summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/37522-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '37522-8.txt')
-rw-r--r--37522-8.txt2355
1 files changed, 2355 insertions, 0 deletions
diff --git a/37522-8.txt b/37522-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..80a30cc
--- /dev/null
+++ b/37522-8.txt
@@ -0,0 +1,2355 @@
+The Project Gutenberg EBook of Kort verhaal van eene aanmerkelijke
+luchtreis en nieuwe planeetontdekking, by Willem Bilderdijk
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Kort verhaal van eene aanmerkelijke luchtreis en nieuwe planeetontdekking
+
+Author: Willem Bilderdijk
+
+Release Date: September 24, 2011 [EBook #37522]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KORT VERHAAL VAN EENE ***
+
+
+
+
+Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online
+Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | Gebruikte trancriptie: |
+ | de 'lange s' is vervangen door een normale 's'; |
+ | superscript o's (zoals in primo, secundo, etc.) worden |
+ | weergegeven als bijvoorbeeld 1^o, 2^o, etc.; |
+ | tekst die in het originele werk schuingedrukt is, is |
+ | getranscribeerd als _tekst_; |
+ | tekst die in het originele werk in klein kapitaal is gezet is |
+ | getranscribeerd als KAPITALEN; |
+ | Griekse en Hebreeuwse teksten zijn getranscribreerd als |
+ | [Grieks: tekst] en [Hebreeuws: tekst]; individuele letters als |
+ | bijvoorbeeld [alfa] en [kaf]; |
+ | de 'ij met accent-circonflex' is weergegeven als [^ij]; |
+ | de door de auteur aangetroffen inscripties worden hier |
+ | weergegeven als [Illustratie]. |
+ | |
+ | Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarop ze |
+ | betrekking hebben. |
+ | |
+ | Verdere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze tekst. |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+ LUCHTREIS.
+
+
+
+
+ KORT VERHAAL
+ VAN EENE
+ AANMERKLIJKE
+ LUCHTREIS,
+
+ EN
+
+ NIEUWE
+ PLANEETONTDEKKING.
+
+ UIT HET RUSSISCH VERTAALD
+
+ GEDRUKT en UITGEGEVEN
+
+ Bij W. WOUTERS te _Groningen_.
+
+ 1813.
+
+
+ [Grieks: Ho de geôgraphikos ouk epichôriôi geôgraphei, oude
+ politikôi toioutôi, hostis mêden ephrontise tôn legomenôn idiôs
+ mathêmatôn, oude gar theristêi kai skapanei, alla tôi peisthênai
+ dynamenôi tên gên echein houtô tên holên, hôs hoi mathêmatikoi
+ phasi, kai ta alla ta pros tên hypothesin tên toiautên.
+
+ STRAB.]
+
+
+
+
+Wat zijn de wetenschappen niet al verplicht aan het geval! Een geringe
+toevallige waarneming wekt een vluchtig denkbeeld op in het hoofd van
+een eenig mensch, en een nieuwe wareld, of 't ware, is gevonden. Zeker,
+die het eerst een ontwortelden boomstam zag drijven, en zich
+daar schrijlings op zette, dacht niet aan de ontdekking van drie
+warelddeelen, die zonder dat nooit bekend konden worden. Even weinig
+geloofde Mevrouw Montgolfier, als zy haar gewasschen japon op de
+vuurmand droogde, dat dit ons den weg banen moest tot ontdekkingen, die
+het geheele hemelstelsel een nieuw aanzien geven, en het geen duister en
+ons onbereikbaar scheen, in het helderst licht zouden stellen, en met
+onze aarde vereenigen.
+
+Men heeft veel getwist over de nuttigheid der Luchtbollen, of, om
+duidelijker te spreken, der Aërostaten! De ondervinding heeft alreeds
+geleerd, welk een nut in den oorlog uit deze vliegtuigen te trekken is,
+het zij ter ontdekking of opneming van vijandlijke legeringen,
+verdedigingsinrichting van steden en dergelijke, het zij ter overziening
+en verkondschapping van streken lands, waar men geene topografische
+kaarten van heeft. En zoo dra slechts de wijze van deze machienen te
+besturen tot zekere maat van volkomenheid gebracht, en de vaste wind- of
+luchtstroomen in de hoogere oorden des dampkrings door vaste
+waarnemingen bepaald zullen zijn, zal zich een oneindig ruim uitzicht
+ontsluiten van voordeelen, die voor de onderlinge verstandhouding en
+gemeenschap der landen en volken, nog onberekenbaar zijn. Een nieuwe weg
+zal zich voor den koophandel openen; geheel nieuwe takken van industrie
+zullen ontstaan: de voor- en nadeelen van de ligging der landen zullen
+ophouden, de bezetting van grenzen vergeefsch worden; en het
+meesterschap ter zee zal vervallen of nutteloos zijn, wanneer men door
+Luchtvloten, met waren, met wapens, en manschap geladen, den overvloed
+of den oorlog in de afgelegendste oorden zal overvoeren, zonder aarde of
+water aan te doen. Want, zoo thands eene doorgaande en geregelde
+luchtvaart de verbeelding nog eenigermate ontzet; wat zou de eerste
+schipper gedacht hebben, die zich met zijn vlotjen of hollen boomtronk
+aan 't nat overgaf, indien men hem van onze oorlogschepen en van de
+wijze van die door de zeën en stormen te voeren, verhaald had?
+
+Doch weinig is dit alles, wanneer men het oog hooger opheft, en het
+zelfde als een middel tot nadering van de hemelsche lichamen beschouwt,
+waarvan ons de geweldige afstand en ongenaakbaarheid tot dus verr' niets
+anders dan gissingen en hoogst onvolkomen besluiten uit weinige en
+geringe, en zeer ongenoegzame _data_ veroorloofde. Het is waar, dat het
+onbeduidend moet schijnen, of men op een afstand, als die van de maan,
+eenige duizend roeden gewonnen heeft; en dat nu reeds (dank zij het
+beter onderwijs van onzen verlichten leeftijd!) de waschvrouw van haar
+kleine dochtertjen uit wordt gelachen, wanneer zy 't beveelt de touwen
+voor 't droogen der hemden wat hooger aan de boomen te binden, om nader
+by de warmte der zon te zijn. Ik denk ook dat niemand een leugenachtigen
+Brydone gelooven zal, wanneer hy ons wijs maakt, op den Etna veel meer
+starren gezien te hebben, dan men anders gewaar wordt, om dat hy
+daar boven de dikke dampen verheven was, het geen ze overnevelen
+verduisterende: vooral daar hy van die hoogte, deze dampen vergetende
+die nu tusschen hem en de vlakte der aarde waren, een zoo ten uiterste
+duidelijk en uitvoerig gezicht van geheel Sicilie, en wat niet al meer,
+zegt gehad te hebben. Maar alschoon het niet mooglijk zij, onze maan, de
+naastbyzijnde der ons bekende planeten, eenigzins merklijk te naderen;
+genoeg is het, wanneer wy eenig hemellichaam bereiken, het geen wy met
+de overige van eenerlei natuur mogen stellen, en dit leeren kennen.
+
+Maar zijn er dan zoodanige hemellichamen, ons nader by zwevende dan de
+maan? en zijn die voor ons tot zoo verr' te naderen dat wy er eene
+duidlijke kennis van kunnen bekomen? Deze vraag verheft zich
+natuurlijker wijze by den Lezer; en het is om hem die te beandwoorden,
+dat dit stukjen is ingericht.
+
+Ik zeg te beandwoorden; en dit wel, bestemmend. Ja zy zijn er, die
+lichamen, die planeten, en zy zijn onzen dampkring zoo na, of om beter
+en juister te spreken, de lucht waar ze in drijven, vloeit zoo met den
+dampkring des aardkloots in een, dat zy niet volstrekt ongenaakbaar
+zijn. De bespiegeling mocht ons dit leeren, het vooroordeel dit doen
+verwerpen, de ondervinding bewijst. 't Is een feit dat ik aanvoere. Ik
+heb gezien, ik heb getast, ik heb ze aangedaan. Tegen dit vermag niets,
+wat in opvatting of redekaveling over mogelijk- of onmogelijkheden
+bestaat. _Potest, nam est_ (het kan zijn, want het is), is sterker dan
+het _non est, nam non potest_, 't argument der bestrijderen van de
+tegenvoetelingen, en van zoo vele Natuurwaarheden. Ik ben er geweest, ik
+heb gezien, zei Kolumbus, en die hem belachen hadden, verstomden. Ik zeg
+u het zelfde, mijne Lezers, en geve u een korte beschrijving der reis
+die ik afgelegd heb. Ontdekkingsreis in hare uitkomst en door toeval,
+schoon niet met een oogmerk om deze ontdekking te doen, ondernomen; maar
+die als zoodanig echter ('k vertrouw het) niet missen kan, in een tijd
+van zucht voor ontdekkingen als die wy beleven, algemeen belang in te
+boezemen: afgescheiden zelfs van dat der Natuur- en Sterrekunde, en der
+allen sterveling ingeschapene weetlust en hem boven alles prikkelende
+nieuwsgierigheid.
+
+Ik verbeeld my te mogen hopen, dat het geen men Kolumbus niet weigerde,
+ook my niet ontzegd zal worden. Geloof, namelijk, aan het geen ik
+oprechtlijk en zonder den minsten opschik verhalen zal. Het is waar, dat
+Kolumbus veel voorhad. Hy was toegerust met het gezag en vertrouwen dat
+een groot koning hem meêdeelde; hy bracht reisgenooten, vlootvolk mede,
+die wat hy verhaalde, bevestigden: Ja hy bracht voortbrengsels van de
+door hem ontdekte kusten met zich: En wie kon op dit gezicht anders dan
+overtuigd worden? Ik zal niet onderzoeken, of die door hem vertoonde
+voorwerpen iets anders of meer dan ontdekking van een tot nog vreemd
+land bewezen, het geen juist de zaak niet was; maar niet van een land,
+verr' in 't westen gelegen, en op zulken afstand als Kolumbus voorgaf;
+maar ik vraag, zoo ik planten of ertsen vertoonde, wat blijk of wat
+stempel die moesten hebben, om als uit eenen anderen planeet
+overgebracht, aangenomen te worden? En indien Kolumbus in de t' huisreis
+schipbreuk geleden mocht hebben en naakt en van alles ontbloot ergens op
+het strand ware geworpen, zou dan zijne ontdekking minder waarachtig
+geweest zijn? Zeker neen: zy ware dan slechts minder nuttig gebleven,
+maar had eenen spoorslag moeten geven tot nieuwe ondernemingen, die haar
+konden bevestigen en hernieuwen. Maar het voorgestelde geval is het
+mijne. Te rug keerende is mijn luchtvaartuig verongelukt, en tot wonder
+van my zelven heb ik (schoon naauwlijks) het leven daar af gebracht. Wat
+ik ontdekt heb, is verloren, dan voor zoo verr' mijn door dit
+ongeluk-zelf verzwakt geheugen my toelaat, wat ik zag, aan mijne
+planeetgenooten mede te deelen. Dit acht ik my aan het gemeen welwezen
+verschuldigd, en dit doende, meen ik recht op inschikkelijkheid te
+hebben voor het gebrekkige van mijn verslag; maar vooral, om zonder
+vooringenomenheid tegen het geen ik zal voordragen, gehoord te worden.
+
+ * * * * *
+
+Ik heb in mijn jeugd de legers gevolgd, en dit in verschillende en zeer
+onderscheiden standen. Noodlottigheden van velerlei soort hadden my na
+duizenden slingeringen arm en nooddruftig in Perzie gevoerd, van waar ik
+my voorgesteld had met een karavaan naar Bagdad te trekken, om van daar
+in Europa te keeren. Ik meld den Lezer niet, wat mijn vaderland zij. Dit
+kan hem even zoo onverschillig zijn als de naam dien ik of eenmaal
+gevoerd heb of sedert heb aangenomen. Ik zal ook het jaartal verzwijgen,
+waarin dit is voorgevallen; het kon tot herinneringen aanleiding geven,
+die vermoedens verwekten, welke niemand voordeel konden doen, en my of
+een ander schadelijk zijn. Na al de gebeurtenissen die Europa geschokt
+hebben, zijn en de betrekkingen en de verwijderingen zoo menigvuldig en
+dermate ingewikkeld geworden, dat men zich niet genoeg wachten kan. In
+alle partyen heb ik goede en kwade trouw gemengeld, en de dolheid der
+geestdrift, met de koude berekening der staatkunde vereenigd gevonden.
+Met geenen aanhang heb ik my recht van harte kunnen vereenigen, en
+geenen ooit willen vervolgen. Geen wonder derhalve, zoo ik overal haat
+en vervolging voor dienst- en trouwbewijs, of voor betrachting van
+menschelijkheid en rechtvaardigheid kwam te ontmoeten. Ik hield vast aan
+een grondbeginsel en handelde daar naar: Anderen namen grondbeginsels
+aan of verwisselden die, naar de oogmerken waarvoor zy handelden,
+meêbrachten. Ik was dus niemand bruikbaar, en niemand my. Ik stond
+alleen, en had geene soort, waar ik toe behoorde, op dezen aardbol; wat
+wonder, zoo ik wel eens aan een anderen dacht?
+
+Veelvuldige verschijnsels, in onze dagen het eerst of meer by herhaling
+waargenomen, overtuigden my spoedig van de gebrekkigheid onzer
+Planeetstelsels. Na zoo vele eeuwen berustens in zeven zonnewachters en
+eenen enkelen wachter van tweeden rang (die wy de maan noemen), waren er
+nu, niet slechts om Jupiter en Saturnus, om Mars en Venus, rondloopende
+wachters ontdekt of vermoed, maar een Uranus, een Ceres, een Pallas,
+vermeerderden de eerstgemelde zeven, en dat plechtig getal waar men zoo
+veel geheimzinnigs in stelde, lag in duigen, zoo wel als de
+evenredigheid in de afstanden die men hun onderling of ten aanzien van
+hun gemeen middenpunt toeeigende. Daar konden er derhalven nog meer zyn,
+die met deze tien om de zon draaiden. Daar konden er meer zijn om de
+planeten-zelven. Wat tot heden niet ontdekt was, kon morgen zich den
+nasporer opdoen, en dit des te lichter, daar het geen tot dus verre
+nieuw ontdekt was geworden geen grond van vermoeden by de waarnemers
+gehad had, en het tegenwoordig waarschijnelijk werd dat er meer te
+ontdekken viel. Ik verwachtte dus meer planeten te zien opdagen, en den
+hemel bevolken; ik verwachtte meer manen of wachters om hen.
+
+Nu trokken de steenregens mijne aandacht. Men verstaat dat ik hier aan
+geen eigenlijk regenen van steenklompen denke, maar van brokken steen
+hier of daar uit de lucht gevallen, en zeker niet genoeg in menigte om
+den naam van regenen te verdienen. Men had die van ouden tyd af
+waargenomen. Een der zeven wyzen van het hooggeroemd Griekenland,
+Thales, had er uit besloten, dat de hemel uit steenen gewelfd was, en
+wel zonder kalk; en dat het zijn geduurzame omzwaai was, die hen in 't
+verband hield, waar uit deze enkele door een onbekend toeval losgeraakt
+waren. Een denkbeeld waarin lateren een zeer diepe Wis- en Natuurkunde
+gevonden hebben[1]. Maar in onze dagen viel het meermalen voor, dat men
+steenen zag vallen, waar aan men geen oorsprong kon toeschrijven dan in
+of boven den dampkring, en die oorsprong werd een voorwerp van
+gissingen. Sommigen deden die steenen zonder bedenking uit de bergen der
+maan opwerpen; niet gedachtig dat, naar de volkanen op onzen bol te
+rekenen, deze opwerping met geene zoodanige snelheid geschiedt als
+noodig zou zijn om ze buiten de kracht der aantrekking van den maanbol
+te brengen. Anderen deden haar door een Chymische werking in den
+dampkring-zelven voortbrengen, zich niet latende invallen, dat er altijd
+een te groote zwaarte in de vormstoffe moest zijn, om zich, zelfs één
+oogenblik maar, in de lucht op te houden. Van de genen, die het vallen
+van deze steenen of geheel ontkenden, of hen uit ver afgelegen of niet
+bestaande volkanen op onzen aardgrond afleiddeden, spreek ik niet. Met
+de eersten toch moet men alle geloof aan getuigenissen, hoe plechtig
+ook, weigeren; en de laatsten zeggen niets, zoo zy de volkanen, waar toe
+zy verwijzen, en tevens de mogelijkheid van uit hunnen boezem tot in
+Frankrijk of Duitschland steenen uit te jagen, niet aantoonen.
+
+ [1] Onder anderen Keil die er het geheele Newtonianismus, immers de
+ theorie der aantrekkingskracht in vindt.
+
+Wat my betreft, aan de vorming van een stof zoo veel specifiek zwaarder
+dan de vloeistof waarin zy gevormd wierd, als de steenen ten aanzien der
+lucht zijn, en die dan, niet in de vorming zelve nederzeeg om zich op
+den grond te volmaken, maar, geheel en volkomen gevormd, in eens, als
+hard lichaam neêrplofte, kon ik geenerhande waarschijnlijkheid hechten.
+Ik helde dus ongevoeligerwijze tot de meening van die deze brokken uit
+de maan deden afdalen. De overeenkomst in het uiterlijk aanzien, van de
+maan met het geen onze aardkloot op dien afstand vertoonen moest, en wat
+men meer als gronden voor de onderstelling eener eenvormigheid
+van grondstof tusschen de planeten pleegt aan te voeren, gaf
+hier veel aannemelijks aan. Maar welke berekening ik in 't werk
+stelde, ik kon geene oorzaak van snelheid uitdenken, genoegzaam om de
+aantrekkingskracht die hen op de maan moest te rug brengen, te
+overwinnen. Deze bol was altijd te groot, en de afstand der aarde te
+verr', dan dat deze op zekere hoogte van de uitwerping, haar in de
+aantrekking dier brokken kon opwegen, hoe veel temeer, overhalen! Ik
+moest om dit mooglijk te stellen, beide den maanbol en den afstand
+ontzachlijk verminderen, en dus de zaak opgeven.
+
+Maar sedert hoe lang is het, dat men om Saturnus de drie laatst ontdekte
+manen had waargenomen? Men is thands overtuigd dat hy er vijf heeft,
+Jupiter heeft er vier, die bekend zijn; en wie is zeker, dat of beide,
+of een van die, er niet meer hebben? Of waarom zou deze onze aarde niet
+meer dan een maan medevoeren, ofschoon slechts die eene door hare
+aanmerklijke grootte en den juist geplaatsten afstand, ons zichtbaar is?
+Waarom zouden tusschen haar en ons aardlichaam niet meer dan een, niet
+verscheidene wachters, om ons rondloopen, welke deels hunne kleinheid,
+deels hun te geringe afstand ons verborgen houdt? Zeker, te naby
+geplaatst, kan zoodanig lichaam by onze nacht niet verlicht zijn; en by
+dag moet het ons (alhoewel gewapend) gezicht ontslippen[2]. Te klein en
+op zekeren afstand, moet het, ook by onze nachten verlicht, ons niet
+merkbaar zijn, en zelfs by zijn overgang over de zonschijf, onze oogen
+geen erkenbaar stip aanbieden. Deze bedenkingen deden my gissen, of
+wellicht deze luchtsteenen uit zoodanige kleiner en ondermanen (die van
+volkanieke natuur mochten zijn) by aldaar voorvallende ontbrandingen,
+afkwamen[3].
+
+ [2] Wie zoekt met het gewapend oog by den dag naar planeten? Het woord
+ _gewapend_ had hier gemist kunnen worden, en is misschien een
+ tusschenvoegsel van een verbeteraar, en niet van den Schrijver
+ afkomstig.
+
+ [3] Tot mijn verwondering vond ik by mijne aankomst in Astrakan, nu
+ jongstleden, dit mijn denkbeeld in een klein geschrift van den
+ vermaarden Geneefschen Natuurkenner, De Luc, aangenomen.
+
+Ik behoef niet te zeggen, hoe zeer my dit in mijn lang te voren
+gekoesterd begrip van het hemelstelsel bevestigde. Ik beschouwde geheel
+het zonnestel, als, van afstand tot afstand, met grootere en kleinere
+hoofdplaneeten, en grooter en kleiner wachters van dezen doorzaaid. Dit
+leverde my een gants nieuwe beschouwing op. Edoch ik bepaalde mijn
+aandacht inzonderheid op die Ondermanen, indien ik ze dus mag noemen,
+waardoor men, gelijk het my toescheen, zeer vele byzonderheden en
+schijnbare ongeregeldheden zoo in ebbe en vloed als in andre
+natuurverschijnsels, verklaren mocht. Ja ik achtte het niet onmooglijk,
+dat dit eenmaal den sleutel aan de hand mocht geven van de nog zoo
+onvaste theorie der komeeten, welker niet weder verschijnen op den tijd,
+dien de aan hen toegekende loop mede bracht, de van elders zoo
+aanneemlijke hypothesis van de later Sterrekundigen jammerlijk
+tegendruischt. Ik stelde my voor, zoo my eenmaal een leefgetijde van
+rust voorbehouden mocht zijn, my dan aan het doen van naauwkeurige
+waarneming omtrent dezen, vooral in de morgen en avondschemeringen, over
+te geven; ook de zonneschijf vlijtig te beschouwen, en wat daar nog
+onbemerkts op voorvallen mocht, na te gaan. Wat kon ik in de onrust
+mijns levens meer doen! Ik dacht weinig aan de mogelijkheid eener andere
+wijze van omtrent dit voorwerp ontdekking te erlangen; veelmin, dat my
+die te beurt vallen zou. Werkeloos echter, en door niets opgewekt,
+verduisterden deze denkbeelden allengskens in my, en welhaast dacht ik
+er niet langer aan, dan by tusschenpozen, en wanneer 't geen my
+voorkwam, daar mijn geest als onwillig naar te rug riep.
+
+Het is voor mijn lezer geheel onverschillig, wat my in mijn voornemen
+dwarsboomde, wanneer ik uit _Kerman_ naar Europa op reis meende te gaan.
+Ik kan echter my-zelven het genoegen niet weigeren, van het edel
+karakter der Oostersche volken, en inzonderheid dat der Perzen, recht
+te doen. Hun herbergzaamheid is bekend. Hunne erkentlijkheid voor
+ontfangen dienst, is Europa vreemd. Eenige kennis van genees- en
+heelkunde geeft er den Christen vertrouwen. Dit vertrouwen groeit aan,
+naar mate men ziet dat hij zich tot eenvoudige middelen, en inzonderheid
+voorbrengsels uit het plantenrijk, bepaalt. Bewerkingen van Scheikunst
+zijn hun verdacht. Zy hechten er een denkbeeld van tooverkracht aan, en
+gebruiken ze met een wederwil, die zijn grond in die opvatting-zelve
+heeft. Ook vreezen zy dien gene, dien zy als daardoor allen anderen te
+machtig beschouwen. Men vindt er ook zeer weinige ziekten, die tot
+buitengewone middelen noodzaken, daar hun levenswijs matig is, hunne
+lichamen, alschoon weinig met vet bekleed, echter meestal doorvoed en
+sapvol zijn, en door sterke dranken of verhittende wijnen, zeer zeldzaam
+bedorven worden. Om er veilig en met eenig aanzien te leven, doet men
+wel, zich als een geneeskundige te doen kennen. Men heeft er geen begrip
+van een Christen, dan als geneeskundige, koopman, of verspieder: en van
+deze drie boezemt de eerste alleen achting in. By hem zoekt men heul en
+noodhulp; by den tweede, goudwinst en roof; en die geen van beide is,
+wordt noodwendig tot de derde klasse gerekend. Men vreeze echter niet,
+voor een koopman te zullen doorgaan, zoo men ergens juweelen verruilt.
+De edele gesteenten verstrekken door geheel het Oosten voor een
+algemeen middel van schuldvereffening tusschen alle personen. Zy zijn
+een soort van ongemunt geld, waarvan zich een ieder bedient. Die een
+minder som te betalen heeft, geeft een grooter steen voor kleinere; die
+meer geld heeft dan hy op de reis denkt uit te geven, ruilt gemakshalve
+een grooter in, gelijk men by ons goud voor zilver, dubbele pistolen
+voor dukaten, inwisselt. De belooningen bestaan ook even zoo veel in
+gesteenten als goud; en zy zijn, in gesteenten gegeven, by gelijke
+waarde, aanzienelijker.
+
+De edelmoedigheid van een aanzienlijk man in ...., wien ik van eene zeer
+eenvoudige anderendaagsche koorts genezen had, had my het voorrecht
+bezorgd van in gezelschap en geleide van eenige Perzen en Georgiers naar
+Schirwan te gaan, van waar ik licht gelegenheid vinden zou, om den weg
+haar Rusland in te slaan. Daar had de nabyheid van Russische
+krijgsposten en de omgang met velerlei officieren van deze Natie, die op
+hunne heen en t' huis reizen doorgaans die stad en haar omtrek
+bezochten, een gerucht doen ontstaan van die wonderlijke vliegtuigen,
+gelijk het daar heette, die sints kort by de Franken gemaakt wierden, en
+waar meê men de lucht kon doorreizen. Wonderlijk waren de denkbeelden,
+die men van dien toestel al maakte. Sommigen hielden het voor een soort
+van toovertapijt, waarop men by het uitspreken van zekere geheimzinnige
+woorden door de lucht gevoerd wierd. Een der Franken, vertelde men my
+(en het zal hoogstdenklijk Pilastre de Rosier geweest zijn) was in zijn
+vlucht jammerlijk neêrgestort, omdat de Engel die hem op den schouder
+voerde onder weg niesde. Men zou hier aan den Brobdignakker van Gulliver
+kunnen denken, wiens niezen hem eenige van 's mans medgezellen uit de
+boot schudden deed, waarin hy hen droeg. Doch men moet weten, dat de
+Perzen en Turken gewoonlijk het onweder aan het niezen der Engelen
+toeschrijven: en dat door dit niezen derhalve een onweêr beduid wordt.
+Anderen verbeeldden het zich als het houten paard uit de Arabische
+Nachtvertellingen, waar van men een houten of koperen pen omdraaide om
+te vliegen; weêr anderen als de kist van den valschen Mahomed uit de
+Perziaansche dagvertelsels, die door raderwerk bewogen werd. Eenigen
+echter hadden uitgevorscht dat het een schuit was, en dat die schuit met
+koorden aan de maan of een anderen hemelbol vast werd gemaakt, maar hoe?
+wisten zy niet. Als een Frank en Geneeskundige, dat is een man die en de
+natuur en de geheime wetenschappen kennen moest, behoorde ik daar meer
+van te weten. Men onderstelde dit. Ik had dit lichtelijk kunnen
+ontwijken; met de zaak als een verborgenheid te behandelen die ontzag
+vorderde: maar ik had de dwaasheid, my uit te laten, haar als een
+natuurlijk verschijnsel te willen verklaren, en de nieuwsgierigheid
+op te wekken, zonder haar te voldoen. De kennis van _zwaarte_ en
+_lichtheid_ of wat men door deze benoeming verstond, was, noch by mijn
+reisgenooten, noch by die ons huisvestten, te vinden; en het was om
+niet, wat ik deed om hun daar een denkbeeld van by te brengen, dat my
+ergens heen leiden kon. Tweederlei soorten van lucht begrepen zy niet.
+Stikdampen waren by hen bloot vergiftigde uitwaassemingen, of wel, adem
+van booze geesten. Het opgaan van de rook kon ik haar niet ontpraten
+een eigenschap van den rook te zijn, die niet van de lucht afhing.
+Naauwlijks een, die iets hoorde van 't geen ik hun voorhield, en niemand
+die er 't minst van begreep. Het gelukte my, een gebrekkige Barometer
+saam te stellen: maar de zwarigheid was, hun de oorzaak van deszelfs
+rijzen en vallen uit te leggen. Eindelijk, ik moest het woord en
+denkbeeld van _lucht_ opgeven; en met damp in de plaats te stellen, dien
+men uit zijn aart begreep _licht_ te zijn, om dat men hem zag naar boven
+gaan, vormde men zich in verbeelding een luchtbol; maar dat dan die
+luchtbol een mensch in een schuitjen kon dragen, dit kon men zich even
+weinig in 't hoofd brengen, als dat zulk een luchtbol weêr nederwaarts
+kon, en niet voort zou gaan altijd te klimmen tot hy tegen de starren
+stiet.
+
+Ik zag vitrioololie en ijzervijlsel of liever, schaafsel van ijzer, te
+krijgen, en beloofde hun een proef van den luchtbol. Een schapenblaas
+moest my hier toe dienen. De bol ging op tot een zekere hoogte,
+kantelde om, en kwam neder. Dit schouwspel was heerlijk voor mijn goede
+Oosterlingen, maar het was een klein balletjen: van een grooten
+geloofden zy 't niet. Te vergeefs beduidde ik hun, dat een vat met
+duizenden ponden smeer even zoo in het water drijft als een doosjenvol
+van een lood zwaarte. Van Weegkunde geen begrip by hen. En wat daarvan
+eindelijk ook zijn mocht, dat die bol, op zich zelven zoo groot en zoo
+zwaar reeds, dan nog een geheel vaartuig met een man op zou nemen--! Ja
+met twee man, met meer, en meer naar hy grooter is--! dit kon men hun
+toch niet wijsmaken, daar waren zy (dit was hunne uitdrukking) te
+verstandig toe. Duidelijk reeds ving ik aan te bemerken, dat men my voor
+iemand begon te houden die hen ten beste hield.
+
+Ik had het daar by kunnen laten, en mijn reis vervorderen zonder my dit
+aan te trekken. Maar mijn verblijf werd van dag tot dag meer verlengd,
+de gelegenheid tot vertrekken schortte zich op voor nog etlijke maanden,
+die ik daar slijten moest; en genoegzaam geen ander gesprek meer hoorde
+men, dan over den luchtbol, en wat by de onnoozele Franken daar van
+verteld wierd. Somwijlen, daar anderen een zoo in het oogloopende
+domheid der Europeanen met een recht meêdoogend kopschudden bejammerden,
+meesmuilden er eenigen, my toeknikkende, als die toch wel beter wist. Ik
+vermoedde nu, voor een opzetlijk bedrieger, een kwakzalver, door te
+gaan; en wel duizendmalen verwenschte ik het uur, dat ik het eerst mijn
+weinigjen wetenschaps by hen had willen te koste leggen, om hun iets
+begrijpbaar te maken, dat zy maar niet aannemen konden. Na veel
+haspelens, zei ik eindelijk op een' toon van zelfbetrouwen: Hoort, ik
+ben niet rijk genoeg om u zulk een luchtbol toe te stellen, naar wilt gy
+te samen de kosten daartoe vereischt, by elkaâr brengen, ik zal u den
+luchtbol doen zien met het schuitjen; daar meê opvaren, en wien uwer het
+lust, met my nemen en weêrom brengen.
+
+Of ik by die woorden bedacht, dat men my by het woord zou kunnen vatten,
+weet ik niet. Ik had niets dergelijks ooit beproefd, en bevond my
+volstrekt in geen geestgesteldheid om een luchtreis te wagen; maar daar
+zijn oogenblikken, dat men van een kwelling zoo moê is, dat niets ons
+verschriklijk schijnt, wat er van bevrijden kan. Ik had my met Kalanus
+op den brandstapel kunnen werpen, zoo dit slechts in staat waar geweest,
+aan mijn woorden geloof te doen geven.
+
+Zoo veel is zeker, dat ik de zaak alreeds uit het hoofd gezet had, en de
+algemeene gesprekken wederom tot het gewone: _Daar was eens een jonge
+Prins_ enz. te rug gebracht waren, wanneer men my vroeg, wat er noodig
+zou zijn tot zoodanig een luchtbol en 't geen tot de luchtreis behoorde.
+Ik beloofde dit uit te rekenen; en, aan de eene zijde bevreesd zijnde,
+zoo het tot de zaak kwam, my te bedriegen, aan den anderen kant, hen zoo
+veel mooglijk af willende schrikken van eene proefneming waar ik weinig
+zin voor had, droeg ik zorg, niet bekrompen te zijn in mijn vordering,
+maar begrootte die onkosten ruim. Het geen, trouwens, my des te
+raadzamer was, daar ik geenerlei ondervinding of oefening hebbende van
+zoodanig werk, my zeer licht misrekenen kon, en, alschoon ook goed
+gerekend hebbende, door velerlei soort van mislukkingen zeer veel
+van de materialen verloren kon laten gaan. Mijne onhandigheid en
+onwetendheid-zelve moest in aanmerking komen, zoo wel als die mijner
+helpers, en daarby, het gebrek van geschikte werktuigen. Want het geen
+ik tot de zaak noodig had, moest op goed geluk af, door my bedacht en
+naar mijn bestel, door werklieden gemaakt worden, die van niets wisten.
+Het aan een naaien van den bol (mijn bestek eens gemaakt en na herhaalde
+berekeningen bepaald zijnde) had geenerlei zwarigheid. Het wasschen der
+naden en voegsels, en het inrichten en vastmaken der touwen was aan meer
+bedenklijkheid onderhevig. Vooral 't vast maken van de halspijp met de
+schroeven, waar de brandbare lucht door in- en uitgelaten zou worden.
+Want dat het schuitjen het minst was, behoeft niet gezegd te worden.
+Maar ik vreesde ten uiterste voor de ontvlamming dier brandbare lucht by
+het vullen, en wist niet hoe genoeg maatregelen daar tegen te nemen. Met
+dit alles begrijpt men licht, waarom ik deze soort van aërostaat voor de
+Montgolfiere verkoor, die van 't stoken van vuur in mijn schuitjen
+afhing, dat ik wantrouwde op mijn reis te kunnen onderhouden en matigen.
+Het zou noodeloos zijn, alle voorzorgen, die ik van toen af, reeds
+beraamde, of naderhand in der daad aanwendde, te willen beschrijven, en
+waarvan sommigen (ik verberg het niet) kinderlijk en belachelijk waren.
+
+Ik gaf dan een lijst van behoeften; en, toen die behoeften tot mijn
+groote verwondering werklijk daar waren, moest ik aan de werklieden, die
+men my wist aan te wijzen, hunnen arbeid opgeven, afmeten, voortrekken
+en voordoen, zou er iets van de zaak in stand komen.
+
+Nog echter dacht ik het werk aan den wal te schuiven. Zeer gaarne, gaf
+ik voor, de luchtreis aan te nemen, maar voor ééne zaak zeer beducht te
+zijn. "Het was my niet mooglijk, op eene hoogte als die ik zou moeten
+bereiken, en die het niet van my afhing volstrekt te regelen, by het
+rondzien op mijnen weg niet misschien, schoon onwillig, het oog te slaan
+op eene der tuinen of daken waar zich vrouwen bevonden. En hier aan
+wilde ik niet schuldig worden." Dit maakte wel eenigen indruk, maar
+weldra vond men uit dat ik Christen, en Frank, en Arts was; in de twee
+eerste hoedanigheden geene oogen voor vrouwen had, en in de laatste haar
+zien mocht: zoo dat niemand voor my zijn geliefde had weg te stoppen. Ik
+kon dus vrij opvaren en een onbekommerd oog om my werpen.
+
+Maar hy, die my verzellen zal, zei ik? Want zonder hem aanvaard ik den
+tocht niet. Ik kan alleen het vaartuig niet sturen. Nu eens moet de
+pijpschroef dus, dan weêr anders gedraaid worden; nu moet de vracht meêr
+naar de eene, en dan naar de andere zijde verlegd worden. Dan moet ik
+met den wind omwenden; dan eens de wolken doorsnijden, dan ze vermijden
+of uit den weg gaan. En onder dit alles moet ik den barometer in 't oog
+houden, die my voor kompas dient, en waardoor ik de hoogte van mijn
+vlucht meten moet. Ik zwijg van het geen my tot roer, riemen, zeil, in
+geval het te pas koomt, verstrekt, en van het valscherm in gereedheid te
+houden, zoo iets ongelukkigs gebeuren mocht. De noodzakelijkheid alleen
+van den barometer in een rechten stand te houden, dien ik nergens
+plaatsen kan, dwingt my, iemand met mij te nemen, en maakt buiten dit,
+alles onmogelijk.
+
+Men vond dit gewichtiger. Maar na eenigen tijd overleg, gaf de Emir der
+plaats, tot wien nu de zaak reeds gekomen was, een volstrekte last, om
+alom door zijn rechtsgebied, heel den dag dat die luchttocht geschieden
+zou, en tot dat hy geheel afgeloopen zou zijn, alle vrouwen onder dak te
+houden. Ongelukkige vrouwen, zoo zy geen lucht mogen scheppen eer dit
+afloopen daar gebleken zal zijn! want veellicht, dat de tijding van mijn
+wedervaren nooit tot dat hoekjen der wareld koomt.--Het is klaar, dat de
+Emir daar nu meê gemengd zijnde, ik nog te minder te rug kon. Het was
+een gedwongen spel geworden.
+
+Van de werklieden had ik geene verwachting ter wareld; ik vond
+echter reden om van hun te vrede te zijn. Daar was netheid en
+naauwkeurigheid in hun arbeid; 't geen te meer bevreemden moest, daar
+hun werktuigen-zelve zeer onvolkomen, en zelfs in veel opzichten vrij
+gebrekkig moesten heeten. Maar zy waren aan zoodanig gereedschap gewend,
+en der handeling daarvan, meester; wat anders behoefde men? In 't kort:
+mijn ballon kwam gereed, mijn schuitjen was fraai, en het koordwerk zeer
+wel gevlochten. Ik had er een tafel en twee zitplaatsen in doen maken,
+en de twee punten tot voorraad geschikt, terwijl ik onder een
+tusschengrond een ballast van lood had gelegd ten einde het zwaarte punt
+beneden my te houden. Mijn voorraad bestond in eenigen tweebak, weinig
+gerooste garst, een goed kooksel rijst met lamsvleesch, en een aantal
+kruiken en houten flesschen zoo met melk als met water gevuld. Een
+glazen met stroo omvlochten flesch Sciroswijn werd door een van mijn
+Perzische reisgezellen daar nog bygevoegd. Dezen kleinen opleg
+aanziende, verbeeldde ik my den proviant der Vestaalsche maagd die het
+outervuur had laten uitgaan, en ik achtte my in den zelfden staat te
+zijn.
+
+Lang hadden deze toebereidsels geduurd. Schoon ik niet zeggen kan, dat
+ik er spoediger meê gereed wenschte te komen, verveelden zy my echter
+niet weinig; maar de teerling was eenmaal geworpen. Lang duurden zy ook
+voor het ongeduld van die genen, die de benoodigdheden opleverden: want
+niets kwam hun wonderlijker voor, dan het geen ik onvoorzichtig genoeg
+geweest was om te belooven, en ik weet niet of zy het geloofden. Ik zou
+zelfs schier denken, dat zy my voor een soort van goochelaar hielden,
+die zulke onnatuurlijke zaken aannemende, hen te loor dacht te stellen,
+met, als het oogenblik daar was, een kring in de lucht te slaan en te
+verdwijnen. Ten minste verhaalde men my en elkander somwijlen van
+landloopers, die een zalf machtig waren, waarmeê zy zich smeerden, en
+dan ieder onzichtbaar wierden, of die geesten bezworen hadden, die hen
+wegvoerden. "Maar ik had hun toegezegd, voor hun oog op te gaan, niet te
+verdwijnen, en dit, met een luchtbal, en niet door het middel van
+geesten. Zy zagen ook wel, dat ik geen ijzeren ring aan de vingers had.
+Ook niet aan de teenen, hadden zy opgemerkt. En dat ik een betooverden
+gordel mocht hebben, vertrouwden zy niet." Ik toonde hun, geenen anderen
+te dragen dan den gewonen, en verwisselde dien tegen een anderen van een
+van hun, als of hy my wat te naauw waar geweest. Doch ook dit scheen hun
+alle achterdocht niet te kunnen ontnemen.--Dan, hoe het daar mede zij,
+alles werd vaardig, en de dag kwam, dat de luchtvaart geschieden moest.
+
+Mijn omslachtige toestel tot het vullen, en de angst, waarmeê ik dit in
+het werk stelde, daar latende, vergenoeg ik my met te zeggen, dat dit,
+tegen al wat ik vreesde, of, liever, verwachtte, zeer wel in zijn werk
+ging. De vlakte, waar het geschiedde, was ruim, en met paal- en touwwerk
+afgezet. De bol had van boven een ring, door welken heen eene menigte
+touwen hem aan de aarde vasthielden. Deze touwen werden door groote
+palen ondersteund, die door hun middel den nog ledigen bol op eene
+bekwame hoogte hielden, doch die neêrvielen zoo dra hy zich onder het
+vullen ophief. De pinnen, die de touwen in 't rond aan den grond vast
+maakten, vereenigden zich in het middelpunt in een eenig touw, dat door
+een opening in den bodem van 't schuitjen was doorgestoken, en dus kon
+ik, in 't schuitjen geplaatst, met een eenigen draai van de hand dezen
+allen te gelijker tijd los rukken. Het schuitjen, van onder niet zeer
+spits toeloopende, stond op eene stelling daar toe gemaakt, en was met
+den voorraad bevracht. Ik bevond my daarin met mijn medeluchtreiziger,
+en bestierde het vullen, waar van ik de materialen om my had. Ik begreep
+nu die allen niet te kunnen gebruiken, en uit schaamte pakte ik een goed
+deel daarvan onder in het schuitjen, om in plaats van de staven loods te
+strekken die ik tot ballast had laten vervaardigen; ten einde den
+misslag van mijn rekening dus te bedekken.--De touwen verhieven zich, de
+standpalen vielen.--Nu begon de zaak voor de aanschouwers een zeer
+ernstig aanzien te krijgen. De touwen spanden. Ik sloot de buis van den
+luchtbol, en my in 's hemels handen bevelende, draaide ik de grondpinnen
+eensklaps los. De bol steeg, en wy mistten grond. _Bism'illah!_ riep ik,
+_wy rijzen_, en alles in 't ronde verbleekte. Ik zag om my, of ook
+ergens iets vasthaken mocht, en, zie daar Joussouf mijn' medereiziger,
+die zich hals over hoofd over boord wierp! Ik vermoed, dat de angst
+hem dit ingaf, want ik hoorde hem roepen: God dank! en in een oogenblik
+was ik verr' boven alle gebouwen. Joussouf was een man van wel
+derdhalfhonderd pond zwaarte. Ik had nu die derdhalfhonderd pond minder
+aan vracht. Dit verschil was veellicht een vijfde of zesde van 't gene
+de bol (zijn eigen gewicht daar onder gerekend) voeren moest. Dit gaf
+hem derhalve grooter snelheid in 't klimmen. En gewis had ik den bol
+voor de vracht, waar ik staat op maakte, alreeds veel te groot genomen.
+Het gene my verder gebeurde, maakt dit meer dan waarschijnlijk.
+
+De snelheid, waar mede ik opging, ontstelde my. En dit nog te meer daar
+ik te gelijk een geweldigen wind uit het Noorden bemerkte, waar ik eerst
+geen acht op gegeven had, en die ik nu dacht dat my wellicht naar de zee
+drijven kon eer ik weder grond winnen mocht. Ik was duizelig, en zette
+my op den grond van het schuitjen neêr. Hoe hoog ik ging was niet te
+gissen; want, naar mijn barometer omziende, vond ik dien gebroken, en
+een stuk daar van geheel weg. Zekerlijk had Joussouf hem vast, zoo als
+ik belast had by 't opgaan te doen, en is hy met dien in de hand
+omgeslagen. Ik had ook, meer dan waarschijnlijk, niet genoeg bedaardheid
+van geest, om daar van, het zij berekening, het zij zelfs eenvoudige
+opteekening in mijn zakboekjen te doen. Mijn hoofd en bost klopte
+geweldig, en welhaast kon ik niet zien. Ik had niets van het geen
+beneden my was kunnen bespeuren, en nu schemerden my de oogen dermate,
+dat ik niet wist of het dag dan nacht was. Ik greep den fles Sciroswijn,
+maar het geen ik er van nam, baatte my niet. Nu begon ik te hijgen;
+toen, bloed te spuwen; en tevens werd ik door eene ontzetlijke koude
+bevangen. By dit alles had ik het besef niet, den schroefpijp te vatten,
+en eenige lucht uit te laten, waartoe hy met dubbele schroefkranen en
+kleppen voorzien was, door 't welke ik noodwendig had moeten dalen. Ik
+steeg dus al hooger en hooger. Ik werd slaperig en gevoelloos, en weet
+niet, wat toen met my voorviel, noch ook hoe lang dees mijn toestand
+duurde. Dit weet ik, dat ik my wedervond in mijn vaartuig, de luchtbol
+daarby liggende, slap en met een scheur opgereten, zoo als ook eenige
+der koorden van een gescheurd waren. Maar het was op een geheel andere
+plaats, dan ik ooit my had kunnen in 't hoofd halen.
+
+Ik zag my op een vlakte, met kruiden bedekt, doch die ik niet kende, en
+naby een water. In 't rond zag ik bergen, of liever heuvelen, want zy
+waren niet aanmerklijk in hoogte. De geheele grond was oneven, en er
+stonden verscheiden boomen, meest heesterachtig; weinige zoo groot, dat
+zy met top en al den naakten stam eener welopgewassen linde bereikten.
+Zy hadden in 't voorkomen iets van het bleeke hulstgroen, anderen van
+dat van de wilge. Ik zag geenerlei levend wezen. Ik schepte met de hand
+eenig water, dat brak en zwavelachtig was; zag om naar eenige vruchten,
+maar bemerkte er geen. Ik vreesde het ondergaan van de zon, die laag
+stond, en werd ten uiterste over mijn' toestand bekommerd. Geen plaats
+daaromtrent deed zich op, waar ik veilig voor het wild gedierte zou
+mogen vernachten. Ik zocht eenige dorre of van den wind afgeschudde
+bladen by een, sneed eenige boomtakken af, drukte die in den meêgevenden
+grond, vlocht er anderen door, en maakte my daar mede een soort van
+doorzichtige tent, waaronder ik my een leger van de bladen bereidde, in
+welke ik, om Homerus denkbeeld te gebruiken[4], my als een vuurkool
+mocht inrekenen. Daar in leidde ik mij neêr, doch sliep niet. Ik voelde
+nu pijn in de lenden en in 't achterhoofd, en erinnerde my een
+geweldigen schok, met wien ik tot my-zelven gekomen was. Ik sliep niet;
+doch ik mijmerde, en drong my op, geslapen te hebben, als ik na lang
+liggens, uitziende, bevond dat het dag was. De zon stond even boven den
+zichteinder. Ik had te voren haar standplaats niet opgemerkt, en
+ontwaarde derhalve niet, dat zy de zelfde gebleven was. Ik zag nu ook
+de maan, als in iets meer dan haar eerste kwartier, maar ontzachlijk
+groot, en wat my zeer vreemd was, genoegzaam in 't zenith staande. Ik
+verliet mijn kreb, of veldbed, zoo men 't noemen wil, en zag om, naar
+het geen ik by mijne opvaart had meêgenomen.
+
+ [4] Odyss. E.
+
+Mijn voorraad was behouden gebleven schoon vrij wat door een geschud, en
+meestal rondom mijn schuitjen en uit elkander gesmeten op den grond
+liggende. Ik zamelde dien by een, zoo veel ik vermocht, at, stak een
+gedeelte by my, begroef het overige in een kuil, dien ik, zoo goed of
+kwaad het my mogelijk was, in den grond dolf, met gebladerde strooide,
+en voorts weder toemaakte, en, ter herkenning, met een ingekerfden tak
+teekende. En dit verricht hebbende, besloot ik, op kondschap of
+onderzoek van het land, uit te gaan. Over het meer, aan welks oever ik
+aangeland was, zag ik een gebergte (reeds merkte ik op, dat het niet
+zeer hoog was), waar henen een verheven gedeelte van den grond my den
+weg scheen te wijzen, en vond goed, dezen weg in te slaan.
+
+Ik was welhaast aan 't gebergte. Hier vond ik sporen van uitgebrande
+volkanen, dan wier kolken of kelken geenen grooten omvang hadden. Eenige
+staken spits en zeer kegelachtig boven het overige der hoogte uit, maar
+de algemeene rug, die hun samenhang vormde, was glooiend en verre van
+steil. Het geboomte was weinig, de wind schraal, doch van geringe
+kracht; en ik vernam niets levends of dat zich roerde, dan een soort van
+kleine struisvogels, die een heesch geluid gaven, en op mijne nadering
+als verschrikt door een liepen. Ik zag hier en daar eenige holen als van
+konijnen. Ook hoorde ik daaromtrent het klapperen en snateren van
+gevogelte, dat zich opdeed, niet ongelijk aan eendvogels. Ik nam de
+party van te rug te keeren om de plaats waar mijn voorraad gebleven was,
+door geen onvoorzichtig omdwalen te verliezen; en besloot by de nacht op
+dien plek de gestarnten oplettend in acht te nemen, ten einde, by
+gebreke van alle geleiding of onderrecht, my daarnaar te richten.
+
+Eene zeer geruime poos had ik op het vallen van den avond zitten toeven,
+wanneer ik eerst opmerkte, dat de stand der zon in 't geheel niet
+zichtbaar veranderde. Met de rechter zijde naar 't gebergte gekeerd, had
+ik haar aan de linkerhand gehad toen ik uit mijn slaapstede opstond, en
+zy was nog daar, en op even de zelfde hoogte; en zoo herinnerde ik my
+nu, haar ook by mijne aankomst gezien te hebben. Ik sloeg 't oog op de
+maan, die meer dan de helft verlicht was, en ook steeds haar plaats
+scheen te houden. In deze, die my ruim zoo vreemd voorkwam, als al wat
+ik voor oogen had, en veel helderer was, dan zy my ooit in mijn leven by
+den dag was voorgekomen, (van haar buitengewone grootte sprak ik reeds)
+werd ik, na lang turen, eene aanhoudende verandering harer vlekken
+gewaar, die aan de eene zijde verdwenen, aan de andere opkwamen, en my
+van hare omwenteling overtuigden. Deze vlekken-zelven waren geheel
+anders dan ik ooit bespeurd had, en in plaats van het mannetjen met zijn
+takkebos op den schouder, die er in Engeland in gezien wordt, of het
+onbeduidend tronietjen dat het gemeen op het vaste land daarin vindt,
+docht my, er het profiel van een neushoorn met geopenden muil in te
+zien, doch die zich weldra in de omwending verloor. De zelfde beeltenis
+echter kwam my naderhand meermalen voor, maar toen was zy my nieuw en
+treffende. Ik twijfelde duizendmaal aan alles; ik wreef mijne oogen, en
+zag en beschouwde op nieuw; maar deze verschijnsels bleven voortduren.
+Beide zon en maan veranderden niet van stand voor my; en de afgrijslyk
+groote maan wendde zich om. Ook viel er geen avond, maar de dag duurde
+steeds voort. Ik verloor my in al deze vreemdigheid, en een aaklige
+schroom voor ik weet niet wat, dat my over mocht komen, vervulde my.
+
+Ik had my opgedrongen, geslapen te hebben, en een nacht ondersteld, maar
+er geen gezien: Ja, in tegendeel, altijd den zelfden zonnestand
+waargenomen. Nu overtrof de tijd dat ik, zonder mij met iets anders
+bezig te houden, op de nacht gewacht had, zeer zeker meer dan een
+etmaal, en ik schatte hem wel op twee dag- en nachtwisselingen. Ik moest
+dus besluiten, dat ter plaatse waar ik my onthield gene nacht viel. Ik
+kon echter niet buiten den poolcirkel zijn, want de koude was my niet
+hinderlijk, ook was het het boven den horizont blijven van de zon en
+maan niet alleen dat my wonderbaar was, maar zy beschreven geen
+zichtbaren loop. Ik was als betooverd, verzonk in gedachten, lei my neêr
+op den grond; en waarschijnlyk duurde 't nog wel den tijd van een dag of
+meer, dat ik nu eens inslapende, dan weêr wakker, en al telkens op nieuw
+het gezicht op twee hemellichten vestigende, in dezen mistroostigen
+staat, vol van angst en twijfel bleef voortleven, en intusschen het geen
+ik nog had, verteerde. Eindelijk, de nood dwong my, en ik moest my
+vermannen om den eerstbegonnen tocht te hervatten, waarvan mijn behoud
+afhing. Wat ik wonderlijks zag, moest ik opgeven: dit zou zich veellicht
+nader verklaren; voedsel was de hoofdzaak en dringendst, en dit moest ik
+zoeken; daarna, menschen. Wat was my het overige?
+
+Ik ging dan andermaal den weg van 't gebergte op.--Ik was eenigzins wild
+in het hoofd, vond dat de lucht my de borst belemmerde, 'tgeen ik aan
+het doorgestane op mijn zonderlinge reis toeschreef, en het denken
+vermoeide my zoo wel als het gaan: ook waren mijn denkbeelden verward,
+als die van een kind, voor het eerst een schouwspel bywonende, waar hem
+tooveryen en spookvertooningen voor het oog gebracht worden, waarvan hy
+niet weet wat te maken of te gelooven.
+
+Het zou te wijdloopig zijn, hoe ik mijnen eersten weg met een stouten
+stap en op alles achtgevend gezicht hervattende, tot de ontdekking kwam
+van een aardvrucht, die in de dalen vrij algemeen onder den grond wies,
+en om welke op te sporen en op te delven de veelvuldige gaten die my
+eerst konijnholen schenen, door de dieren gemaakt werden. Ik zal by 't
+uitvoerige bericht, het welk ik my voorstelle van mijn reis door die
+wareld in 't licht te geven, deze vrucht nader doen kennen, zoo wel als
+het geen my verder omtrent het plantwezen, en de overige natuurrijken,
+heeft mogen gebeuren waar te nemen. Thands vergenoege ik my, met te
+melden dat dit voorbrengsel, na dat mijn geringe reisvoorraad op was,
+mijn eenig voedsel heeft uitgemaakt. De ontdekking was vertroostend voor
+my. Ik vond de spijs flaauw, maar niet gants onsmakelijk, en kon er my
+meê onderhouden.
+
+Het gedierte was schuw en vlood voor my. Ik verraste een der
+struisvogelen, gelijk ik ze om het algemeen beloop hunner gedaante blijf
+noemen, schoon hun snavel geheel van die der struissen verschillend,
+zwaar beenig, en van een lepelaarachtige vorm, doch minder lang dan by
+die soorte, en eenigzins naar boven gekromd was. Hun hals desgelijks was
+dikker. Ook hun klaauwen verschilden aanmerklijk van die van 't geslacht
+waarvan ik den naam op hen toepasse. Doch zy vlogen volstrekt niet,
+alleenlijk somtijds een sprong doende, waarby zy hun vleugels dan
+uitbreidden. Hun kleur was een blaauwachtig graauw; en deze was ook aan
+al het overig gevogelte dat ik in deze wareld beschouwd heb, met eene
+geringe verscheidenheid tusschen lichter of bleeker, en meer of minder
+naar 't blaauw trekkend, gemeen. Dien ik mijn gevangen maakte, stond in
+dat oogenblik met het hoofd en de hals verr' in de aarde te boren. Ik
+doodde, en gedeeltelijk plukte, gedeeltelijk vilde ik hem. Maar ik had
+geen vuur. Dit trachtte ik wel door het tegen een wrijven van schorsen,
+of stukken houts, die ik van de boomen sneed, voort te brengen; maar
+het mislukte my, op welk eene wijze ik het ook bezocht. Ook was al
+het hout dat ik afsneed, tot dit einde te vochtig, en er scheen alle
+harstachtigheid aan te ontbreken. Ik besloot toen, mijn prooi in den
+wind te droogen, en hing hem op een plaats, die my daar geschikt toe
+scheen, over een dorren boomtak: dan nooit wist ik die plaats weder te
+vinden. Van de eendvogels kon ik er geene machtig worden. Naderhand vond
+ik aan de oevers der meeren een zekere schelpvisch, maar ik vreesde die
+te eten, zoo lang ik niet gezien had dat dieren die aten, en dit heb ik
+by mijn verblijf op dien grond niet ontdekt.--Doch ik moet by mijn
+aangevangen tocht blijven.
+
+Ik verlangde, als natuurlijk, naar zoet, en, zoo wy het gewoon zijn te
+noemen, drinkbaar water. Rivieren vond ik niet, zoo men op eene enkele
+plaats eene opborling van een meer dan laauw, stinkend, onzuiver water,
+dat een eind weegs langs een hellenden grond afvloeide, en daar staan
+bleef, uitzondert, en dit dien naam dragen kan. Mijn dorst echter was
+lijdelijk, wanneer ik my tusschen de bergen in de laagte bevond. Op de
+hoogten vermeerde zy zeer aanmerklijk; en dit dreef my telkens naar de
+valleien. Ik merkte dit naauwlijks op, of ik nam tevens waar, dat alles
+tot zekere hoogte in een waterdamp stond, dichter dan die men by ons in
+de zomer- of herfstavondstonden op de weiden gewaar wordt; en dien damp
+heb ik altijd en zonder afwisseling op den grond gezien. Ik had echter
+noodig te drinken, en moest my dus met het water der meeren behelpen;
+doch allengs gewende ik, zeldzamer te drinken. Van de dieren heb ik wel
+baden in 't water, doch geen kennelijk drinken gezien. Voedsel dat
+dorstverwekkend was vond ik ook niet, zoo min als dat dorst versloeg.
+Hoe zeer aan alles gewoon wordende, heb ik echter nooit eene hoogte van
+slechts weinige vademen kunnen beklimmen, of de dorst werd my lastig, en
+al spoedig onverduurbaar. Aan eenige struiken en heestergewassen vond ik
+een soort van bezien met een taai vocht, maar met kleine wurmen vervuld,
+en deze boomtjens zeer sterk met kruipend gedierte beladen, de grootsten
+van een halve vinger lengte. 't Scheen my naderhand toe, dat de
+boomgewassen alleenlijk voor het kruipend gedierte, de aardvruchten voor
+de vogelen waren: viervoetige dieren vond ik niet.
+
+Daar ik in de dieren geen roovenden, vleeschetenden, of beschadigenden
+aart kon bespeuren (want noch de bek, noch de nagels droegen daar eenig
+bewijs van), en de kruipende beestjens zich even zoo zeer op hun
+heesters als de schelpdieren in 't water schenen te houden, verging mijn
+bevreesdheid, en ik lei my, vermoeid zijnde, onbekommerd neêr; waar ik
+dan ook doorgaands insliep, en, na de verkwikking des slaaps, mijnen weg
+vervolgde. Aardvruchten vond ik alom, en meestal wezen de gemaakte holen
+in den grond my den weg, waar zy rijklijkst en rijp waren. Ik had voor
+het overige een fles met water gevuld, dat ik spaarzaam gebruikte. Zijn
+brakheid beval het den smaak niet sterk aan; ik ontwendde het drinken
+meer en meer; ik vermijdde de dorre hoogten, en hield my in de vochtige
+laagten; ik voegde daar een veelvuldig baden by; en mijn fles duurde
+lang.
+
+Geen dieren schenen op elkander te azen. My ook verging dra de lust naar
+het vleesch, en zoo ik somtijds den inval kreeg om te zien, dat ik eenig
+gedierte verstrikte of ving, bedacht ik dat de prikkelende dierlijke
+geesten my dorst mochten verwekken, waarvoor ik zeer vreesde. Ik begon
+dit land te beschouwen als niet geschikt voor het vleescheten. Alles had
+den schijn en het voorkomen van dit aan te kondigen, en ik onthield er
+my van, zonder enig gevoel van ontbering.
+
+Somwijlen dacht ik, zoo de dieren elkander niet eten, wat wordt van hun
+lijken; en ik nam voor, aan dit voorwerp eene bijzondere opmerkzaamheid
+te geven. Ik vond genoegzaam geen lijken van de struisvogels dan onder
+de heesterstruiken, waarvan ik gemeld heb, als of zy hun tijd uitgeleefd
+hebbende, zich daar eene sterfkoets zochten. Van de eendvogels geene
+lijken in het geheel. Veellicht dat dezen zich ten zelfden einde in het
+water lieten nederzijgen.
+
+Dikwijls als ik nederzat, dacht ik over de wijs van eenige zekerheid
+voor mijne reis_routes_ te hebben, of de plaats van waar ik vertrokken
+was, weder te vinden. De volstandige hoogte der maan, die, hoezeer by de
+plaatsverwisseling van mijn reis verandering ondergaan hebbende, echter
+nog altijd zeer ongewoon bleef, dwong my de onderstelling af dat ik
+tusschen de keerkringen moest zijn; en de onveranderde stand der zon
+daarby, dat de aard by een wonderwerk stil stond. Ik had ook nog geen
+aanmerklijk verschil tusschen haar beider betreklijken stand opgemerkt,
+alhoewel het my somtijds voorkwam, of hare onderlinge afstand iets
+minder wierd. Ik bleef ze dus als stilstaande houden. Het was en bleef
+dag. Geen gestarnte, geen parallaxis, voor my waar te nemen. Alleen de
+verwijdering van de zon kon (dus begreep ik 't) my deze onder den
+horizont brengen en nacht geven. Ik was begeerig nacht te zien, en nam
+mijne reis, zoo veel doenlijk, rechtlijnig van de zon af, de maan in
+het zenith houdende. Ik merkte een bergspits op, die met my en de zon in
+een rechte lijn stond, en ik stelde my deze ten doel om op af te gaan.
+
+Al wandelende berekende ik ten ruwste, hoe veel uren gaans ik wel
+afleggen moest, om de zon, nu, gelijk ik het schatte, omtrent 15° boven
+den zichteinder, en daar staan blijvende, beneden de kim te krijgen. Het
+getal was niet aanmoedigend; maar ik had den tijd. Echter geenerlei kans
+ziende om den voortgang in tijd dien ik maakte, te erkennen, daar er
+geen dag- en nachtverwisseling was, zag ik daadlijk dat mijn rekening my
+niets baten mocht, en al het bewijs dat ik van mijn vordering hebben kon
+in de werklijke daling der zon moest bestaan. Intusschen, het geen ik in
+'t eerst niet bemerkt had, naderhand flaauw, en onzeker of ik 't wel
+opmerkte, werd my nu kennelijk en zeker: De zon en de maan naderden
+zich; en het licht der laatste nam daarby zoodanig af, dat ik er slechts
+een flaauwen en als schemerenden rand van te zien hield, die welhaast in
+de meerder nabyheid der zon zich verloor. Doch in plaats van de zon te
+zien dalen, zoo als ik door mijne verwijdering my verbeeld hadde, rees
+zy en stond wanneer ik de maan niet meer zag na aan 't toppunt, het geen
+zy weldra besteeg. De maan was welhaast weêr zichtbaar aan de andere
+zijde der zon; en nu was mijn weg die eerst van de zon afgekeerd was
+geweest, naar de zon toe: of liever, de zon was my voorgegaan. Ik kon
+haar niet inhalen; en besloot, nu zy ging, stil te staan, en ter plaats
+waar ik was, de nacht af te wachten, die ik eerst zoeken ging, maar die
+my nu zelve wel haast stond op te komen.--Ik was nu overtuigd, dat er
+wederom nacht en dag was; maar met één, dat zy veel langer duurden,
+dewijl ik in één dag de maan afgaande en vernieuwd had gezien. En ik
+merkte tevens op, dat de verlichting in die twee kwartieren geheel
+omgekeerd was van het geen ik haar altijd gekend hadde. De horens hadden
+te voren naar mijn linkerhand gekeerd gestaan, en nu stonden zy by de
+herschijning naar mijn rechterhand heen gewend. Dit-alleen had my alles
+moeten verklaren; maar ik was zoo verr' van het denkbeeld van buiten den
+aardbol te zijn, dat al wat ik zag en opmerkte, my een raadsel bleef. Ik
+maakte my nu geen tentbed, maar wat ruimer tentjen van takken om schaduw
+te hebben, en toefde de nacht.
+
+Dit echter, indien ik het zeggen zal, was loutere weelde van my, want de
+zon was my in der daad niet te heet op het hoofd, en de wind altijd vrij
+gematigd, zoo dat ik zoo min storm of onweêr als eenige regen beproefd
+heb, al den tijd van mijn verblijf op dien aardbodem. Ik zag er zelfs
+geene eigenlijke wolken; alleen nu en dan was de lucht iets minder
+helder, en alsdan de warmte grooter; doch te gelijker tijd vond ik my
+dan de borst beter, en my minder spoedig door 't gaan afgemat. Het
+scheen of de dampen, die gewoonlijk slechts eenige voeten hoog rezen,
+en waaraan ik het toeschreef dat de beenen my opzwollen, alsdan hooger
+rezen; doch nooit in die maat, dat zy den hemel-zelf plaatslijk
+bedekten. Ook het onderscheid van hitte toen de zon in het toppunt was,
+van toen zy vrij laag stond, merkte ik naauwlijks op. De dampkring
+waarin ik hier leefde, was blijkbaar verschillend van die ik ooit
+beproefd had. Dit werd my steeds duidelijker.
+
+Ik was hier in eene vallei van groote uitgebreidheid die halvemaanswyze
+zich boog om een meer, waar ik voor het eerst andere dan schelpvisch
+zag. Deze was een soort van platvisch, en daar ik bepaald had hier te
+blijven tot de zon onder mocht gaan, en den dag die my langer dan
+veertien dagen gevallen was, eindigen, kwam ik op den inval van te
+visschen. Ik dacht dezen platvisch gedroogd te kunnen nuttigen, en mijn
+vrees voor de dorst zweeg. Ik had echter noch net, noch touw om een net
+te vervaardigen. Ik stak een aardvrucht aan een boomtak, maar de visch
+wilde niet aanbijten, alschoon hy op de brokken aasde die ik in 't water
+uitstrooide. Mijn oogmerk derhalve verviel. De soort van eendvogels
+waarvan ik gemeld heb, vlogen hier af en aan. Nu, zich in het nat
+dompelende, dan zwemmende, dan weêr op den oever omhuppelende, dan weêr
+wegvliegende, hielden zy my door de verscheidenheid van hun soorten,
+hoezeer allen graauwgevederd, en door de meerdere zachtheid van hun
+kreet, die in sommigen zelfs iets zangerigs had, bezig. Ik teekende
+hier wat ik zag, in mijn zakboekjen af, zoo veel 't weinige wit papier,
+dat daar nog in overig was, toeliet; en het zijn deze afbeeldingen die
+ik in mijne uitvoerige reisbeschrijving zal meêdeelen, ten welken einde
+zy werklijk in het koper gebracht worden.
+
+Hier herinnerde ik my ook, dat ik tot nog geene eieren, het zij van de
+eenden, hetzij van de struissen, ontmoet had; die echter misschien een
+goed voedsel konden opleveren. Ik besloot er naar om te zien. Sedert
+vond ik eenige eendvogeleiers, maar zonder harden schil en alleen in een
+vlies omvat, en veel te verr' heen om eetbaar te zijn, aan een oever van
+'t meertjen. Van de struisvogels heb ik er geene in 't geheel gezien,
+ook geen geheel kleine kiekens. Het schijnt dat zy zich om te leggen en
+te broeden wisten af te zonderen waar ik hen nooit beloerd of betrapt
+heb, en van daar niet wederkeerden dan wanneer hunne jongen reeds vrij
+wat in grootte en krachten gewonnen hadden.
+
+Het duurde nu niet lang of 't werd avond, en, na eenen zeer langzamen
+overgang, nacht. Doch die nacht, door den onbegrijplijken luister der
+maan verlicht, was vrij helderer dan menige wintersche dag. Ik kon my
+niet genoeg verwonderen over de grootte der maan, die al voller werd
+naar mate de nacht groeide. Het was thands dat ik den overgang der
+vlakken, en door dezen, de omwenteling, kennelijker onderscheidde. Lang
+staarde ik dit nieuwe schouwspel met verwondering aan. De geheele
+schijf had echter minder verscheidenheid van licht dan wanneer zy minder
+vol was, en de vlakken waren dus gedeeltelijk flaauwer. Het had iets van
+het achterste van een mappemonde, waarvan de voornaamste trekken
+doorgedrukt zijn. Slechts twee der planeeten vielen my in het oog:
+Venus, die ik duidlijk herkende, en, waarschijnelijk, Mars. Ik zag ook
+de gestarnten, maar flaauw en zeer onduidelijk, daar de glans der maan
+haar verdoofde. In een vrij geruimen tijd, en na een herhaalde
+waarneming in die nacht, die niet heel veel minder lang was dan de dag
+die haar voor had gegaan, en die ik in verscheiden waak- en
+sluimertijden verdeelde, bespeurde ik nu ook de algemeene beweging des
+hemels, maar zeer flaauw en langzaam, en ik vond niet dat hy om den
+pool- of noordstar draaide. Deze star-zelve beschreef een aanmerkelijken
+kring, en de pool scheen veranderd. Eindelijk, alles wees my, dat het
+middelpunt der beweging, zoo veel ik zonder gereedschap of toestel, met
+het oog na kon gaan, ongevaar 20° van haar verschilde.
+
+ * * * * *
+
+Eens, terwijl ik zeer oplettend op het luisterrijk hemellichaam
+staarde, dat ik nog voor de maan hield, en waarin ik echter de maan
+niet herkennen kon, zag ik een vlak, die trager dan de overige dreef.
+Hy deed zich slechts als een klein stipjen voor, dat in de glans van
+het licht der schijf verzwolgen wierd, en verdween spoedig, zoo dat
+ik het naauwlijks bespeurde. Het scheen my iets van een soort van
+maanverduistering te hebben; als of een tusschen beide geplaatst
+lichaam, door den bol waarop ik my bevond overschaduwd wierd, en dus
+tegen den helderen grond van de maanschijn zichtbaar wierd, tot het deze
+schaduw door was gegaan. Het verschijnsel was mijn gezicht wel niet
+klaar (want ook dit had in mijn kort verblijf in dit vreemde land gants
+niet weinig geleden), en wellicht was het bloote verbeelding, of iets in
+den dampkring, dat my voor 't oog zweefde, maar het herriep my de
+tusschen- of ondermanen, waar van in mijne Inleiding, en waar ik in
+langen tijd niet aan gedacht had.
+
+Nu begon ik alles, wat ik waargenomen had by een te trekken, en het was
+of my in eens een lichtstraal opging by het denkbeeld: het is niet de
+maan, maar de aardbol dien ik voor oogen heb; en die aardbodem, waarop
+ik my thands bevinde, is de maan. Dit eene loste my alle verschijnsels
+op. Maar nog naauwlijks in gepeins geraakt over de mogelijkheid hoe ik
+met mijn luchtbol tot den maanbol had kunnen naderen, werd ik door een
+ander schouwspel getroffen: Een tweede maan, kleiner dan ik de maan in
+mijn leven gezien had, maar volkomen met hare vlakken geteekend, deed
+zich op naast de groote en van achter haar, bleeker dan ooit. Zy
+verwijderde zich van de grootere, scheen my in die verwijdering zelve,
+in grootte iets toe te nemen, zoo wel als in de kracht van haar licht,
+even als of zy my nader by kwam; en wanneer de grootere, die ik nu voor
+den aardbol hield, begon te verminderen, nam zy desgelijks af, tot zy,
+na eenige mijner nachtwaken overgeduurd te hebben, in het ander gedeelte
+des hemels verdween.
+
+Thands had ik de maan-zelve herkend, en dit bevestigde my te gelijk in
+het denkbeeld, dat de groote luisterrijke bol, de aardbol-zelf was, en,
+dat ik my niet op de maan vond. Waar dan ben ik? vroeg ik my, of wat is
+de bol van mijn tegenwoordig verblijf?--De verschijnselen hadden my
+overtuigd, dat hy een loop om de aarde had, die met die der maan
+overeenkwam; dat deze loopbaan tusschen de aarde en de maan was; en dat
+hy deze loopbaan in iets langer dan de maan haren kring, afleide.--Ik
+zal deze weinige punten kortelijk opnemen.
+
+Vooreerst dan: de bol waarop ik was, had een loop om de aarde
+als die der maan. Want hy was nu achtereenvolgende tegen de linker
+halfverlichte, de duistere, de rechter halfverlichte, en de
+geheelverlichte zijde der aarde overgesteld geweest. In den
+eerstgemelden stand had hy de zon ter linkerzijde; in den tweeden, boven
+zich; in den derden, ter rechterzijde; en in den vierden onder zich. En
+deze standen zijn zoo in haar opvolging als anderzins even als die van
+de maan.
+
+Ten anderen: de bol bevindt zich tusschen de aarde en de maan, want zijn
+nachtgetijde was naar de volle maan toegekeerd, wanneer deze in haar
+versten afstand van de zon was, en wanneer zy tot haren naasten afstand
+van die geraakte, werd haar duistere zijde zichtbaar, en grooter tot zy
+verdween, terwijl echter de bol-zelf zich tusschen de zon en de aarde
+bevond.
+
+Ten derde: de bol voltrekt zijne loopbaan in iets langer dan de maan de
+hare afloopt. Zoo lang de bol in den stand 1, 2, 3, 4, 5 ten opzichte
+van den aardbol was, die hier in het middelpunt wordt vertoond, werd
+geen maan gezien. In het punt 6 werd zy gezien van achter de aarde
+uitkomende. Zy stond dus, niet meer rechtlijnig achter dezelve. In 5 was
+zy nog niet gezien, zy was dus toen door de aarde bedekt, en tot in den
+stand van den bol in 6 bedekt gebleven. Zy had dus een gelijk gedeelte
+van loopkring met den bol afgelegd, maar nog zoo veel daarboven dat zy
+nu uit de bedekking der aarde was in het punt _a_. En dit stemt overeen
+met het begin van haar afnemen toen de bol in 7 was. De bol had toen,
+van het zelfde punt 5 te rekenen, een dubbeld deel afgelegd, en de maan
+dus by haar dubbel deel ook een dubbel gewonnen in _b_, en alreeds kon
+haar begin van afnemen zichtbaar zijn. Toen de bol in 8 was, had de maan
+op gelijk cirkeldeel driemaal haar vordering gewonnen in _c_, en eer de
+bol tot het punt 1, waarvan wy zijn loop afrekenen, te rug kwam, moest
+met gelijke vordering de maan, in _d_ zijnde, reeds niet meer van hare
+verlichte z[^ij] aanbieden.
+
+[Illustratie]
+
+Ik begreep dan nu op eene dier ondermanen te zijn, die ik my zoo lang
+tusschen de aarde en de maan had verbeeld, en meende in den stip dien ik
+over de aarde had zien gaan, nog een even dergelijken satelliet te
+erkennen.
+
+Nu begon ik in het onderzoek van dit bolletjen, (want het was inderdaad
+klein, als ik dra uit alles bevond) een geheel nieuw belang te stellen.
+De nacht was weldra voorby, en weêrhield my niet meer. Want de
+duisternis zou my wel niet verhinderd hebben, daar ik voor een
+zoodanigen maneschijn geenen dag zou verkiezen, en tot mijne
+waarnemingen, van wat aart ook, geen helderer licht wenschen kon; maar
+door het omgaan der nacht, bleven die waarnemingen, welke zy alleen op
+kon leveren, voor zoo lang opgeschort, als de nu aangebroken dag duren
+moest. Dat is, er moesten nu, eer ik my wederom met de verschijning der
+verlichte aarde in haar vollen luister verheugen kon, naar onze aardsche
+rekening ruim drie weken verloopen. Ruim drie weken, zeg ik; want de
+loop van mijn bol wat trager dan die der maan zijnde, en zoo ik toen
+vermoedde in de reden van 3 tot omtrent 4, moesten nacht en dag voor my
+zeven en dertig etmalen duren, en het samenstemmend tijdstip van _volle
+aarde_ of _middernacht_ zes en twintig dezer etmalen van my verwijderd
+zijn; welke ik voornam geheel aan den staat van den bol-zelven te koste
+te leggen.
+
+Met mijn nieuwe denkbeeld vervuld, dacht ik aan geen menschen, noch aan
+eenig gebrek. Ik gaf mijn planeet den naam van _Selenæa_; maar bedacht
+my welhaast en bewaarde dien voor een hoogere ondermaan, die ik my
+voorstelde weldra te zullen ontdekken, en nam dien van _Selenion_ voor
+de mijne aan, terwijl ik de lagere en zekerlijk kleinere, die ik meende
+beneden my en in mijn schaduw over de aardschijf te hebben zien
+doorgaan, _selenidion_ noemde. Hier meê was de geheele nomenclature voor
+de toekomstige _Maankunde_ die nu welhaast (dacht ik) geboren moest
+worden, in volkomen orde. Mijn bol maakte een verdeeling en vestigde die
+door de haar-alleen eigen naam _selenion_. Al wat boven dezen was of
+ontdekt stond te worden, zou _selenæa prima_, _secunda_, _tertia_
+heeten; al wat tusschen hun en de aarde, _selenidion primum_,
+_secundum_, enz. Recht van harte verheugde ik my in deze uitbreiding der
+Astronomische kennissen, en de oneindige reeks die ik my voorstelde van
+al hare toepassingen, invloeden, en uitbreidingen. Hoe weder te keeren
+naar de aarde, kwam niet in my op: want ik gevoelde daar in die
+oogenblikken de behoefte niet van. Hoe hier, waar ik was, voort te leven
+van enkel aardvruchten, zonder middel om mijne kleederen of te
+vernieuwen of te onderhouden, viel in het geheel in den kring mijner
+bevattingen niet. Alleen wenschte ik my wel eens papier, 't geen me
+ontbrak, en gereedschappen van Meet- en Starrekunst; en, met dezen, had
+niets aan mijn wenschen gemangeld.
+
+Het was ondertusschen verre van daar, dat ik niet in den grond van mijn
+hart naar menschen gewenscht zoude hebben. Ik stelde in mijn hoofd
+alreeds allerlei berichten voor geleerde tijdschriften op. Ik streelde
+my met mijne ontdekkingen in betrekking tot Starrekunde en Zeevaart. Ik
+zocht er een nieuw licht in voor de Natuurkunde. In 't kort, het geheele
+systema mijner gedachten onderstelde de bekendwording, de mededeeling,
+de overbrenging mijner ontdekking, op den aardbol, zonder dat mijne
+verbeelding zich met dat punt eenigzins bezig hield. Punt, dat my
+naderhand als ik er bepaald op begon te denken, zoo vele bekommering
+maakte!
+
+Wanneer ik my op mijn vorig reisjen, in het gebergte bevond, en de lust
+opvatte om de nacht op te zoeken, had ik my van de zon afgekeerd, en in
+die richting, zoo veel de grond toeliet, mijn weg genomen. Ik was
+vervolgens te rug gekeerd, maar de aardbol was toen mijn leidstar
+geweest, en een geheel andere weg had my onder zijn meridaan of laat ik
+zeggen, hem in mijn zenith gebracht. Maar de plaats, waar ik den aardbol
+als in 't zenith geplaatst kon beschouwen, was om zijne grootte, by zijn
+afstand niet zeer bepaald. Ik had dus het plekjen, waar de overblijfsels
+van mijn luchtvaartuig te vinden waren, niet weder gevonden, en wist
+niet, hoe het ooit weder te vinden. Het ware natuurlijk, ten minste
+verstandigst geweest, daar naar om te zien, en mijne eerste stappen aan
+te wenden om dit weêr te ontdekken, en dan eenige maatregel te nemen ten
+einde die overblijfsels die daar op het veld in den vochtigen nevel of
+waassem vergeten lagen, en door wie alleen, zoo de zaak ooit te wagen
+was, mijn te rug reis naar de aarde geschieden kon, op wat wijze dan
+ook, voor het spoedig bederf te bewaren. Maar dit kwam niet by my op. De
+stand van den bol was nu, als by mijne aankomst van de aarde. Ik was
+toen rechtsaf gegaan, en nu wilde ik daartegen de linkerhand volgen. Ik
+had een deel van de helft des bols, die naar de aarde toegekeerd was
+bezocht, nu wilde ik de andere helft zien aan te doen, alwaar ik
+veellicht heel iets anders dan struissen en eenden ontmoeten kon.
+
+Inderdaad verbeeldde ik my de mooglijkheid van iets zeer ongemeens. Ik
+had in mijn jongen tijd eenig werk van de Oostersche talen gemaakt, en
+by die gelegenheid met de schriften van ouder en later Rabbynen
+bekendschap gekregen. Bekendschap, die ik, zeker (als 't gaat) weinig
+heb aangekweekt, maar waar uit my echter altijd nog denkbeelden en
+herinneringen door den geest bleven waren. Ons oordeel over de zaken
+verschilt naar de omstandigheden waarin wy zijn. Het is met de
+denkbeelden als met kamermeubelen. Wanneer wy ze niet weten te plaatsen
+waar zy voegen, of er geen gebruik van zien te maken, zoo brengen wy ze
+op den zolder, en vergeten ze. Daar raakt dan wel eens iets verloren, en
+het zeggen van den Dichter wordt bewaarheid:
+
+ _Exilis domus est, ubi non et multa supersunt,
+ Quæ dominum latent, et prosunt furibus._
+
+Deze dieven zijn tijd en volstrekte vergetelheid. Doch, ontstaat er
+iets, waar door wy gelegenheid vinden of nemen, om een ledig vakjen te
+meubileeren, of een vertrek anders dan eerst te stoffeeren, zoo worden
+zy voor den dag gehaald, geboend, en opgekuischt, en zy worden ons door
+de plaats die zy nu verkrijgen, van belang en waarde, schoon ze ons
+eerst in den weg stonden.--Onder het geen my in vroeger tijden als eene
+belachlijkheid voorkwam, was het gevoelen van eenige dier Joodsche
+Geleerden, dat het Paradijs, by de omwenteling des zondvloeds, van den
+aardbodem weggenomen en op zekere hoogte in de lucht was gevestigd en
+daar nog bestond. Men heeft dit gevoelen in de Geologische stelsels
+somtijds aangevoerd als eene bevestiging dat het paradijs op een
+hoogeren grond dan de tegenwoordige aardbodem gelegen had, maar die door
+den zondvloed verzwolgen is. Thands kwam het by my, als een stem uit de
+diepte of een licht uit den afgrond, weêr op, en te gelijk het
+denkbeeld: Zou ook op een dezer ondermanen het paradijs kunnen zijn? zou
+een van die ook dat afgescheiden brok des eersten aardbodems kunnen
+zijn, niet (als het overige) verzwolgen door den watervloed, maar van
+den rotsgrond, waar het paradijs op geplant was, losgebroken? En zou het
+ook misschien op dezen zelfden bol waar ik my nu tegenwoordig bevinde,
+bestaan?---Zoo ongerijmd het my-zelven voorkwam, iets dergelijks te
+stellen, zoo bleef het my echter door 't hoofd malen; het hield mijne
+inbeelding bezig, en dreef my, als ware 't, mijns ondanks, om toch mijn
+planeetjen wel en ter deeg te doorzoeken.
+
+Ik had tot dus verre geen voetspoor of schijn van iets dat menschen kon
+doen vermoeden, ontwaard. Ik had geene verslindende dieren gezien, maar
+alleen onschadelijke soorten. Ik ging dus in de allervolmaaktste
+gerustheid op weg, overkruiste eene bergrij en eene breede vlakte daar
+achter, waar ik overvloed van aardvruchten vond, en eenig geboomte dat
+my nog niet was voorgekomen; maar mede onvruchtbaar, anders dan van een
+soort van stakkelbezien, en met een byzonder ras van torren of kevers
+bezet. Ik had my nu een stok afgesneden, ten einde de diepten des waters
+te kunnen peilen; nadien ik my voorstelde, dat verscheiden meertjens die
+ik telkens ontmoette, wellicht waadbaar zijn mochten; in welk geval ik
+begreep vele omwegen te kunnen afsnijden. Ik vond my echter bedrogen, en
+nergens zoodanige doorgaande en gelijkmatige ondiepten als waarop ik my
+wagen dorst. Nu stapte ik een opgehoogd en geëffend pad, als het scheen,
+op, doch waarvan my echter het byzondere niet in het oog viel, en ik
+kwam na een kleine bocht, tusschen struiken en heesters en eenige
+grootere dikgestamde boomen door, op een soort van hoenderwerf als het
+zich aan liet zien, waar een menigte van kalkoenen, graauw van
+gevederte, door elkaâr liepen.
+
+Naauwlijks had ik hier eenige voetstappen gedaan, of een geweldig
+geschreeuw ging van het midden van dit gevogelte uit, en een goed deel
+viel stout op my aan en beet my verwoed in de beenen. Ik sloeg hen af;
+maar nu vlogen zy alle, met uitgebreide vlerken, van alle kant toe, en
+ik voelde my te gelijk in het aanzicht, van voren, van achteren, over
+het geheele lichaam en aan alle leden, zoo wel met hun nagels als
+snavels besprongen; en dit, onder een oorverdovend getier dat my vreemd
+was, en zeer van de stem dezer dieren by ons verschilde. Ik zwaaide met
+mijn stok dapper in 't rond, maar de aanranding was zoo algemeen, zoo
+heftig, en zoo onverwacht, dat ik onder hun woede geloofde te moeten
+bezwijken eer ik de helft van hun, buiten gevecht kon stellen; en daar
+ik verre de grootste menigte voor my had, keerde ik my om, om door de
+genen, van wie ik van achter bloedig in den nek en kuiten gebeten wierd,
+heen te slaan, en my dus een te rug tocht te maken.
+
+Ik stroomde, van 't afloopende bloed uit mijn wonden, die zelfs op mijn
+borst door de kleederen heen het vleesch opgescheurd hadden; overal was
+ik van kneuzingen bedekt: ja, geheele vlokken hairs, van mijn baard
+uitgerukt, hingen my hier en daar in de plooien der kleederen. Ik
+schaamde my voor my-zelven, door kalkoenen verjaagd te zijn. Maar my
+docht, hier moest meer achter schuilen; en ik week ter zijde, baadde my,
+en strekte my uit in de groente, waar ik een geruimen tijd toebracht,
+alvorens ik mijn leden volstrekt tot mijn wil kreeg.
+
+De zwelling en pijn was genoegzaam verdwenen, en er bleef my, by de
+lidteekens, die ik altijd behouden zal, (die nog rood waren,) voor 't
+overige een geweldige stramte, wanneer ik besloot om dit oord der
+kalkoenen van rondom waar te nemen, en uit te vorschen, wat van deze
+belachlijke maar gants niet verachtbare krijgsmacht toch zijn mocht.
+
+Ik vond een van rondom rijzenden grond, tusschen heuvelen ingevat, die
+met de zoo even gemelde stakkelbezien zeer dicht omzet waren, en geen
+anderen open toegang verleenden, dan dien waar uit ik te rug was
+gedreven. Ik wilde my eerst door het uitrukken van eenige dier heesters
+een weg maken, maar vond het ondoenlijk door gebrek aan alle
+gereedschap; te meer, daar de stammen en takken met dorens bezet waren,
+en de uitgestrektheid van de diepte waarop zy stonden te groot was, dan
+dat ik het met eenige vrucht ondernemen kon. Ik besloot dan, een niet
+wijdgelegen rotsachtigen berg te beklimmen, of ik van daar in de
+omperking, door de heuvelen ingesloten, eenig inzicht mocht hebben. Met
+veel moeite besteeg ik den ruwen en weinig begroeiden steenberg, en
+bloosde, dat de vrees van door kalkoenen mishandeld te worden, my dien
+arbeid kostte. Dan, ik drong my op, dat het dit gevogelte niet was,
+maar de plicht van voorzichtigheid, die my drong om wel toe te zien, wat
+my uit eene zoo besloten natuurlijke verschansing, maar die wel door
+kunst voltooid kon zijn, en die vooral niet het voorkomen had van aan
+louter kalkoenen toe te behooren, onverhoeds opdagen mocht.
+
+Ik zag van de rots werklijk een hoek der onbeperkte vlakte, en aldaar
+koren, te veld staande, waarin en waaromtrent het van deze vogels
+krioelde. Dit koren geleek op dien afstand naar gerst. Of het daar
+natuurlijk groeide en dit soort van hoenders zich daar, om dit voedsel,
+gezeteld had, dan of het gebouwd, en voor hun gebouwd was, kon ik niet
+onderscheiden, maar het eerste kwam my het waarschijnlijkst voor.
+Blijken van hutten of menschenbewoning zag ik er niet.--Ik oordeelde 't
+voorwerp, niet belangrijk genoeg, immers niet dringend genoeg, om er my
+langer by op te houden en ging voort.--Afklimmende, zag ik op eenigen
+afstand een rook opgaan. Hier dacht ik nu menschen te vinden. Ik was,
+eer ik het wist, aan de plaats; maar het was een rook uit den
+moerassigen grond opgaande, die zwavelachtig stonk, en vrij heet was; en
+ik verwijderde my van dien plek.
+
+Nu zag ik de zon na aan den zichteinder, en vond dus de nacht spoediger
+nu ik tegen de zon ingegaan was, dan ik langs den anderen weg gedaan
+had, waar op zy my achterhaalde, en vooruit ging. Dit was my nu klaar,
+door de kromte der loopbaan die mijn bol beschreef, en waardoor het punt
+dat naar de aarde gekeerd was, zich in het tweede vierde deel van dien
+cirkel naar de zon toewendde, de haar nadere punten afkeerende. Ik zag
+schemering, duisternis, maar dit in een oord, niet naar de aarde
+gekeerd, en waar dus de nacht donker was, haar verlichting ontbeerende.
+Ook de maan was aldaar niet zichtbaar, want zy was zoo verr' niet
+vooruitgeschoten dat zy op dit deel eenig licht had kunnen werpen,
+zijnde haar duister gedeelte derwaart gekeerd, en zij in haar
+parahelischen halven cirkel. De duisternis was dus aaklig. Ik zag nu de
+starren flikkeren en herkende hare beelden; maar alles was niet te min
+vreemd voor my daar de Noordpool my faalde. Ik kon my niet _orienteeren_
+als men zegt, en had geen behulp van werktuigen. Ik verdwaalde met het
+oog in den hemel, die eene andere beweging had dan ik gewoon was, en
+alles werd verward voor mijn geest. Men begrijpt licht, dat ik nooit
+sterk in de oefening van de Astronomie was geweest, noch er my eigenlijk
+meê had opgehouden.
+
+In die volle duisternis te willen voortwandelen om waarnemingen nopens
+het land te doen, zou dwaasheid geweest zijn. Daar was niets by te
+winnen. Ik nam het besluit, naar het daglicht te rug te keeren, maar
+mijn weg zoo veel 't wezen kon, langs den boord der schemering te nemen,
+het geen my door nieuwe velden moest brengen, en waarby ik mijn pad aan
+de linkerhand liet. Intusschen werd ik toen ook een soort van
+vleêrmuizen gewaar, die, het schijnt, aan het ander gedeelte des bols,
+waar de nachten zoo helder zijn van het schijnsel des aardbodems, niet
+gevonden worden, maar hier by de dieper duisternis t' huis zijn.
+
+Ik had dan mijn weg in deze nieuwe richting ingesteld, en volgde die,
+(als ik plach) met verpozingen, waarin ik my nederzette om uit te
+rusten, en somwijlen insluimerde. Sints lang nam ik de voorzorg niet
+meer van een bedtentjen op te rechten, maar wanneer de slaap my beving,
+was de bloote grond mijn leger, meest overal door de natuur-zelve met
+kruiden gespreid; en de bolle wind, die ik altijd gelijkmatig vond woei
+over my heen. Vijanden of bespringers duchtte ik niet, en zelfs, had ik
+niets dat ik vreezen kon te verliezen. Wat mijn voedsel betreft, zelden
+was ik lang zonder aardvruchten weêr te vinden, en ook de onrijpe waren
+eetbaar, en hadden iets van de kastanjes, doch minder hard zijnde.
+Echter droeg ik er altijd eenige by my, in den doek geknoopt, die my
+eenmaal voor wrong om mijn tulband diende, en dien ik nu om mijn middel
+wond. Ik had daar mijn mes by, of het stak in mijn gordel; en mijn stok
+was in mijn hand. Mijne Perzische pantoffelen waren lang doorgesleten,
+maar mijn voeten hadden zich door het gaan, zonder mijn kosten, met eelt
+verzoold. Mijn kruik of fles (want zy had een lange hals en was van
+palmhout gedraaid) hong my aan een koord over de schouder, nu eens op
+de rug wapperende, dan aan mijn linker heup, dan over den arm. Nu en dan
+baadde ik my in de plassen of meeren die ik overal op mijn weg vond, en
+dit gaf my by de vermoeidheid de meeste verkwikking: doch ook dan
+behoefde ik voor mijn kleederen niet beducht te zijn. Overreed van het
+eenig menschelijk schepsel te zijn in een land, dat ook geene
+verslindende of anders gevaarlijke dieren bevattede, was ik voorlang t'
+eenen maal zorgloos geworden, en ofschoon de ontmoeting met de kalkoenen
+een zonderlingen indruk op my gemaakt had, en my ook wel eenige
+achterdocht deed ontstaan, of er niet wellicht menschlijke bewoners in
+den omtrek zijn mochten, ik had nog niet weder gedacht om my te
+bedekken. Thands echter, ik weet niet door welk eene oorzaak, viel het
+my in, en, zonder eenig besef uit wat hoofde, ving ik aan, eenige takken
+af te snijden. Doch het was tot mijn groote schade en leedwezen; want ik
+brak er mijn mes op, en had toen geen ander werktuig meer, hoe genaamd,
+waar ik iets meê kon doorsnijden. Ik begreep nu eerst recht het belang
+van dit zoo eenvoudig gereedschap, wond de stukken in mijn doek, en nam
+voor, naar een bekwamen steen te zoeken, dien ik tot een mes of een bijl
+slijpen mocht: dan, daar het hout dat ik vond, uitermate taai was, en
+zich niet door liet breken, moest ik van het toestellen eener slaapstede
+afzien. Ik deed dus, en sliep ook in zonder my te bekommeren.
+
+Ik ontwaakte door een onaangenaam gevoel van knijping in den arm en in
+'t aangezicht; en terstond zag ik een' mijner vijanden; een zeer
+donkergraauwen kalkoen, die op mijn borst stond en stout op my inpikte.
+Ik bewoog my zoo dra niet, of hy was van mijn lijf: hy keek my boos aan,
+vloog op, scheen zich te bedenken, vloog achterwaarts, en stapte voorts
+met een fieren tred, en nu en dan omziende, van my af naar een kleine
+hoogte, daar niet verr' van afgelegen. Ik begreep nu, aan de andere
+zijde van het kalkoenenrijk te zijn, waar ik kort te voren zoo wel
+onthaald was geworden. Ik stond een poos in beraad wat te doen; had geen
+trek, om my andermaal dat geheele leger op 't lijf te schennen; maar was
+echter brandend om dat verblijf van een anderen kant te beschouwen. Ik
+besloot dan, het beest zachtkens en op eenigen afstand te volgen. Ik
+deed zoo, en zette my by dien heuvel, die my voorkwam uit gevelde
+boomstammen, die deels zelfs in de rondte behouwen waren, brokken steen,
+en aarde te bestaan, en dus eene lang begroeide en oude ruïne aan te
+wijzen, die gewrochten van menschlijke handen te kennen gaf. Alles
+echter lag vast in een, en was door de lucht derwijze vergaan dat er
+niets stelligs uit op was te maken. Ik stiet met mijn stok in dien hoop;
+en na dit etlijke malen, nu hier, dan elders gedaan te hebben, klonk er
+iets, als of men op metaal stiet. Ik wroette zoo wat in die opening, en
+daar kwam een verroest stuk koper voor den dag, het geen, hoe verknaagd
+en misvormd, echter duidlijk de gedaante van het blad van een bijl had.
+Wel bezien bleek het dit inderdaad, en volkomen te zijn. Deze vond was
+van groot gewicht voor my: ik eigende my dit stuk gereedschaps, en
+wroette voort, nu met mijn stok, dan met mijne handen en nagels; maar
+het was zonder eenig verder gevolg, dan dat ik met het afkrabben van
+eenige door- en overwortelde aard, de punt van een kennelijk vierkanten
+schoon genoegzaam verrotten en zich in splinters of vezels verdeelenden
+balk van geringe dikte voor den dag deed komen. Te vergeest wenschte ik
+om een spade of houweel; en alles zat te dicht en te stijf op een gepakt
+om door my verwrikt te worden.
+
+Ik ging het heuveltjen om, en zag daar in de laagte twee of drie kleine
+vogels, die ik niet wist of ik voor by uitstek schrale en kleine
+hoenders moest houden, dan voor iets anders, op iets wits pikken het
+geen uit de aarde of groente scheen uit te steken. Ook dit trok mijn
+nieuwsgierigheid, door de vorige ontdekking ontvlamd geworden. Het was,
+zoo ik dra bemerkte, de knokkel van eens menschen dijbeen, zeer wit van
+de lucht uitgebleekt, half vergaan, en als verkalkt. Het been-zelf lag
+hellend, met de geleding der knie opwaarts gestoken. De schenkel met de
+knieschijf, een overblijfsel van 't kuitbeen, en een stomp van den voet,
+waar de teenen en het meest van den metatarsus aan ontbraken, lag wat
+lager, meest bedekt door kleine heesterplanten daarover gewassen. Ik
+trok de struiken en planten rondom uit, en het geheele geraamte ontdekte
+zich dus, vrij volkomen wat de deelen of leden betrof, doch, even als de
+geleding des dijbeens, krijtachtig wit, en meestal geheel sponsachtig
+geworden; ook op vele plaatsen met een fijn mosch begroeid. Daar ik 't
+omkeeren wilde, brak de ruggegraat in haar wervels af, en de ribben
+stortten in, met het borstbeen en de sleutelbeenen. Doch by dit
+breken rammelde iets, dat wederom metaalachtig klonk. 't Was een
+koperen plaatjen, door de roest zeer afgeknaagt, maar dat kennelijke
+overblijfsels van letters of naar letters gelijkende teekens droeg. Meer
+kon ik hier niet ontdekken; doch van eenige der zwaarste boomstammen die
+ik tot nog gezien had, en die daar by één stonden, was op gelijke hoogte
+niet slechts een goed deel van de schors, maar het hout daar binnen tot
+op een derde der dikte uitgekapt, en ik zag daar ook sporen van letters
+op. Vele dier boomen stonden dood in den grond; anderen lagen
+omgeworpen; eenige droegen een verouderde en zeer schrale kruin. Mijn
+zucht om dit na te sporen groeide. Ik streek met de handen en met den
+gevonden bijl over deze vlakte of uitholling der boomen, om er het mosch
+en de kleine takjens die er zich opgezet hadden, van af te vegen. Doch
+het grootst gedeelte der oppervlakte was week, en tot dieper dan de
+insnijding verrot. Op slechts weinige plaatsen had de ingesneden grond
+zoo veel vastheid, dat zy zich samenhield. Ik zag dus op den eersten
+boom by het lijk Grieksche letters van een zeer oude form, en die my
+woorden schenen op te leveren en ik las:
+
+[Illustratie]
+
+de overige schrappen verdwenen. Op den tweeden boom las ik [Illustratie],
+niets meer. En op de vijf overigen (want het waren er zeven die dus
+uitgekapt waren) was niets overig dat zich herkennen liet. Ik maakte
+hiervan:
+
+ [Grieks: xene (xeine), tis an eiês hos.....]
+
+ _vreemdeling, wie gy zijn moogt, die..._
+
+Dat dit [Grieks: tis an eiês] slecht Grieksch was, bekommerde my niet:
+het behoefde geen taalkundige te zijn die het gesneden had. 't Was
+genoeg, docht my, dat het iemand was, die een vreemdeling, welke daar
+aan mocht komen, iets had willen meêdeelen.
+
+Het geen dit behelsde was weinig, maar ik trok er groote gevolgen uit.
+'t Scheen my nu zeker genoeg, dat ik in dit oord van den bol ten minste,
+en hoogst waarschijnelijk nergens, geene menschen vermoeden mocht.
+Iemand, die, daar gestorven, aan een vreemdeling, wien het geval na
+verloop van eeuwen derwaart moest voeren, een bericht wilde nalaten, en
+ook in dit tijdverloop niet ontdekt en naar de algemeene menschelijkheid
+begraven geworden was, was daar zeker alleen, en hy vond zich op een
+land van geen menschdom bewoond; het zij dan dat dit land geen
+menschenvaderland was, of dat het door een der ontzachlijkste
+omwentelingen ontvolkt geworden mocht zijn, en dees doode zijn
+geslachtgenooten overleefd had. Dat hy daar alleen geleefd had, en zich
+eene woning, een akker, met eene omperking voor gevogelte gebouwd had,
+kwam my voorts zeer waarschijnlijk voor; zoo wel, als dat het graan zich
+daar zelf had voortgeplant, en 't gedierte na zijn dood verwilderd
+geworden was, schoon het, van een tammen aart zijnde, zich by een, en
+aan een plaats waar het zijn voedsel vond en gewoon was, bleef ophouden.
+Het had mogelijk om het bezit van dit erf en het graan dat er groeide,
+alreeds dikwijls met de struissen of eendvogels gevochten, en my in het
+zelfde daglicht beschouwd en als roover en vrijbuiter afgekeerd.----Maar
+wat had alle sporen van menschen zoo geheel kunnen verdelgen, en dien
+eenigen kunnen doen overblijven?----Het was waar, ik had den geheelen
+bol niet doorzocht; maar ten minste een groot gedeelte; vooral, waar
+menschen woonden, daar moesten zich wijd en zijd blijken van hun
+aanwezen opdoen: vooral, daar noch koude, noch overmatige hette, noch
+moeielijkheid van gebergten, ja niets, hunne verwisseling van verblijf
+of hun doorreizen verhinderde.---Alleen mocht ergens in een groot meer,
+eenig eiland besloten zijn, waaruit zy zich niet begeven konden, het zij
+by gebrek van boomen of verstandelijk doorzicht; en van daar kon die
+doode afkomstig en door eenig onnagaanbaar toeval over het water
+gebracht zijn.--Maar die doode schreef Grieksch--wist den bijl te
+hanteeren--gaf door die omsluiting en het geen uit de gevonden ruïne
+besloten kon worden, een bewijs van beschaafdheid, grooter dan by dus
+bepaalde eilanders van een meertjen te stellen was.--Dit verbijsterde
+my.----Honderdmaal drong ik my op, dat het geen ik voor Grieksche
+letters gehouden had, vormlooze en niets beteekenende schrappen waren,
+door de lucht, door gewormte, en wat niet al, in de boomen veroorzaakt.
+
+Nu zette ik my om het koperen plaatjen met alle my mogelijke
+opmerkzaamheid te beschouwen. Dat mijne gedachten te vlug waren om
+hierbij stil te staan, moet hier niemand verwonderen, die den aart van
+zijn geest kent, en weet welke de drift is, waar meê de verbeelding als
+voortbruischt, wanneer zy, eens met een geliefd voorwerp bezig, zich een
+nieuw open ontsloten ziet, waar zy door wil breken. Alsdan wacht zy den
+geleibrief noch de reiskaart des verstandigen overlegs niet af, noch
+het geen haar op den tocht die zy aangaat, het noodigst zal zijn.
+Ongelaarsd, ongeschoeid, vliegt zy voort; maar het is om, by de eerste
+hindernis van den weg, neêr te storten, of op hare treden te rug te
+komen.--Ik onderzocht dan het koperen plaatjen.
+
+Het was, hoe zeer door de roest rondom afgevreten en ongelijkvormig
+geworden, van eene langronde gedaante, en had nagenoeg de groote eener
+handpalm. Daar was een oogjen of gaatjen in, als ware 't, om een snoer
+door te trekken, en ik twijfelde niet, of het was geschikt om het op de
+borst te dragen. Ik hield het dus in het eerst voor een _amuleet_, of,
+gelijk men in 't Oosten zegt, _talisman_. Ik wiesch het zorgvuldig af,
+krabde de verhevenheden van het spaangroen daar af, voor zoo verre ik
+dit met mijn nagels vermocht, en niet schroomde zoo veel van de
+oppervlakte weg te schrappen, dat de letters daar mede verloren gingen.
+'t Was aan beide zijden beschreven, of liever diep ingekrast, hier en
+daar als ingehouwen, elders meer oppervlakkig als ingevijld; en alles
+droeg het voorkomen van blijken zoo van het gebrek aan bekwame
+werktuigen voor dit beschrijven, als van het belang dat men moest
+gesteld hebben in er kennelijke en duurzame lettermerken in te groeven.
+Beide zijden hadden de zelfde soort van letters, en deze letters kwamen
+overeen met die van de opschriften der boomen: beide hadden onder het
+oogjen dat voor het snoer scheen gediend te hebben, de letters
+
+[Illustratie]
+
+en lager, twee en een halve regel, waar van ik aan de eene zijde niets
+maken kon, doch die aan de andere dit opleverden:
+
+[Illustratie]
+
+Het geen ik met uitlating van het onvolkomen woord in de middelste
+regel, dus las:
+
+ [Grieks: Abr, ho kaloumenos Abaris..... houtos egô.]
+
+ _Abr, die genoemd wordt Abaris... deze (ben) ik._
+
+Nu dacht ik dadelijk aan den Hyperborischen Abaris, die voor derdhalf
+duizend jaren (zoo de Chronologie in dit punt juist is) in Griekenland
+gereisd heeft, en wien men den naam gaf, dat hy op een pijl door de
+lucht reisde.--Deze hier! Dit gaf mijn verbeelding een nieuw en een
+vruchtbaar veld om door te draven, en zy was niet traag om het zich ten
+nutte te maken.
+
+Ik zal hier niet ophalen, al wat my al inschoot; al wat ik voor of na,
+'t zij terstond by den inval, het zij na er een poos aan gefatsoeneerd
+te hebben, verwierp; en dat, het een somtijds belachlijker dan het
+ander, my echter in my-zelven een soort van onderhoud verschafte, waarin
+ik my gelukkiger gevoelde dan ik sedert mijne aanlanding in die wareld
+nog gedaan had. Een voorwerp te hebben waarover men denken mag, en dat
+ons belangrijk genoeg is om de aandacht wel vast te houden, is zeer veel
+in de eenzaamheid. Maar mijn lezers zijn niet in het zelfde geval, en ik
+heb hun verveling te ontzien. Ik zal dus alleenlijk dat aanvoeren, wat
+het uitsluitsel van al die bedenkingen en overwegingen wierd. En dit
+bestond in de volgende punten, die ik den geleerden als gissingen
+voorstelle, waarop zy, behaagt het hun, nadenken mogen. Misschien zijn
+zy sommigen onder hen deze moeite waardig.
+
+1^o. Dat de Noordlijke Reiziger Abaris hier aangeland en gestorven was
+en deze opschriften van hem waren.
+
+2^o. Dat die Abaris een naam had, in 't Oosten bekend (het geen by een
+Schyt gants niet vreemd zijn kan), en dat deze naam, by de Grieken door
+hun uitspraak en den uitgang dien zy er, naar hunne gewoonte, aan gaven,
+dus als wy hem plegen te noemen, veranderd, in wezen de zelfde was met
+het Oostersche _Abram_, of wel, met de wortel [Hebreeuws: abr].
+
+3^o. Dat deze Abaris niet slechts by de Grieken den naam had van door de
+lucht te reizen, maar ook de daad. Van waar misschien de naam _Aber_, in
+de beteekenis van _Vlieger_, in de Noordlijke taaltakken nog over in
+_Eber_ en _Adebaar_ (nu in het Hollandsch _Ooievaar_), aan hem gegeven
+en door hem aangenomen is.
+
+4^o. Dat hy, naamlijk, den luchtbol, en wel niet slechts de
+_Montgolfiere_, maar dien met de brandbare of eene andere
+gelijksoortige, en ons mooglijk onbekende lucht, gekend heeft, en zich
+van dien bediende.
+
+5^o. Dat de oorsprong van het fabeltjen van zijn vliegenden pijl, waar
+hy op reed, of, te zoeken is in het zeggen, dat hy _als een pijl_ door
+de lucht vloog; of wel, dat men den naam van _bol_, (_baul_), _bal_, of
+_bel_ (alle talen oorspronklijk gemeen), waarmeê hy zijn voertuig
+benoemde (by de Grieken veellicht tot [Grieks: balos], of [Grieks:
+bolos], of [Grieks: bêlos], gemaakt), met hun Grieksche woord [Grieks:
+belos] verwarde.
+
+6^o. Dat hy op gelijke wijze als ik, op dien planeet aangekomen, by zich
+in zijn vaartuig eenige gereedschappen gehad heeft, die ik miste;
+waarvan de bijl, die een Grieksche of Oostersche gedaante had, en van
+zeer hard koper was[5].
+
+ [5] Dat de Oostersche Schyten koperen bijlen gebruikten, meldt Strabo,
+ XI, 10.
+
+7^o. Dat hy veellicht uit eenig Oostersch landschap, waar de kalkoenen
+inlandsch zijn, ook een paar of meer vogels met zich meêgenomen had, met
+voornemen om die in zijn vaderland voort te telen. En dat hy veellicht
+op gelijke wijze en met het zelfde voornemen de garst en nog andere
+vogels en zaden of granen by zich had, wanneer hy op mijn bol aanlandde:
+alwaar zich de vogels voortplantten, de garst in wezen bleef, en het
+overige met den tijd in den vreemden grond en lucht weêr uitstierf.
+
+8^o. Dat hy door behulp zijner gereedschappen, zich daar eene woning, en
+akker- en vee- of vogelteelt maakte, welke echter zeer gebrekkig waren,
+als alleen kunnende bestaan uit de soorten die hy daar vond, of
+toevallig by zich had.
+
+9^o. Dat hy, zijn voertuig misschien verongelukt zijnde, niet weder te
+rug kon, en zijn leven aldaar heeft moeten eindigen.
+
+10^o. Dat hy de hem mooglijke voorzorgen genomen heeft, om door middel
+van opschriften de gedachtenis of kennis van dit zijn lot te bewaren en
+over te brengen aan den gene, die op gelijke wijze daar aanlanden
+mocht.
+
+11^o. Dat hy zich hiertoe beide van de Grieksche, en van zijne eigen
+taal bediend heeft, en dat deze beide talen toen ter tijd de zelfde
+letters hadden, doch het Schytsch als het Oostersch, waarmeê het nog
+zeer veel gemeen had, in omgekeerde richting van 't Grieksch geschreven
+wierd.
+
+Het is zeker, dat Herodotus en de verdere oude Grieken niet altijd
+liegen, wanneer men het daar voor houdt. Wanneer zy verhalen, dat in het
+Noorden de lucht dikwijls geheel vervuld is met neêrvallende vederen, 't
+geen het reizen aldaar moeilijk maakt, is het zeker, dat zy van de
+sneeuw spreken, waarvan die hun dit meêgedeeld had zich geen denkbeeld
+had kunnen maken dan uit vergelijkende beschrijvingen, die het uiterlijk
+aanzien der vlokken betroffen. Even weinig konnen zy, of die genen, van
+wie zy het overnamen, zich het reizen door de lucht voorstellen; maar
+het naaste denkbeeld was, als een vogel, of als een pijl. Als een vogel
+geschiedde het niet, want er waren geen vleugels by, door wier middel de
+opheffing geschiedde: zie daar al wat men wist. De pijl bleef dus
+overig, en het denkbeeld van een ingedrukte beweging als een afgeschoten
+schicht eigen is. Men plaatste hem dus in verbeelding op zijn pijl,
+waartoe zelfs de naam van zijn voertuig, als gezegd is, iets doen kon.
+Dit inbeeldsel was zoo belachlijk als onmooglijk; maar de bol maakte
+zijn luchtreis, waar van toch getuigen en blijken waren, voor hun
+allen even zeer onmooglijk, en veel beter nog wist de verbeelding
+zich van een pijl dan een bol te bedienen, om van deze vlucht eenig
+schijntafereeltjen te vormen. De ongeloovigheid der menschen, waarin zy
+bewijs van verstand stellen, is veelal niet dan een gevolg hunner
+onkunde. De eenoogigen van Herodotus (Arimaspen) zijn in een volk van
+schutters, dat zich gewend heeft het eene oog te sluiten--; de menschen
+met de oogen in de borst, in de zwaar gekarpoesde Eskimaux of
+Tsuchties--; de meermannen in de half in hun schuitjens genaaide en
+daarmeê in en onder het water omtuimelende ijskustbewoners weêrgevonden.
+Voor weinige jaren nog werd Abaris reizen door de lucht als een bloot
+verdichtsel aangezien. Latere ontdekkingen zullen nog meer verhalen der
+oudheid, waarmeê wy nog thands den spot drijven, bewaarheden. En
+wellicht wordt _de ware geschiedenis_ van Luciaan (hoe zeer ter
+beschimping, uit loutere ongerijmdheden saamgesteld) zoo de wareld
+slechts voortduurt, nog eens vol van zeer wezendlijke en t' eenigen tijd
+algemeen bekende waarheden bevonden, en hy, tegen zijn' dank, een
+[Grieks: alêthographos]. _Il ne faut desesperer de rien_.
+
+Dat Abaris, de Noordsche reiziger, die uit zucht om wetenschap te
+verzamelen verre landen bezocht, Natuurkundige begrippen had, welke de
+Grieken nooit gekend hebben en die by ons nog zoo nieuw zijn, behoeft
+niet te verwonderen. Wat zijn onze kundigheden, dan het geen van sedert
+kort voor onze jaartelling uit de Grieken tot ons overgebracht was? En
+hoe deerlijk was de vervallen, verwoeste, en verwilderde staat van de in
+woedende horden verkeerde volken, afschrik van het zuidelijk deel van
+ons warelddeel, geworden. Een staat, die te minder verwonderen moet, als
+men de geweldige natuurschokken die de grond van dat Noorden blijkt
+ondergaan te hebben, in aanschouw neemt. De Grieken stelden er den
+_ouden Hof van Febus_, [Grieks: Phoibou palaion kêpon] (als Sofokles
+zegt by Strabo VII, 1); roemden de schoonheid der Hyperboréën[6]: en dat
+zy van hun, zelfs godsdienstplechtigheden hadden overgenomen, is
+kennelijk. Doch wat ook de Grieken daarvan hielden, kinderen in verstand
+en in volksouderdom, en die toch bekennen dat zy van Anacharsis (een
+Noordlander) den vuurslag, het anker, en het pottenbakken geleerd hebben
+(Strab. ib. 8.): dat oudtijds in het Noorden een machtig en zeer
+beschaafd volk gebloeid heeft, onmiddelijk uit het Oosten daar heen
+gewandeld, en dat in verstand en kennissen uitmuntende, de leeraar des
+overigen menschdoms geweest is, dit getuigt heel het Oosten, dat aan hen
+zijn beschaving en de mededeeling van de belangrijkste kennissen dankt.
+En dat ook dit volk Natuurkundige en Chemische kennissen had, waar van
+men twijfelen mag of zy de onzen niet in vele opzichten te boven gingen,
+maakt alles waarschijnlijk. Tot in het diepste van Indien, is niet de
+algemeene overlevering onder de Bramannen alleen, maar zijn de
+geheiligde boeken vol van een (om het dus uit te drukken) heilig ontzag
+voor het Noorden. Daarin wordt het Noorden, bestendig voorgesteld en met
+levendige kleuren geschilderd, als de zetel van welvaart en rijkdom.
+Daar stellen zy sedert onnagaanbare eeuwen den wonderbaren berg _Meru_,
+waarin _Kuvero_, de God van den rijkdom, zijn throon heeft gebouwd. De
+rijkheid der mijnen van het (eertijds een geheel ander aanzien hebbende)
+Scandinavie, mag dit laatste denkbeeld verwekt hebben; maar het bewijst,
+dat men, van zoo oud als dien narichten, vertellingen, en haar
+aanteekeningen of overleveringen heugt, aldaar deze mijnen bewerkte en
+sints lang met veel vrucht bewerkt had; en zoodanig een volk kon niet
+missen in Natuurkundigheden en Scheikundige wetenschap alle andere verre
+te boven te gaan; maar het kon ook, daarin gants oorspronkelijk zijnde,
+vorderingen gemaakt hebben, die wy, naar systemaas geleerd, die wy van
+Arabers en Grieken ontleenden (zelve onkundige en uit nabootsing en
+naprating denkende en handelende volken), niet dan na eeuwen op eeuwen,
+en dan nog niet anders dan door een gelukkig toeval, bereiken konden.
+
+ [6] Men zie, by voorbeeld, Kallimachus in zijnen Hymnus aan Delos.
+ Diogenes Laërtius verhaalt, dat Pythagoras om zijne uitstekende
+ welgemaaktheid niet slechts een _Apollo_ genoemd, maar voor den
+ _Apollo van uit het Noorden_ door zijn leerlingen gehouden werd.
+ [Grieks: Kai autou hoi mathêtai doxan eichon peri autou, hôs heiê
+ Apollôn ex Hyperboreôn hyphigmenos.]
+
+Veel ware er nog aan te merken, over de verkeerde wijze, waarop deze
+wetenschap altijd behandeld is geweest, en vooral over de tot in onze
+dagen altijd verwaarloosde beoefening der uitzettende vloeistoffen, door
+het welke al onze ontbindingen altijd onvolkomen gebleven zijn, en het
+allergewichtigst werkmiddel in de hand der natuur en in die van haar
+nabootster, de kunst, nutloos bleef. Men verongelijkt een beter, een
+wijzer, een minder vervallen menschengeslacht, dat ons op zoo groot
+eenen afstand, zoo reusachtig voorging, wanneer men het de onnoozele
+verkeerdheden aanwrijft, die in het nietige, ijdelhoofdige Griekenland
+of Arabie de opkomst der wetenschappen, die er niet geboren waren, of in
+Italie hare overbrenging uit Griekenland of Arabie, zoo vele eeuwen
+later vergezeld hebben. Gewis kenden zy de uitzettende vloeistoffen, die
+wy daadlyk gekend hebben, zoo dra wy op 't rechte pad raakten om de
+Scheikunde recht te beoefenen. En kenden zy die, hoe konden zy niet,
+daar eenige aanwending van maken op de Weegkunde? Hoe kon het missen, of
+een doorzichtig, een recht wijsgeerig brein moest er een middel in zien,
+om zich in de lucht op te heffen, en op het geleide van den wind, van
+oorden en landstreken te verwisselen.
+
+Het is ongetwijfeld ook door de verwantschapping en het verband der
+Schei- en Natuurkundige kennissen met Genees- en Heelkunde, dat de
+Noordlijke volken by de Grieken-zelf in dit laatste vak zoo beroemd
+waren. Plato maakt daar, op meer dan één plaats, gewag van. Hy spreekt
+van Zamolxis Artsen, die den naam hadden de onsterflijkheid te kunnen
+meêdeelen, en wien het bygeloof der vertellers, by 't aanwenden hunner
+bereidingen of artsenyen, bezweeringen toedichtte, waar in Plato-zelf
+onnoozel genoeg was om de heelkracht te stellen; dan die niemand
+zekerlijk thands in aanmerking nemen zal.
+
+Abaris is ook de eenige Schyt of Hyperboreër niet geweest, die de
+Grieksche wareldstreken bezocht. Verscheiden worden er door de
+Historieschrijvers der Grieken, door Dichters en Filozofen, genoemd;
+alle als liefhebbers van wijsheid, en verlichte verstanden. Zoodanige
+reizen toonen beschaafdheid en kunde by 't volk waartoe zy behoorden; en
+dit volk woonde diep in het Noorden, als de hun gegeven naam medebrengt.
+Geen wilde, reist om kundigheden op te doen. Maar de beschaafde geest
+der genen die van uit dit volk tot de Grieken kwamen, bewijst, op wat
+punt van verlichtheid en kunde, zoo wel als rechtschapenheid dit volk
+toen gesteld wierd. Zy boezemden alom door hunne hoedanigheden verbazing
+en achting in, en gingen voor toovenaren, bovenmenschlijke verrichtingen
+machtig.
+
+Niets overzulks is er onwaarschijnlijks in, dat zoo my deze hachlijke
+reis naar een planeetbol, die in onzen dampkring met den zijnen als
+samensmelt, toevalliger wijze heeft kunnen gebeuren, zy ook Abaris den
+luchtreiziger gebeuren kon, wiens naam niet alleen als reiziger, maar
+ook meê als Natuur- en Scheikundige of als Arts der toenmalige tijden
+bekend staat. En natuurlijker wijs berust ons verstand in de opschriften
+die geen ander dan hem schijnen aan te kondigen.
+
+Ik zal voorts mijnen Lezer met geenen geleerden Commentarius over deze
+inscriptien ophouden. Ik wil alleen aanmerken, dat de Alpha daarin
+voorkomende, zichtbaar de oude Fenicische form heeft, die naar het
+getuigenis van Plutarchus den ploegenden os afbeeldde, en nergens zoo
+duidelijk voorkomt: Dat er geen onderscheid tusschen de [rho] en de
+[stigma] is: Dat de [kappa] haar standaart niet heeft, welke dus van een
+later tijd schijnt, maar de omgezette Oostersche [kaf] is, als de
+Roomsche C: en de N de form der [pi] heeft. In een byzonder Hoofdstuk
+hoop ik by de nader ontwikkeling dezer byzonderheden de geschiedenis der
+letterfiguren niet weinig toe te lichten, wanneer ik mijn uitvoeriger
+reisverhaal en beschrijving in 't licht geve.
+
+In de middelste regel van het Grieksche opschrift van 't plaatjen
+verbeeldde ik my ook het woord [Grieks: ODOPOROS] ([Grieks: hodoiporos])
+op te maken, doch de plaats was zeer uitgevreten, en mijne lezing
+onzeker.
+
+Van de tegenzijde wist ik niets uit te brengen. De taal, voor zoo verre
+ik iets gewaar werd, was my onverstaanbaar, en het plaatjen had daar
+ongelijk meer geleden.
+
+Ik heb gezegd, dat ik my onder 't ontcijferen van de opschriften, en in
+het gewoel van de denkbeelden, die dit in my deed opkomen, gelukkiger
+vond, dan ik op mijn planeet nog geweest was. Dit ging zoo verr', dat
+ik, lang genoeg, my met niets anders ophield dan wat hier betrekking toe
+had. Ik stelde my mijnen Schytschen lotgenoot voor in zijne oprichting
+van de ingestorte woning en van zijne huishouding. Ik dacht om hem
+daarin na te volgen, terwijl ik zijn bijl op een steen scherpte, of er
+een boomtak mede afscheidde die ik er tot een steel in vastmaakte. Ik
+dacht, hoe my best van de kalkoenbende meester te maken. Ik bedacht, hoe
+deze weerbare vijanden te beloeren, te verstrikken, by kleine partyen
+aan te vallen en t' onder te brengen. Ik rekende uit, hoe velen er om
+moesten komen, om my heer van de overigen te maken; nam maatregelen om
+dezen op te sluiten, en de jongen die zy voort zouden brengen,
+vervolgens te voederen en daaruit een nieuw tam geslacht te vormen. Nu
+dacht ik my in Abaris plaats, als zijn opvolger, gevestigd, en wilde my
+_Abaris den tweede_ noemen. Zelfs was het my geen gering voorwerp van
+overleg, of ik my _Abaris_ op zijn Grieksch, dan (gelijk mijne
+opschriften als den eigenlijken naam medebrachten) _abra_ of _abir_ zou
+heeten. Indien ik geweten had hoe _de tweede_ in datzelfde Schytsch waar
+ik _abra_ of _abir_ toe bracht, uit te drukken, ik had ongetwijfeld het
+laatste verkozen als ongemeener. Nu helde ik meer tot het eerste, en
+[Grieks: Habaris ho deuteros] klonk my al vrij welluidend in de ooren,
+Maar nu schoot my in, dat de ouden de personen van éénen naam zoo niet
+onderscheidden. Dat dit niet _Abaris de tweede_, in den hedendaagschen
+zin, zijn zoude, maar _de tweede Abaris_, en een vergelijking met Abaris
+als met een model of voorbeeld, te kennen geven, waarmede ik veel minder
+gekuifd was.
+
+Dit alles was goed en wel. Ik had daar, op een planeet waar ik geen
+mededinger had, koning kunnen zijn even als Adam; maar het schortte my,
+waar het Adam aan faalde. En hier was geen hulpmiddel voor. Mijn rijk
+moest als dat van mijn Schytschen voorzaat eindigen, zijne nagedachtenis
+in my verdwijnen, en de mijne verloren gaan. Want hoe kon ik my
+vleien, dat spoedig weder een ander luchtreiziger hier mocht aanlanden,
+en dat er met de aarde eene gemeenschap ontstaan zou. Ja was die
+gemeenschap-zelve wel eens zoo te wenschen voor den wareldkoning wiens
+eenige legermacht in het overschot der kalkoenen bestaan moest, die hy
+om zijn throon te bestijgen, op zeer weinige na, uit moest roeien. Deze
+denkbeelden kwamen niet op, of zy kregen vat by my.----En echter, altijd
+alleen en ellendig, hier om te komen als Abaris, de oogen misschien
+uitgepikt door mijn hoenders! mijn beenders voor 't minst door hen
+uitgepikt als zy dor wierden!----En geheel geene nagedachtenis van
+my!----Ja, wist men op den aardbol, daar is hy, daar leeft hy, daar
+woont hy, daar geneert hy zich als een klein onafhanklijk prinsjen, 't
+waar wel. Maar daar was ter wareld geen uitzicht op.
+
+Ik gevoelde nu eerst in volle kracht, dat alleen voor zich-zelven te
+bestaan, geen bestaan is; dat men niet leeft, dan wanneer men in anderen
+leeft, en dezen in ons; en nu werd ik in een groote mate naargeestig.
+Alle lust verging my om waarnemingen te doen. Ik zag den hemel niet meer
+aan; ik bereisde mijn planeet niet meer. Ik raakte al meer en meer in
+mijmeringen verzonken, die hoe langer hoe onduidlijker waren, en van
+langzamerhand in een stompe gevoelloosheid overgingen, die niet
+afgebroken werd dan door slaap, of door 't zoeken van aardvruchten,
+wanneer de behoefte van voedsel my daartoe aanprikkelde.
+
+Dus had ik verscheiden malen den aardbol vol en nieuw, en in zijn
+kwartierstanden gezien, en derhalve (naar de tijdrekening, op hem
+gebruiklijk) etlijke maanden doorgebracht; wanneer ik, zonder oogmerk of
+doel omwandelende, op den plek gronds kwam waar ik 't eerst aangeland
+was, en mijn bol en vaartuig weêrom vond. Dit gezicht wekte my hevige
+aandoeningen op, en ik raakte aan het schreien. De zucht om op het
+gemeene vaderland aller menschen, de aarde, weder te keeren, verhief
+zich in my. Ik zag daar geene mooglijkheid op. Echter onderzocht ik mijn
+bol en bootjen. De eerste was ledig, gelijk men begrijpen kan, maar had
+slechts een geringen scheur van niet meer dan twee vingers lengte, in
+een van de naden. Het schuitjen was gaaf, behalven dat de onderkielbalk
+er af gestoten was, het geen tot de zaak weinig deed. En, daar ik al het
+ijzervijlsel en al de vitrioolgeest die ik van mijn Perzianen gevorderd,
+maar niet half gebruikt had, in verscheiden tonnetjens, en glazene met
+hout overtogen bussen, by my in het schuitjen genomen had, had ik dezen
+deels in, en gedeeltelijk in de rondte om dat bootjen op den grond
+wedergevonden, en ook weder by een gepakt.----Wat (dacht ik nu) zoo ik
+de breuk van mijn bol herstelde, en op nieuw opging? Eens tot eene
+genoegzame nabyheid der aarde genaderd, zou deze my wederom tot zich
+trekken; en, men moet iets wagen in een' staat als de mijne is.
+
+Het denkbeeld echter van zoodanig eenen overgang was zoo weinig klaar by
+my, als dat van mijn vorigen overgang naar _Selenion_. Tusschen de twee
+aantrekkingen opgaande, begreep ik in het punt des evenwichts (daar
+naamlijk waar de nabyheden der bollen hunne aantrekkingen gelijk
+maakten) te moeten blijven staan, en zoo had ik zeker moeten doen by
+mijn opgang van de aarde. Doch ik had toen mijn bol veel te licht
+gemaakt, en dit had my een geweldige vaart naar de hoogte gegeven, en
+deze vaart moest geduurd hebben tot over en door dat evenwicht van de
+twee tegenstrijdige aantrekkingen heen: als wanneer de aantrekking des
+naasten schoon kleineren bols over moest wegen. Mijn schuitjen, als
+zwaarder, onderging die aantrekking sterkst, de bol minder, maar hy had
+veellicht alreeds een gedeelte van zijn lichter lucht verloren; en het
+was op deze wijze dat ik was overgeraakt. Een duidelijker denkbeeld wist
+ik er my niet van voor te stellen; maar zoo duister en onvolkomen dit
+denkbeeld was, ik vergenoegde my daar meê. Ik meen opgemerkt te hebben,
+dat de Selenische lucht voor mijn denkvermogen niet gunstig was, en ik
+was in mijn naargeestigheid en verstrooiing voor geene Logische netheid
+meer vatbaar. Ik was, zonder zelfs my veel te bekommeren of ik de zaak
+wel dan kwalijk begreep, tot het waagstuk gereed, zoo ik 't vullen van
+den bol op nieuw in het werk kon stellen. Wat ongeluk toch, zoo ik
+omkwam? Zoo te leven, was in der daad geen leven, dat eenig genoegen
+meer had of hebben kon. En beter, door een halsbrekenden val uit de
+hoogte verpletterd, dan door de ontzetlijke langzame dood eener krankte,
+of, by eenig toeval van verlamming, door den neep des hongers verteerd!
+
+Ik ontrafelde dan een lap van mijn kleed, en zocht kleine dorentjens om
+voor naalden te dienen. Het was een werk van geduld, en dat my ten
+hoogste onhandig afging, den geopenden naad van mijn bol weder te
+heelen. Het gelukte. De stof was zeer vochtig, en de bol werd in de
+hoogte in zon en wind te droogen gehangen. Nu zocht ik naar eenige
+klevende taaie stof. Ik vond niets dan een soort van smerige of
+vetachtige lijm van een moeras. Met dezen bestreek ik, tot meerder
+zekerheid, zoo dezen vernieuwden als de overige naden. Ik begreep, dat
+het gelukken mijner reis van de snelheid der vaart in het opgaan moest
+afhangen. Dit deed my zoo veel ik maar kon, van de zwaarte van mijn
+schuitjen verminderen. Het had den kielbalk onder den bodem verloren: de
+ribben naamlijk zaten slechts in een dunnen balk, welke met dezen
+versterkt was. Ik brak nu het tafeltjen met de twee zitplaatsen af, nam
+den vlakken bodem uit, waar onder ik by mijn eerste opgaan, de ballast
+had willen vastleggen. Van den voor- en achtersteven kapte ik weg wat ik
+kon, en stelde daarvoor slechts een soort van horde, uit lichte takken
+bestaande, in de plaats.
+
+Nu begon ik te overleggen of het my raadzamer ware, mijne oprijzing te
+doen op een plaats waar ik de aarde in het zenith had dan waar niet. Dit
+problema hield my langer op dan het verdiende. Ik wilde de aantrekking
+des aardbols: de kortste lijn tot den aardbol was derhalve my
+dienlijkst. Maar het scheen my aan den anderen kant, dat eene
+aantrekking, die eenigzins zijdelings werkte, mijne omwending beter en
+geregelder uitwerken moest. Ik bleef dus voor de oplossing staan, en
+besloot eindelijk om daar op te gaan, waar ik was, en daartoe zonder
+verder uitstel het tijdstip van morgen te nemen. Dus namelijk, had ik my
+aangewend de tijd van ontwaking te heeten, na dat ik geslapen zou
+hebben. En zoodanige tijden van _morgen_ vielen er naar mijn gissing
+tusschen de dertig en veertig in den natuurlijken dag van mijn planeet.
+Zy waren zich ongelijk, daar zy bloot door mijne behoefte van rust
+geregeld wierden, die van velerlei oorzaken afhing.
+
+Ik stak drie gevorkte takken door den ring, die boven aan den bol was,
+en waardoor hy nu ter vulling boven mijn schuitjen verheven wierd. By
+gebrek van touwen, sneed ik van mijn kleed stroken om door dien ring te
+halen en hem dus te overspannen, en ik maakte deze stroken met pinnen in
+de aarde vast. Ik bond voorts eenige dergelijke maar kortere stroken aan
+de koorden waarmeê mijn bootjen aan het overnet van den bol vast was, om
+als ik over eind stond, my voor het uitvallen te hoeden. Ik had te voren
+trechters van verschillende grootte in gereedheid gehad, om de
+invloeiing des damps die zich ontwikkelde door de buis te besturen; een
+van die was in 't schuitjen gebleven en diende my weêr. Ik voorzag wel
+dat de bol door mijn pinnen niet genoegzaam vastgehouden zou worden om
+niet op te gaan eer hy rond uitgespannen zou zijn, maar ik begreep hem
+in 't opgaan-zelf nog te kunnen blijven vullen, om daardoor een meerder
+drift aan de vaart der oprijzing te geven. Eindelijk ik beval my den
+Hemel, sloot mijne oogen voor alle gevaar, maakte mijn dozen of bussen
+open, verlengde de zuren en begon de dampvorming en vulling.--Weldra
+ging ik op; ik hield aan te vullen, tot het gezicht my verging. Toen
+wierp ik mijn uitgediende metaalschorien uit. Ik gaf nu wederom bloed
+op, had geweldige pijn in de borst en ingewanden, en het was my of
+ribben en buik my openberstten. Ik had geenerlei voedsel noch
+versterking meê, werd geheel buiten besef; en, hoe lang dit duurde, dit
+gevoelt ieder dat my onmooglijk was na te gaan.
+
+Toen ik my wedergevoelde was het met een verward maar ontzettend besef
+van klaterend of klapperend geluid en een pijnlijke gewaarwording van
+kwetsing die my aan mijn kalkoenbeten herinnerde. Ik bloedde werklijk en
+het scheen of my dit de bedwelming waar ik in was verlichtte. Maar daar
+zweefde ook iets geweldigs om my heen, dat my daar ik oprijzen wilde
+om verr' sloeg, en zonder dat ik 't zoo dra herkende, na eenige
+allergezwindste in 't ronddraaiingen, woedende aanviel. Het was erger
+dan een kalkoen: 't was een arend, en dit overtuigde my eensklaps dat ik
+in den dampkring der aarde zweefde. Ik had Abaris bijl by my, en dien
+lang gesteeld; ik hieuw mijnen vijand een wond in de hals, en hy
+verdween. Ik waagde 't nu uit en naar beneden te schouwen, maar geen
+grond was voor my te zien. Ik had een wonde in de borst door mijn kleed
+heen ontfangen, en zoo vleesch als huid waren my weggescheurd, en de
+wond hol en diep. Eenige schrappen van minder belang deden my 't
+aangezicht bloeden; en de linker arm was my doof en als lam. Ik verbond
+mijn borstwonde met een lap van mijn kleed, na haar met verlengde
+vitrioolgeest die by my stond gebaad te hebben, doch de pijn die zy my
+deed was hevig, en tot stuiptrekking toe. Ik zag wederom uit, maar het
+zij dat ik nog werklijk te hoog was, om met mijn verzwakt gezicht den
+bodem waarboven ik zweefde te kunnen bereiken, het zij de bedwelming van
+geest my verblindde, ik herkende geen grond onder my, zelfs geen wolken,
+en scheen steeds op gelijke hoogte te blijven. Te vergeefs zag ik weder
+en weder uit. Eindelijk werd ik radeloos van een angst, die steeds
+aangroeide, en my docht, dat ik uit- en inwendig verstijfde. In
+vertwijfeling en zonder te weten wat ik deed greep ik den bijl en sloeg
+eene opening in den bol waar hy wijdst was. Nu zonk ik welhaast, maar de
+beweging naar benedenwaart versnelde verbazend en ik stelde een
+verpletterend nederkomen onvermijdelijk. Ik gaf 't op, lei my plat neder
+op den rug, en neep mijne oogleden toe. Behoud viel niet meer in den
+kring van mijn denkbeelden.
+
+Het was echter bestemd, dat ik nog bij het leven bewaard moest blijven.
+Ik was, als by de uitkomst gebleken is, boven den grooten oceaan. Een
+Russisch schip dat zich op 12° breedte bevond, zag mijn voertuig op
+kleinen afstand van zich, met geweldige snelheid in zee storten, doch na
+eenigen tijd boven komen, omgekeerd, en ledig, mij-zelven eenige vademen
+verr' daar van daan. De boot was juist uitgezet, en men redde my, schoon
+ik in dat oogenblik en nog een geruimen poos lang voor dood werd
+gehouden. De omstandigheden die hier by plaats hadden en de gevolgen van
+deze behoudenis beware ik voor mijn reeds meermaal gemeld uitvoeriger
+Reisverhaal. Zy behooren niet tot dit verhaal.--Ik wilde hier alleen de
+door my gedane ontdekking der ondermanen beschrijven; waarvan ik de
+verdere nasporing aan de Starrekundigen onzes tijds aanbevele. Ik laat
+daarby aan de Natuurkundigen over, de noodige proeven en waarnemingen in
+het werk te stellen, hoe het mogelijk zijn of gemaakt worden mag, de
+snelheid der vaart van den luchtbol zoodanigerwijs te regelen en te
+bestieren, dat men veilig van de overwegende werkingskreits der
+aantrekkingskracht van den aardbol in die van eene der ondermanen
+gerake; en daar den koers naar toezette, en aan- en weêr van te rug
+kome, waar ik zoo onwillig aanlandde en op een zoo hachlijke wijze
+van wederkeerde. De eerste reis te water, en daarby toevallige
+kustontdekking, was by eenen veel onwetender staat van het menschdom
+toch niet verloren; en ik verbeeld my niet, dat deze luchtreis en
+planeetaandoening het zou moeten zijn. Ten minste heb ik haar, voor zoo
+veel het van my afhing, niet onnut willen maken, en dit is al wat ik
+vermag. Om haar te herhalen, gevoel ik my in mijn tegenwoordigen
+toestand en na al het geen ik daarop geleden heb, even weinig de lust
+als de krachten. Maar ik steun op den moed, op de inspanningskracht des
+verstands van mijn tijdgenooten; en dit doet my, van nu aan, de
+hemelbollen niet slechts als bereikbaar, maar als reeds met onze aarde
+vereenigd beschouwen.
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | Voor deze tekst is gebruik gemaakt van scans van Google en de |
+ | Koninklijke Bibliotheek. |
+ | |
+ | Inconsistenties in spelling en ander taalgebruik (inclusief het |
+ | gebruik van 'ij' en 'y' en twijfelachtige zinsconstructies) zijn |
+ | ongewijzigd overgenomen uit het originele werk, behalve zoals |
+ | hieronder aangegeven: |
+ | overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend verbeterd; |
+ | 'schildvereffening' is veranderd in 'schuldvereffening'; |
+ | 'beschoude' is veranderd in 'beschouwde' zoals elders in de |
+ | tekst. |
+ | |
+ | In de Griekse teksten wordt in het originele werk gebruik gemaakt|
+ | van ligaturen en andere speciale weergavetekens; deze zijn als |
+ | normale Griekse letters getranscribreerd. |
+ | |
+ | Het citaat van Horatius is niet als zodanig terug te vinden; het |
+ | originele citaat luidt 'Et dominum fallunt' in plaats van 'Quæ |
+ | dominum latent'. |
+ | |
+ | '... en gingen voor toovenaren ...': mogelijk ontbreekt het woord|
+ | 'door'. |
+ | |
+ | De genoemde wetenschappers zijn Jean-André de Luc, 1727-1817 |
+ | ('de Luc' in het boek) en Jean-François Pilâtre de Rozier, 1754- |
+ | 1785 ('Pilastre de Rosier' in het boek). |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Kort verhaal van eene aanmerkelijke
+luchtreis en nieuwe planeetontdekking, by Willem Bilderdijk
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KORT VERHAAL VAN EENE ***
+
+***** This file should be named 37522-8.txt or 37522-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/7/5/2/37522/
+
+Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online
+Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.