterloo, dat niets tot den slag heeft toegebracht, heeft er al
+de eer van.
+
+Wij behooren niet tot dezulken die den oorlog vleien; wanneer de
+gelegenheid zich voordoet, zeggen wij hem de waarheid. De oorlog
+heeft afgrijselijke schoonheden, welke wij niet verheeld hebben;
+hij heeft ook, wij erkennen het gaarne, zijn afzichtelijkheden. Een
+der treffendste is de spoedige ontkleeding en berooving der dooden na
+de overwinning. De morgenstond, die op een veldslag volgt, beschijnt
+steeds naakte lijken.
+
+Wie doet dat? Wie bezoedelt aldus de overwinning? Wie is die
+afschuwelijke, vlugge hand, die in den zak der overwinning sluipt? Wie
+zijn de gauwdieven, die achter den roem hun slag waarnemen? Eenige
+philosofen, Voltaire onder anderen, beweren, dat het juist dezulken
+zijn, die den roem verworven hebben. 't Zijn dezelfden, zeggen zij,
+geen anderen; zij die staan, plunderen degenen die liggen. De held van
+den dag is de vampier van den nacht. Men heeft toch in allen geval wel
+het recht, om het lijk dat ons werk is, een weinig te plunderen. Wij
+gelooven dit echter niet. 't Komt ons onmogelijk voor, dat dezelfde
+hand die lauweren heeft geplukt, de schoenen van een doode kan stelen.
+
+Zeker is het, dat na de overwinnaars gewoonlijk de dieven komen. Maar
+beschuldigen wij den soldaat, vooral den soldaat van den tegenwoordigen
+tijd niet.
+
+Ieder leger heeft een tros, en dezen moet men
+beschuldigen. Vleermuisachtige wezens, half roovers, half knechts, alle
+soort van gespuis, 't welk uit de duisternis geboren wordt, die men
+oorlog noemt; uniform dragenden, die niet vechten; geveinsde zieken;
+verminkten; cantine-houders, die soms met hun vrouwen op karretjes
+sluikswijze medetrekken en stelen wat zij verkoopen; bedelaars, die
+zich als gidsen bij de officieren aanbieden; trosboeven; stroopers--dit
+alles sleepten eertijds--wij spreken niet van den tegenwoordigen
+tijd--de marcheerende legers mede, en dit werd op eigenaardige wijze
+de "nakomers" (traînards) genoemd. Geen leger, geen natie was voor
+deze wezens verantwoordelijk; zij spraken Italiaansch en volgden de
+Duitschers; zij spraken Fransch en volgden de Engelschen. Door een
+dezer ellendelingen, een Spaansch "nakomer" die Fransch sprak, werd de
+markies Fervacques, die, door zijn Picardisch koeterwaalsch misleid,
+hem voor een der onzen hield, verraderlijk vermoord en uitgeplunderd,
+op het slagveld zelf in den nacht, die op de overwinning van Cérisolles
+volgde. Uit het stroopen ontstond de strooper. De verfoeielijke
+grondstelling: "Van den vijand leven" bracht dezen kanker voort, die
+slechts een strenge krijgstucht genezen kon. Er zijn bedriegelijke
+beroemdheden; men weet niet altijd, waarom zekere, schoon overigens
+groote, generaals zoo populair zijn geweest. Turenne werd door zijn
+soldaten aangebeden, wijl hij de plundering veroorloofde; het vergunde
+kwaad maakt een deel der goedheid uit; Turenne was zoo goed, dat hij
+den Palz te vuur en te zwaard liet verwoesten. In het gevolg des legers
+vond men meer of minder stroopers, naar gelang de bevelhebber min of
+meer streng was. Hoche en Marcheau hadden geen "nakomers;" Wellington,
+wij laten hem gaarne deze gerechtigheid wedervaren, had er weinig.
+
+Men plunderde evenwel in den nacht van den 18 op den 19 Juni de
+dooden. Wellington was streng; hij beval ieder die op heeter daad
+betrapt werd dood te schieten; maar de roof is hardnekkig. De stroopers
+dreven in den eenen hoek van het slagveld hun spel, terwijl men hen
+in den anderen doodschoot.
+
+De maan scheen akelig op de vlakte.
+
+Tegen middernacht sloop of liever kroop een man nabij den hollen
+weg van Ohain. 't Was, naar alle waarschijnlijkheid, een derzulken,
+welke wij zooeven geschetst hebben, noch Engelschman, noch Franschman,
+noch boer, noch soldaat, veeleer een vampier dan een mensch, door
+den reuk der lijken gelokt, voor wien diefstal overwinning was, en
+gekomen om Waterloo te berooven. Hij was in een kiel gekleed, die iets
+van een kapotjas had; onrustig en stoutmoedig ging hij voort, echter
+telkens omziende. Wie was deze man? De nacht kende hem waarschijnlijk
+beter dan de dag. Hij had geen ransel, maar blijkbaar groote zakken
+onder zijn kapotjas. Van tijd tot tijd bleef hij staan, keek rondom
+zich over de vlakte, als om te zien of hij ook werd opgemerkt, bukte
+schielijk, verschoof iets zwijgends en onbewegelijks op den grond,
+richtte zich weer op en ging verder. Zijn sluipende tred, zijn houding,
+zijn haastige geheimzinnige beweging deden hem een dier avondspoken
+gelijken, welke de bouwvallen bewonen, en waarvan de Normandische
+legenden spreken.
+
+Sommige vogels vertoonen des nachts dergelijke gedaanten in de
+moerassen.
+
+Een scherpe blik zou in die geheele schemering op eenigen
+afstand, achter een vervallen huis, ter plaatse waar de weg van
+Nivelles dien van Mont-Saint-Jean naar Braine-l'Alleud kruist,
+een marketenterskarretje hebben bespeurd, met een kap van geteerd
+twijgwerk, en bespannen met een hongerigen knol, die tusschen het
+gebit brandnetels knabbelde, en in het karretje een soort van vrouw,
+op kisten en pakken gezeten. Misschien bestond er wel betrekking
+tusschen dit karretje en dien strooper.
+
+'t Was een heldere duisternis. Geen wolk was aan den hemel. Schoon
+de aarde ook rood zij, de maan blijft wit. Zoo onverschillig is de
+hemel in vele opzichten voor de aarde. Op de weiden wiegelden zich
+in den avondwind de boomtakken, die de kogels gebroken, maar niet
+afgeschoten hadden. Een koeltje, schier een ademtocht, bewoog de
+struweelen. Het gras rilde, alsof er zielen uit opstegen.
+
+In de verte hoorde men flauw het komen en gaan der patrouilles en
+rondes van het Engelsche legerkamp.
+
+Hougomont en la Haie Sainte brandden nog en vormden, het een in 't
+westen, het ander in 't oosten, twee groote vlammen, waaraan zich,
+als een snoer van losse robijnen, met twee karbonkels aan beide einden,
+de rij der Engelsche wachtvuren sloot, die in een wijden halven kring
+op de heuvelen in de verte verspreid waren.
+
+Wij hebben den rampspoed in den hollen weg van Ohain verhaald. Het
+hart beeft als men aan dezen gruwzamen dood van zoovele dapperen denkt.
+
+Zoo er iets vreeselijks is, zoo er een werkelijkheid boven de
+voorstelling gaat, is het dit: te leven, de zon te zien, in het
+volle bezit van mannelijke kracht, gezond en vroolijk te zijn,
+hartelijk te lachen, naar een roem te ijlen, dien men voor zich
+ziet schitteren, zijn borst te voelen ademen, zijn hart te kloppen,
+een redelijken wil te hebben, te spreken, te denken, te hopen, te
+beminnen, een moeder, een gade, kinderen te hebben, het licht te zien,
+en eensklaps, in den tijd van een kreet, in minder dan een minuut
+in een afgrond te verzinken, te vallen, te rollen, te verpletteren,
+verpletterd te worden, koornaren, bloemen, bladeren, takken te zien,
+zonder zich aan iets te kunnen vasthouden, zijn sabel nutteloos,
+mannen onder zich, paarden boven zich, vruchteloos worstelen, de
+beenderen door 't spartelen van een paard in de duisternis gebroken,
+de oogen uitgetrapt, te stikken, te wringen, te krijten, en te moeten
+zeggen: zooeven leefde ik nog.
+
+Waar dit vreeselijk ongeluk had plaats gehad, was alles nu stil. De
+holle weg was tot aan den kant der glooiingen met paarden en menschen
+gevuld. Een ijselijke toestand. Er waren geen glooiingen meer,
+de lijken maakten de vlakte gelijk met den hollen weg, die als
+een korenmaat tot aan den rand vol was. Een hoop dooden van boven,
+een stroom bloeds beneden, aldus was deze weg in den avond van 18
+Juni 1815. Het bloed stroomde tot op den straatweg van Nivelles en
+vormde er een grooten plas vóór den hoop boomen, die den straatweg
+versperde, op een plek welke men nog aanduidt. Men herinnere zich,
+dat op het tegenovergestelde punt, naar den kant van Genappe, de ramp
+der kurassiers had plaats gehad. De dikte van den hoop lijken was
+geëvenredigd aan de diepte van den hollen weg. Omstreeks het midden,
+ter plaatse waar hij vlakker werd en de divisie Delord was overgegaan,
+was de hoop lijken dunner.
+
+De nachtelijke zwerver, dien wij den lezer hebben aangewezen, ging
+naar die zijde. Hij doorsnuffelde dit groote graf. Hij hield een
+afgrijselijke revue over deze dooden. Hij waadde door het bloed.
+
+Eensklaps stond hij stil.
+
+Eenige schreden voor hem, in den hollen weg, op het punt waar de hoop
+dooden eindigde, kwam uit dien stapel menschen en paarden een open
+hand te voorschijn, die door de maan beschenen werd.
+
+Aan een vinger van die hand zat iets dat glinsterde, een gouden ring.
+
+De man bukte, bleef een oogenblik gebogen, en toen hij zich oprichtte
+was aan de hand geen ring meer.
+
+Hij richtte zich eigenlijk niet op, maar bleef in een schuwe, woeste
+houding, met den rug naar de dooden gekeerd; hij boog het bovenlijf
+omlaag en liet het op de vingers rusten, die op den grond steunden,
+terwijl hij loerend het hoofd over den kant van den hollen weg stak. De
+vier pooten van den jakhals passen voor sommige handelingen.
+
+Toen hij een besluit had genomen, richtte hij zich overeind. Op
+'t zelfde oogenblik maakte hij schier een buiteling. Hij voelde,
+dat men hem van achter vasthield.
+
+Hij keerde zich om; 't was de open hand, die zich gesloten en den
+slip van zijn kapotjas gegrepen had.
+
+Een eerlijk man zou ontsteld zijn geweest. Deze lachte.
+
+"O," zeide hij, "'t is slechts de doode. Ik heb liever met een spook
+dan met een gendarm te doen."
+
+Maar de hand verzwakte en liet los. Een inspanning duurt slechts kort
+in het graf.
+
+"Ha," hernam de strooper, "is deze doode levend? Laat ons zien."
+
+Opnieuw bukte hij, woelde in den hoop, verwijderde wat hem hinderde,
+greep de hand, omklemde den arm, maakte het hoofd vrij, trok aan
+het lichaam, en eenige oogenblikken later sleepte hij in de schaduw
+van den hollen weg een zielloos, althans bewusteloos, mensch. 't
+Was een kurassier, een officier, zelfs een officier van voornamen
+rang; een dikke gouden epaulet kwam uit zijn kuras te voorschijn;
+de officier had geen helm meer. Een geweldige sabelhouw had zijn
+gezicht gewond, waarop men enkel bloed zag. Overigens scheen geen
+zijner leden gebroken te zijn; en door een gelukkig toeval, als wij
+'t zoo mogen noemen, hadden de dooden een boog boven hem gevormd,
+die hem voor verplettering behoed had. Zijn oogen waren dicht.
+
+Hij droeg op zijn kuras het zilveren kruis van het legioen van eer.
+
+De strooper rukte dit kruis af, 't welk in een der holen verdween,
+die hij onder zijn kapotjas had.
+
+Daarna betastte hij 't horlogezakje van den officier, voelde een
+horloge en nam het. Voorts onderzocht hij het vest, vond er een beurs
+en stak ze in zijn zak.
+
+Toen hij zoo ver was gekomen met de hulp, welke hij den stervende
+bracht, opende de officier de oogen.
+
+"Ik dank u," zeide hij flauw.
+
+De levendigheid der bewegingen van den man, die hem hanteerde, de
+frischheid van den nacht, de vrijelijk ingeademde lucht hadden hem
+uit zijn verdooving gewekt.
+
+De strooper antwoordde niet. Hij hief het hoofd op. Op de vlakte
+hoorde men het gerucht van voetstappen, waarschijnlijk een naderende
+patrouille.
+
+De officier stamelde, met de stem eens zieltogenden:
+
+"Wie heeft den slag gewonnen?"
+
+"De Engelschen," antwoordde de strooper.
+
+De officier hernam:
+
+"Zoek in mijn zakken. Ge zult er een beurs en een horloge vinden. Neem
+ze."
+
+Dit was reeds geschied.
+
+De strooper deed alsof hij ze zocht en zeide:
+
+"Er is niets."
+
+"Dan heeft men mij bestolen." hernam de officier, "'t spijt mij. 't
+Zou voor u zijn geweest."
+
+De voetstappen der patrouille werden steeds duidelijker.
+
+"Men nadert," zei de strooper, de beweging makende van zich te
+verwijderen.
+
+De officier lichtte met moeite den arm op en hield hem tegen.
+
+"Gij hebt mij 't leven gered. Wie zijt ge?"
+
+De strooper antwoordde haastig en zacht:
+
+"Ik behoorde evenals gij tot het Fransche leger. Ik moet u
+verlaten. Zoo men mij vatte, zou men mij dood schieten. Ik heb u het
+leven gered. Help nu u zelven."
+
+"Welken rang hebt ge?"
+
+"Sergeant."
+
+"Hoe heet ge?"
+
+"Thénardier."
+
+"Ik zal dien naam niet vergeten," zei de officier. "En onthoud gij
+den mijnen. Ik heet Pont-mercy."
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK II.
+
+HET SCHIP DE ORION.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+NOMMER 24601 WORDT NOMMER 9430.
+
+
+Jean Valjean was weder gevat.
+
+Men zal ons ten goede houden, dat wij haastig over smartelijke
+bijzonderheden heenstappen. Wij zullen alleen twee berichtjes
+overschrijven, die door de dagbladen werden gepubliceerd eenige
+maanden na de verwonderlijke gebeurtenissen te M. sur M.
+
+Deze berichten zijn vrij beknopt. Men herinnere zich, dat op dat
+tijdstip nog geen Gazette des Tribunaux bestond.
+
+Het eerste ontleenen wij aan de Drapeau blanc. Het draagt de
+dagteekening van 25 Juli 1823.
+
+"--Een arrondissement van Pas-de-Calais is het tooneel eener
+ongewone gebeurtenis geweest. Een vreemdeling in het departement,
+Madeleine genoemd, had sedert eenige jaren, door een nieuwe wijze
+van bewerking, een oude plaatselijke industrie, de fabricage van git
+en zwart glaswerk, uit het verval opgeheven. Hij had er zijn fortuin
+door gemaakt, en, men mag zeggen, ook dat van het arrondissement. Uit
+dankbaarheid voor zijn diensten had men hem tot maire benoemd. Nu heeft
+de politie ontdekt, dat Madeleine niemand anders was dan een voormalige
+galeislaaf, die zijn ban heeft verbroken, in 1796 wegens diefstal
+veroordeeld was en Jean Valjean heette. Jean Valjean is opnieuw naar
+het bagno gezonden. Het schijnt, dat hij vóór zijn inhechtenisneming
+bij den heer Laffitte een som van meer dan een half millioen, welke
+hij er geplaatst had, heeft teruggenomen, welke som hij overigens,
+zoo men zegt, eerlijk met zijn handel verdiend heeft. Men heeft
+niet kunnen ontdekken waar Jean Valjean deze som heeft verborgen,
+toen hij in het bagno van Toulon terugkwam."
+
+Het tweede meer uitvoerig bericht is ontleend aan het Journal de
+Paris van dezelfde dagteekening:
+
+"--Een voormalig ontslagen galeislaaf, met name Jean Valjean, is
+onder zeer opmerkelijke omstandigheden voor het hof van assises van
+Var verschenen. Dezen booswicht was 't gelukt, aan de waakzaamheid
+der politie te ontsnappen; hij had zijn naam veranderd en was er in
+geslaagd, zich in een onzer kleine steden in het noorden tot maire te
+doen benoemen. Hij had in die stad een vrij aanzienlijk handelshuis
+gevestigd. Maar ten laatste is hij ontmaskerd en in hechtenis genomen,
+dank zij den onvermoeiden ijver van het openbaar ministerie. Hij
+had tot bijzit een publieke vrouw, die op het oogenblik zijner
+gevangenneming van schrik overleden is. Deze ellendeling, die de
+kracht van een reus bezit, had middel gevonden te ontvluchten, maar
+drie of vier dagen na zijn vlucht vatte de politie hem opnieuw te
+Parijs, juist toen hij in een der kleine rijtuigen steeg, die van
+de hoofdstad naar het dorp Montfermeil (Seine-et-Oise) rijden. Men
+zegt, dat hij zich dezen tijd van drie of vier dagen vrijheid ten
+nutte had gemaakt om een aanzienlijke som, welke hij bij een onzer
+voornaamste bankiers had geplaatst, terug te nemen. Men schat deze som
+op zes- of zevenhonderd duizend francs. Hij zou ze, volgens de akte
+van beschuldiging, begraven hebben op eene hem alleen bekende plek,
+en men heeft ze niet kunnen ontdekken, hoe het zij, de genoemde Jean
+Valjean is voor het hof van assises van het departement du Var gevoerd,
+als beschuldigd van diefstal op den openbaren weg, gewapenderhand
+gepleegd, nu omstreeks acht jaar geleden, op een dier eerlijke knapen,
+die, gelijk de patriarch van Ferney in onsterfelijke dichtregelen zegt:
+
+
+ "--de Savoie arrivent tous les ans
+ "Et dont la main légèrement essuie
+ "Ces longs canaux engorgés par la suie. [3]
+
+
+"Deze bandiet heeft geweigerd zich te verdedigen. 't Is door het
+bekwaam en welsprekend orgaan van het openbaar ministerie bewezen,
+dat de dief medeplichtigen had en Jean Valjean tot een bende dieven
+van 't zuiden behoorde. Bijgevolg is Jean Valjean schuldig verklaard
+en tot de straffe des doods veroordeeld. De misdadiger had geweigerd
+zich in cassatie te voorzien. De koning heeft, in zijn onuitputtelijke
+goedertierenheid, zich verwaardigd zijn straf te verzachten en ze in
+eeuwigdurenden dwangarbeid te veranderen. Jean Valjean is terstond
+naar het bagno van Toulon overgebracht."
+
+Men zal niet vergeten hebben, dat Jean Valjean te M. sur M. de
+plichten van zijnen godsdienst trouw vervulde. Sommige dagbladen,
+onder andere de Constitutionnel, stelden deze verzachting van straf
+voor als het werk der priesterpartij.
+
+Jean Valjean kreeg in het tuchthuis een ander nommer. Hij heette 9430.
+
+Zeggen wij overigens, om er niet op terug te komen, dat met Madeleine
+ook de bloei van M. sur M. verdween; al wat hij had voorzien in dien
+bewusten radeloozen nacht verwezenlijkte zich; toen hij weg was,
+was inderdaad de ziel weg. Na zijn val volgde te M. sur M. die
+zelfzuchtige verdeeling van gevallen grootheid, die noodlottige
+verbrokkeling van bloeiende zaken, welke dagelijks onopgemerkt in
+de menschelijke maatschappij voorkomt, en waarvan de geschiedenis
+alleen melding heeft gemaakt, toen zij na den dood van Alexander
+plaats had. De onderbevelhebbers werpen zich tot koningen op; de
+meesterknechts maken zich tot fabrikanten. Afgunstige mededinging
+verhief zich. De groote werkplaatsen van Madeleine werden gesloten;
+de gebouwen vervielen; de werklieden verstrooiden zich. Eenigen
+verlieten het oord, anderen het beroep. Nu werd alles in 't klein,
+in plaats van in 't groot, gedreven; voor 't eigen voordeel, in
+plaats van voor 't algemeen welzijn. Er was geen middelpunt meer;
+overal concurrentie en vijandigheid. De heer Madeleine had alles
+beheerscht en bestierd. Nu hij was gevallen, haalde ieder wat hij
+kon; de geest van strijd verving den geest van samenwerking; ruwheid
+de hartelijkheid, onderlinge haat de welwillendheid des stichters
+jegens een ieder; de door Madeleine geweven draden raakten verward en
+braken; men vervalschte de fabrikaten, het fabrikaat werd slechter,
+het vertrouwen hield op, het vertier nam af, het loon verminderde,
+het werk werd gestaakt, de zaak ging op de flesch. Voor de armen
+bleef niets meer. Alles verdween.
+
+Zelfs de Staat bespeurde, dat ergens iets vernietigd moest zijn. Eer
+vier jaren verloopen waren na het vonnis van het hof van assises,
+dat de identiteit van Madeleine en van Jean Valjean uitsprak, waren
+de vervolgingskosten ter inning der belastingen in het arrondissement
+M. sur M. verdubbeld; in de maand Februari 1827 maakte de heer Villèle
+deze opmerking in de Kamer.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+WAARIN MEN TWEE DICHTREGELS ZAL LEZEN, DIE MISSCHIEN VAN DEN DUIVEL
+ZIJN.
+
+
+Voor wij verder gaan is 't noodig, eenigszins omstandig een zonderling
+feit te verhalen, 't welk te zelfder tijd te Montfermeil plaats had
+en misschien niet zonder invloed was op zekere gissingen van het
+openbaar ministerie.
+
+In de omstreken van Montfermeil bestaat een zeer oud bijgeloof, te
+vreemder en merkwaardiger, wijl een volksbijgeloof in de nabuurschap
+van Parijs als een aloë in Siberië is. Wij behooren tot degenen die
+achting voor zeldzame planten hebben. Het bijgeloof van Montfermeil
+bestaat hierin: sinds onheugelijke tijden gelooft men, dat de duivel de
+bosschen kiest om er zijn schatten te begraven. Oude vrouwen beweren
+dat het niet zeldzaam is tegen den avond, in afgelegen hoeken van
+het bosch, een zwarten man te ontmoeten, die het voorkomen van een
+voerman of houthakker heeft, met klompen aan de voeten, gekleed in een
+linnen broek en kiel, en herkenbaar aan twee groote hoorns, in plaats
+van muts of hoed op het hoofd. Inderdaad, dit moet hem wel kenbaar
+maken. Deze man is gewoonlijk bezig met een kuil te graven. Men kan
+zich op drieërlei wijze bij zulk eene ontmoeting gedragen. Vooreerst,
+door tot den man te gaan en hem aan te spreken. Dan ziet men dat de
+man eenvoudig een boer is, dat hij zwart schijnt, omdat het avond is,
+dat hij volstrekt geen kuil graaft, maar gras voor zijn koeien snijdt,
+en dat zijn gewaande hoorns niets anders zijn dan een mestvork,
+die hij op den rug draagt en wier tanden, op een afstand gezien,
+uit zijn hoofd schijnen te komen. Men gaat naar huis en sterft binnen
+een week. De tweede wijze is, hem gade te slaan, te wachten tot hij
+zijn kuil gegraven, dien weder dicht gemaakt heeft en heen is gegaan:
+dan haastig naar den kuil te loopen, dien te openen, en den "schat"
+er uit te halen, dien de zwarte man er noodwendig heeft in gelegd. In
+dat geval sterft men binnen een maand. Eindelijk de derde manier is,
+den zwarten man niet toe te spreken, hem niet aan te zien en zoo snel
+mogelijk weg te loopen. Men sterft dan binnen een jaar.
+
+Aangezien alle drie manieren hare bezwaren hebben, wordt de tweede, die
+ten minste eenige voordeelen biedt, onder anderen dat van--al is het
+slechts gedurende een maand--een schat te bezitten, het meest gevolgd.
+
+Naar men verzekert hebben stoutmoedige mannen zich dikwijls door de
+kans laten verlokken, om de door den zwarten man gegraven kuilen weder
+te openen en den duivel te bestelen. Het schijnt dat de uitkomst weinig
+bevredigend is. Ten minste zoo men de overlevering mag gelooven,
+en inzonderheid de beide raadselachtige versregels in barbaarsch
+Latijn, omtrent deze zaak nagelaten door een Normandischen monnik,
+die min of meer toovenaar was, Tryphon geheeten. Deze Tryphon is in
+de abdij van St. Georges de Bocherville bij Rouaan begraven en op
+zijn graf worden padden geboren.
+
+Men doet dus groote inspanningen; deze kuilen zijn gewoonlijk zeer
+diep; men zweet, delft, werkt den geheelen nacht, want dit geschiedt
+'s nachts; het hemd wordt nat, de kaars verbrandt, de spade wordt
+bot, en wanneer men op den bodem van den kuil is gekomen, wanneer men
+de hand op den "schat" legt, wat vindt men? wat is de schat van den
+duivel? een stuiver, soms een kroonstuk; een steen, een geraamte, een
+bloedend lijk, vaak een spook als een blad papier in een portefeuille
+in vieren gevouwen, soms niets. Dit schijnen de versregels van Tryphon
+den onbescheiden nieuwsgierigen aan te kondigen:
+
+
+ Fodit, et in fossa thesauros condit opaca,
+ As, nummos, lapides, cadaver, simulacra nihilque.
+
+
+'t Schijnt dat men er in onze dagen ook nu eens een kruithoorn met
+kogels, dan weder een oud, smerig en gebrand spel speelkaarten vindt,
+dat duidelijk den duivels heeft gediend. Tryphon spreekt van deze
+beide dingen niet, wijl Tryphon in de twaalfde eeuw leefde en de
+duivel niet zoo leep schijnt geweest te zijn het buskruit vóór Roger
+Bacon en de speelkaarten vóór Karel VI uitgevonden te hebben.
+
+Overigens is men zeker, dat, zoo men met deze kaarten speelt, men
+alles verliest wat men bezit; en het buskruit in den hoorn heeft de
+eigenschap, dat het u 't geweer in 't gezicht doet springen.
+
+Korten tijd nu, na het aan 't openbaar ministerie geschenen had, dat
+de ontslagen galeislaaf Jean Valjean, gedurende zijn korte vlucht van
+weinige dagen, om Montfermeil had gezworven, merkte men in dit dorp op,
+dat een zekere oude wegwerker, Boulatruelle geheeten, druk het bosch
+bezocht. Men meende in het oord te weten, dat Boulatruelle in het
+bagno was geweest; hij was eenigerwijs onder toezicht der politie, en
+wijl hij nergens werk vond, gebruikte het bestuur hem tegen verminderd
+loon als wegwerker aan den binnenweg van Gagny naar Lagny.
+
+Deze Boulatruelle was een man, die door de lieden van het dorp schuins
+werd aangezien; hij was al te onderdanig, te deemoedig, te gereed
+om voor ieder de pet af te nemen, bevende en glimlachende tegen de
+gendarmes, en stond, meende men, waarschijnlijk met dievenbenden in
+betrekking, en in verdenking van zich 's avonds in 't kreupelhout in
+hinderlaag te leggen.
+
+Men meende 't volgende te hebben opgemerkt:
+
+Sedert eenigen tijd verliet Boulatruelle vroegtijdig zijn arbeid bij
+'t bepuinen en in orde houden van den weg, om met zijn spade naar het
+bosch te gaan. Men ontmoette hem tegen den avond op de eenzaamste
+plaatsen, in het dichtste houtgewas, met het voorkomen alsof hij
+iets zocht, en soms bezig kuilen te graven. De oude vrouwen die
+voorbijgingen hielden hem aanvankelijk voor Beëlzebub, doch spoedig
+herkenden zij Boulatruelle en waren hier weinig geruster om. Deze
+ontmoetingen schenen Boulatruelle schrikkelijk te hinderen. 't Was
+duidelijk, dat hij zich trachtte te verbergen en iets geheimzinnigs
+uitvoerde.
+
+Men zeide in het dorp:--Zekerlijk heeft de duivel zich
+vertoond. Boulatruelle heeft hem gezien en zoekt. Hij is er wel
+toe in staat om Lucifer zijn schat te ontkapen.--De Voltairianen
+voegden er bij: Zal Boulatruelle den duivel beet hebben of de duivel
+Boulatruelle?--De oude vrouwen kruisten zich ijverig.
+
+Intusschen hielden de bezoeken van Boulatruelle in het bosch op, en hij
+was weer geregeld aan zijn wegarbeid. Men sprak weer van iets anders.
+
+Er waren echter eenige nieuwsgierigen gebleven, die meenden dat niet
+de fabelachtige schatten der legende hierin betrokken waren, maar
+een goede, degelijker en tastbaarder vond dan de bankbriefjes van den
+duivel, en waarvan de wegwerker waarschijnlijk half en half het geheim
+had ontdekt. De meest belangstellenden waren de schoolmeester en de
+kroeghouder Thénardier, die gaarne de vriend van ieder wilde zijn en
+'t niet versmaad had met Boulatruelle te verkeeren.--Hij is wel op
+de galeien geweest, zeide Thénardier, maar mijn hemel, men weet niet
+wie daar is, of wie er nog komen zal!
+
+Op zekeren avond betuigde de schoolmeester, dat de justitie vroeger
+wel onderzocht zou hebben wat Boulatruelle in het bosch ging doen,
+dat hij wel had moeten spreken, dat men hem desnoods op de pijnbank
+zou hebben gebracht, en dat Boulatruelle bij voorbeeld de waterproef
+niet zou hebben doorstaan.--Laten wij hem aan de wijnproef onderwerpen,
+zei Thénardier.
+
+Men maakte alles gereed en deed den ouden wegwerker
+drinken. Boulatruelle dronk ontzaggelijk veel en sprak weinig. Hij
+vereenigde, met wonderbare knapheid en in een meesterlijke
+verhouding, den dorst van een zwelger met de stilzwijgendheid van
+een rechter. Evenwel, door herhaalde aanvallen, en door de weinige
+onduidelijke woorden welke hem ontsnapten samen te voegen en te
+verbinden, meenden Thénardier en de schoolmeester het volgende begrepen
+te hebben:
+
+Boulatruelle zou op zekeren ochtend, dat hij zich bij het krieken
+van den dag naar zijn werk begaf, verrast zijn geworden door in een
+hoek van het bosch onder 't kreupelhout een schop en een houweel
+te vinden, die daar zoo 't scheen verborgen waren. Hij had evenwel
+gemeend, dat het waarschijnlijk de schop en het houweel van den ouden
+Six-Fours, den waterdrager, waren, en hij had er niet verder over
+gedacht. Maar des avonds van denzelfden dag zou hij, zelf onbemerkt,
+daar hij achter een dikken boom verscholen stond, een man hebben
+gezien, die zich van den weg naar het dichtst van het bosch begaf,
+"en welke man volstrekt niet uit de omstreken was, maar dien hij,
+Boulatruelle, zeer goed kende." Thénardier's vertaling hiervan was:
+"Een makker uit het bagno." Boulatruelle had hardnekkig geweigerd den
+naam te zeggen. Deze vreemde droeg een pakje, een vierkant voorwerp,
+als een groote doos of klein kistje. Boulatruelle was verwonderd. 't
+Was echter eerst na zeven of acht minuten, dat de gedachte bij hem
+opkwam den man te volgen. Maar 't was te laat, de man was reeds in
+het dichte houtgewas; het was donker geworden, en Boulatruelle had
+hem niet kunnen vinden. Toen had hij besloten aan den kant van 't
+bosch te wachten. 't Was lichte maan. Twee of drie uren later had
+Boulatruelle zijn man uit het kreupelhout zien komen, die nu geen
+kistje, maar een spade en een houweel droeg. Boulatruelle had den
+man laten voorbijgaan, maar durfde hem niet aanspreken, omdat hij
+bij zich zelven zeide, dat de andere driemaal sterker was dan hij, en
+met een schop gewapend, zoodat hij hem waarschijnlijk zou doodslaan,
+wanneer hij hem herkende en zich herkend zag. Een teedere opwelling
+van twee oude makkers, die elkander wedervinden! Maar de spade en het
+houweel waren voor Boulatruelle een lichtstraal geweest; hij was naar
+het struikgewas van des ochtends geijld, doch had er noch spade noch
+houweel meer gevonden. Daaruit had hij besloten, dat zijn man in het
+bosch was gegaan om met het houweel een gat te graven, het koffertje
+er in verborgen, en het gat met de spade dicht gemaakt had. Nu was
+het koffertje te klein om een lijk te bevatten, het moest dus geld
+bevatten. Tengevolge daarvan zijn navorschingen. Boulatruelle had
+het geheele bosch onderzocht, doorsnuffeld, en overal waar de aarde
+hem versch omgewoeld scheen, ze opgegraven. Vruchteloos.
+
+Hij had niets gevonden. Niemand dacht er meer aan in
+Montfermeil. Slechts eenige oude vrouwen zeiden: Wees verzekerd, dat
+de wegwerker van Gagny al die moeite niet voor niets heeft gedaan;
+de duivel is er bij in 't spel.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ER MOET AAN DE KETEN VOORAF IETS GESCHIED ZIJN, OM MET ÉÉN HAMERSLAG
+TE SPRINGEN.
+
+
+Tegen het einde van October van hetzelfde jaar 1823 zagen de inwoners
+van Toulon, tengevolge van hevig stormweder, en om eenige averij te
+herstellen, het schip de Orion hun haven binnenloopen, welk schip
+later te Brest tot exercitie-schip diende, maar toen tot het eskader
+der Middellandsche zee behoorde.
+
+Dit vaartuig, hoe ontredderd het was, want de zee had het deerlijk
+geteisterd, verwekte opzien toen het ter reede kwam. Ik weet niet
+meer welke vlag het voerde, die het een voorgeschreven saluut van elf
+schoten bezorgde, welke door het schip schot voor schot beantwoord
+werden: in 't geheel dus twee en twintig schoten. Men heeft berekend,
+dat voor salvo's, koninklijke en militaire eerbewijzen, wisseling van
+beleefd rumoer, etiquette-seinen, reede- en vestingsformaliteiten,
+de dagelijksche begroeting van het op- en ondergaan der zon door de
+vestingen en de oorlogsschepen, het openen en sluiten der havens
+enz. enz. door de beschaafde wereld over de geheele aarde elke
+vier-en-twintig uren honderd vijftig duizend nuttelooze kanonschoten
+met los kruit worden gedaan. Tegen zes francs het schot berekend,
+komt dit op negenhonderd duizend francs daags, driehonderd millioen 's
+jaars, die in rook vergaan. Dit is slechts een staaltje. In denzelfden
+tijd sterven er, wie weet hoeveel armen van honger.
+
+Het jaar 1823 was, wat de restauratie het tijdvak van den "Spaanschen
+oorlog" heeft genoemd.
+
+Deze oorlog bevatte vele gebeurtenissen in één enkele, en een
+menigte zonderlingheden. Een gewichtige familiezaak voor het huis
+van Bourbon; de Fransche tak hielp en beschermde den Madridschen
+tak, dat wil zeggen, hij deed zich als de oudere gelden; 't was een
+schijnbare terugkeer tot onze nationale overleveringen, gepaard aan
+de dienstbaarheid en onderwerping der noordsche kabinetten; de hertog
+van Angoulême, door de liberale bladen "de held van Andujar genoemd,"
+met een zegevierende houding, die eenigszins met zijn vreedzaam
+voorkomen in tegenspraak was, het oude wezenlijke schrikbewind van het
+heilige officie bedwingend, dat met het hersenschimmig schrikbewind
+der liberalen handgemeen was; de sansculottes tot grooten schrik
+der douairières onder den naam van descamisados herrijzend; het
+koningschap zich tegen den vooruitgang, met den naam van anarchie
+bestempeld, verzettend; de theorieën van 89 plotseling tot onder den
+grond afgebroken; een Europeesche stilstand aan de Fransche idee,
+die de wereld rondgaat, toegeroepen; aan de zijde van den zoon van
+Frankrijk, als generalissimus, de prins van Carignan, later Karel
+Albert, die in dezen kruistocht der koningen tegen de volken als
+vrijwilliger met roode wollen grenadiers epauletten dienst neemt; de
+soldaten van het Keizerrijk weder te veld gaande, maar na acht jaren
+rust, verouderd, somber en met de witte kokarde; de driekleurige vlag
+in den vreemde door een heldhaftig hoopje Franschen opgestoken, zooals
+dertig jaren vroeger de witte vlag te Coblentz werd gedaan; de monniken
+onder onze soldaten gemengd; de geest van vrijheid en nieuwheid door de
+bajonetten tot rede gebracht; de beginselen met kanonschoten vastgezet;
+Frankrijk door zijn wapenen vernietigende, wat het door zijn geest
+had opgericht; overigens, de vijandelijke opperhoofden omgekocht, de
+soldaten aarzelend, de steden belegerd door millioenen; geen militaire
+gevaren en toch ontploffingen mogelijk, evenals in elke mijn, die
+verrast en genomen wordt; weinig bloed vergoten, weinig eer verworven,
+schande voor eenigen, glorie voor niemand; zoodanig was deze oorlog,
+begonnen door vorsten, die afstamden van Lodewijk XIV, en geleid door
+generaals, die afkwamen van Napoleon. Zij had het treurige lot, noch
+den grooten oorlog, noch de groote politiek in herinnering te brengen.
+
+Eenige wapenfeiten waren van beteekenis; de inneming van het Trocadero
+o. a. was een schoone militaire daad; maar over 't algemeen geven
+de trompetten van dien oorlog een gebarsten geluid, het geheel
+was verdacht, de geschiedenis erkent Frankrijk's moeilijkheid in
+de aanneming van den valschen triomf. Het bleek klaar, dat sommige
+Spaansche officieren met den weerstand belast, te gemakkelijk toegaven,
+het idée van omkooping plaatste zich naast de overwinning; het scheen,
+dat men eerder de generaals dan de veldslagen had gewonnen, en de
+overwinnende keerde beschaamd terug. Een treurige oorlog waarlijk,
+waarin men Bank van Frankrijk lezen kon in de plooien der vlag!
+
+Soldaten uit den oorlog van 1808, op wie Saragossa geweldig inéén was
+gestort, fronsten de wenkbrauwen in 1823 bij de gemakkelijke opening
+der citadellen, en begonnen Palafox te betreuren.
+
+En nog een gezichtspunt is er, dat zeer in 't oog moet worden gevat:
+deze oorlog, die den militairen geest neerdrukte, verontwaardigde
+dien der democratie. Het was een poging tot onderwerping, tot
+dienstbaarmaking. In dien veldtocht was het doel van den Franschen
+soldaat, zoon der democratie, de overwinning van een juk voor
+anderen. Afschuwelijke tegenstrijdigheid.
+
+Frankrijk is er voor aangewezen, om den geest der volkeren op
+te wekken, niet om dien te verstikken. Sedert 1792 zijn alle
+revoluties van Europa de Fransche Revolutie; de vrijheid straalt
+uit van Frankrijk. De vrijheid is daar de zon. Wie het niet ziet,
+is blind! Napoleon heeft het gezegd.
+
+De oorlog van 1823, aanslag op de edelmoedige Spaansche natie, was
+dus tevens een aanslag op de Fransche Revolutie. En deze weg van
+monsterachtig geweld werd door Frankrijk ingeslagen; door geweld;
+want, buiten en behalve de bevrijdingsoorlogen, geschiedt alles
+wat de legers doen door geweld. Het woord lijdelijke gehoorzaamheid
+duidt het aan. Een leger is een vreemd meesterstuk van samenstel,
+waarin de kracht en de macht het gevolg is eener enorm groote som
+van onmachtige grootheden. Zoo laat zich de oorlog verklaren, door
+de menschheid tegen de menschheid gevoerd, ondanks de menschelijkheid.
+
+Wat de Bourbons betreft, hun was de oorlog van 1823 noodlottig. Zij
+hielden hem voor een succes. Zij zagen niet, welk gevaar er in is
+gelegen, een idée te laten dooden door een wachtwoord. Zij vergisten
+zich in die mate, dat ze, onnoozel genoeg, in hun staatsinstelling als
+krachtselement opnamen de onberekenbare verzwakking van een misdaad. De
+geest van misleiding en verraad kwam in hun politiek. De kiem van 1830
+ligt in 1823. De veldtocht van Spanje werd in hun raadsvergaderingen
+een argument voor de Coup's de force en voor de avonturen van het
+goddelijk recht. Frankrijk, dat el rey neto hersteld had in Spanje,
+kon daar ook den absoluten koning herstellen. Zij vervielen in die
+jammerlijke dwaling, dat ze de gehoorzaamheid van den soldaat voor
+de toestemming der natie hielden. Dat vertrouwen is de ondergang der
+tronen. Men mag evenmin inslapen in de schaduw van een leger als in
+die van een giftappelboom.
+
+Maar laten we tot de Orion terugkeeren.
+
+Gedurende de operaties van het leger, aangevoerd door den
+prins-generalissimus, kruiste een escader in de Middellandsche
+Zee. We zeiden reeds dat de Orion bij dat escader hoorde en dat
+het door verschillende zee-omstandigheden in de haven van Toulon
+was teruggevoerd.
+
+De aanwezigheid van een oorlogsschip in een haven heeft steeds zeker
+iets, dat de menigte lokt en bezig houdt.
+
+Het komt omdat het iets grootsch is, en de menigte het grootsche
+bemint.
+
+Een linieschip is een der heerlijkste samenwerkingen van het
+menschelijk genie met de macht der natuur.
+
+Een linieschip is samengesteld uit het zwaarste en het lichtste tevens,
+wijl het tegelijkertijd met de drie vormen der stof te doen heeft,
+met den vasten, vloeibaren en luchtvormigen, en met alle drie moet
+worstelen. Het heeft elf ijzeren klauwen om het graniet op den bodem
+der zee te grijpen, en meer vleugels en vliezen dan eenig insect,
+om den wind in de wolken te vatten. Zijn adem komt uit zijn honderd
+twintig kanonnen als uit groote klaroenen, en komt met den donder
+overeen. De oceaan tracht het te doen verdwalen in de vreeselijke
+gelijkheid zijner golven, maar het schip heeft zijn ziel, zijn kompas,
+die het raad geeft en immer het noorden wijst. In donkere nachten
+vervangen zijn lantaarns de sterren. Het heeft dus touw en doek tegen
+den wind, hout tegen het water, ijzer, koper en lood tegen de rots,
+licht tegen de duisternis, een wijzer tegen de onmetelijkheid.
+
+Om zich een denkbeeld te maken van al de reusachtige verhoudingen, wier
+geheel het linieschip vormt, behoeft men slechts een der overdekte
+hellingen van zes verdiepingen van Brest of van Toulon binnen te
+gaan. De daar in aanbouw zijnde schepen staan om zoo te zeggen onder
+een stolp. Die reusachtige balk is een ra; deze groote, op den grond
+liggende, schier onafzienbare kolom is de groote mast. Van zijn wortel
+in de kiel tot aan zijn top in de wolken is hij zestig vademen lang,
+en aan zijn basis drie voet in middellijn. De groote Engelsche mast
+verheft zich tweehonderd zeventien voet boven de waterlinie. In
+vroegeren tijd gebruikte de marine kabels, thans kettingen. De enkele
+stapel kettingen op een schip van honderd stukken is vier voet hoog,
+twintig voet lang, acht voet breed. En hoeveel hout is er noodig om
+zulk een schip te maken? Drie duizend wissen, (vierkante ellen). 't
+Is een drijvend woud.
+
+En, men bedenke wel, wij spreken hier slechts van het oorlogsschip
+van voor veertig jaren, van het gewone zeilschip; de stoom, toen in
+haar geboorte, heeft sedert nieuwe mirakelen gevoegd bij dat wonder,
+'t welk een oorlogsschip heet. Op dit oogenblik, bij voorbeeld, is
+het zeil- en stoomschip een wonderbare machine, voortgestuwd door
+een zeilwerk van drie duizend vierkante ellen oppervlakte en een
+stoomvermogen van twee duizend vijfhonderd paardekrachten.
+
+Zonder van deze nieuwe wonderen te spreken, is zelfs het oude schip van
+Christophorus Columbus en de Ruyter een der grootste kunstgewrochten
+van den mensch. Zijn kracht is onuitsprekelijk als het oneindige,
+het bewaart den wind in zijn zeilen, het beweegt zich met juistheid
+in de ontzaggelijke verwarring der golven; het drijft en heerscht.
+
+Evenwel komt een oogenblik, dat de rukwind deze zestig voet lange ra
+als een stroohalm breekt, dat de storm dezen vierhonderd voet hoogen
+mast als een riet buigt; dat dit anker 't welk tien duizend pond weegt,
+in den muil der baren gekromd wordt als de vischangel in de kieuwen
+van een snoek; dat deze monsterachtige kanonnen een jammerend maar
+vruchteloos gebrul slaken, 't welk de orkaan in de lucht en den nacht
+wegvoert; dat al deze macht, al deze majesteit in een hoogere macht
+en majesteit verdwijnen.
+
+Wanneer een ontzaggelijke kracht zich ontwikkelt om in een
+ontzaggelijke zwakheid onder te gaan, trekt dit de aandacht des
+menschen. Daardoor worden in de zeehavens de nieuwsgierigen, zonder
+dat zij er zich zelven rekenschap van geven, tot deze wonderbare
+werktuigen van den oorlog en de zeevaart gelokt.
+
+Alzoo waren dagelijks van 's morgens tot 's avonds de kaden en de
+havenhoofden van Toulon bedekt met een aantal nieuwsgierigen en
+straatslijpers, om naar de Orion te kijken.
+
+Sinds lang was de Orion een uitgediend schip. Op zijn vorige tochten
+hadden zich dikke schelplagen aan zijn kiel gehecht, zoodat het
+de helft van zijn snelheid had verloren; ten vorigen jare was
+het op het droog gehaald om de schelpen er af te krabben, en toen
+was het weder in zee gelaten. Maar deze afkrabbing had de bouten
+der kiel beschadigd. Op de hoogte der Balearische eilanden had de
+sluitrand sterk gewerkt en zich geopend, en dewijl destijds nog geen
+ijzeren bekleedingen bestonden, was het schip lek geworden. Een dier
+hevige evennachtsstormen had aan bakboordszijde het galjoen en een
+geschutpoort ingeslagen, en de fokkemast beschadigd. Tengevolge dezer
+averij was de Orion naar Toulon teruggekeerd.
+
+Het schip lag bij het Arsenaal vertuid. Het was nog gewapend en men
+was bezig het te herstellen. De romp was aan stuurboordzijde niet
+beschadigd, maar, naar gewoonte, was de buitenhuid hier en daar
+geopend om lucht in 't hol te laten.
+
+Op zekeren ochtend waren de toeschouwers getuigen van een ontzettend
+ongeluk.
+
+De equipage was bezig met de zeilen te reven. De matroos, wien gelast
+was het groote marszeil aan stuurboordzijde te vatten, verloor het
+evenwicht. Men zag hem waggelen: de menigte op de kade van het arsenaal
+verzameld slaakte een kreet, het hoofd sleepte het lichaam mede, de
+man draaide om de ra met de handen naar den afgrond gekeerd; hij greep
+in zijn val eerst met de eene, toen met de andere hand de ralijn en
+bleef er aan hangen. De zee was tot een duizelingwekkende diepte onder
+hem. De schok van zijn val had aan de ralijn een geweldig schommelende
+beweging gegeven. De man slingerde aan dat touw heen en weder.
+
+'t Was ontzettend gevaarlijk hem te hulp te komen. Geen der matrozen,
+allen kustvisschers, die eerst onlangs in dienst waren gekomen, durfde
+het wagen. Intusschen werd de ongelukkige matroos vermoeid; men kon
+zijn doodsangst wel niet op zijn gezicht zien, doch aan al zijn leden
+bespeurde men uitputting. Zijn armen rekten zich vreeselijk. Iedere
+poging, welke hij deed om zich op te werken, diende slechts om de
+ralijn te meer te doen slingeren. Hij schreeuwde niet, ten einde geen
+kracht te verliezen. Men verwachtte elk oogenblik niets anders dan
+hem het touw te zien loslaten, en telkens draaiden zich de hoofden
+om, ten einde hem niet te zien vallen. Er zijn oogenblikken, dat
+een eind touw, een staak, een boomtak het leven zelf is, en 't is
+vreeselijk om te zien, dat een levend wezen het loslaat en als een
+rijpe vrucht neervalt.
+
+Eensklaps zag men een man met de vlugheid van een kat in het want
+klimmen. Deze man was in 't rood gekleed; hij was dus een galeislaaf;
+hij had een groene muts op, dus een levenslang veroordeelde. Ter
+hoogte der mars gekomen, wierp een windvlaag hem de muts af en deed
+een geheel wit hoofd zien; hij was dus niet jong.
+
+Inderdaad, een tuchteling, die met anderen uit het bagno op het schip
+voor eenigen arbeid werd gebruikt, was dadelijk naar den officier van
+de wacht geijld, en onder de verwarring en ontsteltenis der geheele
+equipage, terwijl alle matrozen huiverden en terugtraden, had hij
+den officier verlof gevraagd zijn leven te mogen wagen om den man te
+redden. Op een toestemmend gebaar van den officier had hij met éénen
+hamerslag de keten, waaraan zijn been was geboeid, stuk geslagen;
+daarna greep hij een touw en had zich in 't want geslingerd. Niemand
+had opgemerkt hoe gemakkelijk de keten stuk geslagen was. Eerst later
+herinnerde men zich dit.
+
+In een oogenblik was hij op de ra. Hij hield eenige seconden stil en
+scheen ze met zijn blik te meten. Deze seconden, gedurende welke de
+wind den matroos aan een draad schommelde, schenen eeuwen voor hen die
+'t aanschouwden. Eindelijk hief de tuchteling de oogen ten hemel en
+deed een stap vooruit. De menigte ademde ruimer. Men zag hem over de ra
+gaan. Toen hij aan 't eind was gekomen, bond hij een touw, dat hij had
+medegebracht, er aan vast en liet het andere eind hangen; vervolgens
+liet hij zich langs dit touw afglijden en in doodelijken angst zag
+men nu, in plaats van één, twee menschen boven den afgrond hangen.
+
+'t Was als een spin, die zich op een vlieg werpt, maar hier bracht
+de spin het leven en niet den dood. Duizenden oogen waren op deze
+groep gericht. Geen kreet, geen woord, een gelijke siddering fronste
+aller wenkbrauwen. Aller monden hielden den adem in, als vreesden zij
+het minste tochtje te voegen bij den wind, die de beide rampzaligen
+bengelde.
+
+'t Was intusschen den tuchteling gelukt tot den matroos te dalen,
+'t was ook tijd; een minuut langer en de uitgeputte, wanhopende man
+zou zich in den afgrond hebben laten vallen; de tuchteling had hem
+stevig aan het touw vastgebonden, waaraan hij zich met de eene hand
+hield, terwijl hij met de andere zich opwerkte. Eindelijk zag men
+hem weder op de ra klauteren en den matroos ophijschen; hij liet
+hem hier een oogenblik rusten om hem zijn krachten te doen hernemen;
+vervolgens nam hij hem in zijn armen en droeg hem over de ra tot aan
+het ezelshoofd, en van daar in de mars, waar hij hem in de handen
+zijner kameraden gaf. Op dit oogenblik brak een levendig gejuich uit,
+oude galei-opzichters weenden, vrouwen vlogen elkander op de kade om
+den hals; en men hoorde uit aller mond, met een soort van verteederde
+woede den kreet: genade voor dien man!
+
+Hij was intusschen terstond naar beneden geklommen, om zijn werk te
+hervatten. Om er te spoediger te zijn, liet hij zich langs het want
+glijden en liep over een benedenra. Aller oogen volgden hem. Een
+oogenblik schrikte men; hetzij dat hij vermoeid was, hetzij dat hij
+duizelde, men meende hem te zien aarzelen en waggelen. Eensklaps
+slaakte de menigte een luiden kreet; de tuchteling was in zee gevallen.
+
+Een gevaarlijke val. Het fregat de Algesiras lag naast de Orion
+en de arme tuchteling was tusschen beide schepen gevallen. Het was
+te vreezen, dat hij onder het eene of het andere zou drijven. Vier
+mannen sprongen haastig in een sloep. De menigte moedigde hen aan;
+opnieuw waren alle harten in angst. De man was niet weer boven
+water gekomen. Hij was in de zee gevallen zonder een rimpel achter
+te laten, als ware hij in een ton olie gevallen. Men peilde, men
+dook. Vruchteloos. Men zocht tot den avond; men vond zelfs het
+lichaam niet.
+
+Den volgenden dag bevatte het dagblad van Toulon deze weinige
+regelen:--"17 November 1823.--Gisteren is een tuchteling, die aan
+boord van den Orion op corvée was, nadat hij een matroos uit een
+doodsgevaar had gered, in zee gevallen en verdronken. Men heeft
+zijn lijk niet kunnen wedervinden. Men vermoedt dat hij onder de
+palen aan den kant van 't Arsenaal is geraakt. Deze man stond in
+'t gevangenisregister onder No. 9430 en heette Jean Valjean."
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK III.
+
+VERVULLING VAN DE BELOFTE AAN DE STERVENDE GEDAAN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE WATERTOESTAND TE MONTFERMEIL.
+
+
+Montfermeil ligt tusschen Livry en Chelles op den zuidelijken zoom van
+het hooge bergplat, dat de Ourque van de Marne scheidt. Tegenwoordig
+is het een tamelijk groot dorp, dat het geheele jaar door met witte
+villa's, en des Zondags met uitgedoste burgers versierd is. In
+1823 zag men te Montfermeil noch zoovele witte huizen, noch zooveel
+vergenoegde burgers: 't was niets dan een dorp in een bosch. Men vond
+er wel hier en daar eenige lusthuizen der vorige eeuw, herkenbaar
+aan hun grootsch voorkomen, hun ijzeren balkons en hooge vensters,
+wier kleine glasruiten op de witte gesloten blinden allerlei soort
+van groene kleur vertoonen. Montfermeil was evenwel een dorp. De
+rentenierende ex-winkeliers en de minnaars van het landleven hadden
+het nog niet ontdekt. 't Was een vreedzaam, bekoorlijk oord, waar
+geen enkele weg langs liep; men leefde er goedkoop op landelijke
+wijs, onbekrompen en gemakkelijk. Alleen het water was er schaarsch,
+uithoofde der hooge ligging.
+
+Het moest tamelijk ver gehaald worden. Het einde van het dorp aan de
+zijde van Gagny putte zijn water uit de heerlijke vijvers, die daar
+in het bosch zijn; het andere einde, dat de kerk omgeeft, en aan de
+zijde van Chelles ligt, vond geen drinkbaar water dan aan een kleine
+bron, halfweg Chelles, bijna een kwartier van Montfermeil.
+
+'t Was voor ieder gezin dus een moeielijk werk zich van 't benoodigde
+water te voorzien. De groote huizen, de aristocratie, de kroeg
+van Thénardier behoorde hier ook onder, betaalden een oordje voor
+iederen emmer aan een ouden man, die hieruit een bestaan maakte,
+en die met dit waterbedrijf ongeveer acht stuivers daags verdiende;
+maar deze man werkte des zomers slechts tot zeven ure 's avonds,
+en des winters tot vijf ure; zoodra het donker was geworden en de
+vensterluiken gesloten waren, moest ieder die water wilde hebben het
+zelf zien te krijgen of het zonder doen.
+
+Dit was de schrik van het arme wezen, 't welk de lezer wel niet
+vergeten zal hebben, de kleine Cosette.
+
+Men herinnert zich, dat Cosette den Thénardier's op tweeërlei
+wijze nuttig was: zij lieten zich door de moeder betalen en door
+het kind bedienen. Toen de moeder geheel ophield te betalen--men
+heeft de reden ervan in de vorige hoofdstukken gelezen--behielden de
+Thénardier's evenwel Cosette. Zij verving voor hen een dienstbode. In
+deze hoedanigheid nu, ging zij water halen wanneer men 't moest
+hebben. Maar het kind, dat zeer bang was 's avonds naar de bron te
+gaan, zorgde dat er steeds water in huis was.
+
+Het Kerstfeest van 1823 was te Montfermeil bijzonder schitterend. Het
+begin van den winter was zacht geweest, het had nog niet gevrozen of
+gesneeuwd. Potsenmakers van Parijs hadden van den maire verlof gekregen
+hun tenten in de groote straat van het dorp op te slaan, en een troep
+reizende kooplieden had, met gelijke vergunning, hun kramen op het
+kerkplein geplaatst, tot in de Bakkersteeg, waar, zooals men zich
+misschien zal herinneren, de kroeg van Thénardier stond. Dit vulde
+de herbergen en logementen, en gaf aan dit stille oord een woelig,
+vroolijk leven. Wij moeten zelfs als trouw geschiedschrijver zeggen,
+dat onder de merkwaardigheden die op het plein te zien waren, zich een
+menagerie bevond, waarin leelijke, bonte hansworsten, wier herkomst
+men niet kon gissen, in 1823 aan de boeren van Montfermeil een dier
+ontzaggelijke Braziliaansche gieren vertoonden, welke ons koninklijk
+museum eerst sedert 1845 bezit, en wier oogen een driekleurige
+kokarde is. De natuurkundigen noemen, meen ik, dezen vogel Caracara
+Polyborus, hij behoort tot de orde der apiciden en tot de familie
+der gieren. Eenige oud-gedienden van Bonaparte, die nu hier leefden,
+gingen dit dier met allen eerbied kijken. De vertooners van den vogel
+verzekerden dat de driekleurige kokarde een éénig verschijnsel was,
+en opzettelijk door den goeden God voor hun menagerie geschapen.
+
+Dienzelfden Kerstavond zaten verscheidene mannen, voerlieden en
+marskramers, in de gelagkamer der herberg van Thénardier om een
+tafel met vier of vijf kaarsen te drinken. Deze kamer geleek op alle
+herbergkamers; tafels, tinnen kannen, flesschen, drinkers en rookers;
+weinig licht, veel leven. De datum van het jaar 1823 was er aangeduid
+door de twee destijds bij de burgerklasse in de mode zijnde voorwerpen,
+die op de tafel waren, namelijk een kaleidoskoop en een Engelsche lamp
+van gewaterd blik. Vrouw Thénardier hield het oog op het avondeten,
+dat voor een goed helder vuur brandde; Thénardier dronk met zijn
+gasten en sprak over politiek.
+
+Behalve de politieke gesprekken, welke den oorlog van Spanje en
+den hertog van Angoulême tot hoofdonderwerp hadden, hoorde men
+tusschenbeide onder het leven geheel plaatselijke zaken vermengd,
+als b. v.:
+
+--Naar den kant van Nanterre en Suresne is de wijnoogst zeer goed
+geweest. Waar men op tien stukken rekende, heeft men er twaalf. 't
+Heeft onder de pers veel nat geleverd.--Maar de druif kon niet rijp
+zijn?--In die oorden behoeft de druif niet rijp te zijn: zoodra 't
+lente is wordt de wijn zwaar.--'t Is dus een lichte wijn?--De wijn
+is er nog lichter dan hier, men moet er onrijp oogsten.
+
+Enz.--
+
+Of 't was een molenaar die riep:
+
+--Zijn wij verantwoordelijk voor 't geen in de zakken is? Wij
+vinden er een handvol kleine korrels in, die wij den tijd niet
+hebben er uit te zoeken en men wel onder den steen moet laten gaan;
+'t is onkruid; klaverzaad, korenbrand, wikke, hennepzaad, en een
+menigte ander tuig, zonder het zand te rekenen dat in sommig koren,
+vooral in het Bretonsche, overvloedig is. Ik houd er evenmin van,
+Bretonsch koren te malen, als de houtzagers van balken met spijkers
+er in te zagen. Ge kunt begrijpen hoeveel slecht stof dit alles
+bij de opbrengst geeft. En dan klaagt men over het meel. Men heeft
+ongelijk. Wij hebben geen schuld aan 't meel.
+
+Tusschen twee vensters zat aan een tafel een maaier met een
+landeigenaar over den prijs te knibbelen voor het maaien van een
+weide in 't voorjaar, en zeide:
+
+--'t Kan geen kwaad, dat het gras vochtig is. Des te beter snijdt
+het. Om 't even; dat gras, uw gras is jong en nog moeielijk; 't is
+te teer en buigt voor de zeis.
+
+Enz.--
+
+Cosette zat op het dwarshout der keukentafel, haar gewone plaats, bij
+den schoorsteen; zij was in lompen, met de bloote voeten in klompen,
+en breide bij het schijnsel van het vuur wollen kousen voor de kleine
+Thénardiers. Een zeer jong katje speelde onder de stoelen. Men hoorde
+twee frissche kinderstemmen in een belendend vertrek lachen en praten;
+'t waren Eponine en Azelma.
+
+In den hoek van den haard hing een karwats aan een spijker.
+
+Bij tusschenpoozen klonk het geschreeuw van een zeer jong kind,
+dat ergens in huis was, boven het geraas in de herberg uit. 't Was
+een jongentje, dat vrouw Thénardier in een der vorige winters had
+gekregen--"zonder te weten waarom," zeide zij: "een gevolg van de
+koude,"--en dat iets ouder dan drie jaar was. De moeder had dit
+gezoogd, maar beminde het niet. Wanneer het aanhoudend geschreeuw
+van den kleine te lastig werd, zeide Thénardier: Uw kleine schreit,
+ga toch zien wat hij wil. --Och! antwoordde de moeder, het verveelt
+mij.--En de kleine verlatene schreide verder in het donker.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+VOLTOOIING VAN TWEE PORTRETTEN.
+
+
+Men heeft de Thénardier's in ons verhaal tot hiertoe van ter zijde
+gezien; het oogenblik is gekomen om dit paar van alle kanten te
+beschouwen.
+
+Thénardier was over de vijftig jaren; zijne vrouw had bijna haar
+veertigste bereikt, dat het vijftigste der vrouw is, zoodat man en
+vrouw in ouderdom tegen elkander opwogen.
+
+Misschien hebben de lezers, sedert haar eerste verschijning, nog eenige
+herinnering van deze groote, blonde, roode, vette, vleezige, vierkante,
+zware en vlugge vrouw Thénardier behouden; zij had iets, wij hebben
+'t reeds gezegd, van het ras der wilde, kolossale vrouwmenschen,
+die op de kermissen het hoofd krommen onder het gewicht der aan
+heur haarvlechten gehangen keisteenen. Zij deed alles in het huis,
+bedden opmaken, kamers schoonmaken, de wasch, de keuken, zij maakte
+regen en zonneschijn en speelde bij gelegenheid voor den duivel. Zij
+had geen andere dienstmeid dan Cosette; een muis in den dienst van
+een olifant. Alles beefde voor den klank harer stem, vensterruiten,
+huisraad en menschen. Haar breed met sproeten bedekt gezicht had het
+aanzien van een schuimspaan. Zij had een baard. Zij was het ideaal
+van een lastdrager in vrouwenkleeding. Zij vloekte als een matroos
+en beroemde er zich op, een noot met een vuistslag te kunnen stuk
+slaan. Zoo zij geen romans had gelezen, die soms op zonderlinge
+wijze het nufje onder dit manwijf deden te voorschijn komen, zou
+'t niemand ooit in de gedachte zijn gekomen, haar voor een vrouw te
+houden. Deze vrouw Thénardier was als het voortbrengsel der enting
+van een juffertje op een vischwijf. Wanneer men haar hoorde spreken
+zeide men: 't Is een gendarm; wanneer men haar zag drinken, zeide men:
+'t Is een voerman; wanneer men haar Cosette zag mishandelen, zeide men:
+'t Is de beul. Als zij sliep stak een tand uit haar mond.
+
+Thénardier was een klein, mager, bleek, hoekig, knokig, tenger man,
+met een ziekelijk gezicht, maar die volkomen gezond was; hiermede
+begon zijn bedriegerij. Hij glimlachte gewoonlijk uit voorzorg,
+en was schier jegens iedereen beleefd, zelfs jegens den bedelaar,
+wien hij een aalmoes weigerde. Hij had het gezicht van een bunsing
+en het voorkomen van een geletterde. Hij leek veel op de portretten
+van den abt Delille. Hij stelde er een eer in, tegen voerlieden
+te drinken. Niemand had hem dronken kunnen maken. Hij rookte uit
+een groote pijp. Hij droeg een kiel, en onder zijn kiel een ouden
+zwarten rok. Hij gaf zich gaarne den schijn van letterkundige en
+materialist. Hij gebruikte gaarne eenige namen, om, wat hij ook zeide,
+te staven; Voltaire, Raynal, Parny en, zonderling, St. Augustinus. Hij
+verklaarde een "stelsel" te hebben. Overigens was hij een groote
+afzetter. Een "filousophe." Zulke samenvoegingen bestaan. Men weet,
+dat hij beweerde gediend te hebben; hij verhaalde met eenigen bluf,
+dat toen hij bij Waterloo als sergeant bij 't 6e of 9e--'t doet er niet
+toe--lichte infanterie stond, hij alleen tegen een escadron zwarte
+huzaren "een gevaarlijk gewonden generaal" met zijn lichaam bedekt
+en door het schrootvuur heen gered had. Vandaar voor zijn deur zijn
+schitterend uithangbord, en de naam van zijn herberg "de sergeant
+van Waterloo." Hij was liberaal, classiek en bonapartist. Hij had
+voor het Champ d'asile ingeteekend. In het dorp zeide men, dat hij
+voor priester had gestudeerd.
+
+Wij gelooven, dat hij eenvoudig in Holland voor herbergier had
+gestudeerd. Deze schurk der samengestelde orde was volgens alle
+waarschijnlijkheid een Vlaming uit Rijssel in Vlaanderen, een
+Franschman te Parijs, een Belg te Brussel, die met gemak schrijlings
+op twee grenzen zat. Men kent zijn heldendaad te Waterloo. Men ziet,
+dat hij ze een weinig overdreef. Vloed en ebbe, draaien en wenden,
+avonturen waren de elementen van zijn leven; een gescheurd geweten
+maakt een los leven; en Thénardier behoorde waarschijnlijk, in het
+stormachtig tijdstip van 18 Juni 1815, aan die verscheidenheid van
+stroopende marketenters, van welke wij gesproken hebben, die door
+het land zwerven, aan dezen verkoopende, genen bestelende, en met
+een geheel gezin, man, vrouw en kinderen, in een kreupel karretje de
+marcheerende troepen volgende, met het instinct zich steeds bij het
+overwinnend leger te houden. Na, dezen veldtocht had hij, zooals hij
+zeide, iets overgespaard, en was te Montfermeil een herberg begonnen.
+
+Zijn besparingen, die uit beurzen en horloges, gouden ringen en
+zilveren kruisen bestonden en in de met lijken bezaaide voren waren
+geoogst, maakten geen groot kapitaal uit en hadden den kroeghouder
+geworden marketenter niet ver gebracht.
+
+Thénardier had iets onbeschrijfelijk houterigs in zijn gebaar,
+dat, bij een vloek, aan de kazerne, en, bij een kruis, aan het
+seminarie herinnert. Hij sprak mooi en gaf zich gaarne den schijn van
+geleerdheid. De schoolmeester had echter opgemerkt dat hij vaak "groote
+bokken" schoot.--Hij wist uitmuntend de rekening der reizigers op te
+maken, maar geoefende oogen vonden er veel spelfouten in. Thénardier
+was een gluiper, een zwelger, een straatslijper en sluw. Hij verachtte
+zijn dienstmeiden niet, waarom zijn vrouw er geen meer hield. Deze
+reuzin was jaloersch, zij meende dat deze kleine magere, gele man
+het voorwerp der algemeene begeerlijkheid moest zijn.
+
+Thénardier, met zijn listig, berekenend karakter, was een schurk van
+de gematigde soort. Deze soort is de ergste; daarmede vermengt zich
+de huichelarij.
+
+Thénardier was bij gelegenheid niet minder tot toorn in staat dan
+zijne vrouw; maar deze aanvallen waren bij hem zeer zelden, en wijl
+hij in zulke oogenblikken het geheele menschelijke geslacht te lijf
+wilde, wijl in hem een diepe gloed van haat lag, wijl hij een dier
+lieden was, die zich altijd willen wreken, die alles beschuldigen wat
+hun voorbijgaat en wat op hen neerkomt, en steeds gereed zijn op den
+eerste den beste, als een wettige grieve, het gezamenlijk bedrag hunner
+teleurstellingen, bankroeten en rampen des levens te werpen,--wanneer
+al deze zuurdeesem in hem gistte en in zijn mond en oogen brandde,
+was hij vreeselijk. Wee hem, die dan onder zijne woede kwam!
+
+Buiten zijn overige hoedanigheden was Thénardier oplettend en
+scherpzinnig, naar gelegenheid stil of praatachtig, doch altijd met
+groote schranderheid. Hij had iets in zijn blik van de zeelieden,
+die gewoon zijn in den verrekijker te knipoogen. Thénardier was
+een staatsman.
+
+Ieder nieuweling die de kroeg binnentrad en vrouw Thénardier zag,
+zeide: zij is de meester in huis. Vergissing. Zij was zelfs de
+meesteres niet. De meester en de meesteres was de man. Zij handelde,
+hij schiep. Hij bestierde alles met een soort van onzichtbare,
+voortdurende magnetische werking. Een woord, soms een wenk was voor
+hem voldoende, en de mastodonte gehoorzaamde. Thénardier was voor
+vrouw Thénardier, zonder dat zij er zich van bewust was, een soort van
+bijzonder en oppermachtig wezen. Zij bezat de deugden van haar soort;
+wanneer ze over eenige zaak met "mijnheer Thénardier" in tegenspraak
+was geweest--een overigens schier onmogelijke veronderstelling--zou
+zij haar man nooit openlijk ongelijk geven, waarin 't ook wezen
+mocht. Nooit zou zij, tegenover vreemden, de bij vrouwen zoo gewone
+fout gepleegd hebben, den man, zooals men 't noemt, de kroon van 't
+hoofd te nemen. Hoewel hun eensgezindheid slechts kwaad ten doel had,
+was er toch eerbied in de onderwerping van vrouw Thénardier aan haar
+man. Deze berg van gerucht en vleesch bewoog zich onder den pink van
+dezen tengeren despoot. 't Was, van haar dwergachtige en bespottelijke
+zijde beschouwd, deze groote algemeene zaak: de beheersching der stof
+door den geest; want het leelijke heeft soms zijn reden van bestaan,
+zelfs in de diepten van het eeuwig schoone. Er was in Thénardier
+iets onbekends; vanhier het volstrekte gezag van dezen man op deze
+vrouw. In sommige oogenblikken zag zij in hem een brandende kaars;
+in andere voelde zij hem als een klauw.
+
+Deze vrouw was een geducht schepsel, dat alleen haar kinderen beminde
+en slechts haar man vreesde. Zij was moeder, wijl zij zoogdier
+was. Haar moederschap bepaalde zich overigens slechts tot haar
+dochters, en strekte, zooals men zien zal, zich niet tot de jongens
+uit. Hij, de man, had slechts één gedachte--zich te verrijken.
+
+'t Gelukte hem niet. Aan dit groote talent ontbrak een geschikt
+tooneel. Thénardier werd te Montfermeil arm, zoo 't mogelijk is
+met niets arm te worden; in Zwitserland of in de Pyreneeën zou hij
+millionair zijn geworden. Maar waar het lot den herbergier bindt,
+moet hij grazen.
+
+Men begrijpt dat het woord "herbergier" hier in beperkten zin is
+gebezigd en zich niet over een geheele klasse uitstrekt.
+
+In ditzelfde jaar 1823 had Thénardier ongeveer vijftienhonderd francs
+dringende schulden, 't geen hem zeer bezorgd maakte.
+
+Hoe halsstarrig de onrechtvaardigheid van het lot jegens hem was,
+Thénardier behoorde tot die menschen, welke het best, het innigst
+en op de nieuwste wijze datgene begrijpen, wat bij de barbaarsche
+volken een deugd en bij de beschaafde volken een koopwaar is,
+de gastvrijheid. Overigens was hij een uitmuntend jachtstrooper en
+vermaard wegen de juistheid van zijn schot. Zijn koude kalme glimlach
+was bijzonder gevaarlijk.
+
+Zijn herbergiers-theorieën schoten soms als weerlichten uit hem. Hij
+had grondregels van zijn beroep, welke hij in den geest zijner vrouw
+prentte.--"De plicht van den herbergier," zeide hij haar eenmaal met
+nadruk en zachte stem, "is aan ieder die komt gekookte spijs, rust,
+licht, vuur, vuile bedlakens, vlooien en beleefdheid te verkoopen;
+de reizigers op te houden, de schrale beurzen te ledigen en de
+goedgevulde fatsoenlijk te verlichten, de reizende gezinnen huisvesting
+te verleenen, den man te snijden, de vrouw te plukken en het kind af
+te zetten; in rekening te brengen voor het open venster, het gesloten
+venster, den hoek van den haard, den armstoel, den stoel, de bank,
+het voetbankje, het veerebed, de matras en den bos stroo; te weten
+hoeveel de schaduw den spiegel verslijt en hiervoor te rekenen, en,
+bij de vijfmaalhonderd duizend duivels, den reiziger alles te doen
+betalen, zelfs de vliegen die zijn hond eet!"
+
+Deze man en vrouw waren de in den echt getreden list en de woede,
+een leelijk en vreeselijk span.
+
+Terwijl de man overlegde en berekende, dacht de vrouw niet aan de
+afwezende schuldeischers, noch bekommerde zich om het gisteren of
+morgen, maar leefde in haar toorn slechts voor 't oogenblik.
+
+Zoodanig waren deze twee wezens. Cosette, die tusschen hen stond,
+ondervond hun dubbele werking, als een schepsel, dat onder een
+molensteen verpletterd en door een knijptang geknepen wordt. De
+man en de vrouw hadden ieder een verschillende handelwijze; Cosette
+werd met slagen gebeukt, dat kwam van de vrouw; zij ging blootvoets,
+dat kwam van den man.
+
+Cosette was nu boven, dan beneden, waschte, schuurde, boende, veegde,
+liep, werkte, sloofde, droeg zware lasten en, hoe klein zij was,
+deed het grove werk. Geen medelijden; een wreede meesteres, een
+kwaadaardig meester. De kroeg van Thénardier was als een spinneweb,
+waarin Cosette gevangen was en beefde. Het ideaal der verdrukking
+was in deze treurige dienstbaarheid verwezenlijkt. 't Had iets van
+een vlieg, in dienst van spinnen.
+
+Lijdelijk zweeg het arme kind.
+
+Wat heeft in zulke zielen plaats, die reeds van jongs af klein en
+naakt onder vreemden zijn gekomen, wanneer zij God verlaten?
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE MENSCHEN MOETEN WIJN, DE PAARDEN WATER HEBBEN.
+
+
+Er waren vier nieuwe reizigers aangekomen.
+
+Cosette was in treurige gedachten; want, hoewel eerst acht jaren oud,
+had zij bereids zooveel geleden, dat zij even sombere mijmeringen
+had als eene oude vrouw.
+
+Haar ooglid was blond, tengevolge van een vuistslag, dien Thénardier
+haar had gegeven, hetgeen vrouw Thénardier herhaaldelijk deed zeggen:
+Hoe leelijk is zij met haar blauwe oog!
+
+Cosette dacht er aan, dat het avond was, laat in den avond; dat zij
+onverwacht de kannen en karaffen in de kamers der aangekomen reizigers
+had moeten vullen en er geen water meer in 't vat was.
+
+Het stelde haar toch eenigszins gerust, dat men ten huize van
+Thénardier weinig water dronk. 't Ontbrak niet aan lieden, die dorst
+hadden; maar 't was een dorst die zich liever met wijn dan met water
+lescht. Wie een glas water tusschen al die glazen wijn had gevraagd,
+zou al deze mannen een wilde hebben toegeschenen. Er was evenwel een
+oogenblik, dat het kind beefde; vrouw Thénardier lichtte het deksel op
+van een pot die op 't vuur stond, nam een glas en naderde haastig het
+watervat. Zij draaide de kraan om; het kind had het hoofd opgericht
+en volgde al haar bewegingen. Een dunne waterstraal vloeide uit de
+kraan en vulde ten halve het glas.--Zie, er is geen water meer! zeide
+zij en zweeg toen een oogenblik. Het kind hield haar adem in.
+
+"Nu," hernam vrouw Thénardier, het halfvolle glas beziende, "'t zal
+wel genoeg zijn."
+
+Cosette hervatte haar arbeid, maar langer dan een kwartieruurs voelde
+zij haar hart als een hamer in haar borst kloppen.
+
+Zij telde de minuten, die aldus verliepen, en had wel gewenscht,
+dat reeds de volgende morgen daar was.
+
+Nu en dan zag een der drinkers naar de straat en riep:--'t Is zoo
+donker als in een oven!--of:--Men moet een kat zijn om in dit uur
+zonder lantaarn uit te gaan!--En Cosette rilde.
+
+Eensklaps trad een der in de herberg logeerende kramers binnen,
+en zeide met ruwe stem:
+
+"Men heeft mijn paard geen water gegeven."
+
+"O, zeker," zei vrouw Thénardier.
+
+"Ik zeg u van neen, vrouw," hernam de koopman.
+
+Cosette was van onder de tafel gekomen.
+
+"Ja, gewis, mijnheer," zeide zij, "het paard heeft gedronken, het
+heeft uit den emmer, den emmer leeg gedronken; ik zelve heb het te
+drinken gegeven en er meê gepraat."
+
+'t Was niet waar, Cosette loog.
+
+"Zie, zoo'n klein ding eens brutaal liegen," riep de koopman uit. "Ik
+zeg u, dat het paard niet gedronken heeft, kleine deugniet. Het
+snuift op bijzondere wijze als het niet gedronken heeft, ik weet het
+heel juist."
+
+Cosette hield vol en voegde er met een van angst bevende stem bij,
+die men nauwelijks kon verstaan:
+
+"En 't heeft zelfs zeer veel gedronken."
+
+"Nu," hernam de koopman vergramd, "'t doet er niet toe; laat men mijn
+paard te drinken geven en daarmede uit."
+
+Cosette keerde onder de tafel terug.
+
+"Ge hebt gelijk," zei vrouw Thénardier, "zoo het dier niet gedronken
+heeft, moet het drinken."
+
+En een blik om zich slaande:
+
+"Nu, waar is ze?"
+
+Zij bukte en ontdekte Cosette stijf aan 't andere einde der tafel,
+schier onder de voeten der drinkers.
+
+"Wilt ge komen?" riep vrouw Thénardier.
+
+Cosette kwam uit den hoek, waarin zij zich verborgen had. Vrouw
+Thénardier hernam:
+
+"Welaan, ondeugend nest, geef het paard water."
+
+"Maar er is geen water meer, madame," zei Cosette bedeesd.
+
+Vrouw Thénardier deed de voordeur wagenwijd open en hernam:
+
+"Nu, ga 't dan halen!"
+
+Cosette boog het hoofd en nam een ledigen emmer, die in den hoek van
+den schoorsteen stond.
+
+Deze emmer was grooter dan zij zelve, en 't kind had er gemakkelijk
+in kunnen zitten.
+
+Vrouw Thénardier keerde naar het vuur terug en proefde met een houten
+lepel 't geen in den pot was, daarbij brommende:
+
+"Er is rijkelijk water in. Nu, daarom is 't niet slechter. Ik geloof
+dat ik de uien wel had kunnen sparen."
+
+Toen zocht zij in een lade, waarin klein geld, peper en sjalotten
+waren, en zeide:
+
+"Daar, juffer pad, breng als ge terugkomt een grof brood van den
+bakker mede; hier hebt ge een vijftien-stuiversstuk."
+
+Cosette had een zakje in haar voorschoot; zonder te spreken nam zij
+het geld en stak het in dat zakje.
+
+Toen bleef zij stijf staan, met den emmer in de hand, voor de open
+deur. Zij scheen te wachten, tot men haar te hulp kwam.
+
+"Ga toch!" riep vrouw Thénardier.
+
+Cosette ging. De deur sloot zich achter haar.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN POP KOMT OP HET TOONEEL.
+
+
+De rij kramen strekte zich, zooals men zich herinnert, van de kerk tot
+aan de herberg van Thénardier uit. Al deze kramen waren, in afwachting
+der inwoners die naar de middernachtmis zouden gaan, met kaarsen in
+papieren lantaarns verlicht, 't geen, zooals de schoolmeester van
+Montfermeil zeide, die op dit oogenblik in de herberg van Thénardier
+zat, een "tooverachtige uitwerking" deed. Daarentegen zag men geen
+enkele ster aan den hemel.
+
+De laatste dezer kramen, die juist tegenover Thénardier's deur stond,
+was vol blinkende, rinkelende goederen, glaswaren en prachtige blikken
+voorwerpen. Vooraan in de kraam had de koopman tegen een achtergrond
+van witte servetten, een groote twee voet hooge pop geplaatst, in
+rose krip gekleed, met gouden koornaren op 't hoofd, met echt haar
+en porseleinen oogen. Den geheelen dag was dit wonder van verbazing
+voor de jeugd uitgestald geweest, zonder dat te Montfermeil een
+moeder was gevonden, rijk of scheutig genoeg om ze voor haar kind te
+koopen. Eponine en Azelma hadden uren in haar beschouwing doorbracht,
+en zelfs Cosette had, hoewel steelsgewijze, ze durven begluren.
+
+Toen Cosette met haar emmer in de hand uitging, kon zij zich niet
+weerhouden, hoe treurig en neerslachtig ze ook was, de oogen naar
+deze wonderschoone pop, naar deze dame, zooals zij ze noemde, op te
+slaan. Het arme kind was als versteend blijven staan. Zij had de pop
+nog niet van nabij gezien. De geheele kraam scheen haar een paleis,
+deze pop was geen pop, maar een verschijning. 't Was de vreugd, de
+luister, de rijkdom, het geluk, die in een soort van denkbeeldigen
+glans voor het kleine rampzalige wezen verschenen, dat zoo diep in
+een vreeselijke koude ellende gedompeld was. Cosette mat, met de
+onnoozele en treurige schranderheid der kindsheid, den afgrond die
+haar van deze pop scheidde. Zij dacht dat men ten minste koningin of
+prinses moest zijn om "zoo iets" te hebben. Zij aanschouwde dat fraaie
+rosé kleed, dat glad gestreken haar, en dacht: Hoe gelukkig moet deze
+pop zijn! Haar oogen konden zich van deze betooverende kraam niet
+afwenden. Hoe meer zij staarde, hoe meer zij werd verbijsterd. Zij
+meende den hemel te zien. Achter de groote stonden andere poppen,
+die haar feeën en geniën schenen. De koopman, die in zijn kraam heen
+en weder ging, kwam haar eenigszins als onze lieve Heer voor!
+
+In haar verrukking vergat zij alles, zelfs de boodschap waarmede zij
+belast was. Eensklaps riep de ruwe stem van vrouw Thénardier haar tot
+de wezenlijkheid terug:--"Hoe, deern! Zijt ge nog niet weg! Wacht, ik
+zal bij u komen! Ik vraag u, wat doet ge daar toch! klein monster, ga!"
+
+Vrouw Thénardier had even op straat gezien, en Cosette in hare
+verrukking opgemerkt.
+
+Cosette ijlde met haar emmer heen, en liep zoo hard zij kon.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE KLEINE ALLEEN.
+
+
+Dewijl de herberg van Thénardier in dat gedeelte van 't dorp stond,
+dat bij de kerk is, moest Cosette het water uit de bron in het bosch
+naar den kant van Chelles halen.
+
+Zij sloeg geen blik meer naar de kramen.
+
+Zoolang zij in de Bakkerssteeg en in de nabijheid der kerk was,
+verlichtten de kaarsen in de kramen haar weg, maar spoedig verdween
+het laatste licht der laatste kraam. Toen bevond het arme kind zich
+in de duisternis. Zij begaf er zich in. Door de ontroering waarin zij
+was, deelde zich haar onrust ook aan den emmer mede. Het gerucht dat
+de krijschende hengel maakte, vergezelde haar in haar loop.
+
+Hoe verder zij kwam, des te dikker werd de duisternis. Er was
+niemand meer op de straat. Evenwel ontmoette zij een vrouw, die in 't
+voorbijgaan het hoofd omkeerde, staan bleef en binnensmonds prevelde:
+Waar mag dat kind toch heengaan? Is 't een jonge weerwolf?--Maar toen
+de vrouw Cosette herkende, zeide zij:--'t Is de Leeuwerik.
+
+Zoo doorkruiste Cosette den doolhof van kromme, eenzame
+straten, waarin, aan den kant van Chelles, het dorp Montfermeil
+uitloopt. Zoolang er huizen, of zelfs maar muren aan de zijden van
+haar weg waren, ging zij tamelijk stoutmoedig voort. Nu en dan zag
+zij het schijnsel van een licht door de reet van een vensterluik; 't
+was licht en leven, er waren menschen en dat stelde haar gerust. Hoe
+verder zij echter voortging, des te langzamer werd als werktuiglijk
+haar tred. Voorbij den hoek van het laatste huis gekomen, bleef
+Cosette staan. Voorbij de laatste kraam te gaan was moeielijk geweest;
+verder dan het laatste huis te gaan werd onmogelijk. Zij zette den
+emmer neder, sloeg haar hand in het haar en krabde langzaam 't hoofd,
+een eigenaardige beweging van kinderen die ontsteld en besluiteloos
+zijn. 't Was nu Montfermeil niet meer, 't was het open veld. Een
+donkere, eenzame ruimte lag voor haar. Wanhopend aanschouwde zij deze
+duisternis, waarin geen mensch was, waarin dieren, waarin misschien
+spoken waren. Zij staarde angstvallig en hoorde dieren in het gras
+loopen, zij zag duidelijk spoken zich in de boomen bewegen. Toen
+greep zij weder den emmer; de angst gaf haar moed:--Ha! zeide zij,
+ik zal haar zeggen dat er geen water meer was.--En onversaagd trad
+zij Montfermeil weder binnen.
+
+Nauwelijks was zij honderd schreden gegaan, toen zij weder stilhield
+en haar hoofd krabde. Nu was het vrouw Thénardier die voor haar
+verscheen; vrouw Thénardier vreeselijk met haar hyena'smond en
+vlammenden toorn in de oogen. Het kind sloeg een erbarmelijken blik
+voor en achter zich. Wat te doen? Wat zou van haar worden? Waarheen te
+gaan? Voor zich het spookbeeld van vrouw Thénardier; achter zich al
+de verschijningen van den nacht en het bosch. Voor vrouw Thénardier
+deinsde zij achteruit. Zij sloeg weder den weg naar de bron in en
+begon te loopen. Loopende verliet zij het dorp, en loopende trad zij
+in het bosch, naar niets meer ziende, naar niets meer luisterende. Zij
+hield niet eerder op met loopen dan toen de adem haar ontbrak; zij
+ging echter langzamer voort, gejaagd en hijgend.
+
+Onder 't gaan had zij grooten lust tot schreien.
+
+De nachtelijke huivering van het bosch omgaf haar.
+
+Zij dacht, zij zag niet meer. Dit kleine wezen stond tegenover den
+onmetelijken nacht. Volslagen duisternis aan de eene zijde, een nietig
+stofdeeltje aan de andere.
+
+Van den zoom van 't bosch tot de bron was de afstand slechts zeven of
+acht minuten. Cosette kende den weg, wijl zij dien meermalen over dag
+had afgelegd! Zonderling, zij verdwaalde niet. Een soort van instinct
+leidde haar. Echter sloeg zij de oogen noch rechts noch links, uit
+vrees, iets in de takken en het struikgewas te zien. Eindelijk kwam
+zij aan de bron.
+
+'t Was een natuurlijke kuip, door het water in den leemachtigen
+bodem uitgehold, van omstreeks twee voet diep, omgeven van mos en
+hoog gerimpeld gras, kraagjes van Hendrik IV genoemd, en geplaveid
+met eenige groote steenen. Een stil kabbelend beekje stroomde er uit.
+
+Cosette gunde zich den tijd niet om te ademen. Het was zeer donker,
+maar Cosette was gewoon aan die fontein te komen. Met de linkerhand
+zocht zij in de duisternis een over de bron gebogen jongen eik,
+die haar gewoonlijk tot steunpunt diende, vond een tak, vatte dien,
+bukte en dompelde den emmer in 't water. Zij was in zulk een hevige
+overspanning, dat haar kracht verdrievoudigd was. Terwijl zij alzoo
+voorover was gebogen, lette zij er niet op, dat iets uit het zakje
+van haar voorschoot in de bron viel. Het vijftienstuiversstuk viel in
+'t water. Cosette zag noch hoorde het vallen. Zij haalde den emmer
+schier vol op en zette hem op het gras.
+
+Dit gedaan hebbende, gevoelde zij zich uitgeput van vermoeienis. Zij
+had wel dadelijk willen terugkeeren; maar haar inspanning, om den
+emmer te vullen, was zoo groot geweest, dat zij onmogelijk een voet
+kon verzetten. Zij moest een oogenblik rusten. Zij liet zich op het
+gras neer en bleef er gehurkt zitten.
+
+Zij sloot de oogen en opende ze weder, zonder te weten waarom, doch
+zij kon niet anders. Naast haar vormde het deinende water in den
+emmer nog kringen, die als slangen van wit vuur geleken.
+
+Boven haar hoofd was de hemel met groote, zwarte wolken bedekt, die
+als rook voorbijdreven. Het treurig masker der duisternis scheen zich
+eenigszins over dit kind te hangen.
+
+Jupiter verschool zich achter de wolken.
+
+Met ontstelden blik aanschouwde het kind deze groote ster, welke zij
+niet kende en die haar vrees inboezemde. De planeet was inderdaad op
+dat oogenblik zeer dicht aan den horizon en scheen door een dichten
+nevel, die haar een vreeselijk rood gaf. De purperkleurige nevel
+vergrootte de ster. Zij was als een lichtgevende wond. Een koude wind
+blies over de vlakte. Het bosch was donker, zonder bladerengeritsel,
+zonder de minste avondschemering. Dreigend verhieven zich de hooge
+takken. Het kleine struikgewas floot over de open plekken. Het hooge
+gras wemelde als alen onder den nachtwind. De braamstruiken geleken
+uitgestoken armen met klauwen gewapend, om haar prooi te vatten. Dorre
+heidestruiken, door den wind voortgedreven, vlogen voorbij en schenen
+verschrikt voor iets te vluchten, dat naderde. Aan alle zijden was
+'t een somber verschiet.
+
+De duisternis is duizelingwekkend. De mensch heeft licht noodig. Wie
+zich in 't donker begeeft, voelt zijn hart beklemd. Wanneer het
+oog zwart ziet, ziet de geest verward. Zelfs de sterkste mensch
+gevoelt zich onbehagelijk bij verduistering, in den nacht, in
+het donker. Niemand gaat 's nachts alleen door een bosch zonder
+huivering. Een hersenschimmige werkelijkheid verschijnt in de
+onbestemde diepte. Het onbegrijpelijke teekent zich op eenige schreden
+van u met spookachtige juistheid af. Men ziet in de ruimte of in zijn
+eigen hersenen iets onduidelijks, ontastbaars zweven, als de droom
+der slapende bloemen. Woeste gestalten staan aan den horizon. Men
+ademt de uitvloeisels van het groote donkere ledige. Men is angstig
+en wil toch omzien. Men is weerloos tegen de holte van den nacht,
+de schaduwachtige voorwerpen, de zwijgende gestalten die verdwijnen
+wanneer men nadert, tegen de dreigende struiken en struweelen,
+tegen vale plassen, tegen de oneindige stilte des grafs, tegen alle
+mogelijke onbekende wezens, tegen het geheimzinnig buigen der takken,
+tegen schrikbarende boomstompen. De grootste stoutmoedigheid beeft,
+en voelt de angst nabij. 't Is alsof de ziel zich in de donkerheid
+wil oplossen. Voor een kind is de eenzaamheid in de duisternis iets
+onuitsprekelijk vreeselijks.
+
+De bosschen zijn verborgenheden; en het klapwieken eener kleine ziel
+maakt een doodelijk gedruisch onder hun kolossaal gewelf.
+
+Zonder zich eenig begrip te vormen van haar gewaarwordingen, voelde
+Cosette zich door deze donkere verschrikkelijkheid der natuur
+aangegrepen. 't Was niet slechts schrik, die haar overweldigde,
+'t was iets nog vreeselijker. Zij sidderde. Er zijn geen woorden om
+te zeggen, hoe vreemd de huivering was, die haar tot in 't binnenste
+des harten deed ijzen. Haar oog was woest geworden. Zij meende te
+gevoelen, dat zij 't misschien niet zou kunnen verhinderen, morgen
+terzelfder plaatse, in hetzelfde uur terug te komen.
+
+Toen, als door instinct, en om uit den toestand, dien zij niet
+begreep, maar die haar beangstigde, te geraken, telde zij met luide
+stem een, twee, drie, vier, tot tien en begon dan opnieuw. Dit bracht
+haar tot het besef der dingen, die haar omgaven, terug. Zij voelde
+dat haar handen, door het waterputten nat geworden, koud waren. Zij
+stond op. Haar angst was teruggekeerd, een natuurlijke onverwinbare
+angst. Zij had slechts ééne gedachte, die van te vluchten; zoo snel
+zij kon door het bosch, over het veld tot de huizen, tot de vensters,
+tot de brandende kaarsen te vluchten. Haar blik viel op den voor haar
+staanden emmer.
+
+Haar angst voor vrouw Thénardier was zoo groot, dat zij niet zonder
+den emmer met water durfde vluchten. Zij vatte met bevende handen
+het hengsel. Met moeite kon zij den emmer dragen.
+
+Toen deed zij een twaalftal schreden, maar de emmer was vol, zwaar,
+en zij was gedwongen hem neder te zetten. Zij schoot even in den adem,
+toen nam zij den emmer weder en ging verder, nu iets langer. Maar
+wederom moest zij blijven staan. Na eenige seconden rust, ging zij
+opnieuw met voorover gebogen hoofd als een oude vrouw; het gewicht van
+den emmer rekte en verstijfde haar magere armen. Het ijzeren hengsel
+verdoofde en verkilde haar natte handen nog meer, gedurig moest zij
+stilstaan, en dan kletste telkens het over den emmer stroomend water
+tegen haar bloote voeten. Dit gebeurde in een bosch des nachts, des
+winters, ver van eenig menschelijk oog; 't was een achtjarig kind;
+God alleen zag dit oogenblik, dezen treurigen toestand.
+
+En zeker ook haar moeder, helaas!
+
+Want er zijn dingen, die de oogen der dooden in hun graf openen.
+
+Zij hijgde en steunde smartelijk; haar keel was door het gesnik dicht
+gewrongen, maar zij durfde niet weenen, zoo bevreesd was zij, zelfs
+in de verte, voor vrouw Thénardier. Zij was gewoon zich te verbeelden,
+dat vrouw Thénardier altijd tegenwoordig was.
+
+Op deze wijze kon zij evenwel weinig vorderen, niettegenstaande zij
+elk rustpunt verkortte en na ieder zoo lang en zoo snel mogelijk
+voortstapte. Met schrik dacht zij, dat er meer dan een uur verloopen
+zou, eer zij te Montfermeil terug was, en dat vrouw Thénardier haar
+slaan zou. Deze angst kwam nog bij haar schrik van zich des nachts
+in het bosch te bevinden. Zij was reeds uitgeput van vermoeidheid
+en nog altijd in het bosch. Bij een kastanjeboom gekomen, dien zij
+herkende, hield zij weder stil, en langer dan de vorige keeren, om
+voor de laatste maal eens goed te rusten; toen spande zij al haar
+krachten in, vatte den emmer weder op en ging moedig voort. Het arme
+kind was echter wanhopig en kon zich niet weerhouden uit te roepen:
+"o, mijn God! mijn God!"
+
+Op 't zelfde oogenblik voelde zij eensklaps dat de emmer geen zwaarte
+meer had. Een hand, die haar zeer groot scheen, had het hengsel
+gegrepen en hief het forsch omhoog. Zij richtte het hoofd op. Een
+groote donkere, rechte gestalte ging naast haar in de duisternis. 't
+Was een man, die haar gevolgd was en dien zij niet gezien had. Deze
+man had, zonder iets te zeggen, den emmer, dien zij droeg, gevat.
+
+Er is een instinct bij elke ontmoeting in het leven.
+
+Het kind was niet bevreesd.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DAT MISSCHIEN BOULATRUELLES SCHRANDERHEID BEWIJST.
+
+
+Tegen den avond van dienzelfden Kerstdag van 1823 wandelde een man
+tamelijk lang op het eenzaamst gedeelte van den boulevard de l'Hôpital
+te Parijs. Hij scheen een woning te zoeken en bij voorkeur voor de
+armoedigste huizen van dien bouwvalligen zoom der voorstad St. Marceau
+te blijven stilstaan.
+
+Men zal later zien, dat deze man inderdaad een kamer in deze
+afgezonderde wijk had gehuurd.
+
+Hij verwezenlijkte in zijn kleeding en geheelen persoon het type van
+wat men den fatsoenlijken bedelaar kan noemen, groote behoefte gepaard
+aan groote zindelijkheid. Een zeer zeldzame vereeniging, welke aan
+verstandige lieden dien dubbelen eerbied inboezemt, welken men voor den
+arme en verdienstelijke gevoelt. Hij had een zeer ouden en kalen hoed
+op 't hoofd, een bruine grof lakensche jas, tot op den draad versleten,
+welke kleur destijds geen opzien baarde, een groot vest met zakken
+van verouderden vorm, een zwarte broek, aan de knieën grijs geworden,
+zwart wollen kousen en lompe schoenen met koperen gespen. Men zou hem
+voor een ouden huisonderwijzer gehouden hebben, die uit de emigratie
+was teruggekeerd. Wegens zijn wit haar, zijn gerimpeld voorhoofd,
+zijn gezicht, dat neerslachtigheid en levenszatheid teekende, zou men
+hem voor ouder dan zestig jaar gehouden; doch naar zijn vasten, schoon
+langzamen tred, naar de zeldzame kracht, die uit al zijn bewegingen
+sprak, zou men hem nauwelijks vijftig jaren gegeven hebben. Zijn
+fraai gerimpeld voorhoofd zou iemand, die hem met oplettendheid
+beschouwde, gunstig voor hem hebben ingenomen. Zijn lip had een
+zonderlingen trek van strengheid en ootmoed. In zijn blik lag iets
+als een treurige kalmte. In de linkerhand droeg hij een klein, in een
+zakdoek geknoopt pakje; in de rechterhand hield hij een van ruw hout
+gesneden stok! Deze stok was met eenige zorg bewerkt en zag er aardig
+uit; van de naden was partij getrokken en de knop met lak rood gemaakt;
+'t was een knuppel, in de gedaante van een wandelstok.
+
+Men ziet weinig voorbijgangers op dien boulevard, vooral des
+winters. Deze man scheen ze, hoewel zonder dat dit in 't oog liep,
+eerder te vermijden dan te zoeken.
+
+In dien tijd ging koning Lodewijk XVIII schier dagelijks naar
+Choisy-le-Roi. 't Was een zijner begunstigde wandelingen. Tegen twee
+uur zag men bijna dagelijks het rijtuig en den koninklijken stoet in
+vollen galop den boulevard de l'Hôpital passeeren.
+
+Dit was voor de arme vrouwen dier wijk horloge en klok; zij zeiden:
+"'t is twee uur, hij keert naar de Tuilerieën terug."
+
+Eenigen liepen toe, anderen gingen aan den weg staan; want een
+voorbijgaand koning veroorzaakt altijd opschudding. De verschijning
+en verdwijning van Lodewijk XVIII maakte overigens een zekeren
+indruk in de straten van Parijs. 't Was snel maar majestueus. Deze
+jichtige koning had smaak in hard rijden; daar hij niet kon gaan,
+wilde hij vliegen; deze voetelooze liet zich gaarne door den
+bliksem trekken. Kalm en statig ging hij voorbij, omgeven door
+blanke sabels. Zijn zware, vergulde berline, op wier paneelen groote
+lelietakken waren geschilderd, rolde daverend voorbij en nauwelijks
+had men den tijd er het oog op te slaan. Men zag in den achtersten
+hoek ter rechterzijde, op wit satijnen kussens een breed, krachtig en
+blozend gezicht, een frisch gepoederd hoofd, een fieren, strengen,
+fijnen blik, den glimlach van een letterkundige, twee zware gouden
+epauletten met losse tressen op een burgerrok, het gulden vlies,
+het kruis van den H. Lodewijk, het kruis van het legioen van eer, de
+zilveren ster van den H. Geest, een dikken buik, en een breed blauw
+lint; dit was de koning. Buiten Parijs hield hij zijn hoed met witte
+pluimen op zijn in hooge Engelsche slobkousen gebakerde knieën, zoodra
+hij in de stad terugkeerde zette hij den hoed op en groette weinig. Hij
+zag koel naar het volk, dat hem met dezelfde munt betaalde. Toen hij
+den eersten keer in de wijk Saint-Marceau verscheen, was al de vrucht,
+die hij er van getrokken had, dit woord van een voorstadsbewoner tot
+zijn kameraad: "Deze dikke is het gouvernement."
+
+Dit onfeilbare voorbijrijden des konings op hetzelfde uur was dus de
+dagelijksche verschijning op den boulevard de l'Hôpital.
+
+De wandelaar in de bruine jas behoorde blijkbaar niet in deze wijk
+te huis, en waarschijnlijk niet te Parijs, want deze bijzonderheid
+was hem onbekend. Toen het koninklijk rijtuig, door een escadron
+gardes-du-corps met zilveren galon omgeven, te twee uren van den
+hoek van la Salpêtrière den boulevard opreed, scheen hij verrast en
+schier verschrikt. Hij alleen was in de zijlaan, hij trad haastig
+achter een hoek van den ringmuur, 't geen den hertog d'Havré echter
+niet belette hem te zien. De heer hertog d'Havré zat als dienstdoende
+kapitein der gardes dien dag in het rijtuig tegenover den koning. Hij
+zeide tot zijne majesteit: Ziedaar een man met een zeer slecht
+uitzicht! Politie-beambten, die den weg des konings verkenden,
+merkten hem ook op; een hunner ontving bevel hem te volgen. Maar de
+man verdween in de nauwe eenzame straten van de voorstad, en daar
+de avond begon te vallen, verloor de agent zijn spoor, zooals wordt
+bevestigd in een rapport aan den graaf Anglès, minister van staat en
+prefect van politie, van dienzelfden avond.
+
+Toen de man in de bruine jas de vervolging van den agent ontkomen
+was, versnelde hij zijn schreden, echter niet zonder telkens om te
+zien of hij ook werd gevolgd. Om kwartier over vier toen het reeds
+donker was, ging hij voorbij den schouwburg van de poort St. Martin,
+waar dien avond les deux Forçats werd gespeeld. Het aanplakbiljet,
+dat door de lantaarns van den schouwburg verlicht werd, trof hem,
+want hoewel hij haastig ging, hield hij stil om het te lezen. Een
+oogenblik later was hij in het slop la Planchette en trad de herberg le
+Plat d'étain binnen, waar destijds het bureau van den wagen op Lagny
+was. Die wagen vertrok te half vijf. De paarden waren voorgespannen
+en de reizigers, door den voerman opgeroepen, beklommen haastig de
+hooge ijzeren trede van 't rijtuig.
+
+De man vroeg:
+
+"Is er nog plaats?"
+
+"Nog eene, naast mij op den bok," zei de koetsier.
+
+"Ik neem ze."
+
+"Stap op dan."
+
+Maar voor hij wegreed sloeg de koetsier een blik op de sobere kleeding
+van den reiziger en zijn klein pakje, en liet zich terstond betalen.
+
+"Gaat ge tot Lagny?" vroeg de koetsier.
+
+"Ja," zei de man.
+
+De reiziger betaalde tot Lagny.
+
+Men vertrok. Toen men buiten de barrière was, wilde de koetsier een
+gesprek beginnen; maar de reiziger antwoordde slechts kortaf. Toen
+ging de koetsier aan 't fluiten en op zijn paarden vloeken.
+
+De koetsier wikkelde zich in zijn mantel. 't Was koud. De man scheen
+er niet aan te denken. Dus reed men door Gournay en Neuilly-sur-Marne.
+
+Tegen zes uur was men te Chelles. De koetsier hield stil om zijn
+paarden te laten drinken, vóór de voermansherberg, opgericht in de
+oude gebouwen van de koninklijke abdij.
+
+"Hier ga ik af," zei de man.
+
+Hij nam zijn pakje en stok, en sprong van het rijtuig.
+
+Een oogenblik later was hij uit het oog verdwenen.
+
+Hij was de herberg niet binnengegaan.
+
+Toen, na eenige minuten, het rijtuig naar Lagny voortreed, ontmoette
+'t hem niet in de groote straat van Chelles.
+
+De koetsier zeide tot de reizigers in 't rijtuig:
+
+"Deze man is niet van hier, want ik ken hem niet. Hij schijnt behoeftig
+te zijn, en echter hecht hij niet aan geld, want hij betaalt tot Lagny
+en gaat slechts tot Chelles. 't Is donker, al de huizen zijn gesloten,
+hij is de herberg niet binnengegaan, en is nergens te zien. Zou hij
+in den grond zijn gezonken?"
+
+De man was niet in den grond gezonken, maar was haastig in 't donker de
+groote straat van Chelles doorgegaan; vervolgens was hij links, vóór
+hij aan de kerk kwam, den binnenweg ingeslagen, die naar Montfermeil
+voert, als iemand die het oord kende en er vroeger geweest was.
+
+Hij liep met spoed. Ter plaatse, waar zijn pad door den met boomen
+beplanten weg van Gagny naar Lagny doorsneden wordt, hoorde hij
+menschen naderen. Hij verborg zich schielijk aan den kant van een sloot
+en wachtte tot de voorbijgangers verwijderd waren. Deze voorzorg was
+trouwens schier overbodig, want, zooals wij gezegd hebben, 't was
+een zeer donkere Decembernacht. Nauwelijks bespeurde men een paar
+sterren aan den hemel.
+
+Bij deze plek begint de glooiing van den heuvel. De man volgde den
+weg van Montfermeil niet; hij ging rechts over het veld en liep met
+haastigen tred naar het bosch.
+
+In 't bosch gekomen, ging hij langzamer en begon oplettend al de boomen
+te beschouwen, stap voor stap, als zocht en volgde hij een geheimen,
+hem alleen bekenden weg. Een oogenblik scheen hij verdwaald en stond
+besluiteloos stil. Eindelijk kwam hij zoekende en tastende op een
+onbegroeide plek, waar een hoop groote witachtige steenen lag. Haastig
+naderde hij deze steenen en in de nachtschemering onderzocht hij ze
+nauwkeurig en met de grootste aandacht. Een dikke boom, bedekt met die
+uitwassen, welke de wratten van 't plantenrijk zijn, stond op eenige
+schreden van den hoop steenen. Hij ging naar dien boom en bevoelde
+met zijn hand den stam, alsof hij de uitwassen poogde te herkennen
+en te tellen.
+
+Tegenover dezen boom, een els, stond een kastanjeboom, wiens
+schors beschadigd was, en waarop men als verband een reep zink had
+gespijkerd. Hij tilde zich op de teenen en betastte die reep.
+
+Daarop ging hij een poos tusschen den boom en de steenen heen en weer,
+als iemand die onderzocht of de grond kortelings is omgegraven.
+
+Dit gedaan hebbende, nam hij zijn richting en zette zijn tocht door
+het bosch voort.
+
+'t Was deze man, dien Cosette ontmoet had.
+
+Toen hij het kreupelhout naar den kant van Montfermeil doorging,
+had hij deze kleine schim gezien, welke zich zuchtend bewoog, die
+een last nederzette, dien weder opnam en haar weg vervolgde. Hij
+was nader gekomen en had gezien, dat 't een zeer jong kind was,
+een grooten emmer water torsende. Toen was hij tot het kind gegaan
+en had zwijgend het hengsel van den emmer gevat.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+COSETTE IN HET DONKER MET DEN ONBEKENDE.
+
+
+Wij hebben gezegd, dat Cosette voor den man niet bevreesd was geweest.
+
+Hij sprak haar aan en zeide met ernstige, zachte stem:
+
+"De vracht die ge draagt, is te zwaar voor u, mijn kind!"
+
+Cosette hief het hoofd op en antwoordde:
+
+"Ja, mijnheer."
+
+"Geef hem mij," hernam de man, "ik zal voor u dragen."
+
+Cosette liet den emmer los. De man ging naast haar voort.
+
+"'t Is inderdaad zwaar," zeide hij binnensmonds. En hij hernam:
+
+"Hoe oud zijt ge, kleine?"
+
+"Acht jaar, mijnheer."
+
+"En zijt ge hiermede reeds ver gekomen?"
+
+"Van de bron in het bosch."
+
+"En moet ge nog ver?"
+
+"Een goed kwartier van hier."
+
+De man zweeg een oogenblik en hernam toen eensklaps:
+
+"Hebt ge geen moeder?"
+
+"Ik weet niet," antwoordde het kind.
+
+Vóór de man den tijd had te spreken, hernam zij:
+
+"Ik geloof 't niet. Anderen hebben er een. Ik niet."
+
+Wederom na eenig zwijgen, zeide zij:
+
+"Ik geloof, dat ik er nooit een gehad heb"
+
+De man hield stil, zette den emmer neder, boog zich, legde zijn beide
+handen op de schouders van 't kind, en deed een poging om haar in
+'t gezicht te zien.
+
+Het mager kwijnend gezicht van Cosette was onduidelijk zichtbaar bij
+het bleeke licht des hemels.
+
+"Hoe heet ge?" vroeg de man.
+
+"Cosette."
+
+'t Was of de man door een electrieken schok getroffen werd. Hij zag
+haar nogmaals aan, nam zijn handen van Cosettes schouders, greep den
+emmer en ging weder voort.
+
+Na een poos, vroeg hij:
+
+"Waar woont ge, kleine?"
+
+"Te Montfermeil; zoo ge 't kent."
+
+"Gaan wij daarheen?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+Wederom ontstond een pauze, toen hernam hij:
+
+"Wie heeft u toch op dit uur water in 't bosch laten halen?"
+
+"Vrouw Thénardier."
+
+De man vroeg op een gedwongen onverschilligen toon, doch die echter
+op eene zonderlinge wijze beefde:
+
+"Wie is dat, vrouw Thénardier...?"
+
+"Zij is mijn meesteres," zei het kind. "Zij houdt een herberg."
+
+"Een herberg?" zei de man. "Welnu, dan zal ik er van nacht gaan
+logeeren. Breng er mij heen."
+
+"Wij gaan er heen," hernam het kind.
+
+De man stapte tamelijk snel voort. Cosette volgde hem zonder
+moeite. Zij voelde geen vermoeidheid meer. Nu en dan hief zij haar
+oogen tot dien man op, met een onbeschrijfelijke gerustheid en
+onbezorgdheid. Nooit had men haar geleerd zich tot de Voorzienigheid
+te wenden en te bidden. Evenwel voelde zij iets in zich, dat naar
+hoop en blijdschap geleek en tot den hemel opsteeg.
+
+Er verliepen eenige minuten. De man hernam:
+
+"Heeft vrouw Thénardier geen dienstmeid?"
+
+"Neen, mijnheer."
+
+"Zijt ge alleen?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+Wederom een tusschenpoos. Cosette nam het woord:
+
+"Maar er zijn twee meisjes."
+
+"Hoe heeten die meisjes?"
+
+"Ponine en Zelma."
+
+Het kind vereenvoudigde aldus de beide voor vrouw Thénardier zoo
+dierbare romaneske namen.
+
+"Wie zijn Ponine en Zelma?"
+
+"De jongejuffrouwen Thénardier, de dochtertjes mijner meesteres."
+
+"En wat doen die meisjes?"
+
+"O!" zei het kind, "zij hebben fraaie poppen, dingen met goud en
+allerlei moois. Zij spelen, zij vermaken zich."
+
+"Den geheelen dag?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+"En gij?"
+
+"Ik werk."
+
+"Den geheelen dag?"
+
+Het kind hief haar groote oogen op, waarin een traan stond, dien men
+in de duisternis niet zag, en antwoordde zacht:
+
+"Ja, mijnheer."
+
+Na een pauze hernam zij:
+
+"Soms, wanneer ik mijn werk gedaan heb en men 't mij vergunt, vermaak
+ik mij ook."
+
+"Hoe vermaakt ge u?"
+
+"Zooals ik kan, men laat mij begaan. Ik heb weinig speelgoed. Ponine
+en Zelma willen niet, dat ik met haar poppen speel. Ik heb niets dan
+een klein blikken sabeltje, niet langer dan zoo."
+
+Het kind wees haar pink.
+
+"Dat niet snijdt?"
+
+"Ja, zeker, mijnheer," zei het kind, "het snijdt salade en
+vliegenkoppen."
+
+Zij kwamen aan het dorp; Cosette voerde den vreemdeling door de
+straten. Zij gingen voorbij den bakkerswinkel, maar Cosette dacht niet
+aan het brood, dat zij moest medebrengen. De man had opgehouden met
+haar te spreken en bewaarde nu een somber zwijgen. Toen zij de kerk
+achter zich hadden, vroeg hij, op 't gezicht der kramen, aan Cosette:
+
+"Is 't hier jaarmarkt?"
+
+"Neen, mijnheer, 't is Kerstmis."
+
+Toen zij de herberg naderden, nam Cosette hem bedeesd bij den arm
+en zeide:
+
+"Mijnheer?"
+
+"Wat, mijn kind."
+
+"Wij zijn dicht bij huis."
+
+"Nu?"
+
+"Wilt ge mij nu weder den emmer laten dragen?"
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat, als vrouw Thénardier ziet, dat een ander hem voor mij heeft
+gedragen, zij mij slaan zal."
+
+De man gaf haar den emmer. Een oogenblik later waren zij aan de deur
+der kroeg.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET ONAANGENAME VAN EEN ARME BIJ ZICH TE ONTVANGEN, DIE MISSCHIEN
+RIJK IS.
+
+
+Cosette kon zich niet bedwingen een schuinschen blik naar de groote
+pop te slaan, die nog altijd in de prachtige kraam stond uitgestald;
+daarna klopte zij aan. De deur werd geopend. Vrouw Thénardier verscheen
+met een kaars in de hand.
+
+"Ha, zijt gij 't, kleine deugniet! God vergeef me, ge hebt er wel
+den tijd toe genomen, gij hebt zeker gespeeld!"
+
+"Madame," zei Cosette bevend, "hier is een heer die komt logeeren."
+
+Vrouw Thénardier trok spoedig haar norsch gezicht tot een vriendelijken
+glimlach, een bij herbergiers zeer gewone verandering van tooneel,
+en zag begeerig naar den nieuw aangekomene.
+
+"Gij, mijnheer?" zeide zij.
+
+"Ja, madame," antwoordde de man, de hand aan zijn hoed brengende.
+
+De rijke reizigers zijn niet zoo beleefd. Dit gebaar en 't gezicht
+van het kostuum en de bagage van den vreemdeling, die vrouw Thénardier
+met een oogwenk had opgenomen, deden den vriendelijken glimlach weder
+verdwijnen en het norsche gezicht opnieuw voor den dag komen. Zij
+hernam droogjes:
+
+"Kom binnen, vriend."
+
+De "vriend" trad binnen. Vrouw Thénardier sloeg opnieuw een blik
+op hem, beschouwde nauwkeurig zijn jas, die geheel kaal en zijn
+hoed die eenigszins gedeukt was en raadpleegde, hoofdschuddend,
+den neus optrekkend en knipoogend, haar man, die nog altijd met
+de voerlieden dronk. De man antwoordde met die onmerkbare beweging
+van den voorvinger, gepaard aan de uitzetting der lippen, welke in
+dergelijke gevallen beteekende: "niets aan te verdienen." Waarop
+vrouw Thénardier sprak:
+
+"'t Spijt mij, beste vriend, maar er is geen plaats meer."
+
+"Plaats mij waar ge wilt," zei de man, "op den zolder, in den stal. Ik
+zal betalen alsof ik een kamer had."
+
+"Twee francs."
+
+"Twee francs. Goed."
+
+"Twee francs," zei een voerman zacht tot vrouw Thénardier, "en 't is
+slechts één franc."
+
+"'t Is voor hem twee francs," antwoordde vrouw Thénardier op denzelfden
+toon. "Ik logeer geen armen minder."
+
+"Dit is waar," voegde de echtgenoot er gemoedelijk bij; "'t geeft
+een huis een slechten naam, zulk volk te logeeren."
+
+Intusschen had de man, na zijn pakje en stok op een bank te hebben
+gelegd, aan een tafeltje plaats genomen, waarop Cosette haastig een
+flesch wijn en een glas had gezet. De koopman, die den emmer water had
+gevraagd, was zelf het zijn paard gaan brengen. Cosette had haar plaats
+onder de keukentafel weder ingenomen en ook haar breiwerk gezocht.
+
+De man, die nauwelijks zijn lippen had bevochtigd met den wijn,
+dien hij zich had ingeschonken, aanschouwde het kind met zonderlinge
+oplettendheid.
+
+Cosette was leelijk. Ware zij gelukkig, dan zou ze misschien mooi zijn
+geweest. Wij hebben bereids deze sombere figuur geschetst. Cosette,
+bijna acht jaren oud, was mager en bleek; men zou haar nauwelijks op
+zes jaren hebben geschat. Haar groote oogen, als in schaduw verzonken,
+waren schier van 't weenen uitgedoofd. De hoeken van haar mond hadden
+gewoonlijk dien angstigen plooi, welken men bij veroordeelden en bij
+hopelooze zieken opmerkt. Zij had winterhanden, zooals haar moeder
+geraden had. Het vuur, dat haar op dit oogenblik bescheen, deed de
+hoeken van haar beenderen uitkomen en liet op schrikbare wijze zien
+hoe mager zij was. Wijl zij aanhoudend van koude bibberde, had zij
+de gewoonte aangenomen, beide knieën tegen elkander te drukken. Haar
+kleeding bestond uit lompen, en zou des zomers medelijden hebben
+verwekt, terwijl ze 's winters deed ijzen. Zij had niets aan, dan
+versleten katoen, geen lapje wol. Hier en daar scheen haar vel door,
+en overal bespeurde men blauwe of blonde plekken, welke de plaatsen
+aanduidden, waar vrouw Thénardier haar geslagen had. Haar naakte beenen
+waren rood en mager. De holte om hare schouderbladen was om van te
+schreien. De geheele persoon van het kind, haar gang, haar houding,
+de klank harer stem, haar afgebroken woorden, haar blik, haar stilte,
+haar minste beweging drukten een enkele gedachte uit: vrees.
+
+De vrees had haar geheel ingenomen; zij was er om zoo te spreken
+mede overdekt; de vrees bracht haar ellebogen tegen haar heupen,
+trok haar hielen onder haar rokjen, deed haar de kleinst mogelijke
+plaats beslaan, liet haar slechts zooveel ademen als noodig was,
+en was om zoo te spreken haar lichaamsgewoonte geworden, die voor
+geene verandering dan alleen toeneming vatbaar was. In haar oogappel
+was een plekje, dat verschrikking uitdrukte.
+
+Deze vrees was zoo sterk, dat, hoe nat Cosette ook was, zij zich
+niet aan 't vuur had durven drogen, maar stil weder aan haar werk
+was gegaan.
+
+Het uitzicht van dit achtjarig kind was gewoonlijk zoo somber, en
+vaak zoo wanhopig, dat het soms scheen, alsof zij op 't punt was een
+idiote of een duivelin te worden.
+
+Nooit, hebben wij gezegd, had zij geweten wat bidden is, nooit had zij
+den voet in een kerk gezet. Is daar tijd voor? zei vrouw Thénardier.
+
+De man met de bruine jas sloeg geen oog van Cosette.
+
+Eensklaps riep vrouw Thénardier:
+
+"Waar hebt ge het brood?"
+
+Cosette, zooals zij gewoon was wanneer vrouw Thénardier haar stem
+verhief, haastte zich van onder de tafel te komen.
+
+Zij had het brood geheel en al vergeten. Zij nam haar toevlucht tot
+het gewone hulpmiddel van beangste kinderen. Zij loog.
+
+"De bakkerij was gesloten, madame."
+
+"Dan moest ge geklopt hebben."
+
+"Ik heb geklopt, madame."
+
+"En?"
+
+"Er werd niet geopend."
+
+"Morgen zal ik weten of 't waar is," zei vrouw Thénardier,
+"en zoo ge liegt, zult ge er van lusten. Geef mij intusschen het
+vijftienstuiversstuk terug."
+
+Cosette stak haar hand in 't zakje van haar voorschoot en werd
+bleek. Het vijftienstuiversstuk was er niet meer.
+
+"Nu," zei vrouw Thénardier, "hebt ge mij verstaan?"
+
+Cosette keerde den zak om; er was niets in. Waar kon dat geld
+gebleven zijn? Het ongelukkige kind kon geen woord uitbrengen. Zij
+was versteend.
+
+"Hebt ge het vijftienstuiversstuk verloren?" gilde vrouw Thénardier,
+"of wilt ge mij bestelen?"
+
+Tezelfder tijd stak zij den arm uit naar de karwats in den hoek van
+den haard.
+
+Dit schrikkelijk gebaar gaf Cosette de kracht om uit te roepen:
+
+"Genade, madame, madame, ik zal 't niet weer doen."
+
+Vrouw Thénardier nam de karwats.
+
+Ondertusschen had de man met de bruine jas in zijn vestzakje getast,
+zonder dat men deze beweging had opgemerkt. Bovendien dronken of
+speelden de overige reizigers kaart en letten op niets.
+
+Cosette kroop angstig in den hoek van den haard ineen, en poogde haar
+halfnaakte leden bijeen te trekken en te beveiligen. Vrouw Thénardier
+lichtte den arm op.
+
+"Vergeving, madame," zei de man; "ik heb zoo aanstonds iets uit
+'t voorschootzakje der kleine zien rollen. Dat zal 't misschien zijn."
+
+Tezelfder tijd bukte hij en scheen een oogenblik op den vloer te
+zoeken.
+
+"Juist--hier heb ik 't," hernam hij, zich oprichtende.
+
+En hij reikte het geldstuk aan vrouw Thénardier.
+
+"Ja, dat is het," zeide zij.
+
+Dat was het niet, want 't was een vijffrancstuk, maar vrouw Thénardier
+had er winst bij. Zij stak het geldstuk in haar zak en vergenoegde
+zich een vasten blik op het kind te slaan en te zeggen:--"Pas op,
+dat het niet weer gebeurt!"
+
+Cosette keerde terug naar 't geen vrouw Thénardier "haar nest" noemde,
+en haar groote oogen, op den onbekenden reiziger gericht, namen een
+uitdrukking aan, welke zij nooit gehad hadden. 't Was slechts een
+naïeve verbazing, maar er paarde zich iets aan als een verwonderd
+vertrouwen.
+
+"Zeg eens, wilt ge van avond eten?" vroeg vrouw Thénardier den
+reiziger.
+
+Hij antwoordde niet. Hij scheen in diepe gedachten.
+
+Wie is toch deze man? zeide zij binnensmonds. Een arme drommel. Hij
+heeft geen geld om te eten. Zal hij mij 't logies wel betalen? 't Is
+maar gelukkig, dat 't hem niet in 't hoofd is gekomen het geld dat
+op den grond lag te stelen.
+
+Inmiddels was een deur geopend en Eponine en Azelma kwamen binnen.
+
+'t Waren inderdaad twee lieve kleine meisjes, eer juffertjes dan
+boerinnen; het eene had schitterend kastanjebruine krullen; het andere
+lange, zwarte vlechten, die op den rug hingen; beide waren levendig,
+net, mollig, frisch en gezond, oogbekorend. Zij waren warm gekleed,
+maar met zulk een moederlijke kunst, dat de dikte der stoffen het
+innemende van den opschik volstrekt niet schaadde. Voor den winter
+was gezorgd, zonder dat de lente verdreven was. Men zag 't haar
+aan, dat ze in huis heel wat te zeggen hadden. Uit haar toilet,
+uit haar vroolijkheid, uit haar luidruchtigheid sprak een soort van
+heerschappij. Toen zij binnenkwamen, zeide vrouw Thénardier haar op
+knorrenden, doch tevens liefderijken toon:--Ha! zijt ge daar eindelijk!
+
+Toen trok ze de eene na de andere tusschen haar knieën, streek
+heur haar glad, knoopte haar linten, en liet ze vervolgens los, met
+die streeling van welgevallen, welke alleen aan moeders eigen is,
+zeggende:--Wat hebben zij zich opgeschikt!
+
+Zij zetten zich in den hoek van den haard met een pop, welke ze op
+heur knieën, onder vroolijk gekeuvel, heen en weer bewogen. Nu en dan
+sloeg Cosette de oogen van haar breiwerk op, en aanschouwde haar spel
+met treurigen blik.
+
+Eponine en Azelma zagen niet om naar Cosette. Zij was voor haar
+niets meer dan een hond. Deze drie meisjes telden te zamen geen
+vier-en-twintig jaar, en vertegenwoordigden reeds de geheele
+menschelijke maatschappij; aan de eene zijde afgunst, aan de andere
+verachting.
+
+De pop der zusters Thénardier was zeer verlept, zeer oud en gebroken;
+zij scheen Cosette daarom niet minder fraai; want nooit had zij een
+pop, een "wezenlijke pop", zooals de kinderen zeggen, gehad.
+
+Eensklaps merkte vrouw Thénardier, die gestadig in 't vertrek op en
+neer ging, dat Cosette verstrooid was, en in plaats van te breien
+haar oog op de spelende meisjes gevestigd hield.
+
+"Ha, ik betrap u!" riep zij. "Is dat breien? Ik zal u met de karwats
+leeren breien."
+
+De vreemdeling wendde zich tot vrouw Thénardier, zonder zijn stoel
+te verlaten. Glimlachend, schier bedeesd zeide hij:
+
+"Och, madame, laat haar spelen."
+
+Van ieder reiziger, die voor zijn avondmaal een schijf lamsbout
+gegeten, twee flesschen wijn gedronken en niet het voorkomen
+van een armen drommel gehad had, zou zulk een wensch een bevel
+zijn geweest. Maar dat een man met zulk een hoed zich een wensch
+veroorloofde, en dat een man met zulk een jas een begeerte te kennen
+gaf, dit meende vrouw Thénardier niet te moeten dulden. Zij antwoordde
+scherp:
+
+"Zij moet werken, wijl zij eet. Ik voed haar niet om niets te doen."
+
+"Wat doet zij dan?" hernam de vreemdeling, met een zachte stem,
+die zoo zonderling in tegenspraak was met zijn bedelaarskleeding
+en sjouwermansschouders.
+
+Vrouw Thénardier verwaardigde zich te antwoorden:
+
+"Wel, kousen breien, kousen voor mijn dochtertjes, die er om zoo te
+spreken geen hebben en welhaast barrevoets zouden gaan."
+
+De man aanschouwde de naakte, roode beentjes van Cosette en hernam:
+
+"Wanneer zal zij dit paar kousen gereed hebben?"
+
+"Zij heeft er minstens nog drie of vier dagen werk aan, die luie meid."
+
+"En hoeveel is zulk een paar kousen waard als 't klaar is?"
+
+Vrouw Thénardier sloeg een schamperen blik op hem.
+
+"Ten minste dertig sous."
+
+"Zoudt ge het voor vijf francs willen geven?" hernam de man.
+
+"Drommels!" riep luid lachend een voerman, die luisterde, "vijf
+francs? Dat geloof ik wel!"
+
+Thénardier meende thans te moeten spreken.
+
+"Ja, mijnheer, zoo gij 't wenscht zal men u dat paar kousen voor vijf
+francs geven. Wij mogen den reizigers niets weigeren."
+
+"Maar ge moet dadelijk betalen," zei vrouw Thénardier op haar gewone
+korte en gebiedende wijze.
+
+"Ik koop dit paar kousen," antwoordde de man, "en," voegde hij er bij,
+een vijffrancstuk uit zijn zak nemende, dat hij op de tafel legde--"ik
+betaal het."
+
+Zich toen tot Cosette wendende:
+
+"Thans behoort uw werk mij. Speel nu, mijn kind."
+
+De voerman was zoo getroffen door het vijffrancstuk, dat hij zijn
+glas neerzette en nader kwam.
+
+"'t Is waarachtig waar," riep hij, het stuk beziende. "Een mooi stuk
+geld! en niet valsch!"
+
+Vrouw Thénardier naderde en stak zwijgend het geldstuk in haar
+zak. Zij kon geen tegenwerpingen maken, maar beet zich op de lip en
+haar gezicht nam een uitdrukking van haat aan.
+
+Intusschen beefde Cosette. Zij waagde toch te vragen:
+
+"Is 't waar, madame? mag ik spelen?"
+
+"Speel," zei vrouw Thénardier met vreeselijke stem.
+
+"Dank u, madame," zei Cosette.
+
+En terwijl haar mond vrouw Thénardier dankte, dankte haar ziel den
+reiziger.
+
+Thénardier had zich weder aan 't drinken gezet. Zijn vrouw fluisterde
+hem toe:
+
+"Wie kan toch deze bruine man zijn?"
+
+"Ik heb millionairs gezien," antwoordde Thénardier met gewicht,
+"die zulke jassen droegen."
+
+Cosette had haar breiwerk nedergelegd, maar haar plaats niet
+verlaten. Zij bewoog zich altijd zoo weinig mogelijk. Uit een doosje
+achter zich had zij eenige oude lapjes en haar klein blikken sabeltje
+genomen.
+
+Eponine en Azelma letten volstrekt niet op 't geen gebeurde. Zij
+hadden een gewichtige onderneming volbracht, zij hadden zich van
+de kat meester gemaakt. Zij wierpen de pop op den vloer. Eponine,
+de oudste, bakerde de kleine kat, in weerwil van haar gemiauw en
+gespartel, in een menigte roode en blauwe lappen. Terwijl zij dit
+ernstig en moeielijk werk verrichtte, zeide zij tot haar zuster,
+in die lieve bekoorlijke kindertaal, wier bevalligheid, evenals de
+kleurenpracht der kapel, verdwijnt, wanneer men ze vatten wil:
+
+"Ziet ge, zusje, deze pop is pleizieriger dan de andere. Zij beweegt
+zich, schreeuwt en is warm. Kom, zusje, spelen wij er meê. Zij zal
+mijn dochtertje zijn. Ik zal een dame wezen, die u bezoekt, en gij
+moet haar goed bekijken. Dan moet ge haar snorren zien en u daarover
+verwonderen. Vervolgens haar ooren en dan haar staart, en dat moet
+u ook verwonderen. Gij moet dan zeggen: Maar, mijn hemel! en ik zal
+dan zeggen: Ja, mevrouw, zulk een meisje heb ik. De meisjes zijn
+tegenwoordig zóó."
+
+Azelma luisterde met bewondering naar Eponine. Ondertusschen zongen
+de drinkers een vuil lied, en lachten daarbij dat de zoldering
+dreunde. Thénardier moedigde hen aan en accompagneerde hen.
+
+Evenals de vogels van alles een nestje, zoo maken de kinderen overal
+een pop van. Terwijl Eponine en Azelma de kat inbakerden, had Cosette
+van haar kant het sabeltje ingebakerd. Toen zij hiermede gereed was,
+nam zij het op den arm, en zong zacht om het in slaap te sussen.
+
+De pop is een der dringendste behoeften en terzelfder tijd een der
+bekoorlijkste instincten van de vrouwelijke kindsheid. Te verzorgen,
+op te schikken, te kleeden en te ontkleeden, te onderwijzen, een weinig
+te knorren, in slaap te sussen, te schommelen, zich te verbeelden dat
+iets iemand is, hierin ligt de geheele toekomst der vrouw. Al droomende
+en koutende, kleertjes en hoedjes makende, wordt het kind een meisje,
+het meisje wordt een jongedochter, de jongedochter vrouw. Het eerste
+kind is een voortzetting der laatste pop.
+
+Een meisje zonder pop is schier even ongelukkig en even onvolkomen
+als een vrouw zonder kinderen.
+
+Cosette had dus een pop van haar sabeltje gemaakt.
+
+Vrouw Thénardier was den "bruinen man" genaderd. Zij dacht: mijn
+man heeft gelijk, 't is misschien mijnheer Laffitte. Er zijn zulke
+zonderlinge rijken!
+
+Zij kwam met den elleboog op zijn tafeltje leunen.
+
+"Mijnheer," zeide zij....
+
+Op het woord "mijnheer" wendde de man zich om. Vrouw Thénardier had
+hem nog niet anders genoemd dan "vriend" of "man."
+
+"Ge ziet, mijnheer," zeide zij, met haar zoetsappig gezicht, 't welk
+nog onverdragelijker was dan haar wreed gezicht, "ik wil wel dat het
+kind eens spele, ik belet het niet; maar 't is goed voor een enkelen
+keer, omdat ge zoo edelmoedig zijt. Want weet ge, zij heeft niets. Zij
+moet werken."
+
+"Is dat kind dan niet van u?" vroeg de man.
+
+"Mijn God! neen, mijnheer; 't is een arm kind dat wij uit liefdadigheid
+hebben aangenomen. 't Is zoo'n half onnoozele. 't Schijnt het water
+in 't hoofd te hebben. Zie eens, welk een groot hoofd zij heeft. Wij
+doen voor haar wat wij kunnen, want wij zijn niet rijk. Wij hebben
+naar haar woonplaats geschreven, doch sedert zes maanden antwoordt
+men ons niet meer. Wij moeten gelooven, dat haar moeder overleden is."
+
+"Zoo!" zei de man en hij verviel weder in zijn mijmering.
+
+"Aan die moeder was weinig goeds," hernam vrouw Thénardier. "Zij liet
+haar kind achter."
+
+Gedurende dit gesprek had Cosette, alsof een inwendig gevoel haar had
+gewaarschuwd dat men over haar sprak, het oor niet van vrouw Thénardier
+afgewend. Zij luisterde, maar hoorde slechts nu en dan een enkel woord.
+
+Ondertusschen herhaalden de drinkers, die meer dan half dronken
+waren, met verdubbelde vroolijkheid hun vuil gezang. 't Was iets erg
+stuitends, waarin de Maagd Maria en het kind Jezus voorkwamen. Vrouw
+Thénardier had hartelijk met het schaterend gelach ingestemd:
+Cosette zag, onder de tafel, naar het vuur, dat zich in haar strak oog
+weerkaatste; zij wiegde weder het gebakerde voorwerp en zong daarbij
+zacht: Mijn moeder is dood! mijn moeder is dood! mijn moeder is dood!
+
+Op vernieuwd aanzoek der kasteleines, begeerde de bruine man,
+"de millionair," eindelijk te eten.
+
+"Wat verkiest mijnheer?"
+
+"Brood en kaas," zei de man.
+
+"Zeer zeker een arme drommel," dacht vrouw Thénardier.
+
+De dronkaards zongen nog altijd hun lied, en het kind onder de tafel
+zong het hare.
+
+Eensklaps zweeg Cosette. Zij had zich omgekeerd en zag nu de pop van
+de meisjes, welke zij voor de kat hadden verlaten, en die op eenigen
+afstand der keukentafel op den grond lag.
+
+Toen liet zij het gebakerd sabeltje vallen, dat haar slechts ten
+halve voldeed, en liet haar oogen langzaam door de zaal gaan. Vrouw
+Thénardier sprak zacht met haar man, en telde geld, Ponine en Zelma
+speelden met de kat, de reizigers aten of dronken of zongen, geen blik
+was op haar gericht. Zij had geen oogenblik te verliezen. Zij kroop
+op handen en knieën van onder de tafel, verzekerde zich nogmaals dat
+men haar niet gadesloeg, schoot toen ijlings naar de pop, en greep
+haar. Een oogenblik daarna zat zij weder op haar plaats, bewegingloos,
+doch zoodanig gekeerd, dat de pop, welke zij in haar armen hield,
+in de schaduw was. Het geluk van met een pop te spelen was voor haar
+zoo zeldzaam, dat het de macht van den wellust had.
+
+Niemand had het gezien dan de reiziger, die langzaam zijn sober
+avondeten nuttigde.
+
+Deze vreugd duurde schier een kwartieruurs.
+
+Maar hoe voorzichtig Cosette ook was, zij bespeurde niet, dat een van
+de beenen der pop "uitstak," en helder door het vuur van den haard
+verlicht werd. Dit rosé verlichte been, dat uit de schaduw kwam,
+trof plotseling den blik van Azelma, die tot Eponine zeide:--Zie
+eens, zusje!
+
+De twee meisjes staarden verstomd. Cosette had de pop durven nemen.
+
+Eponine stond op en zonder de kat los te laten, ging zij naar haar
+moeder en trok haar bij haar kleed.
+
+"Laat mij toch met rust," zei de moeder. "Wat wilt ge?"
+
+"Moeder," zei het kind, "zie eens."
+
+En zij wees met den vinger naar Cosette.
+
+Cosette, geheel in verrukking over het bezit, zag noch hoorde iets.
+
+Het gelaat van vrouw Thénardier nam die bijzondere uitdrukking aan,
+welke uit het vreeselijke, vermengd met het nietige des levens,
+bestaat, en die deze soort vrouwen den naam van "helleveeg" heeft
+gegeven.
+
+Nu bracht de gekwetste hoogmoed haar toorn tot het uiterste. Cosette
+had alle grenzen overschreden, Cosette had zich aan de pop vergrepen
+van "hare dochtertjes." Een czarin, die zag dat een mougick zich het
+groote blauwe lint van haar keizerlijken zoon omhing, zou geen ander
+gezicht gehad hebben.
+
+Met een van verontwaardiging schorre stem riep zij:
+
+"Cosette!"
+
+Cosette ontstelde, alsof de grond onder haar ingevallen ware. Zij
+keerde zich om.
+
+"Cosette!" herhaalde vrouw Thénardier.
+
+Cosette nam de pop en legde haar met een soort van eerbied, met wanhoop
+vermengd, op den grond. Toen vouwde zij, zonder haar oogen er van af
+te wenden, de handen samen, en, 't geen van een kind van dien leeftijd
+schrikkelijk is te zeggen, zij wrong ze; en--waartoe haar geen der
+aandoeningen van den dag, noch haar gang naar het bosch, noch den
+zwaren emmer, noch het verliezen van 't geld, noch het gezicht der
+karwats, zelfs niet de dreigende woorden van vrouw Thénardier hadden
+kunnen bewegen,--zij schreide. Zij barstte in snikken uit.
+
+Intusschen was de reiziger opgestaan.
+
+"Wat is er geschied?" vroeg hij aan vrouw Thénardier.
+
+"Ziet ge 't niet?" zei vrouw Thénardier met den vinger naar het corpus
+delicti wijzende, dat aan Cosettes voeten lag.
+
+"Welnu, wat?" hernam de man.
+
+"Deze bedelares," antwoordde vrouw Thénardier, "heeft zich vermeten,
+aan de pop der kinderen te raken."
+
+"En is daarvoor al dat leven!" zei de man. "Waarom mag zij niet met
+de pop spelen?"
+
+"Zij maakt ze smerig met haar vuile handen," hernam vrouw Thénardier,
+"met haar leelijke handen!"
+
+Cosette snikte luider bij deze woorden.
+
+"O, zult ge u stil houden!" riep vrouw Thénardier.
+
+De vreemde ging rechtstreeks naar de voordeur, opende ze en ging er
+uit. Zoodra hij weg was, nam vrouw Thénardier de gelegenheid waar,
+Cosette onder de tafel een geweldigen schop te geven, die het kind
+luid deed schreeuwen.
+
+De deur werd weder geopend, de man kwam terug, hield in zijn beide
+handen de fabelachtige pop, waarvan wij gesproken hebben en welke
+al de kinderen van het dorp den geheelen dag bewonderd hadden, en ze
+voor Cosette leggende, zeide hij:
+
+"Ziedaar, die is voor u."
+
+'t Is waarschijnlijk dat hij, die langer dan een uur hier was,
+te midden zijner mijmeringen, flauw de poppenkraam had opgemerkt,
+die zoo schitterend met lampen en kaarsen werd verlicht, dat men ze
+door het raam der herberg voor een illuminatie hield.
+
+Cosette hief de oogen op. Zij had den man met de pop haar zien naderen,
+evenals zij de zon tot haar zou hebben zien komen, zij hoorde deze
+nooit gehoorde woorden: "dit is voor u," zij zag hem, zij zag de
+pop aan, toen kroop zij langzaam achteruit, en verborg zich onder de
+tafel in den hoek van den muur.
+
+Zij schreide niet meer, noch kreet; 't was alsof zij niet durfde
+ademen.
+
+Vrouw Thénardier, Eponine, Azelma waren als zoovele beelden. Zelfs de
+drinkers hielden een oogenblik op. Er heerschte een plechtige stilte
+in de herberg.
+
+Vrouw Thénardier, versteend en sprakeloos, begon weder gissingen te
+maken:--Wie is deze oude? is hij arm? is hij millionair? Misschien
+beiden, namelijk een dief.
+
+Het gelaat van Thénardier vertoonde dien sprekenden plooi, welke het
+menschelijk gezicht aanneemt, wanneer het heerschend instinct er in al
+zijn dierlijke kracht op verschijnt. De kroeghouder zag beurtelings
+de pop en den reiziger aan; hij scheen dien man even begeerlijk aan
+te zien als hij een zak geld zou hebben aangezien. Dit duurde evenwel
+slechts een oogenblik. Hij naderde zijn vrouw en zeide zacht tot haar:
+"Dat ding kost ten minste dertig francs. Geen gekheid. Dien man moeten
+wij zien in te pakken."
+
+Ruwe naturen hebben dit met de naïeve gemeen, dat zij geen overgangen
+kennen.
+
+"Nu, Cosette," zei vrouw Thénardier met een stem, die zacht wilde
+zijn, maar al den bitteren honig van booze vrouwen had, "neemt ge de
+pop niet aan?"
+
+Cosette waagde het, uit haar schuilhoek te komen.
+
+"Nu, Cosetje," sprak Thénardier op vleienden toon, "mijnheer geeft
+u een pop. Neem ze. Ze is voor u."
+
+Cosette aanschouwde de tooverachtige pop met een soort van schrik. Haar
+gezicht was nog met tranen bedekt; maar haar oogen begonnen zich
+te vullen, evenals de hemel bij den dageraad, met de stralen der
+blijdschap. Wat zij thans gevoelde, had eenige overeenkomst met
+hetgeen zij gevoeld zou hebben, zoo men haar eensklaps gezegd had:
+"Kleine, gij zijt koningin van Frankrijk."
+
+Het scheen haar, alsof de bliksem uit de pop zou schieten, zoo zij
+ze aanraakte.
+
+Dit was in een zeker opzicht waar, want zij zeide bij zich zelve,
+dat vrouw Thénardier op haar zou schelden en haar zou slaan.
+
+De bekoring was echter te sterk. Zij naderde eindelijk en prevelde
+bedeesd, zich tot vrouw Thénardier wendende:
+
+"Mag ik, madame?"
+
+Geen woorden kunnen haar te gelijk wanhopige, angstige en verrukte
+houding uitdrukken.
+
+"Drommels," zei vrouw Thénardier, "ze behoort u. Mijnheer geeft ze
+u immers."
+
+"Is 't waar, mijnheer?" hernam Cosette, "in ernst? is die "dame"
+voor mij?"
+
+De vreemdeling scheen de oogen vol tranen te hebben, en tot dien
+graad van aandoening te zijn gekomen, dat men niet spreekt, ten einde
+niet te weenen. Hij knikte Cosette toe en legde de hand der "dame"
+in haar handje.
+
+Cosette trok schielijk haar hand terug, alsof die der pop haar
+brandde, en zag naar den grond. Wij moeten hier bijvoegen, dat zij
+terzelfdertijd de tong ver uitstak. Eensklaps keerde zij zich om en
+greep driftig de pop.
+
+"Ik zal haar Kaatje noemen," zeide zij.
+
+'t Was een wonderbaar oogenblik, toen de lompen van Cosette in
+aanraking kwamen met de linten en het frisch roodkleurig neteldoek
+der pop.
+
+"Madame," vroeg zij, "mag ik ze op een stoel zetten?"
+
+"Ja, mijn kind," antwoordde vrouw Thénardier.
+
+Nu beschouwden Eponine en Azelma Cosette met afgunst.
+
+Cosette zette Kaatje op een stoel, ging voor haar op den grond zitten
+en bleef haar stil, zonder te spreken, vol bewondering aanschouwen.
+
+"Speel nu, Cosette," zei de vreemdeling.
+
+"O, ik speel," antwoordde het kind.
+
+Deze vreemdeling, deze onbekende, die als een bezoek der Voorzienigheid
+aan Cosette geleek, was op dit oogenblik voor vrouw Thénardier het
+meest gehate voorwerp. Zij moest zich evenwel bedwingen. Zij was
+sterker ontstemd dan zij kon uithouden, hoezeer zij aan geveinsdheid
+gewoon was, doordien zij haar man in al zijne handelingen trachtte
+na te bootsen. Zij haastte zich haar dochtertjes naar bed te zenden,
+en verzocht toen den bruinen man "verlof" ook Cosette naar bed te
+doen gaan, "die," voegde zij er op moederlijken toon bij, "heden wel
+zeer vermoeid moet zijn." Cosette ging naar bed en nam Kaatje op haar
+armen mede.
+
+Vrouw Thénardier ging nu en dan naar het einde der kamer, waar haar
+man zat, om "haar hart te verlichten." Zij wisselde met haar man
+eenige woorden, die te heftiger waren, wijl zij ze niet luid durfde
+uitspreken:
+
+"Die oude schurk! Wat heeft hij toch in den zin, om ons hier te komen
+hinderen! hij wil dat het kleine monster spelen zal! hij geeft haar
+een pop! een pop van veertig francs aan een schepsel, dat geen veertig
+sous waard is! Straks zal hij haar nog majesteit noemen, evenals de
+hertogin van Berry! Heeft dit gezonden zin? De oude onbekende moet
+krankzinnig zijn!"
+
+"Waarom? 't Is zeer natuurlijk," antwoordde Thénardier, "wijl 't hem
+behaagt. Gij wilt dat het meisje werkt, hij wil dat ze speelt. Hij is
+in zijn recht. Een reiziger doet wat hij wil, zoo hij betaalt. Wat
+raakt het u, of deze oude een philanthroop is? 't raakt u niet of
+hij een dwaas is. Wat kan 't u schelen? hij heeft immers geld!"
+
+Taal van den meester en herbergiers-redeneering, waartegen niets is
+in te brengen.
+
+De man leunde met den elleboog op de tafel en had zich weder aan zijne
+gepeinzen overgegeven. De overige reizigers, kooplieden en voerlieden,
+hadden zich een weinig verwijderd en zongen niet meer. Zij beschouwden
+hem op een afstand met een soort van eerbiedige schuwheid. Deze zoo
+armoedig gekleede man, die zoo onverschillig de vijffrancsstukken
+uit zijn zak haalde en reusachtige poppen aan kleine morspotten op
+klompen schonk, was zekerlijk een rijk en machtig man.
+
+Er verliepen verscheidene uren. De middernachtmis was geëindigd, het
+kleine nachtfeest was afgeloopen, de drinkers waren heengegaan, de
+herberg was gesloten, de gelagkamer was ledig, het vuur was uitgedoofd,
+maar de man zat nog op dezelfde plaats en in dezelfde houding. Nu en
+dan verwisselde hij van elleboog om op te steunen. Dit was alles. Sinds
+Cosette er niet meer was, had hij geen woord gesproken.
+
+Alleen de Thénardier's waren uit voegzaamheid en nieuwsgierigheid in
+de kamer gebleven.
+
+"Zal hij den nacht aldus doorbrengen?" bromde vrouw Thénardier. Toen
+het twee uren na middernacht sloeg, verklaarde zij zich overwonnen en
+zeide tot haar man: "Ik ga naar bed. Doe zooals gij wilt."--Thénardier
+ging in een hoek aan een tafel zitten, stak een kaars aan en begon
+de Courrier Français te lezen.
+
+Aldus verstreek ruim een uur. De waardige herbergier had ten minste
+driemaal de courant gelezen, van den datum af tot den naam van den
+drukker toe. De vreemdeling verroerde zich niet.
+
+Thénardier bewoog zich, hoestte, spuwde, snoot den neus, schraapte
+met zijn keel. Geen beweging van den man.--Slaapt hij? dacht
+Thénardier.--De man sliep niet, maar niets kon hem uit zijn gepeins
+wekken.
+
+Eindelijk nam Thénardier zijn pet af, naderde zacht en waagde te
+zeggen:
+
+"Wil mijnheer niet "ter rust gaan"?"
+
+"Naar bed gaan" had hem te onfatsoenlijk en gemeenzaam geschenen. "Ter
+rust gaan" was deftig en eerbiedig. Zulke woorden hebben de geheime,
+wonderbare eigenschap, dat zij den volgenden dag het bedrag der
+rekening doen zwellen. Een kamer waar men "slaapt" kost een franc;
+een kamer, waar men "rust" moet twintig francs kosten.
+
+"Ja!" zei de vreemdeling, "gij hebt gelijk. Waar is de stal?"
+
+"Mijnheer," zei Thénardier met een glimlach, "ik zal mijnheer
+voorgaan."
+
+Hij nam de kaars, de man nam zijn pakje en stok, en Thénardier geleidde
+hem naar een kamer op de eerste verdieping, die bijzonder fraai was,
+met mahoniehouten meubels, ledikant en rood katoenen gordijnen.
+
+"Wat is dat?" vroeg de reiziger.
+
+"'t Is onze bruidskamer," zei de herbergier. "Mijn vrouw en ik bewonen
+een andere. Wij komen hier slechts drie- of viermaal in 't jaar."
+
+"De stal zou mij even lief zijn geweest," zei de man koel.
+
+Thénardier hield zich, alsof hij deze vleiende aanmerking niet hoorde.
+
+Hij ontstak twee nieuwe waskaarsen, die op den schoorsteen stonden. Een
+tamelijk goed vuur brandde in den haard.
+
+Op den schoorsteen lag onder een glazen stolp een vrouwenkapsel van
+zilverdraad en oranjebloesem.
+
+"Wat is dit?" vroeg de vreemdeling.
+
+"'t Is de bruidstooi mijner vrouw mijnheer," zei Thénardier.
+
+De reiziger beschouwde dat voorwerp met een blik, die scheen te zeggen:
+"dat monster is dus ook eens een meisje geweest."
+
+Thénardier loog trouwens. Toen hij het huis had gehuurd om er een
+kroeg van te maken, had hij deze kamer dus gestoffeerd gevonden, het
+huisraad overgenomen met den bruidskrans er bij, in de verwachting,
+dat die aan zijn vrouw een bevallig aanzien zou verleenen en aan zijn
+huis een zekere "respectabiliteit", zooals de Engelschen zeggen.
+
+Toen de reiziger zich omkeerde, was de herbergier verdwenen. Thénardier
+had zich bescheidenlijk verwijderd, zonder goeden nacht te durven
+zeggen, daar hij iemand niet met oneerbiedige gemeenzaamheid wilde
+behandelen, dien hij voornam den volgenden morgen op koninklijke
+wijze te plukken.
+
+De herbergier begaf zich naar zijn kamer. Zijn vrouw was te bed,
+maar sliep niet. Toen zij haar man hoorde komen, keerde zij zich om
+en zeide:
+
+"Weet ge, dat ik Cosette morgen de deur uit gooi?"
+
+Thénardier antwoordde koel:
+
+"Wat zijt ge driftig!"
+
+Zij spraken verder geen woord; na eenige oogenblikken was hun kaars
+uitgebluscht.
+
+De reiziger had zijn pakje en stok in een hoek gelegd.
+
+Toen de herbergier hem verlaten had, zette hij zich op een stoel en
+bleef een poos in gedachten verdiept. Vervolgens trok hij zijn schoenen
+uit, nam een der kaarsen, blies de andere uit, opende de deur, ging
+uit de kamer en zag om zich, als iemand die iets zoekt. Hij ging door
+een gang en kwam aan de trap. Daar hoorde hij een zeer zacht gerucht,
+dat de ademhaling van een kind geleek. Hij ging hierop af en het
+bracht hem voor een driehoekig hok onder de trap, of liever door de
+trap zelf gevormd. 't Was eenvoudig de ruimte onder de treden. Daar,
+onder allerlei oud mandewerk en vodden, in stof en spinnewebben,
+was een bed, indien een stroozak, door welks gaten men het stroo kon
+zien, en een oude deken, door welks gaten men den stroozak kon zien,
+aldus genoemd mogen worden. Lakens waren er niet. De stroozak lag op
+den vloer, en in dat bed sliep Cosette.
+
+De man trad nader en zag haar aan.
+
+Cosette sliep gerust en was geheel gekleed. Des winters ontkleedde
+zij zich niet, om minder kou te lijden.
+
+Zij hield de pop, wier groote oogen in de duisternis glinsterden,
+tegen zich gedrukt. Nu en dan loosde zij een zwaren zucht, als ware
+zij op 't punt te ontwaken, en schier stuipachtig klemde zij de pop
+in haar armen. Slechts één harer klompen stond bij haar bed.
+
+Door een open deur, dicht bij de slaapplaats van Cosette, kon men
+in een groote donkere kamer zien. De vreemdeling trad er binnen. De
+glazen deur deed in de kamer twee gelijke kleine, heldere bedden
+opmerken. Ze waren van Azelma en Eponine. Achter deze bedden ontdekte
+men flauw een teenen wieg zonder gordijnen, waarin het jongetje sliep,
+dat den ganschen avond geschreeuwd had.
+
+De vreemdeling vermoedde, dat deze kamer met die der echtgenooten
+in verbinding was. Hij wilde zich verwijderen, toen zijn blik op den
+schoorsteen viel; een dier groote herbergsschoorsteenen, waarin altijd
+zoo weinig vuur is, zoo er in 't geheel vuur in is, en die zich zoo
+koud laten aanzien. In dezen schoorsteen was geen vuur, zelfs geen
+asch; wat er in was, trok echter de aandacht des reizigers. 't Waren
+namelijk twee nette kinderschoentjes van verschillende grootte; de
+reiziger herinnerde zich de lieve, overoude gewoonte der kinderen
+in Frankrijk om op den Kerstdag hun schoenen onder den schoorsteen
+te zetten, opdat hun goede fée er des nachts een fraai geschenk in
+brenge. Eponine en Azelma hadden dan ook niet nagelaten, ieder haar
+schoentje onder den schoorsteen te zetten.
+
+De reiziger bukte.
+
+De fée, dat wil zeggen de moeder, was er reeds geweest, en in ieder
+schoentje zag men een fraai, geheel nieuw half-francstuk blinken.
+
+De man richtte zich op en wilde gaan, toen hij achter in den donkersten
+hoek van den schoorsteen nog een ander voorwerp bespeurde, een
+leelijk, lomp, half gebroken en met asch en slijk bedekt klompje. 't
+Was Cosettes klompje. Ook Cosette had met dat aandoenlijk vertrouwen
+der kinderen, dat, schoon telkens bedrogen, echter nooit den moed
+opgeeft, haar klompje in den schoorsteen gezet.
+
+De hoop van een kind, dat nooit iets anders dan wanhoop heeft gekend,
+is iets zeer verhevens en liefelijks.
+
+In dat klompje was niets.
+
+De vreemdeling tastte in zijn zak, bukte en legde in Cosettes klompje
+een louis d'or.
+
+Toen keerde hij zacht naar zijn kamer terug.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+THÉNARDIER AAN 'T WERK.
+
+
+Den volgenden morgen, ten minste twee uur vóór het dag was, zat
+Thénardier bij een kaars in de gelagkamer aan de tafel met een pen
+in de hand, en maakte de rekening op van den reiziger in de bruine jas.
+
+Zijn vrouw stond half gebogen naast hem en zag toe. Zij spraken geen
+woord. 't Was aan de eene zijde diepe overweging, aan de andere
+eerbiedige bewondering, als waarmede men een gewrocht van den
+menschelijken geest ziet ontstaan en zich ontwikkelen. Men hoorde
+gerucht in huis, 't was de "leeuwerik" die de trap veegde.
+
+Na een groot kwartieruurs en eenige doorhalingen, bracht Thénardier
+dit meesterstuk voor den dag:
+
+
+ Nota voor mijnheer No. 1.
+
+ Soupé fr. 3.
+ Kamer fr. 10.
+ Kaarsen fr. 5.
+ Vuur fr. 4.
+ Bediening fr. 1.
+ ------
+ Te zamen fr. 23.
+
+
+"Drie-en-twintig francs!" riep de vrouw verrukt, doch met eenige
+aarzeling vermengd.
+
+Evenals alle groote kunstenaars, was Thénardier niet tevreden.
+
+"Hm!" prevelde hij.
+
+'t Was de toon van Castlereagh, terwijl hij op 't congres van Weenen
+de rekening voor Frankrijk opmaakte.
+
+"Gij hebt gelijk, Thénardier, hij mag dit wel betalen," mompelde
+de vrouw, aan de pop denkende, welke hij in tegenwoordigheid harer
+dochtertjes aan Cosette had gegeven, "'t is niet meer dan billijk;
+ofschoon wat veel. Hij zal 't niet willen betalen."
+
+Thénardier antwoordde met zijn koelen glimlach:
+
+"Hij moet betalen."
+
+Deze glimlach was de hoogste uitdrukking van zekerheid en gezag. Wat
+zóó gezegd was moest gebeuren. De vrouw sprak er niet verder over. Zij
+bracht de tafels in orde; de man ging heen en weder door de kamer. Na
+eenige oogenblikken zeide hij:
+
+"Ik moet wel vijftienhonderd francs betalen."
+
+Hij zette zich in den hoek van den haard, met de voeten in de warme
+asch en peinsde.
+
+"Nu, ge vergeet toch niet, dat ik vandaag Cosette de deur uitzet. Het
+monster, ik kan haar niet uitstaan, met haar pop! Ik zou liever
+Lodewijk XVIII trouwen dan haar een dag langer in mijn huis hebben."
+
+Thénardier stak zijn pijp aan, en antwoordde tusschen de rookwolken:
+"Gij zult de rekening aan den man geven."
+
+Toen ging hij uit.
+
+Nauwelijks was hij uit de kamer, toen de reiziger binnenkwam.
+
+Thénardier verscheen weder onmiddellijk achter hem, bleef in de half
+open deur staan en was alleen zichtbaar voor zijn vrouw.
+
+De bruine man had zijn stok en zijn pakje in de hand.
+
+"Zoo vroeg bij de hand!" zei vrouw Thénardier, "gaat mijnheer ons
+reeds verlaten?"
+
+Dit zeggende draaide zij verlegen de rekening in haar hand en maakte
+er met haar vingers vouwen in. Haar strak gelaat vertoonde een haar
+geheel ongewone uitdrukking van bedeesdheid en schroom.
+
+'t Scheen haar moeielijk zulk een rekening aan iemand te geven,
+die zoo geheel 't voorkomen van "een arme" had.
+
+De reiziger scheen verstrooid en in gedachten. Hij antwoordde:
+
+"Ja, madame, ik vertrek."
+
+"Ge hebt dus te Montfermeil geen zaken te doen?"
+
+"Neen, ik reis hier slechts door, anders niet.--Wat ben ik u schuldig,
+madam?"
+
+Vrouw Thénardier reikte hem de toegevouwen rekening over, zonder een
+woord te zeggen.
+
+De man vouwde het papier open en zag het in; maar blijkbaar dacht
+hij aan iets anders.
+
+"Madame," vroeg hij, "maakt ge goede zaken hier te Montfermeil?"
+
+"Zoo, zoo, mijnheer," antwoordde vrouw Thénardier, verbaasd dat hij
+niet op eene andere wijze uitviel. Op treurigen, jammerenden toon
+voegde zij er bij: "'t Is een slechte tijd, mijnheer! en hier, in
+deze omstreken zijn weinig welgestelden. 't Zijn allen geringe lieden,
+weet ge. Zoo er niet nu en dan fatsoenlijke en rijke reizigers kwamen
+als mijnheer! Wij hebben zoovele lasten. Onder andere, die kleine
+kost ons ontzettend."
+
+"Welke kleine?"
+
+"Wel, de kleine, die gij gezien hebt! Cosette; de "leeuwerik" zooals
+men ze hier noemt."
+
+"Ha," zei de man.
+
+Zij voer voort:
+
+"De boeren zijn zoo dom met hun bijnamen; zij heeft meer van een
+vleermuis dan van een leeuwerik. Weet ge, mijnheer, wij vragen niet,
+maar kunnen evenmin geven. Wij verdienen niets en hebben veel te
+betalen. Het patent, de personeele belasting, deuren en vensters,
+de opcenten! Mijnheer weet, dat er ontzettend veel belasting moet
+betaald worden. Bovendien heb ik mijn dochtertjes; ik heb niet noodig
+het kind van een ander te voeden."
+
+De man hernam met eene stem, welke men onverschillig tracht te maken,
+doch evenwel beeft: "Zoo men er u eens van ontlastte?"
+
+"Van wie? van Cosette?"
+
+"Ja."
+
+Het roode heftige gezicht der herbergierster straalde van hatelijke
+vreugde.
+
+"O, mijnheer, houd haar, neem haar mede, doe met haar wat ge wilt en
+de H. Maagd en al de Heiligen in den hemel zegenen u er voor."
+
+"Afgedaan!"
+
+"Waarlijk? Neemt ge haar mede?"
+
+"Ik neem ze mede."
+
+"Aanstonds?"
+
+"Aanstonds. Roep het kind."
+
+"Cosette!" riep vrouw Thénardier.
+
+"Ondertusschen zal ik u mijn schuld betalen," hernam de man. "Hoeveel
+is 't?"
+
+Hij sloeg een blik in de rekening en kon een beweging van verbazing
+niet onderdrukken.
+
+"Drie-en-twintig francs!" zeide hij, de vrouw aanziende, en herhaalde:
+"Drie-en-twintig francs!"
+
+Op deze wijze herhaald lag in deze woorden de uitdrukking tusschen
+het verwonderings- en het vraagteeken.
+
+Vrouw Thénardier had den tijd gehad, zich tot den schok voor te
+bereiden. Zij antwoordde stoutmoedig:
+
+"Ja, mijnheer, 't is drie-en-twintig francs."
+
+De vreemdeling legde vijf vijffrancstukken op de tafel.
+
+"Ga nu het kind halen," zeide hij.
+
+Op dit oogenblik trad Thénardier in 't midden der kamer en zeide:
+
+"Mijnheer is nog zes-en-twintig sous schuldig."
+
+"Zes-en-twintig sous!" herhaalde de vrouw.
+
+"Twintig sous voor de kamer, zes voor het avondeten," hernam Thénardier
+koel. "Wat de kleine betreft moet ik met mijnheer nog een woord
+spreken. Ga, vrouw."
+
+Vrouw Thénardier was als verbijsterd door de verrassende spranken
+van haars mans schitterenden geest. Zij gevoelde dat de groote acteur
+thans ten tooneele trad; zij antwoordde niet en ging heen.
+
+Zoodra zij alleen waren, bood Thénardier den vreemdeling een stoel
+aan. De reiziger ging zitten; Thénardier bleef staan en zijn gelaat
+nam een zonderlinge goedhartigheid en onnoozelheid aan.
+
+"Ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik dit kind onuitsprekelijk liefheb."
+
+De vreemdeling zag hem strak aan.
+
+"Welk kind?" vroeg hij.
+
+"'t Is zonderling, hoe men zich aan iets hechten kan," vervolgde
+Thénardier. "Wat is al dat geld? Neem uw vijffrancstukken terug. Ik
+houd onuitsprekelijk van dat kind!"
+
+"Van welk?" vroeg de vreemde.
+
+"Wel, van onze kleine Cosette. Wilt ge dit niet van ons wegnemen? Nu,
+ik spreek openhartig; zoo waar als ik een eerlijk man ben, ik kan er
+niet in bewilligen. Ik zou het kind missen. Ik heb ze van jongs af
+bij mij gehad. 't Is waar, dat ze ons veel kost; 't is waar, dat ze
+haar gebreken heeft; 't is waar, dat wij niet rijk zijn; 't is waar
+dat, toen ze ziek was, ik meer dan vierhonderd francs aan artsenijen
+betaald heb. Maar men moet iets voor den lieven God doen. Zij heeft
+noch vader noch moeder, ik heb haar grootgebracht. Ik heb brood voor
+mij en voor haar. Kortom, ik ben aan 't kind gehecht. Ge begrijpt,
+men kan zich ergens aan hechten; ik ben een eenvoudige goede kerel;
+ik redeneer niet, en houd van de kleine; mijn vrouw is driftig,
+maar houdt ook van haar. 't Is als ware het ons kind. Ik moet haar
+in huis hooren keuvelen."
+
+De vreemde bleef hem strak aanzien. Thénardier voer voort:
+
+"Vergeving, verschooning, mijnheer, men geeft zoo maar zijn kind
+niet aan den eerste den beste. Niet waar, heb ik geen gelijk? 't
+Is zoo, gij zijt rijk, gij schijnt een zeer goed man, en zoo het
+tot haar geluk was? Maar wie weet dat? Ge begrijpt dat, zoo ik haar
+liet gaan en dit offer bracht, ik zou willen weten waar zij bleef,
+ik zou haar niet uit het oog willen verliezen, zou moeten weten bij
+wien zij is, om haar nu en dan te bezoeken, opdat zij zou weten dat
+haar goede pleegvader nog altijd over haar waakt. Er zijn voorwaar
+maar al te veel onmogelijke zaken. Ik weet zelfs uw naam niet. Zoo
+ge haar medenaamt, zou ik moeten vragen: waar is de Leeuwerik toch
+gebleven? Ik zou ten minste een stukje papier, een paspoort of iets
+van dien aard moeten zien.
+
+Zonder op te houden den herbergier met dien blik aan te zien, die,
+om zoo te spreken, tot in het diepst der ziel dringt, antwoordde de
+vreemde met ernstige, vaste stem:
+
+"Mijnheer Thénardier, men neemt geen pas om zich vijf uren van
+Parijs te verwijderen. Zoo ik Cosette medeneem, neem ik haar mede,
+dit is alles. Ge zult noch mijn naam, noch mijn woonplaats vernemen;
+ge zult haar verblijf niet vernemen, en 't is mijn bedoeling dat zij
+u nooit wederzie. Ik breek den draad, dien zij aan den voet heeft,
+en zij vliegt weg. Wilt gij dit, ja of neen?"
+
+Evenals goede en kwade geesten aan sommige teekenen de tegenwoordigheid
+van een hoogeren geest erkennen, zoo begreep Thénardier, dat hij
+met een zeer sterk man te doen had. Dit werd hem als ingegeven; hij
+begreep het dadelijk met zijn gewone scherpzinnigheid. Hij had reeds
+den vorigen avond, terwijl hij met de voerlieden dronk, rookte en zong,
+den vreemdeling oplettend gadegeslagen, hem als een kat beloerd en
+hem als een wiskunstenaar bestudeerd. Uit eigen beweging, voor zijn
+pleizier en uit instinct had hij hem gadegeslagen, en hem bespied
+als werd hij er voor betaald. Geen gebaar, geen beweging was hem
+van dezen man in de bruine jas ontsnapt. Zelfs vóór de onbekende zijn
+belangstelling in Cosette deed blijken, had Thénardier hem geraden. Hij
+had de doordringende blikken van den ouden man verrast, die zich immer
+op het kind richtten. Wat was de reden dezer belangstelling? Wie was
+deze man? Waarom zulk een armoedige kleeding, met zooveel geld in den
+zak? Deze vragen, welke hij zich deed en niet kon oplossen, kwelden
+hem. Hij had er den ganschen nacht over gedacht. 't Kon Cosettes vader
+niet zijn. Misschien een grootvader? maar waarom zich dan niet dadelijk
+kenbaar gemaakt? Zoo men recht op iets heeft, bewijst men het. 't
+Was duidelijk, dat deze man geen recht op Cosette had. Wie was hij
+dan? Thénardier verloor zich in gissingen. Hij meende alles te zien,
+en zag niets. Hoe het zij, toen hij met den man een gesprek begon,
+voelde hij zich sterk, in de overtuiging dat er een geheim onder
+schuilde, dat de man er belang bij had onbekend te blijven; doch
+bij het duidelijk en stellig antwoord van den vreemde, en toen hij
+zag van dit geheimzinnig personage zoo eenvoudig geheimzinnig was,
+gevoelde hij zich zwak. Iets dergelijks had hij niet verwacht. Al
+zijn gissingen vielen nu in duigen. Hij zamelde zijn gedachten. In
+een seconde overwoog hij dit alles. Thénardier was een dier menschen,
+die in een oogenblik over een toestand oordeelen. Hij begreep dat
+'t nu het oogenblik was om regelrecht en snel door te tasten. Hij
+handelde als de groote veldheeren op het beslissend oogenblik, dat
+zij alleen weten te erkennen; hij ontblootte eensklaps zijn batterij.
+
+"Mijnheer," zeide hij, "ik moet vijftienhonderd francs hebben."
+
+De vreemde nam uit zijn zak een oude, zwart lederen portefeuille,
+opende ze en haalde er drie bankbriefjes uit, welke hij op de tafel
+legde. Toen hield hij zijn grooten duim op de briefjes en zeide tot
+den herbergier:
+
+"Haal Cosette."
+
+Wat deed Cosette, terwijl dit plaats had?
+
+Cosette was terstond bij haar ontwaken naar haar klompje geloopen,
+en had daarin het goudstuk gevonden. 't Was geen gouden Napoleon,
+maar een dier nieuwe twintig-francstukken der restauratie, waarop de
+kleine Pruisische staart den lauwerkrans aan het borstbeeld vervangen
+had. Cosette was als verblind. Haar lot begon haar te bedwelmen. Zij
+wist niet wat een goudstuk was; nooit had zij er een gezien; zij
+bergde het haastig in haar zak alsof zij het gestolen had. Evenwel
+gevoelde zij, dat het haar behoorde; zij begreep, van waar dit geschenk
+kwam, maar haar vreugd was met vrees vermengd. Zij was tevreden;
+maar bovenal verbaasd. Deze heerlijke, schoone dingen schenen haar
+niet wezenlijk. De pop joeg haar vrees aan, het goudstuk beangstigde
+haar. Deze heerlijkheden deden haar onwillekeurig beven. Alleen de
+vreemde man baarde haar geen vrees; integendeel, hij stelde haar
+gerust. Sinds den vorigen avond dacht zij, bij al haar verbazing,
+in haar slaap, in haar kleinen kinderlijken geest aan den man, die
+zulk een oud, armoedig en treurig aanzien had en die zoo rijk en goed
+was. Sinds zij dien goeden man in het bosch had ontmoet was alles
+voor haar veranderd. Cosette, minder gelukkig dan de geringste zwaluw
+in de lucht, had nooit geweten wat het is, in de moederlijke hoede
+als onder een vleugel beschermd te zijn. Sedert vijf jaren, dat is
+zoo ver haar geheugen reikte, rilde en beefde het arme kind. Steeds
+was zij naakt geweest in den guren wind des ongeluks; nu scheen het
+haar, dat zij gekleed was. Vroeger was haar ziel koud, nu was zij
+warm.--Cosette had zooveel vrees niet meer voor Thénardier. Zij was
+niet meer alleen; er was iemand bij haar.
+
+Haastig had zij haar ochtendwerk begonnen. De louisd'or, welken zij bij
+zich had, in 't zelfde zakje van haar voorschoot, waaruit den vorigen
+avond het vijftien-sousstuk was gevallen, maakte haar verstrooid. Zij
+durfde het niet aanraken, maar beschouwde het elke vijf minuten,
+waarbij zij, wij moeten 't zeggen, de tong uitstak. Terwijl zij de
+trap veegde, hield zij stil, vergat haar bezem en de geheele wereld,
+en staarde bewegingloos naar de schitterende ster in haar zak.
+
+'t Was in zulk een beschouwing, dat vrouw Thénardier haar vond.
+
+Op 't bevel van haar man kwam deze haar zoeken. Vreemd! zij gaf haar
+geen klap en schold haar niet.
+
+"Cosette, kom dadelijk," zei zij schier vriendelijk.
+
+Een oogenblik later trad Cosette de gelagkamer binnen.
+
+De vreemde nam het pakje, dat hij had medegebracht, en ontknoopte
+het. Het bevatte een wollen jurkje, een schortje, een onderrok, een
+halsdoek, wollen kousen, schoenen, kortom de volledige kleeding voor
+een zevenjarig meisje. Alles was zwart.
+
+"Neem dit, mijn kind," zei de man, "en kleed u spoedig."
+
+'t Begon te dagen toen de inwoners van Montfermeil, die hun deuren
+allengskens openden, in de Parijsche straat een armoedig gekleed
+man zagen voorbijgaan, die een in den rouw gekleed meisje met een
+groote pop in de armen, aan de hand hield. Zij gingen in de richting
+van Livry.
+
+'t Was onze man met Cosette.
+
+Niemand kende hem; en wijl Cosette geen lompen meer droeg, herkenden
+velen haar niet.
+
+Cosette ging heen. Met wien? waarheen? dit wist zij niet. Al wat zij
+begreep was, dat zij Thénardier's kroeg verliet. Niemand had er aan
+gedacht haar vaarwel te zeggen, evenmin als zij om van iemand afscheid
+te nemen. Zij verliet dat huis, gehaat en hatende.
+
+Arm, zacht wezen, welks hart tot hiertoe immer onderdrukt was geweest.
+
+Cosette ging ernstig voorwaarts, met groote oogen den hemel
+aanschouwende. Zij had den louisd'or in het zakje van haar nieuwen
+boezelaar gestoken. Nu en dan boog zij 't hoofd en sloeg er een blik
+op, daarna zag zij telkens naar den man. Zij gevoelde iets, als ware
+zij bij den goeden God.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+WIE HET BESTE ZOEKT, VINDT SOMS HET SLECHTSTE.
+
+
+Vrouw Thénardier had, als gewoonlijk, haar man laten handelen. Zij
+verwachtte iets gewichtigs. Toen de vreemde en Cosette weg waren,
+liet Thénardier een groot kwartier voorbijgaan. Toen ging hij tot
+haar en toonde haar de vijftienhonderd francs.
+
+"Meer niet?" zeide zij.
+
+Dit was de eerste keer, sedert het begin van hun echtelijke
+samenleving, dat zij een daad van den meester durfde berispen.
+
+De slag trof.
+
+"Inderdaad, ge hebt gelijk," zeide hij, "ik ben een ezel. Geef
+mijn hoed."
+
+Hij vouwde de drie bankbriefjes samen, stak ze in zijn zak en
+verwijderde zich haastig. Hij vergiste zich echter in den weg en
+ging rechts. Eenige buren, bij wie hij onderzoek deed, brachten
+hem op het rechte spoor; de Leeuwerik en de vreemde waren den weg
+naar Livry gegaan. Hij volgde deze aanwijzing, en ging snel voort,
+in zich zelven sprekende.
+
+"Die man is blijkbaar een in 't bruin gekleede millionair, en ik ben
+een ezel. Eerst gaf hij twintig sous, toen vijf francs, vervolgens
+nog vijftig francs, eindelijk vijftienhonderd francs en alles zonder
+eenige moeielijkheid. Hij zou ook vijftienduizend francs hebben
+gegeven. Maar ik zal hem inhalen.
+
+Ook het vooraf gereed gemaakte pakje voor de kleine was iets
+zonderlings, daar schuilt een geheim achter. Wanneer men geheimen
+heeft, laat men ze niet spoedig los. De geheimen der rijken zijn
+met goud gevulde sponsen, die men moet weten uit te persen." Al deze
+gedachten woelden hem in 't hoofd.--"Ik ben een ezel," herhaalde hij.
+
+Zoodra men buiten Montfermeil den hoek van den weg naar Livry bereikt
+heeft, ziet men den weg zeer ver voor zich uit, in de hoogte. Hier
+gekomen, zou hij, naar zijn berekening, den man en het kind kunnen
+zien. Hij tuurde zoo ver zijn oogen reikten, maar bespeurde niets. Hij
+deed weder onderzoek. Hiermede verloor hij tijd. Voorbijgangers zeiden
+hem, dat de man en het kind, welke hij zocht, naar 't bosch, op den
+weg van Gagny, waren gegaan. Hij spoedde zich in deze richting voort.
+
+Zij waren hem een goed eind vooruit, maar een kind gaat langzaam en
+hij liep snel. Bovendien waren hem de omstreken bekend.
+
+Eensklaps bleef hij stil staan en sloeg zich voor 't hoofd, als iemand,
+die het voornaamste heeft vergeten en wil terugkeeren
+
+"Ik had mijn geweer moeten medenemen!" dacht hij.
+
+Thénardier was een dier dubbele naturen, welke vaak in ons midden
+verschijnen, zonder dat wij 't weten, en die verdwijnen, zonder dat
+men ze gekend heeft, wijl het lot er slechts ééne zijde van heeft
+getoond. Thénardier bezat in zijn gewonen rustigen toestand al wat
+er noodig is een eerlijk man van zaken, een "goed burger" genoemd te
+worden, wij zeggen niet--te zijn. Terzelfdertijd had hij, in zekere
+omstandigheden, wanneer zekere schokken zijn onderste natuur deden
+bovenkomen, alles wat noodig is om een schurk te zijn. Hij was een
+herbergier, in wien iets gedrochtelijks verborgen lag. Satan moest
+zich zeker nu en dan in een hoek der kroeg, waarin Thénardier huisde,
+neerzetten en over dit meesterstuk van het afschuwelijke nadenken.
+
+Na een korte aarzeling dacht hij:
+
+"Zij zouden den tijd hebben mij te ontkomen."
+
+Hij zette met snelle schreden, schier met een voorkomen van zekerheid
+en met de sluwheid van den vos, die een troep patrijzen riekt,
+regelrecht zijn weg voort.
+
+Toen hij voorbij de vijvers was, de groote vlakte ter rechterzijde
+van den weg naar Bellevue schuins overgegaan, en gekomen was
+aan het met gras begroeide pad, dat bijna om den geheelen heuvel
+loopt en den boog der oude waterleiding van de abdij van Chelles
+overdekt, bespeurde hij inderdaad boven het struikgewas een hoed,
+nopens welken hij reeds verscheidene gissingen had gemaakt. 't Was
+de hoed van den man. Het struikgewas was laag. Thénardier begreep,
+dat de man en Cosette dáár zaten. De kleinheid van het kind belette,
+dat men het kon zien, maar men zag het hoofd der pop.
+
+Thénardier bedroog zich niet. De man had zich dáár neergezet om Cosette
+een weinig te laten rusten. De herbergier ging om het kreupelhout
+heen en verscheen eensklaps voor de oogen van hen, welke hij zocht.
+
+"Vergeving, verschoon mij, mijnheer," zeide hij hijgend, "maar neem
+uw vijftienhonderd francs terug."
+
+Dit zeggende reikte hij den vreemde de drie bankbriefjes.
+
+De man sloeg de oogen op en vroeg:
+
+"Wat beteekent dat?"
+
+"Het beteekent, dat ik Cosette terugneem, mijnheer," antwoordde
+Thénardier heel onderdanig.
+
+Cosette beefde en klemde zich tegen den ouden man.
+
+Deze antwoordde, terwijl hij Thénardier strak in de oogen zag en op
+ieder zijner woorden drukte:
+
+"Ge neemt Cosette terug?"
+
+"Ja, mijnheer, ik neem haar terug. Ik moet u zeggen, dat ik heb
+nagedacht. Ik heb eigenlijk het recht niet haar aan u af te staan. Weet
+ge, ik ben een eerlijk man. Het kind behoort mij niet; het behoort
+aan haar moeder. Haar moeder heeft het mij toevertrouwd; ik mag het
+aan niemand dan aan haar moeder wedergeven. Ge zult mij zeggen, dat
+haar moeder dood is. Goed, maar in dat geval kan ik het kind niet
+overgeven dan aan dengene, die mij een door de moeder onderteekend
+geschrift brengt, krachtens 't welk ik het kind aan dien persoon moet
+overgeven. Dat is duidelijk."
+
+Zonder te antwoorden tastte de man in zijn zak, en Thénardier zag
+wederom de portefeuille met bankbriefjes te voorschijn komen.
+
+De kroeghouder trilde van blijdschap.
+
+"Ha!" dacht hij, "laat ik mij goed houden. Hij wil mij omkoopen."
+
+Vóór de reiziger de portefeuille opende, sloeg hij een blik rondom
+zich. De plaats was volkomen eenzaam; geen sterveling was in het bosch
+noch op de vlakte te zien. De man opende de portefeuille en nam er,
+niet een handvol bankbriefjes, zooals Thénardier verwacht had, maar
+een klein papiertje uit, dat hij losvouwde en den herbergier aanbood,
+zeggende:
+
+"Ge hebt gelijk. Lees dus."
+
+Thénardier nam het papier en las:
+
+
+ M. sur M. den 25 Maart 1823.
+
+
+ "Mijnheer Thénardier,
+
+
+ "Geef Cosette aan brenger dezes over. Men zal u alle kleinigheden
+ betalen.
+
+ "Met achting heb ik de eer u te groeten.
+
+
+ "Fantine."
+
+
+"Ge kent deze handteekening?" hernam de man.
+
+'t Was wel degelijk Fantines handteekening. Thénardier herkende
+haar. Er was niets tegen in te brengen. Hij gevoelde een dubbele,
+hevige spijt, vooreerst dat zijn hoop op buit verijdeld was, en ten
+tweede van geslagen te zijn. De man voegde er bij:
+
+"Ge moogt dit papier te uwer verantwoording behouden."
+
+Thénardier trok in goede orde terug:
+
+"Deze handteekening is tamelijk goed nagemaakt," mompelde hij tusschen
+zijn tanden. "Welnu, het zij zoo."
+
+Toen beproefde hij nog een wanhopige poging.
+
+"'t Is goed, mijnheer," zeide hij. "Wijl gij de brenger zijt. Maar men
+moet mij "alle kleinigheden" betalen. Men is mij nog veel schuldig."
+
+De man stond op en zeide, terwijl hij met zijn vingers het stof van
+zijn kale mouw knipte:
+
+"Mijnheer Thénardier, in Januari berekende de moeder, dat zij u
+honderd-twintig francs schuldig was; in Februari zondt ge haar een
+rekening van vijf-honderd francs; in het laatst van Februari hebt
+ge driehonderd francs en in 't begin van Maart nogmaals driehonderd
+francs ontvangen. Sinds zijn negen maanden verloopen, 't geen, tegen
+den bepaalden prijs van vijftien francs, honderd-vijf-en-dertig francs
+bedraagt. Gij hadt honderd francs te veel ontvangen. Dus hebt ge nog
+vijf-en-dertig francs tegoed. Ik heb u nu laatstelijk vijftienhonderd
+francs gegeven."
+
+Thénardier ondervond nu, wat een wolf ondervindt op het oogenblik
+dat hij zich door den stalen muil van de val gebeten en gegrepen voelt.
+
+"Wie is deze duivel van een kerel?" dacht hij.
+
+Hij deed wat de wolf doet: hij schudde zich. De vermetelheid was hem
+reeds eenmaal gelukt.
+
+"Mijnheer onbekend," zeide hij stoutmoedig en alle beleefdheid ter
+zijde stellende, "ik zal Cosette terugnemen zoo ge mij geen duizend
+kronen geeft."
+
+De vreemde zeide bedaard:
+
+"Kom, Cosette."
+
+Hij nam Cosette met de linkerhand en met de rechterhand zijn stok,
+die op den grond lag.
+
+Thénardier lette op de dikte van den knuppel en de eenzaamheid
+der plaats.
+
+De man ging met het kind het bosch in, en liet den herbergier
+verbluft staan.
+
+Terwijl zij voortgingen, beschouwde Thénardier de breede eenigszins
+gewelfde schouders en de grove vuisten van den man.
+
+Toen viel zijn blik op zijn eigen tengere armen en magere handen.--Ik
+ben toch zeer dom geweest, dacht hij, dat ik mijn geweer niet heb
+medegenomen, daar ik op de jacht ging.
+
+De herbergier gaf 't echter nog niet op.
+
+"Ik wil weten, waar hij heen gaat," zeide hij bij zich zelven, en hij
+volgde hen op een afstand. Twee dingen waren hem echter gebleven:
+eene bespotting, het stuk papier door Fantine onderteekend; en een
+troost, de vijftienhonderd francs.
+
+De man voerde Cosette in de richting van Livry en Bondy. Hij ging
+langzaam, met gebogen hoofd, in nadenkende en treurige houding. De
+winter had het bosch doorzichtig gemaakt, zoodat Thénardier hen in
+'t oog kon houden, hoewel hij ver achter hen bleef. Van tijd tot
+tijd wendde de man het hoofd om, ten einde te zien of men hem ook
+volgde. Eensklaps ontdekte hij Thénardier. Plotseling ging hij met
+Cosette in dicht kreupelhout, waar beiden onzichtbaar waren.
+
+"Verduiveld!" dacht Thénardier, en hij versnelde zijn schreden.
+
+De dichtheid van het houtgewas had hem genoopt hen meer te
+naderen. Toen de man in het dichtste hout was, keerde hij zich
+om. Thénardier trachtte zich vergeefs achter de takken te verbergen,
+hij kon niet verhinderen dat de man hem zag. De man wierp hem een
+wrevelen blik toe, schudde het hoofd en zette zijn weg voort. De
+herbergier volgde hem. Zoo deden zij twee- of driehonderd
+schreden. Eensklaps keerde de man zich weder om. Hij zag den
+herbergier. Ditmaal zag hij hem met zulk een dreigenden blik aan, dat
+Thénardier het "onnoodig" oordeelde verder te gaan. Hij keerde terug.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+NO. 9430 KOMT WEDER TE VOORSCHIJN EN COSETTE TREKT DAT LOT.
+
+
+Jean Valjean was niet dood.
+
+Toen hij in zee viel, of liever er in sprong, was hij, zooals men
+gezien heeft, niet geboeid. Hij zwom onder water naar een ten anker
+liggend schip, waaraan een boot was vastgemaakt. Het gelukte hem zich
+tot den avond in die boot te verbergen. Des nachts ging hij weder te
+water en zwom naar de kust, welke hij op korten afstand van kaap Brun
+bereikte. Daar kon hij zich, aangezien 't hem aan geen geld ontbrak,
+kleederen verschaffen. Een herberg in den omtrek van Balaguier
+was destijds het kleedermagazijn der ontvluchtte tuchtelingen,
+een zeer winstgevend bedrijf. Toen volgde Jean Valjean, zooals al
+die ongelukkige vluchtelingen, welke de waakzaamheid der wet en de
+maatschappelijke vervolging van het spoor willen leiden, een donkeren,
+kronkeligen weg. Hij vond een eerste schuilplaats te Pradeaux,
+bij Bausset. Vervolgens ging hij naar Grand-Villard bij Briançon in
+de Opper-Alpen. 't Was tastend en bevond, dat hij zijn weg volgde,
+die duister en onbekend was, als die van den mol. Later heeft men
+eenig spoor van zijn tocht gevonden in het departement der Ain op het
+gebied van Civrieux, in de Pyreneeën te Accons, in een oord genaamd la
+Grange-de-Doumecq, bij het gehucht van Chavailles, en in de omstreken
+van Perigueux, te Brunies, kanton van Chapelle-Gonaguet. Eindelijk
+bereikte hij Parijs. Men heeft hem nu te Montfermeil gezien.
+
+Zijn eerste zorg toen hij te Parijs kwam, was geweest rouwkleederen
+voor een zeven- of achtjarig meisje te koopen, en zich vervolgens van
+een verblijf te voorzien. Daarna had hij zich naar Montfermeil begeven.
+
+Men zal zich herinneren, dat hij reeds bij zijn voorgaande ontwijking
+naar deze streek een geheimzinnige reis had gedaan, waarvan de justitie
+eenige lucht had gekregen.
+
+Men hield hem overigens voor dood, en dit vermeerderde de duisternis
+die zich om hem gevormd had. Te Parijs kwam een der dagbladen in
+zijn handen, die van het feit melding maakten. Hij voelde zich
+gerustgesteld, schier evenzeer als ware hij werkelijk dood geweest.
+
+Den avond van den dag, op welken Jean Valjean Cosette uit Thénardier's
+klauwen had gerukt, kwam hij te Parijs terug. Hij ging in de
+avondschemering met het kind door de barrière van Monceaux. Daar nam
+hij een cabriolet, die hem naar de esplanade van 't Observatorium
+voerde. Hij steeg uit, betaalde den koetsier, nam Cosette bij de hand,
+en beiden gingen in den donkeren avond, door de eenzame straten in den
+omtrek van l'Ourcine en la Glaciere, naar den boulevard de l'Hôpital.
+
+De dag was voor Cosette wonderbaar en vol aandoeningen geweest;
+zij hadden achter hagen brood en kaas gegeten, die zij in afgelegen
+herbergen gekocht hadden; zij waren dikwerf van rijtuig veranderd,
+en hadden een eind weegs te voet afgelegd. Zij klaagde niet, maar
+zij was vermoeid; Jean Valjean bespeurde dit aan haar hand, waaraan
+zij zich schier liet voorttrekken. Hij nam haar op zijn rug; Cosette,
+zonder Kaatje los te laten, legde haar hoofd op Jean Valjeans schouder
+en viel in slaap.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK IV.
+
+HET OUDE HUIS GORBEAU.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+MEESTER GORBEAU.
+
+
+Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken der Salpêtrière
+waagde en den boulevard tot aan de Italiaansche barrière volgde, kwam
+op een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep. 't
+Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; 't was geen veld,
+want er waren huizen en straten; 't was geen stad, want in de straten
+waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er groeide gras;
+'t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor. Wat was het dan? 't
+Was een bewoond oord zonder menschen, een eenzaam oord met menschen; 't
+was een boulevard der groote stad, een straat van Parijs, vreeselijker
+des nachts dan een bosch, akeliger des daags dan een kerkhof.
+
+'t Was de oude wijk der Paardenmarkt.
+
+Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde,
+zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts
+voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld,
+waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven,
+voorts op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en
+spaanders, waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel
+vervallen lagen, langen muur, met mos begroeid, waaruit in de
+lente bloempjes opschoten, in welken muur een kleine zwarte deur,
+voorts in het somberste gedeelte, een leelijk vervallen gebouw,
+waarop in groote letters te lezen stond: hier mag niets aangeplakt
+worden,--deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk den hoek
+der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel. Dáár zag men destijds
+nabij een fabriek, tusschen twee tuinmuren, een vervallen huis, dat
+bij den eersten aanblik klein als een hut scheen, maar inderdaad
+groot als een cathedraal was. Het stond met den zijgevel naar de
+straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier het geheele huis was
+verborgen. Men zag er slechts de deur en een venster van.
+
+Het gebouw had slechts één verdieping.
+
+Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in 't oog, dat deze
+deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon zijn
+geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van kalk
+had gezeten, het raam van een hôtel had kunnen zijn.
+
+De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden
+werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een
+steile, modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge
+treden, die men van de straat recht als een ladder zag oploopen,
+en in de duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste
+der onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle,
+dunne plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd,
+welke tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht
+was. Binnen op de deur was slordig met een penseel met inkt het
+cijfergetal 52, en boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men
+eigenlijk niet juist wist waar men was. Buiten was het huis No. 50,
+binnen No. 52. Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als
+draperieën voor het driehoekig lichtgat hingen.
+
+Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote glasruiten;
+maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden, die tevens
+verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken, terwijl
+de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de
+voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar
+ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande
+aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend
+jaloezie en blind was.
+
+Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster, welke
+men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars, die,
+met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden gaan,
+en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is geweest.
+
+De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen,
+waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal,
+een lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende
+grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen
+dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het
+onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig,
+somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht
+doorsneden, naarmate de reten in 't dak, of in de deur waren. Een
+belangrijke en schilderachtige bijzonderheid van dergelijke woningen
+is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er zijn.
+
+Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een
+manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde
+vol steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.
+
+Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over
+is, kan een denkbeeld geven van 't geen het was. In zijn geheel is
+'t een met 't ander niet veel ouder dan honderd jaar. Honderd jaren
+zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De woning des
+menschen schijnt in 's menschen korten duur, en de tempel Gods in
+Gods eeuwigheid te deelen.
+
+De briefbestellers noemden dat gebouw 50-52, maar in de buurt was
+het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.
+
+Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars van
+kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een speld
+vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige eeuw,
+omstreeks 1770, aan het Châtelet twee procureurs woonden, die de een
+Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine heeft van
+deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai om er
+geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van Lafontaines
+fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis verspreid:
+
+
+ Maître Corbeau, sur un dossier perché,
+ Tenait dans son bec une saisie exécutoire;
+ Maître Renard, par l'odeur alléché,
+ Lui fit à peu près cette histoire:
+ Hé bonjour! etc. [4]
+
+
+De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd door de scherts
+en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te veranderen en
+wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan Lodewijk
+XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de
+eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden
+devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder
+een der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam,
+met een pantoffel schoeiden. De koning, die lachte, lachte nog meer,
+ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee procureurs over, en
+ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun namen, of althans
+ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester Corbeau vergund
+een staart bij zijn voorletter te voegen en zich Gorbeau te noemen;
+meester Renard was minder gelukkig en kon niets anders verwerven dan
+een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te heeten; zoodat de
+tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf dan de eerste.
+
+Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau
+eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de l'Hôpital,
+genummerd 50-52. Hij was ook de schepper van het fraaie venster.
+
+Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van Gorbeau's-huis.
+
+Tegenover No. 50-52 staat, onder het geboomte van den boulevard,
+een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak daarover is de
+ingang der straat van de barrière des Gobelins, welke straat destijds
+zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende boomen--naar 't seizoen
+groen of slijkkleurig--beplant was, en regelrecht op den ringmuur van
+Parijs uitliep. Een walm van koperrood stijgt bij vlagen uit het dak
+eener naburige fabriek.
+
+De barrière was zeer dicht bij. In 't jaar 1823 bestond de ringmuur
+nog.
+
+Deze barrière zelve verwekt treurige voorstellingen in den geest. 't
+Was de weg naar Bicêtre. Tijdens het keizerrijk en de restauratie
+kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner terechtstelling
+hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de zoogenoemde "moord
+aan de barrière van Fontainebleau" gepleegd, waarvan de justitie de
+daders niet heeft kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is
+opgehelderd; een schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige
+schreden verder vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar
+Ulbach de geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde,
+evenals in een melodrama.
+
+Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun
+kruinen beroofde olmen der barrière Saint-Jaques, een uitvinding der
+philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke
+en schandelijke Grèveplein eener kleingeestige maatschappij, die,
+voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft
+afschaffen, noch ze met kracht handhaven.
+
+Zeven-en-dertig jaren geleden was--uitgezonderd dit plein St. Jaques,
+dat steeds afgrijselijk is geweest--misschien het treurigste punt
+van dezen geheelen doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig
+bekoorlijke plek, waar men het gebouw 50-52 vond.
+
+Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te
+verheffen. 't Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke gedachten,
+die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la Salpêtrière,
+welks dom men zag, en Bicêtre, welks hek men schier aanraakte; dat is
+tusschen de krankzinnigheid der vrouw en de krankzinnigheid van den
+man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men niets dan de slachtplaatsen,
+den ringmuur en enkele gevels van fabriekgebouwen, die naar kazernen
+of kloosters geleken; overal schuren en steenbrokken, over zwarte
+muren als doodkleeden, of nieuwe witte muren als lijkwaden; overal
+evenwijdig staande rijen boomen, rechtlijnig gebouwde vlakke huizen,
+lange koude liniën en treurige rechthoeken. Geen verheffingen van den
+grond, geen afwisseling van bouworde, niets opwekkends. 't Was een
+koud, regelmatig, afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer
+dan evenredigheid; want evenredigheid is verveling, en verveling is
+de grond der treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets
+vreeselijker voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een
+hel, waarin men zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel
+van den boulevard er de toegang van geweest zijn.
+
+Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht
+verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun
+laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer
+de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs
+vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in
+het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke
+galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord,
+waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men
+waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde
+schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen
+tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk,
+des avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.
+
+Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude
+vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes
+waren hartstochtelijke bedelaressen.
+
+Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan
+een oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping,
+en die haar zien wilde moest zich haasten. Iederen dag verdween een
+afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig jaren,
+is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude
+voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote
+stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en
+ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten
+van de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines,
+bij het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten
+en vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der
+menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen
+en nieuwe verheffen zich.
+
+Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der Salpêtrière
+heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten in de nabijheid
+der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het geweldig
+gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er drie
+of vier malen daags langs rijden en de huizen als 't ware rechts en
+links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen uitspreken,
+die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid zeggen, dat
+in groote steden de zon de gevels der huizen aan den zuidkant doet
+bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij- en voertuigen
+de straten verbreed worden. De verschijnselen van een nieuw leven zijn
+duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar woeste hoeken, komen
+straten te voorschijn; zelfs waar nog geen voetgangers zijn, kronkelen
+en strekken zich reeds trottoirs uit. Op een merkwaardigen morgen van
+Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte ketels der koolteer rooken;
+op dien dag kon men zeggen, dat de beschaving tot de straat Ourcine
+was gekomen en Parijs de voorstad St. Marceau was binnengetreden.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+NEST VOOR UIL EN VLEERMUIS.
+
+
+Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean stil. Gelijk de
+nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn nest te bouwen.
+
+Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur,
+trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende,
+klom hij de trap op.
+
+Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede
+hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentrad en welke
+hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime vliering,
+waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras, een tafel
+en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men den gloed
+zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard verlichtte
+flauw dit armoedig vertrek. Achter in 't vertrek was een afgeschoten
+ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg het kind naar
+dit bed en legde het er op, zonder het wakker te maken.
+
+Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en, evenals
+hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met een
+zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering
+te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen,
+'t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste zwakheid
+eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu voort
+zonder te weten waar zij was.
+
+Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.
+
+Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was
+ingeslapen.
+
+Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn hart.
+
+Hij knielde voor Cosettes bed.
+
+Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der
+December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange
+schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen
+kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen,
+zoodat het van boven tot onder schudde.
+
+"Ja, madame!" riep Cosette, die verschrikt wakker werd, "ik kom,
+ik kom!"
+
+Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog
+half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.
+
+"Ach, God! mijn bezem!" riep zij.
+
+Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend gezicht.
+
+"Ha, ja, 't is waar!" zei het kind. "Goeden morgen, mijnheer."
+
+Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het
+geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.
+
+Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en
+nam haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean
+deed--Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madame Thénardier ver
+weg was? Of zij niet zou terugkomen? enz. enz. Eensklaps riep zij:
+"Hoe fraai is 't hier!"
+
+'t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.
+
+"Moet ik ook vegen?" vroeg zij eindelijk.
+
+"Speel maar," zei Jean Valjean.
+
+Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier
+iets van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man
+onbeschrijfelijk gelukkig.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DUBBEL ONGELUK MAAKT ÉÉN GELUK.
+
+
+Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, was Jean Valjean
+weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te wachten en
+bespiedde haar ontwaken.
+
+Iets nieuws kwam op in zijn ziel.
+
+Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was
+hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot,
+vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch,
+onwetend en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel
+versch. Van zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een
+flauwe, verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel
+verdwenen was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden,
+doch daar hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De
+menschelijke natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd,
+zoo hij die gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.
+
+Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd had,
+voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in hem
+was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het bedje
+waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de aandoeningen
+eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze groote,
+wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is iets
+zoets en geheimzinnigs.
+
+Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!
+
+Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was,
+smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben,
+tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.
+
+'t Was de eerste heldere verschijning, welke hij ontmoette.
+
+De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugd doen
+verschijnen, Cosette deed er het morgenrood der liefde oprijzen.
+
+De eerste dagen verstreken in deze verrukking.
+
+Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het
+zelf te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder
+haar verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle
+kinderen, die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had
+zij beproefd iets te beminnen. 't Was haar niet gelukt. Allen hadden
+haar afgestooten, de Thénardier's, hun kinderen, andere kinderen. Zij
+had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had niets of niemand
+meer van haar willen weten. 't Is treurig om te zeggen, en wij hebben
+'t reeds aangeduid, in haar achtste jaar was haar hart nog koud. 't
+Was haar schuld niet, de geschiktheid om te beminnen ontbrak haar
+niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat in haar dacht en voelde,
+drong haar dan ook reeds sinds den eersten dag, om den goeden man
+te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had gevoeld--eene inwendige
+verwarming en ontluiking.
+
+De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean
+schoon, evenals zij het krot fraai vond.
+
+Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van
+de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven
+aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de
+heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen
+hebben in ons verleden zulk een zolderkamertje.
+
+De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean Valjean
+en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze klove
+aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht
+deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom,
+elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde
+het andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans
+instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In
+het geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten
+deze zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat
+zij elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.
+
+De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men
+kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden,
+Jean Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand
+maakte Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.
+
+Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean,
+in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht, toen hij, in de
+duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar wezenlijkheid. De
+verschijning van dezen man in het lot van dit kind was de komst van
+God geweest.
+
+Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was er,
+kon men zeggen, in volkomen veiligheid.
+
+De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op
+den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men,
+evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen had.
+
+Het benedengedeelte van No. 50-52, een soort van vervallen schuur,
+diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de bovenverdieping
+geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van gescheiden,
+die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de grensscheiding
+van 't huis kon beschouwd worden. Deze bovenverdieping bevatte,
+zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en eenige zolderkamertjes,
+waarvan er slechts één bewoond was, en wel door een oude vrouw,
+die Jean Valjeans huishouding waarnam. Al het overige was onbewoond.
+
+Deze oude vrouw, die de hoofd-huurderes heette, doch in waarheid
+de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag deze
+woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de
+Spaansche fondsen geruïneerd rentenier, die hier met zijn dochtertje
+wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de oude vrouw
+opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de wijze
+zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd en
+alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.
+
+Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een
+gelukkig leven.
+
+Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen
+hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.
+
+'t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude gebarsten handjes
+nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan slagen gewoon was,
+wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen heen.
+
+Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg
+geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.
+
+Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan,
+terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren
+lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu
+zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude
+tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen.
+
+Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een
+hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede
+gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.
+
+Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond schier
+het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar moeder
+en liet haar bidden.
+
+Zij noemde hem vader, en wist niet welken anderen naam hij had.
+
+Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar
+pop kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij
+keuvelde. Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen
+schenen hem goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij
+niemand meer, en hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou
+wenschen te worden, nu dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen
+hem heerlijk, verlicht door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn
+niet vrij van zelfzuchtige gedachten, en vaak dacht hij er met een
+soort van blijdschap aan dat zij leelijk zou zijn.
+
+'t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte geheel
+uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean Valjean,
+in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te beminnen,
+deze versterking niet noodig had om in het goede te volharden. Hij
+had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en de ellende
+der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die noodlottigerwijs
+slechts één zijde der waarheid vertoonden, het lot der vrouw in
+Fantine samengevat, het openbaar gezag door Javert verpersoonlijkt;
+hij was ditmaal naar het bagno teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan;
+hij had nieuwe bitterheden gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden
+hem opnieuw; zelfs de herinnering aan den bisschop was misschien op
+'t punt zich tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en
+zegevierend weer te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze
+heilige herinnering thans inderdaad aan 't verflauwen. Wie weet of Jean
+Valjean niet op 't punt was van den moed te verliezen en opnieuw te
+vallen? Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig
+minder wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte
+hem. 't Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; 't was door haar,
+dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind, en
+dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke verborgenheid
+van 't evenwicht in 's menschen lot.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE OPMERKINGEN DER HOOFD-HUURDERES.
+
+
+Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags uit te gaan. In
+den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren, soms alleen,
+meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den boulevard,
+en trad de kerken binnen als 't donker was. Hij ging gaarne naar de
+kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij Cosette niet
+medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar 't was een vreugd voor 't
+kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs hieraan de voorkeur
+boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij wandelden gaf hij
+haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.
+
+Cosette was zeer vroolijk.
+
+De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de
+mondbehoeften.
+
+Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die
+het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad,
+sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes
+kamertje door een houten deur doen vervangen.
+
+Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op de
+straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat goedhartige
+vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean ontving den sou
+en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme ontmoette, die
+zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of iemand hem ook
+zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een geldstuk,
+dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich haastig. Dit
+had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te worden onder
+den naam van "de bedelaar die aalmoezen geeft."
+
+De oude "hoofd-huurderes", een hatelijk wezen, geheel vervuld met
+afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat hij 't
+vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en bijgevolg
+praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een boven-
+en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had Cosette
+uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen, dan dat
+zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de bespiedster op,
+dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling voorkwam, een
+der onbewoonde vertrekken van het huis binnenging. Zij sloop hem na als
+een oude kat, en zonder gezien te worden, kon zij hem door de reet der
+deur, die aanstond, opmerken. Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was
+Jean Valjean met den rug naar de deur gaan staan. De oude vrouw zag
+dat hij in zijn zak tastte, er een koker, een schaar en garen uitnam,
+toen de voering van een zijner rokspanden lostornde en uit de opening
+een geelachtig stuk papier nam, dat hij openvouwde. De oude vrouw zag
+met ontzetting dat 't een bankbriefje van duizend francs was. Het was
+het tweede of het derde, dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt
+liep zij weg.
+
+Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken,
+het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde
+hij er bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag
+ontvangen had.--Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet vóór 's avonds
+te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de betaalkantoren niet
+meer open.--De oude vrouw ging om het biljet te wisselen en maakte
+allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend francs, besproken en
+vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der straat des Vignes
+St.-Marcel stof tot een menigte drukke gesprekken.
+
+De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in
+de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was
+hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude
+vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig
+op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en
+meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder
+twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.
+
+Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet
+alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had,
+maar een dikke portefeuille, een groot mes, en--wat zeer verdacht
+was--pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas scheen 't
+een of ander te bevatten, dat bij mogelijke gebeurtenissen dienen kon.
+
+De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van
+den winter.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VIJFFRANCSTUK VALT OP DEN VLOER.
+
+
+Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden onbruikbaren
+put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf. Zelden ging
+hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak sprak hij met
+hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij "tot de politie"
+behoorde. 't Was een vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden
+prevelde.
+
+Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging--hij had Cosette
+niet bij zich--zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats onder de
+straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als gewoonlijk
+te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en gaf hem
+de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde Jean
+Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze
+beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem,
+dat hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat
+van den ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had
+gezien. Hij voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de
+duisternis een tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend
+deinsde hij terug, niet wagende te ademen, te spreken, te blijven,
+te vluchten,--den bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen
+had en niet meer scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct,
+misschien het geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield
+Jean Valjean in dit oogenblik een woord te spreken. De bedelaar
+had dezelfde grootte, dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als
+alle dagen.--Och! dacht Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! 't is
+onmogelijk! Hij kwam echter in de grootste ontsteltenis te huis.
+
+Nauwelijks durfde hij 't zich zelven bekennen, dat hij Javerts gezicht
+had meenen te zien.
+
+Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te
+hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals
+op te heffen.
+
+Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De
+bedelaar was op zijn gewone plaats.--Goeden avond, vriend, zei Jean
+Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en
+zeide met jammerlijke stem: "Ik dank u, mijn goede heer."--'t Was
+wel de oude bedelaar.
+
+Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hij glimlachte.--"Hoe
+drommel, heb ik dáár Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn
+oogen beginnen te foppen?" Hij dacht er niet verder over.
+
+Eenige dagen later, 't kon acht uren 's avonds zijn, was hij in zijn
+kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de voordeur
+van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd voor. De
+oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging steeds
+met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean
+wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. 't Is
+waar, 't kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar den
+apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en
+klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen,
+en niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude
+vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.
+
+Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd: "Ga heel
+stil naar bed," en terwijl hij haar op het voorhoofd kuste, hadden de
+voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef stil, bewegingloos, met den
+rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel, welken hij niet verlaten had,
+met ingehouden adem, in 't donker zitten. Na een tamelijk geruime poos
+niets meer hoorende, keerde hij zich om zonder eenig gerucht te maken,
+en zijn oogen toen naar de kamerdeur slaande, zag hij licht door het
+sleutelgat. Dit licht vormde een onheilspellende ster in 't donker
+van deur en muur. Blijkbaar was er iemand die met een licht in de
+hand luisterde.
+
+Na verloop van eenige minuten verdween het licht.
+
+Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, 't geen scheen aan
+te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had
+uitgetrokken.
+
+Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den
+geheelen nacht geen oog.
+
+Bij 't aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid
+insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan 't einde van de
+gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred, die den
+vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong uit
+het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot
+was, in de hoop in 't voorbijgaan dengene te zien, die des nachts in
+'t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. 't Was werkelijk
+een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean Valjeans kamer
+voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht te kunnen
+onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen, vertoonde het
+invallend daglicht zijn schaduwbeeld, en Jean Valjean zag hem volkomen
+van achter. De man was hoog van gestalte, droeg een lange jas en een
+stok onder zijn arm. 't Waren de forsche omtrekken van Javert.
+
+Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard
+hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen,
+en dit durfde hij niet.
+
+'t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hij te huis
+was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest
+dat beteekenen?
+
+Te zeven uren 's ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in orde
+brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar vroeg
+haar niets. Zij was als gewoonlijk.
+
+Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:
+
+"Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren binnenkomen."
+
+Op dien leeftijd en op dien boulevard is 't om acht ure reeds nacht.
+
+"Ja, inderdaad," antwoordde hij op onverschilligen toon. "Wie was het?"
+
+"Een nieuwe inwoner," zei de oude vrouw.
+
+"Hoe heet hij?"
+
+"Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo iets."
+
+"En wat is die mijnheer Daumont?"
+
+De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen,
+en antwoordde:
+
+"Een rentenier, evenals gij."
+
+Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende
+er die echter in te ontdekken.
+
+Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van
+een honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn
+zak. Hoe voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te
+doen rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers
+en rolde luid over den vloer.
+
+Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar
+alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen
+volkomen eenzaam. 't Is waar, dat men er zich achter een boom kon
+verbergen.
+
+Hij ging weder naar boven.
+
+"Kom," zeide hij tot Cosette.
+
+Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK V.
+
+EEN JACHT IN DEN NACHT MET STILLE HONDEN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE ZIGZAGS DER STRATEGIE.
+
+
+Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later ontmoeten zal,
+is hier een opmerking noodig.
+
+Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn leedwezen
+van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij die stad
+verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een hem
+schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat hij
+Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten gevolge
+van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het Parijs,
+'t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn geheugen heeft
+medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men veroorlove hem
+van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. 't Is mogelijk, dat,
+ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren met de woorden:
+"In deze straat is dit huis," thans noch huis noch straat meer is,
+de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich die moeite willen
+geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft met het oude
+Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar is. Hij
+vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van 't
+geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet alles is
+verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt, verbeeldt
+men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze vensters,
+deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren ons vreemd,
+dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze huizen, waar men
+niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze straatsteenen,
+welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later, wanneer wij
+er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar zijn, dat
+wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons deze muren
+noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze huizen, welke
+wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnen konden gaan en wij op
+deze straatsteenen iets van onze ingewanden, van ons bloed en van ons
+hart hebben achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet,
+die men misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke
+bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige
+verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te
+zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich
+zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er
+niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland
+gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. 't Zij ons dus
+geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig ware,
+en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen,
+gaan wij voort.
+
+Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten
+ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging
+vaak op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.
+
+Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een
+bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere
+het nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende
+voetsporen, in verwarring worden gebracht.
+
+'t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar
+zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op
+de straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de
+schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in
+'t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de donkere
+zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich echter
+verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen,
+in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.
+
+Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes
+eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks
+gegeven. Bovendien--en tot deze opmerking zullen wij meermalen
+terugkomen--was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en
+aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te
+denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.
+
+Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij
+vertrouwde op God, gelijk zij op hem. 't Was hem insgelijks alsof hij
+iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde
+een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij
+volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs
+niet volkomen zeker of het Javert was; en 't kon deze zijn, zonder dat
+Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers geheel anders
+gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds eenige dagen
+zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig; en hij had
+besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren. Als een
+opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon verbergen,
+tot hij er een vond om in te wonen.
+
+Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk
+Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der
+middeneeuwen en 't gebod van vuur en licht uit te dooven, nog bestaan
+hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij verscheidene
+straten, maar trad geen der zich daar bevindende logementen binnen,
+wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde er niet aan,
+dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu wel verloren
+zou hebben.
+
+Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg,
+ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris
+van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct,
+waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk
+drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij
+de lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat
+gaan. Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De
+vooraangaande kwam hem bepaald verdacht voor.
+
+"Kom, kind," zeide hij tot Cosette en hij haastte zich uit de straat
+Pontoise te komen.
+
+Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de
+Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort
+van pleintje ontstaat.
+
+Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong
+zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog
+volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere
+plek overgingen.
+
+Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen
+verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in
+lange, bruine jassen, met ronde hoeden op 't hoofd en dikke stokken
+in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet minder
+verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij geleken
+vier spoken in burgerkleeding.
+
+Op 't midden van 't pleintje bleven zij staan, alsof zij met elkander
+raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar de
+aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand
+in de richting waar Jean Valjean zich bevond; een ander wees met
+nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich omkeerde,
+bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende duidelijk
+Javert.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+GELUKKIG DAT ER RIJTUIGEN OVER DE BRUG VAN AUSTERLITZ GAAN.
+
+
+Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig duurde zij nog voort
+bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten nutte; 't was voor
+hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij verwijderde zich van de
+deur, waar hij zich verscholen had, en ging door de straat des Postes
+naar den kant van den Plantentuin. Cosette begon vermoeid te worden;
+hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er was niemand op de straat,
+en uithoofde der volle maan brandden de lantaarns niet.
+
+Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet
+bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend
+oude opschrift leesbaar was:
+
+
+ De Goblet fils c'est ici la fabrique;
+ Venez choisir des cruches et des brocs.
+ Des pots à fleurs, des tuyaux, de la brique.
+ A tout venant le Coeur vend des Carreaux. [5]
+
+
+Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de fontein
+St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam op de
+kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam. Niemand
+was achter hem. Hij ademde ruimer.
+
+Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.
+
+Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.
+
+Hij ging naar 't brugwachtershuisje en betaalde een sou.
+
+"'t Is twee sous," zei de invalide op de brug. "Ge draagt een kind
+dat gaan kan. Gij moet voor twee betalen."
+
+Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking
+aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.
+
+Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den
+rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de
+brug overgaan.
+
+Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar
+voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.
+
+Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen;
+hij ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk
+groote, vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die
+hem vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean
+achtte zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.
+
+Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat
+du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk
+voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.
+
+Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte zien.
+
+Vier donkere gestalten traden juist op de brug.
+
+Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen
+naar den rechteroever.
+
+'t Waren de vier mannen.
+
+Jean Valjean rilde als 't weder betrapte wild.
+
+Slechts één hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen misschien nog
+niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op 't oogenblik
+dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte plek ging.
+
+In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor
+zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken
+en in 't vrije veld te komen.
+
+Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging
+er in.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+MEN ZIE DEN PLATTEN GROND VAN PARIJS IN 1727.
+
+
+Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij ter plaatse,
+waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene rechts, de
+andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich. Welken arm
+zou hij er van kiezen?
+
+Hij aarzelde niet en koos den rechter.
+
+Waarom?
+
+Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de
+rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.
+
+Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette's schreden vertraagden
+die van Valjean.
+
+Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder
+en sprak geen woord.
+
+Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds
+aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem
+rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles
+was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps
+meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat,
+ver achter hem, in de duisternis bewoog.
+
+Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te
+vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het
+spoor te brengen.
+
+Hij kwam aan een muur.
+
+Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen
+muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean
+Valjean volgde.
+
+Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.
+
+Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen loodsen
+of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van die
+blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien
+kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in
+een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.
+
+Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken,
+welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der
+steeg en deze straat iets als een zwart beeld.
+
+'t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te passen en
+den doortocht te beletten.
+
+Jean Valjean trad achteruit.
+
+Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de
+voorstad St. Antoine en la Râpée, is er een van die, welke door de
+nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke veranderingen
+volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen verfraaiingen zijn. De
+velden, de werven en oude gebouwen zijn verdwenen. Tegenwoordig zijn
+er nieuwe, groote straten, circussen, wedrenpleinen, hippodromes,
+spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de vooruitgang en wat er
+mede in verband staat.
+
+Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt had,
+in de volkstaal "Klein Picpus."
+
+Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de
+poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen
+eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid,
+de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten
+uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren
+en eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en
+ginds een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten
+uit. Niets dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage
+huizen en groote muren, even hoog als de huizen.
+
+Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds ruw
+aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt, omvergehaald,
+doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen geworden. Dertig
+jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw nauwelijks meer
+kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.
+
+Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten,
+gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken
+splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien
+van Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top
+als door een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.
+
+Hier nu bevond zich Jean Valjean.
+
+Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende
+gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze
+gestalte sloeg hem gade.
+
+Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te keeren.--Wat
+hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter zich had zien
+bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en dezen bevonden
+zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan welker einde
+Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen kleinen doolhof
+bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden van een zijner
+mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die schier zekerheid
+waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond smartelijk op
+Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep dood. Hij
+onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht. Hij
+zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat donker
+uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij gevoelde
+zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt. Wanhopend
+zag hij ten hemel.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HET RONDTASTEN DER VLUCHT.
+
+
+Om het volgende te begrijpen, moet men zich een duidelijk denkbeeld
+vormen van de steeg Droit-Mur en in 't bijzonder van den hoek, ter
+linkerzijde, als men uit de straat Polonceau deze steeg inging. Ter
+rechterzijde, tot aan de kleine straat Picpus, stonden grootendeels
+armoedige huizen; links stond een groot gebouw, uit verschillende
+woningen bestaande, die hooger werden naarmate zij dichter bij de
+kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit gebouw zeer hoog aan den kant
+der Picpus-straat en tamelijk laag aan den kant der Polonceau-straat
+was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken hebben, was het zoo laag,
+dat het slechts een muur vormde. Deze muur liep niet gelijkzijdig
+met de straat, maar stond naar binnen, en vormde een vierkante
+ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der straat
+Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had een
+somber aanzien. Men ontdekte er slechts één vensterraam, of liever,
+twee met zink beslagen vensterluiken, die steeds gesloten waren.
+
+De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een
+onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde
+planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten
+werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte,
+die blijkbaar later was aangebracht.
+
+Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan
+den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.
+
+In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit
+somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet
+er haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo 't hem gelukte er
+binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld
+en een hoop bij hem op.
+
+In 't middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de straat
+Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende verdiepingen oude
+trechtervormige looden bakken. De verschillende buizen, welke uit
+een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan den voorgevel
+een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren van oude
+landhoeven ziet.
+
+Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het
+eerste wat Jean Valjean in 't oog viel. Hij zette Cosette met den rug
+tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de
+plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel
+daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in
+vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar
+houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs
+die van het dak, van dikke, ijzeren traliën voorzien. Ook bescheen
+de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der
+straat op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En
+wat met Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge
+huis gebracht worden?
+
+Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den
+muur weder naar de Polonceau-straat.
+
+Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had
+achtergelaten, merkte hij op, dat hem dáár niemand zien kon. Zooals
+wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook, hem
+bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren;
+misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den
+lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit,
+waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten
+minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.
+
+De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.
+
+Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel van
+binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde
+hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte
+haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden,
+slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze
+vermolmde sluiting open te breken.
+
+Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke
+deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch
+middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het
+eene eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij
+een ruw gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon
+zien. Hij moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets
+anders was dan de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk
+een plank kunnen wegrukken, maar dan stond hij voor een muur.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+'T GEEN BIJ GASVERLICHTING ONMOGELIJK ZOU ZIJN.
+
+
+In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op eenigen afstand
+gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te zien. Zeven of
+acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat Polonceau
+in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem af.
+
+Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende,
+naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. 't Was
+duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en
+gangen doorzochten.
+
+'t Was--deze gissing kon niet falen--een patrouille, welke Javert
+ontmoet en die hij opgeëischt had, hem te vergezellen.
+
+Javerts beide helpers waren bij hem.
+
+Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig stilhouden,
+hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse te komen,
+waar Jean Valjean zich bevond. 't Was een vreeselijk oogenblik. Eenige
+minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden afgrond, die
+zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu niet alleen
+het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor altijd; dat is,
+een leven als in een graf.
+
+Één ding was nog slechts mogelijk.
+
+Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij
+twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige,
+in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de
+omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.
+
+Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno
+te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een
+volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder
+haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders,
+heupen en knieën, en door hier en daar de ruwe steenen tot steunpunt
+te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren, die een
+hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der binnenplaats
+van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt, door de
+ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren geleden.
+
+Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboom zag, met zijn
+oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij met
+den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm
+van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de
+onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg,
+om de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.
+
+Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den
+muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.
+
+Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.
+
+De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar
+te verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen
+was onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een
+buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn
+zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.
+
+Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te
+middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean
+Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een
+touw hebben gegeven.
+
+In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons òf
+verblinden òf verlichten.
+
+De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn
+in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de
+straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere
+afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat
+van den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en
+in de gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf,
+om welke het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein
+ijzeren kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl
+het touw zelf door een ijzeren koker beschermd werd.
+
+Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean
+over de straat, liep het slop in, brak het slot van 't kastje met
+de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij
+Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend,
+naar hulpmiddelen zoeken, handelen snel.
+
+Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet ontstoken
+waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien evenmin
+als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken, dat
+zij niet als gewoonlijk hing.
+
+Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn
+zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan, dit alles begon
+Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang geschreeuwd
+hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn jas. Men
+hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende patrouille.
+
+"Ik ben bang, vader," zeide zij zacht. "Wat komt daar?"
+
+"Stil!" antwoordde de ongelukkige man, "'t is vrouw Thénardier."
+
+Cosette schrikte. Hij hernam:
+
+"Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent zal vrouw
+Thénardier 't hooren. Zij komt om u te halen."
+
+Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die
+te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert
+ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond
+dien Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij 't kind niet
+kon bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een
+zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden,
+trok zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom
+op het metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die
+de beide muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven,
+alsof hij sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een
+halve minuut was hij boven op den muur op zijn knieën.
+
+Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean
+Valjeans vermaning en de naam van vrouw Thénardier hadden haar doen
+verstommen.
+
+Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht toeriep:
+
+"Ga tegen den muur staan."
+
+Zij gehoorzaamde.
+
+"Spreek geen woord en wees niet bang," hernam Jean Valjean.
+
+Toen voelde zij zich van den grond opheffen.
+
+Vóór zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij op den muur.
+
+Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes
+in zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den
+muur tot aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond,
+welks dak, ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond,
+met een zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.
+
+'t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de muur
+veel hooger dan aan de straat.
+
+Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij
+was op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog
+niet losgelaten, toen een luid gerucht de komst der patrouille
+aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:
+
+"Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine
+Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in 't slop is."
+
+De soldaten stormden het slop Genrot in.
+
+Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds
+vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar
+beneden. Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil
+geweest. Haar handjes waren een weinig geschaafd.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+BEGIN VAN EEN RAADSEL.
+
+
+Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten tuin, die
+een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke bestemd
+schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te worden. Deze
+tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge populieren aan
+het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een schaduwlooze
+ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten boom, eenige
+kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed, welks klokken
+in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag. Hier en daar
+stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden waren met
+kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met gras
+begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.
+
+Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar
+beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen,
+dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht
+nog slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis
+onduidelijk te voorschijn kwam.
+
+Dit gebouw was een soort van ruïne, waarin men vervallen kamers
+onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te
+dienen.
+
+Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine
+Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een
+rechten hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de
+buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt
+geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingen waren koekoeken,
+als aan de gevangenissen. De eene dier gevels wierp zijn schaduw op
+den anderen, die op den tuin terugviel als een groot, zwart laken.
+
+Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich
+in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren,
+als van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.
+
+Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin. Er
+was niemand, 't geen in dit uur niet vreemd was; maar de plaats zag
+er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op klaarlichten dag.
+
+De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken en
+ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats
+te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind
+dacht nog altijd aan vrouw Thénardier, en deelde dus in Jean Valjeans
+zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.
+
+Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht
+der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten
+der kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op
+wacht gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden,
+welke men niet verstaan kon.
+
+Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean
+Valjean hield zijn adem in.
+
+Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.
+
+De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling
+rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet
+de minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren
+met de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.
+
+Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid; een
+hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als het
+andere gruwelijk geweest was. 't Was een gezang, dat uit de duisternis
+kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de vreeselijke
+stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die den reinen
+klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen hadden,
+stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die gelijken,
+welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de stervenden reeds
+beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere gebouw, 't welk
+aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der duivelen verdween,
+scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.
+
+Cosette en Jean Valjean knielden.
+
+Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zij waren;
+maar beiden, de man en het kind, de boeteling en de onschuldige,
+gevoelden dat zij moesten knielen.
+
+Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw eenzaam
+scheen. 't Was als een bovennatuurlijk gezang in een onbewoond huis.
+
+Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij
+zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. 't Was hem, alsof die
+vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.
+
+Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang
+geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts één minuut.
+
+Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat,
+niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem
+geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur,
+dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+VERVOLG VAN HET RAADSEL.
+
+
+De nachtwind verhief zich, 't geen aanduidde, dat het tusschen één
+en twee uren des nachts was. De arme Cosette zeide niets. Daar zij
+naast Jean Valjean zat, met het hoofd tegen hem geleund, meende hij
+dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar in 't gezicht. Cosette had de
+oogen wijd open en een peinzend gelaat, 't geen Jean Valjean leed deed.
+
+Zij beefde nog altijd.
+
+"Hebt ge slaap?" vroeg Jean Valjean.
+
+"Ik ben koud," antwoordde zij.
+
+Een oogenblik later hernam zij:
+
+"Is zij er nog?"
+
+"Wie?" vroeg Jean Valjean.
+
+"Madame Thénardier."
+
+Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had,
+om Cosette stil te doen zijn.
+
+"O," zeide hij, "zij is weg. Vrees niet meer."
+
+Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was genomen.
+
+De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de nachtwind
+werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en wikkelde
+er Cosette in.
+
+"Voelt ge u nu minder koud?" vroeg hij.
+
+"O, ja, vader."
+
+"Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug."
+
+Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere
+schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor
+al de benedenvensters waren ijzeren tralies.
+
+Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij
+boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de
+teenen en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in
+een zeer ruime zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen
+en pilaars voorzien was, en waarin men niets onderscheidde dan een
+flauw licht en breede schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje
+in een hoek. Deze zaal was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel,
+na lang staren, meende Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te
+zien, dat met een lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam
+geleek. Het lag plat op den buik met het gezicht op de steenen, met
+uitgebreide armen, bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets,
+dat een slang geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat
+deze akelige gestalte een touw om den hals had.
+
+De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte
+ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.
+
+Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem
+in zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en
+ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit
+sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de
+onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog
+dat zij leefde.
+
+Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en
+te bespieden of 't geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar
+zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond
+liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een
+onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur,
+zonder te durven omzien. 't Scheen hem dat, zoo hij 't hoofd omwendde,
+hij de gestalte met snelle schreden en de armen bewegende achter zich
+zou zien.
+
+Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knieën knikten; 't zweet brak
+hem van alle kanten uit.
+
+Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit soort
+van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit
+gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen
+met engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk
+een schrikbarend visioen vertoonde, haar de schitterende poorten des
+hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf
+ontsloot. 't Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat met
+een nummer! 't Was geen droombeeld! Hij moest de steenen betasten,
+om het te kunnen gelooven.
+
+De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien
+avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward
+door zijn hoofd.
+
+Hij ging naar Cosette. Zij sliep.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET RAADSEL WORDT DUISTERDER.
+
+
+Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was in slaap gevallen.
+
+Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs,
+en hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn
+tegenwoordigheid van geest.
+
+Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn toekomstig
+leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou hebben,
+hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde dan
+alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was,
+wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.
+
+Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen
+tijd een zonderling geluid. 't Was als een schel, die van plaats
+verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel
+flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die 's
+nachts in de weide zijn.
+
+Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in
+den tuin was.
+
+'t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de klokken
+ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande,
+met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of
+uitlegde. De man scheen te hinken.
+
+Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds
+eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag,
+omdat die hen in 't licht stelt, en den nacht, omdat die behulpzaam
+is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin eenzaam was;
+nu sidderde hij, omdat er iemand was.
+
+Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij
+vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd
+hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking
+hadden achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte,
+hij zeker hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij
+de slapende Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud
+huisraad in den versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.
+
+Van dáár sloeg hij de bewegingen van den persoon gade, die op het
+meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al de
+bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook het
+geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook 't geluid;
+'t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij stil,
+dan zweeg ook het geluid. 't Scheen duidelijk, dat de schel aan den
+man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze man,
+die een bel droeg als een ram of os?
+
+Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan. Zij
+waren ijskoud.
+
+"Mijn God!" zuchtte hij. Hij riep zacht: "Cosette!"
+
+Zij opende de oogen niet.
+
+Hij schudde haar.
+
+Zij ontwaakte niet.
+
+"Zou zij dood zijn!" zeide hij, en richtte zich op, van 't hoofd tot
+de voeten bevende.
+
+De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn
+oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom furiën
+bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze bezorgdheid
+bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke wij
+beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht,
+onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.
+
+Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.
+
+Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij meende,
+flauw en op 't punt van te bezwijken.
+
+Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?
+
+Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld
+ijlde hij uit de schuur.
+
+Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te
+bed zijn.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+DE MAN MET DE SCHEL.
+
+
+Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in den tuin zag. Hij
+had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak was.
+
+De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden
+was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:
+
+"Honderd francs!"
+
+De man rilde van schrik en zag op.
+
+"Honderd francs," hernam Jean Valjean, "zoo ge mij voor dezen nacht
+huisvesting geeft."
+
+De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.
+
+"Mijn Hemel! zijt gij 't, mijnheer Madeleine?" zei de man.
+
+Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende
+plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean
+terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die
+tot hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als
+een boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk,
+waaraan een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw
+was, kon men niet onderscheiden.
+
+De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:
+
+"Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge
+hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja
+waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe
+ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat
+ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere
+God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge
+toch hier gekomen?"
+
+Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een ongekunstelde
+rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder 't spreken toonde
+hij de grootste verbazing en de naïefste goedhartigheid.
+
+"Wie zijt gij? en wat is dit huis?" vroeg Jean Valjean.
+
+"Wel drommels, hoe is 't mogelijk!" riep de grijsaard; "ik ben immers
+degeen dien ge hier geplaatst hebt, en dit huis is dat waarin ge mij
+een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge mij niet?"
+
+"Neen," zei Jean Valjean. "Maar van waar kent ge mij?"
+
+"Ge hebt mij het leven gered," zei de man.
+
+Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean
+Valjean herkende den ouden Fauchelevent.
+
+"Ha!" zei Jean Valjean, "zijt gij 't? ja, nu herken ik u."
+
+"'t Is wel gelukkig," zei de oude man op verwijtenden toon.
+
+"En wat doet ge hier?" hernam Jean Valjean.
+
+"Wel, ik dek mijn meloenen."
+
+De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak,
+het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het
+meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in
+den tuin was, meerdere op het bed gelegd.
+
+'t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke Jean
+Valjean van uit de schuur had opgemerkt.
+
+De tuinman vervolgde:
+
+"Ik dacht: de maan is helder, 't zal vriezen. Ik zal mijn meloenen
+hun jas aandoen. En," voegde hij er luid lachend bij, "gij hadt dit
+waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge toch hier?"
+
+Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder den
+naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten
+zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de
+rollen omgekeerd: hij, de indringer, was 't die vroeg:
+
+"En wat beteekent de schel, die ge aan de knie hebt?"
+
+"De schel," antwoordde Fauchelevent, "dient opdat men mij uit den
+weg ga."
+
+"Hoe! opdat men u uit den weg ga?"
+
+De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.
+
+"Te drommel!" zeide hij, "in dit huis zijn niet anders dan vrouwen;
+veel jonge meisjes. 't Schijnt gevaarlijk te zijn, dat ze mij zien. De
+schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij heen."
+
+"Wat is dit voor een huis?"
+
+"Kom, dat weet ge immers wel?"
+
+"Neen, ik weet het niet."
+
+"En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen."
+
+"Antwoord mij, alsof ik niets weet."
+
+"Welnu, 't is het klooster van Petit-Picpus."
+
+Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen de
+Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St. Antoine
+gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door 't omvallen van
+zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn aanbeveling
+geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven sprekende:
+
+"Het klooster van Petit-Picpus!"
+
+"Maar spreek," hernam Fauchelevent, "hoe drommels is 't u gelukt
+hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt een heilige zijn,
+maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen komen."
+
+"En gij zijt er!"
+
+"Ik ben de eenige man."
+
+"Ik moet hier echter blijven," hernam Jean Valjean.
+
+"Ach, mijn God!" riep Fauchelevent.
+
+Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige stem:
+
+"Vader Fauchelevent, ik heb u 't leven gered."
+
+"Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij," antwoordde Fauchelevent.
+
+"Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u deed."
+
+Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude,
+gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te
+kunnen spreken. Eindelijk riep hij:
+
+"O! 't zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u dit eenigszins
+vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire, beschik over mij,
+ouden man."
+
+Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn gelaat
+scheen te schitteren.
+
+"Wat wilt ge dat ik doen zal?" vroeg hij.
+
+"Ik zal 't u zeggen. Hebt ge een kamer?"
+
+"Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in een hoek,
+dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie kamers."
+
+Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen,
+en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean
+het niet had gezien.
+
+"Goed," zei Jean Valjean. "Nu heb ik u nog twee dingen te verzoeken."
+
+"Wat, mijnheer de maire?"
+
+"Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten tweede,
+dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen."
+
+"Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is, en
+dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij
+immers hier bezorgd. 't Is uw zaak. Ik ben tot uw dienst."
+
+"Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen."
+
+"Zoo!" zei Fauchelevent. "Hebt ge een kind?"
+
+Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond
+zijn meester.
+
+Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos
+had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn
+das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen
+hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas
+aantrok, had Fauchelevent zich van zijn kniestuk met de schel bevrijd,
+dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur versierde. Beide
+mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel rustende, waarop
+Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en twee glazen
+had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van Valjean
+leggende, tot dezen zeide:
+
+"O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt het
+leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij vergeten
+u niet! Ge zijt een ondankbare!"
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+WAARIN VERHAALD WORDT HOE JAVERT NIETS ONTDEKT.
+
+
+De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de rugzijde hebben
+gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze toegedragen.
+
+Toen Jean Valjean--in denzelfden nacht dat Javert hem bij het
+sterfbed van Fantine in hechtenis nam--uit de stadsgevangenis
+van M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling
+naar Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin
+alles verloren gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld,
+gelijk in de draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed,
+als deze van menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van
+allerlei soort. Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er
+zijn verdwijningen, die redden. Dit weet de politie ook en daarom
+zoekt zij te Parijs, wat zij elders verloren heeft. Zij zocht er
+den maire van M. sur M. Javert werd naar Parijs ontboden om er de
+opsporing te besturen. Javert hielp inderdaad krachtdadig om Valjean
+te vatten. Javerts ijver en schranderheid werden bij deze gelegenheid
+door den heer Chabouillet, secretaris der prefectuur onder den graaf
+Anglès, opgemerkt. Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger
+beschermd had, plaatste den inspecteur van politie van M. sur M. bij
+de politie te Parijs. Dáár maakte Javert zich op verschillende, en,
+wij moeten zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast
+schijnt, op eervolle wijze verdienstelijk.
+
+Hij dacht niet meer aan Jean Valjean--de honden, die altijd ter
+jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van heden--toen
+hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich anders niet
+met couranten ophield; maar Javert, een koningsgezinde, had de
+bijzonderheden willen weten van den zegevierenden intocht van den
+prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij het artikel, waarin hij
+belang stelde, gelezen had, trok een naam, de naam van Jean Valjean,
+onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad berichtte, dat
+de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke bepaalde
+woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich zelven:
+"Ja, de dood is de beste keten!" Toen wierp hij het blad ter zijde
+en dacht niet meer aan de zaak.
+
+Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine
+en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden,
+betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men
+zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil
+had plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door
+haar moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door
+een vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind
+van een vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar,
+in een hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van
+Javert en maakte hem nadenkend.
+
+De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean Valjean
+hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht om het
+kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat Jean
+Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen naar
+Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds
+doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats
+genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was
+geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de
+omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu
+begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean
+ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon
+deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean
+was dood.--Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in 't
+rijtuig van "le Plat d'étain" in het slop van la Planchette en reed
+naar Montfermeil.
+
+Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.
+
+In de eerste dagen hadden de Thénardier's in hun wrevel veel
+gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in 't dorp
+verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak
+in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een
+nota aan de politie het gevolg. Evenwel had Thénardier, met zijn
+bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was,
+spoedig begrepen, dat het nooit goed is mijnheer den procureur des
+konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter zake van
+Cosettes "ontvoering" vooreerst het gevolg zouden hebben op hem,
+Thénardier, en op vele duistere zaken, hem betreffende, het scherpe oog
+der justitie te trekken. Vóór alles willen de uilen niet, dat men hen
+in 't licht brenge. En hoe zou hij 't maken met de vijftienhonderd
+francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg
+in, legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo
+men hem van het "gestolen" kind sprak. Hij begreep er niets van;
+'t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem "de lieve
+kleine" zoo spoedig "ontnomen" had, welke hij uit liefde nog een paar
+dagen wilde behouden hebben, maar 't was haar "grootvader," die op de
+natuurlijkste wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak
+van een grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil
+kwam, vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean
+verdwijnen.
+
+Evenwel deed Javert aan Thénardier eenige vragen, als om zijn
+geschiedenis te peilen.--"Wie was deze grootvader en hoe heette
+hij?"--Thénardier antwoordde onnoozel: "Een rijk landbouwer. Ik heb
+zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij Guillaume Lambert heet."
+
+Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde
+naar Parijs terug.
+
+"Jean Valjean is wel degelijk dood," zeide hij, "en ik ben een
+uilskuiken."
+
+Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart
+1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie
+St. Médard woonde en die men noemde den "bedelaar, die aalmoezen
+geeft." Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier, wiens
+eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig
+meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil
+kwam. Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor
+spitsen. Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man
+aalmoezen gaf, voegde er nog eenige bijzonderheden bij.--De rentenier
+was zeer schuw--ging slechts 's avonds uit--sprak met niemand--enkele
+keeren slechts met de armen--en liet zich niet naderen. Hij droeg een
+oude, leelijke bruine jas, die verscheidene millioenen waard moest
+wezen, wijl hij geheel en al met banknoten gevoerd was.--Dit prikkelde
+niet weinig Javerts nieuwsgierigheid. Ten einde dezen fantastischen
+rentenier van nabij te zien, zonder hem schuw te maken, leende hij op
+zekeren dag van den bedelaar-verklikker diens plunje en de plaats, waar
+hij alle avonden gebeden zat te prevelen en middelerwijl bespiedde.
+
+De "verdachte" naderde werkelijk den verkleeden Javert en gaf hem een
+aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en Jean Valjean
+schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl Javert niet
+minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te zien.
+
+Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean's dood was
+officiëel, Javert bleef in grooten twijfel, en deze nauwgezette man
+legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.
+
+Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw
+uit te hooren, 't geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit
+van de met millioenen gevoerden jas, en verhaalde hem de episode van
+het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij had het in
+de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij denzelfden avond
+betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige luisteren, in de
+hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean Valjean zag zijn kaars
+door het sleutelgat en stelde den bespieder teleur door te zwijgen.
+
+Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had
+echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt,
+en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en
+haastte zich Javert te verwittigen.
+
+Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met
+twee mannen achter de boomen op den boulevard.
+
+Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam
+niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was
+zijn geheim; 't geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl
+het minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede,
+wijl het vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood
+waande, van een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de
+"gevaarlijkste soort van boosdoeners" genoemd hadden, een schitterende
+zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche politie
+zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en hij
+daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk,
+wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte
+die vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid
+verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn
+meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in
+'t licht te onthullen.
+
+Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot den
+anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren; zelfs
+in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig waande,
+was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean Valjean
+niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.
+
+Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op haar
+gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen
+publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de
+Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De
+aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De
+agenten vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op
+hen; een vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den
+indruk voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen
+herhaald, gemaakt zou hebben:--"Gisteren is een oud man met wit haar,
+een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig kleindochtertje
+wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar het dépôt der
+prefectuur overgebracht."--
+
+Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de
+vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij
+twijfelde werkelijk.
+
+Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de duisternis.
+
+Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe
+ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk
+af in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken,
+de noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen,
+dit alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean
+Valjeans gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs
+gegeven, dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in
+kon bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te
+dicht te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer,
+de verklaring van Thénardier die een grootvader van hem maakte,
+eindelijk het geloof dat hij in 't bagno gestorven was, vergrootten
+Javerts twijfel.
+
+Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren
+te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud,
+eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig
+vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien
+hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere
+talenten te verbergen--een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,
+medeplichtigen, verschillende verblijven, waar hij zich verborg. De
+kronkelingen en omwegen, die hij in de straten maakte, schenen aan
+te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem terstond te vatten
+zou wezen "de hen met gouden eieren slachten." Wachten schaadde niet,
+immers Javert was zeker, dat hij hen niet zou ontkomen.
+
+Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd vragen
+nopens dien raadselachtigen persoon doende.
+
+'t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht eener
+herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.
+
+In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder
+die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde
+deze hevige siddering.
+
+Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend
+had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet
+dus bij den commissaris in de straat Pontoise versterking vragen. Vóór
+men een doornenstok aanvat, trekt men handschoenen aan.
+
+Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het
+plein Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter
+begreep hij, dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich
+en zijn vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde
+als een speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te
+vinden. Met zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de
+brug van Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld,
+waren hem voldoende: "Hebt ge een man met een meisje gezien?"--"Ik
+heb hem twee sous laten betalen," antwoordde de brugwachter. Javert
+kwam tijdig genoeg op de brug om aan den overkant van het water Jean
+Valjean met Cosette aan de hand, over de door de maan verlichte plek
+te zien gaan en hen de straat Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan;
+hij dacht aan het slop Genrot, dat zich daar als een valluik bevond,
+en aan den eenigen uitgang der straat Droit-Mur in de kleine straat
+Picpus. In allerijl zond hij langs een omweg een zijner lieden naar
+den uitgang om hem te bewaken. Hij preste een patrouille, die naar
+den wachtpost van het arsenaal terugkeerde. Bij dergelijke partijen
+zijn de soldaten troeven. Overigens weet men, dat, om een wild zwijn
+te vangen, een schrander jager en veel honden noodig zijn.
+
+Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean
+nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links
+en hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.
+
+Thans begon hij te spelen. 't Was voor hem een oogenblik van helsche
+opgetogenheid; hij liet zijn man voor zich gaan, overtuigd, dat
+hij hem in zijn macht had, maar wilde zoo lang mogelijk dralen met
+hem te vatten, in 't vermaak hem gevangen en tevens vrij te zien,
+met den wellust der spin die de vlieg laat spartelen, en van de kat,
+die de muis laat heen en weer loopen. De klauw en de val hebben een
+vreeselijke beteekenis, 't is de gestremde beweging van het gevangen
+dier. Welk een genot, zulk een vangst.
+
+Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van
+te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.
+
+Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand
+te denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook
+wezen mocht.
+
+Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de
+zakken van een dief navorschende en onderzoekende.
+
+Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de
+vlieg niet meer.
+
+Men kan zich zijne woede voorstellen.
+
+Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze
+agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet
+zien voorbijgaan.
+
+Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn
+hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van
+te denken. "'t Was geen hert, 't was een toovenaar."
+
+Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.
+
+Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.
+
+'t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander in
+den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen
+fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean
+fouten beging. 't Was misschien een fout, dat hij aarzelde den
+ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou
+hem overtuigd hebben. 't Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in
+zijn woning in hechtenis nam. 't Was een fout, dat hij hem niet had
+aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende. 't
+Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht op
+het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en
+'t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen
+verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij
+op zulke wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door
+zich te veel moeite te geven om de honden op het spoor te brengen,
+maakte Javert het dier verschrikt, door het lucht te geven, en
+deed het vlieden. Bovenal was 't een fout dat, na het spoor op de
+brug van Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en
+kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij
+achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een
+muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen
+hij het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige
+voorzorg, verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten
+en was niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die
+bestaan hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men
+met een jachtterm noemt "een volleerde hond." Maar wie is volmaakt?
+
+De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.
+
+De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een
+menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den
+kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk
+kunnen breken, 't zal een beuzeling zijn: maar te zamen gevlochten
+en verbonden zijn zij onverbreekbaar; 't is Attila die weifelend
+tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen staat;
+'t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; 't is Danton die zich te
+Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.
+
+Hoe 't zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem ontsnapte,
+verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de voortvluchtige
+tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit, legde hinderlagen,
+klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen nacht de wijk. Het
+eerste dat hem in 't oog viel was de wanorde der lantaarn, waarvan het
+touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing, welke hem evenwel deed
+dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop Genrot richtte. In
+dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan braak liggende
+gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle waarschijnlijkheid
+gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop ware ingegaan,
+zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te ontvluchten, en zou
+hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert doorzocht deze
+tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald zocht.
+
+Bij 't aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter bewaking
+achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een spion,
+die door een dief verschalkt is.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VI.
+
+KLEIN PICPUS.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+KLEINE PICPUS-STRAAT NO. 62.
+
+
+Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in
+de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond
+op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien,
+die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden
+was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur
+zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats,
+en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de
+kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk
+mede te nemen. 't Was echter een somber oord, dat men had gezien.
+
+De ingang lachte; het huis bad en weende.
+
+Zoo men er in slaagde, 't geen niet gemakkelijk was, den portier
+voorbij te komen--iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker
+machtwoord bezat--en men rechts een klein portaal binnenging, waar,
+tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één
+persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele
+kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken
+en men 't waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens
+op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een
+gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige
+plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren
+door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming,
+waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden
+verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was
+gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer
+zes voet in 't vierkant; 't was zindelijk, kil, met steenen bevloerd
+en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht
+viel door een groot venster met kleine ruiten, dat links de geheele
+breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand;
+men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De
+wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.
+
+Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur
+een opening van ongeveer een voet in 't vierkant, met een traliewerk
+van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten--ik
+had schier mazen gezegd,--vormden, van omstreeks anderhalven duim. De
+groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze
+ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte
+of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door
+de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou 't
+hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel
+de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want
+achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd,
+kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet
+als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing
+een schelkoord.
+
+Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht
+bij zich een stem dat men er van schrikken zou.
+
+"Wie is daar?" vroeg de stem.
+
+'t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er
+treurig van werd.
+
+Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de
+stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf
+aan de andere zijde ware geweest.
+
+Zoo men het woord kende hernam de stem:
+
+"Ga ter rechterzijde binnen."
+
+Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een
+grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad
+binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in
+den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk
+neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een
+soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur
+ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden
+stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering,
+waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met
+vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte
+ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.
+
+Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve
+duisternis gewoon was geworden, beproefde het door de traliën te zien,
+maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het
+een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine
+houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren
+verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij
+waren altijd gesloten.
+
+Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden
+roepen en vragen:
+
+"Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?"
+
+'t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men
+hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn
+graf sprak.
+
+In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren,
+werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker
+geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën,
+achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd,
+waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was
+met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk
+en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak,
+maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.
+
+Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op
+dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een
+zinnebeeld.
+
+De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in
+deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde
+de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden
+te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij
+zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen
+nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte
+waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men
+niets zag, zelfs geen spookbeelden.
+
+Wat men zag was het binnenste eens kloosters.
+
+Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, 't welk men het
+klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge,
+waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke
+men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos
+en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante
+opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met
+duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.
+
+De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de
+spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had, zonder
+venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van
+dit gewijde oord zien.
+
+Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,--er was licht,
+leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren
+beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen
+en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder
+de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de
+verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben
+kunnen spreken.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE REGEL VAN MARTINUS VERGA.
+
+
+Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat
+bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van
+Martinus Verga.
+
+Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner
+monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere
+woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van
+den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.
+
+Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus
+Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen
+stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te
+Alcala was.
+
+Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.
+
+De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in
+de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te
+spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van
+Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië,
+de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny
+en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen,
+de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen,
+de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want
+Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van
+den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt
+van Molesme in de diocees van Langres. 't Was in 529 dat de duivel,
+die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij
+hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den
+ouden tempel van Apollo werd gejaagd.
+
+Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een
+teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de
+regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga
+de strengste. Zij zijn in 't zwart gekleed met een borstdoek die,
+volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet
+reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier,
+de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt,
+ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit
+is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar
+gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.
+
+De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben "de
+eeuwige aanbidding," evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen
+van het H. Sacrament worden genoemd, en in 't begin dezer eeuw te
+Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat
+Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen,
+waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der
+vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in
+het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner
+nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die
+der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve
+Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een
+H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks
+drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament
+niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en
+het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel
+verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige
+gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner
+van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling
+en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid,
+het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen
+twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche
+Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche
+Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.
+
+Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus
+Verga terug.
+
+De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthouden zich
+het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen
+buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur
+'s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen
+onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit
+een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden
+den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning,
+die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van
+den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze
+zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel
+jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte,
+veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van
+beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben
+de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken,
+drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede,
+kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij
+doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.
+
+De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke
+kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een
+priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, 't geen de langst
+mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.
+
+Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter
+een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen. Onder de
+predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier;
+zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd
+gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de
+aartsbisschop van de diocees.
+
+Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een
+grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de
+nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel
+aan de knie.
+
+Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke
+gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste
+zelfverloochening. Zooals op Christus' stem ut voci Christi, op een
+gebaar, bij den eersten wenk, ad nutum, ad primum signum, dadelijk,
+met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid,
+promptè, hilariter, perseveranter, et coecâ quadam obedientiâ, gelijk
+de vijl in de hand van den werkman, quasi liman in manibus fabri,
+niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven,
+legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.
+
+Beurtelings verricht ieder wat zij de "verzoening" noemen. Deze
+verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden. alle misslagen,
+alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde
+gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren 's avonds tot vier
+uren 's morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den
+steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en
+de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan
+uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en
+met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen
+der wereld. Dit is grootsch, verheven!
+
+Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt,
+zegt men eveneens "aan den paal zijn" als "om verzoening bidden." De
+nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur,
+die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.
+
+"Om verzoening bidden" is eene daad, die de geheele ziel vervult. De
+non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel,
+het hoofd niet wenden.
+
+Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij
+blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand
+soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.
+
+De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige
+bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in
+herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus
+Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie
+enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.
+
+Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.
+
+Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster
+geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van 't verderf der
+ziel zijn.
+
+Zij noemen het woord mijn niet. Zij bezitten niets en mogen aan niets
+gehecht zijn. Zij noemen alles "het onze," bij voorbeeld: onze sluier,
+onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij "ons hemd"
+zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een
+getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen,
+dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij
+herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke
+dame, toen zij in haar orde trad zeide: "Vergun, moeder, dat ik een
+heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben."--"Ha! zijt
+ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn."
+
+Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij
+bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkander ontmoeten, zegt de eene:
+"Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!" De
+andere antwoordt: "In alle eeuwigheid!" Hetzelfde heeft plaats als de
+eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt
+of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen:
+in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze "oefeningen"
+werktuiglijk; en vaak zegt de eene "in alle eeuwigheid" voor de
+andere den tijd heeft gehad te zeggen: "Geëerd en geloofd zij het
+allerheiligste Sacrament des altaars!" dat tamelijk lang is.
+
+Bij de visitandinen zegt de binnentredende Ave Maria, en de andere
+antwoordt: Gratiâ plena. 't Is haar "goeden morgen", die inderdaad
+"vol gratie" is.
+
+Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal
+geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters,
+leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken,
+en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: "Te vijf
+uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd
+en geloofd." Is het acht uren: "Te acht uren enz" en zoo vervolgens
+bij elk uur dat slaat.
+
+Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze
+immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de
+vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: "Op dit
+uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!"
+
+De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig
+jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar
+getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds
+met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje
+in 't missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: "Jezus, Maria,
+Jozef!" Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag,
+dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende
+treurige uitwerking voort.
+
+De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder
+doen maken voor de begraving harer zusters. Het "gouvernement",
+zooals zij 't noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet
+werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster
+verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.
+
+Zij hadden echter de vergunning verkregen, om--een geringe
+troost--op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude
+kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger
+aan het klooster behoord had.
+
+Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de
+diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezet al de kleine
+heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk
+eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië
+zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van
+het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld
+geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer:
+"De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen
+nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst."
+
+Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert,
+de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na
+de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de
+misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig
+heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en
+leggen luid de "penitentie" op.
+
+Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove
+misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat
+zij het Culpa noemen. Men legt zich om deze Culpa te doen, plat op
+den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit
+anders dan "moeder" wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar
+bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht die Culpa
+voor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier,
+een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche
+noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijn Culpa te
+doen. Het Culpa is geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt
+en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis
+voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder
+een psalm die met Ecce begon, maar in plaats van Ecce zong zij ut,
+si, sol, en onderging voor deze verstrooidheid een Culpa gedurende
+den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat
+het geheele kapittel gelachen had.
+
+Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het
+zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk
+men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de
+priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar
+naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig
+iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het
+klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande
+onderhandelingen. Zoo 't een vrouw is, wordt de vergunning soms
+verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden,
+die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt
+vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.
+
+Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.
+
+Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de
+geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van
+1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+STRENGHEDEN.
+
+
+Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren
+het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of
+vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner
+nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.
+
+Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over,
+waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men
+de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen,
+glanst en krult haar 't haar; dan knielt zij; men spreidt over haar
+een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts
+verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij
+en zegt op treurigen toon: "Onze zuster is dood," de andere rij
+antwoordt met helderklinkende stem: "Zij leeft in Jezus Christus!"
+
+Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster
+verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes,
+waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een
+Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam
+van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door
+deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en
+de eeuw. Een harer zeide ons eens: "toen ik de straat zag huiverde
+ik van top tot teen." Zij waren in 't blauw gekleed met een wit
+mutsje op 't hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op
+de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de
+H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non
+te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te
+verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar
+dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten
+haar kleeding leenen. 't Verdient opmerking, dat deze vertooningen
+waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een
+heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen
+voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een
+wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich
+mede. "'t Was iets nieuws, een verandering."
+
+Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen
+intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een
+wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande
+te zingen.
+
+De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen
+betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige
+jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen
+om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen:
+"in alle eeuwigheid." Evenals de nonnen spraken de pensionnairen
+haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd
+niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in
+dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar
+moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire
+weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was
+niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde,
+de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen
+kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+VROOLIJKHEID.
+
+
+Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke
+herinneringen achtergelaten.
+
+Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De
+klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De
+vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van
+jeugd overstroomde als 't ware dezen tuin, die, als een lijkkleed,
+kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende
+oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich
+in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep,
+na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling
+dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend
+werd. 't Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, en ieder
+bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen,
+stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte
+verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht
+verbergt; maar om 't even! Men was verheugd en lachte. Deze vier
+doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen
+van al die vreugde: 't was als een regen van rozen op een doodschen
+akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der
+zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond
+een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen
+huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in
+het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche,
+bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben,
+en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven,
+dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle
+grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje,
+van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.
+
+Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke,
+kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach
+uitlokken. 't Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig
+kind eens riep: "Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet
+langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!"
+
+Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:
+
+Een kapittel-moeder. "Waarom weent ge, mijn kind?"
+
+Het kind. (zes jaar oud) snikkend. "Ik heb aan Alix gezegd, dat ik
+mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken
+en ik ken ze"
+
+Alix, de groote (negen jaar oud). "Neen, zij kent ze niet."
+
+De moeder: "Waarom niet, mijn kind?"
+
+Alix. "Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan,
+haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden."
+
+"Nu?"
+
+"Zij heeft niet geantwoord."
+
+"Spreek, wat hebt ge gevraagd?"
+
+"Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de
+eerste vraag, die ik vond."
+
+"Hoe was deze vraag?"
+
+"'t Was: Wat gebeurde er vervolgens?"
+
+'t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den
+eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:
+
+"Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch."
+
+Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt,
+die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet
+te vergeten:
+
+"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.
+
+"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.
+
+"Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te
+hebben geslagen."
+
+Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig
+mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:
+
+"Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen
+stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna
+plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf
+in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch,
+en hij at de jonge haantjes op."
+
+Dan nog dit gedicht:
+
+
+ "Er kwam een stokslag,
+ Polichinel sloeg de kat.
+ 't Deed haar geen goed, maar 't deed haar pijn.
+ Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis."
+
+
+'t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door
+een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid
+opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en
+mompelde in haar hoekje:
+
+"Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet."
+
+Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels
+door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De "zeer groote
+meisjes"--boven de tien jaren--noemden haar Agathoclès [6].
+
+Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal,
+die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving,
+was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden "vol dieren." Al
+wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der
+vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een
+bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek,
+den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek
+was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud
+dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat
+gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter
+onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een
+dezer vier natiën, al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende
+den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk
+bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje,
+met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire,
+een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:
+
+"Wie is deze?"
+
+"Een spinnekop, Monseigneur!"
+
+"Zoo! en gene?"
+
+"Een krekel."
+
+"En zij?"
+
+"Een rups."
+
+"Zoo waarlijk; en wat zijt gij?"
+
+"Ik ben een duizendbeen, Monseigneur."
+
+Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin
+dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar,
+in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.
+
+Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid
+tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook "troonhemelen"
+en "wierookvaten," namelijk zij, die de koorden van den troonhemel
+droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden
+van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier "maagden" gingen vooraan. 't
+Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag
+in de slaapzaal kon hooren vragen:
+
+"Wie van u is maagd?"
+
+Mevrouw Campan verhaalt van een "kleine," een zevenjarig meisje, dat
+tot een "groote" van zestien jaren, die aan 't hoofd der processie
+ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: "Gij zijt
+een maagd, en dat ben ik niet."
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+VERSTROOIDHEDEN.
+
+
+Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit
+gebed, 't welk men het "witte Vader ons" noemde en dat de kracht had
+de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.
+
+"Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God
+in den hemel bracht.
+
+"Toen ik 's avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bij mijn bed
+liggen, één aan het voeteneinde, twee aan 't hoofdeinde, de maagd
+Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en
+niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn
+moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn
+mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf
+gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven;
+de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den
+H. Johannes.--H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van de Ave
+Salus.--Hebt ge er den goeden God niet gezien?--Hij is aan den
+kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een
+klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds,
+en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven."
+
+In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele
+laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige
+jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.
+
+Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze
+eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels,
+ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen
+van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de
+tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander
+in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der
+kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen,
+of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen
+voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De
+kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week,
+die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te
+vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze
+stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een
+kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld,
+werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de
+week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels,
+waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten,
+en soms 't geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch,
+wierpen. Dit werd gestraft.
+
+Zij, die de stilte stoorde, moest een "kruis met de tong"
+maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit
+einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich
+aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.
+
+In het klooster was een boek, waarvan slechts "één exemplaar"
+is gedrukt, en dat verboden is te lezen. 't Is de regel van den
+H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.
+
+Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij
+begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst
+waren verrast te zullen worden, borgen zij 't haastig weer weg. Zij
+hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden
+blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der
+jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.
+
+Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen
+stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen,
+gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter
+sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer
+op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt,
+en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige
+pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van
+Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:
+
+"Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar
+boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te
+leggen, dan steekt men het ooft onder 't oorkussen en des avonds eet
+men 't in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats."
+
+Dit was een harer grootste geneugten.
+
+Eenmaal, 't was wederom bij gelegenheid van een bezoek des
+aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de
+jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap
+dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets
+ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen,
+maar niemand geloofde er aan. Op 't oogenblik dat de aartsbisschop
+voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot
+onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide:
+"Monseigneur, een dag vacantie als 't u belieft." De jonkvrouw
+Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat
+men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: "Wat, mijn
+lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen
+u drie dagen!" De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop
+had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het
+pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!
+
+Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven
+der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet
+binnendrongen. Om dit te bewijzen willen wij hier beknopt een waar,
+onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat
+met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts,
+opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.
+
+Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige
+persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en
+"madame Albertine" noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat
+zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide,
+dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen,
+die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.
+
+Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit
+haar groote zwarte oogen. 't Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men
+twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was
+niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken
+en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte,
+voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster
+zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: "Men houdt
+haar voor dood."--"Zij is 't misschien," antwoordde de andere.
+
+Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine
+verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der
+pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men het oeil de boeuf
+noemde. 't Was in deze tribune, met een rond raampje, een oeil de
+boeuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk
+was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping,
+den prediker, of misdoenden priester kon zien; 't geen aan de nonnen
+verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen
+rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode
+musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830
+als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. 't Was den
+eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus
+predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie
+en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich
+ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden
+der stilte, die in de kapel heerschte: "Ziedaar August!" De geheele
+kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de
+oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid
+verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was
+even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen
+en de zinnelooze weder een lijk geworden.
+
+Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen
+in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat
+"ziedaar August!" De heer de Rohan heette werkelijk August. 't Was
+stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij
+den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed
+had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat
+zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en
+wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.
+
+Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent,
+bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis als Magnates mulieres
+toegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de
+twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de
+oogen neder.
+
+Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp
+der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip,
+in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris
+van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in
+de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen
+zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde
+der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk
+aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.
+
+Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was;
+dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om
+het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok
+hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer
+zestienjarige meisjes.
+
+Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar
+evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis,
+welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.
+
+Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie,
+die thans reeds zeer verouderd is: "Mijn Zetulbé, kom, beheersch
+mijn hart," en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes
+luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de
+hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene
+maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden
+muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat
+Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd,
+alles beproefd hebben om slechts een seconde den "jongeling" te zien
+en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het
+te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen
+naar de derde verdieping om zoo mogelijk door de gesloten vensters in
+de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm
+boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren
+nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen
+eindelijk den "jongeling!" 't Was een arme, blinde, oude emigrant, die
+op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HET KLEINE KLOOSTER.
+
+
+Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander
+verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond,
+het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde
+Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden
+gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen
+der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte,
+grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke
+soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was,
+een harlekijns-klooster kunnen noemen.
+
+Sedert het Keizerrijk was 't aan al deze arme, verstoorde, verjaagde
+geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de
+vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het
+gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus
+hadden ze met welwillendheid ontvangen. 't Was een zonderling
+mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning
+veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven;
+ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere,
+de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en
+van moeder Jakob.
+
+Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. 't Was
+een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het
+begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure
+hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner
+nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor
+de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken
+scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig
+genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte. In 1824 bleef van
+deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.
+
+Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames,
+zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine
+Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort
+d'Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in
+'t klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat
+zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar
+Vacarmini. [7]
+
+In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein
+tijdschrift, de Intrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te
+mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch
+in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had
+romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze
+verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid
+ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar
+na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden,
+zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde
+de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis
+nog zeer goed de harp.
+
+Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel
+achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze
+twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden
+zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en
+juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar
+met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt,
+en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven
+te verschrikken:
+
+
+ Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:
+ Dismas et Gesmas, media est divina potestas;
+ Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,
+ Nos et res nostras conservet summa potestas.
+ Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.
+
+
+Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag
+oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men
+algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze
+spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de
+Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden
+hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzen
+wordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.
+
+De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote
+klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het
+kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er
+het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende,
+in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der
+kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een
+kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen
+was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter
+het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter
+rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze
+kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan
+wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten
+banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen
+op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben
+der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten
+bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang
+met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den
+tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar
+stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander
+bewijs dan de slagen der "disciplines" (geeselkoorden), die in de
+banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EENIGE SILHOUETTEN.
+
+
+In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus
+jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij
+behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van
+"Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus." Zij was
+herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw,
+die "als een gebersten pot zong," zegt de brief, welken wij reeds
+hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige
+vroolijke in het klooster en daarom bemind.
+
+Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite,
+de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de
+geschiedenis, zij verstond Latijn, Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch,
+en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.
+
+De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half
+blinde non.
+
+De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine,
+schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en
+moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes,
+moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het
+klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (Mlle Gauvain), nog jong,
+met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (Mlle Drouet), die
+in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen
+Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mlle de Colgolludo),
+moeder St. Adelaida (Mlle d'Averney), moeder Misericordia, (Mlle de
+Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion
+(Mlle de la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen
+ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia
+(Mlle de Laudinière), moeder Presentatie (Mlle de Siguenza), die
+in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den
+beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mlle de Suzon); welke
+beide krankzinnig werden.
+
+Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige
+vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder
+Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster
+moeder Assomption.
+
+Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had,
+gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele
+toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud,
+verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van
+de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit
+had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit
+engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen
+het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha,
+die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.
+
+Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng
+voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het
+voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij
+betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter
+een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.
+
+Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster
+de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aan onbezielde
+voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het
+schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat
+naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd,
+duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf,
+de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht
+worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis
+in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was
+een bijzonder getal. Voor de priorin was 't één en één; voor de
+onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der
+school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den
+klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden
+een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte
+met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar
+hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is,
+kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen
+er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud
+leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien;
+de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan
+men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een
+"afschuwelijken ouden bochel" afgeschilderd wordt.
+
+Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.
+
+Zoodanig was dit merkwaardig huis.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+POST CORDA LAPIDES.
+
+
+Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te
+hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden
+zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds
+een denkbeeld.
+
+Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel
+het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten
+Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg,
+die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier
+straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een
+vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een
+tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging
+van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen
+een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galg
+besloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat
+Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze,
+statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus;
+het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van
+dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur,
+waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags
+werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener
+non uit het klooster werd gedragen. 't Was de algemeene kerkdeur. De
+elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer
+diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters
+en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de
+kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der
+blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet
+zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin,
+die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat
+de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin,
+stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom,
+van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen,
+verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest,
+de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze
+paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende,
+waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het
+einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen
+van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot
+aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor
+het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit
+alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd,
+muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap
+dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat,
+en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van 't geen
+vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van
+Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar
+van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond,
+die, "het speelhuis der elf duizend duivels" werd genoemd.
+
+Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De
+namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er
+naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout
+geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep
+de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN EEUW ONDER EEN NONNEN BORSTDOEK.
+
+
+Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van 't geen eertijds het
+klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een
+blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog
+een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van
+dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen
+zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.
+
+In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit
+de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in
+de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil,
+zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat,
+met wie zij goed bekend was geweest. 't Was haar vermaak en trots,
+bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde
+wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek
+en in welk klooster straten waren.
+
+Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren
+vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen,
+zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem
+aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan
+Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan
+Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige
+vader.--En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk
+gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.
+
+Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij
+zeide, dat in haar jeugd "de bernardijnen niet voor de musketiers uit
+den weg gingen." 't Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij
+verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en
+Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot
+personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair
+door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke
+overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers
+aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker
+las men dit opschrift: "apenwijn," op den tweeden: "leeuwenwijn,"
+op den derden: "schapenwijn," op den vierden: "varkenswijn." Deze
+vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard
+nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweede
+vergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.
+
+Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan
+zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks
+niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op,
+'t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij
+het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot
+zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij,
+die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp
+sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de
+volhardendsten op haar halsstarrigheid.
+
+'t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen
+en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar
+en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk
+een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte
+reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw
+overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar
+de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen
+doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. 't Was een schotel van
+Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts,
+gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de
+vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke
+liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt
+weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles
+is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse
+schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld
+te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman
+in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.
+
+Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl,
+zooals zij zeide, "het spreekvertrek te somber was."
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+OORSPRONG DER EEUWIGDURENDE AANBIDDING.
+
+
+Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld
+te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel
+en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder
+in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een
+andere orde was, waren bruine gordijnen in plaats van zwarte blinden,
+en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke
+neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de
+wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht,
+geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.
+
+In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische
+kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd
+gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de
+vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.
+
+Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de
+benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel
+andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux
+behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder
+dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in
+weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en
+in St. Jean en Grève, ontheiligd; 't was zulk een vreeselijke en
+zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding
+bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval
+een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijke
+nuncius officiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee
+achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin
+de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des
+altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen
+niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door
+een "Eeuwigdurende aanbidding" in een vrouwenklooster. Beiden, de
+eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar,
+genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke
+schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus
+te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van
+Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde "dat geen
+jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch
+kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal
+medebracht." Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn
+goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven
+werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.
+
+Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding
+des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd
+"geheel nieuw gebouwd" in de straat Cassette voor de gelden der dames
+de Boucs en de Chateauvieux.
+
+Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen
+van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés,
+gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten
+en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen
+staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der
+bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In
+1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner
+nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de
+benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin
+bleven de twee orden geheel gescheiden.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+EINDE VAN KLEIN-PICPUS.
+
+
+Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van
+Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven
+dezer orde in 't algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden
+allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der
+menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt,
+een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken
+vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.
+
+Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine
+klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen
+noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren
+heengegaan. Volaverunt.
+
+De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke
+strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen
+nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen
+koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna
+honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel
+zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring
+der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar
+gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst
+van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen,
+dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal
+smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. 't Is een
+onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij
+drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van
+dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig
+jaar, de andere drieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval
+heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.
+
+Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen
+voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen
+binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige
+geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster
+binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo
+nieuw schijnen. 't Is de gesloten tuin. Hortus conclusus. Wij hebben
+van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten
+minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij
+begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver
+van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste
+zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire,
+die zelfs het kruis bespot.
+
+'t Was, in 't voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire;
+want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas
+verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis,
+zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De
+vermoording van een wijze.
+
+De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men
+verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van 't
+verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in 't menschelijk
+hart zijn. Veel wordt gesloopt, en 't is goed dat men het sloope,
+mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.
+
+Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. 't
+Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De
+namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich
+gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn
+pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het
+verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de
+geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.
+
+De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie
+van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze
+beschermt.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VII.
+
+PARENTHESIS.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HET KLOOSTER, ALS ABSTRACTE IDÉE.
+
+
+Dit boek is een drama, waarvan het oneindige de hoofdpersoon is.
+
+De tweede persoon is de mensch.
+
+Dit gesteld, en wijl een klooster op onzen weg lag, zijn wij er
+moeten binnengaan. Waarom? Wijl het klooster, zoowel eigen aan het
+Oosten als aan het Westen, aan den ouden als aan den nieuweren tijd,
+aan het heidendom, aan het boudhisme, aan het mahomedanisme, aan het
+Christendom, een optisch werktuig is, dat de mensch op het oneindige
+richt.
+
+'t Is hier de plaats niet om wijdloopig sommige ideeën te
+ontwikkelen; evenwel moeten wij--ons alle uitzonderingen en zelfs onze
+verontwaardiging bepaald voorbehoudende,--zeggen dat, telkens wanneer
+wij in den mensch het, goed of kwalijk begrepen, oneindige ontmoeten,
+wij ons van eerbied doordrongen gevoelen. In de synagoge, in de moskee,
+in de pagode, in de wigwam is een afschuwelijke zijde, welke wij
+verfoeien, maar ook een verhevene zijde, welke wij vereeren. Welk
+een bespiegeling voor den geest en welke peillooze overdenking is
+niet de weerkaatsing van God in den mensch!
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+HET KLOOSTER ALS HISTORISCH FEIT.
+
+
+Uit het gezichtspunt der geschiedenis, der rede en der waarheid is
+het kloosterleven verwerpelijk.
+
+De kloosters, zoo zij bij een natie te talrijk zijn, zijn als knoopen,
+die den band der samenleving belemmeren, 't zijn hinderende gebouwen,
+middelpunten van luiheid, dáár waar middelpunten van werkzaamheid
+zijn moesten. De kloostergemeenschap is voor de groote maatschappij
+wat de mistel voor den eik, wat de wrat voor het menschelijk lichaam
+is. Hun bloei en hun omvang verarmen het land. De kloosterregel,
+goed in de kindsheid der beschaving, nuttig om door het geestelijke de
+ruwheid te verminderen, is schadelijk voor den mannelijken leeftijd der
+volken. Maar wanneer hij verslapt en een tijdperk van ongeregeldheden
+intreedt, wanneer hij dan nog voortgaat tot voorbeeld te dienen,
+wordt hij nadeelig, om dezelfde redenen die hem in het tijdperk zijner
+zuiverheid heilzaam deden zijn.
+
+De kloosterlijke afzondering heeft haar tijd gehad. De kloosters,
+nuttig voor de eerste opvoeding der nieuwere beschaving, belemmerden
+haar groei en zijn schadelijk voor haar ontwikkeling. Evenzeer als
+instelling en als wijze van vorming voor den mensch zijn de kloosters,
+goed in de tiende eeuw, betwistbaar in de vijftiende, verwerpelijk in
+de negentiende. De klooster-melaatschheid heeft reeds twee schoone
+natiën, Italië en Spanje, de eene het licht, de andere de luister
+van Europa, sinds eeuwen tot op het gebeente afgeknaagd, en eerst
+nu, in den tijd, dien wij beleven, begint de genezing dier volken,
+dank zij de heilzame en krachtige gezondheidsleer van 1789.
+
+Het klooster, in 't bijzonder het vroegere vrouwenklooster,
+zooals het bij den aanvang onzer eeuw nog in Italië en Oostenrijk
+en Spanje verschijnt, is een der somberste voortbrengselen der
+Middeleeuwen. Zoodanig klooster is het vereenigingspunt van
+alle verschrikkingen. Het eigenlijke Katholieke klooster is vol
+van den zwarten glans des doods. Bovenal het Spaansche klooster
+is treurig. Daar verheffen zich in de duisternis, onder donkere
+gewelven, in nevelen gehulde koepeldaken, babylonische, kolossale
+altaren, zoo hoog als de kerken; daar hangen aan kettingen, in diepe
+duisternis, groote witte crucifixen, daar liggen op het ebbenhout
+groote naakte, meer dan bloedige, bloedende ivoren Christusbeelden
+uitgestrekt, afgrijselijk en toch heerlijk, wier ellebogen de knoken,
+wier knieschijven de vliezen, wier wonden het vleesch vertoonen,
+gekroond met zilveren doornen, vast gespijkerd met gouden nagels,
+met bloeddroppels van robijnen op het voorhoofd en diamanten tranen
+in de oogen.
+
+Do diamanten en robijnen schijnen vloeiend, en doen beneden, in
+de schaduw, gesluierde wezens weenen, wier lendenen gestriemd en
+verwond zijn door den geesel met ijzeren punten en het haren kleed,
+wier borsten door het teenen vlechtwerk plat zijn gedrukt, wier knieën
+door het gebed ontveld zijn; vrouwen, die zich echtgenooten wanen,
+spoken die serafijnen meenen te zijn. Denken deze vrouwen? Neen. Hebben
+zij een wil? Neen. Beminnen zij? Neen! Leven zij? Neen. Haar zenuwen
+zijn been geworden, haar gebeente is versteend. Haar sluier is uit
+nacht geweven. Onder dien sluier gelijkt haar adem eenigerwijs den
+akeligen ademtocht des doods. De abdis, een spooksel, zegent en
+verstijft ze van schrik. Daar is het onbevlekte woest. Zóó zijn de
+oude kloosters in Spanje, verblijven van schrikbarende godsvrucht,
+spelonken van maagden, ontzettende plaatsen.
+
+Het Katholieke Spanje was meer roomsch dan Rome zelf. Bij uitnemendheid
+was het Spaansche klooster het Katholieke klooster. Men rook er het
+Oosten. De aartsbisschop, de kizlar-aga des hemels, grendelde en
+bewaakte dat voor God bewaarde zielen serail. De non was de odaliske,
+de priester de gesnedene. De vurigste werden in den droom uitverkoren
+en bezaten Christus. Des nachts daalde de fraaie, naakte jonge man van
+het kruis, en werd de verrukking der cel. Hooge muren behoedden voor
+iedere verstrooidheid de geheimzinnige sultane, die den gekruisigde
+tot sultan had. Een blik naar buiten was een ontrouw. Het in pace
+verving den lederen zak. Wat men in het oosten in zee wierp, werd
+in het westen in de aarde geworpen. Hier zoowel als daar, wrongen
+vrouwen de handen; de golf voor deze, het graf voor de andere; hier
+verdronkenen, daar begravenen. Gruwzame gelijkenis.
+
+Nu de verdedigers van het verleden deze feiten niet meer
+kunnen loochenen, beginnen zij er om te lachen. Men heeft een
+zeer gemakkelijke, maar zonderlinge wijze in de mode gebracht
+om de openbaringen der geschiedenis van de hand te zetten, de
+verklaringen der wijsgeeren te verminken, en alle hinderlijke feiten
+en sombere kwestiën te ontgaan. "Stof tot declameeren," zeggen de
+behendigen. Declamatiën, herhalen de dommen. Jean Jacques Rousseau
+declameert; Diderot declameert; Voltaire declameert over Calas, Labarre
+en Sirven. Ik weet niet wie onlangs ontdekt heeft, dat Tacitus een
+declamateur, dat Nero een offer was, en dat men waarlijk met dien
+armen Holofernus medelijden moest hebben.
+
+De feiten zijn intusschen moeielijk ter zijde te stellen en staan vast.
+
+De schrijver van dit boek heeft met zijn eigen oogen, acht uren van
+Brussel, in de abdij van Villers, iets uit de Middeleeuwen gezien, dat
+in ieders bereik ligt--in het midden van 't geen toen de kloosterhof
+was, aan den oever der Dyle, het in pace, vier steenen cachotten,
+half in den grond half in het water gebouwd. Ieder dezer cachotten
+heeft nog het overblijfsel van een ijzeren deur, een geheim gemak,
+en een getralied luchtgat, dat buiten twee voet boven de rivier,
+binnen zes voet boven den grond is. Langs den muur stroomt de rivier
+ter hoogte van vier voet. De bodem is altijd vochtig. De bewoner van
+het in pace had dezen vochtigen bodem tot bed. In een dezer cachotten
+bevindt zich nog een brok van een in den muur gemetselden halsboei;
+in een ander ziet men een soort van vierkante kast, van vier steenen
+samengesteld, die te kort is om er in te kunnen liggen, te laag om er
+in te staan. Daarin stak men een mensch en legde er een steenen deksel
+op. Het bestaat nog. Men ziet, men betast het. Deze in paces, deze
+cachotten, deze ijzeren hengels, deze halsboeien, dit lage luchtgat
+vlak boven de rivier, deze met een granieten deksel als een graf
+gesloten steenen kist, met dit verschil dat daarin de doode levend
+was, deze bodem van slijk, dit rioolgat, deze zweetende muren--hoe
+"declameeren" zij!
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+OP WELKE VOORWAARDEN MEN HET VERLEDEN KAN EERBIEDIGEN.
+
+
+Het kloosterwezen, zooals dat in Spanje bestond en in Thibet bestaat,
+is voor de beschaving een soort van tering. Het stremt het leven;
+het ontvolkt. Voor Europa is 't een geesel geweest. Voeg daarbij
+het zoo dikwerf geweld aangedane geweten, de gedwongen roeping
+voor het klooster, het feodaalwezen steunende op het klooster, het
+eerstgeboorterecht, dat het te veel der familie aan het klooster
+overgaf, de wreedheden, waarvan wij gesproken hebben, de in pace, de
+gesloten monden, het inmetselen, zoovele ongelukkigen in den kerker
+der eeuwige geloften geworpen, de aanneming van het kloostergewaad,
+de begraving van levende zielen! Voeg hierbij, al naar den trap van
+verlaging der natiën, de persoonlijke straffen, en wie ge zijn moogt,
+ieder zal beven voor de pij en den sluier, voor deze twee lijkdoeken
+van menschelijke uitvinding.
+
+Evenwel, in weerwil der wijsbegeerte, in weerwil van den vooruitgang,
+blijft op enkele punten, en in zekere oorden de kloostergeest nog
+in 't midden der negentiende eeuw volharden, en een zonderlinge
+verlevendiging van het ascétisme verbaast thans de beschaafde
+wereld. De halsstarrigheid der verouderde instellingen om te blijven
+bestaan gelijkt de ransig geworden pommade, die ons haar met geweld
+welriekend wil maken, de eisch van den bedorven visch, die gegeten wil
+worden, van het kinderkleed dat den volwassen man zou willen dekken, en
+de liefde der lijken die zouden wederkomen om de levenden te omhelzen.
+
+Ondankbaren! zegt de kleeding. Ik heb u in 't slechte weder
+beschermd. Waarom wilt ge mij niet meer? Ik kom uit de verre zee,
+zegt de visch. Ik ben roos geweest, zegt de pommade. Ik heb u bemind,
+zegt het lijk. Ik heb u beschaafd, zegt het klooster.
+
+Hierop slechts dit antwoord: Voorheen!
+
+'t Schijnt zonderling, wanneer men aan den onbepaalden duur van
+gestorven dingen en van menschelijke heerschappij door inbalseming
+gelooft; wanneer men de bouwvallige leerstukken herstelt, de
+straalkransen opnieuw verguldt, de kloostermuren wit, de reliquikasten
+opnieuw wijdt, het bijgeloof versterkt, het fanatisme aanvuurt,
+nieuwe stelen en handvatsels aan wijwaterskwasten en sabels maakt,
+het kloosterdom en de militaire oppermacht weder opricht, wanneer
+men aan het heil der maatschappij gelooft door de woekerplanten te
+vermeerderen, en het verledene aan het tegenwoordige opdringt. En
+echter zijn er voorstanders dezer theorieën. Deze theoretici,
+overigens schrandere lieden, handelen zeer eenvoudig; zij leggen
+op het verledene een vernis, 't welk zij maatschappelijke orde,
+goddelijk recht, zedelijkheid, familie, eerbied voor de voorouders,
+oud gezag, heilige overleveringen, legitimiteit, godsdienst noemen,
+en zij roepen: Ziet! neemt dit, goede lieden!--Deze logica kenden
+reeds de ouden. De wichelaars gebruikten ze. Zij bestreken een zwarte
+vaars met krijt en zeiden: zij is wit. Bos cretatus.
+
+Wat ons aangaat, wij eerbiedigen het een en ander van--en sparen
+geheel--het verledene, mits het zich tevreden houdt dood te zijn. Zoo
+het levend wil zijn, vallen wij het aan en trachten het dan te dooden.
+
+Bijgeloof, bigotterie, kwezelarij, vooroordeel, deze spooksels,
+hoewel zij spooksels zijn, hebben een taai leven, zij hebben tanden
+en nagels; men moet ze een voor een aangrijpen en verstikken, hen
+bestrijden en onvermoeid bestrijden; want 't is het lot des menschen
+eeuwig in strijd met spookbeelden te zijn. Een schim is moeielijk
+bij de keel te grijpen en neder te werpen.
+
+Een klooster in Frankrijk in den vollen middag der negentiende eeuw is
+een uilennest, dat het daglicht durft tarten. Een ascetisch klooster,
+dat in het midden der stad van 89, van 1830 en van 1848, Rome in Parijs
+doet bloeien, is een anachronisme. In gewone tijden behoeft men,
+om een anachronisme op te lossen en te doen verdwijnen, het slechts
+het jaartal voor te spellen. Maar wij leven in geen gewonen tijd.
+
+Laat ons strijden!
+
+Laat ons strijden, maar met verstand. De waarheid heeft het
+eigenaardige, dat zij nooit buitensporig is. Waarom zou zij
+overdrijven? Er zijn dingen die vernietigd, er zijn andere dingen
+die eenvoudig toegelicht en beschouwd moeten worden. Welk een kracht
+heeft een welwillend, ernstig onderzoek!
+
+Brengen wij geen vlam dáár waar het licht voldoende is.
+
+In de negentiende eeuw zijn wij dus over 't algemeen, bij alle volken,
+in Azië evenals in Europa, in Indië evenals in Turkije, tegen de
+kloosters en het ascetisme. De kloosters gelijken moerassen. Hun
+overgang tot bederf is duidelijk, hun stilstand is ongezond; hun
+gisting maakt de volken koortsig en verzwakt ze; hun vermenigvuldiging
+wordt een egyptische plaag. Niet zonder huivering kunnen wij aan
+die landen denken, waar het van fakirs, bonzen, santons, caloyers,
+marabouts, talapoins en dervischen als van ongedierte wemelt.
+
+Er blijft dus de godsdienstige vraag over. Deze vraag heeft
+verschillende geheimzinnige, schier vreeselijke zijden: het zij ons
+vergund ze nader te beschouwen.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HET KLOOSTER UIT HET GEZICHTSPUNT VAN BEGINSELEN.
+
+
+Menschen vereenigen zich en wonen gemeenschappelijk. Volgens welk
+recht? Volgens het recht van vereeniging.
+
+Zij sluiten zich op. Volgens welk recht? Volgens het recht dat ieder
+mensch heeft om zijn deur te sluiten of te openen.
+
+Zij gaan niet uit. Volgens welk recht? Volgens het recht van te
+gaan en te zijn, naar verkiezing; 't welk het recht van te huis te
+blijven insluit.
+
+Te huis, wat doen zij dáár?
+
+Zij spreken zacht; slaan de oogen neder; werken. Zij verzaken de
+wereld, de steden, het zingenot, de vermaken, de ijdelheden, den
+hoogmoed, het eigenbelang. Zij zijn in grof linnen of in grove wol
+gekleed. Niemand hunner bezit iets in eigendom. Bij zijn intrede maakt
+hij die rijk was zich arm. Wat hij bezit, geeft hij aan allen. Hij die,
+zooals men 't heet, van adel, edelman en heer was, is de gelijke van
+hem, die boer was. De cel is voor allen dezelfde. Allen ondergaan
+dezelfde kruinschering, dragen dezelfde pij, eten hetzelfde zwarte
+brood, slapen op hetzelfde stroo, sterven op dezelfde asch. Zij dragen
+denzelfden zak op den rug, hetzelfde koord om de lendenen. Zoo men
+overeengekomen is barvoets te gaan, gaan allen barvoets. Is er een
+prins, die prins is dezelfde schim als de anderen. Geen titels. Zelfs
+de familienamen zijn verdwenen. Zij hebben slechts voornamen. Allen
+gaan gebogen onder de gelijkheid der doopnamen. Zij hebben de
+vleeschelijke familie ontbonden en in hun gemeenschap de geestelijke
+familie aangenomen. Zij hebben geen andere verwanten meer dan alle
+menschen. Zij helpen de armen, verplegen de kranken. Zij verkiezen hen,
+wien zij gehoorzamen. De een zegt tot den ander "mijn broeder."
+
+Valt mij niet in de rede met de woorden: "dit is een denkbeeldig
+klooster!"
+
+'t Is voldoende dat het een mogelijk klooster zij, om 't in aanmerking
+te nemen.
+
+'t Is ook om die reden, dat ik in 't voorgaande boek op eerbiedige
+wijze van een klooster gesproken heb. De middeleeuwen en Azië er buiten
+gelaten, en met voorbehoud der historische en politieke kwestie,
+beschouw ik, uit een zuiver, wijsgeerig oogpunt, de kloosterlijke
+samenleving, mits zij volkomen vrijwillig gekozen wordt, steeds met een
+gevoel van belangstelling en in sommige opzichten, van eerbied. Waar
+de gemeenschap is, is de gemeente, waar de gemeente is, is het
+recht. Het kloosterleven is de uitkomst der woorden: gelijkheid,
+broederschap! O, hoe grootsch is de vrijheid; welke schitterende
+herscheppingen bewerkt zij. De vrijheid is machtig om het klooster
+in een republiek te herscheppen.
+
+Gaan wij verder.
+
+Maar deze mannen, of deze vrouwen, de achter deze vier muren zittenden,
+kleeden zich in grove wol, allen zijn gelijk, zij noemen elkander
+broeders en zusters. Goed; maar doen zij nog iets anders?
+
+Ja.
+
+Wat?
+
+Zij beschouwen de duisternis, zij knielen, en vouwen de handen samen.
+
+Wat beteekent dat?
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+HET GEBED.
+
+
+Zij bidden.
+
+Tot wien?
+
+Tot God.
+
+Wat beteekent, tot God bidden?
+
+Bestaat een oneindige buiten ons? Is dat oneindige één, blijvend,
+eeuwig, noodzakelijk zelfstandig, wijl het oneindig is, en begrensd
+moest zijn, zoo het het stoffelijke miste; noodzakelijk intelligent,
+wijl het oneindig is, en het eindigen zou zoo het de intelligentie
+miste. Wekt dit oneindige in ons het denkbeeld van uitvloeisel,
+terwijl wij ons zelven slechts het denkbeeld van bestaan kunnen
+toeschrijven? Met andere woorden, is het niet het volstrekte, waarvan
+wij het betrekkelijke zijn.
+
+Is nu niet een oneindig in ons, evenals een oneindig buiten
+ons is? Plaatsen zich deze twee oneindigen (welk een ontzettend
+meervoud?) niet het een boven het ander. Is het tweede oneindige,
+om zoo te spreken, niet aan het eerste onderworpen? is het er de
+spiegel, de weerkaatsing, de echo niet van, een afgrond in een anderen
+afgrond? Is ook dat tweede oneindige intelligent? Denkt het, bemint
+het, heeft het een wil? Zoo de twee oneindigen intelligent zijn,
+heeft ook ieder hunner een wil, en in het oneindige boven is een
+"ik", evenals in 't oneindige beneden. Het ik beneden is de ziel;
+het ik boven is God.
+
+Bidden is nu: door de gedachten het oneindige beneden met het oneindige
+boven in aanraking brengen.
+
+Ontnemen wij den menschelijken geest niets; ontnemen deugt niet. Men
+moet hervormen en herscheppen. Sommige geestvermogens van den mensch
+zijn naar het onbekende gericht; de gedachte, de bespiegeling,
+het gebed. Het onbekende is een oceaan. Wat is het geweten? 't
+Is het kompas in het onbekende. Gedachte, bespiegeling, gebed zijn
+geheimzinnige stralen. Eerbiedigen wij ze. Waarheen gaan deze verhevene
+stralen der ziel? naar het duister; of liever gezegd naar het licht.
+
+De grootheid der democratie bestaat in niets van de menschheid te
+loochenen en niets te verloochenen. Naast het recht van den mensch,
+staat, ten minste even hoog, het recht der ziel.
+
+De wet is het fanatisme te vernietigen, en het oneindige te
+vereeren. Bepalen wij er ons niet bij, voor den boom "schepping"
+te knielen en zijn groote gesternde takken te aanschouwen. 't
+Is onze plicht aan de menschelijke ziel te arbeiden, het geheim
+tegen het wonder te beschermen, het onbegrijpelijke te aanbidden,
+het bespottelijke te verwerpen, slechts van het onverklaarbare het
+noodzakelijke toe te staan, het geloof te veredelen, den godsdienst
+van bijgeloovigheden te zuiveren; van God een helder begrip te vormen.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HET VOLSTREKT NUT VAN HET GEBED.
+
+
+Wat de wijze van bidden betreft; iedere wijze is goed, zoo zij slechts
+oprecht zij. Men draaie het boek om, en is toch in het oneindige.
+
+Er is een wijsbegeerte, wij weten het, die het oneindige loochent. Er
+is ook een ziekelijke filosofie, die de zon loochent; deze filosofie
+heet blindheid.
+
+Van een zintuig, dat ons ontbreekt, de bron der waarheid te maken,
+is als de overtuiging van den blinde. Merkwaardig is die hoogmoedige,
+aanmatigende, en medelijdende houding, welke deze in 't blinde tastende
+filosofie tegenover de wijsbegeerte aanneemt, die God ziet. Men meent
+een mol te hooren roepen: Hoe kunnen zij zoo dwaas zijn, aan een zon
+te gelooven?
+
+Er zijn, wij erkennen het, beroemde, geleerde Atheïsten. Maar deze,
+die hun eigen macht alleen tot de waarheid voert, zijn in den grond
+zelf niet zeker of zij wel Atheïsten zijn; 't is voor hen niet veel
+meer dan een punt van definitie; in allen gevalle, gelooven zij niet
+aan God, als groote geesten bewijzen zij het bestaan van God.
+
+Hen begroeten wij als wijsgeeren, hoewel wij onverbiddelijk hun
+filosofie veroordeelen.
+
+Verder:
+
+'t Is verwonderlijk hoe gemakkelijk men zich met woorden kan tevreden
+stellen. Een noordsche, bovennatuurkundige, min of meer nevelachtige
+school, heeft gemeend in het menschelijk verstand een omwenteling te
+bewerken, door voor het woord "kracht" het woord "wil" te stellen.
+
+Te zeggen: de plant wil; in plaats van: de plant groeit; 't
+zou inderdaad vrucht dragen, zoo men er bij voegde: de wereld
+wil. Waarom? wijl er dit uit zou volgen: de plant wil, zij heeft dus
+een ik; de wereld wil, zij heeft dus een God.
+
+Voor ons evenwel, die in tegenoverstelling met deze school, niets
+à priori verwerpen, schijnt een wil in de plant, door deze school
+geleerd, moeielijker aan te nemen, dan een wil in de wereld, dien
+zij loochent.
+
+Den wil van het oneindige, dat is van God, te loochenen, kan niet
+geschieden zonder het oneindige te loochenen. Wij hebben het bewezen.
+
+De loochening van het oneindige voert regelrecht naar het
+"nihilisme." Alles wordt "een begrip des geestes."
+
+Met het nihilisme is geen discussie mogelijk. Want de logische nihilist
+twijfelt dat zijn tegenpartij bestaat, en is zelfs niet eens zeker
+of hij zelf wel bestaat.
+
+Uit zijn gezichtspunt is het mogelijk, dat hij voor zich zelven niets
+anders zij dan "een begrip van zijn geest."
+
+Intusschen ziet hij niet, dat hij al het door hem geloochende in zijn
+geheel toestaat, alleen door het woord "geest" te noemen. Kortom,
+een filosofie die alles op het woordje "neen" laat uitloopen, laat
+geen weg voor de gedachte open.
+
+Voor neen, is slechts een antwoord: ja.
+
+Het nihilisme heeft geen gevolg.
+
+Er is geen niet. Nul bestaat niet. Alles is iets. Niets is niets.
+
+De mensch leeft meer nog van overtuiging dan van brood.
+
+'t Is niet voldoende te zien en te bewijzen. De wijsbegeerte moet
+kracht hebben, en de verbetering van den mensch haar doel en streven
+wezen. Socrates moet in Adam dringen en Marcus Aurelius voortbrengen;
+met andere woorden, uit den gelukkigen mensch den wijzen mensch
+tevoorschijn brengen; het Paradijs in een school veranderen. De
+wetenschap moet een versterking des harten zijn. Genieten! Welk een
+treurig doel en nietige eerzucht. Het dier geniet. Denken is de ware
+triumf der ziel. De gedachte naar den dorst der menschen te richten,
+aan allen de kennis Gods in te geven, onder hen het geweten en de
+wetenschap te verbroederen, hen door deze geheimzinnige verbroedering
+rechtvaardig te maken, ziedaar de taak der ware wijsbegeerte. De moraal
+is een ontluiking van waarheden. Beschouwing voert tot handelen. Het
+positieve moet practisch zijn. Het ideale moet voor den menschelijken
+geest adembaar, drinkbaar en eetbaar zijn. Het ideale heeft het recht
+te zeggen: "Neem, dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed." De wijsheid
+is een heilige gemeenschap. Op deze voorwaarde houdt zij op, een dorre
+liefde voor de wetenschap te zijn, om de eenige, oppermachtige wijze
+der menschelijke verbroedering en van wijsbegeerte tot godsdienst
+bevorderd te worden.
+
+De wijsbegeerte moet geen rustplaats zijn voor het geheimzinnige,
+om het op zijn gemak te kunnen beschouwen, zonder andere vrucht dan
+de nieuwsgierigheid te bevredigen.
+
+Terwijl wij echter de ontwikkeling onzer gedachte tot een andere
+gelegenheid uitstellen, bepalen wij ons bij de opmerking, dat wij den
+mensch noch als uitgangspunt, noch den vooruitgang als doel begrijpen,
+zonder deze twee drijfveeren: gelooven en beminnen.
+
+De vooruitgang is het doel, het ideaal is de type.
+
+Wat is het ideaal? God!
+
+Het ideaal, het volstrekte, het volmaakte, het oneindige;--zijn alle
+woorden van dezelfde beteekenis.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+VOORZORGEN TEGEN BERISPING.
+
+
+De geschiedenis en de wijsbegeerte hebben eeuwige plichten, die tevens
+eenvoudige plichten zijn; Cajaphas als bisschop, Draco als rechter,
+Trimalcion als wetgever, Tiberius als keizer te bestrijden, is klaar
+en duidelijk, zonder eenige duisternis. Maar het recht om afgezonderd
+te leven, zelfs met zijn bezwaren en misbruiken, wil bevestigd en
+vergund zijn.
+
+Wanneer men van de kloosters spreekt, van deze plaatsen van dwaling
+of onnoozelheid, van verbijstering of goeden wil, van onwetendheid of
+zelfopoffering, van straf of martelaarschap, moet men schier altijd
+ja en neen, beide, zeggen.
+
+Een klooster is een tegenstrijdigheid. Als doel, de zaligheid; als
+middel, de opoffering. Het klooster is de verhevenste zelfzucht,
+die tot de verhevenste zelfverloochening voert.
+
+Afstand te doen om te heerschen, schijnt de leus van het kloosterwezen
+te zijn.
+
+In het klooster lijdt men om te genieten. Men trekt een wissel op
+de eeuwigheid. Men disconteert voor aardsche duisternis hemelsch
+licht. In het klooster wordt bij voorbaat de hel aangenomen, om den
+hemel te erven.
+
+Het nemen van den sluier of de pij is een zelfmoord, die met de
+eeuwigheid wordt beloond.
+
+Wij meenen, dat bij zulk een onderwerp geen scherts te pas komt. Alles
+is er ernstig, zoowel het goede als het kwade.
+
+De weldenkende fronst de wenkbrauwen, maar glimlacht niet
+boosaardig. Wij begrijpen den tegenstand, niet de kwaadwilligheid.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+GELOOF, WET.
+
+
+Nog eenige woorden.
+
+Wij laken de kerk, wanneer zij van kuiperijen vervuld is; wij verachten
+het geestelijke, dat op het wereldlijke aast; maar alom eeren wij
+den denkenden mensch.
+
+Wij buigen ons voor ieder die knielt.
+
+Een geloof is voor den mensch noodzakelijk. Wee hem die niets gelooft!
+
+Men is niet werkeloos als men zich in zijn gedachten verdiept. Er is
+een zichtbare en een onzichtbare arbeid.
+
+Beschouwen is ploegen; denken is handelen. De over elkander geslagen
+armen, de saamgevouwen handen doen iets. Ook de ten hemel gerichte
+blik is een werk.
+
+Thales bleef vier jaren onbewegelijk. Hij vestigde de wijsbegeerte.
+
+Voor ons zijn de kloosterlingen geen lediggangers, en de eenzamen
+geen luiaards.
+
+Over de duisternis te denken is iets zeer ernstigs.
+
+Zonder iets van 't geen wij gezegd hebben terug te nemen,
+gelooven wij, dat het den levenden betaamt gestadig aan het graf te
+denken. Hieromtrent zijn priester en wijsgeer het eens. "Men moet
+sterven." De abt van la Trappe is eenstemmig met Horatius.
+
+Iets van het graf in zijn leven te mengen is de wet van den wijze;
+'t is de wet van den asceet. Beiden ontmoeten elkander hierin.
+
+Er is stoffelijke wasdom; dezen willen wij. Er is ook zedelijke
+grootheid; haar vereeren wij.
+
+Onbedachtzame en oppervlakkige geesten vragen:
+
+"Waartoe deze beweginglooze figuren naast het geheimzinnige? Waartoe
+dienen zij? Wat doen zij?"
+
+Helaas, in de duisternis die ons omgeeft en ons wacht, niet wetende
+wat de onmetelijke verspreiding van ons maken zal, antwoorden wij:
+"Er is misschien niets verhevener dan 't geen deze zielen doen." En
+wij voegen er bij: "Er is misschien niets nuttiger."
+
+Zij die altijd bidden, bidden mede voor hen, die nooit bidden.
+
+Voor ons komt alles op de gedachten aan, die zich aan het gebed paren.
+
+'t Is grootsch als Leibnitz bidt; 't is schoon als Voltaire
+aanbidt. Deo exerit Voltaire.
+
+Wij zijn vóór den godsdienst, tegen de godsdiensten.
+
+Wij behooren tot hen die aan de armzaligheid der formuliergebeden,
+en aan de verhevenheid van het gebed gelooven.
+
+In de tegenwoordige minuut, overigens, die gelukkig aan de negentiende
+eeuw haar gestalte niet zal achterlaten; in dit uur, nu zoo velen
+het hoofd laag en de ziel niet hoog hebben; onder zoovelen wier
+zedenleer genieten heet, en die zich slechts met het kortstondige,
+wanstaltige, stoffelijke bezighouden,--schijnt ons ieder eerwaardig,
+die zich zelven verbant. Dit klooster is een verloochening. Het offer,
+het moge verkeerd gebracht zijn, is evenwel een offer. 't Is grootsch,
+een strenge dwaling als plicht te beschouwen.
+
+Op zich zelf en als ideaal beschouwd, en om de waarheid door een
+onpartijdig onderzoek van al de zienswijzen te ontdekken, heeft het
+klooster--bovenal het vrouwenklooster--want in onze maatschappij
+lijdt de vrouw het meest, en in de ballingschap des kloosters ligt
+een protest--onbetwistbaar iets majestueus.
+
+Dit zoo streng en treurig kloosterlijk leven, waarvan wij eenige
+trekken hebben geschetst, is geen leven, want 't is geen vrijheid;
+'t is geen graf, want 't is niet de voleindiging des levens; 't is
+het zonderling oord, waar men, als van den top eens hoogen bergs,
+aan den eenen kant de diepte ziet waar wij zijn, aan den anderen kant
+de diepte waar wij komen zullen; 't is een enge, nevelachtige grens,
+die twee werelden scheidt, en te gelijker tijd door beide verlicht
+en verduisterd wordt; waar de verflauwde straal des levens met de
+schemerende straal des doods samensmelt; 't is de flikkering van
+het graf.
+
+Wij, die niet gelooven wat deze vrouwen gelooven, doch evenals zij in
+het geloof leven, nooit hebben wij, zonder een soort van godsdienstige,
+teedere huivering, zonder een soort van bewonderend medelijden, deze
+nederige en verheven zielen aanschouwd, welke zelfs op den rand dezer
+geheimenis durven leven, wachtende tusschen de wereld, die gesloten,
+en den hemel, die niet geopend is, gekeerd naar het licht, dat men
+niet ziet, slechts gelukkig in de meening te weten waar het is, naar
+den afgrond en het onbekende strevende, met het oog op de strakke
+duisternis gericht, geknield, bewogen, verstommend, bevend en in
+sommige oogenblikken door de diepe ademtocht der eeuwigheid opgeheven.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VIII.
+
+DE KERKHOVEN NEMEN WAT MEN ZE GEEFT.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HOE MEN IN HET KLOOSTER KOMT.
+
+
+'t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals Fauchelevent had gezegd
+"uit den hemel was gevallen."
+
+Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau
+vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord,
+was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij
+in een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte,
+welke hij uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die
+de gebeden ter verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank
+hem zoo verbaasd had, was de schel, aan de knie van den tuinman,
+den ouden Fauchelevent, gehecht.
+
+Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent,
+gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas
+met brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette
+in het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo
+te slapen gelegd. Vóór hij de oogen sloot, had Jean Valjean gezegd:
+"dus moet ik nu hier blijven."--Deze woorden hadden den ganschen
+nacht Fauchelevent door 't hoofd gewoeld.
+
+Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.
+
+Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was,
+begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder
+ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in
+het klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan
+er te blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster
+tevens de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er
+mocht binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo
+men hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis
+zijn gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hij er blijven mocht,
+wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te bewonen was redding.
+
+Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij
+bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond
+Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? 't Is moeielijk, over
+kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een kind in
+de armen is 't onmogelijk over een steilen muur te stijgen. Wie was dat
+kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent in het klooster was,
+had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist niets van 't geen
+daar gebeurd was. Vader Madeleine had een gezicht, dat van vragen
+afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent: Heiligen neemt men niet
+in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog denzelfden indruk
+van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean ontsnapte woorden,
+meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine, waarschijnlijk
+ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt en door zijn
+schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke zaak was
+betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent niet
+mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk,
+in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen,
+het klooster tot wijkplaats genomen, en 't was natuurlijk dat hij
+er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen
+en waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met
+het meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde,
+sprak hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in
+Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort
+in zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft
+mij het leven gered.
+
+Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit nemen.
+
+Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er
+bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest
+kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.
+
+Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik
+hem redden na 't geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief
+ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook
+dan. Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.
+
+Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch
+Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige
+taak. Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had
+dan zijn dankbaarheid, zijn goeden wil en een weinig van die oude
+boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk
+gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten
+van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was
+een oud man, die zijn leven lang egoïst was geweest en aan 't einde
+zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de wereld meer
+stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep dankbaar
+te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te verrichten, er
+naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te sterven, in zijn
+bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd had, vond en
+dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht, welke hij
+reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het persoonlijke
+in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk voor hem
+had gemaakt.
+
+Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij
+hebben hem een "armen Picardischen boer" genoemd. Deze benaming
+is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis, waar wij
+thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een weinig nader
+leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver geweest; 't
+geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn natuurlijkheid
+scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende oorzaken,
+tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van gerechtsschrijver
+voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in weerwil der vloeken
+en zweepslagen, welke, naar 't schijnt, de paarden noodig hebben, was
+er iets van den gerechtsschrijver in hem achtergebleven. Hij was niet
+zonder gezond verstand, spraakzaam, iets zeldzaams bij de landlieden,
+en de boeren zeiden van hem: hij praat als een advocaat. Fauchelevent
+was zoo wat half stedeling, half boer, en hoewel door het lot zwaar
+beproefd en versleten, als een kaal geworden oude ziel, was hij een
+vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een kostbare hoedanigheid,
+die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken en ondeugden, want
+hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom zijn gezicht
+was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht had geen
+dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die slechtheid of
+domheid aanduiden.
+
+Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht,
+opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten
+en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten
+halve op en zeide:
+
+"Nu ge hier zijt, hoe zult ge 't maken om er weer uit te komen?"
+
+Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean
+uit zijn gepeins.
+
+Beide mannen raadpleegden.
+
+"Vooreerst," zei Fauchelevent, "moet ge beginnen den voet niet buiten
+deze kamer te zetten; evenmin het meisje. Eén voetstap in den tuin
+en wij zijn gesnapt."
+
+"'t Is waar."
+
+"Ge zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer Madeleine,"
+hernam Fauchelevent, "ik wil zeggen een zeer slecht, want eene
+der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet veel naar onze zijde
+zien. 't Schijnt dat zij op sterven ligt, want men leest de gebeden van
+veertig uren. Het geheele klooster is op de been. 't Geeft drukte. Zij
+die ligt te sterven is een halve heilige. Wij zijn trouwens hier allen
+bijna heiligen; tusschen mij en de nonnen is slechts dit onderscheid,
+dat zij zeggen: onze cel, en dat ik zeg: mijn hok. De gebeden voor
+de stervenden zullen worden opgezegd, en daarna de gebeden voor de
+overledenen. Voor heden zijn wij alzoo gerust, maar voor morgen kan
+ik niet instaan."
+
+"Maar," merkte Jean Valjean op, "het huisje staat tegen den muur
+en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor en men kan
+'t van uit het klooster niet zien."
+
+"En de nonnen komen nooit hier," voeg ik er bij.
+
+"Welnu?" riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te kennen geven,
+dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven; maar Fauchelevent
+antwoordde:
+
+"Ja, maar de meisjes!"
+
+"Welke meisjes?" vroeg Jean Valjean.
+
+Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij gezegd
+had, hoorde men één slag van de klok.
+
+"De non is dood!" zeide hij, "'t is de doodsklok."
+
+En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.
+
+De klok werd weder gehoord.
+
+"'t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier en twintig
+uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de klok elke
+minuut geklept worden.--Maar als zij spelen! in de speeluren behoeft
+een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het verbod, komen ze
+dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen. 't Zijn duiveltjes,
+die cherubijntjes."
+
+"Wie?" vroeg Jean Valjean.
+
+"De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij
+zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen
+gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij
+hoort de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. 't Is
+de doodsklok."
+
+"Nu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn pensionnairen."
+
+En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds
+gevonden zijn.
+
+Fauchelevent hernam:
+
+"Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen en dan
+wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet wel,
+dat men mij een bel aan 't been heeft gebonden, als aan een wild dier."
+
+Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten verzonken.--"Dit
+klooster zou ons kunnen redden," prevelde hij. En luid zeide hij:
+
+"Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te blijven."
+
+"Neen," zei Fauchelevent, "'t is om hier uit te komen."
+
+Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.
+
+"Hier uit te komen!"
+
+"Ja, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst hier
+uitgaan."
+
+Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:
+
+"Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij valt ge
+uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het noodzakelijk,
+dat men door de deur binnenkomt."
+
+Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. "Ha!" zei Fauchelevent,
+"men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene overleden is
+vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken van den dag
+gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet denzelfden
+weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit niet, om te
+weten hoe ge zijt binnengekomen."
+
+Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van
+in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit
+een bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad
+te ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor,
+dat de politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden
+en vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten,
+en dat Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.
+
+"Onmogelijk!" zeide hij. "Houd het er voor, dat ik van boven ben
+gevallen."
+
+"Ik geloof het," hernam Fauchelevent. "Ge behoeft het mij niet te
+zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u van nabij te
+bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij vergissing in
+een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt den portier,
+die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode is, opdat
+de lijkarts ze kome schouwen. Dat alles behoort tot de plechtigheid
+van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke bezoeken niet
+gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht den sluier
+op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer spoedig! wat
+kan er gebeurd zijn?--Uw kleine slaapt nog altijd. Hoe heet zij?"
+
+"Cosette."
+
+"Is zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader zijn?"
+
+"Ja."
+
+"'t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er is een deur
+die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb mijn
+draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. 't Is zeer
+natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge moet
+het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel
+verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin
+te huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof
+is en een bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in 't oor schreeuwen,
+dat 't een nichtje van mij is en zij 't tot morgen moet bewaren. Dan
+keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier binnen. Dat
+moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?"
+
+Jean Valjean schudde het hoofd.
+
+"Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader
+Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette,
+in een overdekte draagkorf hieruit te brengen."
+
+Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn
+linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.
+
+Een derde gelui gaf een afleiding.
+
+"De lijkarts vertrekt," zei Fauchelevent. "Hij heeft geschouwd en
+gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas voor den hemel
+heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door de moeders
+in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna spijker ik de
+kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een tuinier is half en
+half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een beneden-vertrek
+bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de lijkarts mag
+binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen gerekend. In dat
+vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze halen en in
+galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige kist, en
+gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis. De profundis!"
+
+Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond half
+geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean Valjean
+aanschouwde haar weder en luisterde niet meer naar Fauchelevent. Niet
+gehoord te worden is geen reden om te zwijgen. De oude tuinier ging
+bedaard met zijn gepraat voort:
+
+"Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt dat dit
+kerkhof zal worden afgeschaft. 't Is een oud kerkhof, dat buiten den
+regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen. 't Is jammer,
+want 't is gemakkelijk. Een vriend van mij, de oude Mestienne, is er
+doodgraver. De nonnen hier hebben het voorrecht bij het vallen van den
+avond naar dat kerkhof gedragen te mogen worden. Een besluit van den
+prefect van politie zegt het bepaald. Maar wat is hier sedert gisteren
+al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is dood, en vader Madeleine...."
+
+"Is begraven," zei Jean Valjean treurig glimlachend.
+
+Fauchelevent herhaalde het woord.
+
+"Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou 't een wezenlijke
+begrafenis zijn."
+
+Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk
+met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.
+
+"Nu is 't mijn beurt. De moeder priorin roept mij. Drommels, daar prik
+ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier, mijnheer Madeleine,
+en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood en kaas, zoo ge
+honger hebt."
+
+Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!
+
+Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn
+krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen ziende.
+
+In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de nonnen
+op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte stem
+antwoordde: "In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid," dat wil zeggen,
+"binnen."
+
+Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den
+tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het
+kapittel gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel
+in het spreekvertrek, wachtte Fauchelevent.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+FAUCHELEVENT TEGENOVER EEN BEZWAAR.
+
+
+Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat is in gewichtige
+omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige standen eigen,
+bijzonder aan priesters en religieusen. Toen Fauchelevent binnentrad,
+vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het gelaat der priorin,
+de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke jonkvrouwe de Blemeur,
+moeder Innocentia.
+
+De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel
+staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers
+liet glijden, hief de oogen op en zeide:
+
+"Ha, zijt gij 't, vader Fauvent?"
+
+Men had zijn naam in 't klooster zoo verkort.
+
+Fauchelevent boog nogmaals.
+
+"Ik heb u doen roepen, vader Fauvent."
+
+"Ik ben hier, eerwaardige moeder."
+
+"Ik heb u iets te zeggen."
+
+"Ook ik," zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die hem inwendig
+deed beven, "heb iets aan de hoogeerwaardige moeder te zeggen."
+
+De priorin staarde hem aan.
+
+"Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?"
+
+"Een verzoek."
+
+"Nu, spreek."
+
+De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde
+tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn
+te brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht
+er zich niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer
+dan twee jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er
+gelukkig geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk
+bezig houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar
+hij zich op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande
+vrouwen moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan
+zijn oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen
+met vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was
+als een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens
+gehoor des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het
+verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,
+zwijgend klooster niets verborgens voor hem; deze sphynx fluisterde
+hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die alles wist, hield
+zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het geheele klooster
+hield hem voor dom. Een groote verdienste in het godsdienstige. De
+kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent. Hij was een stomme
+nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij was hij ordelijk
+en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den boomgaard en
+den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen leefwijze
+werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen doen
+praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van
+het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die
+hem met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij
+nopens deze nonnen tweeërlei opheldering had, de eene over het leven,
+de andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De
+congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel,
+tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk
+te vervangen geweest.
+
+Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de
+eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige
+toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken,
+over den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den
+zwaarder wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het
+nachtwaken, als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de
+maan de meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er
+eindelijk op neerkwam, dat hij een broeder had--(de priorin maakte
+een beweging)--een bejaarde broeder,--(tweede beweging der priorin,
+maar weer gerustgesteld)--dat, zoo men dit vergunde, die broeder bij
+hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier was,
+dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van
+hem, spreker, zelf;--dat hij anders oud, zwak en niet meer in staat
+voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou wezen
+zijn ontslag te verzoeken;--dat zijn broeder een dochtertje had,
+'t welk hij meê zou brengen en in het huis godvruchtig zou kunnen
+worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non worden.
+
+Toen hij zijn rede geëindigd had, hield de priorin op, de kralen van
+haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en zeide:
+
+"Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te bezorgen?"
+
+"Waartoe?"
+
+"Om tot hefboom te dienen."
+
+"Ja, eerwaardige moeder," antwoordde Fauchelevent.
+
+Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de
+belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de
+kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent
+bleef alleen.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+MOEDER INNOCENTIA.
+
+
+Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam terug en zette
+zich op den stoel.
+
+Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten
+bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen
+beiden mede:
+
+"Vader Fauvent?"
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"Gij kent de kapel?"
+
+"Ik heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te hooren."
+
+"En zijt ge wel eens wegens bezigheden in 't koor geweest?"
+
+"Twee of drie malen."
+
+"Er moet een steen worden opgeheven."
+
+"Een zwaren?"
+
+"De zerk naast het altaar."
+
+"De zerk die het gewelf sluit?"
+
+"Ja."
+
+"Daarvoor zouden twee mannen noodig zijn."
+
+"Moeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u helpen."
+
+"Een vrouw is nooit een man."
+
+"Wij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat hij
+kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417 brieven
+van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367."
+
+"Ik evenmin."
+
+"De verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten werkt. Een
+klooster is geen timmerwerf."
+
+"En een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer sterk!"
+
+"En gij kunt een hefboom krijgen?"
+
+"Dit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren past."
+
+"In den steen is een ring."
+
+"Ik zal den hefboom er door steken."
+
+"De steen is zoo ingericht, dat hij draait."
+
+"Goed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf openen."
+
+"En de vier koormoeders zullen u helpen."
+
+"En als het gewelf open is?"
+
+"Moet het weder gesloten worden."
+
+"Is dat alles?"
+
+"Neen."
+
+"Geef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder."
+
+"Wij stellen vertrouwen in u, Fauvent."
+
+"Ik ben hier om alles te doen."
+
+"En om te zwijgen."
+
+"Gewis, eerwaardige moeder."
+
+"Als het gewelf open is..."
+
+"Zal ik het weder sluiten."
+
+"Maar eerst..."
+
+"Wat, eerwaardige moeder?"
+
+"Er moet iets in nedergelaten worden."
+
+Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling
+scheen aan te duiden, hernam de priorin:
+
+"Vader Fauvent...."
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"Ge weet dat van ochtend een moeder is overleden."
+
+"Neen."
+
+"Hebt ge dan de klok niet gehoord?"
+
+"Men hoort niets aan 't einde van den tuin."
+
+"Waarlijk?"
+
+"Ik hoor nauwelijks als ik gescheld word."
+
+"Zij is bij 't aanbreken van den dag gestorven."
+
+"Van ochtend was de wind niet naar mijn kant."
+
+"'t Is moeder Crucifixion. Een zalige."
+
+De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in
+stilte, en hernam:
+
+"Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste, bekeerd,
+alleen door moeder Crucifixion te zien bidden."
+
+"Ha ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige moeder."
+
+"De moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk gedragen."
+
+"Ik ken die kamer."
+
+"Geen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er wél voor. 't
+Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de lijkenkamer binnentreedt."
+
+"Vaker!"
+
+"Wat?"
+
+"Vaker!"
+
+"Wat zegt gij?"
+
+"Ik zeg vaker."
+
+"Vaker dan wat?"
+
+"Eerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg vaker."
+
+"Ik begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?"
+
+"Om te zeggen als gij, eerwaarde moeder."
+
+"Maar ik heb niet vaker gezegd."
+
+"Ge hebt het niet gezegd, maar ik heb 't gezegd om als gij te zeggen."
+
+Op dit oogenblik sloeg het negen uren.
+
+"Te negen ure 's morgens en ieder uur zij het allerheiligste Sacrament
+des altaars geëerd en geloofd," zei de priorin.
+
+"Amen," zei Fauchelevent.
+
+Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het "vaker." 't
+Is mogelijk dat de priorin en Fauchelevent dat kluwen nooit zouden
+ontward hebben.
+
+Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.
+
+De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed,
+en zeide toen luid:
+
+"In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na haar dood
+zal zij wonderen doen."
+
+"Zij zal ze doen;" antwoordde Fauchelevent toestemmend; en zorgende
+nu niet meer te struikelen.
+
+"Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster gezegend
+geweest. 't Is gewis niet aan ieder vergund te sterven, zooals
+kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel aan God
+te geven met de woorden: Hanc igitur oblationem. Doch zonder zulk een
+uitstekend geluk te bereiken, heeft moeder Crucifixion evenwel een
+zeer schoonen dood gehad. Tot het laatste oogenblik is zij bij haar
+kennis geweest. Zij sprak met ons, een weinig later sprak zij met de
+engelen. Zij heeft ons haar laatsten wil te kennen gegeven. Zoo gij
+een weinig meer geloof bezat en in haar cel hadt mogen wezen, zou
+zij uw been, alleen door oplegging harer handen, genezen hebben. Zij
+glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij in God herleefde. In dat
+sterven was zaligheid."
+
+Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:
+
+"Amen."
+
+"Vader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen."
+
+De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers
+glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:
+
+"Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken geraadpleegd,
+die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk wijden en
+heerlijke vruchten voortbrengen."
+
+"Eerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter dan in
+den tuin."
+
+"Zij is overigens meer dan een doode, zij is een heilige."
+
+"Gelijk gij, eerwaardige moeder."
+
+"Zij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met uitdrukkelijk
+verlof van onzen heiligen vader Pius VII."
+
+"Die kei... Buonaparte gekroond heeft."
+
+Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer
+onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten
+verdiept was, hem niet. Zij hernam:
+
+"Vader Fauvent?"
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"De heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadocië wilde dat men op
+zijn graf dit enkele woord grifte: Acarus, dat aardworm beteekent;
+'t werd gedaan. Is 't zoo niet?"
+
+"Ja, eerwaardige moeder."
+
+"De welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg worden
+begraven; 't werd gedaan."
+
+"'t Is waar."
+
+"De heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den
+Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte,
+'t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop dat
+de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men
+moet de dooden gehoorzamen."
+
+"Het zij zoo!"
+
+"Het lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij Roche-Abeille
+werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den koning
+van Kastillië, in de kerk der Dominicanen van Limoges gebracht,
+hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan men
+dit ontkennen?"
+
+"Volstrekt niet, eerwaardige moeder."
+
+"Het feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd."
+
+Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar
+vingers glijden, toen hernam de priorin:
+
+"Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de doodkist,
+waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft."
+
+"Dat is recht."
+
+"'t Is een voortzetting van den slaap."
+
+"Ik zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?"
+
+"Ja."
+
+"En wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet gebruiken?"
+
+"Zoo is het."
+
+"Ik ben ten dienste van het hoogwaardig klooster."
+
+"De vier koormoeders zullen u helpen."
+
+"Om de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet noodig."
+
+"Neen, om ze neder te laten."
+
+"Waarin?"
+
+"In het gewelf."
+
+"Welk gewelf?"
+
+"Onder het altaar."
+
+Fauchelevent ontstelde en riep:
+
+"In het gewelf onder het altaar?"
+
+"Onder het altaar."
+
+"Maar..."
+
+"Gij kunt een ijzeren stang krijgen."
+
+"Ja, maar..."
+
+"Gij licht den steen met den stang in den ring op..."
+
+"Maar..."
+
+"Men moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het altaar der
+kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar dood te
+blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch van
+moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te
+zeggen bevolen."
+
+"Maar 't is verboden."
+
+"Door de menschen verboden, door God geboden."
+
+"Zoo men het te weten kwam?"
+
+"Wij vertrouwen u."
+
+"O, ik, ik ben als een steen van uw muur."
+
+"Het kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik nogmaals
+geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat moeder
+Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons altaar
+zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens wonderen
+gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De wonderen
+komen uit de graven."
+
+"Maar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der gezondheidscommissie...."
+
+"De H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus
+Pogonat wederstaan."
+
+"Maar de commissaris van politie..."
+
+"Chonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de regeering
+van Constantijn in Gallië kwamen, heeft uitdrukkelijk het recht der
+religieusen, om onder het altaar begraven te worden, erkend."
+
+"Maar de inspecteur der prefectuur..."
+
+"De wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus, de elfde
+generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde: Stat crux
+dum volvitur orbis [8]."
+
+"Amen," zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn hoorde, zich op
+deze wijze uit de verlegenheid redde.
+
+Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang
+gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis
+verliet, met een aantal dilemma's en syllogismen, die hij in zijn
+hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij
+ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om
+hem te overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en
+te veel in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een
+woordenstroom als van een opengezette sluis:
+
+"Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn linkerzijde
+Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux. Fontaines
+in Bourgogne is gezegend, wijl 't hem heeft zien geboren worden. Zijn
+vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is met Citeaux begonnen
+om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van Champeaux, bisschop
+van Chalons-sur-Saône, werd hij tot abt gewijd; hij heeft zevenhonderd
+novicen gehad en honderd zestig kloosters gesticht. In het concilie
+van Sens in 1140 overwon hij Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede
+Henry zijn leerling, en een andere soort van scheurmakers die men
+apostolischen heette; hij bracht Arnold van Brescia tot zwijgen,
+verplette Raoul den jodendooder, beheerschte in 1148 het concilie
+van Reims, deed Gilbertus de la Porée, bisschop van Poitiers,
+Eon de l'Etoile veroordeelen, vereffende de geschillen der
+vorsten, onderwees koning Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius
+III raad, regelde de Tempelorde, preekte den kruistocht, deed
+tweehonderdvijftig mirakelen in zijn leven, en zelfs negen-en-dertig
+op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is de patriarch van Monte-Cassino;
+de tweede stichter der klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het
+Westen. Zijn orde heeft veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig
+patriarchen, zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd
+bisschoppen, vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen,
+een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden
+geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant
+St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan
+den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur
+van politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnantiën, de
+reglementen, het bestuur--kennen wij dat alles? Allen, die zien hoe men
+ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens het
+recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw gezondheidscommissie
+is een revolutionnaire uitvinding. God ondergeschikt gemaakt aan den
+commissaris van politie; zoo is de eeuw. Zwijg, Fauvent!"
+
+Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De
+priorin hernam:
+
+"Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen begraafplaats
+twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij leven in een
+tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men moet weten,
+en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd lieden die
+het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen Bernardus en
+den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een zekeren goeden
+geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen drijven hunne
+godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk XVI bij
+Christus' kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts koning. Zijn
+wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht noch onrecht
+meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den naam van
+Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en Voltaire een
+rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de Perigord, wist
+niet eens, dat Charles de Gondren--Bérulle, François Bourgoin--Gondren,
+Jean François Senault--Bourgoin, en pater Santa Marta--Jean François
+Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij
+een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar
+wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken
+gaf. Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk
+maakt, is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst
+aan. Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius,
+bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was,
+en beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat
+Martinus van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan
+een bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor
+de waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de
+blinde dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk
+een slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in
+naam der revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden,
+noch aan de dooden, schuldig is. 't Is verboden heilig te sterven. De
+begrafenis is een burgerlijke zaak. 't Is afgrijselijk! De heilige Leo
+II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan Pierre
+Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken de
+dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des
+keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van Châlons,
+verzette zich in dezelfde zaak tegen Otto, hertog van Bourgondië. De
+vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden
+wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van
+Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement
+van Bourgondië. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het
+lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij
+van Fleury, Saint-Benoît-sur-Loire geheeten, hoewel hij in Italië te
+Monte Cassino op Zaterdag, den 21en der maand Maart van het jaar 543,
+overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik verfoei de ketters, ik
+haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten, die tegenspraken
+wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion, Gabriel Bucelin,
+Trithème, Marolicus en dom Luc d'Achery."
+
+De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent zeggende:
+
+"'t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?"
+
+"'t Is overeengekomen, eerwaardige moeder."
+
+"Kan men op u rekenen?"
+
+"Ik zal gehoorzamen."
+
+"Goed."
+
+"Ik ben geheel ten dienste van het klooster."
+
+"Afgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de kapel
+dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens naar het
+klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf uren met uw
+ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding geschieden. In
+de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier koormoeders, moeder
+Ascension en gij."
+
+"En de zuster aan den paal."
+
+"Zij zal niet omzien."
+
+"Maar hooren."
+
+"Zij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is der
+wereld onbekend."
+
+Wederom een pauze. De priorin vervolgde:
+
+"Gij moet uwe schel afleggen. 't Is niet noodig dat de zuster aan
+den paal gewaar worde, dat gij er zijt."
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"Wat, vader Fauvent?"
+
+"Is de arts voor de lijkschouwing er geweest?"
+
+"Hij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den lijkarts
+geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?"
+
+"Ik let slechts op het mijne."
+
+"Dat is zeer goed, vader Fauvent."
+
+"Eerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang zijn."
+
+"Waar zult ge dien krijgen?"
+
+"Waar ijzeren traliën zijn, ontbreken geen ijzeren staven. Ik heb
+een hoop ijzerwerk achter in den tuin."
+
+"Vergeet niet, ongeveer drie kwartier vóór middernacht."
+
+"Eerwaardige moeder?"
+
+"Wat?"
+
+"Zoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo sterk
+als een Turk."
+
+"Haast u zooveel mogelijk."
+
+"Haastig zal 't niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou ik een helper
+behoeven. Ik ga kreupel."
+
+"Kreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer Hendrik
+II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op den
+pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en
+de kreupele."
+
+"Twee wijn-amen zijn beter dan een," mompelde Fauchelevent, die
+werkelijk eenigszins hardhoorend was.
+
+"Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen. Dat is niet
+te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het hoofdaltaar. De
+dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een kwartieruurs te
+voren verricht zijn."
+
+"Ik zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen. Dit
+is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren
+zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen
+er zijn. 't Ware beter twee mannen. Om 't even! ik zal mijn hefboom
+meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in nederlaten
+en 't gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen spoor van te
+zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles geregeld,
+eerwaardige moeder?"
+
+"Neen."
+
+"Wat nog?"
+
+"De ledige doodkist."
+
+Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.
+
+"Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?"
+
+"Buiten begraven."
+
+"Ledig?"
+
+Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging,
+als om een moeielijke vraag op te lossen.
+
+Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast
+de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik
+er het lijkkleed over."
+
+"Ja, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in den
+grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is."
+
+"O! dui...!" riep Fauchelevent.
+
+De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan,
+wien de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.
+
+Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.
+
+"Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. 't Zal hetzelfde
+zijn, alsof er iemand in lag."
+
+"Gij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt alzoo
+voor de ledige kist?"
+
+"Ik belast er mij mede."
+
+Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was geweest,
+verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die een mindere
+ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit wilde gaan,
+zeide de priorin met vriendelijke stem:
+
+"Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de begrafenis,
+uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje medebrengt."
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+JEAN VALJEAN HEEFT HET VOORKOMEN ALSOF HIJ AUSTIN CASTILLEJO HAD
+GELEZEN.
+
+
+De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken van éénoogigen;
+zij bereiken niet spoedig het doel. Fauchelevent was daarbij in
+groote verlegenheid. Het duurde langer dan een kwartier eer hij aan
+zijn huisje in den tuin was. Cosette was wakker. Jean Valjean had haar
+voor het vuur gezet. Juist toen Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean
+haar de draagkorf van den tuinier die aan den wand hing, zeggende:
+
+"Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten, maar
+zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man,
+die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan
+wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar,
+zoo ge niet wilt, dat vrouw Thénardier u komt terughalen, moet ge
+gehoorzamen en niet spreken!"
+
+Cosette knikte ernstig met het hoofd.
+
+Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem
+en vroeg:
+
+"Welnu?"
+
+"Alles en niets is in orde," zei Fauchelevent. "Ik heb het verlof
+u binnen te laten; maar vóór dat ik u kan binnenlaten moet ik er u
+uitbrengen. Ziedaar het bezwaar. Met de kleine gaat het gemakkelijk."
+
+"Ge draagt haar weg?"
+
+"Zal zij stil zijn?"
+
+"Daarvoor sta ik in."
+
+"Maar gij, vader Madeleine?"
+
+Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:
+
+"Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!"
+
+Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean: "Onmogelijk!"
+
+Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende,
+mompelde:
+
+"Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met aarde
+zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in 't geheel niet naar
+een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De dragers
+zullen 't voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de regeering zou er
+achter komen."
+
+Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij raaskalde.
+
+Fauchelevent hernam:
+
+"Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want morgen
+moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De priorin
+wacht u."
+
+Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor
+een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat
+het tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam
+te zijn: de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het
+kerkhof de hand te leenen. Dat de non, die 's morgens gestorven
+was, verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed
+had gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden
+begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar
+dat men aan deze doode in 't bijzonder niets kon weigeren. Dat de
+priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt
+wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de
+doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen,
+en de overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin,
+om hem voor dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder
+als tuinier en zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder
+mijnheer Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast
+had, zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis,
+tot haar te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen,
+zoo deze niet buiten was. Dat dit het ééne bezwaar was, maar dat er
+nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist.
+
+"Welke ledige doodkist?" vroeg Valjean.
+
+"De doodkist, welke het bestuur zendt," antwoordde Fauchelevent.
+
+"Welke doodkist en welk bestuur?"
+
+"Zoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non is
+overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag
+zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof
+te voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat
+er niets in de doodkist is."
+
+"Leg er iets in."
+
+"Eene doode? ik heb geen doode."
+
+"Neen."
+
+"Wat dan?"
+
+"Een levende."
+
+"Welken levende?"
+
+"Mij," zei Jean Valjean.
+
+Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder
+zijn stoel gesprongen.
+
+"Gij?"
+
+"Waarom niet?"
+
+Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de
+zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.
+
+"Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder Crucifixion
+is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En zoo zal
+'t geschieden."
+
+"Och, ge schertst, ge spreekt niet in ernst."
+
+"In vollen ernst. Moet ik niet van hier?"
+
+"Zekerlijk."
+
+"Ik heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een deksel
+moest vinden."
+
+"Nu?"
+
+"De draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken zijn."
+
+"Een wit laken. De nonnen worden in 't wit begraven."
+
+"Goed. Een wit laken."
+
+"Ge zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine."
+
+Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in
+het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven,
+brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men
+een zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.
+
+Jean Valjean hernam:
+
+"'t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te worden. Dit is
+een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe gaat het in
+zijn werk? Waar is de doodkist?"
+
+"De ledige?"
+
+"Ja."
+
+"Beneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij staat op
+twee schragen, en is door 't lijkkleed bedekt."
+
+"Hoe lang is de doodkist?"
+
+"Zes voet."
+
+"Hoedanig is de lijkkamer?"
+
+"'t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied venster, dat in
+den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten wordt; er zijn twee
+deuren, de eene die tot het klooster, de andere die tot de kerk voert."
+
+"Welke kerk?"
+
+"De kerk aan de straat; de kerk voor iedereen."
+
+"Hebt ge de sleutels van deze twee deuren?"
+
+"Neen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het klooster voert;
+de portier heeft den sleutel van de deur naar de kerk."
+
+"Wanneer opent de portier deze deur?"
+
+"Alleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen halen. Zoodra
+de doodkist buiten is, wordt de deur weder gesloten."
+
+"Wie spijkert de kist dicht?"
+
+"Ik."
+
+"Wie legt er het lijkkleed op?"
+
+"Ik."
+
+"Zijt gij alleen?"
+
+"Geen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen. 't
+Staat zelfs op den muur geschreven."
+
+"Zoudt ge mij van nacht, als alles in 't klooster slaapt, niet in
+die kamer kunnen verbergen?"
+
+"Neen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat met de
+lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap berg
+en waarvan ik den sleutel heb."
+
+"Hoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te halen?"
+
+"Tegen drie uren 's namiddags. Voor het donker wordt moet de begrafenis
+op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. 't Is tamelijk ver van hier."
+
+"Ik zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw
+gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger
+krijgen."
+
+"Ik zal u eten brengen."
+
+"Zoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen spijkeren."
+
+Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers kraken.
+
+"Onmogelijk!"
+
+"Hoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te slaan?"
+
+Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het,
+zeer eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden
+doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat
+de kunst zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de
+ontvluchting, evenals de crisis voor den zieke, een redding of de
+dood. Een ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen
+te worden? Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg
+te laten dragen, lang in een kist te leven, lucht te vinden waar
+geen lucht is, uren lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te
+sterven, dat behoorde tot de treurige talenten van Jean Valjean.
+
+Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt,
+het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo
+men den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van
+Karel V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien,
+daarvan gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste
+te brengen en het haar te doen verlaten.
+
+Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep hij:
+
+"Maar hoe zult ge lucht krijgen?"
+
+"Ik zal ademen."
+
+"In deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk."
+
+"Ge hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige gaatjes
+ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de kist."
+
+"Goed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?"
+
+"Hij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader Fauchelevent," voegde
+Jean Valjean er bij, "er moet een besluit worden genomen: hier gevangen
+genomen of in de lijkkist hieruit gebracht te worden."
+
+Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een bijzonder
+vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half geopende
+deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten. Wie heeft
+wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook menschen,
+die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee besluiten blijven
+dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat eensklaps de
+gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De voorzichtigsten loopen
+vaak een grooter gevaar dan de vermetelen, hoewel en wijl zij katten
+zijn. Fauchelevent behoorde tot die weifelaars. De koelbloedigheid
+van Jean Valjean sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:
+
+"'t Is waar, ik zie geen ander middel."
+
+Jean Valjean hernam:
+
+"Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal gebeuren."
+
+"Dat bekommert mij juist volstrekt niet," riep Fauchelevent. "Zoo gij
+zeker zijt uit de doodkist te komen, ben ik zeker u uit den kuil te
+kunnen brengen. De doodgraver is een dronkaard en mijn vriend. 't Is
+de oude Mestienne. De doodgraver steekt de dooden in den kuil en ik
+steek den doodgraver in mijn zak. Nu wil ik u zeggen, wat gebeuren
+zal. Kort voor de avond valt, drie kwartier uurs voor het sluiten
+van het hek van 't kerkhof, zal men komen. De lijkkoets zal tot het
+graf rijden. Ik volg, dat is mijn werk. Ik zal in mijn zak een hamer,
+een beitel en een nijptang hebben. De lijkkoets staat stil, de dragers
+slaan een touw om uw doodkist en laten u zakken. De priester doet de
+gebeden, maakt het kruisteeken, sproeit wijwater en gaat heen. Ik
+blijf alleen met den ouden Mestienne. Ik heb u gezegd, hij is mijn
+vriend. Een van beiden, òf hij is dronken, òf hij is niet dronken. Zoo
+hij niet dronken is, zeg ik hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de
+herberg nog open is. Hij gaat mede, ik maak hem dronken; 't is niet
+moeielijk den ouden Mestienne geheel dronken te maken, want hij is
+'t altijd half; hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om
+weder op het kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan
+hebt ge slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar,
+ik zal uw werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil."
+
+Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met hartelijkheid
+drukte.
+
+"'t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal goed gaan."
+
+"Zoo er niets tusschenbeide komt," dacht Fauchelevent. "Het zou anders
+vreeselijk kunnen worden."
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DRONKENSCHAP IS NIET VOLDOENDE OM ONSTERFELIJK TE ZIJN.
+
+
+Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de weinigen die
+op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een ouderwetsche
+lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd was. In
+deze lijkkoets was een doodkist met een wit lijkkleed overdekt, waarop
+een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met hangende armen
+geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets, waarin men een
+priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood kapje op het
+hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen gingen rechts
+en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud hinkend man in
+arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof Vaugirard.
+
+Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer,
+een beitel en een nijptang steken.
+
+Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven
+van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort
+en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de
+ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner
+nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof
+verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden
+wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de
+doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter
+des nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel
+onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd
+bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het
+stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de
+andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren
+twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat
+door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het
+kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten,
+zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op
+dat oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij
+het niet verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der
+begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in
+het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart,
+de portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur
+opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij
+zijn naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op,
+ging den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor
+den doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.
+
+Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig
+bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het
+kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde
+herberg bij het kerkhof Vaugirard erfde, welke een hoekhuis was en
+'t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een kweepeer
+was geschilderd met het onderschrift: "In de goede kweepeer." [9]
+
+Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het
+was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne
+begraven worden, wijl 't als van den arme geleek, maar liever op
+Père Lachaise. Hier te worden begraven is 't zelfde als mahoniehouten
+meubelen te hebben, 't is elegant.
+
+Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormalige
+Fransche tuin beplant. Men vond er rechte paden, buksboomen,
+steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en zeer hoog gras. Des
+avonds was 't er treurig en doodsch.
+
+De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken
+en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De
+hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.
+
+De bijzetting van moeder Crucifixion in 't gewelf onder het altaar,
+het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van Jean
+Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige
+hindernis afgeloopen.
+
+In 't voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder Crucifixion
+onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer verschoonbaars is,
+een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De nonnen hadden het
+bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs met voldoening
+van het geweten. Wat men in het klooster "gouvernement" noemt, is
+slechts een altijd betwistbare inmenging van het wereldlijk in het
+geestelijk gezag. In de eerste plaats geldt de kloosterregel; het
+wereldlijk wetboek volgt later. De menschen mogen zooveel wetboeken
+maken als zij verkiezen, maar zij mogen ze voor zich houden. Wat
+men aan Cesar betaald, is slechts hetgeen van de betaling aan God
+overblijft. Een vorst is niets tegenover een beginsel.
+
+Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn beide
+komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een vóór-
+het ander tegen het klooster, waren volkomen geslaagd. Jean Valjeans
+onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem medegedeeld. Fauchelevent
+twijfelde aan den goeden uitslag niet meer. Wat nog gedaan moest
+worden, was van geen beteekenis. Sinds twee jaren had hij tienmaal
+den doodgraver, den goeden, vroolijken ouden Mestienne, dronken
+gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij wilde, al naar zijn luim,
+en Mestienne deed in alles zijn wil. Fauchelevent was alzoo volkomen
+zeker van zijn zaak. En toen de lijkstoet de laan van het kerkhof
+inreed, zag hij met opgewekten blik de doodkist aan, wreef zich de
+grove handen en zeide halfluid:
+
+"'t Is waarachtig grappig."
+
+Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het
+verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man
+van den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, 't
+welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende,
+achter de lijkkoets naast Fauchelevent. 't Was een arbeider, die een
+buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.
+
+Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:
+
+"Wie zijt ge?"
+
+De man antwoordde:
+
+"De doodgraver."
+
+Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te hebben
+ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van Fauchelevent op
+dit oogenblik.
+
+"De doodgraver?"
+
+"Ja."
+
+"Gij!"
+
+"Ik."
+
+"De oude Mestienne is doodgraver."
+
+"Hij was 't."
+
+"Hoe! was?"
+
+"Hij is dood."
+
+Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver sterven
+kon. 't Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat hij lang voor
+anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.
+
+Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:
+
+"'t Is niet mogelijk!"
+
+"'t Is zóó."
+
+"Maar de oude Mestienne is doodgraver," herhaalde hij flauw.
+
+"Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet Gribier,
+vriend."
+
+Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.
+
+Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.
+
+Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was
+geworden.
+
+Fauchelevent begon luide te lachen.
+
+"Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude Mestienne
+dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is? 't Spijt
+mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt immers ook
+vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen een flesch
+gaan drinken."
+
+De man antwoordde: "Ik heb gestudeerd; ik drink niet."
+
+De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de
+breede laan van het kerkhof.
+
+Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van
+kreupelheid.
+
+De doodgraver ging voor hem.
+
+Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in oogenschouw.
+
+'t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon mager,
+zeer sterk zijn.
+
+"Kameraad!" riep Fauchelevent.
+
+De man keerde het hoofd om.
+
+"Ik ben de doodgraver van het klooster."
+
+"Mijn collega alzoo," zei de man.
+
+Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij
+met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij
+mompelde:
+
+"Welzoo! is de oude Mestienne dood?"
+
+De man antwoordde:
+
+"Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven nagezien. 't
+Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is overleden."
+
+Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:
+
+"De goede God..."
+
+"De goede God," hernam de man hoogdravend: "Voor de filosofen de
+eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het Opperwezen."
+
+"Willen wij geen kennis maken?" stamelde Fauchelevent.
+
+"Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben parijzenaar."
+
+"Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken heeft. Die
+zijn glas ledigt stort zijn hart uit. Kom met mij drinken. Dat weigert
+men niet."
+
+"Eerst het werk."
+
+Fauchelevent dacht: "ik ben verloren."
+
+Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen
+voerde.
+
+De doodgraver hernam:
+
+"Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij moeten eten,
+mag ik niet drinken."
+
+En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij
+er bij:
+
+"Hun honger is de vijand van mijn dorst."
+
+De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan
+in een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer,
+maar kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de
+grond week en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en
+'t ging met moeite verder.
+
+Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.
+
+"Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;" fluisterde hij.
+
+"Man," antwoordde de andere, "ik moest eigenlijk geen doodgraver
+zijn. Mijn vader was portier in het Prytanée. Hij bestemde mij
+voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor op de beurs,
+en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben evenwel nog
+openbaar schrijver."
+
+"Ge zijt dus geen doodgraver?" hernam Fauchelevent, zich als een
+drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.
+
+"Het een belet het andere niet. Ik cumuleer."
+
+Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: "Laat ons gaan
+drinken."
+
+Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in angst
+was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde zich
+niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde Fauchelevent
+den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand, veroorzaakt
+door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een glas wijn
+te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er volstrekt
+niet aan om het te betalen.
+
+De doodgraver hernam glimlachend:
+
+"Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes ambt
+overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is men
+wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In
+de straat de Sèvres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de
+parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot
+mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends
+schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik,
+vriend."
+
+De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid
+naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn voorhoofd.
+
+"Men kan echter geen twee heeren dienen," vervolgde de doodgraver. "Ik
+moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade bederft mijn hand."
+
+De lijkkoets hield stil.
+
+De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de
+priester.
+
+Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde,
+waarachter men een open kuil zag.
+
+"Wel! dat is een grap!" herhaalde Fauchelevent ontsteld.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+TUSSCHEN VIER PLANKEN.
+
+
+Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.
+
+Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in 't leven blijven en met
+moeite ademen kon.
+
+'t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt. Het door
+Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch. Hij
+rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde
+volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker
+toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.
+
+De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust,
+en ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.
+
+In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama
+kunnen volgen, die hij met den dood speelde.
+
+Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde
+Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het
+schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op
+den zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een
+dof gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz
+reed. Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was,
+en toen men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.
+
+Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens hoorde
+hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een touw was,
+'t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te laten. Toen
+volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de dragers
+de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo in
+den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale
+richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den
+bodem van 't graf en voelde een kille huivering.
+
+Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hij hoorde tamelijk
+duidelijk de volgende latijnsche woorden die hij niet verstond:
+
+Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in vitam aeternam,
+et alii in opprobrium, ut videant semper.
+
+Een kinderstem zeide:
+
+"De profundis."
+
+De plechtige stem hernam:
+
+"Requiem aeternam dona ei, domine."
+
+De kinderstem antwoordde:
+
+"Et lux perpetua luceat ei."
+
+Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige
+regendroppels. 't Was waarschijnlijk het wijwater.
+
+Hij dacht: 't zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld. De
+priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de
+herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen
+terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.
+
+De plechtige stem hernam:
+
+"Requiescat in pace."
+
+De kinderstem antwoordde:
+
+"Amen."
+
+Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die
+zich verwijderden.
+
+Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.
+
+Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen
+des donders
+
+'t Was een schop aarde die op de doodkist viel.
+
+Een tweede schop volgde.
+
+Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstopt
+
+Een derde schop aarde viel.
+
+Toen een vierde.
+
+Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor
+het bewustzijn.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+ZICH NIET VAN ZIJN STUK LATEN BRENGEN.
+
+
+Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean Valjean lag.
+
+Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den koorknaap
+in het rijtuig gestegen en vertrokken waren, zag Fauchelevent, die
+zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem bukken en de spade
+nemen die rechtop in den hoop aarde stond.
+
+Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.
+
+Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de
+armen over elkander en zeide:
+
+"Ik betaal!"
+
+De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:
+
+"Wat, landman?"
+
+Fauchelevent herhaalde: "Ik betaal!"
+
+"Wat?"
+
+"Den wijn."
+
+"Welken wijn?"
+
+"Van Argenteuil."
+
+"Waar?"
+
+"In de Goede Kweepeer."
+
+"Loop naar den duivel," zei de doodgraver.
+
+En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een
+doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op 't punt zelf in het
+graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep hij:
+
+"Voor dat de "Goede Kweepeer" gesloten is."
+
+De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:
+
+"Ik betaal," en vatte den arm des doodgravers. "Luister, kameraad. Ik
+ben de doodgraver van het klooster en kom u helpen. 't Is een werk dat
+'s nachts kan worden verricht. Laat ons vooraf eens drinken."
+
+Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij:
+Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?
+
+"Landman," zei de doodgraver, "zoo ge volstrekt wilt, 't is mij wèl,
+maar wij drinken na den arbeid, niet eerder."
+
+En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.
+
+"'t Is echte Argenteuil."
+
+"Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam, altijd
+hetzelfde. Ga voort."
+
+En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.
+
+Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat
+men zegt.
+
+"Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!"
+
+"Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd," zei de doodgraver.
+
+Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.
+
+Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:
+
+"Weet ge, 't zal van nacht koud zijn, en de doode zou ons naschreeuwen,
+zoo wij hem zonder deken achterlieten."
+
+Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents
+blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er
+op gevestigd.
+
+De zon was nog niet beneden den horizont en 't was nog licht genoeg
+om in dien zak iets wits te kunnen zien.
+
+Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem
+verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent,
+achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp uit.
+
+De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.
+
+Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag Fauchelevent
+hem bedaard in de oogen en vroeg:
+
+"Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?"
+
+"Welke kaart?" vroeg de doodgraver zijn werk stakende.
+
+"De zon gaat onder."
+
+"Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts opzetten."
+
+"Het hek van 't kerkhof zal gesloten worden."
+
+"Nu, en dan?"
+
+"Hebt ge uw kaart bij u?"
+
+"Mijn kaart!" herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn zakken,
+eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.
+
+"Neen," zeide hij, "ik heb mijn kaart niet, en zal ze vergeten hebben."
+
+"Vijftien francs boete," zei Fauchelevent.
+
+De doodgraver werd leikleurig-bleek.
+
+"Goede God!" riep hij, "vijftien francs boete!"
+
+"Ja, drie vijffrancsstukken," zei Fauchelevent.
+
+De doodgraver liet zijn spade vallen.
+
+Nu was de beurt aan Fauchelevent.
+
+"Nu, nu, rekruut," zeide hij, "geen wanhoop. Het is niet noodig,
+dat ge u om 't leven brengt en van den kuil gebruik maakt. 't Is niet
+meer dan vijftien francs, en die ze niet heeft kan ze niet betalen. Ik
+ben oud, gij zijt jong. Ik ken de haken en oogen, en zal u een goeden
+raad geven. 't Is duidelijk, dat de zon ondergaat, zij raakt den dom
+reeds en in vijf minuten wordt het kerkhof gesloten."
+
+"'t Is waar," antwoordde de doodgraver.
+
+"In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is verduiveld diep,
+en van hier gaan voor dat het hek gesloten is."
+
+"Ge hebt gelijk."
+
+"Alzoo vijftien francs boete."
+
+"Vijftien francs."
+
+"Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?"
+
+"Een paar schreden van de barrière. Een kwartier van hier. In de
+straat Vaugirard No. 87."
+
+"Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds uitkomen."
+
+"'t Is waar."
+
+"Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw kaart,
+komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge uw
+kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk. Ik
+zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope"
+
+"Ge redt mij 't leven, landman."
+
+"Maak nu dat ge weg komt," zei Fauchelevent.
+
+De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig heen.
+
+Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte
+had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog
+hij zich over den kuil en zeide halfluid:
+
+"Vader Madeleine!"
+
+Geen antwoord.
+
+Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij
+er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:
+
+"Zijt ge er!"
+
+Stilte in de doodkist.
+
+Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en hamer
+en opende het deksel.
+
+Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten
+oogen te voorschijn.
+
+Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen
+tegen den kant van den kuil, op 't punt van op de doodkist te zinken,
+en aanschouwde Jean Valjean.
+
+Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.
+
+Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:
+
+"Hij is dood!"
+
+Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander,
+dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.
+
+Hij riep uit:
+
+"Zóó heb ik hem dan gered!"
+
+Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te
+spreken. 't Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet
+natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot
+zich zelven.
+
+"'t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme kerel
+gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men
+hem noodig had; hij is 't, die Madeleine heeft doen sterven. Vader
+Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is er geweest! 't Is uit.--Mijn
+God! hij is dood. Wat zal ik nu met zijn meisje beginnen! Wat
+zal de groentevrouw zeggen? Is 't, in 's Hemels naam, mogelijk
+dat zulk een man zoo sterft! Als ik er aan denk, dat hij onder
+mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Hij is gestikt,
+verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij niet gelooven. Nu! 't is
+een fraaie geschiedenis! De goede man is dood, de beste mensch, dien
+men onder de beste menschen vinden kon! En het meisje! Waarachtig,
+ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een slag! Is het der moeite
+waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo dwaas te zijn. Maar
+hoe heeft hij 't toch aangelegd om in het klooster te komen? dat was
+het begin! Men moet zulke dingen niet doen! Vader Madeleine! Vader
+Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer Madeleine, mijnheer
+de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch uit!"
+
+Hij rukte zich de haren uit het hoofd.
+
+In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch. 't
+Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.
+
+Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings
+zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean
+had de oogen geopend en staarde hem strak aan.
+
+Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te
+zien verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek,
+verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken,
+niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean
+Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.
+
+"Ik was in slaap geraakt," zeide Jean Valjean, zich oprichtende.
+
+Fauchelevent zonk op de knieën.
+
+"Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij veroorzaakt!"
+
+En zich weder oprichtende riep hij: "Ik dank u, vader Madeleine!"
+
+Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had
+hem tot zich zelven gebracht.
+
+De blijdschap is de ebbe van den schrik. 't Was voor Fauchelevent
+schier even moeielijk, als 't voor Jean Valjean was geweest, tot
+besef te komen.
+
+"Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo lang
+geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht ik:
+Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden. Zoo
+razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou mij
+naar Bicêtre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo ge dood
+waart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou er niets van begrepen
+hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader is dood! Welk een
+geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een geschiedenis! Maar
+ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!"
+
+"Ik ben koud," zei Valjean.
+
+Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug,
+en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden
+herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste
+geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige
+plaats waar zij zich bevonden.
+
+"Spoeden wij ons," riep Fauchelevent, uit zijn zak een drinkflesch
+nemende, waarvan hij zich voorzien had.
+
+"Maar eerst een slok," zeide hij.
+
+De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean
+Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.
+
+Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel
+opspijkeren.
+
+Drie minuten later waren zij uit den kuil.
+
+Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het
+kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden
+was niet te vreezen. Deze "rekruut" was te huis bezig met zijn kaart
+te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van Fauchelevent
+was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet wederkeeren.
+
+Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden begroeven
+de ledige doodkist.
+
+Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:
+
+"Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het houweel."
+
+De nacht daalde.
+
+Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist was
+hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van den
+dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest zich,
+om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.
+
+"Ge zijt verstijfd," zei Fauchelevent, "'t is jammer dat ik hink,
+wij zouden anders sneller kunnen gaan."
+
+"O," antwoordde Jean Valjean, "een paar schreden, en ik ben weder
+vlug ter been."
+
+Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het
+gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent,
+die de kaart van den doodgraver in de hand had, ze in de bus; de
+portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er uit.
+
+"'t Gaat alles best!" zei Fauchelevent, "ge hebt waarlijk een goed
+denkbeeld gehad, vader Madeleine."
+
+Zonder belemmering gingen zij door de barrière Vaugirard. In den
+omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.
+
+'t Was eenzaam in de straat Vaugirard.
+
+"Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine," zei Fauchelevent de
+oogen naar de huizen opheffende. "Wijs mij eens No 87."
+
+"'t Is hier."
+
+"Er is niemand in de straat," hernam Fauchelevent, "geef mij het
+houweel en wacht mij een paar minuten."
+
+Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping,
+door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert
+en klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.
+
+"Binnen!"
+
+'t Was Gribier's stem.
+
+Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was,
+gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch
+vol. Een pakkist--misschien een doodkist--verving er een ladetafel,
+een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de vloer diende
+er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen, stukken van
+een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene kinderen. Alles
+lag overhoop en door elkander. 't Was alsof er een aardbeving had
+plaats gehad. De deksels der potten waren van hun plaats, allerlei oude
+kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was gebroken, de moeder
+had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk geslagen; men zag
+de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen. 't Was blijkbaar,
+dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had gezocht, en die van
+allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot de kruik toe. Hij
+zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn haast om aan
+de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze treurige zijde
+van het gevolg zijner daad niet op.
+
+Hij trad binnen en zeide:
+
+"Ik breng uw spade en houweel terug."
+
+Gribier aanschouwde hem verstomd.
+
+"Gij hier, landman?"
+
+"Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw kaart
+vinden," en hij legde spade en houweel op den vloer.
+
+"Wat beteekent dat?" vroeg Gribier.
+
+"Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen, dat ik
+ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil gevuld
+en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal wedergeven
+en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles, rekruut."
+
+"Ik dank u, landman!" riep Gribier verrukt, "een volgenden keer zal
+ik het gelag betalen."
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET GOED AFGELOOPEN VERHOOR.
+
+
+Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich twee mannen
+en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine Picpus-straat. De
+eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte gerucht.
+
+'t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen hadden
+Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald,
+waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende
+en niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht;
+zij had zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten
+als geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen
+gedaan, zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te
+ontvangen. Cosette had niets laten verluiden van 't geen zij sedert
+twee dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks
+op til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest
+zijn. Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee
+woorden, op zekeren toon een kind toegefluisterd: "zeg niets." De
+vrees is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.
+
+Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean
+wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker,
+die hem gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou
+vermoed hebben.
+
+Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle
+deuren werden voor hem geopend.
+
+Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: "uitgaan en
+binnenkomen", opgelost.
+
+De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur
+op de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren
+geleden nog van de straat in den achtermuur der plaats tegenover de
+koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in,
+en van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar
+Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.
+
+De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een
+kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een
+bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit
+de spreekkamer.
+
+De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger
+dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:
+
+"Zijt gij de broeder?"
+
+"Ja, eerwaardige moeder," antwoordde Fauchelevent.
+
+"Hoe heet gij?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Ultime Fauchelevent."
+
+Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die
+overleden was.
+
+"Van waar zijt ge?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Van Picquigny bij Amiens."
+
+"Hoe oud zijt ge?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Vijftig jaar."
+
+"Wat doet ge!"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Tuinier."
+
+"Zijt ge een goed Christen?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Allen zijn het in mijn familie."
+
+"Behoort u dit meisje?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Ja, eerwaardige moeder."
+
+"Zijt gij haar vader?"
+
+Fauchelevent antwoordde:
+
+"Haar grootvader."
+
+De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:
+
+"Hij antwoordt goed."
+
+Jean Valjean had geen woord gezegd.
+
+De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de
+kapittelmoeder:
+
+"Zij zal leelijk zijn."
+
+De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het
+spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:
+
+"Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel krijgen. Thans
+zijn er twee noodig."
+
+Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin,
+de nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te
+lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander
+spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak
+de stilte om elkander te zeggen: "'t Is een hulptuinier."
+
+De kapittelmoeders voegden er bij: "'t Is een broeder van vader
+Fauvent."
+
+Inderdaad, Jean Valjean was officiëel aangesteld; hij had den
+knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime
+Fauchelevent.
+
+De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de opmerking
+geweest der priorin: "zij zal leelijk zijn."
+
+Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor Cosette
+op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter liefde Gods.
+
+Dit alles is zeer logisch.
+
+Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er
+echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn,
+laten zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het
+klooster staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en
+van de leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit
+ontstaat dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.
+
+Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij was
+drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats
+bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het
+klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het
+altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een
+doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op
+het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig
+gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het
+klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als
+een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij
+het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak
+aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op
+beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over
+en in stilte met den abbé de Latil, biechtvader van den broeder des
+konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering
+voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een
+briefje voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan
+een zijner verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs,
+die evenals hij, Della Genga heette; men leest er deze regels in:
+"'t Schijnt dat in een klooster te Parijs een uitmuntend tuinier,
+een heilig man, genaamd Fauvan is." Van al dien triomf drong niets
+tot Fauchelevent in zijn huisje door; hij ging voort met enten,
+harken en met zijn meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn
+roem te gissen, evenmin als een os van Durham of van Surrey, wiens
+portret in de Illustrated London News met dit opschrift voorkomt:
+"os, die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald heeft."
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+BESLUIT.
+
+
+Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.
+
+'t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl zij
+overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval
+niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat
+de kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette
+had zoo veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en
+het ademen. Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar
+gebracht. Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds
+zij bij Jean Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven
+gewoon. Zij betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van
+spreken. Eens zeide zij tot Jean Valjean: "Had ik 't geweten, vader,
+ik zou haar meêgenomen hebben."
+
+Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de
+kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg
+op zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde. 't Was dezelfde
+rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van
+Thénardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean
+borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met
+een hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters
+zoo ruim voorzien zijn, in een valiesje, 't welk hij zich wist te
+verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed
+en droeg steeds den sleutel er van bij zich.--Vader, vroeg Cosette
+hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?
+
+Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent
+onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen
+belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede
+had hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk,
+daar hij veel van een snuifje hield, snoof hij in de aanwezigheid van
+Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter,
+dewijl Madeleine de snuif betaalde.
+
+De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den "anderen Fauvent."
+
+Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten,
+zouden zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens
+tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden,
+steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging,
+en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen,
+die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij
+zich bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.
+
+'t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich verborgen hield
+en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet Javert deze
+buurt nauwkeurig bewaken.
+
+Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door afgronden
+is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld. Hij zag
+er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg om
+gelukkig te wezen.
+
+Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.
+
+Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den tuin.
+
+Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men
+weet, drie kamertjes, die schier niets dan de naakte muren
+vertoonden. Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean
+afgestaan, die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje
+had tot versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de
+draagkorf aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat
+boven den schoorsteen was gehecht en aldus luidde:
+
+
+ KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.
+
+ In naam des Konings.
+
+ GOED VOOR TIEN LIVRES,
+
+ wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den vrede.
+
+ Serie 3. No. 10390.
+
+ STOFFLET.
+
+
+Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den vorigen
+tuinier, een voormalig Chouan, die in het klooster overleden was en
+wien Fauchelevent was opgevolgd.
+
+Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer
+nuttig. Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel
+lust in het tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten
+en geheime middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de
+boomen van den tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er
+heerlijke vruchten van.
+
+Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen. Dewijl
+de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was, vergeleek
+het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur ijlde
+zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was verrukt en
+opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat hij Cosette
+bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de eigenschap,
+dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij schitterender
+tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean Valjean haar
+in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat der andere
+meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.
+
+Zelfs Cosette's gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere was
+er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van
+'s menschen gelaat.
+
+Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean
+Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op,
+om naar de vensters van haar slaapzaal te zien.
+
+God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er
+toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te
+houden en te volmaken. 't Is zeker, dat een der zijden van de deugd
+aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel
+gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij 't zelf wist,
+tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de Voorzienigheid hem
+in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij zich slechts bij
+den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig bevonden en was
+hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen tijd begon hij
+zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de hoogmoed kwam bij hem
+op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot haat gekomen zijn.
+
+Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.
+
+Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en
+'t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog
+onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien,
+welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als
+de misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij
+het klooster; en als hij overwoog, dat hij tot het bagno had behoord,
+en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was, vergeleek
+hij beide met belangstelling in zijn geest.
+
+Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze
+diepten der gedachten.
+
+Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij
+stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde
+men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts
+twee duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste
+maanden van 't jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode buizen;
+men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte een
+linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij dronken
+geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting zouden
+sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid
+door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt,
+zij sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden,
+en zij leefden onder den stok en in schande.
+
+Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor zijn
+oogen had.
+
+Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen,
+spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld,
+heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de
+geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen;
+zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten
+zij vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen
+dag zonder voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een
+zwartwollen gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht
+was, zonder daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder,
+al naar het jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes
+maanden van 't jaar droegen zij sergieën hemden, die haar de koorts
+veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde
+zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op
+twee duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs
+de nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten
+zij in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks
+verwarmd is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen
+geknield bidden.
+
+Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren
+achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde
+en met uitgestrekte armen daarop liggen.
+
+De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.
+
+Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd, gemoord,
+gewelddadigheden gepleegd; 't waren roovers, falsarissen, giftmengers,
+brandstichters, moordenaars, vadermoorders. Wat hadden deze vrouwen
+gedaan? Zij hadden niets gedaan.
+
+Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de
+andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in
+den hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door
+heiligheid reeds tot den hemel behoorende.
+
+Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in 't geheim
+toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide
+stem. En welke misdaden! en welke gebreken!
+
+Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende
+geuren. Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is,
+die nauw bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds
+een kuische ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar
+duisternis, hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende
+glans.
+
+Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke
+bevrijding, een wettelijke grens steeds in 't vooruitzicht, en
+daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in 't ver
+verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van vrijheid,
+'t welk de menschen den dood noemen.
+
+In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was
+men door zijn geloof geboeid.
+
+Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking,
+tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede
+tegen de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat
+verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.
+
+En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen volbrachten
+deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde werk,
+boetedoening.
+
+Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de persoonlijke
+boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet die der
+anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend vroeg
+hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?
+
+Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid
+des menschen, de boetedoening voor anderen.
+
+Hier blijven alle persoonlijke theorieën ter zijde gesteld, wij
+verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean
+Valjean en vertolken zijn gewaarwordingen.
+
+Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppunt van
+mogelijke deugd voor zijn oogen; de onschuld, die den menschen hun
+misslagen vergeeft en er in hun plaats voor boet; de vrijwillig
+aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de straf door onschuldige
+zielen begeerd om er zondige zielen van te bevrijden; de liefde voor
+de menschheid in de liefde voor God opgelost, maar hier afgezonderd
+blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens, die de ellende dragen
+van hen, welke gestraft worden, met den glimlach van hen die beloond
+worden.
+
+En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!
+
+Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te
+hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een
+koude rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die
+terecht gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om
+te lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.
+
+Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware
+'t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve geweest,
+diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had alles,
+zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te verlaten,
+en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit een
+zinnebeeld van zijn lot?
+
+Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het andere,
+waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een gedachte
+aan ontvluchting bij hem opgekomen.
+
+Hij zag wederom traliën, grendels, ijzeren spijlen--om--wie te
+bewaren? Engelen.
+
+De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij
+hier om lammeren.
+
+'t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en echter was
+zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere. Deze
+maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure
+wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en
+gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog
+woei door de kooi der duiven.
+
+Waarom?
+
+Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven
+verborgenheid.
+
+Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich zelven,
+gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.
+
+Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot
+de vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door
+liefde, het klooster door ootmoed.
+
+Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin
+verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster,
+door 't welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar
+de plek waar hij wist dat de zuster, die de "Verzoening" verrichtte,
+in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze zuster.
+
+Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven wagen.
+
+Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze
+vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille
+klooster--oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs vervulde
+zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren als
+van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van
+deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er
+over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste
+omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle
+deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede
+toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw
+voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad,
+en zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.
+
+Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe langer
+hoe meer met liefde.
+
+Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.
+
+
+ EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Boek I.
+
+Waterloo.
+ Bladz.
+ I. Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt 7
+ II. Hougomont 8
+ III. Den 18 Juni 1815 15
+ IV. A. 17
+ V. Het "duistere iets" der veldslagen 19
+ VI. Des namiddags te vier uren 21
+ VII. Napoleon in goede luim 24
+ VIII. De Keizer doet den gids Lacoste een vraag 29
+ IX. Het onverwachte 32
+ X. Het bergvlak van Mont-Saint-Jean 35
+ XI. Een slechte gids voor Napoleon, een goede gids voor
+ Bulow 40
+ XII. De garde 41
+ XIII. De catastrophe 43
+ XIV. Het laatste carré 45
+ XV. Cambronne 46
+ XVI. Quot Libras in Duce? 48
+ XVII. Moet men Waterloo goedvinden? 53
+ XVIII. Uitbreiding van het "Goddelijk recht" 54
+ XIX. Het slagveld des nachts 57
+
+
+Boek II.
+
+Het schip de Orion.
+
+ I. Nommer 24601 wordt 9430 65
+ II. Waarin men twee dichtregels zal lezen die misschien
+ van den duivel zijn 68
+ III. Er moet aan de keten vooraf iets geschied zijn, om
+ met één hamerslag te springen 72
+
+
+Boek III.
+
+Vervulling van de belofte aan de stervende gedaan.
+
+ I. De watertoestand te Montfermeil 83
+ II. Voltooiing van twee portretten 86
+ III. De menschen moeten wijn, de paarden water hebben 90
+ IV. Een pop komt op het tooneel 93
+ V. De kleine alleen 94
+ VI. Dat misschien Boulatruelles schranderheid bewijst. 99
+ VII. Cosette in het donker met den onbekende 103
+ VIII. Het onaangename van een arme bij zich te ontvangen,
+ die misschien rijk is 106
+ IX. Thénardier aan 't werk 121
+ X. Wie het beste zoekt, vindt soms het slechtste 128
+ XI. No. 9430 komt weder te voorschijn en Cosette trekt
+ dat lot 132
+
+
+Boek IV.
+
+Het oude Huis Gorbeau.
+
+ I. Meester Gorbeau 137
+ II. Nest voor uil en vleermuis 142
+ III. Een dubbel ongeluk maakt één geluk 144
+
+
+Boek V.
+
+Een jacht in den nacht met stille honden.
+
+ I. De zigzags der strategie 155
+ II. Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz
+ gaan 158
+ III. Men zie den platten grond van Parijs in 1727 159
+ IV. Het rondtasten der vlucht 162
+ V. 't Geen bij gasverlichting onmogelijk zou zijn 164
+ VI. Begin van een raadsel 167
+ VII. Vervolg van het raadsel 169
+ VIII. Het raadsel wordt duisterder 171
+ IX. De man met de schel 173
+ X. Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt 176
+
+
+Boek VI.
+
+Klein Picpus.
+
+ I. Kleine Picpus-straat No. 62 187
+ II. De regel van Martinus Verga 190
+ III. Strengheden 196
+ IV. Vroolijkheid 197
+ V. Verstrooidheden 200
+ VI. Het kleine klooster 205
+ VII. Eenige silhouetten 207
+ VIII. Post corda lapides 209
+ IX. Een eeuw onder een nonnen borstdoek 211
+ X. Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding 212
+ XI. Einde van Klein-Picpus 214
+
+
+Boek VII.
+
+Parenthesis.
+
+ I. Het klooster als abstracte idée 219
+ II. Het klooster als historisch feit 219
+ III. Op welke voorwaarden men het verleden kan eerbiedigen 222
+ IV. Het klooster uit het gezichtspunt van beginselen 224
+ V. Het gebed 225
+ VI. Het volstrekt nut van het gebed 227
+ VII. Voorzorgen tegen berisping 229
+ VIII. Geloof, wet 229
+
+
+Boek VIII.
+
+De kerkhoven nemen wat men ze geeft.
+
+ I. Hoe men in het klooster komt 235
+ II. Fauchelevent tegenover een bezwaar 242
+ III. Moeder Innocentia 244
+ IV. Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin
+ Castillejo had gelezen 253
+ V. Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te zijn 258
+ VI. Tusschen vier planken 264
+ VII. Zich niet van zijn stuk laten brengen 265
+ VIII. Het goed afgeloopen verhoor 272
+ IX. Besluit 275
+
+
+
+
+
+
+NOTEN
+
+
+[1] Het opschrift luidt aldus:
+
+ D O M
+ CY A ETE ECRASE
+ PAR MALHEUR
+ SOUS UN CHARIOT
+ MONSIEUR BERNARD
+ DE BRYE MARCHAND
+ A BRUXELLE LE (onleesbaar)
+ FEBVRIER 1637.
+
+[2] "Een voleindigden veldslag, een voltooide zaak, verkeerde
+maatregelen verbeterd, grootere voordeelen voor den volgenden
+dag verzekerd--alles ging door een oogenblik van panischen schrik
+verloren."
+
+ (Napoleon, "Handschrift van Sint-Helena.")
+
+[3] Die jaarlijks uit Savoie komen en wier hand vaardig de lange
+kanalen veegt, die door roet gevuld zijn.
+
+[4] Meester Raaf lag over eene portefeuille met papieren gebogen
+en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den reuk gelokt
+vertelde hem de volgende geschiedenis: Hé goeden dag enz.
+
+[5] 't Is hier de fabriek van Goblet zoon; men kan er kruiken, kannen
+uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en baksteenen; aan ieder verkoopt
+het harte ruiten.
+
+[6] Agathe-aux-clefs--(Agatha met de sleutels).
+
+[7] Vacarme, rumoer.
+
+[8] Het kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.
+
+[9] Au bon coing, (kweepeer) dat als coin (hoek) wordt uitgesproken
+beteekent hier "in den goeden hoek."
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) ***
+
+***** This file should be named 37663-8.txt or 37663-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/7/6/6/37663/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/37663-8.zip b/37663-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..4430a22
--- /dev/null
+++ b/37663-8.zip
Binary files differ
diff --git a/37663-h.zip b/37663-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..6b73e0a
--- /dev/null
+++ b/37663-h.zip
Binary files differ
diff --git a/37663-h/37663-h.htm b/37663-h/37663-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..2b13d74
--- /dev/null
+++ b/37663-h/37663-h.htm
@@ -0,0 +1,13206 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN"
+"http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd">
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2011-10-07T23:13:04.214+02:00. -->
+<html lang="nl-1900">
+<head>
+<meta name="generator" content=
+"HTML Tidy for Windows (vers 25 March 2009), see www.w3.org">
+<title>De Ellendigen: Tweede deel</title>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=us-ascii">
+<meta name="generator" content=
+"tei2html.xsl, see http://code.google.com/p/tei2html/">
+<meta name="author" content="Victor Hugo (1802&ndash;1885)">
+<link rel="schema.DC" href=
+"http://dublincore.org/documents/1998/09/dces/">
+<meta name="DC.Creator" content="Victor Hugo (1802&ndash;1885)">
+<meta name="DC.Title" content="De Ellendigen: Tweede deel">
+<meta name="DC.Date" content="#####">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="Historical fiction">
+<meta name="DC:Subject" content="Orphans -- Fiction">
+<meta name="DC:Subject" content="Paris (France) -- Fiction">
+<meta name="DC:Subject" content="Ex-convicts -- Fiction">
+<style type="text/css">
+body
+{
+font: 100%/1.2em "Times New Roman", Times, serif;
+margin: 1.58em 16%;
+text-align: left;
+}
+/* Titlepage */
+.titlePage
+{
+border: #DDDDDD 2px solid;
+margin: 3em 0% 7em 0%;
+padding: 5em 10% 6em 10%;
+text-align: center;
+}
+.titlePage .docTitle
+{
+line-height: 3.5em;
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .docTitle .mainTitle
+{
+font-size: 1.8em;
+}
+.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle .volumeTitle
+{
+font-size: 1.44em;
+}
+.titlePage .byline
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+font-size:1.2em;
+line-height:1.72em;
+}
+.titlePage .byline .docAuthor
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+.titlePage .figure
+{
+margin: 2em 0% 2em 0%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.titlePage .docImprint
+{
+margin: 4em 0% 0em 0%;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.72em;
+}
+.titlePage .docImprint .docDate
+{
+font-size: 1.2em;
+font-weight: bold;
+}
+/* End Titlepage */
+.transcribernote
+{
+background-color:#DDE;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+font-family:sans-serif;
+font-size:80%;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.advertisment
+{
+background-color:#FFFEE0;
+border:black 1px dotted;
+color:#000;
+margin:2em 5%;
+padding:1em;
+}
+.width20
+{
+width: 20%;
+}
+.width40
+{
+width: 40%;
+}
+.indextoc
+{
+text-align: center;
+}
+.div0
+{
+padding-top: 5.6em;
+}
+.div1
+{
+padding-top: 4.8em;
+}
+.index
+{
+font-size: 80%;
+}
+.div2
+{
+padding-top: 3.6em;
+}
+.div3, .div4, .div5
+{
+padding-top: 2.4em;
+}
+.footnotes .body,
+.footnotes .div1
+{
+padding: 0;
+}
+.apparatusnote
+{
+text-decoration: none;
+}
+table.alignedtext
+{
+border-collapse: collapse;
+}
+table.alignedtext td
+{
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedtext td.first
+{
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedtext td.second
+{
+padding-left: 10px;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4
+{
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .pseudoh3
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+}
+h3.label
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h4, pseudoh4
+{
+font-size:1em;
+line-height:1.2em;
+}
+.alignleft
+{
+text-align:left;
+}
+.alignright
+{
+text-align:right;
+}
+.alignblock
+{
+text-align:justify;
+}
+p.tb, hr.tb
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+text-indent:0;
+}
+p.argument, p.tocArgument
+{
+margin:1.58em 10%;
+}
+p.tocPart
+{
+margin:1.58em 0%;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter
+{
+margin:1.58em 0%;
+}
+p.tocSection
+{
+margin:0.7em 5%;
+}
+.opener, .address
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline
+{
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed
+{
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl
+{
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer
+{
+clear: both;
+padding-top: 2.4em;
+padding-bottom: 1.6em;
+}
+.figure
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft
+{
+float:left;
+margin:10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight
+{
+float:right;
+margin:10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead
+{
+font-size:100%;
+text-align:center;
+}
+.figAnnotation
+{
+font-size:80%;
+position:relative;
+margin: 0 auto; /* center this */
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft
+{
+float: left;
+}
+.figTop, .figBottom
+{
+}
+.figTopRight, .figBottomRight
+{
+float: right;
+}
+.hangq
+{
+text-indent: -0.35em;
+}
+.hangqq
+{
+text-indent: -0.44em;
+}
+.hangqqq
+{
+text-indent: -0.78em;
+}
+.figure p
+{
+font-size:80%;
+margin-top:0;
+text-align:center;
+}
+img
+{
+border-width:0;
+}
+p.smallprint,li.smallprint
+{
+color:#666666;
+font-size:80%;
+}
+span.parnum
+{
+font-weight: bold;
+}
+.marginnote
+{
+font-size:0.8em;
+height:0;
+left:1%;
+line-height:1.2em;
+position:absolute;
+text-indent:0;
+width:14%;
+}
+.pagenum
+{
+display:inline;
+font-size:70%;
+font-style:normal;
+margin:0;
+padding:0;
+position:absolute;
+right:1%;
+text-align:right;
+}
+a.noteref, a.pseudonoteref
+{
+font-size: 80%;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+.displayfootnote
+{
+display: none;
+}
+div.footnotes
+{
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep
+{
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote
+{
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .label
+{
+float:left;
+width:2em;
+height:12pt;
+display:block;
+}
+/* Tables */
+td, th
+{
+vertical-align: top;
+}
+td.label, tr.label td
+{
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td
+{
+font-style: italic;
+}
+td.sum
+{
+padding-top: 2px; border-top: solid black 1px;
+}
+/* Poetry */
+.lgouter
+{
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */
+}
+.lg
+{
+text-align: left;
+}
+.lg h4, .lgouter h4
+{
+font-weight: normal;
+}
+.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum
+{
+color:#777;
+font-size:90%;
+left: 16%;
+margin:0;
+position:absolute;
+text-align:center;
+text-indent:0;
+top:auto;
+width:1.75em;
+}
+p.line
+{
+margin: 0 0% 0 0%;
+}
+span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */
+{
+color: white;
+}
+.versenum
+{
+font-weight:bold;
+}
+/* Drama */
+.speaker
+{
+font-weight: bold;
+margin-bottom: 0.4em;
+}
+.sp .line
+{
+margin: 0 10%;
+text-align: left;
+}
+/* End Drama */
+/* right aligned page number in table of contents */
+.tocPagenum, .flushright
+{
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+}
+table.tocList
+{
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum
+{
+text-align: right;
+width: 10%;
+border-width: 0;
+}
+td.tocDivNum
+{
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+}
+td.tocPageNum
+{
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+}
+td.tocDivTitle
+{
+width: auto;
+}
+span.corr, span.gap
+{
+border-bottom:1px dotted red;
+}
+span.abbr
+{
+border-bottom:1px dotted gray;
+}
+span.measure
+{
+border-bottom:1px dotted green;
+}
+/* Font Styles and Colors */
+.ex
+{
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc
+{
+font-variant: small-caps;
+}
+.uc
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */
+.overline, .overtilde
+{
+text-decoration: overline;
+}
+.rm
+{
+font-style: normal;
+}
+.red
+{
+color: red;
+}
+/* End Font Styles and Colors */
+hr
+{
+clear:both;
+height:1px;
+margin-left:auto;
+margin-right:auto;
+margin-top:1em;
+text-align:center;
+width:45%;
+}
+.aligncenter, div.figure
+{
+text-align:center;
+}
+h1, h2
+{
+font-size:1.44em;
+line-height:1.5em;
+}
+h1.label, h2.label
+{
+font-size:1.2em;
+line-height:1.2em;
+margin-bottom:0;
+}
+h5, h6
+{
+font-size:1em;
+font-style:italic;
+line-height:1em;
+}
+p
+{
+text-indent:0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line
+{
+text-transform: uppercase;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0em 0.05em 0 0;
+padding: 0px;
+line-height: 0.8em;
+font-size: 420%;
+vertical-align:super;
+}
+.lg
+{
+padding: .5em 0% .5em 0%;
+}
+p.quote,div.blockquote, div.argument
+{
+font-size:0.9em;
+line-height:1.2em;
+margin:1.58em 5%;
+}
+.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden
+{
+text-decoration:none;
+}
+ul { list-style-type: none; }
+.castlist, .castitem { list-style-type: none; }
+/* External Links */
+.pglink, .catlink, .exlink
+{
+background-repeat: no-repeat;
+background-position: right center;
+}
+.pglink
+{
+background-image: url(images/book.png);
+padding-right: 18px;
+}
+.catlink
+{
+background-image: url(images/card.png);
+padding-right: 17px;
+}
+.exlink
+{
+background-image: url(images/external.png);
+padding-right: 13px;
+}
+.pglink:hover
+{
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover
+{
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover
+{
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body
+{
+background: #FFFFFF;
+font-family: "Times New Roman", Times, serif;
+}
+body, a.hidden
+{
+color: black;
+}
+.titlePage
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4
+{
+color: #001FA4;
+font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif;
+}
+p.byline
+{
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum, .stage
+{
+color: #001FA4;
+}
+.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a
+{
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteref:hover
+{
+color: red;
+}
+p.dropcap:first-letter
+{
+color: #001FA4;
+font-weight: bold;
+}
+sub, sup
+{
+line-height: 0;
+}
+.pagenum, .linenum
+{
+speak: none;
+}
+</style>
+
+<style type="text/css">
+.xd20e127width
+{
+width:451px;
+}
+.xd20e133
+{
+text-align:center;
+}
+.xd20e3297
+{
+text-indent:2em;
+}
+.xd20e6562
+{
+text-align:center;
+}
+</style>
+</head>
+<body>
+
+
+<pre>
+
+The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Ellendigen (Deel 2 van 5)
+
+Author: Victor Hugo
+
+Release Date: October 7, 2011 [EBook #37663]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ASCII
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+</pre>
+
+<div class="front">
+<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure xd20e127width"><img src="images/cover.jpg" alt=
+"Oorspronkelijke voorkant." width="451" height="720"></div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd20e133">De Ellendigen.</p>
+</div>
+</div>
+<div class="titlePage">
+<div class="docTitle">
+<div class="mainTitle">De Ellendigen</div>
+</div>
+<div class="byline">Naar het Fransch<br>
+Van<br>
+<span class="docAuthor">Victor Hugo.</span><br>
+Opnieuw bewerkt.</div>
+<div class="docTitle">
+<div class="subTitle">Tweede deel.</div>
+</div>
+<div class="docImprint">Arnhem en Nijmegen,<br>
+Gebrs. E. &amp; M. Cohen.</div>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divBody">
+<p class="first xd20e133">Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te
+Nijmegen.</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Boek I.</h2>
+<h2 class="main">Waterloo.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span>
+<div id="ch1.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861)
+kwam een voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles
+en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen, over
+een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt, welke
+achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als ontzaglijke
+golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en Bois-Seigneur-Isaac. In
+het westen zag hij den met leien gedekten kerktoren van
+Braine-l&rsquo;Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas heeft.
+Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een
+dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift: <i lang=
+"fr">Ancienne barri&egrave;re</i> No. 4, lag een herberg, op welker
+voorgevel geschreven stond: <i lang="fr">Au quatre vents. Echabeau,
+caf&eacute; de particulier.</i></p>
+<p>Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal,
+waarvan het water door een boog onder den weg loopt. De groep van
+afzonderlijk staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene
+zijde van den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere
+zijde, over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l&rsquo;Alleud
+uit. D&aacute;&aacute;r, ter rechterzijde, aan den kant van den weg,
+stond een herberg, voor welke men een wagen met vier wielen, een
+grooten bundel hop-staken, een ploeg, een hoop dorre struiken bij een
+groene haag, kalk, die in een kuil rookte, en een ladder tegen een oude
+schuur kon zien. Een jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een
+groot geel biljet, waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere
+kermis-vertooning, in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep,
+bezijden een waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht
+geplaveid pad door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.</p>
+<p>Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de
+15de eeuw te zijn gekomen, die in een spitse <span class=
+"pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>laag van
+overdwars gelegde steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote
+gewelfde poort in den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige
+voorgevel verhief zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren
+daar genoegzaam mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie
+eggen, door welke allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort
+was gesloten met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude
+verroeste klopper bevond.</p>
+<p>De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij
+in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze
+bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig
+vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom
+vroolijk te kwinkeleeren.</p>
+<p>De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan
+het rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door
+een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden zich
+de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.</p>
+<p>Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.</p>
+<p>&bdquo;Een Fransche kogel heeft dat gedaan,&rdquo; zeide zij.</p>
+<p>En zij voegde er bij:</p>
+<p>&bdquo;Wat ge d&aacute;&aacute;r, iets hooger, in de deur bij dien
+spijker ziet, is het gat van een grooten musketkogel. Hij heeft het
+hout echter niet doorboord.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe heet deze plaats?&rdquo; vroeg de wandelaar.</p>
+<p>&bdquo;Hougomont,&rdquo; zei de boerin.</p>
+<p>De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over
+de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op die
+hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.</p>
+<p>Hij was op het slagveld van Waterloo.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Hougomont.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de
+hindernis, de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa,
+welke Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder
+den slag der bijl.</p>
+<p>&rsquo;t Was een kasteel; &rsquo;t is nu niet meer dan een hoeve.
+Voor den oudheidkenner is Hougomont <i>Hugomons</i>. Dit slot werd
+gebouwd door Hugo, heer van Somerel, denzelfde die het zesde
+kapelaanschap der abdij van Villers stichtte. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span></p>
+<p>De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude
+kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in
+&rsquo;t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts
+de boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen.
+Bouwvallen vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is
+in den muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik
+IV, door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag
+men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met
+zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een
+kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje,
+een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de
+plaats, welker verovering eens Napoleon&rsquo;s droom was. Zoo hij dit
+plekje gronds had kunnen nemen, zou &rsquo;t hem misschien de
+overwinning der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om.
+Men hoort een gegrom; &rsquo;t is een groote hond, die de tanden toont
+en er de Engelschen vervangt.</p>
+<p>De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden.
+Gedurende zeven uren boden hier de vier garde-compagnie&euml;n van
+Cooke het hoofd aan de woede van een leger.</p>
+<p>De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden,
+vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan
+&eacute;&eacute;n der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich
+de zuidelijke poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar
+geheel bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van
+het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen
+Hougomont zijn broeder J&eacute;r&ocirc;me; de divisi&euml;n
+Guilleminot, Foy en Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele
+korps van Reille werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels
+van Kellermann waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De
+brigade Bauduin was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te
+overweldigen, en de brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken,
+maar niet nemen.</p>
+<p>De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van
+de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog aan
+den muur. &rsquo;t Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd,
+die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.</p>
+<p>De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is
+gezet om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan &rsquo;t
+einde van het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die
+onder van hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden
+afsluit. &rsquo;t Is een gewone wagenpoort, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span>zooals
+alle hoeven hebben; twee breede slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten
+weiden. Om het bezit van deze poort werd woedend gestreden. Lang heeft
+men op de stijlen der poort allerlei sporen van bloedige handen gezien.
+D&aacute;&aacute;r sneuvelde Bauduin.</p>
+<p>De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het
+vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel heeft
+er zich versteend; &rsquo;t leeft, &rsquo;t sterft, &rsquo;t is niet
+ouder dan gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen
+gapen, de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen
+schijnen te willen vluchten.</p>
+<p>Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds
+afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.</p>
+<p>De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen er
+binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde van de kapel
+verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig overblijfsel van
+het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men zou kunnen zeggen
+opengebroken. Het kasteel diende tot vesting, de kapel tot blokhuis.
+Men vernielde er elkander. De Franschen, van alle zijden aan het
+geweervuur blootgesteld, van achter de muren, boven van de zolders,
+onder uit de kelders, uit al de vensters, uit al de luchtgaten, uit al
+de scheuren der muren, brachten takkebossen aan en staken &rsquo;t
+gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd met houtvuur
+beantwoord.</p>
+<p>Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters,
+de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die kamers
+in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak gescheurd,
+gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap heeft twee
+verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de bovenste
+treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. &rsquo;t Zijn
+breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden zitten
+nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een drietand
+gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in haar
+sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de tanden
+zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood; de andere,
+aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816 heeft hij
+zijn loten door de trap heen geschoten.</p>
+<p>In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig,
+is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het
+altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten
+steenen muur. Deze kapel bestaat <span class="pagenum">[<a id="pb11"
+href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span>uit vier, met kalk gewitte
+muren; een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven
+de deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant
+luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond een
+oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld van St.
+Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van het kind
+Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een oogenblik
+van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden, staken haar
+in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij is een oven
+geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten Christus is niet
+verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker verkoolde stompen
+men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van het oord zeggen,
+dat &rsquo;t een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is zoo gelukkig
+niet geweest als de Christus.</p>
+<p>De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus
+leest men den naam: <i>Henquinez</i>. Voorts deze: <i lang="es">Conde
+de Rio Ma&iuml;or. Marques y Marquesa de Almagro (Habana).</i> Er zijn
+Fransche namen met uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in
+1849 opnieuw gewit. De volken beleedigden er elkander op.</p>
+<p>Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de
+hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.</p>
+<p>Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit
+voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en
+katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen
+water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.</p>
+<p>De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van
+Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18 Juni
+1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.</p>
+<p>Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene
+dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot
+schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude
+afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het
+dichtste hout sidderend bivouakkeerden.</p>
+<p>Willem van Kylsom woonde te Hougomont &bdquo;om het kasteel te
+bewaken&rdquo; en verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten
+hem daar. Men trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden
+de krijgslieden zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden
+dorst; Willem bracht hun water, &rsquo;t welk hij uit dezen put haalde.
+Velen deden daar hun <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12"
+name="pb12">12</a>]</span>laatsten dronk. Maar deze put, waarvan
+zoovele drinkers in den dood gingen, moest insgelijks sterven.</p>
+<p>Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood
+vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem
+aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men
+maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien
+met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van
+neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde,
+flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.</p>
+<p>De put staat afgezonderd op &rsquo;t midden van het plein. Drie
+muren, half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen
+van een tochtscherm, hadden eenigszins &rsquo;t voorkomen van een
+torentje en omgeven den put aan drie zijden. De vierde zijde is open.
+Aan die zijde putte men het water. In den achtermuur bevindt zich een
+ruw gat, misschien door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had
+een zoldering, waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het
+ijzerwerk der schoring van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt
+naar beneden, en &rsquo;t oog verliest zich in een diepen baksteenen
+koker vol dikke duisternis. De put is omgeven door onkruid, waarin het
+onderste der muren verdwijnt.</p>
+<p>Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende,
+dien men gewoonlijk bij alle putten in Belgi&euml; vindt. In plaats
+ervan is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken
+hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten, noch
+katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om &rsquo;t water
+uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit de
+naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.</p>
+<p>Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond.
+De deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke
+sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm van een
+gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche luitenant Wilda
+dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten, hieuw een Fransch
+sapeur hem met zijn bijl de hand af.</p>
+<p>De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude
+tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met grijs
+haar zeide ons: &bdquo;Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit
+gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar de
+bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met het
+oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder na en
+riep <i>bom bom</i>.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb13" href=
+"#pb13" name="pb13">13</a>]</span></p>
+<p>Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den
+boomgaard.</p>
+<p>Deze boomgaard is verschrikkelijk.</p>
+<p>Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit drie
+<i>bedrijven</i>. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de
+eigenlijke boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn
+gezamenlijk omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van
+het kasteel en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter
+rechterzijde door een muur, van achter insgelijks door een muur. De
+muur rechts is van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst
+komt men in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met
+besseboomen, <span class="corr" id="xd20e292" title=
+"Bron: een">en</span> vol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd
+door een terras van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade.
+&rsquo;t Was vroeger een slottuin in den Franschen stijl, welke dien
+van Le N&ocirc;tre voorafging; thans niets dan bouwvallen en distelen.
+De pilasters dragen ballen, die veel van steenen kogels hebben. Men
+telt nog drie-en-veertig pilasters op hun vierkante voetstukken; de
+overige liggen in het gras. Schier alle zijn door het geweervuur
+beschadigd. Een enkele geknotte kolom staat als een gebroken been op
+het voetstuk.</p>
+<p>In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes
+voltigeurs van het 1<sup>e</sup> regiment binnendrongen, zoodat zij er
+niet weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een
+kuil aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnie&euml;n
+Hanoveranen, waarvan een compagnie met buksen was gewapend. De
+Hanoveranen stonden achter deze pilasters en schoten uit de hoogte. De
+voltigeurs, zes tegen tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het
+vuur, zij hadden geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden
+in minder dan een kwartier.</p>
+<p>Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken
+boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte, vielen
+vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur schijnt
+opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig schietgaten,
+die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in zijn gemaakt, zijn er
+nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche grafzerken van graniet.
+Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten; de hoofdaanval had van dien
+kant plaats. Deze muur is van buiten achter een hooge levende haag
+verborgen. De Franschen naderden, in de meening dat zij niets dan een
+haag voor zich hadden, drongen er door en vonden den muur, een
+hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche garde er achter; de
+acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker tijd hun vuur, een
+stortregen van <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name=
+"pb14">14</a>]</span>kogels en schroot; de brigade-Soye werd er
+vernield. Z&oacute;&oacute; begon de slag van Waterloo.</p>
+<p>De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders,
+maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht
+men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. Een
+<span class="corr" id="xd20e306" title=
+"Bron: bataillon">bataljon</span> Nassauers van zevenhonderd man werd
+er vernield. Aan de buitenzijde is de muur, waartegen de twee
+batterijen van Kellermann werden gericht, als geheel afgeknaagd.</p>
+<p>Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere.
+Hij heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog,
+karpaarden weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop
+linnen te drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen,
+terwijl de voet in een molshoop zinkt. In &rsquo;t midden van &rsquo;t
+gras ziet men een ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor
+Blackman heeft zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen
+grooten boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche
+familie behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het
+land verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met
+een verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen
+sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat
+heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in
+dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeien
+<span class="corr" id="xd20e311" title=
+"Bron: viooljes">viooltjes</span>.</p>
+<p>Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden,
+een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch
+bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk
+vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde
+verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reill&eacute;s
+corps gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie
+duizend man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en
+verbrand;&mdash;en dit alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan
+zeggen: &bdquo;Mijnheer, geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u
+de zaak van Waterloo uitleggen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De 18 Juni 1815.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Laat ons terugtreden; dit is een recht van den
+verhaler, en verplaatsen wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig
+v&oacute;&oacute;r het tijdperk, waarin het in het eerste gedeelte van
+dit werk verhaalde plaats had.</p>
+<p>Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou
+Europa&rsquo;s toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels
+water min of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft
+slechts een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van
+Austerlitz te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende
+richting in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen
+instorten.</p>
+<p>De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor
+Bl&uuml;cher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van
+den regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig
+opgedroogd was om met de artillerie te kunnen man&oelig;uvreeren.</p>
+<p>Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al
+zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een
+bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij
+ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een
+citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt
+met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In
+zijn genie lag iets van den kanonnier. Carr&eacute;&rsquo;s overhoop te
+werpen, regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles
+voor hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op.
+Een vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende
+vijftien jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar
+maakte.</p>
+<p>Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het
+getal in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd
+negen-en-vijftig vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.</p>
+<p>Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had
+kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee uren,
+dat is drie uur v&oacute;&oacute;r de Pruisische tusschenkomst,
+ge&euml;indigd en gewonnen zijn geweest.</p>
+<p>In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuld <span class=
+"pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name="pb16">16</a>]</span>van
+Napoleon geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde
+zich aan de blijkbare afneming van Napoleon&rsquo;s lichaamskrachten
+destijds een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren
+oorlogs evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel
+als het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in
+den veldheer? Met &eacute;&eacute;n woord, was dit genie verduisterd,
+zooals vele voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich
+in woede, om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te
+wankelen door den wind van een ongunstig lot? Werd hij&mdash;wat voor
+een veldheer hoogst noodlottig is&mdash;ongevoelig voor het gevaar? Is
+er bij deze soort van groote materie&euml;le mannen, welke de reuzen
+der handeling kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie
+kortzichtig wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genie&euml;n van
+het ideale; de Dante&rsquo;s en Michel Angelo&rsquo;s nemen in den
+ouderdom toe; nemen de Hannibal&rsquo;s en Bonaparte&rsquo;s er door
+af? Had Napoleon den rechten zin der overwinning verloren? Kon hij de
+klip niet meer erkennen, den valstrik niet meer gissen, den
+instortenden rand des afgronds niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het
+voorgevoel van groote handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den
+triomf kende, en van zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen
+vinger aanwees, was hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat
+hij zijn opgewekte legioenen in den afgrond voerde? Was hij,
+zes-en-veertig jaar oud, door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was
+deze reusachtige leider van het lot niets meer dan een dolle
+moordenaar?</p>
+<p>Wij gelooven het niet.</p>
+<p>Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een
+meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden
+rukken, een opening in den vijand maken, hem in twee&euml;n snijden, de
+Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren, van
+Wellington en Bl&uuml;cher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen,
+Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee
+werpen; dit alles lag in Napoleon&rsquo;s doel van dezen veldslag.
+Vervolgens zou men zien.</p>
+<p>&rsquo;t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de
+geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen
+van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag vast,
+maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet; deze geschiedenis
+is buitendien uitmuntend beschreven, uit het eene gezichtspunt door
+Napoleon, uit het andere gezichtspunt door Charras. Wij laten beide
+geschiedschrijvers <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17"
+name="pb17">17</a>]</span>de zaak uitmaken; wij zijn slechts een
+verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte, een navorscher op dezen
+met menschenvleesch gemesten grond, die misschien schijn voor waarheid
+houdt; wij hebben het recht niet, ons in naam der wetenschap tegen een
+geheel van feiten te verzetten, waarin echter gewisselijk veel
+zinsbegoocheling ligt; wij bezitten noch militaire praktijk noch
+krijgskunde genoeg om gezag aan een stelsel te kunnen geven; maar onzes
+inziens zijn de beide veldheeren te Waterloo door een aaneenschakeling
+van toevalligheden beheerscht geworden; en wat het lot betreft, dezen
+geheimzinnigen beschuldigde, wij oordeelen als het volk, dat een
+na&iuml;ef rechter is.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">A.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wie zich een juiste voorstelling van den slag van
+Waterloo wil maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den
+grond te trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het
+rechterbeen de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg
+van Ohain naar Braine-l&rsquo;Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean;
+daar is Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille
+met Jer&ocirc;me Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance;
+daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A het
+rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In &rsquo;t midden
+van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist
+werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld
+van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd
+door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte
+van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze
+vlakte.</p>
+<p>De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs
+de wegen van Genappe en Nivelles; d&rsquo;Erlon stond tegenover Picton;
+Reille tegenover Hill.</p>
+<p>Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is
+het bosch van Soignes.</p>
+<p>Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend
+terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen
+loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch
+eindigen.</p>
+<p>Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars.
+Zij omvatten elkander en de een poogt den ander te <span class=
+"pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>doen
+vallen. Men klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de
+hoek van een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig
+steunpunt heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van
+den grond, een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den
+kolossus tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten
+achteruit te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat
+voor den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij
+het kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid
+kenne.</p>
+<p>De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans
+vlakte van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige
+jaar had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw
+genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had den
+18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde, Napoleon
+de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche leger
+beneden.</p>
+<p>&rsquo;t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met
+den kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op
+de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder hem
+in &rsquo;t oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van
+Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de
+overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het
+vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen
+schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N&rsquo;s en arenden, de
+rijlaarzen over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van
+Marengo,&mdash;deze geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor
+aller verbeelding, door de eenen toegejuicht, door anderen
+veroordeeld.</p>
+<p>Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van
+zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid
+steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier
+haar licht aangebracht.</p>
+<p>Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit
+zonderlinge en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat
+het licht is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van
+denzelfden mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan
+de eene de andere bestrijdt en terechtstelt&mdash;de duisternis van den
+despoot in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een
+juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon
+verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde
+Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland.
+&rsquo;t Is een ramp <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19"
+name="pb19">19</a>]</span>voor een mensch, een duisternis achter te
+laten die zijn gestalte heeft.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het &bdquo;duistere iets&rdquo; der veldslagen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne
+had; een verward, onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin;
+evenwel meer nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.</p>
+<p>Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem
+doorweekt; in de holten der vlakte was het water als in kuipen
+vergaard; op sommige plaatsen stond het tot aan de assen der
+treinwagens; van de buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het
+graan en de rogge, die door al de voertuigen ter aarde geworpen waren,
+de poelen niet gevuld en eenige vastheid onder de wielen gevormd had,
+zou iedere beweging, voornamelijk in de richting van Papelotte,
+onmogelijk zijn geweest.</p>
+<p>Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de
+gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden,
+om &rsquo;t nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en
+hij had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd
+konden rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen
+en den grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. &rsquo;t Was
+niet meer de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot
+gelost was, zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en
+overtuigde zich, dat het vijf minuten over half twaalf was.</p>
+<p>Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer
+wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont
+begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de brigade
+Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den
+rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel,
+die op Papelotte steunde.</p>
+<p>De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten
+doel, er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou
+gelukt zijn, zoo de vier compagnie&euml;n der Engelsche garde en de
+moedige Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden
+hadden, zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te
+hoopen, zich kon bepalen <span class="pagenum">[<a id="pb20" href=
+"#pb20" name="pb20">20</a>]</span>tot er ter versterking vier andere
+compagnie&euml;n der garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.</p>
+<p>De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte
+diende eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen,
+den weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den
+doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot
+Hougomont, van daar tot Braine-l&rsquo;Alleud en verder tot Hal terug
+te drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten,
+gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd
+bemachtigd.</p>
+<p>Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie,
+voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover
+onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van
+veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als
+tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en
+wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden
+iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige
+infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.</p>
+<p>Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.</p>
+<p>In dezen dag, van &rsquo;s middags af tot vier uur toe, ligt een
+duister tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te
+onderscheiden en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er
+ontstaat een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen,
+een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier
+onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen,
+over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten,
+huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako&rsquo;s met
+vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode
+Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen,
+in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen
+hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten
+met bloote knie&euml;n en geruite plaids, de groote witte slobkousen
+onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige
+aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.</p>
+<p>In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd. <i lang=
+"la">Quid obscurum, quid divinum.</i> Ieder geschiedschrijver geeft aan
+dergelijk krijgsgewoel min of meer de gestalte welke hem behaagt. De
+schok der gewapende drommen geeft een terugwerking, die de generaals,
+niettegenstaande alle zorg, onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in
+het gevecht grijpt het plan van <span class="pagenum">[<a id="pb21"
+href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>den eenen veldheer in dat van
+den anderen, en het een wordt door het ander gewijzigd. De linie van
+bataille buigt en kronkelt als een draad, de beken bloeds stroomen her-
+en derwaarts; de fronten der legers golven, de terugtrekkende of
+uitvallende regimenten vormen kapen of inhammen, al deze klippen
+bewegen zich gestadig de eene voor de andere; waar de infanterie was,
+komt de artillerie; waar de artillerie was, komt de cavalerie
+aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er was iets: zoek, en
+&rsquo;t is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich, de donkere
+golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden deze
+heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en verdreven.
+Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van een
+wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag kan
+alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld bevat
+in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der Meulen.
+Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie uren. De
+meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan Folard het
+recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat er altijd een
+zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke gevechten ontaardt
+en zich in ontelbare kleine feiten splitst, die, om Napoleon&rsquo;s
+eigen woorden te gebruiken, &bdquo;veeleer tot de geschiedenis der
+regimenten, dan tot die van het leger behooren.&rdquo; In zoodanig
+geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot
+samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven,
+en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die
+vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is ten
+aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op Waterloo
+van toepassing.</p>
+<p>Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag
+duidelijker.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Des namiddags te vier uren.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche
+leger hachelijk. De prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den
+rechtervleugel, Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken
+riep de prins van Oranje den Hollanders-Belgen toe: &bdquo;Nassau!
+Brunswijk! nimmer terug!&rdquo; Hill, die verzwakt was, had zich tegen
+Wellington geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat
+de Engelschen den Franschen het vaandel <span class="pagenum">[<a id=
+"pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span>van het 105<sup>e</sup>
+linie-regiment ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal
+Picton met een kogel door &rsquo;t hoofd gedood. Wellington had in den
+slag twee steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont
+verdedigde zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen.
+Van het Duitsche <span class="corr" id="xd20e421" title=
+"Bron: batailjon">bataljon</span>, dat haar verdedigde, waren nog
+slechts twee en veertig man over; op vijf na waren al de officieren
+gesneuveld of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend
+strijders elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de
+eerste bokser van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar
+beschouwden, werd er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring
+was verdreven, Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren
+verloren, daarbij een van de divisie-Alten, en een van het bataljon
+Lunenburg, dat door een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen
+was. De grijze Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van
+Ponsonby waren neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de
+lanciers van Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd
+paarden waren zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels
+lagen twee ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was
+gevallen, van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was
+dood. Twee divisi&euml;n, de vijfde en de zesde, waren vernield.</p>
+<p>Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog
+slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd
+vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine
+stond, en Chass&eacute;, die te Braine-l&rsquo;Alleud was.</p>
+<p>Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht
+ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van
+Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk
+steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, &rsquo;t
+welk te dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong
+staat, waar beide wegen elkander kruisen. &rsquo;t Is een gebouw uit de
+zestiende eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten,
+zonder het te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de
+doornhagen, die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de
+takken den mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout
+verschansingen gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in
+hinderlaag. Dit verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd,
+die krijgslisten toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des
+ochtends te negen uren door den keizer werd gelast de vijandelijke
+batterijen te gaan <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23"
+name="pb23">23</a>]</span>verkennen, er niets van gezien had, en
+terugkwam met het bericht aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen
+bestonden dan de twee barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe
+versperden.</p>
+<p>&rsquo;t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der
+vlakte lag een bataljon der brigade Kempt, het 95<sup>e</sup>, met
+buksen gewapend, in het hooge koren.</p>
+<p>Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het
+Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.</p>
+<p>Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat
+destijds aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en
+Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder
+zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen
+zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens
+de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen
+bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn
+geworden.</p>
+<p>Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chass&eacute;, die
+van den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den
+linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen, aan
+de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de garde
+van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van
+Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge
+en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintig
+<span class="corr" id="xd20e441" title=
+"Bron: batailjons">bataljons</span> te zijner beschikking. De
+rechtervleugel werd, zooals Charras zegt, achter het centrum geschoven.
+Een groote batterij was, ter plaatse waar thans het zoogenaamde
+&bdquo;museum van Waterloo&rdquo; is, achter aardzakken gemaskeerd.
+Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der garde van
+Somerset, sterk veertienhonderd paarden. &rsquo;t Was de andere helft
+der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby vernietigd
+was, bleef nog Somerset over.</p>
+<p>De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest,
+stond achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en
+een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid, men
+had den tijd niet gehad het te palissadeeren.</p>
+<p>Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef den
+geheelen dag in dezelfde houding, een weinig v&oacute;&oacute;r den
+ouden molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien
+later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed afzagen
+en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het regende
+kogels. Zijn adjudant Gordon <span class="pagenum">[<a id="pb24" href=
+"#pb24" name="pb24">24</a>]</span>viel aan zijn zijde. Lord Hill vroeg,
+terwijl hij hem op een springende bom wees:&mdash;Mylord, welke
+instructi&euml;n en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht
+vallen?&mdash;&bdquo;Te doen gelijk ik,&rdquo; antwoordde Wellington.
+Tot Clinton zeide hij lakonisch: &bdquo;Hier blijven tot den laatsten
+man.&rdquo;&mdash;De dag nam blijkbaar een slecht einde. Wellington
+riep zijn oude wapenbroeders van Talavera, Vittoria en Salamanca toe:
+&bdquo;<i lang="en">Boys</i> (jongens)! hoe kan men aan wijken denken?
+denkt aan Oud-Engeland!&rdquo;</p>
+<p>Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche
+beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie
+en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche
+houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte,
+waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond
+een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington
+trok terug.&mdash;Het begin van den aftocht! riep Napoleon.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Napoleon in goede luim.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De keizer, hoewel ziek en te paard door een
+plaatselijk lijden gekweld, was nooit in een betere luim dan dien dag
+geweest. Sedert den morgen glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18
+Juni 1815 schitterde deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in
+den blinde. De man, die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk
+bij Waterloo. De gewichtigste toestanden hebben dergelijke
+tegenstrijdigheden. Onze vreugd is als een schaduw. De volmaakte
+glimlach behoort slechts aan God.</p>
+<p><i lang="la">Ridet C&aelig;sar, Pompeius flebit</i>, zeiden de
+soldaten van het legioen Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet
+weenen, maar zeker is het dat Cesar lachte.</p>
+<p>Toen hij den vorigen nacht ten &eacute;&eacute;n ure, te paard, in
+storm en regen, met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en
+tevreden de lange linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den
+geheelen horizon, van Frischemont tot Braine l&rsquo;Alleud,
+verlichtten, scheen het hem, dat het noodlot, door hem op een bepaalden
+dag op het slagveld van Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen
+gehoorzaamde; hij had zijn paard stil doen staan en eenige oogenblikken
+bewegingloos naar de bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord;
+en men heeft <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name=
+"pb25">25</a>]</span>dezen fatalist in de duisternis deze geheimzinnige
+woorden hooren zeggen: &bdquo;Wij zijn het eens.&rdquo; Napoleon
+bedroog zich. Zij waren &rsquo;t niet eens.</p>
+<p>Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien
+nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs de
+geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil
+gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had hij
+bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne
+gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij had
+aan Bertrand gezegd: &bdquo;&rsquo;t is de Engelsche achterhoede, die
+zich in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend
+Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen.&rdquo; Hij
+sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, &rsquo;t welk
+hem den 1<sup>en</sup> Maart bij zijn landing bezielde, toen hij in de
+golf Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep:
+&bdquo;Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!&rdquo; In den nacht van
+den 17 op den 18 Juni schertste hij over Wellington.&mdash;&bdquo;Deze
+kleine Engelschman heeft een les noodig,&rdquo; zeide Napoleon. De
+regen nam toe; het donderde, terwijl de keizer sprak.</p>
+<p>Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de
+officieren ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand
+geen beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was
+uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op de
+aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de
+veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade
+Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade Vivian,
+die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging bezetten. Te
+vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld, dat zij hun
+regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den slag
+afwachtte.&mdash;&bdquo;Des te beter,&rdquo; had Napoleon geroepen.
+&bdquo;Ik werp ze liever overhoop, dan ze achteruit te
+drijven.&rdquo;</p>
+<p>Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het
+slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel en
+een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo als
+tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid,
+daarbij tot Soult zeggende: &bdquo;Een fraai schaakbord!&rdquo;</p>
+<p>Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van
+levensmiddelen, die in de drassige wegen waren blijven steken, des
+morgens niet kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was
+doornat, en zonder ontbijt, &rsquo;t geen Napoleon evenwel niet belet
+had blijmoedig tot Ney te zeggen: &bdquo;Wij <span class=
+"pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span>hebben
+negentig kansen van de honderd.&rdquo; Te acht uren had men &rsquo;s
+keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals genoodigd.
+Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den vorigen dag te
+Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was geweest, en Soult,
+de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht, had gezegd:
+&bdquo;het bal is vandaag.&rdquo; De keizer had met Ney geschertst, die
+zeide<span class="corr" id="xd20e484" title="Bron: .">:</span>
+&bdquo;Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te
+wachten.&rdquo; Zoo was overigens zijn gewoonte. &bdquo;Hij schertste
+gaarne,&rdquo; zegt Fleury de Chaboulon. &bdquo;De grond van zijn
+karakter was een vroolijke opgewektheid,&rdquo; zegt Gourgaud.
+&bdquo;Hij vloeide over van kwinkslagen, die eer zonderling dan geestig
+waren,&rdquo; zegt Benjamin Constant. Deze vroolijkheid van een reus
+verdient, dat men er bij stilsta. Hij noemde zijn grenadiers
+&bdquo;grombaarden;&rdquo; hij kneep hen in de ooren, trok hen aan den
+knevel. &bdquo;De keizer heeft altijd grappen met ons,&rdquo; zeide een
+hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk
+ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik de
+<i lang="fr">Zephir</i> de brik <i lang="fr">l&rsquo;Inconstant</i>,
+waarop Napoleon verborgen was, en vroeg aan den <i lang=
+"fr">Inconstant</i> berichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat
+oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn hoed
+had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had
+glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: &bdquo;de
+keizer bevindt zich wel.&rdquo; Die dus weet te schertsen, is
+gemeenzaam met de gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt
+van Waterloo, bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het
+ontbijt had hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee
+generaals met een pen in de hand en een blad papier op de knie&euml;n
+op een bos stroo plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde
+gedicteerd.</p>
+<p>Te negen uren, toen het Fransche leger, ge&euml;cheloneerd en in
+vijf kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de
+divisi&euml;n in twee lini&euml;n, de artillerie tusschen de brigades,
+met de muziek aan &rsquo;t hoofd, met slaande trommen, met schetterende
+trompetten, als een machtige, uitgestrekte, vroolijke zee van helmen,
+sabels en bajonetten, had de keizer, tot twee maal toe bewogen
+uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!</p>
+<p>Van negen tot half elf ure had het geheele leger&mdash;&rsquo;t geen
+schier ongelooflijk schijnt&mdash;positie genomen en zich in zes
+lini&euml;n geschaard, die, om &rsquo;s keizers uitdrukking te bezigen,
+&bdquo;de figuur van zes V&rsquo;s&rdquo; vormden.</p>
+<p>Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te
+midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht
+voorafgaat, had de keizer,&mdash;toen hij de drie <span class=
+"pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name=
+"pb27">27</a>]</span>batterijen twaalfponders zag voorbijrijden, welke
+op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon, van Reille en van Lobau
+waren genomen en bestemd waren om &rsquo;t gevecht te beginnen door
+Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van Nivelles en Genappe
+zich kruisen,&mdash;Haxo op den schouder geklopt en gezegd: &bdquo;Dat
+zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!&rdquo;</p>
+<p>Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste
+korps bij &rsquo;t voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die
+kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken, zoodra
+het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts door een
+woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen hij aan zijn
+linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is, de
+bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden
+opeengedrongen zag, zeide hij: &bdquo;Dit is jammer.&rdquo;</p>
+<p>Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden,
+waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van Genappe
+naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede standpunt
+gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren &rsquo;s
+avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk;
+&rsquo;t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter
+de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien
+heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot bij
+Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit van
+kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar zijn
+paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander wapentuig
+gevonden. <i lang="fr">Scabr&acirc; rubigine.</i> Voor eenige jaren
+heeft men er een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks
+laadpijp stijf aan den kogel was afgebroken. &rsquo;t Was op dit
+laatste standpunt, dat de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen,
+beangsten boer, die aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich
+telken reize bij het springen van een bom omkeerde en zich achter
+Napoleon trachtte te verbergen, zeide:&mdash;&bdquo;Domoor, &rsquo;t is
+schande. Gij zult u in den rug laten dooden.&rdquo; Hij, die deze
+regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing van deze hoogte, bij
+&rsquo;t omwroeten van &rsquo;t zand, de overblijfselen van den hals
+eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en veertig
+jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen zijn vingers
+braken.</p>
+<p>De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten,
+zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni 1815
+waren. Door van dien doodsakker de aarde <span class="pagenum">[<a id=
+"pb28" href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>af te nemen, die tot
+oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn
+eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan er zich
+niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men het misvormd.
+Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag, riep hij:
+&bdquo;Men heeft mijn slagveld veranderd.&rdquo; Waar thans de groote
+aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een
+bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe
+zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden
+naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe
+naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er
+is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten
+gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd
+vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn
+gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte
+helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk
+aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar zoo
+steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het dal
+gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich konde
+zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold, het
+slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren er
+inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van verre
+niet kon gezien worden.</p>
+<p>Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l&rsquo;Alleud is
+evenals Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de
+krommingen van het terrein verborgen en verbonden door een weg van
+omstreeks anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf
+als een vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een
+hollen weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top
+van het bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van
+Genappe en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was
+&rsquo;t een holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot
+materieel voor het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna
+langs zijn geheele uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf
+voet diep is en welks steile kanten, vooral des winters, bij
+stortregens, hier en daar instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken.
+Bij &rsquo;t binnenkomen van Braine-l&rsquo;Alleud was de weg zoo smal,
+dat een voorbijganger er door een kar verplet werd, &rsquo;t geen een
+steenen kruis bij het kerkhof aanduidt, waarop de naam van den gedoode:
+<i lang="fr">Monsieur Bernard Debrye, marchand &agrave; Bruxelles</i>,
+en de dagteekening <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29"
+name="pb29">29</a>]</span>van het ongeluk, <i lang="fr">fevrier</i>
+1637<a class="noteref" id="xd20e526src" href="#xd20e526" name=
+"xd20e526src">1</a> te lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was
+deze weg zoo diep dat een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder
+de instorting van den kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt,
+welks top tengevolge der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan
+het omgeworpen voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter
+linkerzijde van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van
+Mont-Saint-Jean.</p>
+<p>Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd
+aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve boven
+aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar, en
+daardoor verschrikkelijk.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e526" href="#xd20e526src" name="xd20e526">1</a></span> Het
+opschrift luidt aldus:</p>
+<p class="footnote xd20e133">D O M<br>
+CY A ETE ECRASE<br>
+PAR MALHEUR<br>
+SOUS UN CHARIOT<br>
+MONSIEUR BERNARD<br>
+DE BRYE MARCHAND<br>
+A BRUXELLE LE (onleesbaar)<br>
+FEBVRIER 1637.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De keizer doet den gids Lacoste een vraag.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Napoleon was dus in den morgen van den slag bij
+Waterloo tevreden.</p>
+<p>Hij had er reden toe; het door hem ontworpen plan, zooals wij gezegd
+hebben, was inderdaad bewonderenswaardig.</p>
+<p>De slag was begonnen; zijn zeer verschillende
+afwisselingen,&mdash;de verdediging van Hougomont, de hardnekkige
+weerstand van la Haie-Sainte, de dood van Bauduin, Foy buiten gevecht
+gesteld, de onverwachte muur waartegen zich de brigade Soye gebroken
+had, de noodlottige onbezonnenheid van Guilleminot, die noch
+springbussen noch kruitzakken had; het in de modder zinken der
+batterijen, de vijftien stukken zonder escorte, die door Uxbridge in
+een hollen weg werden geworpen, de geringe uitwerking der bommen die in
+de Engelsche lini&euml;n vielen, zich in den door den regen doorweekten
+grond boorden, en slechts uitbarstingen van slijk <span class="corr"
+id="xd20e560" title="Bron: verooraakten">veroorzaakten</span>, zoodat
+het schroot in modderspatten veranderde; de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name=
+"pb30">30</a>]</span>vruchteloosheid van Pir&eacute;&rsquo;s
+demonstratie tegen Braine-l&rsquo;Alleud; vijftien escadrons cavalerie
+schier geheel vernietigd; de slecht bestookte Engelsche rechter
+vleugel, de zwakke aanval van den linker; het zonderling misverstand
+van Ney die, in plaats van ze te echelonneeren, de vier divisi&euml;n
+van het eerste corps opeenhoopte, zoodat massa&rsquo;s van
+zevenentwintig gelederen, en fronten van tweehonderd man op deze wijze
+aan het schroot waren overgeleverd; de verschrikkelijke openingen,
+welke de kanonkogels in deze drommen maakten; de aanvalskolonnen
+gescheiden, de schuinsche vernielende batterij, die plotseling tegen
+hun flank werd geopend; Bourgeois, Donzelot en Durutte in nood, Quiot
+teruggedreven, de luitenant Vieux, deze herkules uit de polytechnische
+school, gekwetst, juist toen hij met bijlslagen, onder het verdelgend
+vuur der Engelsche <span class="corr" id="xd20e565" title=
+"Bron: barrikade">barricade</span>, die de kromming van den weg van
+Genappe naar Brussel versperde, de poort van la Haie-Sainte openbrak;
+de divisie Marcognet tusschen de infanterie en cavalerie ingesloten,
+door Best en Pake met het geweer op de borst in &rsquo;t koren
+gefusilleerd en door Ponsonby nedergesabeld; zijn batterij van zeven
+stukken vernageld; de prins van Saksen Weimar, die, niettegenstaande
+den graaf van Erlon, Frischemont en Smohain bezet en in zijn macht
+hield; het vaandel van het 105<sup>e</sup> en van het 45<sup>e</sup>
+regiment genomen; een zwarte Pruisische huzaar aangehouden door de
+veldontdekkers der vliegende colonne van driehonderd jagers, die
+tusschen Wavre en Plancenoit kruisten; de verontrustende zaken, welke
+deze gevangene meldde; het uitblijven van Grouchy; de vijftienhonderd
+man, die in minder dan een uur in den boomgaard van Hougomont gedood
+werden; de achttienhonderd man, die in nog korter tijd om la
+Haie-Sainte vielen,&mdash;al deze stormachtige tusschentooneelen, die
+evenals de rookwolken van den slag voorbij Napoleon vlogen, hadden
+nauwelijks zijn blik verontrust, of de zekerheid der overwinning op het
+keizerlijk gelaat betrokken. Napoleon was gewoon den oorlog strak in de
+oogen te zien; hij beschouwde niet angstvallig de bijzonderheden naar
+getallen; de getallen raakten hem weinig, zoo zij slechts tot algemeene
+uitkomst hadden&mdash;de overwinning; hij bekommerde er zich niet om,
+zoo het begin in de war liep, hij die zich meester en bezitter van het
+einde geloofde; hij wist te wachten, in den waan, dat omtrent den
+uitslag geen kwestie kon zijn, hij behandelde het noodlot als
+zijnsgelijke. Hij scheen tot het noodlot te zeggen: gij durft niet
+anders.</p>
+<p>Half licht en half schaduw, gevoelde Napoleon zich begunstigd door
+het goede, en geduld door het kwade. Hij had of meende te hebben eene
+verstandhouding, men zou schier <span class="pagenum">[<a id="pb31"
+href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>kunnen zeggen een
+deelgenootschap, met de gebeurtenissen, welke met de onkwetsbaarheid
+der ouden overeenkwam.</p>
+<p>Wanneer men evenwel de Beresina, Leipzig en Fontainebleau achter
+zich heeft, zou men Waterloo hebben moeten mistrouwen. Een geheimzinnig
+fronsen der wenkbrauwen was in den hemel kenbaar.</p>
+<p>Toen Wellington terugtrok, beefde Napoleon van vreugde. Eensklaps
+zag hij het plateau van Mont-Saint-Jean ontruimen, en het front van het
+Engelsche leger verdwijnen. Het trok zich weder bijeen, maar verdween
+uit het gezicht. De keizer richtte zich in zijn stijgbeugels op. De
+bliksem der overwinning schoot uit zijn oogen.</p>
+<p>Wellington, tegen het bosch van Soignes gedrongen en van daar
+verdreven, was de eindelijke uitroeiing van Engeland door Frankrijk,
+&rsquo;t was de wraak over Crecy, Poitiers, Malplaquet en Ramillies. De
+man van Marengo wischte Azincourt uit.</p>
+<p>De keizer, over deze vreeselijke ontknooping peinzend, richtte ten
+laatsten male zijn kijker over alle punten van het slagveld. Zijn
+garde, met het geweer aan den voet achter hem staande, keek van omlaag
+tot hem op met een soort van godsdienstigen eerbied. Hij dacht; hij
+beschouwde de hellingen, merkte de steilten op, onderzocht met zijn
+blik de boomengroepen, de roggevelden, de voetpaden, hij scheen ieder
+kreupelboschje te tellen. Hij staarde met strakken blik op de Engelsche
+barricaden der beide groote wegen, twee breede dammen van
+opeengestapelde boomen, de eerste op den weg van Genappe boven la
+Haie-Sainte, met twee kanonnen gewapend, de eenige van het Engelsche
+leger, die den bodem van het slagveld konden bestrijken; en de andere
+op den weg van Nivelles, waar de Hollandsche bajonetten der
+brigade-Chass&eacute; glinsterden. Bij deze barricade bespeurde hij de
+oude met kalk gewitte kapel van St. Nikolaas op den hoek van den
+dwarsweg naar Braine l&rsquo;Alleud. Hij boog zich en sprak halfluid
+tot den gids Lacoste. De gids schudde ontkennend het hoofd,
+waarschijnlijk met een verraderlijk doel. De keizer richtte zich op en
+dacht na.</p>
+<p>Wellington was teruggetrokken.</p>
+<p>Er bleef slechts over dezen aftocht door eene verplettering te
+voltooien.</p>
+<p>Napoleon wendde zich eensklaps om en zond een renbode naar Parijs,
+om er te berichten dat de slag gewonnen was.</p>
+<p>Napoleon was een dier genie&euml;n, welke bliksems schieten.</p>
+<p>Hij had zijn bliksemstraal thans gevonden.</p>
+<p>Aan de kurassiers van Milhaud gaf hij bevel het plateau van
+Mont-Saint-Jean te bemachtigen. <span class="pagenum">[<a id="pb32"
+href="#pb32" name="pb32">32</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het onverwachte.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zij waren drie duizend vijfhonderd man sterk. Hun
+front strekte zich een kwartier ver uit. &rsquo;t Waren mannen als
+reuzen, op kolossale paarden. &rsquo;t Waren zes-en-twintig escadrons;
+en achter zich hadden zij, om hen te ondersteunen, de divisie van
+Lef&egrave;bvre Desnouettes, de keurbende van zeshonderd gendarmes, de
+jagers der garde, sterk elfhonderd zeven-en-negentig man, en de
+lanciers der garde, sterk achthonderd tachtig lansen. Zij droegen den
+helm zonder paardenstaart en een kuras van geslagen ijzer, pistolen in
+de holsters en een langen rechten pallas. Des ochtends had het geheele
+leger hen bewonderd, toen zij, te negen uren, onder trompetgeschal en
+&rsquo;t spelen der muziekkorpsen van <i lang="fr">Veillons au salut de
+l&rsquo;Empire</i>, in dichte colonnes, met een hunner batterijen in de
+flank en een andere in hun centrum, aanrukten, en zich in twee
+gelederen op den weg tusschen Genappe en Frischemont schaarden en
+plaats namen in de tweede slaglinie, zoo schrander door Napoleon
+samengesteld, daar ze aan haar linkereinde de kurassiers van Kellerman
+en aan haar rechtereinde de kurassiers van Milhaud, om zoo te spreken,
+als twee ijzeren vleugels had.</p>
+<p>De adjudant Bernard bracht hun &rsquo;s keizers bevel. Ney trok den
+degen en stelde zich aan de spits. De ontzaggelijke escadrons geraakten
+in beweging.</p>
+<p>Nu zag men een grootsch schouwspel.</p>
+<p>Deze gansche cavalerie daalde, met opgeheven sabels, vliegende
+vaandels en schallende trompetten, in colonnes van een divisie,
+gelijktijdig en als &eacute;&eacute;n man, met de juistheid van een
+ijzeren stormram die een bres maakt, van de hoogte van Belle-Alliance,
+drong in de geduchte diepte, waar reeds zoo velen gevallen waren,
+verdween er in den kruitdamp, en weder uit die duisternis komende,
+verscheen zij opnieuw aan de andere zijde van het dal, steeds dicht
+in&eacute;&eacute;ngedrongen, en rende in vollen draf, te midden der
+schrootwolken, die boven haar losbarstten, tegen de vreeselijke
+slijkerige helling van den top van Mont-Saint-Jean op. Ernstig,
+dreigend, onwrikbaar stegen zij; in de tusschenpoozen van het geweer-
+en kanonvuur hoorde men het geweldig hoefgetrappel. Daar er twee
+divisi&euml;n waren, vormden zij twee colonnes; de divisie Wathier ter
+rechter-, de divisie Delord ter linkerzijde. In de verte zou men
+gemeend hebben, twee reusachtige ijzeren <span class="pagenum">[<a id=
+"pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span>slangen te zien, die zich
+naar den top der hoogte kronkelden. Zij trokken als een wonder midden
+door den slag.</p>
+<p>Niets dergelijks was gezien sedert de inneming der groote redoute
+aan de Moskowa door de zware cavalerie; Murat ontbrak er, maar Ney
+bevond er zich weder. Het scheen, dat deze massa een monster ware
+geworden en slechts &eacute;&eacute;n ziel had. Ieder escadron golfde
+en verhief zich als de ring van een polyp. Men zag hen door de reten
+van een dichten rooksluier. &rsquo;t Was een baaierd van helmen,
+kreten, sabels, woeste paardensprongen, kanongebulder en
+trompetgeschal, een geregelde, vreeselijke verwarring, en daarboven de
+kurassen als de schubben op de hydra.</p>
+<p>Deze verhalen schijnen tot een anderen tijd te behooren. Iets, dat
+hieraan gelijkt, komt in de oude heldendichten voor, die van
+manpaarden, de oude centauren gewagen, van deze titans met
+menschengelaat en paardenborst, die in galop den Olympus beklommen;
+vreeselijk, onkwetsbaar, verheven, goden en dieren tegelijk!</p>
+<p>Grillige overeenkomst van getallen: zes-en-twintig bataljons
+wachtten deze zes-en-twintig escadrons af. Achter den top der hoogte,
+in de schaduw der bedekte batterij, wachtte de Engelsche infanterie,
+bestaande uit dertien carr&eacute;&rsquo;s, ieder carr&eacute; van twee
+bataljons, en in twee lini&euml;n, de eerste van zes, de tweede van
+zeven carr&eacute;&rsquo;s, met aangelegde geweren op &rsquo;t geen
+komen zou, rustig, zwijgend en bewegingloos. Zij zag de kurassiers
+niet, de kurassiers konden haar niet zien. Zij hoorde &rsquo;t gedreun
+van opstijgende menschen. Zij hoorde den nog sterker donder van drie
+duizend paarden, den dravenden hoefslag, het ritselen der kurassen, het
+kletteren der sabels en iets als een woeste windvlaag. Een vreeselijke
+stilte ontstond, toen verscheen eensklaps een lange reeks opgeheven
+armen met zwaaiende sabels op de heuvelvlakte, en helmen, en trompetten
+en standaarden, en drie duizend hoofden met grijze knevels,
+uitroepende: leve de keizer! Al deze cavalerie bereikte de hoogte.
+&rsquo;t Was als &rsquo;t begin van een aardbeving.</p>
+<p>Maar eensklaps, o ramp! aan de linkerzijde der Engelschen, aan onze
+rechterzijde, begon de voorste rij der colonne kurassiers onder
+vreeselijk getier te steigeren. Op het hoogste punt der kruin
+bespeurden de kurassiers, die van teugellooze woede brandden, om zich
+in de carr&eacute;&rsquo;s en op de kanonnen te storten, tusschen zich
+en de Engelschen een groeve, een diepte. &rsquo;t Was de holle weg van
+Ohain!</p>
+<p>&rsquo;t Was een ontzettend oogenblik. De afgrond lag <span class=
+"corr" id="xd20e629" title=
+"Bron: d&agrave;&agrave;r">d&aacute;&aacute;r</span> twee vademen diep,
+tusschen zijn weerzijdsche glooiing, stijf voor de hoeven der paarden;
+het tweede gelid drong het eerste er <span class="pagenum">[<a id=
+"pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span>in, en het derde het
+tweede; de paarden steigerden, wierpen zich achteruit, vielen op den
+rug met de vier pooten in de lucht, verpletterden en wierpen hun
+ruiters af; &rsquo;t was onmogelijk terug te gaan; de geheele colonne
+was slechts &eacute;&eacute;n werptuig, en de ingespannen kracht om de
+Engelschen te verpletteren, verplette de Franschen; de ontzettende
+laagte kon eerst overgetrokken worden toen ze gevuld was; ruiters en
+paarden stortten er hals over kop in, vermorzelden elkander en vormden
+in dezen kolk slechts &eacute;&eacute;n vleeschklomp; toen deze kuil
+vol levende menschen was, vertrad men ze, en de rest ging er over.
+Schier een derde der brigade Dubois stortte in dien afgrond.</p>
+<p>Hier begon het verlies van den veldslag.</p>
+<p>Een plaatselijke overlevering, die blijkbaar overdrijft, zegt, dat
+twee duizend paarden en vijftienhonderd menschen in den hollen weg van
+Ohain begraven werden. Onder dit cijfer zijn waarschijnlijk al de
+andere lijken begrepen, welke den dag na het gevecht in den poel
+geworpen werden.</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r dat Napoleon deze charge der kurassiers van
+Milhaud beval, had hij het terrein opgenomen, maar den hollen weg niet
+kunnen zien, die op het plateau van den heuvel zelfs geen streep
+vertoonde. Evenwel door de kleine witte kapel, op den hoek van den weg
+van Nivelles oplettend gemaakt, had hij den gids Lacoste omtrent eene
+mogelijke hindernis, die hier zou kunnen bestaan, ondervraagd. De gids
+had ontkennend geantwoord. Men zou dus bijna kunnen zeggen, dat dit
+hoofdschudden van een boer het ongeluk van Napoleon veroorzaakt
+heeft.</p>
+<p>Nog andere noodlottige omstandigheden moesten zich hierbij
+voegen.</p>
+<p>Was het mogelijk, dat Napoleon dezen slag won? Wij antwoorden: neen!
+Waarom? Uithoofde van Wellington? Uithoofde van Bl&uuml;cher? neen.
+Uithoofde van God.</p>
+<p>Dat Bonaparte te Waterloo overwinnaar zou zijn, lag niet meer in de
+wet der negentiende eeuw. Er bereidde zich een andere reeks van
+gebeurtenissen voor, waarin voor Napoleon geen plaats was. De kwade wil
+der gebeurtenissen had zich reeds sinds lang geopenbaard.</p>
+<p>&rsquo;t Was tijd dat deze sterke man viel.</p>
+<p>Het overmatig gewicht van dezen man op het menschelijk lot,
+verstoorde het evenwicht. Dit enkel individu woog meer dan de geheele
+massa. Wanneer de geheele menschelijke levenskracht zich in een enkel
+hoofd samentrok, wanneer de wereld aan het genie van &eacute;&eacute;n
+mensch overgelaten was, zou het doodelijk voor de beschaving zijn, zoo
+zulks lang duurde. <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35"
+name="pb35">35</a>]</span>Het oogenblik was gekomen, dat de
+onverzettelijke hoogste rechtvaardigheid tusschenbeide kwam. &rsquo;t
+Is mogelijk, dat de beginselen en oorzaken, die op regelmatige wijze
+het evenwicht in de zedelijke, zoowel als in de stoffelijke wereld
+teweegbrengen, zich beklaagden. Het rookend bloed, stapels van lijken,
+schreiende moeders zijn vreeselijke beschuldigers. Wanneer de aarde aan
+eenig overwicht lijdt, is er een geheimzinnig gerucht in de duisternis,
+dat door den afgrond gehoord wordt.</p>
+<p>Napoleon was bij het oneindige aangeklaagd, en zijn val was
+besloten.</p>
+<p>Hij hinderde God.</p>
+<p>Waterloo is geen veldslag; &rsquo;t is een omkeering van &rsquo;t
+gelaat der wereld.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het bergvlak van Mont-Saint-Jean.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Ter zelfder tijde als de holle weg had ook de batterij
+zich vertoond.</p>
+<p>Zestig kanonnen en de dertien carr&eacute;&rsquo;s verpletterden de
+kurassiers om zoo te spreken uit de dichtste nabijheid. De
+onverschrokken generaal Delord maakte voor de Engelsche batterij den
+militairen groet.</p>
+<p>De gansche vliegende artillerie der Engelschen had zich in galop in
+de carr&eacute;&rsquo;s begeven. De kurrassiers hadden zelfs den tijd
+niet, een oogenblik in den adem te schieten. De ramp in den hollen weg
+had hen gedecimeerd, maar niet ontmoedigd. &rsquo;t Waren mannen die,
+bij vermindering van getal, in moed toenamen. Alleen de colonne Wathier
+had door de ramp geleden; de colonne Delord, welke Ney links had doen
+zwenken, alsof hij een hinderlaag vermoedde, was ongedeerd
+aangekomen.</p>
+<p>De kurassiers wierpen zich op de Engelsche carr&eacute;&rsquo;s.
+Spoorslags, met lossen teugel, de sabel tusschen de tanden, de pistolen
+in de vuist vielen zij aan.</p>
+<p>In de veldslagen zijn oogenblikken, die de ziel des menschen
+zoodanig verharden, dat zij in den soldaat slechts een beeld en in het
+vleesch slechts steen ziet. De Engelsche bataljons, schoon op zulk een
+woedende wijze aangevallen, hielden onbewegelijk stand.</p>
+<p>&rsquo;t Was een vreeselijk moment.</p>
+<p>Alle fronten der Engelsche carr&eacute;&rsquo;s werden
+tegelijkertijd <span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name=
+"pb36">36</a>]</span>aangevallen. Een woest geweld woedde tegen hen. De
+koele infanterie bleef pal en onverwrikt. Het eerste gelid ontving met
+gebogen knie de kurassiers op de bajonetten, het tweede gelid schoot op
+hen; achter het tweede gelid laadden de kanonniers hun stukken; het
+front van het carr&eacute; opende zich, liet een uitbarsting van
+schroot door en sloot zich weder. De kurassiers beantwoordden dit door
+zich op de carr&eacute;&rsquo;s te werpen. De zware paarden steigerden,
+braken door de gelederen, sprongen over de bajonetten en vielen als
+gevaarten in &rsquo;t midden dier vier levende muren. De kogels maakten
+openingen in de kurassiers, de kurassiers maakten bressen in de
+carr&eacute;&rsquo;s. Geheele rijen menschen werden vermorzeld onder de
+paarden. De bajonetten doorboorden de buiken dezer centauren. Hierdoor
+ontstonden de afzichtelijkste wonden, welke men misschien nimmer elders
+gezien heeft. De door deze verwoede cavalerie verminkte
+carr&eacute;&rsquo;s, trokken zich samen, zonder te wankelen. Hun
+schroot was onuitputtelijk en woedde onder de aanvallers. Het gezicht
+van dat gevecht was gruwelijk. De carr&eacute;&rsquo;s waren geen
+bataljons meer, &rsquo;t waren kraters; de kurassiers waren geen
+cavalerie meer, &rsquo;t was een orkaan. Ieder carr&eacute; was een
+vulkaan, door een wolk bestormd; de lava streed tegen den bliksem.</p>
+<p>De uiterste rechtercarr&eacute; die het meest van alle was
+blootgesteld, werd bij den eersten schok schier geheel vernield. Het
+bestond uit het 75e regiment hooglanders. De doedelzakspeler, in
+&rsquo;t midden van het carr&eacute; op een trom gezeten, in diepe
+onoplettendheid, zijn droefgeestige oogen neergeslagen, die vol van de
+herinnering aan zijn wouden en meren waren, speelde met de
+<i>pibroch</i> onder den arm de liederen van zijn bergen, terwijl men
+rondom hem elkander vernielde. Deze Schotten stierven, terwijl ze aan
+Ben Lothian dachten, evenals de Grieken met de gedachte aan Argos
+stierven. De pallas van een kurassier hieuw den arm af die den
+<i>pibroch</i> vasthield, en deed de muziek zwijgen door den muzikant
+te dooden.</p>
+<p>De kurassiers, die betrekkelijk weinig talrijk waren, zijnde door de
+ramp in den hollen weg zeer verminderd, hadden hier schier het geheele
+Engelsche leger tegen zich; zij vermenigvuldigden zich echter daar
+ieder man voor tien gold. Intusschen weken eenige Hanoveraansche
+bataljons. Wellington zag dit en dacht aan zijn cavalerie. Zoo Napoleon
+in ditzelfde oogenblik aan zijn infanterie had gedacht, zou hij den
+slag gewonnen hebben. Dit verzuim was zijn groote, noodlottige
+misslag.</p>
+<p>Eensklaps voelden de aanvallende kurassiers zich aangevallen. De
+Engelsche cavalerie was hun in den rug. V&oacute;&oacute;r <span class=
+"pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span>hen
+stonden de carr&eacute;&rsquo;s, achter hen Somerset; Somerset, dat wil
+zeggen de veertienhonderd dragonders der garde. Somerset had aan zijn
+rechterzijde Dornberg met de Duitsche lichte ruiterij en aan zijn
+linkerzijde Trip met de Belgische karabiniers; de kurassiers, in den
+flank en in het front van voren en van achteren aangevallen door de
+infanterie en cavalerie, moesten aan alle zijden het hoofd bieden. Wat
+kon &rsquo;t hun schelen&mdash;zij waren een wervelwind. De dapperheid
+was onbeschrijfelijk.</p>
+<p>Buitendien hadden zij achter zich de immer donderende batterij.
+Alleen op deze wijze was &rsquo;t mogelijk, dat deze mannen in den rug
+gekwetst werden. Een hunner kurassen, bij &rsquo;t linker schouderblad
+door een kogel doorboord, bevindt zich bij de verzameling in &rsquo;t
+museum van Waterloo.</p>
+<p>Voor zulke Franschen werden niets minder dan zulke Engelschen
+vereischt.</p>
+<p>&rsquo;t Was geen gevecht meer, &rsquo;t was een schaduw, een
+razernij, een duizelende <span class="corr" id="xd20e701" title=
+"Bron: dwarling">dwarreling</span> van zielen en moed, een orkaan van
+bliksemende zwaarden. In een oogenblik waren van de veertienhonderd
+garde-dragonders slechts achthonderd over; Fuller, hun
+luitenant-kononel, sneuvelde. Ney ijlde met de lanciers en de jagers
+van <span class="corr" id="xd20e704" title=
+"Bron: Lef&eacute;bvre">Lef&egrave;bvre</span> Desnouettes toe. De
+vlakte van Mont-Saint-Jean werd genomen, hernomen, en weder genomen. De
+kurassiers verlieten de cavalerie, om naar de infanterie terug te
+keeren, of liever, deze gansche ontzaglijke massa&rsquo;s grepen en
+hielden elkander zonder dat de een den ander losliet. De
+carr&eacute;&rsquo;s stonden immer pal. Zij werden <span class="corr"
+id="xd20e707" title="Bron: twaaf">twaalf</span> keeren bestormd. Vier
+paarden werden onder Ney gedood. De helft der kurassiers bleef op de
+vlakte. Deze strijd duurde twee uren.</p>
+<p>Het Engelsche leger was er geweldig door geschokt. Er is geen
+twijfel, of de kurassiers, zoo zij niet bij den eersten aanval door de
+ramp in den hollen weg verzwakt waren geworden, zouden het centrum over
+hoop geworpen en de overwinning beslist hebben. Deze buitengewone
+cavalerie verstomde Clinton, die Talavera en Badajoz had gezien.
+Wellington, die voor drie vierde gedeelte overwonnen was, bewonderde
+als een held, en zeide halfluid: <i>splendid!</i> (prachtig).</p>
+<p>De kurassiers vernietigden zeven carr&eacute;&rsquo;s van de
+dertien, namen of vernagelden zestig kanonstukken, en veroverden op de
+Engelsche regimenten zes vaandels, welke drie kurassiers en drie jagers
+der garde den keizer bij de hoeve van la Belle Alliance brachten.</p>
+<p>Wellingtons toestand was verergerd. Deze buitengewone veldslag was
+als een tweegevecht tusschen twee verwoede <span class=
+"pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name=
+"pb38">38</a>]</span>gekwetsten, die wederzijds, steeds strijdend en
+weerstand biedend, al hun bloed verliezen. Wie van beiden zal het eerst
+vallen?</p>
+<p>De worsteling op het bergplat werd voortgezet.</p>
+<p>Tot hoe ver de kurassiers zijn geweest, weet niemand te zeggen.
+Zeker is het, dat den dag na het gevecht een kurassier en zijn paard,
+beiden dood, tusschen het houtwerk der weegbrug voor de voertuigen te
+Mont-Saint-Jean werden gevonden, dat is ter plaatse waar de vier
+straatwegen van Nivelles, Genappe, la Hulpe en Brussel elkander
+kruisen. Deze ruiter was door de Engelsche gelederen heen gebroken. Een
+der mannen, die dit lijk wegvoerden, woont nog te Mont-Saint-Jean. Hij
+heet Dehaze, en was destijds achttien jaar oud.</p>
+<p>Wellington voelde zich wankelen. De krisis was nabij.</p>
+<p>De kurassiers waren niet geslaagd, in zooverre &rsquo;t hun niet
+gelukt was het centrum te breken. Nu beide partijen het bergvlak bezet
+hadden, was niemand er uitsluitend meester van, terwijl het grootste
+gedeelte in allen geval in &rsquo;t bezit der Engelschen was gebleven.
+Wellington had het dorp en het hoogste deel der vlakte; Ney had slechts
+den top en de glooiing. Van weerszijden scheen men in dien noodlottigen
+bodem vastgeworteld te zijn.</p>
+<p>De verzwakking der Engelschen scheen echter onherstelbaar. Het
+verlies van dat leger was ontzettend. Aan den linkervleugel vroeg Kempt
+versterking.&mdash;&bdquo;Ik heb ze niet,&rdquo; antwoordde Wellington;
+&bdquo;dat hij bezwijke!&rdquo;&mdash;Schier in dezelfde minuut vroeg
+Ney&mdash;een zonderlinge samenloop, die de uitputting der beide legers
+schetst&mdash;infanterie aan Napoleon, en Napoleon riep:
+&bdquo;Infanterie! Van waar zou ik ze halen? Meent hij dat ik ze kan
+maken?&rdquo;</p>
+<p>Het Engelsche leger had evenwel het meest geleden. De verwoede
+aanvallen dezer geweldige escadrons met ijzeren kurassen en stalen
+harnassen hadden de infanterie vermorzeld. Eenige mannen om een vaandel
+duidden de plaats van een regiment aan; sommige bataljons werden nog
+slechts door een kapitein of luitenant gecommandeerd; de divisie-Alten,
+die reeds bij la Haie-Sainte zoo geducht geleden had, was schier geheel
+vernietigd; de moedige Belgen der brigade Van Kluze lagen in het koren
+langs den weg van Nivelles gezaaid; er was schier niets over van de
+Hollandsche grenadiers, die in 1811 in onze gelederen Wellington in
+Spanje bevochten, en in 1815 weder met de Engelschen vereenigd Napoleon
+bestreden. Het verlies aan officieren was aanzienlijk. Lord Uxbridge,
+die den volgenden dag zijn been liet begraven, had de knie verbrijzeld.
+Waren in dezen strijd der kurassiers aan de zijde der Franschen Delord,
+<span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name=
+"pb39">39</a>]</span>l&rsquo;H&eacute;ritier, Colbert, Dnop, Travers en
+Blancard buiten gevecht gesteld, aan de zijde der Engelschen waren
+Alten en Barne gekwetst, Delancey, Van Meeren, Ompteda gesneuveld, de
+staf van Wellington gedecimeerd, en Engeland had het slechtste deel in
+deze bloedige schaal. Het 2e regiment der garde te voet had vijf
+luitenant-kolonels, vier kapiteins en drie vaandrigs verloren; het
+eerste bataljon van het 30e regiment infanterie had vier-en-twintig
+officieren en honderd twaalf soldaten verloren, van het 79<sup>e</sup>
+Bergschotten waren vier-en-twintig officieren gekwetst, achttien
+officieren en vierhonderd vijftig soldaten gesneuveld. Het geheel
+Hanoversche huzarenregiment van Cumberland, met zijn kolonel Hacke aan
+&rsquo;t hoofd, had v&oacute;&oacute;r het gevecht den teugel gewend en
+vluchtte door het bosch van Soignes, het bericht der nederlaag tot
+Brussel verspreidende. De kolonel werd later gevonnist en afgezet. De
+artillerietrein, de voortreinen, de bagagewagens, de ziekenwagens vol
+gekwetsten namen, toen zij de Franschen zagen veld winnen en het bosch
+naderen, daarin de vlucht. Van Vert-Coucou tot Groenendaal, langs een
+uitgestrektheid van bijna twee uren in de richting van Brussel, was er
+een ongelooflijk gedrang van vluchtelingen, zooals nog levende getuigen
+heugt. De schrik was zoo groot, dat hij den prins van Cond&eacute; te
+Mechelen en Lodewijk XVIII te Gend bereikte. Uitgezonderd de zwakke
+reserve, die achter de ambulance, in de hoeve van Mont-Saint-Jean, was
+ge&euml;chelonneerd, en de brigaden Vivian en Vandeleur, die aan den
+linkervleugel stonden, had Wellington geen cavalerie meer. Een aantal
+batterijen waren gedemonteerd. Deze feiten zijn door Siborne erkend; en
+Pringle, die de ramp overdrijft, zegt zelfs, dat het
+Engelsch-Hollandsch leger tot vier-en-dertig duizend man was
+ingekrompen. De &bdquo;ijzeren hertog&rdquo; bleef kalm, maar zijn
+lippen waren verbleekt. De Oostenrijksche commissaris Vincent, de
+Spaansche commissaris Alava, die bij den Engelschen staf den veldslag
+bijwoonden, hielden den hertog voor verloren. Te vijf uren zag
+Wellington op zijn horloge, en men hoorde hem deze sombere woorden
+mompelen: &bdquo;Bl&uuml;cher, of de nacht!&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was omstreeks dit oogenblik, dat een verwijderde lijn van
+bajonetten op de hoogten, in de richting van Frischemont
+schitterde.</p>
+<p>Hier begint het keerpunt van dit reusachtige drama. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een slechte gids voor Napoleon, een goede gids voor
+Bulow.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Men kent de grievende teleurstelling van Napoleon; hij
+verwachtte Grouchy, en Bl&uuml;cher kwam; de dood in plaats van het
+leven.</p>
+<p>Het lot heeft zulke wendingen; men verwacht de wereldheerschappij,
+en vindt Sint-Helena. Indien de kleine herder, die Bulow, den
+onderbevelhebber van Bl&uuml;cher, tot gids diende, hem had geraden het
+bosch uit te trekken boven Frischemont in plaats van beneden
+Plancenoit, de negentiende eeuw zou wellicht een geheel ander voorkomen
+hebben, Napoleon had dan den slag van Waterloo gewonnen. Immers langs
+iederen anderen weg dan dien beneden Plancenoit, zou het Pruisische
+leger aan een laagte zijn gekomen, die voor de artillerie onbruikbaar
+was, en Bulow zou niet zijn aangekomen. En langer dan een uur, de
+Pruisische generaal Muffling verklaart dit, zou Wellington zich niet
+meer hebben kunnen staande houden; &bdquo;de slag ware verloren
+geweest.&rdquo;</p>
+<p>Men ziet, &rsquo;t was hoog tijd dat Bulow kwam. Hij had trouwens
+veel oponthoud gehad. Met het krieken van den dag had hij Dion-le-Mont
+verlaten, waar hij gebivouakkeerd had. Maar de wegen waren onbruikbaar
+en zijn divisi&euml;n bleven in de modder steken. De kanonnen zonken er
+tot aan de assen in. Bovendien had men de Dyle over de smalle brug van
+Wavre moeten passeeren; de straat die naar de brug voerde was door de
+Franschen in brand gestoken; de kruitwagens en de artillerietrein
+konden niet tusschen twee rijen brandende huizen gaan en moesten
+wachten tot de brand gebluscht was. Het was middag eer de voorhoede van
+Bulow Chapelle-Saint-Lambert had kunnen bereiken.</p>
+<p>Zoo het gevecht twee uren eerder was begonnen, was het te vier uren
+ge&euml;indigd geweest, en Bl&uuml;cher zou in den door Napoleon
+gewonnen slag zijn gevallen. Zoo onmetelijk zijn de toevalligheden, in
+betrekking tot het oneindige, dat ons begrip te boven gaat.</p>
+<p>Tegen den middag had de Keizer voor het eerst met zijn kijker iets
+aan den verren horizont bespeurd, dat zijn aandacht trok. Hij had
+gezegd:&mdash;Ik zie ginds een wolk, die mij troepen toeschijnt. Daarop
+had hij aan den hertog van Dalmatie gevraagd: Soult, wat ziet gij naar
+den kant van Chapelle-Saint-Lambert?&mdash;De maarschalk, na zijn
+kijker te hebben <span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name=
+"pb41">41</a>]</span>gericht, had geantwoord:&mdash;Vier of vijf
+duizend man, Sire. Zeker Grouchy.&mdash;Maar in den nevel bleef alles
+onduidelijk. Al de kijkers van den generalen staf hadden de door den
+Keizer aangewezen &bdquo;wolk&rdquo; bestudeerd. Sommigen hadden
+gezegd: &rsquo;t Zijn colonnes, die halt houden. De meesten hadden
+gezegd: &rsquo;t Zijn boomen, &rsquo;t Was waar, dat de wolk zich niet
+bewoog. De Keizer had ter verkenning van dat duistere punt de divisie
+lichte cavalerie van Domon afgezonden.</p>
+<p>Inderdaad, Bulow had zich niet bewogen. Zijn voorhoede was zeer zwak
+en kon niets uitrichten. Hij moest het hoofdleger wachten en had bevel
+zich te vereenigen v&oacute;&oacute;r in slagorde op te rukken; doch
+toen, te vijf uren Bl&uuml;cher het gevaar van Wellington zag, gaf hij
+Bulow bevel aan te vallen en sprak dit merkwaardig woord: &bdquo;Wij
+moeten het Engelsche leger lucht geven.&rdquo;</p>
+<p>Weldra ontwikkelden zich de divisi&euml;n Losthin, Hiller, Hacke en
+Ryssel tegenover het corps van Lobau, de cavalerie van prins Willem van
+Pruisen rukte uit het bosch van Parijs; Plancenoit stond in vlammen en
+de Pruisische kogels begonnen tot in de gelederen der garde te regenen,
+die achter Napoleon in reserve stond.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.12" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Twaalfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De garde.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Men kent het overige, de vernielende aanval van een
+derde leger, de veldslag verplaatst, zes en tachtig eensklaps
+donderende vuurmonden, Pirch I met Bulow verschenen, de cavalerie van
+Zieten door Bl&uuml;cher in persoon aangevoerd, de Franschen
+achteruitgedrongen, Marcognet van de hoogte van Ohain gedreven, Durutte
+uit Papelotte verjaagd, Lobau in den flank gegrepen, een nieuwe
+veldslag, waardoor bij het aanbreken van den nacht onze verzwakte en
+uitgeputte regimenten overvallen werden, de geheele Engelsche linie
+haar aanvallende houding hernemende en vooruit gedrongen, de
+reusachtige opening in het Fransche leger gemaakt, het Engelsche en
+Pruisische schroot elkander helpende, verdelging in het front, onheil
+in den flank, de garde, die zich bij deze vreeselijke verwoesting in
+slagorde schaart.</p>
+<p>Dewijl zij gevoelde, dat zij moest sterven, riep zij: leve de
+Keizer! De geschiedenis heeft niets treffender aan te wijzen dan dezen
+in gejuich uitbarstenden doodssnik.</p>
+<p>De lucht was den geheelen dag bewolkt geweest. Eensklaps,
+<span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name=
+"pb42">42</a>]</span>en op ditzelfde oogenblik, &rsquo;t was acht uren
+&rsquo;s avonds, scheidden zich de wolken aan den gezichteinder en het
+donker somber rood der ondergaande zon scheen door de olmen van den weg
+van Nivelles. Te Austerlitz had men haar zien opgaan.</p>
+<p>Ieder bataljon der garde werd, bij deze laatste worsteling, door een
+generaal gecommandeerd. Daar waren Friant, Michel, Roguet, Harlet,
+Mallet, Poret de Morvan. Toen de hooge berenmutsen van de garde met de
+adelaarsplaat, in stipte orde, in gelederen geschaard, bedaard in den
+nevel van het gevecht verschenen, gevoelde de vijand eerbied voor
+Frankrijk; men waande twintig overwinningen met uitgespreide vleugelen
+het slagveld te zien betreden, en zij, die verwinnaars waren, achtten
+zich verwonnen en deinsden achteruit; maar Wellington riep:
+&bdquo;Staat, garden, en mikt juist!&rdquo; Het roode regiment der
+Engelsche garde, dat achter de hagen lag, richtte zich op, een
+hageljacht van kogels doorschoot het driekleurig vaandel, dat om onze
+arenden fladderde; allen drongen voorwaarts, en het laatste bloedbad
+begon. De keizerlijke garde voelde in de schaduw, dat het leger
+&rsquo;t welk haar omgaf, week en het uitgestrekte gedreun van den
+aftocht; zij hoorde het &bdquo;vlucht! redt u!&rdquo; dat het
+&bdquo;leve de Keizer!&rdquo; vervangen had; en met de vlucht achter
+zich, ging zij steeds voorwaarts, meer en meer vermorzeld en bij elke
+schrede die zij deed meer stervende. Er waren geen weifelenden noch
+versaagden. De soldaat van dezen troep was evenzeer een held als de
+generaal. Geen man onttrok zich aan dezen verheven zelfmoord.</p>
+<p>Ney, wanhopig, groot in al de verhevenheid van zijn wijding aan den
+dood, stelde zich aan al de slagen van dien storm bloot. Zijn vijfde
+paard werd onder hem gedood. Met zweet bedekt, met vlammende oogen, met
+schuim op de lippen, met losgeknoopte uniform, een epaulet half door de
+sabel van een horseguard doorgehouwen, zijn ordester van den adelaar
+door een kogel geschonden, bloedig, beslijkt, heerlijk, met den stomp
+van een degen in de hand, riep hij: &bdquo;Ziet hoe een maarschalk van
+Frankrijk op het slagveld sneuvelt!&rdquo; Maar te vergeefs; hij
+sneuvelde niet. Hij was wild en verontwaardigd. Hij beet Drouet
+d&rsquo;Erlon de vraag toe: &bdquo;Zijt gij bang u te laten
+dooden?&rdquo; Te midden van al dat geschut, &rsquo;t welk een handvol
+menschen verpletterde, riep hij: &bdquo;Is er dan niets voor mij! O,
+hoe wenschte ik, dat al die Engelsche kogels mij doorboorden!&rdquo;
+Ongelukkige, gij werdt behouden, om door Fransche kogels te sterven!
+<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name=
+"pb43">43</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.13" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Dertiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De catastrophe.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De vlucht en de verwarring achter de garde was
+vreeselijk.</p>
+<p>Het leger trok zich eensklaps van alle zijden terug van Hougomont,
+van la Haie-Sainte, van Papelotte, van Plancenoit. De kreet: Verraad!
+werd gevolgd door den kreet: Vlucht! redt u! Een zich oplossend leger
+gelijkt aan een ijsgang. Alles buigt, berst, kraakt, drijft, zinkt,
+stoot en verdringt zich. &rsquo;t Is een reusachtige ontbinding. Ney
+leent een paard, springt er op en plaatst zich, zonder hoed, zonder
+das, zonder degen, dwars op den weg naar Brussel, Engelschen en
+Franschen evenzeer tegenhoudende. Hij tracht het leger tot staan te
+brengen, hij roept, scheldt, houdt de vluchtenden vast. Alles stormt
+hem voorbij. De soldaten ontwijken hem, roepende: &bdquo;leve de
+maarschalk Ney!&rdquo; Twee regimenten van Durutte ijlen verschrikt
+heen en weder, teruggejaagd door de sabel der uhlanen en het geweervuur
+der brigades van Kempt, van Best, van Pack en van Ryland; de ergste
+worsteling is de vlucht; vrienden dooden elkander om te vlieden;
+escadrons en bataljons storten tegen een en spatten wijd en zijd uit
+elkander, als schuim van den veldslag. Lobau wordt aan het eene, Reille
+aan het andere eind door den stroom medegesleept. Te vergeefs maakt
+Napoleon muren van hetgeen hem van de garde overblijft, te vergeefs
+verspilt hij de escadrons onder <i>zijn</i> bevel tot een laatste
+inspanning. Quiot wijkt voor Vivian, Kellerman voor Vandeleur, Lobau
+voor Bulow, Morand voor Pirch, Domon en Subervic voor prins Willem van
+Pruisen. Guyot, die de escadrons des Keizers tot den aanval heeft
+gevoerd, valt onder de paarden der Engelsche dragonders. Napoleon
+galoppeert langs de vluchtenden, spreekt hun toe, spoort hen aan,
+dreigt, smeekt. Maar al de monden, die des morgens, &bdquo;Leve de
+Keizer&rdquo; riepen, gapen hem aan; nauwelijks kent men hem. De versch
+aangekomen Pruisische cavalerie stormt toe, vliegt, sabelt, houwt,
+doodt, verdelgt. De voorspannen steigeren, de kanonnen wijken, de
+treinsoldaten spannen de paarden van de kruitwagens om er op te
+vluchten, omgeworpen legerwagens met de vier wielen in de lucht
+versperren den weg en geven gelegenheid ter slachting. Men verplettert,
+vertreedt, gaat over dooden en levenden. De armen zijn als verlamd. Een
+ontzinde menigte vult de wegen, de paden, de bruggen, de dalen, de
+heuvelen, de valleien, de bosschen, <span class="pagenum">[<a id="pb44"
+href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>waar deze veertig duizend
+menschen elkander verdringen en belemmeren. Geschreeuw, wanhoop;
+ransels en geweren in &rsquo;t koren geworpen; met den degen zich een
+doortocht gebaand; geen krijgsmakkers, geen officieren, geen generaals
+meer; een onbeschrijfelijke ontzetting. Zieten op zijn gemak Frankrijk
+neersabelende. Leeuwen in herten herschapen. Zoodanig was deze
+vlucht.</p>
+<p>Te Genappe beproefde men te keeren, front te maken, zich te
+verzamelen. Lobau vereenigde driehonderd man. Men <span class="corr"
+id="xd20e799" title="Bron: baricadeerde">barricadeerde</span> den
+ingang van het dorp; maar bij het eerste schot van het Pruisisch
+schroot vluchtte alles weder, en Lobau werd krijgsgevangen gemaakt. Men
+ziet nog heden de indruksels van dat eerste schot aan den gevel van een
+oud vervallen baksteenen huis, ter rechterzijde van den weg, eenige
+minuten v&oacute;&oacute;r men Genappe binnenkomt. De Pruisen stormden
+in Genappe, woedend gewis, zoo gemakkelijk overwonnen te hebben. De
+vervolging was gruwelijk. Bl&uuml;cher beval alles neder te houwen.
+Roguet had het afgrijselijk voorbeeld gegeven door ieder Fransch
+grenadier met den dood te bedreigen die hem een Pruisisch
+krijgsgevangen bracht. Bl&uuml;cher overtrof Roguet. De generaal der
+jonge garde, Duhesme, die tegen de deur van een herberg te Genappe
+stond, gaf zijn degen aan een zwarten huzaar, die den degen nam en zijn
+gevangene doodde. De overwinning werd door de vermoording der
+verwonnenen voltooid. Laten wij straffen, wijl wij de geschiedenis
+zijn: de oude Bl&uuml;cher bevlekte zijn eer. Deze wreedheid bracht de
+ramp tot het uiterste. De wanhopige vlucht ging door Genappe, door
+Quatre-Bras, door Sombreffe, door Frasnes, door Thuin, door Charleroi,
+en kwam eerst aan de grenzen tot staan. Helaas! en wie was &rsquo;t,
+die zoo vluchtte? het groote leger.</p>
+<p>Is deze verbijstering, deze schrik, deze instorting van de grootste
+dapperheid die ooit de geschiedenis verbaasd heeft, zonder oorzaak?
+Neen. De schaduw eener machtige hand ligt op Waterloo. &rsquo;t Is de
+dag van het noodlot. Eene bovenmenschelijke macht heeft dien dag
+bereid. Vandaar de schrik op aller gelaat; vandaar dat zooveel groote
+harten hun degens overgaven. Zij, die Europa overwonnen hadden, zonken
+verpletterd neder, hadden niets meer te zeggen of te doen, en gevoelden
+in de schaduw iets vreeselijks tegenwoordig. <i>Hoc erat in fatis.</i>
+Die dag veranderde het uitzicht van het menschelijk geslacht. Waterloo
+is het keerpunt der negentiende eeuw. De verdwijning van den grooten
+man was noodzakelijk voor de verschijning der groote eeuw. Een
+oppermachtig wezen heeft zich hiermede belast. De paniek der helden is
+hierdoor verklaarbaar. In den slag van Waterloo vertoont zich
+<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name=
+"pb45">45</a>]</span>meer dan een wolk, er vertoont zich een
+hemelverschijnsel. God is daar geweest.</p>
+<p>In &rsquo;t vallen van den avond vatten Bernard en Bertrand op een
+veld bij Genappe een somber peinzend man bij zijn overjas, die door den
+stroom der vlucht medegesleept, van zijn paard was gestegen, den teugel
+in zijn arm had genomen en met verwilderden blik alleen naar Waterloo
+terugging. &rsquo;t Was Napoleon, die nog beproefde voorwaarts te
+gaan&mdash;de groote slaapwandelaar van dien verstoorden droom!</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.14" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Veertiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het laatste carr&eacute;.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eenige carr&eacute;&rsquo;s der garde, onbewegelijk in
+de woelige vlucht als rotsen in het bruisend water, hielden stand tot
+den nacht. De nacht kwam, en met hem de dood; zij verwachtten die
+dubbele duisternis en lieten zich er onverschrokken door omvangen.
+Ieder regiment, van de andere gescheiden en niet meer aan &rsquo;t
+leger verbonden, dat aan alle zijden gebroken was, sneefde voor eigen
+rekening. Zij hadden voor deze laatste heldendaad post gevat, eenige op
+de hoogten van Rossomme, andere op de vlakte van Mont-Saint-Jean. Daar,
+verlaten, overwonnen, hadden deze sombere carr&eacute;&rsquo;s nog een
+vreeselijken doodsstrijd. Ulm, Wagram, Jena, Friedland stierven in
+hen.</p>
+<p>In de schemering, tegen negen uur &rsquo;s avonds, bleef er op de
+vlakte van Mont-Saint-Jean slechts &eacute;&eacute;n over. In deze
+heillooze vallei, aan den voet dezer door de kurassiers bestegen
+helling, die thans door Engelsche drommen was overstroomd, had dit
+carr&eacute; het kruisvuur der overwinnende vijandelijke artillerie,
+een vreeselijken, dichten schroot- en kogelregen uit te staan. Het werd
+door een weinig bekend officier, met name Cambronne, gecommandeerd. Bij
+elke losbranding verminderde het carr&eacute; en schoot terug. Het
+beantwoordde het schrootvuur met geweervuur, terwijl het zijn vier
+muren steeds dichter bijeentrok. In de verte bleven de vluchtenden,
+buiten adem, even staan, om in de duisternis naar dit somber, steeds
+zwakker wordend geknetter te hooren.</p>
+<p>Toen dit legioen slechts een handvol meer was, toen hun vaandel was
+weggeschoten, toen hun kogels verschoten en hun geweren slechts
+knuppels meer waren, en de hoop lijken grooter was dan de groep
+levenden, ontstond bij de overwinnaars die deze verhevene stervenden
+omgaven een soort van <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46"
+name="pb46">46</a>]</span>heilige ontzetting, en de Engelsche
+artillerie verpoosde en zweeg. &rsquo;t Was een soort van rust. Deze
+strijders waren omgeven door een gewemel van spookgedaanten, schimmen
+van mannen te paard, donkere omtrekken van kanonnen, door wier wielen
+en affuiten men den helderen hemel zag; het reusachtig doodshoofd,
+&rsquo;t welk de helden altijd door den kruitdamp op den achtergrond
+van den slag zien, naderde en staarde hen aan. Zij konden in de
+schemering hooren, dat men de stukken laadde; de brandende lonten, die
+als tijgeroogen in den nacht glinsterden, vormden een kring om hun
+hoofden; al de lontstokken der Engelsche batterijen naderden de
+kanonnen; toen riep een Engelsch generaal&mdash;volgens sommigen
+Colville, volgens anderen Maitland&mdash;in dit uiterste oogenblik,
+aangedaan: Dappere Franschen, geeft u over!&mdash;Cambronne antwoordde:
+<i>Merde!</i></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.15" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijftiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Cambronne.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Voor den overdreven kieschkeurigen Franschen lezer mag
+het schoonste woord, &rsquo;t welk een Franschman wellicht ooit
+gesproken heeft, niet herhaald worden. &rsquo;t Is verboden het
+verhevene in de geschiedenis te vermelden.</p>
+<p>Voor onze rekening en gevaar overtreden wij dit verbod.</p>
+<p>Er was dus onder deze reuzen een titan, Cambronne.</p>
+<p>Zulk een woord te zeggen en dan te sterven, wat is er grootscher!
+want te willen sterven is sterven, en &rsquo;t is de schuld van dezen
+man niet, dat hij het schrootvuur overleefd heeft.</p>
+<p>De man die den slag bij Waterloo heeft gewonnen is niet de
+vluchtende Napoleon; &rsquo;t is niet Wellington, die te vier uren
+terugtrekt, te vijf uren wanhopend is; &rsquo;t is niet Bl&uuml;cher,
+die niet gestreden heeft; de man die den slag bij Waterloo heeft
+gewonnen is Cambronne.</p>
+<p>Door zulk een woord den donder neer te slaan die u doodt, dit is
+overwinnen.</p>
+<p>Dit den rampspoed te antwoorden, dit aan het noodlot te zeggen, dit
+voetstuk aan den toekomstigen leeuw te geven, dit antwoord toegeworpen
+aan den nachtregen, den verraderlijken muur van Hougomont, den hollen
+weg van Ohain, de vertraging van Grouchy, de komst van Bl&uuml;cher; in
+het graf ironisch te zijn, zoo te handelen dat men zal staande blijven,
+<span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name=
+"pb47">47</a>]</span>na gevallen te zijn, in twee lettergrepen de
+Europeesche coalitie te beschimpen, den koningen dit door de Cesars
+reeds gekende present aan te bieden, van het laagste woord het
+verhevenste te maken, Waterloo met een vastenavond-scherts te
+besluiten, Leonidas met Rabelais aan te vullen, deze overwinning in een
+uiterste woord, dat niet genoemd mag worden, samen te vatten, terrein
+te verliezen en de geschiedenis te behouden, na zulk een bloedbad de
+lachers aan zijn zijde te hebben&mdash;dit is
+verheven&mdash;ontzaggelijk.</p>
+<p>&rsquo;t Is den bliksem hoonen. &rsquo;t Bereikt de verhevenheid van
+Eschylus.</p>
+<p>Het woord van Cambronne heeft de uitwerking van een breuk: het
+breekt de verachting; het breekt den trots. Wie heeft overwonnen? is
+&rsquo;t Wellington? Neen. Zonder Bl&uuml;cher was hij verloren. Is
+&rsquo;t Bl&uuml;cher? Neen. Zoo Wellington niet was begonnen, had
+Bl&uuml;cher niet kunnen eindigen. Deze Cambronne, die eerst in het
+laatste uur verschijnt, deze onbekende soldaat, dit oneindig kleine van
+den oorlog, gevoelt dat er een logen in een rampspoed is&mdash;dubbel
+grievend; en op &rsquo;t oogenblik dat hij er door in woede is, biedt
+men hem deze bespotting&mdash;het leven! Waarom zou hij zich inhouden?
+Zij zijn d&aacute;&aacute;r, al de koningen van Europa, de gelukkige
+veldheeren, de donderende Jupiters; zij hebben honderd duizend
+zegevierende soldaten; en achter de honderd duizend een millioen; hun
+kanonnen gapen, hun lonten vlammen; zij hebben de keizerlijke garde en
+de groote armee onder den voet; zij hebben Napoleon verpletterd, alleen
+Cambronne blijft over; niemand is er om te protesteeren dan deze
+nietige aardworm. Hij zal protesteeren. En hij zoekt een woord, evenals
+men een wapen zoekt. Gal komt bij hem op, en die gal is het woord.
+Tegenover deze ontzaggelijke en toch middelmatige zegepraal, tegenover
+deze overwinning zonder overwinnaars, richt zich deze wanhopige op; hij
+lijdt er het verschrikkelijke, maar betuigt er het nietige van; hij
+doet meer dan ze te bespuwen; en onder de bezwijking van getal, kracht
+en stof, vindt hij in de ziel een uitdrukking: verwerping. Wij herhalen
+&rsquo;t, dit te zeggen, dit te doen, dit te vinden is overwinnaar
+zijn.</p>
+<p>De geest der groote dagen kwam in dien onbekenden man op dit
+noodlottig oogenblik. Cambronne vindt het woord voor Waterloo gelijk
+Rouget de l&rsquo;Isle de Marseillaise vindt, door ingeving van boven.
+Een straal van den hemelstorm schiet door deze mannen; zij huiveren, en
+de een zingt den zwanenzang, de ander spreekt het verheven woord. Dit
+woord van reusachtige verachting werpt Cambronne, niet enkel in naam
+<span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name=
+"pb48">48</a>]</span>van het keizerrijk, Europa toe, &rsquo;t zou
+weinig zijn; hij werpt het, in naam der revolutie, het verleden toe.
+Men hoort hem en herkent in Cambronne de ziel der oude reuzen. &rsquo;t
+Is alsof Danton spreekt, of Kleber brult.</p>
+<p>Op het woord van Cambronne antwoordt de Engelsche stem: vuur! de
+batterijen vlamden, de heuvel beefde, al deze metalen monden braakten
+een laatste vreeselijk vuur; een geweldige rookwolk, flauw door de
+opgaande maan beschenen, golfde daarheen, en toen de damp verdween was
+er niets meer. Het vreeselijk overschot was vernietigd; de garde was
+dood. De vier muren van de levende schans lagen ter aarde; met moeite
+onderscheidde men hier en daar een trilling onder de lijken; alzoo
+sneefden de Fransche legioenen, grooter dan de Romeinsche, te
+Mont-Saint-Jean op de met regen en bloed gedrenkte aarde, in het
+donkere koren, ter plaatse waar thans Jozef, de postiljon van Nivelles,
+te vier uren des morgens, fluitend en vroolijk zijn paard zweepende,
+voorbij rijdt.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.16" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zestiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Quot Libras in Duce?</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De slag bij Waterloo is een raadsel. Hij is even
+duister voor hen die hem gewonnen, als voor hen die hem verloren
+hebben. Voor Napoleon is &rsquo;t een paniek<a class="noteref" id=
+"xd20e866src" href="#xd20e866" name="xd20e866src">1</a>; <span class=
+"corr" id="xd20e878" title="Bron: Blucher">Bl&uuml;cher</span> ziet er
+niets dan vuur; Wellington begrijpt er niets van. Zie de rapporten. De
+berichten zijn onduidelijk, de verklaringen zijn verward. Dezen
+stamelen, genen stotteren. Jomini verdeelt den slag bij Waterloo in
+vier momenten; Muffling in drie tooneelen; Charras, schoon hij eenige
+punten anders opvat dan wij, heeft alleen met zijn fieren blik de
+karakteristieke omtrekken van deze worsteling van &rsquo;t menschelijk
+genie met de beschikking des Hemels begrepen. Al de overige
+geschiedschrijvers zijn in zekere verbijstering en zij tasten in deze
+verbijstering rond. Inderdaad een bedwelmende gebeurtenis, de
+instorting der militaire monarchie, die, tot ontzetting der koningen,
+alle koninkrijken heeft medegesleept, de val van het geweld, de
+nederlaag van den oorlog. <span class="pagenum">[<a id="pb49" href=
+"#pb49" name="pb49">49</a>]</span></p>
+<p>De menschen hebben tot deze gebeurtenis, welke het merk der
+bovenmenschelijke noodzakelijkheid draagt, niets toegebracht.</p>
+<p>Wellington en Bl&uuml;cher Waterloo te ontnemen, is dit Engeland en
+Duitschland iets ontnemen? Neen. Noch het roemrijk Engeland, noch het
+doorluchtig Duitschland zijn in het probleem van Waterloo betrokken.
+Den hemel zij dank, de volken zijn groot buiten de sombere toevallen
+des degens. Noch Duitschland, noch Engeland, noch Frankrijk worden door
+een scheede besloten. In dit tijdperk, waarin Waterloo slechts een
+wapengekletter is, heeft Duitschland Goethe boven Bl&uuml;cher,
+Engeland Byron boven Wellington. Onze eeuw verheft zich op de
+ontwikkeling van den geest, en Engeland en Duitschland prijken in
+heerlijken glans op dit veld. Zij zijn majestueus, wijl zij denken. De
+vooruitgang der beschaving is mede hun werk, deze ontstaat uit hen en
+niet door het toeval. De grootheid welke zij in de negentiende eeuw
+hebben, heeft Waterloo niet tot oorsprong. Slechts barbaarsche volken
+breiden zich plotseling na een overwinning uit. &rsquo;t Is de
+vluchtige zwelling der rivier na een stortvloed. De beschaafde volken,
+vooral in den tijd dien wij beleven, stijgen of dalen niet door het
+geluk of het ongeluk van een veldheer. Hun soortelijk gewicht in
+&rsquo;t menschelijk geslacht ontstaat uit iets meer dan uit een
+veldslag. Hun eer, hun waardigheid, hun verlichting, hun genie zijn,
+Goddank, geen nummers, welke de helden en veroveraars, deze
+hazardspelers, in de loterij der veldslagen kunnen nemen. Vaak is een
+verloren veldslag, gewonnen vooruitgang. Hoe minder roem, hoe meer
+vrijheid. De trom zwijgt, de rede neemt het woord. &rsquo;t Is het spel
+&bdquo;die wint verliest.&rdquo; Laat ons dus van weerszijden met
+kalmte over Waterloo spreken. Geven wij het toeval wat het toeval
+toekomt, en aan God wat God toekomt<span class="corr" id="xd20e886"
+title="Bron: ,">.</span> Wat is Waterloo? Een overwinning? Neen. Een
+lot uit de loterij.</p>
+<p>Een lot door Europa gewonnen; door Frankrijk betaald.</p>
+<p>&rsquo;t Was nauwelijks der moeite waard, hiervoor een leeuw te
+plaatsen. Waterloo is overigens de vreemdste ontmoeting, die in de
+geschiedenis voorkomt. Napoleon en Wellington. &rsquo;t Zijn geen
+vijanden, &rsquo;t zijn tegenstrijdigheden. God, die tegenstellingen
+bemint, heeft nooit opmerkelijker contrast en buitengewoner
+samentreffing geschapen. Aan de eene zijde nauwkeurigheid,
+bedachtzaamheid, wiskundige berekening, voorzichtigheid, verzekerde
+aftocht, bespaarde reserven, een volhardende koelbloedigheid, een
+onwrikbare methode, een krijgskunst die zich het terrein ten nutte
+maakt, een tactiek die de bataljons in evenwicht houdt, een bloedbad
+met de lijn afgemeten, <span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50"
+name="pb50">50</a>]</span>de oorlog met het horloge in de hand,
+geregeld, niets aan het toeval overgelaten, de oude klassieke moed, de
+volstrekte juistheid; aan de andere zijde onwillekeurige ingeving en
+voorgevoel, de militaire zonderlingheid, het bovenmenschelijk instinct,
+de vlammende blik, iets onbekends, dat als de arend nederschiet en als
+de bliksem treft; een wonderbaarlijke kunst bij een verachtende
+onstuimigheid, al de verborgenheden eener diepe ziel, het verbond met
+het noodlot; de stroom, de vlakte, het bosch, de heuvel, opgeroepen en
+eenigerwijs gedwongen tot gehoorzaamheid, de despoot, zelfs zoover
+gaande van het slagveld <span class="corr" id="xd20e895" title=
+"Bron: de">te</span> tyranniseeren; het geloof aan een goed gesternte
+gepaard aan de krijgswetenschap, haar uitbreidende, maar zonder regel.
+Wellington was de Bar&ecirc;me van den oorlog, Napoleon de Michel
+Angelo, en ditmaal werd het genie door de berekening verwonnen.</p>
+<p>Aan beide zijden wachtte men iemand. De nauwkeurige rekenaar
+slaagde. Napoleon verwachtte Grouchy; deze kwam niet. Wellington
+verwachtte Bl&uuml;cher: deze kwam.</p>
+<p>Wellington is de klassieke oorlog, die revanche neemt. Bonaparte
+had, bij zijn opkomst, dien oorlog in Itali&euml; gevonden en trotsch
+geslagen. De oude uil was voor den jongen gier gevlucht. De oude
+krijgskunst was niet alleen verpletterd, maar te schande gemaakt. Wie
+was deze zesentwintigjarige korsikaan, wat beteekende deze schitterende
+onbekende, die alles <i>tegen</i><span class="corr" id="xd20e904"
+title="Niet in bron">,</span> niets <i>v&oacute;&oacute;r</i> zich had,
+zonder levensmiddelen, zonder <span class="corr" id="xd20e910" title=
+"Bron: amunitie">ammunitie</span>, zonder geschut, zonder schoenen,
+schier zonder wapens, zich met een handvol soldaten tegenover
+legerdrommen op het verbonden Europa wierp en ongerijmd, tegen alle
+regels, schier onmogelijke overwinningen behaalde? Wat was deze
+nieuweling in den oorlog, die de stoutheid van een bovenaardsch wezen
+had? De militaire hoogeschool deed hem in den ban, daar hij haar
+ontvluchtte. Hierdoor ontstond een <span class="corr" id="xd20e913"
+title="Bron: overzoenlijke">onverzoenlijke</span> vijandschap van het
+oude Cesarisme tegen het nieuwe, van de nauwkeurige sabel tegen het
+vlammende zwaard, en van het schaakspel tegen het genie. Den 18 Juni
+had deze vijandschap het laatste woord, en schreef, onder Lodi,
+Montebello, Montenotte, Mantua, Marengo, Arcola:
+&bdquo;Waterloo.&rdquo; Zege der middelmatigheid, die de meerderheid
+behaagt. Het noodlot nam genoegen met deze ironie. Bij zijn ondergang
+vond Napoleon een jongen Suwarow voor zich.</p>
+<p>Om Suwarow te hebben was er inderdaad niet meer noodig dan
+Wellington&rsquo;s haar grijs te maken.</p>
+<p>Waterloo is een veldslag van den eersten rang, door een veldheer van
+den tweeden rang gewonnen.</p>
+<p>Wat men in den veldslag bij Waterloo moet bewonderen is <span class=
+"pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name=
+"pb51">51</a>]</span>Engeland, de Engelsche standvastigheid, de
+Engelsche vastberadenheid, het Engelsch bloed; wat Engeland er het
+heerlijkst heeft gehad, is, als ik &rsquo;t zeggen mag, zich zelf.
+&rsquo;t Is niet zijn veldheer, &rsquo;t is zijn leger. Zonderling
+ondankbaar, verklaart Wellington, in een brief aan lord Bathurst, dat
+zijn leger, &rsquo;t welk den 18 Juni 1815 gestreden heeft, een
+&bdquo;afschuwelijk leger&rdquo; was. Wat zegt hiervan de donkere
+ontzaggelijke hoop beenderen onder de voren van Waterloo begraven?</p>
+<p>Engeland is tegenover Wellington te nederig geweest. Wellington zoo
+groot te maken is Engeland verkleinen. Wellington is slechts een gewoon
+held. De grijze Schotten, de horseguards, de regimenten van Maitland en
+Mitchell, de infanterie van Pack en van Kempt, de cavalerie van
+Ponsonby en van Somerset, de Hooglanders die onder het schroot op de
+<i>pibroch</i> spelen, de bataljons van Rylandt, de jonge recruten, die
+nauwelijks het geweer wisten te hanteeren, en de oude benden van
+Esslingen en van Rivoli het hoofd boden,&mdash;ziedaar wat grootsch is.
+Wellington was volhardend, en dit was zijn eenige verdienste; wij
+willen er niets op afdingen, maar de minste zijner voetknechten en
+ruiters was even standvastig als hij. De iron-soldier (ijzeren soldaat)
+is evenveel waard als de iron-duke (ijzeren hertog). Onze geheele
+vereering is voor den Engelschen soldaat, het Engelsche leger, het
+Engelsche volk. Zoo er een zegeteeken moet zijn, komt het Engeland toe.
+De kolom van Waterloo zou juister zijn, zoo zij in plaats van de
+gestalte eens mans, het beeld eens volks in de wolken verhief.</p>
+<p>Maar het groote Engeland zal zich vertoornen over hetgeen wij hier
+zeggen. Het heeft nog, na zijn 1688 en ons 1789, zijn feodale
+hersenschim. Het gelooft aan de erfelijkheid en de hierarchie. Dit
+volk, dat door geen ander in macht en roem wordt overtroffen, acht zich
+als natie, niet als volk. Als volk onderwerpt het zich gewillig en
+neemt een lord tot hoofd aan. Als workman (arbeider) laat het zich
+verachten; als soldaat laat het zich stokslagen geven. Men weet, dat
+een sergeant, die naar &rsquo;t schijnt, in den slag van Inkermann het
+leger gered heeft, door lord Raglan niet kon vermeld worden, wijl de
+Engelsche militaire hierarchie niet veroorlooft in een rapport melding
+te maken van een held beneden den rang van officier.</p>
+<p>Wat ons bovenal treft in een ontmoeting als die van Waterloo, is de
+wonderbare behendigheid van het toeval. De nachtregen, de muur van
+Hougomont, de holle weg van Ohain, Grouchy doof voor het kanon,
+Napoleon door den gids bedrogen, Bulow door den gids terechtgewezen, al
+deze omstandigheden zijn wonderbaar bestuurd. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span></p>
+<p>In &rsquo;t algemeen moet gezegd worden, dat Waterloo veeleer een
+bloedbad dan een veldslag was. Waterloo heeft van alle geregelde
+veldslagen het kleinste front bij een zoo groot getal strijders.
+Napoleon drie kwartier; Wellington een half uur; twee en zeventig
+duizend strijders aan elke zijde. Uit deze gedrongenheid ontstond het
+bloedbad. Men heeft deze berekening en deze verhouding gevonden:
+Verlies aan troepen: te Austerlitz, Franschen, veertien percent;
+Russen, dertig percent; Oostenrijkers, vierenveertig percent. Te
+Wagram, Franschen, dertien percent, Oostenrijkers veertien percent. Aan
+de Moskowa, Franschen, zevenendertig, Russen vierenveertig percent. Te
+Bautzen, Franschen, dertien percent, Russen en Pruisen, veertien. Te
+Waterloo, Franschen, zesenvijftig percent, Gealli&euml;erden
+eenendertig. Gezamenlijk voor Waterloo eenenveertig percent. Honderd
+vierenveertig duizend strijders; zestigduizend dooden.</p>
+<p>Het veld van Waterloo heeft thans de kalmte, welke aan de aarde, als
+de rustige voedster van den mensch, behoort, en het gelijkt op alle
+vlakten.</p>
+<p>Des nachts evenwel stijgt er als een tooverachtige nevel op, en zoo
+een reiziger er wandelt, er rondziet, er luistert, zoo hij mijmert als
+Virgilius op de noodlottige vlakte van Philippes, verschijnt het
+vreeselijke schouwspel voor zijn geest. De ontzettende 18 Juni
+herleeft; het valsche heuvel-monument wijkt, de leeuw, hoe dan ook,
+verdwijnt, het wezenlijke slagveld is er weder, infanterie-gelederen
+golven over de vlakte; in woesten galop vliegt de ruiterij langs den
+horizon; de verschrikte mijmeraar ziet het flikkeren der sabels, het
+schitteren der bajonetten, het vlammen der bommen, en verneemt het
+vreeselijke gebulder der elkander kruisende donders; hij hoort als een
+gereutel in de diepte van een graf, het flauw gerucht van het
+spookbeeld des veldslags; deze schimmen zijn de grenadiers; deze
+flikkeringen zijn de kurassiers; dit geraamte is Napoleon; dit geraamte
+is Wellington; dat alles is niet meer, en dringt en strijdt nog; de
+holle wegen worden purper, en de boomen rillen; er is zelfs woede in de
+wolken, en in de duisternis verschijnen op al deze woeste hoogten,
+Mont-Saint-Jean, Hougomont, Frischemont, Papelotte, Plancenoit,
+onduidelijk zwermen van schimmen, die elkander verdelgen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e866" href="#xd20e866src" name="xd20e866">1</a></span> &bdquo;Een
+voleindigden veldslag, een voltooide zaak, verkeerde maatregelen
+verbeterd, grootere voordeelen voor den volgenden dag
+verzekerd&mdash;alles ging door een oogenblik van panischen schrik
+verloren.&rdquo;</p>
+<p class="footnote">(<i>Napoleon, <span class="corr" id="xd20e873"
+title="Niet in bron">&bdquo;</span>Handschrift van
+Sint-Helena.&rdquo;</i>)</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.17" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zeventiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Moet men Waterloo goedvinden?</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er bestaat een zeer achtenswaardige vrijzinnige
+school, die Waterloo niet haat. Wij behooren er niet toe. Voor ons is
+Waterloo slechts de vervalschte dagteekening der vrijheid. Dat een
+arend als dien wij kennen uit zulk een ei voortkomt, is stellig
+onverwacht.</p>
+<p>Waterloo is, zoo men zich op het hoogste gezichtspunt der kwestie
+plaatst, een bedeelde anti-revolutionnaire overwinning. &rsquo;t Is
+Europa tegen Frankrijk, &rsquo;t is Petersburg, Berlijn en Weenen tegen
+Parijs, &rsquo;t is het status-quo tegen het initiatief, &rsquo;t is de
+14 Juli 1789 door den 20 Maart 1815 aangevallen: &rsquo;t is de
+wapenkreet der monarchie&euml;n tegen het onbedwingbaar Fransch oproer.
+Dit groote volk <span class="corr" id="xd20e951" title=
+"Bron: de">te</span> dempen, dat sinds 26 jaar vuur en vlam
+verspreidde, was de bedoeling. Vandaar het verbond der Brunswijkers,
+Nassauers, Romanoffs, Hohenzollerns, Habsburgen met de Bourbons.
+Waterloo draagt het &bdquo;bij de gratie Gods&rdquo; aan &rsquo;t
+hoofd. Het is waar, dat, wijl het Keizerrijk despotiek was geweest, het
+koningschap, tengevolge der natuurlijke terugwerking, gedwongen was
+liberaal te wezen, en dat een constitutioneele orde zeer tegen den zin
+en tot grooten spijt der overwinnaars uit Waterloo is voortgekomen.
+&rsquo;t Is omdat de revolutie werkelijk niet verwonnen kan worden en
+als een noodwendig gevolg der omstandigheden steeds weder verschijnt,
+v&oacute;&oacute;r Waterloo, in Bonaparte als hij de oude tronen
+omverwerpt, na Waterloo, in Lodewijk XVIII als hij het Charter verleent
+en er zich aan onderwerpt. Bonaparte plaatst een postiljon op den troon
+van Napels en een sergeant op den troon van Zweden; hij bezigt de
+ongelijkheid om de gelijkheid te bewijzen; Lodewijk XVIII onderteekent
+te Saint-Ouen de verklaring der rechten van den mensch. Wilt ge u
+rekenschap geven van wat revolutie is, noem haar
+&bdquo;vooruitgang&rdquo;; wilt ge u rekenschap geven van wat
+vooruitgang is, noem hem &bdquo;morgen.&rdquo; &bdquo;Morgen&rdquo;
+verricht onweerstaanbaar zijn werk, en begint reeds heden. Op
+zonderlinge wijze bereikt het altijd zijn doel. Het gebruikt Wellington
+om van Foy, die slechts een soldaat was, een redenaar te maken. Foy
+valt te Hougomont en herrijst op de tribune. Zoo handelt de
+vooruitgang. Er zijn geen slechte werktuigen voor dezen arbeider!
+Onbekommerd bezigt hij voor zijn goddelijk werk den man die over de
+Alpen stapt, en den goeden zwakken grijsaard. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name="pb54">54</a>]</span>Hij
+bedient zich van den podagrist evenzeer als van den overwinnaar; van
+den overwinnaar naar buiten, van den podagrist naar binnen. Waterloo
+heeft een einde gemaakt aan het omstorten der tronen van Europa door
+het zwaard, doch heeft geen ander gevolg gehad dan het werk der
+revolutie aan de andere zijde te doen voortzetten. De heerschappij van
+het zwaard was ten einde; de beurt was nu aan de denkers. De eeuw,
+welke Waterloo wilde tegenhouden, is er over heengegaan en heeft haar
+weg vervolgd. Deze treurige overwinning is door de vrijheid
+verworven.</p>
+<p>Wat ten slotte en onwedersprekelijk te Waterloo zegevierde, wat
+achter Wellington glimlachte, wat hem al de maarschalksstaven van
+Europa, daarbij zoo men zegt den maarschalksstaf van Frankrijk
+bezorgde, wat vroolijk den grond, nog vol beenderen, tot een heuvel
+deed opkruien om er den leeuw op te richten, wat zegepralend op dat
+voetstuk den datum &bdquo;18 Juni 1815&rdquo; heeft geschreven, wat
+Bl&uuml;cher aanmoedigde om de vluchtelingen neer te sabelen, wat van
+den top van Mont-Saint-Jean zich naar Frankrijk als naar een prooi
+boog, was de contra-revolutie. &rsquo;t Was de tegenomwenteling, die
+het schandelijk woord: &bdquo;Verbrokkeling&rdquo; mompelde. Te Parijs
+gekomen, heeft zij den krater van nabij gezien, en voelde dat deze asch
+haar de voeten verbrandde, en zij bedacht zich. Zij vergenoegde zich
+met het stamelen van een charter.</p>
+<p>Laat ons in Waterloo niets zien dan &rsquo;t geen in Waterloo is.
+Van vrijheid uit goeden wil, niets. De contra-revolutie was
+onwillekeurig liberaal, evenals door een hiermede overeenkomend
+verschijnsel Napoleon onwillekeurig revolutionnair was. Den 18 Juni
+1815 werd de Robespierre te paard uit den zadel gelicht.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.18" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achttiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Uitbreiding van het &bdquo;Goddelijk
+recht.&rdquo;</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Einde van het dictatorschap. Het geheele stelsel van
+Europa stortte in.</p>
+<p>Het Keizerrijk verzonk in een schaduw, welke die der stervende
+Romeinsche wereld geleek. Men zag weder een afgrond als ten tijde der
+barbaren. Maar de barbaarschheid van 1815, welke men bij haar korten
+naam van contra-revolutie moet noemen, had weinig adem, was spoedig
+uitgeput en bleef steken. Het Keizerrijk, wij moeten het zeggen, werd
+beweend, <span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name=
+"pb55">55</a>]</span>en beweend door de oogen van helden. Zoo de roem
+bestaat in het zwaard tot schepter gemaakt, was het Keizerrijk de roem
+zelf geweest. Het had op aarde al het licht verspreid, dat de
+dwingelandij geven kan; een somber licht. Wat meer is, een duister
+licht. Bij het ware daglicht vergeleken is het nacht. Deze verdwijning
+van den nacht, had de uitwerking eener eclips.</p>
+<p>Lodewijk XVIII kwam te Parijs terug. De rondedansen van den 8 Juli
+wischten de geestdrift van den 20 Maart uit. De Korsikaan werd de
+tegenstelling van den B&eacute;arner. De vlag van den koepel der
+Tuilerie&euml;n werd wit. De verbanning zat op den troon. De withouten
+tafel van Hartwell nam plaats v&oacute;&oacute;r den gelelieden
+armstoel van Lodewijk XIV. Men sprak van Bouvines en Fontenoy als van
+gisteren, Austerlitz was verouderd. Het altaar en de troon waren in
+hartelijke broederschap. Een der onbetwistbaarste vormen van geluk voor
+de maatschappij in de negentiende eeuw vestigde zich in Frankrijk en op
+het vasteland. Europa nam de witte kokarde aan. Trestaillon was
+beroemd. Het devies <i lang="la">non pluribus impar</i> verscheen weder
+in de steenen stralen, die op den voorgevel der kazerne van de kade
+Orsay een zon vormden. Waar een Keizerlijke garde was geweest, was een
+rood huis. De boog van het Carousel, overladen met kwalijk verdragen
+overwinningen, als vreemd temidden dezer nieuwigheden, misschien
+eenigszins beschaamd door Marengo en Arcola, trok zich uit de
+verlegenheid met het beeld van den hertog van Angoul&ecirc;me. Het
+Magdalena kerkhof, een ontzettende algemeene grafplaats van 93, werd
+met marmer en jaspis overdekt; het gebeente van Lodewijk XVI en van
+Maria Antoinette bevond zich in dit stof. In de slotgracht van
+Vincennes verrees een halve zuil, ter herinnering dat de hertog van
+Enghien in dezelfde maand was gestorven als Napoleon gekroond werd.
+Paus Pius VII, die deze kroning had gewijd, zoo dicht bij dezen dood,
+zegende den val even bedaard als hij de verheffing had gezegend. Te
+Sch&ouml;nbrunn was een kleine schim van vier jaren, men was een
+oproerling zoo men hem koning van Rome noemde. En al deze dingen zijn
+geschied, en deze koningen hebben hun tronen hernomen, en de meester
+van Europa is in een kooi gezet, en het oude regeeringstelsel is
+herleefd, en al de duisternis en al het licht der aarde zijn van plaats
+veranderd, wijl op den achtermiddag van een zomerdag een herder in een
+bosch tot een Pruis zeide: ga hierheen en niet daarheen!</p>
+<p>Dat 1815 was een soort van treurigen April. De oude ongezonde en
+giftige werkelijkheid nam een nieuw voorkomen aan. De logen vereenigde
+zich met 1789, het &bdquo;goddelijk recht&rdquo; vermomde <span class=
+"pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span>zich
+onder een charter, ficti&euml;n werden constitutioneel, vooroordeelen,
+bijgeloovigheden en nevengedachten, met art. 14 in het hart, vernisten
+zich met het liberalisme. Verandering van vel bij de slang.</p>
+<p>De mensch was door Napoleon tevens verheven en vernederd. Het ideaal
+had, onder deze regeering van de schitterende stof, den zonderlingen
+naam van ideologie ontvangen. Een groote onvoorzichtigheid van een
+groot man, om met de toekomst te spotten. De volken evenwel, dat
+kanonnenvleesch, &rsquo;t welk den kanonnier zoo lief had, zochten hem
+met de oogen. Waar is hij? Wat doet hij? Napoleon is dood, zeide een
+voorbijganger tot een invalide van Marengo en
+Waterloo.&mdash;&bdquo;Hij dood!&rdquo; riep de soldaat, &bdquo;dan
+kent gij hem niet!&rdquo; De geesten mistrouwden dien neergevelden man.
+Na Waterloo was de achtergrond van Europa duister. Eene ontzaggelijke
+plaats bleef lang ledig door de verdwijning van Napoleon.</p>
+<p>De koningen plaatsten zich in dat ledige. Het oude Europa maakte
+zich dit ten nutte om zich te hervormen. Er was een Heilig-Verbond.
+Belle-Alliance, had het noodlottig veld van Waterloo reeds vooraf
+gezegd.</p>
+<p>In de tegenwoordigheid en tegenover het oude herschapen Europa
+werden de lijnen van een nieuw Frankrijk getrokken. De toekomst, door
+den Keizer bespot, deed zijn intrede. Zij had op het voorhoofd deze
+ster, &bdquo;Vrijheid.&rdquo; De vurige oogen der jonge geslachten
+richtten zich op haar. Zonderling, men was tegelijkertijd door deze
+toekomst, Vrijheid, en dat verleden, Napoleon, bekoord. De nederlaag
+had den verwonneling grooter gemaakt. De gevallen Bonaparte scheen
+hooger dan de staande Napoleon. Zij, die gezegevierd hadden, waren
+beangst. Engeland deed hem door Hudson Lowe bewaken, en Frankrijk hem
+door Montchenu bespieden. Het kruisen zijner armen wekte de bekommering
+der tronen. Alexander noemde hem: mijn slapeloosheid. Deze angst
+ontstond door de hoeveelheid revolutie, die in hem was. Dit verklaart
+en verschoont het Bonapartistische liberalisme. Dit spookbeeld deed de
+oude wereld beven. De koningen zaten niet op hun gemak op hun tronen,
+met de rots van St. Helena aan den horizon.</p>
+<p>Terwijl Napoleon te Longwood zieltoogde, verteerden de op het veld
+van Waterloo gevallen zestig duizend menschen rustig, en iets van hunne
+rust breidde zich over de wereld uit. Het Weener Congres maakte er de
+tractaten van 1815 van, en dit noemde Europa de restauratie.</p>
+<p>Dit is nu Waterloo!</p>
+<p>Maar wat doet het aan &rsquo;t oneindige? deze orkaan, deze wolk,
+deze oorlog en vervolgens deze vrede, deze schim, verduisterde
+<span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name=
+"pb57">57</a>]</span>ook geen oogenblik het oneindig oog voor &rsquo;t
+welk de worm, die van de eene grasspriet op de andere kruipt, even
+belangrijk is als de arend die van torenspits tot torenspits naar de
+Notre-Dame vliegt.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch1.19" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negentiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het slagveld des nachts.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wij moeten nog eenmaal naar het noodlottig slagveld
+terugkeeren.</p>
+<p>&rsquo;t Was den 18 Juni 1815 volle maan. Deze helderheid
+begunstigde de wreede vervolging van Bl&uuml;cher, verried het spoor
+der vluchtenden, leverde deze rampzalige massa aan de verwoede
+Pruisische cavalerie over, en was in &rsquo;t moorden behulpzaam. Bij
+dergelijke rampspoeden toont de nacht zich dikwijls zoo welwillend.</p>
+<p>Na het laatste kanonschot, bleef de vlakte van Mont-Saint-Jean
+verlaten.</p>
+<p>De Engelschen betrokken het kamp der Franschen; in het bed van den
+overwonneling te slapen is de gewone bekrachtiging der overwinning. Zij
+richtten hun bivouakken op aan gene zijde van Rossomme. De Pruisen
+stormden voorwaarts om de vluchtelingen te vervolgen. Wellington ging
+naar het dorp Waterloo, om zijn rapport aan lord Bathurst op te
+stellen.</p>
+<p>Zoo ooit het <i lang="la">sic vos non vobis</i> van toepassing was,
+is &rsquo;t onbetwistbaar op dat dorp Waterloo. Waterloo heeft niets
+gedaan en bleef een half uur van &rsquo;t slagveld. Mont-Saint-Jean
+werd gebombardeerd, Hougomont werd verbrand, Papelotte werd verbrand,
+<span class="corr" id="xd20e1013" title=
+"Bron: Placenoit">Plancenoit</span> werd verbrand, la Haie-Sainte werd
+stormenderhand ingenomen, la Belle-Alliance zag de omhelzing der twee
+overwinnaars; men kent nauwelijks deze namen, en Waterloo, dat niets
+tot den slag heeft toegebracht, heeft er al de eer van.</p>
+<p>Wij behooren niet tot dezulken die den oorlog vleien; wanneer de
+gelegenheid zich voordoet, zeggen wij hem de waarheid. De oorlog heeft
+afgrijselijke schoonheden, welke wij niet verheeld hebben; hij heeft
+ook, wij erkennen het gaarne, zijn afzichtelijkheden. Een der
+treffendste is de spoedige ontkleeding en berooving der dooden na de
+overwinning. De morgenstond, die op een veldslag volgt, beschijnt
+steeds naakte lijken.</p>
+<p>Wie doet dat? Wie bezoedelt aldus de overwinning? Wie is die
+afschuwelijke, vlugge hand, die in den zak der overwinning <span class=
+"pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>sluipt?
+Wie zijn de gauwdieven, die achter den roem hun slag waarnemen? Eenige
+philosofen, Voltaire onder anderen, beweren, dat het juist dezulken
+zijn, die den roem verworven hebben. &rsquo;t Zijn dezelfden, zeggen
+zij, geen anderen; zij die staan, plunderen degenen die liggen. De held
+van den dag is de vampier van den nacht. Men heeft toch in allen geval
+wel het recht, om het lijk dat ons werk is, een weinig te plunderen.
+Wij gelooven dit echter niet. &rsquo;t Komt ons onmogelijk voor, dat
+dezelfde hand die lauweren heeft geplukt, de schoenen van een doode kan
+stelen.</p>
+<p>Zeker is het, dat na de overwinnaars gewoonlijk de dieven komen.
+Maar beschuldigen wij den soldaat, vooral den soldaat van den
+tegenwoordigen tijd niet.</p>
+<p>Ieder leger heeft een tros, en dezen moet men beschuldigen.
+Vleermuisachtige wezens, half roovers, half knechts, alle soort van
+gespuis, &rsquo;t welk uit de duisternis geboren wordt, die men oorlog
+noemt; uniform dragenden, die niet vechten; geveinsde zieken;
+verminkten; cantine-houders, die soms met hun vrouwen op karretjes
+sluikswijze medetrekken en stelen wat zij verkoopen; bedelaars, die
+zich als gidsen bij de officieren aanbieden; trosboeven;
+stroopers&mdash;dit alles sleepten eertijds&mdash;wij spreken niet van
+den tegenwoordigen tijd&mdash;de marcheerende legers mede, en dit werd
+op eigenaardige wijze de &bdquo;nakomers&rdquo; (tra&icirc;nards)
+genoemd. Geen leger, geen natie was voor deze wezens verantwoordelijk;
+zij spraken Italiaansch en volgden de Duitschers; zij spraken Fransch
+en volgden de Engelschen. Door een dezer ellendelingen, een Spaansch
+&bdquo;nakomer&rdquo; die Fransch sprak, werd de markies Fervacques,
+die, door zijn Picardisch koeterwaalsch misleid, hem voor een der onzen
+hield, verraderlijk vermoord en uitgeplunderd, op het slagveld zelf in
+den nacht, die op de overwinning van C&eacute;risolles volgde. Uit het
+stroopen ontstond de strooper. De verfoeielijke grondstelling:
+&bdquo;Van den vijand leven&rdquo; bracht dezen kanker voort, die
+slechts een strenge krijgstucht genezen kon. Er zijn bedriegelijke
+beroemdheden; men weet niet altijd, waarom zekere, schoon overigens
+groote, generaals zoo populair zijn geweest. Turenne werd door zijn
+soldaten aangebeden, wijl hij de plundering veroorloofde; het vergunde
+kwaad maakt een deel der goedheid uit; Turenne was zoo goed, dat hij
+den Palz te vuur en te zwaard liet verwoesten. In het gevolg des legers
+vond men meer of minder stroopers, naar gelang de bevelhebber min of
+meer streng was. Hoche en Marcheau hadden geen &bdquo;nakomers;&rdquo;
+Wellington, wij laten hem gaarne deze gerechtigheid wedervaren, had er
+weinig.</p>
+<p>Men plunderde evenwel in den nacht van den 18 op den <span class=
+"pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>19 Juni
+de dooden. Wellington was streng; hij beval ieder die op heeter daad
+betrapt werd dood te schieten; maar de roof is hardnekkig. De stroopers
+dreven in den eenen hoek van het slagveld hun spel, terwijl men hen in
+den anderen doodschoot.</p>
+<p>De maan scheen akelig op de vlakte.</p>
+<p>Tegen middernacht sloop of liever kroop een man nabij den hollen weg
+van Ohain. &rsquo;t Was, naar alle waarschijnlijkheid, een derzulken,
+welke wij zooeven geschetst hebben, noch Engelschman, noch Franschman,
+noch boer, noch soldaat, veeleer een vampier dan een mensch, door den
+reuk der lijken gelokt, voor wien diefstal overwinning was, en gekomen
+om Waterloo te berooven. Hij was in een kiel gekleed, die iets van een
+kapotjas had; onrustig en stoutmoedig ging hij voort, echter telkens
+omziende. Wie was deze man? De nacht kende hem waarschijnlijk beter dan
+de dag. Hij had geen ransel, maar blijkbaar groote zakken onder zijn
+kapotjas. Van tijd tot tijd bleef hij staan, keek rondom zich over de
+vlakte, als om te zien of hij ook werd opgemerkt, bukte schielijk,
+verschoof iets zwijgends en onbewegelijks op den grond, richtte zich
+weer op en ging verder. Zijn sluipende tred, zijn houding, zijn
+haastige geheimzinnige beweging deden hem een dier avondspoken
+gelijken, welke de bouwvallen bewonen, en waarvan de Normandische
+legenden spreken.</p>
+<p>Sommige vogels vertoonen des nachts dergelijke gedaanten in de
+moerassen.</p>
+<p>Een scherpe blik zou in die geheele schemering op eenigen afstand,
+achter een vervallen huis, ter plaatse waar de weg van Nivelles dien
+van Mont-Saint-Jean naar Braine-l&rsquo;Alleud kruist, een
+marketenterskarretje hebben bespeurd, met een kap van geteerd
+twijgwerk, en bespannen met een hongerigen knol, die tusschen het gebit
+brandnetels knabbelde, en in het karretje een soort van vrouw, op
+kisten en pakken gezeten. Misschien bestond er wel betrekking tusschen
+dit karretje en dien strooper.</p>
+<p>&rsquo;t Was een heldere duisternis. Geen wolk was aan den hemel.
+Schoon de aarde ook rood zij, de maan blijft wit. Zoo onverschillig is
+de hemel in vele opzichten voor de aarde. Op de weiden wiegelden zich
+in den avondwind de boomtakken, die de kogels gebroken, maar niet
+afgeschoten hadden. Een koeltje, schier een ademtocht, bewoog de
+struweelen. Het gras rilde, alsof er zielen uit opstegen.</p>
+<p>In de verte hoorde men flauw het komen en gaan der patrouilles en
+rondes van het Engelsche legerkamp.</p>
+<p>Hougomont en la Haie Sainte brandden nog en vormden, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>het een
+in &rsquo;t westen, het ander in &rsquo;t oosten, twee groote vlammen,
+waaraan zich, als een snoer van losse robijnen, met twee karbonkels aan
+beide einden, de rij der Engelsche wachtvuren sloot, die in een wijden
+halven kring op de heuvelen in de verte verspreid waren.</p>
+<p>Wij hebben den rampspoed in den hollen weg van Ohain verhaald. Het
+hart beeft als men aan dezen gruwzamen dood van zoovele dapperen
+denkt.</p>
+<p>Zoo er iets vreeselijks is, zoo er een werkelijkheid boven de
+voorstelling gaat, is het dit: te leven, de zon te zien, in het volle
+bezit van mannelijke kracht, gezond en vroolijk te zijn, hartelijk te
+lachen, naar een roem te ijlen, dien men voor zich ziet schitteren,
+zijn borst te voelen ademen, zijn hart te kloppen, een redelijken wil
+te hebben, te spreken, te denken, te hopen, te beminnen, een moeder,
+een gade, kinderen te hebben, het licht te zien, en eensklaps, in den
+tijd van een kreet, in minder dan een minuut in een afgrond te
+verzinken, te vallen, te rollen, te verpletteren, verpletterd te
+worden, koornaren, bloemen, bladeren, takken te zien, zonder zich aan
+iets te kunnen vasthouden, zijn sabel nutteloos, mannen onder zich,
+paarden boven zich, vruchteloos worstelen, de beenderen door &rsquo;t
+spartelen van een paard in de duisternis gebroken, de oogen uitgetrapt,
+te stikken, te wringen, te krijten, en te moeten zeggen: zooeven leefde
+ik nog.</p>
+<p>Waar dit vreeselijk ongeluk had plaats gehad, was alles nu stil. De
+holle weg was tot aan den kant der glooiingen met paarden en menschen
+gevuld. Een ijselijke toestand. Er waren geen glooiingen meer, de
+lijken maakten de vlakte gelijk met den hollen weg, die als een
+korenmaat tot aan den rand vol was. Een hoop dooden van boven, een
+stroom bloeds beneden, aldus was deze weg in den avond van 18 Juni
+1815. Het bloed stroomde tot op den straatweg van Nivelles en vormde er
+een grooten plas v&oacute;&oacute;r den hoop boomen, die den straatweg
+versperde, op een plek welke men nog aanduidt. Men herinnere zich, dat
+op het tegenovergestelde punt, naar den kant van Genappe, de ramp der
+kurassiers had plaats gehad. De dikte van den hoop lijken was
+ge&euml;venredigd aan de diepte van den hollen weg. Omstreeks het
+midden, ter plaatse waar hij vlakker werd en de divisie Delord was
+overgegaan, was de hoop lijken dunner.</p>
+<p>De nachtelijke zwerver, dien wij den lezer hebben aangewezen, ging
+naar die zijde. Hij doorsnuffelde dit groote graf. Hij hield een
+afgrijselijke revue over deze dooden. Hij waadde door het bloed.</p>
+<p>Eensklaps stond hij stil. <span class="pagenum">[<a id="pb61" href=
+"#pb61" name="pb61">61</a>]</span></p>
+<p>Eenige schreden voor hem, in den hollen weg, op het punt waar de
+hoop dooden eindigde, kwam uit dien stapel menschen en paarden een open
+hand te voorschijn, die door de maan beschenen werd.</p>
+<p>Aan een vinger van die hand zat iets dat glinsterde, een gouden
+ring.</p>
+<p>De man bukte, bleef een oogenblik gebogen, en toen hij zich
+oprichtte was aan de hand geen ring meer.</p>
+<p>Hij richtte zich eigenlijk niet op, maar bleef in een schuwe, woeste
+houding, met den rug naar de dooden gekeerd; hij boog het bovenlijf
+omlaag en liet het op de vingers rusten, die op den grond steunden,
+terwijl hij loerend het hoofd over den kant van den hollen weg stak. De
+vier pooten van den jakhals passen voor sommige handelingen.</p>
+<p>Toen hij een besluit had genomen, richtte hij zich overeind. Op
+&rsquo;t zelfde oogenblik maakte hij schier een buiteling. Hij voelde,
+dat men hem van achter vasthield.</p>
+<p>Hij keerde zich om; &rsquo;t was de open hand, die zich gesloten en
+den slip van zijn kapotjas gegrepen had.</p>
+<p>Een eerlijk man zou ontsteld zijn geweest. Deze lachte.</p>
+<p>&bdquo;O,&rdquo; zeide hij, &bdquo;&rsquo;t is slechts de doode. Ik
+heb liever met een spook dan met een gendarm te doen.&rdquo;</p>
+<p>Maar de hand verzwakte en liet los. Een inspanning duurt slechts
+kort in het graf.</p>
+<p>&bdquo;Ha,&rdquo; hernam de strooper, &bdquo;is deze doode levend?
+Laat ons zien.&rdquo;</p>
+<p>Opnieuw bukte hij, woelde in den hoop, verwijderde wat hem hinderde,
+greep de hand, omklemde den arm, maakte het hoofd vrij, trok aan het
+lichaam, en eenige oogenblikken later sleepte hij in de schaduw van den
+hollen weg een zielloos, althans bewusteloos, mensch. &rsquo;t Was een
+kurassier, een officier, zelfs een officier van voornamen rang; een
+dikke gouden epaulet kwam uit zijn kuras te voorschijn; de officier had
+geen helm meer. Een geweldige sabelhouw had zijn gezicht gewond, waarop
+men enkel bloed zag. Overigens scheen geen zijner leden gebroken te
+zijn; en door een gelukkig toeval, als wij &rsquo;t zoo mogen noemen,
+hadden de dooden een boog boven hem gevormd, die hem voor <span class=
+"corr" id="xd20e1082" title="Bron: verpettering">verplettering</span>
+behoed had. Zijn oogen waren dicht.</p>
+<p>Hij droeg op zijn kuras het zilveren kruis van het legioen van
+eer.</p>
+<p>De strooper rukte dit kruis af, &rsquo;t welk in een der holen
+verdween, die hij onder zijn kapotjas had.</p>
+<p>Daarna betastte hij &rsquo;t horlogezakje van den officier, voelde
+een horloge en nam het. Voorts onderzocht hij het vest, vond er een
+beurs en stak ze in zijn zak. <span class="pagenum">[<a id="pb62" href=
+"#pb62" name="pb62">62</a>]</span></p>
+<p>Toen hij zoo ver was gekomen met de hulp, welke hij den stervende
+bracht, opende de officier de oogen.</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u,&rdquo; zeide hij flauw.</p>
+<p>De levendigheid der bewegingen van den man, die hem hanteerde, de
+frischheid van den nacht, de vrijelijk ingeademde lucht hadden hem uit
+zijn verdooving gewekt.</p>
+<p>De strooper antwoordde niet. Hij hief het hoofd op. Op de vlakte
+hoorde men het gerucht van voetstappen, waarschijnlijk een naderende
+patrouille.</p>
+<p>De officier stamelde, met de stem eens zieltogenden:</p>
+<p>&bdquo;Wie heeft den slag gewonnen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De Engelschen,&rdquo; antwoordde de strooper.</p>
+<p>De officier hernam:</p>
+<p>&bdquo;Zoek in mijn zakken. Ge zult er een beurs en een horloge
+vinden. Neem ze.&rdquo;</p>
+<p>Dit was reeds geschied.</p>
+<p>De strooper deed alsof hij ze zocht en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Er is niets.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan heeft men mij bestolen.&rdquo; hernam de officier,
+&bdquo;&rsquo;t spijt mij. &rsquo;t Zou voor u zijn geweest.&rdquo;</p>
+<p>De voetstappen der patrouille werden steeds duidelijker.</p>
+<p>&bdquo;Men nadert,&rdquo; zei de strooper, de beweging makende van
+zich te verwijderen.</p>
+<p>De officier lichtte met moeite den arm op en hield hem tegen.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt mij &rsquo;t leven gered. Wie zijt ge?&rdquo;</p>
+<p>De strooper antwoordde haastig en zacht:</p>
+<p>&bdquo;Ik behoorde evenals gij tot het Fransche leger. Ik moet u
+verlaten. Zoo men mij vatte, zou men mij dood schieten. Ik heb u het
+leven gered. Help nu u zelven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welken rang hebt ge?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Sergeant.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe heet ge?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Th&eacute;nardier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal dien naam niet vergeten,&rdquo; zei de officier.
+&bdquo;En onthoud gij den mijnen. Ik heet Pont-mercy.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name=
+"pb63">63</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Boek II.</h2>
+<h2 class="main">Het schip de Orion.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name=
+"pb65">65</a>]</span>
+<div id="ch2.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Nommer 24601 wordt nommer 9430.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Jean Valjean was weder gevat.</p>
+<p>Men zal ons ten goede houden, dat wij haastig over smartelijke
+bijzonderheden heenstappen. Wij zullen alleen twee berichtjes
+overschrijven, die door de dagbladen werden gepubliceerd eenige maanden
+na de verwonderlijke gebeurtenissen te M. sur M.</p>
+<p>Deze berichten zijn vrij beknopt. Men herinnere zich, dat op dat
+tijdstip nog geen <i lang="fr">Gazette des Tribunaux</i> bestond.</p>
+<p>Het eerste ontleenen wij aan de <i lang="fr">Drapeau blanc</i>. Het
+draagt de dagteekening van 25 Juli 1823.</p>
+<p>&bdquo;&mdash;Een arrondissement van Pas-de-Calais is het tooneel
+eener ongewone gebeurtenis geweest. Een vreemdeling in het departement,
+Madeleine genoemd, had sedert eenige jaren, door een nieuwe wijze van
+bewerking, een oude plaatselijke industrie, de fabricage van git en
+zwart glaswerk, uit het verval opgeheven. Hij had er zijn fortuin door
+gemaakt, en, men mag zeggen, ook dat van het arrondissement. Uit
+dankbaarheid voor zijn diensten had men hem tot maire benoemd. Nu heeft
+de politie ontdekt, dat Madeleine niemand anders was dan een voormalige
+galeislaaf, die zijn ban heeft verbroken, in 1796 wegens diefstal
+veroordeeld was en Jean Valjean heette. Jean Valjean is opnieuw naar
+het bagno gezonden. Het schijnt, dat hij v&oacute;&oacute;r zijn
+inhechtenisneming bij den heer Laffitte een som van meer dan een half
+millioen, welke hij er geplaatst had, heeft teruggenomen, welke som hij
+overigens, zoo men zegt, eerlijk met zijn handel verdiend heeft. Men
+heeft niet kunnen ontdekken waar Jean Valjean deze som heeft verborgen,
+toen hij in het bagno van Toulon terugkwam.&rdquo;</p>
+<p>Het tweede meer uitvoerig bericht is ontleend aan het <i lang=
+"fr">Journal de Paris</i> van dezelfde dagteekening:</p>
+<p>&bdquo;&mdash;Een voormalig ontslagen galeislaaf, met name Jean
+Valjean, is onder zeer opmerkelijke omstandigheden voor het
+<span class="pagenum">[<a id="pb66" href="#pb66" name=
+"pb66">66</a>]</span>hof van assises van Var verschenen. Dezen
+booswicht was &rsquo;t gelukt, aan de waakzaamheid der politie te
+ontsnappen; hij had zijn naam veranderd en was er in geslaagd, zich in
+een onzer kleine steden in het noorden tot maire te doen benoemen. Hij
+had in die stad een vrij aanzienlijk handelshuis gevestigd. Maar ten
+laatste is hij ontmaskerd en in hechtenis genomen, dank zij den
+onvermoeiden ijver van het openbaar ministerie. Hij had tot bijzit een
+publieke vrouw, die op het oogenblik zijner gevangenneming van schrik
+overleden is. Deze ellendeling, die de kracht van een reus bezit, had
+middel gevonden te ontvluchten, maar drie of vier dagen na zijn vlucht
+vatte de politie hem opnieuw te Parijs, juist toen hij in een der
+kleine rijtuigen steeg, die van de hoofdstad naar het dorp Montfermeil
+(Seine-et-Oise) rijden. Men zegt, dat hij zich dezen tijd van drie of
+vier dagen vrijheid ten nutte had gemaakt om een aanzienlijke som,
+welke hij bij een onzer voornaamste bankiers had geplaatst, terug te
+nemen. Men schat deze som op zes- of zevenhonderd duizend francs. Hij
+zou ze, volgens de akte van beschuldiging, begraven hebben op eene hem
+alleen bekende plek, en men heeft ze niet kunnen ontdekken, hoe het
+zij, de genoemde Jean Valjean is voor het hof van assises van het
+departement du Var gevoerd, als beschuldigd van diefstal op den
+openbaren weg, gewapenderhand gepleegd, nu omstreeks acht jaar geleden,
+op een dier eerlijke knapen, die, gelijk de patriarch van Ferney in
+onsterfelijke dichtregelen zegt:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">&bdquo;&mdash;de Savoie arrivent tous les ans</p>
+<p class="line">&bdquo;Et dont la main l&eacute;g&egrave;rement
+essuie</p>
+<p class="line">&bdquo;Ces longs canaux engorg&eacute;s par la
+suie.<a class="noteref" id="xd20e1186src" href="#xd20e1186" name=
+"xd20e1186src">1</a></p>
+</div>
+<p class="first">&bdquo;Deze bandiet heeft geweigerd zich te
+verdedigen. &rsquo;t Is door het bekwaam en welsprekend orgaan van het
+openbaar ministerie bewezen, dat de dief medeplichtigen had en Jean
+Valjean tot een bende dieven van &rsquo;t zuiden behoorde. Bijgevolg is
+Jean Valjean schuldig verklaard en tot de straffe des doods
+veroordeeld. De misdadiger had geweigerd zich in cassatie te voorzien.
+De koning heeft, in zijn onuitputtelijke goedertierenheid, zich
+verwaardigd zijn straf te verzachten en ze in eeuwigdurenden
+dwangarbeid te veranderen. Jean Valjean is terstond naar het bagno van
+Toulon overgebracht.&rdquo;</p>
+<p>Men zal niet vergeten hebben, dat Jean Valjean te M. sur M. de
+plichten van zijnen godsdienst trouw vervulde. Sommige <span class=
+"pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name=
+"pb67">67</a>]</span>dagbladen, onder andere de <i lang=
+"fr">Constitutionnel</i>, stelden deze verzachting van straf voor als
+het werk der priesterpartij.</p>
+<p>Jean Valjean kreeg in het tuchthuis een ander nommer. Hij heette
+9430.</p>
+<p>Zeggen wij overigens, om er niet op terug te komen, dat met
+Madeleine ook de bloei van M. sur M. verdween; al wat hij had voorzien
+in dien bewusten radeloozen nacht verwezenlijkte zich; toen hij weg
+was, was inderdaad de ziel weg. Na zijn val volgde te M. sur M. die
+zelfzuchtige verdeeling van gevallen grootheid, die noodlottige
+verbrokkeling van bloeiende zaken, welke dagelijks onopgemerkt in de
+menschelijke maatschappij voorkomt, en waarvan de geschiedenis alleen
+melding heeft gemaakt, toen zij na den dood van Alexander plaats had.
+De onderbevelhebbers werpen zich tot koningen op; de meesterknechts
+maken zich tot fabrikanten. Afgunstige mededinging verhief zich. De
+groote werkplaatsen van Madeleine werden gesloten; de gebouwen
+vervielen; de werklieden verstrooiden zich. Eenigen verlieten het oord,
+anderen het beroep. Nu werd alles in &rsquo;t klein, in plaats van in
+&rsquo;t groot, gedreven; voor &rsquo;t eigen voordeel, in plaats van
+voor &rsquo;t algemeen welzijn. Er was geen middelpunt meer; overal
+concurrentie en vijandigheid. De heer Madeleine had alles beheerscht en
+bestierd. Nu hij was gevallen, haalde ieder wat hij kon; de geest van
+strijd verving den geest van samenwerking; ruwheid de hartelijkheid,
+onderlinge haat de welwillendheid des stichters jegens een ieder; de
+door Madeleine geweven draden raakten verward en braken; men
+vervalschte de fabrikaten, het fabrikaat werd slechter, het vertrouwen
+hield op, het vertier nam af, het loon verminderde, het werk werd
+gestaakt, de zaak ging op de flesch. Voor de armen bleef niets meer.
+Alles verdween.</p>
+<p>Zelfs de Staat bespeurde, dat ergens iets vernietigd moest zijn. Eer
+vier jaren verloopen waren na het vonnis van het hof van assises, dat
+de identiteit van Madeleine en van Jean Valjean uitsprak, waren de
+vervolgingskosten ter inning der belastingen in het arrondissement M.
+sur M. verdubbeld; in de maand Februari 1827 maakte de heer
+Vill&egrave;le deze opmerking in de Kamer. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span></p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e1186" href="#xd20e1186src" name=
+"xd20e1186">1</a></span> Die jaarlijks uit Savoie komen en wier hand
+vaardig de lange kanalen veegt, die door roet gevuld zijn.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Waarin men twee dichtregels zal lezen, die misschien
+van den duivel zijn.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Voor wij verder gaan is &rsquo;t noodig, eenigszins
+omstandig een zonderling feit te verhalen, &rsquo;t welk te zelfder
+tijd te Montfermeil plaats had en misschien niet zonder invloed was op
+zekere gissingen van het openbaar ministerie.</p>
+<p>In de omstreken van Montfermeil bestaat een zeer oud bijgeloof, te
+vreemder en merkwaardiger, wijl een volksbijgeloof in de nabuurschap
+van Parijs als een alo&euml; in Siberi&euml; is. Wij behooren tot
+degenen die achting voor zeldzame planten hebben. Het bijgeloof van
+Montfermeil bestaat hierin: sinds onheugelijke tijden gelooft men, dat
+de duivel de bosschen kiest om er zijn schatten te begraven. Oude
+vrouwen beweren dat het niet zeldzaam is tegen den avond, in afgelegen
+hoeken van het bosch, een zwarten man te ontmoeten, die het voorkomen
+van een voerman of houthakker heeft, met klompen aan de voeten, gekleed
+in een linnen broek en kiel, en herkenbaar aan twee groote hoorns, in
+plaats van muts of hoed op het hoofd. Inderdaad, dit moet hem wel
+kenbaar maken. Deze man is gewoonlijk bezig met een kuil te graven. Men
+kan zich op drie&euml;rlei wijze bij zulk eene ontmoeting gedragen.
+Vooreerst, door tot den man te gaan en hem aan te spreken. Dan ziet men
+dat de man eenvoudig een boer is, dat hij zwart schijnt, omdat het
+avond is, dat hij volstrekt geen kuil graaft, maar gras voor zijn
+koeien snijdt, en dat zijn gewaande hoorns niets anders zijn dan een
+mestvork, die hij op den rug draagt en wier tanden, op een afstand
+gezien, uit zijn hoofd schijnen te komen. Men gaat naar huis en sterft
+binnen een week. De tweede wijze is, hem gade te slaan, te wachten tot
+hij zijn kuil gegraven, dien weder dicht gemaakt heeft en heen is
+gegaan: dan haastig naar den kuil te loopen, dien te openen, en den
+&bdquo;schat&rdquo; er uit te halen, dien de zwarte man er noodwendig
+heeft in gelegd. In dat geval sterft men binnen een maand. Eindelijk de
+derde manier is, den zwarten man niet toe te spreken, hem niet aan te
+zien en zoo snel mogelijk weg te loopen. Men sterft dan binnen een
+jaar.</p>
+<p>Aangezien alle drie manieren hare bezwaren hebben, wordt de tweede,
+die ten minste eenige voordeelen biedt, onder anderen dat van&mdash;al
+is het slechts gedurende een maand&mdash;een schat te bezitten, het
+meest gevolgd. <span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name=
+"pb69">69</a>]</span></p>
+<p>Naar men verzekert hebben stoutmoedige mannen zich dikwijls door de
+kans laten verlokken, om de door den zwarten man gegraven kuilen weder
+te openen en den duivel te bestelen. Het schijnt dat de uitkomst weinig
+bevredigend is. Ten minste zoo men de overlevering mag gelooven, en
+inzonderheid de beide raadselachtige versregels in barbaarsch Latijn,
+omtrent deze zaak nagelaten door een Normandischen monnik, die min of
+meer toovenaar was, Tryphon geheeten. Deze Tryphon is in de abdij van
+St. Georges de Bocherville bij Rouaan begraven en op zijn graf worden
+padden geboren.</p>
+<p>Men doet dus groote inspanningen; deze kuilen zijn gewoonlijk zeer
+diep; men zweet, delft, werkt den geheelen nacht, want dit geschiedt
+&rsquo;s nachts; het hemd wordt nat, de kaars verbrandt, de spade wordt
+bot, en wanneer men op den bodem van den kuil is gekomen, wanneer men
+de hand op den &bdquo;schat&rdquo; legt, wat vindt men? wat is de schat
+van den duivel? een stuiver, soms een kroonstuk; een steen, een
+geraamte, een bloedend lijk, vaak een spook als een blad papier in een
+portefeuille in vieren gevouwen, soms niets. Dit schijnen de versregels
+van Tryphon den onbescheiden nieuwsgierigen aan te kondigen:</p>
+<div lang="la" class="lgouter">
+<p class="line">Fodit, et in fossa thesauros condit opaca,</p>
+<p class="line">As, nummos, lapides, cadaver, simulacra nihilque.</p>
+</div>
+<p class="first">&rsquo;t Schijnt dat men er in onze dagen ook nu eens
+een kruithoorn met kogels, dan weder een oud, smerig en gebrand spel
+speelkaarten vindt, dat duidelijk den duivels heeft gediend. Tryphon
+spreekt van deze beide dingen niet, wijl Tryphon in de twaalfde eeuw
+leefde en de duivel niet zoo leep schijnt geweest te zijn het buskruit
+v&oacute;&oacute;r Roger Bacon en de speelkaarten v&oacute;&oacute;r
+Karel VI uitgevonden te hebben.</p>
+<p>Overigens is men zeker, dat, zoo men met deze kaarten speelt, men
+alles verliest wat men bezit; en het buskruit in den hoorn heeft de
+eigenschap, dat het u &rsquo;t geweer in &rsquo;t gezicht doet
+springen.</p>
+<p>Korten tijd nu, na het aan &rsquo;t openbaar ministerie geschenen
+had, dat de ontslagen galeislaaf Jean Valjean, gedurende zijn korte
+vlucht van weinige dagen, om Montfermeil had gezworven, merkte men in
+dit dorp op, dat een zekere oude wegwerker, Boulatruelle geheeten, druk
+het bosch bezocht. Men meende in het oord te weten, dat Boulatruelle in
+het bagno was geweest; hij was eenigerwijs onder toezicht der politie,
+en wijl hij nergens werk vond, gebruikte het bestuur hem tegen
+verminderd loon als wegwerker aan den binnenweg van Gagny naar Lagny.
+<span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name=
+"pb70">70</a>]</span></p>
+<p>Deze Boulatruelle was een man, die door de lieden van het dorp
+schuins werd aangezien; hij was al te onderdanig, te deemoedig, te
+gereed om voor ieder de pet af te nemen, bevende en glimlachende tegen
+de <span class="corr" id="xd20e1236" title=
+"Bron: gedarmes">gendarmes</span>, en stond, meende men, waarschijnlijk
+met dievenbenden in betrekking, en in verdenking van zich &rsquo;s
+avonds in &rsquo;t kreupelhout in hinderlaag te leggen.</p>
+<p>Men meende &rsquo;t volgende te hebben opgemerkt:</p>
+<p>Sedert eenigen tijd verliet Boulatruelle vroegtijdig zijn arbeid bij
+&rsquo;t bepuinen en in orde houden van den weg, om met zijn spade naar
+het bosch te gaan. Men ontmoette hem tegen den avond op de eenzaamste
+plaatsen, in het dichtste houtgewas, met het voorkomen alsof hij iets
+zocht, en soms bezig kuilen te graven. De oude vrouwen die
+voorbijgingen hielden hem aanvankelijk voor Be&euml;lzebub, doch
+spoedig herkenden zij Boulatruelle en waren hier weinig geruster om.
+Deze ontmoetingen schenen Boulatruelle schrikkelijk te hinderen.
+&rsquo;t Was duidelijk, dat hij zich trachtte te verbergen en iets
+geheimzinnigs uitvoerde.</p>
+<p>Men zeide in het dorp:&mdash;Zekerlijk heeft de duivel zich
+vertoond. Boulatruelle heeft hem gezien en zoekt. Hij is er wel toe in
+staat om Lucifer zijn schat te ontkapen.&mdash;De Voltairianen voegden
+er bij: Zal Boulatruelle den duivel beet hebben of de duivel
+Boulatruelle?&mdash;De oude vrouwen kruisten zich ijverig.</p>
+<p>Intusschen hielden de bezoeken van Boulatruelle in het bosch op, en
+hij was weer geregeld aan zijn wegarbeid. Men sprak weer van iets
+anders.</p>
+<p>Er waren echter eenige nieuwsgierigen gebleven, die meenden dat niet
+de fabelachtige schatten der legende hierin betrokken waren, maar een
+goede, degelijker en tastbaarder vond dan de bankbriefjes van den
+duivel, en waarvan de wegwerker waarschijnlijk half en half het geheim
+had ontdekt. De meest belangstellenden waren de schoolmeester en de
+kroeghouder Th&eacute;nardier, die gaarne de vriend van ieder wilde
+zijn en &rsquo;t niet versmaad had met Boulatruelle te
+verkeeren.&mdash;Hij is wel op de galeien geweest, zeide
+Th&eacute;nardier, maar mijn hemel, men weet niet wie daar is, of wie
+er nog komen zal!</p>
+<p>Op zekeren avond betuigde de schoolmeester, dat de justitie vroeger
+wel onderzocht zou hebben wat Boulatruelle in het bosch ging doen, dat
+hij wel had moeten spreken, dat men hem desnoods op de pijnbank zou
+hebben gebracht, en dat Boulatruelle bij voorbeeld de waterproef niet
+zou hebben doorstaan.&mdash;Laten wij hem aan de wijnproef onderwerpen,
+zei Th&eacute;nardier. <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71"
+name="pb71">71</a>]</span></p>
+<p>Men maakte alles gereed en deed den ouden wegwerker drinken.
+Boulatruelle dronk ontzaggelijk veel en sprak weinig. Hij vereenigde,
+met wonderbare knapheid en in een meesterlijke verhouding, den dorst
+van een zwelger met de stilzwijgendheid van een rechter. Evenwel, door
+herhaalde aanvallen, en door de weinige onduidelijke woorden welke hem
+ontsnapten samen te voegen en te verbinden, meenden Th&eacute;nardier
+en de schoolmeester het volgende begrepen te hebben:</p>
+<p>Boulatruelle zou op zekeren ochtend, dat hij zich bij het krieken
+van den dag naar zijn werk begaf, verrast zijn geworden door in een
+hoek van het bosch onder &rsquo;t kreupelhout een schop en een houweel
+te vinden, die daar zoo &rsquo;t scheen verborgen waren. Hij had
+evenwel gemeend, dat het waarschijnlijk de schop en het houweel van den
+ouden Six-Fours, den waterdrager, waren, en hij had er niet verder over
+gedacht. Maar des avonds van denzelfden dag zou hij, zelf onbemerkt,
+daar hij achter een dikken boom verscholen stond, een man hebben
+gezien, die zich van den weg naar het dichtst van het bosch begaf,
+&bdquo;en welke man volstrekt niet uit de omstreken was, maar dien hij,
+Boulatruelle, zeer goed kende.&rdquo; Th&eacute;nardier&rsquo;s
+vertaling hiervan was: &bdquo;Een makker uit het bagno.&rdquo;
+Boulatruelle had hardnekkig geweigerd den naam te zeggen. Deze vreemde
+droeg een pakje, een vierkant voorwerp, als een groote doos of klein
+kistje. Boulatruelle was verwonderd. &rsquo;t Was echter eerst na zeven
+of acht minuten, dat de gedachte bij hem opkwam den man te volgen. Maar
+&rsquo;t was te laat, de man was reeds in het dichte houtgewas; het was
+donker geworden, en Boulatruelle had hem niet kunnen vinden. Toen had
+hij besloten aan den kant van &rsquo;t bosch te wachten. &rsquo;t Was
+lichte maan. Twee of drie uren later had Boulatruelle zijn man uit het
+kreupelhout zien komen, die nu geen kistje, maar een spade en een
+houweel droeg. Boulatruelle had den man laten voorbijgaan, maar durfde
+hem niet aanspreken, omdat hij bij zich zelven zeide, dat de andere
+driemaal sterker was dan hij, en met een schop gewapend, zoodat hij hem
+waarschijnlijk zou doodslaan, wanneer hij hem herkende en zich herkend
+zag. Een teedere opwelling van twee oude makkers, die elkander
+wedervinden! Maar de spade en het houweel waren voor Boulatruelle een
+lichtstraal geweest; hij was naar het struikgewas van des ochtends
+geijld, doch had er noch spade noch houweel meer gevonden. Daaruit had
+hij besloten, dat zijn man in het bosch was gegaan om met het houweel
+een gat te graven, het koffertje er in verborgen, en het gat met de
+spade dicht gemaakt had. Nu was het koffertje te klein om een lijk te
+bevatten, het moest dus <span class="pagenum">[<a id="pb72" href=
+"#pb72" name="pb72">72</a>]</span>geld bevatten. Tengevolge daarvan
+zijn navorschingen. Boulatruelle had het geheele bosch onderzocht,
+doorsnuffeld, en overal waar de aarde hem versch omgewoeld scheen, ze
+opgegraven. Vruchteloos.</p>
+<p>Hij had niets gevonden. Niemand dacht er meer aan in Montfermeil.
+Slechts eenige oude vrouwen zeiden: Wees verzekerd, dat de wegwerker
+van Gagny al die moeite niet voor niets heeft gedaan; de duivel is er
+bij in &rsquo;t spel.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Er moet aan de keten vooraf iets geschied zijn, om met
+&eacute;&eacute;n hamerslag te springen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Tegen het einde van October van hetzelfde jaar 1823
+zagen de inwoners van Toulon, tengevolge van hevig stormweder, en om
+eenige averij te herstellen, het schip de <i>Orion</i> hun haven
+binnenloopen, welk schip later te Brest tot exercitie-schip diende,
+maar toen tot het eskader der Middellandsche zee behoorde.</p>
+<p>Dit vaartuig, hoe ontredderd het was, want de zee had het deerlijk
+geteisterd, verwekte opzien toen het ter reede kwam. Ik weet niet meer
+welke vlag het voerde, die het een voorgeschreven saluut van elf
+schoten bezorgde, welke door het schip schot voor schot beantwoord
+werden: in &rsquo;t geheel dus twee en twintig schoten. Men heeft
+berekend, dat voor salvo&rsquo;s, koninklijke en militaire eerbewijzen,
+wisseling van beleefd rumoer, etiquette-seinen, reede- en
+vestingsformaliteiten, de dagelijksche begroeting van het op- en
+ondergaan der zon door de vestingen en de oorlogsschepen, het openen en
+sluiten der havens enz. enz. door de beschaafde wereld over de geheele
+aarde elke vier-en-twintig uren honderd vijftig duizend nuttelooze
+kanonschoten met los kruit worden gedaan. Tegen zes francs het schot
+berekend, komt dit op negenhonderd duizend francs daags, driehonderd
+millioen &rsquo;s jaars, die in rook vergaan. Dit is slechts een
+staaltje. In denzelfden tijd sterven er, wie weet hoeveel armen van
+honger.</p>
+<p>Het jaar 1823 was, wat de restauratie het tijdvak van den
+&bdquo;Spaanschen oorlog&rdquo; heeft genoemd.</p>
+<p>Deze oorlog bevatte <i>vele</i> gebeurtenissen in &eacute;&eacute;n
+<i>enkele</i>, en een menigte zonderlingheden. Een gewichtige
+familiezaak voor het huis van Bourbon; de Fransche tak hielp en
+beschermde den Madridschen tak, dat wil zeggen, hij deed zich als de
+oudere <span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name=
+"pb73">73</a>]</span>gelden; &rsquo;t was een schijnbare terugkeer tot
+onze nationale overleveringen, gepaard aan de dienstbaarheid en
+onderwerping der noordsche kabinetten; de hertog van Angoul&ecirc;me,
+door de liberale bladen &bdquo;de held van Andujar genoemd,&rdquo; met
+een zegevierende houding, die eenigszins met zijn vreedzaam voorkomen
+in tegenspraak was, het oude wezenlijke schrikbewind van het heilige
+officie bedwingend, dat met het hersenschimmig schrikbewind der
+liberalen handgemeen was; de sansculottes tot grooten schrik der
+douairi&egrave;res onder den naam van <i lang="es">descamisados</i>
+herrijzend; het koningschap zich tegen den vooruitgang, met den naam
+van anarchie bestempeld, verzettend; de theorie&euml;n van 89
+plotseling tot onder den grond afgebroken; een Europeesche stilstand
+aan de Fransche idee, die de wereld rondgaat, toegeroepen; aan de zijde
+van den zoon van Frankrijk, als generalissimus, de prins van Carignan,
+later Karel Albert, die in dezen kruistocht der koningen tegen de
+volken als vrijwilliger met roode wollen grenadiers epauletten dienst
+neemt; de soldaten van het Keizerrijk weder te veld gaande, maar na
+acht jaren rust, verouderd, somber en met de witte kokarde; de
+driekleurige vlag in den vreemde door een heldhaftig hoopje Franschen
+opgestoken, zooals dertig jaren vroeger de witte vlag te Coblentz werd
+gedaan; de monniken onder onze soldaten gemengd; de geest van vrijheid
+en nieuwheid door de bajonetten tot rede gebracht; de beginselen met
+kanonschoten vastgezet; Frankrijk door zijn wapenen vernietigende, wat
+het door zijn geest had opgericht; overigens, de vijandelijke
+opperhoofden omgekocht, de soldaten aarzelend, de steden belegerd door
+millioenen; geen militaire gevaren en toch ontploffingen mogelijk,
+evenals in elke mijn, die verrast en genomen wordt; weinig bloed
+vergoten, weinig eer verworven, schande voor eenigen, glorie voor
+niemand; zoodanig was deze oorlog, begonnen door vorsten, die afstamden
+van Lodewijk XIV, en geleid door generaals, die afkwamen van Napoleon.
+Zij had het treurige lot, noch den grooten oorlog, noch de groote
+politiek in herinnering te brengen.</p>
+<p>Eenige wapenfeiten waren van beteekenis; de inneming van het
+Trocadero o. a. was een schoone militaire daad; maar over &rsquo;t
+algemeen geven de trompetten van dien oorlog een gebarsten geluid, het
+geheel was verdacht, de geschiedenis erkent Frankrijk&rsquo;s
+moeilijkheid in de aanneming van den valschen triomf. Het bleek klaar,
+dat sommige Spaansche officieren met den weerstand belast, te
+gemakkelijk toegaven, het id&eacute;e van omkooping plaatste zich naast
+de overwinning; het scheen, dat men eerder de generaals dan de
+veldslagen had gewonnen, en de overwinnende keerde beschaamd terug. Een
+treurige oorlog <span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name=
+"pb74">74</a>]</span>waarlijk, waarin men <i>Bank van Frankrijk</i>
+lezen kon in de plooien der vlag!</p>
+<p>Soldaten uit den oorlog van 1808, op wie Saragossa geweldig
+in&eacute;&eacute;n was gestort, fronsten de wenkbrauwen in 1823 bij de
+gemakkelijke opening der citadellen, en begonnen Palafox te
+betreuren.</p>
+<p>En nog een gezichtspunt is er, dat zeer in &rsquo;t oog moet worden
+gevat: deze oorlog, die den militairen geest neerdrukte,
+verontwaardigde dien der democratie. Het was een poging tot
+onderwerping, tot dienstbaarmaking. In dien veldtocht was het doel van
+den Franschen soldaat, zoon der democratie, de overwinning van een juk
+voor anderen. Afschuwelijke tegenstrijdigheid.</p>
+<p>Frankrijk is er voor aangewezen, om den geest der volkeren op te
+wekken, niet om dien te verstikken. Sedert 1792 zijn alle revoluties
+van Europa de Fransche Revolutie; de vrijheid straalt uit van
+Frankrijk. De vrijheid is daar de zon. Wie het niet ziet, is blind!
+Napoleon heeft het gezegd.</p>
+<p>De oorlog van 1823, aanslag op de edelmoedige Spaansche natie, was
+dus tevens een aanslag op de Fransche Revolutie. En deze weg van
+monsterachtig geweld werd door Frankrijk ingeslagen; door geweld; want,
+buiten en behalve de bevrijdingsoorlogen, geschiedt alles wat de legers
+doen door geweld. Het woord <i>lijdelijke gehoorzaamheid</i> duidt het
+aan. Een leger is een vreemd meesterstuk van samenstel, waarin de
+kracht en de macht het gevolg is eener enorm groote som van onmachtige
+grootheden. Zoo laat zich de oorlog verklaren, door de menschheid tegen
+de menschheid gevoerd, ondanks de menschelijkheid.</p>
+<p>Wat de Bourbons betreft, hun was de oorlog van 1823 noodlottig. Zij
+hielden hem voor een succes. Zij zagen niet, welk gevaar er in is
+gelegen, een id&eacute;e te laten dooden door een wachtwoord. Zij
+vergisten zich in die mate, dat ze, onnoozel genoeg, in hun
+staatsinstelling als krachtselement opnamen de onberekenbare
+verzwakking van een misdaad. De geest van misleiding en verraad kwam in
+hun politiek. De kiem van 1830 ligt in 1823. De veldtocht van Spanje
+werd in hun raadsvergaderingen een argument voor de <i lang=
+"fr">Coup&rsquo;s de force</i> en voor de avonturen van het goddelijk
+recht. Frankrijk, dat <i lang="es">el rey neto</i> hersteld had in
+Spanje, kon daar ook den absoluten koning herstellen. Zij vervielen in
+die jammerlijke dwaling, dat ze de gehoorzaamheid van den soldaat voor
+de toestemming der natie hielden. Dat vertrouwen is de ondergang der
+tronen. Men mag evenmin inslapen in de schaduw van een leger als in die
+van een giftappelboom. <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75"
+name="pb75">75</a>]</span></p>
+<p>Maar laten we tot de <i>Orion</i> terugkeeren.</p>
+<p>Gedurende de <span class="corr" id="xd20e1322" title=
+"Bron: operatie&rsquo;s">operaties</span> van het leger, aangevoerd
+door den prins-generalissimus, kruiste een escader in de Middellandsche
+Zee. We zeiden reeds dat de <i>Orion</i> bij dat escader hoorde en dat
+het door verschillende zee-omstandigheden in de haven van Toulon was
+teruggevoerd.</p>
+<p>De aanwezigheid van een oorlogsschip in een haven heeft steeds zeker
+iets, dat de menigte lokt en bezig houdt.</p>
+<p>Het komt omdat het iets grootsch is, en de menigte het grootsche
+bemint.</p>
+<p>Een linieschip is een der heerlijkste samenwerkingen van het
+menschelijk genie met de macht der natuur.</p>
+<p>Een linieschip is samengesteld uit het zwaarste en het lichtste
+tevens, wijl het tegelijkertijd met de drie vormen der stof te doen
+heeft, met den vasten, vloeibaren en luchtvormigen, en met alle drie
+moet worstelen. Het heeft elf ijzeren klauwen om het graniet op den
+bodem der zee te grijpen, en meer vleugels en vliezen dan eenig insect,
+om den wind in de wolken te vatten. Zijn adem komt uit zijn honderd
+twintig kanonnen als uit groote klaroenen, en komt met den donder
+overeen. De oceaan tracht het te doen verdwalen in de vreeselijke
+gelijkheid zijner golven, maar het schip heeft zijn ziel, zijn kompas,
+die het raad geeft en immer het noorden wijst. In donkere nachten
+vervangen zijn lantaarns de sterren. Het heeft dus touw en doek tegen
+den wind, hout tegen het water, ijzer, koper en lood tegen de rots,
+licht tegen de duisternis, een wijzer tegen de onmetelijkheid.</p>
+<p>Om zich een denkbeeld te maken van al de reusachtige verhoudingen,
+wier geheel het linieschip vormt, behoeft men slechts een der overdekte
+hellingen van zes verdiepingen van Brest of van Toulon binnen te gaan.
+De daar in aanbouw zijnde schepen staan om zoo te zeggen onder een
+stolp. Die reusachtige balk is een ra; deze groote, op den grond
+liggende, schier onafzienbare kolom is de groote mast. Van zijn wortel
+in de kiel tot aan zijn top in de wolken is hij zestig vademen lang, en
+aan zijn <span class="corr" id="xd20e1338" title=
+"Bron: bazis">basis</span> drie voet in middellijn. De groote Engelsche
+mast verheft zich tweehonderd zeventien voet boven de waterlinie. In
+vroegeren tijd gebruikte de marine kabels, thans kettingen. De enkele
+stapel kettingen op een schip van honderd stukken is vier voet hoog,
+twintig voet lang, acht voet breed. En hoeveel hout is er noodig om
+zulk een schip te maken? Drie duizend wissen, (vierkante ellen).
+&rsquo;t Is een drijvend woud.</p>
+<p>En, men bedenke wel, wij spreken hier slechts van het oorlogsschip
+van voor veertig jaren, van het gewone zeilschip; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name="pb76">76</a>]</span>de
+stoom, toen in haar geboorte, heeft sedert nieuwe mirakelen gevoegd bij
+dat wonder, &rsquo;t welk een oorlogsschip heet. Op dit oogenblik, bij
+voorbeeld, is het zeil- en stoomschip een wonderbare machine,
+voortgestuwd door een zeilwerk van drie duizend vierkante ellen
+oppervlakte en een stoomvermogen van twee duizend vijfhonderd
+paardekrachten.</p>
+<p>Zonder van deze nieuwe wonderen te spreken, is zelfs het oude schip
+van Christophorus Columbus en de Ruyter een der grootste
+kunstgewrochten van den mensch. Zijn kracht is onuitsprekelijk als het
+oneindige, het bewaart den wind in zijn zeilen, het beweegt zich met
+juistheid in de ontzaggelijke verwarring der golven; het drijft en
+heerscht.</p>
+<p>Evenwel komt een oogenblik, dat de rukwind deze zestig voet lange ra
+als een stroohalm breekt, dat de storm dezen vierhonderd voet hoogen
+mast als een riet buigt; dat dit anker &rsquo;t welk tien duizend pond
+weegt, in den muil der baren gekromd wordt als de vischangel in de
+kieuwen van een snoek; dat deze monsterachtige kanonnen een jammerend
+maar vruchteloos gebrul slaken, &rsquo;t welk de orkaan in de lucht en
+den nacht wegvoert; dat al deze macht, al deze majesteit in een hoogere
+macht en majesteit verdwijnen.</p>
+<p>Wanneer een ontzaggelijke kracht zich ontwikkelt om in een
+ontzaggelijke zwakheid onder te gaan, trekt dit de aandacht des
+menschen. Daardoor worden in de zeehavens de nieuwsgierigen, zonder dat
+zij er zich zelven rekenschap van geven, tot deze wonderbare werktuigen
+van den oorlog en de zeevaart gelokt.</p>
+<p>Alzoo waren dagelijks van &rsquo;s morgens tot &rsquo;s avonds de
+kaden en de havenhoofden van Toulon bedekt met een aantal
+nieuwsgierigen en straatslijpers, om naar de <i>Orion</i> te
+kijken.</p>
+<p>Sinds lang was de <i>Orion</i> een uitgediend schip. Op zijn vorige
+tochten hadden zich dikke schelplagen aan zijn kiel gehecht, zoodat het
+de helft van zijn snelheid had verloren; ten vorigen jare was het op
+het droog gehaald om de schelpen er af te krabben, en toen was het
+weder in zee gelaten. Maar deze afkrabbing had de bouten der kiel
+beschadigd. Op de hoogte der Balearische eilanden had de sluitrand
+sterk gewerkt en zich geopend, en dewijl destijds nog geen ijzeren
+bekleedingen bestonden, was het schip lek geworden. Een dier hevige
+evennachtsstormen had aan bakboordszijde het galjoen en een
+geschutpoort ingeslagen, en de fokkemast beschadigd. Tengevolge dezer
+averij was de Orion naar Toulon teruggekeerd.</p>
+<p>Het schip lag bij het Arsenaal vertuid. Het was nog gewapend en men
+was bezig het te herstellen. De romp was aan <span class=
+"pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name=
+"pb77">77</a>]</span>stuurboordzijde niet beschadigd, maar, naar
+gewoonte, was de buitenhuid hier en daar geopend om lucht in &rsquo;t
+hol te laten.</p>
+<p>Op zekeren ochtend waren de toeschouwers getuigen van een ontzettend
+ongeluk.</p>
+<p>De equipage was bezig met de zeilen te reven. De matroos, wien
+gelast was het groote marszeil aan stuurboordzijde te vatten, verloor
+het evenwicht. Men zag hem waggelen: de menigte op de kade van het
+arsenaal verzameld slaakte een kreet, het hoofd sleepte het lichaam
+mede, de man draaide om de ra met de handen naar den afgrond gekeerd;
+hij greep in zijn val eerst met de eene, toen met de andere hand de
+ralijn en bleef er aan hangen. De zee was tot een duizelingwekkende
+diepte onder hem. De schok van zijn val had aan de ralijn een geweldig
+schommelende beweging gegeven. De man slingerde aan dat touw heen en
+weder.</p>
+<p>&rsquo;t Was ontzettend gevaarlijk hem te hulp te komen. Geen der
+matrozen, allen kustvisschers, die eerst onlangs in dienst waren
+gekomen, durfde het wagen. Intusschen werd de ongelukkige matroos
+vermoeid; men kon zijn doodsangst wel niet op zijn gezicht zien, doch
+aan al zijn leden bespeurde men uitputting. Zijn armen rekten zich
+vreeselijk. Iedere poging, welke hij deed om zich op te werken, diende
+slechts om de ralijn te meer te doen slingeren. Hij schreeuwde niet,
+ten einde geen kracht te verliezen. Men verwachtte elk oogenblik niets
+anders dan hem het touw te zien loslaten, en telkens draaiden zich de
+hoofden om, ten einde hem niet te zien vallen. Er zijn oogenblikken,
+dat een eind touw, een staak, een boomtak het leven zelf is, en
+&rsquo;t is vreeselijk om te zien, dat een levend wezen het loslaat en
+als een rijpe vrucht neervalt.</p>
+<p>Eensklaps zag men een man met de vlugheid van een kat in het want
+klimmen. Deze man was in &rsquo;t rood gekleed; hij was dus een
+galeislaaf; hij had een groene muts op, dus een levenslang
+veroordeelde. Ter hoogte der mars gekomen, wierp een windvlaag hem de
+muts af en deed een geheel wit hoofd zien; hij was dus niet jong.</p>
+<p>Inderdaad, een tuchteling, die met anderen uit het bagno op het
+schip voor eenigen arbeid werd gebruikt, was dadelijk naar den officier
+van de wacht geijld, en onder de verwarring en ontsteltenis der geheele
+equipage, terwijl alle matrozen huiverden en terugtraden, had hij den
+officier verlof gevraagd zijn leven te mogen wagen om den man te
+redden. Op een toestemmend gebaar van den officier had hij met
+&eacute;&eacute;nen hamerslag de keten, waaraan zijn been was geboeid,
+stuk <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name=
+"pb78">78</a>]</span>geslagen; daarna greep hij een touw en had zich in
+&rsquo;t want geslingerd. Niemand had opgemerkt hoe gemakkelijk de
+keten stuk geslagen was. Eerst later herinnerde men zich dit.</p>
+<p>In een oogenblik was hij op de ra. Hij hield eenige seconden stil en
+scheen ze met zijn blik te meten. Deze seconden, gedurende welke de
+wind den matroos aan een draad schommelde, schenen eeuwen voor hen die
+&rsquo;t aanschouwden. Eindelijk hief de tuchteling de oogen ten hemel
+en deed een stap vooruit. De menigte ademde ruimer. Men zag hem over de
+ra gaan. Toen hij aan &rsquo;t eind was gekomen, bond hij een touw, dat
+hij had medegebracht, er aan vast en liet het andere eind hangen;
+vervolgens liet hij zich langs dit touw afglijden en in doodelijken
+angst zag men nu, in plaats van &eacute;&eacute;n, twee menschen boven
+den afgrond hangen.</p>
+<p>&rsquo;t Was als een spin, die zich op een vlieg werpt, maar hier
+bracht de spin het leven en niet den dood. Duizenden oogen waren op
+deze groep gericht. Geen kreet, geen woord, een gelijke siddering
+fronste aller wenkbrauwen. Aller monden hielden den adem in, als
+vreesden zij het minste tochtje te voegen bij den wind, die de beide
+rampzaligen bengelde.</p>
+<p>&rsquo;t Was intusschen den tuchteling gelukt tot den matroos te
+dalen, &rsquo;t was ook tijd; een minuut langer en de uitgeputte,
+wanhopende man zou zich in den afgrond hebben laten vallen; de
+tuchteling had hem stevig aan het touw vastgebonden, waaraan hij zich
+met de eene hand hield, terwijl hij met de andere zich opwerkte.
+Eindelijk zag men hem weder op de ra klauteren en den matroos
+ophijschen; hij liet hem hier een oogenblik rusten om hem zijn krachten
+te doen hernemen; vervolgens nam hij hem in zijn armen en droeg hem
+over de ra tot aan het ezelshoofd, en van daar in de mars, waar hij hem
+in de handen zijner kameraden gaf. Op dit oogenblik brak een levendig
+gejuich uit, oude galei-opzichters weenden, vrouwen vlogen elkander op
+de kade om den hals; en men hoorde uit aller mond, met een soort van
+verteederde woede den kreet: genade voor dien man!</p>
+<p>Hij was intusschen terstond naar beneden geklommen, om zijn werk te
+hervatten. Om er te spoediger te zijn, liet hij zich langs het want
+glijden en liep over een benedenra. Aller oogen volgden hem. Een
+oogenblik schrikte men; hetzij dat hij vermoeid was, hetzij dat hij
+duizelde, men meende hem te zien aarzelen en waggelen. Eensklaps
+slaakte de menigte een luiden kreet; de tuchteling was in zee
+gevallen.</p>
+<p>Een gevaarlijke val. Het fregat de <i>Algesiras</i> lag naast de
+<i>Orion</i> en de arme tuchteling was tusschen beide schepen gevallen.
+Het was te vreezen, dat hij onder het eene of het andere <span class=
+"pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span>zou
+drijven. Vier mannen sprongen haastig in een sloep. De menigte moedigde
+hen aan; opnieuw waren alle harten in angst. De man was niet weer boven
+water gekomen. Hij was in de zee gevallen zonder een rimpel achter te
+laten, als ware hij in een ton olie gevallen. Men peilde, men dook.
+Vruchteloos. Men zocht tot den avond; men vond zelfs het lichaam
+niet.</p>
+<p>Den volgenden dag bevatte het dagblad van Toulon deze weinige
+regelen:&mdash;&bdquo;17 November 1823.&mdash;Gisteren is een
+tuchteling, die aan boord van den Orion op corv&eacute;e was, nadat hij
+een matroos uit een doodsgevaar had gered, in zee gevallen en
+verdronken. Men heeft zijn lijk niet kunnen wedervinden. Men vermoedt
+dat hij onder de palen aan den kant van &rsquo;t Arsenaal is geraakt.
+Deze man stond in &rsquo;t gevangenisregister onder No. 9430 en heette
+Jean Valjean.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81"
+name="pb81">81</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Boek III.</h2>
+<h2 class="main">Vervulling van de belofte aan de stervende
+gedaan.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name=
+"pb83">83</a>]</span>
+<div id="ch3.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De watertoestand te Montfermeil.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Montfermeil ligt tusschen Livry en Chelles op den
+zuidelijken zoom van het hooge bergplat, dat de Ourque van de Marne
+scheidt. Tegenwoordig is het een tamelijk groot dorp, dat het geheele
+jaar door met witte villa&rsquo;s, en des Zondags met uitgedoste
+burgers versierd is. In 1823 zag men te Montfermeil noch zoovele witte
+huizen, noch zooveel vergenoegde burgers: &rsquo;t was niets dan een
+dorp in een bosch. Men vond er wel hier en daar eenige lusthuizen der
+vorige eeuw, herkenbaar aan hun grootsch voorkomen, hun ijzeren balkons
+en hooge vensters, wier kleine glasruiten op de witte gesloten blinden
+allerlei soort van groene kleur vertoonen. Montfermeil was evenwel een
+dorp. De rentenierende ex-winkeliers en de minnaars van het landleven
+hadden het nog niet ontdekt. &rsquo;t Was een vreedzaam, bekoorlijk
+oord, waar geen enkele weg langs liep; men leefde er goedkoop op
+landelijke wijs, onbekrompen en gemakkelijk. Alleen het water was er
+schaarsch, uithoofde der hooge ligging.</p>
+<p>Het moest tamelijk ver gehaald worden. Het einde van het dorp aan de
+zijde van Gagny putte zijn water uit de heerlijke vijvers, die daar in
+het bosch zijn; het andere einde, dat de kerk omgeeft, en aan de zijde
+van Chelles ligt, vond geen drinkbaar water dan aan een kleine bron,
+halfweg Chelles, bijna een kwartier van Montfermeil.</p>
+<p>&rsquo;t Was voor ieder gezin dus een moeielijk werk zich van
+&rsquo;t benoodigde water te voorzien. De groote huizen, de
+aristocratie, de kroeg van Th&eacute;nardier behoorde hier ook onder,
+betaalden een oordje voor iederen emmer aan een ouden man, die hieruit
+een bestaan maakte, en die met dit waterbedrijf ongeveer acht stuivers
+daags verdiende; maar deze man werkte des zomers slechts tot zeven ure
+&rsquo;s avonds, en des winters tot vijf ure; zoodra het donker was
+geworden en de vensterluiken gesloten waren, moest ieder die water
+wilde hebben het zelf zien te krijgen of het zonder doen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span></p>
+<p>Dit was de schrik van het arme wezen, &rsquo;t welk de lezer wel
+niet vergeten zal hebben, de kleine Cosette.</p>
+<p>Men herinnert zich, dat Cosette den Th&eacute;nardier&rsquo;s op
+twee&euml;rlei wijze nuttig was: zij lieten zich door de moeder betalen
+en door het kind bedienen. Toen de moeder geheel ophield te
+betalen&mdash;men heeft de reden ervan in de vorige hoofdstukken
+gelezen&mdash;behielden de Th&eacute;nardier&rsquo;s evenwel Cosette.
+Zij verving voor hen een dienstbode. In deze hoedanigheid nu, ging zij
+water halen wanneer men &rsquo;t moest hebben. Maar het kind, dat zeer
+bang was &rsquo;s avonds naar de bron te gaan, zorgde dat er steeds
+water in huis was.</p>
+<p>Het Kerstfeest van 1823 was te Montfermeil bijzonder schitterend.
+Het begin van den winter was zacht geweest, het had nog niet gevrozen
+of gesneeuwd. Potsenmakers van Parijs hadden van den maire verlof
+gekregen hun tenten in de groote straat van het dorp op te slaan, en
+een troep reizende kooplieden had, met gelijke vergunning, hun kramen
+op het kerkplein geplaatst, tot in de Bakkersteeg, waar, zooals men
+zich misschien zal herinneren, de kroeg van Th&eacute;nardier stond.
+Dit vulde de herbergen en logementen, en gaf aan dit stille oord een
+woelig, vroolijk leven. Wij moeten zelfs als trouw geschiedschrijver
+zeggen, dat onder de merkwaardigheden die op het plein te zien waren,
+zich een menagerie bevond, waarin leelijke, bonte hansworsten, wier
+herkomst men niet kon gissen, in 1823 aan de boeren van Montfermeil een
+dier ontzaggelijke Braziliaansche gieren vertoonden, welke ons
+koninklijk museum eerst sedert 1845 bezit, en wier oogen een
+driekleurige kokarde is. De natuurkundigen noemen, meen ik, dezen vogel
+<i lang="la">Caracara Polyborus</i>, hij behoort tot de orde der
+apiciden en tot de familie der gieren. Eenige oud-gedienden van
+Bonaparte, die nu hier leefden, gingen dit dier met allen eerbied
+kijken. De vertooners van den vogel verzekerden dat de driekleurige
+kokarde een &eacute;&eacute;nig verschijnsel was, en opzettelijk door
+den goeden God voor hun menagerie geschapen.</p>
+<p>Dienzelfden Kerstavond zaten verscheidene mannen, voerlieden en
+marskramers, in de gelagkamer der herberg van Th&eacute;nardier om een
+tafel met vier of vijf kaarsen te drinken. Deze kamer geleek op alle
+herbergkamers; tafels, tinnen kannen, flesschen, drinkers en rookers;
+weinig licht, veel leven. De datum van het jaar 1823 was er aangeduid
+door de twee destijds bij de burgerklasse in de mode zijnde voorwerpen,
+die op de tafel waren, namelijk een kaleidoskoop en een Engelsche lamp
+van gewaterd blik. Vrouw Th&eacute;nardier hield het oog op het
+avondeten, dat voor een goed helder vuur brandde; Th&eacute;nardier
+dronk met zijn gasten en sprak over politiek. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span></p>
+<p>Behalve de politieke gesprekken, welke den oorlog van Spanje en den
+hertog van Angoul&ecirc;me tot hoofdonderwerp hadden, hoorde men
+tusschenbeide onder het leven geheel plaatselijke zaken vermengd, als
+b. v.:</p>
+<p>&mdash;Naar den kant van Nanterre en Suresne is de wijnoogst zeer
+goed geweest. Waar men op tien stukken rekende, heeft men er twaalf.
+&rsquo;t Heeft onder de pers veel nat geleverd.&mdash;Maar de druif kon
+niet rijp zijn?&mdash;In die oorden behoeft de druif niet rijp te zijn:
+zoodra &rsquo;t lente is wordt de wijn zwaar.&mdash;&rsquo;t Is dus een
+lichte wijn?&mdash;De wijn is er nog lichter dan hier, men moet er
+onrijp oogsten.</p>
+<p>Enz.&mdash;</p>
+<p>Of &rsquo;t was een molenaar die riep:</p>
+<p>&mdash;Zijn wij verantwoordelijk voor &rsquo;t geen in de zakken is?
+Wij vinden er een handvol kleine korrels in, die wij den tijd niet
+hebben er uit te zoeken en men wel onder den steen moet laten gaan;
+&rsquo;t is onkruid; klaverzaad, korenbrand, wikke, hennepzaad, en een
+menigte ander tuig, zonder het zand te rekenen dat in sommig koren,
+vooral in het Bretonsche, overvloedig is. Ik houd er evenmin van,
+Bretonsch koren te malen, als de houtzagers van balken met spijkers er
+in te zagen. Ge kunt begrijpen hoeveel slecht stof dit alles bij de
+opbrengst geeft. En dan klaagt men over het meel. Men heeft ongelijk.
+Wij hebben geen schuld aan &rsquo;t meel.</p>
+<p>Tusschen twee vensters zat aan een tafel een maaier met een
+landeigenaar over den prijs te knibbelen voor het maaien van een weide
+in &rsquo;t voorjaar, en zeide:</p>
+<p>&mdash;&rsquo;t Kan geen kwaad, dat het gras vochtig is. Des te
+beter snijdt het. Om &rsquo;t even; dat gras, uw gras is jong en nog
+moeielijk; &rsquo;t is te teer en buigt voor de zeis.</p>
+<p>Enz.&mdash;</p>
+<p>Cosette zat op het dwarshout der keukentafel, haar gewone plaats,
+bij den schoorsteen; zij was in lompen, met de bloote voeten in
+klompen, en breide bij het schijnsel van het vuur wollen kousen voor de
+kleine Th&eacute;nardiers. Een zeer jong katje speelde onder de
+stoelen. Men hoorde twee frissche kinderstemmen in een belendend
+vertrek lachen en praten; &rsquo;t waren Eponine en Azelma.</p>
+<p>In den hoek van den haard hing een karwats aan een spijker.</p>
+<p>Bij tusschenpoozen klonk het geschreeuw van een zeer jong kind, dat
+ergens in huis was, boven het geraas in de herberg uit. &rsquo;t Was
+een jongentje, dat vrouw Th&eacute;nardier in een der vorige winters
+had gekregen&mdash;&bdquo;zonder te weten waarom,&rdquo; zeide zij:
+&bdquo;een gevolg van de koude,&rdquo;&mdash;en dat iets ouder
+<span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name=
+"pb86">86</a>]</span>dan drie jaar was. De moeder had dit gezoogd, maar
+beminde het niet. Wanneer het aanhoudend geschreeuw van den kleine te
+lastig werd, zeide Th&eacute;nardier: Uw kleine schreit, ga toch zien
+wat hij wil. &mdash;Och! antwoordde de moeder, het verveelt
+mij.&mdash;En de kleine verlatene schreide verder in het donker.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Voltooiing van twee portretten.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Men heeft de Th&eacute;nardier&rsquo;s in ons verhaal
+tot hiertoe van ter zijde gezien; het oogenblik is gekomen om dit paar
+van alle kanten te beschouwen.</p>
+<p>Th&eacute;nardier was over de vijftig jaren; zijne vrouw had bijna
+haar veertigste bereikt, dat het vijftigste der vrouw is, zoodat man en
+vrouw in ouderdom tegen elkander opwogen.</p>
+<p>Misschien hebben de lezers, sedert haar eerste verschijning, nog
+eenige herinnering van deze groote, blonde, roode, vette, vleezige,
+vierkante, zware en vlugge vrouw Th&eacute;nardier behouden; zij had
+iets, wij hebben &rsquo;t reeds gezegd, van het ras der wilde,
+kolossale vrouwmenschen, die op de kermissen het hoofd krommen onder
+het gewicht der aan heur haarvlechten gehangen keisteenen. Zij deed
+alles in het huis, bedden opmaken, kamers schoonmaken, de wasch, de
+keuken, zij maakte regen en zonneschijn en speelde bij gelegenheid voor
+den duivel. Zij had geen andere dienstmeid dan Cosette; een muis in den
+dienst van een olifant. Alles beefde voor den klank harer stem,
+vensterruiten, huisraad en menschen. Haar breed met sproeten bedekt
+gezicht had het aanzien van een schuimspaan. Zij had een baard. Zij was
+het ideaal van een lastdrager in vrouwenkleeding. Zij vloekte als een
+matroos en beroemde er zich op, een noot met een vuistslag te kunnen
+stuk slaan. Zoo zij geen romans had gelezen, die soms op zonderlinge
+wijze het nufje onder dit manwijf deden te voorschijn komen, zou
+&rsquo;t niemand ooit in de gedachte zijn gekomen, haar voor een vrouw
+te houden. Deze vrouw Th&eacute;nardier was als het voortbrengsel der
+enting van een juffertje op een vischwijf. Wanneer men haar hoorde
+spreken zeide men: &rsquo;t Is een gendarm; wanneer men haar zag
+drinken, zeide men: &rsquo;t Is een voerman; wanneer men haar Cosette
+zag mishandelen, zeide men: &rsquo;t Is de beul. Als zij sliep stak een
+tand uit haar mond.</p>
+<p>Th&eacute;nardier was een klein, mager, bleek, hoekig, knokig,
+tenger <span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name=
+"pb87">87</a>]</span>man, met een ziekelijk gezicht, maar die volkomen
+gezond was; hiermede begon zijn bedriegerij. Hij glimlachte gewoonlijk
+uit voorzorg, en was schier jegens iedereen beleefd, zelfs jegens den
+bedelaar, wien hij een aalmoes weigerde. Hij had het gezicht van een
+bunsing en het voorkomen van een geletterde. Hij leek veel op de
+portretten van den abt Delille. Hij stelde er een eer in, tegen
+voerlieden te drinken. Niemand had hem dronken kunnen maken. Hij rookte
+uit een groote pijp. Hij droeg een kiel, en onder zijn kiel een ouden
+zwarten rok. Hij gaf zich gaarne den schijn van letterkundige en
+materialist. Hij gebruikte gaarne eenige namen, om, wat hij ook zeide,
+te staven; Voltaire, Raynal, Parny en, zonderling, St. Augustinus. Hij
+verklaarde een &bdquo;stelsel&rdquo; te hebben. Overigens was hij een
+groote afzetter. Een &bdquo;filousophe.&rdquo; Zulke samenvoegingen
+bestaan. Men weet, dat hij beweerde gediend te hebben; hij verhaalde
+met eenigen bluf, dat toen hij bij Waterloo als sergeant bij &rsquo;t
+6e of 9e&mdash;&rsquo;t doet er niet toe&mdash;lichte infanterie stond,
+hij alleen tegen een escadron zwarte huzaren &bdquo;een gevaarlijk
+gewonden generaal&rdquo; met zijn lichaam bedekt en door het
+schrootvuur heen gered had. Vandaar voor zijn deur zijn schitterend
+uithangbord, en de naam van zijn herberg &bdquo;de sergeant van
+Waterloo.&rdquo; Hij was liberaal, classiek en bonapartist. Hij had
+voor het Champ d&rsquo;asile ingeteekend. In het dorp zeide men, dat
+hij voor priester had gestudeerd.</p>
+<p>Wij gelooven, dat hij eenvoudig in Holland voor herbergier had
+gestudeerd. Deze schurk der samengestelde orde was volgens alle
+waarschijnlijkheid een Vlaming uit Rijssel in Vlaanderen, een
+Franschman te Parijs, een Belg te Brussel, die met gemak schrijlings op
+twee grenzen zat. Men kent zijn heldendaad te Waterloo. Men ziet, dat
+hij ze een weinig overdreef. Vloed en ebbe, draaien en wenden,
+avonturen waren de elementen van zijn leven; een gescheurd geweten
+maakt een los leven; en Th&eacute;nardier behoorde waarschijnlijk, in
+het stormachtig tijdstip van 18 Juni 1815, aan die verscheidenheid van
+stroopende marketenters, van welke wij gesproken hebben, die door het
+land zwerven, aan dezen verkoopende, genen bestelende, en met een
+geheel gezin, man, vrouw en kinderen, in een kreupel karretje de
+marcheerende troepen volgende, met het instinct zich steeds bij het
+overwinnend leger te houden. Na, dezen veldtocht had hij, zooals hij
+zeide, iets overgespaard, en was te Montfermeil een herberg
+begonnen.</p>
+<p>Zijn besparingen, die uit beurzen en horloges, gouden ringen en
+zilveren kruisen bestonden en in de met lijken bezaaide voren waren
+geoogst, maakten geen groot kapitaal <span class="pagenum">[<a id=
+"pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span>uit en hadden den
+kroeghouder geworden marketenter niet ver gebracht.</p>
+<p>Th&eacute;nardier had iets onbeschrijfelijk houterigs in zijn
+gebaar, dat, bij een vloek, aan de kazerne, en, bij een kruis, aan het
+seminarie herinnert. Hij sprak mooi en gaf zich gaarne den schijn van
+geleerdheid. De schoolmeester had echter opgemerkt dat hij vaak
+&bdquo;groote bokken&rdquo; schoot.&mdash;Hij wist uitmuntend de
+rekening der reizigers op te maken, maar geoefende oogen vonden er veel
+spelfouten in. Th&eacute;nardier was een gluiper, een zwelger, een
+straatslijper en sluw. Hij verachtte zijn dienstmeiden niet, waarom
+zijn vrouw er geen meer hield. Deze reuzin was jaloersch, zij meende
+dat deze kleine magere, gele man het voorwerp der algemeene
+begeerlijkheid moest zijn.</p>
+<p>Th&eacute;nardier, met zijn listig, berekenend karakter, was een
+schurk van de gematigde soort. Deze soort is de ergste; daarmede
+vermengt zich de huichelarij.</p>
+<p>Th&eacute;nardier was bij gelegenheid niet minder tot toorn in staat
+dan zijne vrouw; maar deze aanvallen waren bij hem zeer zelden, en wijl
+hij in zulke oogenblikken het geheele menschelijke geslacht te lijf
+wilde, wijl in hem een diepe gloed van haat lag, wijl hij een dier
+lieden was, die zich altijd willen wreken, die alles beschuldigen wat
+hun voorbijgaat en wat op hen neerkomt, en steeds gereed zijn op den
+eerste den beste, als een wettige grieve, het gezamenlijk bedrag hunner
+teleurstellingen, bankroeten en rampen des levens te
+werpen,&mdash;wanneer al deze zuurdeesem in hem gistte en in zijn mond
+en oogen brandde, was hij vreeselijk. Wee hem, die dan onder zijne
+woede kwam!</p>
+<p>Buiten zijn overige hoedanigheden was Th&eacute;nardier oplettend en
+scherpzinnig, naar gelegenheid stil of praatachtig, doch altijd met
+groote schranderheid. Hij had iets in zijn blik van de zeelieden, die
+gewoon zijn in den verrekijker te knipoogen. Th&eacute;nardier was een
+staatsman.</p>
+<p>Ieder nieuweling die de kroeg binnentrad en vrouw Th&eacute;nardier
+zag, zeide: zij is de meester in huis. Vergissing. Zij was zelfs de
+meesteres niet. De meester en de meesteres was de man. Zij handelde,
+hij schiep. Hij bestierde alles met een soort van onzichtbare,
+voortdurende magnetische werking. Een woord, soms een wenk was voor hem
+voldoende, en de mastodonte gehoorzaamde. Th&eacute;nardier was voor
+vrouw Th&eacute;nardier, zonder dat zij er zich van bewust was, een
+soort van bijzonder en oppermachtig wezen. Zij bezat de deugden van
+haar soort; wanneer ze over eenige zaak met &bdquo;mijnheer
+Th&eacute;nardier&rdquo; in tegenspraak was geweest&mdash;een overigens
+<span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name=
+"pb89">89</a>]</span>schier onmogelijke veronderstelling&mdash;zou zij
+haar man nooit openlijk ongelijk geven, waarin &rsquo;t ook wezen
+mocht. Nooit zou zij, tegenover vreemden, de bij vrouwen zoo gewone
+fout gepleegd hebben, den man, zooals men &rsquo;t noemt, de kroon van
+&rsquo;t hoofd te nemen. Hoewel hun eensgezindheid slechts kwaad ten
+doel had, was er toch eerbied in de onderwerping van vrouw
+Th&eacute;nardier aan haar man. Deze berg van gerucht en vleesch bewoog
+zich onder den pink van dezen tengeren despoot. &rsquo;t Was, van haar
+dwergachtige en bespottelijke zijde beschouwd, deze groote algemeene
+zaak: de beheersching der stof door den geest; want het leelijke heeft
+soms zijn reden van bestaan, zelfs in de diepten van het eeuwig
+schoone. Er was in Th&eacute;nardier iets onbekends; vanhier het
+volstrekte gezag van dezen man op deze vrouw. In sommige oogenblikken
+zag zij in hem een brandende kaars; in andere voelde zij hem als een
+klauw.</p>
+<p>Deze vrouw was een geducht schepsel, dat alleen haar kinderen
+beminde en slechts haar man vreesde. Zij was moeder, wijl zij zoogdier
+was. Haar moederschap bepaalde zich overigens slechts tot haar
+dochters, en strekte, zooals men zien zal, zich niet tot de jongens
+uit. Hij, de man, had slechts &eacute;&eacute;n gedachte&mdash;zich te
+verrijken.</p>
+<p>&rsquo;t Gelukte hem niet. Aan dit groote talent ontbrak een
+geschikt tooneel. Th&eacute;nardier werd te Montfermeil arm, zoo
+&rsquo;t mogelijk is met niets arm te worden; in Zwitserland of in de
+Pyrenee&euml;n zou hij millionair zijn geworden. Maar waar het lot den
+herbergier bindt, moet hij grazen.</p>
+<p>Men begrijpt dat het woord &bdquo;herbergier&rdquo; hier in
+beperkten zin is gebezigd en zich niet over een geheele klasse
+uitstrekt.</p>
+<p>In ditzelfde jaar 1823 had Th&eacute;nardier ongeveer
+vijftienhonderd francs dringende schulden, &rsquo;t geen hem zeer
+bezorgd maakte.</p>
+<p>Hoe halsstarrig de onrechtvaardigheid van het lot jegens hem was,
+Th&eacute;nardier behoorde tot die menschen, welke het best, het
+innigst en op de nieuwste wijze datgene begrijpen, wat bij de
+barbaarsche volken een deugd en bij de beschaafde volken een koopwaar
+is, de gastvrijheid. Overigens was hij een uitmuntend jachtstrooper en
+vermaard wegen de juistheid van zijn schot. Zijn koude kalme glimlach
+was bijzonder gevaarlijk.</p>
+<p>Zijn herbergiers-theorie&euml;n schoten soms als weerlichten uit
+hem. Hij had grondregels van zijn beroep, welke hij in den geest zijner
+vrouw prentte.&mdash;<span class="corr" id="xd20e1504" title=
+"Niet in bron">&bdquo;</span>De plicht van den herbergier,<span class=
+"corr" id="xd20e1507" title="Niet in bron">&rdquo;</span> zeide hij
+haar eenmaal met nadruk en zachte stem, <span class="corr" id=
+"xd20e1510" title="Niet in bron">&bdquo;</span>is aan ieder die komt
+gekookte spijs, rust, licht, vuur, vuile <span class="pagenum">[<a id=
+"pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span>bedlakens, vlooien en
+beleefdheid te verkoopen; de reizigers op te houden, de schrale beurzen
+te ledigen en de goedgevulde fatsoenlijk te verlichten, de reizende
+gezinnen huisvesting te verleenen, den man te snijden, de vrouw te
+plukken en het kind af te zetten; in rekening te brengen voor het open
+venster, het gesloten venster, den hoek van den haard, den armstoel,
+den stoel, de bank, het voetbankje, het veerebed, de matras en den bos
+stroo; te weten hoeveel de schaduw den spiegel verslijt en hiervoor te
+rekenen, en, bij de vijfmaalhonderd duizend duivels, den reiziger alles
+te doen betalen, zelfs de vliegen die zijn hond eet!&rdquo;</p>
+<p>Deze man en vrouw waren de in den echt getreden list en de woede,
+een leelijk en vreeselijk span.</p>
+<p>Terwijl de man overlegde en berekende, dacht de vrouw niet aan de
+afwezende schuldeischers, noch bekommerde zich om het gisteren of
+morgen, maar leefde in haar toorn slechts voor &rsquo;t oogenblik.</p>
+<p>Zoodanig waren deze twee wezens. Cosette, die tusschen hen stond,
+ondervond hun dubbele werking, als een schepsel, dat onder een
+molensteen verpletterd en door een knijptang geknepen wordt. De man en
+de vrouw hadden ieder een verschillende handelwijze; Cosette werd met
+slagen gebeukt, dat kwam van de vrouw; zij ging blootvoets, dat kwam
+van den man.</p>
+<p>Cosette was nu boven, dan beneden, waschte, schuurde, boende,
+veegde, liep, werkte, sloofde, droeg zware lasten en, hoe klein zij
+was, deed het grove werk. Geen medelijden; een wreede meesteres, een
+kwaadaardig meester. De kroeg van Th&eacute;nardier was als een
+spinneweb, waarin Cosette gevangen was en beefde. Het ideaal der
+verdrukking was in deze treurige dienstbaarheid verwezenlijkt. &rsquo;t
+Had iets van een vlieg, in dienst van spinnen.</p>
+<p>Lijdelijk zweeg het arme kind.</p>
+<p>Wat heeft in zulke zielen plaats, die reeds van jongs af klein en
+naakt onder vreemden zijn gekomen, wanneer zij God verlaten?</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De menschen moeten wijn, de paarden water hebben.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er waren vier nieuwe reizigers aangekomen.</p>
+<p>Cosette was in treurige gedachten; want, hoewel eerst acht jaren
+oud, had zij bereids zooveel geleden, dat zij even sombere mijmeringen
+had als eene oude vrouw. <span class="pagenum">[<a id="pb91" href=
+"#pb91" name="pb91">91</a>]</span></p>
+<p>Haar ooglid was blond, tengevolge van een vuistslag, dien
+Th&eacute;nardier haar had gegeven, hetgeen vrouw Th&eacute;nardier
+herhaaldelijk deed zeggen: Hoe leelijk is zij met haar blauwe oog!</p>
+<p>Cosette dacht er aan, dat het avond was, laat in den avond; dat zij
+onverwacht de kannen en karaffen in de kamers der aangekomen reizigers
+had moeten vullen en er geen water meer in &rsquo;t vat was.</p>
+<p>Het stelde haar toch eenigszins gerust, dat men ten huize van
+Th&eacute;nardier weinig water dronk. &rsquo;t Ontbrak niet aan lieden,
+die dorst hadden; maar &rsquo;t was een dorst die zich liever met wijn
+dan met water lescht. Wie een glas water tusschen al die glazen wijn
+had gevraagd, zou al deze mannen een wilde hebben toegeschenen. Er was
+evenwel een oogenblik, dat het kind beefde; vrouw Th&eacute;nardier
+lichtte het deksel op van een pot die op &rsquo;t vuur stond, nam een
+glas en naderde haastig het watervat. Zij draaide de kraan om; het kind
+had het hoofd opgericht en volgde al haar bewegingen. Een dunne
+waterstraal vloeide uit de kraan en vulde ten halve het
+glas.&mdash;Zie, er is geen water meer! zeide zij en zweeg toen een
+oogenblik. Het kind hield haar adem in.</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; hernam vrouw Th&eacute;nardier, het halfvolle glas
+beziende, &bdquo;&rsquo;t zal wel genoeg zijn.&rdquo;</p>
+<p>Cosette hervatte haar arbeid, maar langer dan een kwartieruurs
+voelde zij haar hart als een hamer in haar borst kloppen.</p>
+<p>Zij telde de minuten, die aldus verliepen, en had wel gewenscht, dat
+reeds de volgende morgen daar was.</p>
+<p>Nu en dan zag een der drinkers naar de straat en
+riep:&mdash;&rsquo;t Is zoo donker als in een oven!&mdash;of:&mdash;Men
+moet een kat zijn om in dit uur zonder lantaarn uit te gaan!&mdash;En
+Cosette rilde.</p>
+<p>Eensklaps trad een der in de herberg logeerende kramers binnen, en
+zeide met ruwe stem:</p>
+<p>&bdquo;Men heeft mijn paard geen water gegeven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, zeker,&rdquo; zei vrouw Th&eacute;nardier.</p>
+<p>&bdquo;Ik zeg u van neen, vrouw,&rdquo; hernam de koopman.</p>
+<p>Cosette was van onder de tafel gekomen.</p>
+<p>&bdquo;Ja, gewis, mijnheer,&rdquo; zeide zij, &bdquo;het paard heeft
+gedronken, het heeft uit den emmer, den emmer leeg gedronken; ik zelve
+heb het te drinken gegeven en er me&ecirc; gepraat.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was niet waar, Cosette loog.</p>
+<p>&bdquo;Zie, zoo&rsquo;n klein ding eens brutaal liegen,&rdquo; riep
+de koopman uit. &bdquo;Ik zeg u, dat het paard niet gedronken heeft,
+kleine deugniet. Het snuift op bijzondere wijze als het niet gedronken
+heeft, ik weet het heel juist.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span></p>
+<p>Cosette hield vol en voegde er met een van angst bevende stem bij,
+die men nauwelijks kon verstaan:</p>
+<p>&bdquo;En &rsquo;t heeft zelfs zeer veel gedronken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; hernam de koopman vergramd, &bdquo;&rsquo;t doet
+er niet toe; laat men mijn paard te drinken geven en daarmede
+uit.&rdquo;</p>
+<p>Cosette keerde onder de tafel terug.</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt gelijk,&rdquo; zei vrouw Th&eacute;nardier,
+&bdquo;zoo het dier niet gedronken heeft, moet het drinken.&rdquo;</p>
+<p>En een blik om zich slaande:</p>
+<p>&bdquo;Nu, waar is ze?&rdquo;</p>
+<p>Zij bukte en ontdekte Cosette stijf aan &rsquo;t andere einde der
+tafel, schier onder de voeten der drinkers.</p>
+<p>&bdquo;Wilt ge komen?&rdquo; riep vrouw Th&eacute;nardier.</p>
+<p>Cosette kwam uit den hoek, waarin zij zich verborgen had. Vrouw
+Th&eacute;nardier hernam:</p>
+<p>&bdquo;Welaan, ondeugend nest, geef het paard water.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar er is geen water meer, madame,&rdquo; zei Cosette
+bedeesd.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier deed de voordeur wagenwijd open en
+hernam:</p>
+<p>&bdquo;Nu, ga &rsquo;t dan halen!&rdquo;</p>
+<p>Cosette boog het hoofd en nam een ledigen emmer, die in den hoek van
+den schoorsteen stond.</p>
+<p>Deze emmer was grooter dan zij zelve, en &rsquo;t kind had er
+gemakkelijk in kunnen zitten.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier keerde naar het vuur terug en proefde met
+een houten lepel &rsquo;t geen in den pot was, daarbij brommende:</p>
+<p>&bdquo;Er is rijkelijk water in. Nu, daarom is &rsquo;t niet
+slechter. Ik geloof dat ik de uien wel had kunnen sparen.&rdquo;</p>
+<p>Toen zocht zij in een lade, waarin klein geld, peper en sjalotten
+waren, en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Daar, juffer pad, breng als ge terugkomt een grof brood van
+den bakker mede; hier hebt ge een vijftien-stuiversstuk.&rdquo;</p>
+<p>Cosette had een zakje in haar voorschoot; zonder te spreken nam zij
+het geld en stak het in dat zakje.</p>
+<p>Toen bleef zij stijf staan, met den emmer in de hand, voor de open
+deur. Zij scheen te wachten, tot men haar te hulp kwam.</p>
+<p>&bdquo;Ga toch!&rdquo; riep vrouw Th&eacute;nardier.</p>
+<p>Cosette ging. De deur sloot zich achter haar. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een pop komt op het tooneel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De rij kramen strekte zich, zooals men zich herinnert,
+van de kerk tot aan de herberg van Th&eacute;nardier uit. Al deze
+kramen waren, in afwachting der inwoners die naar de middernachtmis
+zouden gaan, met kaarsen in papieren lantaarns verlicht, &rsquo;t geen,
+zooals de schoolmeester van Montfermeil zeide, die op dit oogenblik in
+de herberg van Th&eacute;nardier zat, een &bdquo;tooverachtige
+uitwerking&rdquo; deed. Daarentegen zag men geen enkele ster aan den
+hemel.</p>
+<p>De laatste dezer kramen, die juist tegenover
+Th&eacute;nardier&rsquo;s deur stond, was vol blinkende, rinkelende
+goederen, glaswaren en prachtige blikken voorwerpen. Vooraan in de
+kraam had de koopman tegen een achtergrond van witte servetten, een
+groote twee voet hooge pop geplaatst, in rose krip gekleed, met gouden
+koornaren op &rsquo;t hoofd, met echt haar en porseleinen oogen. Den
+geheelen dag was dit wonder van verbazing voor de jeugd uitgestald
+geweest, zonder dat te Montfermeil een moeder was gevonden, rijk of
+scheutig genoeg om ze voor haar kind te koopen. Eponine en Azelma
+hadden uren in haar beschouwing doorbracht, en zelfs Cosette had,
+hoewel steelsgewijze, ze durven begluren.</p>
+<p>Toen Cosette met haar emmer in de hand uitging, kon zij zich niet
+weerhouden, hoe treurig en neerslachtig ze ook was, de oogen naar deze
+wonderschoone pop, naar deze dame, zooals zij ze noemde, op te slaan.
+Het arme kind was als versteend blijven staan. Zij had de pop nog niet
+van nabij gezien<span class="corr" id="xd20e1632" title=
+"Bron: ,">.</span> De geheele kraam scheen haar een paleis, deze pop
+was geen pop, maar een verschijning. &rsquo;t Was de vreugd, de
+luister, de rijkdom, het geluk, die in een soort van denkbeeldigen
+glans voor het kleine rampzalige wezen verschenen, dat zoo diep in een
+vreeselijke koude ellende gedompeld was. Cosette mat, met de onnoozele
+en treurige schranderheid der kindsheid, den afgrond die haar van deze
+pop scheidde. Zij dacht dat men ten minste koningin of prinses moest
+zijn om &bdquo;zoo iets&rdquo; te hebben. Zij aanschouwde dat fraaie
+ros&eacute; kleed, dat glad gestreken haar, en dacht: Hoe gelukkig moet
+deze pop zijn! Haar oogen konden zich van deze betooverende kraam niet
+afwenden. Hoe meer zij staarde, hoe meer zij werd verbijsterd. Zij
+meende den hemel te zien. Achter de groote stonden andere poppen, die
+haar fee&euml;n en geni&euml;n schenen. De <span class=
+"pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span>koopman,
+die in zijn kraam heen en weder ging, kwam haar eenigszins als onze
+lieve Heer voor!</p>
+<p>In haar verrukking vergat zij alles, zelfs de boodschap waarmede zij
+belast was. Eensklaps riep de ruwe stem van vrouw Th&eacute;nardier
+haar tot de wezenlijkheid terug:&mdash;&bdquo;Hoe, deern! Zijt ge nog
+niet weg! Wacht, ik zal bij u komen! Ik vraag u, wat doet ge daar toch!
+klein monster, ga!&rdquo;</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier had even op straat gezien, en Cosette in
+hare verrukking opgemerkt.</p>
+<p>Cosette ijlde met haar emmer heen, en liep zoo hard zij kon.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De kleine alleen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Dewijl de herberg van Th&eacute;nardier in dat
+gedeelte van &rsquo;t dorp stond, dat bij de kerk is, moest Cosette het
+water uit de bron in het bosch naar den kant van Chelles halen.</p>
+<p>Zij sloeg geen blik meer naar de kramen.</p>
+<p>Zoolang zij in de Bakkerssteeg en in de nabijheid der kerk was,
+verlichtten de kaarsen in de kramen haar weg, maar spoedig verdween het
+laatste licht der laatste kraam. Toen bevond het arme kind zich in de
+duisternis. Zij begaf er zich in. Door de ontroering waarin zij was,
+deelde zich haar onrust ook aan den emmer mede. Het gerucht dat de
+krijschende hengel maakte, vergezelde haar in haar loop.</p>
+<p>Hoe verder zij kwam, des te dikker werd de duisternis. Er was
+niemand meer op de straat. Evenwel ontmoette zij een vrouw, die in
+&rsquo;t voorbijgaan het hoofd omkeerde, staan bleef en binnensmonds
+prevelde: Waar mag dat kind toch heengaan? Is &rsquo;t een jonge
+weerwolf?&mdash;Maar toen de vrouw Cosette herkende, zeide
+zij:&mdash;&rsquo;t Is de Leeuwerik.</p>
+<p>Zoo doorkruiste Cosette den doolhof van kromme, eenzame straten,
+waarin, aan den kant van Chelles, het dorp Montfermeil uitloopt.
+Zoolang er huizen, of zelfs maar muren aan de zijden van haar weg
+waren, ging zij tamelijk stoutmoedig voort. Nu en dan zag zij het
+schijnsel van een licht door de reet van een vensterluik; &rsquo;t was
+licht en leven, er waren menschen en dat stelde haar gerust. Hoe verder
+zij echter voortging, des te langzamer werd als werktuiglijk haar tred.
+Voorbij den hoek van het laatste huis gekomen, bleef Cosette staan.
+Voorbij de laatste kraam te gaan was moeielijk geweest; verder
+<span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name=
+"pb95">95</a>]</span>dan het laatste huis te gaan werd onmogelijk. Zij
+zette den emmer neder, sloeg haar hand in het haar en krabde langzaam
+&rsquo;t hoofd, een eigenaardige beweging van kinderen die ontsteld en
+besluiteloos zijn. &rsquo;t Was nu Montfermeil niet meer, &rsquo;t was
+het open veld. Een donkere, eenzame ruimte lag voor haar. Wanhopend
+aanschouwde zij deze duisternis, waarin geen mensch was, waarin dieren,
+waarin misschien spoken waren. Zij staarde angstvallig en hoorde dieren
+in het gras loopen, zij zag duidelijk spoken zich in de boomen bewegen.
+Toen greep zij weder den emmer; de angst gaf haar moed:&mdash;Ha! zeide
+zij, ik zal haar zeggen dat er geen water meer was.&mdash;En onversaagd
+trad zij Montfermeil weder binnen.</p>
+<p>Nauwelijks was zij honderd schreden gegaan, toen zij weder stilhield
+en haar hoofd krabde. Nu was het vrouw Th&eacute;nardier die voor haar
+verscheen; vrouw Th&eacute;nardier vreeselijk met haar
+hyena&rsquo;smond en vlammenden toorn in de oogen. Het kind sloeg een
+erbarmelijken blik voor en achter zich. Wat te doen? Wat zou van haar
+worden? Waarheen te gaan? Voor zich het spookbeeld van vrouw
+Th&eacute;nardier; achter zich al de verschijningen van den nacht en
+het bosch. Voor vrouw Th&eacute;nardier deinsde zij achteruit. Zij
+sloeg weder den weg naar de bron in en begon te loopen. Loopende
+verliet zij het dorp, en loopende trad zij in het bosch, naar niets
+meer ziende, naar niets meer luisterende. Zij hield niet eerder op met
+loopen dan toen de adem haar ontbrak; zij ging echter langzamer voort,
+gejaagd en hijgend.</p>
+<p>Onder &rsquo;t gaan had zij grooten lust tot schreien.</p>
+<p>De nachtelijke huivering van het bosch omgaf haar.</p>
+<p>Zij dacht, zij zag niet meer. Dit kleine wezen stond tegenover den
+onmetelijken nacht. Volslagen duisternis aan de eene zijde, een nietig
+stofdeeltje aan de andere.</p>
+<p>Van den zoom van &rsquo;t bosch tot de bron was de afstand slechts
+zeven of acht minuten. Cosette kende den weg, wijl zij dien meermalen
+over dag had afgelegd! Zonderling, zij verdwaalde niet. Een soort van
+instinct leidde haar. Echter sloeg zij de oogen noch rechts noch links,
+uit vrees, iets in de takken en het struikgewas te zien. Eindelijk kwam
+zij aan de bron.</p>
+<p>&rsquo;t Was een natuurlijke kuip, door het water in den
+leemachtigen bodem uitgehold, van omstreeks twee voet diep, omgeven van
+mos en hoog gerimpeld gras, kraagjes van Hendrik IV genoemd, en
+geplaveid met eenige groote steenen. Een stil kabbelend beekje stroomde
+er uit.</p>
+<p>Cosette gunde zich den tijd niet om te ademen. Het was zeer donker,
+maar Cosette was gewoon aan die fontein te <span class=
+"pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>komen.
+Met de linkerhand zocht zij in de duisternis een over de bron gebogen
+jongen eik, die haar gewoonlijk tot steunpunt diende, vond een tak,
+vatte dien, bukte en dompelde den emmer in &rsquo;t water. Zij was in
+zulk een hevige overspanning, dat haar kracht verdrievoudigd was.
+Terwijl zij alzoo voorover was gebogen, lette zij er niet op, dat iets
+uit het zakje van haar voorschoot in de bron viel. Het
+vijftienstuiversstuk viel in &rsquo;t water. Cosette zag noch hoorde
+het vallen. Zij haalde den emmer schier vol op en zette hem op het
+gras.</p>
+<p>Dit gedaan hebbende, gevoelde zij zich uitgeput van vermoeienis. Zij
+had wel dadelijk willen terugkeeren; maar haar inspanning, om den emmer
+te vullen, was zoo groot geweest, dat zij onmogelijk een voet kon
+verzetten. Zij moest een oogenblik rusten. Zij liet zich op het gras
+neer en bleef er gehurkt zitten.</p>
+<p>Zij sloot de oogen en opende ze weder, zonder te weten waarom, doch
+zij kon niet anders. Naast haar vormde het deinende water in den emmer
+nog kringen, die als slangen van wit vuur geleken.</p>
+<p>Boven haar hoofd was de hemel met groote, zwarte wolken bedekt, die
+als rook voorbijdreven. Het treurig masker der duisternis scheen zich
+eenigszins over dit kind te hangen.</p>
+<p>Jupiter verschool zich achter de wolken.</p>
+<p>Met ontstelden blik aanschouwde het kind deze groote ster, welke zij
+niet kende en die haar vrees inboezemde. De planeet was inderdaad op
+dat oogenblik zeer dicht aan den horizon en scheen door een dichten
+nevel, die haar een vreeselijk rood gaf. De purperkleurige nevel
+vergrootte de ster. Zij was als een lichtgevende wond. Een koude wind
+blies over de vlakte. Het bosch was donker, zonder bladerengeritsel,
+zonder de minste avondschemering. Dreigend verhieven zich de hooge
+takken. Het kleine struikgewas floot over de open plekken. Het hooge
+gras wemelde als alen onder den nachtwind. De braamstruiken geleken
+uitgestoken armen met klauwen gewapend, om haar prooi te vatten. Dorre
+heidestruiken, door den wind voortgedreven, vlogen voorbij en schenen
+verschrikt voor iets te vluchten, dat naderde. Aan alle zijden was
+&rsquo;t een somber verschiet.</p>
+<p>De duisternis is duizelingwekkend. De mensch heeft licht noodig. Wie
+zich in &rsquo;t donker begeeft, voelt zijn hart beklemd. Wanneer het
+oog zwart ziet, ziet de geest verward. Zelfs de sterkste mensch gevoelt
+zich onbehagelijk bij verduistering, in den nacht, in het donker.
+Niemand gaat &rsquo;s nachts alleen door <span class="pagenum">[<a id=
+"pb97" href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span>een bosch zonder
+huivering. Een hersenschimmige werkelijkheid verschijnt in de
+onbestemde diepte. Het onbegrijpelijke teekent zich op eenige schreden
+van u met spookachtige juistheid af. Men ziet in de ruimte of in zijn
+eigen hersenen iets onduidelijks, ontastbaars zweven, als de droom der
+slapende bloemen. Woeste gestalten staan aan den horizon. Men ademt de
+uitvloeisels van het groote donkere ledige. Men is angstig en wil toch
+omzien. Men is weerloos tegen de holte van den nacht, de schaduwachtige
+voorwerpen, de zwijgende gestalten die verdwijnen wanneer men nadert,
+tegen de dreigende struiken en struweelen, tegen vale plassen, tegen de
+oneindige stilte des grafs, tegen alle mogelijke onbekende wezens,
+tegen het geheimzinnig buigen der takken, tegen schrikbarende
+boomstompen. De grootste stoutmoedigheid beeft, en voelt de angst
+nabij. &rsquo;t Is alsof de ziel zich in de donkerheid wil oplossen.
+Voor een kind is de eenzaamheid in de duisternis iets onuitsprekelijk
+vreeselijks.</p>
+<p>De bosschen zijn verborgenheden; en het klapwieken eener kleine ziel
+maakt een doodelijk gedruisch onder hun kolossaal gewelf.</p>
+<p>Zonder zich eenig begrip te vormen van haar gewaarwordingen, voelde
+Cosette zich door deze donkere verschrikkelijkheid der natuur
+aangegrepen. &rsquo;t Was niet slechts schrik, die haar overweldigde,
+&rsquo;t was iets nog vreeselijker. Zij sidderde. Er zijn geen woorden
+om te zeggen, hoe vreemd de huivering was, die haar tot in &rsquo;t
+binnenste des harten deed ijzen. Haar oog was woest geworden. Zij
+meende te gevoelen, dat zij &rsquo;t misschien niet zou kunnen
+verhinderen, morgen terzelfder plaatse, in hetzelfde uur terug te
+komen.</p>
+<p>Toen, als door instinct, en om uit den toestand, dien zij niet
+begreep, maar die haar beangstigde, te geraken, telde zij met luide
+stem een, twee, drie, vier, tot tien en begon dan opnieuw. Dit bracht
+haar tot het besef der dingen, die haar omgaven, terug. Zij voelde dat
+haar handen, door het waterputten nat geworden, koud waren. Zij stond
+op. Haar angst was teruggekeerd, een natuurlijke onverwinbare angst.
+Zij had slechts &eacute;&eacute;ne gedachte, die van te vluchten; zoo
+snel zij kon door het bosch, over het veld tot de huizen, tot de
+vensters, tot de brandende kaarsen te vluchten. Haar blik viel op den
+voor haar staanden emmer.</p>
+<p>Haar angst voor vrouw Th&eacute;nardier was zoo groot, dat zij niet
+zonder den emmer met water durfde vluchten. Zij vatte met bevende
+handen het hengsel. Met moeite kon zij den emmer dragen.</p>
+<p>Toen deed zij een twaalftal schreden, maar de emmer was <span class=
+"pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>vol,
+zwaar, en zij was gedwongen hem neder te zetten. Zij schoot even in den
+adem, toen nam zij den emmer weder en ging verder, nu iets langer. Maar
+wederom moest zij blijven staan. Na eenige seconden rust, ging zij
+opnieuw met voorover gebogen hoofd als een oude vrouw; het gewicht van
+den emmer rekte en verstijfde haar magere armen. Het ijzeren hengsel
+verdoofde en verkilde haar natte handen nog meer, gedurig moest zij
+stilstaan, en dan kletste telkens het over den emmer stroomend water
+tegen haar bloote voeten. Dit gebeurde in een bosch des nachts, des
+winters, ver van eenig menschelijk oog; &rsquo;t was een achtjarig
+kind; God alleen zag dit oogenblik, dezen treurigen toestand.</p>
+<p>En zeker ook haar moeder, helaas!</p>
+<p>Want er zijn dingen, die de oogen der dooden in hun graf openen.</p>
+<p>Zij hijgde en steunde smartelijk; haar keel was door het gesnik
+dicht gewrongen, maar zij durfde niet weenen, zoo bevreesd was zij,
+zelfs in de verte, voor vrouw Th&eacute;nardier. Zij was gewoon zich te
+verbeelden, dat vrouw Th&eacute;nardier altijd tegenwoordig was.</p>
+<p>Op deze wijze kon zij evenwel weinig vorderen, niettegenstaande zij
+elk rustpunt verkortte en na ieder zoo lang en zoo snel mogelijk
+voortstapte. Met schrik dacht zij, dat er meer dan een uur verloopen
+zou, eer zij te Montfermeil terug was, en dat vrouw Th&eacute;nardier
+haar slaan zou. Deze angst kwam nog bij haar schrik van zich des nachts
+in het bosch te bevinden. Zij was reeds uitgeput van vermoeidheid en
+nog altijd in het bosch. Bij een kastanjeboom gekomen, dien zij
+herkende, hield zij weder stil, en langer dan de vorige keeren, om voor
+de laatste maal eens goed te rusten; toen spande zij al haar krachten
+in, vatte den emmer weder op en ging moedig voort. Het arme kind was
+echter wanhopig en kon zich niet weerhouden uit te roepen: &bdquo;o,
+mijn God! mijn God!&rdquo;</p>
+<p>Op &rsquo;t zelfde oogenblik voelde zij eensklaps dat de emmer geen
+zwaarte meer had. Een hand, die haar zeer groot scheen, had het hengsel
+gegrepen en hief het forsch omhoog. Zij richtte het hoofd op. Een
+groote donkere, rechte gestalte ging naast haar in de duisternis.
+&rsquo;t Was een man, die haar gevolgd was en dien zij niet gezien had.
+Deze man had, zonder iets te zeggen, den emmer, dien zij droeg,
+gevat.</p>
+<p>Er is een instinct bij elke ontmoeting in het leven.</p>
+<p>Het kind was niet bevreesd. <span class="pagenum">[<a id="pb99"
+href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Dat misschien Boulatruelles schranderheid
+bewijst.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Tegen den avond van dienzelfden Kerstdag van 1823
+wandelde een man tamelijk lang op het eenzaamst gedeelte van den
+boulevard de l&rsquo;H&ocirc;pital te Parijs. Hij scheen een woning te
+zoeken en bij voorkeur voor de armoedigste huizen van dien bouwvalligen
+zoom der voorstad St. Marceau te blijven stilstaan.</p>
+<p>Men zal later zien, dat deze man inderdaad een kamer in deze
+afgezonderde wijk had gehuurd.</p>
+<p>Hij verwezenlijkte in zijn kleeding en geheelen persoon het type van
+wat men den fatsoenlijken bedelaar kan noemen, groote behoefte gepaard
+aan groote zindelijkheid. Een zeer zeldzame vereeniging, welke aan
+verstandige lieden dien dubbelen eerbied inboezemt, welken men voor den
+arme en verdienstelijke gevoelt. Hij had een zeer ouden en kalen hoed
+op &rsquo;t hoofd, een bruine grof lakensche jas, tot op den draad
+versleten, welke kleur destijds geen opzien baarde, een groot vest met
+zakken van verouderden vorm, een zwarte broek, aan de knie&euml;n grijs
+geworden, zwart wollen kousen en lompe schoenen met koperen gespen. Men
+zou hem voor een ouden huisonderwijzer gehouden hebben, die uit de
+emigratie was teruggekeerd. Wegens zijn wit haar, zijn gerimpeld
+voorhoofd, zijn gezicht, dat neerslachtigheid en levenszatheid
+teekende, zou men hem voor ouder dan zestig jaar gehouden; doch naar
+zijn vasten, schoon langzamen tred, naar de zeldzame kracht, die uit al
+zijn bewegingen sprak, zou men hem nauwelijks vijftig jaren gegeven
+hebben. Zijn fraai gerimpeld voorhoofd zou iemand, die hem met
+oplettendheid beschouwde, gunstig voor hem hebben ingenomen. Zijn lip
+had een zonderlingen trek van strengheid en ootmoed. In zijn blik lag
+iets als een treurige kalmte. In de linkerhand droeg hij een klein, in
+een zakdoek geknoopt pakje; in de rechterhand hield hij een van ruw
+hout gesneden stok! Deze stok was met eenige zorg bewerkt en zag er
+aardig uit; van de naden was partij getrokken en de knop met lak rood
+gemaakt; &rsquo;t was een knuppel, in de gedaante van een
+wandelstok.</p>
+<p>Men ziet weinig voorbijgangers op dien boulevard, vooral des
+winters. Deze man scheen ze, hoewel zonder dat dit in &rsquo;t oog
+liep, eerder te vermijden dan te zoeken.</p>
+<p>In dien tijd ging koning Lodewijk XVIII schier dagelijks
+<span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name=
+"pb100">100</a>]</span>naar Choisy-le-Roi. &rsquo;t Was een zijner
+begunstigde wandelingen. Tegen twee uur zag men bijna dagelijks het
+rijtuig en den koninklijken stoet in vollen galop den boulevard de
+l&rsquo;H&ocirc;pital passeeren.</p>
+<p>Dit was voor de arme vrouwen dier wijk horloge en klok; zij zeiden:
+&bdquo;&rsquo;t is twee uur, hij keert naar de Tuilerie&euml;n
+terug.&rdquo;</p>
+<p>Eenigen liepen toe, anderen gingen aan den weg staan; want een
+voorbijgaand koning veroorzaakt altijd opschudding. De verschijning en
+verdwijning van Lodewijk XVIII maakte overigens een zekeren indruk in
+de straten van Parijs. &rsquo;t Was snel maar majestueus. Deze jichtige
+koning had smaak in hard rijden; daar hij niet kon gaan, wilde hij
+vliegen; deze voetelooze liet zich gaarne door den bliksem trekken.
+Kalm en statig ging hij voorbij, omgeven door blanke sabels. Zijn
+zware, vergulde berline, op wier paneelen groote lelietakken waren
+geschilderd, rolde daverend voorbij en nauwelijks had men den tijd er
+het oog op te slaan. Men zag in den achtersten hoek ter rechterzijde,
+op wit satijnen kussens een breed, krachtig en blozend gezicht, een
+frisch gepoederd hoofd, een fieren, strengen, fijnen blik, den glimlach
+van een letterkundige, twee zware gouden epauletten met losse tressen
+op een burgerrok, het gulden vlies, het kruis van den H. Lodewijk, het
+kruis van het legioen van eer, de zilveren ster van den H. Geest, een
+dikken buik, en een breed blauw lint; dit was de koning. Buiten Parijs
+hield hij zijn hoed met witte pluimen op zijn in hooge Engelsche
+slobkousen gebakerde knie&euml;n, zoodra hij in de stad terugkeerde
+zette hij den hoed op en groette weinig. Hij zag koel naar het volk,
+dat hem met dezelfde munt betaalde. Toen hij den eersten keer in de
+wijk Saint-Marceau verscheen, was al de vrucht, die hij er van
+getrokken had, dit woord van een voorstadsbewoner tot zijn kameraad:
+&bdquo;Deze dikke is het gouvernement.&rdquo;</p>
+<p>Dit onfeilbare voorbijrijden des konings op hetzelfde uur was dus de
+dagelijksche verschijning op den boulevard de
+l&rsquo;H&ocirc;pital.</p>
+<p>De wandelaar in de bruine jas behoorde blijkbaar niet in deze wijk
+te huis, en waarschijnlijk niet te Parijs, want deze bijzonderheid was
+hem onbekend. Toen het koninklijk rijtuig, door een escadron
+gardes-du-corps met zilveren galon omgeven, te twee uren van den hoek
+van la Salp&ecirc;tri&egrave;re den boulevard opreed, scheen hij
+verrast en schier verschrikt. Hij alleen was in de zijlaan, hij trad
+haastig achter een hoek van den ringmuur, &rsquo;t geen den hertog
+d&rsquo;Havr&eacute; echter niet belette hem te zien. De heer hertog
+d&rsquo;Havr&eacute; zat als dienstdoende kapitein <span class=
+"pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span>der
+gardes dien dag in het rijtuig tegenover den koning. Hij zeide tot
+zijne majesteit: Ziedaar een man met een zeer slecht uitzicht!
+Politie-beambten, die den weg des konings verkenden, merkten hem ook
+op; een hunner ontving bevel hem te volgen. Maar de man verdween in de
+nauwe eenzame straten van de voorstad, en daar de avond begon te
+vallen, verloor de agent zijn spoor, zooals wordt bevestigd in een
+rapport aan den graaf Angl&egrave;s, minister van staat en prefect van
+politie, van dienzelfden avond.</p>
+<p>Toen de man in de bruine jas de vervolging van den agent ontkomen
+was, versnelde hij zijn schreden, echter niet zonder telkens om te zien
+of hij ook werd gevolgd. Om kwartier over vier toen het reeds donker
+was, ging hij voorbij den schouwburg van de poort St. Martin, waar dien
+avond <i lang="fr">les deux For&ccedil;ats</i> werd gespeeld. Het
+aanplakbiljet, dat door de lantaarns van den schouwburg verlicht werd,
+trof hem, want hoewel hij haastig ging, hield hij stil om het te lezen.
+Een oogenblik later was hij in het slop la Planchette en trad de
+herberg <i lang="fr">le Plat d&rsquo;&eacute;tain</i> binnen, waar
+destijds het bureau van den wagen op Lagny was. Die wagen vertrok te
+half vijf. De paarden waren voorgespannen en de reizigers, door den
+voerman opgeroepen, beklommen haastig de hooge ijzeren trede van
+&rsquo;t rijtuig.</p>
+<p>De man vroeg:</p>
+<p>&bdquo;Is er nog plaats?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nog eene, naast mij op den bok,&rdquo; zei de koetsier.</p>
+<p>&bdquo;Ik neem ze.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Stap op dan.&rdquo;</p>
+<p>Maar voor hij wegreed sloeg de koetsier een blik op de sobere
+kleeding van den reiziger en zijn klein pakje, en liet zich terstond
+betalen.</p>
+<p>&bdquo;Gaat ge tot Lagny?&rdquo; vroeg de koetsier.</p>
+<p>&bdquo;Ja,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>De reiziger betaalde tot Lagny.</p>
+<p>Men vertrok. Toen men buiten de barri&egrave;re was, wilde de
+koetsier een gesprek beginnen; maar de reiziger antwoordde slechts
+kortaf. Toen ging de koetsier aan &rsquo;t fluiten en op zijn paarden
+vloeken.</p>
+<p>De koetsier wikkelde zich in zijn mantel. &rsquo;t Was koud. De man
+scheen er niet aan te denken. Dus reed men door Gournay en
+Neuilly-sur-Marne.</p>
+<p>Tegen zes uur was men te Chelles. De koetsier hield stil om zijn
+paarden te laten drinken, v&oacute;&oacute;r de voermansherberg,
+opgericht in de oude gebouwen van de koninklijke abdij.</p>
+<p>&bdquo;Hier ga ik af,&rdquo; zei de man. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span></p>
+<p>Hij nam zijn pakje en stok, en sprong van het rijtuig.</p>
+<p>Een oogenblik later was hij uit het oog verdwenen.</p>
+<p>Hij was de herberg niet binnengegaan.</p>
+<p>Toen, na eenige minuten, het rijtuig naar Lagny voortreed, ontmoette
+&rsquo;t hem niet in de groote straat van Chelles.</p>
+<p>De koetsier zeide tot de reizigers in &rsquo;t rijtuig:</p>
+<p>&bdquo;Deze man is niet van hier, want ik ken hem niet. Hij schijnt
+behoeftig te zijn, en echter hecht hij niet aan geld, want hij betaalt
+tot Lagny en gaat slechts tot Chelles. &rsquo;t Is donker, al de huizen
+zijn gesloten, hij is de herberg niet binnengegaan, en is nergens te
+zien. Zou hij in den grond zijn gezonken?&rdquo;</p>
+<p>De man was niet in den grond gezonken, maar was haastig in &rsquo;t
+donker de groote straat van Chelles doorgegaan; vervolgens was hij
+links, v&oacute;&oacute;r hij aan de kerk kwam, den binnenweg
+ingeslagen, die naar Montfermeil voert, als iemand die het oord kende
+en er vroeger geweest was.</p>
+<p>Hij liep met spoed. Ter plaatse, waar zijn pad door den met boomen
+beplanten weg van Gagny naar Lagny doorsneden wordt, hoorde hij
+menschen naderen. Hij verborg zich schielijk aan den kant van een sloot
+en wachtte tot de voorbijgangers verwijderd waren. Deze voorzorg was
+trouwens schier overbodig, want, zooals wij gezegd hebben, &rsquo;t was
+een zeer donkere Decembernacht. Nauwelijks bespeurde men een paar
+sterren aan den hemel.</p>
+<p>Bij deze plek begint de glooiing van den heuvel. De man volgde den
+weg van Montfermeil niet; hij ging rechts over het veld en liep met
+haastigen tred naar het bosch.</p>
+<p>In &rsquo;t bosch gekomen, ging hij langzamer en begon oplettend al
+de boomen te beschouwen, stap voor stap, als zocht en volgde hij een
+geheimen, hem alleen bekenden weg. Een oogenblik scheen hij verdwaald
+en stond besluiteloos stil. Eindelijk kwam hij zoekende en tastende op
+een onbegroeide plek, waar een hoop groote witachtige steenen lag.
+Haastig naderde hij deze steenen en in de nachtschemering onderzocht
+hij ze nauwkeurig en met de grootste aandacht. Een dikke boom, bedekt
+met die uitwassen, welke de wratten van &rsquo;t plantenrijk zijn,
+stond op eenige schreden van den hoop steenen. Hij ging naar dien boom
+en bevoelde met zijn hand den stam, alsof hij de uitwassen poogde te
+herkennen en te tellen.</p>
+<p>Tegenover dezen boom, een els, stond een kastanjeboom, wiens schors
+beschadigd was, en waarop men als verband een reep zink had gespijkerd.
+Hij tilde zich op de teenen en betastte die reep.</p>
+<p>Daarop ging hij een poos tusschen den boom en de steenen
+<span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name=
+"pb103">103</a>]</span>heen en weer, als iemand die onderzocht of de
+grond kortelings is omgegraven.</p>
+<p>Dit gedaan hebbende, nam hij zijn richting en zette zijn tocht door
+het bosch voort.</p>
+<p>&rsquo;t Was deze man, dien Cosette ontmoet had.</p>
+<p>Toen hij het kreupelhout naar den kant van Montfermeil doorging, had
+hij deze kleine schim gezien, welke zich zuchtend bewoog, die een last
+nederzette, dien weder opnam en haar weg vervolgde. Hij was nader
+gekomen en had gezien, dat &rsquo;t een zeer jong kind was, een grooten
+emmer water torsende. Toen was hij tot het kind gegaan en had zwijgend
+het hengsel van den emmer gevat.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Cosette in het donker met den onbekende.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wij hebben gezegd, dat Cosette voor den man niet
+bevreesd was geweest.</p>
+<p>Hij sprak haar aan en zeide met ernstige, zachte stem:</p>
+<p>&bdquo;De vracht die ge draagt, is te zwaar voor u, mijn
+kind!&rdquo;</p>
+<p>Cosette hief het hoofd op en antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geef hem mij,&rdquo; hernam de man, &bdquo;ik zal voor u
+dragen.&rdquo;</p>
+<p>Cosette liet den emmer los. De man ging naast haar voort.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is inderdaad zwaar,&rdquo; zeide hij binnensmonds.
+En hij hernam:</p>
+<p>&bdquo;Hoe oud zijt ge, kleine?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Acht jaar, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En zijt ge hiermede reeds ver gekomen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van de bron in het bosch.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En moet ge nog ver?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een goed kwartier van hier.&rdquo;</p>
+<p>De man zweeg een oogenblik en hernam toen eensklaps:</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge geen moeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet niet,&rdquo; antwoordde het kind.</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r de man den tijd had te spreken, hernam zij:</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof &rsquo;t niet. Anderen hebben er een. Ik
+niet.&rdquo;</p>
+<p>Wederom na eenig zwijgen, zeide zij:</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof, dat ik er nooit een gehad heb&rdquo;</p>
+<p>De man hield stil, zette den emmer neder, boog zich, legde zijn
+beide handen op de schouders van &rsquo;t kind, en deed een poging om
+haar in &rsquo;t gezicht te zien. <span class="pagenum">[<a id="pb104"
+href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span></p>
+<p>Het mager kwijnend gezicht van Cosette was onduidelijk zichtbaar bij
+het bleeke licht des hemels.</p>
+<p>&bdquo;Hoe heet ge?&rdquo; vroeg de man.</p>
+<p>&bdquo;Cosette.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was of de man door een electrieken schok getroffen werd.
+Hij zag haar nogmaals aan, nam zijn handen van Cosettes schouders,
+greep den emmer en ging weder voort.</p>
+<p>Na een poos, vroeg hij:</p>
+<p>&bdquo;Waar woont ge, kleine?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Te Montfermeil; zoo ge &rsquo;t kent.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gaan wij daarheen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>Wederom ontstond een pauze, toen hernam hij:</p>
+<p>&bdquo;Wie heeft u toch op dit uur water in &rsquo;t bosch laten
+halen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vrouw Th&eacute;nardier.&rdquo;</p>
+<p>De man vroeg op een gedwongen onverschilligen toon, doch die echter
+op eene zonderlinge wijze beefde:</p>
+<p>&bdquo;Wie is dat, vrouw Th&eacute;nardier...?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij is mijn meesteres,&rdquo; zei het kind. &bdquo;Zij houdt
+een herberg.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een herberg?&rdquo; zei de man. &bdquo;Welnu, dan zal ik er
+van nacht gaan logeeren. Breng er mij heen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij gaan er heen,&rdquo; hernam het kind.</p>
+<p>De man stapte tamelijk snel voort. Cosette volgde hem zonder moeite.
+Zij voelde geen vermoeidheid meer. Nu en dan hief zij haar oogen tot
+dien man op, met een onbeschrijfelijke gerustheid en onbezorgdheid.
+Nooit had men haar geleerd zich tot de Voorzienigheid te wenden en te
+bidden. Evenwel voelde zij iets in zich, dat naar hoop en blijdschap
+geleek en tot den hemel opsteeg.</p>
+<p>Er verliepen eenige minuten. De man hernam:</p>
+<p>&bdquo;Heeft vrouw Th&eacute;nardier geen dienstmeid?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt ge alleen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>Wederom een tusschenpoos. Cosette nam het woord:</p>
+<p>&bdquo;Maar er zijn twee meisjes.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe heeten die meisjes?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ponine en Zelma.&rdquo;</p>
+<p>Het kind vereenvoudigde aldus de beide voor vrouw Th&eacute;nardier
+zoo dierbare romaneske namen.</p>
+<p>&bdquo;Wie zijn Ponine en Zelma?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De jongejuffrouwen Th&eacute;nardier, de dochtertjes mijner
+meesteres.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105"
+name="pb105">105</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;En wat doen die meisjes?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O!&rdquo; zei het kind, &bdquo;zij hebben fraaie poppen,
+dingen met goud en allerlei moois. Zij spelen, zij vermaken
+zich.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Den geheelen dag?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En gij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik werk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Den geheelen dag?&rdquo;</p>
+<p>Het kind hief haar groote oogen op, waarin een traan stond, dien men
+in de duisternis niet zag, en antwoordde zacht:</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>Na een pauze hernam zij:</p>
+<p>&bdquo;Soms, wanneer ik mijn werk gedaan heb en men &rsquo;t mij
+vergunt, vermaak ik mij ook.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe vermaakt ge u?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zooals ik kan, men laat mij begaan. Ik heb weinig speelgoed.
+Ponine en Zelma willen niet, dat ik met haar poppen speel. Ik heb niets
+dan een klein blikken sabeltje, niet langer dan zoo.&rdquo;</p>
+<p>Het kind wees haar pink.</p>
+<p>&bdquo;Dat niet snijdt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, zeker, mijnheer,&rdquo; zei het kind, &bdquo;het snijdt
+salade en vliegenkoppen.&rdquo;</p>
+<p>Zij kwamen aan het dorp; Cosette voerde den vreemdeling door de
+straten. Zij gingen voorbij den bakkerswinkel, maar Cosette dacht niet
+aan het brood, dat zij moest medebrengen. De man had opgehouden met
+haar te spreken en bewaarde nu een somber zwijgen. Toen zij de kerk
+achter zich hadden, vroeg hij, op &rsquo;t gezicht der kramen, aan
+Cosette:</p>
+<p>&bdquo;Is &rsquo;t hier jaarmarkt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, mijnheer, &rsquo;t is Kerstmis.&rdquo;</p>
+<p>Toen zij de herberg naderden, nam Cosette hem bedeesd bij den arm en
+zeide:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, mijn kind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij zijn dicht bij huis.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wilt ge mij nu weder den emmer laten dragen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Omdat, als vrouw Th&eacute;nardier ziet, dat een ander hem
+voor mij heeft gedragen, zij mij slaan zal.&rdquo;</p>
+<p>De man gaf haar den emmer. Een oogenblik later waren zij aan de deur
+der kroeg. <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name=
+"pb106">106</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het onaangename van een arme bij zich te ontvangen,
+die misschien rijk is.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Cosette kon zich niet bedwingen een schuinschen blik
+naar de groote pop te slaan, die nog altijd in de prachtige kraam stond
+uitgestald; daarna klopte zij aan. De deur werd geopend. Vrouw
+Th&eacute;nardier verscheen met een kaars in de hand.</p>
+<p>&bdquo;Ha, zijt gij &rsquo;t, kleine deugniet! God vergeef me, ge
+hebt er wel den tijd toe genomen, gij hebt zeker gespeeld!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Madame,&rdquo; zei Cosette bevend, &bdquo;hier is een heer
+die komt logeeren.&rdquo;</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier trok spoedig haar norsch gezicht tot een
+vriendelijken glimlach, een bij herbergiers zeer gewone verandering van
+tooneel, en zag begeerig naar den nieuw aangekomene.</p>
+<p>&bdquo;Gij, mijnheer?&rdquo; zeide zij.</p>
+<p>&bdquo;Ja, madame,&rdquo; antwoordde de man, de hand aan zijn hoed
+brengende.</p>
+<p>De rijke reizigers zijn niet zoo beleefd. Dit gebaar en &rsquo;t
+gezicht van het kostuum en de bagage van den vreemdeling, die vrouw
+Th&eacute;nardier met een oogwenk had opgenomen, deden den
+vriendelijken glimlach weder verdwijnen en het norsche gezicht opnieuw
+voor den dag komen. Zij hernam droogjes:</p>
+<p>&bdquo;Kom binnen, vriend.&rdquo;</p>
+<p>De &bdquo;vriend&rdquo; trad binnen. Vrouw Th&eacute;nardier sloeg
+opnieuw een blik op hem, beschouwde nauwkeurig zijn jas, die geheel
+kaal en zijn hoed die eenigszins gedeukt was en raadpleegde,
+hoofdschuddend, den neus optrekkend en knipoogend, haar man, die nog
+altijd met de voerlieden dronk. De man antwoordde met die onmerkbare
+beweging van den voorvinger, gepaard aan de uitzetting der lippen,
+welke in dergelijke gevallen beteekende: &bdquo;niets aan te
+verdienen.&rdquo; Waarop vrouw Th&eacute;nardier sprak:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Spijt mij, beste vriend, maar er is geen plaats
+meer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Plaats mij waar ge wilt,&rdquo; zei de man, &bdquo;op den
+zolder, in den stal. Ik zal betalen alsof ik een kamer had.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Twee francs.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Twee francs. Goed.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Twee francs,&rdquo; zei een voerman zacht tot vrouw
+Th&eacute;nardier, &bdquo;en &rsquo;t is slechts &eacute;&eacute;n
+franc.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name=
+"pb107">107</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is voor hem twee francs,&rdquo; antwoordde vrouw
+Th&eacute;nardier op denzelfden toon. &bdquo;Ik logeer geen armen
+minder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit is waar,&rdquo; voegde de echtgenoot er gemoedelijk bij;
+&bdquo;&rsquo;t geeft een huis een slechten naam, zulk volk te
+logeeren.&rdquo;</p>
+<p>Intusschen had de man, na zijn pakje en stok op een bank te hebben
+gelegd, aan een tafeltje plaats genomen, waarop Cosette haastig een
+flesch wijn en een glas had gezet. De koopman, die den emmer water had
+gevraagd, was zelf het zijn paard gaan brengen. Cosette had haar plaats
+onder de keukentafel weder ingenomen en ook haar breiwerk gezocht.</p>
+<p>De man, die nauwelijks zijn lippen had bevochtigd met den wijn, dien
+hij zich had ingeschonken, aanschouwde het kind met zonderlinge
+oplettendheid.</p>
+<p>Cosette was leelijk. Ware zij gelukkig, dan zou ze misschien mooi
+zijn geweest. Wij hebben bereids deze sombere figuur geschetst.
+Cosette, bijna acht jaren oud, was mager en bleek; men zou haar
+nauwelijks op zes jaren hebben geschat. Haar groote oogen, als in
+schaduw verzonken, waren schier van &rsquo;t weenen uitgedoofd. De
+hoeken van haar mond hadden gewoonlijk dien angstigen plooi, welken men
+bij veroordeelden en bij hopelooze zieken opmerkt. Zij had
+winterhanden, zooals haar moeder geraden had. Het vuur, dat haar op dit
+oogenblik bescheen, deed de hoeken van haar beenderen uitkomen en liet
+op schrikbare wijze zien hoe mager zij was. Wijl zij aanhoudend van
+koude bibberde, had zij de gewoonte aangenomen, beide knie&euml;n tegen
+elkander te drukken. Haar kleeding bestond uit lompen, en zou des
+zomers medelijden hebben verwekt, terwijl ze &rsquo;s winters deed
+ijzen. Zij had niets aan, dan versleten katoen, geen lapje wol. Hier en
+daar scheen haar vel door, en overal bespeurde men blauwe of blonde
+plekken, welke de plaatsen aanduidden, waar vrouw Th&eacute;nardier
+haar geslagen had. Haar naakte beenen waren rood en mager. De holte om
+hare schouderbladen was om van te schreien. De geheele persoon van het
+kind, haar gang, haar houding, de klank harer stem, haar afgebroken
+woorden, haar blik, haar stilte, haar minste beweging drukten een
+enkele gedachte uit: vrees.</p>
+<p>De vrees had haar geheel ingenomen; zij was er om zoo te spreken
+mede overdekt; de vrees bracht haar ellebogen tegen haar heupen, trok
+haar hielen onder haar rokjen, deed haar de kleinst mogelijke plaats
+beslaan, liet haar slechts zooveel ademen als noodig was, en was om zoo
+te spreken haar lichaamsgewoonte geworden, die voor geene verandering
+dan alleen toeneming vatbaar was. In haar oogappel was een plekje, dat
+verschrikking uitdrukte. <span class="pagenum">[<a id="pb108" href=
+"#pb108" name="pb108">108</a>]</span></p>
+<p>Deze vrees was zoo sterk, dat, hoe nat Cosette ook was, zij zich
+niet aan &rsquo;t vuur had durven drogen, maar stil weder aan haar werk
+was gegaan.</p>
+<p>Het uitzicht van dit achtjarig kind was gewoonlijk zoo somber, en
+vaak zoo wanhopig, dat het soms scheen, alsof zij op &rsquo;t punt was
+een idiote of een duivelin te worden.</p>
+<p>Nooit, hebben wij gezegd, had zij geweten wat bidden is, nooit had
+zij den voet in een kerk gezet. Is daar tijd voor? zei vrouw
+Th&eacute;nardier.</p>
+<p>De man met de bruine jas sloeg geen oog van Cosette.</p>
+<p>Eensklaps riep vrouw Th&eacute;nardier:</p>
+<p>&bdquo;Waar hebt ge het brood?&rdquo;</p>
+<p>Cosette, zooals zij gewoon was wanneer vrouw Th&eacute;nardier haar
+stem verhief, haastte zich van onder de tafel te komen.</p>
+<p>Zij had het brood geheel en al vergeten. Zij nam haar toevlucht tot
+het gewone hulpmiddel van beangste kinderen. Zij loog.</p>
+<p>&bdquo;De bakkerij was gesloten, madame.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dan moest ge geklopt hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb geklopt, madame.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er werd niet geopend.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Morgen zal ik weten of &rsquo;t waar is,&rdquo; zei vrouw
+Th&eacute;nardier, &bdquo;en zoo ge liegt, zult ge er van lusten. Geef
+mij intusschen het vijftienstuiversstuk terug.&rdquo;</p>
+<p>Cosette stak haar hand in &rsquo;t zakje van haar voorschoot en werd
+bleek. Het vijftienstuiversstuk was er niet meer.</p>
+<p>&bdquo;Nu,&rdquo; zei vrouw Th&eacute;nardier, &bdquo;hebt ge mij
+verstaan?&rdquo;</p>
+<p>Cosette keerde den zak om; er was niets in. Waar kon dat geld
+gebleven zijn? Het ongelukkige kind kon geen woord uitbrengen. Zij was
+versteend.</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge het vijftienstuiversstuk verloren?&rdquo; gilde vrouw
+Th&eacute;nardier, &bdquo;of wilt ge mij bestelen?&rdquo;</p>
+<p>Tezelfder tijd stak zij den arm uit naar de karwats in den hoek van
+den haard.</p>
+<p>Dit schrikkelijk gebaar gaf Cosette de kracht om uit te roepen:</p>
+<p>&bdquo;Genade, madame, madame, ik zal &rsquo;t niet weer
+doen.&rdquo;</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier nam de karwats.</p>
+<p>Ondertusschen had de man met de bruine jas in zijn vestzakje getast,
+zonder dat men deze beweging had opgemerkt. Bovendien dronken of
+speelden de overige reizigers kaart en letten op niets.</p>
+<p>Cosette kroop angstig in den hoek van den haard ineen, en poogde
+haar halfnaakte leden bijeen te trekken en te beveiligen. Vrouw
+Th&eacute;nardier lichtte den arm op. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Vergeving, madame,&rdquo; zei de man; &bdquo;ik heb zoo
+aanstonds iets uit &rsquo;t voorschootzakje der kleine zien rollen. Dat
+zal &rsquo;t misschien zijn.&rdquo;</p>
+<p>Tezelfder tijd bukte hij en scheen een oogenblik op den vloer te
+zoeken.</p>
+<p>&bdquo;Juist&mdash;hier heb ik &rsquo;t,&rdquo; hernam hij, zich
+oprichtende.</p>
+<p>En hij reikte het geldstuk aan vrouw Th&eacute;nardier.</p>
+<p>&bdquo;Ja, dat is het,&rdquo; zeide zij.</p>
+<p>Dat was het niet, want &rsquo;t was een vijffrancstuk, maar vrouw
+Th&eacute;nardier had er winst bij. Zij stak het geldstuk in haar zak
+en vergenoegde zich een vasten blik op het kind te slaan en te
+zeggen:&mdash;&bdquo;Pas op, dat het niet weer gebeurt!&rdquo;</p>
+<p>Cosette keerde terug naar &rsquo;t geen vrouw Th&eacute;nardier
+&bdquo;haar nest&rdquo; noemde, en haar groote oogen, op den onbekenden
+reiziger gericht, namen een uitdrukking aan, welke zij nooit gehad
+hadden. &rsquo;t Was slechts een na&iuml;eve verbazing, maar er paarde
+zich iets aan als een verwonderd vertrouwen.</p>
+<p>&bdquo;Zeg eens, wilt ge van avond eten?&rdquo; vroeg vrouw
+Th&eacute;nardier den reiziger.</p>
+<p>Hij antwoordde niet. Hij scheen in diepe gedachten.</p>
+<p>Wie is toch deze man? zeide zij binnensmonds. Een arme drommel. Hij
+heeft geen geld om te eten. Zal hij mij &rsquo;t logies wel betalen?
+&rsquo;t Is maar gelukkig, dat &rsquo;t hem niet in &rsquo;t hoofd is
+gekomen het geld dat op den grond lag te stelen.</p>
+<p>Inmiddels was een deur geopend en Eponine en Azelma kwamen
+binnen.</p>
+<p>&rsquo;t Waren inderdaad twee lieve kleine meisjes, eer juffertjes
+dan boerinnen; het eene had schitterend kastanjebruine krullen; het
+andere lange, zwarte vlechten, die op den rug hingen; beide waren
+levendig, net, mollig, frisch en gezond, oogbekorend. Zij waren warm
+gekleed, maar met zulk een moederlijke kunst, dat de dikte der stoffen
+het innemende van den opschik volstrekt niet schaadde. Voor den winter
+was gezorgd, zonder dat de lente verdreven was. Men zag &rsquo;t haar
+aan, dat ze in huis heel wat te zeggen hadden. Uit haar toilet, uit
+haar vroolijkheid, uit haar luidruchtigheid sprak een soort van
+heerschappij. Toen zij binnenkwamen, zeide vrouw Th&eacute;nardier haar
+op knorrenden, doch tevens liefderijken toon:&mdash;Ha! zijt ge daar
+eindelijk!</p>
+<p>Toen trok ze de eene na de andere tusschen haar knie&euml;n, streek
+heur haar glad, knoopte haar linten, en liet ze vervolgens los, met die
+streeling van welgevallen, welke alleen aan moeders eigen is,
+zeggende:&mdash;Wat hebben zij zich opgeschikt!</p>
+<p>Zij zetten zich in den hoek van den haard met een pop, welke
+<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name=
+"pb110">110</a>]</span>ze op heur knie&euml;n, onder vroolijk gekeuvel,
+heen en weer bewogen. Nu en dan sloeg Cosette de oogen van haar
+breiwerk op, en aanschouwde haar spel met treurigen blik.</p>
+<p>Eponine en Azelma zagen niet om naar Cosette. Zij was voor haar
+niets meer dan een hond. Deze drie meisjes telden te zamen geen
+vier-en-twintig jaar, en vertegenwoordigden reeds de geheele
+menschelijke maatschappij; aan de eene zijde afgunst, aan de andere
+verachting.</p>
+<p>De pop der zusters Th&eacute;nardier was zeer verlept, zeer oud en
+gebroken; zij scheen Cosette daarom niet minder fraai; want nooit had
+zij een pop, een &bdquo;wezenlijke pop&rdquo;, zooals de kinderen
+zeggen, gehad.</p>
+<p>Eensklaps merkte vrouw Th&eacute;nardier, die gestadig in &rsquo;t
+vertrek op en neer ging, dat Cosette verstrooid was, en in plaats van
+te breien haar oog op de spelende meisjes gevestigd hield.<a id=
+"xd20e2128" name="xd20e2128"></a></p>
+<p>&bdquo;Ha, ik betrap u!&rdquo; riep zij. &bdquo;Is dat breien? Ik
+zal u met de karwats leeren breien.&rdquo;</p>
+<p>De vreemdeling wendde zich tot vrouw Th&eacute;nardier, zonder zijn
+stoel te verlaten. Glimlachend, schier bedeesd zeide hij:</p>
+<p>&bdquo;Och, madame, laat haar spelen.&rdquo;</p>
+<p>Van ieder reiziger, die voor zijn avondmaal een schijf lamsbout
+gegeten, twee flesschen wijn gedronken en niet het voorkomen van een
+armen drommel gehad had, zou zulk een wensch een bevel zijn geweest.
+Maar dat een man met zulk een hoed zich een wensch veroorloofde, en dat
+een man met zulk een jas een begeerte te kennen gaf, dit meende vrouw
+Th&eacute;nardier niet te moeten dulden. Zij antwoordde scherp:</p>
+<p>&bdquo;Zij moet werken, wijl zij eet. Ik voed haar niet om niets te
+doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat doet zij dan?&rdquo; hernam de vreemdeling, met een
+zachte stem, die zoo zonderling in tegenspraak was met zijn
+bedelaarskleeding en sjouwermansschouders.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier verwaardigde zich te antwoorden:</p>
+<p>&bdquo;Wel, kousen breien, kousen voor mijn dochtertjes, die er om
+zoo te spreken geen hebben en welhaast barrevoets zouden
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>De man aanschouwde de naakte, roode beentjes van Cosette en
+hernam:</p>
+<p>&bdquo;Wanneer zal zij dit paar kousen gereed hebben?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij heeft er minstens nog drie of vier dagen werk aan, die
+luie meid.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En hoeveel is zulk een paar kousen waard als &rsquo;t klaar
+is?&rdquo;</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier sloeg een schamperen blik op hem.
+<span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name=
+"pb111">111</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ten minste dertig sous.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoudt ge het voor vijf francs willen geven?&rdquo; hernam de
+man.</p>
+<p>&bdquo;Drommels!&rdquo; riep luid lachend een voerman, die
+luisterde, &bdquo;vijf francs? Dat geloof ik wel!&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier meende thans te moeten spreken.</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, zoo gij &rsquo;t wenscht zal men u dat paar
+kousen voor vijf francs geven. Wij mogen den reizigers niets
+weigeren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar ge moet dadelijk betalen,&rdquo; zei vrouw
+Th&eacute;nardier op haar gewone korte en gebiedende wijze.</p>
+<p>&bdquo;Ik koop dit paar kousen,&rdquo; antwoordde de man,
+&bdquo;en,&rdquo; voegde hij er bij, een vijffrancstuk uit zijn zak
+nemende, dat hij op de tafel legde&mdash;&bdquo;ik betaal
+het.&rdquo;</p>
+<p>Zich toen tot Cosette wendende:</p>
+<p>&bdquo;Thans behoort uw werk mij. Speel nu, mijn kind.&rdquo;</p>
+<p>De voerman was zoo getroffen door het vijffrancstuk, dat hij zijn
+glas neerzette en nader kwam.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waarachtig waar,&rdquo; riep hij, het stuk
+beziende. &bdquo;Een mooi stuk geld! en niet valsch!&rdquo;</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier naderde en stak zwijgend het geldstuk in
+haar zak. Zij kon geen tegenwerpingen maken, maar beet zich op de lip
+en haar gezicht nam een uitdrukking van haat aan.</p>
+<p>Intusschen beefde Cosette. Zij waagde toch te vragen:</p>
+<p>&bdquo;Is &rsquo;t waar, madame? mag ik spelen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Speel,&rdquo; zei vrouw Th&eacute;nardier met vreeselijke
+stem.</p>
+<p>&bdquo;Dank u, madame,&rdquo; zei Cosette.</p>
+<p>En terwijl haar mond vrouw Th&eacute;nardier dankte, dankte haar
+ziel den reiziger.</p>
+<p>Th&eacute;nardier had zich weder aan &rsquo;t drinken gezet. Zijn
+vrouw fluisterde hem toe:</p>
+<p>&bdquo;Wie kan toch deze bruine man zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb millionairs gezien,&rdquo; antwoordde
+Th&eacute;nardier met gewicht, &bdquo;die zulke jassen
+droegen.&rdquo;</p>
+<p>Cosette had haar breiwerk nedergelegd, maar haar plaats niet
+verlaten. Zij bewoog zich altijd zoo weinig mogelijk. Uit een doosje
+achter zich had zij eenige oude lapjes en haar klein blikken sabeltje
+genomen.</p>
+<p>Eponine en Azelma letten volstrekt niet op &rsquo;t geen gebeurde.
+Zij hadden een gewichtige onderneming volbracht, zij hadden zich van de
+kat meester gemaakt. Zij wierpen de pop op den vloer. Eponine, de
+oudste, bakerde de kleine kat, in weerwil van haar gemiauw en
+gespartel, in een menigte roode en blauwe lappen. Terwijl zij dit
+ernstig en moeielijk werk verrichtte, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>zeide zij tot haar
+zuster, in die lieve bekoorlijke kindertaal, wier bevalligheid, evenals
+de kleurenpracht der kapel, verdwijnt, wanneer men ze vatten wil:</p>
+<p>&bdquo;Ziet ge, zusje, deze pop is pleizieriger dan de andere. Zij
+beweegt zich, schreeuwt en is warm. Kom, zusje, spelen wij er
+me&ecirc;. Zij zal mijn dochtertje zijn. Ik zal een dame wezen, die u
+bezoekt, en gij moet haar goed bekijken. Dan moet ge haar snorren zien
+en u daarover verwonderen. Vervolgens haar ooren en dan haar staart, en
+dat moet u ook verwonderen. Gij moet dan zeggen: Maar, mijn hemel! en
+ik zal dan zeggen: Ja, mevrouw, zulk een meisje heb ik. De meisjes zijn
+tegenwoordig z&oacute;&oacute;.&rdquo;</p>
+<p>Azelma luisterde met bewondering naar Eponine. Ondertusschen zongen
+de drinkers een vuil lied, en lachten daarbij dat de zoldering dreunde.
+Th&eacute;nardier moedigde hen aan en accompagneerde hen.</p>
+<p>Evenals de vogels van alles een nestje, zoo maken de kinderen overal
+een pop van. Terwijl Eponine en Azelma de kat inbakerden, had Cosette
+van haar kant het sabeltje ingebakerd. Toen zij hiermede gereed was,
+nam zij het op den arm, en zong zacht om het in slaap te sussen.</p>
+<p>De pop is een der dringendste behoeften en terzelfder tijd een der
+bekoorlijkste instincten van de vrouwelijke kindsheid. Te verzorgen, op
+te schikken, te kleeden en te ontkleeden, te onderwijzen, een weinig te
+knorren, in slaap te sussen, te schommelen, zich te verbeelden dat iets
+iemand is, hierin ligt de geheele toekomst der vrouw. Al droomende en
+koutende, kleertjes en hoedjes makende, wordt het kind een meisje, het
+meisje wordt een jongedochter, de jongedochter vrouw. Het eerste kind
+is een voortzetting der laatste pop.</p>
+<p>Een meisje zonder pop is schier even ongelukkig en even onvolkomen
+als een vrouw zonder kinderen.</p>
+<p>Cosette had dus een pop van haar sabeltje gemaakt.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier was den &bdquo;bruinen man&rdquo; genaderd.
+Zij dacht: mijn man heeft gelijk, &rsquo;t is misschien mijnheer
+Laffitte. Er zijn zulke zonderlinge rijken!</p>
+<p>Zij kwam met den elleboog op zijn tafeltje leunen.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer,&rdquo; zeide zij....</p>
+<p>Op het woord &bdquo;mijnheer&rdquo; wendde de man zich om. Vrouw
+Th&eacute;nardier had hem nog niet anders genoemd dan
+&bdquo;vriend&rdquo; of &bdquo;man.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge ziet, mijnheer,&rdquo; zeide zij, met haar zoetsappig
+gezicht, &rsquo;t welk nog onverdragelijker was dan haar wreed gezicht,
+&bdquo;ik wil wel dat het kind eens spele, ik belet het niet; maar
+&rsquo;t is <span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name=
+"pb113">113</a>]</span>goed voor een enkelen keer, omdat ge zoo
+edelmoedig zijt. Want weet ge, zij heeft niets. Zij moet
+werken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is dat kind dan niet van u?&rdquo; vroeg de man.</p>
+<p>&bdquo;Mijn God! neen, mijnheer; &rsquo;t is een arm kind dat wij
+uit liefdadigheid hebben aangenomen. &rsquo;t Is zoo&rsquo;n half
+onnoozele. &rsquo;t Schijnt het water in &rsquo;t hoofd te hebben. Zie
+eens, welk een groot hoofd zij heeft. Wij doen voor haar wat wij
+kunnen, want wij zijn niet rijk. Wij hebben naar haar woonplaats
+geschreven, doch sedert zes maanden antwoordt men ons niet meer. Wij
+moeten gelooven, dat haar moeder overleden is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo!&rdquo; zei de man en hij verviel weder in zijn
+mijmering.</p>
+<p>&bdquo;Aan die moeder was weinig goeds,&rdquo; hernam vrouw
+Th&eacute;nardier. &bdquo;Zij liet haar kind achter.&rdquo;</p>
+<p>Gedurende dit gesprek had Cosette, alsof een inwendig gevoel haar
+had gewaarschuwd dat men over haar sprak, het oor niet van vrouw
+Th&eacute;nardier afgewend. Zij luisterde, maar hoorde slechts nu en
+dan een enkel woord.</p>
+<p>Ondertusschen herhaalden de drinkers, die meer dan half dronken
+waren, met verdubbelde vroolijkheid hun vuil gezang. &rsquo;t Was iets
+erg stuitends, waarin de Maagd Maria en het kind Jezus voorkwamen.
+Vrouw Th&eacute;nardier had hartelijk met het schaterend gelach
+ingestemd: Cosette zag, onder de tafel, naar het vuur, dat zich in haar
+strak oog weerkaatste; zij wiegde weder het gebakerde voorwerp en zong
+daarbij zacht: Mijn moeder is dood! mijn moeder is dood! mijn moeder is
+dood!</p>
+<p>Op vernieuwd aanzoek der kasteleines, begeerde de bruine man,
+&bdquo;de millionair,&rdquo; eindelijk te eten.</p>
+<p>&bdquo;Wat verkiest mijnheer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Brood en kaas,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>&bdquo;Zeer zeker een arme drommel,&rdquo; dacht vrouw
+Th&eacute;nardier.</p>
+<p>De dronkaards zongen nog altijd hun lied, en het kind onder de tafel
+zong het hare.</p>
+<p>Eensklaps zweeg Cosette. Zij had zich omgekeerd en zag nu de pop van
+de meisjes, welke zij voor de kat hadden verlaten, en die op eenigen
+afstand der keukentafel op den grond lag.</p>
+<p>Toen liet zij het gebakerd sabeltje vallen, dat haar slechts ten
+halve voldeed, en liet haar oogen langzaam door de zaal gaan. Vrouw
+Th&eacute;nardier sprak zacht met haar man, en telde geld, Ponine en
+Zelma speelden met de kat, de reizigers aten of dronken of zongen, geen
+blik was op haar gericht. Zij had geen oogenblik te verliezen. Zij
+kroop op handen en knie&euml;n <span class="pagenum">[<a id="pb114"
+href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span>van onder de tafel,
+verzekerde zich nogmaals dat men haar niet gadesloeg, schoot toen
+ijlings naar de pop, en greep haar. Een oogenblik daarna zat zij weder
+op haar plaats, bewegingloos, doch zoodanig gekeerd, dat de pop, welke
+zij in haar armen hield, in de schaduw was. Het geluk van met een pop
+te spelen was voor haar zoo zeldzaam, dat het de macht van den wellust
+had.</p>
+<p>Niemand had het gezien dan de reiziger, die langzaam zijn sober
+avondeten nuttigde.</p>
+<p>Deze vreugd duurde schier een kwartieruurs.</p>
+<p>Maar hoe voorzichtig Cosette ook was, zij bespeurde niet, dat een
+van de beenen der pop &bdquo;uitstak,&rdquo; en helder door het vuur
+van den haard verlicht werd. Dit ros&eacute; verlichte been, dat uit de
+schaduw kwam, trof plotseling den blik van Azelma, die tot Eponine
+zeide:&mdash;Zie eens, zusje!</p>
+<p>De twee meisjes staarden verstomd. Cosette had de pop durven
+nemen.</p>
+<p>Eponine stond op en zonder de kat los te laten, ging zij naar haar
+moeder en trok haar bij haar kleed.</p>
+<p>&bdquo;Laat mij toch met rust,&rdquo; zei de moeder. &bdquo;Wat wilt
+ge?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Moeder,&rdquo; zei het kind, &bdquo;zie eens.&rdquo;</p>
+<p>En zij wees met den vinger naar Cosette.</p>
+<p>Cosette, geheel in verrukking over het bezit, zag noch hoorde
+iets.</p>
+<p>Het gelaat van vrouw Th&eacute;nardier nam die bijzondere
+uitdrukking aan, welke uit het vreeselijke, vermengd met het nietige
+des levens, bestaat, en die deze soort vrouwen den naam van
+&bdquo;helleveeg&rdquo; heeft gegeven.</p>
+<p>Nu bracht de gekwetste hoogmoed haar toorn tot het uiterste. Cosette
+had alle grenzen overschreden, Cosette had zich aan de pop vergrepen
+van &bdquo;hare dochtertjes.&rdquo; Een czarin, die zag dat een mougick
+zich het groote blauwe lint van haar keizerlijken zoon omhing, zou geen
+ander gezicht gehad hebben.</p>
+<p>Met een van verontwaardiging schorre stem riep zij:</p>
+<p>&bdquo;Cosette!&rdquo;</p>
+<p>Cosette ontstelde, alsof de grond onder haar ingevallen ware. Zij
+keerde zich om.</p>
+<p>&bdquo;Cosette!&rdquo; herhaalde vrouw Th&eacute;nardier.</p>
+<p>Cosette nam de pop en legde haar met een soort van eerbied, met
+wanhoop vermengd, op den grond. Toen vouwde zij, zonder haar oogen er
+van af te wenden, de handen samen, en, &rsquo;t geen van een kind van
+dien leeftijd schrikkelijk is te zeggen, zij wrong ze; en&mdash;waartoe
+haar geen der aandoeningen van den dag, noch haar gang naar het bosch,
+noch den zwaren emmer, noch het verliezen van &rsquo;t geld, noch het
+gezicht <span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name=
+"pb115">115</a>]</span>der karwats, zelfs niet de dreigende woorden van
+vrouw Th&eacute;nardier hadden kunnen bewegen,&mdash;zij schreide. Zij
+barstte in snikken uit.</p>
+<p>Intusschen was de reiziger opgestaan.</p>
+<p>&bdquo;Wat is er geschied?&rdquo; vroeg hij aan vrouw
+Th&eacute;nardier.</p>
+<p>&bdquo;Ziet ge &rsquo;t niet?&rdquo; zei vrouw Th&eacute;nardier met
+den vinger naar het corpus delicti wijzende, dat aan Cosettes voeten
+lag.</p>
+<p>&bdquo;Welnu, wat?&rdquo; hernam de man.</p>
+<p>&bdquo;Deze bedelares,&rdquo; antwoordde vrouw Th&eacute;nardier,
+&bdquo;heeft zich vermeten, aan de pop der kinderen te
+raken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En is daarvoor al dat leven!&rdquo; zei de man. &bdquo;Waarom
+mag zij niet met de pop spelen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij maakt ze smerig met haar vuile handen,&rdquo; hernam
+vrouw Th&eacute;nardier, &bdquo;met haar leelijke handen!&rdquo;</p>
+<p>Cosette snikte luider bij deze woorden.</p>
+<p>&bdquo;O, zult ge u stil houden!&rdquo; riep vrouw
+Th&eacute;nardier.</p>
+<p>De vreemde ging rechtstreeks naar de voordeur, opende ze en ging er
+uit. Zoodra hij weg was, nam vrouw Th&eacute;nardier de gelegenheid
+waar, Cosette onder de tafel een geweldigen schop te geven, die het
+kind luid deed schreeuwen.</p>
+<p>De deur werd weder geopend, de man kwam terug, hield in zijn beide
+handen de fabelachtige pop, waarvan wij gesproken hebben en welke al de
+kinderen van het dorp den geheelen dag bewonderd hadden, en ze voor
+Cosette leggende, zeide hij:</p>
+<p>&bdquo;Ziedaar, die is voor u.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Is waarschijnlijk dat hij, die langer dan een uur hier was,
+te midden zijner mijmeringen, flauw de poppenkraam had opgemerkt, die
+zoo schitterend met lampen en kaarsen werd verlicht, dat men ze door
+het raam der herberg voor een illuminatie hield.</p>
+<p>Cosette hief de oogen op. Zij had den man met de pop haar zien
+naderen, evenals zij de zon tot haar zou hebben zien komen, zij hoorde
+deze nooit gehoorde woorden: &bdquo;dit is voor u,&rdquo; zij zag hem,
+zij zag de pop aan, toen kroop zij langzaam achteruit, en verborg zich
+onder de tafel in den hoek van den muur.</p>
+<p>Zij schreide niet meer, noch kreet; &rsquo;t was alsof zij niet
+durfde ademen.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier, Eponine, Azelma waren als zoovele beelden.
+Zelfs de drinkers hielden een oogenblik op. Er heerschte een plechtige
+stilte in de herberg.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier, versteend en sprakeloos, begon weder
+gissingen te maken:&mdash;Wie is deze oude? is hij arm? is hij
+millionair? Misschien beiden, namelijk een dief.</p>
+<p>Het gelaat van Th&eacute;nardier vertoonde dien sprekenden plooi,
+<span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name=
+"pb116">116</a>]</span>welke het menschelijk gezicht aanneemt, wanneer
+het heerschend instinct er in al zijn dierlijke kracht op verschijnt.
+De kroeghouder zag beurtelings de pop en den reiziger aan; hij scheen
+dien man even begeerlijk aan te zien als hij een zak geld zou hebben
+aangezien. Dit duurde evenwel slechts een oogenblik. Hij naderde zijn
+vrouw en zeide zacht tot haar: &bdquo;Dat ding kost ten minste dertig
+francs. Geen gekheid. Dien man moeten wij zien in te pakken.&rdquo;</p>
+<p>Ruwe naturen hebben dit met de na&iuml;eve gemeen, dat zij geen
+overgangen kennen.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Cosette,&rdquo; zei vrouw Th&eacute;nardier met een stem,
+die zacht wilde zijn, maar al den bitteren honig van booze vrouwen had,
+&bdquo;neemt ge de pop niet aan?&rdquo;</p>
+<p>Cosette waagde het, uit haar schuilhoek te komen.</p>
+<p>&bdquo;Nu, Cosetje,&rdquo; sprak Th&eacute;nardier op vleienden
+toon, &bdquo;mijnheer geeft u een pop. Neem ze. Ze is voor
+u.&rdquo;</p>
+<p>Cosette aanschouwde de tooverachtige pop met een soort van schrik.
+Haar gezicht was nog met tranen bedekt; maar haar oogen begonnen zich
+te vullen, evenals de hemel bij den dageraad, met de stralen der
+blijdschap. Wat zij thans gevoelde, had eenige overeenkomst met hetgeen
+zij gevoeld zou hebben, zoo men haar eensklaps gezegd had:
+&bdquo;Kleine, gij zijt koningin van Frankrijk.&rdquo;</p>
+<p>Het scheen haar, alsof de bliksem uit de pop zou schieten, zoo zij
+ze aanraakte.</p>
+<p>Dit was in een zeker opzicht waar, want zij zeide bij zich zelve,
+dat vrouw Th&eacute;nardier op haar zou schelden en haar zou slaan.</p>
+<p>De bekoring was echter te sterk. Zij naderde eindelijk en prevelde
+bedeesd, zich tot vrouw Th&eacute;nardier wendende:</p>
+<p>&bdquo;Mag ik, madame?&rdquo;</p>
+<p>Geen woorden kunnen haar te gelijk wanhopige, angstige en verrukte
+houding uitdrukken.</p>
+<p>&bdquo;Drommels,&rdquo; zei vrouw Th&eacute;nardier, &bdquo;ze
+behoort u. Mijnheer geeft ze u immers.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is &rsquo;t waar, mijnheer?&rdquo; hernam Cosette, &bdquo;in
+ernst? is die &bdquo;dame&rdquo; voor mij?&rdquo;</p>
+<p>De vreemdeling scheen de oogen vol tranen te hebben, en tot dien
+graad van aandoening te zijn gekomen, dat men niet spreekt, ten einde
+niet te weenen. Hij knikte Cosette toe en legde de hand der
+&bdquo;dame&rdquo; in haar handje.</p>
+<p>Cosette trok schielijk haar hand terug, alsof die der pop haar
+brandde, en zag naar den grond. Wij moeten hier bijvoegen, dat zij
+terzelfdertijd de tong ver uitstak. Eensklaps keerde zij zich om en
+greep driftig de pop. <span class="pagenum">[<a id="pb117" href=
+"#pb117" name="pb117">117</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik zal haar Kaatje noemen,&rdquo; zeide zij.</p>
+<p>&rsquo;t Was een wonderbaar oogenblik, toen de lompen van Cosette in
+aanraking kwamen met de linten en het frisch roodkleurig neteldoek der
+pop.</p>
+<p>&bdquo;Madame,&rdquo; vroeg zij, &bdquo;mag ik ze op een stoel
+zetten?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijn kind,&rdquo; antwoordde vrouw Th&eacute;nardier.</p>
+<p>Nu beschouwden Eponine en Azelma Cosette met afgunst.</p>
+<p>Cosette zette Kaatje op een stoel, ging voor haar op den grond
+zitten en bleef haar stil, zonder te spreken, vol bewondering
+aanschouwen.</p>
+<p>&bdquo;Speel nu, Cosette,&rdquo; zei de vreemdeling.</p>
+<p>&bdquo;O, ik speel,&rdquo; antwoordde het kind.</p>
+<p>Deze vreemdeling, deze onbekende, die als een bezoek der
+Voorzienigheid aan Cosette geleek, was op dit oogenblik voor vrouw
+Th&eacute;nardier het meest gehate voorwerp. Zij moest zich evenwel
+bedwingen. Zij was sterker ontstemd dan zij kon uithouden, hoezeer zij
+aan geveinsdheid gewoon was, doordien zij haar man in al zijne
+handelingen trachtte na te bootsen. Zij haastte zich haar dochtertjes
+naar bed te zenden, en verzocht toen den bruinen man
+&bdquo;verlof&rdquo; ook Cosette naar bed te doen gaan,
+&bdquo;die,&rdquo; voegde zij er op moederlijken toon bij, &bdquo;heden
+wel zeer vermoeid moet zijn.&rdquo; Cosette ging naar bed en nam Kaatje
+op haar armen mede.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier ging nu en dan naar het einde der kamer,
+waar haar man zat, om &bdquo;haar hart te verlichten.&rdquo; Zij
+wisselde met haar man eenige woorden, die te heftiger waren, wijl zij
+ze niet luid durfde uitspreken:</p>
+<p>&bdquo;Die oude schurk! Wat heeft hij toch in den zin, om ons hier
+te komen hinderen! hij wil dat het kleine monster spelen zal! hij geeft
+haar een pop! een pop van veertig francs aan een schepsel, dat geen
+veertig sous waard is! Straks zal hij haar nog majesteit noemen,
+evenals de hertogin van Berry! Heeft dit gezonden zin? De oude
+onbekende moet krankzinnig zijn!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom? &rsquo;t Is zeer natuurlijk,&rdquo; antwoordde
+Th&eacute;nardier, &bdquo;wijl &rsquo;t hem behaagt. Gij wilt dat het
+meisje werkt, hij wil dat ze speelt. Hij is in zijn recht. Een reiziger
+doet wat hij wil, zoo hij betaalt. Wat raakt het u, of deze oude een
+philanthroop is? &rsquo;t raakt u niet of hij een dwaas is. Wat kan
+&rsquo;t u schelen? hij heeft immers geld!&rdquo;</p>
+<p>Taal van den meester en herbergiers-redeneering, waartegen niets is
+in te brengen.</p>
+<p>De man leunde met den elleboog op de tafel en had zich weder aan
+zijne gepeinzen overgegeven. De overige reizigers, kooplieden en
+voerlieden, hadden zich een weinig verwijderd en zongen niet meer. Zij
+beschouwden hem op een afstand <span class="pagenum">[<a id="pb118"
+href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span>met een soort van eerbiedige
+schuwheid. Deze zoo armoedig gekleede man, die zoo onverschillig de
+vijffrancsstukken uit zijn zak haalde en reusachtige poppen aan kleine
+morspotten op klompen schonk, was zekerlijk een rijk en machtig
+man.</p>
+<p>Er verliepen verscheidene uren. De middernachtmis was
+ge&euml;indigd, het kleine nachtfeest was afgeloopen, de drinkers waren
+heengegaan, de herberg was gesloten, de gelagkamer was ledig, het vuur
+was uitgedoofd, maar de man zat nog op dezelfde plaats en in dezelfde
+houding. Nu en dan verwisselde hij van elleboog om op te steunen. Dit
+was alles. Sinds Cosette er niet meer was, had hij geen woord
+gesproken.</p>
+<p>Alleen de Th&eacute;nardier&rsquo;s waren uit voegzaamheid en
+nieuwsgierigheid in de kamer gebleven.</p>
+<p>&bdquo;Zal hij den nacht aldus doorbrengen?&rdquo; bromde vrouw
+Th&eacute;nardier. Toen het twee uren na middernacht sloeg, verklaarde
+zij zich overwonnen en zeide tot haar man: &bdquo;Ik ga naar bed. Doe
+zooals gij wilt.&rdquo;&mdash;Th&eacute;nardier ging in een hoek aan
+een tafel zitten, stak een kaars aan en begon de <i>Courrier
+Fran&ccedil;ais</i> te lezen.</p>
+<p>Aldus verstreek ruim een uur. De waardige herbergier had ten minste
+driemaal de courant gelezen, van den datum af tot den naam van den
+drukker toe. De vreemdeling verroerde zich niet.</p>
+<p>Th&eacute;nardier bewoog zich, hoestte, spuwde, snoot den neus,
+schraapte met zijn keel. Geen beweging van den man.&mdash;Slaapt hij?
+dacht Th&eacute;nardier.&mdash;De man sliep niet, maar niets kon hem
+uit zijn gepeins wekken.</p>
+<p>Eindelijk nam Th&eacute;nardier zijn pet af, naderde zacht en waagde
+te zeggen:</p>
+<p>&bdquo;Wil mijnheer niet &bdquo;ter rust gaan&rdquo;?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Naar bed gaan&rdquo; had hem te onfatsoenlijk en gemeenzaam
+geschenen. &bdquo;Ter rust gaan&rdquo; was deftig en eerbiedig. Zulke
+woorden hebben de geheime, wonderbare eigenschap, dat zij den volgenden
+dag het bedrag der rekening doen zwellen. Een kamer waar men
+&bdquo;slaapt&rdquo; kost een franc; een kamer, waar men
+&bdquo;rust&rdquo; moet twintig francs kosten.</p>
+<p>&bdquo;Ja!&rdquo; zei de vreemdeling, &bdquo;gij hebt gelijk. Waar
+is de stal?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer,&rdquo; zei Th&eacute;nardier met een glimlach,
+&bdquo;ik zal mijnheer voorgaan.&rdquo;</p>
+<p>Hij nam de kaars, de man nam zijn pakje en stok, en
+Th&eacute;nardier geleidde hem naar een kamer op de eerste verdieping,
+die bijzonder fraai was, met mahoniehouten meubels, ledikant en rood
+katoenen gordijnen.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dat?&rdquo; vroeg de reiziger. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is onze bruidskamer,&rdquo; zei de herbergier.
+&bdquo;Mijn vrouw en ik bewonen een andere. Wij komen hier slechts
+drie- of viermaal in &rsquo;t jaar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De stal zou mij even lief zijn geweest,&rdquo; zei de man
+koel.</p>
+<p>Th&eacute;nardier hield zich, alsof hij deze vleiende aanmerking
+niet hoorde.</p>
+<p>Hij ontstak twee nieuwe waskaarsen, die op den schoorsteen stonden.
+Een tamelijk goed vuur brandde in den haard.</p>
+<p>Op den schoorsteen lag onder een glazen stolp een vrouwenkapsel van
+zilverdraad en oranjebloesem.</p>
+<p>&bdquo;Wat is dit?&rdquo; vroeg de vreemdeling.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is de bruidstooi mijner vrouw mijnheer,&rdquo; zei
+Th&eacute;nardier.</p>
+<p>De reiziger beschouwde dat voorwerp met een blik, die scheen te
+zeggen: &bdquo;dat monster is dus ook eens een meisje
+geweest.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier loog trouwens. Toen hij het huis had gehuurd om er
+een kroeg van te maken, had hij deze kamer dus gestoffeerd gevonden,
+het huisraad overgenomen met den bruidskrans er bij, in de verwachting,
+dat die aan zijn vrouw een bevallig aanzien zou verleenen en aan zijn
+huis een zekere &bdquo;respectabiliteit&rdquo;, zooals de Engelschen
+zeggen.</p>
+<p>Toen de reiziger zich omkeerde, was de herbergier verdwenen.
+Th&eacute;nardier had zich bescheidenlijk verwijderd, zonder goeden
+nacht te durven zeggen, daar hij iemand niet met oneerbiedige
+gemeenzaamheid wilde behandelen, dien hij voornam den volgenden morgen
+op koninklijke wijze te plukken.</p>
+<p>De herbergier begaf zich naar zijn kamer. Zijn vrouw was te bed,
+maar sliep niet. Toen zij haar man hoorde komen, keerde zij zich om en
+zeide:</p>
+<p>&bdquo;Weet ge, dat ik Cosette morgen de deur uit gooi?&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier antwoordde koel:</p>
+<p>&bdquo;Wat zijt ge driftig!&rdquo;</p>
+<p>Zij spraken verder geen woord; na eenige oogenblikken was hun kaars
+uitgebluscht.</p>
+<p>De reiziger had zijn pakje en stok in een hoek gelegd.</p>
+<p>Toen de herbergier hem verlaten had, zette hij zich op een stoel en
+bleef een poos in gedachten verdiept. Vervolgens trok hij zijn schoenen
+uit, nam een der kaarsen, blies de andere uit, opende de deur, ging uit
+de kamer en zag om zich, als iemand die iets zoekt. Hij ging door een
+gang en kwam aan de trap. Daar hoorde hij een zeer zacht gerucht, dat
+de ademhaling van een kind geleek. Hij ging hierop af en het bracht hem
+voor een driehoekig hok onder de trap, of liever door de <span class=
+"pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>trap
+zelf gevormd. &rsquo;t Was eenvoudig de ruimte onder de treden. Daar,
+onder allerlei oud mandewerk en vodden, in stof en spinnewebben, was
+een bed, indien een stroozak, door welks gaten men het stroo kon zien,
+en een oude deken, door welks gaten men den stroozak kon zien, aldus
+genoemd mogen worden. Lakens waren er niet. De stroozak lag op den
+vloer, en in dat bed sliep Cosette.</p>
+<p>De man trad nader en zag haar aan.</p>
+<p>Cosette sliep gerust en was geheel gekleed. Des winters ontkleedde
+zij zich niet, om minder kou te lijden.</p>
+<p>Zij hield de pop, wier groote oogen in de duisternis glinsterden,
+tegen zich gedrukt. Nu en dan loosde zij een zwaren zucht, als ware zij
+op &rsquo;t punt te ontwaken, en schier stuipachtig klemde zij de pop
+in haar armen. Slechts &eacute;&eacute;n harer klompen stond bij haar
+bed.</p>
+<p>Door een open deur, dicht bij de slaapplaats van Cosette, kon men in
+een groote donkere kamer zien. De vreemdeling trad er binnen. De glazen
+deur deed in de kamer twee gelijke kleine, heldere bedden opmerken. Ze
+waren van Azelma en Eponine. Achter deze bedden ontdekte men flauw een
+teenen wieg zonder gordijnen, waarin het jongetje sliep, dat den
+ganschen avond geschreeuwd had.</p>
+<p>De vreemdeling vermoedde, dat deze kamer met die der echtgenooten in
+verbinding was. Hij wilde zich verwijderen, toen zijn blik op den
+schoorsteen viel; een dier groote herbergsschoorsteenen, waarin altijd
+zoo weinig vuur is, zoo er in &rsquo;t geheel vuur in is, en die zich
+zoo koud laten aanzien. In dezen schoorsteen was geen vuur, zelfs geen
+asch; wat er in was, trok echter de aandacht des reizigers. &rsquo;t
+Waren namelijk twee nette kinderschoentjes van verschillende grootte;
+de reiziger herinnerde zich de lieve, overoude gewoonte der kinderen in
+Frankrijk om op den Kerstdag hun schoenen onder den schoorsteen te
+zetten, opdat hun goede f&eacute;e er des nachts een fraai geschenk in
+brenge. Eponine en Azelma hadden dan ook niet nagelaten, ieder haar
+schoentje onder den schoorsteen te zetten.</p>
+<p>De reiziger bukte.</p>
+<p>De f&eacute;e, dat wil zeggen de moeder, was er reeds geweest, en in
+ieder schoentje zag men een fraai, geheel nieuw half-francstuk
+blinken.</p>
+<p>De man richtte zich op en wilde gaan, toen hij achter in den
+donkersten hoek van den schoorsteen nog een ander voorwerp bespeurde,
+een leelijk, lomp, half gebroken en met asch en slijk bedekt klompje.
+&rsquo;t Was Cosettes klompje. Ook Cosette had met dat aandoenlijk
+vertrouwen der kinderen, dat, schoon <span class="pagenum">[<a id=
+"pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span>telkens bedrogen,
+echter nooit den moed opgeeft, haar klompje in den schoorsteen
+gezet.</p>
+<p>De hoop van een kind, dat nooit iets anders dan wanhoop heeft
+gekend, is iets zeer verhevens en liefelijks.</p>
+<p>In dat klompje was niets.</p>
+<p>De vreemdeling tastte in zijn zak, bukte en legde in Cosettes
+klompje een louis d&rsquo;or.</p>
+<p>Toen keerde hij zacht naar zijn kamer terug.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Th&eacute;nardier aan &rsquo;t werk.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen, ten minste twee uur
+v&oacute;&oacute;r het dag was, zat Th&eacute;nardier bij een kaars in
+de gelagkamer aan de tafel met een pen in de hand, en maakte de
+rekening op van den reiziger in de bruine jas.</p>
+<p>Zijn vrouw stond half gebogen naast hem en zag toe. Zij spraken geen
+woord. &rsquo;t Was aan de eene zijde diepe overweging, aan de andere
+eerbiedige bewondering, als waarmede men een gewrocht van den
+menschelijken geest ziet ontstaan en zich ontwikkelen. Men hoorde
+gerucht in huis, &rsquo;t was de &bdquo;leeuwerik&rdquo; die de trap
+veegde.</p>
+<p>Na een groot kwartieruurs en eenige doorhalingen, bracht
+Th&eacute;nardier dit meesterstuk voor den dag:</p>
+<div class="table">
+<h4 class="tablecaption">Nota voor mijnheer No. 1.</h4>
+<table>
+<tr valign="top">
+<td>Soup&eacute;</td>
+<td>fr. 3.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td>Kamer</td>
+<td>fr. 10.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td>Kaarsen</td>
+<td>fr. 5.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td>Vuur</td>
+<td>fr. 4.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td>Bediening</td>
+<td>fr. 1.</td>
+</tr>
+<tr valign="top">
+<td></td>
+<td>Te zamen fr. 23.</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<p>&bdquo;Drie-en-twintig francs!&rdquo; riep de vrouw verrukt, doch
+met eenige aarzeling vermengd.</p>
+<p>Evenals alle groote kunstenaars, was Th&eacute;nardier niet
+tevreden.</p>
+<p>&bdquo;Hm!&rdquo; prevelde hij.</p>
+<p>&rsquo;t Was de toon van Castlereagh, terwijl hij op &rsquo;t
+congres van Weenen de rekening voor Frankrijk opmaakte.</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk, Th&eacute;nardier, hij mag dit wel
+betalen,&rdquo; mompelde de vrouw, aan de pop denkende, welke hij in
+tegenwoordigheid harer dochtertjes aan Cosette had gegeven,
+&bdquo;&rsquo;t is niet meer dan billijk; ofschoon wat veel. Hij zal
+&rsquo;t niet willen betalen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb122" href="#pb122" name="pb122">122</a>]</span></p>
+<p>Th&eacute;nardier antwoordde met zijn koelen glimlach:</p>
+<p>&bdquo;Hij moet betalen.&rdquo;</p>
+<p>Deze glimlach was de hoogste uitdrukking van zekerheid en gezag. Wat
+z&oacute;&oacute; gezegd was moest gebeuren. De vrouw sprak er niet
+verder over. Zij bracht de tafels in orde; de man ging heen en weder
+door de kamer. Na eenige oogenblikken zeide hij:</p>
+<p>&bdquo;Ik moet wel vijftienhonderd francs betalen.<span class="corr"
+id="xd20e2565" title="Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>Hij zette zich in den hoek van den haard, met de voeten in de warme
+asch en peinsde.</p>
+<p>&bdquo;Nu, ge vergeet toch niet, dat ik vandaag Cosette de deur
+uitzet. Het monster, ik kan haar niet uitstaan, met haar pop! Ik zou
+liever Lodewijk XVIII trouwen dan haar een dag langer in mijn huis
+hebben.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier stak zijn pijp aan, en antwoordde tusschen de
+rookwolken: &bdquo;Gij zult de rekening aan den man geven.&rdquo;</p>
+<p>Toen ging hij uit.</p>
+<p>Nauwelijks was hij uit de kamer, toen de reiziger binnenkwam.</p>
+<p>Th&eacute;nardier verscheen weder onmiddellijk achter hem, bleef in
+de half open deur staan en was alleen zichtbaar voor zijn vrouw.</p>
+<p>De bruine man had zijn stok en zijn pakje in de hand.</p>
+<p>&bdquo;Zoo vroeg bij de hand!&rdquo; zei vrouw Th&eacute;nardier,
+&bdquo;gaat mijnheer ons reeds verlaten?&rdquo;</p>
+<p>Dit zeggende draaide zij verlegen de rekening in haar hand en maakte
+er met haar vingers vouwen in. Haar strak gelaat vertoonde een haar
+geheel ongewone uitdrukking van bedeesdheid en schroom.</p>
+<p>&rsquo;t Scheen haar moeielijk zulk een rekening aan iemand te
+geven, die zoo geheel &rsquo;t voorkomen van &bdquo;een arme&rdquo;
+had.</p>
+<p>De reiziger scheen verstrooid en in gedachten. Hij antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Ja, madame, ik vertrek.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt dus te Montfermeil geen zaken te doen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik reis hier slechts door, anders niet.&mdash;Wat ben
+ik u schuldig, madam?&rdquo;</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier reikte hem de toegevouwen rekening over,
+zonder een woord te zeggen.</p>
+<p>De man vouwde het papier open en zag het in; maar blijkbaar dacht
+hij aan iets anders.</p>
+<p>&bdquo;Madame,&rdquo; vroeg hij, &bdquo;maakt ge goede zaken hier te
+Montfermeil?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo, zoo, mijnheer,&rdquo; antwoordde vrouw
+Th&eacute;nardier, verbaasd dat hij niet op eene andere wijze uitviel.
+Op treurigen, <span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name=
+"pb123">123</a>]</span>jammerenden toon voegde zij er bij:
+&bdquo;&rsquo;t Is een slechte tijd, mijnheer! en hier, in deze
+omstreken zijn weinig welgestelden. &rsquo;t Zijn allen geringe lieden,
+weet ge. Zoo er niet nu en dan fatsoenlijke en rijke reizigers kwamen
+als mijnheer! Wij hebben zoovele lasten. Onder andere, die kleine kost
+ons ontzettend.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke kleine?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wel, de kleine, die gij gezien hebt! Cosette; de
+&bdquo;leeuwerik&rdquo; zooals men ze hier noemt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ha,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>Zij voer voort:</p>
+<p>&bdquo;De boeren zijn zoo dom met hun bijnamen; zij heeft meer van
+een vleermuis dan van een leeuwerik. Weet ge, mijnheer, wij vragen
+niet, maar kunnen evenmin geven. Wij verdienen niets en hebben veel te
+betalen. Het patent, de personeele belasting, deuren en vensters, de
+opcenten! Mijnheer weet, dat er ontzettend veel belasting moet betaald
+worden. Bovendien heb ik mijn dochtertjes; ik heb niet noodig het kind
+van een ander te voeden.&rdquo;</p>
+<p>De man hernam met eene stem, welke men onverschillig tracht te
+maken, doch evenwel beeft: &bdquo;Zoo men er u eens van
+ontlastte?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van wie? van Cosette?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>Het roode heftige gezicht der herbergierster straalde van hatelijke
+vreugde.</p>
+<p>&bdquo;O, mijnheer, houd haar, neem haar mede, doe met haar wat ge
+wilt en de H. Maagd en al de Heiligen in den hemel zegenen u er
+voor.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Afgedaan!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk? Neemt ge haar mede?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik neem ze mede.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aanstonds?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Aanstonds. Roep het kind.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Cosette!&rdquo; riep vrouw Th&eacute;nardier.</p>
+<p>&bdquo;Ondertusschen zal ik u mijn schuld betalen,&rdquo; hernam de
+man. &bdquo;Hoeveel is &rsquo;t?&rdquo;</p>
+<p>Hij sloeg een blik in de rekening en kon een beweging van verbazing
+niet onderdrukken.</p>
+<p>&bdquo;Drie-en-twintig francs!&rdquo; zeide hij, de vrouw aanziende,
+en herhaalde: &bdquo;Drie-en-twintig francs!&rdquo;</p>
+<p>Op deze wijze herhaald lag in deze woorden de uitdrukking tusschen
+het verwonderings- en het vraagteeken.</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier had den tijd gehad, zich tot den schok voor
+te bereiden. Zij antwoordde stoutmoedig: <span class="pagenum">[<a id=
+"pb124" href="#pb124" name="pb124">124</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, &rsquo;t is drie-en-twintig francs.&rdquo;</p>
+<p>De vreemdeling legde vijf vijffrancstukken op de tafel.</p>
+<p>&bdquo;Ga nu het kind halen,&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>Op dit oogenblik trad Th&eacute;nardier in &rsquo;t midden der kamer
+en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer is nog zes-en-twintig sous schuldig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zes-en-twintig sous!&rdquo; herhaalde de vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Twintig sous voor de kamer, zes voor het avondeten,&rdquo;
+hernam Th&eacute;nardier koel. &bdquo;Wat de kleine betreft moet ik met
+mijnheer nog een woord spreken. Ga, vrouw.&rdquo;</p>
+<p>Vrouw Th&eacute;nardier was als verbijsterd door de verrassende
+spranken van haars mans schitterenden geest. Zij gevoelde dat de groote
+acteur thans ten tooneele trad; zij antwoordde niet en ging heen.</p>
+<p>Zoodra zij alleen waren, bood Th&eacute;nardier den vreemdeling een
+stoel aan. De reiziger ging zitten; Th&eacute;nardier bleef staan en
+zijn gelaat nam een zonderlinge goedhartigheid en onnoozelheid aan.</p>
+<p>&bdquo;Ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik dit kind onuitsprekelijk
+liefheb.&rdquo;</p>
+<p>De vreemdeling zag hem strak aan.</p>
+<p>&bdquo;Welk kind?&rdquo; vroeg hij.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is zonderling, hoe men zich aan iets hechten
+kan,&rdquo; vervolgde Th&eacute;nardier. &bdquo;Wat is al dat geld?
+Neem uw vijffrancstukken terug. Ik houd onuitsprekelijk van dat
+kind!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van welk?&rdquo; vroeg de vreemde.</p>
+<p>&bdquo;Wel, van onze kleine Cosette. Wilt ge dit niet van ons
+wegnemen? Nu, ik spreek openhartig; zoo waar als ik een eerlijk man
+ben, ik kan er niet in bewilligen. Ik zou het kind missen. Ik heb ze
+van jongs af bij mij gehad. &rsquo;t Is waar, dat ze ons veel kost;
+&rsquo;t is waar, dat ze haar gebreken heeft; &rsquo;t is waar, dat wij
+niet rijk zijn; &rsquo;t is waar dat, toen ze ziek was, ik meer dan
+vierhonderd francs aan artsenijen betaald heb. Maar men moet iets voor
+den lieven God doen. Zij heeft noch vader noch moeder, ik heb haar
+grootgebracht. Ik heb brood voor mij en voor haar. Kortom, ik ben aan
+&rsquo;t kind gehecht. Ge begrijpt, men kan zich ergens aan hechten; ik
+ben een eenvoudige goede kerel; ik redeneer niet, en houd van de
+kleine; mijn vrouw is driftig, maar houdt ook van haar. &rsquo;t Is als
+ware het ons kind. Ik moet haar in huis hooren keuvelen.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde bleef hem strak aanzien. Th&eacute;nardier voer
+voort:</p>
+<p>&bdquo;Vergeving, verschooning, mijnheer, men geeft zoo maar zijn
+kind niet aan den eerste den beste. Niet waar, heb ik geen gelijk?
+&rsquo;t Is zoo, gij zijt rijk, gij schijnt een zeer goed man,
+<span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name=
+"pb125">125</a>]</span>en zoo het tot haar geluk was? Maar wie weet
+dat? Ge begrijpt dat, zoo ik haar liet gaan en dit offer bracht, ik zou
+willen weten waar zij bleef, ik zou haar niet uit het oog willen
+verliezen, zou moeten weten bij wien zij is, om haar nu en dan te
+bezoeken, opdat zij zou weten dat haar goede pleegvader nog altijd over
+haar waakt. Er zijn voorwaar maar al te veel onmogelijke zaken. Ik weet
+zelfs uw naam niet. Zoo ge haar medenaamt, zou ik moeten vragen: waar
+is de Leeuwerik toch gebleven? Ik zou ten minste een stukje papier, een
+paspoort of iets van dien aard moeten zien.</p>
+<p>Zonder op te houden den herbergier met dien blik aan te zien, die,
+om zoo te spreken, tot in het diepst der ziel dringt, antwoordde de
+vreemde met ernstige, vaste stem:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Th&eacute;nardier, men neemt geen pas om zich vijf
+uren van Parijs te verwijderen. Zoo ik Cosette medeneem, neem ik haar
+mede, dit is alles. Ge zult noch mijn naam, noch mijn woonplaats
+vernemen; ge zult haar verblijf niet vernemen, en &rsquo;t is mijn
+bedoeling dat zij u nooit wederzie. Ik breek den draad, dien zij aan
+den voet heeft, en zij vliegt weg. Wilt gij dit, ja of neen?&rdquo;</p>
+<p>Evenals goede en kwade geesten aan sommige teekenen de
+tegenwoordigheid van een hoogeren geest erkennen, zoo begreep
+Th&eacute;nardier, dat hij met een zeer sterk man te doen had. Dit werd
+hem als ingegeven; hij begreep het dadelijk met zijn gewone
+scherpzinnigheid. Hij had reeds den vorigen avond, terwijl hij met de
+voerlieden dronk, rookte en zong, den vreemdeling oplettend
+gadegeslagen, hem als een kat beloerd en hem als een wiskunstenaar
+bestudeerd. Uit eigen beweging, voor zijn pleizier en uit instinct had
+hij hem gadegeslagen, en hem bespied als werd hij er voor betaald. Geen
+gebaar, geen beweging was hem van dezen man in de bruine jas ontsnapt.
+Zelfs v&oacute;&oacute;r de onbekende zijn belangstelling in Cosette
+deed blijken, had Th&eacute;nardier hem geraden. Hij had de
+doordringende blikken van den ouden man verrast, die zich immer op het
+kind richtten. Wat was de reden dezer belangstelling? Wie was deze man?
+Waarom zulk een armoedige kleeding, met zooveel geld in den zak? Deze
+vragen, welke hij zich deed en niet kon oplossen, kwelden hem. Hij had
+er den ganschen nacht over gedacht. &rsquo;t Kon Cosettes vader niet
+zijn. Misschien een grootvader? maar waarom zich dan niet dadelijk
+kenbaar gemaakt? Zoo men recht op iets heeft, bewijst men het. &rsquo;t
+Was duidelijk, dat deze man geen recht op Cosette had. Wie was hij dan?
+Th&eacute;nardier verloor zich in gissingen. Hij meende alles te zien,
+en zag niets. Hoe het zij, toen hij met den man een gesprek begon,
+voelde hij zich sterk, in de overtuiging dat er een <span class=
+"pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name=
+"pb126">126</a>]</span>geheim onder schuilde, dat de man er belang bij
+had onbekend te blijven; doch bij het duidelijk en stellig antwoord van
+den vreemde, en toen hij zag van dit geheimzinnig personage zoo
+eenvoudig geheimzinnig was, gevoelde hij zich zwak. Iets dergelijks had
+hij niet verwacht. Al zijn gissingen vielen nu in duigen. Hij zamelde
+zijn gedachten. In een seconde overwoog hij dit alles.
+Th&eacute;nardier was een dier menschen, die in een oogenblik over een
+toestand oordeelen. Hij begreep dat &rsquo;t nu het oogenblik was om
+regelrecht en snel door te tasten. Hij handelde als de groote
+veldheeren op het beslissend oogenblik, dat zij alleen weten te
+erkennen; hij ontblootte eensklaps zijn batterij.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer,&rdquo; zeide hij, &bdquo;ik moet vijftienhonderd
+francs hebben.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde nam uit zijn zak een oude, zwart lederen portefeuille,
+opende ze en haalde er drie bankbriefjes uit, welke hij op de tafel
+legde. Toen hield hij zijn grooten duim op de briefjes en zeide tot den
+herbergier:</p>
+<p>&bdquo;Haal Cosette.&rdquo;</p>
+<p>Wat deed Cosette, terwijl dit plaats had?</p>
+<p>Cosette was terstond bij haar ontwaken naar haar klompje geloopen,
+en had daarin het goudstuk gevonden. &rsquo;t Was geen gouden Napoleon,
+maar een dier nieuwe twintig-francstukken der restauratie, waarop de
+kleine Pruisische staart den lauwerkrans aan het borstbeeld vervangen
+had. Cosette was als verblind. Haar lot begon haar te bedwelmen. Zij
+wist niet wat een goudstuk was; nooit had zij er een gezien; zij bergde
+het haastig in haar zak alsof zij het gestolen had. Evenwel gevoelde
+zij, dat het haar behoorde; zij begreep, van waar dit geschenk kwam,
+maar haar vreugd was met vrees vermengd. Zij was tevreden; maar bovenal
+verbaasd. Deze heerlijke, schoone dingen schenen haar niet wezenlijk.
+De pop joeg haar vrees aan, het goudstuk beangstigde haar. Deze
+heerlijkheden deden haar onwillekeurig beven. Alleen de vreemde man
+baarde haar geen vrees; integendeel, hij stelde haar gerust. Sinds den
+vorigen avond dacht zij, bij al haar verbazing, in haar slaap, in haar
+kleinen kinderlijken geest aan den man, die zulk een oud, armoedig en
+treurig aanzien had en die zoo rijk en goed was. Sinds zij dien goeden
+man in het bosch had ontmoet was alles voor haar veranderd. Cosette,
+minder gelukkig dan de geringste zwaluw in de lucht, had nooit geweten
+wat het is, in de moederlijke hoede als onder een vleugel beschermd te
+zijn. Sedert vijf jaren, dat is zoo ver haar geheugen reikte, rilde en
+beefde het arme kind. Steeds was zij naakt geweest in den guren wind
+des ongeluks; <span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name=
+"pb127">127</a>]</span>nu scheen het haar, dat zij gekleed was. Vroeger
+was haar ziel koud, nu was zij warm.&mdash;Cosette had zooveel vrees
+niet meer voor Th&eacute;nardier. Zij was niet meer alleen; er was
+iemand bij haar.</p>
+<p>Haastig had zij haar ochtendwerk begonnen. De louisd&rsquo;or,
+welken zij bij zich had, in &rsquo;t zelfde zakje van haar voorschoot,
+waaruit den vorigen avond het vijftien-sousstuk was gevallen, maakte
+haar verstrooid. Zij durfde het niet aanraken, maar beschouwde het elke
+vijf minuten, waarbij zij, wij moeten &rsquo;t zeggen, de tong uitstak.
+Terwijl zij de trap veegde, hield zij stil, vergat haar bezem en de
+geheele wereld, en staarde bewegingloos naar de schitterende ster in
+haar zak.</p>
+<p>&rsquo;t Was in zulk een beschouwing, dat vrouw Th&eacute;nardier
+haar vond.</p>
+<p>Op &rsquo;t bevel van haar man kwam deze haar zoeken. Vreemd! zij
+gaf haar geen klap en schold haar niet.</p>
+<p>&bdquo;Cosette, kom dadelijk,&rdquo; zei zij schier vriendelijk.</p>
+<p>Een oogenblik later trad Cosette de gelagkamer binnen.</p>
+<p>De vreemde nam het pakje, dat hij had medegebracht, en ontknoopte
+het. Het bevatte een wollen jurkje, een schortje, een onderrok, een
+halsdoek, wollen kousen, schoenen, kortom de volledige kleeding voor
+een zevenjarig meisje. Alles was zwart.</p>
+<p>&bdquo;Neem dit, mijn kind,&rdquo; zei de man, &bdquo;en kleed u
+spoedig.&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Begon te dagen toen de inwoners van Montfermeil, die hun
+deuren allengskens openden, in de Parijsche straat een armoedig gekleed
+man zagen voorbijgaan, die een in den rouw gekleed meisje met een
+groote pop in de armen, aan de hand hield. Zij gingen in de richting
+van Livry.</p>
+<p>&rsquo;t Was onze man met Cosette.</p>
+<p>Niemand kende hem; en wijl Cosette geen lompen meer droeg, herkenden
+velen haar niet.</p>
+<p>Cosette ging heen. Met wien? waarheen? dit wist zij niet. Al wat zij
+begreep was, dat zij Th&eacute;nardier&rsquo;s kroeg verliet. Niemand
+had er aan gedacht haar vaarwel te zeggen, evenmin als zij om van
+iemand afscheid te nemen. Zij verliet dat huis, gehaat en hatende.</p>
+<p>Arm, zacht wezen, welks hart tot hiertoe immer onderdrukt was
+geweest.</p>
+<p>Cosette ging ernstig voorwaarts, met groote oogen den hemel
+aanschouwende. Zij had den louisd&rsquo;or in het zakje van haar
+nieuwen boezelaar gestoken. Nu en dan boog zij &rsquo;t hoofd en sloeg
+er een blik op, daarna zag zij telkens naar den man. Zij gevoelde iets,
+als ware zij bij den goeden God. <span class="pagenum">[<a id="pb128"
+href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Wie het beste zoekt, vindt soms het slechtste.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Vrouw Th&eacute;nardier had, als gewoonlijk, haar man
+laten handelen. Zij verwachtte iets gewichtigs. Toen de vreemde en
+Cosette weg waren, liet Th&eacute;nardier een groot kwartier
+voorbijgaan. Toen ging hij tot haar en toonde haar de vijftienhonderd
+francs.</p>
+<p>&bdquo;Meer niet?&rdquo; zeide zij.</p>
+<p>Dit was de eerste keer, sedert het begin van hun echtelijke
+samenleving, dat zij een daad van den meester durfde berispen.</p>
+<p>De slag trof.</p>
+<p>&bdquo;Inderdaad, ge hebt gelijk,&rdquo; zeide hij, &bdquo;ik ben
+een ezel. Geef mijn hoed.&rdquo;</p>
+<p>Hij vouwde de drie bankbriefjes samen, stak ze in zijn zak en
+verwijderde zich haastig. Hij vergiste zich echter in den weg en ging
+rechts. Eenige buren, bij wie hij onderzoek deed, brachten hem op het
+rechte spoor; de Leeuwerik en de vreemde waren den weg naar Livry
+gegaan. Hij volgde deze aanwijzing, en ging snel voort, in zich zelven
+sprekende.</p>
+<p>&bdquo;Die man is blijkbaar een in &rsquo;t bruin gekleede
+millionair, en ik ben een ezel. Eerst gaf hij twintig sous, toen vijf
+francs, vervolgens nog vijftig francs, eindelijk vijftienhonderd francs
+en alles zonder eenige moeielijkheid. Hij zou ook vijftienduizend
+francs hebben gegeven. Maar ik zal hem inhalen.</p>
+<p>Ook het vooraf gereed gemaakte pakje voor de kleine was iets
+zonderlings, daar schuilt een geheim achter. Wanneer men geheimen
+heeft, laat men ze niet spoedig los. De geheimen der rijken zijn met
+goud gevulde sponsen, die men moet weten uit te persen.&rdquo; Al deze
+gedachten woelden hem in &rsquo;t hoofd.&mdash;&bdquo;Ik ben een
+ezel,&rdquo; herhaalde hij.</p>
+<p>Zoodra men buiten Montfermeil den hoek van den weg naar Livry
+bereikt heeft, ziet men den weg zeer ver voor zich uit, in de hoogte.
+Hier gekomen, zou hij, naar zijn berekening, den man en het kind kunnen
+zien. Hij tuurde zoo ver zijn oogen reikten, maar bespeurde niets. Hij
+deed weder onderzoek. Hiermede verloor hij tijd. Voorbijgangers zeiden
+hem, dat de man en het kind, welke hij zocht, naar &rsquo;t bosch, op
+den weg van Gagny, waren gegaan. Hij spoedde zich in deze richting
+voort.</p>
+<p>Zij waren hem een goed eind vooruit, maar een kind gaat langzaam en
+hij liep snel. Bovendien waren hem de omstreken bekend. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span></p>
+<p>Eensklaps bleef hij stil staan en sloeg zich voor &rsquo;t hoofd,
+als iemand, die het voornaamste heeft vergeten en wil terugkeeren</p>
+<p>&bdquo;Ik had mijn geweer moeten medenemen!&rdquo; dacht hij.</p>
+<p>Th&eacute;nardier was een dier dubbele naturen, welke vaak in ons
+midden verschijnen, zonder dat wij &rsquo;t weten, en die verdwijnen,
+zonder dat men ze gekend heeft, wijl het lot er slechts
+&eacute;&eacute;ne zijde van heeft getoond. Th&eacute;nardier bezat in
+zijn gewonen rustigen toestand al wat er noodig is een eerlijk man van
+zaken, een &bdquo;goed burger&rdquo; genoemd te worden, wij zeggen
+niet&mdash;te zijn. Terzelfdertijd had hij, in zekere omstandigheden,
+wanneer zekere schokken zijn onderste natuur deden bovenkomen, alles
+wat noodig is om een schurk te zijn. Hij was een herbergier, in wien
+iets gedrochtelijks verborgen lag. Satan moest zich zeker nu en dan in
+een hoek der kroeg, waarin Th&eacute;nardier huisde, neerzetten en over
+dit meesterstuk van het afschuwelijke nadenken.</p>
+<p>Na een korte aarzeling dacht hij:</p>
+<p>&bdquo;Zij zouden den tijd hebben mij te ontkomen.&rdquo;</p>
+<p>Hij zette met snelle schreden, schier met een voorkomen van
+zekerheid en met de sluwheid van den vos, die een troep patrijzen
+riekt, regelrecht zijn weg voort.</p>
+<p>Toen hij voorbij de vijvers was, de groote vlakte ter rechterzijde
+van den weg naar Bellevue schuins overgegaan, en gekomen was aan het
+met gras begroeide pad, dat bijna om den geheelen heuvel loopt en den
+boog der oude waterleiding van de abdij van Chelles overdekt, bespeurde
+hij inderdaad boven het struikgewas een hoed, nopens welken hij reeds
+verscheidene gissingen had gemaakt. &rsquo;t Was de hoed van den man.
+Het struikgewas was laag. Th&eacute;nardier begreep, dat de man en
+Cosette d&aacute;&aacute;r zaten. De kleinheid van het kind belette,
+dat men het kon zien, maar men zag het hoofd der pop.</p>
+<p>Th&eacute;nardier bedroog zich niet. De man had zich
+d&aacute;&aacute;r neergezet om Cosette een weinig te laten rusten. De
+herbergier ging om het kreupelhout heen en verscheen eensklaps voor de
+oogen van hen, welke hij zocht.</p>
+<p>&bdquo;Vergeving, verschoon mij, mijnheer,&rdquo; zeide hij hijgend,
+&bdquo;maar neem uw vijftienhonderd francs terug.&rdquo;</p>
+<p>Dit zeggende reikte hij den vreemde de drie bankbriefjes.</p>
+<p>De man sloeg de oogen op en vroeg:</p>
+<p>&bdquo;Wat beteekent dat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het beteekent, dat ik Cosette terugneem, mijnheer,&rdquo;
+antwoordde Th&eacute;nardier heel onderdanig.</p>
+<p>Cosette beefde en klemde zich tegen den ouden man. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span></p>
+<p>Deze antwoordde, terwijl hij Th&eacute;nardier strak in de oogen zag
+en op ieder zijner woorden drukte:</p>
+<p>&bdquo;Ge neemt Cosette terug?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer, ik neem haar terug. Ik moet u zeggen, dat ik
+heb nagedacht. Ik heb eigenlijk het recht niet haar aan u af te staan.
+Weet ge, ik ben een eerlijk man. Het kind behoort mij niet; het behoort
+aan haar moeder. Haar moeder heeft het mij toevertrouwd; ik mag het aan
+niemand dan aan haar moeder wedergeven. Ge zult mij zeggen, dat haar
+moeder dood is. Goed, maar in dat geval kan ik het kind niet overgeven
+dan aan dengene, die mij een door de moeder onderteekend geschrift
+brengt, krachtens &rsquo;t welk ik het kind aan dien persoon moet
+overgeven. Dat is duidelijk.&rdquo;</p>
+<p>Zonder te antwoorden tastte de man in zijn zak, en Th&eacute;nardier
+zag wederom de portefeuille met bankbriefjes te voorschijn komen.</p>
+<p>De kroeghouder trilde van blijdschap.</p>
+<p>&bdquo;Ha!&rdquo; dacht hij, &bdquo;laat ik mij goed houden. Hij wil
+mij omkoopen.&rdquo;</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r de reiziger de portefeuille opende, sloeg hij een
+blik rondom zich. De plaats was volkomen eenzaam; geen sterveling was
+in het bosch noch op de vlakte te zien. De man opende de portefeuille
+en nam er, niet een handvol bankbriefjes, zooals Th&eacute;nardier
+verwacht had, maar een klein papiertje uit, dat hij losvouwde en den
+herbergier aanbood, zeggende:</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt gelijk. Lees dus.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier nam het papier en las:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first dateline">M. sur M. den 25 Maart 1823.</p>
+<p class="salute">&bdquo;Mijnheer Th&eacute;nardier,</p>
+<p>&bdquo;Geef Cosette aan brenger dezes over. Men zal u alle
+kleinigheden betalen.</p>
+<p>&bdquo;Met achting heb ik de eer u te groeten.</p>
+<p class="signed">&bdquo;Fantine.&rdquo;</p>
+</div>
+<p>&bdquo;Ge kent deze handteekening?&rdquo; hernam de man.</p>
+<p>&rsquo;t Was wel degelijk Fantines handteekening. Th&eacute;nardier
+herkende haar. Er was niets tegen in te brengen. Hij gevoelde een
+dubbele, hevige spijt, vooreerst dat zijn hoop op buit verijdeld was,
+en ten tweede van geslagen te zijn. De man voegde er bij:</p>
+<p>&bdquo;Ge moogt dit papier te uwer verantwoording
+behouden.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier trok in goede orde terug: <span class=
+"pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Deze handteekening is tamelijk goed nagemaakt,&rdquo;
+mompelde hij tusschen zijn tanden. &bdquo;Welnu, het zij
+zoo.&rdquo;</p>
+<p>Toen beproefde hij nog een wanhopige poging.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is goed, mijnheer,&rdquo; zeide hij. &bdquo;Wijl gij
+de brenger zijt. Maar men moet mij &bdquo;alle kleinigheden&rdquo;
+betalen. Men is mij nog veel schuldig.&rdquo;</p>
+<p>De man stond op en zeide, terwijl hij met zijn vingers het stof van
+zijn kale mouw knipte:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer Th&eacute;nardier, in Januari berekende de moeder,
+dat zij u honderd-twintig francs schuldig was; in Februari zondt ge
+haar een rekening van vijf-honderd francs; in het laatst van Februari
+hebt ge driehonderd francs en in &rsquo;t begin van Maart nogmaals
+driehonderd francs ontvangen. Sinds zijn negen maanden verloopen,
+&rsquo;t geen, tegen den bepaalden prijs van vijftien francs,
+honderd-vijf-en-dertig francs bedraagt. Gij hadt honderd francs te veel
+ontvangen. Dus hebt ge nog vijf-en-dertig francs tegoed. Ik heb u nu
+laatstelijk vijftienhonderd francs gegeven.&rdquo;</p>
+<p>Th&eacute;nardier ondervond nu, wat een wolf ondervindt op het
+oogenblik dat hij zich door den stalen muil van de val gebeten en
+gegrepen voelt.</p>
+<p>&bdquo;Wie is deze duivel van een kerel?&rdquo; dacht hij.</p>
+<p>Hij deed wat de wolf doet: hij schudde zich. De vermetelheid was hem
+reeds eenmaal gelukt.</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer onbekend,&rdquo; zeide hij stoutmoedig en alle
+beleefdheid ter zijde stellende, &bdquo;ik zal Cosette terugnemen zoo
+ge mij geen duizend kronen geeft.&rdquo;</p>
+<p>De vreemde zeide bedaard:</p>
+<p>&bdquo;Kom, Cosette.&rdquo;</p>
+<p>Hij nam Cosette met de linkerhand en met de rechterhand zijn stok,
+die op den grond lag.</p>
+<p>Th&eacute;nardier lette op de dikte van den knuppel en de
+eenzaamheid der plaats.</p>
+<p>De man ging met het kind het bosch in, en liet den herbergier
+verbluft staan.</p>
+<p>Terwijl zij voortgingen, beschouwde Th&eacute;nardier de breede
+eenigszins gewelfde schouders en de grove vuisten van den man.</p>
+<p>Toen viel zijn blik op zijn eigen tengere armen en magere
+handen.&mdash;Ik ben toch zeer dom geweest, dacht hij, dat ik mijn
+geweer niet heb medegenomen, daar ik op de jacht ging.</p>
+<p>De herbergier gaf &rsquo;t echter nog niet op.</p>
+<p>&bdquo;Ik wil weten, waar hij heen gaat,&rdquo; zeide hij bij zich
+zelven, en hij volgde hen op een afstand. Twee dingen waren hem
+<span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name=
+"pb132">132</a>]</span>echter gebleven: eene bespotting, het stuk
+papier door <i>Fantine</i> onderteekend; en een troost, de
+vijftienhonderd francs.</p>
+<p>De man voerde Cosette in de richting van Livry en Bondy. Hij ging
+langzaam, met gebogen hoofd, in nadenkende en treurige houding. De
+winter had het bosch doorzichtig gemaakt, zoodat Th&eacute;nardier hen
+in &rsquo;t oog kon houden, hoewel hij ver achter hen bleef. Van tijd
+tot tijd wendde de man het hoofd om, ten einde te zien of men hem ook
+volgde. Eensklaps ontdekte hij Th&eacute;nardier. Plotseling ging hij
+met Cosette in dicht kreupelhout, waar beiden <span class="corr" id=
+"xd20e2881" title="Bron: ontzichtbaar">onzichtbaar</span> waren.</p>
+<p>&bdquo;Verduiveld!&rdquo; dacht Th&eacute;nardier, en hij versnelde
+zijn schreden.</p>
+<p>De dichtheid van het houtgewas had hem genoopt hen meer te naderen.
+Toen de man in het dichtste hout was, keerde hij zich om.
+Th&eacute;nardier trachtte zich vergeefs achter de takken te verbergen,
+hij kon niet verhinderen dat de man hem zag. De man wierp hem een
+wrevelen blik toe, schudde het hoofd en zette zijn weg voort. De
+herbergier volgde hem. Zoo deden zij twee- of driehonderd schreden.
+Eensklaps keerde de man zich weder om. Hij zag den herbergier. Ditmaal
+zag hij hem met zulk een dreigenden blik aan, dat Th&eacute;nardier het
+&bdquo;onnoodig&rdquo; oordeelde verder te gaan. Hij keerde terug.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">No. 9430 komt weder te voorschijn en Cosette trekt dat
+lot.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Jean Valjean was niet dood.</p>
+<p>Toen hij in zee viel, of liever er in sprong, was hij, zooals men
+gezien heeft, niet geboeid. Hij zwom onder water naar een ten anker
+liggend schip, waaraan een boot was vastgemaakt. Het gelukte hem zich
+tot den avond in die boot te verbergen. Des nachts ging hij weder te
+water en zwom naar de kust, welke hij op korten afstand van kaap Brun
+bereikte. Daar kon hij zich, aangezien &rsquo;t hem aan geen geld
+ontbrak, kleederen verschaffen. Een herberg in den omtrek van Balaguier
+was destijds het kleedermagazijn der ontvluchtte tuchtelingen, een zeer
+winstgevend bedrijf. Toen volgde Jean Valjean, zooals al die
+ongelukkige vluchtelingen, welke de waakzaamheid der wet en de
+maatschappelijke vervolging van het spoor willen leiden, een donkeren,
+kronkeligen weg. Hij vond een eerste schuilplaats te Pradeaux, bij
+Bausset. Vervolgens ging hij naar Grand-Villard bij Brian&ccedil;on in
+de Opper-Alpen. &rsquo;t Was <span class="pagenum">[<a id="pb133" href=
+"#pb133" name="pb133">133</a>]</span>tastend en bevond, dat hij zijn
+weg volgde, die duister en onbekend was, als die van den mol. Later
+heeft men eenig spoor van zijn tocht gevonden in het departement der
+Ain op het gebied van Civrieux, in de Pyrenee&euml;n te Accons, in een
+oord genaamd la Grange-de-Doumecq, bij het gehucht van Chavailles, en
+in de omstreken van Perigueux, te Brunies, kanton van
+Chapelle-Gonaguet. Eindelijk bereikte hij Parijs. Men heeft hem nu te
+Montfermeil gezien.</p>
+<p>Zijn eerste zorg toen hij te Parijs kwam, was geweest rouwkleederen
+voor een zeven- of achtjarig meisje te koopen, en zich vervolgens van
+een verblijf te voorzien. Daarna had hij zich naar Montfermeil
+begeven.</p>
+<p>Men zal zich herinneren, dat hij reeds bij zijn voorgaande
+ontwijking naar deze streek een geheimzinnige reis had gedaan, waarvan
+de justitie eenige lucht had gekregen.</p>
+<p>Men hield hem overigens voor dood, en dit vermeerderde de duisternis
+die zich om hem gevormd had. Te Parijs kwam een der dagbladen in zijn
+handen, die van het feit melding maakten. Hij voelde zich
+gerustgesteld, schier evenzeer als ware hij werkelijk dood geweest.</p>
+<p>Den avond van den dag, op welken Jean Valjean Cosette uit
+Th&eacute;nardier&rsquo;s klauwen had gerukt, kwam hij te Parijs terug.
+Hij ging in de avondschemering met het kind door de barri&egrave;re van
+Monceaux. Daar nam hij een cabriolet, die hem naar de esplanade van
+&rsquo;t Observatorium voerde. Hij steeg uit, betaalde den koetsier,
+nam Cosette bij de hand, en beiden gingen in den donkeren avond, door
+de eenzame straten in den omtrek van l&rsquo;Ourcine en la Glaciere,
+naar den boulevard de l&rsquo;H&ocirc;pital.</p>
+<p>De dag was voor Cosette wonderbaar en vol aandoeningen geweest; zij
+hadden achter hagen brood en kaas gegeten, die zij in afgelegen
+herbergen gekocht hadden; zij waren dikwerf van rijtuig veranderd, en
+hadden een eind weegs te voet afgelegd. Zij klaagde niet, maar zij was
+vermoeid; Jean Valjean bespeurde dit aan haar hand, waaraan zij zich
+schier liet voorttrekken. Hij nam haar op zijn rug; Cosette, zonder
+Kaatje los te laten, legde haar hoofd op Jean Valjeans schouder en viel
+in slaap. <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name=
+"pb135">135</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Boek IV.</h2>
+<h2 class="main">Het oude huis Gorbeau.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name=
+"pb137">137</a>]</span>
+<div id="ch4.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Meester Gorbeau.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wie zich veertig jaren geleden in de onbekende streken
+der <span class="corr" id="xd20e2923" title=
+"Bron: Salpetri&egrave;re">Salp&ecirc;tri&egrave;re</span> waagde en
+den boulevard tot aan de Italiaansche barri&egrave;re volgde, kwam op
+een plek, waar men zou kunnen zeggen, dat Parijs ten einde liep.
+&rsquo;t Was geen eenzaamheid, want er waren voorbijgangers; &rsquo;t
+was geen veld, want er waren huizen en straten; &rsquo;t was geen stad,
+want in de straten waren diepe wagensporen als op de landwegen, en er
+groeide gras; &rsquo;t was geen dorp, de huizen waren er te hoog voor.
+Wat was het dan? &rsquo;t Was een bewoond oord zonder menschen, een
+eenzaam oord met menschen; &rsquo;t was een boulevard der groote stad,
+een straat van Parijs, vreeselijker des nachts dan een bosch, akeliger
+des daags dan een kerkhof.</p>
+<p>&rsquo;t Was de oude wijk der Paardenmarkt.</p>
+<p>Wie zich voorbij de vier vervallen muren dezer paardenmarkt waagde,
+zelfs zoo hij verder ging dan het straatje du Petit-Banquier, rechts
+voorbij een met hooge muren omgeven plaats, voorts over een veld,
+waarop zich stapels run als reusachtige beverhutten verhieven, voorts
+op een erf vol timmerhout, hoopen boomtronken, zaagsel en spaanders,
+waarop een groote hond blafte, voorts langs een geheel vervallen lagen,
+langen muur, met mos begroeid, waaruit in de lente bloempjes opschoten,
+in welken muur een kleine zwarte deur, voorts in het somberste
+gedeelte, een leelijk vervallen gebouw, waarop in groote letters te
+lezen stond: <span class="sc">hier mag niets aangeplakt
+worden</span>,&mdash;deze onverschrokken wandelaar bereikte eindelijk
+den hoek der weinig bekende straat Vignes-Saint-Michel.
+D&aacute;&aacute;r zag men destijds nabij een fabriek, tusschen twee
+tuinmuren, een vervallen huis, dat bij den eersten aanblik klein als
+een hut scheen, maar inderdaad groot als een cathedraal was. Het stond
+met den zijgevel naar de straat, waardoor het zoo smal scheen. Schier
+het geheele huis was verborgen. Men zag er slechts de deur en een
+venster van. <span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name=
+"pb138">138</a>]</span></p>
+<p>Het gebouw had slechts &eacute;&eacute;n verdieping.</p>
+<p>Bij nauwkeurige beschouwing viel het duidelijk in &rsquo;t oog, dat
+deze deur nimmer iets anders dan de ingang tot een gering gebouw kon
+zijn geweest, terwijl het venster, zoo het in hardsteen in plaats van
+kalk had gezeten, het raam van een h&ocirc;tel had kunnen zijn.</p>
+<p>De deur bestond slechts uit vermolmde planken, die ruw samengehouden
+werden door ruwe dwarsplanken. Zij voerde onmiddellijk tot een steile,
+modderige, morsige trap, even breed als de deur, met hooge treden, die
+men van de straat recht als een ladder zag oploopen, en in de
+duisternis tusschen twee muren verdwijnen. Het bovenste der
+onregelmatige ruimte, die de deur sloot, bestond uit een smalle, dunne
+plank, in welker midden een driehoekige opening was gezaagd, welke
+tevens tot licht- en kijkgat diende wanneer de deur dicht was. Binnen
+op de deur was slordig met een penseel met inkt het cijfergetal 52, en
+boven de deur even ruw No. 50 geklad, zoodat men eigenlijk niet juist
+wist waar men was. Buiten was het huis No. 50, binnen No. 52.
+Onbeschrijfelijk waren de aschgrauwe vodden, die als draperie&euml;n
+voor het driehoekig lichtgat hingen.</p>
+<p>Het venster was breed en hoog, had zonneschermen en groote
+glasruiten; maar deze groote glasruiten hadden verschillende wonden,
+die tevens verborgen en verraden werden door behulpzame papierstrooken,
+terwijl de vermolmde en schier uit elkander vallende jaloezie eerder de
+voorbijgangers bedreigde dan de bewoners beveiligde. Hier en daar
+ontbraken de horizontale schappen, die eenvoudig door rechtstaande
+aangespijkerde plankjes vervangen waren; zoodat het ding afwisselend
+jaloezie en blind was.</p>
+<p>Deze gemeene deur en dit fatsoenlijk, hoewel vervallen venster,
+welke men aan hetzelfde huis zag, waren als twee ongelijke bedelaars,
+die, met verschillende uitdrukking, onder dezelfde lompen samen zouden
+gaan, en waarvan de een altijd een schooier, de ander een edelman is
+geweest.</p>
+<p>De trap voerde naar een zeer ruim gebouw, dat een schuur scheen,
+waarvan men een huis had gemaakt. Dat gebouw had, als darmkanaal, een
+lange gang, waarin zich rechts en links ruimten van verschillende
+grootte openden, die desnoods bewoonbaar waren, maar meer naar holen
+dan op cellen geleken. Deze vertrekken ontvingen het licht van het
+onbebouwde terrein in den omtrek. Alles was overigens donker, akelig,
+somber, doodsch, en werd door kille lichtstralen of een scherpen tocht
+doorsneden, naarmate de reten in &rsquo;t dak, of in de deur waren. Een
+belangrijke en schilderachtige bijzonderheid <span class=
+"pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span>van
+dergelijke woningen is de ontzaggelijke menigte spinnewebben, die er
+zijn.</p>
+<p>Ter linkerzijde van de voordeur, aan den boulevard, was op een
+manshoogte een dichtgemetseld venster, dat een vierkante nis vormde vol
+steenen, welke de voorbijgaande kinderen er in wierpen.</p>
+<p>Een gedeelte van dat gebouw is onlangs gesloopt. Wat er nog van over
+is, kan een denkbeeld geven van &rsquo;t geen het was. In zijn geheel
+is &rsquo;t een met &rsquo;t ander niet veel ouder dan honderd jaar.
+Honderd jaren zijn de jeugd eener kerk en de ouderdom van een huis. De
+woning des menschen schijnt in &rsquo;s menschen korten duur, en de
+tempel Gods in Gods eeuwigheid te deelen.</p>
+<p>De briefbestellers noemden dat gebouw 50&ndash;52, maar in de buurt
+was het bekend onder den naam van het huis van Gorbeau.</p>
+<p>Wij zullen zeggen waardoor het aan dien naam kwam. De verzamelaars
+van kleine feiten, die herbariums van anecdoten aanleggen en met een
+speld vluchtige datums in hun geheugen prikken, weten, dat in de vorige
+eeuw, omstreeks 1770, aan het Ch&acirc;telet twee procureurs woonden,
+die de een Corbeau (raaf) de andere Renard (vos) heette. Lafontaine
+heeft van deze namen een voorgevoel gehad. De gelegenheid was te fraai
+om er geen gebruik van te maken en spoedig was deze parodie van
+Lafontaines fabel, in eenigszins kreupele verzen, in het justitiepaleis
+verspreid:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">Ma&icirc;tre Corbeau, sur un dossier perch&eacute;,</p>
+<p class="line">Tenait dans son bec une saisie ex&eacute;cutoire;</p>
+<p class="line">Ma&icirc;tre Renard, par l&rsquo;odeur
+all&eacute;ch&eacute;,</p>
+<p class="line">Lui fit &agrave; peu pr&egrave;s cette histoire:</p>
+<p class="line">H&eacute; bonjour! etc.<a class="noteref" id=
+"xd20e2968src" href="#xd20e2968" name="xd20e2968src">1</a></p>
+</div>
+<p class="first">De twee eerlijke practizijns, verstoord en beleedigd
+door de scherts en spot, die hen volgde, besloten hunne namen te
+veranderen en wendden zich daartoe tot den koning. Het rekwest werd aan
+Lodewijk XV denzelfden dag aangeboden, dat de pauselijke nuntius aan de
+eene, en de kardinaal de la Roche-Aymon aan de andere zijde, beiden
+devotelijk geknield, in de tegenwoordigheid zijner majesteit, ieder een
+der bloote voeten van madame Dubarry, die juist uit het bed kwam, met
+<span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name=
+"pb140">140</a>]</span>een pantoffel schoeiden. De koning, die lachte,
+lachte nog meer, ging vroolijk van de twee prelaten tot de twee
+procureurs over, en ontsloeg genadiglijk beide rechtsgeleerden van hun
+namen, of althans ten naasten bij. In naam des konings werd aan meester
+Corbeau vergund een staart bij zijn voorletter te voegen en zich
+Gorbeau te noemen; meester Renard was minder gelukkig en kon niets
+anders verwerven dan een P. voor zijn R., en zich Prenard (nemer) te
+heeten; zoodat de tweede naam niet veel minder stof tot spotternij gaf
+dan de eerste.</p>
+<p>Volgens de plaatselijke overlevering nu, was deze meester Gorbeau
+eigenaar geweest van het gebouw op den boulevard de
+l&rsquo;H&ocirc;pital, genummerd 50&ndash;52. Hij was ook de schepper
+van het fraaie venster.</p>
+<p>Daarom droeg nu dit vervallen gebouw den naam van
+Gorbeau&rsquo;s-huis.</p>
+<p>Tegenover No. 50&ndash;52 staat, onder het geboomte van den
+boulevard, een groote olm, die meer dan half dood is; schier vlak
+daarover is de ingang der straat van de barri&egrave;re des Gobelins,
+welke straat destijds zonder huizen, ongeplaveid, met kwijnende
+boomen&mdash;naar &rsquo;t seizoen groen of slijkkleurig&mdash;beplant
+was, en regelrecht op den ringmuur van Parijs uitliep. Een walm van
+koperrood stijgt bij vlagen uit het dak eener naburige fabriek.</p>
+<p>De barri&egrave;re was zeer dicht bij. In &rsquo;t jaar 1823 bestond
+de ringmuur nog.</p>
+<p>Deze barri&egrave;re zelve verwekt treurige voorstellingen in den
+geest. &rsquo;t Was de weg naar Bic&ecirc;tre. Tijdens het keizerrijk
+en de restauratie kwamen de ter dood veroordeelden op den dag hunner
+terechtstelling hier Parijs binnen. Hier werd omstreeks 1829 de
+zoogenoemde &bdquo;moord aan de barri&egrave;re van
+Fontainebleau&rdquo; gepleegd, waarvan de justitie de daders niet heeft
+kunnen ontdekken: een treurig probleem, dat niet is opgehelderd; een
+schrikkelijk raadsel, dat niet is opgelost. Eenige schreden verder
+vindt men de noodlottige straat Croulebarbe, waar Ulbach de
+geitenhoedster van Ivry doorstak, terwijl het donderde, evenals in een
+melodrama.</p>
+<p>Nog eenige schreden verder, en men komt aan de leelijke, van hun
+kruinen beroofde olmen der barri&egrave;re Saint-Jaques, een uitvinding
+der philanthropen, die het schavot willen verbergen, het verachtelijke
+en schandelijke Gr&egrave;veplein eener kleingeestige maatschappij,
+die, voor de doodstraf terugdeinzend, ze evenwel noch stoutmoedig durft
+afschaffen, noch ze met kracht handhaven.</p>
+<p>Zeven-en-dertig jaren geleden was&mdash;uitgezonderd dit plein
+<span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name=
+"pb141">141</a>]</span>St. Jaques, dat steeds afgrijselijk is
+geweest&mdash;misschien het treurigste punt van dezen geheelen
+doodschen boulevard deze nog tegenwoordig weinig bekoorlijke plek, waar
+men het gebouw 50&ndash;52 vond.</p>
+<p>Eerst vijf en twintig jaren later begonnen er zich burgerhuizen te
+verheffen. &rsquo;t Was er somber. Gepaard aan de vreeselijke
+gedachten, die er iemand aangrepen, voelde men zich tusschen la
+Salp&ecirc;tri&egrave;re, welks dom men zag, en Bic&ecirc;tre, welks
+hek men schier aanraakte; dat is tusschen de krankzinnigheid der vrouw
+en de krankzinnigheid van den man. Zoo ver het oog kon reiken, zag men
+niets dan de slachtplaatsen, den ringmuur en enkele gevels van
+fabriekgebouwen, die naar kazernen of kloosters geleken; overal schuren
+en steenbrokken, over zwarte muren als doodkleeden, of nieuwe witte
+muren als lijkwaden; overal evenwijdig staande rijen boomen,
+rechtlijnig gebouwde vlakke huizen, lange koude lini&euml;n en treurige
+rechthoeken. Geen verheffingen van den grond, geen afwisseling van
+bouworde, niets opwekkends. &rsquo;t Was een koud, regelmatig,
+afschuwelijk geheel. Niets beklemt het hart meer dan evenredigheid;
+want evenredigheid is verveling, en verveling is de grond der
+treurigheid. De wanhoop geeuwt. Men kan zich nog iets vreeselijker
+voorstellen dan een hel, waarin men lijdt, namelijk een hel, waarin men
+zich verveelt. Zoo zulk een hel bestond, kon dit deel van den boulevard
+er de toegang van geweest zijn.</p>
+<p>Maar met het aanbreken van den nacht, op het oogenblik dat het licht
+verdwijnt, vooral des winters, wanneer de gure avondwind den olmen hun
+laatste dorre bladeren ontrukt, in sterrenlooze duisternis of wanneer
+de maan en de wind de wolken scheuren, werd deze boulevard zelfs
+vreeselijk. De donkere lijnen drongen in de duisternis en verdwenen in
+het oneindige. De voorbijganger moest onwillekeurig aan de talrijke
+galggeschiedenissen dier plaats denken. De eenzaamheid van het oord,
+waar zoovele misdaden waren gepleegd, had iets schrikbarends. Men
+waande valstrikken in deze duisternis te voelen, al de verwarde
+schaduwbeelden schenen verdacht, en de langwerpige vierkante holen
+tusschen de boomen geleken grafkuilen. Des daags was het leelijk, des
+avonds akelig, des nachts vreeselijk, schrikbarend.</p>
+<p>Des zomers zag men in de avondschemering hier en daar eenige oude
+vrouwen onder de olmen op verrotte banken zitten. Deze oude vrouwtjes
+waren hartstochtelijke bedelaressen.</p>
+<p>Overigens vertoonde deze wijk, die eer nog een ouderwetsch dan een
+oud aanzien had, destijds reeds een zucht naar herschepping, en die
+haar zien wilde moest zich haasten. Iederen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span>dag
+verdween een afzonderlijk deel van het geheel. Thans, en sedert twintig
+jaren, is het station van den Orleanschen-spoorweg in de buurt der oude
+voorstad en beheerscht haar. Overal, waar aan den rand eener groote
+stad een spoorweg-station wordt aangelegd, verdwijnt de voorstad en
+ontstaat een stad. Het schijnt, dat rondom deze groote middelpunten van
+de beweging der volken, bij het rollen dezer geweldige machines, bij
+het snuiven dezer reuzenpaarden der beschaving, die steenkool eten en
+vuur spuwen, de dreunende aarde zich opent om de oude gewrochten der
+menschen te verslinden en nieuwe op te werpen. Oude huizen verdwijnen
+en nieuwe verheffen zich.</p>
+<p>Sedert het spoorweg-station van Orleans de gronden der
+Salp&ecirc;tri&egrave;re heeft ingenomen, beven de oude nauwe straten
+in de nabijheid der grachten van St. Victor en den Plantentuin door het
+geweldig gedaver der diligences, huurkoetsen en omnibussen, welke er
+drie of vier malen daags langs rijden en de huizen als &rsquo;t ware
+rechts en links terugdringen; want men kan ongeloofelijke dingen
+uitspreken, die echter volkomen waar zijn. Zoo kan men met waarheid
+zeggen, dat in groote steden de zon de gevels der huizen aan den
+zuidkant doet bloeien en groeien; en dat door het druk verkeer van rij-
+en voertuigen de straten verbreed worden. De verschijnselen van een
+nieuw leven zijn duidelijk. In deze oude landelijke wijk, met haar
+woeste hoeken, komen straten te voorschijn; zelfs waar nog geen
+voetgangers zijn, kronkelen en strekken zich reeds trottoirs uit. Op
+een merkwaardigen morgen van Juli 1845 zag men er eensklaps de zwarte
+ketels der koolteer rooken; op dien dag kon men zeggen, dat de
+beschaving tot de straat Ourcine was gekomen en Parijs de voorstad St.
+Marceau was binnengetreden.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e2968" href="#xd20e2968src" name=
+"xd20e2968">1</a></span> Meester Raaf lag over eene portefeuille met
+papieren gebogen en had een dwangbevel in den bek; meester Vos door den
+reuk gelokt vertelde hem de volgende geschiedenis: H&eacute; goeden dag
+enz.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Nest voor uil en vleermuis.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Voor dat vervallen Gorbeau-huis hield Jean Valjean
+stil. Gelijk de nachtvogels had hij dit eenzaam oord gekozen om er zijn
+nest te bouwen.</p>
+<p>Hij tastte in zijn vestzak, nam er een sleutel uit, opende de deur,
+trad binnen, sloot ze zorgvuldig weder en, Cosette steeds dragende,
+klom hij de trap op.</p>
+<p>Boven op de trap nam hij een anderen sleutel uit zijn zak, waarmede
+hij een andere deur opende. De kamer, die hij binnentrad <span class=
+"pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span>en
+welke hij dadelijk weder sloot, was een soort van tamelijk ruime
+vliering, waarvan het huisraad uit een op den vloer liggende matras,
+een tafel en eenige stoelen bestond. Een brandende kachel, waarvan men
+den gloed zag, stond in een hoek. De straatlantaarn op den boulevard
+verlichtte flauw dit armoedig vertrek. Achter in &rsquo;t vertrek was
+een afgeschoten ruimte, waarin een rustbed stond. Jean Valjean droeg
+het kind naar dit bed en legde het er op, zonder het wakker te
+maken.</p>
+<p>Hij stak een kaars aan, die reeds op de tafel gereed stond, en,
+evenals hij den vorigen dag had gedaan, aanschouwde hij nu Cosette met
+een zaligen blik, waarin de hooge mate zijner goedheid en verteedering
+te lezen was. Het meisje was ingeslapen met dat gerust vertrouwen,
+&rsquo;t welk slechts aan de grootste kracht en aan de uiterste
+zwakheid eigen is, zonder te weten bij wien zij was; en zij sliep nu
+voort zonder te weten waar zij was.</p>
+<p>Jean Valjean boog zich en kuste de hand van het kind.</p>
+<p>Negen maanden te voren kuste hij de hand der moeder, die ook was
+ingeslapen.</p>
+<p>Hetzelfde treurig, godsdienstig, smartelijk gevoel vervulde zijn
+hart.</p>
+<p>Hij knielde voor Cosettes bed.</p>
+<p>Het kind sliep nog, toen het volkomen dag was. Een bleeke straal der
+December-zon drong door het venster en trok langs de zoldering lange
+schaduw- en lichtstrepen. Eensklaps deed een zwaar met steenen beladen
+kar, die op den boulevard voorbijreed, het bouwvallig huis dreunen,
+zoodat het van boven tot onder schudde.</p>
+<p>&bdquo;Ja, madame!&rdquo; riep Cosette, die verschrikt wakker werd,
+&bdquo;ik kom, ik kom!&rdquo;</p>
+<p>Zij sprong uit het bed, haar oogen waren door den vasten slaap nog
+half gesloten; zij stak den arm naar den hoek van den muur uit.</p>
+<p>&bdquo;Ach, God! mijn bezem!&rdquo; riep zij.</p>
+<p>Toen opende zij geheel de oogen en zag Valjeans glimlachend
+gezicht.</p>
+<p>&bdquo;Ha, ja, &rsquo;t is waar!&rdquo; zei het kind. &bdquo;Goeden
+morgen, mijnheer.&rdquo;</p>
+<p>Snel en vertrouwelijk geven de kinderen zich aan de vreugd en het
+geluk over, wijl zij zelven van natuur geluk en vreugde zijn.</p>
+<p>Cosette werd Kaatje aan het voeteneinde van haar bed gewaar, en nam
+haar op; terwijl zij spelende honderd vragen aan Jean Valjean
+deed&mdash;Waar zij was? Of Parijs groot was? Of madame <span class=
+"corr" id="xd20e3043" title="Niet in bron">Th&eacute;nardier</span> ver
+weg was? Of zij niet zou terugkomen? <span class="pagenum">[<a id=
+"pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span>enz. enz. Eensklaps
+riep zij: &bdquo;Hoe fraai is &rsquo;t hier!&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was een afschuwelijk hol; maar zij gevoelde zich vrij.</p>
+<p>&bdquo;Moet ik ook vegen?&rdquo; vroeg zij eindelijk.</p>
+<p>&bdquo;Speel maar,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>Alzoo verliep de dag. Cosette, zonder zich te vermoeien om hier iets
+van te begrijpen, was bij de pop en bij dezen goeden man
+onbeschrijfelijk gelukkig.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een dubbel ongeluk maakt &eacute;&eacute;n geluk.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag,
+was Jean Valjean weder voor het bed van Cosette. Hij stond roerloos te
+wachten en bespiedde haar ontwaken.</p>
+<p>Iets nieuws kwam op in zijn ziel.</p>
+<p>Jean Valjean had nooit iets bemind. Sedert vijf en twintig jaren was
+hij alleen in de wereld. Nooit was hij vader, minnaar, echtgenoot,
+vriend geweest. In het bagno was hij slecht, somber, kuisch, onwetend
+en schuw. Het hart van den ouden tuchteling was nog geheel versch. Van
+zijn zuster en van haar kinderen had hij slechts een flauwe,
+verwilderde herinnering behouden, die eindelijk schier geheel verdwenen
+was. Hij had alle pogingen aangewend om hen weder te vinden, doch daar
+hij hierin niet geslaagd was, had hij hen vergeten. De menschelijke
+natuur is aldus. Andere teedere neigingen zijner jeugd, zoo hij die
+gehad had, waren in een afgrond verzwolgen.</p>
+<p>Toen hij Cosette zag, toen hij haar genomen, weggevoerd en bevrijd
+had, voelde hij zich innig bewogen. Al de hartstocht en liefde, die in
+hem was, ontwaakte en stortte zich op dat kind uit. Hij naderde het
+bedje waarin zij sliep, en beefde van vreugd; hij voelde de
+aandoeningen eener moeder, en wist zelf niet hoe het hem was; want deze
+groote, wonderbare beweging van een hart, dat begint te beminnen, is
+iets zoets en geheimzinnigs.</p>
+<p>Arm, oud, en toch geheel nieuw van hart!</p>
+<p>Maar aangezien hij vijf-en-vijftig en Cosette acht jaar oud was,
+smolt al de liefde, welke hij in zijn geheel leven had kunnen hebben,
+tot een onbeschrijfelijken gloed te zamen.</p>
+<p>&rsquo;t Was de eerste heldere verschijning, welke hij
+ontmoette.</p>
+<p>De bisschop had aan zijn horizon het morgenrood der deugd
+<span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name=
+"pb145">145</a>]</span>doen verschijnen, Cosette deed er het morgenrood
+der liefde oprijzen.</p>
+<p>De eerste dagen verstreken in deze verrukking.</p>
+<p>Ook Cosette, het arme kleine wezen, werd harerzijds, zonder het zelf
+te weten, anders. Zij was zoo klein geweest, toen haar moeder haar
+verliet, dat zij zich zulks niet meer herinnerde. Gelijk alle kinderen,
+die zich, als jonge wijngaardranken, aan alles hechten, had zij
+beproefd iets te beminnen. &rsquo;t Was haar niet gelukt. Allen hadden
+haar afgestooten, de Th&eacute;nardier&rsquo;s, hun kinderen, andere
+kinderen. Zij had den hond bemind, maar hij was gestorven; toen had
+niets of niemand meer van haar willen weten. &rsquo;t Is treurig om te
+zeggen, en wij hebben &rsquo;t reeds aangeduid, in haar achtste jaar
+was haar hart nog koud. &rsquo;t Was haar schuld niet, de geschiktheid
+om te beminnen ontbrak haar niet; maar helaas! de mogelijkheid. Al wat
+in haar dacht en voelde, drong haar dan ook reeds sinds den eersten
+dag, om den goeden man te beminnen. Zij gevoelde wat zij nooit had
+gevoeld&mdash;eene inwendige verwarming en ontluiking.</p>
+<p>De man kwam haar niet meer oud en arm voor. Zij vond Jean Valjean
+schoon, evenals zij het krot fraai vond.</p>
+<p>Dit zijn de uitwerkselen van het morgenrood, van de kindsheid, van
+de jeugd, van de vreugd. De nieuwheid, welke de wereld en het leven
+aanbieden, moet er bij gerekend worden. Niets bekoorlijker dan de
+heldere weerglans van het geluk in een zolderkamertje. Wij allen hebben
+in ons verleden zulk een zolderkamertje.</p>
+<p>De natuur, een verschil van vijftig jaren, hadden tusschen Jean
+Valjean en Cosette een diepe verwijdering gevormd; het lot vulde deze
+klove aan. Het lot vereenigde en verbond met zijn onweerstaanbare macht
+deze twee ontwortelde levens, die, hoe verschillend in ouderdom,
+elkander in droefheid zoo zeer geleken. Het eene inderdaad vulde het
+andere aan. Cosettes instinct zocht een vader, evenals Valjeans
+instinct een kind zocht. Elkander ontmoeten was elkander vinden. In het
+geheimzinnige oogenblik, dat hun handen elkander raakten, sloten deze
+zich ineen. Toen beide zielen elkander zagen, erkenden zij dat zij
+elkaar behoefden, en zij hechtten zich innig aan elkander.</p>
+<p>De woorden in hun ruimsten en volstrektsten zin nemende, zou men
+kunnen zeggen, dat, door de muren des grafs van alles gescheiden, Jean
+Valjean de weduwnaar was, zooals Cosette de weeze. Deze toestand maakte
+Jean Valjean eenigermate op hemelsche wijze tot Cosettes vader.</p>
+<p>Inderdaad, de geheimzinnige indruk, dien de hand van Jean Valjean,
+in het bosch van Chelles, op Cosette teweegbracht, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span>toen
+hij, in de duisternis, de hare nam, was geen begoocheling, maar
+wezenlijkheid. De verschijning van dezen man in het lot van dit kind
+was de komst van God geweest.</p>
+<p>Jean Valjean had overigens zijn schuilplaats goed gekozen. Hij was
+er, kon men zeggen, in volkomen veiligheid.</p>
+<p>De kamer met het kabinetje, welke hij met Cosette bewoonde, zag op
+den boulevard uit. Het was het eenige venster van het huis, waar men,
+evenmin van ter zijde als tegenover, een blik van buren te vreezen
+had.</p>
+<p>Het benedengedeelte van No. 50&ndash;52, een soort van vervallen
+schuur, diende aan warmoeziers tot bergplaats en had met de
+bovenverdieping geenerlei gemeenschap. Het was er door de zoldering van
+gescheiden, die noch trap noch luik had, en die eenigermate als de
+grensscheiding van &rsquo;t huis kon beschouwd worden. Deze
+bovenverdieping bevatte, zooals gezegd is, verscheidene vertrekken en
+eenige zolderkamertjes, waarvan er slechts &eacute;&eacute;n bewoond
+was, en wel door een oude vrouw, die Jean Valjeans huishouding waarnam.
+Al het overige was onbewoond.</p>
+<p>Deze oude vrouw, die de <i>hoofd-huurderes</i> heette, doch in
+waarheid de betrekking van portierster bekleedde, had hem op Kerstdag
+deze woning verhuurd. Hij had zich bij haar uitgegeven voor een door de
+Spaansche fondsen geru&iuml;neerd rentenier, die hier met zijn
+dochtertje wonen wilde. Hij had zes maanden vooruit betaald en aan de
+oude vrouw opgedragen, de kamer en het kabinetje te meubileeren, op de
+wijze zooals men gezien heeft. Deze oude vrouw had de kachel aangelegd
+en alles gereed gemaakt op den avond hunner komst.</p>
+<p>Weken verliepen. Beide wezens leidden in dit ellendig verblijf een
+gelukkig leven.</p>
+<p>Van den vroegen morgen af lachte, keuvelde, zong Cosette. Kinderen
+hebben, evenals de vogels, hun morgenzang.</p>
+<p>&rsquo;t Geviel, dat Jean Valjean haar roode, door de koude
+gebarsten handjes nam en ze kuste. Het arme kind, dat slechts aan
+slagen gewoon was, wist niet wat dat beteekende, en ging verlegen
+heen.</p>
+<p>Soms werd zij ernstig en beschouwde haar zwart jurkje. Cosette droeg
+geen lompen meer, maar rouw. Zij kwam uit de ellende in het leven.</p>
+<p>Jean Valjean beproefde haar te leeren lezen. Vaak dacht hij er aan,
+terwijl hij het kind deed spellen, dat hij in het bagno had leeren
+lezen, met het doel om er kwaad mede te doen. Dat doel had zich nu
+zoozeer gewijzigd, dat hij een kind leerde lezen. Dan lachte de oude
+tuchteling, met den peinzenden glimlach der engelen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span></p>
+<p>Hij gevoelde hierin een beschikking van hierboven, den wil van een
+hooger wezen dan de mensch, en hij verdiepte zich in gedachten. Goede
+gedachten zijn even ondoorgrondelijk als slechte.</p>
+<p>Cosette te leeren lezen en haar te laten spelen, hierin bestond
+schier het geheele leven van Jean Valjean. Ook sprak hij haar van haar
+moeder en liet haar bidden.</p>
+<p>Zij noemde hem <i>vader</i>, en wist niet welken anderen naam hij
+had.</p>
+<p>Uren bracht hij door met haar te aanschouwen, wanneer zij haar pop
+kleedde en ontkleedde, en naar haar te luisteren, wanneer zij keuvelde.
+Het leven scheen hem nu voortaan belangrijk, de menschen schenen hem
+goed en rechtvaardig; in zijn geest beschuldigde hij niemand meer, en
+hij wist niet, waarom hij nu niet zeer oud zou wenschen te worden, nu
+dit kind hem beminde. Zijn toekomst verscheen hem heerlijk, verlicht
+door Cosette. Zelfs de beste menschen zijn niet vrij van zelfzuchtige
+gedachten, en vaak dacht hij er met een soort van blijdschap aan dat
+zij leelijk zou zijn.</p>
+<p>&rsquo;t Is slechts een persoonlijk gevoelen, doch om onze gedachte
+geheel uit te spreken, zijn wij niet geheel overtuigd, dat Jean
+Valjean, in den toestand waarin hij was, toen hij Cosette begon te
+beminnen, deze versterking niet noodig had om in het goede te
+volharden. Hij had onder nieuwe gedaanten de slechtheid der menschen en
+de ellende der maatschappij gezien, onvolledige gedaanten, die
+noodlottigerwijs slechts &eacute;&eacute;n zijde der waarheid
+vertoonden, het lot der vrouw in Fantine samengevat, het openbaar gezag
+door Javert verpersoonlijkt; hij was ditmaal naar het bagno
+teruggekeerd, wijl hij goed had gedaan; hij had nieuwe bitterheden
+gesmaakt; afkeer en afmatting overweldigden hem opnieuw; zelfs de
+herinnering aan den bisschop was misschien op &rsquo;t punt zich
+tijdelijk te verdooven, hoewel ze later schitterend en zegevierend weer
+te voorschijn kon treden; in allen gevalle was deze heilige herinnering
+thans inderdaad aan &rsquo;t verflauwen. Wie weet of Jean Valjean niet
+op &rsquo;t punt was van den moed te verliezen en opnieuw te vallen?
+Maar hij beminde en werd weder sterk. Helaas! hij was weinig minder
+wankelende dan Cosette. Hij beschermde haar en zij versterkte hem.
+&rsquo;t Was door hem, dat zij het leven kon ingaan; &rsquo;t was door
+haar, dat hij in de deugd kon volharden. Hij was de steun van dat kind,
+en dat kind verleende hem kracht. O onpeilbare en goddelijke
+verborgenheid van &rsquo;t evenwicht in &rsquo;s menschen lot.
+<span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name=
+"pb148">148</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De opmerkingen der hoofd-huurderes.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Jean Valjean was zoo voorzichtig van nooit des daags
+uit te gaan. In den schemeravond wandelde hij dagelijks een paar uren,
+soms alleen, meestal met Cosette, door de eenzaamste zijlanen van den
+boulevard, en trad de kerken binnen als &rsquo;t donker was. Hij ging
+gaarne naar de kerk van St. Medardus, die het dichtst bij was. Zoo hij
+Cosette niet medenam bleef zij bij de oude vrouw, maar &rsquo;t was een
+vreugd voor &rsquo;t kind met den goeden man uit te gaan. Zij gaf zelfs
+hieraan de voorkeur boven het bekoorlijk onderhoud met Kaatje. Als zij
+wandelden gaf hij haar de hand en vertelde haar allerlei fraais.</p>
+<p>Cosette was zeer vroolijk.</p>
+<p>De oude vrouw bestierde de huishouding, kookte en zorgde voor de
+mondbehoeften.</p>
+<p>Zij leefden sober, hadden wel een vuurtje aan, maar als lieden die
+het zuinig hebben. Jean Valjean had niets veranderd in het huisraad,
+sinds den eersten dag; alleen had hij de glazen deur van Cosettes
+kamertje door een houten deur doen vervangen.</p>
+<p>Hij droeg nog altijd zijn bruine jas, zwarte broek en ouden hoed. Op
+de straat hield men hem voor een arme. Soms gebeurde het, dat
+goedhartige vrouwen omkeerden en hem een sou gaven. Jean Valjean
+ontving den sou en boog diep. Ook gebeurde het soms, dat hij een arme
+ontmoette, die zijn milddadigheid inriep; dan schouwde hij rond of
+iemand hem ook zag, naderde steelswijze den ongelukkige, drukte hem een
+geldstuk, dikwerf een zilverstuk, in de hand en verwijderde zich
+haastig. Dit had zijn ongelegenheden. In de wijk begon hij bekend te
+worden onder den naam van &bdquo;de bedelaar die aalmoezen
+geeft.&rdquo;</p>
+<p>De oude &bdquo;hoofd-huurderes&rdquo;, een hatelijk wezen, geheel
+vervuld met afgunstige opmerkzaamheid, sloeg Jean Valjean, zonder dat
+hij &rsquo;t vermoedde, nauwkeurig gade. Zij was een weinig doof, en
+bijgevolg praatachtig. Er waren haar nog twee tanden overgebleven, een
+boven- en een ondertand, die zij immer tegen elkander stiet. Zij had
+Cosette uitgevraagd, die, niets wetende, haar ook niets wist te zeggen,
+dan dat zij van Montfermeil kwam. Op zekeren ochtend merkte de
+bespiedster op, dat Jean Valjean, met een gezicht dat haar zonderling
+voorkwam, <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name=
+"pb149">149</a>]</span>een der onbewoonde vertrekken van het huis
+binnenging. Zij sloop hem na als een oude kat, en zonder gezien te
+worden, kon zij hem door de reet der deur, die aanstond, opmerken.
+Waarschijnlijk uit voorzichtigheid was Jean Valjean met den rug naar de
+deur gaan staan. De oude vrouw zag dat hij in zijn zak tastte, er een
+koker, een schaar en garen uitnam, toen de voering van een zijner
+rokspanden lostornde en uit de opening een geelachtig stuk papier nam,
+dat hij openvouwde. De oude vrouw zag met ontzetting dat &rsquo;t een
+bankbriefje van duizend francs was. Het was het tweede of het derde,
+dat zij in haar leven gezien had. Verschrikt liep zij weg.</p>
+<p>Een oogenblik later kwam Jean Valjean bij haar om haar te verzoeken,
+het bankbriefje van duizend francs te gaan wisselen, dat, voegde hij er
+bij, zijne halfjarige rente was, welke hij den vorigen dag ontvangen
+had.&mdash;Waar? dacht de oude vrouw. Hij is niet v&oacute;&oacute;r
+&rsquo;s avonds te zes uren uitgegaan, en op dat uur zijn de
+betaalkantoren niet meer open.&mdash;De oude vrouw ging om het biljet
+te wisselen en maakte allerlei gissingen. Dit bankbriefje van duizend
+francs, besproken en vermenigvuldigd, gaf onder de babbelaarsters der
+straat des Vignes St.-Marcel stof tot een menigte drukke
+gesprekken.</p>
+<p>De volgende dagen zaagde Jean Valjean, in zijn hemdsmouwen, hout in
+de gang. De oude vrouw was bezig de kamer in orde te brengen. Zij was
+hier alleen, want Cosette stond te zien naar het houtzagen. De oude
+vrouw ontdekte de jas, aan een spijker hangende, en nam ze nauwkeurig
+op. De voering was weder dichtgenaaid. Zij betastte ze zorgvuldig en
+meende overal tusschen de voering verborgen papier te voelen. Zonder
+twijfel andere bankbriefjes van duizend francs.</p>
+<p>Zij bevond tevens, dat er allerlei dingen in de zakken waren. Niet
+alleen naalden, een schaar en het garen, welke zij gezien had, maar een
+dikke portefeuille, een groot mes, en&mdash;wat zeer verdacht
+was&mdash;pruiken van verschillende kleur. Iedere zak van die jas
+scheen &rsquo;t een of ander te bevatten, dat bij mogelijke
+gebeurtenissen dienen kon.</p>
+<p>De bewoners van het huis bereikten op die wijze de laatste dagen van
+den winter. <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name=
+"pb150">150</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een vijffrancstuk valt op den vloer.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Bij de St. Medardus-kerk zat op den rand van een ouden
+onbruikbaren put een arme, wien Jean Valjean gaarne een aalmoes gaf.
+Zelden ging hij dien man voorbij zonder hem een sou te geven. Vaak
+sprak hij met hem. De afgunstigen op dezen arme zeiden, dat hij
+&bdquo;tot de politie&rdquo; behoorde. &rsquo;t Was een
+vijf-en-zeventigjarig man, die gestadig gebeden prevelde.</p>
+<p>Op zekeren avond, dat Jean Valjean hier langs ging&mdash;hij had
+Cosette niet bij zich&mdash;zag hij den bedelaar op zijn gewone plaats
+onder de straatlantaarn, die juist ontstoken was. De man scheen als
+gewoonlijk te bidden en zat diep gebogen. Jean Valjean naderde hem en
+gaf hem de gewone aalmoes. De bedelaar sloeg snel de oogen op, staarde
+Jean Valjean strak aan, en boog toen schielijk weder het hoofd. Deze
+beweging was bliksemsnel. Jean Valjean ontroerde. Het scheen hem, dat
+hij bij het licht der lantaarn niet het rustig en vroom gelaat van den
+ouden bedelaar, maar een vreeselijk en bekend gezicht had gezien. Hij
+voelde de gewaarwording van iemand, die eensklaps in de duisternis een
+tijger voor zich ziet. Verschrikt en als versteend deinsde hij terug,
+niet wagende te ademen, te spreken, te blijven, te vluchten,&mdash;den
+bedelaar aanstarende, die zijn hoofd weder gebogen had en niet meer
+scheen te weten dat hij er nog was. Een instinct, misschien het
+geheimzinnige instinct van zelfbehoud, weerhield Jean Valjean in dit
+oogenblik een woord te spreken. De bedelaar had dezelfde grootte,
+dezelfde lompen, hetzelfde voorkomen als alle dagen.&mdash;Och! dacht
+Jean Valjean, ik ben mal! ik droom! &rsquo;t is onmogelijk! Hij kwam
+echter in de grootste ontsteltenis te huis.</p>
+<p>Nauwelijks durfde hij &rsquo;t zich zelven bekennen, dat hij Javerts
+gezicht had meenen te zien.</p>
+<p>Toen hij des nachts er over nadacht, speet het hem, den man niet te
+hebben aangesproken, ten einde hem te noodzaken het hoofd nogmaals op
+te heffen.</p>
+<p>Den volgenden dag, tegen den avond, ging hij weder derwaarts. De
+bedelaar was op zijn gewone plaats.&mdash;Goeden avond, vriend, zei
+Jean Valjean onverschrokken, hem een sou gevende. De bedelaar zag op en
+zeide met jammerlijke stem: &bdquo;Ik dank u, mijn goede
+heer.&rdquo;&mdash;&rsquo;t Was wel de oude bedelaar.</p>
+<p>Jean Valjean voelde zich volkomen gerustgesteld. Hij <span class=
+"pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name=
+"pb151">151</a>]</span>glimlachte.&mdash;&bdquo;Hoe drommel, heb ik
+d&aacute;&aacute;r Javert kunnen zien? dacht hij. Zouden mij mijn oogen
+beginnen te foppen?&rdquo; Hij dacht er niet verder over.</p>
+<p>Eenige dagen later, &rsquo;t kon acht uren &rsquo;s avonds zijn, was
+hij in zijn kamer en hoorde, terwijl hij Cosette luid liet spellen, de
+voordeur van het huis openen en weder sluiten. Dit kwam hem vreemd
+voor. De oude vrouw, de eenige welke met hem het huis bewoonde, ging
+steeds met het donker naar bed, om geen licht te branden. Jean Valjean
+wenkte Cosette te zwijgen. Hij hoorde iemand de trap opgaan. &rsquo;t
+Is waar, &rsquo;t kon de oude vrouw zijn, die, ongesteld geworden, naar
+den apotheker was gegaan. Jean Valjean luisterde. De tred was zwaar en
+klonk als die van een man; maar de oude vrouw droeg zware schoenen, en
+niets gelijkt meer naar den tred van een man, dan die van een oude
+vrouw. Jean Valjean blies intusschen zijn kaars uit.</p>
+<p>Hij had Cosette naar bed gebracht en zacht tot haar gezegd:
+&bdquo;Ga heel stil naar bed,&rdquo; en terwijl hij haar op het
+voorhoofd kuste, hadden de voetstappen opgehouden. Jean Valjean bleef
+stil, bewegingloos, met den rug naar de deur gekeerd, op zijn stoel,
+welken hij niet verlaten had, met ingehouden adem, in &rsquo;t donker
+zitten. Na een tamelijk geruime poos niets meer hoorende, keerde hij
+zich om zonder eenig gerucht te maken, en zijn oogen toen naar de
+kamerdeur slaande, zag hij licht door het sleutelgat. Dit licht vormde
+een onheilspellende ster in &rsquo;t donker van deur en muur. Blijkbaar
+was er iemand die met een licht in de hand luisterde.</p>
+<p>Na verloop van eenige minuten verdween het licht.</p>
+<p>Maar hij hoorde geen gerucht van voetstappen, &rsquo;t geen scheen
+aan te duiden dat degeen, die aan de deur luisterde, zijn schoenen had
+uitgetrokken.</p>
+<p>Jean Valjean wierp zich geheel gekleed op het bed, maar sloot den
+geheelen nacht geen oog.</p>
+<p>Bij &rsquo;t aanbreken van den dag, juist toen hij van vermoeidheid
+insluimerde, wekte hem het knarsen eener deur die aan &rsquo;t einde
+van de gang geopend werd; vervolgens hoorde hij denzelfden manstred,
+die den vorigen avond de trap was opgegaan. De tred naderde. Hij sprong
+uit het bed en bracht zijn oog voor het sleutelgat, dat tamelijk groot
+was, in de hoop in &rsquo;t voorbijgaan dengene te zien, die des nachts
+in &rsquo;t huis was gekomen en aan zijn deur geluisterd had. &rsquo;t
+Was werkelijk een man, die ditmaal, zonder zich op te houden, Jean
+Valjeans kamer voorbijging. De gang was nog te donker om zijn gezicht
+te kunnen onderscheiden; maar toen de man aan de trap was gekomen,
+vertoonde het invallend daglicht zijn <span class="pagenum">[<a id=
+"pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span>schaduwbeeld, en Jean
+Valjean zag hem volkomen van achter. De man was hoog van gestalte,
+droeg een lange jas en een stok onder zijn arm. &rsquo;t Waren de
+forsche omtrekken van Javert.</p>
+<p>Jean Valjean zou hem gaarne door zijn venster op den boulevard
+hebben nagezien. Maar hij zou dan het raam hebben moeten openen, en dit
+durfde hij niet.</p>
+<p>&rsquo;t Was duidelijk dat deze man met een sleutel en alsof hij
+<span class="corr" id="xd20e3200" title="Bron: &rsquo;t">te</span> huis
+was, was binnengekomen. Wie had hem dien sleutel gegeven? Wat moest dat
+beteekenen?</p>
+<p>Te zeven uren &rsquo;s ochtends, toen de oude vrouw de kamer kwam in
+orde brengen, sloeg Jean Valjean een vorschenden blik op haar, maar
+vroeg haar niets. Zij was als gewoonlijk.</p>
+<p>Terwijl zij de kamer veegde, zeide zij:</p>
+<p>&bdquo;Mijnheer heeft misschien van nacht iemand hooren
+binnenkomen.&rdquo;</p>
+<p>Op dien leeftijd en op dien boulevard is &rsquo;t om acht ure reeds
+nacht.</p>
+<p>&bdquo;Ja, inderdaad,&rdquo; antwoordde hij op onverschilligen toon.
+&bdquo;Wie was het?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een nieuwe inwoner,&rdquo; zei de oude vrouw.</p>
+<p>&bdquo;Hoe heet hij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik weet niet recht, Dumont of Daumont, of zoo
+iets.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wat is die mijnheer Daumont?&rdquo;</p>
+<p>De oude vrouw gluurde hem aan met haar kleine bunsing-oogen, en
+antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Een rentenier, evenals gij.&rdquo;</p>
+<p>Zij zeide dit misschien zonder eenige bedoeling. Jean Valjean meende
+er die echter in te ontdekken.</p>
+<p>Toen de oude vrouw zich verwijderd had, maakte hij een rol van een
+honderdtal francs die hij in eene kast had, en stak ze in zijn zak. Hoe
+voorzichtig hij hierbij te werk ging, om het geld niet te doen
+rammelen, schoot hem echter een vijffrancstuk door de vingers en rolde
+luid over den vloer.</p>
+<p>Tegen de avondschemering ging hij naar buiten en zag nauwkeurig naar
+alle zijden van den boulevard. Hij zag niemand. De boulevard scheen
+volkomen eenzaam. &rsquo;t Is waar, dat men er zich achter een boom kon
+verbergen.</p>
+<p>Hij ging weder naar boven.</p>
+<p>&bdquo;Kom,&rdquo; zeide hij tot Cosette.</p>
+<p>Hij nam haar bij de hand en zij gingen heen. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Boek V.</h2>
+<h2 class="main">Een jacht in den nacht met stille honden.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name=
+"pb155">155</a>]</span>
+<div id="ch5.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De zigzags der strategie.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Voor de bladzijden, welke men nu lezen en nog later
+ontmoeten zal, is hier een opmerking noodig.</p>
+<p>Sedert vele jaren is de schrijver van dit boek, die tot zijn
+leedwezen van zich zelven moet spreken, uit Parijs afwezig. Sinds hij
+die stad verlaten heeft, is zij geheel veranderd. Er is een nieuwe, een
+hem schier onbekende stad opgerezen. Hij behoeft niet te zeggen, dat
+hij Parijs liefheeft, zij is de geboortestad van zijn geest. Ten
+gevolge van sloopingen en herbouwingen is het Parijs zijner jeugd, het
+Parijs, &rsquo;t welk hij met zulk een innige verkleefdheid in zijn
+geheugen heeft medegenomen, thans een Parijs van vroeger tijd. Men
+veroorlove hem van dit Parijs te spreken, als bestond het nog. &rsquo;t
+Is mogelijk, dat, ter plaatse waar de schrijver den lezer zal voeren
+met de woorden: &bdquo;In deze straat is dit huis,&rdquo; thans noch
+huis noch straat meer is, de lezers mogen dit onderzoeken, zoo zij zich
+die moeite willen geven. Hij kent het nieuwe Parijs niet en schrijft
+met het oude Parijs voor zijn oogen in een illusie, die hem dierbaar
+is. Hij vermeidt zich in gedachte, dat er toch wat is overgebleven van
+&rsquo;t geen hij zag, toen hij in zijn vaderland was, en dat niet
+alles is verdwenen. Zoo lang men zich in zijn geboorteland beweegt,
+verbeeldt men zich, dat ons de straten onverschillig zijn, dat deze
+vensters, deze daken en deze deuren ons niet aangaan, dat deze muren
+ons vreemd, dat deze boomen niets meer dan andere zijn, dat deze
+huizen, waar men niet binnengaat, geen belang voor ons hebben, dat deze
+straatsteenen, welke men betreedt, niet anders dan steenen zijn. Later,
+wanneer wij er niet meer zijn, zien wij, dat deze straten ons dierbaar
+zijn, dat wij deze daken, deze vensters en deze muren missen, dat ons
+deze muren noodzakelijk, deze boomen ons dierbaar zijn, dat wij deze
+huizen, welke wij nooit binnen gingen, toch dagelijks binnen
+<span class="pagenum">[<a id="pb156" href="#pb156" name=
+"pb156">156</a>]</span>konden gaan en wij op deze straatsteenen iets
+van onze ingewanden, van ons bloed en van ons hart hebben
+achtergelaten. Al deze plaatsen, die men niet meer ziet, die men
+misschien nimmer zal wederzien, verkrijgen een smartelijke
+bekoorlijkheid, herrijzen telkens in het geheugen als een treurige
+verschijning, vertoonen ons het beloofde land en zijn, om zoo te
+zeggen, geheel Frankrijk voor ons; men bemint ze en herinnert ze zich
+zooals ze zijn, zooals zij waren, men houdt er aan vast, en wil er
+niets aan veranderen, want men is aan het voorkomen van het vaderland
+gehecht, evenals aan de trekken eener dierbare moeder. &rsquo;t Zij ons
+dus geoorloofd van het verledene te spreken alsof het tegenwoordig
+ware, en na den lezer verzocht te hebben hiervan aanteekening te nemen,
+gaan wij voort.</p>
+<p>Jean Valjean had dadelijk den boulevard verlaten en was de straten
+ingegaan. Hij keerde en wendde zich zoo dikwijls mogelijk en ging vaak
+op zijn schreden terug om zeker te zijn dat hij niet gevolgd werd.</p>
+<p>Een dergelijke handelwijze is ook die van het gejaagde hert. Op een
+bodem, waar de voet indruksels achterlaat, heeft zij onder andere het
+nut, dat de jagers en honden, door de tegen elkander inloopende
+voetsporen, in verwarring worden gebracht.</p>
+<p>&rsquo;t Was volle maan. Dit was Jean Valjean niet onaangenaam. Daar
+zij bij haar opkomst nog dicht aan den horizon stond, wierp zij op de
+straten breede vakken van schaduw en licht. Hij kon dus aan de
+schaduwzijde langs de huizen en muren sluipen en de lichtzijde in
+&rsquo;t oog houden. Hij dacht er misschien niet genoeg aan, dat de
+donkere zijde aldus aan zijn opmerkzaamheid ontging. Hij meende zich
+echter verzekerd te mogen houden, dat niemand hem in de eenzame stegen,
+in den omtrek der straat Poliveau, zou volgen.</p>
+<p>Cosette ging naast hem zonder iets te vragen. Het lijden der zes
+eerste jaren van haar leven had aan haar natuur iets lijdelijks
+gegeven. Bovendien&mdash;en tot deze opmerking zullen wij meermalen
+terugkomen&mdash;was zij reeds aan de zonderlingheden van dezen man en
+aan de grilligheid van haar lot gewoon, zonder daarover veel na te
+denken. Overigens voelde zij zich bij hem veilig.</p>
+<p>Jean Valjean wist evenmin als Cosette, waarheen hij ging. Hij
+vertrouwde op God, gelijk zij op hem. &rsquo;t Was hem insgelijks alsof
+hij iemand, die machtiger was dan hij, bij de hand hield; hij geloofde
+een onzichtbaar wezen te voelen, dat hem leidde. Overigens had hij
+volstrekt geen bepaald denkbeeld, geen plan of doel. Hij was zelfs niet
+volkomen zeker of het <span class="pagenum">[<a id="pb157" href=
+"#pb157" name="pb157">157</a>]</span>Javert was; en &rsquo;t kon deze
+zijn, zonder dat Javert wist dat hij Jean Valjean was. Hij was immers
+geheel anders gekleed; men waande hem dood. Er hadden echter sinds
+eenige dagen zonderlinge zaken plaats. Meer was voor hem niet noodig;
+en hij had besloten, niet meer naar het huis Gorbeau terug te keeren.
+Als een opgejaagd dier, zocht hij een hol, waarin hij zich kon
+verbergen, tot hij er een vond om in te wonen.</p>
+<p>Jean Valjean maakte verschillende doolhof-kronkelingen in de wijk
+Mouffetard, waar alles reeds sliep, alsof de verordeningen der
+middeneeuwen en &rsquo;t gebod van vuur en licht uit te dooven, nog
+bestaan hadden. Met schrander berekenend overleg doorliep hij
+verscheidene straten, maar trad geen der zich daar bevindende
+logementen binnen, wijl zij hem niet geschikt voorkwamen. Hij twijfelde
+er niet aan, dat, zoo men toevallig zijn spoor had gezocht, men het nu
+wel verloren zou hebben.</p>
+<p>Juist toen het op de kerk van Saint-Etienne-du-Mont elf uren sloeg,
+ging hij in de straat Pontoise, voorbij het bureau van den commissaris
+van politie No. 14. Eenige oogenblikken later, deed zijn instinct,
+waarvan wij vroeger gesproken hebben, hem omzien. Nu zag hij duidelijk
+drie mannen, die hem op de hielen volgden, achter elkander voorbij de
+lantaarn van het politiebureau aan de donkere zijde der straat gaan.
+Een dezer drie mannen trad bij den commissaris binnen. De vooraangaande
+kwam hem bepaald verdacht voor.</p>
+<p>&bdquo;Kom, kind,&rdquo; zeide hij tot Cosette en hij haastte zich
+uit de straat Pontoise te komen.</p>
+<p>Hij maakte een omweg door verscheiden straten en kwam in de
+Poststraat. In deze straat loopt eene andere uit, waardoor een soort
+van pleintje ontstaat.</p>
+<p>Dit pleintje werd helder door de maan verlicht. Jean Valjean drong
+zich tegen een deur, daar hij begreep, dat, zoo deze mannen hem nog
+volgden, hij hen duidelijk zou kunnen zien, wanneer zij deze heldere
+plek overgingen.</p>
+<p>Inderdaad, geen drie minuten waren verloopen of de mannen
+verschenen. Zij waren nu met hun vieren; allen forsche gestalten, in
+lange, bruine jassen, met ronde hoeden op &rsquo;t hoofd en dikke
+stokken in de hand. Hun forsch voorkomen en groote vuisten waren niet
+minder verontrustend dan hun sluipende gang in de duisternis. Zij
+geleken vier spoken in burgerkleeding.</p>
+<p>Op &rsquo;t midden van &rsquo;t pleintje bleven zij staan, alsof zij
+met elkander raadpleegden. Zij schenen besluiteloos. Hij, die blijkbaar
+de aanvoerder was, keerde zich om en wees levendig met de rechterhand
+in de richting waar Jean Valjean zich <span class="pagenum">[<a id=
+"pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span>bevond; een ander
+wees met nadruk naar den tegenovergestelden kant. Toen de eerste zich
+omkeerde, bescheen het maanlicht zijn gelaat en Jean Valjean herkende
+duidelijk Javert.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Gelukkig dat er rijtuigen over de brug van Austerlitz
+gaan.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Jean Valjeans onzekerheid was ten einde; gelukkig
+duurde zij nog voort bij de mannen. Hij maakte zich hun aarzeling ten
+nutte; &rsquo;t was voor hen verloren tijd, voor hem tijd gewonnen. Hij
+verwijderde zich van de deur, waar hij zich verscholen had, en ging
+door de straat des Postes naar den kant van den Plantentuin. Cosette
+begon vermoeid te worden; hij nam haar op zijn arm en droeg haar. Er
+was niemand op de straat, en uithoofde der volle maan brandden de
+lantaarns niet.</p>
+<p>Hij versnelde zijn tred, en had spoedig de pottenbakkerij Goblet
+bereikt, op welker voorgevel duidelijk in den maneschijn het volgend
+oude opschrift leesbaar was:</p>
+<div lang="fr" class="lgouter">
+<p class="line">De Goblet fils c&rsquo;est ici la fabrique;</p>
+<p class="line xd20e3297">Venez choisir des cruches et des brocs.</p>
+<p class="line">Des pots &agrave; fleurs, des tuyaux, de la brique.</p>
+<p class="line xd20e3297">A tout venant le C&oelig;ur vend des
+Carreaux.<a class="noteref" id="xd20e3303src" href="#xd20e3303" name=
+"xd20e3303src">1</a></p>
+</div>
+<p class="first">Hij liet achter zich de straat de la Clef, voorts de
+fontein St. Victor, ging door zijstraten langs den Plantentuin en kwam
+op de kade. Daar zag hij om. De kade en de straten waren eenzaam.
+Niemand was achter hem. Hij ademde ruimer.</p>
+<p>Vervolgens bereikte hij de brug van Austerlitz.</p>
+<p>Toenmaals moest nog bruggeld betaald worden.</p>
+<p>Hij ging naar &rsquo;t brugwachtershuisje en betaalde een sou.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is twee sous,&rdquo; zei de invalide op de brug.
+&bdquo;Ge draagt een kind dat gaan kan. Gij moet voor twee
+betalen.&rdquo;</p>
+<p>Hij betaalde, ontevreden dat zijn voorbijgaan tot een opmerking
+aanleiding had gegeven. Een vlucht moet een gladde doorsluiping zijn.
+<span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name=
+"pb159">159</a>]</span></p>
+<p>Een groote kar reed met hem over de brug en ging als hij naar den
+rechteroever. Dat diende hem. Hij kon in de schaduw dezer kar de brug
+overgaan.</p>
+<p>Midden op de brug wilde Cosette loopen, daar zij den slaap in haar
+voeten had gekregen. Hij zette haar neder en nam haar bij de hand.</p>
+<p>Over de brug zijnde, bespeurde hij een weinig rechts houttuinen; hij
+ging er op af. Om ze te bereiken, moest hij over een tamelijk groote,
+vrije en verlichte ruimte gaan. Hij aarzelde niet. Zij, die hem
+vervolgden, hadden blijkbaar zijn spoor verloren en Jean Valjean achtte
+zich buiten gevaar. Hij werd wel gezocht; maar niet gevolgd.</p>
+<p>Tusschen twee, door muren omsloten, houttuinen liep de kleine straat
+du Chemin-Vert-Saint-Antoine, een enge, donkere straat, die opzettelijk
+voor hem gemaakt scheen. Eer hij er in ging, zag hij om.</p>
+<p>Van hier kon hij de brug van Austerlitz over haar geheele lengte
+zien.</p>
+<p>Vier donkere gestalten traden juist op de brug.</p>
+<p>Deze gestalten hadden den rug naar den Plantentuin gekeerd en gingen
+naar den rechteroever.</p>
+<p>&rsquo;t Waren de vier mannen.</p>
+<p>Jean Valjean rilde als &rsquo;t weder betrapte wild.</p>
+<p>Slechts &eacute;&eacute;n hoop bleef hem; namelijk, dat deze mannen
+misschien nog niet op de brug waren geweest en hem gezien hadden, op
+&rsquo;t oogenblik dat hij, met Cosette aan de hand, over de verlichte
+plek ging.</p>
+<p>In dat geval kon hij ontkomen, door de kleine straat, die hij voor
+zich zag, in te slaan, en, zoo mogelijk, de houttuinen te bereiken en
+in &rsquo;t vrije veld te komen.</p>
+<p>Hij meende zich in het stille straatje te kunnen vertrouwen en ging
+er in.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class=
+"noteref" id="xd20e3303" href="#xd20e3303src" name=
+"xd20e3303">1</a></span> &rsquo;t Is hier de fabriek van Goblet zoon;
+men kan er kruiken, kannen uitzoeken, ook bloempotten, buizen, en
+baksteenen; aan ieder verkoopt het harte ruiten.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Men zie den platten grond van Parijs in 1727.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Na een driehonderd schreden te hebben gedaan, kwam hij
+ter plaatse, waar de straat zich in twee straten vertakte, de eene
+rechts, de andere links. Jean Valjean had een soort van Y voor zich.
+Welken arm zou hij er van kiezen?</p>
+<p>Hij aarzelde niet en koos den rechter.</p>
+<p>Waarom? <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name=
+"pb160">160</a>]</span></p>
+<p>Wijl de linker tak naar de voorstad, naar bewoonde plaatsen, en de
+rechter naar het veld, naar het onbewoonde voerde.</p>
+<p>Zij gingen echter niet snel meer; want Cosette&rsquo;s schreden
+vertraagden die van Valjean.</p>
+<p>Hij droeg haar nogmaals. Cosette legde haar hoofd op zijn schouder
+en sprak geen woord.</p>
+<p>Nu en dan keerde hij zich om en zag achter zich. Hij zorgde steeds
+aan de donkere zijde der straat te blijven. De straat liep achter hem
+rechtuit. Hij keerde zich twee of drie keeren om, doch zag niets, alles
+was stil, en eenigszins geruster zette hij zijn weg voort. Eensklaps
+meende hij, juist toen hij zich omkeerde, dat zich iets in de straat,
+ver achter hem, in de duisternis bewoog.</p>
+<p>Hij liep voort, meer dan hij ging, in de hoop een zijstraat te
+vinden, daar door te ontkomen en nogmaals zijn vervolgers van het spoor
+te brengen.</p>
+<p>Hij kwam aan een muur.</p>
+<p>Deze muur belette hem echter niet, verder te gaan; want langs dezen
+muur liep een dwarsweg, welke zich met de straat verbond, die Jean
+Valjean volgde.</p>
+<p>Hier moest hij wederom rechts of links kiezen.</p>
+<p>Hij zag rechts. Aan dien kant verlengde zich de steen tusschen
+loodsen of schuren en liep blind. Men kon duidelijk aan het einde van
+die blinde steeg een grooten, witten muur zien. Hij zag links. Aan dien
+kant was de steeg open, en liep ongeveer tweehonderd schreden ver in
+een straat uit. Naar dien kant bestond er redding.</p>
+<p>Juist toen Jean Valjean links wilde gaan om de straat te bereiken,
+welke hij aan het einde der steeg zag, bespeurde hij op den hoek der
+steeg en deze straat iets als een zwart beeld.</p>
+<p>&rsquo;t Was iemand, die daar blijkbaar geplaatst was, om op te
+passen en den doortocht te beletten.</p>
+<p>Jean Valjean trad achteruit.</p>
+<p>Het punt van Parijs, waar Jean Valjean zich bevond, tusschen de
+voorstad St. Antoine en la R&acirc;p&eacute;e, is er een van die, welke
+door de nieuwe verbouwingen geheel en al veranderd zijn, en welke
+veranderingen volgens sommigen ontsieringen, volgens anderen
+verfraaiingen zijn. De velden, de werven en oude gebouwen zijn
+verdwenen. Tegenwoordig zijn er nieuwe, groote straten, circussen,
+wedrenpleinen, hippodromes, spoorwegstations en de gevangenis Mazas: de
+vooruitgang en wat er mede in verband staat.</p>
+<p>Een halve eeuw geleden heette de plek, welke Jean Valjean bereikt
+had, in de volkstaal &bdquo;Klein Picpus.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span></p>
+<p>Klein Picpus, dat overigens nauwelijks bestaan heeft en slechts de
+poging eener wijk is geweest, had schier het kloosterachtig voorkomen
+eener Spaansche stad. De wegen waren er slechts gedeeltelijk geplaveid,
+de straten slechts gedeeltelijk bebouwd. De twee of drie straten
+uitgezonderd, waarvan wij spreken zullen, zag men er niets dan muren en
+eenzaamheid. Geen winkels, geen rijtuigen; te nauwernood hier en ginds
+een licht aan de vensters; na tien uren waren alle lichten uit. Niets
+dan tuinen, kloosters, werven, moerassen; enkele lage huizen en groote
+muren, even hoog als de huizen.</p>
+<p>Zoodanig was deze wijk in de vorige eeuw. De revolutie had ze reeds
+ruw aangetast. Het republikeinsch bestuur had ze gesloopt,
+omvergehaald, doorgebroken. Zij was een bergplaats van puin en steen
+geworden. Dertig jaren geleden was deze wijk onder den nieuwen bouw
+nauwelijks meer kenbaar; thans is zij geheel verdwenen.</p>
+<p>Klein Picpus was, zooals wij gezegd hebben, een Y van straten,
+gevormd door den Chemin-Vert-Saint-Antoine, die zich in twee takken
+splitste en links den naam van kleine Picpusstraat en rechts dien van
+Polonceau-straat droeg. De twee armen der Y waren aan den top als door
+een keten verbonden. Deze keten heette rue Droit-Mur.</p>
+<p>Hier nu bevond zich Jean Valjean.</p>
+<p>Wij hebben gezegd, dat hij terugtrad, toen hij de donkere, wachtende
+gestalte aan den hoek der straten Droit-Mur en kleine Picpus zag. Deze
+gestalte sloeg hem gade.</p>
+<p>Wat moest hij doen? Hij had den tijd niet meer om terug te
+keeren.&mdash;Wat hij een oogenblik te voren op eenigen afstand achter
+zich had zien bewegen, was ontwijfelbaar Javert met zijn mannen, en
+dezen bevonden zich waarschijnlijk reeds aan den ingang der straat, aan
+welker einde Jean Valjean was. Javert was vermoedelijk met dezen
+kleinen doolhof bekend en had zijn maatregelen genomen door het zenden
+van een zijner mannen, om den uitgang te bewaken. Deze gissingen, die
+schier zekerheid waren, vielen, als stof, dat de wind opheft, terstond
+smartelijk op Valjeans hoofd. Hij onderzocht de blinde steeg; zij liep
+dood. Hij onderzocht de kleine Picpusstraat; er stond een schildwacht.
+Hij zag deze sombere gestalte op de door de maan verlichte straat
+donker uitkomen. Zoo hij achteruitging, stiet hij op Javert. Hij
+gevoelde zich als in een net gevangen, dat zich langzaam dichttrekt.
+Wanhopend zag hij ten hemel. <span class="pagenum">[<a id="pb162" href=
+"#pb162" name="pb162">162</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het rondtasten der vlucht.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Om het volgende te begrijpen, moet men zich een
+duidelijk denkbeeld vormen van de steeg Droit-Mur en in &rsquo;t
+bijzonder van den hoek, ter linkerzijde, als men uit de straat
+Polonceau deze steeg inging. Ter rechterzijde, tot aan de kleine straat
+Picpus, stonden grootendeels armoedige huizen; links stond een groot
+gebouw, uit verschillende woningen bestaande, die hooger werden
+naarmate zij dichter bij de kleine Picpusstraat stonden; zoodat dit
+gebouw zeer hoog aan den kant der Picpus-straat en tamelijk laag aan
+den kant der Polonceau-straat was. Aan den hoek, waarvan wij gesproken
+hebben, was het zoo laag, dat het slechts een muur vormde. Deze muur
+liep niet gelijkzijdig met de straat, maar stond naar binnen, en vormde
+een vierkante ruimte die aan beide hoeken der straat Polonceau en der
+straat Droit-Mur onzichtbaar was. De gevel van dat groote gebouw had
+een somber aanzien. Men ontdekte er slechts &eacute;&eacute;n
+vensterraam, of liever, twee met zink beslagen vensterluiken, die
+steeds gesloten waren.</p>
+<p>De inspringende ruimte was schier geheel ingenomen door een
+onoogelijke, groote deur, samengesteld uit rechtopstaande, ongeschaafde
+planken, die, boven breeder dan onder, door lange ijzeren dwarslatten
+werden samengehouden. Daarnaast was een koetspoort van gewone grootte,
+die blijkbaar later was aangebracht.</p>
+<p>Een lindeboom verhief zijn takken over het inspringend vak, en aan
+den kant der straat Polonceau was de muur met klimop overdekt.</p>
+<p>In het dreigend gevaar, waarin Jean Valjean zich bevond, had dit
+somber gebouw iets verlatens en eenzaams, dat hem aanlokte. Hij liet er
+haastig zijn oogen over gaan; hij dacht dat, zoo &rsquo;t hem gelukte
+er binnen te komen, hij misschien gered was. IJlings kwam een denkbeeld
+en een hoop bij hem op.</p>
+<p>In &rsquo;t middelgedeelte van den voormuur van het gebouw in de
+straat Droit-Mur waren aan al de vensters der verschillende
+verdiepingen oude trechtervormige looden bakken. De verschillende
+buizen, welke uit een hoofdbuis naar al deze bakken liepen, vormden aan
+den voorgevel een soort van wijnstok, zooals men die aan de voormuren
+van oude landhoeven ziet. <span class="pagenum">[<a id="pb163" href=
+"#pb163" name="pb163">163</a>]</span></p>
+<p>Deze wonderlijke wijnstok met ijzeren en looden takken, was het
+eerste wat Jean Valjean in &rsquo;t oog viel. Hij zette Cosette met den
+rug tegen een schampsteen, zei haar zich stil te houden en liep naar de
+plaats, waar de buis de straat bijna raakte. Er was misschien middel
+daarlangs op te klimmen en in het huis te komen. Maar de buis was in
+vervallen staat, werd niet meer gebruikt en hing nauwelijks in haar
+houvasten. Overigens waren al de vensters van dit stil verblijf, zelfs
+die van het dak, van dikke, ijzeren trali&euml;n voorzien. Ook bescheen
+de maan den geheelen voorgevel, en de man, die aan het einde der straat
+op wacht stond, had Jean Valjean kunnen zien opstijgen. En wat met
+Cosette gedaan? Hoe kon zij op dit drie verdiepingen hooge huis
+gebracht worden?</p>
+<p>Hij zag er van af, langs de buis op te klimmen en sloop langs den
+muur weder naar de Polonceau-straat.</p>
+<p>Toen hij bij den inspringenden muur was, waar hij Cosette had
+achtergelaten, merkte hij op, dat hem d&aacute;&aacute;r niemand zien
+kon. Zooals wij hebben aangeduid, kon geen blik, van welken kant ook,
+hem bereiken. Bovendien was hij in de schaduw. Er waren twee deuren;
+misschien konden die opengebroken worden. De muur, waarboven hij den
+lindeboom, en het klimop zag, kwam waarschijnlijk aan een tuin uit,
+waarin hij zich, hoewel er geen bladeren aan de boomen waren, ten
+minste kon verbergen en het overige van den nacht doorbrengen.</p>
+<p>De tijd verstreek. Hij moest zich haasten.</p>
+<p>Hij drukte tegen de koetspoort en ontdekte terstond, dat zij zoowel
+van binnen als van buiten vast toegespijkerd was. Met meer hoop naderde
+hij de andere groote deur. Deze was zeer oud, en haar grootte maakte
+haar minder stevig; de planken waren vergaan, de ijzeren banden,
+slechts drie in getal, waren verroest. Er scheen mogelijkheid, deze
+vermolmde sluiting open te breken.</p>
+<p>Bij nadere beschouwing bleek het hem, dat deze deur geen eigenlijke
+deur was. Zij had noch duimen, noch hengsels, noch slot, noch
+middelscheiding; de ijzeren banden liepen zonder afbreking van het eene
+eind tot het andere. Door de reten der planken bespeurde hij een ruw
+gemetselden muur, welken men er, tien jaren geleden nog kon zien. Hij
+moest met schrik ontwaren dat deze vermeende deur niets anders was dan
+de houten schutting om een gebouw. Hij had gemakkelijk een plank kunnen
+wegrukken, maar dan stond hij voor een muur. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">&rsquo;t Geen bij gasverlichting onmogelijk zou
+zijn.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In dit oogenblik werd een dof, gelijkmatig gerucht op
+eenigen afstand gehoord. Jean Valjean waagde het even, om den hoek te
+zien. Zeven of acht soldaten, tot een peloton gevormd, rukten de straat
+Polonceau in. Hij zag de bajonetten glinsteren. Zij kwamen op hem
+af.</p>
+<p>Deze soldaten, aan wier spits hij Javerts hooge gestalte herkende,
+naderden langzaam en behoedzaam. Telkens bleven zij staan. &rsquo;t Was
+duidelijk dat zij alle hoeken der muren, de portalen der deuren en
+gangen doorzochten.</p>
+<p>&rsquo;t Was&mdash;deze gissing kon niet falen&mdash;een patrouille,
+welke Javert ontmoet en die hij opge&euml;ischt had, hem te
+vergezellen.</p>
+<p>Javerts beide helpers waren bij hem.</p>
+<p>Uithoofde der langzaamheid van hun tred en hun veelvuldig
+stilhouden, hadden zij ongeveer een kwartieruurs noodig om ter plaatse
+te komen, waar Jean Valjean zich bevond. &rsquo;t Was een vreeselijk
+oogenblik. Eenige minuten scheidden Jean Valjean van den schrikbarenden
+afgrond, die zich ten derden male voor hem opende. En het bagno was nu
+niet alleen het bagno, maar het was het verlies van Cosette, voor
+altijd; dat is, een leven als in een graf. &Eacute;&eacute;n ding was
+nog slechts mogelijk.</p>
+<p>Jean Valjean had dit bijzondere, dat men van hem kon zeggen, dat hij
+twee zakken droeg, in den eenen had hij de gedachten van een heilige,
+in den anderen de geduchte talenten van een tuchteling. Al naar de
+omstandigheid was, tastte hij in den eenen of in den anderen.</p>
+<p>Ten gevolge zijner talrijke pogingen ter ontvluchting uit het bagno
+te Toulon, was hij, onder andere, zooals men zich herinnert, een
+volleerd meester in de ongelooflijke kunst, om zonder ladder, zonder
+haken, alleen door spierkracht, door de inspanning van nek, schouders,
+heupen en knie&euml;n, en door hier en daar de ruwe steenen tot
+steunpunt te nemen, desnoods tot een zesde verdieping langs twee muren,
+die een hoek vormden, op te klimmen; een kunst, die den hoek der
+binnenplaats van de Conciergerie te Parijs zoo berucht heeft gemaakt,
+door de ontvluchting van den veroordeelde Battemolle, nu twintig jaren
+geleden.</p>
+<p>Jean Valjean mat den muur, waarboven hij den lindeboom <span class=
+"pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span>zag,
+met zijn oogen. Deze was ongeveer achttien voet hoog. De hoek, dien hij
+met den gevel van het groote gebouw vormde, was van onder, in den vorm
+van een driehoek, dicht gemetseld, waarschijnlijk om dien hoek voor de
+onreinheden van sommige voorbijgangers te beveiligen. Deze voorzorg, om
+de hoeken dicht te metselen, is zeer algemeen in Parijs.</p>
+<p>Dat metselwerk was bijna vijf voet hoog; om nu van die hoogte op den
+muur te komen moest men nog ongeveer veertien voet hooger klimmen.</p>
+<p>Op den muur lagen platte steenen zonder uitstekende randen.</p>
+<p>De zwarigheid was Cosette; want zij kon geen muur beklimmen. Haar te
+verlaten? Hieraan dacht Jean Valjean niet. Haar mee te nemen was
+onmogelijk. Een man heeft al zijn kracht noodig om zulk een
+buitengewone opstijging te volbrengen. De geringste last zou hem zijn
+zwaartepunt doen verliezen en ternederstorten.</p>
+<p>Hij had een touw noodig. Jean Valjean had er geen. Waar, te
+middernacht, in de straat Polonceau, een touw te vinden? Had Jean
+Valjean een koninkrijk gehad, hij zou het op dat oogenblik voor een
+touw hebben gegeven.</p>
+<p>In alle uiterste omstandigheden zijn het bliksems, die ons &ograve;f
+verblinden &ograve;f verlichten.</p>
+<p>De wanhopende blik van Jean Valjean zag den paal der straatlantaarn
+in het slop Genrot. In dien tijd waren er geen gasbranders in de
+straten van Parijs. Zoodra de donker viel ontstak men, op zekere
+afstanden geplaatste, lantaarns, die, door middel van een touw, dat van
+den eenen naar den anderen kant over de straat was gespannen, en in de
+gleuf van een paal hing, op en neer werden gelaten. De schijf, om welke
+het touw liep, bevond zich onder de lantaarn in een klein ijzeren
+kastje, waarvan de lantaarnopsteker den sleutel had, terwijl het touw
+zelf door een ijzeren koker beschermd werd.</p>
+<p>Met de geestkracht van een strijd op dood en leven sprong Valjean
+over de straat, liep het slop in, brak het slot van &rsquo;t kastje met
+de punt van zijn mes open, en een oogenblik later was hij weder bij
+Cosette. Hij had een touw. Zij die, tegen het noodlot worstelend, naar
+hulpmiddelen zoeken, handelen snel.</p>
+<p>Wij hebben reeds gezegd, waarom de lantaarns dien nacht niet
+ontstoken waren. De lantaarn in de blinde steeg Genrot brandde mitsdien
+evenmin als de andere, en men kon er voorbij gaan zonder op te merken,
+dat zij niet als gewoonlijk hing.</p>
+<p>Het nachtelijk uur, de duisternis, de onrust van Jean Valjean, zijn
+zonderlinge bewegingen, zijn heen- en weer gaan, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span>dit
+alles begon Cosette te beangstigen. Een ander kind zou reeds lang
+geschreeuwd hebben. Zij trok Jean Valjean slechts bij den slip van zijn
+jas. Men hoorde steeds duidelijker het gerucht der naderende
+patrouille.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben bang, vader,&rdquo; zeide zij zacht. &bdquo;Wat komt
+daar?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Stil!&rdquo; antwoordde de ongelukkige man, &bdquo;&rsquo;t
+is vrouw Th&eacute;nardier.&rdquo;</p>
+<p>Cosette schrikte. Hij hernam:</p>
+<p>&bdquo;Wees stil. Laat mij begaan. Zoo ge schreeuwt, zoo ge weent
+zal vrouw Th&eacute;nardier &rsquo;t hooren. Zij komt om u te
+halen.&rdquo;</p>
+<p>Toen, zonder overijling en met volkomen juistheid en zekerheid, die
+te opmerkelijker waren in een oogenblik dat de patrouille en Javert
+ieder oogenblik konden komen, ontdeed hij zich van zijn das, bond dien
+Cosette onder de armen, en wel zoodanig dat hij &rsquo;t kind niet kon
+bezeeren, maakte aan den das een eind van het touw vast met een
+zoogenaamden weversknoop, nam het andere einde tusschen de tanden, trok
+zijn kousen en schoenen uit, welke hij over den muur wierp, klom op het
+metselwerk in den hoek, en schoof zich toen langs den hoek die de beide
+muren vormden met evenveel zekerheid en vastheid naar boven, alsof hij
+sporten onder de voeten en ellebogen had gehad. Binnen een halve minuut
+was hij boven op den muur op zijn knie&euml;n.</p>
+<p>Cosette zag verstomd tot hem op, zonder een woord te zeggen. Jean
+Valjeans vermaning en de naam van vrouw Th&eacute;nardier hadden haar
+doen verstommen.</p>
+<p>Eensklaps hoorde zij de stem van Jean Valjean, die haar zacht
+toeriep:</p>
+<p>&bdquo;Ga tegen den muur staan.&rdquo;</p>
+<p>Zij gehoorzaamde.</p>
+<p>&bdquo;Spreek geen woord en wees niet bang,&rdquo; hernam Jean
+Valjean.</p>
+<p>Toen voelde zij zich van den grond opheffen.</p>
+<p>V&oacute;&oacute;r zij den tijd had tot bezinning te komen, was zij
+op den muur.</p>
+<p>Jean Valjean vatte haar, nam haar op zijn rug, hield haar handjes in
+zijn linkerhand, legde zich plat op den buik en kroop over den muur tot
+aan de deur, waar, zooals hij vermoed had, een gebouw stond, welks dak,
+ter hoogte van het planken beschot, zeer laag bij den grond, met een
+zachte glooiing en langs den lindeboom afliep.</p>
+<p>&rsquo;t Was een gelukkige omstandigheid, want aan die zijde was de
+muur veel hooger dan aan de straat.</p>
+<p>Jean Valjean ontdekte den grond eerst zeer diep onder hem. Hij was
+op het schuine dak gekomen en had den rand van den muur nog niet
+losgelaten, toen een luid gerucht de komst <span class=
+"pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name="pb167">167</a>]</span>der
+patrouille aankondigde. Men hoorde Javerts donderende stem roepen:</p>
+<p>&bdquo;Doorzoekt het slop! De straat Droit-Mur is bewaakt, de kleine
+Picpus-straat insgelijks. Ik sta er voor in, dat hij in &rsquo;t slop
+is.&rdquo;</p>
+<p>De soldaten stormden het slop Genrot in.</p>
+<p>Jean Valjean liet zich langs het dak glijden, Cosette steeds
+vasthoudende; hij bereikte den lindeboom en sprong naar beneden.
+Cosette was, hetzij uit angst of uit moed, doodstil geweest. Haar
+handjes waren een weinig geschaafd.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Begin van een raadsel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Jean Valjean bevond zich in een soort van zeer grooten
+tuin, die een zonderling aanzien had; een dier sombere tuinen, welke
+bestemd schijnen, om alleen des winters en bij den nacht gezien te
+worden. Deze tuin had een langwerpige oppervlakte, met een rij hooge
+populieren aan het einde, tamelijk hooge heesters in de hoeken en een
+schaduwlooze ruimte in het midden, waar men een enkelen zeer grooten
+boom, eenige kromme, lage vruchtboomen, moesbedden, een meloenenbed,
+welks klokken in den maneschijn blonken, en een ouden waterput zag.
+Hier en daar stonden steenen banken, die met mos waren bedekt. De paden
+waren met kleine, donkere struiken afgezet. De helft der paden was met
+gras begroeid, het overige was met groen-schimmel bedekt.</p>
+<p>Naast zich zag Jean Valjean het gebouw, langs welks dak hij naar
+beneden was gekomen, een hoop takkebossen, en achter de takkebossen,
+dicht tegen den muur, een steenen beeld, welks geschonden gezicht nog
+slechts een vormloos masker vertoonde, dat in de duisternis onduidelijk
+te voorschijn kwam.</p>
+<p>Dit gebouw was een soort van ru&iuml;ne, waarin men vervallen kamers
+onderscheidde, van welke eene tot schuur of bergplaats scheen te
+dienen.</p>
+<p>Het groote gebouw der straat Droit-Mur, dat in de kleine
+Picpus-straat uitkwam, had in den tuin twee gevels, die een rechten
+hoek vormden. Deze achtergevels waren nog ellendiger dan de
+buitengevel. Al de vensters waren met tralies. Men zag er volstrekt
+geen licht. Voor de vensters der bovenverdiepingen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name=
+"pb168">168</a>]</span>waren koekoeken, als aan de gevangenissen. De
+eene dier gevels wierp zijn schaduw op den anderen, die op den tuin
+terugviel als een groot, zwart laken.</p>
+<p>Men zag geen andere huizen. De achtergrond van den tuin verloor zich
+in nevel en duisternis. Men onderscheidde echter onduidelijk muren, als
+van andere tuinen, en de lage daken der straat Polonceau.</p>
+<p>Men kon zich niets somberder en eenzamer voorstellen dan dezen tuin.
+Er was niemand, &rsquo;t geen in dit uur niet vreemd was; maar de
+plaats zag er uit, alsof er nooit iemand kwam, zelfs niet op
+klaarlichten dag.</p>
+<p>De eerste zorg van Jean Valjean was geweest zijn schoenen te zoeken
+en ze weder aan te trekken, en vervolgens met Cosette in de bergplaats
+te gaan. Een vluchteling acht zich nooit genoeg verborgen. Het kind
+dacht nog altijd aan vrouw Th&eacute;nardier, en deelde dus in Jean
+Valjeans zucht om zich zoo goed mogelijk te verschuilen.</p>
+<p>Cosette beefde en drong zich tegen hem aan. Men hoorde het gerucht
+der patrouille, die het slop en de straat doorzocht, het stooten der
+kolven op de straatsteenen, het geroep van Javert tot zijne op wacht
+gestelde lieden, en zijn vervloekingen, vermengd met woorden, welke men
+niet verstaan kon.</p>
+<p>Na een kwartieruurs scheen dit onweder allengs af te trekken. Jean
+Valjean hield zijn adem in.</p>
+<p>Zacht had hij zijn hand op den mond van Cosette gelegd.</p>
+<p>De eenzaamheid, waarin hij zich bevond, was overigens zoo zonderling
+rustig, dat dit vreeselijke rumoer, zoo heftig en zoo nabij, er niet de
+minste stoornis bracht. Het scheen alsof deze muren gebouwd waren met
+de doove steenen, waarvan de bijbel spreekt.</p>
+<p>Eensklaps, te midden dier diepe stilte, ontstond een nieuw geluid;
+een hemelsch, goddelijk, onbeschrijfelijk geluid, even verrukkelijk als
+het andere gruwelijk geweest was. &rsquo;t Was een gezang, dat uit de
+duisternis kwam, een verheven harmonisch gebed, in de schaduw en de
+vreeselijke stilte van den nacht; een gezang van vrouwenstemmen, die
+den reinen klank der maagden en den natuurlijken toon der kinderen
+hadden, stemmen, welke niet tot de aarde behooren, maar aan die
+gelijken, welke de pasgeborenen nog in de ooren klinken en de
+stervenden reeds beginnen te vernemen. Dit gezang kwam uit het sombere
+gebouw, &rsquo;t welk aan den tuin uitkwam. Juist toen het leven der
+duivelen verdween, scheen een engelenkoor in de schaduw te naderen.</p>
+<p>Cosette en Jean Valjean knielden.</p>
+<p>Zij wisten niet wat het was, zij wisten evenmin waar zij
+<span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name=
+"pb169">169</a>]</span>waren; maar beiden, de man en het kind, de
+boeteling en de onschuldige, gevoelden dat zij moesten knielen.</p>
+<p>Het zonderlinge was, dat, in weerwil dezer stemmen, het gebouw
+eenzaam scheen. &rsquo;t Was als een bovennatuurlijk gezang in een
+onbewoond huis.</p>
+<p>Terwijl deze stemmen zongen, dacht Jean Valjean aan niets meer. Hij
+zag geen nacht meer, maar een blauwen hemel. &rsquo;t Was hem, alsof
+die vleugels zich uitbreidden, welke wij allen in ons hebben.</p>
+<p>Het gezang zweeg. Jean Valjean had niet kunnen zeggen, of het lang
+geduurd had. De uren van verrukking duren immer slechts
+&eacute;&eacute;n minuut.</p>
+<p>Alles was weder stil geworden. Men hoorde niets meer in de straat,
+niets meer in den tuin. Zoowel wat hem bedreigde als wat hem
+geruststelde was verdwenen. De wind bewoog het dorre gras op den muur,
+dat een zacht, treurig geritsel voortbracht.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Vervolg van het raadsel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De nachtwind verhief zich, &rsquo;t geen aanduidde,
+dat het tusschen &eacute;&eacute;n en twee uren des nachts was. De arme
+Cosette zeide niets. Daar zij naast Jean Valjean zat, met het hoofd
+tegen hem geleund, meende hij dat zij sliep. Hij boog zich en zag haar
+in &rsquo;t gezicht. Cosette had de oogen wijd open en een peinzend
+gelaat, &rsquo;t geen Jean Valjean leed deed.</p>
+<p>Zij beefde nog altijd.</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge slaap?&rdquo; vroeg Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben koud,&rdquo; antwoordde zij.</p>
+<p>Een oogenblik later hernam zij:</p>
+<p>&bdquo;Is zij er nog?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wie?&rdquo; vroeg Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Madame Th&eacute;nardier.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean was reeds vergeten, welk middel hij aangewend had, om
+Cosette stil te doen zijn.</p>
+<p>&bdquo;O,&rdquo; zeide hij, &bdquo;zij is weg. Vrees niet
+meer.&rdquo;</p>
+<p>Het kind zuchtte, alsof een zware last van haar hart was
+genomen.</p>
+<p>De grond was vochtig, de schuur aan alle zijden open, en de
+nachtwind werd met ieder oogenblik kouder. Valjean trok zijn jas uit en
+wikkelde er Cosette in. <span class="pagenum">[<a id="pb170" href=
+"#pb170" name="pb170">170</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Voelt ge u nu minder koud?&rdquo; vroeg hij.</p>
+<p>&bdquo;O, ja, vader.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, wacht mij een oogenblik. Ik kom spoedig terug.&rdquo;</p>
+<p>Hij verliet de schuur en ging langs het groote gebouw, om een betere
+schuilplaats te vinden. Hij vond deuren, maar zij waren gesloten. Voor
+al de benedenvensters waren ijzeren tralies.</p>
+<p>Toen hij voorbij den binnenhoek van het gebouw was, bespeurde hij
+boogvensters en een flauw lichtschijnsel. Hij verhief zich op de teenen
+en schouwde door een dier vensters. Door alle zag men in een zeer ruime
+zaal, die met groote zerken geplaveid en met bogen en pilaars voorzien
+was, en waarin men niets onderscheidde dan een flauw licht en breede
+schaduwen. Het licht kwam van een nachtlampje in een hoek. Deze zaal
+was eenzaam en niets bewoog er zich. Evenwel, na lang staren, meende
+Jean Valjean op den grond, op de zerken iets te zien, dat met een
+lijkkleed overdekt scheen en een menschelijk lichaam geleek. Het lag
+plat op den buik met het gezicht op de steenen, met uitgebreide armen,
+bewegingloos als een doode. Te oordeelen naar iets, dat een slang
+geleek en op den grond lag, zou men gezegd hebben dat deze akelige
+gestalte een touw om den hals had.</p>
+<p>De geheele zaal was vervuld van dat nevelachtige van flauw verlichte
+ruimten, dat het schrikbarende verhoogt.</p>
+<p>Jean Valjean heeft later dikwijls gezegd dat, hoeveel akeligs hem in
+zijn leven ook ontmoet was, hij nimmer iets vreeselijker en
+ijzingwekkender gezien had dan deze raadselachtige gestalte, in dit
+sombere oord en in deze nachtelijke duisternis. Schrikkelijk was de
+onderstelling, dat deze gestalte dood was, maar schrikkelijker nog dat
+zij leefde.</p>
+<p>Hij had den moed zijn gezicht tegen de glasruiten te drukken en te
+bespieden of &rsquo;t geen hij zag zich bewegen zou. Hoewel hij, naar
+zijn meening, een geruime poos gewacht had, bewoog de op den grond
+liggende gestalte zich niet. Eensklaps voelde hij zich door een
+onuitsprekelijken schrik aangegrepen en hij vluchtte naar de schuur,
+zonder te durven omzien. &rsquo;t Scheen hem dat, zoo hij &rsquo;t
+hoofd omwendde, hij de gestalte met snelle schreden en de armen
+bewegende achter zich zou zien.</p>
+<p>Hijgend kwam hij aan de schuur. Zijn knie&euml;n knikten; &rsquo;t
+zweet brak hem van alle kanten uit.</p>
+<p>Waar was hij? Wie had zich ooit iets kunnen verbeelden, als dit
+soort van graf, te midden van Parijs? Wat was dit zonderlinge huis? dit
+gebouw vol nachtelijke verborgenheden, dat in de schaduw de zielen met
+engelenstemmen riep, en wanneer zij kwamen haar plotseling zulk een
+schrikbarend <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name=
+"pb171">171</a>]</span>visioen vertoonde, haar de schitterende poorten
+des hemels beloofde te openen, maar de vreeselijke poort van het graf
+ontsloot. &rsquo;t Was wel degelijk een gebouw, een huis aan de straat
+met een nummer! &rsquo;t Was geen droombeeld! Hij moest de steenen
+betasten, om het te kunnen gelooven.</p>
+<p>De koude, de angst, de ongerustheid, de vele aandoeningen van dien
+avond hadden hem koortsig gemaakt, en zijn gedachten vlogen verward
+door zijn hoofd.</p>
+<p>Hij ging naar Cosette. Zij sliep.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het raadsel wordt duisterder.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het kind had haar hoofdje op een steen gelegd en was
+in slaap gevallen.</p>
+<p>Valjean zette zich aan haar zijde en aanschouwde haar. Allengs, en
+hoe langer hij haar aanzag, werd hij rustiger en herkreeg zijn
+tegenwoordigheid van geest.</p>
+<p>Duidelijk erkende hij deze waarheid, den grondslag van zijn
+toekomstig leven, dat zoolang zij er zou zijn en hij haar bij zich zou
+hebben, hij niets noodig had dan alleen voor haar, noch iets vreesde
+dan alleen om harentwille. Hij voelde zelfs niet dat hij zeer koud was,
+wijl hij zijn jas had uitgetrokken om er haar mede te dekken.</p>
+<p>Hij hoorde intusschen, door zijn mijmering heen, sedert eenigen tijd
+een zonderling geluid. &rsquo;t Was als een schel, die van plaats
+verandert. Het klonk in den tuin. Men hoorde het duidelijk, hoewel
+flauw. Het geleek den zachten klank der bellen van koeien, die &rsquo;s
+nachts in de weide zijn.</p>
+<p>Jean Valjean keerde zich om naar dat gerucht; hij zag dat iemand in
+den tuin was.</p>
+<p>&rsquo;t Scheen een man te zijn, die over het meloenbed tusschen de
+klokken ging, nu bukkende, dan zich oprichtende, dan weder stilstaande,
+met regelmatige bewegingen, alsof hij iets over den grond sleepte of
+uitlegde. De man scheen te hinken.</p>
+<p>Jean Valjean schrikte met eene siddering, die ongelukkigen steeds
+eigen is. Alles is hun vijandig en verdacht. Zij mistrouwen den dag,
+omdat die hen in &rsquo;t licht stelt, en den nacht, omdat die
+behulpzaam is hen te verrassen. Straks huiverde hij, omdat de tuin
+eenzaam was; nu sidderde hij, omdat er iemand was. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb172" href="#pb172" name="pb172">172</a>]</span></p>
+<p>Van een hersenschimmigen angst verviel hij in een wezenlijken. Hij
+vreesde, dat Javert en de verspieders zich misschien niet verwijderd
+hadden, dat zij waarschijnlijk lieden in de straat ter bewaking hadden
+achtergelaten, dat, zoo deze man hem nu in den tuin ontdekte, hij zeker
+hulp zou roepen en hem overleveren. Behoedzaam nam hij de slapende
+Cosette in zijn armen en droeg haar achter een hoop oud huisraad in den
+versten hoek der schuur. Cosette verroerde zich niet.</p>
+<p>Van d&aacute;&aacute;r sloeg hij de bewegingen van den persoon gade,
+die op het meloenbed was. Zonderling was het, dat de klank der schel al
+de bewegingen van dien man volgde. Kwam de man nader, dan naderde ook
+het geluid; verwijderde hij zich, dan verwijderde zich ook &rsquo;t
+geluid; &rsquo;t geluid verzelde regelmatig zijn bewegingen; hield hij
+stil, dan zweeg ook het geluid. &rsquo;t Scheen duidelijk, dat de schel
+aan den man bevestigd was, maar wat kon dit beteekenen? Wie was deze
+man, die een bel droeg als een ram of os?</p>
+<p>Terwijl hij zich deze vragen deed, raakte hij Cosettes handen aan.
+Zij waren ijskoud.</p>
+<p>&bdquo;Mijn God!&rdquo; zuchtte hij. Hij riep zacht:
+&bdquo;Cosette!&rdquo;</p>
+<p>Zij opende de oogen niet.</p>
+<p>Hij schudde haar.</p>
+<p>Zij ontwaakte niet.</p>
+<p>&bdquo;Zou zij dood zijn!&rdquo; zeide hij, en richtte zich op, van
+&rsquo;t hoofd tot de voeten bevende.</p>
+<p>De vreeselijkste gedachten dwarlden verward door zijn geest. Er zijn
+oogenblikken, waarin afgrijselijke gissingen ons als een drom
+furi&euml;n bestormen en met geweld in onze hersens breken. Onze
+bezorgdheid bedenkt allerlei dwaasheden, wanneer het hen betreft, welke
+wij beminnen. Hij herinnerde zich, dat de slaap in een kouden nacht,
+onder den blooten hemel, doodelijk kan zijn.</p>
+<p>Cosette lag bleek, bewegingloos op den grond, aan zijn voeten.</p>
+<p>Hij luisterde naar haar ademhaling; zij ademde; maar, naar hij
+meende, flauw en op &rsquo;t punt van te bezwijken.</p>
+<p>Hoe haar te verwarmen? Hoe haar te wekken?</p>
+<p>Hij dacht op dit oogenblik aan niets dan aan dit. Geheel ontsteld
+ijlde hij uit de schuur.</p>
+<p>Binnen een kwartier moest Cosette tot elken prijs bij een vuur en te
+bed zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" name=
+"pb173">173</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De man met de schel.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Valjean ging rechtstreeks op den man af, dien hij in
+den tuin zag. Hij had de rol geld in de hand genomen, welke in zijn zak
+was.</p>
+<p>De man boog het hoofd en zag hem niet naderen. Met een paar schreden
+was Jean Valjean bij hem en riep hem toe:</p>
+<p>&bdquo;Honderd francs!&rdquo;</p>
+<p>De man rilde van schrik en zag op.</p>
+<p>&bdquo;Honderd francs,&rdquo; hernam Jean Valjean, &bdquo;zoo ge mij
+voor dezen nacht huisvesting geeft.&rdquo;</p>
+<p>De maan verlichtte Valjeans ontsteld gelaat.</p>
+<p>&bdquo;Mijn Hemel! zijt gij &rsquo;t, mijnheer Madeleine?&rdquo; zei
+de man.</p>
+<p>Bij dezen naam, aldus, in dit nachtelijk uur, op deze onbekende
+plek, door dezen onbekenden man uitgesproken, deinsde Jean Valjean
+terug. Hij was op alles voorbereid geweest behalve hierop. Hij, die tot
+hem sprak, was een gebogen en kreupel grijsaard, genoegzaam als een
+boer gekleed, dragende aan het linkerbeen een lederen kniestuk, waaraan
+een tamelijk groote bel hing. Zijn gezicht, dat in de schaduw was, kon
+men niet onderscheiden.</p>
+<p>De man had intusschen zijn pet afgenomen en riep bevend:</p>
+<p>&bdquo;Ach mijn God! hoe komt gij hier, vader Madeleine! hoe zijt ge
+hier binnengekomen, lieve Jezus! Ge zijt uit den hemel gevallen! Ja
+waarlijk, zoo ge ooit valt, zult ge uit den hemel moeten vallen. Hoe
+ziet ge er uit! Ge hebt geen das, noch hoed, noch jas! Weet ge wel, dat
+ge iemand, die u niet kende, zoudt verschrikt hebben? Geen jas! Heere
+God! worden de heiligen tegenwoordig krankzinnig? Maar hoe zijt ge toch
+hier gekomen?&rdquo;</p>
+<p>Zonder op antwoord te wachten, sprak de oude man met een
+ongekunstelde rederijkheid, waarin niets verontrustends lag. Onder
+&rsquo;t spreken toonde hij de grootste verbazing en de na&iuml;efste
+goedhartigheid.</p>
+<p>&bdquo;Wie zijt gij? en wat is dit huis?&rdquo; vroeg Jean
+Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Wel drommels, hoe is &rsquo;t mogelijk!&rdquo; riep de
+grijsaard; &bdquo;ik ben immers degeen dien ge hier geplaatst hebt, en
+dit huis is dat waarin ge mij een plaats bezorgd hebt. Hoe? herkent ge
+mij niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zei Jean Valjean. &bdquo;Maar van waar kent ge
+mij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt mij het leven gered,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>Hij keerde zich om, het maanlicht bescheen zijn gelaat, en Jean
+Valjean herkende den ouden Fauchelevent. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb174" href="#pb174" name="pb174">174</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ha!&rdquo; zei Jean Valjean, &bdquo;zijt gij &rsquo;t? ja, nu
+herken ik u.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is wel gelukkig,&rdquo; zei de oude man op
+verwijtenden toon.</p>
+<p>&bdquo;En wat doet ge hier?&rdquo; hernam Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Wel, ik dek mijn meloenen.&rdquo;</p>
+<p>De oude Fauchelevent had werkelijk, toen Jean Valjean hem aansprak,
+het eind van een stroomat in de hand, welke hij bezig was over het
+meloenbed te spreiden. Hij had er reeds, sedert een uur, dat hij in den
+tuin was, meerdere op het bed gelegd.</p>
+<p>&rsquo;t Waren de eigenaardige bewegingen van dien arbeid, welke
+Jean Valjean van uit de schuur had opgemerkt.</p>
+<p>De tuinman vervolgde:</p>
+<p>&bdquo;Ik dacht: de maan is helder, &rsquo;t zal vriezen. Ik zal
+mijn meloenen hun jas aandoen. En,&rdquo; voegde hij er luid lachend
+bij, &bdquo;gij hadt dit waarlijk ook wel mogen doen! Maar hoe komt ge
+toch hier?&rdquo;</p>
+<p>Daar Jean Valjean ontdekte, dat deze man hem kende, althans onder
+den naam van Madeleine, meende hij zooveel te voorzichtiger te moeten
+zijn. Hij deed een menigte vragen, en, zonderling, nu schenen de rollen
+omgekeerd: hij, de indringer, was &rsquo;t die vroeg:</p>
+<p>&bdquo;En wat beteekent de schel, die ge aan de knie
+hebt?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De schel,&rdquo; antwoordde Fauchelevent, &bdquo;dient opdat
+men mij uit den weg ga.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe! opdat men u uit den weg ga?&rdquo;</p>
+<p>De oude Fauchelevent knipoogde op een onbeschrijfelijke wijze.</p>
+<p>&bdquo;Te drommel!&rdquo; zeide hij, &bdquo;in dit huis zijn niet
+anders dan vrouwen; veel jonge meisjes. &rsquo;t Schijnt gevaarlijk te
+zijn, dat ze mij zien. De schel waarschuwt haar. Als ik kom, gaan zij
+heen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat is dit voor een huis?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kom, dat weet ge immers wel?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik weet het niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En ge hebt er mij als tuinier doen plaatsen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Antwoord mij, alsof ik niets weet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welnu, &rsquo;t is het klooster van Petit-Picpus.&rdquo;</p>
+<p>Nu begon Jean Valjean zich te herinneren. Het toeval, dat wil zeggen
+de Voorzienigheid, had hem juist in dit klooster van de wijk St.
+Antoine gevoerd, waar de oude Fauchelevent, toen hij door &rsquo;t
+omvallen van zijn kar, voor twee jaren, kreupel was geworden, op zijn
+aanbeveling geplaatst was. Hij herhaalde, als tot zich zelven
+sprekende:</p>
+<p>&bdquo;Het klooster van Petit-Picpus!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar spreek,&rdquo; hernam Fauchelevent, &bdquo;hoe drommels
+is &rsquo;t u gelukt hier binnen te komen? Vader Madeleine, ge moogt
+een heilige zijn, maar ge zijt ook een man, en hier mogen geen mannen
+komen.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name=
+"pb175">175</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;En gij zijt er!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben de eenige man.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik moet hier echter blijven,&rdquo; hernam Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;Ach, mijn God!&rdquo; riep Fauchelevent.</p>
+<p>Jean Valjean naderde den grijsaard en zeide hem met ernstige
+stem:</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauchelevent, ik heb u &rsquo;t leven gered.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb hier eerder aan gedacht dan gij,&rdquo; antwoordde
+Fauchelevent.</p>
+<p>&bdquo;Welnu, thans kunt ge voor mij doen, wat ik vroeger voor u
+deed.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent nam de forsche handen van Valjean in zijn oude,
+gerimpelde en bevende handen, en scheen eenige oogenblikken niet te
+kunnen spreken. Eindelijk riep hij:</p>
+<p>&bdquo;O! &rsquo;t zou een zegen van den goeden God zijn, zoo ik u
+dit eenigszins vergelden kon; ik uw leven redden! mijnheer de maire,
+beschik over mij, ouden man.&rdquo;</p>
+<p>Een wonderbare blijdschap had den grijsaard als omgekeerd. Zijn
+gelaat scheen te schitteren.</p>
+<p>&bdquo;Wat wilt ge dat ik doen zal?&rdquo; vroeg hij.</p>
+<p>&bdquo;Ik zal &rsquo;t u zeggen. Hebt ge een kamer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb ginds, achter de bouwvallen van het oude klooster, in
+een hoek, dien niemand ziet, een afzonderlijke woning met drie
+kamers.&rdquo;</p>
+<p>Dit gebouwtje was inderdaad zoo goed achter den bouwval verborgen,
+en zoo geplaatst dat niemand het zien kon, zoodat ook Jean Valjean het
+niet had gezien.</p>
+<p>&bdquo;Goed,&rdquo; zei Jean Valjean. &bdquo;Nu heb ik u nog twee
+dingen te verzoeken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, mijnheer de maire?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vooreerst, dat ge aan niemand zegt wat ge van mij weet. Ten
+tweede, dat ge niet meer van mij tracht uit te vorschen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zooals ge wilt. Ik weet dat ge niets kunt doen wat slecht is,
+en dat ge altijd een goed mensch zijt geweest. Bovendien hebt gij mij
+immers hier bezorgd. &rsquo;t Is uw zaak. Ik ben tot uw
+dienst.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Afgedaan. Volg mij nu. Wij willen het kind halen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo!&rdquo; zei Fauchelevent. &bdquo;Hebt ge een
+kind?&rdquo;</p>
+<p>Hij voegde er geen woord bij en volgde Jean Valjean gelijk een hond
+zijn meester.</p>
+<p>Binnen een half uur sliep Cosette, die bij een goed vuur haar blos
+had herkregen, in het bed van den ouden tuinier. Jean Valjean had zijn
+das omgedaan en zijn jas aangetrokken; ook de over den muur geworpen
+hoed was wedergevonden en opgeraapt. Terwijl Jean Valjean zijn jas
+aantrok, had Fauchelevent <span class="pagenum">[<a id="pb176" href=
+"#pb176" name="pb176">176</a>]</span>zich van zijn kniestuk met de
+schel bevrijd, dat nu aan een spijker, naast een mand, den muur
+versierde. Beide mannen warmden zich, met hun ellebogen op de tafel
+rustende, waarop Fauchelevent een stuk kaas, brood, een flesch wijn en
+twee glazen had geplaatst, waarop de oude man zijn hand op de knie van
+Valjean leggende, tot dezen zeide:</p>
+<p>&bdquo;O vader Madeleine, ge hebt mij niet dadelijk herkend; ge redt
+het leven der menschen en vergeet hen? Dat is niet mooi! Maar zij
+vergeten u niet! Ge zijt een ondankbare!&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Waarin verhaald wordt hoe Javert niets ontdekt.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De gebeurtenissen, waarvan wij, om zoo te spreken, de
+rugzijde hebben gezien, hadden zich op de eenvoudigste wijze
+toegedragen.</p>
+<p>Toen Jean Valjean&mdash;in denzelfden nacht dat Javert hem bij het
+sterfbed van Fantine in hechtenis nam&mdash;uit de stadsgevangenis van
+M. sur M. vluchtte, vermoedde de politie, dat de vluchteling naar
+Parijs zou zijn gegaan. Parijs is een maalstroom, waarin alles verloren
+gaat; alles verdwijnt in deze draaikolk der wereld, gelijk in de
+draaikolk der zee. Geen bosch verbergt iemand zoo goed, als deze van
+menschen wemelende stad. Dit weten vluchtelingen van allerlei soort.
+Zij gaan naar Parijs om daar te verdwijnen, want er zijn verdwijningen,
+die redden. Dit weet de politie ook en daarom zoekt zij te Parijs, wat
+zij elders verloren heeft. Zij zocht er den maire van M. sur M. Javert
+werd naar Parijs ontboden om er de opsporing te besturen. Javert hielp
+inderdaad krachtdadig om Valjean te vatten. Javerts ijver en
+schranderheid werden bij deze gelegenheid door den heer Chabouillet,
+secretaris der prefectuur onder den graaf Angl&egrave;s, opgemerkt.
+Chabouillet, die Javert trouwens reeds vroeger beschermd had, plaatste
+den inspecteur van politie van M. sur M. bij de politie te Parijs.
+D&aacute;&aacute;r maakte Javert zich op verschillende, en, wij moeten
+zeggen, hoewel het woord voor dergelijke zaken ongepast schijnt, op
+eervolle wijze verdienstelijk.</p>
+<p>Hij dacht niet meer aan Jean Valjean&mdash;de honden, die altijd ter
+jacht gaan, vergeten den wolf van gisteren voor dien van
+heden&mdash;toen hij in December 1823 een courant las, schoon hij zich
+anders niet met couranten ophield; maar <span class="pagenum">[<a id=
+"pb177" href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span>Javert, een
+koningsgezinde, had de bijzonderheden willen weten van den
+zegevierenden intocht van den prins-generalissimus te Bayonne. Toen hij
+het artikel, waarin hij belang stelde, gelezen had, trok een naam, de
+naam van Jean Valjean, onder aan een bladzijde, zijn aandacht. Het blad
+berichtte, dat de tuchteling Jean Valjean gestorven was en wel in zulke
+bepaalde woorden, dat Javert er niet aan twijfelde. Hij sprak bij zich
+zelven: &bdquo;Ja, de dood is de beste keten!&rdquo; Toen wierp hij het
+blad ter zijde en dacht niet meer aan de zaak.</p>
+<p>Eenigen tijd later werd door de prefectuur van het departement Seine
+en Oise aan de prefectuur van politie te Parijs een nota gezonden,
+betreffende de ontvoering van een kind, welke ontvoering, zoo men
+zeide, onder bijzondere omstandigheden in de gemeente Montfermeil had
+plaats gehad. Een zeven- of achtjarig meisje, zeide de nota, door haar
+moeder aan een herbergier in de gemeente toevertrouwd, was door een
+vreemdeling gestolen; het meisje heette Cosette en was het kind van een
+vrouw, Fantine genaamd, die, men wist niet wanneer of waar, in een
+hospitaal overleden was. Deze nota kwam onder de oogen van Javert en
+maakte hem nadenkend.</p>
+<p>De naam Fantine was hem bekend. Hij herinnerde zich, dat Jean
+Valjean hem luide had doen lachen, toen hij drie dagen uitstel verzocht
+om het kind van dat schepsel te gaan halen. Hij herinnerde zich, dat
+Jean Valjean te Parijs aangehouden was, juist toen hij in den wagen
+naar Montfermeil steeg. Eenige aanwijzingen hadden hem zelfs toen reeds
+doen vermoeden, dat Valjean ten tweeden male in dat rijtuig plaats
+genomen en bereids den vorigen dag in de omstreken van dat dorp was
+geweest, want in het dorp zelf had men hem niet gezien. Wat hij in de
+omstreken van Montfermeil had gedaan, had men niet kunnen begrijpen. Nu
+begreep Javert het. Fantines dochtertje bevond er zich, en Jean Valjean
+ging het halen. Nu was dit kind door een onbekende gestolen? Wie kon
+deze onbekende zijn? Kon het Jean Valjean wezen? maar Jean Valjean was
+dood.&mdash;Javert nam, zonder iemand iets te zeggen, plaats in
+&rsquo;t rijtuig van &bdquo;le Plat d&rsquo;&eacute;tain&rdquo; in het
+slop van la Planchette en reed naar Montfermeil.</p>
+<p>Hij verwachtte er licht te vinden, en vond er duisternis.</p>
+<p>In de eerste dagen hadden de Th&eacute;nardier&rsquo;s in hun wrevel
+veel gebabbeld. De verdwijning van de Leeuwerik had opzien in &rsquo;t
+dorp verwekt. Onverwijld kwamen er verschillende lezingen van de zaak
+in omloop, dat deze eindelijk een kinderroof werd. Hiervan was een nota
+aan de politie het gevolg. Evenwel had Th&eacute;nardier, met zijn
+bewonderenswaardig instinct, toen zijn kwade luim verdwenen was,
+spoedig begrepen, dat <span class="pagenum">[<a id="pb178" href=
+"#pb178" name="pb178">178</a>]</span>het nooit goed is mijnheer den
+procureur des konings in beweging te brengen, en dat zijn klachten ter
+zake van Cosettes &bdquo;ontvoering&rdquo; vooreerst het gevolg zouden
+hebben op hem, Th&eacute;nardier, en op vele duistere zaken, hem
+betreffende, het scherpe oog der justitie te trekken.
+V&oacute;&oacute;r alles willen de uilen niet, dat men hen in &rsquo;t
+licht brenge. En hoe zou hij &rsquo;t maken met de vijftienhonderd
+francs, die hij ontvangen had? Hij sloeg spoedig een anderen weg in,
+legde zijn vrouw het zwijgen op en toonde zich verwonderd, zoo men hem
+van het &bdquo;gestolen&rdquo; kind sprak. Hij begreep er niets van;
+&rsquo;t is waar, aanvankelijk had hij zich beklaagd, dat men hem
+&bdquo;de lieve kleine&rdquo; zoo spoedig &bdquo;ontnomen&rdquo; had,
+welke hij uit liefde nog een paar dagen wilde behouden hebben, maar
+&rsquo;t was haar &bdquo;grootvader,&rdquo; die op de natuurlijkste
+wijs ter wereld gekomen was om haar te halen. Hij sprak van een
+grootvader, omdat dit goed klonk. Toen Javert te Montfermeil kwam,
+vernam hij deze geschiedenis. De grootvader deed Jean Valjean
+verdwijnen.</p>
+<p>Evenwel deed Javert aan Th&eacute;nardier eenige vragen, als om zijn
+geschiedenis te peilen.&mdash;&bdquo;Wie was deze grootvader en hoe
+heette hij?&rdquo;&mdash;Th&eacute;nardier antwoordde onnoozel:
+&bdquo;Een rijk landbouwer. Ik heb zijn pas gezien. Ik geloof, dat hij
+Guillaume Lambert heet.&rdquo;</p>
+<p>Lambert is een fatsoenlijke, geruststellende naam en Javert keerde
+naar Parijs terug.</p>
+<p>&bdquo;Jean Valjean is wel degelijk dood,&rdquo; zeide hij,
+&bdquo;en ik ben een uilskuiken.&rdquo;</p>
+<p>Hij begon deze geheele geschiedenis te vergeten, toen hij in Maart
+1824 van een zonderling persoon hoorde spreken, die in de parochie St.
+M&eacute;dard woonde en die men noemde den &bdquo;bedelaar, die
+aalmoezen geeft.&rdquo; Deze persoon was, zoo men zeide, een rentenier,
+wiens eigenlijken naam niemand kende, en die alleen met een achtjarig
+meisje woonde, dat zelf niets wist dan dat zij van Montfermeil kwam.
+Montfermeil! die naam kwam immer terug en deed Javert het oor spitsen.
+Een oude bedelaar, een stille verklikker, wien deze man aalmoezen gaf,
+voegde er nog eenige bijzonderheden bij.&mdash;De rentenier was zeer
+schuw&mdash;ging slechts &rsquo;s avonds uit&mdash;sprak met
+niemand&mdash;enkele keeren slechts met de armen&mdash;en liet zich
+niet naderen. Hij droeg een oude, leelijke bruine jas, die verscheidene
+millioenen waard moest wezen, wijl hij geheel en al met banknoten
+gevoerd was.&mdash;Dit prikkelde niet weinig Javerts nieuwsgierigheid.
+Ten einde dezen fantastischen rentenier van nabij te zien, zonder hem
+schuw te maken, leende hij op zekeren dag van den bedelaar-verklikker
+diens plunje <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name=
+"pb179">179</a>]</span>en de plaats, waar hij alle avonden gebeden zat
+te prevelen en middelerwijl bespiedde.</p>
+<p>De &bdquo;verdachte&rdquo; naderde werkelijk den verkleeden Javert
+en gaf hem een aalmoes: terzelfder tijd lichtte Javert het hoofd op, en
+Jean Valjean schrikte, daar hij Javert meende te herkennen, terwijl
+Javert niet minder getroffen was, daar hij meende Jean Valjean te
+zien.</p>
+<p>Maar de duisternis had hem kunnen bedriegen; Jean Valjean&rsquo;s
+dood was offici&euml;el, Javert bleef in grooten twijfel, en deze
+nauwgezette man legde, wanneer hij twijfelde, op niemand de hand.</p>
+<p>Hij volgde den man tot aan het huis-Gorbeau, en wist de oude vrouw
+uit te hooren, &rsquo;t geen niet moeilijk was. Zij bevestigde het feit
+van de met <span class="corr" id="xd20e3850" title=
+"Bron: millioene">millioenen</span> gevoerden jas, en verhaalde hem de
+episode van het bankbiljet van duizend francs. Zij had het gezien! Zij
+had het in de handen gehad! Javert huurde een kamer, welke hij
+denzelfden avond betrok. Hij ging aan de deur van den geheimzinnige
+luisteren, in de hoop den klank zijner stem te hooren; maar Jean
+Valjean zag zijn kaars door het sleutelgat en stelde den bespieder
+teleur door te zwijgen.</p>
+<p>Den volgenden dag verliet Jean Valjean het huis. De oude vrouw had
+echter den klank van het vijffrancstuk, dat hij liet vallen, opgemerkt,
+en toen ze geld hoorde rammelen, dacht zij dat men ging verhuizen en
+haastte zich Javert te verwittigen.</p>
+<p>Toen Jean Valjean tegen den avond uitging, wachtte Javert hem met
+twee mannen achter de boomen op den boulevard.</p>
+<p>Javert had aan de prefectuur gewapende hulp gevraagd, maar den naam
+niet genoemd van den persoon, dien hij hoopte te vatten. Dit was zijn
+geheim; &rsquo;t geen hij om drie redenen bewaarde: vooreerst, wijl het
+minste gerucht Jean Valjean opmerkzaam kon maken; ten tweede, wijl het
+vatten van een ouden gevluchten galeislaaf, dien men dood waande, van
+een veroordeelde, wien de gerechtsstukken vroeger onder de
+&bdquo;gevaarlijkste soort van boosdoeners&rdquo; genoemd hadden, een
+schitterende zegepraal zou zijn, welke de oudgedienden der Parijsche
+politie zekerlijk een nieuweling, als Javert, niet zouden gunnen, en
+hij daarom vreesde dat men hem zijn galeislaaf zou ontnemen; eindelijk,
+wijl Javert, als kunstenaar, het onverwachte beminde. Hij haatte die
+vooraf aangekondigde overwinningen, welke haar bekoorlijkheid
+verliezen, zoo er te lang vooraf van gesproken is. Hij bereidde zijn
+meesterstukken liefst in het duister voor, om ze dan plotseling in
+&rsquo;t licht te onthullen. <span class="pagenum">[<a id="pb180" href=
+"#pb180" name="pb180">180</a>]</span></p>
+<p>Javert was Jean Valjean van boom tot boom, van den eenen hoek tot
+den anderen gevolgd, en had hem geen oogenblik uit het oog verloren;
+zelfs in de oogenblikken, dat Jean Valjean zich het meest veilig
+waande, was Javerts oog op hem gevestigd. Waarom vatte Javert Jean
+Valjean niet? Wijl hij van zijn zaak nog niet zeker was.</p>
+<p>Men herinnere zich, dat in dien tijd de politie niet volkomen op
+haar gemak was, de vrije pers hinderde haar. Eenige, door de dagbladen
+publiek gemaakte, willekeurige inhechtenisnemingen hadden zelfs in de
+Kamers weerklank gevonden en de prefectuur angstvallig gemaakt. De
+aanranding der persoonlijke vrijheid was een zwaar vergrijp. De agenten
+vreesden zich te vergissen; de prefect wreekte zich op hen; een
+vergissing wordt door afzetting gevolgd. Men kan zich den indruk
+voorstellen, dien te Parijs dit berichtje, door twintig bladen
+herhaald, gemaakt zou hebben:&mdash;&bdquo;Gisteren is een oud man met
+wit haar, een achtenswaardig rentenier, die met zijn achtjarig
+kleindochtertje wandelde, aangehouden en als ontvlucht tuchteling naar
+het d&eacute;p&ocirc;t der prefectuur overgebracht.&rdquo;&mdash;</p>
+<p>Wij moeten hier bijvoegen, dat Javert persoonlijke bezwaren had; de
+vermaningen van zijn geweten paarden zich bij die van den prefect. Hij
+twijfelde werkelijk.</p>
+<p>Jean Valjean ging met den rug naar hem gekeerd, in de
+duisternis.</p>
+<p>Zijn treurigheid, bekommering, angst, neerslachtigheid, de nieuwe
+ramp, die hem dwong des nachts de vlucht te nemen en op goed geluk af
+in Parijs voor Cosette en zichzelven een onderkomen te zoeken, de
+noodzakelijkheid om zijn tred naar dien van een kind te regelen, dit
+alles had, zelfs zonder dat hij er zich van bewust was, Jean Valjeans
+gang veranderd en aan zijn gewone houding iets zoo oudachtigs gegeven,
+dat zelfs de politie, in Javert vertegenwoordigd, zich er in kon
+bedriegen en zich werkelijk bedroog. De onmogelijkheid om hem te dicht
+te naderen, zijn kleeding als van een voormalig onderwijzer, de
+verklaring van Th&eacute;nardier die een grootvader van hem maakte,
+eindelijk het geloof dat hij in &rsquo;t bagno gestorven was,
+vergrootten Javerts twijfel.</p>
+<p>Een oogenblik was hij voornemens hem onverhoeds naar zijn papieren
+te vragen. Maar zoo deze man Valjean niet ware, zoo hij niet een oud,
+eerlijk rentenier ware, was hij waarschijnlijk een schurk, nauwkeurig
+vertrouwd met het donker weefsel der Parijsche misdaden, misschien
+hoofd eener gevaarlijke bende, die aalmoezen gaf om zijn andere
+talenten te verbergen&mdash;een bekend middel. Hij had dan vertrouwden,
+<span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name=
+"pb181">181</a>]</span>medeplichtigen, verschillende verblijven, waar
+hij zich verborg. De kronkelingen en omwegen, die hij in de straten
+maakte, schenen aan te duiden, dat hij geen eenvoudig burger was. Hem
+terstond te vatten zou wezen &bdquo;de hen met gouden eieren
+slachten.&rdquo; Wachten schaadde niet, immers Javert was zeker, dat
+hij hen niet zou ontkomen.</p>
+<p>Zonderling te moede ging hij dus voort, bij zich zelven honderd
+vragen nopens dien raadselachtigen persoon doende.</p>
+<p>&rsquo;t Was reeds tamelijk laat, toen hij bij het heldere licht
+eener herberg in de straat Pontoise Jean Valjean bepaald herkende.</p>
+<p>In de wereld zijn twee wezens die het hevigst sidderen: een moeder
+die haar kind en een tijger die zijn prooi wedervindt. Javert gevoelde
+deze hevige siddering.</p>
+<p>Zoodra hij Jean Valjean, den gevreesden tuchteling, stellig herkend
+had, bedacht hij, dat hij slechts twee mannen bij zich had; hij liet
+dus bij den <span class="corr" id="xd20e3883" title=
+"Bron: commisaris">commissaris</span> in de straat Pontoise versterking
+vragen. V&oacute;&oacute;r men een doornenstok aanvat, trekt men
+handschoenen aan.</p>
+<p>Door deze vertraging en het raadplegen met zijn lieden op het plein
+Rollin, had hij bijna het spoor verloren. Spoedig echter begreep hij,
+dat Jean Valjean zou trachten de rivier tusschen zich en zijn
+vervolgers te plaatsen. Hij boog het hoofd, en overlegde als een
+speurhond, die den neus op den grond legt om het spoor te vinden. Met
+zijn machtig instinct ging Javert regelrecht naar de brug van
+Austerlitz. Een paar woorden met den brugwachter gewisseld, waren hem
+voldoende: &bdquo;Hebt ge een man met een meisje
+gezien?&rdquo;&mdash;&bdquo;Ik heb hem twee sous laten betalen,&rdquo;
+antwoordde de brugwachter. Javert kwam tijdig genoeg op de brug om aan
+den overkant van het water Jean Valjean met Cosette aan de hand, over
+de door de maan verlichte plek te zien gaan en hen de straat
+Chemin-Vert-St.-Antoine te zien inslaan; hij dacht aan het slop Genrot,
+dat zich daar als een valluik bevond, en aan den eenigen uitgang der
+straat Droit-Mur in de kleine straat Picpus. In allerijl zond hij langs
+een omweg een zijner lieden naar den uitgang om hem te bewaken. Hij
+preste een patrouille, die naar den wachtpost van het arsenaal
+terugkeerde. Bij dergelijke partijen zijn de soldaten troeven.
+Overigens weet men, dat, om een wild zwijn te vangen, een schrander
+jager en veel honden noodig zijn.</p>
+<p>Na deze maatregelen te hebben genomen, en meenende dat Jean Valjean
+nu ingesloten was tusschen het slop Genrot rechts, zijn agent links en
+hem, Javert, van achter, nam hij een snuifje.</p>
+<p>Thans begon hij te spelen. &rsquo;t Was voor hem een oogenblik
+<span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name=
+"pb182">182</a>]</span>van helsche opgetogenheid; hij liet zijn man
+voor zich gaan, overtuigd, dat hij hem in zijn macht had, maar wilde
+zoo lang mogelijk dralen met hem te vatten, in &rsquo;t vermaak hem
+gevangen en tevens vrij te zien, met den wellust der spin die de vlieg
+laat spartelen, en van de kat, die de muis laat heen en weer loopen. De
+klauw en de val hebben een vreeselijke beteekenis, &rsquo;t is de
+gestremde beweging van het gevangen dier. Welk een genot, zulk een
+vangst.</p>
+<p>Javert genoot. De mazen van zijn net waren sterk. Hij was zeker van
+te slagen; hij behoefde slechts de hand uit te steken.</p>
+<p>Met de versterking, die hij bij zich had, was aan geen wederstand te
+denken, hoe stoutmoedig, sterk en wanhopig Jean Valjean ook wezen
+mocht.</p>
+<p>Javert naderde langzaam, op zijn weg al de hoeken der straat als de
+zakken van een dief navorschende en onderzoekende.</p>
+<p>Toen hij echter in het midden der web was gekomen, vond hij er de
+vlieg niet meer.</p>
+<p>Men kan zich zijne woede voorstellen.</p>
+<p>Hij ondervroeg den schildwacht der straat Droit-Mur en Picpus; deze
+agent, die onbewegelijk op zijn post was gebleven, had den man niet
+zien voorbijgaan.</p>
+<p>Het gebeurt soms, dat het hert ontkomt, hoewel de honden op zijn
+hielen zijn; in zoodanig geval weten de beste jagers niet wat er van te
+denken. &bdquo;&rsquo;t Was geen hert, &rsquo;t was een
+toovenaar.&rdquo;</p>
+<p>Javert zou gaarne hetzelfde hebben geroepen.</p>
+<p>Zijn teleurstelling grensde een oogenblik aan wanhoop en woede.</p>
+<p>&rsquo;t Is zeker dat Napoleon in den Russischen oorlog, Alexander
+in den Indischen, Cesar in den Afrikaanschen, Cyrus in den Scytischen
+fouten begingen, en dat Javert in dezen veldtocht tegen Jean Valjean
+fouten beging. &rsquo;t Was misschien een fout, dat hij aarzelde den
+ouden tuchteling in verkenning te nemen. De eerste oogopslag zou hem
+overtuigd hebben. &rsquo;t Was een fout, dat hij hem niet eenvoudig in
+zijn woning in hechtenis nam. &rsquo;t Was een fout, dat hij hem niet
+had aangehouden, toen hij hem in de straat Pontoise stellig herkende.
+&rsquo;t Was een fout dat hij met zijne handlangers in helder maanlicht
+op het plein Rollin raadpleegde. Wel is waar, raadplegen is nuttig en
+&rsquo;t is goed de honden te onderzoeken, om te weten of ze vertrouwen
+verdienen. Maar de jager kan niet te voorzichtig zijn, als hij op zulke
+wilde dieren jaagt, als de wolf en den galeislaaf. Door zich te veel
+moeite te geven om de honden op het spoor te brengen, maakte Javert het
+dier verschrikt, door het lucht te geven, en deed het vlieden. Bovenal
+was &rsquo;t een fout <span class="pagenum">[<a id="pb183" href=
+"#pb183" name="pb183">183</a>]</span>dat, na het spoor op de brug van
+Austerlitz te hebben wedergevonden, hij het vreeselijke en
+kinderachtige spel speelde, zulk een man aan een draad te houden. Hij
+achtte zich sterker dan hij was, en meende met een leeuw als met een
+muis te kunnen spelen. Tezelfdertijd achtte hij zich te zwak, toen hij
+het noodzakelijk oordeelde, versterking te nemen. Noodlottige voorzorg,
+verlies van kostbaren tijd. Javert beging al deze fouten en was
+niettemin een der schranderste en behendigste spionnen die bestaan
+hebben. Hij was in de volste beteekenis des woords, wat men met een
+jachtterm noemt &bdquo;een volleerde hond.&rdquo; Maar wie is
+volmaakt?</p>
+<p>De grootste veldheeren hebben hun ongelukkige oogenblikken.</p>
+<p>De grootste verkeerdheden zijn dikwerf evenals dikke touwen, uit een
+menigte dunne draadjes samengesteld. Neemt men elk draadje van den
+kabel, elke geringe beweegreden afzonderlijk, men zal ze gemakkelijk
+kunnen breken, &rsquo;t zal een beuzeling zijn: maar te zamen
+gevlochten en verbonden zijn zij onverbreekbaar; &rsquo;t is Attila die
+weifelend tusschen Marcianus in het Oosten en Valentianus in het Westen
+staat; &rsquo;t is Hannibal die zich te Capua ophoudt; &rsquo;t is
+Danton die zich te Arcis-sur-Aube aan den slaap overgeeft.</p>
+<p>Hoe &rsquo;t zij, toen Javert ontdekte, dat Jean Valjean hem
+ontsnapte, verloor hij daarom het hoofd niet. Overtuigd dat de
+voortvluchtige tuchteling niet ver kon zijn, zette hij wachten uit,
+legde hinderlagen, klemmen en voetangels, en doorkruiste den geheelen
+nacht de wijk. Het eerste dat hem in &rsquo;t oog viel was de wanorde
+der lantaarn, waarvan het touw was afgesneden. Een kostbare aanwijzing,
+welke hem evenwel deed dwalen, daar zij al zijn nasporingen op het slop
+Genrot richtte. In dit slop zijn lage muren van tuinen, die weder aan
+braak liggende gronden grenzen. Hierheen was Jean Valjean naar alle
+waarschijnlijkheid gevlucht. In waarheid, zoo hij iets verder dit slop
+ware ingegaan, zou hij zeker door de tuinen hebben trachten te
+ontvluchten, en zou hij in dat geval verloren zijn geweest, want Javert
+doorzocht deze tuinen en velden zoo nauwkeurig, alsof hij er een naald
+zocht.</p>
+<p>Bij &rsquo;t aanbreken van den dag liet hij twee sluwe mannen ter
+bewaking achter, en keerde naar de prefectuur terug, beschaamd als een
+spion, die door een dief verschalkt is. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb185" href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Boek VI.</h2>
+<h2 class="main">Klein Picpus.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name=
+"pb187">187</a>]</span>
+<div id="ch6.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Kleine Picpus-straat No. 62.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de
+koetspoort van No. 62 in de kleine Picpus-straat door niets van een
+gewone koetspoort. Zij stond op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen,
+en zij liet twee dingen zien, die niets treurigs hebben: een
+binnenplaats, wier muren met wingerden was bedekt, en een op- en
+neergaanden portier. Boven den achtermuur zag men hooge boomen
+uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats, en een glas wijn den
+portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de kleine Picpus-straat niet
+voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk mede te nemen. &rsquo;t Was
+echter een somber oord, dat men had gezien.</p>
+<p>De ingang lachte; het huis bad en weende.</p>
+<p>Zoo men er in slaagde, &rsquo;t geen niet gemakkelijk was, den
+portier voorbij te komen&mdash;iets bijna onmogelijks zoo men niet een
+zeker machtwoord bezat&mdash;en men rechts een klein portaal
+binnenging, waar, tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat
+slechts &eacute;&eacute;n persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich
+door de kanarie-gele kleur der muren en de chocoladekleur der plint
+niet liet afschrikken en men &rsquo;t waagde op te klimmen, kwam men op
+een eerste, vervolgens op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste
+verdieping in een gang, waar men zich door den gelen muur en de
+chocoladekleurige plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang
+waren door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming,
+waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden
+verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was
+gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer
+zes voet in &rsquo;t vierkant; &rsquo;t was zindelijk, kil, met steenen
+bevloerd en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat
+licht viel door een groot venster met kleine ruiten, dat links
+<span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name=
+"pb188">188</a>]</span>de geheele breedte der kamer besloeg. Men zag om
+zich, doch bespeurde niemand; men luisterde, maar hoorde noch
+voetstappen, noch menschelijke stem. De wand was kaal, de kamer ledig,
+er stond zelfs geen stoel.</p>
+<p>Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de
+deur een opening van ongeveer een voet in &rsquo;t vierkant, met een
+traliewerk van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine
+ruiten&mdash;ik had schier mazen gezegd,&mdash;vormden, van omstreeks
+anderhalven duim. De groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig
+en geregeld deze ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze
+verschrikte of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg
+om door de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk
+zou &rsquo;t hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door,
+maar wel de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te
+hebben, want achter de opening was een blikken plaat met duizend
+gaatjes bevestigd, kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze
+plaat was een spleet als die der brievenbussen. Rechts naast de
+getraliede opening hing een schelkoord.</p>
+<p>Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo
+dicht bij zich een stem dat men er van schrikken zou.</p>
+<p>&bdquo;Wie is daar?&rdquo; vroeg de stem.</p>
+<p>&rsquo;t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men
+er treurig van werd.</p>
+<p>Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de
+stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf aan
+de andere zijde ware geweest.</p>
+<p>Zoo men het woord kende hernam de stem:</p>
+<p>&bdquo;Ga ter rechterzijde binnen.&rdquo;</p>
+<p>Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een
+grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad
+binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in den
+schouwburg in een getraliede loge komt, v&oacute;&oacute;r dat het
+traliewerk neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was
+inderdaad in een soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door
+de glazendeur ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een
+losgetornden stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar
+borstwering, waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied,
+maar niet met vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht
+dooreengewerkte ijzeren stangen, die stevig in den muur waren
+gemetseld.</p>
+<p>Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die
+halve duisternis gewoon was geworden, beproefde <span class=
+"pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span>het
+door de trali&euml;n te zien, maar het drong er niet verder door dan
+zes duim. Daar ontmoette het een beletsel van zwarte blinden, gesloten
+en bevestigd met geelbruine houten boomen. Deze blinden bestonden uit
+lange, smalle met scharnieren verbonden planken en bedekten de geheele
+lengte van het traliewerk. Zij waren altijd gesloten.</p>
+<p>Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden
+roepen en vragen:</p>
+<p>&bdquo;Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand.
+Men hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn graf
+sprak.</p>
+<p>In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren,
+werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker
+geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de trali&euml;n,
+achter het blind zag men, zooveel de trali&euml;n toelieten, een hoofd,
+waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was met
+een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk en een
+onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak, maar
+aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit<span class="corr"
+id="xd20e3975" title="Bron: ,">.</span></p>
+<p>Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op
+dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een
+zinnebeeld.</p>
+<p>De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in
+deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde de
+in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden te
+onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij zich,
+dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen nevel
+met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte waarin
+men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men niets
+zag, zelfs geen spookbeelden.</p>
+<p>Wat men zag was het binnenste eens kloosters.</p>
+<p>Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, &rsquo;t welk
+men het klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De
+loge, waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem,
+welke men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos
+en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante
+opening, welke beschermd werd door de ijzeren trali&euml;n en de met
+duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel
+vizier.</p>
+<p>De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de
+spreekkamer, die slechts &eacute;&eacute;n venster aan de buitenzijde
+had, <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name=
+"pb190">190</a>]</span>zonder venster aan de kloosterzijde was. Profane
+oogen mochten niets van dit gewijde oord zien.</p>
+<p>Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,&mdash;er was
+licht, leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren
+beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen en er
+den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder de
+bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de
+verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben
+kunnen spreken.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">De regel van Martinus Verga.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de
+kleine Picpus-straat bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van
+den regel van Martinus Verga.</p>
+<p>Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner
+monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere
+woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van
+den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.</p>
+<p>Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat
+Martinus Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner
+nonnen stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te
+Alcala was.</p>
+<p>Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa
+vertakt.</p>
+<p>De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in de
+Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te
+spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van
+Martinus Verga te rekenen, vier congregrati&euml;n aan: twee in
+Itali&euml;, de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in
+Frankrijk, Cluny en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont,
+de Celestijnen, de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de
+Olivatinen, de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers);
+want Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van
+den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt
+van Molesme in de diocees van Langres. &rsquo;t Was <span class=
+"pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span>in
+529 dat de duivel, die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij
+was oud. Was hij hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen
+Benedictus uit den ouden tempel van Apollo werd gejaagd.</p>
+<p>Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een teenen
+vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de regel der
+bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga de strengste. Zij
+zijn in &rsquo;t zwart gekleed met een borstdoek die, volgens den
+uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet reiken. Een
+sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier, de tot de kin
+reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt, ziedaar haar
+gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit is. De novicen
+dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar gelofte hebben
+afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.</p>
+<p>De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben
+&bdquo;de eeuwige aanbidding,&rdquo; evenals de benedictijner nonnen,
+die de vrouwen van het H. Sacrament worden genoemd, en in &rsquo;t
+begin dezer eeuw te Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een
+ander in de straat Neuve Saint-Genevi&egrave;ve. De orde der
+bernardijner-benedictijner nonnen, waarvan wij spreken, was overigens
+geheel verschillend van die der vrouwen van het H. Sacrament. Niet
+alleen in den regel, maar ook in het gewaad was velerlei onderscheid.
+De bernardijner-benedictijner nonnen van klein Picpus droegen den
+zwarten borstdoek, en die der benedictijner nonnen van het H. Sacrament
+in de straat Neuve Saint-Genevi&egrave;ve was wit; deze hadden
+bovendien op de borst een H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver
+of koper, omstreeks drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen
+dat H. Sacrament niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van
+klein Picpus en het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden
+toch geheel verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts
+eenige gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de
+bernardijner van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de
+bespiegeling en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de
+kindsheid, het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd,
+tusschen twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de
+Italiaansche Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de
+Fransche Oratorianen, door Pierre de B&eacute;rulle te Parijs
+gesticht.</p>
+<p>Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus Verga
+terug.</p>
+<p>De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthouden
+<span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name=
+"pb192">192</a>]</span>zich het geheele jaar door van vleeschspijzen,
+vasten op verscheidene dagen buiten de vasten, waken na den eersten
+slaap van &eacute;&eacute;n tot drie uur &rsquo;s ochtends, om het
+brevier te lezen en de metten te zingen, slapen onder sergi&euml;n
+dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit een bad,
+ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden den regel
+van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning, die zeer kort
+zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van den 14 September,
+dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze zes maanden zijn een
+verzachting, de regel beveelt een geheel jaar; maar dit grove baaien
+hemd, ondragelijk in de zomerhitte, veroorzaakte koortsen en
+zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van beperkt moest worden. Maar
+zelfs ondanks deze verzachting hebben de nonnen, wanneer zij den 14
+September een schoon hemd aantrekken, drie of vier dagen de koorts.
+Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede, kuischheid, voortdurende
+afzondering, deze zijn de geloften, die zij doen, en die door den regel
+zeer verzwaard worden.</p>
+<p>De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke
+kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een
+priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, &rsquo;t geen de langst
+mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.</p>
+<p>Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter een
+negen voet hoog gehangen sergi&euml;ngordijn is verborgen<span class=
+"corr" id="xd20e4025" title="Niet in bron">.</span> Onder de predikatie
+in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier; zij moeten steeds
+zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen houden.
+Slechts &eacute;&eacute;n man mag het klooster binnengaan, de
+aartsbisschop van de diocees.</p>
+<p>Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een
+grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de nonnen
+gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel aan de
+knie.</p>
+<p>Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke gehoorzaamheid
+schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste
+zelfverloochening. Zooals op Christus&rsquo; stem <i lang="la">ut voci
+Christi</i>, op een gebaar, bij den eersten wenk, <i lang="la">ad
+nutum, ad primum signum</i>, dadelijk, met vreugd, met volharding, met
+een zekere blinde gehoorzaamheid, <i lang="la">prompt&egrave;,
+hilariter, perseveranter, et c&oelig;c&acirc; quadam
+obedienti&acirc;</i>, gelijk de vijl in de hand van den werkman,
+<i lang="la">quasi liman in manibus fabri</i>, niets, dan met
+uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven, <i lang="la">legere
+vel scribere non adiscerit sine express&acirc; superioris
+licenti&acirc;</i>.</p>
+<p>Beurtelings verricht ieder wat zij de &bdquo;verzoening&rdquo;
+noemen. Deze verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden.
+<span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name=
+"pb193">193</a>]</span>alle misslagen, alle verkeerdheden, alle
+gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde gepleegd worden. Twaalf
+uren lang, van vier uren &rsquo;s avonds tot vier uren &rsquo;s
+morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den steenen
+vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en de koord om
+den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan uitstaan, werpt
+zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en met uitgebreide
+armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen der wereld. Dit is
+grootsch, verheven!</p>
+<p>Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars
+brandt, zegt men eveneens &bdquo;aan den paal zijn&rdquo; als &bdquo;om
+verzoening bidden.&rdquo; De nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de
+eerste uitdrukking de voorkeur, die een denkbeeld van pijniging en
+vernedering bevat.</p>
+<p>&bdquo;Om verzoening bidden&rdquo; is eene daad, die de geheele ziel
+vervult. De non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar
+neerviel, het hoofd niet wenden.</p>
+<p>Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij
+blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand
+soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.</p>
+<p>De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige
+bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in
+herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus
+Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie enz.
+De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.</p>
+<p>Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.</p>
+<p>Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster
+geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van &rsquo;t verderf der
+ziel zijn.</p>
+<p>Zij noemen het woord <i>mijn</i> niet. Zij bezitten niets en mogen
+aan niets gehecht zijn. Zij noemen alles &bdquo;het onze,&rdquo; bij
+voorbeeld: onze sluier, onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken,
+zouden zij &bdquo;ons hemd&rdquo; zeggen. Soms hechten zij eenige
+waarde aan eenig voorwerp, aan een getijdeboek, een reliek, een gewijde
+medalje. Zoodra zij gevoelen, dat zij aan deze dingen gehecht worden,
+moeten zij ze afgeven. Zij herinneren zich de woorden der H. Theresia,
+tot wie een aanzienlijke dame, toen zij in haar orde trad zeide:
+&bdquo;Vergun, moeder, dat ik een heiligen bijbel laat halen, waaraan
+ik zeer gehecht ben.&rdquo;&mdash;&bdquo;Ha! zijt ge aan iets gehecht?
+In dat geval moet ge bij ons niet zijn.&rdquo;</p>
+<p>Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben.
+Zij bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkander <span class=
+"pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name=
+"pb194">194</a>]</span>ontmoeten, zegt de eene: <span class="corr" id=
+"xd20e4073" title="Niet in bron">&bdquo;</span>Ge&euml;erd en Geloofd
+zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!&rdquo; De andere
+antwoordt: &bdquo;In alle eeuwigheid!&rdquo; Hetzelfde heeft plaats als
+de eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt
+of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen: in
+alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze
+&bdquo;oefeningen&rdquo; werktuiglijk; en vaak zegt de eene &bdquo;in
+alle eeuwigheid&rdquo; voor de andere den tijd heeft gehad te zeggen:
+&bdquo;Ge&euml;erd en geloofd zij het allerheiligste Sacrament des
+altaars!&rdquo; dat tamelijk lang is.</p>
+<p>Bij de visitandinen zegt de binnentredende <i>Ave Maria</i>, en de
+andere antwoordt: <i lang="la">Grati&acirc; plena</i>. &rsquo;t Is haar
+&bdquo;goeden morgen&rdquo;, die inderdaad &bdquo;vol gratie&rdquo;
+is.</p>
+<p>Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal
+geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters,
+leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken,
+en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: &bdquo;Te vijf
+uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars
+ge&euml;erd en geloofd.&rdquo; Is het acht uren: &bdquo;Te acht uren
+enz&rdquo; en zoo vervolgens bij elk uur dat slaat.</p>
+<p>Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze
+immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de vorm
+is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: &bdquo;Op dit
+uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!&rdquo;</p>
+<p>De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig
+jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar
+getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds
+met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje in
+&rsquo;t missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: &bdquo;Jezus,
+Maria, Jozef!&rdquo; Bij de getijden voor de overledenen is haar toon
+zoo laag, dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een
+treffende treurige uitwerking voort.</p>
+<p>De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een
+grafkelder doen maken voor de begraving harer zusters. Het
+&bdquo;gouvernement&rdquo;, zooals zij &rsquo;t noemen, vergunde echter
+niet dat er de lijken bijgezet werden. Als zij dood waren, moesten zij
+bijgevolg het klooster verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een
+onbillijkheid.</p>
+<p>Zij hadden echter de vergunning verkregen, om&mdash;een geringe
+troost&mdash;op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het
+oude kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger
+aan het klooster behoord had.</p>
+<p>Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de
+diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezet <span class=
+"pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name="pb195">195</a>]</span>al
+de kleine heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de
+kerk eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en
+Itali&euml; zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn
+eindeloos. Van het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen
+beter denkbeeld geven dan door de aanhaling dezer na&iuml;eve woorden
+van een harer: &bdquo;De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de
+gebeden der novicen nog ontzettender, en de gebeden der nonnen
+allerontzettendst.&rdquo;</p>
+<p>Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert, de
+kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na de
+andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de
+misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig
+heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en
+leggen luid de &bdquo;penitentie&rdquo; op.</p>
+<p>Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove
+misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat zij
+het <i>Culpa</i> noemen. Men legt zich om deze <i>Culpa</i> te doen,
+plat op den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die
+nooit anders dan &bdquo;moeder&rdquo; wordt genoemd, de boeteling, door
+zacht op haar bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men
+verricht die <i>Culpa</i> voor kleinigheden, voor een gebroken glas,
+een gescheurden sluier, een verstrooiden blik gedurende den heiligen
+dienst, een valsche noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig
+om zijn <i>Culpa</i> te doen. Het <i>Culpa</i> is geheel vrijwillig; de
+schuldige zelve veroordeelt en straft zich. Op feest- en Zondagen
+zingen vier koorzusters de mis voor een vierkanten koorlessenaar.
+Zekeren dag zong een koormoeder een psalm die met Ecce begon, maar in
+plaats van <i>Ecce</i> zong zij <i>ut</i>, <i>si</i>, <i>sol</i>, en
+onderging voor deze verstrooidheid een <i>Culpa</i> gedurende den
+geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat het
+geheele kapittel gelachen had.</p>
+<p>Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het zelfs
+de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk men zich
+herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de priorin mag met
+vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar naaste
+bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig iemand, dien
+een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het klooster
+verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande
+onderhandelingen. Zoo &rsquo;t een vrouw is, wordt de vergunning soms
+verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden,
+die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt
+vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span></p>
+<p>Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H.
+Benedictus.</p>
+<p>Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de
+geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van
+1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Strengheden.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de
+proeftijd, vier jaren het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het
+drie-en-twintigste of vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De
+bernardijner-benedictijner nonnen nemen geen weduwen in haar orde
+aan.</p>
+<p>Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over,
+waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men de
+novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen, glanst
+en krult haar &rsquo;t haar; dan knielt zij; men spreidt over haar een
+grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts
+verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij
+en zegt op treurigen toon: &bdquo;Onze zuster is dood,&rdquo; de andere
+rij antwoordt met helderklinkende stem: &bdquo;Zij leeft in Jezus
+Christus!&rdquo;</p>
+<p>Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster
+verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes,
+waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de B&eacute;lissen,
+en een Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken
+naam van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door
+deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en de
+eeuw. Een harer zeide ons eens: &bdquo;toen ik de straat zag huiverde
+ik van top tot teen.&rdquo; Zij waren in &rsquo;t blauw gekleed met een
+wit mutsje op &rsquo;t hoofd en een zilver vergulden of koperen H.
+Geest op de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien
+van de H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als
+non te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus
+te verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad.
+Maar dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen
+mochten haar kleeding leenen. &rsquo;t Verdient opmerking, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span>dat
+deze vertooningen waarschijnlijk in het klooster toegelaten en
+aangemoedigd door een heimelijken geest van proselytisme en om aan deze
+kinderen eenigen voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de
+pensionnairen een wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij
+vermaakten er zich mede. &bdquo;&rsquo;t Was iets nieuws, een
+verandering.&rdquo;</p>
+<p>Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen
+intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een
+wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande te
+zingen.</p>
+<p>De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge
+kloosteroefeningen betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere
+vrouw, die reeds eenige jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon
+zich niet afwennen om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt
+haastig te roepen: &bdquo;in alle eeuwigheid.&rdquo; Evenals de nonnen
+spraken de pensionnairen haar bloedverwanten in het spreekvertrek.
+Zelfs aan de moeders werd niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in
+hoeverre de strengheid in dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving
+het bezoek van haar moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht.
+De pensionnaire weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen
+kussen. Dit was niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten
+minste vergunde, de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij
+die zou kunnen kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote
+ergernis gehouden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Vroolijkheid.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis
+bekoorlijke herinneringen achtergelaten.</p>
+<p>Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde.
+De klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels.
+De vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van jeugd
+overstroomde als &rsquo;t ware dezen tuin, die, als een lijkkleed,
+kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende
+oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich in
+deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep, na de
+doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling dat
+liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend werd.
+&rsquo;t Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, en <span class=
+"pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name=
+"pb198">198</a>]</span>ieder bracht zijn honig. Zij speelden, riepen
+elkander, vormden groepen, stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in
+een hoek; in de verte verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de
+schaduw het licht verbergt; maar om &rsquo;t even! Men was verheugd en
+lachte. Deze vier doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij
+waren getuigen van al die vreugde: &rsquo;t was als een regen van rozen
+op een doodschen akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen.
+De blik der zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen
+ontstond een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De
+kleinen huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets
+hemelsch in het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan
+deze frissche, bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich
+vermaakt hebben, en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd,
+gezondheid, leven, dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te
+strijken van alle grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van
+het sprookje, van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de
+Gans.</p>
+<p>Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke,
+kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach uitlokken.
+&rsquo;t Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig kind
+eens riep: &bdquo;Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet
+langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe
+gelukkig!&rdquo;</p>
+<p>Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:</p>
+<p><span class="sc">Een kapittel-moeder.</span> &bdquo;Waarom weent ge,
+mijn kind?&rdquo;</p>
+<p><span class="sc">Het kind.</span> (zes jaar oud) snikkend. &bdquo;Ik
+heb aan Alix gezegd, dat ik mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij
+zegt dat ik ze niet ken en ik ken ze&rdquo;</p>
+<p><span class="sc">Alix</span>, de groote (negen jaar oud).
+&bdquo;Neen, zij kent ze niet.&rdquo;</p>
+<p><span class="sc">De moeder</span>: &bdquo;Waarom niet, mijn
+kind?&rdquo;</p>
+<p><span class="sc">Alix.</span> &bdquo;Zij verzocht mij het boek,
+onverschillig waar, open te slaan, haar uit het boek te overhooren, en
+dan zou zij antwoorden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij heeft niet geantwoord.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Spreek, wat hebt ge gevraagd?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg
+haar de eerste vraag, die ik vond.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe was deze vraag?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Was: <i>Wat gebeurde er vervolgens?</i>&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den
+eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:</p>
+<p>&bdquo;<i>Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals
+een mensch.</i>&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb199" href=
+"#pb199" name="pb199">199</a>]</span></p>
+<p>Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt,
+die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet te
+vergeten:</p>
+<p>&bdquo;Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.</p>
+<p>&bdquo;Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.</p>
+<p>&bdquo;Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren
+te hebben geslagen.&rdquo;</p>
+<p>Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig
+mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe
+oogen:</p>
+<p>&bdquo;Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele
+bloemen stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna
+plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf
+in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch, en
+hij at de jonge haantjes op.&rdquo;</p>
+<p>Dan nog dit gedicht:</p>
+<div class="lgouter">
+<p class="line">&bdquo;Er kwam een stokslag,</p>
+<p class="line">Polichinel sloeg de kat.</p>
+<p class="line">&rsquo;t Deed haar geen goed, maar &rsquo;t deed haar
+pijn.</p>
+<p class="line">Toen zette een dame Polichinel in de
+gevangenis.&rdquo;</p>
+</div>
+<p class="first">&rsquo;t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende
+woorden werden gezegd door een verlaten kind, een vondeling, dat het
+klooster uit barmhartigheid opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van
+haar moeders spreken en mompelde in haar hoekje:</p>
+<p>&bdquo;<i>Toen ik geboren werd, was mijne moeder er
+niet.</i>&rdquo;</p>
+<p>Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels
+door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De &bdquo;zeer groote
+meisjes&rdquo;&mdash;boven de tien jaren&mdash;noemden haar
+Agathocl&egrave;s<a class="noteref" id="xd20e4250src" href="#xd20e4250"
+name="xd20e4250src">1</a>.</p>
+<p>Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal,
+die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving,
+was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden &bdquo;vol
+dieren.&rdquo; Al wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent
+insecten. Ieder der vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der
+pensionnaires, een bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had
+er den spinnenhoek, den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den
+krekelhoek. De krekelhoek was in de nabijheid der keuken en zeer
+geacht. Het was er minder koud dan elders. Uit het refectorium waren
+deze namen in het pensionaat gekomen en dienden er, evenals in het oude
+collegie-Mazarin, ter onderscheiding van vier nati&euml;n. Iedere
+pensionnaire behoorde tot een dezer vier nati&euml;n, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span>al
+naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende den maaltijd zat. Zekeren
+dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk bezoek deed, in de
+school, welke hij doorging, een lief blozend meisje, met heerlijk blond
+haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire, een bekoorlijke brunette
+met frissche wangen, die bij hem stond:</p>
+<p>&bdquo;Wie is deze?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een spinnekop, Monseigneur!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo! en gene?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een krekel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En zij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een rups.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo waarlijk; en wat zijt gij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben een duizendbeen, Monseigneur.&rdquo;</p>
+<p>Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin
+dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar, in
+een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.</p>
+<p>Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament
+onderscheid tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook
+&bdquo;troonhemelen&rdquo; en &bdquo;wierookvaten,&rdquo; namelijk zij,
+die de koorden van den troonhemel droegen, en zij die het H. Sacrament
+bewierookten. De bloemen behoorden van rechtswege aan de
+bloemenmeisjes. Vier &bdquo;maagden&rdquo; gingen vooraan. &rsquo;t Was
+niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag in de
+slaapzaal kon hooren vragen:</p>
+<p>&bdquo;Wie van u is maagd?&rdquo;</p>
+<p>Mevrouw Campan verhaalt van een &bdquo;kleine,&rdquo; een zevenjarig
+meisje, dat tot een &bdquo;groote&rdquo; van zestien jaren, die aan
+&rsquo;t hoofd der processie ging, terwijl de kleine achteraan moest
+blijven, zeide: &bdquo;Gij zijt een maagd, en dat ben ik
+niet.&rdquo;</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4250" href="#xd20e4250src" name="xd20e4250">1</a></span>
+Agathe-aux-clefs&mdash;(Agatha met de sleutels).</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Verstrooidheden.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Boven de deur van het refectorium stond met groote
+zwarte letters dit gebed, &rsquo;t welk men het &bdquo;witte Vader
+ons&rdquo; noemde en dat de kracht had de menschen regelrecht naar den
+hemel te voeren.</p>
+<p>&bdquo;Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat
+God in den hemel bracht.</p>
+<p>&bdquo;Toen ik &rsquo;s avonds naar bed ging, vond ik drie engelen
+bij <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name=
+"pb201">201</a>]</span>mijn bed liggen, &eacute;&eacute;n aan het
+voeteneinde, twee aan &rsquo;t hoofdeinde, de maagd Maria in het
+midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en niets vreezen.
+De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn moeder, de drie
+apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn mijn zusters. In het
+hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf gewikkeld; het kruis St.
+Margaretha is op mijn borst geschreven; de H. Maagd ging over het veld,
+God beweenende, en ontmoette den H. Johannes.&mdash;H. Johannes, van
+waar komt gij? Ik kom van de <i>Ave Salus</i>.&mdash;Hebt ge er den
+goeden God niet gezien?&mdash;Hij is aan den kruisboom, met hangende
+beenen, met vastgespijkerde handen, een klein wit doornhoedje op het
+hoofd. Wie dit driemaal des avonds, en driemaal des morgens bidt, zal
+eindelijk den hemel verwerven.&rdquo;</p>
+<p>In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele laag
+kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige
+jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.</p>
+<p>Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze
+eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels, ieder
+met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen van
+het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de tafels
+waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander in de
+kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der
+kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen,
+of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen
+voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De
+kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week, die
+nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te
+vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze
+stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een
+kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld, werd
+voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de week
+had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels, waarin
+de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten, en soms
+&rsquo;t geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch, wierpen.
+Dit werd gestraft.</p>
+<p>Zij, die de stilte stoorde, moest een &bdquo;kruis met de
+tong&rdquo; maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het
+stof, dit einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes,
+die zich aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.</p>
+<p>In het klooster was een boek, waarvan slechts
+&bdquo;&eacute;&eacute;n exemplaar&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb202" href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span>is gedrukt, en dat
+verboden is te lezen. &rsquo;t Is de regel van den H. Benedictus. Een
+geheim, dat geen profaan oog zien mag.</p>
+<p>Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij
+begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst
+waren verrast te zullen worden, borgen zij &rsquo;t haastig weer weg.
+Zij hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden
+blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der
+jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.</p>
+<p>Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale
+vruchtboomen stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der
+straffen, gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had,
+ter sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige
+peer op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij
+ligt, en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige
+pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van
+Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:</p>
+<p>&bdquo;Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat
+men naar boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het
+bed te leggen, dan steekt men het ooft onder &rsquo;t oorkussen en des
+avonds eet men &rsquo;t in bed, en zoo dat niet gaat op een andere
+geheime plaats.&rdquo;</p>
+<p>Dit was een harer grootste geneugten.</p>
+<p>Eenmaal, &rsquo;t was wederom bij gelegenheid van een bezoek des
+aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de
+jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap
+dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets ongehoords
+in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen, maar niemand
+geloofde er aan. Op &rsquo;t oogenblik dat de aartsbisschop voorbij de
+pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot
+onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide:
+&bdquo;Monseigneur, een dag vacantie als &rsquo;t u belieft.&rdquo; De
+jonkvrouw Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje,
+dat men zien kon. Monseigneur de Qu&eacute;len glimlachte en zeide:
+&bdquo;Wat, mijn lief kind, &eacute;&eacute;n dag vacantie! Drie dagen,
+wat mij betreft! Ik verleen u drie dagen!&rdquo; De priorin kon er
+niets tegen doen, de aartsbisschop had gesproken. Een ergernis voor het
+klooster, maar vreugde voor het pensionaat. Men kan zich de uitwerking
+voorstellen!</p>
+<p>Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het
+leven der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er
+niet binnendrongen. Om dit te bewijzen <span class="pagenum">[<a id=
+"pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span>willen wij hier
+beknopt een waar, onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen
+verband staat met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden
+het slechts, opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal
+hebben.</p>
+<p>Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige
+persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en
+&bdquo;madame Albertine&rdquo; noemde. Men wist nopens haar niets
+anders dan dat zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd
+gehouden. Men zeide, dat onder deze geschiedenis geldelijke
+beschikkingen waren verborgen, die voor een zeer aanzienlijk huwelijk
+noodig waren geweest.</p>
+<p>Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit
+haar groote zwarte oogen. &rsquo;t Was de vraag, of zij werkelijk zag!
+Men twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men
+was niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken
+en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte,
+voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster
+zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: &bdquo;Men
+houdt haar voor dood.&rdquo;&mdash;&bdquo;Zij is &rsquo;t
+misschien,&rdquo; antwoordde de andere.</p>
+<p>Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine verhaald.
+Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der
+pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men het <i>&oelig;il de
+b&oelig;uf</i> noemde. &rsquo;t Was in deze tribune, met een rond
+raampje, een <i>&oelig;il de b&oelig;uf</i>, dat mevrouw Albertine de
+heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk was zij er alleen, wijl men in
+deze tribune, op de eerste verdieping, den prediker, of misdoenden
+priester kon zien; &rsquo;t geen aan de nonnen verboden was. Op zekeren
+dag predikte een jong priester van hoogen rang, de hertog van Rohan,
+pair van Frankrijk, officier der roode musketiers in 1815, toen hij
+prins van L&eacute;on was, later in 1830 als kardinaal en aartsbisschop
+van Besan&ccedil;on overleden. &rsquo;t Was den eersten keer, dat de
+heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus predikte. Mevrouw
+Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie en de mis volkomen
+rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich ten halve op, zoodra
+zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden der stilte, die in de
+kapel heerschte: &bdquo;Ziedaar August!&rdquo; De geheele
+kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de
+oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid
+verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was even
+over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen en de
+zinnelooze weder een lijk geworden. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span></p>
+<p>Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen
+in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat
+&bdquo;ziedaar August!&rdquo; De heer de Rohan heette werkelijk August.
+&rsquo;t Was stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam,
+wijl zij den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in
+bekleed had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en
+dat zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant
+en wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.</p>
+<p>Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de
+S&eacute;rent, bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis als
+<i>Magnates mulieres</i> toegang hadden, en baarden het pensionaat veel
+schrik. Wanneer de twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes
+en sloegen de oogen neder.</p>
+<p>Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp
+der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip, in
+afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris van den
+aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in de kapel der
+nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen zingen. Hoewel
+geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde der wollen
+gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk aan zijn
+zachte, eenigszins zwakke stem.</p>
+<p>Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was; dat
+hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om het
+hoofd droeg; dat zijn breede, moir&eacute; gordel en zijn priesterrok
+hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer
+zestienjarige meisjes.</p>
+<p>Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar
+evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis,
+welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.</p>
+<p>Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde
+melodie, die thans reeds zeer verouderd is: &bdquo;Mijn Zetulb&eacute;,
+kom, beheersch mijn hart,&rdquo; en men hoorde het twee of drie malen
+daags. De meisjes luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in
+verlegenheid, de hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit
+duurde verscheidene maanden. De pensionnaires waren allen min of meer
+op den onbekenden muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de
+zijde der straat Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven,
+alles gewaagd, alles beproefd hebben om slechts een seconde den
+&bdquo;jongeling&rdquo; te zien en op te nemen, die zoo heerlijk op de
+fluit speelde en, zonder het te weten, aller harten bewoog. Enkelen
+slopen uit een deur en klommen naar de derde verdieping <span class=
+"pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span>om
+zoo mogelijk door de gesloten vensters in de straat Droit-Mur te kunnen
+zien. Onmogelijk. E&eacute;n stak zelfs haar arm boven haar hoofd door
+de trali&euml;n en wuifde met haar zakdoek. Twee waren nog
+stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen
+eindelijk den &bdquo;jongeling!&rdquo; &rsquo;t Was een arme, blinde,
+oude emigrant, die op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de
+verveling te dooden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het kleine klooster.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel
+van elkander verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen
+bewoond, het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het
+zoogenaamde Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had,
+woonden gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden;
+overblijfselen der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont
+mengsel van zwarte, grijze en witte nonnen uit alle congregati&euml;n
+en van alle mogelijke soorten; men had het, zoo zulk een
+woordverbinding geoorloofd was, een harlekijns-klooster kunnen
+noemen.</p>
+<p>Sedert het Keizerrijk was &rsquo;t aan al deze arme, verstoorde,
+verjaagde geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder
+de vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het
+gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus
+hadden ze met welwillendheid ontvangen. &rsquo;t Was een zonderling
+mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning
+veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven;
+ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere,
+de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en
+van moeder Jakob.</p>
+<p>Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis.
+&rsquo;t Was een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd
+had. In het begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames
+van St. Aure hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de
+benedictijner nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te
+arm voor de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met
+scharlaken scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij
+met innig genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte.
+<span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name=
+"pb206">206</a>]</span>In 1824 bleef van deze orde slechts
+&eacute;&eacute;n non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.</p>
+<p>Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke
+dames, zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het
+Kleine Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de
+Beaufort d&rsquo;Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere
+dame was in &rsquo;t klooster niet anders bekend dan door het
+schrikkelijk geraas dat zij maakte, als zij den neus snoot. De
+pensionnaires noemden haar Vacarmini.<a class="noteref" id=
+"xd20e4369src" href="#xd20e4369" name="xd20e4369src">1</a></p>
+<p>In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein
+tijdschrift, de <i lang="fr">Intr&eacute;pide</i>, schreef, in het
+klooster van Klein Picpus te mogen wonen. Zij werd door den hertog van
+Orleans aanbevolen. Gedruisch in de bijenkorf; de kapittelmoeders
+beefden; mevrouw de Genlis had romans geschreven, maar verklaarde dat
+zij de eerste was die ze verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk
+der strengste vroomheid ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog
+kwam zij er in; maar na verloop van zes of acht maanden ging zij er
+weder uit, om reden, zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw
+was. Dit verblijdde de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde
+mevrouw de Genlis nog zeer goed de harp.</p>
+<p>Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel
+achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze twee
+woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden zag
+men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en juweelen
+borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar met rooden
+inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt, en welke
+woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven te
+verschrikken:</p>
+<div lang="la" class="lgouter">
+<p class="line">Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:</p>
+<p class="line">Dismas et Gesmas, media est divina potestas;</p>
+<p class="line">Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,</p>
+<p class="line">Nos et res nostras conservet summa potestas.</p>
+<p class="line">Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.</p>
+</div>
+<p class="first">Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen
+de vraag oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals
+men algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten.
+Deze spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf
+de Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen,
+bestreden hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze
+verzen <span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name=
+"pb207">207</a>]</span>wordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der
+hospitaalnonnen.</p>
+<p>De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote
+klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het kleine
+klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er het publiek
+door een bijzondere gang, op de straat uitloopende, in toegelaten.
+Alles was echter zoo ingericht, dat geen der kloosterbewoners een
+vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een kerk voor, wier koor door
+een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen was, dat het niet, zooals in
+gewone kerken, een verlenging achter het altaar vormde, maar een soort
+van kamer of donker hol ter rechterzijde van den dienstdoenden
+priester; men stelle zich deze kamer voor, door een gordijn van zeven
+voet hoog gesloten, waarvan wij reeds gesproken hebben; waarachter, in
+de schaduw, in houten banken de koornonnen links, de pensionnairen
+rechts en de novicen op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal
+eenig begrip hebben der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de
+heilige diensten bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was
+door een gang met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht
+uit den tuin. Wanneer de nonnen offici&euml;n bijwoonden, waarbij de
+regel haar stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid
+geen ander bewijs dan de slagen der &bdquo;disciplines&rdquo;
+(geeselkoorden), die in de banken met gedruisch opgeheven en
+neergelaten werden.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e4369" href="#xd20e4369src" name="xd20e4369">1</a></span> Vacarme,
+rumoer.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Eenige silhouetten.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin
+van Klein Picpus jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder
+Innocentia. Zij behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur,
+schrijfster van &bdquo;Het leven der heiligen van de orde van den H.
+Benedictus.&rdquo; Zij was herkozen geworden. Zij was een zestigjarige,
+korte, dikke vrouw, die &bdquo;als een gebersten pot zong,&rdquo; zegt
+de brief, welken wij reeds hebben aangehaald; overigens was zij een
+uitmuntende vrouw, de eenige vroolijke in het klooster en daarom
+bemind.</p>
+<p>Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante
+Marguerite, de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven
+in de geschiedenis, zij verstond Latijn, <span class="pagenum">[<a id=
+"pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span>Grieksch, en zelfs
+Hebreeuwsch, en was veeleer een benedictijn dan een
+benedictijnerin.</p>
+<p>De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half
+blinde non.</p>
+<p>De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine,
+schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en
+moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes,
+moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het
+klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (M<sup>lle</sup> Gauvain),
+nog jong, met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen
+(M<sup>lle</sup> Drouet), die in het klooster der Filles-Dieu en in het
+klooster du Tr&eacute;sor tusschen Gisors en Magny was geweest; moeder
+St. Jozef (M<sup>lle</sup> de Colgolludo), moeder St. Adelaida
+(M<sup>lle</sup> d&rsquo;Averney), moeder Misericordia,
+(M<sup>lle</sup> de Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek),
+moeder Compassion (M<sup>lle</sup> de la Miltier&egrave;, die, tegen
+den regel, op zestigjarigen ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk
+was); moeder Providentia (M<sup>lle</sup> de Laudini&egrave;re), moeder
+Presentatie (M<sup>lle</sup> de Siguenza), die in 1847 priorin werd;
+eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den beeldhouwer Ceracchi), en
+moeder St. Chantal (M<sup>lle</sup> de Suzon); welke <span class="corr"
+id="xd20e4439" title="Bron: beid">beide</span> krankzinnig werden.</p>
+<p>Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige
+vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder Roze.
+Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster moeder
+Assomption.</p>
+<p>Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had,
+gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele
+toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud,
+verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van de
+kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit had
+wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit engelen
+samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen het meest
+zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha, die kindsch
+was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.</p>
+<p>Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts
+streng voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt;
+en het voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig.
+Daarbij betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo
+echter een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij
+niet.</p>
+<p>Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster
+de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aan <span class=
+"pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name=
+"pb209">209</a>]</span>onbezielde voorwerpen verleend werd. Nu sprak de
+klok der kerk, dan het schelletje van den tuinier. Een zeer helder
+klinkend bekken, dat naast de portierster stond en in het geheele huis
+gehoord werd, duidde door verschillende slagen, een soort van
+klank-telegraaf, de handelingen van het stoffelijke leven aan, die
+moesten verricht worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster
+van het huis in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere
+zaak was een bijzonder getal. Voor de priorin was &rsquo;t
+&eacute;&eacute;n en &eacute;&eacute;n; voor de onder-priorin
+&eacute;&eacute;n en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der
+school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den klank
+van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden een
+gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte met
+een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar
+hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is,
+kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen er
+nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Ban&egrave;s, een oud
+leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien; de
+andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan men
+reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een
+&bdquo;afschuwelijken ouden bochel&rdquo; afgeschilderd wordt.</p>
+<p>Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.</p>
+<p>Zoodanig was dit merkwaardig huis.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Post corda lapides.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Na de geestelijke gesteldheid van het klooster
+Klein-Picpus te hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige
+woorden zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan
+reeds een denkbeeld.</p>
+<p>Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel het
+ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten Polonceau
+en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg, die op oude
+plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier straten omgaven
+dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een vesting. Het klooster
+bestond uit verschillende gebouwen en een tuin. Het hoofdgebouw was, in
+zijn geheel genomen, een samenvoeging van de tegenstrijdigste gebouwen,
+die van uit de lucht gezien volkomen een op den grond liggende galg
+voorstelden. De groote arm dezer galg <span class="pagenum">[<a id=
+"pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span>besloeg het gedeelte
+der straat Droit Mur tusschen de kleine straat Picpus en de straat
+Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze, statige voorgevel met
+getraliede vensters in de kleine straat Picpus; het einde duidde de
+koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van dien voorgevel
+bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur, waar de spinnen
+heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags werd geopend,
+alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener non uit het
+klooster werd gedragen. &rsquo;t Was de algemeene kerkdeur. De elleboog
+der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer diende. In den
+grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters en der novicen. In
+den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de kloostergalerij en de
+kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der blinde steeg Aumarais
+was het pensionaat, dat men van buiten niet zag. Het overige van het
+ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin, die veel lager was dan de
+oppervlakte der straat Polonceau; zoodat de muren binnen hooger dan
+buiten waren. In het midden van den tuin, stond op een heuveltje een
+fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom, van welken, als uit een
+middelpunt, vier breede paden liepen, verbonden door dubbele
+dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest, de plattegrond er van
+een kruis op een rad had voorgesteld. Deze paden, alle op de zeer
+onregelmatige muren van den tuin uitloopende, waren van ongelijke
+lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het einde van den tuin
+stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen van het oude klooster
+af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot aan het nieuwe klooster aan
+den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor het kleine klooster was de
+zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit alles een binnenplaats,
+verschillende hoeken door de gebouwen gevormd, muren, als die eener
+gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap dan de donkere lijn der
+daken aan gene zijde der Polonceau-straat, en men zal zich een volkomen
+denkbeeld kunnen vormen van &rsquo;t geen vijf-en-veertig jaren geleden
+het huis der bernardijner nonnen van Klein Picpus was. Dit heilige huis
+was gebouwd op dezelfde plaats waar van de veertiende tot de zestiende
+eeuw een vermaarde kaatsbaan stond, die, &bdquo;het speelhuis der elf
+duizend duivels&rdquo; werd genoemd.</p>
+<p>Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De
+namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er
+naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout
+geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep de
+bloemen v&oacute;&oacute;r dat de mensen de muren bouwde. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name="pb211">211</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Een eeuw onder een nonnen borstdoek.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van
+&rsquo;t geen eertijds het klooster Klein Picpus was en een venster
+hebben durven openen om een blik op dit zwijgend verblijf te slaan,
+veroorlove de lezer ons nog een kleine uitweiding, die wel is waar
+vreemd aan het onderwerp van dit boek, maar karakteristiek en
+noodzakelijk is, daar zij zal doen zien, dat ook in het klooster
+zonderlinge figuren zijn.</p>
+<p>In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit de
+abdij van Fontevrault was gekomen. V&oacute;&oacute;r de revolutie had
+zij in de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de
+Miromesnil, zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een
+presidentsvrouw Duplat, met wie zij goed bekend was geweest. &rsquo;t
+Was haar vermaak en trots, bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake
+te brengen. Zij verhaalde wonderen der abdij van Fontevrault, die,
+zeide zij, een stad geleek en in welk klooster straten waren.</p>
+<p>Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren
+vernieuwde zij plechtig haar geloften en v&oacute;&oacute;r den eed af
+te leggen, zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed
+hem aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan
+Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan Mons.
+St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige
+vader.&mdash;En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een
+liefelijk gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed
+rimpelen.</p>
+<p>Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij
+zeide, dat in haar jeugd &bdquo;de bernardijnen niet voor de musketiers
+uit den weg gingen.<span class="corr" id="xd20e4485" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span> &rsquo;t Was een sprekende eeuw, die
+achttiende eeuw. Zij verhaalde van het oude gebruik, dat
+v&oacute;&oacute;r de revolutie in Champagne en Bourgondi&euml; bestond
+ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot personage, een
+maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair door een stad
+in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke overheid een
+toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers aan, met vier
+verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker las men dit
+opschrift: &bdquo;apenwijn,&rdquo; op den tweeden:
+&bdquo;leeuwenwijn,&rdquo; op den derden: &bdquo;schapenwijn,&rdquo; op
+den vierden: &bdquo;varkenswijn.&rdquo; Deze vier opschriften
+beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard nedervalt: de
+eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweede <span class=
+"pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name=
+"pb212">212</a>]</span>vergramt; de derde verstompt, de laatste
+eindelijk verdierlijkt.</p>
+<p>Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan
+zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks niet.
+Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op, &rsquo;t
+geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij het
+wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot zij de
+kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij, die zoo
+gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp sprak. De
+nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de
+volhardendsten op haar halsstarrigheid.</p>
+<p>&rsquo;t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de
+werkeloozen en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo
+kostbaar en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige?
+Waarschijnlijk een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort?
+een echte reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude
+vrouw overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was,
+naar de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een
+driedubbelen doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. &rsquo;t Was
+een schotel van Fa&euml;nza, liefdegoodjes voorstellende, die, door
+apothekersknechts, gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd,
+wegvliegen, de vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een
+der bekoorlijke liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt,
+klapwiekt, en poogt weg te vliegen, maar de klisteerder lacht
+duivelachtig. De zedenles is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze,
+overigens zeer curieuse schotel, die misschien de eer heeft gehad aan
+Moli&egrave;re een denkbeeld te geven, bestond nog in September 1845 en
+was te koop bij een koopman in curiositeiten op den boulevard
+Beaumarchais.</p>
+<p>Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen,
+wijl, zooals zij zeide, &bdquo;het spreekvertrek te somber
+was.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben
+een denkbeeld te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet
+zoo geheel en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt.
+Bijzonder in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van
+een andere orde was, waren bruine gordijnen <span class=
+"pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span>in
+plaats van zwarte blinden, en zelfs het spreekvertrek was een fraai
+bevloerd salon, met sierlijke neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en
+allerlei schilderijen aan de wanden: het portret eener benedictijner
+non met ongesluierd gezicht, geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd
+van een Turk.</p>
+<p>In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische
+kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd
+gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de
+vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.</p>
+<p>Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de
+benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel
+andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux
+behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder dan
+tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in weinige
+dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en in St. Jean en
+Gr&egrave;ve, ontheiligd; &rsquo;t was zulk een vreeselijke en zeldzame
+heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding bracht. De
+prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Pr&eacute;s beval een
+plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijke
+<span class="corr" id="xd20e4509" title="Bron: noncius">nuncius</span>
+offici&euml;erde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee
+achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin de
+Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des
+altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen
+niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door
+een &bdquo;Eeuwigdurende aanbidding&rdquo; in een vrouwenklooster.
+Beiden, de eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina
+de Bar, genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non,
+aanzienlijke schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H.
+Benedictus te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst
+verlof van Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde
+&bdquo;dat geen jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een
+jaarlijksch kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres
+kapitaal medebracht.&rdquo; Na den abt van Saint-Germain verleende de
+koning zijn goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke
+brieven werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement
+bekrachtigd.</p>
+<p>Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige
+aanbidding des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste
+klooster werd &bdquo;geheel nieuw gebouwd&rdquo; in de straat Cassette
+voor de gelden der dames de Boucs en de Chateauvieux.</p>
+<p>Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen
+van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van
+Saint-Germain-des-Pr&eacute;s, <span class="pagenum">[<a id="pb214"
+href="#pb214" name="pb214">214</a>]</span>gelijk de dames van het
+Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten en de zusteren van
+Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen staan. Zij was ook
+geheel verschillend van het klooster der bernardijner nonnen van klein
+Picpus, dat wij beschreven hebben. In 1657 had Paus Alexander VII bij
+bijzondere br&egrave;ve aan de bernardijner nonnen van klein Picpus
+vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de benedictijner nonnen van
+het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin bleven de twee orden
+geheel gescheiden.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Einde van Klein-Picpus.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het
+klooster van Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het
+uitsterven dezer orde in &rsquo;t algemeen, die, gelijk alle
+geestelijke orden allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed,
+een behoefte der menschheid; maar zij zal evenals alles wat de
+revolutie heeft geraakt, een hervorming ondergaan en in plaats van den
+maatschappelijken vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.</p>
+<p>Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het
+kleine klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude
+vrouwen noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden
+waren heengegaan. <i>Volaverunt</i>.</p>
+<p>De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke
+strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen
+nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen
+koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna
+honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel
+zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring der
+kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar
+gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst van
+iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen, dat
+de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal
+smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. &rsquo;t Is
+een onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft.
+Hij drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver
+van dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene
+vijfentwintig jaar, de andere <span class="pagenum">[<a id="pb215"
+href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span>drie&euml;ntwintig jaar oud.
+Uithoofde van dat verval heeft het klooster van de opvoeding der
+kinderen afgezien.</p>
+<p>Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen
+voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen
+binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige
+geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster
+binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo
+nieuw schijnen. &rsquo;t Is de gesloten tuin. <i>Hortus conclusus.</i>
+Wij hebben van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied
+gesproken, ten minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid
+vereenigbaar zijn. Wij begrijpen niet alles, maar wij spotten met
+niets. Wij zijn evenver van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven,
+die ten laatste zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach
+van Voltaire, die zelfs het kruis bespot.</p>
+<p>&rsquo;t Was, in &rsquo;t voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van
+Voltaire; want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als
+hij Calas verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het
+kruis, zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen?
+De vermoording van een wijze.</p>
+<p>De godsdienstige id&eacute;e ondergaat in de negentiende eeuw een
+crisis. Men verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats
+van &rsquo;t verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in
+&rsquo;t menschelijk hart zijn. Veel wordt gesloopt, en &rsquo;t is
+goed dat men het sloope, mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.</p>
+<p>Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn.
+&rsquo;t Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te
+vermijden. De namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en
+noemen zich gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht
+lichtelijk zijn pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij
+voorzichtig. Het verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een
+masker, de geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het
+masker af.</p>
+<p>De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie
+van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze
+beschermt. <span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name=
+"pb217">217</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Boek VII.</h2>
+<h2 class="main">Parenthesis.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name=
+"pb219">219</a>]</span>
+<div id="ch7.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het klooster, als abstracte id&eacute;e.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Dit boek is een drama, waarvan het oneindige de
+hoofdpersoon is.</p>
+<p>De tweede persoon is de mensch.</p>
+<p>Dit gesteld, en wijl een klooster op onzen weg lag, zijn wij er
+moeten binnengaan. Waarom? Wijl het klooster, zoowel eigen aan het
+Oosten als aan het Westen, aan den ouden als aan den nieuweren tijd,
+aan het heidendom, aan het boudhisme, aan het mahomedanisme, aan het
+Christendom, een optisch werktuig is, dat de mensch op het oneindige
+richt.</p>
+<p>&rsquo;t Is hier de plaats niet om wijdloopig sommige idee&euml;n te
+ontwikkelen; evenwel moeten wij&mdash;ons alle uitzonderingen en zelfs
+onze verontwaardiging bepaald voorbehoudende,&mdash;zeggen dat, telkens
+wanneer wij in den mensch het, goed of kwalijk begrepen, oneindige
+ontmoeten, wij ons van eerbied doordrongen gevoelen. In de synagoge, in
+de moskee, in de pagode, in de wigwam is een afschuwelijke zijde, welke
+wij verfoeien, maar ook een verhevene zijde, welke wij vereeren. Welk
+een bespiegeling voor den geest en welke peillooze overdenking is niet
+de weerkaatsing van God in den mensch!</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het klooster als historisch feit.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Uit het gezichtspunt der geschiedenis, der rede en der
+waarheid is het kloosterleven verwerpelijk.</p>
+<p>De kloosters, zoo zij bij een natie te talrijk zijn, zijn als
+knoopen, die den band der samenleving belemmeren, &rsquo;t zijn
+hinderende gebouwen, middelpunten van luiheid, d&aacute;&aacute;r waar
+<span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name=
+"pb220">220</a>]</span>middelpunten van werkzaamheid zijn moesten. De
+kloostergemeenschap is voor de groote maatschappij wat de mistel voor
+den eik, wat de wrat voor het menschelijk lichaam is. Hun bloei en hun
+omvang verarmen het land. De kloosterregel, goed in de kindsheid der
+beschaving, nuttig om door het geestelijke de ruwheid te verminderen,
+is schadelijk voor den mannelijken leeftijd der volken. Maar wanneer
+hij verslapt en een tijdperk van ongeregeldheden intreedt, wanneer hij
+dan nog voortgaat tot voorbeeld te dienen, wordt hij nadeelig, om
+dezelfde redenen die hem in het tijdperk zijner zuiverheid heilzaam
+deden zijn.</p>
+<p>De kloosterlijke afzondering heeft haar tijd gehad. De kloosters,
+nuttig voor de eerste opvoeding der nieuwere beschaving, belemmerden
+haar groei en zijn schadelijk voor haar ontwikkeling. Evenzeer als
+instelling en als wijze van vorming voor den mensch zijn de kloosters,
+goed in de tiende eeuw, betwistbaar in de vijftiende, verwerpelijk in
+de negentiende. De klooster-melaatschheid heeft reeds twee schoone
+nati&euml;n, Itali&euml; en Spanje, de eene het licht, de andere de
+luister van Europa, sinds eeuwen tot op het gebeente afgeknaagd, en
+eerst nu, in den tijd, dien wij beleven, begint de genezing dier
+volken, dank zij de heilzame en krachtige gezondheidsleer van 1789.</p>
+<p>Het klooster, in &rsquo;t bijzonder het vroegere vrouwenklooster,
+zooals het bij den aanvang onzer eeuw nog in Itali&euml; en Oostenrijk
+en Spanje verschijnt, is een der somberste voortbrengselen der
+Middeleeuwen. Zoodanig klooster is het vereenigingspunt van alle
+verschrikkingen. Het eigenlijke Katholieke klooster is vol van den
+zwarten glans des doods. Bovenal het Spaansche klooster is treurig.
+Daar verheffen zich in de duisternis, onder donkere gewelven, in
+nevelen gehulde koepeldaken, babylonische, kolossale altaren, zoo hoog
+als de kerken; daar hangen aan kettingen, in diepe duisternis, groote
+witte crucifixen, daar liggen op het ebbenhout groote naakte, meer dan
+bloedige, bloedende ivoren Christusbeelden uitgestrekt, afgrijselijk en
+toch heerlijk, wier ellebogen de knoken, wier knieschijven de vliezen,
+wier wonden het vleesch vertoonen, gekroond met zilveren doornen, vast
+gespijkerd met gouden nagels, met bloeddroppels van robijnen op het
+voorhoofd en diamanten tranen in de oogen.</p>
+<p>Do diamanten en robijnen schijnen vloeiend, en doen beneden, in de
+schaduw, gesluierde wezens weenen, wier lendenen gestriemd en verwond
+zijn door den geesel met ijzeren punten en het haren kleed, wier
+borsten door het teenen vlechtwerk plat zijn gedrukt, wier knie&euml;n
+door het gebed ontveld zijn; vrouwen, die zich echtgenooten wanen,
+spoken die serafijnen <span class="pagenum">[<a id="pb221" href=
+"#pb221" name="pb221">221</a>]</span>meenen te zijn. Denken deze
+vrouwen? Neen. Hebben zij een wil? Neen. Beminnen zij? Neen! Leven zij?
+Neen. Haar zenuwen zijn been geworden, haar gebeente is versteend. Haar
+sluier is uit nacht geweven. Onder dien sluier gelijkt haar adem
+eenigerwijs den akeligen ademtocht des doods. De abdis, een spooksel,
+zegent en verstijft ze van schrik. Daar is het onbevlekte woest.
+Z&oacute;&oacute; zijn de oude kloosters in Spanje, verblijven van
+schrikbarende godsvrucht, spelonken van maagden, ontzettende
+plaatsen.</p>
+<p>Het Katholieke Spanje was meer roomsch dan Rome zelf. Bij
+uitnemendheid was het Spaansche klooster het Katholieke klooster. Men
+rook er het Oosten. De aartsbisschop, de <span class="corr" id=
+"xd20e4588" title="Bron: kislar-aga">kizlar-aga</span> des hemels,
+grendelde en bewaakte dat voor God bewaarde zielen serail. De non was
+de odaliske, de priester de gesnedene. De vurigste werden in den droom
+uitverkoren en bezaten Christus. Des nachts daalde de fraaie, naakte
+jonge man van het kruis, en werd de verrukking der cel. Hooge muren
+behoedden voor iedere verstrooidheid de geheimzinnige sultane, die den
+gekruisigde tot sultan had. Een blik naar buiten was een ontrouw. Het
+<i lang="la">in pace</i> verving den lederen zak. Wat men in het oosten
+in zee wierp, werd in het westen in de aarde geworpen. Hier zoowel als
+daar, wrongen vrouwen de handen; de golf voor deze, het graf voor de
+andere; hier verdronkenen, daar begravenen. Gruwzame gelijkenis.</p>
+<p>Nu de verdedigers van het verleden deze feiten niet meer kunnen
+loochenen, beginnen zij er om te lachen. Men heeft een zeer
+gemakkelijke, maar zonderlinge wijze in de mode gebracht om de
+openbaringen der geschiedenis van de hand te zetten, de verklaringen
+der wijsgeeren te verminken, en alle hinderlijke feiten en sombere
+kwesti&euml;n te ontgaan. &bdquo;Stof tot declameeren,&rdquo; zeggen de
+behendigen. Declamati&euml;n, herhalen de dommen. Jean Jacques Rousseau
+declameert; Diderot declameert; Voltaire declameert over Calas, Labarre
+en Sirven. Ik weet niet wie onlangs ontdekt heeft, dat Tacitus een
+declamateur, dat Nero een offer was, en dat men waarlijk met dien armen
+Holofernus medelijden moest hebben.</p>
+<p>De feiten zijn intusschen moeielijk ter zijde te stellen en staan
+vast.</p>
+<p>De schrijver van dit boek heeft met zijn eigen oogen, acht uren van
+Brussel, in de abdij van Villers, iets uit de Middeleeuwen gezien, dat
+in ieders bereik ligt&mdash;in het midden van &rsquo;t geen toen de
+kloosterhof was, aan den oever der Dyle, het <i lang="la">in pace</i>,
+vier steenen cachotten, half in den grond half in het water gebouwd.
+Ieder dezer cachotten heeft nog het overblijfsel van een ijzeren deur,
+een geheim gemak, en een getralied <span class="pagenum">[<a id="pb222"
+href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span>luchtgat, dat buiten twee
+voet boven de rivier, binnen zes voet boven den grond is. Langs den
+muur stroomt de rivier ter hoogte van vier voet. De bodem is altijd
+vochtig. De bewoner van het <i lang="la">in pace</i> had dezen
+vochtigen bodem tot bed. In een dezer cachotten bevindt zich nog een
+brok van een in den muur gemetselden halsboei; in een ander ziet men
+een soort van vierkante kast, van vier steenen samengesteld, die te
+kort is om er in te kunnen liggen, te laag om er in te staan. Daarin
+stak men een mensch en legde er een steenen deksel op. Het bestaat nog.
+Men ziet, men betast het. Deze <i lang="la">in paces</i>, deze
+cachotten, deze ijzeren hengels, deze halsboeien, dit lage luchtgat
+vlak boven de rivier, deze met een granieten deksel als een graf
+gesloten steenen kist, met dit verschil dat daarin de doode levend was,
+deze bodem van slijk, dit rioolgat, deze zweetende muren&mdash;hoe
+&bdquo;declameeren&rdquo; zij!</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Op welke voorwaarden men het verleden kan
+eerbiedigen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Het kloosterwezen, zooals dat in Spanje bestond en in
+Thibet bestaat, is voor de beschaving een soort van tering. Het stremt
+het leven; het ontvolkt. Voor Europa is &rsquo;t een geesel geweest.
+Voeg daarbij het zoo dikwerf geweld aangedane geweten, de gedwongen
+roeping voor het klooster, het feodaalwezen steunende op het klooster,
+het eerstgeboorterecht, dat het te veel der familie aan het klooster
+overgaf, de wreedheden, waarvan wij gesproken hebben, de <i>in
+pace</i>, de gesloten monden, het inmetselen, zoovele ongelukkigen in
+den kerker der eeuwige geloften geworpen, de aanneming van het
+kloostergewaad, de begraving van levende zielen! Voeg hierbij, al naar
+den trap van verlaging der nati&euml;n, de persoonlijke straffen, en
+wie ge zijn moogt, ieder zal beven voor de pij en den sluier, voor deze
+twee lijkdoeken van menschelijke uitvinding.</p>
+<p>Evenwel, in weerwil der wijsbegeerte, in weerwil van den
+vooruitgang, blijft op enkele punten, en in zekere oorden de
+kloostergeest nog in &rsquo;t midden der negentiende eeuw volharden, en
+een zonderlinge verlevendiging van het asc&eacute;tisme verbaast thans
+de beschaafde wereld. De halsstarrigheid der verouderde instellingen om
+te blijven bestaan gelijkt de ransig geworden pommade, die ons haar met
+geweld welriekend wil maken, de eisch van den bedorven visch, die
+gegeten wil worden, van het kinderkleed dat den volwassen man zou
+willen dekken, <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name=
+"pb223">223</a>]</span>en de liefde der lijken die zouden wederkomen om
+de levenden te omhelzen.</p>
+<p>Ondankbaren! zegt de kleeding. Ik heb u in &rsquo;t slechte weder
+beschermd. Waarom wilt ge mij niet meer? Ik kom uit de verre zee, zegt
+de visch. Ik ben roos geweest, zegt de pommade. Ik heb u bemind, zegt
+het lijk. Ik heb u beschaafd, zegt het klooster.</p>
+<p>Hierop slechts dit antwoord: Voorheen!</p>
+<p>&rsquo;t Schijnt zonderling, wanneer men aan den onbepaalden duur
+van gestorven dingen en van menschelijke heerschappij door inbalseming
+gelooft; wanneer men de bouwvallige leerstukken herstelt, de
+straalkransen opnieuw verguldt, de kloostermuren wit, de reliquikasten
+opnieuw wijdt, het bijgeloof versterkt, het fanatisme aanvuurt, nieuwe
+stelen en handvatsels aan wijwaterskwasten en sabels maakt, het
+kloosterdom en de militaire oppermacht weder opricht, wanneer men aan
+het heil der maatschappij gelooft door de woekerplanten te
+vermeerderen, en het verledene aan het tegenwoordige opdringt. En
+echter zijn er voorstanders dezer theorie&euml;n. Deze theoretici,
+overigens schrandere lieden, handelen zeer eenvoudig; zij leggen op het
+verledene een vernis, &rsquo;t welk zij maatschappelijke orde,
+goddelijk recht, zedelijkheid, familie, eerbied voor de voorouders, oud
+gezag, heilige overleveringen, legitimiteit, godsdienst noemen, en zij
+roepen: Ziet! neemt dit, goede lieden!&mdash;Deze logica kenden reeds
+de ouden. De wichelaars gebruikten ze. Zij bestreken een zwarte vaars
+met krijt en zeiden: zij is wit. <i lang="la">Bos cretatus.</i></p>
+<p>Wat ons aangaat, wij eerbiedigen het een en ander van&mdash;en
+sparen geheel&mdash;het verledene, mits het zich tevreden houdt dood te
+zijn. Zoo het levend wil zijn, vallen wij het aan en trachten het dan
+te dooden.</p>
+<p>Bijgeloof, bigotterie, kwezelarij, vooroordeel, deze spooksels,
+hoewel zij spooksels zijn, hebben een taai leven, zij hebben tanden en
+nagels; men moet ze een voor een aangrijpen en verstikken, hen
+bestrijden en onvermoeid bestrijden; want &rsquo;t is het lot des
+menschen eeuwig in strijd met spookbeelden te zijn. Een schim is
+moeielijk bij de keel te grijpen en neder te werpen.</p>
+<p>Een klooster in Frankrijk in den vollen middag der negentiende eeuw
+is een uilennest, dat het daglicht durft tarten. Een ascetisch
+klooster, dat in het midden der stad van 89, van 1830 en van 1848, Rome
+in Parijs doet bloeien, is een anachronisme. In gewone tijden behoeft
+men, om een anachronisme op te lossen en te doen verdwijnen, het
+slechts het jaartal voor te spellen. Maar wij leven in geen gewonen
+tijd. <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name=
+"pb224">224</a>]</span></p>
+<p>Laat ons strijden!</p>
+<p>Laat ons strijden, maar met verstand. De waarheid heeft het
+eigenaardige, dat zij nooit buitensporig is. Waarom zou zij
+overdrijven? Er zijn dingen die vernietigd, er zijn andere dingen die
+eenvoudig toegelicht en beschouwd moeten worden. Welk een kracht heeft
+een welwillend, ernstig onderzoek!</p>
+<p>Brengen wij geen vlam d&aacute;&aacute;r waar het licht voldoende
+is.</p>
+<p>In de negentiende eeuw zijn wij dus over &rsquo;t algemeen, bij alle
+volken, in Azi&euml; evenals in Europa, in Indi&euml; evenals in
+Turkije, tegen de kloosters en het ascetisme. De kloosters gelijken
+moerassen. Hun overgang tot bederf is duidelijk, hun stilstand is
+ongezond; hun gisting maakt de volken koortsig en verzwakt ze; hun
+vermenigvuldiging wordt een egyptische plaag. Niet zonder huivering
+kunnen wij aan die landen denken, waar het van fakirs, bonzen, santons,
+caloyers, marabouts, talapoins en dervischen als van ongedierte
+wemelt.</p>
+<p>Er blijft dus de godsdienstige vraag over. Deze vraag heeft
+verschillende geheimzinnige, schier vreeselijke zijden: het zij ons
+vergund ze nader te beschouwen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het klooster uit het gezichtspunt van beginselen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Menschen vereenigen zich en wonen gemeenschappelijk.
+Volgens welk recht? Volgens het recht van vereeniging.</p>
+<p>Zij sluiten zich op. Volgens welk recht? Volgens het recht dat ieder
+mensch heeft om zijn deur te sluiten of te openen.</p>
+<p>Zij gaan niet uit. Volgens welk recht? Volgens het recht van te gaan
+en te zijn, naar verkiezing; &rsquo;t welk het recht van te huis te
+blijven insluit.</p>
+<p>Te huis, wat doen zij d&aacute;&aacute;r?</p>
+<p>Zij spreken zacht; slaan de oogen neder; werken. Zij verzaken de
+wereld, de steden, het zingenot, de vermaken, de ijdelheden, den
+hoogmoed, het eigenbelang. Zij zijn in grof linnen of in grove wol
+gekleed. Niemand hunner bezit iets in eigendom. Bij zijn intrede maakt
+hij die rijk was zich arm. Wat hij bezit, geeft hij aan allen. Hij die,
+zooals men &rsquo;t heet, van adel, edelman en heer was, is de gelijke
+van hem, die boer was. De cel is voor allen dezelfde. Allen ondergaan
+dezelfde kruinschering, dragen dezelfde pij, eten hetzelfde zwarte
+brood, slapen op hetzelfde stroo, sterven op dezelfde asch. Zij dragen
+denzelfden zak op den rug, hetzelfde koord <span class=
+"pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name="pb225">225</a>]</span>om
+de lendenen. Zoo men overeengekomen is barvoets te gaan, gaan allen
+barvoets. Is er een prins, die prins is dezelfde schim als de anderen.
+Geen titels. Zelfs de familienamen zijn verdwenen. Zij hebben slechts
+voornamen. Allen gaan gebogen onder de gelijkheid der doopnamen. Zij
+hebben de vleeschelijke familie ontbonden en in hun gemeenschap de
+geestelijke familie aangenomen. Zij hebben geen andere verwanten meer
+dan alle menschen. Zij helpen de armen, verplegen de kranken. Zij
+verkiezen hen, wien zij gehoorzamen. De een zegt tot den ander
+&bdquo;mijn broeder.&rdquo;</p>
+<p>Valt mij niet in de rede met de woorden: &bdquo;dit is een
+denkbeeldig klooster!&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Is voldoende dat het een mogelijk klooster zij, om &rsquo;t
+in aanmerking te nemen.</p>
+<p>&rsquo;t Is ook om die reden, dat ik in &rsquo;t voorgaande boek op
+eerbiedige wijze van een klooster gesproken heb. De middeleeuwen en
+Azi&euml; er buiten gelaten, en met voorbehoud der historische en
+politieke kwestie, beschouw ik, uit een zuiver, wijsgeerig oogpunt, de
+kloosterlijke samenleving, mits zij volkomen vrijwillig gekozen wordt,
+steeds met een gevoel van belangstelling en in sommige opzichten, van
+eerbied. Waar de gemeenschap is, is de gemeente, waar de gemeente is,
+is het recht. Het kloosterleven is de uitkomst der woorden: gelijkheid,
+broederschap! O, hoe grootsch is de vrijheid; welke schitterende
+herscheppingen bewerkt zij. De vrijheid is machtig om het klooster in
+een republiek te herscheppen.</p>
+<p>Gaan wij verder.</p>
+<p>Maar deze mannen, of deze vrouwen, de achter deze vier muren
+zittenden, kleeden zich in grove wol, allen zijn gelijk, zij noemen
+elkander broeders en zusters. Goed; maar doen zij nog iets anders?</p>
+<p>Ja.</p>
+<p>Wat?</p>
+<p>Zij beschouwen de duisternis, zij knielen, en vouwen de handen
+samen.</p>
+<p>Wat beteekent dat?</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het gebed.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zij bidden.</p>
+<p>Tot wien?</p>
+<p>Tot God. <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name=
+"pb226">226</a>]</span></p>
+<p>Wat beteekent, tot God bidden?</p>
+<p>Bestaat een oneindige buiten ons? Is dat oneindige
+&eacute;&eacute;n, blijvend, eeuwig, noodzakelijk zelfstandig, wijl het
+oneindig is, en begrensd moest zijn, zoo het het stoffelijke miste;
+<span class="corr" id="xd20e4704" title=
+"Bron: noodzalijk">noodzakelijk</span> intelligent, wijl het oneindig
+is, en het eindigen zou zoo het de intelligentie miste. Wekt dit
+oneindige in ons het denkbeeld van uitvloeisel, terwijl wij ons zelven
+slechts het denkbeeld van bestaan kunnen toeschrijven? Met andere
+woorden, is het niet het volstrekte, waarvan wij het betrekkelijke
+zijn.</p>
+<p>Is nu niet een oneindig in ons, evenals een oneindig buiten ons is?
+Plaatsen zich deze twee oneindigen (welk een <span class="corr" id=
+"xd20e4709" title="Bron: onzettend">ontzettend</span> meervoud?) niet
+het een boven het ander. Is het tweede oneindige, om zoo te spreken,
+niet aan het eerste onderworpen? is het er de spiegel, de weerkaatsing,
+de echo niet van, een afgrond in een anderen afgrond? Is ook dat tweede
+oneindige intelligent? Denkt het, bemint het, heeft het een wil? Zoo de
+twee oneindigen intelligent zijn, heeft ook ieder hunner een wil, en in
+het oneindige boven is een &bdquo;ik&rdquo;, evenals in &rsquo;t
+oneindige beneden. Het <i>ik</i> beneden is de ziel; het <i>ik</i>
+boven is God.</p>
+<p>Bidden is nu: door de gedachten het oneindige beneden met het
+oneindige boven in aanraking brengen.</p>
+<p>Ontnemen wij den menschelijken geest niets; ontnemen deugt niet. Men
+moet hervormen en herscheppen. Sommige geestvermogens van den mensch
+zijn naar het onbekende gericht; de gedachte, de bespiegeling, het
+gebed. Het onbekende is een oceaan. Wat is het geweten? &rsquo;t Is het
+kompas in het onbekende. Gedachte, bespiegeling, gebed zijn
+geheimzinnige stralen. Eerbiedigen wij ze. Waarheen gaan deze verhevene
+stralen der ziel? naar het duister; of liever gezegd naar het
+licht.</p>
+<p>De grootheid der democratie bestaat in niets van de menschheid te
+loochenen en niets te verloochenen. Naast het recht van den mensch,
+staat, ten minste even hoog, het recht der ziel.</p>
+<p>De wet is het fanatisme te vernietigen, en het oneindige te
+vereeren. Bepalen wij er ons niet bij, voor den boom
+&bdquo;schepping&rdquo; te knielen en zijn groote gesternde takken te
+aanschouwen. &rsquo;t Is onze plicht aan de menschelijke ziel te
+arbeiden, het geheim tegen het wonder te beschermen, het
+onbegrijpelijke te aanbidden, het bespottelijke te verwerpen, slechts
+van het onverklaarbare het noodzakelijke toe te staan, het geloof te
+veredelen, den godsdienst van bijgeloovigheden te zuiveren; van God een
+helder begrip te vormen. <span class="pagenum">[<a id="pb227" href=
+"#pb227" name="pb227">227</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het volstrekt nut van het gebed.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Wat de wijze van bidden betreft; iedere wijze is goed,
+zoo zij slechts oprecht zij. Men draaie het boek om, en is toch in het
+oneindige.</p>
+<p>Er is een wijsbegeerte, wij weten het, die het oneindige loochent.
+Er is ook een ziekelijke filosofie, die de zon loochent; deze filosofie
+heet blindheid.</p>
+<p>Van een zintuig, dat ons ontbreekt, de bron der waarheid te maken,
+is als de overtuiging van den blinde. Merkwaardig is die hoogmoedige,
+aanmatigende, en medelijdende houding, welke deze in &rsquo;t blinde
+tastende filosofie tegenover de wijsbegeerte aanneemt, die God ziet.
+Men meent een mol te hooren roepen: Hoe kunnen zij zoo dwaas zijn, aan
+een zon te gelooven?</p>
+<p>Er zijn, wij erkennen het, beroemde, geleerde Athe&iuml;sten. Maar
+deze, die hun eigen macht alleen tot de waarheid voert, zijn in den
+grond zelf niet zeker of zij wel Athe&iuml;sten zijn; &rsquo;t is voor
+hen niet veel meer dan een punt van definitie; in allen gevalle,
+gelooven zij niet aan God, als groote geesten bewijzen zij het bestaan
+van God.</p>
+<p>Hen begroeten wij als wijsgeeren, hoewel wij onverbiddelijk hun
+filosofie veroordeelen.</p>
+<p>Verder:</p>
+<p>&rsquo;t Is verwonderlijk hoe gemakkelijk men zich met woorden kan
+tevreden stellen. Een noordsche, bovennatuurkundige, min of meer
+nevelachtige school, heeft gemeend in het menschelijk verstand een
+omwenteling te bewerken, door voor het woord &bdquo;kracht&rdquo; het
+woord &bdquo;wil&rdquo; te stellen.</p>
+<p>Te zeggen: de plant wil; in plaats van: de plant groeit; &rsquo;t
+zou inderdaad vrucht dragen, zoo men er bij voegde: de wereld wil.
+Waarom? wijl er dit uit zou volgen: de plant wil, zij heeft dus een ik;
+de wereld wil, zij heeft dus een God.</p>
+<p>Voor ons evenwel, die in tegenoverstelling met deze school, niets
+&agrave; priori verwerpen, schijnt een wil in de plant, door deze
+school geleerd, moeielijker aan te nemen, dan een wil in de wereld,
+dien zij loochent.</p>
+<p>Den wil van het oneindige, dat is van God, te loochenen, kan niet
+geschieden zonder het oneindige te loochenen. Wij hebben het
+bewezen.</p>
+<p>De loochening van het oneindige voert regelrecht naar het
+&bdquo;nihilisme.&rdquo; Alles wordt &bdquo;een begrip des
+geestes.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228"
+name="pb228">228</a>]</span></p>
+<p>Met het nihilisme is geen discussie mogelijk. Want de logische
+nihilist twijfelt dat zijn tegenpartij bestaat, en is zelfs niet eens
+zeker of hij zelf wel bestaat.</p>
+<p>Uit zijn gezichtspunt is het mogelijk, dat hij voor zich zelven
+niets anders zij dan &bdquo;een begrip van zijn geest.&rdquo;</p>
+<p>Intusschen ziet hij niet, dat hij al het door hem geloochende in
+zijn geheel toestaat, alleen door het woord &bdquo;geest&rdquo; te
+noemen. Kortom, een filosofie die alles op het woordje
+&bdquo;neen&rdquo; laat uitloopen, laat geen weg voor de gedachte
+open.</p>
+<p>Voor neen, is slechts een antwoord: ja.</p>
+<p>Het nihilisme heeft geen gevolg.</p>
+<p>Er is geen niet. Nul bestaat niet. Alles is iets. Niets is
+niets.</p>
+<p>De mensch leeft meer nog van overtuiging dan van brood.</p>
+<p>&rsquo;t Is niet voldoende te zien en te bewijzen. De wijsbegeerte
+moet kracht hebben, en de verbetering van den mensch haar doel en
+streven wezen. Socrates moet in Adam dringen en Marcus Aurelius
+voortbrengen; met andere woorden, uit den gelukkigen mensch den wijzen
+mensch tevoorschijn brengen; het Paradijs in een school veranderen. De
+wetenschap moet een versterking des harten zijn. Genieten! Welk een
+treurig doel en nietige eerzucht. Het dier geniet. Denken is de ware
+triumf der ziel. De gedachte naar den dorst der menschen te richten,
+aan allen de kennis Gods in te geven, onder hen het geweten en de
+wetenschap te verbroederen, hen door deze geheimzinnige verbroedering
+rechtvaardig te maken, ziedaar de taak der ware wijsbegeerte. De moraal
+is een ontluiking van waarheden. Beschouwing voert tot handelen. Het
+positieve moet practisch zijn. Het ideale moet voor den menschelijken
+geest adembaar, drinkbaar en eetbaar zijn. Het ideale heeft het recht
+te zeggen: &bdquo;Neem, dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed.&rdquo;
+De wijsheid is een heilige gemeenschap. Op deze voorwaarde houdt zij
+op, een dorre liefde voor de wetenschap te zijn, om de eenige,
+oppermachtige wijze der menschelijke verbroedering en van wijsbegeerte
+tot godsdienst bevorderd te worden.</p>
+<p>De wijsbegeerte moet geen rustplaats zijn voor het geheimzinnige, om
+het op zijn gemak te kunnen beschouwen, zonder andere vrucht dan de
+nieuwsgierigheid te bevredigen.</p>
+<p>Terwijl wij echter de ontwikkeling onzer gedachte tot een andere
+gelegenheid uitstellen, bepalen wij ons bij de opmerking, dat wij den
+mensch noch als uitgangspunt, noch den vooruitgang als doel begrijpen,
+zonder deze twee drijfveeren: gelooven en beminnen.</p>
+<p>De vooruitgang is het doel, het ideaal is de type.</p>
+<p>Wat is het ideaal? God! <span class="pagenum">[<a id="pb229" href=
+"#pb229" name="pb229">229</a>]</span></p>
+<p>Het ideaal, het volstrekte, het volmaakte, het oneindige;&mdash;zijn
+alle woorden van dezelfde beteekenis.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Voorzorgen tegen berisping.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De geschiedenis en de wijsbegeerte hebben eeuwige
+plichten, die tevens eenvoudige plichten zijn; Cajaphas als bisschop,
+Draco als rechter, Trimalcion als wetgever, Tiberius als keizer te
+bestrijden, is klaar en duidelijk, zonder eenige duisternis. Maar het
+recht om afgezonderd te leven, zelfs met zijn bezwaren en misbruiken,
+wil bevestigd en vergund zijn.</p>
+<p>Wanneer men van de kloosters spreekt, van deze plaatsen van dwaling
+of onnoozelheid, van verbijstering of goeden wil, van onwetendheid of
+zelfopoffering, van straf of martelaarschap, moet men schier altijd ja
+en neen, beide, zeggen.</p>
+<p>Een klooster is een tegenstrijdigheid. Als doel, de zaligheid; als
+middel, de opoffering. Het klooster is de verhevenste zelfzucht, die
+tot de verhevenste zelfverloochening voert.</p>
+<p>Afstand te doen om te heerschen, schijnt de leus van het
+kloosterwezen te zijn.</p>
+<p>In het klooster lijdt men om te genieten. Men trekt een wissel op de
+eeuwigheid. Men disconteert voor aardsche duisternis hemelsch licht. In
+het klooster wordt bij voorbaat de hel aangenomen, om den hemel te
+erven.</p>
+<p>Het nemen van den sluier of de pij is een zelfmoord, die met de
+eeuwigheid wordt beloond.</p>
+<p>Wij meenen, dat bij zulk een onderwerp geen scherts te pas komt.
+Alles is er ernstig, zoowel het goede als het kwade.</p>
+<p>De weldenkende fronst de wenkbrauwen, maar glimlacht niet
+boosaardig. Wij begrijpen den tegenstand, niet de kwaadwilligheid.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Geloof, wet.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Nog eenige woorden.</p>
+<p>Wij laken de kerk, wanneer zij van kuiperijen vervuld is; wij
+verachten het geestelijke, dat op het wereldlijke aast; maar alom eeren
+wij den denkenden mensch. <span class="pagenum">[<a id="pb230" href=
+"#pb230" name="pb230">230</a>]</span></p>
+<p>Wij buigen ons voor ieder die knielt.</p>
+<p>Een geloof is voor den mensch noodzakelijk. Wee hem die niets
+gelooft!</p>
+<p>Men is niet werkeloos als men zich in zijn gedachten verdiept. Er is
+een zichtbare en een onzichtbare arbeid.</p>
+<p>Beschouwen is ploegen; denken is handelen. De over elkander geslagen
+armen, de saamgevouwen handen doen iets. Ook de ten hemel gerichte blik
+is een werk.</p>
+<p>Thales bleef vier jaren onbewegelijk. Hij vestigde de
+wijsbegeerte.</p>
+<p>Voor ons zijn de kloosterlingen geen lediggangers, en de eenzamen
+geen luiaards.</p>
+<p>Over de duisternis te denken is iets zeer ernstigs.</p>
+<p>Zonder iets van &rsquo;t geen wij gezegd hebben terug te nemen,
+gelooven wij, dat het den levenden betaamt gestadig aan het graf te
+denken. Hieromtrent zijn priester en wijsgeer het eens. &bdquo;Men moet
+sterven.&rdquo; De abt van la Trappe is eenstemmig met Horatius.</p>
+<p>Iets van het graf in zijn leven te mengen is de wet van den wijze;
+&rsquo;t is de wet van den asceet. Beiden ontmoeten elkander
+hierin.</p>
+<p>Er is stoffelijke wasdom; dezen willen wij. Er is ook zedelijke
+grootheid; haar vereeren wij.</p>
+<p>Onbedachtzame en oppervlakkige geesten vragen:</p>
+<p>&bdquo;Waartoe deze beweginglooze figuren naast het geheimzinnige?
+Waartoe dienen zij? Wat doen zij?&rdquo;</p>
+<p>Helaas, in de duisternis die ons omgeeft en ons wacht, niet wetende
+wat de onmetelijke verspreiding van ons maken zal, antwoorden wij:
+&bdquo;Er is misschien niets verhevener dan &rsquo;t geen deze zielen
+doen.&rdquo; En wij voegen er bij: &bdquo;Er is misschien niets
+nuttiger.&rdquo;</p>
+<p>Zij die altijd bidden, bidden mede voor hen, die nooit bidden.</p>
+<p>Voor ons komt alles op de gedachten aan, die zich aan het gebed
+paren.</p>
+<p>&rsquo;t Is grootsch als Leibnitz bidt; &rsquo;t is schoon als
+Voltaire aanbidt. <i lang="la">Deo exerit Voltaire.</i></p>
+<p>Wij zijn v&oacute;&oacute;r den godsdienst, tegen de
+godsdiensten.</p>
+<p>Wij behooren tot hen die aan de armzaligheid der formuliergebeden,
+en aan de verhevenheid van het gebed gelooven.</p>
+<p>In de tegenwoordige minuut, overigens, die gelukkig aan de
+negentiende eeuw haar gestalte niet zal achterlaten; in dit uur, nu zoo
+velen het hoofd laag en de ziel niet hoog hebben; onder zoovelen wier
+zedenleer genieten heet, en die zich slechts met het kortstondige,
+wanstaltige, stoffelijke bezighouden,&mdash;schijnt ons ieder
+eerwaardig, die zich zelven verbant. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span>Dit klooster is een
+verloochening. Het offer, het moge verkeerd gebracht zijn, is evenwel
+een offer. &rsquo;t Is grootsch, een strenge dwaling als plicht te
+beschouwen.</p>
+<p>Op zich zelf en als ideaal beschouwd, en om de waarheid door een
+onpartijdig onderzoek van al de zienswijzen te ontdekken, heeft het
+klooster&mdash;bovenal het vrouwenklooster&mdash;want in onze
+maatschappij lijdt de vrouw het meest, en in de ballingschap des
+kloosters ligt een protest&mdash;onbetwistbaar iets majestueus.</p>
+<p>Dit zoo streng en treurig kloosterlijk leven, waarvan wij eenige
+trekken hebben geschetst, is geen leven, want &rsquo;t is geen
+vrijheid; &rsquo;t is geen graf, want &rsquo;t is niet de voleindiging
+des levens; &rsquo;t is het zonderling oord, waar men, als van den top
+eens hoogen bergs, aan den eenen kant de diepte ziet waar wij zijn, aan
+den anderen kant de diepte waar wij komen zullen; &rsquo;t is een enge,
+nevelachtige grens, die twee werelden scheidt, en te gelijker tijd door
+beide verlicht en verduisterd wordt; waar de verflauwde straal des
+levens met de schemerende straal des doods samensmelt; &rsquo;t is de
+flikkering van het graf.</p>
+<p>Wij, die niet gelooven wat deze vrouwen gelooven, doch evenals zij
+in het geloof leven, nooit hebben wij, zonder een soort van
+godsdienstige, teedere huivering, zonder een soort van bewonderend
+medelijden, deze nederige en verheven zielen aanschouwd, welke zelfs op
+den rand dezer geheimenis durven leven, wachtende tusschen de wereld,
+die gesloten, en den hemel, die niet geopend is, gekeerd naar het
+licht, dat men niet ziet, slechts gelukkig in de meening te weten waar
+het is, naar den afgrond en het onbekende strevende, met het oog op de
+strakke duisternis gericht, geknield, bewogen, verstommend, bevend en
+in sommige oogenblikken door de diepe ademtocht der eeuwigheid
+opgeheven. <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name=
+"pb233">233</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div0">
+<h2 class="label">Boek VIII.</h2>
+<h2 class="main">De kerkhoven nemen wat men ze geeft.</h2>
+<span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name=
+"pb235">235</a>]</span>
+<div id="ch8.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Hoe men in het klooster komt.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">&rsquo;t Was in dit huis, waarin Jean Valjean, zooals
+Fauchelevent had gezegd &bdquo;uit den hemel was gevallen.&rdquo;</p>
+<p>Hij was over den muur geklommen, die den hoek der straat Polonceau
+vormt. Het engelengezang, dat hij te midden van den nacht had gehoord,
+was de metten geweest, welke de nonnen zongen; de zaal, welke hij in
+een halve duisternis had gezien, was de kapel; de gestalte, welke hij
+uitgestrekt op den grond had gezien, was de zuster die de gebeden ter
+verzoening verrichtte; het klokje, waarvan de klank hem zoo verbaasd
+had, was de schel, aan de knie van den tuinman, den ouden Fauchelevent,
+gehecht.</p>
+<p>Zoodra Cosette te bed was, hadden Jean Valjean en Fauchelevent,
+gelijk men gezien heeft, voor een vroolijk brandend houtvuur, kaas met
+brood gegeten en een glas wijn gedronken; en daarna, wijl Cosette in
+het eenige bed van het huisje lag, zich ieder op een bos stroo te
+slapen gelegd. V&oacute;&oacute;r hij de oogen sloot, had Jean Valjean
+gezegd: &bdquo;dus moet ik nu hier blijven.&rdquo;&mdash;Deze woorden
+hadden den ganschen nacht Fauchelevent door &rsquo;t hoofd gewoeld.</p>
+<p>Om de waarheid te zeggen, had geen van beiden geslapen.</p>
+<p>Jean Valjean, bewust dat hij ontdekt en Javert op zijn spoor was,
+begreep, dat Cosette en hij verloren waren, zoodra zij Parijs weder
+ingingen. Wijl nu de nieuwe storm, die over hem was gegaan, hem in het
+klooster had gevoerd, had Jean Valjean geen andere gedachte dan er te
+blijven. Voor een ongelukkige in zijn toestand was dit klooster tevens
+de gevaarlijkste en veiligste plaats, want wijl geen man er mocht
+binnenkomen, zou hij op heeter daad van misdrijf zijn betrapt zoo men
+hem ontdekte, en hij uit het klooster terstond naar de gevangenis zijn
+gekeerd; de veiligste plaats, want zoo hij <span class=
+"pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span>er
+blijven mocht, wie zou hem hier zoeken? Een onmogelijke plaats te
+bewonen was redding.</p>
+<p>Van den anderen kant vermoeide Fauchelevent zich de hersens. Hij
+bekende echter, dat hij er niets van kon begrijpen. Hoe bevond
+Madeleine zich hier, in weerwil der hooge muren? &rsquo;t Is moeielijk,
+over kloostermuren te klimmen; nog moeielijker met een kind. Met een
+kind in de armen is &rsquo;t onmogelijk over een steilen muur te
+stijgen. Wie was dat kind? van waar kwamen beiden? Sedert Fauchelevent
+in het klooster was, had hij van M. sur M. niets meer gehoord en wist
+niets van &rsquo;t geen daar gebeurd was. Vader Madeleine had een
+gezicht, dat van vragen afschrikt, en buitendien dacht Fauchelevent:
+Heiligen neemt men niet in verhoor. De heer Madeleine maakte op hem nog
+denzelfden indruk van vroeger. Maar uit eenige aan Jean Valjean
+ontsnapte woorden, meende de tuinier te mogen besluiten, dat Madeleine,
+waarschijnlijk ten gevolge van den slechten tijd, bankroet had gemaakt
+en door zijn schuldeischers vervolgd werd; of dat hij in een politieke
+zaak was betrokken en zich moest verbergen; welk laatste Fauchelevent
+niet mishaagde, die, als vele landlieden uit het noorden van Frankrijk,
+in den grond bonapartist was. Nu had Madeleine, om zich te verbergen,
+het klooster tot wijkplaats genomen, en &rsquo;t was natuurlijk dat hij
+er blijven wilde. Maar wat Fauchelevent immer onverklaarbaar scheen en
+waarmede hij zich gestadig het hoofd brak, was hoe Madeleine met het
+meisje hier gekomen was. Zij waren er, Fauchelevent zag, voelde, sprak
+hen, en kon het toch niet gelooven. Het onbegrijpelijke was in
+Fauchelevents huisje gekomen. Fauchelevent tastte blindelings voort in
+zijn gissingen en zag niets duidelijk dan dit: Madeleine heeft mij het
+leven gered.</p>
+<p>Deze eenige zekerheid was voldoende en deed hem een besluit
+nemen.</p>
+<p>Hij zeide bij zich zelven: Nu is de beurt aan mij. En hij voegde er
+bij: Madeleine bedacht zich zoo lang niet, toen hij onder de kar moest
+kruipen om mij er uit te halen. En hij besloot Madeleine te redden.</p>
+<p>Evenwel deed hij zich verschillende vragen en antwoorden: Zou ik hem
+redden na &rsquo;t geen hij voor mij heeft gedaan, zoo hij een dief
+ware? Gewis! Zou ik hem redden zoo hij een moordenaar ware? Ook dan.
+Moet ik hem redden, wijl hij zulk een braaf man is? Zekerlijk.</p>
+<p>Maar hem in het klooster te houden, dat was een andere vraag; doch
+Fauchelevent deinsde niet terug voor deze schier hersenschimmige taak.
+Deze arme Picardische landman, die geen andere ladder had dan zijn
+dankbaarheid, zijn goeden <span class="pagenum">[<a id="pb237" href=
+"#pb237" name="pb237">237</a>]</span>wil en een weinig van die oude
+boerensluwheid, ditmaal ten dienste eener edelmoedige daad te werk
+gesteld, ondernam het, de bezwaren van het klooster en de ruwe steilten
+van den regel van den H. Benedictus over te klimmen. Fauchelevent was
+een oud man, die zijn leven lang ego&iuml;st was geweest en aan
+&rsquo;t einde zijner dagen, kreupel, gebrekkig, en geen belang in de
+wereld meer stellende, thans met alle kracht de gelegenheid aangreep
+dankbaar te zijn, en ziende dat er een deugdzame daad was te
+verrichten, er naar haakte als iemand die, op het oogenblik van te
+sterven, in zijn bereik een glas lekkeren wijn, dien hij nooit geproefd
+had, vond en dien gretig drinkt. Men kan hier bijvoegen dat de lucht,
+welke hij reeds sedert eenige jaren in het klooster inademde, het
+persoonlijke in hem vernietigd en een of andere goede daad noodzakelijk
+voor hem had gemaakt.</p>
+<p>Hij nam dus het besluit om zich voor Madeleine op te offeren. Wij
+hebben hem een &bdquo;armen Picardischen boer&rdquo; genoemd. Deze
+benaming is juist, maar onvolledig. Op het punt dezer geschiedenis,
+waar wij thans gekomen zijn, moeten wij den ouden Fauchelevent een
+weinig nader leeren kennen. Hij was boer, maar ook gerechtsschrijver
+geweest; &rsquo;t geen bij zijn sluwheid spitsvindigheid, en bij zijn
+natuurlijkheid scherpzinnigheid voegde. Dewijl hij, uit verschillende
+oorzaken, tegenspoed in zijn zaken ondervond, was hij van
+gerechtsschrijver voerman, en vervolgens daglooner geworden. Maar in
+weerwil der vloeken en zweepslagen, welke, naar &rsquo;t schijnt, de
+paarden noodig hebben, was er iets van den gerechtsschrijver in hem
+achtergebleven. Hij was niet zonder gezond verstand, spraakzaam, iets
+zeldzaams bij de landlieden, en de boeren zeiden van hem: hij praat als
+een advocaat. Fauchelevent was zoo wat half stedeling, half boer, en
+hoewel door het lot zwaar beproefd en versleten, als een kaal geworden
+oude ziel, was hij een vurig man die zijn eerste ingevingen volgt; een
+kostbare hoedanigheid, die belet dat men ooit slecht zij. Zijn gebreken
+en ondeugden, want hij had ze gehad, waren slechts oppervlakkig; kortom
+zijn gezicht was zulk een, dat den opmerker behaagt. Dat oude gezicht
+had geen dier onaangename rimpels boven op het voorhoofd, die
+slechtheid of domheid aanduiden.</p>
+<p>Bij het aanbreken van den dag, nadat hij ontzaggelijk had nagedacht,
+opende Fauchelevent de oogen en zag Madeleine op zijn bos stroo zitten
+en de slapende Cosette aanschouwen. Fauchelevent richtte zich ten halve
+op en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Nu ge hier zijt, hoe zult ge &rsquo;t maken om er weer uit te
+komen?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" name=
+"pb238">238</a>]</span></p>
+<p>Deze woorden gaven volkomen den toestand aan en wekten Jean Valjean
+uit zijn gepeins.</p>
+<p>Beide mannen raadpleegden.</p>
+<p>&bdquo;Vooreerst,&rdquo; zei Fauchelevent, &bdquo;moet ge beginnen
+den voet niet buiten deze kamer te zetten; evenmin het meisje.
+E&eacute;n voetstap in den tuin en wij zijn gesnapt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt op een zeer goed oogenblik gekomen, mijnheer
+Madeleine,&rdquo; hernam Fauchelevent, &bdquo;ik wil zeggen een zeer
+<i>slecht</i>, want eene der dames is ernstig ziek. Men zal daarom niet
+veel naar onze zijde zien. &rsquo;t Schijnt dat zij op sterven ligt,
+want men leest de gebeden van veertig uren. Het geheele klooster is op
+de been. &rsquo;t Geeft drukte. Zij die ligt te sterven is een halve
+heilige. Wij zijn trouwens hier allen bijna heiligen; tusschen mij en
+de nonnen is slechts dit onderscheid, dat zij zeggen: onze cel, en dat
+ik zeg: mijn hok. De gebeden voor de stervenden zullen worden opgezegd,
+en daarna de gebeden voor de overledenen. Voor heden zijn wij alzoo
+gerust, maar voor morgen kan ik niet instaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar,&rdquo; merkte Jean Valjean op, &bdquo;het huisje staat
+tegen den muur en is achter den bouwval verborgen, er zijn boomen voor
+en men kan &rsquo;t van uit het klooster niet zien<span class="corr"
+id="xd20e4929" title="Niet in bron">.</span>&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En de nonnen komen nooit hier,&rdquo; voeg ik er bij.</p>
+<p>&bdquo;Welnu?&rdquo; riep Jean Valjean; en hiermede wilde hij te
+kennen geven, dat men er, naar zijn meening, verborgen kon blijven;
+maar Fauchelevent antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar de meisjes!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke meisjes?&rdquo; vroeg Jean Valjean.</p>
+<p>Juist toen Fauchelevent den mond opende om te verklaren wat hij
+gezegd had, hoorde men &eacute;&eacute;n slag van de klok.</p>
+<p>&bdquo;De non is dood!&rdquo; zeide hij, &bdquo;&rsquo;t is de
+doodsklok.&rdquo;</p>
+<p>En hij wenkte Jean Valjean te luisteren.</p>
+<p>De klok werd weder gehoord.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is de doodsklok, mijnheer Madeleine. Gedurende vier
+en twintig uren, totdat het lijk uit de kerk wordt gedragen, zal de
+klok elke minuut geklept worden.&mdash;Maar als zij spelen! in de
+speeluren behoeft een bal slechts hierheen te rollen, en, trots het
+verbod, komen ze dan hier om te zoeken en alles te doorsnuffelen.
+&rsquo;t Zijn duiveltjes, die cherubijntjes.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wie?&rdquo; vroeg Jean Valjean.</p>
+<p>&bdquo;De meisjes. Voorwaar, ge zoudt spoedig ontdekt zijn. Zij
+zouden schreeuwen: Daar is een man! Maar voor vandaag is er geen
+gevaar. Zij zullen niet spelen, maar den geheelen dag bidden. Gij hoort
+de klok. Zooals ik gezegd heb, iedere minuut een slag. &rsquo;t Is de
+doodsklok.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239"
+name="pb239">239</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Nu begrijp ik u, vader Fauchelevent; er zijn
+pensionnairen.&rdquo;</p>
+<p>En Jean Valjean dacht er bij: Hier zou Cosettes opvoeding reeds
+gevonden zijn.</p>
+<p>Fauchelevent hernam:</p>
+<p>&bdquo;Wel zeker! en die pensionnairen zouden u schreeuwend omringen
+en dan wegloopen! Want een man hier is even goed als de pest. Ge ziet
+wel, dat men mij een bel aan &rsquo;t been heeft gebonden, als aan een
+wild dier.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean was al dieper en dieper in zijn gedachten
+verzonken.&mdash;&bdquo;Dit klooster zou ons kunnen redden,&rdquo;
+prevelde hij. En luid zeide hij:</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar het groote bezwaar is, hoe hier te
+blijven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zei Fauchelevent, &bdquo;&rsquo;t is om hier uit
+te komen.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean voelde het bloed naar zijn hart terugstroomen.</p>
+<p>&bdquo;Hier uit te komen!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, mijnheer Madeleine, om binnen te komen, moet ge eerst
+hier uitgaan.&rdquo;</p>
+<p>Nadat de klok weder eenmaal geslagen had, hernam Fauchelevent:</p>
+<p>&bdquo;Men mag u hier niet zoo vinden. Van waar komt ge? voor mij
+valt ge uit den hemel, want ik ken u; maar voor nonnen is het
+noodzakelijk, dat men door de deur binnenkomt.&rdquo;</p>
+<p>Eensklaps hoorde men een andere klok luiden. &bdquo;Ha!&rdquo; zei
+Fauchelevent, &bdquo;men roept de kapittelmoeders bijeen. Als er eene
+overleden is vergadert altijd het kapittel. Zij is met het aanbreken
+van den dag gestorven. Dan sterft men gewoonlijk. Maar zoudt ge niet
+denzelfden weg kunnen heengaan dien ge gekomen zijt? Ik vraag u dit
+niet, om te weten hoe ge zijt binnengekomen.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean verbleekte, en beefde reeds bij de enkele gedachte van
+in de vreeselijke straat terug te keeren. Men verbeelde zich uit een
+bosch vol tijgers te zijn gekomen en van een vriend den raad te
+ontvangen er in terug te keeren. Jean Valjean stelde zich voor, dat de
+politie nog altijd buiten zocht, dat overal wachten stonden en
+vreeselijke vuisten gereed waren hem bij den kraag te vatten, en dat
+Javert misschien op den hoek der blinde steeg stond.</p>
+<p>&bdquo;Onmogelijk!&rdquo; zeide hij. &bdquo;Houd het er voor, dat ik
+van boven ben gevallen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik geloof het,&rdquo; hernam Fauchelevent. &bdquo;Ge behoeft
+het mij niet te zeggen. De goede God heeft u in Zijn hand genomen om u
+van nabij te bezien en toen weder losgelaten. Maar Hij liet u bij
+vergissing in een vrouwenklooster vallen. Ha, weder gelui. Dit geldt
+den portier, die het bestuur moet gaan verwittigen, dat er een doode
+is, opdat de lijkarts ze kome schouwen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span>Dat alles behoort tot
+de plechtigheid van het sterven. De goede dames zijn op dergelijke
+bezoeken niet gesteld. Een arts is meestal een ongeloovige. Hij licht
+den sluier op. Soms iets anders. Zij roepen ditmaal den arts zeer
+spoedig! wat kan er gebeurd zijn?&mdash;Uw kleine slaapt nog altijd.
+Hoe heet zij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Cosette.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is zij uw dochtertje? of zoudt ge misschien haar grootvader
+zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Zal voor haar gemakkelijk zijn hier uit te komen. Er
+is een deur die op de plaats uitkomt. Ik klop. De portier opent: ik heb
+mijn draagkorf op den rug, de kleine zit er in, en ik ga uit. &rsquo;t
+Is zeer natuurlijk, dat Fauchelevent met zijn draagkorf uitgaat. Ge
+moet het meisje zeggen, dat zij zeer stil zij. Zij is onder het deksel
+verborgen. Zoolang het zijn moet, zal ik haar bij eene oude vriendin te
+huis bezorgen, een groentevrouw in de Groene straat, die doof is en een
+bedje heeft. Ik zal de groentevrouw in &rsquo;t oor schreeuwen, dat
+&rsquo;t een nichtje van mij is en zij &rsquo;t tot morgen moet
+bewaren. Dan keert het meisje met u terug. Want ik breng u weder hier
+binnen. Dat moet wel. Maar, hoe komt gij hier uit?&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean schudde het hoofd.</p>
+<p>&bdquo;Het komt er alleen op aan, dat niemand mij zie, vader
+Fauchelevent. Tracht een middel te vinden om mij, evenals Cosette, in
+een overdekte draagkorf hieruit te brengen.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent krabde achter zijn oor met den middelvinger van zijn
+linkerhand, een teeken van groote verlegenheid.</p>
+<p>Een derde gelui gaf een afleiding.</p>
+<p>&bdquo;De lijkarts vertrekt,&rdquo; zei Fauchelevent. &bdquo;Hij
+heeft geschouwd en gezegd: Goed, zij is dood. Zoodra de arts den pas
+voor den hemel heeft geviseerd, komt de doodkist. Een moeder wordt door
+de moeders in de kist gelegd, een zuster door de zusters. Daarna
+spijker ik de kist dicht. Dit behoort tot mijn tuinierswerk. Een
+tuinier is half en half een doodgraver. Men plaatst de doodkist in een
+beneden-vertrek bij de kerk aan de straat, waar geen ander man dan de
+lijkarts mag binnengaan. De dragers en ik worden niet als mannen
+gerekend. In dat vertrek spijker ik de kist dicht. De dragers komen ze
+halen en in galop gaat men zoo naar den hemel. Men brengt een ledige
+kist, en gevuld wordt zij weggedragen. Dat is nu een begrafenis.
+<i lang="la">De profundis!</i>&rdquo;</p>
+<p>Een schuinsche zonnestraal bescheen de slapende Cosette, wier mond
+half geopend was en die een licht drinkend engeltje geleek. Jean
+Valjean aanschouwde haar weder en luisterde <span class=
+"pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span>niet
+meer naar Fauchelevent. Niet gehoord te worden is geen reden om te
+zwijgen. De oude tuinier ging bedaard met zijn gepraat voort:</p>
+<p>&bdquo;Het graf wordt op het kerkhof van Vaugirard gemaakt. Men zegt
+dat dit kerkhof zal worden afgeschaft. &rsquo;t Is een oud kerkhof, dat
+buiten den regel is, geen uniform heeft en zijn ontslag zal nemen.
+&rsquo;t Is jammer, want &rsquo;t is gemakkelijk. Een vriend van mij,
+de oude Mestienne, is er doodgraver. De nonnen hier hebben het
+voorrecht bij het vallen van den avond naar dat kerkhof gedragen te
+mogen worden. Een besluit van den prefect van politie zegt het bepaald.
+Maar wat is hier sedert gisteren al niet gebeurd! Moeder Crucifixion is
+dood, en vader Madeleine....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is begraven,&rdquo; zei Jean Valjean treurig glimlachend.</p>
+<p>Fauchelevent herhaalde het woord.</p>
+<p>&bdquo;Drommels, zoo ge hier voor goed waart, zou &rsquo;t een
+wezenlijke begrafenis zijn.&rdquo;</p>
+<p>Ten vierden male werd geluid. Fauchelevent nam haastig het kniestuk
+met de schel van den spijker en gespte het aan zijn been.</p>
+<p>&bdquo;Nu is &rsquo;t mijn beurt. De moeder priorin roept mij.
+Drommels, daar prik ik mij aan de tong mijner gesp. Ga niet van hier,
+mijnheer Madeleine, en wacht mij. Er is nieuws. Daar staat wijn, brood
+en kaas, zoo ge honger hebt.&rdquo;</p>
+<p>Hij verliet het huisje, brommende: Ik kom! ik kom!</p>
+<p>Jean Valjean zag hem haastig door den tuin gaan, zoo snel als zijn
+krom been hem dit vergunde, en zijdelings naar zijn meloenen
+ziende.</p>
+<p>In minder dan tien minuten klopte Fauchelevent, wiens schel de
+nonnen op zijn weg deed vluchten, zacht aan een deur, en een zachte
+stem antwoordde: &bdquo;In alle eeuwigheid, in alle eeuwigheid,&rdquo;
+dat wil zeggen, &bdquo;binnen.&rdquo;</p>
+<p>Deze deur was die van het spreekvertrek, dat uitsluitend voor den
+tuinier wegens dienstzaken bestemd was, en met de zaal van het kapittel
+gemeenschap had. De priorin, gezeten op den eenigen stoel in het
+spreekvertrek, wachtte Fauchelevent. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb242" href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Fauchelevent tegenover een bezwaar.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een uitdrukking van bezorgdheid en ernst op het gelaat
+is in gewichtige omstandigheden aan sommige karakters en aan sommige
+standen eigen, bijzonder aan priesters en religieusen. Toen
+Fauchelevent binnentrad, vertoonde zich deze dubbele uitdrukking op het
+gelaat der priorin, de vriendelijke, geleerde en meestal vroolijke
+jonkvrouwe de Blemeur, moeder Innocentia.</p>
+<p>De tuinier boog zich beschroomd en bleef op den drempel der cel
+staan. De priorin, die de kralen van den rozenkrans door haar vingers
+liet glijden, hief de oogen op en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Ha, zijt gij &rsquo;t, vader Fauvent?&rdquo;</p>
+<p>Men had zijn naam in &rsquo;t klooster zoo verkort.</p>
+<p>Fauchelevent boog nogmaals.</p>
+<p>&bdquo;Ik heb u doen roepen, vader Fauvent.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben hier, eerwaardige moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb u iets te zeggen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ook ik,&rdquo; zei Fauchelevent met een stoutmoedigheid, die
+hem inwendig deed beven, &bdquo;heb iets aan de hoogeerwaardige moeder
+te zeggen.&rdquo;</p>
+<p>De priorin staarde hem aan.</p>
+<p>&bdquo;Zoo, hebt ge mij iets mede te deelen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een verzoek.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, spreek.&rdquo;</p>
+<p>De goede arme Fauchelevent, voormalig gerechtsschrijver, behoorde
+tot de klasse van boeren, welke niet gemakkelijk van hun stuk zijn te
+brengen. Een behendige onwetendheid is een kracht; men wacht er zich
+niet voor en wordt erdoor overvallen. Sedert iets langer dan twee
+jaren, dat hij het klooster bewoonde, was Fauchelevent er gelukkig
+geweest. Immer alleen en zich uitsluitend met zijn tuinwerk bezig
+houdende, had hij niets te doen dan nieuwsgierig te zijn. Daar hij zich
+op een afstand van al deze gesluierde heen- en wedergaande vrouwen
+moest houden, zag hij slechts schimmen voor zich bewegen. Aan zijn
+oplettendheid en scherpzinnigheid was het gelukt, deze schimmen met
+vleesch te omkleeden en nu leefden deze dooden voor hem. Hij was als
+een doove, wiens gezicht des te scherper, als een blinde, wiens gehoor
+des te fijner is. Hij had er zich op toegelegd den zin van het
+verschillend gelui te onderscheiden en alzoo had dit raadselachtig,
+<span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name=
+"pb243">243</a>]</span>zwijgend klooster niets verborgens voor hem;
+deze sphynx fluisterde hem al zijn geheimen toe. Maar Fauchelevent, die
+alles wist, hield zich geheel onwetend. Hierin bestond zijn kunst. Het
+geheele klooster hield hem voor dom. Een groote verdienste in het
+godsdienstige. De kapittel-moeders hadden achting voor Fauchelevent.
+Hij was een stomme nieuwsgierige. Hij boezemde vertrouwen in. Daarbij
+was hij ordelijk en ging niet uit, dan wanneer de behoeften voor den
+boomgaard en den moestuin dit noodzakelijk vorderden. Deze ingetogen
+leefwijze werd hem hoog aangerekend. Desniettemin had hij twee mannen
+doen praten; in het klooster den portier, die hem de bijzonderheden van
+het spreekvertrek mededeelde; en op het kerkhof den doodgraver, die hem
+met de eigenaardigheden der begrafenis bekend maakte; zoodat hij nopens
+deze nonnen twee&euml;rlei opheldering had, de eene over het leven, de
+andere over den dood. Maar hij maakte er geen misbruik van. De
+congregatie hield hem in waarde. Welke deugden ook! oud, kreupel,
+tamelijk blind, waarschijnlijk ook eenigszins doof! Hij ware moeielijk
+te vervangen geweest.</p>
+<p>Met het bewustzijn van gewaardeerd te worden, begon hij voor de
+eerwaardige priorin een tamelijk verwarde en zeer diepzinnige
+toespraak. Hij weidde lang uit over zijn ouderdom, zijn gebreken, over
+den last der jaren, die zich steeds vergrootte, over den zwaarder
+wordenden arbeid, over de grootte van den tuin, over het nachtwaken,
+als bij voorbeeld den vorigen nacht, toen hij wegens de maan de
+meloenbedden met matten moest bedekken, welk een en ander er eindelijk
+op neerkwam, dat hij een broeder had&mdash;(de priorin maakte een
+beweging)&mdash;een bejaarde broeder,&mdash;(tweede beweging der
+priorin, maar weer gerustgesteld)&mdash;dat, zoo men dit vergunde, die
+broeder bij hem kon wonen en hem helpen, dat hij een uitmuntend tuinier
+was, dat het klooster goede diensten van hem kon hebben, beter dan van
+hem, spreker, zelf;&mdash;dat hij anders oud, zwak en niet meer in
+staat voor den arbeid zijnde, tot zijn groot leedwezen gedwongen zou
+wezen zijn ontslag te verzoeken;&mdash;dat zijn broeder een dochtertje
+had, &rsquo;t welk hij me&ecirc; zou brengen en in het huis godvruchtig
+zou kunnen worden opgevoed, en, wie weet? misschien eenmaal non
+worden.</p>
+<p>Toen hij zijn rede ge&euml;indigd had, hield de priorin op, de
+kralen van haar rozenkrans tusschen haar vingers te laten glijden en
+zeide:</p>
+<p>&bdquo;Zoudt ge voor van avond een stevigen ijzeren staaf weten te
+bezorgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waartoe?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb244" href=
+"#pb244" name="pb244">244</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Om tot hefboom te dienen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, eerwaardige moeder,&rdquo; antwoordde Fauchelevent.</p>
+<p>Zonder een woord er bij te voegen stond de priorin op, trad de
+belendende kamer binnen, namelijk de zaal van het kapittel, waar de
+kapittelmoeders waarschijnlijk reeds vereenigd waren. Fauchelevent
+bleef alleen.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Moeder Innocentia.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Er verliep ongeveer een kwartieruurs. De priorin kwam
+terug en zette zich op den stoel.</p>
+<p>Beiden, zij en Fauchelevent, schenen ijverig met hun gedachten
+bezig. Wij deelen zoo juist mogelijk het volgende gesprek tusschen
+beiden mede:</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauvent?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij kent de kapel?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb er een hokje, om de mis, de vesper en het lof te
+hooren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En zijt ge wel eens wegens bezigheden in &rsquo;t koor
+geweest?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Twee of drie malen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er moet een steen worden opgeheven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een zwaren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De zerk naast het altaar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De zerk die het gewelf sluit?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daarvoor zouden twee mannen noodig zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Moeder Ascension, die zoo sterk als een man is, zal u
+helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een vrouw is nooit een man.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij hebben slechts een vrouw die u kan helpen. Ieder doet wat
+hij kan. Ik veracht Merlonus Horstius niet, omdat dom Mabellon 417
+brieven van den H. Bernardus geeft, en Horstius slechts 367.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik evenmin.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De verdienste bestaat daarin, dat men naar zijn krachten
+werkt. Een klooster is geen timmerwerf.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En een vrouw is geen man. Mijn broeder is zeer
+sterk!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En gij kunt een hefboom krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dit is de eenige soort van sleutel, die op zulke deuren
+past.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In den steen is een ring.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal den hefboom er door steken.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De steen is zoo ingericht, dat hij draait.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, eerwaardige moeder. Ik zal het gewelf
+openen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En de vier koormoeders zullen u helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En als het gewelf open is?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Moet het weder gesloten worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is dat alles?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geef mij uw bevelen, zeer eerwaardige moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij stellen vertrouwen in u, Fauvent.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben hier om alles te doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En om te zwijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gewis, eerwaardige moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Als het gewelf open is...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zal ik het weder sluiten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar eerst...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, eerwaardige moeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er moet iets in nedergelaten worden.&rdquo;</p>
+<p>Er ontstond een pauze. Na een beweging der bovenlip, die aarzeling
+scheen aan te duiden, hernam de priorin:</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauvent....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge weet dat van ochtend een moeder is overleden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge dan de klok niet gehoord?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Men hoort niets aan &rsquo;t einde van den tuin.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarlijk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik hoor nauwelijks als ik gescheld word.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij is bij &rsquo;t aanbreken van den dag
+gestorven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van ochtend was de wind niet naar mijn kant.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is moeder Crucifixion. Een zalige.&rdquo;</p>
+<p>De priorin zweeg, bewoog een oogenblik de lippen, als bad zij in
+stilte, en hernam:</p>
+<p>&bdquo;Drie jaren geleden werd mevrouw de Bethune, eene janseniste,
+bekeerd, alleen door moeder Crucifixion te zien bidden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ha ja, nu hoor ik de doodsklok, eerwaardige
+moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De moeders hebben haar in de lijkenkamer naast de kerk
+gedragen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ken die kamer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geen ander man dan gij mag deze kamer binnengaan. Zorg er
+w&eacute;l voor. &rsquo;t Is volstrekt ongeoorloofd, dat een man de
+lijkenkamer binnentreedt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vaker!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vaker!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat zegt gij?&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb246"
+href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Ik zeg vaker.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vaker dan wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder, ik zeg niet vaker dan wat, ik zeg
+vaker.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik begrijp u niet, waarom zegt gij vaker?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om te zeggen als gij, eerwaarde moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar ik heb niet vaker gezegd.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt het niet gezegd, maar ik heb &rsquo;t gezegd om als
+gij te zeggen.&rdquo;</p>
+<p>Op dit oogenblik sloeg het negen uren.</p>
+<p>&bdquo;Te negen ure &rsquo;s morgens en ieder uur zij het
+allerheiligste Sacrament des altaars ge&euml;erd en geloofd,&rdquo; zei
+de priorin.</p>
+<p>&bdquo;Amen,&rdquo; zei Fauchelevent.</p>
+<p>Het uur had van pas geslagen, en maakte een einde aan het
+&bdquo;vaker.&rdquo; &rsquo;t Is mogelijk dat de priorin en
+Fauchelevent dat kluwen nooit zouden ontward hebben.</p>
+<p>Fauchelevent wischte zich het voorhoofd.</p>
+<p>De priorin prevelde weder iets, waarschijnlijk een schietgebed, en
+zeide toen luid:</p>
+<p>&bdquo;In haar leven bewerkte moeder Crucifixion bekeeringen; na
+haar dood zal zij wonderen doen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zal ze doen;&rdquo; antwoordde Fauchelevent toestemmend;
+en zorgende nu niet meer te struikelen.</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauvent, door moeder Crucifixion is het klooster
+gezegend geweest. &rsquo;t Is gewis niet aan ieder vergund te sterven,
+zooals kardinaal de Berulle, terwijl hij de H. Mis deed, en zijn ziel
+aan God te geven met de woorden: <i lang="la">Hanc igitur
+oblationem</i>. Doch zonder zulk een uitstekend geluk te bereiken,
+heeft moeder Crucifixion evenwel een zeer schoonen dood gehad. Tot het
+laatste oogenblik is zij bij haar kennis geweest. Zij sprak met ons,
+een weinig later sprak zij met de engelen. Zij heeft ons haar laatsten
+wil te kennen gegeven. Zoo gij een weinig meer geloof bezat en in haar
+cel hadt mogen wezen, zou zij uw been, alleen door oplegging harer
+handen, genezen hebben. Zij glimlachte hemelsch. Men gevoelde dat zij
+in God herleefde. In dat sterven was zaligheid.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent meende dat zij een gebed eindigde en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Amen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauvent men moet doen, wat de dooden willen.&rdquo;</p>
+<p>De priorin liet eenige kralen van den rozenkrans door haar vingers
+glijden. Fauchelevent bleef zwijgen. Zij hernam:</p>
+<p>&bdquo;Ik heb omtrent deze kwestie verscheidene geestelijken
+geraadpleegd, die in onzen Heer arbeiden, die hun leven aan de kerk
+wijden en heerlijke vruchten voortbrengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder, men hoort hier de doodsklok veel beter
+dan in den tuin.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb247" href=
+"#pb247" name="pb247">247</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Zij is overigens meer dan een doode, zij is een
+heilige.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gelijk gij, eerwaardige moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij sliep sedert twintig jaren in haar doodkist met
+uitdrukkelijk verlof van onzen heiligen vader Pius VII.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Die kei... Buonaparte gekroond heeft.&rdquo;</p>
+<p>Voor een sluwerd als Fauchelevent was deze herinnering zeer
+onhandig. Gelukkig hoorde de priorin, die geheel in haar gedachten
+verdiept was, hem niet. Zij hernam:</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauvent?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De heilige Diodorus, aartsbisschop van Kappadoci&euml; wilde
+dat men op zijn graf dit enkele woord grifte: <i>Acarus</i>, dat
+aardworm beteekent; &rsquo;t werd gedaan. Is &rsquo;t zoo
+niet?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, eerwaardige moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De welzalige Mezzocane, abt van Aquila, wilde onder de galg
+worden begraven; &rsquo;t werd gedaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De heilige Terentius, bisschop van Port, aan den mond van den
+Tiber in de zee, wilde dat men op zijn grafsteen het teeken grifte,
+&rsquo;t welk men op den grafkuil der vadermoorders stelde, in de hoop
+dat de voorbijgangers zijn graf bespuwen zouden. Dit werd gedaan. Men
+moet de dooden gehoorzamen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het zij zoo!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het lichaam van Bernardus Guidonis, die in Frankrijk bij
+Roche-Abeille werd geboren, werd, zooals hij bevolen had en trots den
+koning van Kastilli&euml;, in de kerk der Dominicanen van Limoges
+gebracht, hoewel Bernardus Guidonis bisschop van Tuy in Spanje was. Kan
+men dit ontkennen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Volstrekt niet, eerwaardige moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het feit is door Plantavit de la Fosse bevestigd.&rdquo;</p>
+<p>Wederom liet zij zwijgend eenige kralen van den rozenkrans door haar
+vingers glijden, toen hernam de priorin:</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauvent, moeder Crucifixion zal begraven worden in de
+doodkist, waarin zij sedert twintig jaren geslapen heeft.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is recht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een voortzetting van den slaap.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal haar dus in die doodkist moeten spijkeren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En wij zullen de doodkist die gebracht wordt niet
+gebruiken?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo is het.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben ten dienste van het hoogwaardig klooster.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De vier koormoeders zullen u helpen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Om de doodkist dicht te spijkeren? Ik heb haar daartoe niet
+noodig.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, om ze neder te laten.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name="pb248">248</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Waarin?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In het gewelf.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welk gewelf?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onder het altaar.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent ontstelde en riep:</p>
+<p>&bdquo;In het gewelf onder het altaar?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Onder het altaar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij kunt een ijzeren stang krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij licht den steen met den stang in den ring
+op...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Men moet de dooden gehoorzamen. In het gewelf onder het
+altaar der kapel, en niet in ongewijde aarde, begraven te worden, daar
+dood te blijven waar zij levend gebeden heeft; dit is de hoogste wensch
+van moeder Crucifixion geweest. Zij heeft het ons verzocht, dat is te
+zeggen bevolen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar &rsquo;t is verboden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Door de menschen verboden, door God geboden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo men het te weten kwam?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wij vertrouwen u.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O, ik, ik ben als een steen van uw muur.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het kapittel is vergaderd. De kapittel-moeders, welke ik
+nogmaals geraadpleegd heb, hebben, na grondige overweging besloten, dat
+moeder Crucifixion, volgens haar wensen, in haar doodkist onder ons
+altaar zal begraven worden. Verbeeld u vader Fauvent, zoo hier eens
+wonderen gebeurden? Welk een glorie in God voor ons klooster! De
+wonderen komen uit de graven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar, eerwaardige moeder, zoo de beambte der
+gezondheidscommissie....&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De H. Benedictus II heeft in zake van begrafenis Constantinus
+Pogonat wederstaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de commissaris van politie...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Chonodemarius, een der zeven Duitsche koningen, die onder de
+regeering van Constantijn in Galli&euml; kwamen, heeft uitdrukkelijk
+het recht der religieusen, om onder het altaar begraven te worden,
+erkend.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de inspecteur der prefectuur...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De wereld is niets in vergelijking van het kruis. Martinus,
+de elfde generaal der Karthuizers, gaf dit devies aan zijn orde:
+<i lang="la">Stat crux dum volvitur orbis</i><a class="noteref" id=
+"xd20e5400src" href="#xd20e5400" name="xd20e5400src">1</a><span class=
+"corr" id="xd20e5402" title="Niet in bron">.</span>&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Amen,&rdquo; zei Fauchelevent, die telkens als hij Latijn
+hoorde, zich op deze wijze uit de verlegenheid redde.</p>
+<p>Een gehoor, hoedanig het ook zij, is voor hem voldoende, die te lang
+gezwegen heeft. Den dag dat de rhetor Gymnastoras de gevangenis
+verliet, met een aantal dilemma&rsquo;s en syllogismen, die hij in zijn
+hoofd verzameld had, bleef hij voor den eersten boom, dien hij
+ontmoette, staan, sprak tot hem en deed alle mogelijke moeite om hem te
+overtuigen. De priorin, gewoonlijk tot zwijgen veroordeeld en te veel
+in haar geest opgezameld hebbende, stond op en riep met een
+woordenstroom als van een opengezette sluis:</p>
+<p>&bdquo;Aan mijn rechterzijde heb ik Benedictus en aan mijn
+linkerzijde Bernardus. Wie is Bernardus? De eerste abt van Clairveaux.
+Fontaines in Bourgogne is gezegend, wijl &rsquo;t hem heeft zien
+geboren worden. Zijn vader heette Tecelin en zijn moeder Aleta. Hij is
+met Citeaux begonnen om met Clairvaux te eindigen. Door Guillaume van
+Champeaux, bisschop van Chalons-sur-Sa&ocirc;ne, werd hij tot abt
+gewijd; hij heeft zevenhonderd novicen gehad en honderd zestig
+kloosters gesticht. In het concilie van Sens in 1140 overwon hij
+Abeillard en Pierre de Bruys, alsmede Henry zijn leerling, en een
+andere soort van scheurmakers die men apostolischen heette; hij bracht
+Arnold van Brescia tot zwijgen, verplette Raoul den jodendooder,
+beheerschte in 1148 het concilie van Reims, deed Gilbertus de la
+Por&eacute;e, bisschop van Poitiers, Eon de l&rsquo;Etoile
+veroordeelen, vereffende de geschillen der vorsten, onderwees koning
+Lodewijk den jonge, gaf Paus Eugenius III raad, regelde de Tempelorde,
+preekte den kruistocht, deed tweehonderdvijftig mirakelen in zijn
+leven, en zelfs negen-en-dertig op eenen dag. Wie is Benedictus? Hij is
+de patriarch van Monte-Cassino; de tweede stichter der
+klooster-heiligheid; hij is de Basilius van het Westen. Zijn orde heeft
+veertig pausen, tweehonderd kardinalen, vijftig patriarchen,
+zestienhonderd aartsbisschoppen, vier duizend zeshonderd bisschoppen,
+vier keizers, twaalf keizerinnen, zes-en-veertig koningen,
+een-en-veertig koninginnen, drie duizend zeshonderd heilig verklaarden
+geleverd, en bestaat sinds veertienhonderd jaren. Aan den eenen kant
+St. Bernardus, aan den anderen de agent der gezondheidscommissie! Aan
+den eenen kant St. Benedictus, aan den anderen de inspecteur van
+politie. De staat, de politie, de begrafenis-ordonnanti&euml;n, de
+reglementen, het bestuur&mdash;kennen wij dat alles? Allen, die zien
+hoe men ons behandelt, zouden verontwaardigd zijn. Wij hebben niet eens
+het recht onze asch aan Jezus Christus te geven! Uw
+gezondheidscommissie is een revolutionnaire uitvinding. God
+ondergeschikt <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name=
+"pb250">250</a>]</span>gemaakt aan den commissaris van politie; zoo is
+de eeuw. Zwijg, Fauvent!&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent was onder dit stortbad niet zeer op zijn gemak. De
+priorin hernam:</p>
+<p>&bdquo;Er is niemand die aan het recht des kloosters op eigen
+begraafplaats twijfelt. Alleen dwepers en dwalenden loochenen het. Wij
+leven in een tijd van vreeselijke verwarring. Men weet niet wat men
+moet weten, en men weet wat men niet moet weten. Er zijn in dezen tijd
+lieden die het onderscheid niet kennen tusschen den grooten Heiligen
+Bernardus en den zoogenaamden Bernardus der arme Katholieken, een
+zekeren goeden geestelijke, die in de dertiende eeuw leefde. Anderen
+drijven hunne godslasteringen zoover, dat zij het schavot van Lodewijk
+XVI bij Christus&rsquo; kruis vergelijken. Lodewijk XVI was slechts
+koning. Zijn wij voorzichtig ten opzichte van God! Er is noch recht
+noch onrecht meer. Men kent den naam van Voltaire, maar men kent den
+naam van Cesar de Bus niet. Evenwel is Cesar de Bus een zalige en
+Voltaire een rampzalige. De laatste aartsbisschop, de kardinaal de
+Perigord, wist niet eens, dat Charles de Gondren&mdash;B&eacute;rulle,
+Fran&ccedil;ois Bourgoin&mdash;Gondren, Jean Fran&ccedil;ois
+Senault&mdash;Bourgoin, en pater Santa Marta&mdash;Jean Fran&ccedil;ois
+Senault opvolgde. Men kent den naam van pater Coton, niet, omdat hij
+een der drie was, die de instellers der Oratorianen doordreef, maar
+wijl hij aan den Hugenootschen Koning Hendrik IV stof tot vloeken gaf.
+Wat den H. Franciscus van Sales bij de wereldlingen behagelijk maakt,
+is dat hij valsch speelde. En daarbij randt men den godsdienst aan.
+Waarom? Wijl er slechte priesters zijn geweest; wijl Sagittarius,
+bisschop van Gap, broeder van Salonius, bisschop van Embrun was, en
+beiden Mommol gevolgd zijn. Wat doet het er toe? belet dit dat Martinus
+van Tours een heilige is en hij de helft van zijn mantel aan een
+bedelaar gaf? Men vervolgt de heiligen. Men sluit de oogen voor de
+waarheden. Duisternis is alledaagsch. De wreedste dieren zijn de blinde
+dieren. Niemand denkt met een goed oogmerk aan de hel. O! Welk een
+slechte wereld! In naam des konings beteekent tegenwoordig in naam der
+revolutie. Men weet niet meer wat men, noch aan de levenden, noch aan
+de dooden, schuldig is. &rsquo;t Is verboden heilig te sterven. De
+begrafenis is een burgerlijke zaak. &rsquo;t Is afgrijselijk! De
+heilige Leo II heeft opzettelijk twee brieven geschreven, den eenen aan
+Pierre Notaire, den anderen aan den koning der Westgothen, om, in zaken
+de dooden betreffende, het gezag van den exarch en het oppergezag des
+keizers te bestrijden en te verwerpen. Gauthier, bisschop van
+Ch&acirc;lons, verzette zich in dezelfde zaak <span class=
+"pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name=
+"pb251">251</a>]</span>tegen Otto, hertog van Bourgondi&euml;. De
+vroegere rechtspraak was hiermede in overeenstemming. Eertijds hadden
+wij stem in het kapittel, zelfs in wereldsche zaken. De abt van
+Citeaux, generaal der orde, was geboren raadsheer bij het parlement van
+Bourgondi&euml;. Wij doen met onze dooden wat wij verkiezen. Is het
+lichaam van den H. Benedictus zelf niet in Frankrijk in de abdij van
+Fleury, Saint-Beno&icirc;t-sur-Loire geheeten, hoewel hij in
+Itali&euml; te Monte Cassino op Zaterdag, den 21<sup>en</sup> der maand
+Maart van het jaar 543, overleden is? Dit alles is onbetwistbaar. Ik
+verfoei de ketters, ik haat de dwepers, maar meer nog zou ik hen haten,
+die tegenspraken wat ik gezegd heb. Men leze slechts Arnoul Wion,
+Gabriel Bucelin, Trith&egrave;me, Marolicus en dom Luc
+d&rsquo;Achery.&rdquo;</p>
+<p>De priorin schoot in den adem en wendde zich tot Fauchelevent
+zeggende:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is dus overeengekomen, vader Fauvent?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is overeengekomen, eerwaardige moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kan men op u rekenen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal gehoorzamen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben geheel ten dienste van het klooster.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Afgedaan. Ge sluit de doodkist. De zusters zullen ze in de
+kapel dragen. Men zal de getijden der overledenen lezen. Vervolgens
+naar het klooster terugkeeren. Kom van nacht tusschen elf en twaalf
+uren met uw ijzeren stang. Alles moet met de grootste geheimhouding
+geschieden. In de kapel zullen geen anderen zijn dan de vier
+koormoeders, moeder Ascension en gij.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;En de zuster aan den paal.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zal niet omzien.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar hooren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zij zal niet luisteren. Wat overigens het klooster weet, is
+der wereld onbekend.&rdquo;</p>
+<p>Wederom een pauze. De priorin vervolgde:</p>
+<p>&bdquo;Gij moet uwe schel afleggen. &rsquo;t Is niet noodig dat de
+zuster aan den paal gewaar worde, dat gij er zijt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat, vader Fauvent?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Is de arts voor de lijkschouwing er geweest?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij komt heden middag te vier uren. De klok heeft om den
+lijkarts geluid. Maar hoort ge dan volstrekt geen gelui?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik let slechts op het mijne.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat is zeer goed, vader Fauvent.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder, de hefboom moet ten minste zes voet lang
+zijn.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252" name=
+"pb252">252</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Waar zult ge dien krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar ijzeren trali&euml;n zijn, ontbreken geen ijzeren
+staven. Ik heb een hoop ijzerwerk achter in den tuin.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vergeet niet, ongeveer drie kwartier v&oacute;&oacute;r
+middernacht.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo ge meer dergelijk werk mocht hebben, mijn broeder is zoo
+sterk als een Turk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Haast u zooveel mogelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Haastig zal &rsquo;t niet gaan. Ik ben gebrekkig; daarom zou
+ik een helper behoeven. Ik ga kreupel.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Kreupel gaan is geen kwaad, en kan een zegen zijn. Keizer
+Hendrik II, die den anti-paus Gregorius bestreed en Benedictus VIII op
+den pauselijken troon herstelde, heeft twee bijnamen: de heilige en de
+kreupele.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Twee wijn-amen zijn beter dan een,&rdquo; mompelde
+Fauchelevent, die werkelijk eenigszins hardhoorend was.</p>
+<p>&bdquo;Nu, vader Fauvent, wij zullen er een geheel uur toe nemen.
+Dat is niet te veel. Wees te elf uren met uw ijzeren staaf bij het
+hoofdaltaar. De dienst begint te middernacht. Alles moet ruim een
+kwartieruurs te voren verricht zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal alles doen om aan het klooster mijn ijver te bewijzen.
+Dit is bepaald. Ik zal de doodkist dicht spijkeren. Precies te elf uren
+zal ik in de kapel zijn. De koormoeders en moeder Ascension zullen er
+zijn. &rsquo;t Ware beter twee mannen. Om &rsquo;t even! ik zal mijn
+hefboom meebrengen. Wij zullen het gewelf openen, de doodkist er in
+nederlaten en &rsquo;t gewelf weder sluiten, zoodat er naderhand geen
+spoor van te zien is. De regeering zal niets vermoeden. Dus is alles
+geregeld, eerwaardige moeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat nog?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De ledige doodkist.&rdquo;</p>
+<p>Er ontstond een pauze, Fauchelevent dacht; de priorin dacht.</p>
+<p>&bdquo;Wat zal men met de doodkist doen, vader Fauvent?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Buiten begraven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ledig?&rdquo;</p>
+<p>Weder een pauze. Fauchelevent maakte met de linkerhand een beweging,
+als om een moeielijke vraag op te lossen.</p>
+<p>Eerwaardige moeder, ik spijker de doodkist dicht in de kamer naast
+de kerk, en niemand dan ik kan in die kamer komen; vervolgens leg ik er
+het lijkkleed over.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, maar de dragers, die de kist in de lijkkoets dragen en in
+den grafkuil nederlaten, zullen voelen dat er niets in is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O! dui...!&rdquo; riep Fauchelevent. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span></p>
+<p>De priorin maakte een kruisteeken en zag den tuinier strak aan, wien
+de lettergreep ... vel in de keel bleef steken.</p>
+<p>Hij greep haastig een middel aan om den vloek te doen vergeten.</p>
+<p>&bdquo;Eerwaardige moeder. Ik zal de kist met aarde vullen. &rsquo;t
+Zal hetzelfde zijn, alsof er iemand in lag.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij hebt gelijk. Aarde is hetzelfde als de mensen. Ge zorgt
+alzoo voor de ledige kist?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik belast er mij mede.&rdquo;</p>
+<p>Het gezicht der priorin, dat tot hiertoe somber en ernstig was
+geweest, verhelderde zich. Zij gaf hem een wenk, als een hoogere die
+een mindere ontslaat. Fauchelevent ging naar de deur. Toen hij er uit
+wilde gaan, zeide de priorin met vriendelijke stem:</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauvent! ik ben over u tevreden, breng morgen, na de
+begrafenis, uw broeder tot mij, en zeg hem dat hij zijn dochtertje
+medebrengt.&rdquo;</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5400" href="#xd20e5400src" name="xd20e5400">1</a></span> Het
+kruis staat vast, terwijl de wereld vergaat.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vierde Hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Jean Valjean heeft het voorkomen alsof hij Austin
+Castillejo had gelezen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De voetstappen van hinkenden zijn gelijk aan de lonken
+van &eacute;&eacute;noogigen; zij bereiken niet spoedig het doel.
+Fauchelevent was daarbij in groote verlegenheid. Het duurde langer dan
+een kwartier eer hij aan zijn huisje in den tuin was. Cosette was
+wakker. Jean Valjean had haar voor het vuur gezet. Juist toen
+Fauchelevent terugkwam, toonde Valjean haar de draagkorf van den
+tuinier die aan den wand hing, zeggende:</p>
+<p>&bdquo;Luister goed, lieve Cosette. Wij moeten dit huis verlaten,
+maar zullen er terugkeeren en er ons zeer goed bevinden. De goede man,
+die hier woont, zal u in deze mand op zijn rug van hier dragen. Dan
+wacht ge mij bij een vrouw, waar ik mij bij u zal voegen. Maar, zoo ge
+niet wilt, dat vrouw Th&eacute;nardier u komt terughalen, moet ge
+gehoorzamen en niet spreken!&rdquo;</p>
+<p>Cosette knikte ernstig met het hoofd.</p>
+<p>Toen Fauchelevent de deur opende, wendde Jean Valjean zich tot hem
+en vroeg:</p>
+<p>&bdquo;Welnu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Alles en niets is in orde,&rdquo; zei Fauchelevent. &bdquo;Ik
+heb het verlof u binnen te laten; maar v&oacute;&oacute;r dat ik u kan
+binnenlaten <span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name=
+"pb254">254</a>]</span>moet ik er u uitbrengen. Ziedaar het bezwaar.
+Met de kleine gaat het gemakkelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge draagt haar weg?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zal zij stil zijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Daarvoor sta ik in.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar gij, vader Madeleine?&rdquo;</p>
+<p>Na eene pauze, die niet zonder angst was, riep Fauchelevent:</p>
+<p>&bdquo;Ga langs den weg terug, dien gij gekomen zijt!&rdquo;</p>
+<p>Evenals den eersten keer antwoordde Jean Valjean:
+&bdquo;Onmogelijk!&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent, meer tot zich zelven dan tot Jean Valjean sprekende,
+mompelde:</p>
+<p>&bdquo;Er is iets anders dat mij kwelt. Ik heb gezegd, dat ik ze met
+aarde zou vullen. Maar ik bedenk dat aarde daarin in &rsquo;t geheel
+niet naar een doode zal gelijken; zij zal verschuiven, zich bewegen. De
+dragers zullen &rsquo;t voelen. Ge begrijpt, vader Madeleine, de
+regeering zou er achter komen.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean zag hem zijdelings aan en meende, dat hij
+raaskalde.</p>
+<p>Fauchelevent hernam:</p>
+<p>&bdquo;Voor den dui... vekater, hoe zult ge er uit komen? Want
+morgen moet alles afgedaan zijn. Morgen moet ik u binnenbrengen. De
+priorin wacht u.&rdquo;</p>
+<p>Toen verklaarde hij aan Jean Valjean, dat dit een belooning was voor
+een dienst, welken hij, Fauchelevent, aan het klooster bewees. Dat het
+tot zijn betrekking behoorde, bij de begrafenissen behulpzaam te zijn:
+de doodkisten dicht te spijkeren en den doodgraver op het kerkhof de
+hand te leenen. Dat de non, die &rsquo;s morgens gestorven was,
+verzocht had in de doodkist te worden gelegd, die haar tot bed had
+gediend, en in het gewelf onder het altaar der kapel te worden
+begraven. Dat dit door de politie-reglementen verboden was, maar dat
+men aan deze doode in &rsquo;t bijzonder niets kon weigeren. Dat de
+priorin en de kapittel-moeders den wensch der overledene volstrekt
+wilden vervullen, trots de regeering. Dat hij, Fauchelevent, de
+doodkist in de cel dichtspijkeren, de zerk in de kapel opheffen, en de
+overledene in het gewelf nederlaten zou. En dat de priorin, om hem voor
+dezen dienst haar dankbaarheid te betuigen, zijn broeder als tuinier en
+zijn nichtje als pensionnaire toeliet. Dat zijn broeder mijnheer
+Madeleine was en Cosette zijn nicht. Dat de priorin hem gelast had,
+zijn broeder den volgenden avond, na de vermeende begrafenis, tot haar
+te brengen. Maar dat hij Madeleine niet kon binnenbrengen, zoo deze
+niet buiten was. Dat dit het &eacute;&eacute;ne bezwaar was, maar dat
+er nog een bezwaar bestond: de ledige doodkist. <span class=
+"pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Welke ledige doodkist?&rdquo; vroeg Valjean.</p>
+<p>&bdquo;De doodkist, welke het bestuur zendt,&rdquo; antwoordde
+Fauchelevent.</p>
+<p>&bdquo;Welke doodkist en welk bestuur?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoodra een non sterft, komt de stadsdokter en zegt: een non
+is overleden. Het bestuur zendt dan een doodkist. Den volgenden dag
+zendt het een lijkkoets en dragers om de doodkist naar het kerkhof te
+voeren. Zoo nu de lieden komen, zullen zij dadelijk voelen, dat er
+niets in de doodkist is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Leg er iets in.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eene doode? ik heb geen doode.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat dan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een levende.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welken levende?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mij,&rdquo; zei Jean Valjean.</p>
+<p>Fauchelevent, die was gaan zitten, vloog op, als ware een bom onder
+zijn stoel gesprongen.</p>
+<p>&bdquo;Gij?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waarom niet?&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean vertoonde een dier schaarsche glimlachen, welke, als de
+zon op een winterdag, zijn gelaat bescheen.</p>
+<p>&bdquo;Gij weet, Fauchelevent, dat ge gezegd hebt: moeder
+Crucifixion is dood, en ik toen zeide: vader Madeleine is begraven. En
+zoo zal &rsquo;t geschieden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Och, ge schertst, ge spreekt niet in ernst.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In vollen ernst. Moet ik niet van hier?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zekerlijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik heb u gezegd, dat ge voor mij ook een draagkorf en een
+deksel moest vinden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De draagkorf zal de doodkist en het deksel een zwart laken
+zijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Een wit laken. De nonnen worden in &rsquo;t wit
+begraven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed. Een wit laken.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt geen gewoon mensch, vader Madeleine.&rdquo;</p>
+<p>Zulke roekelooze invallen, die naar Fauchelevents meening, slecht in
+het bagno kunnen ontstaan, maar niet in het vreedzame kloosterleven,
+brachten hem in een gelijke verbazing als men zou gevoelen, zoo men een
+zeemeeuw in de goot der straat Saint Denis visschen zag.</p>
+<p>Jean Valjean hernam:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is te doen om hier uit te komen zonder gezien te
+worden. Dit is een middel. Maar verhaal mij eerst alles nauwkeurig. Hoe
+gaat het in zijn werk? Waar is de doodkist?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" name="pb256">256</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;De ledige?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Beneden, in de kamer, die de lijkkamer wordt genoemd. Zij
+staat op twee schragen, en is door &rsquo;t lijkkleed
+bedekt.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe lang is de doodkist?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zes voet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoedanig is de lijkkamer?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is een kamer, gelijkvloers, met een getralied
+venster, dat in den tuin uitziet, en buiten met een luik gesloten
+wordt; er zijn twee deuren, de eene die tot het klooster, de andere die
+tot de kerk voert.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke kerk?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De kerk aan de straat; de kerk voor iedereen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge de sleutels van deze twee deuren?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen, ik heb alleen den sleutel der deur, die tot het
+klooster voert; de portier heeft den sleutel van de deur naar de
+kerk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wanneer opent de portier deze deur?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Alleen om de dragers in te laten, die de doodkist komen
+halen. Zoodra de doodkist buiten is, wordt de deur weder
+gesloten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wie spijkert de kist dicht?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wie legt er het lijkkleed op?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij alleen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Geen man dan de dokter der politie mag in de lijkkamer komen.
+&rsquo;t Staat zelfs op den muur geschreven.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoudt ge mij van nacht, als alles in &rsquo;t klooster
+slaapt, niet in die kamer kunnen verbergen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Neen. Maar ik kan u in een klein donker hokje verbergen, dat
+met de lijkkamer gemeenschap heeft, waar ik mijn begrafenis-gereedschap
+berg en waarvan ik den sleutel heb.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe laat komt de lijkkoets morgen om de doodkist te
+halen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Tegen drie uren &rsquo;s namiddags. Voor het donker wordt
+moet de begrafenis op het kerkhof Vaugirard afgeloopen zijn. &rsquo;t
+Is tamelijk ver van hier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal mij den geheelen nacht en den geheelen morgen in uw
+gereedschapshokje verbergen. Maar hoe zal ik eten? Ik zal honger
+krijgen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal u eten brengen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoudt ge mij te twee uren in de doodkist kunnen
+spijkeren.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent trad achteruit, en deed de knoken zijner vingers
+kraken. <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name=
+"pb257">257</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Onmogelijk!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe! een hamer te nemen en spijkers in een plank te
+slaan?&rdquo;</p>
+<p>Wat voor Fauchelevent ongehoord scheen, was, wij herhalen het, zeer
+eenvoudig voor Jean Valjean. Hij had wel erger omstandigheden
+doorgestaan. Ieder, die in een gevangenis is geweest, verstaat de kunst
+zijn lichaam in te krimpen. Voor den gevangene is de ontvluchting,
+evenals de crisis voor den zieke, een redding of de dood. Een
+ontvluchting is een genezing. Wat doet men niet om genezen te worden?
+Zich als koopwaar in een kist te doen spijkeren en weg te laten dragen,
+lang in een kist te leven, lucht te vinden waar geen lucht is, uren
+lang zijn adem te bedwingen, te smoren zonder te sterven, dat behoorde
+tot de treurige talenten van Jean Valjean.</p>
+<p>Overigens is een doodkist, waarin zich een levend mensen bevindt,
+het hulpmiddel van een tuchteling, evenzeer als van een keizer. Zoo men
+den monnik Austin Castillejo mag gelooven, was dit het middel van Karel
+V, die, na zijn afstand, voor het laatst Plombes willende zien, daarvan
+gebruik maakte om deze vrouw in het klooster van St. Yuste te brengen
+en het haar te doen verlaten.</p>
+<p>Toen Fauchelevent een weinig tot bezinning was gekomen, riep
+hij:</p>
+<p>&bdquo;Maar hoe zult ge lucht krijgen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik zal ademen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In deze kist! Ik stik reeds, als ik er aan denk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt zeker een boor, boor daarmede hier en daar eenige
+gaatjes ter hoogte van den mond; spijker verder het deksel los op de
+kist.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed! maar zoo ge moet hoesten of niezen?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij, die vlucht, hoest en niest niet. Vader
+Fauchelevent,&rdquo; voegde Jean Valjean er bij, &bdquo;er moet een
+besluit worden genomen: hier gevangen genomen of in de lijkkist hieruit
+gebracht te worden.&rdquo;</p>
+<p>Ieder heeft zekerlijk wel eens opgemerkt, dat de katten een
+bijzonder vermaak schijnen te hebben om tusschen de vleugels eener half
+geopende deur heen en weer te sluipen of er tusschen te gaan zitten.
+Wie heeft wel niet tot een kat gezegd: Ga toch binnen! Zoo zijn er ook
+menschen, die voor een half opene omstandigheid, tusschen twee
+besluiten blijven dralen, op het gevaar af zich door het noodlot, dat
+eensklaps de gelegenheid sluit, te doen verpletteren. De
+voorzichtigsten loopen vaak een grooter gevaar dan de vermetelen,
+hoewel en wijl zij katten zijn. Fauchelevent behoorde tot die
+<span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258" name=
+"pb258">258</a>]</span>weifelaars. De koelbloedigheid van Jean Valjean
+sleepte hem toch onwillekeurig mede. Hij mompelde:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar, ik zie geen ander middel.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean hernam:</p>
+<p>&bdquo;Het eenige wat mij bekommert, is, wat op het kerkhof zal
+gebeuren.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Dat bekommert mij juist volstrekt niet,&rdquo; riep
+Fauchelevent. &bdquo;Zoo gij zeker zijt uit de doodkist te komen, ben
+ik zeker u uit den kuil te kunnen brengen. De doodgraver is een
+dronkaard en mijn vriend. &rsquo;t Is de oude Mestienne. De doodgraver
+steekt de dooden in den kuil en ik steek den doodgraver in mijn zak. Nu
+wil ik u zeggen, wat gebeuren zal. Kort voor de avond valt, drie
+kwartier uurs voor het sluiten van het hek van &rsquo;t kerkhof, zal
+men komen. De lijkkoets zal tot het graf rijden. Ik volg, dat is mijn
+werk. Ik zal in mijn zak een hamer, een beitel en een nijptang hebben.
+De lijkkoets staat stil, de dragers slaan een touw om uw doodkist en
+laten u zakken. De priester doet de gebeden, maakt het kruisteeken,
+sproeit wijwater en gaat heen. Ik blijf alleen met den ouden Mestienne.
+Ik heb u gezegd, hij is mijn vriend. Een van beiden, &ograve;f hij is
+dronken, &ograve;f hij is niet dronken. Zoo hij niet dronken is, zeg ik
+hem: Ga mede een teug drinken, terwijl de herberg nog open is. Hij gaat
+mede, ik maak hem dronken; &rsquo;t is niet moeielijk den ouden
+Mestienne geheel dronken te maken, want hij is &rsquo;t altijd half;
+hij valt onder de tafel, ik ontneem hem zijn kaart om weder op het
+kerkhof te kunnen komen en keer er zonder hem terug. Dan hebt ge
+slechts met mij te doen. Als hij dronken is, zeg ik: Ga maar, ik zal uw
+werk wel doen. Hij gaat, en ik haal u uit den kuil.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean stak hem de hand toe, die Fauchelevent met
+hartelijkheid drukte.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is overeengekomen, vader Fauchelevent. Alles zal
+goed gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo er niets tusschenbeide komt,&rdquo; dacht Fauchelevent.
+&bdquo;Het zou anders vreeselijk kunnen worden.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Dronkenschap is niet voldoende om onsterfelijk te
+zijn.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden dag, toen de zon onderging, namen de
+weinigen die op den Boulevard du Maine gingen den hoed af voor een
+ouderwetsche lijkkoets, die met doodshoofden en doodsbeenderen versierd
+was. In deze lijkkoets was een doodkist <span class="pagenum">[<a id=
+"pb259" href="#pb259" name="pb259">259</a>]</span>met een wit lijkkleed
+overdekt, waarop een groot zwart kruis, dat eenigszins een doode met
+hangende armen geleek. Daarop volgde een met zwart behangen koets,
+waarin men een priester zag in koorhemd en een koorknaap met een rood
+kapje op het hoofd. Twee dragers in grijzen rok met zwarte opslagen
+gingen rechts en links naast de lijkkoets. Achteraan ging een oud
+hinkend man in arbeidskleeding. De stoet richtte zich naar het kerkhof
+Vaugirard.</p>
+<p>Men zag uit den zak van laatstgenoemden man den steel van een hamer,
+een beitel en een nijptang steken.</p>
+<p>Het kerkhof Vaugirard maakte een uitzondering op de andere kerkhoven
+van Parijs. Het had zijn bijzondere gebruiken, alsmede zijn wagenpoort
+en zijdeur, welke de oude lieden, aan oude spreekwijzen gehecht, de
+ruiters- en de voetgangerspoort noemden. De bernardijner-benedictijner
+nonnen van Klein-Picpus hadden, zooals wij gezegd hebben, verlof
+verkregen in een afzonderlijken hoek en des avonds begraven te worden
+wijl dit terrein vroeger aan haar klooster had behoord. Aangezien de
+doodgravers op dat kerkhof in den zomer des avonds en in den winter des
+nachts dienst moeten doen, waren zij aan een bijzonderen regel
+onderworpen. De poorten der kerkhoven van Parijs werden in dien tijd
+bij het ondergaan der zon gesloten, en daar dit een maatregel van het
+stedelijk bestuur was, zoo was het kerkhof Vaugirard er, evenals de
+andere, aan onderworpen. De ruiterspoort en de voetgangerspoort waren
+twee naast elkander staande hekken, waarbij een paviljoen stond, dat
+door den architekt Peronnet gebouwd was en door den portier van het
+kerkhof bewoond werd. Deze hekken werden onverbiddelijk gesloten,
+zoodra de zon achter den dom der Invaliden verdween. Wanneer op dat
+oogenblik nog een doodgraver op het kerkhof bezig was, kon hij het niet
+verlaten dan met zijn kaart, hem door de administratie der
+begrafenissen als doodgraver verleend. Een soort van brievenbus was in
+het venster van den portier, daarin wierp de doodgraver zijn kaart, de
+portier hoorde ze vallen, trok aan de koord en de voetgangersdeur
+opende zich. Indien de doodgraver zijn kaart niet had, noemde hij zijn
+naam, de soms reeds te bed zijnde en slapende portier stond op, ging
+den doodgraver herkennen en opende met den sleutel de deur voor den
+doodgraver, die dan vijftien francs boete moest betalen.</p>
+<p>Dit kerkhof met zijn onregelmatigheden hinderde het regelmatig
+bestuur en werd kort na 1830 opgeheven. Het werd vervangen door het
+kerkhof Mont-Parnasse, het Oosterkerkhof genaamd, dat de vermaarde
+herberg bij het kerkhof Vaugirard <span class="pagenum">[<a id="pb260"
+href="#pb260" name="pb260">260</a>]</span>erfde, welke een hoekhuis was
+en &rsquo;t gezicht op het kerkhof had, en op wier uithangbord een
+kweepeer was geschilderd met het onderschrift: &bdquo;In de goede
+kweepeer.&rdquo;<a class="noteref" id="xd20e5755src" href="#xd20e5755"
+name="xd20e5755src">1</a></p>
+<p>Het kerkhof Vaugirard kon een verwelkt kerkhof genoemd worden. Het
+was in verval. De bloemen verlieten het. Men wilde er niet gaarne
+begraven worden, wijl &rsquo;t als van den arme geleek, maar liever op
+P&egrave;re Lachaise. Hier te worden begraven is &rsquo;t zelfde als
+mahoniehouten meubelen te hebben, &rsquo;t is elegant.</p>
+<p>Vaugirard was overigens een eerwaardig kerkhof, als een voormalige
+<span class="corr" id="xd20e5767" title=
+"Bron: fransche">Fransche</span> tuin beplant. Men vond er rechte
+paden, buksboomen, steekpalmen, oude graven onder oude taxisboomen, en
+zeer hoog gras. Des avonds was &rsquo;t er treurig en doodsch.</p>
+<p>De zon was nog niet ondergegaan toen de lijkkoets met het wit laken
+en het zwarte kruis in de laan van het kerkhof Vaugirard verscheen. De
+hinkende man, die haar volgde, was geen ander dan Fauchelevent.</p>
+<p>De bijzetting van moeder Crucifixion in &rsquo;t gewelf onder het
+altaar, het brengen van Cosette uit het klooster, het binnenvoeren van
+Jean Valjean in de lijkkamer, dit alles was intusschen zonder eenige
+hindernis afgeloopen.</p>
+<p>In &rsquo;t voorbijgaan zij gezegd, dat de bijzetting van moeder
+Crucifixion onder het altaar des kloosters voor ons iets zeer
+verschoonbaars is, een dier vergrijpen welke een plicht gelijken. De
+nonnen hadden het bedreven, niet alleen zonder ongerustheid, maar zelfs
+met voldoening van het geweten. Wat men in het klooster
+&bdquo;gouvernement&rdquo; noemt, is slechts een altijd betwistbare
+inmenging van het wereldlijk in het geestelijk gezag. In de eerste
+plaats geldt de kloosterregel; het wereldlijk wetboek volgt later. De
+menschen mogen zooveel wetboeken maken als zij verkiezen, maar zij
+mogen ze voor zich houden. Wat men aan Cesar betaald, is slechts
+hetgeen van de betaling aan God overblijft. Een vorst is niets
+tegenover een beginsel.</p>
+<p>Zeer tevreden hinkte Fauchelevent achter de doodkist voort. Zijn
+beide komplotten, dat met de nonnen en dat met Madeleine, het een
+v&oacute;&oacute;r- het ander tegen het klooster, waren volkomen
+geslaagd. Jean Valjeans onwrikbare koelbloedigheid had zich aan hem
+medegedeeld. Fauchelevent twijfelde aan den goeden uitslag niet meer.
+Wat nog gedaan moest worden, was <span class="pagenum">[<a id="pb261"
+href="#pb261" name="pb261">261</a>]</span>van geen beteekenis. Sinds
+twee jaren had hij tienmaal den doodgraver, den goeden, vroolijken
+ouden Mestienne, dronken gemaakt. Hij speelde en deed met hem wat hij
+wilde, al naar zijn luim, en Mestienne deed in alles zijn wil.
+Fauchelevent was alzoo volkomen zeker van zijn zaak. En toen de
+lijkstoet de laan van het kerkhof inreed, zag hij met opgewekten blik
+de doodkist aan, wreef zich de grove handen en zeide halfluid:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waarachtig grappig.&rdquo;</p>
+<p>Eensklaps hield de lijkkoets stil, zij was voor het hek gekomen. Het
+verlofbiljet om te mogen begraven, moest vertoond worden. Een man van
+den lijkstoet sprak met den portier. Gedurende dat gesprek, &rsquo;t
+welk een paar minuten duurde, plaatste zich iemand, een onbekende,
+achter de lijkkoets naast Fauchelevent. &rsquo;t Was een arbeider, die
+een buis met groote zakken droeg en een spade onder den arm had.</p>
+<p>Fauchelevent bekeek den onbekende en vroeg:</p>
+<p>&bdquo;Wie zijt ge?&rdquo;</p>
+<p>De man antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;De doodgraver.&rdquo;</p>
+<p>Zoo men in leven kon blijven na een kanonskogel in de borst te
+hebben ontvangen, zou men een gezicht vertoonen als dat van
+Fauchelevent op dit oogenblik.</p>
+<p>&bdquo;De doodgraver?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Gij!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De oude Mestienne is doodgraver.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij was &rsquo;t.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe! was?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hij is dood.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent had op alles gerekend, behalve dat een doodgraver
+sterven kon. &rsquo;t Is toch waar, zelfs doodgravers sterven. Nadat
+hij lang voor anderen een graf heeft gedolven, delft men het zijne.</p>
+<p>Fauchelevent stond met open mond; hij kon nauwelijks stamelen:</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is niet mogelijk!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is z&oacute;&oacute;.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar de oude Mestienne is doodgraver,&rdquo; herhaalde hij
+flauw.</p>
+<p>&bdquo;Na Napoleon, Lodewijk XVIII. Na Mestienne, Gribier. Ik heet
+Gribier, vriend.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent was doodsbleek en staarde Gribier aan.</p>
+<p>Deze was een lang, mager, bleek, een echt doodelijk man.</p>
+<p>Hij had het voorkomen van een mislukten dokter, die doodgraver was
+geworden. <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name=
+"pb262">262</a>]</span></p>
+<p>Fauchelevent begon luide te lachen.</p>
+<p>&bdquo;Wat rare dingen gebeuren er! vader Mestienne dood! De oude
+Mestienne dood! leve vader Lenoir! Weet ge, wie vader Lenoir is?
+&rsquo;t Spijt mij van Mestienne; hij was een vroolijke snaak. Gij zijt
+immers ook vroolijk, niet waar, kameraad? Aanstonds zullen wij samen
+een flesch gaan drinken.&rdquo;</p>
+<p>De man antwoordde: &bdquo;Ik heb gestudeerd; ik drink
+niet.&rdquo;</p>
+<p>De lijkkoets had zich weder in beweging gesteld en rolde nu door de
+breede laan van het kerkhof.</p>
+<p>Fauchelevent ging langzamer, hij hinkte nu meer van angst dan van
+kreupelheid.</p>
+<p>De doodgraver ging voor hem.</p>
+<p>Fauchelevent nam den onverwachten Gribier nog eens in
+oogenschouw.</p>
+<p>&rsquo;t Was een derzulken die, reeds jong, oud schijnen en schoon
+mager, zeer sterk zijn.</p>
+<p>&bdquo;Kameraad!&rdquo; riep Fauchelevent.</p>
+<p>De man keerde het hoofd om.</p>
+<p>&bdquo;Ik ben de doodgraver van het klooster.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn collega alzoo,&rdquo; zei de man.</p>
+<p>Fauchelevent was niet geleerd, maar toch slim, en begreep dat hij
+met een moeielijken knaap, met een geducht redenaar te doen had. Hij
+mompelde:</p>
+<p>&bdquo;Welzoo! is de oude Mestienne dood?&rdquo;</p>
+<p>De man antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Volkomen. De goede God heeft zijn vervallen wisselbrieven
+nagezien. &rsquo;t Was Mestiennes beurt. De oude Mestienne is
+overleden.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent herhaalde werktuiglijk:</p>
+<p>&bdquo;De goede God...&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;De goede God,&rdquo; hernam de man hoogdravend: &bdquo;Voor
+de filosofen de eeuwige Vader, voor de Jakobijnen het
+Opperwezen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Willen wij geen kennis maken?&rdquo; stamelde
+Fauchelevent.</p>
+<p>&bdquo;Zij is gemaakt. Ge zijt een buitenman, ik ben
+parijzenaar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Men kent elkander niet, zoolang men niet samen gedronken
+heeft. Die zijn glas <span class="corr" id="xd20e5878" title=
+"Bron: ledigd">ledigt</span> stort zijn hart uit. Kom met mij drinken.
+Dat weigert men niet.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Eerst het werk.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent dacht: &bdquo;ik ben verloren.&rdquo;</p>
+<p>Men was op korten afstand van het pad, dat naar den hoek der nonnen
+voerde.</p>
+<p>De doodgraver hernam:</p>
+<p>&bdquo;Vriend, ik heb zeven kleinen te voeden; en aangezien zij
+moeten eten, mag ik niet drinken.&rdquo; <span class="pagenum">[<a id=
+"pb263" href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span></p>
+<p>En met de zelfvoldoening van iemand die iets fraais zegt, voegde hij
+er bij:</p>
+<p>&bdquo;Hun honger is de vijand van mijn dorst.&rdquo;</p>
+<p>De lijkkoets reed om een cypressenboschje, kwam uit de lange laan in
+een kleinere, en naderde het graf. Fauchelevent ging langzamer, maar
+kon de lijkkoets niet langzamer doen gaan. Gelukkig was de grond week
+en vochtig door den regen, de wielen zonken er in en &rsquo;t ging met
+moeite verder.</p>
+<p>Fauchelevent ging weder tot den doodgraver.</p>
+<p>&bdquo;Hij heeft een heerlijken wijn van Argenteuil;&rdquo;
+fluisterde hij.</p>
+<p>&bdquo;Man,&rdquo; antwoordde de andere, &bdquo;ik moest eigenlijk
+geen doodgraver zijn. Mijn vader was portier in het Prytan&eacute;e.
+Hij bestemde mij voor de letterkunde; maar hij had rampen, hij verloor
+op de beurs, en ik moest er van afzien, om auteur te worden. Ik ben
+evenwel nog openbaar schrijver.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt dus geen doodgraver?&rdquo; hernam Fauchelevent, zich
+als een drenkeling aan deze zwakke twijg van redding vastklemmende.</p>
+<p>&bdquo;Het een belet het andere niet. Ik cumuleer.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent begreep dit laatste niet. Hij hernam: &bdquo;Laat ons
+gaan drinken.&rdquo;</p>
+<p>Wij moeten hier een opmerking maken. Hoezeer Fauchelevent ook in
+angst was, noodigde hij den ander om te drinken; doch hij verklaarde
+zich niet omtrent het punt van betalen. Gewoonlijk noodigde
+Fauchelevent den ouden Mestienne en deze betaalde. De nieuwe toestand,
+veroorzaakt door den nieuwen doodgraver, verplichtte hem dezen op een
+glas wijn te noodigen, doch hoe ongerust hij ook was, hij dacht er
+volstrekt niet aan om het te betalen.</p>
+<p>De doodgraver hernam glimlachend:</p>
+<p>&bdquo;Er moet in de eerste plaats gegeten worden. Ik heb Mestiennes
+ambt overgenomen. Wanneer men schier al de scholen is doorgegaan, is
+men wijsgeer. Bij den handenarbeid heb ik den arm-arbeid gevoegd. In de
+straat de S&egrave;vres staat mijn schrijvers-stalletje. Ge weet op de
+parapluie-markt. Al de keukenmeiden van Croix-Rouge wenden zich tot
+mij. Ik schrijf brieven voor haar aan heur minnaars. Des ochtends
+schrijf ik minnebrieven, des avonds delf ik grafkuilen. Zoo leef ik,
+vriend.<span class="corr" id="xd20e5917" title=
+"Niet in bron">&rdquo;</span></p>
+<p>De lijkkoets naderde. Fauchelevent zag in de grootste ongerustheid
+naar alle zijden om. Groote zweetdroppels vloeiden van zijn
+voorhoofd.</p>
+<p>&bdquo;Men kan echter geen twee heeren dienen,&rdquo; vervolgde de
+doodgraver. &bdquo;Ik moet tusschen de pen en de spade kiezen. De spade
+bederft mijn hand.&rdquo;</p>
+<p>De lijkkoets hield stil. <span class="pagenum">[<a id="pb264" href=
+"#pb264" name="pb264">264</a>]</span></p>
+<p>De koorknaap kwam uit de met zwart behangen koets, vervolgens de
+priester.</p>
+<p>Een der voorwielen der lijkkoets stond half in een hoop aarde,
+waarachter men een open kuil zag.</p>
+<p>&bdquo;Wel! dat is een grap!&rdquo; herhaalde Fauchelevent
+ontsteld.</p>
+</div>
+<div class="footnotes">
+<hr class="fnsep">
+<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id=
+"xd20e5755" href="#xd20e5755src" name="xd20e5755">1</a></span> <i lang=
+"fr">Au bon coing</i>, (kweepeer) dat als <i lang="fr">coin</i> (hoek)
+wordt uitgesproken beteekent hier &bdquo;in den goeden hoek.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Tusschen vier planken.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Men weet wie in de doodkist was. Jean Valjean.</p>
+<p>Hij had zich zoo ingericht, dat hij er in &rsquo;t leven blijven en
+met moeite ademen kon.</p>
+<p>&rsquo;t Is opmerkelijk welk een gerustheid de overtuiging schenkt.
+Het door Jean Valjean den vorigen avond beraamde plan ging naar wensch.
+Hij rekende, gelijk Fauchelevent, op den ouden Mestienne. Hij twijfelde
+volstrekt niet aan een goede uitkomst. Er kon geen gevaarlijker
+toestand, maar ook geen grooter gerustheid zijn.</p>
+<p>De vier planken van een doodkist bevatten een vreeselijke rust, en
+ook Jean Valjeans gerustheid had iets van de rust der dooden.</p>
+<p>In deze doodkist had hij al de tooneelen van dit vreeselijk drama
+kunnen volgen, die hij met den dood speelde.</p>
+<p>Kort nadat Fauchelevent het deksel op de kist had gespijkerd, voelde
+Jean Valjean dat hij weggedragen en voortgereden werd. Toen het
+schokken verminderde, begreep hij, dat men van de straatsteenen op den
+zandweg, namelijk uit de straat op den boulevard was gekomen. Een dof
+gerommel deed hem vermoeden, dat men over de brug van Austerlitz reed.
+Toen men stil hield, begreep hij dat men aan het kerkhof was, en toen
+men weder stil hield, dacht hij: hier is de grafkuil.</p>
+<p>Eensklaps voelde hij dat de doodkist werd aangevat, vervolgens
+hoorde hij ruw over de planken strijken en hij vermoedde dat het een
+touw was, &rsquo;t welk men om de kist sloeg om ze in den kuil neder te
+laten. Toen volgde een soort van verdooving. Waarschijnlijk hadden de
+dragers de doodkist met het hoofdeinde benedenwaarts gehouden en ze zoo
+in den kuil laten nederdalen. Zoodra hij zich weder in een horizontale
+richting bevond, kwam hij weder tot bewustheid. Hij lag nu op den bodem
+van &rsquo;t graf en voelde een kille huivering.</p>
+<p>Een ijskoude plechtige stem verhief zich boven hem. Hij <span class=
+"pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name=
+"pb265">265</a>]</span>hoorde tamelijk duidelijk de volgende latijnsche
+woorden die hij niet verstond:</p>
+<p lang="la"><i>Qui dormiunt in terrae pulvere, evigilabunt; alii in
+vitam aeternam, et alii in opprobrium, ut videant semper.</i></p>
+<p>Een kinderstem zeide:</p>
+<p>&bdquo;<i lang="la">De profundis.</i>&rdquo;</p>
+<p>De plechtige stem hernam:</p>
+<p>&bdquo;<i lang="la">Requiem aeternam dona ei, domine.</i>&rdquo;</p>
+<p>De kinderstem antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;<i lang="la">Et lux perpetua luceat ei.</i>&rdquo;</p>
+<p>Hij hoorde op het deksel der kist iets als het gekletter van eenige
+regendroppels. &rsquo;t Was waarschijnlijk het wijwater.</p>
+<p>Hij dacht: &rsquo;t zal spoedig gedaan zijn; nog een weinig geduld.
+De priester zal zich verwijderen en Fauchelevent met Mestienne naar de
+herberg gaan. Men zal mij alleen laten. Dan zal Fauchelevent alleen
+terugkomen en mij verlossen. Er zal ruim een uur mede verloopen.</p>
+<p>De plechtige stem hernam:</p>
+<p>&bdquo;<i lang="la">Requiescat in pace.</i>&rdquo;</p>
+<p>De kinderstem antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;<i>Amen.</i>&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean spitste het oor en vernam niets dan voetstappen die
+zich verwijderden.</p>
+<p>Nu gaan zij, dacht hij; ik ben alleen.</p>
+<p>Eensklaps hoorde hij boven zijn hoofd een gerucht als het rollen des
+donders</p>
+<p>&rsquo;t Was een schop aarde die op de doodkist viel.</p>
+<p>Een tweede schop volgde.</p>
+<p>Een der gaatjes waardoor hij ademde werd verstopt</p>
+<p>Een derde schop aarde viel.</p>
+<p>Toen een vierde.</p>
+<p>Er zijn dingen, sterker dan de sterkste man. Jean Valjean verloor
+het bewustzijn.</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Zich niet van zijn stuk laten brengen.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Zie hier wat boven de doodkist gebeurde, waarin Jean
+Valjean lag.</p>
+<p>Toen de lijkkoets zich verwijderd had en de priester met den
+koorknaap in het rijtuig gestegen en vertrokken waren, <span class=
+"pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" name="pb266">266</a>]</span>zag
+Fauchelevent, die zijn oogen niet van den doodgraver had gewend, hem
+bukken en de spade nemen die rechtop in den hoop aarde stond.</p>
+<p>Toen nam Fauchelevent een moedig besluit.</p>
+<p>Hij plaatste zich tusschen den grafkuil en den doodgraver, sloeg de
+armen over elkander en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Ik betaal!&rdquo;</p>
+<p>De doodgraver aanschouwde hem verwonderd en antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Wat, landman?&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent herhaalde: &bdquo;Ik betaal!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Den wijn.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welken wijn?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Van Argenteuil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Waar?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;In de Goede Kweepeer.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Loop naar den duivel,&rdquo; zei de doodgraver.</p>
+<p>En hij wierp een schop aarde op de doodkist. De doodkist gaf een
+doffen klank. Fauchelevent wankelde en was op &rsquo;t punt zelf in het
+graf te vallen. Met een stem die eenigszins begon te beven, riep
+hij:</p>
+<p>&bdquo;Voor dat de &bdquo;Goede Kweepeer&rdquo; gesloten
+is.&rdquo;</p>
+<p>De doodgraver nam weder een schop aarde. Fauchelevent herhaalde:</p>
+<p>&bdquo;Ik betaal,&rdquo; en vatte den arm des doodgravers.
+&bdquo;Luister, kameraad. Ik ben de doodgraver van het klooster en kom
+u helpen. &rsquo;t Is een werk dat &rsquo;s nachts kan worden verricht.
+Laat ons vooraf eens drinken.&rdquo;</p>
+<p>Dit zeggende en zich aan dit reddingsmiddel vastklemmende dacht hij:
+Maar zal hij dronken worden, als hij drinkt?</p>
+<p>&bdquo;Landman,&rdquo; zei de doodgraver, &bdquo;zoo ge volstrekt
+wilt, &rsquo;t is mij w&egrave;l, maar wij drinken na den arbeid, niet
+eerder.&rdquo;</p>
+<p>En hij lichtte de spade op. Fauchelevent hield hem tegen.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is echte Argenteuil.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt ge klokluider? want ik hoor niets anders dan bombam,
+altijd hetzelfde. Ga voort.&rdquo;</p>
+<p>En hij wierp den tweeden schop aarde op de kist.</p>
+<p>Fauchelevent was nu op het punt gekomen, dat men niet meer weet wat
+men zegt.</p>
+<p>&bdquo;Maar ga toch mede om te drinken; ik betaal immers!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoodra wij het kind te bed hebben gelegd,&rdquo; zei de
+doodgraver.</p>
+<p>Hij wierp den derden schop aarde in den kuil.</p>
+<p>Toen stak hij zijn spade in den grond en zei:</p>
+<p>&bdquo;Weet ge, &rsquo;t zal van nacht koud zijn, en de doode zou
+ons naschreeuwen, zoo wij hem zonder deken achterlieten.&rdquo;
+<span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267" name=
+"pb267">267</a>]</span></p>
+<p>Toen bukte hij weder om een schop aarde te nemen, en Fauchelevents
+blik viel toevallig in den gapenden zak van zijn buis en bleef er op
+gevestigd.</p>
+<p>De zon was nog niet beneden den horizont en &rsquo;t was nog licht
+genoeg om in dien zak iets wits te kunnen zien.</p>
+<p>Fauchelevent spande al zijn zienskracht in. Een denkbeeld was in hem
+verrezen. Zonder dat de doodgraver het merkte, tastte Fauchelevent,
+achter hem staande, in zijn zak en haalde er het witte voorwerp
+uit.</p>
+<p>De doodgraver wierp een vierden schop aarde in den kuil.</p>
+<p>Toen hij zich weder omkeerde om den vijfden te nemen, zag
+Fauchelevent hem bedaard in de oogen en vroeg:</p>
+<p>&bdquo;Wel nieuweling, hebt ge uw kaart?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Welke kaart?&rdquo; vroeg de doodgraver zijn werk
+stakende.</p>
+<p>&bdquo;De zon gaat onder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Goed, mijnentwege moge zij haar slaapmuts
+opzetten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Het hek van &rsquo;t kerkhof zal gesloten worden.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Nu, en dan?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hebt ge uw kaart bij u?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Mijn kaart!&rdquo; herhaalde de doodgraver, en zocht in zijn
+zakken, eerst in den eenen, toen in den anderen. Hij keerde ze om.</p>
+<p>&bdquo;Neen,&rdquo; zeide hij, &bdquo;ik heb mijn kaart niet, en zal
+ze vergeten hebben.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vijftien francs boete,&rdquo; zei Fauchelevent.</p>
+<p>De doodgraver werd leikleurig-bleek.</p>
+<p>&bdquo;Goede God!&rdquo; riep hij, &bdquo;vijftien francs
+boete!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, drie vijffrancsstukken,&rdquo; zei Fauchelevent.</p>
+<p>De doodgraver liet zijn spade vallen.</p>
+<p>Nu was de beurt aan Fauchelevent.</p>
+<p>&bdquo;Nu, nu, rekruut,&rdquo; zeide hij, &bdquo;geen wanhoop. Het
+is niet noodig, dat ge u om &rsquo;t leven brengt en van den kuil
+gebruik maakt. &rsquo;t Is niet meer dan vijftien francs, en die ze
+niet heeft kan ze niet betalen. Ik ben oud, gij zijt jong. Ik ken de
+haken en oogen, en zal u een goeden raad geven. &rsquo;t Is duidelijk,
+dat de zon ondergaat, zij raakt den dom reeds en in vijf minuten wordt
+het kerkhof gesloten.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar,&rdquo; antwoordde de doodgraver.</p>
+<p>&bdquo;In vijf minuten kunt ge het graf niet vullen, het is
+verduiveld diep, en van hier gaan voor dat het hek gesloten
+is.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt gelijk.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Alzoo vijftien francs boete.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Vijftien francs.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maar ge hebt den tijd.... Waar woont ge?&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name="pb268">268</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Een paar schreden van de barri&egrave;re. Een kwartier van
+hier. In de straat Vaugirard No. 87.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoo ge hard loopt kunt ge er nog bijtijds
+uitkomen.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is waar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zoodra ge buiten het hek zijt, ijlt ge naar huis, neemt uw
+kaart, komt terug en de portier van het kerkhof laat u binnen. Als ge
+uw kaart hebt, behoeft ge geen boete te betalen. Ge begraaft uw lijk.
+Ik zal het ondertusschen bewaken, opdat het niet wegloope&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ge redt mij &rsquo;t leven, landman.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Maak nu dat ge weg komt,&rdquo; zei Fauchelevent.</p>
+<p>De doodgraver schudde hem dankbaar de hand, en liep haastig
+heen.</p>
+<p>Fauchelevent luisterde tot hij den doodgraver achter het geboomte
+had zien verdwijnen en zijn voetstappen niet meer hoorde; toen boog hij
+zich over den kuil en zeide halfluid:</p>
+<p>&bdquo;Vader Madeleine!&rdquo;</p>
+<p>Geen antwoord.</p>
+<p>Fauchelevent rilde. Hij liet zich eer in den kuil vallen dan dat hij
+er in klom, wierp zich op het hoofdeinde der kist en riep:</p>
+<p>&bdquo;Zijt ge er!&rdquo;</p>
+<p>Stilte in de doodkist.</p>
+<p>Fauchelevent kon niet ademen, zoo beefde hij; hij nam beitel en
+hamer en opende het deksel.</p>
+<p>Jean Valjeans gezicht kwam in de schemering bleek en met gesloten
+oogen te voorschijn.</p>
+<p>Fauchelevents haar rees te berge; hij richtte zich op, viel toen
+tegen den kant van den kuil, op &rsquo;t punt van op de doodkist te
+zinken, en aanschouwde Jean Valjean.</p>
+<p>Jean Valjean, lag bleek en bewegingloos.</p>
+<p>Fauchelevent stamelde met een stem zoo zacht als een ademtocht:</p>
+<p>&bdquo;Hij is dood!&rdquo;</p>
+<p>Toen richtte hij zich weder op en sloeg zijn armen over elkander,
+dat zijn gebalde vuisten zijn beide schouders raakten.</p>
+<p>Hij riep uit:</p>
+<p>&bdquo;Z&oacute;&oacute; heb ik hem dan gered!&rdquo;</p>
+<p>Toen begon de arme goede man te snikken, en met zich zelven te
+spreken. &rsquo;t Is een dwaling te gelooven, dat de alleenspraak niet
+natuurlijk is. In heftige aandoeningen spreekt men vaak luid tot zich
+zelven.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is vader Mestiennes schuld. Waarom is die domme
+kerel gestorven! Waarom moest hij op een oogenblik sterven, dat men hem
+noodig had; hij is &rsquo;t, die Madeleine heeft doen sterven.
+<span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name=
+"pb269">269</a>]</span>Vader Madeleine! hij ligt in de doodkist. Hij is
+er geweest! &rsquo;t Is uit.&mdash;Mijn God! hij is dood. Wat zal ik nu
+met zijn meisje beginnen! Wat zal de groentevrouw zeggen? Is &rsquo;t,
+in &rsquo;s Hemels naam, mogelijk dat zulk een man zoo sterft! Als ik
+er aan denk, dat hij onder mijn kar kroop! Vader Madeleine! Vader
+Madeleine! Hij is gestikt, verdord! ik zeide het wel. Hij wilde mij
+niet gelooven. Nu! &rsquo;t is een fraaie geschiedenis! De goede man is
+dood, de beste mensch, dien men onder de beste menschen vinden kon! En
+het meisje! Waarachtig, ik keer niet terug! Ik blijf hier! Welk een
+slag! Is het der moeite waard, dat wij beiden zoo oud werden om nog zoo
+dwaas te zijn. Maar hoe heeft hij &rsquo;t toch aangelegd om in het
+klooster te komen? dat was het begin! Men moet zulke dingen niet doen!
+Vader Madeleine! Vader Madeleine! Vader Madeleine! Madeleine! Mijnheer
+Madeleine, mijnheer de maire! Hij hoort mij niet! Kom er toch
+uit!&rdquo;</p>
+<p>Hij rukte zich de haren uit het hoofd.</p>
+<p>In de verte door het geboomte heen hoorde men een scherp gekrijsch.
+&rsquo;t Was het hek van het kerkhof dat gesloten werd.</p>
+<p>Fauchelevent boog zich over Jean Valjean, doch wierp zich ijlings
+zoo ver achteruit als de ruimte van den kuil toeliet. Jean Valjean had
+de oogen geopend en staarde hem strak aan.</p>
+<p>Een doode te zien is verschrikkelijk, iemand uit den doode te zien
+verrijzen niet minder! Fauchelevent was als versteend, bleek,
+verwilderd, overweldigd door zoo vele verschillende gemoedsschokken,
+niet wetende of hij met een levende of een doode had te doen en Jean
+Valjean aanschouwende, die hem aanschouwde.</p>
+<p>&bdquo;Ik was in slaap geraakt,&rdquo; zeide Jean Valjean, zich
+oprichtende.</p>
+<p>Fauchelevent zonk op de knie&euml;n.</p>
+<p>&bdquo;Heilige maagd! welk een schrik hebt ge mij
+veroorzaakt!&rdquo;</p>
+<p>En zich weder oprichtende riep hij: &bdquo;Ik dank u, vader
+Madeleine!&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean was slechts bewusteloos geweest. De frissche lucht had
+hem tot zich zelven gebracht.</p>
+<p>De blijdschap is de ebbe van den schrik. &rsquo;t Was voor
+Fauchelevent schier even moeielijk, als &rsquo;t voor Jean Valjean was
+geweest, tot besef te komen.</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt dus niet dood! Ge zijt waarlijk knap! Ik heb u zoo
+lang geroepen tot ge bijkwaamt. Toen ik uw gesloten oogen zag, dacht
+ik: Zoo, nu is hij gesmoord! Ik zou razend, krankzinnig zijn geworden.
+Zoo razend, dat men mij het dwangbuis had moeten aantrekken. Men zou
+mij naar Bic&ecirc;tre hebben gebracht. Wat zou ik gedaan hebben, zoo
+ge dood <span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" name=
+"pb270">270</a>]</span>waart geweest? en uw kleine! de groentevrouw zou
+er niets van begrepen hebben. Men brengt haar een kind en de grootvader
+is dood! Welk een geschiedenis! alle heiligen in den hemel, welk een
+geschiedenis! Maar ge zijt levend en dat is de hoofdzaak!&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik ben koud,&rdquo; zei Valjean.</p>
+<p>Dit woord bracht Fauchelevent volkomen tot de werkelijkheid terug,
+en de tijd drong. Beide mannen, zelfs toen zij hun bezinning hadden
+herkregen, waren, zonder er van bewust te zijn, nog in de grootste
+geestverwarring en in hen was iets zonderlings, eigen aan de treurige
+plaats waar zij zich bevonden.</p>
+<p>&bdquo;Spoeden wij ons,&rdquo; riep Fauchelevent, uit zijn zak een
+drinkflesch nemende, waarvan hij zich voorzien had.</p>
+<p>&bdquo;Maar eerst een slok,&rdquo; zeide hij.</p>
+<p>De brandewijn voltooide, wat de frissche lucht begonnen had. Jean
+Valjean nam een mondvol uit de flesch en herstelde zich volkomen.</p>
+<p>Hij stapte uit de doodkist en hielp Fauchelevent er het deksel
+opspijkeren.</p>
+<p>Drie minuten later waren zij uit den kuil.</p>
+<p>Fauchelevent was nu geheel gerust en haastte zich niet meer. Het
+kerkhof was gesloten. Door den doodgraver Gribier verrast te worden was
+niet te vreezen. Deze &bdquo;rekruut&rdquo; was te huis bezig met zijn
+kaart te zoeken, maar vond ze niet, wijl zij in den zak van
+Fauchelevent was. Zonder kaart kon hij naar het kerkhof niet
+wederkeeren.</p>
+<p>Fauchelevent nam de spade, Jean Valjean het houweel en beiden
+begroeven de ledige doodkist.</p>
+<p>Toen de kuil gevuld was, zei Fauchelevent tot Jean Valjean:</p>
+<p>&bdquo;Laat ons heengaan. Ik zal de spade dragen; neem gij het
+houweel.&rdquo;</p>
+<p>De nacht daalde.</p>
+<p>Jean Valjean had moeite zich te bewegen en te gaan. In de doodkist
+was hij verstijfd en had iets van een lijk gekregen. De stijfheid van
+den dood had hem tusschen die vier planken aangegrepen en hij moest
+zich, om zoo te zeggen, van het graf ontdooien.</p>
+<p>&bdquo;Ge zijt verstijfd,&rdquo; zei Fauchelevent, &bdquo;&rsquo;t
+is jammer dat ik hink, wij zouden anders sneller kunnen
+gaan.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;O,&rdquo; antwoordde Jean Valjean, &bdquo;een paar schreden,
+en ik ben weder vlug ter been.&rdquo;</p>
+<p>Zij gingen door de lanen waarlangs de lijkkoets was gereden. Aan het
+gesloten hek en het huisje van den portier gekomen, wierp Fauchelevent,
+die de kaart van den doodgraver <span class="pagenum">[<a id="pb271"
+href="#pb271" name="pb271">271</a>]</span>in de hand had, ze in de bus;
+de portier trok aan de koord, de deur opende zich en zij gingen er
+uit.</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Gaat alles best!&rdquo; zei Fauchelevent, &bdquo;ge
+hebt waarlijk een goed denkbeeld gehad, vader Madeleine.&rdquo;</p>
+<p>Zonder belemmering gingen zij door de barri&egrave;re <span class=
+"corr" id="xd20e6267" title="Bron: Vaurigard">Vaugirard</span>. In den
+omtrek van een kerkhof zijn een spade en een houweel twee passen.</p>
+<p>&rsquo;t Was eenzaam in de straat Vaugirard.</p>
+<p>&bdquo;Ge hebt betere oogen dan ik, vader Madeleine,&rdquo; zei
+Fauchelevent de oogen naar de huizen opheffende. &bdquo;Wijs mij eens
+No 87.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;&rsquo;t Is hier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Er is niemand in de straat,&rdquo; hernam Fauchelevent,
+&bdquo;geef mij het houweel en wacht mij een paar minuten.&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent trad No. 87 binnen, klom naar de bovenste verdieping,
+door het instinct geleid, dat immer den arme naar den zolder voert en
+klopte in de duisternis aan een zolderkamer. Een stem antwoordde.</p>
+<p>&bdquo;Binnen!&rdquo;</p>
+<p>&rsquo;t Was Gribier&rsquo;s stem.</p>
+<p>Fauchelevent opende de deur. Het verblijf van den doodgraver was,
+gelijk al de woningen der armen, een kot zonder huisraad en toch vol.
+Een pakkist&mdash;misschien een doodkist&mdash;verving er een
+ladetafel, een boterpot, een watervat, een stroomatras, een bed, de
+vloer diende er tot stoel en tafel. In een hoek zaten op eenige lompen,
+stukken van een oud vloerkleed, een magere vrouw en verscheidene
+kinderen. Alles lag overhoop en door elkander. &rsquo;t Was alsof er
+een aardbeving had plaats gehad. De deksels der potten waren van hun
+plaats, allerlei oude kleedingstukken lagen verspreid, de kruik was
+gebroken, de moeder had geweend, de kinderen waren waarschijnlijk
+geslagen; men zag de sporen van hardnekkige, haastige nazoekingen.
+&rsquo;t Was blijkbaar, dat de doodgraver als waanzinnig zijn kaart had
+gezocht, en die van allen en alles had gevorderd, van zijn vrouw af tot
+de kruik toe. Hij zelf was als wanhopig. Fauchelevent echter, door zijn
+haast om aan de ontknooping van het avontuur te komen, merkte deze
+treurige zijde van het gevolg zijner daad niet op.</p>
+<p>Hij trad binnen en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Ik breng uw spade en houweel terug.&rdquo;</p>
+<p>Gribier aanschouwde hem verstomd.</p>
+<p>&bdquo;Gij hier, landman?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Morgenochtend zult ge bij den portier van het kerkhof uw
+kaart vinden,&rdquo; en hij legde spade en houweel op den vloer.
+<span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name=
+"pb272">272</a>]</span></p>
+<p>&bdquo;Wat beteekent dat?&rdquo; vroeg Gribier.</p>
+<p>&bdquo;Het beteekent, dat ge uw kaart uit uw zak hebt laten vallen,
+dat ik ze op den grond vond, toen ge vertrokken waart; dat ik den kuil
+gevuld en uw arbeid heb verricht, dat de portier u uw kaart zal
+wedergeven en ge geen vijftien francs behoeft te betalen. Dat is alles,
+rekruut.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ik dank u, landman!&rdquo; riep Gribier verrukt, &bdquo;een
+volgenden keer zal ik het gelag betalen.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Het goed afgeloopen verhoor.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Een uur later, toen het pikdonker was, vertoonden zich
+twee mannen en een kind aan de deur van No. 62 in de kleine
+Picpus-straat. De eerste dezer mannen lichtte den klopper op en maakte
+gerucht.</p>
+<p>&rsquo;t Waren Fauchelevent, Jean Valjean en Cosette. Beide mannen
+hadden Cosette van de groentevrouw in de straat du Chemin Vert gehaald,
+waar Fauchelevent haar gisteren gebracht had. Cosette had, bevende en
+niets begrijpende, vier-en-twintig uren in stilte doorgebracht; zij had
+zoo gebeefd dat zij niet kon weenen. Zij had evenmin gegeten als
+geslapen. De goede groentevrouw had haar honderden vragen gedaan,
+zonder iets anders dan altijd denzelfden treurigen blik te ontvangen.
+Cosette had niets laten verluiden van &rsquo;t geen zij sedert twee
+dagen gezien en gehoord had. Zij begreep, dat er iets gevaarlijks op
+til was, en had een heimelijk gevoel dat zij voorzichtig moest zijn.
+Wie heeft nooit de buitengewone kracht gevoeld dezer twee woorden, op
+zekeren toon een kind toegefluisterd: &bdquo;zeg niets.&rdquo; De vrees
+is stom. Overigens bewaart niemand een geheim beter dan een kind.</p>
+<p>Maar toen zij na deze treurige vier-en-twintig uren Jean Valjean
+wederzag, slaakte zij zulk een vreugdekreet, dat een opmerker, die hem
+gehoord had, in dien kreet de redding uit een afgrond zou vermoed
+hebben.</p>
+<p>Fauchelevent behoorde tot het klooster en kende het wachtwoord. Alle
+deuren werden voor hem geopend.</p>
+<p>Zoo was dan het dubbel en verschrikkelijk raadsel: &bdquo;uitgaan en
+binnenkomen&rdquo;, opgelost.</p>
+<p>De portier opende, ingevolge de ontvangen bevelen, de kleine deur op
+de plaats, die in den tuin uitkwam, en welke men twintig jaren geleden
+nog van de straat in den achtermuur der <span class="pagenum">[<a id=
+"pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span>plaats tegenover de
+koetspoort kon zien. De portier liet alle drie door deze deur in, en
+van daar gingen zij naar het bijzondere spreekvertrek, waar
+Fauchelevent den vorigen dag de bevelen der priorin had ontvangen.</p>
+<p>De priorin wachtte hen op met haar rozenkrans in de hand. Een
+kapittelmoeder, met neergelaten sluier, stond naast haar. Een
+bescheidene kaars verlichtte of verdreef althans de duisternis uit de
+spreekkamer.</p>
+<p>De priorin nam Jean Valjean in oogenschouw. Niets ziet nauwkeuriger
+dan een nedergeslagen oog. Daarop vroeg zij hem:</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij de broeder?&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Ja, eerwaardige moeder,&rdquo; antwoordde Fauchelevent.</p>
+<p>&bdquo;Hoe heet gij?&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Ultime Fauchelevent.&rdquo;</p>
+<p>Hij had werkelijk een broeder gehad, die Ultime heette, en die
+overleden was.</p>
+<p>&bdquo;Van waar zijt ge?&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Van Picquigny bij Amiens.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Hoe oud zijt ge?&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Vijftig jaar.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Wat doet ge!&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Tuinier.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt ge een goed Christen?&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Allen zijn het in mijn familie.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Behoort u dit meisje?&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Ja, eerwaardige moeder.&rdquo;</p>
+<p>&bdquo;Zijt gij haar vader?&rdquo;</p>
+<p>Fauchelevent antwoordde:</p>
+<p>&bdquo;Haar grootvader.&rdquo;</p>
+<p>De kapittelmoeder zeide halfluid tot de priorin:</p>
+<p>&bdquo;Hij antwoordt goed.&rdquo;</p>
+<p>Jean Valjean had geen woord gezegd.</p>
+<p>De priorin beschouwde Cosette oplettend, en zeide halfluid tot de
+kapittelmoeder:</p>
+<p>&bdquo;Zij zal leelijk zijn.&rdquo;</p>
+<p>De beide moeders fluisterden eenige minuten in den hoek van het
+spreekvertrek, toen keerde de priorin zich om en zeide:</p>
+<p>&bdquo;Vader Fauvent, ge zult nog een knieband met een schel
+krijgen. Thans zijn er twee noodig.&rdquo; <span class=
+"pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name="pb274">274</a>]</span></p>
+<p>Den volgenden dag hoorde men inderdaad twee schellen in den tuin, de
+nonnen konden zich niet weerhouden haar sluier een weinig op te
+lichten. Men zag nu onder het geboomte twee mannen naast elkander
+spitten; Fauvent en een ander. Een gewichtige gebeurtenis. Men verbrak
+de stilte om elkander te zeggen: &bdquo;&rsquo;t Is een
+hulptuinier.&rdquo;</p>
+<p>De kapittelmoeders voegden er bij: &bdquo;&rsquo;t Is een broeder
+van vader Fauvent.&rdquo;</p>
+<p>Inderdaad, Jean Valjean was offici&euml;el aangesteld; hij had den
+knieband met de schel aan, was nu kloosterbediende en heette Ultime
+Fauchelevent.</p>
+<p>De krachtigste beweegreden tot aanneming van Cosette was de
+opmerking geweest der priorin: &bdquo;zij zal leelijk zijn.&rdquo;</p>
+<p>Na deze voorspelling vatte de priorin dadelijk genegenheid voor
+Cosette op en plaatste haar in het pensionnaat als kweekeling, ter
+liefde Gods.</p>
+<p>Dit alles is zeer logisch.</p>
+<p>Hoewel men in het klooster geen spiegel heeft, kennen de vrouwen er
+echter haar gezicht; en de meisjes, die weten dat zij fraai zijn, laten
+zich niet gemakkelijk tot non maken, want de roeping tot het klooster
+staat meestal in omgekeerde reden tot de schoonheid, en van de
+leelijken is meer te verwachten dan van de schoonen. Daaruit ontstaat
+dan ook een voorliefde voor leelijke meisjes.</p>
+<p>Dit avontuur verhief den goeden ouden Fauchelevent niet weinig; hij
+was drievoudig geslaagd; hij had Jean Valjean gered en een schuilplaats
+bezorgd; den doodgraver Gribier had hij van de boete bevrijd; het
+klooster had door hem de doodkist van moeder Crucifixion onder het
+altaar behouden; het had Cesar ontdoken en God voldaan. Er was een
+doodkist met een lijk in Klein-Picpus en een doodkist zonder lijk op
+het kerkhof Vaugirard; hoezeer het openbaar gezag hierdoor ernstig
+gekrenkt was, kon het niet ontdekt worden. De dankbaarheid van het
+klooster voor Fauchelevent was overigens groot. Fauchelevent werd als
+een voortreffelijk dienaar en als een uitmuntend tuinier geacht. Bij
+het eerste bezoek van den aartsbisschop verhaalde de priorin de zaak
+aan monseigneur, waarbij zij eenigszins schuld beleed en zich er op
+beroemde. De aartsbisschop sprak er vervolgens met goedkeuring over en
+in stilte met den abb&eacute; de Latil, biechtvader van den broeder des
+konings, later aartsbisschop van Reims en kardinaal. De bewondering
+voor Fauchelevent vond zelfs haar weg naar Rome. Wij hebben een briefje
+voor ons van den destijds regeerenden paus Leo XII aan een zijner
+verwanten, een geestelijke bij de nunciatuur te Parijs, die evenals
+hij, Della Genga heette; men leest er deze <span class=
+"pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name=
+"pb275">275</a>]</span>regels in: &bdquo;&rsquo;t Schijnt dat in een
+klooster te Parijs een uitmuntend tuinier, een heilig man, genaamd
+Fauvan is.&rdquo; Van al dien triomf drong niets tot Fauchelevent in
+zijn huisje door; hij ging voort met enten, harken en met zijn
+meloenbedden te dekken, zonder iets van zijn roem te gissen, evenmin
+als een os van Durham of van Surrey, wiens portret in de <i lang=
+"en">Illustrated London News</i> met dit opschrift voorkomt: &bdquo;os,
+die den prijs op het konkoers van het hoornvee behaald
+heeft.&rdquo;</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch8.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2>
+<h2 class="main">Besluit.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Cosette bewaarde ook in het klooster het zwijgen.</p>
+<p>&rsquo;t Was natuurlijk, dat zij zich Valjeans dochter waande. Wijl
+zij overigens niets wist, kon zij niets zeggen en zou in allen geval
+niets gezegd hebben. Wij hebben het reeds gezegd, er is niets dat de
+kinderen beter geheimhouding leert dan het ongeluk. Cosette had zoo
+veel geleden, dat zij alles vreesde, zelfs het spreken en het ademen.
+Een enkel woord had zoo dikwerf een stormbui over haar gebracht.
+Nauwelijks was zij eenigszins geruster geworden, sinds zij bij Jean
+Valjean was. Zij werd spoedig aan het kloosterleven gewoon. Zij
+betreurde alleen haar pop Kaatje, maar durfde er niet van spreken. Eens
+zeide zij tot Jean Valjean: &bdquo;Had ik &rsquo;t geweten, vader, ik
+zou haar me&ecirc;genomen hebben.&rdquo;</p>
+<p>Toen Cosette pensionnaire in het klooster werd, moest zij ook de
+kleeding der kweekelingen van het huis dragen. Jean Valjean verkreeg op
+zijn verzoek de kleederen, welke zij aflegde<span class="corr" id=
+"xd20e6427" title="Bron: ,">.</span> &rsquo;t Was dezelfde
+rouwkleeding, welke hij haar had gegeven, toen zij de herberg van
+Th&eacute;nardier verliet, en die nog niet was afgedragen. Jean Valjean
+borg deze kleeding, benevens de wollen kousen en schoentjes, met een
+hoeveelheid kamfer en andere reukmiddelen, waarvan de kloosters zoo
+ruim voorzien zijn, in een valiesje, &rsquo;t welk hij zich wist te
+verschaffen. Dit kleine valies legde hij op een stoel bij zijn bed en
+droeg steeds den sleutel er van bij zich.&mdash;Vader, vroeg Cosette
+hem eens, wat is toch in deze doos, dat zoo lekker riekt?</p>
+<p>Behalve den roem, waarvan wij verhaald hebben, die Fauchelevent
+onbewust ten deel werd, vond zijn goede daad ook op andere wijzen
+belooning; vooreerst gevoelde hij er zich gelukkig door; ten tweede had
+hij minder werk, wijl zijn arbeid thans gedeeld werd. Eindelijk, daar
+hij veel van een snuifje hield, <span class="pagenum">[<a id="pb276"
+href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span>snoof hij in de aanwezigheid
+van Madeleine driemaal meer dan vroeger, en smaakte het hem veel beter,
+dewijl Madeleine de snuif betaalde.</p>
+<p>De nonnen noemden Jean Valjean niet Ultime, maar den &bdquo;anderen
+Fauvent.&rdquo;</p>
+<p>Zoo deze vrome zusters iets van Javerts blik hadden bezeten, zouden
+zij eindelijk hebben opgemerkt, dat wanneer er wegens
+tuinaangelegenheden een boodschap buitenshuis moest gedaan worden,
+steeds de oude Fauchelevent, de oude gebrekkige, hinkende man uitging,
+en nooit de andere. Zij letten hier echter niet op; hetzij, dat oogen,
+die steeds op God zijn gericht, niet kunnen bespieden, of dat zij zich
+bij voorkeur bezighielden elkander onderling te bespieden.</p>
+<p>&rsquo;t Was overigens een geluk voor Valjean, dat hij zich
+verborgen hield en niet op straat kwam, want langer dan een maand liet
+Javert deze buurt nauwkeurig bewaken.</p>
+<p>Dit klooster was voor Jean Valjean als een eiland, dat door
+afgronden is omringd. Deze vier muren omsloten voor hem nu de wereld.
+Hij zag er genoeg van den hemel om opgeruimd te zijn, en Cosette genoeg
+om gelukkig te wezen.</p>
+<p>Er begon voor hem een zeer kalm en rustig leven.</p>
+<p>Hij bewoonde met den ouden Fauchelevent het huisje achter in den
+tuin.</p>
+<p>Dit krot, dat in 1845 nog bestond, bevatte, zooals men weet, drie
+kamertjes, die schier niets dan de naakte muren vertoonden.
+Fauchelevent had met geweld het grootste aan Jean Valjean afgestaan,
+die vruchteloos geweigerd had. De muur van dit kamertje had tot
+versiering, behalve de twee spijkers om den knieband en de draagkorf
+aan te hangen, een royalistisch muntbiljet van 1793, dat boven den
+schoorsteen was gehecht en aldus luidde:</p>
+<div class="blockquote">
+<p class="first">KATHOLIEK KONINKLIJK LEGER.</p>
+<p>In naam des Konings.</p>
+<p>GOED VOOR TIEN LIVRES,</p>
+<p>wegens aan het leger geleverde goederen, betaalbaar bij den
+vrede.</p>
+<p>Serie 3. No. 10390.</p>
+<p>STOFFLET.</p>
+</div>
+<p>Dit Vendeesche assignaat was aan den muur gespijkerd door den
+vorigen tuinier, een voormalig Chouan, die in het <span class=
+"pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name=
+"pb277">277</a>]</span>klooster overleden was en wien <span class=
+"corr" id="xd20e6467" title="Bron: Fauchelelent">Fauchelevent</span>
+was opgevolgd.</p>
+<p>Jean Valjean arbeidde dagelijks in den tuin en was er zeer nuttig.
+Vroeger was hij boomsnoeier geweest en kreeg opnieuw veel lust in het
+tuinieren. Men herinnere zich, dat hij allerlei recepten en geheime
+middelen kende. Hier trok hij partij van. Meest al de boomen van den
+tuin waren wild, hij entte en veredelde ze en won er heerlijke vruchten
+van.</p>
+<p>Cosette had verlof, alle dagen een uur bij hem door te brengen.
+Dewijl de zusters gewoonlijk somber waren en hij vriendelijk was,
+vergeleek het kind hem bij haar, en beminde hem. Op het bepaalde uur
+ijlde zij naar het huisje en bracht er den hemel in. Valjean was
+verrukt en opgetogen, en voelde zijn geluk vergroot door het geluk dat
+hij Cosette bezorgde. De vreugd, welke wij veroorzaken, heeft de
+eigenschap, dat, in plaats van bij terugkaatsing te verflauwen, zij
+schitterender tot ons terugkeert. In de uren van uitspanning zag Jean
+Valjean haar in de verte spelen en loopen, en kon haar gelach van dat
+der andere meisjes onderscheiden. Want thans lachte Cosette.</p>
+<p>Zelfs Cosette&rsquo;s gezicht was eenigermate veranderd. Het sombere
+was er van verdwenen. De glimlach is de zon; hij jaagt den winter van
+&rsquo;s menschen gelaat.</p>
+<p>Wanneer Cosette van het uitspanningsuur terugkeerde, staarde Jean
+Valjean naar de vensters harer school, en des nachts stond hij op, om
+naar de vensters van haar slaapzaal te zien.</p>
+<p>God heeft Zijn wegen; het klooster, zoowel als Cosette, werkten er
+toe mede om in Jean Valjean het werk van den bisschop levendig te
+houden en te volmaken. &rsquo;t Is zeker, dat een der zijden van de
+deugd aan den hoogmoed grenst. Daar ligt een brug, die door den duivel
+gebouwd is. Jean Valjean was misschien, zonder dat hij &rsquo;t zelf
+wist, tamelijk dicht bij deze zijde en deze brug, toen de
+Voorzienigheid hem in het klooster van Klein-Picpus wierp. Zoolang hij
+zich slechts bij den bisschop had vergeleken, had hij zich onwaardig
+bevonden en was hij nederig en ootmoedig geweest, maar sedert eenigen
+tijd begon hij zich bij de gewone menschen te vergelijken, en de
+hoogmoed kwam bij hem op. Wie weet? misschien zou hij allengs weder tot
+haat gekomen zijn.</p>
+<p>Het klooster hield hem op dezen gladden weg tegen.</p>
+<p>Het was het tweede gevangenisoord, dat hij zag. In zijn jeugd, en
+&rsquo;t geen voor hem het begin des levens was geweest, en later, nog
+onlangs, had hij er een ander, verschrikkelijker, vreeselijker gezien,
+welks strengheden hem altijd als het onrecht der gerechtigheid, als de
+misdaad der wet waren voorgekomen. Thans, na het bagno, zag hij het
+klooster; en als hij overwoog, <span class="pagenum">[<a id="pb278"
+href="#pb278" name="pb278">278</a>]</span>dat hij tot het bagno had
+behoord, en nu, om zoo te spreken, aanschouwer van het klooster was,
+vergeleek hij beide met belangstelling in zijn geest.</p>
+<p>Soms rustte hij op zijn spade en verzonk langzaam in de peillooze
+diepten der gedachten.</p>
+<p>Hij herinnerde zich zijn oude lotgenooten, hun diepe ellende; zij
+stonden op met den dageraad en werkten tot den nacht; nauwelijks gunde
+men hun den slaap; zij sliepen op britsen en men stond hun slechts twee
+duim dikke stroomatrassen toe, en zalen die slechts in de koudste
+maanden van &rsquo;t jaar verwarmd werden; zij droegen gelijke roode
+buizen; men veroorloofde hun als bijzondere gunst in de grootste hitte
+een linnen broek, en in de strengste koude een wollen deken; zij
+dronken geen wijn noch aten vleesch, dan wanneer zij van uitputting
+zouden sterven. Zij hadden geen naam meer, maar werden alleen aangeduid
+door nommers en werden daardoor eenigermate tot cijfers gemaakt, zij
+sloegen de oogen neder, spraken zacht, hun haar was afgesneden, en zij
+leefden onder den stok en in schande.</p>
+<p>Vervolgens wendde zich zijn geest naar de wezens, welke hij voor
+zijn oogen had.</p>
+<p>Ook deze wezens gingen met afgesneden haar, met nedergeslagen oogen,
+spraken zacht, leefden wel niet in schande, maar bespot door de wereld,
+heur rug werd niet door den stok gekwetst, maar heur schouders door de
+geeselkoord gestriemd. Ook haar naam was onder de menschen verdwenen;
+zij bestonden nog slechts onder de namen van heiligen. Nooit aten zij
+vleesch, noch dronken zij wijn; vaak bleven zij den geheelen dag zonder
+voedsel; zij waren niet in een rood buis, maar in een zwartwollen
+gewaad gekleed, dat des zomers zwaar, des winters licht was, zonder
+daarvan iets af te nemen of er iets bij te voegen, zonder, al naar het
+jaargetijde, van linnen of wol gebruik te mogen maken; zes maanden van
+&rsquo;t jaar droegen zij sergie&euml;n hemden, die haar de koorts
+veroorzaakten. Zij bewoonden in de strengste koude geen verwarmde
+zalen, maar cellen waarin nooit werd gestookt; zij sliepen niet op twee
+duim dikke matrassen, maar op stroo; kortom, men liet haar zelfs de
+nachtrust niet; alle nachten, na een dag van werkzaamheid, moesten zij
+in de afmatting van den eersten slaap, wanneer men nauwelijks verwarmd
+is, opstaan en in een ijskoude donkere kapel op een steen geknield
+bidden.</p>
+<p>Op sommige dagen moest ieder dezer wezens beurtelings twaalf uren
+achtereen op de steenen blijven knielen of met het gezicht ter aarde en
+met uitgestrekte armen daarop liggen. <span class="pagenum">[<a id=
+"pb279" href="#pb279" name="pb279">279</a>]</span></p>
+<p>De anderen waren mannen, dezen waren vrouwen.</p>
+<p>Wat hadden deze mannen gedaan? Zij hadden gestolen, geroofd,
+gemoord, gewelddadigheden gepleegd; &rsquo;t waren roovers,
+falsarissen, giftmengers, brandstichters, moordenaars, vadermoorders.
+Wat hadden deze vrouwen gedaan? Zij hadden niets gedaan.</p>
+<p>Eenerzijds roof, bedrog, geweld, moord, allerlei misdaden; aan de
+andere zijde slechts onschuld; een volkomen onschuld; schier tot in den
+hemel verheven; door de deugd nog aan de aarde gehecht, maar door
+heiligheid reeds tot den hemel behoorende.</p>
+<p>Eenerzijds misdaden, die men elkander alleen in &rsquo;t geheim
+toevertrouwt. Andererzijds de belijdenis van gebreken, met luide stem.
+En welke misdaden! en welke gebreken!</p>
+<p>Eenerzijds verpestende dampen, andererzijds welriekende geuren.
+Eenerzijds eene zedelijke pest, waarop het kanon gericht is, die nauw
+bewaakt wordt en allengs de zieken verslindt; andererzijds een kuische
+ontvlamming van aller zielen door denzelfden gloed. Daar duisternis,
+hier schaduw, maar een schaduw vol glans, een schitterende glans.</p>
+<p>Twee plaatsen van slavernij, maar in de eerste een mogelijke
+bevrijding, een wettelijke grens steeds in &rsquo;t vooruitzicht, en
+daarbij de ontvluchting. In de andere, eeuwigdurendheid, in &rsquo;t
+ver verschiet der toekomst geen andere hoop dan dat schijnsel van
+vrijheid, &rsquo;t welk de menschen den dood noemen.</p>
+<p>In de eerste was men slechts door ketens geboeid, in de andere was
+men door zijn geloof geboeid.</p>
+<p>Wat verheft zich uit de eerste? Een oneindige vervloeking,
+tandgeknars, haat, wanhopige boosaardigheid, een kreet van woede tegen
+de menschelijke maatschappij, de bespotting van den hemel. Wat
+verspreiden zich uit de tweede? Zegen en liefde.</p>
+<p>En in deze zoo overeenkomende en zoo verschillende plaatsen
+volbrachten deze beide zoo verschillende soorten van wezens hetzelfde
+werk, boetedoening.</p>
+<p>Jean Valjean begreep wel de boetedoening der eersten, de
+persoonlijke boetedoening, de boetedoening voor zich zelven, maar niet
+die der anderen, die der vlekkelooze, onschuldige wezens, en bevend
+vroeg hij zich: Waartoe boetedoening? welke boetedoening?</p>
+<p>Een stem in zijn binnenste antwoordde: de verhevenste edelmoedigheid
+des menschen, de boetedoening voor anderen.</p>
+<p>Hier blijven alle persoonlijke theorie&euml;n ter zijde gesteld, wij
+verhalen slechts; wij plaatsen ons op het gezichtspunt van Jean Valjean
+en vertolken zijn gewaarwordingen.</p>
+<p>Hij had den hoogsten trap van zelfverloochening, het toppunt
+<span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280" name=
+"pb280">280</a>]</span>van mogelijke deugd voor zijn oogen; de
+onschuld, die den menschen hun misslagen vergeeft en er in hun plaats
+voor boet; de vrijwillig aangenomen dienstbaarheid en pijniging, de
+straf door onschuldige zielen begeerd om er zondige zielen van te
+bevrijden; de liefde voor de menschheid in de liefde voor God opgelost,
+maar hier afgezonderd blijvende, en biddende; zwakke, zachte wezens,
+die de ellende dragen van hen, welke gestraft worden, met den glimlach
+van hen die beloond worden.</p>
+<p>En hij herinnerde zich, dat hij zich had durven beklagen!</p>
+<p>Dikwerf stond hij des nachts op, om naar het dankbaar gezang te
+hooren dier onschuldige, onder strengheden gebukte wezens; en een koude
+rilling doorliep zijn leden bij de gedachte, dat degenen die terecht
+gestraft werden, hun stem slechts tot den hemel verhieven om te
+lasteren; en dat ook hij zelf de vuist tegen God had opgeheven.</p>
+<p>Welk een treffende samenloop van omstandigheden die hem, als ware
+&rsquo;t een fluisterende waarschuwing der Voorzienigheid zelve
+geweest, diep deed nadenken: hij was over muren geklommen, hij had
+alles, zelfs den dood getart om het andere oord van boetedoening te
+verlaten, en juist hetzelfde had hij gedaan om in dit te komen. Was dit
+een zinnebeeld van zijn lot?</p>
+<p>Ook dit huis was een gevangenis, en scheen even treurig als het
+andere, waaruit hij gevlucht was; en evenwel was hier nimmer een
+gedachte aan ontvluchting bij hem opgekomen.</p>
+<p>Hij zag wederom trali&euml;n, grendels, ijzeren
+spijlen&mdash;om&mdash;wie te bewaren? Engelen.</p>
+<p>De hooge muren, waarmede hij tijgers omgeven had gezien, vond hij
+hier om lammeren.</p>
+<p>&rsquo;t Was een plaats van boetedoening en niet van straf; en
+echter was zij nog strenger, somberder en onmeedoogender dan de andere.
+Deze maagden werden zwaarder verdrukt dan tuchtelingen. Een kille, gure
+wind, welke zijn jeugd had verstijfd, woei over het getraliede en
+gegrendelde hol der gieren; maar een scherper en pijnlijker wind nog
+woei door de kooi der duiven.</p>
+<p>Waarom?</p>
+<p>Wanneer hij hieraan dacht, verzonk hij in ootmoed voor deze verheven
+verborgenheid.</p>
+<p>Bij deze overdenkingen verdween zijn trots; hij keerde in zich
+zelven, gevoelde zijner nietigheid en weende vaak.</p>
+<p>Al wat sedert zes maanden in zijn leven gebeurd was, deed hem tot de
+vermaningen van den bisschop terugkeeren: Cosette deed het door liefde,
+het klooster door ootmoed. <span class="pagenum">[<a id="pb281" href=
+"#pb281" name="pb281">281</a>]</span></p>
+<p>Soms zag men hem des avonds, in de duisternis, wanneer de tuin
+verlaten was, geknield op het pad langs de kapel voor het venster, door
+&rsquo;t welk hij in den nacht zijner komst gezien had, gericht naar de
+plek waar hij wist dat de zuster, die de &bdquo;Verzoening&rdquo;
+verrichtte, in gebed was nedergebogen. Ook hij bad geknield voor deze
+zuster.</p>
+<p>Voor God rechtstreeks te knielen scheen hij niet te durven
+wagen.</p>
+<p>Al wat hem omgaf, deze vreedzame tuin, deze geurige bloemen, deze
+vroolijke kinderen, deze ernstige eenvoudige vrouwen, dit stille
+klooster&mdash;oefende een machtigen invloed op hem uit en allengs
+vervulde zich zijn ziel met de kalmte als van dit klooster, met geuren
+als van deze bloemen, met vrede als van dezen tuin, met eenvoud als van
+deze vrouwen, met blijdschap als van deze kinderen. Dan dacht hij er
+over na, dat twee huizen Gods hem na elkander in de twee gewichtigste
+omstandigheden zijns levens hadden opgenomen, het eerste toen alle
+deuren zich voor hem sloten en de maatschappij hem verstiet; het tweede
+toen de maatschappij hem wederom vervolgde en het bagno zich opnieuw
+voor hem opende; en dat hij, zonder het eerste, weder tot misdaad, en
+zonder het tweede tot straf zou zijn vervallen.</p>
+<p>Zijn geheel hart versmolt in dankbaarheid en vervulde zich hoe
+langer hoe meer met liefde.</p>
+<p>Verscheidene jaren verstreken alzoo; Cosette groeide aldus op.</p>
+<p class="trailer xd20e6562">Einde van het tweede deel.</p>
+<p><span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name=
+"pb282">282</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div id="toc" class="div1"><span class="pagenum">[<a href=
+"#toc">Inhoud</a>]</span>
+<div class="divHead">
+<h2 class="main">Inhoud.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first tocChapter"><span class="uc">Boek I.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Waterloo.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum"></td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"></td>
+<td class="tocPageNum">Bladz.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.1">Wat er op den weg
+van Nivelles gevonden wordt</a></td>
+<td class="tocPageNum">7</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.2">Hougomont</a></td>
+<td class="tocPageNum">8</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.3">Den 18 Juni
+1815</a></td>
+<td class="tocPageNum">15</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.4">A.</a></td>
+<td class="tocPageNum">17</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.5">Het
+&bdquo;duistere iets&rdquo; der veldslagen</a></td>
+<td class="tocPageNum">19</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.6">Des namiddags te
+vier uren</a></td>
+<td class="tocPageNum">21</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.7">Napoleon in goede
+luim</a></td>
+<td class="tocPageNum">24</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.8">De Keizer doet den
+gids Lacoste een vraag</a></td>
+<td class="tocPageNum">29</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.9">Het
+onverwachte</a></td>
+<td class="tocPageNum">32</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">X.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.10">Het bergvlak van
+Mont-Saint-Jean</a></td>
+<td class="tocPageNum">35</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.11">Een slechte gids
+voor Napoleon, een goede gids voor Bulow</a></td>
+<td class="tocPageNum">40</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.12">De garde</a></td>
+<td class="tocPageNum">41</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.13">De
+catastrophe</a></td>
+<td class="tocPageNum">43</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XIV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.14">Het laatste
+carr&eacute;</a></td>
+<td class="tocPageNum">45</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch1.15">Cambronne</a></td>
+<td class="tocPageNum">46</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XVI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.16">Quot Libras in
+Duce?</a></td>
+<td class="tocPageNum">48</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XVII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.17">Moet men Waterloo
+goedvinden?</a></td>
+<td class="tocPageNum">53</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XVIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.18">Uitbreiding van
+het &bdquo;Goddelijk recht&rdquo;</a></td>
+<td class="tocPageNum">54</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XIX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch1.19">Het slagveld des
+nachts</a></td>
+<td class="tocPageNum">57</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek II.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Het schip de Orion.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.1">Nommer 24601 wordt
+9430</a></td>
+<td class="tocPageNum">65</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.2">Waarin men twee
+dichtregels zal lezen die misschien van den duivel zijn</a></td>
+<td class="tocPageNum">68</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch2.3">Er moet aan de
+keten vooraf iets geschied zijn, om met &eacute;&eacute;n hamerslag te
+springen</a></td>
+<td class="tocPageNum">72</td>
+</tr>
+</table>
+<span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name=
+"pb283">283</a>]</span>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek III.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Vervulling van de belofte aan de
+stervende gedaan.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.1">De watertoestand
+te Montfermeil</a></td>
+<td class="tocPageNum">83</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.2">Voltooiing van
+twee portretten</a></td>
+<td class="tocPageNum">86</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.3">De menschen moeten
+wijn, de paarden water hebben</a></td>
+<td class="tocPageNum">90</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.4">Een pop komt op
+het tooneel</a></td>
+<td class="tocPageNum">93</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.5">De kleine
+alleen</a></td>
+<td class="tocPageNum">94</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.6">Dat misschien
+Boulatruelles schranderheid bewijst.</a></td>
+<td class="tocPageNum">99</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.7">Cosette in het
+donker met den onbekende</a></td>
+<td class="tocPageNum">103</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.8">Het onaangename
+van een arme bij zich te ontvangen, die misschien rijk is</a></td>
+<td class="tocPageNum">106</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.9">Th&eacute;nardier
+aan &rsquo;t werk</a></td>
+<td class="tocPageNum">121</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">X.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.10">Wie het beste
+zoekt, vindt soms het slechtste</a></td>
+<td class="tocPageNum">128</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch3.11">No. 9430 komt
+weder te voorschijn en Cosette trekt dat lot</a></td>
+<td class="tocPageNum">132</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek IV.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Het oude Huis
+Gorbeau.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.1">Meester
+Gorbeau</a></td>
+<td class="tocPageNum">137</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.2">Nest voor uil en
+vleermuis</a></td>
+<td class="tocPageNum">142</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch4.3">Een dubbel ongeluk
+maakt &eacute;&eacute;n geluk</a></td>
+<td class="tocPageNum">144</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek V.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Een jacht in den nacht met
+stille honden.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.1">De zigzags der
+strategie</a></td>
+<td class="tocPageNum">155</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.2">Gelukkig dat er
+rijtuigen over de brug van Austerlitz gaan</a></td>
+<td class="tocPageNum">158</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.3">Men zie den
+platten grond van Parijs in 1727</a></td>
+<td class="tocPageNum">159</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.4">Het rondtasten der
+vlucht</a></td>
+<td class="tocPageNum">162</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.5">&rsquo;t Geen bij
+gasverlichting onmogelijk zou zijn</a></td>
+<td class="tocPageNum">164</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.6">Begin van een
+raadsel</a></td>
+<td class="tocPageNum">167</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.7">Vervolg van het
+raadsel</a></td>
+<td class="tocPageNum">169</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.8">Het raadsel wordt
+duisterder</a></td>
+<td class="tocPageNum">171</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.9">De man met de
+schel</a></td>
+<td class="tocPageNum">173</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">X.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch5.10">Waarin verhaald
+wordt hoe Javert niets ontdekt</a></td>
+<td class="tocPageNum">176</td>
+</tr>
+</table>
+<span class="pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284" name=
+"pb284">284</a>]</span>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VI.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Klein Picpus.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.1">Kleine
+Picpus-straat No. 62</a></td>
+<td class="tocPageNum">187</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.2">De regel van
+Martinus Verga</a></td>
+<td class="tocPageNum">190</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch6.3">Strengheden</a></td>
+<td class="tocPageNum">196</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch6.4">Vroolijkheid</a></td>
+<td class="tocPageNum">197</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href=
+"#ch6.5">Verstrooidheden</a></td>
+<td class="tocPageNum">200</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.6">Het kleine
+klooster</a></td>
+<td class="tocPageNum">205</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.7">Eenige
+silhouetten</a></td>
+<td class="tocPageNum">207</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.8">Post corda
+lapides</a></td>
+<td class="tocPageNum">209</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.9">Een eeuw onder een
+nonnen borstdoek</a></td>
+<td class="tocPageNum">211</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">X.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.10">Oorsprong der
+eeuwigdurende aanbidding</a></td>
+<td class="tocPageNum">212</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">XI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch6.11">Einde van
+Klein-Picpus</a></td>
+<td class="tocPageNum">214</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VII.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Parenthesis.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.1">Het klooster als
+abstracte id&eacute;e</a></td>
+<td class="tocPageNum">219</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.2">Het klooster als
+historisch feit</a></td>
+<td class="tocPageNum">219</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.3">Op welke
+voorwaarden men het verleden kan eerbiedigen</a></td>
+<td class="tocPageNum">222</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.4">Het klooster uit
+het gezichtspunt van beginselen</a></td>
+<td class="tocPageNum">224</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.5">Het gebed</a></td>
+<td class="tocPageNum">225</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.6">Het volstrekt nut
+van het gebed</a></td>
+<td class="tocPageNum">227</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.7">Voorzorgen tegen
+berisping</a></td>
+<td class="tocPageNum">229</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch7.8">Geloof,
+wet</a></td>
+<td class="tocPageNum">229</td>
+</tr>
+</table>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VIII.</span></p>
+<p class="tocChapter"><span class="uc">De kerkhoven nemen wat men ze
+geeft.</span></p>
+<table class="tocList">
+<tr>
+<td class="tocDivNum">I.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.1">Hoe men in het
+klooster komt</a></td>
+<td class="tocPageNum">235</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">II.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.2">Fauchelevent
+tegenover een bezwaar</a></td>
+<td class="tocPageNum">242</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">III.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.3">Moeder
+Innocentia</a></td>
+<td class="tocPageNum">244</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IV.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.4">Jean Valjean heeft
+het voorkomen alsof hij Austin Castillejo had gelezen</a></td>
+<td class="tocPageNum">253</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">V.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.5">Dronkenschap is
+niet voldoende om onsterfelijk te zijn</a></td>
+<td class="tocPageNum">258</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VI.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.6">Tusschen vier
+planken</a></td>
+<td class="tocPageNum">264</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.7">Zich niet van zijn
+stuk laten brengen</a></td>
+<td class="tocPageNum">265</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">VIII.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.8">Het goed
+afgeloopen verhoor</a></td>
+<td class="tocPageNum">272</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="tocDivNum">IX.</td>
+<td class="tocDivTitle" colspan="5"><a href="#ch8.9">Besluit</a></td>
+<td class="tocPageNum">275</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div class="transcribernote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Beschikbaarheid</h3>
+<p class="first">Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen
+overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het
+kopi&euml;ren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de
+<a class="exlink xd20e34" title="Externe link" href=
+"https://www.gutenberg.org/license" rel="license">Project Gutenberg
+Licentie</a> bij dit eBoek of on-line op <a class="exlink xd20e34"
+title="Externe link" href=
+"https://www.gutenberg.org/">www.gutenberg.org</a>.</p>
+<p>Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctie
+team op <a class="exlink xd20e34" title="Externe link" href=
+"https://www.pgdp.net/">www.pgdp.net</a>.</p>
+<p>Dit is het tweede deel van een vertaling van <i lang="fr">Les
+mis&eacute;rables</i>, waarvan het Franse origineel beschikbaar is in
+Project Gutenberg (Deel <a class="pglink xd20e34" title=
+"Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17489">I</a>, <a class=
+"pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17493">II</a>, <a class=
+"pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17494">III</a>, <a class=
+"pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17518">IV</a>, <a class=
+"pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/17519">V</a>). Een Engelse vertaling,
+<i lang="fr"><a class="pglink xd20e34" title=
+"Link naar Project Gutenberg eboek" href=
+"https://www.gutenberg.org/ebooks/135">Les mis&eacute;rables</a></i> van
+Isabel F. Hapgood is ook beschikbaar.</p>
+<p><a class="pglink xd20e34" title="Link naar Project Gutenberg eboek"
+href="https://www.gutenberg.org/ebooks/37316">Deel &eacute;&eacute;n</a>
+is beschikbaar in Project Gutenberg.</p>
+<p>Gerelateerde WorldCat catalogus pagina: <a class="catlink" href=
+"http://www.worldcat.org/oclc/82574320">82574320</a>.</p>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p class="first">Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen
+poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in
+het origineel zijn gecorrigeerd. Dergelijke correcties zijn gemarkeerd
+met het corr-element.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2011-10-05 Begonnen.</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Externe Referenties</h3>
+<p>Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn
+dat deze links voor u niet werken.</p>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table width="75%" summary=
+"Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst.">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e292">13</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">een</td>
+<td class="width40" valign="bottom">en</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e306">14</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">bataillon</td>
+<td class="width40" valign="bottom">bataljon</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e311">14</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">viooljes</td>
+<td class="width40" valign="bottom">viooltjes</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e421">22</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">batailjon</td>
+<td class="width40" valign="bottom">bataljon</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e441">23</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">batailjons</td>
+<td class="width40" valign="bottom">bataljons</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e484">26</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">.</td>
+<td class="width40" valign="bottom">:</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e560">29</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">verooraakten</td>
+<td class="width40" valign="bottom">veroorzaakten</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e565">30</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">barrikade</td>
+<td class="width40" valign="bottom">barricade</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e629">33</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">d&agrave;&agrave;r</td>
+<td class="width40" valign="bottom">d&aacute;&aacute;r</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e701">37</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">dwarling</td>
+<td class="width40" valign="bottom">dwarreling</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e704">37</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Lef&eacute;bvre</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Lef&egrave;bvre</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e707">37</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">twaaf</td>
+<td class="width40" valign="bottom">twaalf</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e799">44</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">baricadeerde</td>
+<td class="width40" valign="bottom">barricadeerde</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e873">48</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1504">89</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e1510">89</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e4073">194</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">&bdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e878">48</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Blucher</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Bl&uuml;cher</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e886">49</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1632">93</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e3975">189</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e6427">275</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">,</td>
+<td class="width40" valign="bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e895">50</a>, <a class="pageref" href="#xd20e951">53</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">de</td>
+<td class="width40" valign="bottom">te</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e904">50</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">,</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e910">50</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">amunitie</td>
+<td class="width40" valign="bottom">ammunitie</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e913">50</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">overzoenlijke</td>
+<td class="width40" valign="bottom">onverzoenlijke</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1013">57</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Placenoit</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Plancenoit</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1082">61</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">verpettering</td>
+<td class="width40" valign="bottom">verplettering</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1236">70</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">gedarmes</td>
+<td class="width40" valign="bottom">gendarmes</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1322">75</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">operatie&rsquo;s</td>
+<td class="width40" valign="bottom">operaties</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1338">75</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">bazis</td>
+<td class="width40" valign="bottom">basis</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e1507">89</a>, <a class="pageref" href="#xd20e2565">122</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e4485">211</a>, <a class="pageref" href=
+"#xd20e5917">263</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">&rdquo;</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e2128">110</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">&rdquo;</td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Verwijderd</i>]</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e2881">132</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">ontzichtbaar</td>
+<td class="width40" valign="bottom">onzichtbaar</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e2923">137</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Salpetri&egrave;re</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Salp&ecirc;tri&egrave;re</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3043">143</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Th&eacute;nardier</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3200">152</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">&rsquo;t</td>
+<td class="width40" valign="bottom">te</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3850">179</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">millioene</td>
+<td class="width40" valign="bottom">millioenen</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e3883">181</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">commisaris</td>
+<td class="width40" valign="bottom">commissaris</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4025">192</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4929">238</a>,
+<a class="pageref" href="#xd20e5402">248</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td>
+<td class="width40" valign="bottom">.</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4439">208</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">beid</td>
+<td class="width40" valign="bottom">beide</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4509">213</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">noncius</td>
+<td class="width40" valign="bottom">nuncius</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4588">221</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">kislar-aga</td>
+<td class="width40" valign="bottom">kizlar-aga</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4704">226</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">noodzalijk</td>
+<td class="width40" valign="bottom">noodzakelijk</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e4709">226</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">onzettend</td>
+<td class="width40" valign="bottom">ontzettend</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5767">260</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">fransche</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Fransche</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e5878">262</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">ledigd</td>
+<td class="width40" valign="bottom">ledigt</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e6267">271</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Vaurigard</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Vaugirard</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href=
+"#xd20e6467">277</a></td>
+<td class="width40" valign="bottom">Fauchelelent</td>
+<td class="width40" valign="bottom">Fauchelevent</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+
+
+
+
+
+
+
+<pre>
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 2 van 5), by Victor Hugo
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 2 VAN 5) ***
+
+***** This file should be named 37663-h.htm or 37663-h.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/7/6/6/37663/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+
+</pre>
+
+</body>
+</html>
diff --git a/37663-h/images/book.png b/37663-h/images/book.png
new file mode 100644
index 0000000..963d165
--- /dev/null
+++ b/37663-h/images/book.png
Binary files differ
diff --git a/37663-h/images/card.png b/37663-h/images/card.png
new file mode 100644
index 0000000..1ffbe1a
--- /dev/null
+++ b/37663-h/images/card.png
Binary files differ
diff --git a/37663-h/images/cover.jpg b/37663-h/images/cover.jpg
new file mode 100644
index 0000000..13ba5a6
--- /dev/null
+++ b/37663-h/images/cover.jpg
Binary files differ
diff --git a/37663-h/images/external.png b/37663-h/images/external.png
new file mode 100644
index 0000000..ba4f205
--- /dev/null
+++ b/37663-h/images/external.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..ef4525d
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #37663 (https://www.gutenberg.org/ebooks/37663)