summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/37500-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '37500-8.txt')
-rw-r--r--37500-8.txt21688
1 files changed, 21688 insertions, 0 deletions
diff --git a/37500-8.txt b/37500-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..fc69080
--- /dev/null
+++ b/37500-8.txt
@@ -0,0 +1,21688 @@
+The Project Gutenberg EBook of Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Het Auteursrecht
+ in het Nederlandsche en internationale recht
+
+Author: Henri Louis de Beaufort
+
+Release Date: September 21, 2011 [EBook #37500]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT ***
+
+
+
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net (This file was produced from images
+generously made available by The Internet Archive)
+
+
+
+
+
+
+
+
+ HET AUTEURSRECHT
+ in het Nederlandsche en internationale recht
+
+ Proefschrift
+
+ Ter verkrijging van den graad van Doctor in de
+ Rechtswetenschap aan de Rijks-Universiteit te
+ Utrecht na machtiging van den Rector Magnificus
+ Dr. H. Zwaardemaker hoogleeraar in de Faculteit
+ der Geneeskunde volgens besluit van den Senaat
+ der Universiteit tegen de bedenkingen van de
+ Faculteit der Rechtsgeleerdheid te verdedigen
+ op vrijdag 17 december 1909 des namiddags te
+ 4 uur door
+
+ HENRI LOUIS DE BEAUFORT
+
+ Geboren te Leusden
+
+
+
+ P. den Boer Senatus Veteranorum Typographus
+ et Librorum Editor Utrecht 1909
+
+
+
+
+
+
+
+ Aan mijne Ouders
+
+
+
+
+
+
+
+Niet gaarne zou ik de gelegenheid laten voorbijgaan, die mij hier
+is gegeven, om openlijk mijn dank te brengen aan U, Hooggeachte
+Professor de Louter, voor de groote bereidwilligheid waarmede U,
+tijd noch moeite ontziende, mij bij het schrijven van dit proefschrift
+terzijde hebt gestaan en bovenal voor de vriendelijke belangstelling,
+die U mij daarbij steeds hebt willen betoonen.
+
+Ook aan de overige Hoogleeraren, onder wier leiding ik het voorrecht
+heb gehad aan deze Universiteit te studeeren, betuig ik mijne
+erkentelijkheid voor de welwillendheid en belangstelling, die ik
+van hen mocht ondervinden. In het bijzonder denk ik hierbij ook aan
+de verplichtingen, die ik als oud-lid van het Collegium Themis heb
+tegenover Prof. Hamaker en Prof. Molengraaff, de eere-voorzitters
+van dit gezelschap in de jaren, dat ik aan de werkzaamheden deelnam.
+
+Ten slotte wil ik, nu ik op het punt sta de Academie te verlaten,
+het Utrechtsch Studenten-Corps gedenken, waarmede alle herinneringen
+uit mijn studententijd onafscheidelijk verbonden zullen blijven. Het
+is mijn oprechte wensch, dat het blijve bloeien, zoolang Utrecht en
+zijne Academie bestaat.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ P.
+
+BRONNEN EN LITERATUUR XIII
+
+HOOFDSTUK I
+
+HISTORISCHE INLEIDING
+
+ § 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het
+ einde der achttiende eeuw 1
+ § 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der
+ achttiende eeuw tot dezen tijd 39
+ § 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal
+ auteursrecht 52
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER
+
+ § 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën 70
+ § 2 Recht of doelmatigheid? 78
+ § 3 Economische theorieën 95
+ § 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed 108
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+DE OBJECTEN
+
+ § 1 Algemeen overzicht en groepeering 126
+ § 2 Geschriften
+ a Kenmerkende eigenschappen 137
+ b Vorm en inhoud 143
+ c Practische toepassingen van het voorgaande 169
+ I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen
+ om object van auteursrecht te zijn 170
+ II Het recht van den vertaler 176
+ III Het uitsluitend vertalingsrecht 180
+ IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend
+ bewerkingsrecht 186
+ § 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten 195
+ § 4 Werken der toonkunst 202
+ § 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes 211
+ § 6 Werken van beeldende kunst 219
+ § 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst 228
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+OMVANG EN DUUR
+
+ § 1 Omvang 234
+ I Het door den druk gemeen maken van geschriften en
+ muziekwerken 236
+ II Het maken van afschriften 238
+ III Vervaardiging en verspreiding van mechanische
+ muziek-instrumenten en phonografen 240
+ IV Reproductie door den kinematograaf 244
+ V Op- en uitvoering 246
+ VI Voordracht 251
+ VII Reproductie van werken van beeldende kunst 252
+ § 2 Duur 254
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN 261
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND STAANDE RECHTEN 275
+
+ I Recht op brieven 278
+ II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op
+ auteursrecht 281
+ III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden
+ staat wordt publiek gemaakt 288
+ IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam 291
+ V Recht van den afgebeelden persoon 299
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT
+
+ § 1 Algemeene opmerkingen 305
+ § 2 De Berner Conventie 319
+ a Algemeene regelen betreffende het internationale
+ auteursrecht in het Verbond
+ I Doel en strekking van het Verbond 321
+ II De werken waarop de Conventie van toepassing is 322
+ III Aard en omvang der bescherming 343
+ IV Duur der bescherming 366
+ b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen
+ I Het uitsluitend vertalingsrecht 370
+ II Dagbladen en tijdschriften 383
+ III Bloemlezingen 395
+ IV Op- en uitvoeringsrecht 398
+ V Bewerkingsrecht 403
+ VI Mechanische muziek-instrumenten 406
+ VII Kinematograaf 413
+ c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht
+ I Legitimatie voor den rechter 417
+ II Beslag op nadruk 420
+ d Uitvoerings- en overgangsbepalingen
+ I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding
+ of uitstalling van geschriften en kunstwerken 423
+ II Overgangsbepalingen 424
+ III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband
+ met de Conventie 434
+ IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond 436
+ V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën 436
+ VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging 439
+
+
+BIJLAGEN
+
+I Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van
+ het auteursrecht 443
+II Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht
+ op werken van beeldende kunst 452
+III A Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la
+ création d'une Union internationale pour la protection
+ des oeuvres littéraires et artistiques 459
+ Article additionnel 464
+ Protocole de clôture 465
+ B Acte additionnel du 4 Mai 1896 467
+ Déclaration du 4 Mai 1896 469
+ C Convention de Berne revisée pour la protection des oeuvres
+ littéraires et artistiques du 13 Novembre 1908 471
+IV Association littéraire et artistique internationale Projet
+ de Loi-Type 481
+
+
+STELLINGEN 487
+
+
+
+
+
+
+
+BRONNEN EN LITERATUUR
+
+
+Een enkel woord over de bronnen en de literatuur, waarvan voor dit
+proefschrift gebruik is gemaakt, moge hier voorafgaan.
+
+Voorzoover mijn onderzoek direct gericht was op het bestaande recht
+van nu en van vroeger tijd, heb ik zooveel mogelijk de officieele en
+oorspronkelijke bescheiden, die daarover licht konden verschaffen,
+geraadpleegd.
+
+Bij de bestudeering van de privilegies tegen nadruk in ons land van
+de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw bestond mijn voornaamste
+bron in de Resolutiën van de Staten van Holland en de Resolutiën van de
+Staten-Generaal, beide (de eerste gedrukt, de laatste in handschrift)
+berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage. Ik achtte het echter
+niet noodig alle jaargangen uit het ruim tweehonderdjarig tijdperk
+te doorzoeken; hier en daar deed ik een greep, daarbij zorg dragende,
+dat nergens eene periode van eenigen omvang geheel ondoorzocht bleef.
+
+Voorts heb ik voor dit gedeelte van mijn onderzoek veel gehad aan het
+Archief voor kerkelijke en wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van
+Utrecht, uitgegeven door J. J. Dodt van Flensburg; van de "Resolutiën
+der Generale Staten uit de XVIIde eeuw meer onmiddellijk betreffende
+de geschiedenis der beschaving", die in de deelen IV, V, VI en VII van
+dit werk zijn opgenomen, bleken er een groot aantal op mijn onderwerp
+betrekking te hebben.
+
+Van verscheidene privilegiën heb ik ook kennis kunnen nemen, doordat
+zij in het geprivilegieerde boek zelf stonden afgedrukt.
+
+Van de schrijvers over de boekdrukkers-privilegiën dient te worden
+genoemd Bodel Nyenhuis (De wetgeving op drukpers en boekhandel in de
+Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw). Na dit boek, waarvan de
+eerste (Latijnsche) uitgave in 1819 verscheen, schijnt een zelfstandig
+onderzoek van eenigen omvang door niemand meer te zijn ingesteld;
+zoo alleen is te verklaren, dat enkele onjuistheden uit het genoemde
+werk bij alle latere schrijvers worden teruggevonden.
+
+Voor de kennis van het Nederlandsche recht ná 1796 behoefde uit
+den aard der zaak een opsporingswerk van eenige beteekenis niet te
+worden verricht. Het werd, voorzoover noodig, nog vergemakkelijkt
+door eene verzameling van wetten, tractaten, rechtspraak enz.,
+uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des
+Boekhandels. (Het letterkundig eigendomsregt in Nederland. Wetten,
+tractaten, regtspraak, benevens de wetgeving op de drukpers in
+Nederland en Nederlandsch-Indië, 's-Gravenhage 1865; id. Tweede
+Gedeelte, 's Gravenhage 1867).
+
+Bij de bestudeering van de Berner Conventie heb ik in de eerste en
+voornaamste plaats gebruik gemaakt van de officieele handelingen
+der Conferenties.
+
+Daar de belangrijkste arbeid op deze Conferenties werd verricht in
+de gesloten vergaderingen der Commissie, aan wie de verwerking der
+verschillende voorstellen en tegen-voorstellen was opgedragen, zijn
+het niet het minst de verslagen dier Commissie aan de Conferentie,
+die aan de handelingen hunne waarde verleenen.
+
+Vooral de Commissie-verslagen van de twee laatste Conferenties (van
+Parijs 1896 en Berlijn 1908) zijn om hunne volledigheid en helderheid
+zeer waardevolle documenten, waarvoor den bekwamen rapporteur,
+Prof. Louis Renault, terecht algemeen lof is gebracht.
+
+Van de geraadpleegde literatuur over de Conventie noem ik in de
+eerste plaats het standaard-werk van Prof. Ernst Röthlisberger,
+Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von Werken der Literatur und
+Kunst und die Zusatzabkommen. (Bern 1906). Deze voortreffelijke en
+zeer volledige commentaar is echter reeds eenigermate verouderd,
+daar hij geschreven is vóór de herziening van Berlijn.
+
+Daarnaast heb ik alleen geschriften van kleineren omvang over de
+Conventie tot mijne beschikking gehad, grootendeels artikelen in het
+maandblad Le Droit d'Auteur, officieel orgaan van het Internationale
+Verbond. Behalve deze studies over de Conventie bevatten de twee en
+twintig jaargangen, die reeds van dit voortreffelijk geredigeerde
+tijdschrift zijn verschenen, een schat van gegevens over wetgeving
+en jurisprudentie op het auteursrecht van bijna alle landen der wereld.
+
+Wat de literatuur over het auteursrecht in het algemeen betreft,
+nog het volgende:
+
+De lijst van geraadpleegde werken, die ik hieronder laat volgen, is
+wat de vaderlandsche literatuur betreft, vrijwel volledig. In elk
+geval meen ik te kunnen zeggen, dat geen belangrijk geschrift van
+eenigen omvang erop ontbreekt. Niet opgenomen zijn de dagbladartikelen
+en korte stukken in tijdschriften, alsmede die werken, waarin het
+auteursrecht slechts terloops wordt besproken.
+
+Van de buitenlandsche literatuur met haar reusachtigen en nog steeds
+toenemenden omvang, heb ik slechts een klein gedeelte tot mijne
+beschikking gehad. Ik hoop echter dat mijne keus, waarin ik natuurlijk
+niet volkomen vrij was, niet al te ongelukkig is uitgevallen.
+
+Ten aanzien van één schrijver ben ik op dit punt niet ongerust:
+ik bedoel Kohler, wiens werken ongetwijfeld tot het belangrijkste
+behooren van hetgeen over het auteursrecht is geschreven. Uit de
+volgende bladzijden zal men herhaaldelijk kunnen zien, hoeveel ik
+aan dezen schrijver verschuldigd ben.
+
+
+
+Men vindt hier eerst de Nederlandsche, daarna de buitenlandsche werken,
+alphabetisch gerangschikt naar de namen der auteurs.
+
+
+J. Aikes van Kregten, Het contract tusschen schrijver en uitgever,
+Proefschr. Groningen 1889.
+
+Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq.
+
+J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel in de
+Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw. (Vertaling van: De juribus
+typographorum et bibliopolarum in regno Belgico, Lugd. Bat. 1819). Met
+de latere bijvoegsels en verbeteringen van den schrijver.
+
+J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht verdedigd, Leiden 1885.
+
+Mr. Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van schrijvers
+en kunstenaars op hunne werken, voornamelijk uit het oogpunt van het
+internationale regt, Utrecht 1853.
+
+Mr. J. Heemskerk Azn., Voordragten over den eigendom van
+voortbrengselen van den geest, Haarlem 1856.
+
+Prof. Mr. H. van der Hoeven, Een verongelukt artikel, Tijdschrift
+voor Strafrecht V pp. 99 sqq.
+
+J. van de Kasteele, Het auteursrecht in Nederland, Proefschr. Leiden
+1885.
+
+Mr. S. Katz, Het auteursrecht, Rechtsgeleerd Magazijn I pp. 311 sqq.
+
+J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie, Rotterdam 1905.
+
+-- Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra serie I no. 10.
+
+Mr. J. A. Levy, Nederland en de Berner Conventie, Het Paleis van
+Justitie, 9 Aug. 1898 pp. 1 en 2.
+
+Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, Over de regten van den uitvinder,
+Themis 1862 pp. 213 sqq.
+
+-- Boekbeoordeeling (De Kon. Akademie van Wetenschappen en de
+zoogenaamde letterkundige en kunsteigendom. Eene kritiek door
+mr. T. van Hettinga Tromp), Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid
+en Wetgeving deel XIV (1864) pp. 140 sqq.
+
+-- Grond en omvang van het regt van schrijver en uitvinder, Bijdragen
+tot de kennis van het Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in
+Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 1 sqq.
+
+J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner Conventie, Venloo 1905.
+
+Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het auteursrecht volgens de
+Nederlandsche wet, Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akademie van
+Wetensch. Afd. Letterkunde 3de reeks, 12de deel pp. 5 sqq.
+
+Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Nederland en de Berner Conventie,
+de Gids 1896 III pp. 385 sqq.
+
+-- Nederland en de (herziene) Berner Conventie, Onze Eeuw 1909 I
+pp. 102 sqq.
+
+N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht, Proefschr. Utrecht
+1875.
+
+Herman Robbers, Aansluiting bij de Berner Conventie, Pro en Contra
+serie I no. 10.
+
+-- De Berner Conventie, te Berlijn herzien, de Gids 1908 IV pp. 541
+sqq.
+
+J. G. Robbers Jr., Het auteursrecht. Opmerkingen en beschouwingen,
+Proefschr. Amsterdam 1896.
+
+Mr. Paul Scholten, Recht op brieven, Weekblad voor Privaatrecht,
+Notarisambt en Registratie 22 Sept. 1906 no. 1917.
+
+Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het
+auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq.
+
+A. G. N. Swart, Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van
+beeldende kunst, Proefschr. Leiden 1891.
+
+Mr. J. D. Veegens, Het auteursrecht volgens de Nederlandsche wetgeving,
+1895.
+
+-- Nederland en de Berner Conventie, de Gids, 1896 III pp. 411 sqq.
+
+-- id. met Bijlagen; Supplement op: Het auteursrecht volgens de
+Nederl. wetgeving, 2de druk Groningen 1898.
+
+Mr. B. van den Velden, Over het kopyregt in Nederland, 's Gravenhage
+1835.
+
+Mr. J. Freseman Viëtor, Eene bijdrage tot het leerstuk van
+den intellectueelen eigendom, Bijdragen tot de kennis van het
+Staats-Provinciaal en Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie
+II) pp. 1-49, 113-166.
+
+-- Het auteursrecht, Kantteekeningen op het ontwerp van wet tot
+regeling van het auteursrecht, Utrecht 1877.
+
+-- Praeadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging, Handelingen
+der Nederl. Juristen Vereeniging 1877 I pp. 34 sqq.
+
+Henry Viotta, Het auteursrecht van den componist, Proefschr. 1877.
+
+Mr. B. M. de Vos, Het auteursrecht in actie, Rechtsgeleerd Magazijn
+1908 pp. 28 sqq. en 414 sqq.
+
+
+
+Dr. Karl Adler, Zur juristischen Konstruktion des Urheberrechtes,
+Archiv für Bürgerliches Recht X pp. 104 sqq.
+
+Dr. O. Bähr, Hat der Eigenthümer einen Anspruch auf Schutz gegen
+Vervielfältigung eines ihm gehörigen Schrift- oder Kunstwerks? Archiv
+für Bürgerliches Recht VIII pp. 150 sqq.
+
+Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du Travail 5me
+ed. Paris 1848 pp. 220 sqq.
+
+Bluntschli, Das sogenannte Schrifteigenthum, Das Autorrecht, Kritische
+Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und Rechtswissenschaft I
+pp. 1 sqq.
+
+Jules Charreyron, De la propriété littéraire et artistique, Thèse
+pour le doctorat Paris 1904.
+
+Dr. P. Daude, Lehrbuch des Deutschen litterarischen, künstlerischen
+und gewerblichen Urheberrechts, Stuttgart 1888.
+
+Louis Delzons, La propriété artistique et littéraire à la Conférence
+de Berlin, Revue des deux mondes Octobre 1908 pp. 667 sqq.
+
+Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la propriété
+littéraire et artistique, ibid. Dec. 1908 pp. 895 sqq.
+
+J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Ein
+Räsonnement und eine Parabel, Sämmtliche Werke 8 pp. 223 sqq.
+
+C. F. von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und
+Verlegers, Jahrbücher für die Dogmatik III pp. 359 sqq.
+
+O. Gierke, Deutsches Privatrecht (Systematisches Handbuch der Deutschen
+Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding 2de afd. IIIde deel), Leipzig
+1895 pp. 702 sqq. 756 sqq.
+
+Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts §§ 43, 68, 69.
+
+Prof. Dr. Paul Hinschius, Ueber die Schutzberechtigung von Pantomimen
+und Ballets gegen unbefugte öffentliche Aufführung, Jahrbücher für
+die Dogmatik XXVI pp. 185 sqq.
+
+Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck, nach den Beschlüssen
+des deutschen Bundes dargestellt, Beilageheft zum Archiv für die
+civilistische Praxis, Band XXXV (1852).
+
+Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, I Theil, II Hauptst.,
+3 Abschn.
+
+Dr. Joseph Kohler, Das Autorrecht, eine zivilistische Abhandlung,
+zugleich ein Beitrag zur Lehre vom Eigenthum, vom Miteigenthum,
+vom Rechtsgeschäft und vom Individualrecht, Jahrbücher für die
+Dogmatik XVIII.
+
+-- Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz,
+Eine juridisch-ästhetische Studie, Mannheim 1892.
+
+-- Urheberrecht an Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906-1907.
+
+-- Kunstwerkrecht, Stuttgart 1908.
+
+-- Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für die civilistische
+Praxis 82 pp. 192 sqq.
+
+-- Das Recht an Fahrtenbüchern, ibid. 85 pp. 98 sqq.
+
+-- Autorrechtliche Studien, ibid. 85 pp. 399 sqq.
+
+-- Die Immaterialgüter im internationalen Recht, Zeitschrift für
+internationales Privat- und Strafrecht VI (1896) pp. 236 sqq. en
+338 sqq.
+
+-- Das Individualrecht als Namenrecht, Archiv für Bürgerliches Recht
+V pp. 77 sqq.
+
+-- Das Recht an Briefen, ibid. VII pp. 94 sqq.
+
+-- Zur Konstruktion des Urheberrechts, ibid. X pp. 241 sqq.
+
+Paul Laboulaye, Étude sur le droit de propriété littéraire en
+Allemagne, Paris 1855.
+
+Macaulay, Copyright, A speech delivered in The House of Commons on
+the 5th of February 1841.
+
+-- id. on the 6th of April 1841, Speeches by Macaulay in two volumes,
+vol. 1 pp. 273 sqq. (Tauchnitz edition vol. CCLXXXIV).
+
+Mandry, Der Entwurf eines gemeinsamen deutschen Nachdruckgesetzes,
+Kritische Vierteljahrschrift für Gesetzgebung und Rechtswissenschaft
+VII pp. 1-55, 242-274, 565-609.
+
+-- Der civilrechtliche Inhalt der Reichsgesetze, Archiv für die
+civilistische Praxis 60 (neue Folge 10) pp. 228 sqq.
+
+F. de Martens, Traité de droit international, traduit du Russe par
+Alfred Léo, Paris 1886 II pp. 195-234.
+
+Aloïs d'Orelli, La Conférence internationale pour la protection des
+droits d'auteur, réunie à Berne du 8 au 19 Septembre 1884, Revue de
+droit international et de législation comparée 1884 pp. 533 sqq.
+
+-- La deuxième conférence internationale pour la protection des
+oeuvres littéraires et artistiques, ibid. 1886 pp. 35 sqq.
+
+Hermann Ortloff, Das Autorrecht als strafrechtlich zu schützendes
+Recht, Jahrbücher für die Dogmatik V pp. 263 sqq.
+
+Eugène Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété
+littéraire et artistique et du droit de représentation, Paris 1879.
+
+P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires, Examen d'un projet de loi
+ayant pour but de créer, au profit des auteurs, inventeurs et artistes
+un monopole perpétuel, Paris 1868, Oeuvres Complètes tome XVI.
+
+Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur, improprement
+désigné sous le titre de propriété littéraire, Genève 1869.
+
+Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum Schutze von
+Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen, geschichtlich
+und rechtlich beleuchtet und kommentiert, Bern 1906.
+
+Dr. A. Schäffle, Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer
+Rücksicht auf litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster-
+und Markenschuz, Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft Band
+23 (1867) pp. 143-219; 291-477.
+
+-- Ueber die volkswirtschaftliche Natur der Güter der Darstellung
+und der Mittheilung, ibid. Band 29 (1873) pp. 1-70.
+
+Dr. Schmid, Ueber dingliche Gewerberechte, Archiv für die civilistische
+Praxis Band 4 pp. 1 sqq.; 174 sqq.
+
+Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in Oesterreich,
+Deutschland und andern europäischen Staaten mit Einschluss der
+allgemeinen Urheberrechtslehren historisch und dogmatisch dargestellt,
+München 1891.
+
+
+
+
+
+
+
+AFKORTINGEN
+
+
+Actes 1884 Actes de la Conférence internationale pour la protection des
+droits d'auteur réunie à Berne du 8 au 19 septembre 1884, Berne 1884.
+
+Actes 1885 Actes de la 2me Conférence internationale pour la protection
+des oeuvres littéraires et artistiques réunie à Berne du 7 au 18
+Septembre 1885, Berne 1885.
+
+Actes 1886 Actes de la 3me Conférence internationale pour la protection
+des oeuvres littéraires et artistiques réunie à Berne du 6 au 9
+septembre 1886, Berne 1886.
+
+Actes 1896 Actes de la Conférence réunie à Paris du 15 avril au 4
+mai 1896, Berne Bureau international de l'Union 1897.
+
+Actes 1908 Actes de la Conférence réunie à Berlin du 14 octobre au
+14 novembre 1908, Berne Bureau de l'Union internationale littéraire
+et artistique 1909.
+
+D. A. Le Droit d'Auteur, organe officiel du Bureau de l'Union
+internationale pour la protection des oeuvres littéraires et
+artistiques.
+
+Ontw. B. K. Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht
+op werken van beeldende kunst.
+
+W. A. R. Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van
+het auteursrecht.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I
+
+HISTORISCHE INLEIDING
+
+
+§ 1 De bescherming tegen den nadruk in ons land tot aan het einde
+der achttiende eeuw
+
+Den voortbrengers van intellectueele producten (werken van kunst en
+letterkunde) komt, op grond van hun auteurschap, het vrije genot van
+de door hen geschapen geesteswerken toe en daarmede het recht, over de
+exploitatie dezer werken uitsluitend te beschikken. Dit is de thans
+vrijwel algemeen erkende grondregel, waarvan bij de regeling van het
+auteursrecht dient te worden uitgegaan en die in dit proefschrift
+nog herhaaldelijk van verschillende kanten zal worden toegelicht
+en uitgewerkt.
+
+Dat dit niet van oudsher zoo is ingezien, vindt zijne oorzaak niet
+in de auteursproducten zelf--het is algemeen bekend, dat reeds in de
+oudheid literatuur en beeldende kunst bij sommige volken tijdperken
+van grooten bloei hebben gehad--maar in de wijzen, waarop die producten
+geëxploiteerd kunnen worden.
+
+De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, was
+de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór van het
+toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van intellectueele
+producten nooit sprake is geweest. Men heeft zich hierover wel
+verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveelvoudiging van
+boeken reeds op groote schaal plaats had.
+
+In het oude Rome b.v. waren reeds "bibliopolae" gevestigd, die
+honderden slaven als overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat
+het aantal afschriften, dat van eenzelfde boek--soms in zeer korten
+tijd--verspreid kon worden, zeker niet geringer was dan dat van
+de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort na de uitvinding der
+boekdrukkunst in denzelfden tijd kon afleveren [1].
+
+Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar boeken
+door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in verscheidene
+steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, waren huizen
+gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in het groot
+werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke Broeders
+des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan zelfs den
+naam "Broeders van de penne" te danken hadden [2].
+
+De exploitatie van letterkundige producten was dus ook vóór de
+toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het
+zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is,
+een uitsluitend recht op kopie te scheppen.
+
+In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk
+van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen
+niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien
+zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen
+die een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf
+staande personen, die in het overschrijven een middel van bestaan
+vonden, zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste
+reden moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging
+door overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal
+exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooals dat
+bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals
+bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van
+nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden
+gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van hetzelfde
+boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben
+in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer
+vond, kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander
+ter hand worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik
+gemaakt om afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste
+uitgever hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad
+van concurrentie.
+
+De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem
+uitgegeven boek veel zwaarder getroffen.
+
+Het in druk uitgeven van een geschrift is--en was vooral te dien tijde,
+toen de drukkunst nog in haar opkomst was--altijd min of meer een
+waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast aantal
+exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies zal
+worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór alles om te doen
+is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke oplage kan worden
+gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed zullen hem weinig
+baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te drukken. De
+nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede winst zou
+zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager te stellen
+dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste koopers naar
+zich toe.
+
+Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden,
+zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie,
+waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen,
+aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit
+kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand
+liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte
+te doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek octrooi
+of privilegie krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met
+uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen.
+
+De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der
+achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk
+gebleven. Het recht--al was het dan een uitzonderingsrecht--der
+privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap met het
+auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen met het
+kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk der privilegiën
+en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode in de
+ontwikkelingsgeschiedenis van het auteursrecht. Om die reden moge er
+hier, voorzoover ons land betreft, eene bespreking van volgen.
+
+
+
+Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend
+in het jaar 1516 door Karel V voor Die Cronycke van Hollandt,
+Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare 1517
+[3]. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de gelegenheid
+hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om zich op
+deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk werden
+de privilegiën hier verleend door den Vorst over deze landen: door
+Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd heb ik
+er slechts enkele kunnen ontdekken [4], doch het schijnt toen al
+niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat zij werden
+verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19 Mei 1570
+komt de bepaling voor (art. 13): "dat geen Printer eenig boek zal
+mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft, binnen
+drie maanden na den dag van expiratie van 't privilegie."
+
+Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden
+de Staten de privilegiën zelf.
+
+Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die
+tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond
+tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die
+van Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel
+mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de Provinciale Staten
+als door de Generaliteit werden privilegiën verleend; de eersten
+waren natuurlijk slechts in ééne provincie van kracht, de laatsten
+golden, voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden
+waren bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de
+privilegiën der Staten-Generaal werd niet steeds in alle provinciën
+erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632 aan de weduwe
+van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden verleend voor
+de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten uitlokte van
+verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden, "... als niet
+konnende verstaen dat de Staten Generael macht hadden om Octroy te
+geven aen d'eene, ende verbot te doen aen d'andere..." enz. [5]. Door
+de Steden van Holland werd tegen dit octrooi aangevoerd, "dat sulcks
+niet konde prejudiceren aen de Provinciën of Leden van dien, of om
+korter te spreken, dat haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy
+te gheven." [6] Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het gegeven
+octrooi "geconfirmeert," maar dit belette niet, dat de bijbel door
+verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd nagedrukt [7].
+
+Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal
+verleende privilegiën in de verschillende provinciën attache aan
+te vragen; in sommige privilegiën vindt men zelfs de verplichting
+hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal voorgeschreven [8]
+en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd geen octrooi van de
+Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest zonder attache
+[9]. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo is gebleven, is mij
+onbekend; in elk geval staat vast, dat de Staten-Generaal doorgingen
+met het verleenen van privilegiën voor de geheele Republiek, zooals
+uit het onderstaande herhaaldelijk zal blijken.
+
+Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het
+inzenden van een request, waarin titel en schrijver van het werk
+werden vermeld, soms met eene korte aanduiding van den inhoud. Een
+placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari 1686 [10] bepaalde,
+dat in een dergelijk request de naam van het boek moest worden vermeld;
+werd voor meerdere boeken tegelijk octrooi aangevraagd, dan kon met
+één request worden volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden
+auteur waren en zij voor den druk gereed waren; anders moesten er
+evenveel requesten worden ingestuurd als er auteurs waren.
+
+Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel
+vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal stond in het
+octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen deele alles
+mede werd "geapprobeerd" wat in het boek te lezen stond. Bleek later,
+dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke zaken inhield, dan kon
+het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals o. a. in 1677 met
+de Historie der Reformatie van Brandt geschiedde en in 1762 met den
+Emile van Rousseau.
+
+In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet altijd
+zóó als de requestrant het had verzocht; soms werd het b.v. verleend
+voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd slechts het recht
+gegeven voor het drukken van het boek in ééne taal, hoewel het verzocht
+was voor alle talen [11].
+
+Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd [12]; de
+reden hiervoor is niet altijd na te gaan. Soms was het, omdat voor
+hetzelfde werk of een van soortgelijken aard reeds octrooi aan een
+ander was verleend. In de vergadering der Staten van Holland van
+13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor afbeeldingen van
+verschillende verlichtingen en versieringen in den Haag afgewezen,
+omdat het gevraagde octrooi was "sonder eenige bepaalinge, maar
+in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het vervolg veele
+andere Ingezeetenen van deese Provincie souden konnen werden toegebragt
+nadeel en prejuditie... etc." [13].
+
+Dat voor Hugo de Groots Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheyt
+in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd zoowel bij de
+Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te verkrijgen,
+schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de vijandige
+gezindheid der Staten-leden jegens den auteur [14].
+
+Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen;
+zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de
+Groots De vrye seevaert, etc.: "Is goetgevonden, alvoeren hierop
+te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen
+D. Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem gevalt"
+[15]. Een andere maal werd het octrooi voorwaardelijk toegestaan
+b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor eene vertaling van de werken
+van Will. Perkinsy: "... indien den predicant Mensevoet hiertoe vorens
+egeen privilegie en is geaccordeert" [16].
+
+Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen,
+doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd
+werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim
+hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van
+het octrooi [17]. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in eene
+resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de Geldersche
+Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek van de
+provinciale academie te Harderwijk moest worden afgestaan [18].
+
+De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van
+allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken,
+gedichten, reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken,
+"schrijfkonstboucken", officieele stukken, zooals placcaten,
+resolutiën, ordonnantiën, enz. enz.; oorspronkelijkheid of nieuwheid
+was geen vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers,
+o. a. de klassieke Romeinen werden dikwijls privilegiën verleend,
+evenzoo voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de
+Staten-Generaal in 1654 een privilegie voor de Correcture van de
+Druck-fouten, by in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel
+ingesloopen [19].
+
+Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende
+uitgaven het licht zagen [20], werden--althans tot aan de uitgave der
+Staten-vertaling in 1637--herhaaldelijk privilegiën verleend, door de
+Staten van Holland zelfs in één jaar aan twee verschillende personen
+[21].
+
+Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de
+privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en
+uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook
+wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie
+grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun
+manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam
+won de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de
+eerste plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak
+heeft, en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen,
+op zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde
+boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen
+der privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten
+weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn
+(zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren
+dood is.
+
+Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie
+der Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij
+o. a. werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de
+autores classici geen octrooien meer zouden worden verleend, behalve
+voor de annotatiën, commentaren enz., die er op nieuw bij zouden zijn
+gemaakt. [22] Uit analoge bepalingen in andere landen blijkt, dat men
+elders reeds veel vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen
+[23].
+
+Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn
+verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant
+Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was,
+gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der
+Statenvertaling (1637) [24]. Na dien tijd was voor wie den bijbel
+wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de
+Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel
+vastgestelden tekst der vertaling hielden [25].
+
+Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel geen
+privilegiën meer verleend werden, niet, dat de privilegie-verleeners
+tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den grond der
+bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van 1715 in dit
+opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de Staten van
+Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de auctores classici in
+twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat jaar een tweetal requesten in,
+waarin octrooi werd gevraagd voor werken van Cicero, Cato en andere
+Latijnsche schrijvers; op deze requesten werd niet afwijzend beschikt,
+doch zij werden in handen gesteld eener afzonderlijke commissie,
+"om de selve te examineeren, en daar beneevens te overweegen, of
+de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen of behooren te werden
+geëlucedeert of geamplieert... etc." [26]. Wat de kerkboeken betreft
+schijnen de Staten zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben
+gehouden, althans in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen--op
+request van de "Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente
+te Amsterdam"--dat geen privilegiën meer zouden worden verleend voor
+de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in gebruik [27].
+
+Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de
+bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook
+werken van beeldende kunst.
+
+De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin
+achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam
+een centrum van den wereld-muziekhandel was [28].
+
+Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo
+voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor
+privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied- en
+psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met begeleiding
+voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten van Holland
+een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder meer
+behoorden "tagtig a honderd Italiaansche Ariën met Instrumenten" en
+twee geheele Italiaansche opera's [29]. Ook voor muziek- en leerboeken
+werden privilegiën verleend. [30]
+
+Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgeversbedrijf
+vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden hier uitgaven
+ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals de atlassen van
+de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of liever "nasnijden"
+meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, dikwijls kostbare
+uitgaven, privilegiën werden verleend.
+
+Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van
+27 Jan. 1618: "Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam,
+geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des
+suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van
+caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken,
+te copieren ofte divulgeren,..." etc. [31]. Dit is het eenige octrooi
+dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich ook uitstrekt
+op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook het namaken
+op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in waarheid
+de meest volledige bescherming, die zich--ook onder de modernste
+auteursrecht-wetgeving--denken laat.
+
+Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van
+overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften,
+noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn
+de voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor
+ook meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert,
+Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland
+in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde "Capitale Letteren" [32]
+en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan Davidt Roelandts van
+Antwerpen "francoyschen schoolmeyster binnen Vlissingen" een octrooi
+verleend voor: "'t magasyn oft packhuys der loffelycker penneconst,
+vol subtile ende lustige trecken, percken, beelden ende fiegueren
+van menschen, van beesten, vogelen ende visschen, ende noch meer dan
+hondert onderscheyden geschriften, verciert met diversche capitalen
+oraculen ende gulden sententiën..." etc. [33].
+
+De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend werden,
+waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als naar
+schilderijen gemaakte.
+
+Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn
+schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den
+portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor "...het contrefeytsel,
+by hem gemaeckt van syn Exctie, hetwelk hy van meeninge is te doen
+nasnyden in een copere plate... etc." [34]. In dit geval is dus het
+schilderij als object der bescherming te beschouwen.
+
+Een andere maal werd het privilegie direct aan den "plaetsnyder"
+verleend. Een voorbeeld hiervan is het octrooi van 21 Jan. 1610 aan
+Jac. Matham verleend voor "het contrefeytsel van den Hooch geb. grave
+Hendrik van Nassauw, by Mr. Michiel van Mierevelt naer het leven
+gedaen ende by den suppleant in coper gesneden" [35].
+
+Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het verbod
+van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te zeggen;
+het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen van
+deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, maar
+in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste.
+
+Soms werd--wat met de beginselen van het auteursrecht niet te rijmen
+zou zijn--aan één persoon de uitsluitende bevoegdheid verleend, een
+bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen en te verspreiden, zooals
+in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar Florisz. verleende octrooi,
+om "voor 4 jaren alleen te mogen drucken de intogt vanden leger van
+de heren staten generael der vereen. Nederlanden in Vlaenderen" en
+in een denzelfden dag aan Herm. Rem verleend "voor 4 jaren alleen
+in 't coper te mogen snyden ende uytgeven de victorie, die Godt
+den lande gelieft heeft te verlenen thegen des vijants galleyen
+voor het Gat vander Sluys." [36] Een privilegie van dezen aard
+werd blijkbaar ook verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn,
+die van de afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te
+Munster voor het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen,
+portretten in den handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de
+Staten-Generaal wordt o. a. aangevoerd, dat hij "...sijn voornemen
+bijnae ten eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo:
+de perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz. Heeren Plempen in een
+boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder mij
+te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo:
+souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren... enz." [37].
+
+Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een
+octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld:
+"Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met interdictie
+dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet privative dat
+anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende vuytgeven"
+[38].
+
+Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar
+tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij
+resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar
+Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om "alleene te mogen
+maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem daerentusschen
+te inventeren en te boutseren" [39] en in 1619 werd aan Willem van
+Byler, ysersnyder, octrooi verleend om "... voor den tyt van drye
+jaeren naestcommende, alleene in dese vereenichde provinciën te mogen
+maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere
+Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode nationael..." [40].
+
+Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen namaak
+beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen e. soc. in het jaar 1603
+octrooi voor 6 jaren verleend om "... alleene etc. te mogen backen ende
+vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken ofte vloertichelen
+van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op dezelve manieren
+te maecken seecker gepatroneerde papieren ... etc." [41]. Dergelijke
+octrooien werden ook gegeven voor beschilderd porcelein, geborduurde
+zijden en fluweelen stoffen, kunstvoorwerpen van zilver, goud en
+marmer enz.; het is dikwijls moeilijk uit te maken, of het recht, dat
+door deze privilegiën wordt toegekend het meeste overeenkomt met de
+rechten op uitvindingen en modellen (den zoogenaamden "industrieelen
+eigendom") dan wel met auteursrecht.
+
+De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen
+auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de privilegiën-periode
+onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat soms in eenzelfde privilegie
+eene uitvinding wordt beschermd tegelijk met het geschrift, waarin
+die uitvinding wordt uiteengezet. Als voorbeeld hiervan kan dienen
+de resolutie der Staten-Generaal van 4 Nov. 1615, waarbij octrooi
+wordt verleend aan Willem Swart "... omme voor den tyt van 8 jaeren
+naestcommende alleene etc. te moegen doen drucken ende vuytgeven
+een nyeuwe conste, daerby alle menschen, hoewel in musycque ende
+snarenspel gansch ongeleert ende onervaren, alderhande musicale stucken
+sullen kunnen spelen op violoncen ende violen de gambe, daertoe
+hy tot volcommen leeringe ende instructie heeft gemaeckt zeecker
+bouck... enz." [42]. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten
+Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding,
+waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds
+te zien "hoe hooch den polus boven den horizont verheven is". In het
+request wordt gevraagd "... octroy, omme alleene met seclusie van
+alle andere de voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen
+ende leeren, hetsy met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal,
+als met eenige gedruckte exemplaren... etc." [43].
+
+
+
+Het recht der privilegiehouders kwam vrijwel overeen met dat
+bestanddeel van het auteursrecht, dat men thans kopierecht noemt:
+n.l. het uitsluitend recht om een werk door den druk gemeen te
+maken. Het was verboden, het geprivilegieerde boek na te drukken,
+hetzij in zijn geheel, hetzij gedeeltelijk, of elders gedrukte
+exemplaren in te voeren, te verkoopen of op andere wijze te
+verspreiden.
+
+Soms omvatte het recht van den privilegiehouder ook de uitsluitende
+bevoegdheid, vertalingen van het boek uit te geven, doch het kwam
+ook voor, dat de bescherming uitdrukkelijk tot eene taal beperkt
+werd, zooals b.v. in het octrooi door de Staten van Holland in 1734
+verleend aan de boekverkoopers Scheurleer en de Hondt voor l'Histoire
+du President J. E. du Thou. Zij hadden aangevraagd het uitsluitend
+recht om dit boek te mogen drukken "in soodaanige Formaaten en Taalen
+als sy dienstig souden oordeelen", doch in het verleende octrooi stond
+de clausule: "... des dat het selve Octroi alleen sal worden bepaalt
+tot het drukken, uitgeeven en verkoopen van het voorschreeve Werk in
+de Fransche Taale..." etc. [44].
+
+Merkwaardig in dit opzicht zijn de drie privilegiën, die werden
+verleend voor "de sententie, gepronuncieert aan de geëxecuteerde
+in den persoon van Mr. Johan van Oldenbarnevelt". Deze sententie
+werd in het Latijn, in het Nederlandsch en in het Fransch gedrukt;
+voor elk dezer talen verleenden de Staten-Generaal een afzonderlijk
+privilegie aan drie verschillende personen [45].
+
+Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en
+werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien
+niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur
+de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon
+men zich er rekenschap van te geven, dat over de exploitatie door
+middel van op- of uitvoering evengoed als over de exploitatie door
+middel van den druk de auteur alleen moet te beschikken hebben.
+
+Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van
+het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond
+bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst
+is de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als
+tusschen boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren
+dikwijls ook zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende
+opvoering van een stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te
+laten, dat het stuk in druk uitkwam en er streng op toe te zien,
+dat de enkele afschriften, die voor de spelers moesten dienen, niet
+in handen kwamen van derden. Op deze wijze werd reeds van de vroegste
+tijden af in verschillende landen gehandeld en het was daarbij dikwijls
+mogelijk om aan de schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks
+het ontbreken van opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen [46].
+
+Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der
+achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen
+een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.
+
+In de "Kamers van rhetorica", die van de 15de eeuw af in grooten
+getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier
+stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen
+zij van het stadsbestuur eene belooning [47].
+
+In het Amsterdamsche Dichtgenootschap "Nil volentibus arduum" werd
+omstreeks het jaar 1680 een voorstel, om voor het afstaan van stukken
+ter opvoering iets in rekening te brengen, verworpen [48]. Ook de
+stemmen, die zich in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene
+geldelijke belooning voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden
+geen resultaat [49].
+
+Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken
+ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638
+ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door
+tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd,
+van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide
+instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er
+werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs
+en actrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering der
+stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich met
+enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid
+tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede:
+
+"Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den tijd van een
+jaar en zes weken, schoon 't, doorgaands, langer toegelaaten wordt,
+vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, wanneer zijn Spel
+vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits het een voorspel
+van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel krijgt de Poëet
+niet meer dan drie Loodjes" [50].
+
+Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens
+spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de
+toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien
+tijde reeds aan de Regenten werd verweten [51]. Daar kwam nog bij,
+dat de auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan
+door middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar:
+"De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere,
+de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt
+daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen,
+met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan" [52]. Wat
+er dus op deze wijze nog aan het stuk was te verdienen, ontging den
+auteur ook.
+
+Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, behoeft
+nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen betaling
+toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het openbaar
+muziek ten gehoore werd gebracht, waren de kerk (orgelbespelingen)
+en herbergen, danszalen enz. Ook in den schouwburg werd, vooral in
+de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, doch alleen als aanvulling of
+begeleiding van hetgeen op het tooneel vertoond werd [53].
+
+
+
+Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was
+ook het recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De
+termijnen, waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer
+verschillend. Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door
+de Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3,
+4, 5, 6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten--althans
+in het begin--hierin niet minder afwisseling [54]; van de latere
+privilegiën (in 't bijzonder die uit de 18de eeuw), die mij onder de
+oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 jaar.
+
+Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer almanach boexken,
+werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een zeker
+aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker "syn
+leven lanck geduyrende". Na diens overlijden werd dan, dikwijls aan de
+weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard verleend [55].
+
+Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht
+Hendricksz., drukker van de Staten, voor "alle de gemeene Landts
+Edicten, Mandamenten, opene Brieven... etc.", werd eveneens verleend
+zonder bepaalden termijn, maar: "tot kennelijck wederseggen van de
+Staten" [56].
+
+De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen
+gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk
+vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete,
+waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd.
+
+Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht;
+ik vond er b.v. van: "25 Goude Realen"; "20 Caroli guldens van elck
+Boeck"; "50 kronen 't elcken reyse te verbeuren"; "vijf en twintigh
+ponden van veertigh grooten"; "drie guldens voor elck Exemplaar";
+enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland
+werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde
+resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan
+3000 gld. zou bedragen.
+
+Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën
+en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het
+auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak
+alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of
+letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën,
+die niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot
+bescherming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten
+dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker
+of uitgever, verleend.
+
+Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie
+aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in
+het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens
+uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan personen,
+die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de Staten
+van Holland in 1587 "den Eersamen ende wel geoeffenden Adriaen
+Anthonisz." om te mogen drukken en uitgeven "seecker Boecksken,
+by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop des Jaers,
+&c. met een Nieuwen altijdt geduyrenden Calendrier, noch een Boeksken
+... etc." zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt "nochte elders
+gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen
+Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte
+te koop gestelt.. etc." Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver voor
+eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.
+
+Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe
+van den schrijver; in 1585 kreeg "Alijt Meynaerts, arme desolate
+weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens" octrooi
+voor de "kaerten, Instrumenten ende Practijcquen" die haar man had
+achtergelaten [57]. Doch er zijn ook gevallen, waar volstrekt geen
+reden is te vinden, waarom het privilegie nu juist aan dien bepaalden
+persoon en niet aan een ander wordt verleend. Aan Johannes Lydius
+b.v. werd in 1611 door de Staten-Generaal toegestaan "omme alleene
+by Loys Elsevier te mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai
+Clemangii, die voor twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven
+zyn" [58]. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift of,
+zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt
+exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig
+werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand,
+die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor
+Johannis Drusii annotationes in Genesin etc. Onder het besluit,
+waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de Resolutiën der
+Staten-Generaal: "Is voorts geaccordeert te schrijven aan Abelium
+Curiandrum, schoonsoone van wylen den wytberoemden hoochgeleerden
+Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. boeckvercooper tot Aernhem, zyns
+swaegers, in handen stelle het origineel vant voors. bouck om dat te
+drucken" [59].
+
+Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd
+verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit
+geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar Bekker. In
+de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te
+Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend "Beright"
+eigenhandig door den auteur onderteekend:
+
+"Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o by
+Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / op den naam
+van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende daar in gemeld word
+/ dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur:
+hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek niet en kent / ende
+hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft;
+maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders
+dan aan Daniel van den Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan
+geen exemplaren voor de sijne / dan die op dese wijse van hem self
+onderschreven zijn."
+
+Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde personen
+werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te dragen. Ik
+vond althans verschillende malen van een dergelijke overdracht
+melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Nederlandsche
+boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenovergestelde
+meening heb aangetroffen, n.l. dat de privilegiën onvatbaar waren
+voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eenigszins
+langer bij stil te staan.
+
+In Hugo de Groots Annales et Historiae de Rebus Belgicis, in 1658
+in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, vindt men vóórin drie
+verschillende privilegiën: een van de Staten van Holland, een van den
+Duitschen Keizer Ferdinand III en een van de Staten-Generaal. De twee
+laatstgenoemden waren oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius,
+den zoon van Hugo de Groot, die blijkens de volgende verklaring,
+die onder deze privilegiën staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw
+had overgedragen: "Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. Foeder. supra
+praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum utatur,
+fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae Comitis,
+die 25 Septembris, Anno MDCLVII" [60].
+
+Een ander voorbeeld vond ik in het boekje "Het Godtsaligh overlijden
+van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince van Orange,
+Grave van Nassau etc.", waarin een privilegie van de Staten van Holland
+voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver van het boek,
+Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: "Johannes Goethals heeft
+dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan Adriaen Wijngaerden,
+Boeckverkoper tot Leyden."
+
+In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610 [61] wordt
+voorgelezen eene "acte van verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor
+notaris ende getuigen" waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer
+verklaart, dat haar man "... in syn leven ende sekere jaren voor
+syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden ende gecedeert
+heeft gehadt aen Cornelis Claesz., in syn leven bouckvercoper
+tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende andere
+gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen,
+daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken,
+als die voorn. haer man saliger in syn leven in 't licht gebracht ende
+uitgegeven laten heeft, etc." Na den dood van den voornoemden Cornelis
+Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde,
+Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide
+overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de
+resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor
+"alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer," zonder het oude
+octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden,
+indien de Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl
+aan den anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig
+schijnt, indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.
+
+Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den
+boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: "... te
+kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke
+somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken
+en uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert Mercure
+Historique & Politique... etc." [62]. Voorts in een privilegie van
+21 Juli 1702 voor het boek "Manier van Procederen enz." van Paulus
+Merula ten name van Adriaan Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger
+aan een ander uitgever privilegie was verleend, "wiens Regt hy
+Suppliant in de maand April deses Jaars 1702 met den eygendom der
+Copie, ende Privilegie aan sig gekogt hadde;" en in de Resolutie van
+de Staten van Holland, waarbij het octrooi op den Emile van Rousseau
+wordt ingetrokken: "... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme,
+met het zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel
+Rey... etc." Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van
+de Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier
+voor de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: "... Alsoo Ons
+vertoont is by David Mortier, Burger en Boekverkooper binnen Amsterdam,
+dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van Susanne Pelt, weduwe van
+Hendrik Schelte, hadde gekogt, alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende
+Privilegie van seecker Boek, genaemt Les Oeuvres de Nicolas Boileau
+Despréaux, avec des Eclaircissemens Historiques donnez par lui-même,
+blyckende by de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant van
+voornemens was, het selve te herdrucken... etc." Mortier verzocht
+daarom een nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer
+geldig zou zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef,
+terwijl hij de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek
+werd ingewilligd [63].
+
+Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede
+niet bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte
+zaak. In een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632
+wordt de vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding;
+m. i. kan deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën
+toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: "Dunkt (onder
+correctie) dat alsoo 't voorsz. Octroy is verleent niet ten
+aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat
+daarom het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die
+deselve inventie in 't werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is
+getransporteerd..." etc. [64].
+
+In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een bepaald
+persoon "en syne Regt verkrygende" of: "en sijne Erven, of Regt
+verkrygende" [65]. Van dezen is de geldigheid der overdracht dus aan
+geen twijfel onderhevig.
+
+Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr. van
+den Velden [66], dat de "privilegiën persoonlijk waren, dat is: dat
+zij slechts aan eenen bepaalden persoon of eene bepaalde vereeniging
+toegestaan werden, zoodat zij niet door koop of anderszins, konden
+worden overgedragen en met den dood van den bevooregten persoon,
+of de ontbinding van de vereeniging, te niet gingen." Ik meen,
+dat na de genoemde voorbeelden eerder het tegendeel als regel kan
+worden aangenomen en dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke,
+onvervreemdbare privilegiën werden verleend. Tot deze laatsten zal men
+dan wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden,
+dat zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging
+door de Staten een einde namen [67].
+
+Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen
+van privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord kopierecht
+wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het
+uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond
+omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men
+zou geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als:
+"... alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie..." of:
+"... met den eygendom der Copie, ende Privilegie...", alsof er dus
+behalve het privilegie nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik
+vond zelfs een voorbeeld van "kopie-recht"-overdracht in een geval
+waar geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari
+1718 kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van
+Johannes de Wees "alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost
+van Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het volle recht van
+Copyen", terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor deze
+werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) verkreeg [68].
+
+"Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer
+zij verklaarden aan anderen het "kopierecht" af te staan, daarmede
+alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde
+kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut
+recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis,
+volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie
+vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook
+door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde
+gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend
+recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door
+zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.
+
+De privilegiën voor prenten en gravures werden, in tegenstelling met
+de boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den
+schilder of "plaetsnyder", verleend. Dit is ook zeer verklaarbaar,
+want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon zonder
+behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché exemplaren
+afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de uitgave
+van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat graveurs voor
+anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie aanvroegen [69].
+
+Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in
+het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt,
+ook privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als
+auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor
+meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28
+Juni 1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit
+niet. In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een
+recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën
+blijkt in de resolutie niets.
+
+Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der
+privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde verhoudingen
+in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der boekdrukkunst
+en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene bescherming te
+verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden genoten. Wel werkten,
+zoowel hier als in andere landen, de privilegiën ertoe mede, dat
+zoowel de grond als de materieele waarde van het recht der auteurs
+op hunne producten meer dan vroeger gekend en gewaardeerd werden,
+maar tot het in practijk brengen van het beginsel kwam het in ons
+land niet vóór het jaar 1796.
+
+De uitspraak van Bodel Nyenhuis [70], dat onze vaderen ten allen
+tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens
+een onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en
+dat dit het beginsel was, waarop het toekennen der privilegiën
+berustte, mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk
+privilegie vindt men meestal de motieven en overwegingen, die tot
+het verleenen hebben geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt
+daarin steeds de bescherming van den drukker of uitgever als eenig
+doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier volgen:
+
+"... Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan zevers' Printer,
+wonende binnen onser stede van Leyden Is ons verthoent gheweest,
+hoe dat gaerne Imprimeren en in prite legge soude dit teghenwoerdige
+Boeck en is een Cronycke va Hollandt En also hem datselve costelick
+en moijelic vallen sal, en dat dit selve Boeck noyt gheprint en is
+gheweest soe en soude hi die selve Printe en Inpressie niet durren
+bestaen sonder te hebben brieven va Octroye en privilegie van
+ons... etc." [71].
+
+"Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy Suppliant
+'t sijnen koste hadde doen translateren het Boeck genaemt het leven
+van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn door Quintum
+Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van meyninge
+ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te proffijteren,
+ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt te geven,
+als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan vresende
+dat een ander het selve terstondt soude moghen komen na te Drucken,
+'t welck tot sijne schade ende bederf soude redunderen..." etc. [72].
+
+"... Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende
+menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen vruchteloos
+te maken..." [73].
+
+"... Hoe dat hij Suppliant... genegen was het voorsz. Liederboek
+te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen werden;
+maar also hem hetselve veel gelt ende moeyten soude komen te kosten,
+ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren van
+het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers mocht
+werden nagedruckt, 't gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel ende
+schade soude strekken..." [74].
+
+Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van niet-geprivilegieerde
+boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan meestal van uitgevers,
+die er zelf de nadeelige gevolgen van hadden ondervonden. De nadrukkers
+werden gescholden voor "baetsoeckende menschen", en men verweet hun,
+dat zij het onbehoorlijke niet inzagen van "in eens anders doent te
+treden" [75], doch eene erkenning van een recht van den intellectueelen
+voortbrenger op zijn product was aan zulk een oordeel vreemd.
+
+In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis [76], en op diens voetspoor
+o.a. ook Mr. de Ridder [77], verklaren, meen ik tot de bewering
+gerechtigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk veel voorkwam. Zoo werden,
+om enkele voorbeelden te noemen, van bijna alle Nederlandsche dichters
+werken nagedrukt of buiten toestemming van den auteur uitgegeven,
+o.a. van: Vondel [78], Constantijn Huygens [79], Starter [80],
+Brederode [81], Poot [82], Jeremias de Decker [83], Jacob Cats.
+
+Met andere geschriften, waarmede dikwijls meer was te verdienen dan
+met dichtwerken, ging het evenzoo; [84] het waren ook niet uitsluitend
+onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken bezondigden,
+zelfs iemand als de groote Willem Jansz. Blaeu is er niet vrij van
+gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegenover andere firma's,
+die begonnen waren zijne werken na te drukken [85].
+
+Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral uit de
+verschillende maatregelen, die drukkers en uitgevers onder elkander
+namen, om hem te keeren.
+
+Bodel Nyenhuis vermeldt [86], dat tusschen 1671 en 1674 onder de
+boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het nadrukken;
+in 1710 werd met hetzelfde doel eene "Willige overeenkomst" gesloten
+tusschen drukkers en uitgevers uit Amsterdam, Leiden, Rotterdam,
+den Haag en Utrecht [87]. De reeds meer dan eens genoemde resolutie
+der Staten van Holland van 1715 was het gevolg van een request der
+"overluyden" van "de Boeckverkoopers in verscheyde Steden deser
+Provincie," waarbij als bijlage was gevoegd "een Vertoogh, ampel
+deduceerende de grieven bij de Supplianten door het nadrucken van
+haare Boecken geleden."
+
+Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden
+zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk; zoo wendde zich
+het Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke
+Regeering, waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht
+[88]. Dat men in dezen strijd alleen belangen en geen rechten
+erkende, moge blijken uit de volgende bepaling van een Groninger
+boekverkooperscompagnie-reglement van het jaar 1724: "so wanneer aldus
+een werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde, so sal
+geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidt het soude willen
+nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te mogen doen,
+so geen andere leeden wilden dat het in compagnie gedaan soude worden,
+maar die van de leeden daarin sal willen, sal daer recht toe mogen
+hebben" [89].
+
+Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande verleend
+werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den letterkundigen
+eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook zonder dien
+letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in sommige
+gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet zouden
+zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van
+elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën waren
+uitsluitend gericht tegen nadruk in den letterlijken zin van het woord,
+zij werden slechts verleend, zooals wij gezien hebben, voor de boeken,
+die in druk uitkwamen, of waarvan tenminste het plan om ze uit te
+geven was vastgesteld.
+
+De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op
+zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men
+den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke
+de auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij
+omdat zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf
+of van andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur,
+die een naam in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene
+publicatie met zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder
+zijne toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het
+hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt
+erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit
+laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een
+geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden,
+hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht,
+dat niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient
+ter bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte
+openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden.
+
+Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd erkend, is
+moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een schrijver er wel
+voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt van personen, die
+er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom van het handschrift
+geeft dan al de gewenschte bescherming en een afzonderlijk recht is
+daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts beteekenis in de
+gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door ontvreemding maar
+door toevallige omstandigheden een ander in handen komt; de vraag
+is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval tegen het laten
+drukken en uitgeven van het geschrift kon verzetten.
+
+Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te
+kunnen geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als
+aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat
+ik hier volgen.
+
+In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner naaste
+verwanten en vrienden in de jaren 1623 en volgende wordt herhaaldelijk
+gesproken van de omstandigheid, dat van de Groot's Inleydinge tot
+de Hollandsche rechtsgeleertheid, welke de schrijver oorspronkelijk
+uitsluitend voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder had bestemd,
+verschillende afschriften in omloop waren. Op grond daarvan wordt
+hij aangemaand zelf tot de uitgave van dit werk over te gaan, vóórdat
+anderen hem daarin vóór zouden zijn; De Groot achtte deze waarschuwing
+niet ongegrond en besloot ten slotte om de genoemde reden zijn werk
+te doen uitgeven. Het blijkt echter niet, dat hij in eene uitgave
+buiten zijn toedoen en toestemming door een ander iets onrechtmatigs
+zou hebben gezien; wel duidt hij in een zijner brieven met plagium
+aan het feit, dat afschriften in handen van anderen waren gekomen [90].
+
+Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een ander
+schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens Lusthof arglistig
+buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel zijne verontwaardiging,
+hij noemde het:
+
+
+ "'t Onredelijckste stuck, d' onlydelijckste smart,
+ Die immermeer aen my betoond is of bewezen" [91].
+
+
+doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij daarin niet te zien.
+
+Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert
+Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht "op zeker
+braef en kunstryk Heer" gemaakt, dat hij niet door den druk publiek
+gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de drukker
+het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in druk
+uit te geven, kreeg hij tot bescheid: "Ik zal 't evenwel drukken; het
+is niet meer in uwe magt. Wilt gij derhalve, om vrienden te blijven,
+weder een ducaton hebben... ik zal hem u geven; dien waeg ik er aen,
+en anders zal ik evenwel met drukken voortvaren." Poot moest, naar
+hij zelf verklaart, zich hierbij wel neerleggen en nam dus ook maar
+den dukaton in ontvangst, die hem echter tot zijne verontwaardiging
+"aen veelerlei soort van ander gelt" werd uitgeteld [92].
+
+Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht der
+schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat
+van de Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde
+categorie van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar blootstonden
+hunne werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, dit recht
+uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde: "dat van nu voortaan
+niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige Boeken, op den
+naem van Professoren of andere Leedemaaten van onse Universiteyt te
+Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn geweest, als haare Schriften,
+Lessen &c. onder wat titul het soude mogen weesen, tenzij hij alvoorens
+daar toe sal hebben verkreegen het schriftelyk Consent van deselve,
+of van haare Erfgenaamen..." etc. [93].
+
+Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het
+recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit
+placcaat ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde,
+kan blijken uit de overweging:
+
+"Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van Boeken op
+den naam van Professoren en andere Leedematen van onse Universiteyt te
+Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en abuisen in deselve
+Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse en onwaare
+stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein agting van
+deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo buiten als
+binnen 's Lands, ook tot groot nadeel der goede Weetenschappen... etc."
+
+Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der
+Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag
+of dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar
+werd erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval was
+en dat dus het hier besproken placcaat, evenals de privilegiën niet
+is te beschouwen als de erkenning van een bestaand recht, maar als
+een uitzonderingsmaatregel.
+
+Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals
+bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den
+auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn geweest.
+
+Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen:
+
+"De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen naem
+winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in boecken,
+in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten bij anderen
+gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den tytel van
+Vondels poëzye, druckt en herdruckt, en vermeert vele dichten, daer
+ick zoo weinigh kennis en schult aen hebbe, als het kint dat noch te
+baeren staet" [94].
+
+Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets
+te beginnen; Vondel moet het zelf constateeren: "Tegens deze
+ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan
+mijn gedult over." Dit blijkt ook uit de volgende woorden van Justus
+Lipsius, (in de voorrede van De Cruce, Amstel. 1670) hoewel daarin,
+meer dan in die van Vondel, een gekrenkt rechtsbewustzijn tot uiting
+schijnt te zijn gekomen: "Ego semel et serio testor, audite qui in
+Europa: Nihil meum est aut erit, quod non de autographo meo et me
+volente sit expressum. Quicunque aliter, mihi injuriam facit, vobis
+fucum" [95].
+
+
+
+In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in
+vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkend en
+geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in het
+midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den nadruk,
+ook van niet-geprivilegieerde werken, verboden [96]. Engeland had
+reeds in 1709 eene wet op het auteursrecht en in Frankrijk, waar het
+privilegie-stelsel tot aan de revolutie in stand bleef, won toch in
+den loop der achttiende eeuw de letterkundige eigendom meer en meer
+veld en vond zelfs bij rechterlijke beslissingen toepassing [97].
+
+Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en
+toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze
+boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond
+van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De
+groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere
+landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in
+hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven,
+hun toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren
+de voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht;
+de namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, Blaeu en anderen waren door
+geheel Europa bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne
+geschriften door een van die beroemde huizen te zien gedrukt.
+
+"De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw, zig
+verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de manuscripten
+uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de fransche drukken
+nadrukten; of die voor hen hier te lande bearbeid werden" [98].
+
+De schrijver van Hollands Rijkdom waaraan bovenstaande woorden
+zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk [99] enkele uitlatingen
+van Voltaire over de Nederlandsche uitgevers: "...een amsterdamsch
+boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende, won een
+millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode schreven." "De
+hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks een millioen, omdat de
+Franschen vlug van geest zijn." Al drukt Voltaire zich hier wat sterk
+uit, een grond van waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne beweringen.
+
+Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken van
+vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt [100].
+
+Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in
+het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen
+waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers
+als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk
+betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs.
+
+De "schatten", die door de drukkers en uitgevers werden verdiend,
+mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer overdreven
+zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun bedrijf,
+vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. Gaat
+men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan
+valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van
+hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor
+de drukkers en uitgevers was.
+
+Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk
+kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens
+meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men
+in den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een
+aantal "loodjes", de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium een
+aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan den
+geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586,
+leest men o. a.: "My dunckt, so veele als ick in onzen tyt bevonden
+hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken, want meest
+wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel gemeynlijcken wat
+exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten se gemeynlijcken
+wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni liberalitate,
+die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick hebber oock
+by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den aucteur, om
+dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu corts noch
+een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal hebben" [101]. De
+waarheid dezer mededeelingen omtrent Plantijn vindt men bevestigd
+door Max Rooses in diens bekende werk over den Antwerpschen drukker
+en uitgever. Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers,
+die een som gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een
+aantal exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de
+auteurs niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan
+sommige gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele
+gevallen gaf hij eene renumeratie in geld [102].
+
+In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs
+waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met
+hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te
+verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria
+van Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 1624
+o. a.: "Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het drucken van
+U. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter wel profyt mede
+te doen is, het tselve tot onse kosten te laeten drucken, maer het
+kompt altemael aen op het distribuweeren ende datter qualyck geldt
+wt de bouckverkoopers handen te crigen is" [103]. In een volgend
+schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd exemplaren van
+den uitgever voor zich te bedingen [104].
+
+De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn Lof der
+Geldzucht over de poëten geven een soortgelijken indruk van de
+toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever:
+
+
+ "En vloeit er wat gewins uit hunne rymery,
+ 't Valt hunnen buidel mis en doet de borze zwellen
+ Der loozer druckeren en hunner metgezellen;
+ De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en pluckt."
+
+
+De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was, dat de poëten
+soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit hun verzen trachtten
+te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen van een Maecenas,
+of door het vervaardigen op bestelling van gelegenheidsgedichten. Een
+eigenaardig voorbeeld van exploitatie der dichtkunst deelt Prof. Kalff
+mede: [105] de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met een
+twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze "lyefhebbers
+van de Nederduytsche poësy" zich verbonden, aan Starter wekelijks
+12 carolus-guldens uit te keeren; daartegenover nam Starter de
+verplichting op zich, in Amsterdam te blijven wonen en o. a. gedichten
+voor hen te schrijven tegen drie stuivers de bladzijde.
+
+Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit
+het begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg
+voor de eerste uitgave zijner gedichten--en dat nog niet zonder
+moeite--zes exemplaren van zijn werk en een "Grootmediaen Bybel"
+van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem "dat er langer geen
+gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, of daer most een stuk
+gelts voor zyn"; in antwoord op dit verwijt verklaarde Poot echter,
+dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem had losgekregen dan
+"de arme waerde van twee zilvere dukatons".
+
+
+
+Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende
+landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegiën natuurlijk
+weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten
+de landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en
+merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave van
+Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569-1572 te Antwerpen het licht
+zag. Voor dit werk waren privilegiën verkregen in de volgende landen:
+Venetië, Duitschland, Arragon en Castilië, de Nederlanden, Brabant,
+Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V er een privilegie voor
+verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe van excommunicatie
+werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel na te drukken of
+te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. Voor de inwoners der
+kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een boete van 2000 gouden
+dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte exemplaren [106].
+
+Bodel Nyenhuis [107] maakt melding van een octrooi, door den Franschen
+koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Franciscus Raphelengius
+voor Cyclometrica Elementa van Justus Scaliger, een werk, dat ook in
+Nederland geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde
+uitgave van de Annales van Hugo Grotius, voorzien van privilegiën van
+de Staten-Generaal, de Staten van Holland en keizer Ferdinand III. Ook
+blijkt van eene dergelijke gelijktijdige bescherming in verschillende
+landen uit de resolutie der Staten-Generaal van 10 Sept. 1609 [108]:
+"Is Octavio van Veen geaccordeert octroy, omme voor den tyt, dat
+hem gelyk octroy is gegunt, by den keyser, coningen van Vrankryk
+ende Spangien, mitsgaders die ertshertogen, alleene inde Vereenichde
+Provinciën te mogen snyden in 't coper of hout,... etc."
+
+Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, om
+de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier in te
+roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 1703 wordt
+melding gemaakt van "een missive van den Heere Churfurst van de Paltz",
+waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche professor Johannes
+Andreas Eysenmenger een boek had geschreven genaamd Het ontdeckte
+Jodendom, en waarin den Staten verzocht wordt: "dat Haer Ho: Mog:
+geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige ordre te stellen,
+en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het nadrucken van het
+voors. werck, als oock het verkopen van dien, in derselver gebiedt en
+Landen mogte werden verboden". Een brief van gelijke strekking van den
+"Churfurst van Mentz", handelende over hetzelfde boek Het Jodendom
+ontdeckt werd eenige weken later in de vergadering besproken [109].
+
+In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk verzoek
+tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den Raadpensionaris
+in de vergadering der Staten van Holland van 20 Nov. 1745 mededeeling
+gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, dat men in Holland "de
+Memoires van de Sociëteit der Weetenschappen in sijne Majesteits
+Residentie geëtablisseert" zou nadrukken en richtte zich tot de
+Staten "... in die ongetwyffelde hoope, dat deselve het verlangde
+verbod tot verhindering van de gevreesde nadrukking niet souden
+difficulteeren... etc." [110].
+
+Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik
+niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de
+Staten der Provinciën "om daer omtrent sodanige ordre te stellen,
+als sullen oordeelen te behooren." De Staten van Holland hadden in
+de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten: "Dat
+de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden versoght,
+sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor het
+grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te
+Lande gedruckt sullen moeten zijn." Indien zij zich in 1745 hieraan
+nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen zijn
+afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen reeds
+de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk ondervond.
+
+Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen,
+dat men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het
+nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden
+zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf aanleiding
+tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren en verkoopen
+van de origineele buitenlandsche uitgave werd verboden.
+
+In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten
+van Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij
+gaven er o.a. in te kennen: "... dat niettegenstaande tot noch toe
+alle de origineele Fransche Drucken van les oeuvres de Molière,
+Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande met
+privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier vry en
+onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeckverkoopers
+tot Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande uyt de
+Engelsche en andere Taalen met seer swaare kosten in de Fransche
+Taale overgeset, te herdrucken, en op de selve aldaar Privilegie
+te verkrygen, om daar door het inkomen en vertieren der origineele
+Hollandtsche Drucken te weeren, en sulcks tegen het voorrecht,
+dat sy hier te Lande genooten... Dat dewyl nu de Supplianten sich
+(onder reverentie) verbeelden, dat de intentie van Vranckrijck in het
+verleenen van des selfs Privilegiën niet geweest was, om het vertier
+der Hollandtsche Drucken te verbieden... versoeckende derhalven,
+dat de saake ter Generaliteyt daar heenen moghte werden gedirigeert,
+om aan het Hof van Vranckrijck te vertoonen het ongelijck, het geen de
+onderdaanen van deesen Staat door de interpretatie van de voorgewende
+Privilegiën aangedaan wierdt... etc." [111].
+
+Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in
+overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag de
+Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden; ten minste in
+1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, te examineeren
+"... of eenige andere, en beetere, ordre soude konnen worden uitgedagt
+omtrent het nadrukken van Boeken, die buiten 's Lands gedrukt mogten
+zijn" [112]. Met dezelfde kwestie had waarschijnlijk ook te maken de
+mededeeling van den Raadpensionaris in de vergadering van 5 October
+1735: "... dat aan hem is voorgekoomen, dat in de Octroien, welke van
+tyd tot tyd door haar Edele Groot Mog. verleent worden tot het drukken
+van Boeken, geïnsereert zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven
+om het debit der Boeken hier te Lande gedrukt buiten 's Lands seer
+difficil te maaken, tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in
+deese provincie." Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen
+"of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en behooren
+gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude konnen werden
+gedaan tot beneficieering van de Drukkerye en Boeknegotie in deese
+Landen" [113]. Men ziet uit deze laatste toevoeging weer een bewijs
+van de groote zorg, die de Staten voor "Drukkerye en Boeknegotie"
+aan den dag legden.
+
+In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland
+voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt
+uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt
+geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende clausule
+voor: "...des dat door het verleenen van het selve Octroi niemand sal
+worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen Druk van het
+voorschreeven Werk..." [114] en in een van het daaropvolgend jaar:
+"...doch door dit octrooi zal niet worden belet, dat de origineele
+Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt ingevoerd, uitgegeven
+of verkocht" [115]. Hieruit blijkt, dat men de billijkheid tegenover
+buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog verloor, al kunnen
+wij volgens de thans geldende begrippen, hierin niet--zooals in het
+bovengenoemd request wordt gedaan--een "voorrecht" voor hen zien. Het
+enkele feit, dat voor nadrukken privilegiën werden verleend, bewijst
+dat men nog ver afstond van eene internationale bescherming.
+
+Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Nederlander het
+denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van verschillende staten,
+om door algemeene voorschriften den nadruk te weren. Verschillende
+schrijvers maken er n.l. melding van, dat op het Vredescongres te
+Aken in 1748 door een Nederlandschen boekhandelaar een voorstel tot
+bestrijding van den nadruk werd aangeboden met het verzoek, dat alle
+vertegenwoordigde Staten dit zouden aannemen en het daartoe in het
+vredesverdrag zou worden opgenomen. Van dit, voor de geschiedenis
+van het internationale auteursrecht voorzeker zeer belangrijke,
+voorstel is het mij, ondanks enkele nasporingen, niet gelukt meerdere
+bijzonderheden te weten te komen [116]. Dat het niet tot uitvoering is
+gekomen, behoeft nauwelijks te worden vermeld; waarschijnlijk heeft
+het zelfs bij geen der Akensche gedelegeerden een punt van ernstige
+overweging uitgemaakt.
+
+
+
+
+§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der achttiende
+eeuw tot dezen tijd
+
+Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het eerst in de provincie
+Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het Provinciaal Bestuur
+van dit gewest eene Publicatie [117] uit, waarvan het eerste artikel
+luidde:
+
+"Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken
+en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, als
+strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens welke
+ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van zijnen
+regtmatigen eigendom."
+
+In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de
+provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht
+had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken
+en uit te geven.
+
+Men erkende dus een "eigendomsregt" op geschriften, dat zijn oorsprong
+vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan deze laatsten,
+maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling, zooals o.a. door
+Mr. de Ridder wordt opgemerkt [118], in de gevolgen voor de auteurs
+vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij contract tegen eventueele
+willekeur der uitgevers konden beveiligen, er blijkt toch uit, dat
+al waren de privilegiën afgeschaft, het beginsel, dat er aan ten
+grondslag had gelegen, nog bleef nawerken. Over de schrijvers wordt
+in de geheele publicatie niet gesproken.
+
+Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne
+erfgenamen over en was--in overeenstemming met den naam "eigendomsregt"
+dien men er aan gaf--eeuwigdurend (art. 2); er behoorde ook toe
+de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen en verkortingen van het
+geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar echter de publicatie
+alleen in de provincie Holland van kracht was, had de bescherming,
+die zij verleende, niet zoo heel veel te beteekenen.
+
+Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie
+nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende
+waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland)
+uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs
+alsof het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken
+beschermd (art. 5). De "regtmatige eigendom" van vreemdelingen werd dus
+niet geëerbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het eerst van
+meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor de uitgave
+eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De uitgever
+behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de uitgave,
+den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds het voornemen om dat
+te doen verschafte, mits behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd,
+een "regt van praeferentie", waardoor anderen verhinderd werden van
+dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7).
+
+Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en tijdwijzers
+waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 8); van
+staatsstukken, "welke als den eigendom van het Volk van Holland moeten
+worden beschouwd", behield het Provinciaal Bestuur het kopierecht
+aan zich (art. 9).
+
+De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle provinciën, was
+de Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek van 3 Juli
+1803 [119]. Ook hierin was de bescherming der uitgevers nog hoofdzaak;
+er werd nu echter ook van de "opstellers" der boeken gesproken, die
+in de publicatie van het provinciaal Bestuur van Holland niet eens
+waren genoemd. Het kopierecht werd verleend aan ieder, die "in de
+Bataafsche Republiek een oorspronkelijk werk uitgeeft, waarvan hij
+het gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij of bezit, omdat hij zelf
+daarvan de opsteller is, of om niet, of voor geld, of op eene andere,
+mits wettige wijze, bekomen heeft" (art. 2).
+
+Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben
+gehad, indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren
+aangewezen--zooals in art. 1 van onze tegenwoordige wet--"de auteur
+en zijne rechtverkrijgenden." Het verschil ligt echter niet alleen
+in de meer omslachtige formuleering. Van een recht op het geestelijk
+product, toekomende aan den auteur onafhankelijk van de vraag of, en
+zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te exploiteeren, had men blijkbaar
+nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook uit de overwegingen, die het
+Staatsbewind der Bataafsche Republiek over deze wet aan het Wetgevend
+Lichaam deed toekomen [120]. Daarin wordt als doel van de wet, naast
+bevordering van den boekhandel, waarvan het eerst wordt gesproken,
+nog genoemd:
+
+"1o. de bevordering der verlichting en der wetenschappen in ons
+Vaderland en 2o. de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke
+Wet, hun vrije handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt
+wordt, tot maintien van een ieders wettig regt van Eigendom." Over
+de schrijvers wordt geen woord gezegd.
+
+De wet erkende naast het recht van eigendom ook een recht van
+praeferentie, toekomende aan den uitgever, die van een buitenlandsch
+werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht verwierf de uitgever
+zich dus geheel buiten den auteur om. In de "Consideransen" wordt het
+aldus gemotiveerd: "het valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een"
+(nl. de uitgever der vertaling) "moet gehouden worden, de daartoe
+benoodigde moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en
+uitgelegd, en alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van
+zijn werk, zich zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst
+te doen... etc."
+
+Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het
+recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men
+er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver
+of uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op
+onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De
+bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet
+overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk.
+
+De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de
+inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het
+gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door
+de Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden
+in de Décret-Loi des 19-24 Juillet 1793. Deze wet, die nu nog,
+hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere wetten aangevuld,
+in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht aan de auteurs
+van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: "compositeurs de
+musique" en aan: "peintres et dessinateurs qui feront graver des
+tableaux ou dessins" (art. 1). Na hun dood bleef het auteursrecht
+nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2).
+
+Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir verklaard
+Keizerlijk Decreet van 1810 in dier voege aangevuld, dat de weduwe
+van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen tot twintig
+jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden genieten.
+
+De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor het
+eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1o. in tijdsduur
+beperkt auteursrecht, en dat 2o. direct aan de auteurs, vindt men na
+dien tijd in de wetgevingen van bijna alle landen terug.
+
+De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier
+afgeschaft door het Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No. 1
+(Staatsblad No. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en
+den eigendom van letterkundige werken.
+
+Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche
+censuur afschafte; uit het oogpunt van auteursrecht is het echter
+als een stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het
+een eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan "... elk die
+een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen of stukken
+uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of anderszins,
+wettig bezit" (art. 6). Ook werd in het besluit strafbaar gesteld:
+"eenigerlei nadruk van de Nederduitsche vertaling eens buiten deze
+landen uitgekomen werks, of het debiteren eener andere Nederduitsche
+vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie eerste jaren na de uitgave
+der eerste vertaling" (art. 9), eene bepaling, die ook voorkwam in
+de wet van 1803 en die toen op de eigenaardige wijze, die boven is
+medegedeeld, werd gemotiveerd.
+
+Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige
+aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever
+eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had
+te vervullen.
+
+Intusschen was in België--vreemd genoeg--bij Besluit van 28 September
+1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op geheel andere
+wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen, geregeld;
+vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen van het
+koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien.
+
+Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State
+aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs de
+resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer schijnen
+te hebben gediend [121].
+
+Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn omgewerkt
+volgens de nieuwere opvattingen, bij de Staten-Generaal ingediend,
+waar het, zonder aanleiding te geven tot gedachtenwisseling,
+onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te worden afgekondigd
+onder den naam van: Wet van den 25 Januari 1817 (Staatsblad No. 5),
+de regten bepalende, die in de Nederlanden, ten opzigte van het drukken
+en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend.
+
+Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen
+te maken en te verkoopen werd verleend aan "diegenen, welke daarvan
+autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden" (art. 1).
+
+Vertalers van in het buitenland uitgekomen letterwerken kregen
+hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2); het recht van praeferentie
+echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, eene
+andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet voor [122].
+
+Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of
+vertaler (art. 3).
+
+Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene
+Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen
+uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór of gelijktijdig
+met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het gemeentebestuur van
+de woonplaats des uitgevers (art. 6).
+
+Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet aanmerkelijken
+vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de auteurs; met
+het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de letterkundige
+eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook "kunstwerken"
+beschermd en op het punt van vertalingen waren gezondere beginselen
+gevolgd. Doch op zeer vele punten was de nieuwe regeling, die tot
+het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog gebrekkig en onvolledig.
+
+De uitdrukking "letter- en kunstwerken", waarmede de beschermde
+producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele gevallen
+aanleiding tot twijfel [123]. Werken van plastische beeldende kunst
+vielen buiten de "kunstwerken", daar de wet alleen betrekking had
+op het drukken en uitgeven. De vraag of onder de "letterwerken"
+ook mondelinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten
+ontkennend beantwoord [124].
+
+Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en
+uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren
+wij dus--in tegenstelling met de meeste andere landen--nog even ver
+als in den tijd der privilegiën.
+
+Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van
+het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke
+inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden
+van nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig
+strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10-1000 gld.,
+confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den
+eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste
+van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren
+van het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk
+in de meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat
+de oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos
+gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen
+kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt
+in zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen
+verkregen worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was
+ingesteld en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid,
+bestond er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel,
+om het verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren
+tegen te gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten
+onvolledig; er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding
+berekend moest worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold
+of een werk, waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete
+betreft, deze moest strekken "ten behoeve van de algemeene armen
+van de woonplaats des nadrukkers"; eene bepaling waarvan de ratio
+moeilijk is te vatten en die daarenboven niet voorzag in het geval,
+dat de nadrukker een vreemdeling was.
+
+In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme
+en posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking
+van meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op
+de berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar
+na den dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van
+laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen
+natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap
+of den Staat zijn uitgegeven.
+
+Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het
+Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822 (Staatsblad No. 16), waarbij het
+drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve
+van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve
+van de landsdrukkerij werd voorbehouden of "bij speciale vergunningen
+of octroijen" aan particulieren werd afgestaan.
+
+Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek
+geweest. Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd
+hier een kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning
+de bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met
+de vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te verleenen.
+
+Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September 1840 [125]
+had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het genoemde K. B. van geen
+kracht waren, daar de wet van 1817 een kopierecht van den Staat niet
+kent, werd bij K. B. van 24 April 1841 (Staatsblad No. 11) het besluit
+van 1822 en de daarop berustende besluiten, waarbij het uitgeven van
+bepaalde staatsstukken aan de landsdrukkerij werd voorbehouden of
+aan particulieren verleend, ingetrokken [126].
+
+Later kwam de kwestie van het Staats-kopierecht nog ter sprake
+bij de behandeling van de Wet van 12 Aug. 1849 (Staatsblad No. 36)
+op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche
+Apotheek, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van
+dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel in de schriftelijke
+gedachtenwisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen
+vonden de genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaal
+verzet [127]; toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet zelf werd
+in 1871 ingetrokken.
+
+De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij nog
+gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen
+(waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van het al of niet
+voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens de vroegere
+Nederlandsche wetten was verkregen) [128], deden zich al spoedig
+in de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belanghebbenden
+herhaaldelijk pogingen in het werk werden gesteld om tot eene betere
+regeling te komen.
+
+In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter
+vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie van
+toelichting aan de Regeering aangeboden [129]. Twee jaar later had de
+Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de Staten-Generaal
+is ingediend.
+
+In latere jaren is, vooral door de Vereeniging tot bevordering van
+de belangen des boekhandels gedurig moeite gedaan, om een betere wet
+te krijgen [130].
+
+In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp voor
+eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting
+aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden [131]. Nadat
+over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende kunsten
+en bij de koninklijke Academie van Wetenschappen adviezen waren
+ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 een Regeerings-ontwerp. Voor
+de voorbereiding hiervan was, zooals ook in de M. v. T. [132] wordt
+erkend, behalve van de belangrijkste buitenlandsche wetgevingen, een
+ruim gebruik gemaakt van het Ontw. Boekh. Er was o.a. uit overgenomen
+de nauwkeuriger omschrijving der auteursproducten in plaats van
+de vage term "letter- en kunstwerken" van de wet van 1817; voorts
+de bepaling, dat het auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9);
+dat met auteurs worden gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit
+bijdragen van meerdere auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a
+Ontw. '77); en de bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden
+op wederrechtelijk gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen
+(artt. 14-17 Ontw. Boekh., artt. 20-22 Ontw. '77).
+
+Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. Nieuw
+was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor muziek-
+en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van kopierecht maar
+van auteursrecht gesproken) en het toekennen van auteursrecht voor
+mondelinge voordrachten (art. 1); de beperking van het uitsluitend
+recht om vertalingen van een werk uit te geven tot slechts 5 jaar na
+de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het recht
+uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de vertaling binnen drie jaar
+verschijnt; (art. 5b en 15 2o); de berekening van den duur van het
+auteursrecht niet meer naar het tijdstip van overlijden des auteurs,
+maar naar dat van de eerste uitgave van het werk (art. 12); de bepaling
+dat de wet ook voor Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28).
+
+Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats,
+nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van
+zijn voorganger was overgenomen.
+
+In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878 [133] werd het over het
+algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen golden: het op-
+en uitvoeringsrecht, dat "velen leden" naast het kopie-recht overbodig
+voorkwam, terwijl "zeer vele leden" dit liever in eene afzonderlijke
+wet wilden geregeld zien; het auteursrecht op mondelinge voordrachten,
+dat sommige leden niet toegekend wilden zien, andere niet dan onder
+zekere voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die
+door de groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet
+voor alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde
+wijze van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht:
+de meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der
+overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende
+partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen.
+
+Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom
+eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als
+minister van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand,
+dat, op enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den
+22sten September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden [134].
+
+Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het
+kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten,
+werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd
+o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover
+gemaakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van
+het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming
+betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op
+het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.
+
+Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp
+ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop
+anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2);
+de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7);
+uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de
+uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10).
+
+Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in
+openbare behandeling [135]. De algemeene beraadslagingen liepen
+voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter
+van het auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover
+naar aanleiding van de opmerkingen van de heeren Schaepman en
+Oldenhuis Gratama in het midden bracht, bleek, dat de Regeering den
+"intellectueelen eigendom" verwierp, maar niettemin een recht der
+auteurs op bescherming erkende en daarmede den plicht des wetgevers,
+om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De minister
+noemde het auteursrecht een jus sui generis, noch tot de zakelijke,
+noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat gerangschikt
+moest worden onder de absolute vermogensrechten.
+
+Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats
+had [136], werd o. a. de duur van het auteursrecht besproken. Een
+amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den hoofdtermijn
+van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde brengen, werd
+verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van der Kaay,
+om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door den druk
+gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te doen
+verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht de
+gewone, langere, termijn zou hebben gegolden.
+
+De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare
+inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren
+de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het
+wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen
+aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 28sten
+Juni afgekondigd als: Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van
+het Auteursrecht (Staatsblad No. 124).
+
+Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog
+ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18-20, die de strafbepalingen
+inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Strafrecht
+naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 349 bis,
+ter en quater zijn geworden.
+
+Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering
+verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de
+beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen
+daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke
+Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van
+wet bij de Tweede Kamer ingediend [137]. In de memorie van toelichting
+werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit,
+o. a. met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen
+en met een beroep op de beginselen, die bij de wet van 28 Juni 1881
+gehuldigd waren.
+
+Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle "werken der beeldende
+kunsten"; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofdzakelijk begrepen
+worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouwkunst. Werken der
+bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 1).
+
+De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door dezelfde
+of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. In
+art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem
+"die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op
+wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene
+mechanische bewerking namaakt".
+
+Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van overeenkomst;
+dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de regeling van
+verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de middelen van
+handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van het recht
+(art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge bepalingen.
+
+Daar het in de zitting 1883-1884 niet in behandeling was gekomen, werd
+het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, ingediend.
+
+Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885 [138], luidde niet
+gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden bescherming
+niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze bescherming op
+dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook werd de vrees
+geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap zou worden
+gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van uitvinding.
+
+Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende
+werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten
+gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal
+vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van
+toelichting ingediend [139]. Onder meer werd hierin als grondbeginsel
+van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de voortbrenger van een
+product des geestes het uitsluitend recht dient te hebben te bepalen
+of, wanneer en in welken vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar
+van nadruk of nabootsing blootstaat, openbaar zal worden gemaakt.
+
+Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit
+gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde
+stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog
+tweemaal (27 Juli 1886 en 7 October 1887) bij de Tweede Kamer werd
+ingediend. En hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling
+van het artistieke auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement,
+meermalen is geuit [140], zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe
+nog steeds onbeschermd gebleven.
+
+Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in de
+materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte,
+die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in
+alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het
+auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet
+van 1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen
+niet behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en
+twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in
+een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin
+deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving
+zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden
+nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.
+
+
+
+
+§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal auteursrecht
+
+In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, dat
+reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk--al was
+het dan bij uitzondering--zich over meerdere landen kon uitstrekken en
+dat zelfs in het midden der achttiende eeuw eene poging is gedaan,
+hierover in een tusschen verschillende staten gesloten tractaat
+bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden
+als voorboden van de internationale regeling, die zich in latere
+jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst
+in de negentiende eeuw aanvangt.
+
+In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats
+gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming
+verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar
+als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in,
+dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt
+bleef tot de grenzen van elk land.
+
+De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel
+gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het
+onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid
+en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het
+drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen
+geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend
+recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde
+dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten
+te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het
+internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die
+ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten
+tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al
+genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale
+auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw verklaren.
+
+De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch verschijnsel,
+werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het feit, dat alleen
+in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf groote huizen
+vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een half millioen
+francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van buitenlandsche
+boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad eenig denkbeeld
+geven [141].
+
+Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom
+bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door uitgevers
+en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest te lijden,
+zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral dáár de internationale
+beweging tot bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd
+gehouden.
+
+Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken,
+stonden verschillende wegen open.
+
+Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen
+opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde
+van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel
+werd door Frankrijk beproefd met het Decreet van 28 Maart 1852,
+hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken
+strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond
+in andere landen--althans te dien tijde--niet de gewenschte navolging,
+zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in Frankrijk gevaar
+liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren. Bovendien was eene
+volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de Fransche er niet
+door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo geïnterpreteerd,
+dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer de vreemde auteur
+niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet de bedoeling
+was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die hij thuis
+niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op nadruk,
+niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht [142].
+
+Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling
+van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting
+slaagde men beter.
+
+Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen
+onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van
+het auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard
+gesloten tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en
+Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. Frankrijk
+sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in 1853, met
+Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met Rusland in 1861, met
+Pruisen in 1862 en met Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten
+tijd te vermelden de tractaten tusschen België en Nederland (1858);
+tusschen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869)
+en tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de
+volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten
+in Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale
+bescherming medewerkten.
+
+Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het
+eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor
+het meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken
+ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op
+internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte
+der systemen, die hierbij gevolgd werden [143].
+
+In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het land,
+waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van het
+land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel de
+wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht
+werd gemaakt, óf--wat practisch op hetzelfde neerkomt--waar het
+proces daarover plaats had (dus: de lex fori). Deze stelsels werden
+om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng doorgevoerd, soms in
+combinatie met elkander, in de verschillende tractaten toegepast. Dit
+moest natuurlijk in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven.
+
+In sommige gevallen, moest de rechter het--dikwijls
+ingewikkelde--vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als
+gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer
+rechten kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene
+moeizame vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van
+zijn eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te
+kunnen toepassen.
+
+Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten
+te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen
+waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het
+uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen óf in de
+daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen golden. Bovendien
+hadden zij soms nog, om in andere landen de internationale bescherming
+te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen
+die hun eigen wet voorschreef.
+
+Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van
+belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer
+eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken,
+o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in
+1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877;
+ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de Börsenverein
+der deutschen Buchhändler te Leipzig en werd het vraagstuk besproken
+op het in 1876 te Bremen gehouden congres van de Association for the
+codification and reform of the law of nations. Toen in 1878 te Parijs
+tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit
+de geheele wereld bijeen waren, werd daar opgericht de Association
+littéraire internationale, voornamelijk met het doel, de beginselen
+der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en te
+verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te
+werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Association littéraire et
+artistique internationale, heeft tot verwezenlijking van de door velen
+gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op haar congres te Rome
+in 1882 werd besloten, dat op eene door haar te beleggen conferentie
+een plan zou worden uitgewerkt tot stichting van eene internationale
+Unie tot bescherming van het auteursrecht. Deze conferentie had plaats
+te Bern van 10 tot 13 September 1883, onder voorzitterschap van het
+door den Zwitserschen Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een
+ontwerp van tien artikelen kwam tot stand, dat aan den Zwitserschen
+Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een door dit
+Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van eene
+diplomatieke conferentie zou worden onderworpen.
+
+De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te
+Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der
+Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was
+door twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden,
+zonder afgevaardigden te sturen, hunne instemming met het beoogde
+doel betuigd.
+
+Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen,
+die de geheele materie, onafhankelijk van de bestaande wetgevingen
+op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig onuitvoerbaar was ter
+zijde gesteld [144], hield de Conferentie zich bezig met het uitwerken
+van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat van de Association en dat
+van den Zwitserschen Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der
+verschillende wetgevingen steunde en slechts op enkele punten eene
+zelfstandige regeling inhield. Behalve dit ontwerp, dat volgens
+het oordeel der Conferentie het minimum van rechten inhield, die de
+toetredende landen wederzijds aan de auteurs van werken van kunst en
+letterkunde zouden kunnen verleenen [145], gaf de Conferentie nog als
+resultaat van haar onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet
+in het ontwerp had opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg
+of laat in te voeren algemeene codificatie van het auteursrecht, in
+den vorm van "wenschen" onder de aandacht van alle landsregeeringen
+wilde brengen, nl.:
+
+1o. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen bescherming
+moest duren gedurende hun leven en minstens dertig jaar na hun dood.
+
+2o. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen gelijkstelling van
+het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk [146].
+
+De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door
+de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de
+verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht,
+aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover
+definitieve instructies mede te geven.
+
+Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz
+te Bern plaats (7-18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen
+vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en
+weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor
+het te sluiten verdrag tot stand.
+
+Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te
+Bern (6-9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van
+enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen
+en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, nl. van:
+België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia,
+Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de
+ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van
+het Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de
+Conventie in werking.
+
+De Convention concernant la création d'une Union internationale
+pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te
+lande algemeen bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in
+achttien artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel,
+regelende de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen,
+en een Slotprotocol (nos. 1-7), waarin de bepalingen van sommige
+artikelen nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd,
+geeft de Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht,
+doch laat zij de internationale bescherming in de meeste gevallen
+afhangen van de wetgevingen der aangesloten landen.
+
+Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk
+van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend
+vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de
+toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien
+jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling
+had men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar
+van ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen gelijkstelling
+werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht op het
+oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar was,
+dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten een
+reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden [147]. Met den
+gekozen termijn van 10 jaar hoopte men aan de wenschen van beide
+partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan; aan staten die een
+langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit onderling bij
+afzonderlijk tractaat vast te stellen.
+
+De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In
+art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden
+opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering zou
+staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slotprotocol
+(no. 5) werden geregeld.
+
+Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve regeling
+bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de verschillende
+wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn de grenzen
+der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te voorzien,
+dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten bevatte,
+die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij eenigen
+tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst
+herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover
+in de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde,
+dat deze herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën,
+achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden,
+terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste
+Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na
+de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December 1893.
+
+Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeenroeping
+was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden
+genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de
+Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam.
+
+Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier was
+vermeerderd, n. l. Luxemburg, Monaco, Montenegro [148] en Noorwegen)
+waren ook die nog geen deel uitmaakten van het Verbond, door de
+Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegenwoordigen, aan
+welke uitnoodiging er niet minder dan veertien gehoor hadden gegeven.
+
+Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de Fransche
+Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een programma
+van wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig gerangschikte
+opgave van de verschillende wenschen, die door vereenigingen van
+letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen in de laatste jaren
+op congressen en vergaderingen waren geuit, aan de Regeeringen der
+verschillende landen was toegezonden [149]. Doch ondanks alle daarvoor
+gedane moeite is men er te Parijs niet in kunnen slagen, in het
+oorspronkelijke te Bern gesloten verdrag wijzigingen aan te brengen,
+daar de hiervoor in art. 17 lid 3 voorgeschreven eenstemmigheid niet
+kon worden verkregen. Op het voorstel der Commissie [150] werden nu
+de resultaten der Conferentie in twee afzonderlijke acten neergelegd,
+die het elken staat vrij zou staan al of niet te aanvaarden, n.l.:
+
+Eene Additionneele Acte, die wijzigingen brengt in de artt. 2, 3, 5,
+7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het Slotprotocol, en
+
+Eene "Verklaring" (Déclaration), die eene interpretatie geeft van
+enkele bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele
+Acte.
+
+Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 1 Mei
+1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een der
+officieele stukken opgenomen zijn [151].
+
+De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen,
+de Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later
+toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie
+de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring,
+niet de Additionneele Acte.
+
+De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die
+ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen
+toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het
+auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde
+echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn
+werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III).
+
+Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede
+dus een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming
+tot stand gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft
+begrijpelijkerwijze het resultaat van de Conferentie van Parijs geen
+aanleiding gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie
+was er door de nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan en
+de gedelegeerden te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel
+hiervan te erkennen; althans zij spraken de wenschelijkheid uit:
+"dat de beraadslagingen van de eerstvolgende Conferentie tot de
+aanneming van één enkelen tekst der Conventie zouden leiden" [152].
+
+Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als tijd
+van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de Conferentie
+van Parijs [153]. Doch ook nu bleek men den termijn te kort gesteld
+te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de Berlijnsche
+Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen.
+
+Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend,
+dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot),
+waren er zestien vertegenwoordigd. Haïti had geen vertegenwoordiger
+gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berlijn
+zou worden besloten [154]. Bovendien waren er vertegenwoordigers van
+negentien niet-aangesloten landen.
+
+De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche
+Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. Op
+een veertiental punten werden wijzigingen voorgesteld [155] en
+een ontwerp voor één enkele tekst der Conventie werd geredigeerd,
+waarin deze wijzigingen waren opgenomen [156]. Bovendien was nog
+van de Fransche Regeering een voorstel ingekomen betreffende de
+reproductie door middel van photographie en kinematograaf en een
+voorstel van de Japansche Regeering, strekkende om de vertaling
+in en uit het Japansch volkomen vrij te laten [157]. Naast deze
+officieele herzieningsvoorstellen, die met de daarbij gevoegde
+memoriën van toelichting als het ware de schriftelijke inleiding
+vormden voor de beraadslagingen te Berlijn, waren ook nu weer door
+verschillende vereenigingen en congressen wenschen uitgesproken en
+wijzigingsvoorstellen geformuleerd. De onvermoeide Association had
+op haar congres in Augustus 1907 te Neuchatel gehouden, een volledig
+herzieningsontwerp samengesteld, dat met eene memorie van toelichting
+aan de Regeeringen van alle Verbondslanden was toegezonden [158]. Ook
+van de wenschen van andere genootschappen hadden de verschillende
+Regeeringen zich op de hoogte kunnen stellen, daar hiervan wederom,
+evenals in 1896, door de zorgen van het internationale Bureau te Bern
+eene verzameling was verschenen [159].
+
+Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig den op
+de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, één enkelen tekst der
+Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle aangesloten staten
+zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te voorspellen. En
+hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch ook niet volkomen
+in vervulling mogen gaan. Wel werd tenslotte een herzieningsontwerp
+aangenomen, dat bestemd is alle vroeger gemaakte bepalingen
+(dus zoowel die van Bern als Parijs) te vervangen, doch voorgoed
+afgeschaft waren deze laatsten daarmede nog niet. Ten behoeve van
+sommige Verbondslanden, die zich niet met alle aangenomen hervormingen
+konden vereenigen, en vooral ook om den staten, die nog geen deel
+van het Verbond uitmaken, het toetreden niet te zeer te bemoeilijken,
+werd nl. in de nieuwe Conventie de bepaling opgenomen, dat elke staat
+bij de bekrachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden, op bepaalde
+punten nog gebonden te blijven door de oude Conventieteksten. Men heeft
+daarom niet geheel zonder recht, van hetgeen de Berlijnsche Conferentie
+tot stand heeft gebracht kunnen zeggen, dat het niet zoozeer is een
+bindend verdrag dan wel eene Model-Conventie [160], daar het immers
+iederen staat vrijstaat er alleen die bepalingen uit te kiezen, welke
+hem bevallen, terwijl hij voor het overige bij het oude kan blijven.
+
+De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn
+intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is
+volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het
+auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme hoofdtermijn
+vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; photographieën,
+werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn onder de beschermde
+producten opgenomen en op verschillende belangrijke onderdeelen,
+als bv. het journalistiek auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht
+van tooneel- en muziekwerken, de reproductie door middel van
+muziekinstrumenten en van den kinematograaf, zijn de grenzen der
+auteursbescherming deels uitgebreid, deels scherper getrokken. Groote
+verbetering is ook gebracht in de stelselmatige volgorde der artikelen
+en in de redactie van sommige bepalingen, die in de vroegere stukken
+wel eens aan duidelijkheid en beknoptheid te wenschen overliet.
+
+Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering
+van al deze hervormingen slechts mogelijk gemaakt; of ze werkelijk
+ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de verschillende
+staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om sommige der
+nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote meerderheid der
+nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de nieuwe Conventie
+in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen; het staat
+echter vast dat allen hiertoe niet--tenminste niet binnen kort--zullen
+overgaan. Zoolang dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de
+oude Berner Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en
+Slotprotocol benevens de Parijzer Additionneele Acte en "Verklaring")
+nog bestaan.
+
+Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er
+in de komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht
+in den toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene
+herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten,
+die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven,
+hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden
+en telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder
+zijn gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt
+natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de toekomst
+noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de eerstvolgende
+tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden te Rome,
+op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918.
+
+Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van
+nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen
+der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog
+zooveel belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van
+versterking der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn.
+
+Ook hieraan heeft de Association haar aandacht gewijd en hare pogingen
+om in deze richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk
+genoeg voor om hier te worden vermeld.
+
+Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen waren
+besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de wetgevingen
+van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te brengen, heeft
+eene Commissie uit haar midden zich daarna beziggehouden met het
+opstellen van een ontwerp model-wet (loi-type) met deze beginselen tot
+grondslag. Dit ontwerp maakte op de volgende congressen herhaaldelijk
+het onderwerp van belangrijke besprekingen uit en werd in den loop
+der jaren ook op enkele punten gewijzigd. Op het Congres te Parijs
+in 1900 heeft de heer Georges Maillard, die een belangrijk aandeel
+in deze werkzaamheden heeft genomen, doel en strekking hiervan nog
+eens uiteengezet [161]. Hij heeft er toen op gewezen, dat het ontwerp
+niet moet beschouwd worden als eene model-wet in dien zin, dat het,
+theoretisch gesproken, eene ideaal-regeling zou geven. De samenstellers
+hebben slechts de bedoeling gehad, de voornaamste elementen tot een
+geheel te vereenigen, waarover h. i. kans bestaat, dat de wetgevers
+der beschaafde staten het binnen afzienbaren tijd eens zullen
+kunnen worden. Het geeft dus niet die mate van bescherming, welke de
+Association in het algemeen wel zou wenschen (uit de besprekingen op
+hare congressen van verschillende auteursrecht-kwestiën blijkt, dat
+de meerderheid harer leden op de meeste punten nog verder wil gaan);
+doch het minimum, dat zij binnenkort voor alle staten bereikbaar
+acht. Wat den vorm en het systeem van dit ontwerp betreft: het is
+niet de bedoeling der samenstellers geweest, dat de tekst woord voor
+woord in alle landen tot wet zou worden gemaakt. Slechts de beginselen
+worden er in geregeld; waar men de beslissing van sommige punten liever
+niet aan den rechter overlaat (hierbij dacht men zeker vooral aan
+Duitschland), zullen de meeste bepalingen nog aanvulling behoeven. Het
+geheele ontwerp bestaat dan ook slechts uit zestien artikelen.
+
+Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al
+is de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in
+zijn geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet worden
+onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestudeering
+door bij uitstek daartoe bevoegden en eenerzijds aan de wenschen
+van een groote groep schrijvers en kunstenaars (d. w. z. auteurs)
+uit verschillende landen uitdrukking geeft, terwijl andererzijds
+slechts wat practisch bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat het
+voor de wetgevers een aantal wenken, die in elk geval bijzondere
+aandacht verdienen [162]. In den loop van dit proefschrift zal ik
+nog verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te
+verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten tekst
+ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen
+te moeten opnemen.
+
+
+
+De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming
+van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden
+geweest.
+
+In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten van
+tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te zullen
+blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaarttractaat met
+Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige eigendom over en
+weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk tractaat zou dit nader
+regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 29sten Maart 1855 [163]. Vijf
+jaar later werd er door eene Additionneele Overeenkomst de bepaling
+aan toegevoegd, dat de uitgave in Nederland van bloemlezingen van
+Fransche schrijvers, welke bestemd zijn voor het onderwijs, geoorloofd
+zou zijn. In 1884 is het, na korten tijd buiten werking te zijn geweest
+(krachtens de bepaling van art. 11 derde lid), weer in werking gesteld
+door eene tusschen Nederlanden Frankrijk uitgewisselde Verklaring
+[164]. Daarbij werd het tractaat ook toepasselijk verklaard in de
+wederzijdsche koloniën, terwijl de bescherming tevens werd uitgebreid
+tot de muziekwerken.
+
+Met België werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten [165], dat
+bijna gelijkluidend is aan dat van 1855 met Frankrijk.
+
+Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862 [166]; dit werd
+echter reeds tegen 4 Februari 1880 opgezegd, waarna het, na eerst nog
+enkele malen, telkens voor zes tot acht maanden, te zijn verlengd,
+den 4den October 1882 voorgoed buiten werking is gesteld [167].
+
+Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel
+daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van
+Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag
+door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar
+de Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet
+zou verwerven.
+
+De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt
+zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze bescherming is nog
+binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen alleen
+den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art. 1),
+dat met Frankrijk, krachtens de Verklaring van 1884, ook dien van
+muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze tractaten
+in het geheel niet verleend. Het tractaat met België is in dit opzicht
+zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het Fransche zou
+men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt bepaald, dat het
+auteursrecht ("het recht van eigendom of van kopij"), hetwelk de wet
+van het ééne land waarborgt of in het vervolg zal waarborgen, op het
+grondgebied van het andere land kan worden uitgeoefend "gedurende
+denzelfden tijd en binnen dezelfde grenzen als in dat andere land
+het recht wordt uitgeoefend, 'twelk aan de schrijvers van de aldaar
+uitkomende werken van gelijken aard is toegekend". Deze rechten kunnen
+echter niet uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land
+waartoe de schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu
+wordt in Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet
+uitdrukkelijk in de wet erkend, doch wél bestaat in dat land eene
+vaste jurisprudentie, volgens welke onder de réproduction, die in
+strijd is met het auteursrecht, ook moet verstaan worden reproductie
+in eene andere taal. [168] Feitelijk bestaat dus een uitsluitend
+vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen
+duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus
+hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de
+in dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen
+zijn beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht
+een vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de
+uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is
+echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en
+met nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche
+werken in ons land door het tractaat niet wordt verboden. Het,
+m. i. sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat
+de Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning
+van het uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen
+hiertegen van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk
+verklaard heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg
+hiervan werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien
+van het voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke
+Frankrijk met andere landen had gesloten, wél voorkomt, niet opgenomen
+[169]. Men mag het er dus voor houden, dat het tractaat het vertalen
+geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat de bescherming,
+welke het verleent, in de practijk weinig beteekent.
+
+Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene Proclamatie
+van 20 November 1899 van den President der Vereenigde Staten van
+Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 (nu vervangen door die
+van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt toepasselijk verklaard. Het
+zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan volledig uiteen te zetten;
+het zij voldoende hierbij aan te stippen, dat de Nederlandsche auteurs
+als gevolg hiervan voor hunne hier te lande verschenen werken onder
+bepaalde voorwaarden (o. a. die dat binnen een zekeren termijn eene
+nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne)
+aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland
+geenerlei verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden
+de onderdanen der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning
+van hun auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld
+als die van alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten.
+
+Dezelfde oppositie, die zich hier te lande tegen het sluiten van
+doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b. v. dat met Duitschland in
+1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erkenning
+van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uitgekomen
+werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu toe niet bij
+de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste Conferentiën van
+Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel vertegenwoordigd, n.l. door
+den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook het in 1885 vastgestelde
+Ontwerp heeft onderteekend [170]. De bekrachtiging van Nederland is
+echter uitgebleven.
+
+Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was
+uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd.
+
+Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders
+van onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde
+der eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging
+gevoerd. In 1898 werd opgericht een Berner Conventie Bond, die naast
+vele letterkundigen en kunstenaars ook verschillende invloedrijke
+vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905)
+kwam de Vereeniging van Letterkundigen tot stand, welk lichaam zich
+ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze aansluiting
+[171]. In de Tweede Kamer was het vooral Professor van der Vlugt,
+die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door dezen
+afgevaardigde werd ingediend [172], waarin aan de Regeering werd
+verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk de noodige stappen te doen,
+is echter nooit in behandeling gekomen.
+
+De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk
+is niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk,
+van onze aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door
+afgevaardigden te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land
+is aldaar vertegenwoordigd geweest door: Mr. F. W. J. G. Snijder van
+Wissenkerke, directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom,
+Mr. L. J. Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant,
+Herman Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen
+en W. P. van Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts
+ad audiendum de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne
+tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder
+van Wissenkerke legde er namens de Nederlandsche Regeering de
+verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te
+bevorderen, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie
+af zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen [173]. De andere
+ter Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant, dat
+zij hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld voornamelijk
+met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de bepaling werd
+opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond wenschen toe
+te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat zij gedwongen
+zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden.
+
+Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt uit
+het in dit najaar verschenen Oranjeboek [174], waarin de indiening
+van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de toetreding
+van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk dit
+vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II
+
+GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER
+
+
+§ 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën
+
+In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een wetenschappelijke
+verklaring en motiveering van het auteursrecht. De reeds in het
+tijdperk der privilegiën herhaalde malen uitgesproken overtuiging,
+dat de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in het recht
+der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde ertoe het
+auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit denkbeeld
+vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de zeventiende eeuw
+[175] en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis d'Héricourt [176]
+nader uitgewerkt. Later heeft de theorie van den letterkundigen of
+intellectuelen eigendom talrijke aanhangers gevonden en ook grooten
+invloed op de wetgevingen uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef
+ik slechts te herinneren aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur
+van Holland van 1796 en aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden een
+eeuwigdurend kopierecht toekenden. De theorie vond echter al spoedig
+van verschillende kanten heftige bestrijding; in Duitschland, waar
+onder de voornaamste voorstanders Fichte, Hegel en Schopenhauer zijn
+te noemen, kon zij toch niet lang de heerschende blijven; in Frankrijk
+vond zij vooral in Renouard een gevaarlijken tegenstander; toch blijft
+men daar nog steeds spreken van propriété littéraire et artistique,
+en al heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteursrecht als een
+van eigendom op zeer vele punten afwijkend recht ontwikkeld, het is
+nog wel iets meer dan de naam alleen, die daar van de oude theorie
+is blijven voortbestaan [177].
+
+Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut
+recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht,
+te construeeren. Dit is de zoogenaamde contracts-theorie, volgens
+welke het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend
+beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar van een boek de kooper
+gebonden zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een eenigszins
+beteekenenden aanhang kunnen verwerven [178].
+
+Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar
+een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie
+van iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene krenking der
+persoonlijkheid zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer
+zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een
+boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van
+den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden herhaald
+[179]. In den laatsten tijd komen de theorieën, die uitsluitend of
+althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen van het
+auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den voorgrond [180].
+
+Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie
+met bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de
+auteursbescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door
+anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen
+sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve
+rechten kan worden ingedeeld.
+
+Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex
+van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der
+auteurs ten grondslag kon worden gelegd [181]. Ook Jolly kwam tot de
+conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere juridische
+vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er inbreuk op
+wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt verklaard [182].
+
+Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie,
+met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het
+alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel
+was, om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid
+te verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen
+noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze
+uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari
+1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt: "It is desirable
+that we should have a supply of good books: we cannot have such a
+supply unless men of letters are liberally remunerated; and the least
+objectionable way of remunerating them is by means of copy right"
+[183].
+
+Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische
+beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren,
+toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort
+overzicht moge hiervan volgen.
+
+De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van
+Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar
+oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen
+des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te spreken, leverden weinig
+belangrijks op. Het hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden
+aangeroerd en maakte "geen bepaald voorwerp van redetwist" uit [184].
+
+Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche
+Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de
+orde was gesteld: "Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten
+van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?"
+
+Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en
+Mr. J. Freseman Viëtor.
+
+Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraagstuk
+had uiteengezet [185], ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht
+op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde het auteursrecht beschouwd
+zien als een soort privilegie, alleen steunende op het algemeen nut,
+"op de noodzakelijkheid om schrijvers en uitgevers eenig voordeel te
+verzekeren, ten einde het uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken"
+[186].
+
+Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting
+met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had
+gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde:
+
+"Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice
+den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen
+kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse
+der bedoelde auteurs" [187]. Ook volgens dezen schrijver steunde
+de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met
+economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend,
+nader werd uitgewerkt.
+
+In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel
+uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging.
+
+De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen
+van de negen en veertig stemmen.
+
+De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: "dat
+de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder,
+die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot
+teruggave" werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen en
+de leer van het "stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij
+den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben
+gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte
+onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te
+zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd"
+vond slechts één enkelen aanhanger.
+
+Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en
+drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling:
+"dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende
+reproductie moet worden gegeven" [188].
+
+Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er
+geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in
+het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting
+kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap,
+dat een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht "in het algemeen
+belang" acht?
+
+Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juridische
+voorlichting op dit gebied ontbreken.
+
+De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen,
+waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd
+wordt, zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne
+recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben
+gevonden [189], en Mr. G. Belinfante, die in een Themis-artikel [190]
+het recht der schrijvers uit den eigendom van het manuscript poogde
+af te leiden, vonden van verschillende zijden krachtige en doorgaans
+zóó afdoende bestrijding, dat er van hunne theorieën weinig overbleef
+[191].
+
+Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging
+het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het
+Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz [192] werd van de overwinning
+van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag gemaakt; het slot
+van dit opstel klonk niet geruststellend voor de auteurs:
+
+"Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met
+alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien,
+hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op 't gebied van 't auteursrecht
+zal worden toegepast" [193].
+
+Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote
+meerderheid toch nog altijd "het algemeen belang" zich verzetten,
+gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht.
+
+Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids over onze
+aansluiting bij de Berner Conventie [194]. Na te hebben verklaard,
+dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor het auteursrecht
+vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het auteursrecht uitsluitend
+op overwegingen van algemeen belang steunt, gaat deze schrijver bij
+de bespreking der internationale bescherming aldus voort: "Behoort
+men nu verder te gaan en ook eene internationale regeling van het
+auteursrecht te helpen verwezenlijken? M. a. w. behoort nadruk
+van werken, die in het buitenland zijn uitgegeven in Nederland
+te worden geweerd? Deze vraag zou onvoorwaardelijk bevestigend
+zijn te beantwoorden, indien een algemeen rechtsbeginsel van het
+auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, gelijk U gebleken is,
+naar mijne meening niet het geval". [195] Langs deze redeneering komt
+de schrijver dan tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen
+(auteurs van in het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier
+te lande dient te onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt.
+
+Aan dezen raad heeft men zich--zooals bekend is--tot nu toe in ons
+land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die zich tegen
+het deelnemen van Nederland aan de internationale regeling van het
+auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het auteursrecht is
+geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de wetgever het aan
+den een onthouden en den ander toekennen, al naar mate het "algemeen
+belang" hiermede gediend is.
+
+Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die
+zich met de uitspraak "dat in het algemeen belang een recht tot
+uitsluitende reproductie moet worden gegeven" niet tevreden konden
+stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging van
+het wetsontwerp van den plicht des wetgevers om deze bescherming
+te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: "niet
+eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui generis"
+[196]; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde gelegenheid in de Tweede
+Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet had te scheppen, maar
+dat het een bestaand, op redelijkheid en rechtvaardigheid steunend
+recht was, waaraan door de wet slechts eene vormelijke en stellige
+uitdrukking moest worden gegeven; [197] en in sommige aan het
+auteursrecht gewijde monographieën worden naast het algemeen belang
+ook gronden van billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt
+er op gewezen, dat het auteursrecht in overeenstemming is met de in
+ons geheele privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen [198]. Doch
+het bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde
+schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken,
+dat men zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht.
+
+Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van
+het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk
+gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van
+ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was,
+schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere
+onderzoekingen overbodig te achten.
+
+Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu
+eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch
+men schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In
+de voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er
+meestal slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan
+nog hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het geen
+eigendom is [199]; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men
+het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter
+van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort,
+dan maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een jus
+sui generis; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft
+en waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: "un pareil
+aveu est peu compromettant et laisse la question dans le même état"
+[200]; anderen voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar
+toch nog te weinig zeggend étiquet: "absoluut vermogensrecht" [201].
+
+
+
+Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het
+auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland,
+hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op
+de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van
+vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze
+materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht,
+in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen
+worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden
+aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt.
+
+Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd
+de Berlijnsche hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne
+Immaterialgüterrechts-theorie. Evenals de theorie van den
+letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat
+schrijvers en kunstenaars, die een origineel werk hebben voortgebracht,
+daarop een uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler
+aldus kort en krachtig geformuleerd: "Wer ein neues Gut schafft, hat
+das natürliche Anrecht daran" [202]. Op dit beginsel voortbouwende
+construeert hij het auteursrecht als een recht op het geestelijk
+voortbrengsel. Naast de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier
+te doen met eene nieuwe categorie rechtsobjecten (Immaterialgüter),
+die zich door hun eigenaardig karakter van de overige onderscheiden;
+de rechten op immaterieele goederen (Immaterialrechte), waartoe
+behalve het auteursrecht ook behoort de zoogenaamde industrieele
+eigendom, vormen een afzonderlijke groep absolute vermogensrechten,
+wel van de zakelijke rechten te onderscheiden.
+
+Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de grondslag
+van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de juridische
+constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur die ik
+haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, zal ik in
+de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal tevens
+gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche
+schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel
+woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.
+
+
+
+
+§ 2 Recht of doelmatigheid?
+
+In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne
+boven aangehaalde rede aldus formuleerde: "Is this a question of
+expediency or is it a question of right?" Hebben de auteurs recht
+op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een,
+waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin
+dus alleen de doelmatigheid, "het algemeen belang", heeft te beslissen?
+
+Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de
+meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben
+beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele conclusiën,
+die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen trekken. Het schijnt
+daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste argumenten eenige aandacht
+te wijden.
+
+Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld,
+behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over
+auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen
+schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot
+de school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag,
+of iets recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de
+doelmatigheid te laten beslissen, van "abstracte rechten", waarvoor
+om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning wordt
+gevraagd, wil hij niet weten [203].
+
+Het ligt niet in mijne bedoeling--het zou mij trouwens ook te ver
+van mijn onderwerp afvoeren--deze zienswijze hier te bespreken; zoo
+aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmerkingen
+te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor geen anderen
+grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt men zich
+af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien van het
+auteursrecht nog eens in 't bijzonder in het licht te stellen. Dat
+het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het "algemeen belang"
+heeft het dan immers met alle andere rechten gemeen; dit behoeft
+daarom nog geen reden te zijn om het een privilegie te noemen, zooals
+mr. Viëtor verscheidene malen doet.
+
+Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft,
+heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne
+nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen
+toepassen: "Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik niet
+van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel afgescheiden
+van de gevolgen zou ik ze willen handhaven" [204].
+
+Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig
+is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek "naar het al of niet
+rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet
+bestaan van eenig ander recht van schrijvers" [205] niet overbodig.
+
+Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn
+onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel
+duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet zou weten "hoe het abstracte
+recht van den eigendom aan te toonen" [206], hoewel toch de eigendom
+behoort tot de rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne
+nuttigheid wil doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor
+den eigendom te vinden buiten de doelmatigheid om:
+
+"Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen
+belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld,
+maar ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk
+te kunnen heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de
+geheele maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie
+tusschen recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen
+en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar
+vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig is,--zoo
+durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan van den
+eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut van dat
+instituut. Ik buig mijne knie voor het "fait accompli", dat zich niet
+"non accompli" laat denken. Het nut is hier, zooals Stuart Mill terecht
+zegt (Utilitarianism p. 79), zooveel grooter en zooveel tastbaarder,
+dat het verschil in graad een werkelijk verschil in soort wordt" [207].
+
+Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te hebben
+aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, meent
+hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden. "Dat
+niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht zelf eene
+onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat recht
+zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn of
+onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken" [208].
+
+Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde
+overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en
+auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit,
+dat het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet.
+
+In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van
+het auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het
+recht van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen
+kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht
+zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pretexten
+noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader hoop uiteen
+te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaanbaar, maar
+het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan een eeuw lang,
+in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór had men dan toch de
+privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel
+met het auteursrecht overeenkomende bescherming boden. Bijna met
+evenveel recht als van den eigendom kan men ook van het auteursrecht
+zeggen, dat het "algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd
+gequalificeerd". Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid van
+het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men
+geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg
+pas reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik
+dat in mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men
+voor dien tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van
+geschriften en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht
+dacht, kan nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van
+dat recht in onze tegenwoordige maatschappij.
+
+En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het auteursrecht
+met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men zich deze
+moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne toegeven,
+dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere belangen
+zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels hierin,
+dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk mee
+in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking
+op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het
+algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers,
+tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste
+menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook
+het gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen
+persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om,
+gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De
+immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van
+rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom,
+d. i. ongeveer de geheele stoffelijke wereld. Maar is dit nu een
+reden om de erkenning van het mijn en dijn op geestelijk gebied in
+beginsel van minder belang te achten?
+
+Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan
+wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken
+belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht
+in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar
+de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.
+
+En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht
+niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. Inbreuk
+op auteursrecht wordt--misschien niet door de groote menigte, die
+zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft--maar wel door de
+belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het hier om
+gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als inbreuk
+op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom--gesteld dat dit
+mogelijk ware--de geheele maatschappij in wanorde zou brengen, omdat
+ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het
+auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden,
+en binnen den kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen,
+niet tot minder ernstige gevolgen leiden.
+
+Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men zich
+op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens conclusiën
+in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen.
+
+Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het
+een en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt
+uiteen te zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van
+Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman: Over de rechten der uitvinders
+[209]. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor hem de vraag,
+of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd diende
+te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de
+instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het
+algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het
+Recht mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet beheerscht
+door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft het in het
+volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een gegeven
+tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, omdat het recht is.
+
+Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde
+onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe
+tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de
+Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden,
+maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als
+maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet
+rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten
+beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig
+gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des
+schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben.
+
+Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte
+verklaring op dit punt noodzakelijk.
+
+Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de omschrijving
+die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: "...de
+eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover andere
+menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te bereiken,
+maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht nemen"
+[210]. Het doet zich aan ons voor als een in den mensch werkende
+kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van handelingen,
+zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen gedragslijn daartoe
+meewerken.
+
+Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene
+vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke
+omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij
+vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene
+menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote
+overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal
+de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen,
+het grootst zijn [211]. Men kan daarom in vele gevallen spreken van
+een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle
+leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien
+eener zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt.
+
+Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden
+verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten,
+of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende
+kracht moet worden toegekend.
+
+Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn,
+waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur
+onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij,
+die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en
+oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan
+worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn
+in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang
+is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt,
+geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met
+doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is
+allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden
+en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te verwerpen.
+
+Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het
+rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn;
+zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij
+voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht;
+doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen
+blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met
+rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden.
+
+Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de
+fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon
+worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in
+het algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou willen aanvoeren,
+is dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene
+instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt
+daardoor den indruk--en dit is ook blijkbaar in overeenstemming met
+de bedoeling van den schrijver--dat het auteursrecht niet anders
+is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping van
+den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt
+bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus
+zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel
+werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden,
+of indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde
+van Heine waarheid bevat: "Autoren und Mispeln gedeihen am besten,
+wenn sie einige Zeit auf dem Stroh liegen" [212].
+
+Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een
+recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een
+of andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas;
+dan zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen stellen met
+instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den tabaksverkoop
+of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde waren [213]. Doch
+het groote verschil, dat m. i. niemand zal kunnen ontkennen, ligt
+hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer van goederen door
+niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de wet, die deze
+handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En daarom zal
+men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet in
+twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of
+meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van
+hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder
+zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan
+wien ik dit voorbeeld heb ontleend: "...dasz diese Rechtsschöpfungen
+nur artifizieller Natur sind, dasz sie nicht an sich schon in dem
+Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des Volkes wurzeln, dasz sie,
+wie überhaupt artifizielle Schöpfungen, sich nicht mit derselben
+Naturgewalt aufdrängen, wie die, ich möchte sagen, naturwüchsigen,
+auf unmittelbarer natürlicher Initiative beruhenden Rechte".
+
+Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een
+"naturwüchsiges Recht" is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop
+het kan groeien, noodig eene maatschappij, die al een goed einde
+in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden ontkend. Kohler
+wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen waarin de
+nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, dat van
+auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele schrijvers
+aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: "Was soll das doch
+sein, meine lieben Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich
+raubt und stilt das seine und unter einander euch verderbt? Seid ihr
+nu Straszenräuber und Diebe worden?..." enz. Kohler voegt hieraan toe:
+"Wenn Jemand so über den Tabakhandel sich äuszerte, auch wenn man am
+Vorabend des Monopols stünde, so würde man nur ungläubig die Köpfe
+schütteln--das ist eben der Unterschied zwischen den naturwüchsigen
+und den artifiziellen Rechtsnormen" [214].
+
+Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen
+aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den
+nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed
+vergrijpt [215]; in zijn Idee des geistigen Eigenthums [216] heeft
+hij bovendien aangetoond, hoe dit rechtsbewustzijn in den loop der
+jaren luider en duidelijker is gaan spreken en hoe zich langzaam
+maar zeker heeft ontwikkeld die "Idee des geistigen Eigenthums",
+d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft
+voortgebracht, dat hij het het zijne kan noemen.
+
+Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat
+die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang
+te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik
+uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch,
+doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar
+de--boven reeds genoemde--voorrede van Poot voor den tweeden druk
+zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: "...van der
+Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, gelyk ik ook
+nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten zy men my
+anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het vaderrecht des
+geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn bleef."
+
+Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard
+uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel
+niet alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band,
+die tusschen den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij
+zoo eigenaardig noemt "het vaderrecht"; anderen vonden misschien
+geene aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel
+hetgeen zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch
+hoe dit ook zij, ten slotte vond ook in ons land "die Idee des
+geistigen Eigenthums" ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk
+als in andere landen. En dat in onzen tijd door belanghebbenden
+het auteursrecht niet wordt beschouwd als een buitenkansje, dat
+den auteurs toevallig ten deel valt omdat het algemeen belang dit
+zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel aanspraak heeft om
+beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, daarvan kan men
+herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang geduurd, voordat
+het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs hier te lande
+inzagen, dat ook voor hen een Kampf um 's Recht te voeren is, niet
+alleen om te verdedigen wat zij hebben, maar ook om te verkrijgen
+wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. Doch in de laatste jaren
+is hierin verandering gekomen. In dagblad- en tijdschriftartikelen,
+in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers en kunstenaars op
+voor hunne rechten; een Vereeniging van Letterkundigen is opgericht
+voornamelijk met het doel het auteursrecht harer leden te beveiligen,
+een Berner Conventie Bond om onze toetreding tot de internationale Unie
+te helpen bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden
+uitsluitend als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande
+houdt, wat daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk
+belang bij hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet
+kan gedoogen, dat geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd
+worden tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij
+op te merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun eigendom,
+ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te
+toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland
+wordt een roofstaat genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie
+is aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn
+werk vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet,
+heet een dief en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in
+een Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie over de onvoldoende
+bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: "Excellentie,
+ik word begapt!" [217]
+
+Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven spreken
+van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt op
+het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman Viëtor,
+het volks-rechtsbewustzijn niet "als rechter in hoogste ressort", kan
+men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige
+scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene
+natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets anders
+toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en welke niets
+anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod voor onrecht
+wordt gehouden.
+
+Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de
+rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner
+medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor "het algemeen
+belang" stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende worden
+gezegd.
+
+Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen
+rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag
+gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming
+worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt
+bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens
+schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, "dat de schrijver.... zonder
+positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren
+op grond van algemeene rechtsbeginselen" [218]; dan weer heet het:
+"er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en
+kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren" [219]; mr. de
+Ridder stelt, dat "uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer"
+de auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne
+tweede stelling is: "Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct
+of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding
+dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse
+der bedoelde auteurs" [220]. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus:
+"Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den
+staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl
+het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd
+nog niet aangetoond" [221]. En hieruit volgde, naar dezen spreker,
+dat aan het auteursrecht geen "civilistische grondslag" tot basis kon
+worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden
+op economisch-politische overwegingen (dus: "het algemeen belang"),
+waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten.
+
+De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: "Naar welk
+hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op
+het product van hun arbeid regelen?" En nu meen ik dat de conclusie,
+waartoe bovengenoemde schrijvers met de meerderheid hunner medeleden
+kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen rechtsbeginsel, doch slechts
+het algemeen belang had te volgen, voor tweeërlei uitlegging vatbaar
+is of liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden,
+welke ik aldus zou willen formuleeren:
+
+1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toekennen
+(dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en
+kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun
+arbeid.
+
+2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie,
+daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is
+te brengen.
+
+De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend
+recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in
+kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt
+in verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen
+wet op het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de
+wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit,
+dat de rechtswetenschap het auteursrecht niet kent, dat er in het
+rechtssysteem voor dit recht geen plaats is.
+
+Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door
+de leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is
+gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën,
+die zij bestreden en wel in 't bijzonder aan de theorie van den
+letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders
+dezer leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het
+auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren
+als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar
+analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom
+wordt gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als
+eigenaar van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt
+mij wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden;
+daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken.
+
+Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht
+hadden, zou--hierover zal ieder het wel eens zijn--het eenige
+rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken
+door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag,
+waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer,
+of nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht)
+zou zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals
+bekend bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent
+de beteekenis van den term "onrechtmatige daad"; zonder mij in de
+discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren,
+dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime
+uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige
+daad door anders te handelen "dan in het maatschappelijk verkeer den
+eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het oog
+op zijne medeburgers behoort te handelen" [222].
+
+Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog
+meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens
+werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling
+den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer
+al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover
+kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe
+krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten reageert.
+
+Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de
+auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen,
+die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt,
+uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd,
+dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en
+dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze
+bescherming zich zou kunnen uitstrekken en--wat hier ook gevraagd kan
+worden--hoever in onze jurisprudentie die bescherming waarschijnlijk
+zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar ik slechts op
+heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling noodig is,
+om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken.
+
+Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers
+met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime uitlegging
+van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers vond [223].
+
+Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 1401
+zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet anders
+dan door--met blijkbare instemming--eene zinsnede, die Mr. Lohman
+zich had laten ontvallen aan te halen: "dat het kopijrecht "de
+rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van den mensch" verkort,
+"het recht namelijk om boeken te drukken"" [224]. Het antwoord hierop
+kan kort zijn.
+
+Er bestaat geen "recht om boeken te drukken" evenmin als een recht
+om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er bestaat
+slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het recht
+ze toelaat. Maar "natuurlijke vrijheid" moet niet opgevat worden
+"in den zin van het recht om alles te doen wat men wil, mits het
+maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar veeleer in
+dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen aangetast
+of beschadigd te worden, in dien van het recht op eerbiediging van
+onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen arbeid." "Alleen
+de vrijheid dus opgevat"--voegt prof. Molengraaff, aan wien ik deze
+woorden ontleen, hieraan toe--"mag gezegd worden geen erkenning noodig
+te hebben om te gelden, maar een verbod om niet te gelden" [225].
+
+Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen
+geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken,
+is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud
+slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de
+bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen,
+is zij waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter
+niet om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag--hierboven reeds
+toestemmend door mij beantwoord--of eerbiediging van de rechten der
+auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht,
+als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En
+dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het
+hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag,
+welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen
+eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met den
+grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit niet
+te maken. Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, direct
+of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het algemeen kan
+worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even onontbeerlijk
+is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons burgerlijk
+wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de eigenaars.
+
+De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: "Het auteursrecht is
+niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der
+in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen." Er is niets
+tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechtsbegrippen,
+die de Romeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens en voor altijd
+zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tijden toekunnen. In de
+tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden met het vormen
+van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechtsregels bestonden de
+middelen van exploitatie van geschriften en kunstwerken, waardoor het
+auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog niet. Het behoeft daarom
+niet te verwonderen, dat men, alleen door logische redeneering uit
+deze begrippen en regels, geen antwoord kan vinden op de vraag, of
+het iemand vrijstaat een anders boek na te drukken of reproducties van
+een anders schilderij of teekening te vervaardigen. Pogingen in deze
+richting zijn genoeg beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip
+de bevoegdheden der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs
+de specificatio bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich
+van exploitatie van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een
+verbintenis voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren;
+ook de theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een
+Romeinschen rechtsregel: "nemo cum damno alterius locupletior fieri
+debet." Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het
+auteursrecht liet zich langs dezen weg niet "bewijzen". Dit is door de
+meeste Nederlandsche schrijvers over 't auteursrecht en in 't bijzonder
+door de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der
+Juristen-Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner
+beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde
+»juridische" theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd,
+wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke daarbij
+dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te
+worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, dat het auteursrecht
+alleen op utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk
+geen recht is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een
+privilegie, om redenen van "algemeen belang" (d.i. instandhouding
+van kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen
+dit te hebben gemeend.
+
+"Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich nicht
+romanistisch konstruiren lässt, kein gutes Recht zu sehen vermag"
+[226]. Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier min of meer
+toepasselijk. Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden der
+Juristen-Vereeniging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd
+valt de begripsverwarring, waar Gierke op doelde, eenigszins te
+constateeren. De volgorde der vragen was zoodanig, dat eerst de
+verschillende pogingen om het recht "romanistisch" te construeeren
+aan het oordeel der vergadering werden onderworpen; voor het geval
+geen dezer constructies bevredigend zou blijken, had men tenslotte
+een vierde vraag opgesteld: of in het algemeen belang door de wet een
+recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er,
+na het ontkennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of
+onrecht geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere
+of mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was
+ook de redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde: het
+auteursrecht is geen zakelijk recht, geen persoonlijk recht, dus:
+het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy evenmin het algemeen
+belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen enkele grond
+voor de auteursbescherming en diende de geheele instelling dus te
+vervallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische
+ontwikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht
+gewijd [227]; trouwens wat het laatste betreft mag worden betwijfeld,
+of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt. Toen hij,
+ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het "zoogenaamd
+auteursrecht" nog eens ontvouwde, voegde hij daaraan toe: "Deze mijne
+bedenkingen dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. Naar rechten evenwel
+hebben zij thans nog slechts theoretische waarde (of onwaarde). Sedert
+1881 bezitten wij eene wet op het auteursrecht". [228] Van de
+wettelijke erkenning van dit recht in ons land vóór 1881 scheen deze
+schrijver dus niet te hebben geweten.
+
+
+
+Wat nu de stelling betreft, "dat in het algemeen belang door de wet
+een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven," welke
+tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe de meerderheid
+der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, een
+positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt,
+niet bereikt. Indien men onder "algemeen belang" dient te verstaan
+doelmatigheid, utiliteit (dus: expediency, zooals Macaulay deze
+tegenover right stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling
+met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het
+auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats
+voor wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets;
+evenmin de bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op
+positieve wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet
+in de bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder
+weinig zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: "naar welk
+hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars
+op het product van hun arbeid regelen?" Het is een antwoord, dat
+eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier
+geen voorlichting weet te schenken.
+
+Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de Juristen-vereeniging
+kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men bepaalde zich tot
+het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde theorieën, zonder iets
+anders daarvoor in de plaats te stellen.
+
+Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te
+bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn
+prae-advies schreef mr. de Ridder: "...al moeten we ook met een zucht
+afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel te vinden,
+wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die wetenschap,
+welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer onderzoekt en de
+leemten daarin aanwijst, een beginsel, dat, zoo de wetgever zich leent
+tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor,
+dat der sociale behoeften" [229].
+
+Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle,
+welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende
+paragraaf spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische
+beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de
+plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een
+scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden
+gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men
+tot de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels
+en rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht
+kon dienen, had men niet "met een zucht" van alle verdere pogingen
+in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in de
+economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap, maar
+het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet te
+verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te kunnen
+worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit laatste
+hebben te herzien, zoodat de plaats worde gemaakt. Doch nooit mag de
+conclusie luiden: het nieuwe recht hoort in het van ouds bestaande
+systeem niet thuis en derhalve erken ik het niet als een recht.
+
+
+
+
+§ 3 Economische theorieën
+
+De voortbrengselen van kunst en letterkunde kunnen op zichzelf,
+d. w. z. los van de wijze, waarop zij met voor onze zintuigen
+waarneembare teekens worden weergegeven, geen voorwerp van economische
+beschouwing zijn. Slechts indirect is de geestelijke schepping voor
+den econoom van beteekenis, nl. voor zoover zij zich in de stoffelijke
+wereld manifesteert.
+
+Het is daarom onjuist, om zooals b.v. Proudhon doet, een schrijver in
+economischen zin voortbrenger te noemen en zijn werk een economisch
+product:
+
+"L'écrivain, l'homme de génie, est un producteur, ni plus ni moins que
+son épicier et son boulanger; son oeuvre est un produit, une portion
+de richesse" [230]. En: "A tous les points de vue, la production
+industrielle et la production littéraire nous apparaissent donc
+identiques" [231].
+
+Wel oefent een schrijver met zijn geestesproduct invloed uit
+op de voortbrenging en werkt hij er indirect aan mede, doch de
+eigenlijke voortbrenging in economischen zin begint pas--krijgt
+althans pas beteekenis--wanneer zijn boek geëxploiteerd wordt, dus
+in druk verschijnt. Wat nu wel "une portion de richesse" uitmaakt,
+is het duizendtal gedrukte exemplaren, dat van het geschrift
+wordt vervaardigd, maar dit is niet "het voortbrengsel" van den
+schrijver. Wat de schrijver heeft voortgebracht is een product van
+intellectueelen aard en staat als zoodanig buiten den beschouwingskring
+van den econoom.
+
+Proudhon geeft verder eene geheel verkeerde voorstelling van de
+zaak, wanneer hij, voortredeneerende op de stelling, dat de auteur
+voortbrenger is, beweert dat bij de uitgave van het boek de schrijver
+zijn voortbrengsel verruilt; en zijne redeneering raakt kant noch wal,
+wanneer hij op dien grond (dus omdat hier ruiling van voortbrengselen
+plaats heeft) concludeert, dat de schrijver na de publicatie geen
+recht meer op zijne schepping heeft:
+
+"Les lois de l'échange sont: que les produits s' échangent les uns
+contre les autres; que leur évaluation ou compensation a lieu dans un
+débat contradictoire et libre, désigné par les mots offre et demande;
+que l'échange opéré, chaque échangiste devient maître de ce qu'
+il a acquis comme il l'était de son propre produit, en sorte que, la
+livraison faite et l'échange consommé, les parties ne se doivent rien"
+[232].
+
+"Ces lois sont universelles; elles s' appliquent à toutes les espèces
+de produits et de service, et ne souffrent pas d'exception," voegt
+Proudhon hier nog bij, maar hij schijnt te vergeten, dat wat hij
+"lois d'échange" noemt, geen bindende regels zijn, die voorschrijven
+wat recht is. Dat de bakker die zijn brood, en de boer die zijn
+aardappelen verkocht heeft, geen recht meer op hun voortbrengsel
+kunnen doen gelden, is niet omdat de door de economen opgespeurde
+wetten van het ruilverkeer dat zoo willen, maar omdat de wet, die den
+privaten eigendom van brood en aardappelen erkent, dit gevolg aan
+hunne handeling verbindt. Indien de schrijver, evenals de bakker,
+zijn product kon inruilen, dan zou het auteursrecht-vraagstuk geen
+moeilijkheden meer opleveren, of liever: door dit te beweren, plaatst
+men zich op het standpunt, dat het vraagstuk al opgelost is; immers
+het begrip ruiling veronderstelt de erkenning van privaten eigendom op
+het voorwerp, dat verruild wordt, en het gaat hier juist om de vraag,
+of er een recht op het intellectueele product verleend zal worden. Met
+eene "economische" theorie als deze komt men dus niet verder [233].
+
+Nog minder verdient eene ernstige behandeling wat Louis Blanc over
+het auteursrecht heeft geschreven. Men oordeele over de volgende
+argumentatie: "D'ailleurs, quelle que soit la part de tous dans
+la pensée de chacun, on ne niera pas du moins que la pensée ne
+tire de la publicité toute sa valeur. Que vaut la pensée dans la
+solitude?" ..... "Il n'est donc pas besoin de savoir d'où vient
+l'origine des productions de l'esprit, il suffit de savoir d'où vient
+leur valeur, pour comprendre qu'elles ne sauraient être le patrimoine
+de personne. Si c'est la société qui leur confère une valeur, c'est à
+la société seule que le droit de propriété appartient. Reconnaître,
+au profit de l'individu, un droit de propriété littéraire, ce n'est
+pas seulement nuire à la société, c'est la voler" [234].
+
+Eene dergelijke redeneering behoeft nauwelijks te worden weerlegd. Op
+dezelfde wijze zou men kunnen betoogen, dat een fabrikant van
+locomotieven of van piano's zijne producten aan ieder gratis moet
+afstaan; want wat heeft men aan een locomotief in een onbeschaafde
+streek waar geen treinen zijn? Hier is het evengoed de maatschappij,
+welke aan het goed zijne waarde geeft. Doch men is nu eenmaal niet
+gewoon de waarde van een goed te berekenen naar wat er op een onbewoond
+eiland voor zou worden gegeven!
+
+Eene veel betere verklaring van de beteekenis van het auteursrecht
+in het economisch verkeer geeft de theorie van Schaeffle [235]. Deze
+schrijver beschouwt den auteur niet als zelfstandig voortbrenger, maar
+als mede-arbeider in eene onderneming, en hij maakt eene vergelijking,
+niet tusschen geestelijke en stoffelijke producten, maar tusschen
+wat hij noemt: "Symbolische Güter", "Güter der Darstellung und der
+Mittheilung" en "Nüzliche Güter". Beide categorieën van goederen
+vereenigen in zich een geestelijk en een materieel element; het
+onderscheid is, dat bij de eerstgenoemde categorie (waartoe dan
+gerekend moeten worden: boeken, platen, tijdschriften, dagbladen
+enz.) het geestelijk element overwegend is.
+
+De redeneering van Schaeffle komt in het kort op het volgende neer. De
+uitgave van een boek (om ons hierbij nu maar te bepalen) is eene
+onderneming, eene combinatie van arbeid en kapitaal. Evenals bij elke
+andere onderneming geeft het aanwenden van arbeid en kapitaal aanspraak
+op belooning, indien het voortgebrachte product in eene economische
+behoefte voorziet (ondernemersloon, en, als daar termen voor zijn,
+ook ondernemerspremie) [236]. Doch zoolang het ieder vrijstaat het
+uitgekomen boek na te drukken, is het den oorspronkelijken uitgever
+niet mogelijk deze vergelding (speciaal de ondernemerspremie) te
+genieten. De oorzaak hiervan ligt in de eigenaardige eigenschappen
+van het voortgebrachte product in het economisch verkeer. Hier komt nu
+het onderscheid uit tusschen de "symbolische" of "darstellende Güter"
+en de "nüzliche Güter". Beiden vereenigen in zich, zooals gezegd,
+een materieel en een geestelijk element en bij beiden wordt het
+geestelijk element na korter of langer tijd gemeengoed. Het verschil
+is, dat dit proces (het gemeen-goed worden van het "geestelijke")
+bij de goederen van de tweede soort langzamerhand geschiedt, bij
+de "darstellende Güter" echter in eens. Om een boek na te drukken
+behoeft men geene proeven te doen, men behoeft zijne arbeiders er
+niet afzonderlijk voor te doen africhten, in één woord: het is niet
+noodig de tijd en geld kostende voorbereidselen te maken, die bij
+zuiver industrieele producten dengeen die ze het eerst op de markt
+bracht een voorsprong op de namakers geven. De nadrukker heeft
+te beschikken over een "... mechanisch- und chemisch-technischen,
+unmittelbar schlagfertigen Nachahmungs-apparat vom gleicher Vollendung,
+wie derjenige des Original-verlegers ist" [237].
+
+Terwijl dus in den regel de als gevolg van het gemeen-goed worden van
+het geestelijk element intredende concurrentie pas na verloop van tijd
+de prijs van het nieuwe product drukt, en derhalve prioriteit op de
+markt voldoende is om ondernemers-loon en premie binnen te krijgen, is
+dit bij de uitgave van een boek niet het geval. De winst, die volgens
+de gewone wetten van het economisch verkeer den eersten uitgever
+moest toevloeien, ontgaat hem wegens de exceptionneel-ongunstige
+eigenschappen van zijn product.
+
+Daarom bestaat er hier voor den Staat alle reden om in het economisch
+verkeer in te grijpen en wel zóó, dat de ondernemer, die "symbolische
+Güter" voortbrengt, dezelfde kans op het verkrijgen van loon en
+premie hebbe als de voortbrenger van andere goederen. Dit is het
+best te bereiken door het verleenen van een tijdelijk monopolie,
+waardoor kunstmatig de toestand in het leven wordt geroepen, die in
+andere takken van economische voortbrenging vanzelf intreedt.
+
+Hiermede is de grondslag en de strekking van het auteursrecht
+aangewezen: het is te beschouwen als een: "vorläufig unentbehrliches
+künstliches Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs"
+[238]. Wat het karakter van het recht betreft, het is een monopolie:
+het geeft niet de uitsluitende beschikking over een bepaald goed,
+maar de beheersching van eene bepaalde markt (Absatz-Verhältniss).
+
+
+
+Vooropgesteld, dat men de vraag omtrent de belooning van den
+arbeid van schrijvers en kunstenaars uitsluitend van de economische
+zijde wil beschouwen, kan men met Schaeffle's leer, waarvan ik de
+voornaamste punten met het bovenstaande heb trachten weer te geven,
+vrede hebben. Doch men moet dan ook wel in het oog houden, dat men
+daarmede slechts op ééne zijde van het vraagstuk het licht heeft laten
+vallen en dat de theorie zonder meer geene conclusiën rechtvaardigt
+met betrekking tot den omvang en den aard van het auteursrecht.
+
+Tot de vorming van een goed juridisch begrip van het recht in kwestie
+brengt de theorie uit den aard der zaak niets bij; van economisch
+standpunt moge het juist zijn, de onlichamelijke producten van kunst
+en letterkunde niet als goederen te beschouwen en in verband daarmede
+het auteursrecht te karakteriseeren niet als een recht op een goed
+maar als een monopolie, een recht om eene bepaalde soort van goederen
+alleen te mogen verkoopen, daarmede is ten aanzien van de juridische
+verklaring van het recht nog niets gezegd. Al is een voortbrengsel
+van het intellect geen economisch goed, daarom kan het nog wel object
+van een vermogensrecht zijn. Een rechtsleer, waarbij, op voorbeeld van
+deze economische theorie, niet de geestelijke scheppingen opzichzelf
+zouden worden beschouwd maar alleen de stoffelijke goederen, die aan
+deze scheppingen het aanzijn danken, zou nooit een goed inzicht in het
+wezen van het auteursrecht kunnen geven. Terecht kon Kohler van zijne
+leer schrijven: "Die hohe Bedeutung der Immaterialrechtstheorie aber
+liegt darin, dasz das Recht eben mit einem Gedanken, der aus vielen
+Verwirklichungsformen sich ableiten läszt, in Beziehung gesetzt ist,
+dasz es mithin nicht an eine Verwirklichungsform gekettet wird, dasz
+es das Geistige in allen seinen Formen und Metamorphosen erfaszt und
+erfüllt" [239].
+
+Bovendien, door in het auteursrecht alleen te zien een monopolie,
+geeft men niet alleen datgene wat het karakteristieke van het recht
+uitmaakt niet weer, de benaming is ook onjuist, daar het auteursrecht
+niet op eene lijn gesteld kan worden met de instellingen, welke men
+met den naam monopolie pleegt aan te duiden. Evengoed zou men den
+grondeigendom een monopolie kunnen noemen, omdat bij den alleenverkoop
+van de vruchten welke de grond oplevert, waarborgt.
+
+Op het groote verschil, dat bestaat tusschen eene instelling als
+b.v. het staatsmonopolie voor den tabaksverkoop en rechtsinstituten
+als eigendom en auteursrecht is al gewezen [240]. Doch met
+dit verschil wordt in de theorie van Schaeffle geene rekening
+gehouden. Dat het auteursrecht al jaren lang in alle beschaafde
+staten wordt erkend, dat het een eisch van het rechtsbewustzijn
+is, dat schrijvers en kunstenaars de uitsluitende beschikking
+hebben over de exploitatie hunner geestesproducten, daaraan werd
+bij deze economische beschouwingen blijkbaar niet gedacht. Immers
+de theorie gaat uit van een "vrij" economisch verkeer, waarin de
+nadrukkers vrij spel hebben, en het auteursrecht heet een "künstliches
+Surrogat der Distributivgerechtigkeit des freien Verkehrs". Doch deze
+"Distributivgerechtigkeit", welke Schaeffle waarneemt, zou niet bestaan
+zonder recht; er is o.m. voor noodig dat private eigendom wordt erkend
+en gehandhaafd, dat geen slavernij wordt geduld, dat men iemand kan
+dwingen tot het nakomen van aangegane verbintenissen enz. enz. Wil men
+nu, sprekende over het vrije economische verkeer, daarbij stilzwijgend
+het bestaan van al deze rechtsinstellingen veronderstellen, dan kan
+daartegen geen bezwaar bestaan--er is trouwens bijna geen economische
+theorie waarbij dit niet wordt gedaan--; doch bij deze instellingen,
+wier bestaan om zoo te zeggen van zelf spreekt, behoort evengoed het
+auteursrecht. In het "vrije" verkeer, dat Schaeffle als uitgangspunt
+neemt, is het geoorloofd het product van een anders arbeid vrijelijk
+te exploiteeren en Schaeffle veronderstelt, dat van die vrijheid
+een algemeen gebruik wordt gemaakt; dit is echter eene "vrijheid",
+waarbij met begrippen van recht geen rekening is gehouden en die
+trouwens in geen enkel beschaafd land bestaat.
+
+Deze opmerkingen raken natuurlijk niet de redeneering van Schaeffle,
+maar meer de wijze waarop hij het vraagstuk gesteld heeft. Met
+zijne theorie stelde hij zich ten doel, uit de verschijnselen in het
+economisch verkeer af te leiden, dat schrijvers en kunstenaars op
+bijzondere wijze beschermd dienen te worden; doch naast de historische
+en ethische gronden waarop het auteursrecht berust, kan een dergelijk
+betoog overbodig worden geacht. En door als normaal en natuurlijk voor
+te stellen een toestand, waarin geen auteursrecht bestaat, heeft hij
+van dit recht een verkeerd beeld gegeven. Het auteursrecht is geen
+"kunstmatig surrogaat" van de gerechtigheid, die in het vrije verkeer
+bij de verdeeling der stoffelijke goederen bestaat; doch het is,
+evenals de andere bovengenoemde rechtsinstellingen, een van de, door de
+rechtsorde geëischte, voorwaarden voor een vrij en regelmatig verkeer.
+
+Hier te lande vond de leer van Schaeffle, zooals reeds is opgemerkt,
+een aanhanger in Mr. de Ridder, die haar echter op één belangrijk
+punt aanvult, door nl. ook op het vereischte van een individueel
+geestesproduct het licht te laten vallen [241]. Hierdoor wordt de
+eenzijdigheid van Schaeffle's theorie wel eenigszins weggenomen;
+doch niettemin wordt aan diens economische beschouwingen door mr. de
+Ridder m. i. eene veel te groote beteekenis gehecht. Volgens zijne
+boven aangehaalde woorden meende deze schrijver in de theorie te hebben
+gevonden: "een beginsel, dat zoo de wetgever zich leent tot deszelfs
+doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor, dat der sociale
+behoeften." Dat echter het "beginsel", hetwelk de economische theorie
+van Schaeffle aan de hand doet, den wetgever slechts zeer weinig
+houvast geeft, zal niemand kunnen ontkennen. Wil hij de theorie volgen,
+dan is zijne taak, den auteurs een recht van zoodanige afmetingen
+in te ruimen, dat zij een even groote kans op het verkrijgen van
+ondernemers-loon en premie hebben als andere ondernemers, of, zooals
+mr. de Ridder het uitdrukt: "dat de verhouding tusschen het verdiende
+gemiddelde loon en de mogelijke loonsrente behouden blijve" [242]. Met
+deze wetenschap toegerust ga de wetgever nu maar aan den arbeid en
+trachte hij in het "rechte spoor" te blijven, waar vragen zijn op
+te lossen, als bv.: behoort tot het auteursrecht van een geschrift
+het uitsluitend vertalingsrecht, en, zoo het een tooneelstuk is, het
+opvoeringsrecht? Welk is het recht van den vertaler? Is auteursrecht
+mogelijk op brieven, op dagblad-berichten? Hoever gaat de bevoegdheid
+om, zonder inbreuk op het auteursrecht te maken, gedeelten uit het werk
+van een ander over te nemen, of uittreksels en omwerkingen ervan in
+het licht te geven? Naar gegevens, om tot eene systematische oplossing
+te komen van deze vragen en van vele andere van dergelijken aard,
+zal men vergeefs in Schaeffle's theorie zoeken.
+
+Ten slotte wil ik in deze paragraaf nog enkele opmerkingen maken naar
+aanleiding van de, reeds met een enkel woord genoemde, theorie van
+Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman. Deze theorie is weliswaar niet als
+eene "economische" bedoeld; toch meen ik er eenige verwantschap met
+de economische theorieën in te ontdekken en om deze reden schijnen
+mij de enkele opmerkingen, welke ik eraan wilde wijden, hier het best
+op hare plaats.
+
+Deze schrijver wil het auteursrecht afleiden uit twee rechtsregels:
+"niemand mag zich zonder grond ten koste van een ander verrijken"
+en: "de arbeider heeft recht op het loon van zijn arbeid." Uit
+verschillende bepalingen uit ons positieve recht tracht hij aan te
+toonen, dat onze wetgever deze twee beginselen, al zijn zij niet met
+zooveel woorden in de wet geschreven, toch steeds in hun vollen omvang
+heeft erkend. Op dit gedeelte van het betoog zal ik niet ingaan;
+het is trouwens reeds door meerdere schrijvers besproken en op vele
+punten bestreden [243].
+
+De vraag, of deze twee regels in ons recht algemeen erkend zijn, laat
+ik dus in het midden; ik wil er mij slechts toe bepalen te onderzoeken,
+of de laatstgenoemde regel, waarop het hier voornamelijk aankomt, een
+juist beginsel kan worden geacht, waar het geldt den grondslag van
+het auteursrecht te verklaren. Wat mr. de Ridder meende gevonden te
+hebben in de theorie van Schaeffle: een beginsel, dat den wetgever in
+het rechte spoor kon houden, wilde ook de Savornin Lohman met zijne
+leer geven:
+
+"Zoolang de ware grondslag" (scil. van het auteursrecht) "niet gevonden
+is, zal de wetgever zich wel op zijn gevoel van billijkheid moeten
+verlaten: daarbij zeilt hij evenwel zonder kompas. Maar mogt een vast
+beginsel bestaan, en is dit eenmaal gevonden, dan zal hij in staat
+zijn juist en bepaald te omschrijven wat den auteur.... toekomt."
+
+Dit beginsel is nu volgens de theorie van de Savornin Lohman, dat de
+auteur als arbeider recht heeft op zijn loon. De afbakening van het
+auteursrecht moet dus zoodanig geschieden, dat niemand zonder grond
+zich met dat, den auteur toekomend, loon kunne verrijken.
+
+Wil dus de theorie beantwoorden aan het doel, hetwelk de ontwerper er
+mede wilde bereiken, dan dient zij een volledig antwoord te geven op
+de vraag, wat moet worden verstaan onder het loon van schrijvers en
+kunstenaars. Dit wordt als volgt gedefinieerd: "Onder "het loon" van
+schrijvers en uitgevers verstaan wij dus datgene, wat al de koopers
+tezamen voor het nieuwe voorwerp betalen, boven de kosten, aangewend
+ter vervaardiging van elk exemplaar, zooals drukloon, fabrieksloon,
+enz." [244]. Elders drukt de schrijver zich zóó uit: "... het loon,
+dat voor een verkeerswaarde bezittenden arbeid betaald wordt, moet
+den arbeider ten goede komen" [245].
+
+Wat de arbeid van schrijver en kunstenaar waard is, wat hij in het
+verkeer opbrengt, moet dus volgens de theorie den auteur ten goede
+komen; uitsluitend hiernaar moet de omvang van het auteursrecht
+worden berekend.
+
+In de eerste plaats kan hiertegen worden opgemerkt (hetgeen trouwens
+reeds door verschillende schrijvers is gedaan), dat het begrip
+verkeerswaarde reeds het bestaan van auteursrecht veronderstelt; immers
+zonder auteursrecht heeft de arbeid van schrijvers en kunstenaars
+geene, althans geen noemenswaardige, verkeerswaarde. De redeneering
+berust dus op eene petitio principii: de "verkeerswaarde", welke de
+heer Lohman wil, dat de auteur voor zijn arbeid zal krijgen, is de
+waarde, welke die arbeid heeft in het verkeer, geregeld door eene
+wet op het auteursrecht zooals de heer Lohman die wenscht. Daarom
+kan die waarde nooit een maatstaf zijn, waarnaar de omvang van het
+auteursrecht in jure constituendo kan worden afgemeten.
+
+Nu zou deze tegenwerping nog geene absolute veroordeeling van de
+theorie inhouden, indien de vraag alleen hierom ging, óf de auteurs
+al dan niet recht hebben op bescherming, indien dus de mate, waarin
+die bescherming verleend dient te worden, a priori vaststond. Doch
+wij hebben gezien, dat dit niet de bedoeling was der theorie. De heer
+Lohman wilde den wetgever een beginsel aan de hand doen, dat hem in
+staat zou stellen "juist en bepaald te omschrijven wat den auteur
+toekomt." Met behulp der theorie moest dus aangetoond kunnen worden,
+niet alleen dat er auteursrecht dient verleend te worden, maar ook
+in welken omvang; dus welke de bevoegdheden zijn van een schrijver,
+hoe lang dit recht moet duren, enz.
+
+Hierin nu moest de theorie noodzakelijk te kort schieten en dit schijnt
+de heer Lohman ook ten slotte zelf min of meer te hebben ingezien;
+althans op de vergadering der Juristen-Vereeniging liet hij zich als
+volgt uit: "Nu moge het moeilijk zijn uit te maken welk deel van
+het loon hij" (scil. de auteur) "moet ontvangen voor den arbeid,
+dien ook hij aan dat boek heeft ten koste gelegd: zeer zeker moet
+hij een deel daarvan hebben" [246]. Met deze verklaring is feitelijk
+erkend, dat de theorie niet kan geven wat de heer Lohman ermede had
+willen bereiken. Want hoe zal het beginsel "de auteur heeft recht
+op het loon van zijn arbeid" den wetgever als een "veilig kompas"
+kunnen dienen, indien eerst langs anderen weg moet worden uitgemaakt,
+hoeveel dit loon bedraagt?
+
+De fout in de theorie van den heer de Savornin Lohman is naar mijne
+meening deze, dat in plaats van het (immaterieele) product van den
+schrijver of kunstenaar wordt gesteld de waarde van het product;
+in plaats van de resultaten van den arbeid het loon voor den
+arbeid. Het beginsel van het auteursrecht is niet: de auteur heeft
+recht op de waarde van zijn product, op het loon voor zijn arbeid
+maar: de auteur heeft recht op het product zelf, hij moet over de
+resultaten van zijn arbeid uitsluitend kunnen beschikken. Zoolang dit
+uitsluitend beschikkingsrecht niet bestaat zijn "waarde" en "loon"
+louter fictief, evenzoo als de waarde fictief is van visschen die nog
+in de zee rondzwemmen en aan niemand toebehooren. Gesteld dat men
+naar een beginsel vroeg, waarop het recht berust van hem die zich
+deze visschen heeft toegeëigend, dan zou toch niemand eraan denken
+ten antwoord te geven: de visscher heeft recht op het loon van zijn
+arbeid, het loon is datgene wat die arbeid in het verkeer waard
+is, derhalve heeft de visscher recht op de waarde van de door hem
+gevangen visch en opdat anderen zich niet met deze waarde verrijken,
+verleent de wet hem het eigendomsrecht. Ieder zou inzien, dat met
+deze redeneering een noodelooze omweg wordt gemaakt, en dat men
+zich juister en nauwkeuriger zou uitdrukken, indien men de "waarde"
+geheel buiten beschouwing liet en dadelijk sprak van een recht op
+het door den arbeid verworven goed, in casu de gevangen visch. Wel
+zou in dit geval de practische conclusie uit de leer, ondanks de
+foutieve redeneering, niet onjuist noch onbruikbaar behoeven te zijn;
+doch de oorzaak hiervan is, dat hier de omvang van het te verleenen
+recht wél geacht kan worden a priori vast te staan. Er is moeilijk
+verschil van meening denkbaar over de vraag, welke de bevoegdheden
+zijn, die tot het uitsluitend recht op een visch behooren; daarom
+maakt het practisch weinig onderscheid, of men spreekt van de waarde
+van den visch of van den visch zelf, indien slechts in het oog wordt
+gehouden dat het woord "ruilwaarde" bij anticipatie wordt gebruikt,
+daar vóórdat het uitsluitend recht een voldongen feit is van geen
+ruiling en derhalve evenmin van ruilwaarde sprake kan zijn.
+
+Ik hoop met het bovenstaande duidelijk te hebben gemaakt, dat
+het uitgangspunt van de theorie van den heer Lohman verkeerd
+is gekozen. Daardoor lijdt de theorie ook, afgezien van de
+begripsverwarring die het gebruik van het woord ruilwaarde meebrengt,
+aan dezelfde eenzijdigheid, die de economische theorieën kenmerkt. In
+zijn betoog merkt de schrijver ergens op: "... wij juristen vragen
+slechts: wat is uw product een ander waard, en wien behoort de
+opbrengst?" [247] en het schijnt wel of deze regel hem steeds bij zijne
+beschouwingen voor oogen heeft gestaan. Alsof een jurist in een recht
+niets anders had te zien dan de geldswaarde, die het vertegenwoordigt!
+
+De beteekenis van een recht is niet alleen met guldens af te meten;
+van juridisch oogpunt bezien is de meerdere of mindere geldswaarde--ook
+waar men met vermogensrechten heeft te doen--slechts van ondergeschikt
+belang. Want het recht dient ook ter bescherming van niet op geld
+waardeerbare belangen. Met deze laatste wordt in de theorie van den
+heer de Savornin Lohman geene rekening gehouden; als eenig doel van
+het auteursrecht wordt vooropgesteld, dat schrijvers en kunstenaars
+iets met hun arbeid zullen verdienen. Deze overweging schijnt bij
+den schrijver zoozeer overheerschende te zijn geweest, dat het
+eigenlijke onderwerp zijner beschouwingen, n.l. het auteursrecht,
+er soms door op den achtergrond geraakt. Dit was b.v. het geval in de
+beschouwing, die ik hier laat volgen, gehouden in de vergadering der
+Juristen-Vereeniging. Na te hebben uiteengezet, wat te verstaan was
+onder "het loon" van den schrijver van een boek,--n.l. datgene wat de
+verkoop der exemplaren opbrengt boven de kosten aan drukloon, papier
+enz.--ging de heer Lohman na, wat "het loon" is, in het geval, dat die
+opbrengst niet meer bedraagt dan de kosten van de vervaardiging der
+exemplaren: "Mr Viëtor beweert, dat zoo de opbrengst van het boek juist
+bedraagt "den kostenden prijs", (waaronder hij dan verstaat kosten
+voor papier, drukloon enz.) er niets voor den auteur overschiet. Het
+is alsof men zegt aan een arbeider dat men hem niets zal betalen,
+omdat men dan juist met de kosten "zal kunnen uitkomen!" M. i. is er,
+wanneer een mede-arbeider niet betaald wordt, eenvoudig verlies, en
+is het billijk dat dat verlies worde gedeeld door al degenen die aan
+het boek hebben gearbeid. Er is volstrekt geen reden om te zeggen,
+dat de fabrikant van het papier en de drukker het eerst zullen worden
+betaald, en dat, zoo er nu niets meer voor den auteur overschiet,
+deze eenvoudig ledig huiswaarts kan gaan" [248].
+
+Door uitsluitend op het loon van den arbeid het oog gevestigd
+te houden, heeft de heer Lohman blijkbaar niet ingezien, dat met
+deze redeneering het doel werd voorbij geschoten. Het is immers
+duidelijk, dat in het gestelde geval het auteursrecht den schrijver
+nooit eenig geldelijk voordeel zal kunnen bezorgen. De exploitatie
+van het geestesproduct brengt niet meer op dan de kosten daarvoor
+bedragen; derhalve zal hier ook de ruilwaarde van het uitsluitend
+exploitatierecht nihil zijn. Het auteursrecht kan nooit meer geven
+dan de mogelijkheid, om loon voor den arbeid te behalen; ook al is
+de auteur gewapend met het krachtigste en meest intensieve recht,
+dat men zich denken kan, zoo zal hij toch nooit uitgever en drukker
+kunnen dwingen voor hem beneden den prijs te werken, of--zooals het
+in mr. Lohman's redeneering heet--hen te bewegen, met hem in het
+verlies, dat de exploitatie van het boek oplevert, te deelen. Een
+soortgelijk economisch verschijnsel zal men b.v. kunnen waarnemen ten
+aanzien van een stuk land, waarvan de exploitatie wegens de slechte
+gesteldheid van den bodem of de ongunstige ligging niet meer opbrengt
+dan de kosten aan werkloonen, bemesting, vervoer van de producten
+enz. bedragen. De eigenaar van den grond zal hier geen pacht kunnen
+bedingen, noch op eenige andere wijze geldelijk voordeel uit zijn
+goed kunnen trekken; evenals de ongelukkige auteur, waarvan hierboven
+sprake was, is ook hij noodzakelijkerwijze degeen, die "het laatst
+betaald wordt." Doch evenmin als in het eene geval de bepalingen over
+den eigendom op onroerende goederen, kunnen in het andere geval die
+op het auteursrecht aan deze omstandigheid iets veranderen.
+
+Niet aan wat de arbeid van den auteur opbrengt, aan wat hij voor
+anderen waard is, hebben wij dus onze aandacht te wijden, maar aan het
+product, dat door dien arbeid is voortgebracht; het auteursrecht is
+niet een recht "om mede te deelen in het loon, dat het publiek bereid
+is te betalen voor de handelswaarde die geproduceerd is" [249], maar
+een recht op de geestelijke schepping zelf. Dit denkbeeld moge nu in
+de volgende paragraaf eene nadere uitwerking vinden.
+
+
+
+
+§ 4 Het auteursrecht als recht op een onlichamelijk goed
+
+De auteur heeft een recht op het goed, dat hij heeft voortgebracht. Dit
+is het m. i. eenig juiste beginsel, dat aan het auteursrecht ten
+grondslag kan worden gelegd. De juistheid van dezen regel zal
+niemand willen ontkennen: indien hier werkelijk een goed aanwezig
+is, d. w. z. iets dat object van een uitsluitend recht kan zijn, dan
+is degeen die dat goed heeft voortgebracht, die er de maker van is,
+ook de aangewezen rechthebbende. Dat schrijvers en kunstenaars met
+hun werk iets hebben gemaakt, dat vroeger niet bestond, zal evenmin
+ernstige tegenspraak ontmoeten; zij zijn de scheppers, de "makers"
+bij uitnemendheid (men denke aan de afkomst van het woord poëet).
+
+Doch wat niet algemeen zal worden toegegeven, is dat het product van
+een schrijver of kunstenaar eene zaak is, welke tot object van een
+uitsluitend recht kan dienen.
+
+Een lichamelijke zaak, die voorwerp van het auteursrecht zou zijn,
+is niet aan te wijzen. Sommigen hebben gemeend, het auteursrecht van
+schrijvers en componisten te kunnen verklaren als een uitvloeisel
+van het eigendomsrecht op het handschrift; volgens deze zienswijze
+had men dus wel eene lichamelijke zaak, die object van het recht was,
+n. l. het papier waar de schrijver zijn letters en de componist zijn
+noten op heeft geschreven. De eigendom--zoo werd geredeneerd--geeft
+het vol genot over eene zaak; waar het dus een handschrift geldt,
+omvat dit genot ook de uitsluitende bevoegdheid van reproduceeren,
+omdat hierin juist de waarde ervan is gelegen [250].
+
+Deze constructie van het recht is echter totaal onbruikbaar en niet
+in overeenstemming met de feitelijke verhoudingen. Het handschrift
+is niet de schepping, het voortbrengsel van den auteur, maar slechts
+een middel om die (niet onmiddellijk voor anderen waarneembare)
+schepping binnen den kring onzer waarneming te brengen. Zoolang het
+geschrift alleen in handschrift bestaat, komt dit verschil weinig uit;
+het handschrift is in dat geval het eenige waarneembare bewijs van
+het bestaan van het auteursproduct; het voortbestaan van dit laatste
+is min of meer afhankelijk van dat van het papier, waarop het door
+middel van leesteekens is weergegeven en zoo heeft de eigenaar van
+het handschrift ook in zekeren zin de beschikking over het lot van
+het geestesproduct zelf. Maar deze toestand verandert, zoodra er
+meerdere exemplaren van het geschrift zijn vervaardigd, die in handen
+van verschillende personen komen.
+
+In de daad van hem, die naar een exemplaar waarvan hij op wettige
+wijze eigenaar is geworden, nadrukken van het geschrift vervaardigt
+en in den handel brengt, is moeilijk te zien een inbreuk op het recht
+van den eigenaar van het handschrift. Het is iets, dat geheel buiten
+het handschrift om gaat; het al of niet bestaan van dit laatste is
+zelfs voor den nadrukker totaal onverschillig.
+
+De theorie laat ons geheel in den steek in de gevallen, dat een
+manuscript verloren gaat of vernietigd wordt. Hoe zal men zich
+kunnen beroepen op een eigendomsrecht, terwijl het voorwerp van dien
+eigendom niet meer bestaat? En hoe zal het gaan, wanneer de auteur zijn
+werk niet heeft opgeschreven, maar voorgedragen? Wordt een redenaar
+eigenaar van het stuk papier, waarop de stenograaf zijne redevoering
+uit zijn mond opteekent; of heeft nu de stenograaf, als eigenaar van
+het handschrift, het reproductierecht? Op deze en andere dergelijke
+vragen kan deze leer geen bevredigend antwoord geven.
+
+Wil men aan het boven gegeven beginsel getrouw blijven, dat n.l. het
+recht van den auteur is een recht op hetgeen hij heeft voortgebracht,
+dan dient men de gedachte aan een lichamelijk object van het recht te
+laten varen. Wij hebben hier te doen, niet met stoffelijke, maar met
+geestelijke scheppingen; dit geldt--zooals hieronder nog nader zal
+worden aangetoond--niet alleen voor de scheppingen in taal en muziek,
+maar ook voor de werken van beeldende kunst; in het auteursrecht
+hebben wij dus te zien een recht op een onlichamelijk goed.
+
+Dit is de grondgedachte, die reeds door de voorstanders van de
+eigenlijke eigendomstheorie d.w.z. van de leer van den intellectueelen
+of geestelijken eigendom, is verkondigd; en hoeveel er ook tegen
+het begrip "geestelijken eigendom" in te brengen moge zijn, deze
+theorie had althans dit voordeel, dat de kern der kwestie er door
+werd geraakt. Door een geestelijken eigendom aan te nemen waren de
+voorstanders van deze leer gedwongen het geestesproduct, dat het
+voorwerp van dien eigendom uitmaakt, nader te karakteriseeren; zij
+moesten aantoonen, dat er buiten het handschrift en buiten de andere
+materieele middelen, die dienen om het voortbrengsel van het intellect
+waarneembaar te maken, een (uit den aard der zaak immaterieel)
+goed aanwezig is, geschikt om voorwerp van een recht te zijn. Hier
+ligt de groote moeilijkheid, die de theorie van den geestelijken
+eigendom wel niet tot een bevredigende oplossing heeft gebracht,
+maar waarvoor zij tenminste niet, zooals zooveel andere theorieën,
+uit den weg is gegaan. In dit opzicht, n.l. wat de constructie
+betreft van het auteursrecht als een recht op het geestesproduct,
+heeft Kohler's Immaterialrecht-theorie de leer van den intellectueelen
+eigendom tot voorbeeld genomen; de eigenaardige en van die der overige
+rechtsobjecten op vele punten afwijkende hoedanigheden der immaterieele
+goederen leidden er echter toe, de erop gevestigde rechten als een
+afzonderlijke groep, niet onder, maar naast eigendom en de andere
+zakelijke rechten, te beschouwen en eerst hierdoor bleek het mogelijk
+een scherp omlijnd begrip van het auteursrecht vast te stellen.
+
+In hoeverre de eigendomstheorie, wat het laatste betreft, te kort
+schoot, meen ik het best te kunnen aantoonen, door een oogenblik
+stil te staan bij de beschouwingen van een harer meest scherpzinnige
+voorstanders, nl. den Duitschen wijsgeer Fichte. Deze redeneert
+ongeveer als volgt: [251] Als ik een boek koop, word ik eigenaar van
+het bedrukte papier en daar dit maar één eigenaar kan hebben, neemt
+het recht van den schrijver daarop een einde. Waar ik ook eigenaar
+van kan worden, is van de in het geschrift vervatte gedachten,
+doch dit is geen uitsluitende eigendom, want ieder bezitter van een
+exemplaar, die genoeg ontwikkeld is en zich de noodige moeite geeft,
+kan hetzelfde bereiken. Van de gedachten kunnen dus meerdere eigenaars
+naast elkaar bestaan. Derhalve zijn noch het boek (in den materieelen
+zin van het woord) noch de gedachten voorwerp van het eigendomsrecht,
+dat het uitsluitend recht van drukken inhoudt, daar de schrijver bij
+de uitgave den uitsluitenden eigendom daarop verliest.
+
+Wat echter van den schrijver blijft, wat hem niet af kan worden
+genomen, dat is zijn gedachtengang, de bijzondere, hem alleen eigene
+wijze, waarop hij zich begrippen vormt en deze rangschikt en met
+elkander verbindt, dus: de vorm. Deze is en blijft des schrijvers
+eigendom, want het is physisch onmogelijk dat een ander zich dezen
+toeëigent. Bij het uitgaaf-contract staat de schrijver het gebruik
+van zijn eigendom aan den uitgever af; (den eigendom overdragen kan
+hij niet); drukt een ander zonder toestemming van auteur of uitgever
+het boek na, dan maakt hij zich schuldig aan wederrechtelijk gebruik
+van eens anders eigendom.
+
+Zeer juist werd door Fichte ingezien, dat als object van het recht
+niet kan dienen het materieele voorwerp, waarin het product des
+geestes is belichaamd; en evenmin de gedachten, die in het geschrift
+zijn uitgedrukt. Doch van een immaterieel goed, dat buiten den
+auteur bestaat, krijgt men door zijne beschouwing nog geen goed
+denkbeeld. Het voorwerp van den intellectueelen eigendom schijnt
+Fichte te hebben gezocht, niet in de concrete schepping, maar meer in
+de wijze van denken en schrijven; niet in het voortbrengsel maar in
+het voortbrengingstalent. Dat dit den auteur niet kan worden ontnomen,
+dat hij met het volste recht kan spreken van zijn manier van schrijven,
+van zijn stijl, zal niemand betwisten, doch dit is eene betrekking,
+die met eigendom in de juridische beteekenis van het woord ongeveer
+niets gemeen heeft.
+
+Hegel, die ook in zijne Philosophie des Rechts het auteursrecht
+als een eigendomsrecht beschouwt, doet beter dan Fichte uitkomen,
+dat het immaterieele goed, om object van eigendom te zijn, niet als
+een geestes-eigenschap van den auteur, maar als iets dat buiten hem
+bestaat, moet worden gedacht.
+
+"Kenntnisse, Wissenschafte, Talente u. s. f. sind freilich dem freien
+Geiste eigen und ein Innerliches desselben, nicht ein Aeusserliches,
+aber ebenso sehr kann er ihnen durch die Aeusserung ein äusserliches
+Dasein geben und sie veräussern, wodurch sie unter die Bestimmung
+von Sachen gesetzt werden" [252]. Deze gedachte wordt echter niet
+zoover uitgewerkt, dat men eene heldere voorstelling krijgt van het
+immaterieele object van den eigendom.
+
+De door Fichte gemaakte onderscheiding tusschen concrete gedachten
+en den vorm waarin deze gedachten zijn geuit is de bron geworden
+van groote begripsverwarring, vooral bij de bestrijders der
+eigendomstheorie. De onderscheiding is zeer zeker niet zonder
+beteekenis, in zoover als het auteursrecht nooit ten doel kan hebben,
+aan één persoon het uitsluitend recht toe te kennen bepaalde gedachten
+openbaar te maken. Dat dit niet het doel van het auteursrecht kan zijn,
+dat b.v. de door een staatsman geuite denkbeelden over den politieken
+toestand, die van een historie-vorscher over een of ander tijdperk
+der geschiedenis niet het uitsluitend eigendom zijn van degenen, die
+ze het eerst verkondigd hebben, zoodat anderen, die over hetzelfde
+onderwerp schrijven, van die denkbeelden geen gebruik zouden mogen
+maken, behoeft wel geen betoog. Eene dergelijke strekking wordt nergens
+aan het auteursrecht toegekend en daarom heeft het ook geen zin om het
+te verwijten, dat het de gedachten in haar vrijen loop belemmert [253].
+
+Men heeft echter de moeilijkheid niet opgelost door de denkbeelden,
+die in een geschrift geuit worden, te noemen den inhoud en de
+wijze waarop de auteur die denkbeelden in "het kleed der taal heeft
+gestoken" den vorm en dan te zeggen: de inhoud is gemeen goed, de
+vorm behoort den auteur. Zonder de beide woorden nader te definieeren,
+komt men met deze ontleding niet veel verder. Alleen reeds de groote
+verscheidenheid van geschriften maakt eene nauwkeurige omschrijving
+van hetgeen men met "vorm" en "inhoud" bedoelt, noodzakelijk. Men kan
+niet zonder meer de onderscheiding toepassen zoowel op een roman als
+op een wetenschappelijk werk, zoowel op een lyrisch gedicht als op een
+tooneelstuk. Doch ook als men slechts ééne bepaalde soort geschriften
+op het oog heeft, dient men de beteekenis, aan de woorden "vorm" en
+"inhoud" te hechten, beter vast te stellen, dan gewoonlijk door de
+schrijvers over auteursrecht wordt gedaan. Zooals die termen thans
+dikwijls worden gebruikt, zijn zij eerder geschikt om verwarring te
+brengen dan om mede te helpen tot eene juiste karakteriseering van het
+immaterieele object van het auteursrecht. Eene geliefkoosde redeneering
+van vele schrijvers, die echter wegens hare oppervlakkigheid alle
+waarde mist, is b.v. de volgende: Het auteursrecht beschermt alleen
+den vorm; wanneer een geschrift wordt vertaald geeft de vertaler
+er een nieuwen vorm aan; derhalve kan de auteur zich niet verzetten
+tegen de uitgave van eene vertaling van zijn werk; het auteursrecht
+omvat dus niet het uitsluitend vertalingsrecht [254].
+
+Men maakt het zich op deze wijze wel heel gemakkelijk; de zaak is
+echter niet zoo eenvoudig als de schrijvers, die zoo redeneeren,
+schijnen te meenen. De regel, waarop zij zich als op een axioma
+beroepen, dat nl. de auteur geen recht heeft op den inhoud, maar
+wel op den vorm, moge in bepaalden zin opgevat en met betrekking tot
+bepaalde categorieën van geschriften waarheid bevatten, zoo als hij
+in dit verband te pas wordt gebracht, mist hij elken grond.
+
+Welke diensten de onderscheiding tusschen vorm en inhoud kan bewijzen,
+mits deze begrippen behoorlijk worden gedefinieerd en niet alle
+geschriften over één kam worden geschoren, heeft Kohler--vooral in
+zijn merkwaardig boek: Das literarische und artistische Kunstwerk und
+sein Autorschutz--duidelijk in het licht gesteld. Hij noemde dit werk:
+"eine juridisch-ästhetische Studie" en gaf het tot motto een regel,
+dien vóór hem naar mijn weten nog geen der vele schrijvers over
+auteursrecht zich tot richtsnoer had gesteld, nl.: "Der richtige
+Weg zur Erkenntnisz des Autorrechts führt durch die Erkenntnisz
+der Kunst hindurch". Hieruit valt reeds op te maken, dat men in
+dit boek geene oppervlakkige beschouwingen over "vorm" en "inhoud"
+heeft te verwachten, als waarvan hierboven sprake was. Het is Kohler's
+streven geweest, zoo diep mogelijk tot het wezen van de verschillende
+soorten kunstwerken en geschriften door te dringen en eene waardevolle
+methode te vinden om ze te analyseeren en zoodoende in elk werk die
+bestanddeelen aan te kunnen wijzen, welke tezamen de schepping van den
+auteur en dus tevens het object van zijn recht uitmaken. Op Kohler's
+methode en hetgeen ermede kan worden bereikt, kom ik hieronder nog
+terug. Wat ik er hier van wil zeggen, is alleen dit: dat, wil men
+werkelijk langs systematischen weg tot de vaststelling van omvang
+en strekking van het auteursrecht komen, "juridisch-aesthetische"
+beschouwingen als de hier bedoelde niet alleen van zeer veel nut,
+maar beslist onontbeerlijk zijn.
+
+In deze noodzakelijkheid, om de auteursproducten ook naar
+hunne innerlijke eigenschappen te proeven en te ontleden,
+openbaart zich reeds het groote verschil tusschen de rechten
+op stoffelijke en die op onstoffelijke goederen. Bij de eerste
+brengt de vraag, wat object van het recht is, in den regel niet de
+minste moeilijkheid mee; het stoffelijk goed, zóó als het in het
+gewone leven kan worden waargenomen, is de zaak in rechtskundigen
+zin. Bij de rechten op onstoffelijke goederen daarentegen zijn de
+rechtsobjecten niet eenvoudig gegeven; het begrip dat ieder zich
+kan vormen van een geschrift of een kunstwerk is niet identiek met
+dat van het immaterieele goed dat zulk een geschrift of kunstwerk
+kan vertegenwoordigen. Vele geschriften en kunstwerken zijn in het
+geheel geen voorwerpen van auteursrecht, van een immaterieel goed is
+daarbij dus geen sprake; en degenen die het wél zijn, zijn het niet
+alle in dezelfde mate. Zoo zal, om een voorbeeld te noemen, een ets,
+die eene getrouwe copie is van een andere ets, geen voorwerp van
+auteursrecht zijn. Is zij daarentegen gemaakt naar eene schilderij,
+dan zal zij wel voorwerp van auteursrecht kunnen zijn; doch in dit
+geval is het recht van den etser van beperkte strekking. Slechts
+indien de ets een volkomen oorspronkelijk werk is, heeft de auteur
+daarop het volle auteursrecht. Wij hebben hier dus drie werken,
+die door den gewonen beschouwer misschien van dezelfde beteekenis
+zullen worden geacht, doch die belangrijke verschilpunten vertoonen,
+zoodra men ze uit het oogpunt van het erop gevestigd auteursrecht
+beziet. In het eerstgenoemde geval heeft de etser niet anders gedaan
+dan een reeds bestaand werk na te maken; hij heeft dus geen nieuw goed
+voortgebracht en derhalve ook geen auteursrecht gevestigd. In de beide
+laatste gevallen is er wel een immaterieel goed tot stand gekomen;
+doch de ets naar de schilderij levert een geheel ander rechtsobject
+op dan de oorspronkelijke. Vandaar dat ook de inhoud van het recht
+in beide gevallen aanmerkelijk verschilt.
+
+Met dit voorbeeld, dat een zeer eenvoudig geval betreft, hoop ik
+eenigermate te hebben doen zien, dat de vaststelling van het begrip
+van het immaterieele goed, dat voorwerp van het auteursrecht is, eene
+bijzondere wijze van behandeling vereischt en moeilijkheden meebrengt,
+die zich bij de bestudeering van de rechten op lichamelijke goederen
+niet voordoen. Dit zou reeds op zichzelf eene aanleiding kunnen
+zijn, om in het rechtssysteem aan beide groepen van rechten eene
+afzonderlijke plaats te geven en dus het auteursrecht niet den naam
+"eigendom" te geven, waardoor het onder de zakelijke rechten zou
+moeten worden gerangschikt.
+
+Eene meer nauwgezette vergelijking doet spoedig zien, dat er tusschen
+auteursrecht en eigendom (of welk ander zakelijk recht ook) niet alleen
+vele punten van verschil bestaan, maar dat zij in rechtskarakter ver
+van elkander afwijken.
+
+Van bezit kan bij het auteursrecht wegens het ontbreken van een
+lichamelijk object, geen sprake zijn; de wijzen waarop het auteursrecht
+ontstaat, te niet gaat en wordt overgedragen zijn andere dan bij
+het eigendomsrecht; de middelen tot handhaving zijn bij beide
+rechten verschillend; het auteursrecht is in tijdsduur beperkt,
+de eigendom niet. Op deze belangrijke verschilpunten is door vele
+schrijvers--ook in ons land--reeds herhaaldelijk gewezen. Ik behoef
+hier slechts in herinnering te brengen hetgeen minister Modderman bij
+de behandeling van onze wet in de Tweede Kamer daaromtrent opmerkte:
+"Door het auteursrecht te noemen eigendomsrecht, en als zoodanig te
+willen verklaren, wint men niets, hoegenaamd. Men zal verplicht zijn
+er onmiddellijk bij te voegen, dat aan dit recht genoegzaam alles
+ontbreekt wat den eigendom karakteriseert" [255].
+
+Wat het auteursrecht met den eigendom gemeen heeft, bepaalt zich ten
+slotte hiertoe, dat beide rechten de beschikking over een bepaald goed
+aan één persoon met uitsluiting van ieder ander voorbehouden. Wil men
+nu elk uitsluitend recht, onverschillig van welken aard het object
+zij, eigendom noemen [256], zoo behoeft daartegen op zichzelf nog
+geen bezwaar te worden gemaakt, indien men slechts in het oog houdt,
+dat men zoodoende aan het woord eigendom eene andere beteekenis geeft,
+dan waarin het gewoonlijk in de juridische taal wordt gebruikt. In het
+dagelijksch leven gaat men dikwijls met het gebruik van de woorden
+"eigendom" en "bezit" nog veel verder; men zegt bv. dat iemand een
+goede gezondheid, eene slechte reputatie enz. bezit of dat hij eene
+uitgebreide kennis zijn eigendom kan noemen, zonder dat daarbij
+natuurlijk gedacht wordt aan de rechtsinstituten van denzelfden naam.
+
+Zoo kan men ook spreken van letterkundigen of geestelijken eigendom,
+zonder dat dit noodzakelijk tot begripsverwarring behoeft aanleiding
+te geven. Men drukt daardoor dan eenvoudig uit, dat het geestesproduct
+den schrijver toebehoort, dat hij daarop een uitsluitend recht heeft;
+terwijl de bijzondere eigenschappen, die dit recht in tegenstelling
+met andere rechten kenmerken, in het midden worden gelaten. Vele
+voorstanders van de leer van den intellectueelen eigendom en met name
+Fichte, zullen waarschijnlijk geene andere bedoeling hebben gehad. Hun
+leer gold niet zoozeer het juridisch karakter als wel den grondslag van
+het auteursrecht; het was hun doel aan te toonen, dat de auteurs recht
+op bescherming hebben, en om te doen zien dat zij het met dit recht,
+dat aanvankelijk door menigeen ontkend werd, ernstig meenden, noemden
+zij het, naar het recht kat' exochen eigendom. Dat in de hierboven
+vermelde beschouwing van Fichte b.v. het woord eigendom niet in den
+streng-juridischen zin moet worden opgevat, blijkt wel hieruit, dat
+hij het ook gebruikt met betrekking tot de gedachten, welke men zich
+bij het lezen van een boek eigen kan maken. Het behoeft geen betoog,
+dat eigendom hier niet wordt bedoeld in den zin van een recht,
+dat tot object zou hebben "de gedachte" en tot subject "de persoon
+die haar denkt." Trouwens Fichte doet duidelijk genoeg uitkomen,
+dat een "geestelijke eigendom" van deze soort (een eigendom dus op
+den schat van kennis, die men zich heeft verworven) niet die is,
+welke hij voor de auteurs opeischt, en het is zeker niet aan hem te
+wijten, dat bij latere schrijvers nog zooveel verwarring op dit punt
+is blijven heerschen. Zoo ziet men nog telkens als argument tegen
+de eigendomstheorie de bewering dienst doen, dat de auteur na de
+publicatie van zijn boek geen eigenaar meer is van de gedachten,
+daar hij niemand kan verhinderen ze in zich op te nemen en dit
+zelfs niet zou willen, gesteld dat hij het kon, omdat het immers
+juist zijne bedoeling is, dat zijne gedachten de eigendom worden
+van anderen [257]. Met dergelijke redeneeringen voert men een strijd
+tegen windmolens; het is mij althans niet bekend, dat er ooit iemand
+beweerd heeft, dat de letterkundige eigendom de strekking zou hebben,
+aan anderen te verbieden zich bepaalde gedachten eigen te maken.
+
+Letterkundige of geestelijke eigendom moet dus, wil men niet tot
+ongerijmde gevolgtrekkingen komen, worden opgevat in den zin van:
+uitsluitend recht op het geestesproduct. Indien er niet meer dan dit
+mee wordt bedoeld en indien men zich niet tot verdere analogieën
+met den eigendom op stoffelijke goederen laat verleiden, kan de
+uitdrukking geen kwaad. Doch daarmede is ook alles gezegd. Het begrip
+eigendom in dezen zin is zóó veelomvattend, dat het als categorie,
+tot onderscheiding van eene bepaalde soort van rechten van de andere,
+geen waarde heeft. "Es ist das ein Begriff", zegt Kohler hierover,
+"so vielseitig und schillernd, dasz mit ihm ebensowenig zu bestimmten
+besondersartigen Bildungen zu gelangen ist, als etwa mit den Begriffen
+Wasser, Feuer, Luft und Erde, durch welche man ehedem die Dinge der
+Welt begreifen und erfassen wollte. Das Autorrecht als Eigentumsrecht
+nimmt sich etwa so aus, wie das Leuchtgas als Luft und die flüssige
+Kohlensäure als Wasser. Mit dieser Gestaltungsweise läszt sich auf
+die Dauer nicht durchkommen" [258].
+
+Hiermede meen ik van de eigendomstheorie te kunnen afstappen. De
+aangehaalde woorden van Kohler geven, in verband met de beschouwingen
+die ik heb laten voorafgaan, m. i. voldoende aan, waarom het begrip
+letterkundige of geestelijke eigendom in eene juridische verhandeling
+onbruikbaar is. Ook is, naar ik meen, uit het bovenstaande
+reeds eenigszins duidelijk geworden, hoe Kohler's leer van het
+Immaterialgüterrecht aan de bezwaren, die tegen de eigendomstheorie
+zijn in te brengen, tegemoet komt.
+
+Een tweetal punten, waarop tegen de theorie van Kohler wellicht
+de meeste tegenstand is te verwachten, wil ik hier nog kortelijk
+bespreken.
+
+In de eerste plaats het immaterieele goed als rechtsobject. Voor
+sommigen schijnt het eene onoverkomelijke moeilijkheid op te leveren,
+zich een recht te denken met een onlichamelijk goed tot object. Zeer
+beslist liet zich b.v. Jolly in dien zin uit: "... dasz aber irgend ein
+Recht, Eigenthumsrecht oder ein anderes, an einer bloszen Vorstellung,
+an einem lediglich und allein in den Gedanken existirenden Dinge
+ohne alles äuszerliche Substrat stattfinden solle, das ist etwas, was
+meiner Ansicht nach weder nach irgend einem positiven Rechtssysteme,
+noch vom Standpunkte einer philosophischen Rechtsbetrachtung aus
+zugegeben oder auch nur mit voller Klarheit gedacht werden kann" [259].
+
+Van denzelfden aard is hetgeen mr. de Ridder met de volgende vraag
+uitdrukt: "Of zoude men soms meenen, dat het letterkundig product op
+zich zelf, afgescheiden van den vorm (eerst als handschrift, later als
+gedrukt exemplaar) een bestaan heeft--laat staan een lichamelijk--dat
+den auteur, om zóó te zeggen, kan worden tegenover gesteld?" [260]
+
+Volgens Jolly zou dus een geschrift of kunstwerk alleen in de gedachten
+bestaan; volgens mr. de Ridder bestaat het in 't geheel niet. Iets dat
+niet bestaat kan natuurlijk geen voorwerp van een uitsluitend recht
+zijn. Doch het komt hier aan op de beteekenis, die men aan het woord
+"bestaan" geeft. Indien men alleen datgene als bestaande aanmerkt, wat
+eene plaats in de ruimte inneemt, dan moet inderdaad van de scheppingen
+van den geest worden getuigd, dat zij niet bestaan. Een bestaan in
+dezen zin hebben dan alleen het papier, waarop de schrijver letters
+heeft geschreven of laten drukken en het doek, waarop de schilder
+eene hoeveelheid verf heeft gesmeerd (dus wat Schaeffle noemde de
+symbolische Güter), maar niet datgene, waarvan deze, opzichzelve
+onbelangrijke, verbindingen en vervormingen van de stof de middelen van
+uitdrukking zijn. De schepping van den schrijver en kunstenaar wordt
+zoo herleid tot een aantal verschijnselen, die zich in de stoffelijke
+wereld voordoen, te beginnen met verplaatsingen in de hersenmassa van
+den auteur bij de conceptie van het werk, gevolgd door bewegingen van
+zijn lichaam (bij het spreken, schrijven, schilderen, enz.), daarna
+de vervaardiging door hem of door anderen van exemplaren (van papier,
+inkt, doek, verf, enz. enz.), totdat eindelijk door waarneming dezer
+exemplaren ook bij anderen zich soortgelijke plooiingen van het brein
+voordoen als bij den auteur; alles te zamen dus een aantal min of
+meer met elkander in verband staande bewegingen en verplaatsingen van
+de materie, zonder dat een bepaald voorwerp kan worden aangewezen,
+waardoor zij zijn teweeggebracht.
+
+Heeft men nu, door de zaak op deze wijze te beschouwen, verdichtsel
+en werkelijkheid gescheiden en alleen de laatste behouden?
+
+Dit kan m. i. alleen de meening zijn van hen, die vasthouden aan de
+realistische opvatting, volgens welke de voorstelling, die wij ons
+op grond van onze zinnelijke waarneming van de buitenwereld vormen,
+volkomen overeenstemt met die wereld zelve. De werkelijkheid zou dus
+gevormd worden door de dingen, zooals zij ons verschijnen, en wat
+daartoe niet behoort, zou slechts in onze verbeelding bestaan.
+
+Er is echter geen diep wijsgeerig inzicht voor noodig om te erkennen,
+dat wat aldus voor werkelijkheid wordt aangezien en als zoodanig
+van hetgeen "alleen in de voorstelling bestaat" ten scherpste
+wordt onderscheiden, nog geen absolute werkelijkheid is, d.w.z. dat
+daaraan geen zelfstandig bestaan, onafhankelijk van ons denken, mag
+worden toegekend. De dingen, zoowel lichamelijke als onlichamelijke,
+bestaan slechts voor ons voor zoover wij er ons eene voorstelling
+van hebben gevormd; van beide soorten geldt gelijkelijk, dat zij
+niet in de ervaring zijn gegeven, "maar ondersteld om de ervaring
+te helpen begrijpelijk maken" [261]. De voorstelling van het "ding"
+of voorwerp moet dus in onzen geest worden gevormd, daar de zintuigen
+ons niet meer brengen dan een aantal gewaarwordingen, die niet het
+ding zelf of deelen er van zijn, maar kenteekenen voor onzen geest
+van zijne aanwezigheid.
+
+Stelt men zich op dit standpunt, dan is er geen grond om de
+grens tusschen hetgeen in werkelijkheid en hetgeen in verbeelding
+bestaat zóó te trekken, dat alleen de stoffelijke voorwerpen tot de
+eerste categorie zouden behooren. Immers de wijze waarop wij tot de
+overtuiging van hun bestaan komen, is bij stoffelijke en onstoffelijke
+dingen dezelfde. Van beiden moeten wij ons de voorstelling uit de
+door de zintuigen verstrekte, min of meer fragmentarische gegevens,
+opbouwen.
+
+Waarom zou dan de voorstelling, die wij ons van onlichamelijke zaken
+als geschriften en kunstwerken maken, minder betrouwbaar of minder met
+de "werkelijkheid" overeenstemmend zijn dan die van de lichamelijke
+voorwerpen? En waarom zouden wij in het eerste geval niet en in het
+tweede wel het uit de gegeven verschijnselen (mits deze natuurlijk
+werkelijk zijn waargenomen en niet gephantaseerd) geconstrueerde
+"ding" als bestaande mogen aanmerken?
+
+Op de door Mr. de Ridder gestelde vraag, of men zou meenen dat het
+letterkundig product een bestaan heeft, afgescheiden van de voorwerpen
+waarin het is belichaamd (handschrift of gedrukte exemplaren), aarzel
+ik dus niet een bevestigend antwoord te geven. De constructie van het
+auteursrecht als een recht op een immaterieel goed berust dus niet
+op eene fictie; zij is evenzeer in overeenstemming met de feitelijke
+verhoudingen als die van eigendom, vruchtgebruik, hypotheek, enz. als
+rechten op lichamelijke zaken. En wat het door Jolly aangevoerde
+bezwaar betreft, dat men zich dit niet met volkomen helderheid zou
+kunnen denken, dit geldt dan zeker nog in verhoogde mate tegen de toch
+vrijwel algemeen geldende leer, volgens welke rechten als zaken worden
+beschouwd; waardoor men komt tot de constructie van een recht, hetwelk
+tot object heeft een ander recht. Indien men zich dit begrip duidelijk
+voor den geest kan stellen, dan behoeft Kohlers Immaterialgüterrecht
+evenmin eenige moeilijkheid op te leveren [262].
+
+Wel verre van de materie met onnoodige moeilijkheden te bezwaren, maakt
+juist de theorie van Kohler het verkrijgen van een goed inzicht in de
+op het oog vrij ingewikkelde verhoudingen ten zeerste gemakkelijk. In
+plaats van een aantal los van elkander bestaande bevoegdheden,
+(kopierecht, uitsluitend vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht
+enz.) die elk eene afzonderlijke verklaring behoeven, verkrijgt men
+één recht waaruit al deze bevoegdheden vanzelf voortvloeien, het recht
+nl. om binnen bepaalde grenzen met uitsluiting van ieder ander over het
+geestesproduct te beschikken. Weliswaar blijft dan nog de moeilijke
+vraag te beantwoorden, wáár de grenzen dienen te worden getrokken,
+binnen welke het uitsluitend beschikkingsrecht is te beperken; doch
+men heeft althans het voordeel, dat met behulp der theorie deze vraag
+stelselmatig onder de oogen kan worden gezien. In het algemeen kan
+worden gezegd, dat het uitsluitend recht van den auteur het volle
+gebruik van het werk naar zijne economische bestemming omvat, hetgeen
+dus hierop neerkomt, dat in beginsel alle exploitatiemiddelen,
+waarvoor het werk zich leent, alleen door den auteur of zijne
+rechtverkrijgenden mogen worden aangewend. En waar op dit beginsel
+beperkende uitzonderingen zijn te maken, zal men den grond voor deze
+uitzonderingen weer kunnen vinden in den aard van het werk zelf,
+dat immers naast zijne economische nog andere bestemmingen heeft,
+die een al te volstrekt (b. v. in tijdsduur onbeperkt) auteursrecht
+niet toelaten.
+
+De nadere uitwerking hiervan behoort echter in de volgende hoofdstukken
+thuis.
+
+Het auteursrecht is dus een absoluut vermogensrecht, dat tot object
+heeft het door den auteur voortgebrachte, onlichamelijke product
+van kunst of letterkunde. Doch--en hiermede kom ik tot het tweede
+punt, dat ik hier nog wenschte te bespreken--niet alle bevoegdheden
+der auteurs met betrekking tot hunne werken, die gewoonlijk tot het
+auteursrecht worden gerekend, zijn als een uitvloeisel van het recht op
+het geestelijk product te verklaren. Naast het vermogensrecht bestaat
+nog een ander recht, door de Duitsche schrijvers Individualrecht of
+Persönlichkeitsrecht, door de Franschen minder juist droit moral
+genoemd, en dat ik in onze taal het best meen te kunnen aanduiden
+met den naam persoonlijkheidsrecht, een term, die reeds door enkele
+onzer schrijvers wordt gebruikt [263]. Onder persoonlijkheidsrecht
+heeft men in het algemeen te verstaan het recht op eerbiediging
+der persoonlijkheid; Gierke karakteriseert het als het recht op een
+bestanddeel van de eigen persoonlijkheidssfeer, dat men daarom kan
+noemen "Recht an der eignen Person" in tegenstelling met de rechten
+aan zaken en de rechten aan andere personen [264]. De objecten van
+dit recht noemt Gierke Persönlichkeitsgüter, d. w. z. goederen, die
+onafscheidelijk aan den persoon zijn verbonden, als b.v. huisvrede,
+eer, naam, leven, vrijheid enz. enz. Hiermede is eene, m. i. zeer
+aannemelijke constructie geleverd van een subjectief recht, dat tevens
+als grondslag en verklaring kan dienen van de rechtsbescherming tegen
+een aantal onrechtmatige handelingen, zooals die b.v. in ons recht
+door de actie van art. 1401 B. W. wordt verleend. Het wederrechtelijk
+gebruik van eens anders naam, het binnendringen in een huis tegen den
+wil van den bewoner, het openbaar maken van hetgeen in vertrouwelijken
+kring is gezegd of geschreven en vele andere "onrechtmatige daden"
+van dien aard zal men dus hebben te beschouwen als zoovele inbreuken
+op het persoonlijkheidsrecht van dengeen, tegen wien zij gericht
+waren. Doch Gierke breidt den kring der persoonlijkheidsrechten te ver
+uit, door ook het geheele auteursrecht daarin op te nemen. Ten onrechte
+rekent hij de geestesproducten tot de "Persönlichkeitsgüter"; hetgeen
+dus zou moeten beteekenen, dat de geestesproducten geen zelfstandig
+bestaan hebben, doch, zooals Gierke het uitdrukt: bestanddeelen van
+de persoonlijkheidssfeer des auteurs uitmaken. Nu is het wel waar,
+dat schrijvers en kunstenaars dikwijls, zooals men dat uitdrukt,
+"iets van zichzelf" in hunne werken leggen, doch dit geeft nog geen
+recht om te zeggen: de auteur en zijn werk zijn één. Reeds het feit,
+dat hetgeen in het binnenste van den auteur omgaat, niet daarin blijft,
+maar tot een kunstwerk wordt omgeschapen, dat in de buitenwereld
+treedt en aan de beoordeeling van het publiek wordt overgegeven,
+doet de onjuistheid zien van de vereenzelviging van den auteur
+met zijn werk. Treffend is de opmerking van Kohler in dit verband:
+"eine jede Schöpfung schafft Entzweiung zwischen dem Schöpfer und dem
+Geschaffenen" [265]. Dat dit ook door Gierke niet geheel over het
+hoofd wordt gezien, blijkt wel hieruit, dat hij hetgeen object van
+het auteursrecht is, aanduidt als "ein Geisteswerk, das kraft seiner
+Individualisierung einen gesonderten Bestand, kraft seiner äuszerlichen
+Fixierung ein unabhängiges Dasein und kraft seiner Beschaffenheit als
+unleibliches Gut einen selbständigen Werth hat" [266]. Hiermede is
+moeilijk te rijmen, dat het werk van de persoonlijkheidssfeer van den
+auteur deel zou uitmaken. Bovendien moet Gierke, om zijn leer met de
+mogelijkheid van overdracht van het auteursrecht in overeenstemming
+te brengen, toegeven, dat het geestesproduct als object van het
+auteursrecht, een "von der Person ablösbares Persönlichkeitsgut" is
+[267], waarmede m. i. een van de meest karakteristieke eigenschappen
+van het "Persönlichkeitsgut" wordt losgelaten.
+
+Het auteursrecht is dus geen persoonlijkheidsrecht [268], maar een
+vermogensrecht, daar het tot object heeft een zelfstandig bestaand
+goed, dat deel van het vermogen uitmaakt. Er zijn echter, zooals reeds
+is opgemerkt, een aantal, met het auteursrecht in meer of minder nauw
+verband staande, rechten, die men vergeefs zou trachten als bestanddeel
+van dit vermogensrecht te verklaren. Hiervoor nu kan de theorie der
+persoonlijkheidsrechten goede diensten bewijzen. Als uitvloeisel
+van het persoonlijkheidsrecht van den auteur zal men b. v. hebben
+te beschouwen de bevoegdheid om zich tegen de publicatie van niet
+voor het publiek bestemde geschriften (zooals brieven, dagboeken,
+onvoltooide letterkundige werken, enz.) te verzetten. Hier is werkelijk
+een Persönlichkeitsgut te beschermen, n. l. de vertrouwelijke uiting,
+hoogstens voor een kleinen kring van vrienden en verwanten bestemd,
+of wel de onvoldragen letterkundige schepping, waarvan de auteur zich
+nog niet heeft weten los te maken.
+
+Tot het persoonlijkheidsrecht van den auteur behoort ook het gebruik
+van den auteursnaam. Aan den auteur moet het ter beslissing worden
+gelaten, of zijne werken al dan niet onderteekend de wereld zullen
+worden ingezonden; in het bijzonder moet hij er zich tegen kunnen
+verzetten, dat zijn werk onder den naam van een ander openbaar wordt
+gemaakt of wel dat een werk, dat niet van hem afkomstig is, op zijn
+naam wordt geschoven. In den tijd van Vondel moest men zich, zooals
+wij hebben gezien, dergelijke bejegeningen maar laten welgevallen,
+in de laatste jaren echter komt men meer en meer tot het inzicht,
+dat het tot de taak van het recht behoort, de eerbiediging der
+persoonlijkheid ook in dit opzicht te helpen verzekeren.
+
+Voorts is als inbreuk op het persoonlijkheidsrecht te beschouwen het
+openbaar maken van een geschrift of kunstwerk, waarin zonder voorkennis
+van den auteur wijzigingen zijn aangebracht; want ook hierdoor wordt
+hem een werk toegeschreven, dat hij misschien in dien gewijzigden
+vorm niet als het zijne zou willen erkennen, en dat zijnen naam als
+kunstenaar of geleerde groote schade kan aandoen.
+
+Wij hebben hier dus een aantal voorbeelden van een recht van den auteur
+ten aanzien van zijn werk, dat van het auteursrecht wel dient te worden
+onderscheiden. In de gevallen, waar het persoonlijkheidsrecht en het
+auteursrecht in ééne hand zijn en waar het eerste als het ware in het
+laatste is opgelost, komt de noodzakelijkheid dezer onderscheiding
+niet zoozeer uit. Toch is het terwille van een goed begrip ook dáár
+wenschelijk, de twee rechten uit elkander te houden. Wij hebben in
+die gevallen, zooals Kohler het uitdrukt, met een Doppelrecht te
+doen, d.w.z. twee rechten, die tegen dezelfde handelingen bescherming
+verleenen. Wie b.v. tegen den wil van den auteur een werk, dat deze nog
+in manuscript heeft, uitgeeft, maakt inbreuk zoowel op het auteursrecht
+(uitsluitend exploitatie-recht) als op het persoonlijkheidsrecht
+(recht om te beslissen of het geschrift al dan niet openbaar zal
+worden gemaakt). Ook met eigendom kan het persoonlijkheidsrecht
+op eene dergelijke wijze samengaan. Het binnendringen in een huis
+b.v. kan tegelijkertijd zijn een schending van het eigendomsrecht en
+van het persoonlijkheidsrecht (recht op huisvrede) [269]. Practische
+beteekenis heeft het persoonlijkheidsrecht eerst, wanneer er geen ander
+recht is, waaruit hetzelfde verbod is af te leiden. Huisvredebreuk
+kan b.v. ook gepleegd worden tegen iemand, die niet het minste recht
+op het door hem bewoonde huis kan doen gelden; dan is het dus alleen
+het persoonlijkheidsrecht, waarop inbreuk wordt gemaakt. En zoo kan ook
+het persoonlijkheidsrecht van den auteur voorkomen zonder auteursrecht;
+wanneer b.v. dit laatste is vervreemd of indien het een werk betreft,
+dat niet tot de beschermde auteursproducten is te rekenen, zoodat er
+in het geheel geen auteursrecht heeft bestaan.
+
+In een afzonderlijk hoofdstuk zal ik het persoonlijkheidsrecht in
+verband met het auteursrecht meer in bijzonderheden bespreken; wat
+hier voorafgaat is naar ik hoop voldoende geweest om te doen zien,
+dat wij het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht hebben
+te beschouwen, dat weliswaar op sommige punten dezelfde strekking
+kan hebben als het auteursrecht, maar toch geen bestanddeel daarvan
+uitmaakt, daar het op een anderen grondslag berust en een eigen
+rechtskarakter vertoont.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III
+
+DE OBJECTEN
+
+
+§ 1 Algemeen overzicht en groepeering
+
+In het algemeen kunnen de producten, die voor bescherming door
+auteursrecht in aanmerking komen, worden aangeduid met de, ook in
+verschillende wetgevingen gebruikte, uitdrukking: werken van kunst
+en letterkunde. Met deze uitdrukking, hoe ruim ook opgevat, wordt
+het terrein toch reeds eenigermate afgebakend. Een belangrijke groep
+van intellectueele voortbrengselen, die eveneens als "Immaterialgüter"
+zijn te beschouwen, vallen er buiten, nl.: uitvindingen en modellen van
+nijverheidsproducten, de voorwerpen van het zoogenaamde "industrieele
+eigendomsrecht."
+
+Laatstgenoemd recht heeft met het auteursrecht vele punten
+van overeenkomst; de grondslag van beide rechten is dezelfde,
+nl. bescherming van arbeiders en scheppers op intellectueel gebied
+tegen onbevoegde exploitatie hunner voortbrengselen, en ook in aard en
+strekking toonen zij veel verwantschap. In de wetgevingen vindt men
+echter deze twee categorieën van rechten, waar zij beide wettelijk
+zijn erkend, afzonderlijk geregeld en wat de internationale regeling
+betreft bestaat naast de Conventie van Bern voor het auteursrecht de
+Conventie van Parijs van 20 Maart 1883 voor den industrieelen eigendom
+[270]. Dit zou weliswaar opzichzelf nog geen reden behoeven te zijn,
+om ook bij eene wetenschappelijke beschouwing deze twee rechten zoo
+scherp uit elkander te houden; doch naast de practische redenen, die
+verschillende voorzieningen eischen, bestaat er ook een verschil in
+karakter van de rechtsobjecten, dat bij het bepalen van het begrip
+van elk dezer rechten het trekken van een grenslijn tusschen beide
+rechtvaardigt. Hiermede is echter niet gezegd, dat de juiste plaats
+van deze grenslijn overal even gemakkelijk is aan te wijzen.
+
+Het kenmerkende van de objecten van auteursrecht zal men hierin hebben
+te zoeken, dat zij in tegenstelling met de voorwerpen van industrieelen
+eigendom steeds naast hetgeen product is van zuiver intellectueelen
+arbeid ook elementen van aesthetisch karakter in zich hebben. Bij de
+meeste zal dit aesthetisch karakter zelfs verreweg overwegend zijn
+(zooals b.v. bij werken van beeldende kunst, muziek, verzen, romans
+en tooneelstukken) terwijl de werken, waarmede dit niet het geval is
+(b.v. wetenschappelijke geschriften, werken der bouwkunst), slechts
+in zooverre onder de beschermde auteursproducten zijn te rekenen,
+als zij eene, meer of minder belangrijke, aesthetische schepping
+vertegenwoordigen. Geen voorwerp van auteursrecht kan dus zijn wat
+alleen de vrucht is van het koel-overleggend en berekenend verstand,
+ook al is daarbij nog zooveel arbeid of vindingrijkheid te pas
+gekomen. Daarmede is tevens gezegd, dat uitvindingen buiten het
+auteursrecht vallen; niet alleen de uitvindingen op het gebied der
+nijverheid, waaronder men de objecten voor den industrieelen eigendom
+heeft te zoeken, maar ook die op elk ander gebied.
+
+Levert dus op dit punt het trekken van de grenslijn tusschen
+auteursrecht en industrieelen eigendom geene moeilijkheden op,
+minder gemakkelijk valt met juistheid vast te stellen, waar de
+grens ligt tusschen industrieele modellen en kunstwerken. Het
+woord kunstnijverheid wijst reeds op het bestaan van eene groep
+voortbrengselen, die tusschen het een en het ander inliggen. Hiertoe
+zijn onder meer te rekenen: gouden en zilveren gebruiks- en
+luxevoorwerpen, weef- en borduurwerk, tapijten, porcelein, aardewerk,
+meubelen, versierd drukwerk, ontwerpen voor boekbanden, enz. enz. In
+de wetenschap is een streven merkbaar, dat ook reeds in sommige
+landen door wetgever en rechter is gevolgd, om alle voorwerpen van
+kunstnijverheid tot het gebied van het auteursrecht te rekenen. Mits
+een voortbrengsel een kunstwerk kan worden genoemd (dit woord hier
+op te vatten in zijne allerruimste beteekenis), moet het volgens
+deze opvatting, indien het ook overigens daarvoor in de termen valt,
+voor een object van auteursrecht worden gehouden, ook indien het
+aan practische doeleinden dienstbaar is gemaakt. Dit beginsel vindt
+men o. a. in de loi-type der Association, welke op dit punt reeds in
+enkele wetten geheel of gedeeltelijk navolging heeft gevonden. Het
+ontwerp is toepasselijk op alle werken van plastische of graphische
+kunst "quels que soient leur mérite, leur emploi et leur destination"
+(artikel 1 tweede lid). Er zal nog hieronder gelegenheid zijn, op deze
+kwestie terug te komen; hier worde slechts aangestipt, dat men door
+het terrein van het auteursrecht in deze richting uit te breiden,
+de moeilijkheid, die het vinden van eene nauwkeurige grensscheiding
+tusschen auteursrecht en industrieelen eigendom oplevert, niet opheft,
+maar slechts verplaatst.
+
+Zet men zich na deze voorloopige afbakening van het terrein tot
+eene nadere beschouwing van hetgeen object van het auteursrecht
+kan zijn, dan doet zich allereerst de noodzakelijkheid gevoelen,
+eenige groepeering te brengen in de bonte menigte "werken van kunst
+en letterkunde".
+
+De verschillende kunstsoorten wijzen vanzelf de hoofdrubrieken aan,
+waarin de auteursproducten zijn te verdeelen. In de eerste plaats is
+de onderscheiding te maken tusschen de werken der beeldende kunsten,
+die met lijnen, vormen en kleuren aesthetische indrukken pogen te
+wekken door middel van het gezicht en die, welke men met Schuster
+[271] zou kunnen noemen werken der "sprekende" kunsten, omdat zij
+onmiddellijk door geluid, en slechts middellijk door schrift-teekens
+waarneembaar worden gemaakt, nl. de voortbrengselen der woord- [272] en
+der toonkunst. Tot deze laatste groep zal men echter ook moeten rekenen
+de werken, waarin niet door middel van letterteekens en noten, maar met
+lijnen, kleuren en figuren iets wordt beschreven of uiteengezet. In
+deze werken, waartoe b.v. gerekend moeten worden: landkaarten,
+platte gronden, graphische voorstellingen, doorsnede-teekeningen
+van gebouwen en machines enz., vervullen de lijnen en kleuren een
+soortgelijke rol als letters en woorden in een geschrift. "Auch
+hier"--schrijft Kohler over deze soort werken--"handelt es sich
+um eine Sprachkunst, da auch hier nicht nur die technisch richtige
+Anwendung der sinnbildlichen Mittel, sondern die weise Auswahl des
+Wichtigen aus der Ueberfülle des Vorhandenen für die Brauchbarkeit
+und Uebersichtlichkeit entscheidend ist" [273]. Wij hebben hier dus
+te doen met eene taal, die niet hoorbaar kan worden weergegeven.
+
+Hetzelfde kan worden gezegd van werken van geheel anderen aard;
+nl. pantomimes, waarin ook gedachten en gevoelens tot uiting worden
+gebracht door middel van natuurlijke of symbolische, zichtbare teekens:
+gebaren en mimiek. Pantomimes en balletten kunnen ook in schrift
+worden gebracht door middel der choregraphie, een woord dat het
+eerst schijnt te zijn gebruikt door zekeren Feuillet, dansmeester te
+Parijs, die in 1701 in het licht gaf een werkje, dat tot titel voert:
+Chorégraphie, ou l'art d'écrire la danse par caractères, figures et
+signes démonstratifs. Ook ten aanzien van deze werken bestaat er dus
+reden te spreken van eene taal, die gedanst kan worden en geschreven,
+maar niet gesproken.
+
+Tot de groep der beeldende kunsten zijn ook te rekenen, hoewel zij
+daarmede niet op ééne lijn kunnen worden gesteld: de bouwkunst, de
+verschillende soorten van kunstnijverheid of technische kunsten en
+de photographie.
+
+Wij komen dus tot de volgende groepeering der auteursproducten:
+
+
+ I De werken, waarbij als materiaal eene taal dienst doet, en wel:
+
+ a) de woordtaal (geschriften van allerlei aard);
+ b) de taal van lijnen en figuren in: kaarten en platen van
+ technischen of wetenschappelijken aard;
+ c) de taal der muziek (werken der toonkunst);
+ d) de taal van gebaren en mimiek (choregraphische werken);
+
+ II De werken der beeldende kunsten, waarbij te onderscheiden
+ vallen:
+
+ a) de eigenlijke beeldende kunsten, zoowel graphische (in
+ twee afmetingen) als plastische (in drie afmetingen);
+ b) de kunstnijverheid;
+ c) de photographie;
+ d) de bouwkunst.
+
+
+Alle werken, waarop auteursrecht kan worden gevestigd, zijn onder een
+van de hier genoemde rubrieken in te deelen; doch niet overal is de
+bescherming zóó volledig, dat zij al deze groepen omvat. In sommige
+landen bestaat b.v. geen auteursrecht op choregraphische werken,
+terwijl ook de werken der bouwkunst, de photographieën en de producten
+der kunstnijverheid niet overal tot de beschermde auteursproducten
+worden gerekend. Ons land, waar de geheele hoofdgroep "werken van
+beeldende kunst" onbeschermd is, staat echter in dit opzicht onder
+de beschaafde staten alleen.
+
+In verband met de boven gegeven indeeling der verschillende
+auteursproducten in groepen kan nog worden opgemerkt, dat er ook werken
+zijn, die aan de samenwerking van twee kunsten hun ontstaan te danken
+hebben. Deze samenwerking kan plaats hebben tusschen de kunst van het
+woord en die van het beeld (geïllustreerde geschriften, teekeningen,
+inzonderheid caricaturen met onderschriften); tusschen dans en muziek
+(bij bijna alle pantomimes en balletten behoort muziek); maar vooral
+is zij van belang tusschen de woorden de toonkunst. Tekst en muziek
+kunnen op verschillende wijzen met elkander in verbinding worden
+gebracht tot de vorming van een geheel. Het meest los van elkander
+blijven zij daar, waar het geschrift (vers of prozastuk) slechts
+de aanleiding is geweest voor het ontstaan van eene zelfstandige
+muzikale compositie; waar de componist er dus naar heeft gestreefd
+eene verklanking in tonen te geven van hetgeen door een ander (of
+door hemzelf) in woorden was uitgedrukt. Men spreekt in die gevallen
+van programma-muziek in tegenstelling van de dusgenoemde absolute
+muziek. De band is reeds nauwer, waar de muziek als begeleiding van
+het gesproken woord optreedt. Dit voert tot het zoogenoemde melodrama,
+een kunstvorm die in de laatste jaren weer meer in zwang schijnt te
+komen. De innigste samensmelting van woord en toon vindt men echter in
+de vocale muziek, composities voor de menschelijke stem, al of niet met
+instrumentale begeleiding. Hoewel het altijd mogelijk blijft, de twee
+elementen, waaruit deze werken bestaan, muziek en tekst, van elkander
+te scheiden, zijn zij toch meestal te beschouwen als één geheel,
+zoowel uit aesthetisch oogpunt (men denke b.v. aan de muziekdrama's
+van Richard Wagner) als met het oog op de exploitatie. Ten aanzien van
+het auteursrecht is dit in verschillende opzichten van belang [274];
+in dit verband is het voldoende erop te wijzen, dat naast het recht
+op de muziek en dat op den tekst bij deze werken ook kan bestaan een
+recht op het geheel, zoodat dit laatste in het auteursrecht als een
+afzonderlijk rechtsobject is te beschouwen.
+
+Iets dergelijks is het geval met de "verzamelwerken",
+d. w. z. werken, die bestaan uit bijdragen van meerdere personen,
+zooals b.v. bloemlezingen, encyclopaedieën enz. Aan dengeen, die deze
+samenstellende deelen tot een geheel heeft vereenigd, kennen de meeste
+wetten (ook onze wet: art. 2 lid 1a, en 2) het auteursrecht toe op dit
+geheel. Hierin hebben wij dus ook te zien een afzonderlijk voorwerp
+van auteursrecht.
+
+
+
+Er bestaan buiten de genoemde kunsten nog wel andere, waarin
+aesthetische scheppingen kunnen worden voortgebracht, die
+zich in abstracto zouden leenen om voorwerp van een uitsluitend
+exploitatierecht te zijn, analoog met het auteursrecht. Ook aan de
+praestaties van de uitvoerende kunstenaars (tooneelspelers, zangers,
+instrumentbespelers en orkestleiders) kan het karakter van artistieke
+schepping niet worden ontzegd; men spreekt immers wel van de "creatie"
+van een tooneelspeler in een bepaalde rol. Dat zich ten aanzien van
+deze kunsten de behoefte aan een uitsluitend recht van exploitatie
+in het verkeer nog niet algemeen heeft doen gevoelen, kan misschien
+voor een deel worden verklaard uit het feit, dat het tot nu toe
+slechts in beperkte mate en op gebrekkige wijze mogelijk is, deze
+kunstpraestaties buiten toedoen van den "auteur" te exploiteeren. Doch
+evenals de uitvinding van de boekdrukkunst de behoefte aan kopierecht
+heeft doen ontstaan en de verschillende reproductie-methodes van
+prenten en schilderijen tot het verleenen van auteursrecht op werken
+van beeldende kunst hebben geleid, is het niet geheel onmogelijk,
+dat nieuwe uitvindingen in de toekomst gevolgen van soortgelijken aard
+zullen meebrengen. Er zijn zelfs reeds twee uitvindingen van de laatste
+jaren, die in dit opzicht niet geheel zonder gevolg zijn gebleven,
+n.l. de phonograaf of grammophoon en de kinematograaf. De eerste dient,
+zooals bekend, tot het reproduceeren van klanken, die door middel van
+een naald, die op bepaalde wijze op de geluidstrillingen reageert,
+in een cylinder of plaat zijn gefixeerd. Vocale en instrumentale
+muziek en ook de sprekende menschelijke stem worden door middel van
+de daarvan gemaakte phonogrammen nauwkeurig hoorbaar weergegeven [275].
+
+Dit heeft reeds aanleiding gegeven tot eene merkwaardige beslissing
+van het Hof van Berlijn, waarbij erkend werd het "auteursrecht"
+van den zanger op zijne stem. Een zanger had liederen gezongen in
+een phonograaf en de door hem "bezongen" rollen waren in den handel
+gebracht. Hiervan werden nu zonder zijne toestemming door een derde
+nieuwe reproducties gemaakt. Het Hof nam aan, dat het ten gehoore
+brengen van gezang voorbereidenden intellectueelen arbeid vereischt
+en dat het product van dezen arbeid, evengoed als een geschrift of
+eene muzikale compositie, als object van auteursrecht is te beschouwen
+volgens de (toen nog van kracht zijnde) wet van 11 Juni 1870 [276].
+
+Ook voor tooneelspelers kan de phonograaf van beteekenis zijn, vooral
+indien de hoorbare reproductie van hunne dictie gepaard gaat met
+eene afbeelding door middel van den kinematograaf van gebarenspel
+en mimiek. Deze samenwerking van phonograaf en kinematograaf maakt
+het mogelijk, de geheele uitbeelding van een rol tegelijk hoorbaar
+en zichtbaar weer te geven.
+
+Een Congrès de l'art théatral, gehouden te Parijs in 1900, heeft reeds
+den wensch uitgesproken, dat de tooneelspeler tegen de reproductie
+zijner interpretatie zou worden beschermd [277]. Ook de Association
+heeft zich met dit vraagstuk bezig gehouden, en daarbij kwam ook ter
+sprake, of niet eveneens mise-en-scène, decoratief en costumeering,
+i. e. w. de "aankleeding" van een stuk, voorwerp van een uitsluitend
+recht behoort te zijn [278]. Wat dit laatste betreft bestaat er een
+arrest van 30 Dec. 1898 van het Cour d'appel van Parijs, waarbij wordt
+beslist, dat aan het théatre de la Porte-Saint-Martin het auteursrecht
+toekomt op de mise-en-scène van het door die schouwburg-onderneming
+vertoonde stuk Cyrano de Bergerac. Na de overweging, dat de decors als
+kunstwerken zijn te beschouwen, die de bescherming der wet genieten,
+wordt in het arrest verder gezegd: "... qu'il en est de même de la mise
+en scène, comprenant les costumes et le groupement des personnages,
+dont le plan général et la conception, le plus souvent réglés par un
+livret manuscrit ou inprimé, sont une oeuvre de l'esprit susceptible
+d'être protégée par la loi. Qu'il suit de là que la reproduction
+[279], soit des décors, soit de la mise en scène, ne peut être faite
+sans le consentement du propriétaire" [280].
+
+Deze beslissing komt mij, evenzeer als die van het Hof van Berlijn,
+welke hierboven werd genoemd, onjuist voor. In hoeverre de betreffende
+bepalingen van de Duitsche wet van 11 Juni 1870 en van de Fransche wet
+van 24 Juli 1793 ruimte lieten om in deze gevallen aldus te beslissen,
+kan hier buiten beschouwing blijven. Ik wensch slechts de vraag onder
+de oogen te zien, of het in het algemeen aanbeveling verdient het
+begrip "kunstwerk" in het auteursrecht zoo ver uit te breiden, dat
+daaronder ook de praestaties van zangers, tooneelspelers, regisseurs
+enz. gerekend zouden moeten worden. Vooralsnog bestaat er m. i. alle
+reden, deze vraag in ontkennenden zin te beantwoorden.
+
+Wat de ensceneering en costumeering van een tooneelstuk betreft,
+hieraan ontbreken de kenmerken van eene artistieke schepping, van
+een kunstwerk, ten eenenmale. Kohler merkt hierover zeer juist op:
+"Allerdings besteht die Theaterausstattung nicht blosz aus den Aufzügen
+und Gewändern, sondern auch aus dem Arrangement der Zimmer, aus der
+Gruppirung der Naturobjecte--diese ist aber ebenso wenig ein Kunstwerk,
+als ähnliche Arrangements im Leben es sind" [281]. Hij maakt dan nog
+verder de opmerking, dat een enkel stuk van het decor, een schilderij,
+dat in de kamer, welke het tooneel verbeeldt, is opgehangen, een
+gobelin enz. wel als werken van beeldende kunst object van auteursrecht
+kunnen zijn, doch dat het feit, dat zij tot de aankleeding van het
+stuk behooren, daarbij niet in aanmerking is te nemen. Dit komt mij
+voor, de juiste opvatting te zijn. Wat wij, in de schouwburg-zaal
+zittend, binnen het raam der tooneel-opening aanschouwen, is niet
+de in beeld gebrachte voorstelling van een kunstenaar, maar een
+stukje werkelijkheid; de lijnen en kleuren, die wij in het tafereel
+bewonderen, zijn die van de voorwerpen en van de personen zelf,
+welke zich op het tooneel bevinden. Het schikken en groepeeren kan
+dus niet als het scheppen van een kunstwerk worden beschouwd, ondanks
+de artistieke talenten, die eraan ten koste kunnen zijn gelegd. Om
+dezelfde reden vallen ook buiten den kring der kunstwerken in den
+hier bedoelden zin: tableaux-vivants, gecostumeerde optochten [282],
+uitstallingen voor winkelruiten of op tentoonstellingen enz. enz.
+
+Het werk der uitvoerende kunstenaars kan daarentegen wel, zooals reeds
+werd opgemerkt, de kenmerken van eene artistieke schepping in zich
+hebben. Tooneelspelers, zangers, viool- of piano-virtuozen zijn--het
+behoeft nauwelijks te worden gezegd--niet maar te beschouwen als
+instrumenten in de hand van den schrijver of componist. Het ten
+gehoore brengen is een kunst op zichzelf. De auteur moge tot in
+de fijnste schakeeringen geweten en gevoeld hebben, hoe de ideale
+hoorbare reproductie van zijn werk behoort te zijn en dit ook min
+of meer nauwkeurig hebben kunnen aanwijzen (dit geldt vooral voor
+muziekwerken); de verwerkelijking hiervan moet hij aan anderen,
+de uitvoerende kunstenaars, overlaten. Dit neemt natuurlijk niet
+weg, dat een componist ook uitvoerend kunstenaar kan zijn en een
+drama-schrijver tegelijkertijd tooneelspeler; beide kunsten zijn
+in dat geval in een persoon vereenigd, maar blijven niettemin van
+elkander te onderscheiden.
+
+In denzelfden geest laat Kohler zich over de uitvoerende of
+reproduceerende kunsten uit; hij wijst er tevens op, dat eene
+uitvoering of voordracht wel te beschouwen is als "... eine
+Augenblicksäuszerung mit allen Zufälligkeiten des Augenblicks in
+Bezug auf Stimme Betonung, Ausdrucksweise;" doch dat dit nog geen
+reden is om het als object van auteursrecht te verwerpen, daar ook
+van sommige "Autorwerke" (als voorbeeld noemt hij de improvisatie)
+hetzelfde kan worden gezegd [283]. Deze verwijzing naar de improvisatie
+was m. i. niet eens noodzakelijk; ik zou zelfs meenen, dat in het
+algemeen het werk van uitvoerende kunstenaars niet meer dan dat van
+de "scheppende" in engeren zin onder toevalligheden als b. v. de
+stemming van het oogenblik te lijden heeft. Evenals de schrijver en
+de componist komen ook de tooneelspeler, zanger, pianist enz. niet
+met hun werk onvoorbereid voor het publiek. Door herhaalde oefeningen
+en overdenkingen zijn zij niet alleen gewapend tegen de technische
+moeilijkheden, die op het oogenblik der uitvoering te overwinnen zijn,
+maar zij hebben daardoor ook de gelegenheid gehad, hunne vertolking
+te ontdoen van alles wat er aanvankelijk nog vluchtig en onbezonken
+in mocht zijn geweest. Met een improvisator zou m.m. te vergelijken
+zijn de pianist, die een hem onbekend stuk à vue in de concertzaal
+zou willen voordragen. Van een ernstig kunstenaar is zoo iets echter
+niet licht te verwachten.
+
+Het schijnt mij echter onnoodig hierop nog verder in te gaan. Van
+meer belang is het, een oogenblik stil te staan bij hetgeen Kohler
+opmerkt om te betoogen, dat het werk der uitvoerende kunstenaars
+niet als auteursproduct is te beschouwen. Hij schrijft: "Wohl aber
+kann an allem diesen (d. i. aan elke voordracht en uitvoering, ook
+b. v. die van den orkest-leider) ein Persönlichkeitsrecht bestehen,
+denn es ist ein Eingriff in das Recht der Person, eine mechanische
+Nachäffung ihrer Augenblickstätigkeit zu bewirken und ihr hierdurch
+dasjenige zu nehmen, worauf sie ein Recht hat, nämlich die "Gunst"
+des Augenblicks."
+
+In het algemeen kan ik mij met deze opvatting wel vereenigen, hoewel
+ik meen, dat hier wel wat al te absoluut is gesteld, dat het recht
+der uitvoerende kunstenaars, voor zoover hiervoor grond bestaat, geen
+auteursrecht is maar persoonlijkheidsrecht. Het is zeker waar, dat
+een zanger en tooneelspeler niet eene buiten hen bestaande schepping
+vertoonen aan het publiek; hunne kunst-praestatie is niet los te maken
+van hun persoon; wat zij te bewonderen geven is niet iets dat zij
+hebben gemaakt, maar hetgeen zij doen. Met het oog hierop is Kohler's
+karakteriseering van de reproductie hunner kunst als "Nachäffung
+ihrer Augenblickstätigkeit" zeer goed te aanvaarden. Ik meen echter,
+dat dit niet steeds zoo behoeft te blijven. De reproductie-middelen,
+welke hier ten dienste staan (speciaal grammophoon, phonograaf en de
+"Mignon"-piano), zijn nog betrekkelijk gebrekkig; behalve de stem
+of de muziek die zij weergeven hoort men nog storende bijgeluiden,
+en de rollen en platen die worden gebruikt zijn te klein, om werken
+van eenigszins langeren adem zonder af te breken ten gehoore te
+brengen. Indien men echter nagaat, welke vorderingen de techniek reeds
+heeft gemaakt, is de verwachting niet zonder grond, dat men ook deze
+gebreken in den loop der jaren zal weten te verhelpen.
+
+Naarmate nu de phonographische reproductie meer volkomen wordt, zal
+ook het persoonlijk karakter, dat nu nog aan de kunstpraestatie der
+uitvoerende kunstenaars eigen is, langzamerhand verdwijnen. Wat het
+woordschrift is voor de kunstenaars van de taal en het muziekschrift
+voor de componisten, zal het klankschrift worden voor de kunstenaars
+van het geluid: een middel om hunne kunstschepping buiten hun persoon
+te belichamen en haar zoodoende voor anderen waarneembaar en genietbaar
+te maken, zonder dat deze in persoonlijk contact met den kunstenaar
+behoeven te komen. Indien men er eenmaal in slaagt, door middel van het
+phonogram eene aesthetische genieting te verschaffen, die gelijk komt
+aan die welke door het aanhooren van den kunstenaar zelf wordt gegeven,
+dan zal men niet meer kunnen spreken van "mechanische Nachäffung ihrer
+Augenblickstätigkeit." Het zal dan niet meer zijn eene nabootsing
+van hetgeen de kunstenaar op een bepaald oogenblik deed, maar zijn
+werk zelf, in getrouwe reproductie weergegeven. En daarmede zal het
+principieele verschil tusschen werken van dezen aard en die van de
+scheppende kunstenaars in engeren zin grootendeels zijn vervallen. Ik
+zie althans geen reden, waarom men voordracht, zang en spel dan
+niet even goed tot de immaterieele goederen zou moeten rekenen,
+als geschriften, muzikale composities en werken van beeldende kunst.
+
+Het bovenstaande heeft echter betrekking op toestanden en verhoudingen,
+waarvan het niet eens volkomen zeker is of zij ooit zullen intreden
+en die in elk geval op dit oogenblik nog niet bestaan. Het zou
+dus op zijn minst voorbarig moeten heeten, om in verband hiermede
+reeds nu van een auteursrecht, toekomende aan zangers, voordragers,
+tooneelspelers enz. te spreken. Het doel mijner opmerkingen was
+slechts, te doen uitkomen, dat de kring der objecten van auteursrecht
+nog voor uitbreiding vatbaar is, en dat de grenzen, zooals wij die
+nú hebben te stellen, waarschijnlijk binnen niet al te langen tijd
+reeds te eng zullen blijken.
+
+
+
+
+§ 2 Geschriften
+
+
+a Kenmerkende eigenschappen
+
+De eerste, en verreweg de belangrijkste rubriek van auteursproducten,
+waarmede wij ons hebben bezig te houden, is die van de geschriften,
+juister gezegd: van de werken der woordkunst. Want ook daar, waar
+niets op schrift is gebracht, kan eene schepping in taal voorhanden
+zijn. Het schrift is niet meer dan een zichtbare afbeelding van hetgeen
+in de taal is gewrocht en geen essentieel bestanddeel daarvan. Er
+bestaat daarom geen reden om onderscheid te maken tusschen de werken,
+welke de auteur in schriftvorm waarneembaar heeft gemaakt, en die
+welke op andere wijze tot uiting zijn gekomen. De auteur kan zijn
+werk hebben voorgedragen voor een grooter of kleiner publiek; indien
+het een tooneelstuk is, kan hij aan elken tooneelspeler diens rol
+mondeling hebben ingeprent; en ook is het geval denkbaar (al zal het
+in werkelijkheid wel tot de groote zeldzaamheden behooren), dat hij
+zijn geestesproduct--een gedicht b.v.--alleen aan den phonograaf heeft
+toevertrouwd. In al deze gevallen is er aan een werk in woordtaal het
+aanzijn gegeven, zonder dat er ook maar één letter behoeft te zijn
+geschreven. Doch men zal inzien dat deze omstandigheid niets afdoet
+aan de vraag, of deze werken al dan niet object van auteursrecht kunnen
+zijn. Waar het alleen op aankomt is, dat het werk op eenigerlei wijze
+tot uiting is gekomen en dus niet alleen in den geest van den auteur
+bestaat, maar door anderen hetzij waargenomen is, hetzij buiten den
+auteur om waargenomen kan worden.
+
+Niet elke uiting in woordtaal kan echter als een auteursproduct
+worden beschouwd. Ik heb er al op gewezen, dat er slechts daar van
+auteursrecht sprake kan zijn, waar eene aesthetische schepping tot
+stand is gekomen. Er moet iets in de taal geformeerd zijn; er moet
+zijn, wat Kohler met eene, moeilijk te vertalen uitdrukking noemt:
+"ein künstlerisches Gebilde der Sprache" [284]. Hiermede wordt
+niet bedoeld, dat het auteursrecht beperkt zou blijven tot de
+zoogenaamde "schoone letteren" (belletrie, "literatuur" in engeren
+zin). Ook in geschriften, welke niet uitsluitend ten doel hebben
+aesthetische aandoeningen te verwekken (b.v. in wetenschappelijke
+verhandelingen), valt eene zekere "woordkunst" niet te miskennen. "Zu
+den Kunstwerken,"--schrijft Kohler,--"mindestens zu den Kunstwerken in
+thesi, zu den bestimmungsgemäszen Kunstwerken gehören auch diejenigen
+literarischen Darstellungen, welche belehrenden Inhaltes sind, auch
+diejenigen, welche vorherrschend wissenschaftliche Zwecke verfolgen:
+denn die belehrende Darstellung bedient sich des Mittels der Sprache,
+die Handhabung der Sprache aber ist eine künstlerische: sie ist eine
+Verbindung der Nothwendigkeit (der Sprachgesetze) mit der Freiheit des
+Individuums; vorausgesetzt nur, dasz die Sprache nicht dem bloszen
+Lebenstriebe dient, sondern sich höhere Zwecke setzt, sei es auch
+nur die Zwecke der Belehrung oder der Massenwirkung. Allerdings: die
+Belehrung und die Massenwirkung als Zweckwirkung ist nicht ästhetisch,
+denn die Kunst ist nothwendig zwecklos, sie darf wenigstens direkt
+keinen anderen Zweck verfolgen, als die Zwecke des Schönen; wohl aber
+ist hierbei die Benützung der Sprache eine künstlerische, weil die
+Sprache über ihre ursprünglichen Zwecke, die Zwecke des Lebenstriebes,
+sich erhebt, weil sie dadurch ihre eigentlichen Zwecke abwirft und
+relativ zwecklos wird" [285].
+
+Waar dus alleen een practisch gebruik van de taal wordt gemaakt,
+b.v. bij het doen van mededeelingen of het uiten van gevoelens in
+gesprekken of in brieven, worden geen voorwerpen van auteursrecht
+geschapen. Voor dit laatste is noodig, dat de taal als kunstmateriaal
+zij gebruikt; er moet iets onder woorden zijn gebracht, dat om zoo te
+zeggen buiten het dagelijksch verkeer staat: "eine dem ordentlichen
+Kreis des Lebensverkehrs entzogene abgerundete Darstellung"--zooals
+Kohler het elders uitdrukt [286].
+
+Met zijne onderscheiding tusschen het tweeërlei gebruik,
+dat van de taal kan worden gemaakt, het "künstlerische" en het
+"nicht-künstlerische", heeft Kohler een juist en doeltreffend criterium
+aan de hand gedaan om te beoordeelen, of een geschrift al dan niet tot
+de auteursproducten is te rekenen [287]. Vele schrijvers hebben zich
+met deze vraag beziggehouden; want dat niet alles wat gesproken of
+geschreven kan worden een door auteursrecht beschermd "geschrift" is,
+daarover zijn allen het wel eens. De moeilijkheid was echter, om de
+kenmerkende eigenschappen juist en duidelijk te omschrijven. Gierke
+stelt b.v. als eisch: "Um aber ein Schriftwerk (n.l. volgens de
+Duitsche wet) zu sein, muss das sprachliche Erzeugniss die Merkmale
+eines Geisteswerkes tragen, sich also als ein durch Formgebung
+individualisirter Gedanken-inhalt darstellen," en eenige regels verder:
+"Es muss sich als originale geistige Schöpfung offenbaren, die so
+nur aus der Arbeit eines bestimmten Geistes hervorgehen konnte"
+[288]. Dat Gierke het kenmerk vooral in het persoonlijke karakter
+van de gedachtenuiting zoekt, hangt natuurlijk met zijne theorie der
+"Persönlichkeitsrechte", waartoe ook het auteursrecht volgens hem
+behoort, samen. Overigens is hetgeen hij als vereischte stelt voor
+een geschrift om voorwerp van auteursrecht te zijn, niet onjuist,
+al laat m. i. Kohler beter het licht vallen op datgene, waar het
+voornamelijk op aankomt.
+
+Bij andere, vooral oudere, schrijvers vindt men dikwijls minder
+goedgekozen en niet ter zake doende kenteekenen opgegeven ter
+beslissing van de vraag welke ons hier bezighoudt. Zoo wenschen
+sommigen alleen die geschriften als auteursproducten te beschouwen,
+welke zich leenen om te worden uitgegeven of die door den schrijver
+daarvoor zijn bestemd [289]. Doch de eigenschap, welke hier als kenmerk
+moet dienstdoen, vindt niet zoozeer haar oorsprong in de gesteldheid
+van het werk zelf, dan wel in daarbuiten liggende omstandigheden, als
+b.v. de smaak en de ontwikkeling van het publiek, de uitgebreidheid
+van het gebied der taal, waarin het werk is geschreven, enz. Deze
+omstandigheden zijn bovendien aan verandering onderhevig: een
+geschrift, dat op het tijdstip zijner voltooiing niet "verlagsfähig"
+is, kan dit later worden en omgekeerd. Dit criterium mist dus allen
+vasten grond.
+
+Hetzelfde kan gezegd worden van hetgeen mr. de Ridder stelt
+als "vereischten, welke aanwezig moeten zijn, om tot voorwerp
+van kopierecht te maken." Behalve dat het werk een "individueel
+letterkundig geestesproduct" moet zijn (eene omschrijving, die niet
+onjuist, maar te weinig nauwkeurig is), vordert deze schrijver nog:
+"dat (het) mechanisch kan worden gereproduceerd" (iets dat voor een
+geschrift vanzelf spreekt) en bovendien, dat "deze verveelvoudiging
+een vermogensvoordeel kan opleveren" [290]. Door dit laatste wordt
+wederom niet eene blijvende, innerlijke eigenschap van het werk, maar
+eene veranderlijke, van andere factoren afhankelijke omstandigheid
+tot criterium genomen. Het is mij bovendien uit de toelichting, die
+hierbij wordt gegeven [291], niet volkomen duidelijk geworden, hoe
+moet worden uitgemaakt, of de mogelijkheid om een vermogensvoordeel
+te behalen al dan niet bestaat.
+
+Even weinig doeltreffend is de definitie, die een ander Nederlandsch
+schrijver, mr. J. G. Robbers, geeft van de--door onze wet
+beschermde--geschriften. Een geschrift moet volgens dezen schrijver
+zijn "een letterkundig geestesproduct" en dit laatste wordt omschreven
+als: "product des geestes, in schriftelijken vorm, dat, als geheel,
+van individueelen geestelijken arbeid getuigt en waaraan men, wegens
+vorm of inhoud, waarde hechten kan" [292]. Op deze definitie zijn
+verschillende aanmerkingen te maken. De "schriftelijke vorm" is,
+zooals boven reeds is uiteengezet, geen essentieel bestanddeel van
+een "geschrift" en had dus in de definitie niet behooren opgenomen
+te worden. Dat een werk, om beschermd te zijn, van "individueelen
+geestelijken arbeid" moet getuigen, kan worden toegegeven, doch de
+uitdrukking is, behalve vaag (wat beteekent eigenlijk "individueel"
+in dit verband?) te veel omvattend, daar elke individueele geestelijke
+arbeid nog geen auteursarbeid is; men denke bv. aan het moeitevol
+ontcijferen van een handschrift of aan het werk van den stenograaf,
+die eene snel-uitgesproken redevoering in schrift heeft te brengen. Ten
+slotte moet aan het geschrift, volgens mr. Robbers, "wegens vorm of
+inhoud" waarde kunnen worden gehecht. Dat eene onbestemde uitdrukking
+als deze niet bevorderlijk is tot het verkrijgen van een scherp
+omlijnd begrip behoeft nauwelijks te worden gezegd. M. i. ware dan
+ook deze laatste zinsnede beter geheel weggelaten. De beteekenis
+kan niet anders zijn dan deze, dat de geestelijke arbeid, die aan
+het werk is besteed, althans eenig resultaat moet hebben gehad, dat
+er iets, al is het nog zoo weinig, door tot stand moet zijn gekomen,
+dat door een redelijk wezen gewaardeerd kan worden. Waar dit niet het
+geval is--b.v. bij de uiting van een krankzinnige--kan men moeilijk
+spreken van een "product des geestes". De geest heeft zich misschien
+wel afgetobd, maar zonder resultaat, zonder daarmede iets te hebben
+voortgebracht. [293] Het behoeft geen betoog, dat eene opeenvolging
+van woorden en "zinnen" zonder organisch verband geen "geschrift" is,
+in den zin waarin dit woord hier wordt gebruikt, evenmin als een losse
+hoop steenen een gebouw vormt. Indien mr. Robbers de bedoeling had,
+dit met de laatste zinsnede zijner definitie uit te drukken, had deze
+(scil. die laatste zinsnede) dus achterwege kunnen blijven. Men zou
+echter de uitdrukking ook enger kunnen opvatten en er uit kunnen lezen,
+dat alleen die geschriften als objecten van auteursrecht in aanmerking
+komen, die aan zekere eischen van wetenschappelijken of aesthetischen
+aard voldoen. Indien dit de bedoeling is geweest, zijn de bezwaren
+ertegen van ernstiger aard. Er bestaat geen grond om gebrekkige of
+weinig belangrijke geschriften van de bescherming uit te sluiten;
+het zou trouwens ondoenlijk zijn, een vasten maatstaf te vinden,
+waarnaar de beoordeeling zou moeten geschieden. Het letterkundig of
+wetenschappelijk gehalte van het werk dient dus buiten beschouwing
+te worden gelaten [294]; de eenige eisch, die mag worden gesteld, is,
+dat er iets verstaanbaars tot uiting is gekomen in daartoe opzettelijk
+kunstmatig bewerkte taal.
+
+Hiermede ben ik weer teruggekomen op de door Kohler gegeven
+begripsbepaling, die ook dáárom boven anderen te verkiezen is,
+omdat zij een zuiver uitvloeisel is van het beginsel, dat aan de
+auteursbescherming ten grondslag ligt. Dit beginsel is niet: belooning
+van den aangewenden arbeid, maar: bescherming van het recht op het
+voortgebrachte goed. Alleen daar is dus grond voor auteursrecht, waar
+iets is voortgebracht, waar eene schepping--of zoo men liever wil:
+een maaksel--van den geest voorhanden is. De meerdere of mindere
+volkomenheid en belangrijkheid doet daarbij niet ter zake; evenmin
+komt het er op aan, of er veel of weinig geestesinspanning toe noodig
+is geweest. Uitsluitend met het resultaat van den arbeid hebben wij te
+maken en dit resultaat moet, om voorwerp van auteursrecht te zijn, eene
+kunstschepping wezen (niet dus b.v. eene uitvinding of ontdekking);
+en daar wij hier alleen met werken in woordvorm te doen hebben:
+eene kunstschepping in taal, "ein künstlerisches Gebilde der Sprache".
+
+Dit is het dus, wat op zijn minst aanwezig moet zijn, wil men eene
+uiting in woordtaal tot de auteursproducten rekenen. Doch hiermede
+is nog geene karakteriseering gegeven van het immaterieele goed,
+dat object van het auteursrecht is. Een geschrift is nog iets meer
+dan enkel een stuk taal. Ook aan datgene, wat door de taal wordt
+uitgedrukt hebben wij onze aandacht te wijden, want ook dit kan
+eene aesthetische schepping zijn, die, zij het dan ook slechts bij
+benadering, ook met andere woorden of in eene andere taal zou kunnen
+worden uitgedrukt. Dit stelt ons voor eene andere vraag, niet minder
+belangrijk dan de voorgaande, n.l. hoever reikt in elk geval de
+schepping van den auteur; wat is in een geschrift, behalve de taal,
+als het maaksel van den schrijver te beschouwen? Eerst wanneer deze
+vraag naar behooren is beantwoord, kan men zich een zuiver denkbeeld
+vormen van den omvang van het door den auteur voortgebrachte goed en
+dus tevens reeds eenigermate van den omvang van zijn recht. Want steeds
+is vast te houden aan het beginsel, dat de auteur alleen datgene het
+zijne kan noemen, wat zijn scheppend talent heeft voortgebracht.
+
+
+
+
+b Vorm en inhoud
+
+Over de roekelooze wijze, waarop sommige schrijvers over auteursrecht
+met de woorden "vorm" en "inhoud" omspringen en over de geringe
+waarde die daarom aan hunne redeneeringen is te hechten, heb ik reeds
+met een enkel woord gesproken. Het ergst van allen maakt het zeker
+wel mr. J. A. Levy, die in een kort opstel--voor zoover mij bekend
+het eenige geschrift van zijne hand dat over auteursrecht handelt
+[295]--zich aan zóóvele onnauwkeurigheden en onjuiste redeneeringen
+schuldig maakt, dat het mij niet overbodig voorkomt, er de aandacht op
+te vestigen; vooral daar wij hier te doen hebben met een jurist van
+groot gezag, wiens uitspraken gretig worden aangehaald door degenen,
+die zich--om welke reden ook--op hetzelfde standpunt plaatsen, in casu
+de tegenstanders van onze aansluiting bij de Berner Conventie [296].
+
+Mr. Levy begint zijn betoog met te stellen, dat eigendom van de
+uitgesproken, neergeschreven, of door den druk gemeen gemaakte gedachte
+tot de onmogelijkheden behoort. Hij gaat dan voort:
+
+"Waar men echter wel van spreekt, is de eigendom van den vorm der
+gedachte. Welnu, dit is in goed Hollandsch: huichelarij. Er bestaat
+bij de linguisten verschil van gevoelen over de vraag: of gedachte en
+taal identiek ("spreken is overluid denken, denken is stil spreken"),
+dan wel voor splitsing vatbaar zijn... Dat echter gedachte en woord
+een innig samenhangend, onverbreekbaar bijeenbehoorend samenstel
+zijn, daaraan twijfelt ter wereld niemand. Wat dus te denken van
+een rechtsstelsel, dat den frontaanval: de gedachte tot eigendom te
+verklaren, niet durft te wagen, en nu geniepig zijn doel bereikt,
+door te scheiden, wat de wetenschap één verklaart?"
+
+Hieruit valt m. i. niets anders te lezen dan dit: taal en gedachte
+(vorm en inhoud) zijn zóó onverbreekbaar aan elkander verbonden,
+dat het niet mogelijk is het een te beschermen en het ander niet;
+bescherming van het een beteekent ook noodwendig bescherming van
+het ander. Eene onderscheiding te maken tusschen die twee leidt dus
+tot niets.
+
+Doch nauwelijks is deze stelling opgeworpen, of zij wordt weder
+verlaten. Tenminste de redeneering, die nu volgt, is met de gestelde
+onsplitsbaarheid van vorm en inhoud moeilijk te rijmen: "Door den vorm
+tot object van eigendom te verklaren, maakt men den inhoud aan den vorm
+ondergeschikt. Dat dit eene onwaarheid en als zoodanig reeds juridisch
+verwerpelijk is, ligt voor de hand. Indien gij tusschen inhoud en vorm
+onderscheiden wilt, moet de eerste, niet de laatste den toon aangeven."
+
+Nu wordt dus de mogelijkheid eener onderscheiding weer toegegeven. De
+vorm kan dus wel, afgescheiden van den inhoud, voorwerp van
+auteursrecht zijn; doch volgens Mr. Levy moest dit juist andersom
+wezen, omdat... de inhoud hoofdzaak en de vorm bijzaak is. Op dit thema
+gaat de schrijver nog eenigen tijd door: "... het op den voorgrond
+sleepen van den vorm verlaagt de letterkunde, omdat zij daardoor wordt
+ontzield".... "Ongeraden blijft het steeds van rechtswege de meening
+te doen postvatten, dat het bij de letterkunde slechts om den vorm,
+het golvende kleed der zwierige phrase, en minder om den inhoud te doen
+is. Wie weet, in hoeverre onze bestaande auteurswet verantwoordelijk
+is voor den klinkkank en den zingzang, onvoldragen vruchten eener
+aanstormende bent, die Neerlands drukpersen doet zwoegen, terwijl
+Apollo het aangezicht zich omsluiert?"
+
+Doch, zoo redeneert Mr. Levy verder, deze bedenkingen tegen het
+auteursrecht hebben geene practische waarde, daar wij slechts te doen
+hebben met hetgeen onze wet zegt. De wet erkent het auteursrecht als
+een absoluut vermogensrecht, en dit hebben wij dus te eerbiedigen,
+zelfs als wij met buitenlandsche werken hebben te doen; want het
+privaatrecht moet voor vreemdelingen en Nederlanders hetzelfde zijn. Op
+dit punt gaat de heer Levy dus uit eerbied voor de wet nog verder
+dan de wet zelf, die de meeste buitenlandsche werken onbeschermd
+laat (artt. 27 en 28). Deze eerbied strekt zich echter niet tot
+het uitsluitend vertalingsrecht uit, dat toch ook--zij het dan in
+beperkte mate--door onze wet wordt erkend (art. 5). Op de vraag, of
+het auteursrecht ook het vertalingsrecht omvat, wordt ten antwoord
+gegeven: "Neen en beslist neen. Zoo min als ik mijne persoonlijke
+overtuiging nopens de ijdelheid van alle auteursrecht--tegen de wet
+in, die ik naleven moet--prijs geef, zoo min wijk ik, nopens het
+beweerd vertalingsrecht, voor de tegengestelde meening, hoe rumoerig
+zij ook optrede. Men omgeve het zoogenaamd vertalingsrecht met een
+staketsel van spitsvondigheden; men plaatse daarvoor eene lijfwacht
+van uitvallen: ware koddebeiers, die den knuppel der lompheid beter
+hanteeren dan den degen der bewijsvoering,--het vertalingsrecht is
+eene aanmatiging, een hersenschim."
+
+Tot staving van deze krachtige bewering moet eene aanhaling dienst
+doen uit het Lehrbuch der Psychologie van F. Jodl (Stuttgart 1898
+pp. 589, 590), die echter m. i. weinig ter zake afdoet. Ook geeft
+Mr. Levy de strekking van het aangehaalde betoog niet geheel juist
+weer met hetgeen hij erop laat volgen: "Wat hij (scil. Jodl) leert,
+is: de vertaler arbeidt met zijn eigen gedachtensfeer, met zijn
+eigen voorstellingswereld. Binnen deze, treedt niet hij, de vertaler,
+op als gebieder. Omgekeerd juist ondergaat hij daarvan den invloed,
+den weerslag, den dwang. Eene vrije vertaling, eene bewerking is een
+logen. Steeds is de vertaling onvrij en nooit wordt zij anders dan
+bewerkt. Ook niet al heet zij letterlijk te zijn. Met welken zweem,
+met welken schijn, met welke schaduw van recht ontzegt gij aan dien
+arbeid des geestes de eigenschap van eigen te zijn? enz."
+
+Volkomen duidelijk is het mij niet geworden, wat met deze zinnen
+bedoeld wordt. Zoo wordt eerst van "vrije vertaling" en "bewerking"
+gesproken als van synoniemen en worden beide voor "een logen"
+uitgemaakt, terwijl in de volgende zin deze uitspraak ten aanzien der
+"vrije vertaling" wordt bevestigd, doch ten aanzien der "bewerking"
+wederom weersproken door de bewering: "nooit wordt zij anders dan
+bewerkt", m. a. w. elke vertaling is eene "bewerking".
+
+Doch vooral in verband met de beschouwingen over "vorm en inhoud",
+die vooraf zijn gegaan, is deze veroordeeling van het vertalingsrecht
+opmerkelijk. Immers het uitsluitend vertalingsrecht is eene bescherming
+van den inhoud en niet van den vorm, en zou dus door Mr. Levy,
+indien deze zich consequent betoond had, als het minst verwerpelijke
+bestanddeel van het auteursrecht beschouwd hebben moeten worden. Wij
+zien hier echter juist het tegenovergestelde geschieden. De groote
+nadeelen, die uit het "op den voorgrond sleepen van den vorm" ten
+koste van den, veel meer belangrijken, inhoud, voortspruiten, schijnt
+Mr. Levy weer te zijn vergeten, waar hij schrijft: "Voor "auteursrecht"
+klampt men zich vast aan den vorm. Hier ontzinkt u ook deze, want des
+vertalers vorm is de vorm van den vertaler. Wat blijft er over?" En
+in een naschrift, naar aanleiding van eene repliek van den heer Plemp
+van Duiveland aan het opstel toegevoegd, wordt dit nog eens, met
+een beroep op het feit, dat ook onze wet alleen den vorm beschermt,
+herhaald: "Wij waren het er immers over eens, niet waar, dat onze
+wet den vorm alleen beschermt? Valt dit object van bescherming weg,
+naardien immers een blinde ziet, dat des vertalers vorm zijn eigendom
+is, wat blijft er dan, in 's hemels naam, te beschermen over?"
+
+Het antwoord op deze laatste vraag ligt, dunkt mij, voor de hand. Wat
+er te beschermen overblijft, dat is wat Mr. Levy in het begin van
+zijn opstel den "inhoud" genoemd heeft, dus datgene wat overblijft,
+als men het geschrift "het golvende kleed der zwierige phrase" heeft
+uitgetrokken, de naakte kern, ontdaan van "klinkklank en zingzang".
+
+Uit bovenstaande aanhalingen zal reeds gebleken zijn, dat de logica in
+Mr. Levy's betoog van eene eigenaardige soort is. Eerst wordt beweerd,
+dat taal en gedachte (vorm en inhoud) een onverbreekbaar geheel vormen
+en het heet huichelarij die twee te willen scheiden. Terstond daarop
+wordt de bescherming van den vorm-alleen (hetgeen iets onbestaanbaars
+zou zijn, indien de eerste stelling waarheid bevatte) afgekeurd,
+op grond dat daardoor de letterkunde wordt "ontzield" enz. En dit
+betoog loopt tenslotte uit op eene veroordeeling van het uitsluitend
+vertalingsrecht, waarvoor als voornaamste argument moet dienen, dat
+het auteursrecht (en speciaal het auteursrecht van onze wet)... alleen
+den vorm beschermt! Wat eerst als iets onmogelijks wordt voorgesteld
+en daarna ten scherpste wordt afgekeurd, datzelfde is nu plotseling
+een vanzelf sprekend feit geworden: "immers een blinde ziet, dat des
+vertalers vorm zijn eigendom is..."!
+
+Een logisch verband tusschen datgene, wat de schrijver wilde bewijzen
+en de verschillende stellingen, die achtereenvolgens op apodictischen
+toon worden verkondigd, is inderdaad niet te vinden. En indien het
+waar is, wat mr. Levy beweert: dat slechts aan zijne zijde met den
+"degen der bewijsvoering" wordt gestreden, terwijl zijne tegenstanders
+geen ander wapen hebben dan "den knuppel der lompheid", dan kunnen
+deze laatsten zich tenminste troosten met de gedachte, dat het edele
+wapen, waarmede zij worden aangevallen doch dat zij zelve missen,
+weinig kwaad kan, zoolang er--zooals hier--slechts gaten mee in de
+lucht worden geprikt.
+
+Doch laat ons thans het vraagstuk van "vorm en inhoud" wat meer van
+nabij beschouwen. Hoe staat het, om te beginnen, met de verhouding
+tusschen taal en gedachte, die volgens mr. Levy door de wetenschap
+één worden verklaard?
+
+De stelling: "spreken is overluid denken, denken is stil spreken" is
+inderdaad door sommige geleerden verdedigd [297], doch door een zeker
+niet minder groot aantal met groote beslistheid tegengesproken. Dat
+denken en spreken één zijn, dat er dus geen denken zonder spreken
+mogelijk zou zijn, staat allerminst wetenschappelijk vast. Mannen
+van grooten wetenschappelijken naam hebben het tegendeel betoogd niet
+alleen, maar argumenten daarvoor aangevoerd, die m. i. moeilijk voor
+weerlegging vatbaar zijn.
+
+Steinthal [298] b.v. noemt een groot aantal gevallen op, waarin
+gedacht wordt zonder woorden. Hij wijst op het bestaan van denkende
+wezens die geen taal tot hunne beschikking hebben, nl. de dieren,
+en wat een nog treffender voorbeeld is: doofstommen. Doch ook
+normale menschen kunnen denken zonder woorden; in droomtoestand
+wordt gephantaseerd--hetgeen ook een intellectueel handelen kan
+worden genoemd--zonder spreken; waarnemingen van kunstwerken of van
+ingewikkelde samenstellen als machines, bouwwerken, enz., waarbij
+wij een groot aantal aesthetische of technische bijzonderheden in ons
+opnemen en met elkander in verbinding brengen om van het voorwerp onzer
+beschouwing een goed begrip te krijgen, geschieden eveneens zonder
+hulp der taal. Nog wijst hij op de cijfers en algebraïsche teekens,
+die in de wiskundige redeneeringen de taal kunnen vervangen en op het
+Chineesche schrift, waarbij het meer aankomt op het zichtbare teeken
+dan op het klankbeeld, welk laatste de Chineezen soms zelfs niet
+eens schijnen te kennen. Het denken--schrijft Steinthal--moge ons
+met behulp van woorden gemakkelijker vallen, dit komt dan hierdoor;
+"weil wir an diese Krücke gewöhnt sind" [299].
+
+Tot dezelfde conclusie kwam ten onzent o. a. Prof. Dr. J. P. N. Land
+[300]. Taal en gedachte dekken elkander nooit volkomen volgens dezen
+schrijver; veel blijft er altijd overgelaten aan de opgewekte eigen
+werkzaamheid van den hoorder of lezer. "Reeds dat schetsachtige van
+alle spreken en schrijven, en de behoefte aan tegemoetkoming van
+den anderen kant, maakt de vereenzelviging van denken en spreken,
+als ééne zaak met een binnen- en een buitenzijde, onaannemelijk". Ook
+deze schrijver geeft toe, dat het denken, uit kracht der gewoonte, wel
+meestal met spreken of althans met voor zichzelf in woorden brengen,
+gepaard gaat. Doch hij wijst erop, dat dit nog geen "denken in"
+de eene of andere taal beteekent. Want hoe dikwijls zou men niet
+wenschen verschillende talen door elkander te mogen gebruiken, om
+elk deel van hetgeen men denkt goed tot zijn recht te laten komen,
+en hoe dikwijls moet men niet iets van de schakeering zijner gedachten
+opofferen om de taal zuiver te houden [301].
+
+En om nu nog de getuigenis van een Nederlandsch taalkundige aan
+te halen: Prof. Woltjer sprak zich in eene onlangs gehouden rede
+[302] over de vraag: "Is denken zonder woorden mogelijk?" aldus uit:
+"Ik meen echter, dat het antwoord zeer beslist moet luiden: denken
+zonder woorden is mogelijk, geschiedt zelfs door ieder mensch iederen
+dag." Men moet daarbij onderscheid maken tusschen bewust en onbewust
+denken; alleen van het eerste kan gezegd worden dat het meestal--dus
+niet eens nog altijd--met woorden geschiedt. "Dat er echter"--gaat
+dr. Woltjer voort--"een denken zonder woorden is en in en door
+ons geschiedt, bewijst m. i. het zoo dikwijls voorkomende geval,
+dat wij naar een woord of naar het juiste woord voor een gedachte
+of eene voorstelling moeten zoeken. Uit het zoeken zelf blijkt, dat
+wij de voorstelling of wat het ook zij, wel hebben; wij beoordeelen
+daarnaar verschillende woorden, die ons door associatie of op eenige
+andere wijze voor het bewustzijn komen; wij beoordeelen ze naar den
+maatstaf, of ze passen om uit te drukken wat wij uitdrukken willen;
+passen ze niet, dan zoeken wij een ander woord, totdat wij het juiste
+gevonden hebben en zeggen: dát is het. We hebben dus de gedachte,
+maar het symbool voor de gedachte, het woord hebben we niet" [303].
+
+Ik meen dat deze argumenten, die van gezaghebbende zijde afkomstig
+zijn, en die toch geen psychologen of taalkundigen vereischen om
+op hunne juiste waarde te worden geschat, mijn standpunt voldoende
+rechtvaardigen. Taal en gedachte houd ik dus niet voor één en
+hetzelfde; met Steinthal [304] meen ik te moeten onderscheiden
+tusschen den "darzustellenden Gegenstand" en de taal, die "den
+Gegenstand darstellt"; dus tusschen datgene wat de schrijver heeft
+te zeggen en de reeks van woorden en zinnen, waarmede hij het gezegd
+heeft. Noemt men nu het eerste den inhoud en het tweede den vorm van
+het geschrift, dan kan derhalve in het algemeen worden gezegd, dat
+de inhoud niet onherroepelijk aan dien éénen vorm gebonden is, maar
+dat hij een eigen bestaan heeft; al moet worden toegegeven, dat het
+niet bij alle geschriften volkomen zal gelukken, een anderen vorm te
+vinden, waarin men den gegeven inhoud in wezen onveranderd terugvindt.
+
+Het "geven van een anderen vorm aan den inhoud" geschiedt voornamelijk
+bij het vertalen. Indien het nu waar was, dat de taal één is met
+hetgeen ermede wordt uitgedrukt, dan zou de vertaler, die immers andere
+woorden en andere zinnen gebruikt, ook noodzakelijkerwijze andere
+gedachten en andere gevoelens uitdrukken dan de oorspronkelijke
+schrijver en de vertaling zou eigenlijk een geheel nieuw werk
+zijn, dat hoogstens eenige verwantschap met het oorspronkelijke
+vertoont. Dit schijnt ook werkelijk de opvatting van Mr. Levy te zijn
+blijkens zijne boven aangehaalde woorden. Doch m. i. kan dit niet in
+ernst worden volgehouden. Er bestaan ontegenzeggelijk geschriften,
+waarvan de taal zoozeer een essentieel bestanddeel uitmaakt, dat zij
+bezwaarlijk in eene andere taal kunnen worden weergegeven zóó dat
+hun wezen behouden blijft; doch zij vormen verreweg de minderheid; en
+reeds uit het feit, dat men deze geschriften "onvertaalbaar" pleegt
+te noemen, valt af te leiden dat men onder vertalen verstaat het
+getrouw en volkomen weergeven van hetzelfde werk in eene andere taal;
+indien vertalen het scheppen van een nieuw werk was, zou immers elk
+geschrift "vertaald" kunnen worden. Zonderen wij deze onvertaalbare of
+moeilijk te vertalen geschriften voor een oogenblik uit, dan kan als
+algemeene regel worden gesteld, dat eene goede vertaling de gedachten
+en gevoelens, die den inhoud van het oorspronkelijke werk uitmaken,
+nauwkeurig weergeeft. En al moge hier en daar een enkele gevoels-
+of gedachteschakeering verloren zijn gegaan, daar staat tegenover,
+dat de vertaler misschien op andere plaatsen uitdrukkingen heeft
+weten te vinden, welke die van den oorspronkelijken schrijver, die
+aan de middelen van zijn eigen taal gebonden was, nog in juistheid
+en duidelijkheid overtreffen. Wat het boek door de vertaling lijdt,
+is doorgaans zoo gering, dat het niet in aanmerking behoeft te worden
+genomen: men bedenke dat ook de oorspronkelijke tekst geen volmaakt
+beeld is van de diepste en fijnste bedoelingen van den schrijver. Dat
+de vertaling geen nieuwe gedachten brengt maar dezelfde als het
+origineel schijnt Steinthal zoozeer als iets vanzelf sprekends te
+beschouwen, dat hij de mogelijkheid van vertaling als een argument
+gebruikt voor de splitsbaarheid van taal en gedachte: "Die Fähigkeit
+der Uebersetzung aus einer Sprache in die andere zeigt doch wohl
+klahr, wie der Gedanke nur über den Sprachen webt, aber nicht in ihnen
+lebt als in seinem Leibe" [305]. Eigenaardig is het, hiernaast eene
+opmerking van Schopenhauer te leggen, waarin juist met behulp der
+door Steinthal gewraakte vergelijking (nl. dat de gedachte staat tot
+de taal als de geest tot het lichaam) de verhouding tusschen taal en
+gedachte en de beteekenis van het vertalen in denzelfden zin wordt
+afgeschilderd: "Daher" (nl. wegens het verschil van zinsbouw in het
+Latijn en in de moderne talen) "kann man sehr selten eine bedeutende
+Phrase aus einer neuern Sprache wörtlich ins Lateinische übersetzen:
+sondern man musz den Gedanken von allen Worten, die ihn jetzt tragen,
+gänzlich entblöszen, dasz er nackt dasteht im Bewusztseyn, ohne alle
+Worte, wie ein Geist ohne Leib, dann aber musz man ihn wieder mit einem
+neuen ganz andern Leibe bekleiden, in den Lateinischen Worten, die ihn
+in ganz andrer Formen wiedergeben; so dasz z. B. was im Original durch
+Substantive, jetzt durch Verba ausgedrückt wird u. s. w." [306]. Wat
+hier duidelijk als Schopenhauer's opvatting uitkomt, is dat--ondanks
+het groote verschil in constructie--toch de nieuwe, latijnsche zin
+denzelfden inhoud heeft als de oorspronkelijke; de geest is volgens
+zijne voorstelling dezelfde gebleven al huist hij nu in een ander
+lichaam. En wat hier van één enkele zin wordt gezegd, geldt natuurlijk
+nog in verhoogde mate van een geschrift in zijn geheel; sommige kleine
+onderdeelen kunnen in de vertaling minder zuiver zijn weergegeven,
+doch in de groote lijnen blijft het werk ongerept.
+
+Er zijn echter--zooals ik reeds opmerkte--geschriften, waarop
+het bovenstaande niet of slechts gedeeltelijk toepasselijk is,
+n.l. diegenen, wier aesthetische waarde men niet zoozeer heeft te
+zoeken in wat door de taal wordt uitgedrukt, dan wel in de taal zelf:
+de rhythmische beweging en den klank der volzinnen. Dat, vooral in
+poëzie, klank en rhythmus van groote beteekenis zijn, zal wel niemand
+willen ontkennen. Er bestaat zelfs een leer, in ons land vooral door de
+letterkundige beweging van '80 op den voorgrond gebracht, volgens welke
+bij de beoordeeling van een vers uitsluitend met deze twee factoren
+rekening moet worden gehouden. In poëzie zou dus geen inhoud bestaan,
+die van den vorm kan worden afgescheiden, of zoo dit al mogelijk is,
+dan zou toch de inhoud, ontdaan van den vorm, zonder eenige waarde
+zijn. Ik veroorloof mij, ter nadere kenschetsing van deze, ook voor
+het auteursrecht belangrijke, kunstleer enkele aanhalingen van hare
+meest bekende voorstanders.
+
+"Een gedicht is een brok gevoelsleven der ziel, weêrgegeven in
+geluid... Dat toch de poëzie niet alleen ligt in de beteekenis der
+woorden, kan ieder dadelijk weten, als hij, b.v. in een vers van
+Goethe, Heine, Shelley, de woorden eenigszins anders rangschikt, als de
+dichter heeft gedaan. De naakte gedachte, het zuiver logisch oordeel,
+is dan precies hetzelfde gebleven, maar de indruk ging verloren. Wel
+een bewijs dat de poëzie niet kan bestaan zonder de klankexpressie,
+'t gezongene van 't vers, in verband natuurlijk met de woordbeteekenis"
+[307].
+
+"De groote, de roemrijke verdienste der Nieuwe-Gids kritiek van Kloos
+en Verwey is geweest het vestigen van het begrip der "klankexpressie",
+door hen het eerst aldus genoemd, en gevestigd op de stelling dat
+als poëzy de gedachte zonder den vorm of klank volkomen zonder waarde
+is. Immers had de gedachte op zich zelve waarde, dan zou er niet een
+essentiëel onderscheid zijn tusschen een slechte vertaling en een goed
+origineel, tusschen een schooljongens-inhoudsverslag der Comedia en
+het werk van Dante zelf, tusschen een leelijk fotografiesch portret
+en den levenden mensch" [308].
+
+"Muziek is de zuiverste, meest onmiddellijke kunst. Muziek is het minst
+symbolisch, het meest reëel. Een melodie is de allernauwkeurigste
+expressie van iets in ons, men kan bijna zeggen dat melodie en
+zielstoestand éénzelfde ding is.
+
+Zoo zuiver als muziek kan woordexpressie niet zijn. Want woorden
+zijn symbolen, teekens van geluid met een abstracten zin. Ze staan
+verder van hetgeen zij verbeelden. Maar woorden zijn geluiden--zoo
+goed als melodieën--en enkel door hun geluid en hun rhythme kunnen
+zij ook weergeven wat in ons is. Ja heel zeker zal een woordenreeks
+expressiever zijn naarmate zij minder zinnebeeld en meer muziek is.
+
+Het geluid van menschenwoorden kán zóó vol en innig zijn, dat deze
+schijnen als melodieën, geen symboliek, maar zielstoestanden zelf"
+[309].
+
+"Wat gij doen moet" (nl. bij het voordragen van verzen) "is alleen
+op den vorm van de verzen letten en den vorm alleen moet gij laten
+hooren. De verdeeling van de klanken, of wat men den rhythmus noemt,
+en het geluid van de klanken... Ik spreek nu gemakshalve van den vorm,
+om u duidelijk te maken wat ik bedoel. In rhythmus en geluid zit de
+geheele inhoud, zoodat men eigenlijk niet van een afzonderlijken vorm
+kan spreken. Vorm en inhoud van een gedicht zijn geen twee werkelijk
+bestaande en van elkander afgescheiden dingen; alleen kan men van
+inhoud en van vorm spreken in het abstracte" [310].
+
+Om niet al te uitvoerig te worden, zal ik het bij deze aanhalingen
+laten. Wat deze beschouwingen vooral belangrijk maakt, is dat
+zij grootendeels afkomstig zijn niet van theoretici, maar van de
+dichters zelf, die hun leer ook in toepassing brachten. De Nieuwe
+Gids-school bracht niet alleen nieuwe--of althans in ons land te
+dien tijde ongewone [311]--begrippenover de poëzie, maar zij gaf ook
+verzen, waarin het "nieuwe geluid" was te hooren, voor wie er ooren
+voor hadden. Tot deze laatsten behoorde blijkbaar niet mr. Levy,
+die het had over "... den klinkkank en den zingzang, onvoldragen
+vruchten eener aanstormende bent," enz., woorden, die moeilijk op iets
+anders dan op de Nieuwe Gids-beweging betrekking kunnen hebben. Over
+dit gebrek aan waardeering valt niet te strijden, en allerminst
+hier. Subjectieve opvattingen over kunst of literatuur zijn in eene
+verhandeling over auteursrecht van geen belang. Doch behoeft men zich
+over de kunstwaarde, die men zelf aan een werk of aan een bepaald
+soort van werken hecht, niet uit te laten; wél noodzakelijk is het,
+dat men zich de bewondering of waardeering van anderen althans kunne
+verklaren. Indien men als een volslagen vreemde tegenover het werk
+staat, zal het moeilijk vallen, er de ontleding op toe te passen,
+die noodzakelijk is, om de bestanddeelen te kunnen aanwijzen, welke
+tezamen het object van des auteurs recht uitmaken. Geen kritisch
+oordeel wordt dus vereischt, maar wel eenig inzicht in de kunstwaarde
+en het kunstbegrip dat aan de werken ten grondslag ligt. Dit objectieve
+standpunt hoop ik bij de enkele opmerkingen, welke ik over de leer
+in kwestie nog laat volgen, niet uit het oog te verliezen.
+
+Vorm en inhoud--dit kan terstond worden toegegeven--verhouden zich
+in de poëzie anders tot elkaar dan b.v. in een wetenschappelijk
+geschrift. Het verschil in de beteekenis en de functie der taal in het
+eene en in het andere geval kan zelfs zóó groot zijn, dat men geneigd
+is het niet meer als een verschil in graad, maar als een in soort te
+beschouwen. De taal van den lyrischen dichter schijnt soms in wezen
+iets anders te zijn dan de taal, die gebruikt wordt om te verhalen,
+te betoogen, enz.; geen woorden en zinnen waaruit de beteekenis moet
+worden geabstraheerd, maar geluiden die onmiddellijk hunne werking op
+ons uitoefenen. Het is dus, alsof de taal haar symbolisch karakter
+volkomen heeft afgelegd en daardoor eigenlijk geen taal meer is,
+maar muziek is geworden. Toch blijft er nog altijd een essentieel
+verschil tusschen poëzie en muziek, en het is niet juist, wat uit
+enkele der hierboven van Frederik van Eeden aangehaalde zinnen zou
+kunnen worden afgeleid, dat de woorden hun uitdrukkingsvermogen
+uitsluitend aan hun klank en rhythmus zouden ontleenen. Indien dit
+waar was, zou men immers de taal, waarin de verzen geschreven zijn,
+niet behoeven te kennen om ze te kunnen genieten; de poëzie zou,
+evenals de muziek, aan geen taalgebied zijn gebonden.
+
+Waar woorden uitsluitend ter wille van den klank aan elkaar worden
+geregen, verkrijgt men iets dat met poëzie weinig of niets heeft te
+maken. Dit is b.v. het geval met de, door Gerber [312] aldus genoemde
+"naiven Lautspiele", dat zijn: "... die jenigen Lautspiele... welche
+entweder nur Laute verwenden oder sich doch der Worte nur als Laute
+bedienen." Als voorbeeld noemt hij het volgende liedje, dat door de
+Berlijnsche kinderen bij het zoogenaamde "aftikken" wordt gebruikt:
+
+
+ Ene mene men
+ Ti tukken tukken ten
+ Karabutte, karabutte
+ Witsch Watsch
+ Ab, dran!
+
+
+Een ander voorbeeld, ook door Gerber meegedeeld [313], waarin meer
+bestaande woorden voorkomen, zonder echter eenigen zin te vormen,
+is nog het volgende:
+
+
+ Thaler
+ Maler
+ Kühchen
+ Kälbchen
+ Schwänzchen
+ Dideldideldänzchen.
+
+
+Niemand zal er aan denken, dergelijke onnoozele liedjes tot de
+poëzie te rekenen; doch iets anders is met dit procédé ook niet te
+bereiken. De taal--indien dit woord hier nog kan worden gebruikt--is
+aangewend voor iets dat buiten haar gebied ligt en het kan nooit ter
+wereld iemand gelukken, er op deze wijze iets waardevols mede tot
+uitdrukking te brengen.
+
+Dit alles doet echter niets af aan de beteekenis der klank-expressie,
+die door de bovengenoemde schrijvers voor een van de kenmerken der
+poëzie wordt gehouden. Klank-expressie moet men niet voor hetzelfde
+houden als welluidendheid; zij berust niet op rijm, alliteratie enz.,
+die als uiterlijke klankmiddelen alleen het lichamelijk gehoor aandoen
+[314]. Het is iets veel hoogers en "geestelijkers"; in dien zin, dat er
+niet slechts zinnelijke behagelijkheid, maar geestelijke ontroering
+door wordt gewekt. Wij hebben hier te doen met een verschijnsel,
+dat ieder die oor heeft voor poëzie kan waarnemen, doch waarvoor
+eene verklaring niet is te vinden. Dit wordt door van Deyssel met
+een voorbeeld gedemonstreerd:
+
+"Neem dezen regel eens, waarin een van Kloos zijn sonnetverheffingen
+ten einde vloeit:
+
+
+ "Als alles wat héél vèr is en héél schoon"
+
+
+Men weet, dat als er stond:
+
+
+ "Als alles wat zeer ver is en zeer schoon"
+
+
+de regel heel zijn leven had verloren.
+
+Nu kan men dit van buiten af wel eenigszins verklaren door zijn
+indruk na te gaan en te zeggen: 't woordje "heel" is zacht van
+klank en "zeer" is hard, "heel" is bekoorlijk door natuurlijkheid,
+"zeer" is wijsneuzig deftig en in deez' regel waar een liefdeklacht
+ten einde droomt zoo als eens verren wandlaars avondlied versterft,
+klinkt 't woordje "heel" alleen.
+
+Maar dit is niet met indringend bewijs verklaren hoe 't wézen zelf
+der dichtkunst van dit verschil afhankelijk is" [315].
+
+Het wonderlijke en onverklaarbare van de kracht der poëtische
+uitdrukking komt door dit voorbeeld duidelijk in het licht; de
+verwisseling van de woordjes "heel" en "zeer", die in wetenschappelijk
+proza waarschijnlijk overal, zonder eenige schade aan het geheel aan
+te brengen, zou kunnen geschieden, heeft hier, in een sonnet, tot
+gevolg, dat de versregel totaal wordt bedorven. Maar hieruit volgt
+nu nog niet, dat het woord "héél" in dit vers uitsluitend terwille
+van den klank is gekozen en dat het zijne meedoende werking in het
+verkrijgen van het aesthetisch effect niet aan datgene waarvan het
+het symbool is (de beteekenis), maar aan zichzelf (dus zijn geluid)
+zou ontleenen. De woorden "heel" en "zeer" gelden wel voor synoniemen,
+maar in dit verband hebben zij zeer zeker niet dezelfde beteekenis,
+daar immers de uitdrukkingskracht van den regel van de keuze die men
+tusschen beide woorden doet afhankelijk is. De vervanging van "héél"
+door "zeer" zou dan ook in dit geval eene wijziging brengen niet alleen
+in den vorm maar ook in den inhoud van het gedicht (scil. volgens de
+beteekenis waarin ik die woorden tot nu toe heb gebruikt, nl.: vorm =
+taal; inhoud = datgene wat door de taal wordt uitgedrukt). "De naakte
+gedachte, het zuiver logisch oordeel", is weliswaar precies hetzelfde
+gebleven [316], maar daaruit bestaat de inhoud van het gedicht niet;
+de dichter heeft wel wat anders uit te drukken dan naakte gedachten en
+zuiver logische oordeelen. Inhoud en vorm houd ik dus, ook in poëzie,
+niet voor één; ik meen, dat er ook hier een inhoud is, die van den
+vorm kan worden afgescheiden, maar ik meen tevens, dat dit met de leer
+der Nieuwe Gids-school niet in strijd is, daar ik onder "inhoud" iets
+anders versta: den inhoud dien ik bedoel, zal men b.v. in eene "slechte
+vertaling" of in een "schooljongens-inhoudsverslag" van een werk als
+Dante's Comedia [317] niet--of slechts deerlijk gehavend--terugvinden.
+
+Wel is het natuurlijk bij poëzie veel moeilijker dan bij andere
+geschriften om zich van den inhoud, ontdaan van den vorm, eene
+voorstelling te maken, want vooreerst is de grens tusschen beide
+moeilijker te trekken en bovendien is het dikwijls ondoenlijk den
+inhoud in een anderen vorm zuiver weer te geven. Maar dit mag geen
+reden zijn om aan het bestaan van dien inhoud, onafhankelijk van den
+vorm, te twijfelen. Hier geldt, wat Kohler ergens opmerkt: "... Die
+darstellungslose Idee" (hieronder heeft men in dit verband in het
+algemeen te verstaan: den inhoud van een kunstwerk geabstraheerd van
+den vorm) "ist nicht eingebildet, sie ist vorhanden, wenn es uns
+auch nicht gelingt, sie rein und darstellungslos "darzustellen";
+ebenso wie ein chemischer Stoff existirt und sich als einheitlich
+wirkende Macht kundgibt, wenn es auch nicht möglich ist, denselben
+für sich allein zur Darstellung zu bringen und aus den Verbindungen zu
+lösen"... "Die Existenz eines solchen nicht real lösbaren, nicht rein
+darzustellenden ideellen Agens aber gibt sich darin aufs Deutlichste
+kund, dasz dasselbe Agens durch die verschiedensten Mittel hindurch
+wirkt, dasz es trotz der verschiedenen Darstellungsmittel immer
+dasselbe ist, immer mit den gleichen Merkmalen zur Geltung kommt"
+[318].
+
+Nu moge het--zooals reeds werd opgemerkt--niet gemakkelijk zijn den
+inhoud van poëzie in een anderen vorm weer te geven, onmogelijk is
+het niet. Dat vertalingen in den regel lang niet denzelfden indruk
+maken als de eigen woorden van den dichter, is nog geen bewijs van
+het tegendeel. Dikwijls voldoet de vertaler niet aan de vele zware
+en zeer bijzondere eischen, welke dit werk stelt. Maar vooral moet
+men hierbij ook in het oog houden, dat de aesthetische werking van
+een dichtstuk toch altijd voor een deel, al is het dan geen alles
+overwegend deel, berust op de taal, d.i. dus den vorm. De uiterlijke
+welluidendheid, teweeggebracht door het zintuigelijk waarneembare
+geluid van de woorden, is uit den aard der zaak in de vertaling
+eene andere geworden en als de vertaling in dit opzicht bij het
+oorspronkelijke ten achterstaat, is dit dus niet te wijten aan het
+niet getrouw weergeven van den inhoud maar aan de minderwaardigheid
+van den nieuwen vorm in vergelijking met den oorspronkelijken.
+
+Wat men echter wél in eene vertaling kan terugvinden, dat is de
+"klank-expressie", waarvan hierboven sprake was. Dit mag, oppervlakkig
+bezien, vreemd schijnen; doch indien men het onderscheid, dat
+ik zooeven heb trachten aan te toonen, tusschen de uiterlijke,
+onmiddellijk waarneembare welluidendheid en den innerlijken,
+"geestelijken" klank, waarop de klank-expressie berust, goed in het
+oog houdt, is het wel verklaarbaar. Want waarom zou men in eene andere
+taal wél aequivalenten vinden voor de uitdrukking van zuiver logische
+gedachten en niet voor woorden, die poëtische stemmingen en gevoelens
+vertolken? Ik kan mij hier weer beroepen op L. van Deyssel, die in
+een belangwekkend opstel, geschreven naar aanleiding van eene door
+hemzelf gemaakte vertaling, waartegen door Prof. A. G. van Hamel eenige
+bedenkingen waren ingebracht, zich niet dubbelzinnig over deze kwestie
+heeft uitgelaten [319]. In dit opstel tracht van Deyssel aan te toonen,
+dat de kritiek van Prof. van Hamel op zijne vertaling voorkomt uit
+het verschil in taalwaardeering dat tusschen hen beiden bestaat. Die
+van Prof. van Hamel noemt hij de "linguistiesch-aesthetische", die
+van hemzelf de "alleen-aesthetische". Het verschil, dat trouwens
+volgens van Deyssel zelf moeilijk onder woorden is te brengen, komt
+vooral hierin uit, dat de "kunstige geleerde", zooals van Hamel, die
+den "linguistiesch-aesthetischen" maatstaf aanlegt, bij het spreken
+over "klankgehalte van den volzin", "beweging van rhythme" enz. iets
+anders bedoelt dan de kunstenaar. Terwijl de waardeering van den eerste
+uiterlijk is, is die van den laatste geheel innerlijk. "De kunstenaar
+zal in zoogenaamd slecht gesteld werk wel eens beter rhythme kunnen
+vinden dan in de fraaist samengevoegde en geächeveerde vol-zin-geheelen
+en het klank-gehalte van den volzin wordt voor hem niet bepaald door
+de harmonieuse wijze waarop in een volzin de tusschen-zinnen zich tot
+het geheel van den volzin en tot elkander, of de zachte klanken zich
+tot de harde verhouden; maar alleen door het psychiesch geluid van
+den steller, dat hij hoort in, of áchter, de moevementen van de taal"
+[320].
+
+Die innerlijke klank, "het psychiesch geluid van den steller",
+kan en moet ook in eene goede vertaling gehoord worden. Om dit in
+zijne eigen vertaling van Villiers de L'Isle Adam's Akëdysséril te
+bereiken, heeft van Deyssel op sommige plaatsen den Franschen tekst
+niet letterlijk gevolgd, en hier en daar woorden en zinswendingen
+gebruikt, wier abstracte beteekenis niet overeenkomt met die der
+oorspronkelijke Fransche woorden. Dit geschiedde dan "zeker niet om
+het proza van Villiers de l'Isle Adam te verbeteren, maar om dat
+een niet letterlijke vertaling aan de bedoelingen van dat proza
+zuiverder te gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen"
+[321]. En de opmerking van den heer van Hamel, dat de vertaler zich
+"in de beteekenis der woorden" wel eens "vergist" zou hebben, wordt
+als volgt beantwoord:
+
+"Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet vergissen;
+maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of zinswending
+heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en hoogere
+beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor aangeven."
+
+Die "andere en hoogere beteekenis", welke alleen uit den klank van
+de zin moet worden opgevangen en die door het koele logische verstand
+niet kan worden gewaardeerd, behoeft dus, volgens de meening van van
+Deyssel, zooals die ontwijfelbaar uit zijn geheele opstel blijkt,
+niet met de vertaling verloren te gaan [322]. Wat in een geschrift
+alleen absoluut onvertaalbaar is, behoort in aesthetischen zin tot
+een lagere orde: nl. de uiterlijke klank en rhythmus van de taal.
+
+
+
+Over de verhouding tusschen taal en inhoud is hiermede, naar ik meen,
+genoeg gezegd. Dat ik mij zoolang bezighield met de poëtische taal
+en de "klankexpressie", had niet tot oorzaak het groote practische
+belang der poëtische werken als objecten van auteursrecht. Want in
+dit opzicht is hunne beteekenis, vergeleken bij de geschriften van
+anderen aard, waarvan het auteursrecht meestal veel grootere waarden
+vertegenwoordigt en daarom ook meer gevaar loopt niet geëerbiedigd
+te worden, betrekkelijk gering. Doch ik meende goed te doen juist
+aan deze werken de meeste aandacht te wijden, omdat te hunnen
+aanzien het vraagstuk van vorm en inhoud de grootste moeilijkheden
+meebrengt en den meesten grond oplevert voor bedenkingen tegen mijne
+zienswijze. Het is daarom misschien niet geheel overbodig er nog eens
+aan te herinneren, dat de uitzonderingen, welke op den algemeenen
+regel van de splitsbaarheid van vorm en inhoud zijn te maken, zich
+slechts tot zeer enkele werken beperken. Voor de groote meerderheid
+van geschriften, waartoe b.v. behooren alle wetenschappelijke en
+populair-wetenschappelijke werken, reis- en plaatsbeschrijvingen en
+verreweg de meeste romans, novellen en tooneelstukken, geldt, dat de
+inhoud niet onverbrekelijk aan den oorspronkelijken vorm is gebonden,
+maar dat hij ook in een anderen vorm (d. i. dus eene andere taal)
+zuiver en ongeschonden tot uitdrukking kan worden gebracht.
+
+Om hieruit de gevolgtrekkingen te kunnen maken, die voor het
+auteursrecht van belang zijn, is het noodig, datgene wat wij als den
+"inhoud" van een geschrift hebben leeren kennen, nog aan eene nadere
+beschouwing te onderwerpen. Er zal onderzocht moeten worden, of die
+inhoud, afgescheiden van den vorm, als eene schepping van den schrijver
+kan worden beschouwd en dus op zichzelf voorwerp van auteursrecht kan
+zijn; want hiervan hangt het af, of het exploiteeren van den inhoud
+in een nieuwen vorm (b.v. het uitgeven van eene vertaling) een inbreuk
+op des schrijvers auteursrecht uitmaakt. Maar met het beantwoorden van
+deze vraag zijn alle moeilijkheden nog niet opgelost. De onderscheiding
+tusschen vorm en inhoud, die ik tot nu toe gemaakt heb, geeft nog
+geene voldoende ontleding van een geschrift. Ook de inhoud is niet één
+onverbreekbaar geheel; ook daarin zijn verschillende bestanddeelen te
+onderscheiden, die niet alleen alle tezamen, maar ook afzonderlijk in
+andere werken kunnen worden overgenomen. Naast de vertalingen, die den
+inhoud van het oorspronkelijke werk zoo getrouw mogelijk weergeven,
+bestaan ook bewerkingen in eene andere of in dezelfde taal, waarin
+het origineel niet op den voet is gevolgd, b. v. de omwerking van een
+roman tot een tooneelstuk of die van een tooneelstuk in vijf bedrijven
+tot een in drie enz. Hier is niet alleen de vorm een andere geworden,
+maar ook de inhoud is gewijzigd; slechts enkele bestanddeelen van den
+inhoud zijn uit het oorspronkelijke werk overgenomen. Hoeveel mogen nu
+dergelijke bewerkingen aan het oorspronkelijke geschrift ontleenen,
+zonder het karakter aan te nemen van exploitatie van het werk van
+den auteur; zonder dus een inbreuk op het auteursrecht te zijn?
+
+Eene theorie, die voor alle gevallen, waarin deze vraag gesteld kan
+worden, het antwoord klaar zou hebben, is niet te geven. De analyse,
+die voor dit doel van de letterkundige producten zou moeten worden
+gemaakt, zou zóó fijn moeten zijn en zoozeer in bijzonderheden moeten
+afdalen, dat zij niet in het algemeen kan worden vastgesteld, om
+voor alle werken, of ook maar voor alle werken van eenzelfde soort,
+gelijkelijk te gelden. Immers van alle geschriften, die reeds bestaan
+of nog geschreven moeten worden, zou men moeten vaststellen, welke
+bestanddeelen wél en welke niet als schepping van den schrijver zijn
+aan te merken; dat dit bij de velerlei soorten van letterkundige
+producten, die elk toch een meer of minder individueel karakter
+vertoonen, een onbegonnen werk zou wezen, valt gemakkelijk in te zien.
+
+Dit mag echter geen reden zijn om aan de mogelijkheid van eene
+stelselmatige beantwoording der vraag te wanhopen. Al is het niet
+mogelijk een regel te formuleeren, die zonder meer maar zou behoeven
+te worden toegepast, om in elk geval de juiste beslissing gereed
+te hebben, wél kan eene vaste methode worden aangenomen, die bij het
+zoeken naar de beslissing moet worden gevolgd. Het is een van de groote
+verdiensten van Kohler, den weg in deze richting te hebben aangewezen
+en het voorbeeld te hebben gegeven van eene werkelijk systematische
+behandeling van dit vraagstuk. Zijn systeem is eenvoudig, al moge de
+toepassing misschien niet altijd even gemakkelijk zijn.
+
+Hij onderscheidt aan alle werken:
+
+1o Den uiterlijken vorm, d.i. wat ik hierboven kortweg den "vorm"
+heb genoemd, dus de taal.
+
+2o Den innerlijken vorm, waaronder men in het algemeen te verstaan
+heeft de wijze, waarop de schrijver zijn stof heeft gerangschikt;
+de structuur van het werk, zoowel in de groote lijnen (systematische
+indeeling, periodenbouw), als ook in de onderdeelen (de wijze waarop de
+gedachten of gevoelens zijn ontvouwd, waarbij naar gelang van den aard
+van het werk en de eigenaardigheden van den schrijver verschillende
+middelen kunnen worden gebruikt als b.v.: beeldspraak, vergelijkingen,
+dialoog-vorm, of wel streng-logische redeneertrant enz. enz.).
+
+3o Den inhoud van het geschrift, de kern, die onder den uiterlijken
+en innerlijken vorm verborgen zit, d. w. z. datgene wat de auteur
+had te zeggen, los van alle uitdrukkingsmiddelen, waarvan hij zich
+bediend heeft.
+
+Deze onderscheiding geeft in hoofdtrekken de methode aan, die men heeft
+te volgen om bij elk geschrift te onderzoeken, hoever de schepping van
+den auteur reikt. Er zal dus telkens moeten worden uitgemaakt, welk van
+de drie genoemde bestanddeelen (nl. uiterlijke vorm, innerlijke vorm
+en inhoud) als auteurs-schepping en dus als object van auteursrecht
+is aan te merken.
+
+Wat den uiterlijken vorm betreft, is het antwoord, na hetgeen hierover
+reeds is opgemerkt, gemakkelijk te geven. De behandeling der taal,
+wanneer deze niet in den dienst van het dagelijksch verkeer wordt
+aangewend, is zooals wij gezien hebben, als eene kunstmatige te
+beschouwen. Het onder woorden brengen, ook van andermans gedachten
+en gevoelens, is eene kunst, waarbij het niet alleen aankomt op
+eenvoudige toepassing van aangeleerde spel- en stijlregels, maar
+waartoe eenig scheppend talent in het opbouwen der zinnen, het
+vinden van de gewenschte uitdrukkingen en zinswendingen, het geven
+van klank en rhythmus aan de taal, beslist onontbeerlijk is. In het
+algemeen kan dus worden aangenomen, dat de uiterlijke vorm van alle
+geschriften eene schepping van den auteur is en mitsdien hem alleen
+toebehoort. Reproductie van een geschrift in denzelfden uiterlijken
+vorm is derhalve altijd inbreuk op het auteursrecht. Ook zelfs
+daar, waar niets anders dan de uiterlijke vorm van den auteur is,
+moet dezen een uitsluitend recht daarop worden toegekend. Hierop
+berust de bescherming van den vertaler, die natuurlijk noch op den
+innerlijken vorm, noch op den inhoud eenig recht kan doen gelden,
+daar zijne schepping zich beperkt tot de inkleeding van het werk van
+een ander in zijne eigen taal.
+
+Bij oorspronkelijke werken is echter ook de innerlijke vorm het werk
+van den auteur. Om een goed denkbeeld te krijgen van hetgeen Kohler
+met dien "innerlijken vorm" bedoelt, is het noodig enkele soorten
+van geschriften afzonderlijk te beschouwen.
+
+Nemen wij b.v. in de eerste plaats een wetenschappelijk werk. Wat de
+schrijver daarin tot uitdrukking wil brengen is de door hem gevonden
+waarheid omtrent eenig punt van wetenschap. Die waarheid en de
+gronden waarop de schrijver haar doet rusten, vormen den inhoud van
+het geschrift. In een historisch werk zal deze dus b.v. bestaan uit
+de feiten en gebeurtenissen, zooals de schrijver meent dat zij zich
+hebben voorgedaan en de omstandigheden, waaruit hij dit afleidt; in
+een rechtsgeleerd werk kan de inhoud zijn eene juridische constructie
+of de uitlegging van wetsbepalingen met de gronden waarop zij berust
+enz. enz. Wanneer nu de schrijver zijne voorstudiën zoover heeft
+volbracht, dat de wetenschappelijke inhoud van zijn werk hem helder
+voor den geest staat, zoodat hij weet wat hij heeft mee te deelen,
+dan begint eerst voor hem de eigenlijke scheppende arbeid. Die arbeid
+bestaat niet alleen in het stellen van de reeks van volzinnen waaruit
+zijn werk zal bestaan; voordat hij met schrijven aanvangt (voor een
+deel zal het ook onder het schrijven, geleidelijk, soms zelfs min of
+meer onbewust, geschieden) moet de stof, die de vrucht is van zijn
+studie en overdenking, nog eene andere bewerking ondergaan. Er moet
+gerangschikt en geordend worden; uit den overvloed van gedachten en
+feitenkennis, waarmede de schrijver over zijn onderwerp vervuld is,
+moet eene keus worden gedaan, en uit wat na deze schifting voor
+opneming geschikt schijnt, moet nu het werk tot een zoo harmonisch
+mogelijk geheel worden opgebouwd. Daarbij komt het niet alleen aan
+op eene doelmatige systematische indeeling en groepeering van de
+onderdeelen, maar ook op eene juiste en treffende bewerking van die
+onderdeelen zelf. De verschillende argumenten en tegen-argumenten en
+de conclusies, die daaruit telkens worden getrokken, moeten zoodanig
+tegenover elkander worden gesteld, dat op alles het juiste licht valt;
+de hoofdpunten moeten den lezer dadelijk in het oog vallen, terwijl
+de bijzaken meer in de schaduw moeten worden gehouden. Híer zal een
+voorbeeld of vergelijking dienst moeten doen, dáár eene aanhaling
+van een anderen schrijver; op een andere plaats is weer een korte
+historische terugblik noodig of eene herinnering aan de wijsgeerige
+beginselen, waarvan de schrijver is uitgegaan.
+
+Dit alles is nu de innerlijke vorm van het werk. Het is de gedaante,
+die de schrijver heeft gegeven aan de wetenschappelijke waarheden,
+welke hij had te verkondigen; eene gedaante, welke weliswaar eerst
+met behulp der taal gefixeerd wordt, maar die toch onafhankelijk van
+de taal tot stand komt en die daarom ook in eene vertaling van het
+werk dezelfde blijft. Vandaar dat het uitgeven van eene vertaling van
+een wetenschappelijk werk zonder toestemming van den auteur inbreuk op
+het auteursrecht is; het is eene exploitatie van des auteurs schepping
+(innerlijke vorm) onder een nieuwen uiterlijken vorm.
+
+De inhoud van wetenschappelijke werken is echter niet beschermd. De
+waarheid en de wegen, die er heen voeren, worden niet geschapen maar
+ontdekt, en ontdekkingen kunnen niet onder het uitsluitend recht
+van één persoon staan. Indien het tegendeel het geval was, indien
+dus hij die eene nieuwe theorie over een of ander wetenschappelijk
+vraagstuk heeft uitgedacht of daarover het eerst bepaalde opvattingen
+heeft verkondigd, ieder ander kon verhinderen diezelfde denkbeelden,
+ook in een anderen vorm, te publiceeren, dan zou aan het auteursrecht
+terecht kunnen worden verweten, dat het aan de vrije ontwikkeling
+der wetenschap in den weg stond. Het zou dan b.v. ongeoorloofd
+zijn om in een economisch leerboek eene uiteenzetting te geven van
+de leer van Ricardo, van het stelsel van Marx, van de theorie van
+Malthus enz. enz., gesteld, dat op de werken van deze schrijvers
+nog auteursrecht bestond; in een boek over geschiedenis zou men geen
+gebruik mogen maken van de navorschingen en archiefstudiën van anderen;
+bij het maken van geographische kaarten van weinig bekende landen zou
+de eerbiediging van het "auteursrecht" van den ontdekkingsreiziger
+op de door dezen gemaakte opmetingen en plaatsbepalingen zelfs tot
+gevolg hebben, dat men gedwongen zou zijn, voor die streken nog witte
+plekken op de kaart te laten of er, tegen beter weten in, volgens de
+oude gegevens eene verkeerde teekening van te maken! [323]
+
+Deze enkele voorbeelden kunnen doen zien, hoe noodzakelijk het is het
+object van auteursrecht binnen vaste grenzen te houden en er alleen
+datgene toe te rekenen, wat vrije schepping van den auteur is, in
+dit geval dus de uiterlijke en de innerlijke vorm, niet de inhoud.
+
+In dit verband wil ik er terloops nog op wijzen, dat bescherming
+van den (innerlijken en uiterlijken) vorm en niet van den inhoud
+nog niet beteekent, dat men den vorm belangrijker acht dan den
+inhoud. De hierboven aangehaalde opmerking van Mr. Levy, dat dit een
+"op den voorgrond sleepen" van den vorm zou zijn en dat men hierdoor
+"van rechtswege" de meening zou doen postvatten, dat het slechts "om
+den vorm te doen is", heeft niet den minsten zin. Het is hier niet de
+vraag, wat men het belangrijkst acht of waaraan men de voorkeur geeft,
+doch slechts: wat is geschikt om object van auteursrecht te zijn? Ook
+Louis Blanc haalt deze twee vragen dooreen. Als argument tegen een
+recht op den vorm, terwijl de inhoud onbeschermd blijft, geeft hij het
+volgende voorbeeld: "Charles Fourier a cru devoir formuler en termes
+bizarres et peu intelligibles les idées qui composent le fond de son
+système. Vient un badigeonneur littéraire qui s'empare du système
+de Fourier, l'expose dans un style clair, élégant si l'on veut, et
+met le tout en vente. Vous voyez bien que, à côté de Fourier qui va
+mourir de faim, le badigeonneur s'enrichira. Entendue de la sorte,
+qu'est-ce que la propriété? C'est le vol" [324].
+
+Dit aandoenlijke geval zou echter niet op rekening mogen worden
+geschreven van het auteursrecht. Dat het auteursrecht van den
+"badigeonneur" meer opbrengt dan dat van Fourier (al zal de een nog
+wel geen millionair worden evenmin als de ander van honger behoeft
+om te komen!) komt eenvoudig hierdoor, dat de eerste als auteur
+iets waard is en de tweede niet. Het systeem van Fourier was niet
+een auteursproduct, maar eene uitvinding, en indien men uitvindingen
+van dit slag wenschte te beschermen, zou dit moeten geschieden door
+patent- en niet door auteursrecht. Het is, zooals ik reeds meermalen
+gelegenheid had op te merken, niet het doel van het auteursrecht,
+aan alle intellectueele werkers een loon voor hun arbeid te verzekeren.
+
+Als algemeene regel kan dus worden gesteld, dat van wetenschappelijke
+werken alleen de innerlijke en de uiterlijke vorm beschermd zijn, en
+niet de inhoud. Men behoeft hierbij de uitdrukking "wetenschappelijke
+werken" niet te eng op te vatten; hetzelfde geldt ook voor geschriften
+van populairen aard, waarvan het hoofddoel is kennis te verspreiden
+of het oordeel van den schrijver mede te deelen over het een
+of ander onderwerp. Artikelen en redevoeringen over de politiek,
+plaatsbeschrijvingen, verslagen van gebeurtenissen van allerlei aard,
+in sommige gevallen ook kritieken en beoordeelingen op het gebied
+van kunst en letterkunde, behooren ook hiertoe te worden gerekend.
+
+Anders is het echter gesteld met de letterkundige kunstwerken,
+waaronder hier te verstaan zijn alle geschriften, die tot
+de "belletrie" of "schoone letteren" behooren, dus: poëzie,
+tooneelstukken, romans, novellen enz. Bij deze werken is niet alleen
+de uiterlijke en de innerlijke vorm, maar ook de inhoud, de eigenlijke
+kern, eene aesthetische schepping, en daarom reikt het auteursrecht
+hier verder dan bij de geschriften van wetenschappelijken aard. Dien
+inhoud, ontdaan van alle niet-aesthetische elementen, noemt Kohler "das
+imaginäre Bild". Men zou het ook kunnen noemen de kunstgedachte, welke
+de schrijver, meer of minder bewust, in zijn werk heeft neergelegd;
+datgene, wat het tot een organisch geheel maakt en er het eigen,
+persoonlijk karakter aan verleent, waardoor het zich van andere
+werken onderscheidt. Doch juist het feit, dat elk kunstwerk--althans
+elk kunstwerk in den hoogen zin van het woord--zulk een streng
+persoonlijk karakter vertoont en zich als iets bijzonders voordoet,
+maakt het zoo moeilijk om van die kunstgedachte, van dat "Imaginäre
+Bild"--tenzij men één bepaald werk op het oog heeft--iets meer te
+geven dan eene vage aanduiding. Het moet hier--nog meer dan ten
+aanzien der wetenschappelijke geschriften--blijven bij het aangeven
+van de methode, die in elk concreet geval is te volgen, om te weten
+te komen, wat wél en wat niet tot de schepping van den auteur behoort.
+
+Wat hiertoe niet gerekend moet worden is, evenals bij alle andere
+werken, datgene wat alleen de vrucht is van zuiver-verstandelijke,
+ontdekkende arbeid. Dit zijn in een roman of tooneelstuk de feiten en
+gebeurtenissen, die tezamen de intrigue vormen. Voornamelijk is dit
+het geval, wanneer deze ontleend zijn aan de geschiedenis (men denke
+b.v. aan de historische romans van van Lennep en Bosboom Toussaint)
+of aan de mythologie; het spreekt vanzelf, dat het verhaal, hetwelk
+de schrijver uit een geschiedenisboek, of uit den Bijbel (zooals
+Vondel voor zijne treurspelen meermalen deed) heeft geput, of wel aan
+eene algemeen bekende sage heeft ontleend, niet als zijne schepping
+is aan te merken. Vele van deze gegevens zijn dan ook door meerdere
+schrijvers tot een drama of roman verwerkt, zonder dat zij daardoor in
+elkanders rechten traden. Doch ook indien de schrijver zijn verhaal
+zelf heeft verzonnen, kan dit geen voorwerp van zijn uitsluitend
+recht uitmaken. Het verzinnen van een aantal gebeurtenissen, die den
+uiterlijken loop van een roman of drama bepalen, is geen scheppende
+arbeid; het is slechts het vaststellen van een schema, dat op zichzelf
+geene aesthetische waarde heeft. "Wer nichts thäte"--schrijft Kohler
+dienaangaande--"als die Fabel der Wahlverwandtschaften erzählen, von
+zwei Paaren, die sich kreuzweise anziehen, wobei das eine Paar sich
+so, das andere sich so benimmt und schlieszlich ein Kind ins Wasser
+fällt und eine Dame, welche im Uebrigen auch ein Tagebuch schreibt,
+sich durch Hunger den Tod gibt: der würde nicht in das Autorrecht
+Göthes eingreifen, auch wenn dieses heute noch bestünde" [325].
+
+Wáárin de eigenlijke schepping, afgezien van den uiterlijken en
+innerlijken vorm, het "Imaginäre Bild" dus, in een roman of tooneelspel
+bestaat, is natuurlijk niet met enkele woorden te zeggen. In het
+algemeen kan men m. i. wel met Kohler [326] aannemen, dat het de
+karakter-uitbeelding is der personen die in het boek voorkomen en de
+schildering hunner psychologische ontwikkeling in de gegeven fabel,
+hetgeen in verband met de gebeurtenissen en gedachten-stroomingen
+die daarop van invloed zijn, tevens kan zijn een karakterbeeld van
+het tijdperk en van de maatschappij waarin het verhaal speelt. Doch
+zoodra men dit meer in bijzonderheden wil gaan uitwerken dient men erop
+te wijzen--wat Kohler trouwens niet heeft verzuimd te doen--dat niet
+alleen iedere school (realisme, naturalisme, romantiek enz.) maar, men
+kan bijna zeggen, iedere schrijver, een eigen kunstideaal koestert en
+een eigen weg kiest om dit te bereiken. Al moge dus de boven gegeven
+karakteriseering van de schepping des auteurs op alle epische en
+dramatische werken [327] min of meer toepasselijk zijn, meer dan
+eene oppervlakkige aanduiding is zij niet en kan zij ook niet zijn,
+daar kunstenaars nu eenmaal niet naar vaste modellen plegen te werken.
+
+Ik meen echter niet dieper hierop in te moeten gaan en wensch liever
+de aandacht te vestigen op eene vraag van practisch belang, voor
+de oplossing waarvan het bovenstaande reeds eenig licht kan geven;
+de vraag nl. of het zoogenaamde "dramatiseeren" van een roman,
+d. w. z. de omwerking daarvan tot een tooneelstuk, en omgekeerd
+de bewerking van een tooneelstuk in romanvorm, een inbreuk op het
+auteursrecht uitmaakt. Eene dergelijke bewerking kán zijn een bijna
+woordelijk overnemen van het origineel, indien nl. de bewerker er
+zich toe bepaald heeft de zinnen, die de romanschrijver zijn helden
+in den mond legt, eenvoudig over te schrijven. De aanhalingsteekens
+behoeven dan slechts te worden weggelaten en in de plaats daarvan de
+namen der personen te worden gezet boven hetgeen zij te zeggen hebben,
+terwijl misschien hier en daar nog eene verschikking of samenvoeging
+van enkele tooneelen noodig is, en de "bewerking voor het tooneel"
+is gereed. Dat men door de uitgave van eene dergelijke bewerking in
+strijd komt met het auteursrecht, behoeft wel geen betoog, daar hier
+behalve de inhoud en de innerlijke vorm ook de uiterlijke vorm geheel
+of althans voor een groot gedeelte is gestolen.
+
+Bij eene werkelijke dramatiseering wordt echter zoowel de uiterlijke
+als de innerlijke vorm een andere. Deze laatste moet uit den aard
+der zaak in een tooneelstuk aan andere eischen voldoen dan in een
+roman. De romanschrijver kan de gesprekken en dialogen afwisselen
+door lyrische gedeelten, natuurbeschrijvingen, algemeene historische
+beschouwingen of zelfs door bespiegelingen op wijsgeerig, godsdienstig
+en ethisch gebied. Hij is niet--althans niet zoo absoluut als de
+drama-schrijver--aan tijd en plaats gebonden; hij kan desverkiezend bij
+sommige onderdeelen wat langer stilstaan, zonder vrees den dramatischen
+loop daardoor te verstoren.
+
+De schrijver van een tooneelstuk daarentegen moet zijn geheele
+werk in een beperkt aantal tooneelen laten afspelen. Voor lange
+uitweidingen en beschouwingen is geene plaats; alles moet door
+de woorden en gedragingen van de in het stuk optredende personen
+worden uitgebeeld. Daarmede heeft natuurlijk de bewerker, die den
+inhoud van een roman in dramatischen vorm wil weergeven, rekening te
+houden. Alle beschrijvingen en beschouwingen, al die gedeelten waarin
+niet de personen aan het woord zijn maar de schrijver zelf, moeten
+noodzakelijk vervallen. Voorvallen uit het vroeger leven der optredende
+personen, die tot typeering van hun karakter of ter verklaring
+hunner latere gedragingen door den romanschrijver ter geschikter
+plaats zijn medegedeeld, moeten in het tooneelstuk op eene andere
+wijze te pas worden gebracht. Evenzoo zullen de tijdsomstandigheden
+en de historische gebeurtenissen, die op het stuk van invloed zijn,
+door andere middelen moeten worden afgeschilderd. Verschillende fijne
+schakeeringen, die de oorspronkelijke schrijver in den roman had weten
+te doen uitkomen, zullen daardoor in de tooneelbewerking moeten worden
+gemist; doch daar staat tegenover, dat met eene plastische uitbeelding
+op het tooneel effecten zijn te verkrijgen die eene beschrijving niet
+kan geven.
+
+De roman moet dus vele vervormingen ondergaan (waarvan er hier
+slechts enkele zijn aangestipt), wil er een speelbaar tooneelstuk
+uit groeien, dat niet "rammelt" zooals de technische uitdrukking
+luidt. Doch daarmede is niet gezegd, dat de inhoud ook een andere is
+geworden. De bewerking gaat niet dieper--behoeft tenminste niet dieper
+te gaan--dan den innerlijken vorm, d.w.z. de structuur, die uiteraard
+in roman en drama verschillend is. Doch de inhoud, de karakters en
+hunne ontwikkeling, zal in de meeste gevallen dezelfde zijn gebleven,
+daar de bewerker er natuurlijk naar gestreefd zal hebben, dezen zoo
+gaaf mogelijk weder te geven.
+
+En hiermede is ook het antwoord op de voorgelegde vraag
+gevonden. Indien werkelijk datgene, wat ik hierboven als "inhoud" heb
+gekarakteriseerd, in de bewerking kan worden teruggevonden, indien
+dus niet alleen de uiterlijke loop van het verhaal, de intrigue,
+aan den roman is ontleend, maar ook de psychologische ontwikkeling
+en de atmosfeer, waarin deze plaats grijpt, dan moet ook het uitgeven
+of opvoeren van eene dergelijke bewerking zonder toestemming van den
+oorspronkelijken auteur voor ongeoorloofd worden gehouden. Het is dan
+immers de exploitatie van des auteurs schepping, al heeft de bewerker
+daaraan een nieuwen uiterlijken en innerlijken vorm gegeven.
+
+
+
+
+c Practische toepassingen van het voorgaande
+
+In verband met de theoretische beschouwingen, die voorafgaan, wensch ik
+thans enkele vragen, die de geschriften als objecten van auteursrecht
+betreffen, meer uit het oogpunt van de practische toepassing door
+wetgever en rechter te bezien. Achtereenvolgens zullen hierbij ter
+sprake komen:
+
+
+ I De vereischten, waaraan een geschrift moet voldoen om object
+ van auteursrecht te zijn;
+ II Het recht van den vertaler;
+ III Het uitsluitend vertalingsrecht;
+ IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht.
+
+
+
+I Vereischten waaraan een geschrift moet voldoen om object van
+auteursrecht te zijn
+
+In de wetten vindt men over de vraag, waarmede ik mij nu ga
+bezighouden, nergens eene bijzondere bepaling; de beantwoording wordt
+overal overgelaten aan den rechter.
+
+Het beginsel dat hierbij is te volgen, heb ik reeds genoemd en
+besproken [328]; het is in het kort dit, dat slechts dáár van
+auteursrecht sprake kan zijn, waar eene schepping van den auteur valt
+aan te wijzen; terwijl de letterkundige of wetenschappelijke waarde
+of belangrijkheid dier schepping buiten beschouwing moeten blijven.
+
+In bijna alle landen heeft zich de jurisprudentie in dezen zin
+gevestigd.
+
+Zoo werd in Duitschland uitgemaakt, dat op brieven, die niets
+anders bevatten dan eenvoudige mededeelingen en regeling van zaken,
+geen auteursrecht bestaat, daar zij niet zijn te beschouwen als
+"geestelijke scheppingen." Dat zij zich tot eene winstgevende
+exploitatie leenen (het waren in dit geval brieven van Richard Wagner)
+doet aan hun karakter niets af, doch is eene buitenstaande, toevallige
+omstandigheid [329]. Ook werd bescherming geweigerd, als zijnde geen
+"Schriftwerke" volgens de Duitsche wet, aan schouwburg-programma's,
+die eenvoudig de mededeeling inhouden van de stukken, die zullen worden
+gespeeld, de rolverdeeling, het aanvangsuur, de prijzen der plaatsen,
+enz. [330]. Evenzoo werd beslist ten aanzien van formulieren voor
+het houden van kantoorboeken [331] en van prijscouranten, die niets
+anders bevatten dan een lijst van artikelen met den prijs, waarvoor
+zij te koop zijn [332].
+
+In België werd o.a. beslist, dat niet vielen onder de "écrits" welke
+de wet op het auteursrecht beschermt: eene lijst van de vreemdelingen,
+die in de badplaats Oostende waren aangekomen (Tribunal de Commerce
+van Brussel 20 April 1894); nieuwsberichten (Hof van Brussel 1
+Dec. 1853); programma's van wedrennen (Hof van Brussel 20 Nov. 1866)
+en eene handels-advertentie, bestaande uit zinnen, die dagelijks voor
+soortgelijke doeleinden worden gebruikt, en waaraan de opsteller niets
+had toegevoegd, waardoor het een oorspronkelijk werk zou zijn geworden
+(Tribunal de Paix van Luik 29 Mei 1896) [333].
+
+Fransche rechterlijke beslissingen in denzelfden zin zijn o.m. gewezen
+ten aanzien van: een prospectus, waaruit waren overgenomen scheikundige
+analyses en gegevens betreffende de aardrijkskundige ligging en
+berekening van prijzen met het oog op eene te vestigen industrieele
+onderneming [334]; mededeelingen omtrent rechtspraak en administratie
+(Hof v. Parijs 2 Mei 1857); telegraphische nieuwsberichten
+(Seine-Rechtbank 12 Juni 1851 [335]; Hof van Cassatie 18 Maart 1908)
+[336]; eene lijst van de vermoedelijke winnaars van wedrennen, door een
+sportblad gepubliceerd [337]. Ten aanzien van een postzegelcatalogus
+nam de Seine-Rechtbank aan, dat op werken van dien aard alleen dán
+auteursrecht kan bestaan, wanneer zij als "créations de l'esprit" zijn
+te beschouwen, "à raison de la conception esthétique ou scientifique
+qui ressort de leur plan général, de l'érudition qui se dégage des
+appréciations ou observations, même sommaires qu'ils contiennent,
+ou tout au moins de l'originalité qui imprime un caractère personnel
+à l'ensemble de la publication" [338].
+
+Minder juist lijkt mij de volgende overweging, waarmede het erkennen
+van auteursrecht op een catalogus eener kunst-tentoonstelling werd
+gemotiveerd: "Attendu que le catalogue des oeuvres d'art exposées
+chaque année au Palais de l'industrie constitue, à raison de son
+importance et des recherches qu'il nécessite, une oeuvre littéraire
+susceptible d'une propriété privée et représentant une valeur vénale
+relativement importante, enz." [339]. Nóch de belangrijkheid van
+dezen catalogus, nóch de arbeid, die er aan ten koste was gelegd,
+nóch het feit, dat hij eene geldelijke waarde vertegenwoordigde,
+maakten m.i. dit werk tot eene schepping in den boven aangegeven
+zin. Over het algemeen echter volgt de Fransche jurisprudentie het
+juiste beginsel, dat alleen dient te worden nagegaan, of er al dan
+niet eene "création de l'esprit" aanwezig is.
+
+Ook van de rechterlijke beslissingen, die mij uit andere landen
+bekend zijn, kan voor het meerendeel hetzelfde worden gezegd. In
+Oostenrijk werd b.v. uitgemaakt, dat op een adresboek alleen vanwege
+de historische en ethnographische opmerkingen, die er in voorkwamen,
+auteursrecht bestond [340]; en dat niet als object van auteursrecht
+waren te beschouwen zakelijke gegevens, met behulp waarvan een
+dagbladartikel was samengesteld [341]. In Engeland werd ten aanzien
+van dagblad-berichten beslist, dat daarvan niet de inhoud, maar
+alleen de bijzondere vorm, waarin zij zijn gepubliceerd, voorwerp
+van auteursrecht is [342]; ook ten aanzien van een prijscourant eener
+machinefabriek werd in soortgelijken zin beslist [343]. De Zwitsersche
+Bondsrechtbank weigerde o. a. als beschermde geschriften te erkennen:
+een spoorwegboekje, dat alleen feitelijke gegevens omtrent de uren van
+aankomst en vertrek der treinen en de prijzen bevatte [344] en eene
+alphabetische lijst van de aangeslagenen in de belasting te Zürich
+[345]. In Italië eindelijk maakte het Hof van Appel van Milaan uit,
+dat een eenvoudige prijscourant niet behoort tot de geestesproducten
+(opere dell ingegno) in den zin der wet op het auteursrecht, daar
+hiertoe alleen wezenlijke scheppingen gerekend kunnen worden [346].
+
+Naast deze buitenlandsche beslissingen, waarvan er nog veel meer zouden
+zijn te noemen, die zich alle vrijwel in dezelfde lijn bewegen [347],
+valt het op, dat de Nederlandsche rechtspraak tot nu toe eene gansch
+andere richting heeft gevolgd.
+
+Zoo werd achtereenvolgens door de Arrondissements-Rechtbank van
+den Haag, door het Hof in dezelfde stad en door den Hoogen Raad het
+auteursrecht erkend op een feestwijzer voor de 3 October-feesten te
+Leiden in 1891 [348]; door de Rechtbank te Amsterdam dat op eene
+lijst van predikbeurten [349]; door het Hof van den Haag en den
+Hoogen Raad op officieele berichten van de godsdienstoefeningen der
+Nederduitsch-Hervormde gemeente te Rotterdam [350]. In geen dezer
+gevallen had men te doen met eene geestelijke schepping in den boven
+bedoelden zin: de Leidsche feestwijzer bevatte, zooals ook door
+den beklaagde werd aangevoerd, uitsluitend "stadsnieuws", nl. de
+vermelding van den aard der feestelijkheden en van uur en plaats,
+waarop zij zouden worden gehouden; in de beide laatste zaken bestond
+het "auteursproduct" uit eene opgave van de namen der predikanten, met
+de kerken waarin en de dagen en uren waarop door hen Godsdienstoefening
+zou worden gehouden.
+
+Tot motiveering dezer uitspraken werd o. a. aangevoerd, dat de wet geen
+onderscheid maakt tusschen verschillende soorten van geschriften,
+en dat derhalve ook die geschriften beschermd zijn, welke geene
+"letterkundige gedachte behelzen", (arrest H. R. 21 Nov. 1892 W. 624)
+óf, zooals het in het arrest van den Hoogen Raad van 29 April 1895
+(W. 6647) werd uitgedrukt: die welke "blijvende wetenschappelijke of
+letterkundige waarde" missen. Wat met de eerste uitdrukking wordt
+bedoeld, is mij niet recht duidelijk, zoodat ik over de juistheid
+of onjuistheid van dat argument geen oordeel durf uitspreken. Met
+de laatstgenoemde woorden wordt echter een zeer juist beginsel
+uitgesproken: de wetenschappelijke of letterkundige waarde van een
+geschrift moet bij de vraag, of het al dan niet een auteursproduct is,
+niet in rekening worden gebracht. Doch hiermede is nog niet gezegd,
+dat een lijst van predikbeurten tot de beschermde geschriften
+behoort. Wie zich eenigszins rekenschap geeft van de beteekenis
+van het woord "auteursrecht" zal moeten inzien, dat hier nóch een
+auteur nóch een auteursproduct was aan te wijzen. De H. R. nam in
+zijn laatstgenoemd arrest aan, dat de firma D. v. S. te Rotterdam
+(die het blaadje "de Kerkbode" uitgaf) als rechtverkrijgende van het
+ministerie van predikanten bij de Nederduitsch-Hervormde gemeente
+aldaar zich het auteursrecht op de bedoelde lijst van predikbeurten
+kon voorbehouden. Volgens deze constructie zou dus het ministerie
+van predikanten de auteur zijn van ... de regeling der preekbeurten,
+welke die predikanten onder elkander hadden vastgesteld! Waarin hier
+de auteurs-arbeid van deze vergadering van predikanten bestond, is
+moeilijk te zien. Zij beslisten eenvoudig, op welke uren en in welke
+kerken zij den volgenden Zondag zouden optreden. Eene geestesschepping,
+ook al vraagt men niet naar blijvende wetenschappelijke of
+letterkundige waarde, was hier ver te zoeken.
+
+Er is beweerd, dat onze wet geen ruimte laat voor eene andere
+uitlegging dan die, welke in de genoemde rechterlijke uitspraken werd
+gegeven. M. i. volkomen ten onrechte.
+
+In de wet van 1817 en ook in het Ontw. Boekh. werd gesproken van
+"letterwerken"; het woord "geschriften", dat in de tegenwoordige wet
+daarvoor in de plaats is gekomen, zou naar veler oordeel van ruimer
+strekking zijn en ook "geschriften" als de boven bedoelde omvatten
+[351]. Dit verschil van beteekenis kan ik echter niet inzien en in
+geen geval heeft men de bedoeling gehad den kring der beschermde
+producten uit te breiden door het woord "geschrift" te gebruiken in
+plaats van "letterwerk". Dit blijkt m. i. ten duidelijkste uit de
+volgende zinsnede uit de memorie van toelichting [352]:
+
+"De soorten van werken, waarop deze wetsvoordracht betrekking heeft,
+stemmen overeen met die welke in het ontwerp van den boekhandel
+voorkomen; echter is het min gebruikelijke "letterwerk" door het woord
+"geschrift" vervangen."
+
+Ik meen daarom, dat er geen reden bestaat, om aan ons woord "geschrift"
+eene andere beteekenis te geven dan b.v. in Oostenrijk en Duitschland
+het woord "Schriftwerk" en in België en Frankrijk "écrit" hebben. In
+het gewone spraakgebruik moge men misschien een lijst van predikbeurten
+en een programma van feestelijkheden "geschriften" noemen, dit is
+nog geen reden om dit ook hier te doen. Wat hier vóór alles in het
+oog moet worden gehouden, is, dat het woord gebruikt wordt in eene
+wet tot regeling van het auteursrecht, en dat alleen die geschriften
+bedoeld worden, welke eenen auteur hebben.
+
+Men heeft zich ook beroepen op eene andere uitdrukking van onze wet,
+die voorkomt in artikel 7 lid 2, waar het auteursrecht op den inhoud
+van dag- en weekbladen nader is geregeld. Daar wordt gesproken van
+"berichten of opstellen"; van welke werken het auteursrecht wordt
+erkend, mits het uitdrukkelijk worde voorbehouden. De vraag is dus,
+of dit woord "berichten" ook, zooals beweerd wordt, eenvoudige
+mededeelingen van feiten omvat, die in geen enkel opzicht als
+scheppingen zijn te beschouwen. M. i. kan hier hetzelfde antwoord
+worden gegeven als boven ten aanzien van het woord "geschriften". Niet
+in zijne algemeene beteekenis moet het woord worden opgevat, maar in
+de bijzondere beteekenis, die het verband waarin het gebruikt wordt,
+aangeeft. Zoo blijft men ook het dichtst bij de bedoeling van den
+wetgever, voorzoover die uit hetgeen bij de voorbereiding der bepaling
+is gezegd en geschreven kan worden opgemaakt. In het eerste ontwerp
+kwam de bepaling niet voor; zij is er later door minister Modderman
+bijgevoegd. In de memorie van antwoord (p. 4) wordt ervan gezegd,
+dat als beginsel is aangenomen, dat de inhoud van dag- en weekbladen
+wordt beschouwd als gemeengoed, en dan komt deze verklaring: "Er
+zijn echter uitzonderingen. Niet zelden bevatten de nieuwsbladen
+stukken van meer blijvende wetenschappelijke of letterkundige waarde,
+bijvoorbeeld als feuilletons, waarvan men zich het auteursrecht niet
+wil laten ontrooven. Hiervoor laat het ontwerp ruimte door te bepalen,
+dat men zich het auteursrecht van een in een nieuwsblad gepubliceerd
+stuk kan voorbehouden, mits men slechts aan het hoofd van dat stuk
+zoodanig voorbehoud uitdrukkelijk kenbaar make." Hierbij werd dus
+blijkbaar aan losse berichten, die niets anders dan mededeelingen
+van feiten bevatten, in 't geheel niet gedacht. Zonder tot verdere
+gedachtenwisseling aanleiding te geven, is de bepaling daarna
+overanderd in de wet opgenomen. Slechts één enkele opmerking, die bij
+de behandeling der wet in de Tweede Kamer werd gemaakt, zou kunnen
+doen vermoeden, dat aan het woord "berichten" een ruimere strekking
+werd toegekend. Het kamerlid van de Werk liet zich n.l. als volgt
+uit: "Of het niet beter geweest ware om voor de gewone korte losse
+couranten-berigten geen bescherming tegen nadruk te geven, daarop zal
+ik niet terugkomen" [353]. Deze opmerking werd echter gemaakt toen
+artikel 7 reeds zonder beraadslaging was goedgekeurd; uit het feit
+dat zij niet werd weersproken, mag men dus niet opmaken, dat zij,
+wat de uitlegging der bepaling betreft, de algemeene opinie weergaf.
+
+Ik blijf het er dus voor houden, dat onze wet niet de schuld draagt
+van de minder juiste beslissingen, die zijn besproken, en dat er geene
+wetswijziging voor noodig is om hier, evenals in alle andere landen,
+het juiste beginsel te kunnen toepassen. Wél kan worden toegegeven,
+dat het woord "berichten" in artikel 7 lid 2 niet gelukkig is gekozen,
+doch de rechter behoeft zich daardoor niet gedwongen te gevoelen
+tot het erkennen van een "auteursrecht", dat in geen enkel opzicht
+dezen naam verdient. Zoo is b.v. naar mijne meening de mededeeling:
+"auteursrecht voorbehouden", die in de meeste groote dagbladen boven
+de dagelijksche beursnoteering voorkomt, misplaatst en zonder eenige
+beteekenis. Reeds Jolly merkte terecht op: "An den durch Telegraph
+berichteten Worten: "Paris ist ruhig" oder "5% Rente = 99 1/4" kan
+aber kein vernünftiger Mensch eine Autorschaft und in Folge derselben
+Autorrechte beanspruchen" [354].
+
+
+
+II Het recht van den vertaler
+
+Dat vertalingen als zelfstandige voorwerpen van auteursrecht zijn te
+beschouwen, dat m. a. w. de vertaler auteursrecht geniet voor zijne
+vertaling, is een regel die vrijwel nergens tegenspraak ontmoet. In
+bijna alle landen wordt het recht van den vertaler uitdrukkelijk
+in de wet genoemd. Ook onze wet houdt de bepaling in (art. 2c), dat
+"met auteurs worden gelijkgesteld: vertalers ten opzichte van hunne
+vertaling".
+
+De "gelijkstelling" met oorspronkelijke auteurs beteekent natuurlijk
+niet, dat de vertaler dezelfde rechten heeft, die hij zou kunnen doen
+gelden, indien het door hem geleverde een eigen, oorspronkelijk werk
+was. De vertaler is alleen auteur van den uiterlijken vorm [355];
+het object van zijn recht is--zooals trouwens ook onze wet heel goed
+doet uitkomen--niet het vertaalde geschrift, maar de vertaling. Op
+den innerlijken vorm en den inhoud kan hij niet het minste recht doen
+gelden. Het uitgeven van eene andere vertaling van hetzelfde geschrift
+is derhalve geen inbreuk op het recht van den eersten vertaler. Evenmin
+kan deze zich er tegen verzetten, dat van zijne vertaling weer eene
+andere vertaling of bewerking in het licht wordt gegeven. Wat dit
+laatste betreft schijnt Mr. Veegens tot de tegenovergestelde meening
+over te hellen. De gelijkstelling van vertalers ten opzichte van hunne
+vertaling met auteurs pleit er volgens dezen schrijver voor, dat de
+vertaler zich volgens onze wet ook, overeenkomstig artikel 5b, het
+uitsluitend recht tot het uitgeven van vertalingen van zijne vertaling
+in andere talen kan voorbehouden [356]. Dit zou echter beteekenen,
+dat de vertaler recht kreeg op een werk, aan welks voortbrenging hij
+part noch deel heeft gehad. Gesteld een Russische roman is in het
+Hollandsch vertaald en deze Hollandsche vertaling wordt door een derde
+weer in het Duitsch overgebracht. Zelfs als wij aannemen, dat deze
+laatste geen Russisch kende en dat hij dus de Hollandsche vertaling
+bepaald noodig had om zijne Duitsche bewerking te kunnen maken, dan
+nog kan in de uitgave van deze Duitsche bewerking niet gezien worden
+een exploiteeren van het werk van den Hollandschen vertaler. Immers
+wat de bewerker van de Duitsche vertaling aan de Hollandsche heeft
+ontleend beperkt zich tot den innerlijken vorm en den inhoud van den
+roman, tot die bestanddeelen dus van het werk, welke de bewerker der
+Hollandsche vertaling op zijne beurt weer van den oorspronkelijken
+Russischen schrijver had overgenomen. Dit kan dus nooit als een inbreuk
+worden beschouwd op het recht van den Hollandschen vertaler. Twijfel
+hieromtrent is naar mijne meening--ook wanneer alleen rekening wordt
+gehouden met wat onze wet bepaalt--volkomen uitgesloten. Alleen "de
+vertaling" is voorwerp van des vertalers recht; dit is voldoende om
+de vraag in den bovengemelden zin te beantwoorden.
+
+Niet altijd is in ons land het recht van den vertaler binnen deze
+juiste grenzen gehouden, getuige het "regt van praeferentie,"
+dat door de Publicatie van het Provinciaal Bestuur van Holland
+van 1796, door de wet van 1803 en door de Souvereine Besluiten van
+1814 en 1815 werd verleend aan den vertaler van een buitenlandsch
+werk, waardoor deze elke andere vertaling van hetzelfde geschrift
+kon tegenhouden. Weliswaar maakte reeds de wet van 1817 aan deze
+gepatenteerde rooverij een einde [357]; doch de feitelijke toestand
+komt nu nog vrijwel overeen met dien van een eeuw geleden. Er
+bestaat nl. eene bepaling in het reglement van de Vereeniging ter
+bevordering van de belangen des boekhandels, volgens welke elk
+lid dezer vereeniging, die aan eene speciaal daarvoor aangewezen
+commissie zijn voornemen te kennen geeft, van een in het buitenland
+uitgekomen werk hier eene Nederlandsche vertaling uit te geven,
+door de overige leden als uitsluitend daartoe gerechtigde wordt
+aangemerkt. Binnen den kring der Vereeniging, waarvan trouwens bijna
+alle Nederlandsche uitgevers lid zijn, geniet dus, buiten de wet om, de
+eerste vertaler het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijk
+werk. Hetzelfde beginsel dus als het in de regelingen van 1796,
+1803, en 1814 en 1815 gehuldigde: wie er het eerste bij is geldt
+als rechtmatig bezitter. Dit is voorzeker een bedenkelijke toestand,
+waarvoor men echter de Vereeniging ter bevordering van de belangen
+des boekhandels niet te hard mag vallen, vooral niet, nu sinds 1878
+dezelfde bescherming ook wordt verleend aan hem, die eene verklaring
+van den schrijver van het werk kan overleggen, waarin deze tot de
+uitgave der vertaling machtiging verleent. Zoo wordt althans het
+recht van den buitenlandschen auteur niet geheel voorbijgegaan. Doch
+alleen het feit dat eene dergelijke op onderlinge afspraak berustende
+regeling mogelijk en noodig is, geeft weer een treurig staaltje van
+de achterlijkheid van ons land op het gebied der auteursbescherming.
+
+Het enkele feit, dat iemand een boek vertaalt geeft hem--het is reeds
+herhaaldelijk gezegd--niet het minste recht op dat boek zelf. De
+rechten van den oorspronkelijken schrijver, en in het bijzonder
+diens uitsluitend vertalingsrecht, worden daardoor in geenen deele
+verkort. Dit heeft tot gevolg, dat de vertaler niet altijd volkomen
+vrij is in de uitoefening van zijn recht op de vertaling. Eene
+exploitatie van de vertaling is tevens eene exploitatie van het
+oorspronkelijke werk d. w. z. van den innerlijken vorm en den inhoud
+daarvan. Zoolang dus het uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver
+bestaat, mag de vertaler niet zonder diens toestemming zijne vertaling
+in druk uitgeven of, zoo het een tooneelstuk is, doen opvoeren,
+en daarom heeft de vertaler niet veel aan zijn recht, indien deze
+toestemming niet is verkregen. Doch voor het ontstaan van het recht
+des vertalers is dit geen beletsel. In sommige wetten (o. a. in de
+vroegere Duitsche wet § 50 en in de Berner Conventie van 1886 art. 6)
+werd het recht van den vertaler alleen verleend voor "rechtmatige
+vertalingen", waaronder men dan had te verstaan vertalingen, die niet
+in strijd met het uitsluitend vertalingsrecht op het oorspronkelijke
+werk waren uitgekomen. Men heeft dit verdedigd door erop te wijzen,
+dat het niet aangaat den dief te beschermen [358]. Dit argument gaat
+hier echter niet op. Dat de vertaler een wederrechtelijk gebruik maakt
+van het werk van een ander is nog geen reden om hem het recht op zijn
+eigen werk te ontnemen. Dit laatste heeft hij niet gestolen en het is
+dus geen "bescherming van den dief" hem dit te laten behouden. Men wil
+toch niet, dat iemand, die b.v. in een hem toebehoorende kruik wijn
+van zijn buurman steelt, daardoor het recht op zijne kruik verbeurt?
+
+Het heeft bovendien geen zin te spreken van "rechtmatige"
+vertalingen. De vertaling zelf is niet "rechtmatig" of "onrechtmatig";
+wél kan er een rechtmatig of onrechtmatig gebruik van worden
+gemaakt. Of dit laatste zal geschieden kan van te voren natuurlijk
+nooit met zekerheid worden gezegd. Het is b.v. mogelijk dat iemand eene
+vertaling maakt met het voornemen haar eerst uit te geven, wanneer
+het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur zal zijn verstreken,
+of wanneer diens toestemming tot de uitgave zal zijn verkregen [359].
+
+Beide rechten--het recht van den vertaler op zijne vertaling en het
+uitsluitend vertalingsrecht van den schrijver op het oorspronkelijk
+werk--dienen dus scherp uit elkander te worden gehouden. De vertaler
+en de oorspronkelijke schrijver hebben, ieder op hun terrein en
+onafhankelijk van elkander, evenveel aanspraak op bescherming, en er
+bestaat geen reden om aan den eerste zijn recht te onthouden omdat hij
+bij de uitoefening daarvan met het recht van den laatste in botsing
+zou kunnen komen.
+
+
+
+III Het uitsluitend vertalingsrecht
+
+Over het uitsluitend vertalingsrecht is--vooral ook in ons land--veel
+geschreven. De strijd loopt voornamelijk over de rechtmatigheid en
+de wenschelijkheid van dit recht, welke hier nog door velen worden
+ontkend. Na het voorgaande meen ik mij van eene breedvoerige bespreking
+van de argumenten, die tegen het vertalingsrecht zijn ingebracht,
+ontslagen te rekenen; dat ik ze hier niet geheel voorbijga, is vooral
+terwille van het groote practische belang van de vraag, die--zooals
+algemeen bekend is--den geheelen strijd over de al of niet aansluiting
+van ons land bij de Berner Conventie beheerscht.
+
+Eene bewering, die men bij bijna alle bestrijders van het
+vertalingsrecht terugvindt, is deze: de vertaler heeft door
+zelfstandigen intellectueelen arbeid een nieuwen vorm gegeven aan
+de gedachten van den oorspronkelijken auteur. Deze laatste kan
+op die "gedachten" geen recht meer laten gelden, daar zij door de
+publicatie gemeengoed zijn geworden [360]. Wat dit argument heeft te
+beteekenen, meen ik reeds voldoende in het licht te hebben gesteld
+bij mijne beschouwingen over vorm en inhoud der geschriften. De
+vertaler neemt niet maar "gedachten" over van den oorspronkelijken
+schrijver; wat hij overneemt is de inhoud en de innerlijke vorm, welke
+laatste--zooals uitvoerig is aangetoond--steeds--ook bij geschriften
+van wetenschappelijken aard--als eene aesthetische schepping van den
+auteur is aan te merken. Dat de vrije verspreiding van "gedachten"
+door het auteursrecht zou worden belemmerd, is hierboven m. i. ook
+reeds voldoende weerlegd.
+
+En wat de zelfstandigheid betreft van den arbeid des vertalers,
+waar steeds met zooveel nadruk op wordt gewezen, deze is al zeer
+betrekkelijk. Zelfstandig werkt de vertaler zeer zeker in het
+vormen van zijne zinnen en wendingen, in het kiezen van de juiste
+uitdrukkingen, i. e. w. in het bewerken van den nieuwen uiterlijken
+vorm. Deze zelfstandigheid wordt door niemand ontkend; dit blijkt wel
+uit het bovenbesproken recht op de vertaling, dat den vertaler overal
+wordt toegekend. Doch--en dit is het eenige wat hier in aanmerking
+mag komen--met betrekking tot de schepping van den oorspronkelijken
+schrijver houdt alle zelfstandigheid van den vertaler op. Het is zijne
+taak, die zoo getrouw mogelijk in zijne taal weer te geven, zonder
+er iets van eigen vinding aan toe te voegen. Hoe men kan volhouden,
+dat het werk van den vertaler ook in dit opzicht "zelfstandig" is,
+is mij een raadsel [361].
+
+Een ander argument, dat meestal met het vorige in één adem wordt
+genoemd, is dat de oorspronkelijke auteur geen deel heeft gehad aan
+de bewerking der vertaling, ja dat hij zelfs in de meeste gevallen
+zelf de vertaling niet had kunnen maken. Allereerst kan hiertegen
+worden opgemerkt, dat het niet de vraag is, waartoe de auteur of de
+vertaler in staat zou zijn geweest, maar alleen: wat elk van die twee
+heeft voortgebracht. Houdt men dit maar in het oog, dan kán--dunkt
+mij--de oplossing der vraag niet twijfelachtig zijn. Het uitsluitend
+vertalingsrecht is geen recht op de vertaling maar een recht op die
+bestanddeelen van het oorspronkelijke werk, welke de vertaler heeft
+overgenomen. Evenmin als de vertaler zonder toestemming van den
+oorspronkelijken auteur het vertaalde geschrift mag exploiteeren,
+mag deze laatste dit doen zonder toestemming van den vertaler. Het
+zijn--voor velen schijnt het moeilijkheden op te leveren dit in te
+zien--twee scherp van elkander te onderscheiden rechten, waarmede wij
+hier te doen hebben, die nóch object, nóch subject met elkander gemeen
+hebben. Uitsluitend wat de uitoefening van hun recht betreft zijn de
+auteur en de vertaler van elkaar afhankelijk, omdat het vertaalde
+geschrift, dat als voorwerp van exploitatie één geheel uitmaakt,
+de objecten van beider rechten in zich bevat.
+
+Van nog minder gewicht is het eveneens herhaaldelijk aangevoerde
+argument, dat de auteur niet benadeeld wordt door de uitgave eener
+vertaling, ook al is hij daarin niet gekend. De ondervinding zou eerder
+hebben geleerd, dat het tegendeel het geval is, dat nl. de uitgave
+van vertalingen in andere landen het debiet van de oorspronkelijke
+uitgave doet toenemen. Als de auteur dus geen schade lijdt, maar
+zelfs indirect voordeel ervan heeft, dat zijn werk door anderen
+vertaald wordt, waarom hem dan het recht toe te kennen vertalingen
+te verbieden? Hierbij doet dan geregeld dienst eene indertijd aan
+Mr. J. N. van Hall gedane verklaring door den Franschen uitgever van
+François Coppée's werken, dat sinds Coppée in onze taal was vertaald,
+het debiet van zijne gedichten in de oorspronkelijke taal belangrijk
+was toegenomen [362].
+
+De redeneering is eigenlijk eene ernstige bestrijding niet waard. Wat
+men ermede schijnt te willen betoogen, is, dat het voor een auteur
+voordeeliger zou zijn het uitsluitend vertalingsrecht niet, dan het wel
+te hebben! Twee zaken worden hierbij klaarblijkelijk over het hoofd
+gezien: ten eerste, dat het "indirecte voordeel" (nl. het grooter
+debiet van de oorspronkelijke uitgave) niet minder wordt door het
+feit, dat voor de uitgave der vertaling eerst de toestemming van
+den schrijver moet worden gevraagd en ten tweede dat er naast dat
+indirecte voordeel in het laatste geval nog het directe voordeel
+bijkomt, dat voor het verkrijgen dier toestemming iets in rekening
+kan worden gebracht.
+
+Wat men nu verder nog ter bestrijding van het vertalingsrecht
+vindt aangevoerd staat, zooals trouwens ook reeds met dit laatste
+argument het geval is, geheel buiten het terrein van het recht. In
+overeenstemming met de "algemeen belang-theorie", die--zooals wij
+gezien hebben--ook onder de juristen in ons land vele aanhangers
+heeft gevonden, wordt door velen de vraag: hoever gaat het recht der
+auteurs? geheel terzijde gesteld en wordt uitsluitend gerekend met
+de verschillende belangen, die bij deze kwestie zijn betrokken. Zoo
+wordt beweerd, dat ons betrekkelijk kleine land met zijn beperkt
+taalgebied het zonder vertalingen van buitenlandsche boeken niet
+kan stellen en dat het daarom van het grootste belang is, dat het
+uitgeven van vertalingen aan ieder vrij wordt gelaten. Men vreest,
+dat de buitenlandsche schrijvers, indien hun hier een uitsluitend
+vertalingsrecht wordt toegekend, hooge prijzen zullen vragen, waarvan
+het gevolg zou zijn, dat de vertalingen, die zouden verschijnen, minder
+in aantal en duurder zouden worden. Dit zou dan beteekenen groote
+schade, niet alleen voor de uitgevers, drukkers en boekhandelaren,
+maar ook voor het geheele boeken-koopende publiek. In het bijzonder
+de kleine uitgevers zouden daarvan het slachtoffer worden, daar voor
+hen het betalen van een eenigszins beteekenend honorarium aan den
+oorspronkelijken auteur, met een onzekeren kans op winst, vrijwel
+uitgesloten is.
+
+Het eerste en eigenlijk alles afdoende antwoord op dit alles moet
+zijn: het gaat hier niet alleen om belangen, maar er zijn rechten in
+het spel. Het vertalingsrecht, ook dat van buitenlandsche auteurs,
+moet geëerbiedigd worden, zelfs al zou dit minder voordeelig zijn,
+hetzij voor enkele kringen, hetzij--zooals beweerd wordt--voor het
+volk in zijn geheel.
+
+Doch ook indien men voor een oogenblik dit standpunt verlaat en
+zich uitsluitend bepaalt tot de utilistische motieven, die in
+deze strijdvraag bij velen den doorslag geven, zal men bij eene
+onbevooroordeelde beschouwing daarvan tot de conclusie moeten komen,
+dat aan de bezwaren, die tegen het uitsluitend vertalingsrecht worden
+ingebracht niet veel beteekenis kan worden gehecht. De groote nadeelen,
+die de bestrijders van het vertalingsrecht van de invoering daarvan
+vreezen, zijn deels denkbeeldig, deels schromelijk overdreven. In het
+bijzonder is de bewering ongegrond, dat de volksontwikkeling door de
+erkenning van dit recht zou worden geschaad. Wél kan worden toegegeven,
+dat enkele categorieën van personen (vooral de kleinere uitgevers),
+die tot nu toe van de vrijheid van vertalen en de daarop gebaseerde
+onderhandsche bescherming, die de Vereeniging ter bevordering van
+de belangen des Boekhandels in het leven heeft geroepen, gebruik
+hebben gemaakt, het in hunne financiën zullen gevoelen, wanneer
+die vrijheid aan banden zal zijn gelegd. Men kan zelfs medelijden
+hebben met het lot, dat deze personen wacht, waarvan er vele wegens
+een weinig ontwikkeld of door het jarenlang bestaande gebruik
+afgestompt rechtsgevoel het onrechtmatige van hun tegenwoordig
+bedrijf niet inzien. Het is echter billijk daartegenover te stellen,
+dat in andere kringen zeker niet minder belangrijke nadeelen worden
+geleden tengevolge van de oppositie, die tegen het vertalingsrecht
+is gemaakt. Want de zaken staan nu eenmaal zoo, dat men door de
+erkenning van het vertalingsrecht van buitenlandsche schrijvers tegen
+te houden tevens--misschien zonder het te willen--heeft tegengehouden
+de aansluiting van ons land bij de Berner Conventie. Indien men
+alleen met "belangen" te rade gaat, dient men toch ook te letten op
+de belangen van onze schrijvers, componisten en kunstenaars op het
+gebied der beeldende kunsten, die nog maar steeds van bescherming in
+het buitenland verstoken blijven.
+
+Ik meen echter deze zijde van het vraagstuk hier verder te kunnen laten
+rusten; bij de bespreking der Berner Conventie zal nog gelegenheid
+zijn erop terug te komen.
+
+Gaat men den toestand met betrekking tot het vertalingsrecht in de
+verschillende landen na, dan ziet men allerwege, dat de beperkingen
+en voorwaarden, welke vroeger nog aan dit recht werden gesteld,
+geleidelijk aan het verdwijnen zijn.
+
+In Frankrijk heeft de jurisprudentie, zonder dat de wet hierover
+eene bepaling inhield, steeds het vertalingsrecht erkend als een
+bestanddeel van het auteursrecht; in België (art. 12) en Duitschland
+(§ 12 wet van 19 Juni 1901) is het door de wet volkomen met alle
+andere auteursrecht gelijkgesteld. Hetzelfde wordt meestal aangenomen
+het geval te zijn in Engeland (ten aanzien der Engelsche auteurs)
+en Spanje [363]. In vele landen duurt het vertalingsrecht even lang
+als het overige auteursrecht, mits echter van dit recht binnen een
+zeker aantal jaren door den auteur gebruik is gemaakt door de uitgave
+eener vertaling. Dit is b.v. het geval in Denemarken (sinds de wet van
+29 Maart 1904), Engeland (voor vreemde auteurs), Japan en Luxemburg;
+in al deze landen moet de geautoriseerde vertaling verschijnen binnen
+tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke geschrift. Andere
+landen hebben dezelfde bepaling doch met een korteren termijn, zoo
+Zwitserland (5 jaar) en Noorwegen (1 jaar).
+
+Er zijn echter ook landen waar het vertalingsrecht aan een
+afzonderlijken, korten termijn is gebonden. In Italië en Zweden
+duurt het tien jaar te rekenen van het tijdstip der uitgave van
+het oorspronkelijk werk; in Oostenrijk vijf jaar na de uitgave der
+vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk werk
+verschijnt.
+
+In verschillende der hier genoemde landen, waar het vertalingsrecht
+nog niet op gelijken voet staat met het overige auteursrecht, kan
+worden verwacht, dat de volkomen gelijkstelling binnen niet te langen
+tijd zal worden ingevoerd. In Zwitserland zijn al plannen gemaakt
+voor eene wetswijziging in dezen zin [364]; evenzoo in Italië, waar
+in het ontwerp dat ter vervanging van de tegenwoordige wet op het
+auteursrecht is ingediend, het vertalingsrecht uitdrukkelijk met
+het overige auteursrecht wordt gelijkgesteld (art. 18). Ook in de
+Scandinavische landen schijnen, blijkens de houding, die zij op de
+Conferentie van Berlijn hebben aangenomen, de bezwaren die tegen een
+onbeperkt en onvoorwaardelijk vertalingsrecht bestonden, uit den weg
+te zijn geruimd.
+
+Het vertalingsrecht--dit blijkt reeds uit bovenstaand overzicht--is
+overal aan het veldwinnen. Een goed denkbeeld van dezen vooruitgang
+kan men krijgen, door de wijzigingen na te gaan, die de Berner
+Conventie op dit punt in den loop der jaren heeft ondergaan. In 1886
+werd--niet zonder moeite--een vertalingsrecht vastgesteld van tien
+jaar te rekenen van de uitgave van het oorspronkelijk werk; op de
+Conferentie van Parijs van 1896 werd de duur gelijkgesteld met dien
+van het auteursrecht in het algemeen, doch onder voorwaarde, dat de
+auteur binnen tien jaar eene vertaling liet verschijnen; terwijl
+eindelijk in 1908 te Berlijn ook deze voorwaarde werd afgeschaft,
+zoodat nu de volkomen gelijkstelling is verkregen.
+
+Het is eigenaardig, dat in ons land juist de omgekeerde weg is
+gevolgd. Terwijl in de wet van 1817 het vertalingsrecht in alle
+opzichten met het overige auteursrecht gelijkstond, heeft de
+tegenwoordige wet van 1881 daarin verandering gebracht en het
+aanmerkelijk besnoeid.
+
+Wil de auteur dit recht genieten, dan moet hij het zich bij de uitgave
+van zijn werk uitdrukkelijk voor een of meer bepaald genoemde talen
+voorbehouden, en daarenboven zijne vertaling binnen drie jaren na
+de oorspronkelijke uitgave laten verschijnen (art. 5b). Is aan deze
+voorwaarden voldaan, dan duurt het vertalingsrecht nog slechts vijf
+jaren na het tijdstip der uitgave van het oorspronkelijk werk (art. 16
+2o). Alleen ten aanzien der niet door den druk gemeen gemaakte werken
+staat het vertalingsrecht met het auteursrecht gelijk.
+
+Het zijn dus wel zeer enge grenzen, die onze wet aan dit recht
+heeft gesteld. Doch daar de wet alleen toepasselijk is op de werken,
+die binnen het land zijn uitgekomen, hebben de genoemde bepalingen
+niet de minste practische beteekenis. Van de bevoegdheid om zich
+het vertalingsrecht bij de uitgave voor te behouden, wordt zoo goed
+als geen gebruik gemaakt. Dit is niet, zooals een ál te ijverig
+bestrijder van het vertalingsrecht heeft beweerd: "een bewijs, dat
+het beginsel van het vertalingsmonopolie nog niet tot ons volksbesef
+is doorgedrongen" [365], maar eenvoudig een gevolg van het feit,
+dat niemand iets heeft aan het vertalingsrecht van onze wet. "Welke
+schrijver van een in Nederland verschijnend boek denkt erover, eene
+vertaling daarvan in het land zelf te laten uitkomen? En zoo dit al
+een enkele maal mocht geschieden, dan behoeft hij toch zeker niet te
+vreezen, dat daaraan in ons land concurrentie zal worden gedaan door
+eene andere vertaling in dezelfde taal, en dat nog wel binnen vijf
+jaar na de uitgave van het oorspronkelijke boek.
+
+De practische beteekenis van het vertalingsrecht ligt dus, en in het
+bijzonder voor een land met ééne taal als het onze, op het gebied der
+internationale betrekkingen. Terwille van de erkenning van het juiste
+beginsel ware het echter te wenschen, dat ook onze wet de bijzondere
+voorwaarden en beperkingen voor dit recht liet vallen en het volkomen
+gelijkstelde met elk ander auteursrecht.
+
+
+
+IV Het recht van den bewerker en het uitsluitend bewerkingsrecht
+
+Het "bewerken" van geschriften kan met betrekking tot het auteursrecht
+tot soortgelijke verhoudingen aanleiding geven als het vertalen. Indien
+de nieuwe (uiterlijke of innerlijke) vorm, die de bewerker aan het
+geschrift heeft gegeven, eene schepping is, dan komt hem ook, evenals
+den vertaler op zijne vertaling, een recht daarop toe. Doch aan den
+anderen kant heeft hij, evenals deze, het recht van den auteur van
+het oorspronkelijke werk te ontzien.
+
+Ook hier hebben wij dus twee rechten van elkander te onderscheiden:
+het recht van den bewerker op zijne bewerking en het recht van den
+auteur van een oorspronkelijk werk, om zich tegen de exploitatie van
+bewerkingen van zijn geschrift te verzetten.
+
+Niet alle bewerkingen echter zijn als scheppingen te beschouwen van
+den bewerker en evenmin kan altijd gezegd worden, dat het uitgeven
+eener bewerking inbreuk maakt op het recht van den oorspronkelijken
+auteur. Een vaste, door de wet te stellen regel, zooals ten aanzien
+van het recht van den vertaler en het uitsluitend vertalingsrecht,
+geeft hier daarom niet genoeg; ook daar waar zulk een regel bestaat,
+dient de rechter in elk geval te onderzoeken, welke de aard is der
+bewerking, waarmede hij te doen heeft.
+
+Slechts in enkele landen houdt de wet bijzondere bepalingen hieromtrent
+in.
+
+De Duitsche wet (van 19 Juni 1901) verleent den auteurs bescherming
+tegen "Bearbeitungen" en noemt uitdrukkelijk als zoodanig:
+het weergeven van eene vertelling in dramatischen vorm of van een
+tooneelstuk in den vorm eener vertelling (§ 12). Onverminderd dit recht
+staat het vrij, het werk van een ander te gebruiken, indien daardoor
+"eine eigenthümliche Schöpfung" tot stand komt (§ 13). Deze laatste
+bepaling komt mij minder gegrond voor. De vraag, of de bewerker al
+dan niet eene nieuwe schepping heeft geleverd, moest hier m. i. geheel
+buiten beschouwing blijven. Wat hier alleen van belang is, is of hij
+de schepping van den oorspronkelijken auteur in zijne bewerking heeft
+overgenomen. Het een sluit het ander volstrekt niet uit. Overigens
+wordt het recht van den oorspronkelijken auteur in de Duitsche wet
+goed onderscheiden van dat van den bewerker op zijne bewerking. Dit
+laatste recht wordt geregeld in § 2, hetwelk bepaalt, dat bij eene
+"Bearbeitung" de "Bearbeiter" als auteur wordt aangemerkt, evenzoo
+dus als de vertaler ten opzichte zijner vertaling.
+
+Eene uitvoerige wettelijke regeling van het uitsluitend bewerkingsrecht
+bestaat in Spanje (Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van de
+wet van 10 Jan. 1879 betreffende het auteursrecht). Dit bepaalt, dat
+plan, onderwerp en titel van dramatische werken den auteur toebehooren
+en dat dus het overnemen daarvan in een ander werk inbreuk op het
+auteursrecht is (art. 64). Voorts is verboden, van een tooneelstuk eene
+bewerking te maken voor eene muzikale compositie, ook als de titel en
+de namen der personen gewijzigd zijn (art. 67). Evenmin is geoorloofd,
+het onderwerp van een roman of ander geschrift te gebruiken voor het
+maken van een tooneelstuk (art. 68).
+
+Deze bepalingen strekken de bescherming wel wat te ver uit. Het
+"onderwerp", d. i. dus hier de uiterlijke intrigue, kan zooals wij
+gezien hebben, niet als schepping van den auteur worden beschouwd;
+evenmin de titel. Daarmede wil ik echter niet zeggen, dat het
+overnemen van den titel van een werk altijd geoorloofd moet zijn. In
+sommige gevallen kan dit als eene soort deloyale concurrentie worden
+beschouwd, indien er nl. kans is dat het oorspronkelijke werk met
+de bewerking wordt verwisseld. Doch voorzoover hierbij een recht
+van den auteur in het spel is, is dit niet het auteursrecht, maar
+het persoonlijkheidsrecht.
+
+De besproken wettelijke bepalingen van Duitschland en Spanje staan
+vrijwel alleen; in de meeste andere landen (bv. Frankrijk, Italië,
+België, Luxemburg, Zwitserland) zwijgt de wet over dit vraagstuk. De
+rechtspraak komt in deze materie dikwijls voor moeilijke gevallen
+te staan, doch juist hier kan de leer van Kohler goede diensten
+bewijzen. Zijne methode, om zich in elk geval de vraag te stellen:
+wat is als de schepping van den auteur te beschouwen?--om langs dezen
+weg tot beantwoording te komen van de vraag, of met de bewerking al
+dan niet inbreuk op het auteursrecht is gemaakt, wordt reeds hier en
+daar min of meer getrouw toegepast.
+
+In eene beslissing van het Hof van Parijs van 17 Juni 1897 [366] werden
+bewerkingen van opera-tekstboekjes, waarop auteursrecht bestond, voor
+ongeoorloofd verklaard, o. a. op dezen grond, dat die bewerkingen
+inhielden: "... le résumé fidèle et l'analyse exacte des livrets
+et pièces..." en dat daarin waren weergegeven: "la substance de ces
+oeuvres, leur plan général, le développement de leurs épisodes, les
+situations, les personnages... etc." Hier valt--zooals men ziet--een
+streven waar te nemen om de bestanddeelen der auteurs-schepping aan te
+wijzen, die--ook zonder dat de tekst woordelijk was nagedrukt--in de
+bewerking waren overgenomen. Eene soortgelijke overweging vindt men in
+een vonnis van de Seine-rechtbank van 23 Juni 1897 [367]. De bewerking
+in kwestie was hier een roman, getrokken uit het tooneelstuk La Tour de
+Nesle van Alexandre Dumas en Gaillardet. In het vonnis wordt verklaard:
+"... Que le sujet, le plan, son agencement et ses développements,
+la marche de l'action, le groupement des personnages et les mobiles
+qui les font agir, les passions qu'ils ressentent, les sentiments
+qu'ils expriment, apparaissent également dans l'original et dans
+la copie servile qu'ils en ont faite," en even verder: "... Que si,
+dans leur insipide délayage en plus de 2000 pages ... les défendeurs
+ont ajouté d'innombrables incidents..., ils ont, du moins, pris toute
+la substance du drame... etc." Dit vonnis werd bevestigd door het Hof
+van Appel van Parijs (25 Jan. 1900), dat zijne beslissing met bijna
+dezelfde bewoordingen motiveerde [368]. Wat de Fransche rechter hier
+"la substance du drame" noemde, komt vrijwel overeen met Kohler's
+"Imaginäre Bild" [369].
+
+In het algemeen wordt, ook in de meeste andere landen, het trekken
+van een tooneelstuk uit een roman en omgekeerd als een inbreuk op
+het auteursrecht aangemerkt [370]. In Engeland is alleen het laatste,
+("novelisation") verboden [371] en om die reden verzette dit land zich
+in 1896 op de Conferentie van Parijs tegen het opnemen eener bepaling
+in de Berner Conventie, volgens welke het recht van dramatiseeren
+den auteurs zou worden voorbehouden [372]. In 1908 op de Conferentie
+van Berlijn werd echter noch door Engeland, noch door eenigen anderen
+staat tegen het opnemen der bepaling bezwaar gemaakt [373]; wel een
+bewijs, dat de juistheid van het beginsel algemeen erkend wordt.
+
+Van eene erkenning van een uitsluitend bewerkingsrecht in ons land
+is tot nu toe weinig gebleken. Er is zelfs beweerd, dat volgens onze
+wet alleen het woordelijk overnemen van een geschrift inbreuk op het
+auteursrecht is. Deze meening, die o. a. door Mr. Ph. W. Scholten
+in een Themis-artikel werd uitgesproken [374], berust hierop,
+dat de woorden "geheel of gedeeltelijk, verkort of verkleind zonder
+onderscheid van vorm of inkleeding", die in de wet van 1817 voorkwamen,
+zijn weggelaten uit art. 1 van de nieuwe wet van 1881. Laatstgenoemde
+wet zou dus alleen verbieden het "in denzelfden vorm" weergeven, wat
+ook de bedoeling zou zijn geweest van minister Modderman, blijkens de
+volgende opmerking door hem bij de behandeling der wet in de Tweede
+Kamer gemaakt: "Het geldt hier niet het regt van denken, maar het
+regt om in denzelfden vorm te reproduceeren en te verspreiden." Er is
+echter van andere zijde reeds terecht op gewezen, dat de aangehaalde
+woorden van den minister bij de verdediging der wet in een gansch ander
+verband werden uitgesproken nl. bij de bespreking van het auteursrecht
+op mondelinge voordrachten [375]. Doch ook al was dit niet het geval,
+dan zouden toch deze woorden op zichzelf nog niet eene ontkenning
+van het uitsluitend bewerkingsrecht op b.v. romans of tooneelstukken
+uitdrukken. Dit zou alleen dán het geval zijn, indien deze werken
+inderdaad niets meer waren dan "gedachten gehuld in een vorm", zooals
+het wel eens is voorgesteld, en er dus slechts twee mogelijkheden
+waren: óf alleen "gedachten" uit het werk overnemen (wat volgens
+algemeen gevoelen ieder vrij moet staan) óf het werk reproduceeren
+in denzelfden "vorm", d.w.z. letterlijk, zonder eenige wijziging.
+
+Er blijkt verder uit niets, dat de weglating van de bovengenoemde
+uitdrukkingen, die in de wet van 1817 voorkwamen, geschied is met
+de bedoeling, die mr. Scholten onderstelt. Wat in de memorie van
+toelichting daaromtrent wordt opgemerkt, geeft niet den minsten grond
+voor deze meening. Men leest daar [376]: "De in de tegenwoordige
+wet (d.i. dus de wet van 1817) gebezigde bewoordingen "geheel of
+gedeeltelijk, verkort of verkleind, zonder onderscheid van vorm of
+inkleeding" zijn weggelaten, deels omdat zij niet van onduidelijkheid
+zijn vrij te pleiten, deels omdat de erkenning van het regt van den
+auteur op het geheele werk voldoende is, om ook zijn regt op een
+gedeelte daarvan boven twijfel te stellen."
+
+Bovendien zou nog kunnen gewezen worden op hetgeen in de memorie van
+toelichting omtrent de muziekwerken wordt opgemerkt. Het voorschrift
+van de (toenmalige) Duitsche wet, dat elke niet zelfstandig bewerkte
+compositie van eens anders muziekwerk als nadruk te beschouwen is,
+werd in beginsel als juist erkend, doch alleen daarom niet in de wet
+opgenomen, omdat men geene formule ervoor wist te vinden, die niet
+in de practijk tot moeilijkheden aanleiding zou geven. Uitdrukkelijk
+wordt dan verder gezegd, dat het aan den rechter wordt overgelaten,
+in elk geval te beslissen "of er werkelijk inbreuk op het regt van
+den componist gemaakt, of zijn werk geheel of ten deele door den druk
+is gemeen gemaakt of uitgevoerd" [377].
+
+Wat hier met zooveel woorden ten aanzien der muziekwerken wordt erkend,
+dat nl. ook de uitgave van bewerkingen inbreuk op het auteursrecht kan
+zijn, zal men toch ten aanzien van geschriften, die op soortgelijke
+wijze als muziekwerken "bewerkt" kunnen worden, wel niet voor geheel
+en al uitgesloten hebben gehouden.
+
+Er zijn mij een tweetal gevallen bekend, waarin de rechter over het
+uitsluitend bewerkingsrecht volgens onze wet te oordeelen kreeg. In
+het eerste geval betrof het het tooneelstuk "Zwarte Griet", waarvan
+zonder toestemming van den rechthebbende op het opvoeringsrecht eene
+bewerking werd vertoond, die volgens de verklaring van den schrijver
+van het oorspronkelijke stuk met dit laatste "wat betreft handeling,
+verdeeling, kleeding en typeering der personen, alsook het daarin
+voorkomende decoratief en verder tooneeltoestel veel overeenkomst
+had." De tekst week echter geheel van het oorspronkelijke stuk af;
+alleen een paar zinsneden aan het slot van het eerste bedrijf waren
+woordelijk overgenomen. Op grond hiervan nam de Rechtbank van den
+Haag aan [378], dat wel was gebleken, dat de beklaagde een tooneelspel
+had vertoond, overeenkomst hebbende met het stuk "Zwarte Griet" doch
+niet wat hem ten laste was gelegd, dat hij nl. dit laatste stuk zou
+hebben doen opvoeren. De vertooning der bewerking werd dus niet als
+inbreuk op het auteursrecht beschouwd.
+
+Welken maatstaf de rechtbank hierbij heeft aangelegd blijkt uit het
+vonnis niet; een stelselmatig onderzoek naar den aard der bewerking
+is blijkbaar niet ingesteld. Overigens komt het mij voor--voorzoover
+dit uit de in het vonnis vermelde getuigen-verklaringen kan worden
+afgeleid--dat in dit geval inderdaad door de bewerking geen inbreuk
+kon worden gemaakt op het auteursrecht. De bewerker had nl. het
+oorspronkelijke stuk nóch gelezen nóch zien opvoeren, doch zijne
+bewerking gemaakt naar de verslagen, die van het stuk in de dagbladen
+waren verschenen. Langs dezen weg kan--dunkt mij--niet veel meer
+uit het stuk zijn overgenomen dan de uiterlijke intrigue, op zijn
+hoogst enkele fragmentarische gegevens voor de karakter-teekening
+der personen. De Haagsche Rechtbank is echter, jammer genoeg, niet
+ingegaan op de principieele vraag, waar het mij hier om te doen is,
+nl. of volgens ons recht een uitsluitend bewerkingsrecht bestaat en
+hoever dit recht zich uitstrekt.
+
+Een weinig meer licht hierover wordt verspreid door de beslissingen
+over het tweede der door mij bedoelde gevallen, n.l. een vonnis van
+de Rechtbank van Amsterdam van 1 October 1889 [379] en een arrest
+van het Hof in dezelfde stad van 10 April 1891 [380].
+
+Ditmaal was het een civiele procedure; doch de strijd liep weer
+hierover, of door de vertooning van eene bewerking van een tooneelstuk
+inbreuk op het uitsluitend opvoeringsrecht kon worden gemaakt. De
+schrijver van een tooneelstuk "Krates", getrokken uit den roman van
+dien naam van Justus van Maurik, had het uitsluitend opvoeringsrecht
+daarvan overgedragen aan een tooneelgezelschap, dat hem aansprak wegens
+het zonder zijne toestemming vertoonen van eene nieuwe bewerking
+van hetzelfde stuk. Voor de rechtbank werd van den kant van de
+eischers aangeboden door getuigen te bewijzen: "dat de inhoud van het
+tooneelstuk Krates, hetwelk de ged. in den aanvang der maand Dec. 1888
+heeft doen opvoeren, dezelfde is, behoudens eenige wijzigingen,
+als die van het door den ged. aan de eischers gecedeerde tooneelstuk
+"Krates". De rechtbank wees dit aangeboden bewijs van de hand als te
+weinig gepreciseerd en tegelijkertijd te weinig omvattend; verklaarde
+de vordering ontvankelijk doch ontzegde haar als onbewezen. Uit de
+motiveering van dit vonnis blijkt, dat de rechtbank in beginsel het
+inbreuk maken op het auteursrecht door middel eener bewerking niet
+uitgesloten achtte. Naar aanleiding van eene namens ged. gemaakte
+opmerking, dat de eischers met hunne hierboven aangehaalde woorden:
+"behoudens eenige wijzigingen" zelven zouden erkend hebben, dat het
+door ged. opgevoerd tooneelstuk "Krates" niet hetzelfde was, als het
+in de dagvaarding bedoelde, overwoog de rechtbank o. a.:
+
+"dat 't toch van den aard der wijzigingen afhangt, of men te denken
+heeft aan hetzelfde tooneelwerk of aan een ander;
+
+dat toch niet elke wijziging, hoe gering ook, een stuk stempelt tot
+een nieuw, daar werd deze stelling aangenomen, het aan den auteur
+en zijnen rechtverkrijgenden toekomende opvoeringsrecht zoo goed als
+geheel waardeloos zou zijn."
+
+Aan den anderen kant meende de rechtbank dat de identiteit van den
+inhoud van beide stukken, waarvan de eischers hadden aangeboden
+het bewijs te leveren, de vraag niet volkomen oploste, want: "dat
+vooral bij tooneelwerken, niet minder dan op den inhoud, nl. op
+gedachtengang, karakterteekening, intrigue en ontknooping, 't aankomt
+op vorm, inkleeding, taal en stijl, zoodat al ware ook bewezen, dat de
+inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was, daarmede nog niet zou
+zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan het eigendomsrecht
+der eischers."
+
+Uit deze laatste aanhaling blijkt wel, dat de rechtbank niet
+geheel blind was voor de taak, die zij hier had te vervullen, nl. te
+onderzoeken, of de bestanddeelen van het oorspronkelijke stuk, die in
+de bewerking waren overgenomen, van dien aard waren, dat de schepping
+van den auteur (dus het object van zijn recht) geheel of gedeeltelijk
+in de bewerking kon worden teruggevonden. Doch de stelselmatigheid,
+die deze taak eischt, wordt in het vonnis gemist.
+
+De rechtbank had zich moeten afvragen, niet waar het in een tooneelstuk
+vooral "op aankomt", maar wat daarin als de schepping van den auteur
+is aan te merken. Het is niet meer dan bloot toeval, dat de laatste
+zinsnede, die ik uit het vonnis heb aangehaald, nl. dat "al ware
+ook bewezen, dat de inhoud van beide tooneelstukken dezelfde was,
+daarmede nog niet zou zijn beslist dat de ged. te kort had gedaan aan
+het eigendomsrecht der eischers" in het gegeven geval eene juiste
+uitspraak bevat. Want in het algemeen behoort hetgeen de rechtbank
+onder den "inhoud" van een tooneelstuk verstond wél tot de schepping
+van den auteur; alleen in dit bijzondere geval was dit niet zoo,
+omdat die inhoud weer aan een ander was ontleend, nl. aan Justus van
+Maurik, den schrijver van den roman "Krates". Het blijkt echter niet,
+dat de rechtbank, die wist, dat het tooneelstuk uit den roman van
+Justus van Maurik getrokken was, dit in overweging heeft genomen.
+
+Het Hof vernietigde het bovenbesproken vonnis en veroordeelde
+den geint. om aan de appellanten te betalen de som van f 100
+als schadevergoeding. In dit arrest werd in de eerste plaats
+overwogen, dat ook zonder getuigenverhoor omtrent den aard der
+bewerking genoegzaam bleek, dat de geint. de overeenkomst, waarbij
+het opvoeringsrecht aan de appellanten was overgedragen, niet te
+goeder trouw was nagekomen. Dit argument schijnt mij zeer juist
+toe; het laat echter de vraag over het al of niet bestaan van een
+uitsluitend bewerkingsrecht onaangeroerd, daar het de verplichting
+tot schadevergoeding uit de tusschen partijen bestaande verbintenis
+afleidt. Het is intusschen uit het arrest moeilijk op te maken,
+of dit argument bij het Hof den doorslag heeft gegeven, en of dus de
+beslissing in denzelfden zin zou zijn uitgevallen, indien de bewerking
+door een derde ware vertoond, die geenerlei overeenkomst betreffende
+het opvoeringsrecht van het tooneelstuk in kwestie met de appellanten
+had gesloten. Wel werd aan het slot van het arrest overwogen, dat
+"al moge de nieuwe bewerking in eenige bijzonderheden van de vroegere
+verschillen, door de opvoering van de eerste op het uitsluitend
+opvoeringsrecht van de laatste inbreuk is gemaakt", waarmede dus
+duidelijk werd te kennen gegeven, dat er volgens de meening van het
+Hof inbreuk op het auteursrecht had plaats gehad; doch de argumenten,
+die hiervoor werden aangevoerd, zijn van weinig waarde. Het feit, dat
+beide bewerkingen "in hoofdzaak overeenkomen" werd hieruit afgeleid:
+"dat beide bewerkingen zijn getrokken uit denzelfden roman, en dat
+daarin dezelfde handelende personen met dezelfde namen voorkomen". De
+onjuistheid van deze redeneering springt in het oog. Het auteursrecht,
+dat hier zou geschonden zijn, was het auteursrecht van den schrijver
+der tooneelbewerking, niet dat van den romanschrijver. Er moest
+dus onderzocht worden, of de tweede tooneelbewerking bestanddeelen
+bevatte van de eerste, die niet aan den roman ontleend waren. Want
+wat in beide bewerkingen uit den roman was overgenomen, daarop kon
+de bewerker geen uitsluitend recht laten gelden, tenzij hem dit door
+den romanschrijver was overgedragen. Van een dergelijk recht (een
+uitsluitend recht dus om van den roman "Krates" van Justus van Maurik
+eene tooneelbewerking te maken) was echter in dit geding geen sprake.
+
+De besproken rechterlijke beslissingen doen weer zien, hoe licht de
+rechter op een dwaalspoor kan worden gebracht, indien hem een vast
+systeem ontbreekt, en ik waag de opmerking te maken, dat de theorie
+over "vorm en inhoud", die ik hierboven heb ontwikkeld, in deze
+gevallen goede diensten zou hebben kunnen bewijzen.
+
+Overigens blijkt uit de uitspraken over de laatstgenoemde zaak,
+dat nóch de Rechtbank, nóch het Hof van Amsterdam het bestaan van
+een uitsluitend bewerkingsrecht volgens ons recht in beginsel geheel
+uitgesloten achten.
+
+Bovendien hebben deze beide colleges stilzwijgend erkend het recht
+van den bewerker op zijne bewerking; daar immers in beide gedingen er
+herhaaldelijk op gewezen werd, dat het tooneelstuk "Krates" getrokken
+was uit den roman van Justus van Maurik, zonder dat hierin een reden
+werd gezien, om het bestaan van het auteursrecht van den schrijver
+van het tooneelstuk (van den "bewerker" dus) in twijfel te trekken.
+
+
+
+
+§ 3 Wetenschappelijke en technische platen en kaarten
+
+In het algemeen overzicht van de auteursrechts-objecten is er reeds
+op gewezen, dat er zekere soorten van platen en kaarten bestaan,
+die niet tot de werken van beeldende kunst kunnen worden gerekend,
+omdat zij niet, zooals deze laatsten, van zuiver aesthetischen aard
+zijn. De lijnen en kleuren van de werken, die hier bedoeld worden,
+hebben een andere beteekenis; zij dienen niet om door hunne schoonheid
+kunstindrukken te wekken, maar om wetenschappelijke of technische
+aangelegenheden uiteen te zetten of duidelijk te maken. Vandaar dat de
+rol, die zij vervullen, zooals reeds werd opgemerkt, vergeleken kan
+worden met die van de woorden en letters in een geschrift. Evenals
+deze zijn zij van symbolischen aard; zij ontleenen hunne beteekenis
+uitsluitend aan hetgeen zij "voorstellen". Men denke b.v. aan eene
+aardrijkskundige kaart, waar het eene land rood, het andere groen is
+geverfd, waar spoorwegen door twee evenwijdige lijntjes en grenzen door
+kruisjes of stippellijnen worden aangeduid; of aan eene afbeelding
+van het menschelijk hart in een anatomische atlas, waar het aderlijk
+bloed blauw, het slagaderlijk bloed rood gekleurd is, enz. enz.
+
+Dat aan de werken van deze soort, die men in het algemeen kan aanduiden
+met den naam "technische en wetenschappelijke platen en kaarten",
+en waartoe onder meer gerekend moeten worden: land- en zeekaarten,
+anatomische, botanische en mineralogische afbeeldingen, bouwkundige en
+technische teekeningen, schematische voorstellingen van allerlei aard
+enz. enz., eene afzonderlijke plaats onder de objecten van auteursrecht
+toekomt, wordt algemeen erkend, en ook dat deze plaats dichter bij die
+der geschriften, dan bij die der werken van beeldende kunst is gelegen.
+
+In de meeste wetten op het auteursrecht worden zij afzonderlijk
+genoemd. De Duitsche wet van 19 Juni 1901 (§ 1, 3) spreekt van:
+"solchen Abbildungen wissenschaftlicher oder technischer Art, welche
+nicht ihrem Hauptzwecke nach als Kunstwerke zu betrachten sind";
+de Zwitsersche wet van 1883 (art. 3) van: "dessins géographiques,
+topographiques, d'histoire naturelle, architecturaux, techniques et
+autres analogues"; in art. 2 van de wetten van Denemarken en Noorwegen
+vindt men ongeveer dezelfde termen; de Zweedsche wet (art. 1) noemt:
+"natuurkundige teekeningen, land- en zeekaarten, bouwkundige plannen
+en andere teekeningen en afbeeldingen van dien aard" [381].
+
+Ook bij de voorbereiding van onze wet is men er op bedacht geweest,
+dat er werken bestaan, die hoewel geen "geschriften" zijnde, toch zeer
+nauw daarmede zijn verwant, en die in elk geval niet behooren tot de
+werken van beeldende kunst, waarvan men het auteursrecht later in eene
+afzonderlijke wet hoopte te regelen. Men volgde daarbij het voorbeeld
+van Duitschland, waar ook twee wetten op het auteursrecht bestonden:
+die van 1 Juni 1870, "betreffend das Urheberrecht an Schriftwerken,
+Abbildungen, musikalischen Kompositionen und dramatischen Werken"
+en die van 9 Jan. 1876 "betreffend das Urheberrecht an Werken der
+bildenden Künste". De "Abbildungen" van de Duitsche wet van 1870 werden
+in onze wet (art. 1): "plaat- en kaartwerken". Doch zoowel uit de keuze
+van deze termen als uit hetgeen in verband hiermede in de memorie van
+toelichting onzer wet werd opgemerkt, blijkt ten duidelijkste, dat
+het Duitsche voorbeeld hier slechts eene gebrekkige navolging heeft
+gevonden. De Duitsche wetgever was zich zeer goed bewust geweest van
+hetgeen hij deed, toen hij de "Abbildungen" niet bij de werken van
+beeldende kunst, maar bij de geschriften indeelde. Ten opzichte der
+bedoelde werken werd overwogen, of de grond der bescherming, die men
+ervoor wilde verleenen, moest gezocht worden naar analogie van dien
+der geschriften of van dien der kunstwerken [382]. Men kwam tot het
+eerste op grond van dezelfde overwegingen, die hierboven reeds zijn
+weergegeven, nl. dat deze producten meer een wetenschappelijk dan een
+artistiek doel hebben, immers ertoe bestemd zijn "zu belehren". In §
+43 der wet van 1870 werden zij nader aangeduid als: "geographische,
+topographische, naturwissenschaftliche, architektonische, technische
+und ähnliche Zeichnungen und Abbildungen, welche nach ihrem Hauptzwecke
+nicht als Kunstwerke zu betrachten sind". Hieruit blijkt wel, dat men
+op het eigenaardig karakter van de genoemde werken een juist oog had en
+dat men de grens tusschen de werken van beeldende kunst eenerzijds,
+de geschriften en muziekwerken anderzijds, hiernaar stelselmatig
+heeft getrokken.
+
+Het schijnt echter, dat de in Duitschland gemaakte onderscheiding
+hier te lande niet gewild, of zelfs maar begrepen werd.
+
+In de memorie van toelichting wordt gezegd, dat het wetsontwerp
+het auteursrecht regelt van: "schrijvers van letterkundige werken,
+benevens van die werken welke, aan eerstgenoemden zeer nauw verwant,
+insgelijks een voorwerp van den boekhandel uitmaken". Met deze
+laatste werden dus blijkbaar bedoeld de muziekwerken en de "plaat-
+en kaartwerken". Verder werd nog opgemerkt: "Uitgesloten zijn de
+voortbrengselen van schilder- en beeldhouwkunst. Voor zoover toch aan
+de vervaardigers van die voortbrengselen een uitsluitend regt toekomt
+... behoort (dit) het onderwerp uit te maken van eene afzonderlijke
+wet" [383]. Van eene onderscheiding naar de innerlijke eigenschappen
+der werken--zooals die in Duitschland was gemaakt--dus geen spoor. Het
+eenige wat men in aanmerking scheen te nemen was, of een werk al dan
+niet "voorwerp van den boekhandel" uitmaakte. Daaruit laat zich ook
+verklaren, dat men niet eene bepaling als de boven aangehaalde van §
+43 der Duitsche wet overnam (dat nl. de bedoelde werken niet wat hun
+hoofddoel betreft als kunstwerken moeten zijn te beschouwen); men koos,
+misschien zonder veel over de zaak na te denken, de woorden "plaat-
+en kaartwerken", die ook reeds in het Ontw. Boekh. (art. 1) voorkwamen.
+
+Wat is nu de beteekenis, die aan deze uitdrukking van onze wet moet
+gegeven worden? De vraag is moeilijk op te lossen en heeft ook reeds
+tot verschil van opvatting aanleiding gegeven.
+
+In de eerste plaats dient in aanmerking te worden genomen, dat
+de wet niet spreekt van "kaarten en platen," maar van "kaart- en
+plaat-werken". Daarom geloof ik niet, dat, zooals Mr. Veegens [384]
+en Mr. van de Kasteele [385] aannemen, daaronder gerekend kunnen
+worden losse etsen, lithographieën en gravures. Juister schijnt mij,
+wat Mr. Robbers in zijn proefschrift dienaangaande opmerkt:
+
+"Ik voor mij ben er thans ten volle van overtuigd, dat de wetgever
+ermede bedoeld heeft (wat ook trouwens volgens grammatica
+en spraakgebruik juist is): een boek met platen, evenwel met
+deze restrictie, dat de platen hoofdzaak en de tekst bijzaak zij"
+[386]. Met uitzondering van de laatste toevoeging, waarvoor ik niet den
+minsten grond zie, ben ik het hiermede volkomen eens. Deze uitlegging
+strookt ook met de boven aangehaalde opmerkingen uit de memorie
+van toelichting. Van geïllustreerde boeken laat zich met meer recht
+dan van losse etsen of gravures zeggen, dat zij "aan letterkundige
+werken zeer nauw verwant zijn" en tevens, dat zij evenals dezen "een
+voorwerp van den boekhandel uitmaken." De overweging is blijkbaar
+deze geweest, dat tekst en illustratie bij elkaar hooren en daarom
+ook in dezelfde wet bescherming moeten vinden. Toch komt men met deze
+uitlegging tot zonderlinge gevolgtrekkingen. Mr. Robbers verhaalt, hoe
+een boekverkooper, die een oorspronkelijke ets van H. M. de Koningin
+in den handel had gebracht, moest toezien, dat deze straffeloos werd
+nagedrukt. Doch indien diezelfde boekverkooper "niet één ets had laten
+maken naar Hare Majesteit, maar een zeker aantal, in verschillende
+kleederdrachten, wanneer hij dan die etsen met een paar mooie lintjes
+aan elkaar had doen rijgen, een kort bijschrift had gevoegd bij elke
+plaat en ten slotte het stelletje gelegd had in een portefeuille,
+voorzien van een titel, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid als
+door de wet beschermd worden beschouwd, omdat hij een plaatwerk had
+tot stand gebracht."
+
+Hieruit blijkt reeds, tot welke onredelijke gevolgen de willekeurige
+onderscheiding van onzen wetgever voert. Nog duidelijker komt dit in
+het licht, indien men zich de vraag stelt, wie eigenlijk als auteur
+moet worden aangemerkt van een "plaat- of kaartwerk". De werken van
+beeldende kunst als schilderijen, teekeningen enz. vallen buiten de
+bescherming onzer wet; evenzoo photographieën, zooals nog uitdrukkelijk
+in de memorie van antwoord wordt verklaard. Het auteursrecht van deze
+werken is geregeld in het Ontw. B. K., dat echter nooit tot wet is
+verheven. Schilders, teekenaars, etsers en photografen zijn dus geen
+"auteurs" volgens ons recht. Wordt echter een aantal hunner producten
+tot een "plaatwerk" vereenigd, dan is dit laatste wél voorwerp van
+auteursrecht. Er blijft dus niets anders over dan als auteur van
+het plaatwerk te beschouwen hem, die de cliché's--al of niet door
+hemzelf vervaardigd--verzamelt en als een geheel afdrukt. Dus den
+drukker of uitgever. Want, behoudens enkele uitzonderingen [387], is
+er geen sprake van een plaatwerk, vóórdat een exemplaar is afgedrukt,
+en zonder plaatwerk geen auteursrecht. Dit schijnt ook de meening
+van Mr. Veegens te zijn, die als object van het auteursrecht noemt:
+"het door den druk gemeen gemaakte plaatwerk" [388]. Juister ware
+echter geweest "gedrukt" in plaats van "door den druk gemeen gemaakt";
+want de vraag, of het werk al dan niet gemeen is gemaakt doet hier
+niets ter zake.
+
+In vele gevallen zal dus de auteur van het "plaatwerk" een ander zijn
+dan de auteur(s) van de platen, waaruit het werk bestaat. Daar deze
+laatsten echter geen auteursrecht hebben volgens onze wet behoeft hunne
+toestemming door den samensteller van het plaatwerk niet gevraagd te
+worden. Niet alleen dus dat het ieder vrijstaat van schilderijen,
+teekeningen, etsen, photographieën enz. zonder toestemming van
+den auteur reproducties te laten maken, om daarmede een boek te
+illustreeren, maar bovendien is zoo iemand nog als samensteller van
+een "plaatwerk" door onze wet tegen verdere reproductie beschermd!
+
+Ik meen, dat hiermede genoeg is gezegd om de conclusie te
+rechtvaardigen, dat de uitdrukking "plaat- en kaart-werken" in onze wet
+niet deugt en hoe eer hoe liever dient te verdwijnen. Dit is vooral
+noodzakelijk, zoo lang eene wettelijke regeling van het auteursrecht
+op werken van beeldende kunst ontbreekt. Want de omstandigheid, dat
+deze laatste werken onbeschermd zijn, maakt het dubbel noodig dat de
+grens tusschen deze en de wel beschermde producten duidelijk en naar
+redelijke beginselen in de wet zij getrokken. Doch ook indien het
+Ontw. B. K. reeds wet was, zou de uitdrukking "plaat- en kaartwerken"
+in de W. A. R. in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven. Het
+Ontw. B. K. verleent b. v. een auteursrecht van slechts tien jaar
+aan hem, die een werk van beeldende kunst van een ander door eene
+mechanische bewerking namaakt (artt. 4 en 11); indien echter op deze
+wijze een "plaatwerk" tot stand komt, zou diezelfde persoon volgens
+de W. A. R. eene bescherming van vijftig jaar genieten [389]. Ook
+de verschillende regelingen der voorwaarden en formaliteiten in de
+W. A. R. en het Ontw. B. K. zouden in verband hiermede tot verwarringen
+aanleiding kunnen geven.
+
+Welke de werken zijn, die in plaats van de "plaat- en kaartwerken" in
+de wet op het auteursrecht genoemd hadden moeten worden, is hierboven
+reeds meermalen gezegd. Ook hebben wij gezien, met welke termen deze
+werken in sommige buitenlandsche wetten worden aangeduid. Vooral
+de Duitsche wet schijnt mij op dit punt navolgingswaard, omdat
+zij uitdrukkelijk de producten, die als kunstwerken zijn bedoeld,
+uitsluit. Ook de--hierboven niet door mij aangehaalde--bepaling van
+§ 1 der Duitsche wet van 19 Juni 1901, dat tot de "Abbildungen" ook
+behooren plastische werken, verdient m. i. hier te worden nagevolgd. Er
+bestaat immers niet de minste reden om deze laatsten, voorzoover zij
+overigens dezelfde kenmerken vertoonen als de graphische afbeeldingen,
+hiermede niet op ééne lijn te stellen.
+
+Evenals bij de geschriften moet ook bij de kaarten en platen (ik
+spreek nu niet meer over de "kaart- en plaatwerken" van onze wet, maar
+alleen over de "technische en wetenschappelijke kaarten en platen",
+waarvan ik het begrip hierboven heb trachten vast te stellen) aan
+den regel worden vastgehouden, dat de wetenschappelijke inhoud geen
+object van auteursrecht is. De kennis, die men uit een kaart of plaat
+kan putten--b.v. over de samenstelling van eene machine of van eenig
+menschelijk of dierlijk orgaan--is gemeengoed en moet door ieder vrij
+benut kunnen worden. Vandaar dat ook, zooals reeds werd opgemerkt,
+het gebruikmaken van gegevens eener aardrijkskundige kaart, ook al
+waren zij de vrucht van zelfstandige onderzoekingen en opmetingen van
+den auteur, geen inbreuk op diens recht uitmaakt. Het beschermde
+goed bestaat hier, evenals bij wetenschappelijke geschriften,
+uitsluitend uit den vorm, d. w. z. de bijzondere uitdrukkingswijze
+van den auteur. Dit moet niet zóó worden verstaan, dat die vorm op
+zich zelf, los van den inhoud, object van auteursrecht zou zijn,
+zoodat b.v. een uitsluitend recht zou bestaan op eene bepaalde
+methode om iets graphisch voor te stellen of om een landschap in
+kaart te brengen. Waar van den vorm als object van auteursrecht wordt
+gesproken, wordt daarmede steeds bedoeld de vorm, dien de auteur aan
+een concreten inhoud heeft gegeven. De auteurs-schepping bestaat niet
+in het vergaderen van kennis, nóch in het uitdenken van eene methode
+om die kennis mede te deelen of aanschouwelijk voor te stellen. Auteur
+is slechts hij, die deze denkbeelden en plannen verwezenlijkt, die
+dus op een bepaalden inhoud eene bepaalde methode in toepassing brengt.
+
+De inhoud van een plaat of kaart, dus datgene wat er mede
+aanschouwelijk wordt gemaakt, kan ook zijn eene--al of niet door den
+auteur gedane--technische uitvinding. In dat geval kan natuurlijk
+die inhoud beschermd zijn, doch het behoeft geen betoog dat dit dan
+geen uitvloeisel is van het hier besproken auteursrecht op de kaart
+of plaat.
+
+Evenzoo is het geval mogelijk, inzonderheid bij plastische
+afbeeldingen, dat deze de verwezenlijking zijn eener uitvinding,
+dat m. a. w. een nieuwe uitvinding is toegepast om ze tot stand te
+brengen. Kohler noemt als voorbeeld een planetarium, dat voorzoover het
+eene bepaalde wijze van afbeelding der hemellichamen en van hun loop
+bevat object van auteursrecht, daarentegen wat de bijzondere middelen
+betreft waardoor het mechanisch in beweging wordt gesteld object van
+uitvinders-recht kan zijn [390]. Ook hier valt dus de onderscheiding
+tusschen auteursrecht en uitvindersrecht niet moeilijk te maken,
+indien men maar de objecten van ieder recht goed uit elkander houdt.
+
+
+
+
+§ 4 Werken der toonkunst
+
+Toonkunst en woordkunst hebben dit met elkander gemeen, dat zij
+beiden middelen zijn om gedachten of gevoelens hoorbaar tot uiting
+te brengen. Woord en toon richten zich beide tot het oor, en zijn
+slechts middellijk door zichtbare teekens (letters en noten) weer
+te geven. Zij onderscheiden zich in dit opzicht van de werken van
+beeldende kunst, wier schoonheid alleen kan worden gezien.
+
+Bestaat er dus eene nauwe verwantschap tusschen muziekwerken en
+geschriften, aan den anderen kant vallen kenmerkende verschilpunten
+aan te wijzen. Wat de muziek vooral van de woordtaal onderscheidt,
+is dat zij het symbolisch karakter van deze laatste mist. De tonen,
+waaruit een muziekstuk bestaat, hebben niet zooals de woorden in een
+geschrift, eene abstracte beteekenis, maar zij oefenen onmiddellijk
+hunne werking uit op den hoorder.
+
+Met het oog op het auteursrecht is dit verschil tusschen muziekstukken
+en geschriften in verschillende opzichten van belang.
+
+Daar de muziek niet in dien zin eene taal is, dat zij ook voor
+mededeelingen in het dagelijksch verkeer gebezigd wordt, is elke
+oorspronkelijke uiting in muziek eene aesthetische schepping en heeft
+als zoodanig aanspraak op auteursbescherming.
+
+De muziek staat altijd buiten het gewone leven in tegenstelling met
+de taal, die als "voertuig der gedachten" ook practische diensten
+bewijst. Vandaar dat men onder de muziekstukken geen uitingen zal
+vinden zooals: nieuwsberichten, gesprekken, brieven, enz., die uit
+hunnen aard de eigenschappen missen, om object van auteursrecht
+te zijn.
+
+Weliswaar kan van muzikale composities ook een practisch gebruik worden
+gemaakt. Dit is b.v. het geval met hoorn-signalen en vingeroefeningen
+en ook in zekeren zin met dans- en marschmuziek. Daardoor verliezen
+deze werken echter niet hun karakter van kunstschepping. Het komt
+mij daarom onjuist voor, om zooals Kohler doet, signalen niet tot
+de beschermde auteursproducten te rekenen. Hij voert hiervoor aan,
+dat zij buiten den kring der kunst staan [391]. Dit betreft echter
+m. i. niet hun innerlijken aard, maar het gebruik, dat er van wordt
+gemaakt, een gebruik, dat misschien de componist niet voorzien noch
+gewild heeft. De kwestie is echter van te weinig practisch belang om
+er langer bij stil te staan [392].
+
+In het algemeen kan dus worden aangenomen, dat elk muziekstuk voorwerp
+van auteursrecht kan zijn. Er bestaat echter ook nog een belangrijk
+verschil in karakter tusschen het voorwerp van het recht van den
+componist en dat van den schrijver. Ook bij muziekstukken zijn
+vorm en inhoud te onderscheiden; doch niet in denzelfden zin als
+bij geschriften. Bij geschriften kan men "vorm" noemen de taal, en
+"inhoud" datgene, wat door de taal wordt uitgedrukt [393]. Doch omdat
+de muziek het symbolisch karakter der taal mist, is eene onderscheiding
+tusschen de muziek zelve en datgene wat erdoor wordt uitgedrukt,
+niet te maken. De tonen worden niet, zooals de woorden, gebruikt
+als teekens van begrippen, maar zij zelf zijn het, die de muzikale
+aandoening bij den hoorder wekken. Daarom is het ook onmogelijk een
+stuk muziek "in andere tonen" weer te geven.
+
+Wat echter wél mogelijk is, is het ontleenen van bestanddeelen aan
+een muziekstuk om daaraan eene andere muzikale bewerking te geven. Om
+te kunnen uitmaken, in hoever hierdoor inbreuk op het auteursrecht
+wordt gemaakt, is het noodig te onderzoeken, uit welke bestanddeelen
+een muziekstuk bestaat. Er moet dus eene ontleding van worden gemaakt
+op soortgelijke wijze als ten aanzien der geschriften is geschied.
+
+In een muzikale compositie zijn te onderscheiden: melodie, harmonie,
+instrumentatie, rhythmus en dynamiek.
+
+Melodie is de opeenvolging van enkele tonen. Naar deze, ruime,
+beteekenis van het woord staat melodie tegenover harmonie, d. i. de
+combinatie van tegelijk klinkende tonen.
+
+Men gebruikt ook het woord melodie in engeren zin, om er mede aan
+te duiden eene reeks van tonen, die een afgerond geheel vormen en
+eene karakteristieke, ook zonder begeleiding verstaanbare, muzikale
+gedachte uitdrukken [394]. De onderscheiding is, zooals zal blijken,
+ook voor het auteursrecht van belang.
+
+Onder instrumentatie is te verstaan de wijze waarop het ten
+gehoore brengen van het muziekstuk door een of meer instrumenten
+is geregeld. Ten aanzien van vocale muziek spreekt men ook van
+vocaliseering.
+
+De rhythmus in een muziekstuk wordt verkregen door het verschil in
+tijdswaarde van de elkander opvolgende noten en accoorden.
+
+Dynamiek eindelijk is de klanksterkte.
+
+
+
+Eene muzikale compositie in den meest primitieven vorm is de enkele
+melodie (in den engen zin van het woord) zonder harmoniseering. Gaat
+men de melodie nog verder ontleden dan vindt men, dat zij is opgebouwd
+uit een of meer motieven of thema's. Deze kunnen echter niet als eene
+schepping van den componist worden beschouwd. Zij bestaan uit slechts
+enkele noten in niet meer dan een of twee maten die geen zelfstandig
+geheel vormen, maar slechts als uitgangspunt dienen voor eene verdere
+muzikale bewerking. Een motief in dezen zin bevatten b.v. de twee
+eerste maten van de vijfde symphonie van Beethoven, terwijl men b.v. de
+bewerking die de componist daaraan gegeven heeft in de acht eerste
+maten van het Scherzo in deze symphonie, een melodie kan noemen [395].
+
+Hierbij dient in het oog te worden gehouden, dat het woord "motief"
+niet altijd gebruikt wordt in den boven aangegeven zin, waarin het
+eene tegenstelling vormt met de uitgewerkte melodie. De "Leitmotive"
+b. v. in de muziek-drama's van Richard Wagner zijn bijna alle tevens
+melodieën, en niet maar eenvoudige thema's zonder zelfstandigen
+muzikalen zin.
+
+Eene melodie is dus voorwerp van auteursrecht; niet alleen in
+het--zelden voorkomende--geval dat de geheele compositie uit niets
+anders bestaat dan die ééne melodie zonder harmoniseering, maar ook
+wanneer zij slechts een bestanddeel uitmaakt van eene meer uitgewerkte
+muzikale compositie. Hieruit valt reeds de algemeene regel af te
+leiden, dat als inbreuk op het auteursrecht is te beschouwen het
+overnemen eener melodie uit het werk van een ander, ook al zouden
+daarbij de oorspronkelijke harmonie en instrumentatie zijn gewijzigd.
+
+Meestal bestaat--zooals gezegd--eene muzikale compositie niet uit
+ééne enkele melodie zonder meer, maar is zij ontstaan uit de bewerking
+van een of meer melodieën. Ook dit bewerken is een scheppende arbeid;
+dikwijls zelfs zijn juist hieraan de meest waardevolle elementen van
+een muziekstuk te danken.
+
+Met het "bewerken" heb ik voornamelijk op het oog het harmoniseeren,
+d. i. het doen samenklinken van andere tonen met de enkele
+tonen der melodie. Men kan twee hoofdsoorten van harmonische
+bewerkingen onderscheiden, nl. de polyphonie waarin twee of meer
+op zichzelf verstaanbare melodieën zijn te hooren, die als het ware
+dooreengestrengeld zijn tot een harmonisch geheel en de homophonie,
+bestaande uit ééne melodie met eene die melodie steunende en daaraan
+ondergeschikt blijvende begeleiding.
+
+Het behoeft geen betoog, dat eenzelfde melodie op verschillende wijzen
+geharmoniseerd kan worden. Wie aan een, hetzij polyphonisch, hetzij
+homophonisch bewerkt toonstuk een of meer melodieën ontleent en daaraan
+een nieuwe harmonische bewerking geeft, doet iets dergelijks als de
+bewerker van een letterkundig werk. Ook van hem kan gezegd worden--al
+is het in eenigszins anderen zin--dat hij aan een bestaanden inhoud een
+nieuwen vorm geeft. Er treden hier ook ten aanzien van het auteursrecht
+soortgelijke gevolgen in. De bewerker heeft aan den eenen kant het
+recht van den oorspronkelijken auteur te eerbiedigen en mag dus zonder
+vergunning van dezen laatste zijne bewerking niet exploiteeren; aan den
+anderen kant vestigt de bewerker op zijne beurt een nieuw recht, dat
+ook door den auteur van het oorspronkelijke werk moet worden ontzien.
+
+Ook hier moet in het oog worden gehouden, dat niet de vorm op zichzelf
+object van auteursrecht is, maar de schepping in haar geheel:
+de vorm dus in verbinding met een concreten inhoud. Waar derhalve
+onderscheiden wordt tusschen het recht op de melodie en het recht
+op de harmonie, beteekent dit niet, dat deze laatste een zelfstandig
+voorwerp van auteursrecht zou uitmaken. Zeer juist is, wat Schuster
+hieromtrent opmerkt: "... an den Harmoniefolgen, der Modulation als
+solcher, kann es kein Urheberrecht geben, ja noch weniger fast als
+an den einzelnen Accorden, denn dieselben Harmoniefolgen können bei
+ganz verschiedenen melodischen und rhythmischen Folgen eintreten,
+sie sind etwas, das an sich nicht sinnlich wahrgenommen wird daher
+keine Wirkung macht, und nicht für sich allein die Individualität
+des Werkes bestimmt, vielmehr in derselben Art in den verschiedensten
+Werken vorkommen kann" [396]. Voorwerp van auteursrecht kan dus alleen
+zijn de harmonische bewerking van een of meer bepaalde melodieën;
+harmonie zonder betrekking tot eene bepaalde melodie is iets als de
+kleur van een schilderij zonder de teekening; geen concreet kunstwerk
+maar eene abstractie.
+
+Mr. Viotta geeft in zijn proefschrift er een merkwaardig staaltje van,
+hoe men door de melodie van een stuk muziek (hij nam hiervoor de eerste
+maten van het Meistersinger-voorspel) te vervangen door eene andere,
+doch met behoud van de oorspronkelijke harmonie, een inderdaad nieuw
+muziekstuk doet ontstaan [397]. Minder juist is echter de beschouwing,
+die deze zelfde schrijver daarna laat volgen, waarmede hij tracht
+aan te toonen, dat het bovengenoemde beginsel in sommige gevallen
+uitzondering zou kunnen lijden, dat dus een recht op de harmonie op
+zichzelf niet geheel zou zijn uitgesloten. Dit zou nl. dán het geval
+zijn, wanneer eene eigenaardige harmonische bewerking is gegeven aan
+eene melodie, die zonder deze bewerking geen voorwerp van auteursrecht
+kon uitmaken. Het woord melodie moet hier natuurlijk worden opgevat in
+den ruimen zin van: opeenvolging van enkele tonen; want eene melodie
+in den engeren zin is--zooals hierboven betoogd is--altijd als een
+muzikale schepping en bijgevolg als object van des componisten
+auteursrecht te beschouwen. Doch er zijn opvolgingen van tonen,
+die op zichzelf niets uitdrukken en die dus niet aan dezen of genen
+componist zouden kunnen toebehooren. Mr. Viotta noemt als voorbeeld
+een neerdalende chromatische toonladder, welke de "melodie" uitmaakt
+van een stuk muziek van Richard Wagner, een gedeelte nl. van het derde
+bedrijf van "die Walküre" [398]. Daar hier de melodie geen voorwerp van
+auteursrecht uitmaakt, maar wél de eigenaardige harmonische bewerking,
+die Wagner er aan gegeven heeft, kan men volgens mr. Viotta in dit
+geval spreken van een auteursrecht ten aanzien der harmonie. Dit
+is in zooverre juist, dat eerst door de harmonische bewerking een
+auteursproduct is ontstaan; onjuist is echter, wat mr. Viotta schijnt
+te bedoelen, dat de harmonie op zichzelf hier voorwerp van auteursrecht
+zou zijn. Het tegendeel zou kunnen gedemonstreerd worden op dezelfde
+wijze als mr. Viotta dit met het Meistersinger-voorspel deed, door
+n.l. dezelfde volgorde van accoorden als begeleiding voor eene andere
+melodie te laten dienen. Zoodoende zou men ook in dit geval een geheel
+nieuwe compositie verkrijgen, waarvan de exploitatie geen inbreuk op
+Wagner's auteursrecht zou uitmaken.
+
+Wat van de harmonie is gezegd geldt m.m. ook voor de
+instrumentatie. Het instrumenteeren en in het bijzonder het
+orkestreeren is geen machinaal werk, maar eene kunst op zichzelf, die
+zich, dank zij scheppenden genieën als Beethoven, Berlioz, Wagner en
+in den laatsten tijd Richard Strauss, en dank zij ook de gestadige
+ontwikkeling van het moderne orkest, tot eene groote hoogte heeft
+weten op te heffen. Evenals de harmonie is ook de instrumentatie
+een organisch deel van de muzikale compositie; een componist, die
+werkelijk kunstenaar is, zal niet eerst de noten opschrijven en die
+daarna onder de verschillende instrumenten verdeelen; doch reeds bij
+de eerste conceptie van het werk zullen hem waarschijnlijk ook de
+middelen, waarmede het ten gehoore moet worden gebracht, grootendeels
+voor den geest staan. Een goed orkestwerk is daarom ook in dien zin
+een organisch geheel, dat men niet de oorspronkelijke instrumentatie
+van den componist door eene andere kan vervangen, zonder daardoor
+aan de aesthetische waarde van het werk afbreuk te doen.
+
+Daar echter de middelen om een werk in zijne oorspronkelijke
+instrumentatie ten gehoore te brengen, dikwijls ontbreken (dit geldt
+natuurlijk in het bijzonder voor werken voor groot orkest), komt
+het maken van "transcripties" of "arrangementen", d. z. bewerkingen
+voor andere stemmen of instrumenten, veelvuldig voor. Men kan deze
+bewerkingen vergelijken met vertalingen van geschriften; Kohler noemt
+ook de instrumentatie naar analogie met de taal in een letterkundig
+werk den uiterlijken vorm [399].
+
+Hoe de rechten van den oorspronkelijken auteur en die van den bewerker
+van den nieuwen uiterlijken vorm zich verhouden, behoeft na het
+voorgaande geene uiteenzetting meer. Het arrangement is aan den eenen
+kant zelf een auteursproduct, aan den anderen kant zou de exploitatie
+ervan zonder toestemming van den oorspronkelijken componist inbreuk
+op diens auteursrecht zijn. Ik behoef er ook verder niet op te wijzen,
+dat de instrumentatie, evenmin als de harmonie of welke andere "vorm"
+ook, op zichzelf geen voorwerp van auteursrecht kan zijn. Het moet dus
+vrijstaan, eenen componist, die combinaties heeft uitgedacht, waardoor
+nieuwe instrumentale effecten zijn te bereiken, daarin na te volgen,
+mits natuurlijk niet met de instrumentatie ook het oorspronkelijke
+muziekstuk geheel of gedeeltelijk wordt overgenomen.
+
+
+
+Uit bovenstaande beschouwingen, waarin ik slechts in het ruwe de
+verschillende bestanddeelen eener muzikale compositie heb trachten
+aan te wijzen, laten zich toch de hoofdbeginselen van het auteursrecht
+der componisten reeds genoegzaam afleiden.
+
+Wij hebben gezien, dat de melodie, die een eigen, ook zonder
+begeleiding verstaanbare, muzikale gedachte uitdrukt, de
+melodie dus in den engen zin van het woord, als eene muzikale
+compositie is te beschouwen, doch niet het thema, waaruit zij is
+opgebouwd. Daaruit volgt, dat elke bewerking, waarin de melodie van
+een ander is overgenomen, zonder diens toestemming niet mag worden
+geëxploiteerd; wel geoorloofd is echter de bewerking, waarin alleen
+het oorspronkelijke thema is te herkennen. Dit is vooral van belang
+met het oog op de variaties, die dikwijls gemaakt worden op thema's
+of melodieën van andere componisten [400]. Wij hebben verder gezien,
+dat ook het harmoniseeren en instrumenteeren elementen zijn van den
+scheppenden arbeid van den componist. Vandaar dat ook auteursrecht
+toekomt aan hem, die aan eene melodie, waarop hij geen recht kan doen
+gelden, eene oorspronkelijke harmonische bewerking heeft gegeven
+en zelfs aan hem, die niets anders gedaan heeft dan een bestaand
+muziekstuk opnieuw te instrumenteeren. Dit is, zooals reeds betoogd
+werd, geen recht op de harmonie of de instrumentatie op zichzelf, doch
+een recht op het concrete toonwerk, dat door de nieuwe harmoniseering
+of instrumenteering tot stand is gekomen. Natuurlijk geldt ook hier,
+dat de bewerker geen recht heeft op de bestanddeelen, die hij uit het
+werk van een ander heeft overgenomen. Hij die b.v. een piano-uittreksel
+heeft gemaakt van een orkeststuk kan alleen verhinderen, dat dit
+piano-uittreksel wordt nagedrukt of uitgevoerd, niet dat anderen
+van hetzelfde stuk eene nieuwe bewerking voor piano of voor andere
+instrumenten uitgeven en nog veel minder dat eene melodie uit het
+stuk wordt overgenomen.
+
+In de practijk zullen de verhoudingen wel meestal minder eenvoudig
+zijn, dan zij hierboven werden voorgesteld. Het zal b.v. bijna
+nooit voorkomen, dat eene melodie in haar geheel ongewijzigd wordt
+overgenomen, terwijl de harmonie met de oorspronkelijke niets gemeen
+heeft; of dat bij de nieuwe instrumentatie, die aan een muziekstuk
+wordt gegeven, niet ook wijzigingen, aanvullingen, versterkingen
+of vereenvoudigingen in de harmonie worden aangebracht. Bovendien
+worden dikwijls enkele gedeelten uit een muziekstuk overgenomen, die
+dan in de "bewerking" worden afgewisseld door meer oorspronkelijke
+stukken; dit kan weer op verschillende wijzen en in verschillende
+vormen plaats hebben; men denke b.v. aan variaties, phantasieën,
+potpourris, parodieën enz.
+
+Al deze gevallen afzonderlijk te bespreken zou mij te ver voeren;
+daarbij zouden trouwens vragen van speciaal muzikalen aard te pas
+moeten worden gebracht, waarover ik mij allerminst bevoegd acht een
+oordeel uit te spreken.
+
+Ik wensch hier nog slechts ééne opmerking van algemeenen aard aan
+het bovenstaande toe te voegen, deze nl. dat bij de beoordeeling,
+of in een bepaald geval door het overnemen van bestanddeelen uit eens
+anders muzikale compositie inbreuk op het auteursrecht is gepleegd,
+de meerdere of mindere artistieke waarde van het daardoor ontstane
+nieuwe muziekstuk m. i. niet in aanmerking mag worden genomen. Er
+zijn zeer zeker, ook onder de niet geheel oorspronkelijke muzikale
+composities, ware meesterwerken aan te wijzen. Door verschillende
+schrijvers worden b.v. als zoodanig genoemd de variaties die Bach,
+Mozart en Beethoven op vreemde melodieën hebben geschreven. Dit is
+echter geen voldoende reden om dergelijke bewerkingen voor geoorloofd
+te houden, indien zij werkelijk bestanddeelen van een nog beschermd
+werk van een ander bevatten. Volgde men deze opvatting [401], dan
+zou elk gebruik van eens anders werk geoorloofd zijn, mits er slechts
+eene kunstvolle muzikale compositie door tot stand werd gebracht.
+
+Ik meen dus--om eens een enkel voorbeeld te nemen uit eene nadere
+omgeving dan de bovengenoemde--dat een werk als de bekende
+Piet Hein-Rhapsodie van van Anrooy, waarin de melodie van het
+oorspronkelijke Piet Hein-lied telkens is te herkennen, te beschouwen
+is als eene "bewerking" van dat lied en dat de exploitatie ervan
+zonder toestemming van den auteur van dit laatste (gesteld dat diens
+auteursrecht nog bestaat) niet geoorloofd zou zijn, al moge ook de
+groote muzikale waarde der rhapsodie meer gelegen zijn in de nieuwe
+harmoniseering en instrumentatie dan in de ontleende melodie.
+
+
+
+Er zijn landen, waar men beproefd heeft in wetsbepalingen enkele van de
+hierboven genoemde beginselen vast te leggen. Zoo kent b.v. de Duitsche
+wet van 19 Juni 1901 den componisten het uitsluitend recht toe,
+uittreksels (Auszüge) uit hunne werken te maken alsmede bewerkingen
+voor een of meer instrumenten of stemmen (§ 12, 4); voorts verbiedt de
+wet elk gebruik van een muziekwerk, waardoor eene melodie aan het werk
+wordt ontnomen om aan een nieuw werk ten grondslag te worden gelegd
+(§ 13 lid 2). Ook in de wetten van Spanje en Italië komen dergelijke
+bepalingen voor. De Italiaansche wet van 19 Sept. 1882 stelt met
+reproductie gelijk: bewerkingen voor verschillende instrumenten,
+uittreksels en geheele of gedeeltelijke omwerkingen (adattamenti),
+behalve wanneer een motief uit een werk tot thema wordt genomen
+voor eene nieuwe oorspronkelijke muzikale compositie (art. 3). De
+Spaansche wet van 10 Jan. 1879 verbiedt het geheel of gedeeltelijk
+overnemen van melodieën met of zonder begeleiding, hetzij bewerkt
+voor andere instrumenten, hetzij voorzien van een anderen tekst
+of in eenigen anderen vorm, dan die welke de auteur eraan heeft
+gegeven (art. 7). Het Reglement van 3 Sept. 1880 tot uitvoering van
+laatstgenoemde wet bepaalt nog, dat in eene parodie geen melodie van
+het geparodieerde stuk mag worden opgenomen (art. 65).
+
+In het algemeen schijnen mij wetsbepalingen als de bovengenoemde, die
+zoozeer in bijzonderheden afdalen, niet aanbevelenswaardig. Slechts dán
+kunnen zij noodig zijn, indien bij het ontbreken ervan gegronde vrees
+bestaat, dat door den rechter de juiste beginselen niet zullen worden
+toegepast, zoodat b.v. alleen het exploiteeren van een muziekstuk
+in ongewijzigden vorm als inbreuk op het auteursrecht zou worden
+aangemerkt. Of dit in ons land, waar de wet den rechter in deze
+materie volkomen vrijheid laat, al of niet het geval is, is moeilijk
+uit te maken, daar jurisprudentie hierover ontbreekt en ook van eene
+wetenschappelijke communis opinio moeilijk kan gesproken worden. Er kan
+hier echter gewezen worden op de boven reeds aangehaalde zinsnede uit
+de memorie van toelichting onzer wet, waaruit ten duidelijkste blijkt,
+dat onze wetgever geenszins de bedoeling heeft gehad, het maken van
+bewerkingen van muziekstukken zonder toestemming des auteurs in alle
+gevallen vrij te laten. Er is dus, nog minder dan ten aanzien der
+geschriften, eenige reden om de erkenning van een bewerkingsrecht van
+auteurs van muziekstukken in strijd met de wet te achten. Daarom meen
+ik ook, dat de hierboven ontwikkelde theoretische beschouwingen volgens
+ons bestaande recht in allen deele toepassing zouden kunnen vinden.
+
+
+
+
+§ 5 Dramatisch-muzikale werken, balletten en pantomimes
+
+In het algemeen zal men onder dramatisch-muzikale werken verstaan
+tooneelstukken op muziek, werken dus, die bestaan uit een geheel of
+gedeeltelijk op muziek gezetten, dramatisch bewerkten tekst. Het
+eigenaardige van deze werken bestaat hierin, dat zij door eene
+samenwerking van woord- en toonkunst ontstaan zijn; zij zijn geen
+geschriften en evenmin muziekwerken, doch tekst en muziek behooren
+bij elkander en vormen één geheel. Die organische samenhang van
+woord en toon wordt ook in het auteursrecht erkend; een opera of
+operette is, ook als voorwerp van auteursrecht, als één geheel te
+beschouwen. Dit zou echter nog geen reden behoeven te zijn om deze
+werken afzonderlijk te behandelen. Dat een opera of operette, als
+één rechtsobject beschouwd, uit twee verschillende bestanddeelen
+bestaat, in tegenstelling met b.v. een roman, die alleen woorden en
+een symphonie, die alleen noten bevat, brengt ten aanzien van het
+auteursrecht geene bijzondere moeilijkheden mee. De moeilijkheid bij
+het bepalen, wat in elk geval object van het auteursrecht is, bestaat,
+zooals na het bovenstaande wel duidelijk zal zijn, voornamelijk
+in de ontleding, die van geschriften en kunstwerken moet worden
+gemaakt. Deze ontleding valt bij dramatisch-muzikale werken al heel
+gemakkelijk. Want tekst en muziek mogen tezamen een organisch geheel
+vormen, evenals b.v. melodie en harmonie, eene onderscheiding te maken
+tusschen de twee zal niemand eenige moeite kosten. Wat de tekst is
+in een opera, en wat de muziek, daarover behoeft geen woord te worden
+vuil gemaakt. En is eenmaal deze onderscheiding gemaakt, dan is voor
+'t overige op elk der twee bestanddeelen van het dramatisch-muzikale
+werk slechts toe te passen, wat hierboven over de geschriften en
+de muziekwerken is gezegd. Het libretto, het moge op zichzelf, dus
+afgescheiden van de muziek, eenige zelfstandige waarde hebben of niet,
+valt onder de regels die voor alle geschriften en in het bijzonder
+voor de tooneelstukken gelden. Het zal dus b.v. niet vertaald mogen
+worden zonder toestemming van den auteur; evenmin zal er een roman of
+novelle uit getrokken mogen worden, tenzij het natuurlijk zelf eene
+dramatiseering is van een bestaande roman. Eveneens zullen, wat het
+muzikale gedeelte betreft, de beginselen toepassing kunnen vinden
+die hierboven over het auteursrecht der componisten zijn ontwikkeld.
+
+Naast het recht op het werk in zijn geheel, kan derhalve ook bestaan
+een recht op elk der deelen (muziek en tekst) in het bijzonder. Dit
+is vooral van belang voor die gevallen, waar de componist niet tevens
+de auteur van het libretto is. Hij behoeft dan de toestemming van
+den librettist, om zijn recht op het dramatisch-muzikale werk uit te
+oefenen. Dit laatste wordt door sommige schrijvers ontkend. Schuster
+b.v. betoogt, dat het een eisch van rechtvaardigheid is, dat een
+componist, die door muziek bij een tekst te componeeren, dezen
+bezielt en tot een nieuw leven opwekt, over dien tekst ook vrij moet
+kunnen beschikken [402]. Ook in sommige wetten wordt deze vrijheid
+uitdrukkelijk erkend, o. a. in Duitschland, waar zij echter beperkt
+blijft tot kleinere gedichten en in het algemeen tot die werken,
+die niet zijn geschreven met het doel, als tekst voor een componist
+te dienen (wet van 19 Juni 1901 § 20). Dit artikel heeft dus meer
+liederen dan dramatisch-muzikale werken op het oog. In geen geval
+schijnt mij echter deze vrijheid tot het gebruiken van andermans
+geschriften gerechtvaardigd.
+
+Het moge een eer zijn voor een dichter of librettist, dat zijn
+werk door een bekend componist als tekst voor eene compositie wordt
+uitverkoren, het is mogelijk dat zijn naam er meer en beter door bekend
+zal worden (men vergete echter niet dat ook het omgekeerde het geval
+kan zijn!); dit alles is echter geen reden, om hier de gewone regelen
+van het auteursrecht eenvoudig op zijde te zetten en de componisten
+maar vrijelijk over het werk van anderen te laten beschikken. Dat men
+door deze vrijheid aan banden te leggen het ontstaan van belangrijke
+werken op het gebied der vocale muziek ernstig zou bemoeilijken--zooals
+Schuster schijnt te vreezen [403]--meen ik te moeten betwijfelen. De
+componist zal zijn werk niet mogen exploiteeren zonder toestemming
+van den schrijver van den tekst, doch men kan gerust aannemen, dat
+deze toestemming bijna nooit--en in 't bijzonder niet aan talentvolle
+componisten--zal worden geweigerd [404].
+
+
+
+Dat de meeste wetten naast de geschriften en muziekwerken de
+dramatisch-muzikale werken nog afzonderlijk noemen, is waarschijnlijk
+niet uit vrees, dat zij anders niet tot de beschermde auteursproducten
+zouden worden gerekend. Indien dit het geval was, zou men ook
+de niet-dramatische werken, die uit een verbinding van muziek en
+tekst bestaan (alle vocale muziek dus) met name moeten noemen, wat
+echter geen enkele wet doet. De reden van de speciale vermelding der
+dramatisch-muzikale werken ligt meestal hierin, dat voor deze werken
+niet dezelfde bepalingen gelden als voor de overige muziekstukken. Het
+verschil bestaat of bestond (daar het in de nieuwere wetten niet meer
+voorkomt) gewoonlijk hierin, dat het uitvoeringsrecht van muziekwerken
+slechts voorwaardelijk (nl. als het uitdrukkelijk is voorbehouden)
+wordt erkend, terwijl het opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale
+werken niet aan deze voorwaarde is gebonden [405]. Onze wet bevat
+ook iets dergelijks, al meet zij de bescherming nog minder ruim toe;
+uitvoeringsrecht van muziekwerken erkent zij in het geheel niet;
+opvoeringsrecht van dramatisch-muzikale werken wél, al is het slechts
+voorwaardelijk en in beperkte mate (artt. 1 en 15).
+
+Of er voor deze verschillende behandeling van de dramatische en de
+niet-dramatische muziekwerken een redelijke grond bestaat, laat ik
+hier in het midden (in een volgend hoofdstuk hoop ik het tegendeel
+aan te toonen); nu echter onze wet de onderscheiding maakt en er de
+genoemde rechtsgevolgen aan verbindt, wil ik een oogenblik stilstaan
+bij de vraag, wat in den zin der wet onder een "dramatisch-muzikaal
+werk" te verstaan is.
+
+Niet twijfelachtig is, dat daartoe behooren opera's en operettes,
+werken dus die bestemd zijn om op het tooneel te worden opgevoerd;
+men heeft echter gestreden over de vraag, of ook werken, die wel
+dramatisch zijn bewerkt, maar niet uitsluitend voor den schouwburg
+zijn bestemd, zooals oratoria en cantate's, tot de dramatisch-muzikale
+werken gerekend kunnen worden. Schuster beweert van niet, op grond,
+dat deze soort werken uiterlijke dramatiek missen; dit moet hier,
+volgens hem, den doorslag geven: "da das Recht, und somit auch das
+Urheberrecht als äussere Ordnung seiner Unterscheidung äussere Momente
+zu Grunde legen muss" [406].
+
+Ik moet bekennen, dat de waarde van dit argument mij ten eenenmale
+ontgaat, doch ik wil er in één adem bijvoegen dat er voor de meening,
+die men er tegenover zou kunnen stellen (volgens welke dus het
+al of niet "dramatische" van een werk naar zijne meer innerlijke
+eigenschappen, zijn opzet en bouw zou moeten worden beoordeeld) al
+evenmin veel is te zeggen. Het beste schijnt mij, de vraag meer van
+opportunistisch standpunt te beschouwen, zooals Kohler o. a. deed. Deze
+redeneerde als volgt: het onderscheid, dat de wet maakt (zijn betoog
+had betrekking op de oude Duitsche wet van 1876, nu vervangen door die
+van 1901) tusschen dramatische en niet-dramatische muzikale werken
+is in beginsel af te keuren daar de laatste evengoed bescherming
+verdienen als de eerste; de bepaling is alleen te verdedigen als een
+overgangsmaatregel, zoolang tegen een onvoorwaardelijk uitvoeringsrecht
+van muziekstukken nog practische bezwaren worden gemaakt, die echter
+bestemd is te verdwijnen (in dit opzicht heeft Kohler goed gezien);
+en zijn slotsom is deze: "in Zweifel ist darum ein Musikstück als
+dramatisch-musikalisch zu betrachten" [407].
+
+Deze interpretatie kan m. i. ook aan de uitdrukking
+"dramatisch-muzikale werken" van onze wet worden gegeven; temeer daar
+in de memorie van antwoord de oratoria met name als daartoe behoorende
+worden genoemd [408].
+
+
+
+Eene andere vraag is, of ook die werken, welke eenen tekst ontberen
+en waarin uitsluitend door gebarenspel de dramatische handeling
+tot uitdrukking wordt gebracht, tot de dramatisch-muzikale werken
+kunnen gerekend worden. M. i. is er geen reden om het tegendeel
+aan te nemen. Dat balletten en pantomimes evengoed als geschreven
+drama's tot de kunstscheppingen behooren te worden gerekend, die
+door auteursrecht beschermd zijn, wordt in de laatste jaren bijna
+door niemand meer ontkend. Reeds in 1885 op de Conferentie van Bern
+tot voorbereiding van de internationale Conventie werd dit door den
+Italiaanschen gedelegeerde Rosmini kort en duidelijk uitgesproken:
+"... il ne s'agit pas seulement de protéger le libretto, qui n'est
+qu'un canevas, ou la musique, qui n'est qu'un accessoire, mais
+aussi l'action chorégraphique, qui est une création de l'auteur. Le
+chorégraphe digne de ce nom est poète et artiste: il crée le sujet;
+il ordonne les scènes, les décors, les costumes, les tableaux, les
+couleurs; la suite, l'intrigue, le développement des pantomimes
+et des danses, qui expriment le drame fantastique, mythologique
+ou historique. Tout cela constitue une véritable oeuvre d'art,
+et l'ensemble, une oeuvre dramatico-musicale. A ce double titre,
+il y a donc lieu de protéger l'action chorégraphique" [409].
+
+Ook indien men de balletten als kunstwerken minder hoog aanslaat
+dan Rosmini blijkens zijne hier aangehaalde woorden scheen te doen,
+zal men het feit, dat zij eene persoonlijke, aesthetische schepping
+vertegenwoordigen, moeilijk kunnen loochenen. En dit is, zooals
+wij gezien hebben, genoeg om de bescherming door auteursrecht te
+rechtvaardigen. Natuurlijk moeten ook hier eenige eischen worden
+gesteld. Niet elke vertooning die als ballet of pantomime wordt
+aangekondigd, zal men een choregraphisch werk kunnen noemen,
+waarvan den auteur bescherming toekomt. In geen geval behooren
+hiertoe vertooningen, die tot eenig doel hebben de handigheid,
+vlugheid of lichaamsschoonheid der uitvoerenden te doen bewonderen
+of voorstellingen van clowns, acrobaten, dierentemmers en dergelijken
+[410].
+
+Balletten en pantomimes kunnen op verschillende wijzen door de
+auteurs gefixeerd worden. In de eerste plaats door middel van het
+choregraphische schrift, waarover reeds gesproken is (p. 129). In
+de tweede plaats--en dit zal vooral voor pantomimes wel het meer
+gebruikelijke middel zijn--door eene beschrijving van de standen,
+gebaren, gelaatsuitdrukking enz. enz. van alle in de pantomime
+optredende personen gedurende den geheelen loop van het stuk. Behalve
+deze twee is er nog een derde middel, dat vooral in de laatste jaren
+van groote beteekenis is geworden, nl. de kinematograaf. Met behulp
+hiervan kan niet alleen de gang van het spel tot in de fijnste
+bijzonderheden worden vastgelegd, maar men heeft er tevens een
+middel in, om het ballet of de pantomime aanschouwelijk voor te
+stellen. Daardoor kan de kinematographische vertooning in de plaats
+treden van eene werkelijke opvoering door tooneelspelers, balletdansers
+enz. Dikwijls zelfs worden pantomimes vervaardigd uitsluitend voor de
+vertooning met den kinematograaf. Naast gebeurtenissen, die werkelijk
+hebben plaats gehad, zooals optochten, militaire schouwspelen, de
+aankomst van een trein enz. enz. ziet men in den laatsten tijd meer
+en meer deze speciaal voor dat doel in elkander gezette "drama's"
+en kluchten door den kinematograaf vertoonen. Indien pantomimes
+in het algemeen tot de beschermde auteursproducten kunnen worden
+gerekend, dan bestaat er niet de minste reden om aan deze bijzondere
+soort bescherming te ontzeggen. Al zal men den naam "drama" voor deze
+werken misschien niet geheel passend achten; het kan toch niet ontkend
+worden, dat zij door de snelle opeenvolging en groote verscheidenheid
+der tafereelen, die zich achtereenvolgens op de meest verschillende
+plaatsen kunnen afspelen, nog meer dan de eigenlijke pantomimes zich
+leenen, om dramatische conflicten tot uitdrukking te brengen.
+
+De kinematographische afbeeldingen kunnen ook als photographieën
+beschermd zijn, doch dit is een recht van geheel anderen aard,
+dat niet verward moet worden met dat op het door den kinematograaf
+vertoonde stuk, waarover hier gesproken wordt. Dit laatste recht is
+van veel wijder strekking: niet alleen het maken van afdrukken der
+oorspronkelijke films zou een inbreuk erop zijn, maar ook b.v. het
+opnieuw laten vertoonen van hetzelfde stuk, hetzij door andere, hetzij
+door dezelfde personen, om daarvan weer eene nieuwe kinematographische
+afbeelding te maken. Het behoeft geen betoog, dat er alleen dán voor
+dit recht grond bestaat, indien de voorgestelde tafereelen kunstmatig
+in elkander zijn gezet en tezamen een geheel vormen, waarin althans
+eenigszins een dramatisch element te herkennen valt. Tafereelen,
+die zich in de werkelijkheid hebben afgespeeld, kunnen geen voorwerp
+van een uitsluitend recht zijn, ook al hebben de daaraan deelnemende
+personen zich min of meer gedragen naar de aanwijzingen van dengeen
+die ze in beeld bracht.
+
+In verband hiermee kan melding worden gemaakt van een eigenaardig
+proces, dat voor eenige jaren in Frankrijk is gevoerd. Een dokter had
+in zijne kliniek kinematographische afbeeldingen doen vervaardigen
+van door hem verrichte operaties; van deze films werden zonder
+zijne toestemming afdrukken in den handel gebracht en in het publiek
+vertoond. De door hem ingestelde actie werd door de Seine-rechtbank
+toegewezen. Daarbij werd aangenomen, dat de kinematographische
+afbeeldingen als werken van beeldende kunst beschermd waren en dat als
+auteur daarvan de eischer (nl. dokter Doyen) moest worden aangemerkt,
+daar deze het was geweest, "qui a disposé d'abord son sujet, ses aides,
+ses instruments; qu'il s'est assuré de la mise en plaque, c'est à dire
+si le point important de la scène à reproduire se trouvait bien dans
+le centre du verre dépoli; qui a été en un mot le principal auteur
+des films" etc. [411]). Doch "la scène à reproduire" zelf werd niet
+als een voorwerp van zijn auteursrecht beschouwd en terecht. Eene
+operatie is geen drama: geen spel maar werkelijkheid. Zij moge als
+wetenschappelijk-technische praestatie hare waarde hebben, auteursrecht
+kan daardoor niet worden gevestigd.
+
+Een recht als het door mij bedoelde, een recht dus op het speciaal
+voor den kinematograaf vervaardigde "stuk", wordt, voorzoover mij
+bekend is, nog in geen enkel land uitdrukkelijk in de wet omschreven
+of door de jurisprudentie erkend. De eenige stellige bepaling, die mij
+hierover bekend is, is die van art. 14 lid 2 en 3 der herziene Berner
+Conventie, welke hieronder nog besproken zal worden. In een geval,
+waar voor de erkenning van dit recht wellicht eenige grond bestond
+(het betrof hier kinematographische tafereelen die tot titel voerden:
+"Apparitions de la très Sainte Vierge à Bernadette") werd het bestaan
+ervan ontkend door het Appelhof van Pau. De overwegingen waren o.a.:
+
+"Attendu qu'une oeuvre cinematographique, de quelque valeur artistique
+qu' elle puisse être, ne peut, en aucune manière, être assimilée aux
+oeuvres dramatiques ou musicales; que cette oeuvre, non susceptible
+d'interprétation, purement mécanique, ne saurait être l'objet d'une
+représentation dans le sens donné à ce mot par la loi des 13-19
+Janvier 1791 et par les articles 428 et 429 du Code Pénal;
+
+Que, s'il est exact de prétendre que l'agencement et la composition
+des tableaux représentés peuvent offrir un caractère artistique, le
+mouvement dont sont douées les projections cinematographiques n'est
+pas dû soit à l'auteur, soit à des exécutants, mais bien à la machine
+spéciale au moyen de laquelle ce mouvement est obtenu, etc." [412]
+
+Wegens de eigenaardigheid van het geval wil ik hier ten slotte
+nog eene beslissing vermelden van de Seine-rechtbank van 9 Juni
+1903. Hier waren geen kinematographische afbeeldingen in het spel,
+maar eenvoudig een serie van tien prentbriefkaarten, die echter,
+in bepaalde volgorde gelegd, eene soort van "dramatische" handeling
+lieten zien, op soortgelijke wijze, maar natuurlijk niet zoo volkomen,
+als een kinematographische rol. De rechtbank overwoog hierbij
+o.a.: "... qu'il existe entre les dix scènes de la composition un
+enchaînement qui indique la pensée de l' auteur; qu'en outre, la
+position des personnages, leurs gestes, le jeu de leur physionomie,
+leur attitude précisent et réalisent cette conception; ... qu'on
+n'a pas cherché à reproduire les traits de telle ou telle personne
+déterminée, mais à figurer par une série de petits tableaux une idée
+que la mimique des personnages fait comprendre; que sans rechercher
+quel peut être le mérite ou la valeur artistique d'une telle oeuvre,
+il est certain qu'elle bénéficie de la protection de la loi du 10
+Juillet 1793" [413].
+
+Hier werd dus wel degelijk het dramaatje, dat in die tien
+prentbriefkaarten was neergelegd, als voorwerp van auteursrecht
+erkend. De handeling, waardoor volgens het oordeel der Seine-rechtbank
+inbreuk op dat recht was gemaakt, bestond niet in de reproductie
+van de oorspronkelijke photographieën, maar in de reproductie van
+de tien tafereelen; er waren geheel nieuwe opnamen gedaan waarvoor
+andere personen geposeerd hadden.
+
+Het komt mij voor, dat dit laatste vonnis wel wat al te ver ging in het
+erkennen van auteursrecht. Wat hier als object van auteursrecht werd
+beschouwd, was niet veel meer dan "une idée" in den zin, waarin ons
+woord "idee" wel wordt gebruikt, nl. eene invallende gedachte, en niet
+eene schepping, die aanspraak geeft op auteursbescherming. Het vonnis
+geeft overigens een eigenaardig staaltje van de vrijheid, waarmede de
+rechtspraak in Frankrijk zich beweegt bij het interpreteeren van de
+wettelijke bepalingen op het auteursrecht. Met het oog hierop meen ik
+ook te kunnen zeggen, dat er tenminste in dát land geen speciale wet
+noodig zal zijn, om de bescherming, die in de voorgaande bladzijden
+werd bepleit (voor de stukken nl. die aan den kinematograaf hun
+aanzijn hebben te danken), daadwerkelijk in te voeren.
+
+Ten aanzien van ons land zou ik echter hetzelfde niet met even
+groote zekerheid durven te zeggen. Kunnen balletten en pantomimes,
+waarbij muziek behoort, al gerekend worden tot de dramatisch-muzikale
+werken, dit is ten aanzien van de hier bedoelde werken natuurlijk
+uitgesloten. "Geschriften" zijn zij al evenmin; dus zou er niets
+anders overblijven dan ze te rangschikken onder de "tooneelwerken",
+waarvan onze wet spreekt. Met eene dergelijke interpretatie zou men
+echter de grenzen, die de wetgever voor oogen heeft gehad, te ver
+overschrijden. Naar ons bestaande recht meen ik dus, dat de bedoelde
+werken onbeschermd zijn. Bij eene toekomstige herziening zou daarom
+het opnemen eener bepaling als die van art. 14 tweede en derde lid
+der Berner Conventie, ook in verband met eene aansluiting van ons
+land bij het internationale Verbond, wel aanbeveling verdienen.
+
+
+
+
+§ 6 Werken van beeldende kunst
+
+De scheppingen op het gebied der beeldende kunst zijn, als alle
+kunstwerken, in wezen geestelijk en niet stoffelijk, d. w. z. de
+stof is slechts middel van uitdrukking en geen bestanddeel van
+het kunstwerk. Toch staat uit den aard der zaak de beeldende
+kunstenaar anders tot de stof dan de auteur van een geschrift
+of muziekwerk. Het verschil ligt hierin, dat--wat men zou kunnen
+noemen--: de verwerkelijking van het werk in de stoffelijke wereld,
+door schrijvers en componisten aan anderen (zangers, orkestspelers,
+tooneelspelers enz.) kan worden overgelaten, daar zij in het schrift
+(letter- en notenschrift) een middel hebben, om hunne schepping
+door symbolische teekens weer te geven. De beeldende kunstenaar
+daarentegen moet het zonder deze tusschenpersonen stellen; hij moet,
+zij het slechts eenmaal, zijne schepping zelf verwerkelijken. Daarom
+kan van hem worden gezegd, dat hij tegelijk scheppend en uitvoerend
+kunstenaar is.
+
+Het stoffelijk voorwerp, dat uit de handen van den beeldenden
+kunstenaar komt, laat ons b.v. zeggen een schilderij in olieverf,
+heeft dus wel eene andere beteekenis dan het manuscript van een
+schrijver of componist. Het eerste is de verwerkelijking van een
+kunstwerk, het tweede is niet meer dan een middel, waardoor de
+verwerkelijking, ook door anderen dan de auteur, mogelijk wordt
+gemaakt. Doch men moet daarom niet bij een werk van beeldende kunst
+de schepping van den kunstenaar vereenzelvigen met het stoffelijk
+voorwerp, waarin de schepping verwerkelijkt is. Zijne schepping is
+niet aan dat ééne voorwerp gebonden, evenmin als b.v. een muziekstuk
+aan ééne uitvoering. Doek en verf spelen in het werk van den schilder
+ongeveer een zelfde rol als de geluidstrillingen bij de uitvoering
+van een muziekwerk: zij zijn de middelen, waardoor het kunstwerk
+voor de zintuigen waarneembaar wordt gemaakt. Dat de eerste van
+meer blijvenden aard zijn dan de laatste is een gevolg hiervan,
+dat beeldende kunst en muziek zich tot verschillende zintuigen
+richten. Muziek, als rhythmisch-melodische kunst, kan alleen door het
+oor worden waargenomen en speelt zich daarom af in een bepaalden tijd;
+de werken van beeldende kunst daarentegen, die moeten worden gezien,
+hebben voor hunne verwerkelijking een voorwerp noodig, dat niet aan een
+bepaalden tijd is gebonden, maar dat zijne grenzen vindt in de ruimte.
+
+
+
+Object van het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar is--het
+zal wel nauwelijks behoeven te worden gezegd--niet het lichamelijke
+voorwerp, dat de schepping verwerkelijkt, maar de onlichamelijke
+schepping zelve. Om hiervan een goed denkbeeld te krijgen, moeten
+wij ons het kunstwerk denken ontdaan van de materieele hulpmiddelen
+die de kunstenaar heeft gebruikt om zijne conceptie aanschouwelijk te
+maken. "Wir müssen,"--zooals Kohler het uitdrukt--"von der concreten
+Darstellung abziehen einmal die äuszere Form (d. w. z. het procédé:
+krijtteekening, olieverf, aquarel enz. enz.) müssen uns daher
+vergegenwärtigen, was das gemeinsame ausmacht, wenn wir das Bild in
+verschiedenen Kunstformen wiedergeben" [414].
+
+Dat de schepping van den kunstenaar (dus het object van zijn
+recht) onafhankelijk is van een bepaald materieel voorwerp is
+het gemakkelijkst in te zien wanneer die schepping in denzelfden
+kunstvorm meerdere malen verwerkelijkt is, en wel in het bijzonder
+wanneer het aangewende procédé toelaat, dat meerdere exemplaren
+worden vervaardigd, die niet van elkander zijn te onderscheiden. Dit
+is b.v. het geval met etsen en houtsneden; elke afdruk die van het
+door den kunstenaar vervaardigde cliché is gemaakt, is eene even
+volmaakte verwerkelijking zijner schepping. In den laatsten tijd is
+men er ook in geslaagd zonder gebruikmaking van het oorspronkelijke
+cliché reproducties te maken van prenten van allerlei aard, die zóó
+getrouw het origineel weergeven, dat slechts door deskundigen het
+onderscheid kan worden gezien. Er zijn echter kunstwerken, waarvan
+het zeer moeilijk is eene reproductie te maken, die volkomen met
+het origineel overeenstemt. Van een schilderij b. v. kan men zich
+wel eene kopie denken, die, zoover ons waarnemingsvermogen gaat,
+in alle onderdeelen eene absolute gelijkenis met het gekopieerde
+vertoont; in de werkelijkheid bestaan zulke kopieën niet [415]. Doch
+dat de mogelijkheid in abstracto kan worden aangenomen, is ons hier
+genoeg. In de practijk, d. w. z. in de practijk van het auteursrecht,
+komt het er niet op aan, of men met eene gebrekkige kopie heeft te
+maken dan wel met de meest volmaakte, die zich denken laat.
+
+Behalve met reproducties in denzelfden of een soortgelijken kunstvorm
+hebben wij nu ook te doen met die in een anderen kunstvorm. Naar eene
+schilderij kan b.v. een ets, of eene houtsnede of eene krijtteekening
+worden gemaakt; eene aquarel kan door middel der chromo-lithographie
+worden gereproduceerd, enz. enz.; al deze reproducties of kopieën in
+andere kunstvormen zijn min of meer volmaakte en min of meer getrouwe
+verwerkelijkingen van de oorspronkelijke schepping.
+
+Het is nu allereerst noodig de geestelijke schepping van den beeldende
+kunstenaar, die het object uitmaakt van zijn auteursrecht, eenigszins
+nader te karakteriseeren.
+
+Het begrip "beeldende kunst" staat--er is reeds op gewezen--algemeen
+vast. In het bijzonder bestaat verschil van meening hierover, of tot
+de werken van beeldende kunst, die voorwerp zijn van auteursrecht,
+ook gerekend moeten worden: photographieën, werken der bouwkunst en
+de producten van kunstnijverheid of toegepaste kunst. Over deze drie
+categorieën van werken zal ik hieronder afzonderlijk nog spreken;
+ik laat ze daarom voorloopig buiten beschouwing en neem dus het woord
+beeldende kunst in de meer enge beteekenis, die daaraan ook gewoonlijk
+gegeven wordt.
+
+Nadat de grenzen van het gebied der beeldende kunsten hiermede
+eenigermate zijn uitgestippeld, kan van de kunstwerken, die hiertoe
+behooren, in het algemeen worden gezegd, dat zij zijn aesthetische
+scheppingen, welke door middel van lijnen, kleuren en vormen eene
+innerlijke voorstelling van den kunstenaar veraanschouwelijken.
+
+De grondslag--of zoo men wil: de inhoud--van elk werk van beeldende
+kunst is de innerlijke voorstelling van den kunstenaar. Waar deze
+ontbreekt, waar dus b.v. alleen kleuren en lijnen zijn te zien,
+die het oog aangenaam aandoen, maar die niet gezegd kunnen worden
+iets in beeld te brengen, daar heeft men ook niet met een werk van
+beeldende kunst te doen [416]. Kohler bedoelt waarschijnlijk niets
+anders, waar hij, met een wel wat groot woord, het werk van beeldende
+kunst karakteriseert als: "Darstellung einer Weltschöpfungsidee"
+[417]. Men zou ook, om eene meer eenvoudige uitdrukking te gebruiken,
+kunnen zeggen, dat een vereischte voor een werk van beeldende kunst
+is, dat het "iets voorstelt." De voorstelling, d. w. z. datgene
+wat de kunstenaar min of meer bewust voor den geest heeft gestaan,
+kan ontleend zijn aan wat hij in de werkelijkheid heeft gezien. Doch
+waar de beeldende kunstenaar naar tracht, is niet de werkelijkheid
+na te bootsen of eene nieuwe werkelijkheid te scheppen; zijn doel is
+eene aesthetische aandoening te bewerken door de veraanschouwelijking
+van zijne persoonlijke voorstelling van de werkelijkheid. Daarom is
+b.v. de voorstelling van eene kamer of van een woud op het tooneel
+geen werk van beeldende kunst [418]. Evenmin zijn als zoodanig te
+beschouwen de wassen poppen in een panopticum; immers de bedoeling
+hiervan is juist, dat zij zoo bedriegelijk mogelijk de werkelijkheid
+nabootsen. De grootste triomf voor den vervaardiger is het, als de
+poppen door den beschouwer voor echte menschen worden aangezien. Aan
+den beeldenden kunstenaar is echter elk streven, om zijn werk voor
+realiteit te laten doorgaan, vreemd.
+
+Aan den anderen kant moet de voorstelling van den kunstenaar, wil
+zijn werk aan het doel, nl. het wekken van aesthetische aandoeningen,
+beantwoorden, niet te zeer afwijken van hetgeen in de werkelijkheid
+is te zien. Hij kan natuurlijk wel zijne phantasie laten werken en
+zelfs iets in beeld brengen, dat zich zoo in werkelijkheid nooit zou
+kunnen voordoen; doch altijd moet het beeld bij den beschouwer de
+herinnering aan werkelijk geziene dingen wekken. Een schilderij of
+teekening, waarvan niemand kan zeggen "wat het voorstelt", is niet
+als werk van beeldende kunst te beschouwen.
+
+Geen vereischte is echter, dat het werk een zekeren graad van
+volmaaktheid vertoone. De meerdere of mindere kunstwaarde mag uit het
+oogpunt van het auteursrecht niet in aanmerking worden genomen. Dit
+is een regel, die ook voor geschriften en andere kunstwerken geldt,
+en die na hetgeen daarover reeds gezegd is wel geene nadere verklaring
+zal behoeven [419].
+
+Welke zijn nu de bestanddeelen, waaruit de schepping van den beeldenden
+kunstenaar, die aan bovengenoemde eischen voldoet, bestaat?
+
+Het motief of onderwerp kan hiertoe niet gerekend worden. Dit wordt
+niet door den kunstenaar geschapen, maar gevonden; en dat het niet
+aangaat, aan één persoon het monopolie op een bepaald onderwerp te
+geven (wat--zooals wij gezien hebben--in den tijd der privilegiën wel
+voorkwam) [420], zal nu wel nergens tegenspraak ontmoeten. Dit geldt
+niet alleen voor portretten, landschappen, stillevens enz. maar ook
+voor de zoogenaamde genre-stukken en afbeeldingen van geschiedkundige
+tafereelen, waarbij het tafereel op zich zelf eene--zij het ook geheel
+uiterlijke--beteekenis heeft [421].
+
+Het staat dus ieder vrij, zijn onderwerp te kiezen waar hij wil, ook al
+is het reeds door anderen vóór hem gebruikt. Het onderwerp is echter
+iets anders dan wat ik hierboven noemde de "innerlijke voorstelling"
+van den kunstenaar. Afgezien van de techniek en afgezien ook van
+de compositie zal hetzelfde onderwerp door twee schilders niet op
+dezelfde wijze behandeld worden.
+
+In deze verschilpunten openbaart zich de persoonlijkheid van elken
+kunstenaar. Hetzelfde landschap, hetzelfde menschen-gezicht zal bij
+den een een geheel andere innerlijke voorstelling wekken dan bij
+den ander en bijgevolg ook tot het scheppen van een ander kunstwerk
+leiden. Kohler spreekt te dien aanzien van "die individuelle Weise,
+in welcher der Künstler seinen Stoff idealisirt, in Idealweise
+gebildet hat" [422]. Dit kan natuurlijk op verschillende wijzen en
+door verschillende middelen worden bereikt; elke kunstenaar volgt
+hierin min of meer zijn eigen weg, al zal zijn werk op enkele punten
+verwantschap met dat van anderen toonen.
+
+Deze innerlijke voorstelling van den kunstenaar kan men den inhoud
+zijner schepping noemen. Zij is het "imaginäre Bild",--de "innerlijke
+visie" zou men hier zeggen--die in verschillende vormen aanschouwelijk
+kan worden gemaakt.
+
+De "vorm" is hier weer te onderscheiden in een innerlijken en een
+uiterlijken. Den innerlijken vorm zal men voornamelijk hebben te zoeken
+in wat gewoonlijk genoemd wordt de compositie, d.w.z. de wijze waarop
+de verschillende onderdeelen worden gerangschikt, op den voorgrond
+of op den achtergrond, in licht of in schaduw worden gezet, zóó dat
+zich daaruit één harmonisch geheel vormt. Hiertoe behoort ook in het
+bijzonder de begrenzing van het stuk [423]; zoo kan bij landschappen
+of zeegezichten de hoogte van de lucht in verhouding tot het geheel
+een belangrijke factor zijn; terwijl b.v. de bewegelijkheid van een
+menschengroep kan worden verhoogd, door de figuren, die zich aan de
+uiteinden bevinden, slechts voor de helft te doen zien, zoodat zij
+uit de lijst in het schilderij schijnen te stappen [424].
+
+Dat deze innerlijke vorm niet gelijk met de visie gegeven behoeft
+te zijn en dat deze laatste ook niet steeds aan één enkele wijze van
+compositie gebonden is, blijkt wel hieruit, dat kunstenaars dikwijls
+beginnen met schetsen of modellen, waarin nu eens deze, dan weer een
+andere vorm beproefd wordt, totdat eindelijk gevonden is wat voor de
+definitieve verwerkelijking passend wordt geacht.
+
+Ten slotte wordt dan aan het werk zijn uiterlijke vorm gegeven,
+d. w. z. het wordt in een bepaald procédé (olieverf, aquarel,
+crayon-teekening enz. enz.) uitgevoerd. De uiterlijke vorm is dus
+voornamelijk de techniek. Ook deze is een element van den scheppenden
+arbeid des kunstenaars; er komt niet alleen technische vaardigheid
+bij te pas, die ieder kan aanleeren. Dit geldt in het bijzonder voor
+de schilderkunst: het is dikwijls vooral de "manier van schilderen"
+waaraan de werken van een grooten meester zijn te herkennen. Doch
+ook in de behandeling van andere kunstvormen kan de kunstenaar zijne
+persoonlijkheid, zijn eigen stijl toonen. Men denke zich bij voorbeeld
+twee etsen naar dezelfde schilderij. Slechts zelden zal het voorkomen,
+dat men daartusschen niet belangrijke verschilpunten ontdekt, die
+natuurlijk alleen zijn te verklaren uit het verschil in werkwijze
+der twee kunstenaars.
+
+Als de drie hoofdbestanddeelen in de schepping van den beeldenden
+kunstenaar kunnen wij dus na het voorgaande beschouwen: de innerlijke
+voorstelling, de compositie en de technische uitvoering, die zich, wat
+hunne onderlinge verhouding aangaat, eenigszins laten vergelijken met:
+melodie, harmonie en instrumentatie in de muziek. De gevolgtrekkingen
+ten aanzien van het auteursrecht zijn geheel analoog aan die, welke ten
+opzichte der geschriften en muziekwerken gemaakt zijn. Ik meen dus, dat
+zonder verdere toelichting de volgende regels kunnen worden gesteld.
+
+Object van auteursrecht is--zooals altijd--alleen datgene, wat de
+schepping van den auteur uitmaakt. Bij volkomen oorspronkelijke
+werken heeft dus de auteur recht, niet alleen op den uiterlijken
+en innerlijken vorm, maar ook op den inhoud: de "innerlijke
+voorstelling". Wanneer deze door een ander wordt overgenomen, is dit
+een inbreuk op het auteursrecht; ook al verschijnt de voorstelling in
+een anderen kunstvorm. Het is dus b.v. niet geoorloofd een ets naar een
+schilderij te maken of eene staalgravure naar eene potloodteekening
+enz. enz.; dit is ook dán niet het geval, indien in de compositie
+wijzigingen zijn aangebracht.
+
+Aan den anderen kant komt aan den bewerker van den nieuwen innerlijken
+of uiterlijken vorm een eigen auteursrecht toe, onverschillig of
+het oorspronkelijke werk al dan niet beschermd is. Hiervoor geldt,
+wat boven over het recht van den vertaler en van den bewerker van
+muziekwerken is gezegd. Hij die eene ets maakt naar een schilderij kan
+dus verhinderen, dat die ets door anderen zonder zijne toestemming
+gereproduceerd wordt; niet echter dat van dezelfde schilderij een
+andere ets wordt gemaakt.
+
+Ten slotte moet ook hier in het oog worden gehouden, dat niet de
+abstracte vorm object van auteursrecht is, maar alleen de vorm in
+verband met een concreten inhoud. Niet verboden is daarom het navolgen
+van den stijl of de "manier" van een ander, voorzoover dit op nieuwe
+onderwerpen wordt toegepast.
+
+
+
+Het zou hier de plaats zijn om, evenals ik ten aanzien der hierboven
+behandelde categorieën auteursproducten gedaan heb, na de theoretische
+beschouwingen een blik te slaan op het bestaande recht in ons land,
+en, voorzoover de vergelijking van nut kan zijn, ook op dat in
+andere landen. Daar echter een auteursrecht op werken van beeldende
+kunst in ons land in het geheel niet bestaat, is natuurlijk eene
+bespreking van dezen aard hier uitgesloten. Wel zou als grondslag
+daarvan kunnen worden genomen het Wetsontwerp tot regeling van het
+auteursrecht op werken van beeldende kunst, dat indertijd door de
+Regeering is ingediend, doch daar dit reeds meer dan een kwart eeuw
+oud is, heeft het zijne beteekenis als toekomstige wet voor een
+groot deel verloren. Ik zie daarom van eene eenigszins uitvoerige
+bespreking ervan af [425], en bepaal mij tot eene enkele opmerking,
+die met mijne hierboven gehouden beschouwingen verband houdt. Deze
+opmerking geldt het vierde artikel van het Ontwerp, dat aldus luidt:
+
+
+ Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd,
+ op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door
+ eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht,
+ bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk
+ toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1
+ bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.
+
+
+Hier wordt dus erkend het recht van hem, die de schepping van een
+ander in een nieuwen kunstvorm weergeeft. Het blijkt echter, dat de
+voorstellers van het Ontwerp over dit recht in verschillende opzichten
+zich onjuiste voorstellingen hadden gevormd. Hierop wenschte ik nu
+in het volgende even te wijzen.
+
+In de eerste plaats kan hier eene opmerking worden herhaald, die
+reeds door Mr. Swart werd gemaakt, dat het nl. niet consequent is,
+waar het niet-oorspronkelijke werken betreft, ook de "mechanische
+bewerking" te beschermen, terwijl in art. 1 van het Ontwerp, waar
+het auteursrecht in het algemeen is omschreven, alleen van "werken
+van beeldende kunst" wordt gesproken. Het gevolg zou dus zijn,
+dat b.v. eene photographie van een schilderij wél, doch die van een
+natuurtafereel of van personen níet beschermd zou zijn. Een redelijke
+grond hiervoor is niet aan te wijzen [426].
+
+Een ander bezwaar is, dat de bescherming van art. 4 alleen wordt
+verleend, indien de reproductie "op wettige wijze" is gemaakt. Dit
+beteekent dus, dat door de vervaardiging geen inbreuk wordt gemaakt
+op het recht van den auteur van het origineel, hetzij omdat dit
+recht niet (meer) bestaat, hetzij omdat de rechthebbende toestemming
+heeft verleend aan den reproductor of aan dezen zijn recht op het
+oorspronkelijke werk heeft overgedragen. Er bestaat echter geen reden
+voor, om alleen de "wettige" reproductie te beschermen. Ik kan hier
+verwijzen naar hetgeen dienaangaande is opgemerkt bij de bespreking van
+het recht van den vertaler op zijne vertaling. De vertaler--is daar
+betoogd (p. 179)--heeft aanspraak op bescherming, onverschillig of
+zijne vertaling al dan niet "rechtmatig", d. w. z. niet in strijd met
+het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken schrijver,
+is. Hier hebben wij nu met een volkomen analoog geval te doen. Het
+recht op de reproductie moet onafhankelijk blijven van dat op het
+oorspronkelijke werk.
+
+Dat men deze beide rechten niet goed uit elkaar hield, blijkt ook uit
+de bepaling van art. 11 van het Ontwerp. Daar vindt men de bepaling,
+dat het recht van art. 4 (het recht dus van den reproductor op zijne
+reproductie) duurt: "tien jaren of zooveel langer als het auteursrecht
+op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft". Vooreerst
+is de bijzondere termijn van korten duur (het auteursrecht op
+oorspronkelijke werken duurt volgens het Ontwerp vijftig jaar) hier
+misplaatst. In de memorie van toelichting werd dit verdedigd met een
+beroep op eene analoge bepaling in de W. A. R. ten aanzien van het
+recht van de vertalers op hunne vertaling: "de duur van dit recht is
+echter hier op tien jaren en dus veel langer dan dat van den vertaler
+op zijne vertaling gesteld ... enz." [427]. Duidelijk blijkt hieruit,
+dat men het recht van den vertaler verwarde met het uitsluitend
+vertalingsrecht; immers alleen dit laatste wordt door de W. A. R. aan
+den korten termijn van vijf jaar gebonden. Doch eene verwarring van
+dezelfde soort blijkt ook uit de laatste zinsnede van art. 11, volgens
+welke het auteursrecht op de reproductie even lang duurt als dat op het
+oorspronkelijke kunstwerk. De bepaling is klaarblijkelijk gemaakt ter
+wille van den auteur van dit laatste, want er bestaat geen reden den
+navolger van een wél beschermd kunstwerk een langer recht te geven dan
+hem, die een niet-beschermd kunstwerk ter navolging heeft gekozen. De
+oorspronkelijke auteur heeft echter aan zijn eigen recht genoeg,
+daar dit hem ook tegen de reproductie van eene reproductie beschermt.
+
+
+
+
+§ 7 Kunstnijverheid, photographie en bouwkunst
+
+Reeds uit het feit, dat ik drie zulke heterogene zaken als met
+de hierboven geplaatste woorden worden aangeduid in één paragraaf
+tezamen behandel, zal voldoende blijken, dat ik mij niet voorstel
+eene diepgaande studie van elk van deze drie te leveren. Over elk
+dezer onderwerpen--en in het bijzonder over de kunstnijverheid--zou in
+verband met het auteursrecht zeker veel zijn te zeggen; ik heb echter
+om verschillende redenen hiervan afgezien. Men verwachte hier dus niet
+meer dan enkele korte opmerkingen, die ik ter wille der volledigheid
+niet achterwege meende te kunnen laten.
+
+Wat in de eerste plaats de kunstnijverheid betreft, hieronder
+meen ik in het algemeen te moeten verstaan: de vervaardiging van
+kunstvoorwerpen, die tevens tot practisch gebruik dienen.
+
+Men kan deze producten in twee hoofdgroepen verdeelen. Tot de eerste
+groep behooren die gebruiksvoorwerpen, waarop graphische of plastische
+afbeeldingen zijn aangebracht, zooals b.v. beschilderde paneelen,
+plafonds, schermen, lampenkappen, waaiers, meubelen, wapenen of andere
+voorwerpen die en relief voorstellingen dragen enz. enz. Voor deze
+categorie van producten zal moeten worden aangenomen, dat de werken van
+beeldende kunst, die er op zijn aangebracht, evengoed als alle andere
+beschermd dienen te zijn. Het materieele voorwerp is natuurlijk geen
+object van auteursrecht, evenmin als het doek of papier van schilderij
+of teekening; er is geen enkele reden aan te wijzen waarom hier niet
+van een "werk van beeldende kunst" zou kunnen worden gesproken, alleen
+omdat het materieele voorwerp, dat drager is van het kunstwerk, een
+ander karakter of andere eigenschappen heeft dan bij de zoogenaamde
+"zuivere kunstwerken" [428].
+
+De tweede groep wordt gevormd door die producten, die in hun geheel
+beschouwd de verwerkelijking zijn eener artistieke schepping. Deze
+werken kan men geen producten van beeldende kunst noemen, daar
+zij niets in beeld brengen. Zij missen een "geestelijken inhoud";
+hunne aesthetische waarde berust uitsluitend op de vormschoonheid,
+die mede bepaald wordt door het practische gebruik, waartoe
+zij bestemd zijn. Tot deze werken kunnen producten van overigens
+geheel verschillenden aard behooren, zooals b.v. meubelen, tapijten,
+handwerken, kant, vazen, lampen, gouden en zilveren luxe-voorwerpen,
+boekbanden, lettertypen, borden en schotels van porcelein en aardewerk
+enz. enz. Terwijl de producten van deze soort vroeger in de meeste
+landen als nijverheidsproducten tegen namaak beschermd waren, zoodat
+zij dus onder het gebied van den industrieelen eigendom vielen, is
+in de laatste jaren meer en meer een streven waar te nemen, om ze
+tot de kunstwerken en bijgevolg tot de voorwerpen van auteursrecht
+te rekenen. In beginsel kan m. i. hiertegen geen bezwaar zijn;
+ongetwijfeld kunnen ook deze werken de verwerkelijking zijn van
+oorspronkelijke aesthetische scheppingen, al zijn zij overigens niet
+met de eigenlijke kunstwerken op ééne lijn te stellen.
+
+In verschillende landen is op deze wijze het gebied van het
+auteursrecht ten koste van dat van den industrieelen eigendom in de
+laatste jaren uitgebreid (zoo o. a. in Duitschland door de wet van
+9 Jan. 1907; in Frankrijk door eene speciale wet van 11 Maart 1902;
+in Denemarken door een speciale wet van 28 Febr. 1903); het is er
+echter nog verre vandaan, dat de grens tusschen auteursrecht en
+industrieelen eigendom overal volgens dezelfde kenteekenen scherp
+getrokken kan worden [429].
+
+Voor ons land, waar nóch het een nóch het ander bestaat, is dit
+vraagstuk natuurlijk nog niet van practisch belang. Men kan echter
+aannemen, dat wanneer eerlang tot de invoering van auteursrecht
+op werken van beeldende kunst zal worden overgegaan, ook over
+bescherming der nijverheids- en toegepaste kunst zal gedacht worden,
+daar ook op dit gebied gemis van bescherming zich reeds sterk heeft
+doen gevoelen [430]. Of volgens het Ontw. B. K. dat in het algemeen
+spreekt van "werken van beeldende kunst" ook enkele producten van
+kunstnijverheid zouden vallen, is eene vraag, waarover getwist
+zou kunnen worden. M. i. zou men zich hierbij moeten houden aan de
+begripsbepaling, die ik hierboven van de werken van beeldende kunst
+heb trachten te geven. Doch in elk geval zal het gewenscht zijn,
+dat eene toekomstige wet zich over deze vraag duidelijker uitspreke.
+
+
+
+Ook ten aanzien der photographie heeft zich de vraag voorgedaan,
+of deze tot de beeldende kunsten is te rekenen en of dus hare
+producten onder de bescherming vallen, die de wet aan werken van
+beeldende kunst verleent. Ik geloof niet dat het eenig nut heeft,
+hier over deze vraag in beschouwingen te treden [431]. Iedereen zal
+het er wel over eens zijn, dat de photographie niet op eene lijn
+is te stellen met teeken-, schilder- en beeldhouwkunst; daarvoor
+is zij te weinig persoonlijk, te veel mechanisch. Een gedeelte van
+het werk wordt niet door den photograaf, maar door het toestel
+gedaan. Aan den anderen kant kan niet worden ontkend, dat met
+behulp der photographie afbeeldingen zijn te verkrijgen, die wat
+het aesthetisch effect betreft, dat ermede is bereikt, niet behoeven
+onder te doen voor menige teekening. Nu is het zeker waar, dat bij
+het photographeeren veel van toevallige omstandigheden kan afhangen,
+die geheel buiten den photograaf omgaan. Het is b.v. mogelijk, dat
+iemand, die nooit een toestel in handen heeft gehad, geheel en al
+"bij ongeluk", eene welgeslaagde opname doet. Zulke gevallen zijn
+echter uitzonderingen. In het algemeen kan worden aangenomen, dat
+de goede eigenschappen (uit aesthetisch oogpunt) eener photographie
+het werk zijn van den photograaf; daarom kan ook hier m. i. met het
+volste recht gesproken worden van eene aesthetische schepping. En
+waar de photographie overigens met de beeldende kunsten gemeen heeft,
+dat zij blootstaat aan ongeoorloofde exploitatie door anderen, daar
+bestaat er alle reden om ook den photograaf evenals den beeldenden
+kunstenaar het auteursrecht op zijne schepping te verleenen.
+
+In de meeste landen wordt dit ook aldus opgevat. De photographieën
+worden in de wet op het auteursrecht met name onder de beschermde
+producten genoemd; zij worden echter met de kunstwerken in engeren zin
+niet volkomen op ééne lijn gesteld, hetgeen dan voornamelijk hieruit
+blijkt, dat het auteursrecht op photographieën veel korter duurt dan
+dat op andere werken. Zoo hebben Duitschland, Oostenrijk en Japan
+voor dit recht een termijn van tien jaar; Denemarken, Noorwegen,
+Zweden en Zwitserland een van slechts vijf jaar na de vervaardiging
+of het eerste verschijnen.
+
+
+
+De bouwkunst wordt al van ouds tot de schoone kunsten gerekend. Zij
+heeft echter dit met de kunstnijverheid gemeen, dat hare werken
+niet een zuiver aesthetisch karakter hebben, maar ook, en dikwijls
+wel voornamelijk, tot practisch gebruik moeten dienen. Dit is zeker
+een van de voornaamste redenen, waarom de werken der bouwkunst nog
+niet algemeen tot de beschermde auteursproducten worden gerekend. Een
+afdoende reden is dit m. i. echter niet. Het moge waar zijn, dat men
+bij vele bouwwerken vergeefs zoekt naar eene origineele aesthetische
+schepping, waarvan zij de belichaming zouden zijn; men kan zelfs
+toegeven, dat bij het bouwen van verreweg de meeste woningen vrijwel
+uitsluitend met de practische eischen, waaraan het huis moet voldoen,
+rekening wordt gehouden en de schoonheid van het geheel slechts in
+de laatste plaats in aanmerking komt; dit is nog geen reden om nu
+ook aan de, zeer zeker ook bestaande, werken der bouwkunst, welke wél
+de verwerkelijking eener aesthetische schepping zijn, de bescherming
+van het auteursrecht te onthouden.
+
+Er is ook nog tegen een auteursrecht op werken der bouwkunst het
+argument aangevoerd, dat eene dergelijke bescherming niet noodig was,
+daar de bouwkundigen tegen reproductie hunner werken, voorzoover deze
+mogelijk is, reeds voldoende bescherming vonden in het auteursrecht
+op de bouwkundige teekeningen. Doch ook dit is niet juist. Het
+auteursrecht op de bouwkundige teekeningen (die behooren tot de
+"technische en wetenschappelijke kaarten en platen" waarover hierboven
+in § 3 is gesproken) heeft alleen betrekking op de reproductie dier
+teekeningen zelf. Alleen de vorm en niet de inhoud (d. i. dus hier:
+de schepping van den bouwmeester) is object van het auteursrecht
+[432]. De bouwkundige teekening is niet de verwerkelijking van het
+bouwwerk; zij bevat slechts de aanwijzingen, die tot de verwerkelijking
+in staat stellen. Het onderscheid tusschen auteursrecht op bouwkundige
+teekeningen en dat op de bouwkundige werken zelf bestaat dus hierin,
+dat het laatste de uitsluitende bevoegdheid geeft tot reproductie
+of verwerkelijking in alle vormen; niet alleen het uitsluitend
+reproductie-recht van de teekeningen, maar ook het recht, het gebouw
+naar de teekeningen uit te voeren, en tevens het eenmaal uitgevoerde
+gebouw weer op andere wijze, b.v. door photographie, te reproduceeren.
+
+Zooals gezegd vindt dit recht nog geen algemeene erkenning, al kan
+worden opgemerkt, dat de bedenkingen, die er vroeger tegen werden
+gemaakt, minder beginnen te worden. Bouwkundige werken worden met
+name onder de auteursproducten genoemd in de wetten van: Duitschland
+(art. 2 wet v. 7 Jan. 1907, doch slechts voorzoover zij met een
+artistiek doel zijn vervaardigd), Frankrijk (wet van 11 Maart 1902
+[433] en Luxemburg (art. 1). Ook in Zwitserland vallen de bouwwerken,
+voorzoover zij als kunstwerken zijn te beschouwen, onder de bescherming
+der wet (wet v. 23 April 1883 artt. 1 en 11 no. 8). In België bestaat
+het recht volgens eene vaste jurisprudentie [434]; in Spanje en Italië
+is het twijfelachtig [435].
+
+Wat ten slotte ons Ontw. B. K. betreft, daarin worden de werken der
+bouwkunst uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV
+
+OMVANG EN DUUR
+
+
+§ 1 Omvang
+
+Het auteursrecht is in een voorafgaand hoofdstuk gekenschetst als
+een vermogensrecht, dat tot object heeft een onlichamelijk goed,
+nl. de geestelijke schepping van den schrijver of kunstenaar. Dit
+sluit--zooals daarbij reeds werd opgemerkt--het beginsel in, dat den
+auteur de uitsluitende beschikking toekomt over het werk naar de
+economische bestemming daarvan d. w. z. voorzoover het zich leent
+tot exploitatie in het maatschappelijk verkeer. De inhoud van het
+recht wordt dus bepaald door de verschillende wijzen van exploitatie
+waartoe het geestesproduct zich leent.
+
+In het algemeen kan de exploitatie van een geschrift of kunstwerk
+op twee verschillende wijzen geschieden. In de eerste plaats door
+het vervaardigen en in den handel brengen van voorwerpen, waarin het
+geestesproduct is belichaamd; hiertoe behooren de door den druk of op
+andere wijze verkregen exemplaren van geschriften, muziekwerken, werken
+van beeldende kunst, photographieën en werken der kunstnijverheid;
+ook zou men er toe kunnen rekenen de rollen of schijven van phonografen
+en andere mechanische muziekinstrumenten en voorts het gebouw, in den
+materieelen zin van het woord, als verwezenlijking van de geestelijke
+schepping van den bouwkundige.
+
+In de tweede plaats kan de exploitatie geschieden door vertooningen,
+uit- en opvoeringen enz. waar dus niet door voorwerpen van min of meer
+blijvenden aard, maar door handelingen of mechanische werkingen, het
+geestesproduct voor een bepaalden tijd aanschouwelijk wordt gemaakt
+voor het publiek. Hiertoe behooren: op- en uitvoeringen van tooneel-
+en muziekstukken en van balletten en pantomimes, voordrachten van
+proza of poëzie; vertooningen van lichtbeelden en voorstellingen van
+kinematograaf en phonograaf.
+
+Hieronder zullen elk dezer exploitatie-wijzen voor zooveel
+noodig afzonderlijk worden besproken, om de grenzen van de uit het
+auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden naar alle zijden te kunnen
+vaststellen. Hierbij zij er nog aan herinnerd, dat voorzoover reeds in
+het vorige hoofdstuk de omvang van het auteursrecht op de verschillende
+werken van kunst en letterkunde eenigermate is afgebakend, dit
+uitsluitend eene begrenzing van het recht betrof naar zijn object. Dat
+b.v. den auteur in sommige gevallen een uitsluitend vertalingsrecht
+of een uitsluitend bewerkingsrecht toekomt, beteekent alleen, dat
+hetgeen in de vertaling of bewerking uit zijn werk is overgenomen,
+evengoed als het werk zelf in zijne oorspronkelijke gedaante, voorwerp
+van zijn uitsluitend exploitatie-recht is. Men vindt dikwijls, ook
+in wetenschappelijke verhandelingen, vertalingsrecht in een adem
+genoemd met opvoeringsrecht, die dan als "bijzondere" of "afgeleide"
+rechten worden gesteld tegenover het eigenlijke auteursrecht
+(kopierecht). Hiermede wordt echter geen juist beeld gegeven van de
+verhouding der verschillende bevoegdheden. In wezen is het auteursrecht
+iets anders dan kopierecht plus eenige andere, daarmede min of meer
+in verband staande rechten; evenzoo als b.v. grondeigendom iets
+anders is dan het uitsluitend recht om te zaaien te planten en te
+oogsten met nog enkele bijkomende rechten als: hout sprokkelen,
+zich het wild toeëigenen, aan anderen den toegang verbieden,
+enz. enz. Evenals in eigendom hebben wij in auteursrecht te zien een
+uitsluitend beschikkingsrecht op een bepaald goed; de verschillende
+bevoegdheden welke den auteur toekomen worden bepaald, deels door den
+omvang van het goed, deels door de economische bestemming daarvan. Om
+die bevoegdheden te kennen zijn dus twee vragen te beantwoorden:
+1o. waarop heeft de auteur recht, d. w. z. wat is het voorwerp van
+zijn recht? en 2o. waarin bestaat zijn recht, welke handelingen met
+betrekking tot zijn werk zijn hem uitsluitend voorbehouden?
+
+De eerste vraag is in het voorafgaande hoofdstuk behandeld;
+daar moesten dus ook vertalingsrecht en bewerkingsrecht worden
+besproken, doch deze rechten werden niet verder gedefinieerd dan als
+uitsluitende exploitatie-rechten. Op welke wijze en met welke middelen
+de exploitatie kon plaats hebben werd in het midden gelaten, daar dit
+betrekking heeft op de tweede vraag, die pas in dit hoofdstuk aan de
+orde is gesteld.
+
+De verhouding tusschen vertalingsrecht en bewerkingsrecht eenerzijds
+en kopierecht, op- en uitvoeringsrecht enz. anderzijds zal nu
+duidelijk zijn. De eersten zien op het voorwerp, de tweeden op den
+inhoud van het auteursrecht. Het behoeft nu ook geen nader betoog,
+dat wat hieronder van de verschillende exploitatiewijzen zal worden
+gezegd, niet alleen betrekking heeft op de exploitatie van een werk
+in zijne oorspronkelijke gedaante, maar ook op die van de vertaling
+of bewerking. Indien b.v. gezegd wordt, dat de componist van een
+muziekstuk zoowel kopierecht heeft als uitvoeringsrecht, dan sluit dit,
+na wat hierboven over het muzikale bewerkingsrecht is gezegd, in zich,
+dat b.v. ook de openbare uitvoering van een piano-uittreksel inbreuk
+op het auteursrecht uitmaakt. En indien de bewerking op andere wijze
+geëxploiteerd kan worden dan het oorspronkelijke werk, dan zal ook het
+bewerkingsrecht van den auteur deze wijze van exploitatie omvatten. Zoo
+is het b.v. mogelijk, dat de schrijver van een roman een uitsluitend
+opvoeringsrecht kan doen gelden [436], daar de opvoering zonder zijne
+toestemming van eene tooneelbewerking van zijn roman een inbreuk op
+zijn auteursrecht uitmaakt.
+
+Ik ga thans over tot eene afzonderlijke bespreking der verschillende
+exploitatie-middelen.
+
+
+
+
+I Het door den druk gemeen maken van geschriften en muziekwerken
+
+De meest gewone vorm van exploitatie van geschriften en muziekwerken
+is die door middel van den druk; het uitsluitend recht dat hierop
+betrekking heeft is ook het eerst van alle auteursrechtelijke
+bevoegdheden erkend; ik behoef er slechts aan te herinneren, dat de
+uitvinding der boekdrukkunst de directe aanleiding is geweest voor
+het ontstaan van het auteursrecht.
+
+Wat van het auteursrecht in het algemeen nog niet gezegd kan worden,
+geldt wél voor dit bijzondere recht: het is, na de lange jaren
+van ontwikkeling, die het achter zich heeft, in alle beschaafde
+staten volkomen ingeburgerd; zijne grenzen hebben eene mate
+van standvastigheid gekregen, die op het overige gebied van het
+auteursrecht nog dikwijls ontbreekt. Dit is ook de reden, waarom ik er
+slechts een oogenblik bij zal stilstaan; belangrijke vragen, waarover
+ernstig verschil van meening kan bestaan, zijn hier niet te behandelen.
+
+Het "recht om uitsluitend door den druk gemeen te maken", zooals
+onze wet het aanduidt, omvat in het algemeen al die handelingen,
+welke aangemerkt kunnen worden als een daad van exploitatie van
+het geschrift of muziekwerk door middel van den druk. Wie een van
+deze handelingen pleegt zonder toestemming van den rechthebbende,
+maakt inbreuk op het auteursrecht. Niet alleen dus hij, die zonder
+toestemming gedrukte exemplaren vervaardigt, maar ook degeen, die
+deze exemplaren aan den man brengt, ze met dat doel uitstalt of in
+voorraad houdt. Ook het gratis verspreiden van exemplaren behoort
+hiertoe, voorzoover dit buiten den engen kring van huisgenooten of
+vrienden plaats heeft, b.v. ten dienste der reclame. Eveneens zou
+men ertoe kunnen rekenen het verhuren en uitleenen van exemplaren,
+wanneer dit stelselmatig en in het groot geschiedt, niet b.v. onder
+kennissen en vrienden. De Duitsche wet laat uitdrukkelijk het
+"Verleihen" vrij (Urheberrechtsgesetz § 11 eerste lid); dit slaat
+volgens Kohler alleen op eene "unentgeltliche Gebrauchsüberlassung"
+[437]; het verhuren zou dus ook in Duitschland verboden zijn.
+
+Het vervaardigen van exemplaren is overigens alleen dán als eene daad
+van exploitatie aan te merken, wanneer het geschiedt met het doel ze
+onder het publiek te brengen [438]. Het is dus geen inbreuk op het
+auteursrecht een boek te drukken alleen ten gebruike voor zich en
+zijne huisgenooten of als typographische oefening; wél echter indien
+de gedrukte exemplaren, al worden ze zelf niet onder het publiek
+verspreid, moeten dienen voor eene openbare op- of uitvoering.
+
+Als algemeenen regel kan men ten slotte aannemen, dat wanneer een
+door of vanwege den rechthebbende op het auteursrecht vervaardigd
+exemplaar eenmaal de bestemming, die men met de exploitatie voorhad,
+heeft bereikt, m. a. w. wanneer het een kooper heeft gevonden, door
+verdere verspreiding ervan geen inbreuk meer op het auteursrecht wordt
+gepleegd [439]. Vandaar b.v. dat voor den handel in tweedehands-boeken
+de toestemming van den auteur niet gevraagd behoeft te worden. Ook
+wordt b.v. geen inbreuk op het auteursrecht gepleegd door hem,
+die ongebonden exemplaren opkoopt en deze gebonden, als ware het een
+nieuwe uitgave, in den handel brengt. Dit laatste werd ten aanzien van
+de werken van Kipling door het Hof van Appel van New York uitgemaakt
+[440].
+
+
+
+
+II Het maken van afschriften
+
+In het voorgaande was alleen sprake van reproductie door den
+druk. Hieronder is niet alleen te verstaan de gewone boekdruk
+met losse lettertypen, maar ook elk ander procédé, waardoor langs
+mechanischen weg letter- of notenschrift gereproduceerd kan worden,
+b.v. lithographie, hectographie, photographie enz. Dit werd ten aanzien
+van onze wet nog uitdrukkelijk in de memorie van antwoord opgemerkt;
+de bijvoeging, die in art. 1 van de wet van 1817 voorkwam: "met of
+zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere tusschenkomende kunst",
+werd overbodig geacht.
+
+Het maken van afschriften is echter volgens onze wet geoorloofd. Men
+achtte het onnoodig dit te verbieden: "slechts die ongeoorloofde
+vermenigvuldiging van het werk, welke door mechanisch afdrukken, in
+hoedanigen vorm dan ook, verkregen wordt, is in staat, den auteur een
+vermogensnadeel toe te brengen van genoegzame beteekenis om door de
+wet te worden gekeerd" [441]. Zoo oordeelde onze wetgever. Men zou
+hiertegen in de eerste plaats kunnen opmerken, dat het meerdere of
+mindere vermogensnadeel, dat door de handeling wordt toegebracht,
+niet het eenige is wat hier in aanmerking moet worden genomen. Al
+is het auteursrecht een vermogensrecht, daarom behoeft het nog niet
+alleen op die handelingen betrekking te hebben, waarmede uitsluitend
+geldelijke belangen zijn gemoeid. Doch bovendien is het niet waar,
+dat door het afschrijven zonder toestemming van den auteur, aan dezen
+geen noemenswaardige schade kan worden toegebracht. Het maken van
+afschriften behoort volstrekt niet tot de groote zeldzaamheden. Volgens
+Rosmini [442] is het voor tooneel- en muziekstukken zelfs de meest
+gebruikelijke reproductiewijze; hierbij wordt dan meestal van elke
+rol of elke partij een afzonderlijk afschrift gemaakt ten dienste der
+tooneelspelers of orkestleden. Dit levert boven het laten drukken
+het voordeel op, dat de auteur nog in de gelegenheid blijft na de
+repetities wijzigingen in het werk aan te brengen. Over het zonder
+toestemming van den auteur maken en verspreiden van afschriften,
+laat Rosmini zich dan als volgt uit: "Mais si un tiers reproduit en
+manuscrit l'oeuvre musicale ou des morceaux détachés, ou des réductions
+pour divers instruments, pour louer ou débiter ces copies, celles-ci
+non seulement présentent tous les caractères de la contrefaçon,
+frappée par les expressions générales de la loi dans toute son étendue,
+mais elles constituent, de tous les procédés de reproduction le plus
+grave, le plus préjudiciable à l'auteur." Om deze meening te staven,
+wijst Rosmini er op, dat het afschrijven (voornamelijk van muziek)
+goedkooper is dan de reproductie door lithographie of een ander procédé
+van dien aard, terwijl het bovendien meer in stilte kan geschieden
+en dus moeilijker is te ontdekken. En verder: "... le vendeur de
+copies exerce une concurrence plus étendue et plus fatale, parce qu'il
+s'adresse, avec ses longs catalogues, aux entrepeneurs, aux directeurs
+de spectacles, aux sociétés philharmoniques, etc., en présentant
+sa marchandise sous une forme plus commode; de cette façon, il s'
+approprie, en l'écartant de l'auteur et de ses ayants cause, toute la
+clientèle des acheteurs." Ook in andere landen dan Italië (waarop de
+aangehaalde mededeelingen van Rosmini voornamelijk betrekking hebben)
+wordt door de onbevoegde exploitatie door middel van afschriften
+dikwijls belangrijke schade aan de auteurs toegebracht. In Frankrijk
+b.v. is het herhaaldelijk voorgekomen, dat van orkest-partituren
+zonder toestemming van den auteur afschriften werden gemaakt, die dan
+door schouwburg-ondernemingen aan elkander in huur werden afgestaan
+[443]. Hetzelfde geschiedde ook dikwijls met tooneelstukken [444]. In
+Zwitserland, waar het maken van afschriften door de wet is verboden,
+kwam het toch een aantal jaren geleden zóó veelvuldig voor--hier
+waren het vooral vereenigingen van koorzang die er zich aan schuldig
+maakten--dat door de auteurs daartegen eene waarschuwing moest worden
+gepubliceerd, waarin gedreigd werd met rechterlijke vervolging [445].
+
+Uit dit alles blijkt m. i. wel, dat de afschrijvers niet zoo
+onschadelijk zijn voor de auteurs als onze wetgever indertijd meende
+en dat er alle reden voor bestaat ook deze wijze van verveelvoudiging
+naast die door middel van den druk den auteur uitsluitend voor te
+behouden. De meeste wetten zijn op dit punt minder onvolledig dan de
+onze; sommige verbieden uitdrukkelijk het maken van afschriften zonder
+toestemming van den auteur (zoo Italië wet v. 19 Sept. 1882 art. 32,
+Noorwegen wet v. 4 Juli 1893 art. 1); andere spreken eenvoudig van
+reproductie onverschillig op welke wijze deze geschiedt, zoodat
+daaronder ook het afschrijven begrepen is (b.v. Duitsche wet van 19
+Juni 1901 § 15, waar ook nog bepaald staat, dat het geen onderscheid
+maakt of er één dan wel meerdere exemplaren vervaardigd worden;
+verder: o. a. Frankrijk, België, Zwitserland en Spanje).
+
+
+
+
+III Vervaardiging en verspreiding van mechanische muziek-instrumenten
+en phonografen
+
+Voor muziekwerken bestaat een exploitatiemiddel, dat sinds enkele
+jaren eene groote beteekenis heeft gekregen, nl. de vervaardiging
+van instrumenten, die muziekstukken automatisch weergeven. Nog
+betrekkelijk kort geleden waren als zoodanig alleen bekend de
+Zwitsersche speeldoozen en straatorgels d. w. z. instrumenten, die door
+hun bouw en inrichting slechts berekend waren op het weergeven van een
+of meer bepaalde muziekstukjes van kleinen omvang. Het vervaardigen
+en verspreiden van deze instrumenten was daarom niet te noemen eene
+exploitatie van de werken der componisten; in elk geval was het
+niet eene exploitatie van groote beteekenis. De speeldoozen werden
+meer als curiositeiten gekocht dan wel terwille van het muzikale
+genot, dat zij verschaften; en wat de draaiorgels betreft, deze deden
+misschien concurrentie aan straatmuzikanten, doch niet aan componisten
+of muziek-uitgevers.
+
+Het is verklaarbaar, dat men in het vervaardigen en verspreiden van
+deze instrumenten geen inbreuk op het auteursrecht der componisten
+zag. In de oudere wetten op het auteursrecht wordt òf hierover in het
+geheel niet gesproken, òf men vindt er de bepaling, dat het gebruik
+van muziekstukken voor dit doel vrij wordt gelaten (Frankrijk wet
+van 16 Mei 1866; Zwitserland wet van 23 April 1883 art. 11; Berner
+Conventie van 1886, Slotprotocol no. 3). Het was vooral in Zwitserland,
+het land waar de meeste speeldoozen vervaardigd werden, dat voor
+de bestendiging van het vrij gebruik van muziekstukken ten bate van
+deze industrie werd geijverd. De bovengenoemde Fransche wet van 1866
+was uitsluitend op aandrang van Zwitserland tot stand gekomen, omdat
+laatstgenoemd land slechts dan van een tractaat tot bescherming van
+het auteursrecht met Frankrijk wilde weten, indien het de zekerheid
+verkreeg, dat de Zwitsersche speeldoozen aldaar vrij zouden kunnen
+worden ingevoerd. Ook het opnemen der bepaling in de Berner Conventie
+was te danken geweest aan de bemoeiingen van Zwitserland.
+
+Door toepassing van verschillende uitvindingen is nu in de laatste
+jaren de verhouding der fabrikanten van mechanische muziekinstrumenten
+tot de auteurs van muziekstukken eene geheel andere geworden. Men
+vond middelen om de van uitstekende puntjes voorziene rollen, die
+bij de oude muziekdoozen een geheel uitmaakten met het instrument, te
+vervangen door afneembare cylinders, die over een gladde rol geschoven
+konden worden. Hierdoor werd het dus mogelijk meerdere stukken door
+hetzelfde instrument ten gehoore te doen brengen. Van nog meer gewicht
+was de uitvinding, die het mogelijk maakte, in plaats van cylinders,
+metalen of kartonnen platen te gebruiken, die niet van uitstekende
+puntjes, maar van insnijdingen zijn voorzien, waardoor zij in vele
+exemplaren tegelijk vervaardigd kunnen worden. Ook aan de instrumenten
+zelf werden allerlei verbeteringen aangebracht, zoodat zij meer en meer
+ook aan eischen van muzikalen aard zijn gaan beantwoorden. Behalve de
+eigenlijke muziekinstrumenten, die in de laatste twintig of dertig
+jaar in den handel zijn gebracht, zooals aristons, symphonions,
+orchestrions, phonola's, pianista's, pianola's enz. enz., heeft men
+ook nog gekregen de phonografen en grammophonen, die niet alleen
+instrumentale muziek, maar ook zangstukken, voordrachten, fragmenten
+van tooneelstukken enz. ten gehoore brengen.
+
+Dat de verspreiding van al deze instrumenten, of liever van de rollen
+of platen met behulp waarvan zij bepaalde stukken weergeven, eene
+exploitatie is van het werk der auteurs, die zonder de toestemming
+van deze laatsten volgens de algemeene beginselen van het auteursrecht
+verboden moest zijn, kan moeilijk worden ontkend. Men behoeft slechts
+een catalogus in te zien van een grammophoon- of pianola-fabriek
+b.v. om tot de overtuiging te komen, dat bijna geen muziekstuk van
+eenige bekendheid ongebruikt wordt gelaten. Zonder overdrijving kan
+worden gezegd, dat in sommige landen de verkoop van deze rollen en
+platen reeds van meer belang is dan die van gedrukte muziek. In de
+Vereenigde Staten b.v. heeft zich eenige jaren geleden een syndicaat
+gevormd van de bij deze industrie betrokken fabrikanten, welke tezamen
+over een kapitaal van meer dan honderd millioen dollars hadden te
+beschikken [446].
+
+Doch juist het feit, dat bij deze exploitatie zulke aanzienlijke
+geldelijke belangen zijn gemoeid, heeft in sommige landen de
+toepassing van de juiste beginselen van het auteursrecht op dit punt
+eenigermate tegengehouden. Want terwijl aan den eenen kant componisten
+en muziek-uitgevers zich beklaagden over het groote nadeel dat hun
+werd aangedaan door het vrije gebruik dat van hunne muziekstukken
+wordt gemaakt, werd aan den anderen kant door de fabrikanten van
+muziekinstrumenten en phonografen aangevoerd, dat zij de concurrentie
+met andere landen niet zouden kunnen volhouden, indien zij het
+auteursrecht der componisten zouden hebben te eerbiedigen. Ter
+bescherming der nationale industrie wilden daarom enkele staten
+aan de in beginsel rechtmatig geachte klachten der componisten en
+muziek-uitgevers niet voldoen, zoolang de zekerheid niet bestond,
+dat in andere landen hetzelfde zou worden gedaan. In Duitschland
+b.v. is bij de laatste herziening van de wet op het auteursrecht van
+geschriften en muziekwerken eene bepaling opgenomen, die slechts in
+beperkte mate het auteursrecht der componisten met betrekking tot de
+mechanische muziekinstrumenten erkent (§ 22); doch tegelijk met deze
+bepaling nam de Rijksdag eene motie aan, waarin aan de Regeering werd
+verzocht in overleg te treden met de andere mogendheden, die deel
+uitmaken van het internationaal Verbond, ten einde tot een volledige
+bescherming der auteurs op dit punt te komen. In Oostenrijk ging
+men nog verder: daar werd in 1895 eene nieuwe bepaling in de wet op
+het auteursrecht opgenomen, die het gebruik van muziekstukken voor
+mechanische instrumenten volkomen vrijlaat; in de uiteenzetting
+der motieven werd deze bepaling aangeprezen als een middel om de
+Oostenrijksche industrie van muziekinstrumenten te steunen in de
+concurrentie met de buitenlandsche.
+
+Ik heb gemeend, de vermelding van deze feiten niet achterwege te moeten
+laten, omdat daarin m. i. voor een groot deel de verklaring is te
+vinden van de gebrekkige bescherming, die den auteurs over het algemeen
+nog tegen deze nieuwe exploitatie hunner werken wordt verleend. Dat
+in beginsel het uitsluitend exploitatierecht der auteurs ook in dit
+opzicht volledige erkenning verdient, schijnt vrij algemeen te worden
+toegegeven; dit blijkt ook wel uit de jurisprudentie in verschillende
+landen, die in de meeste gevallen de bestaande wetsbepalingen zooveel
+mogelijk ten gunste der auteurs uitlegt [447]. Doch wat de eenige
+afdoende maatregel zou zijn om aan de bestaande misbruiken een
+einde te maken nl. eene stellige bepaling in de wet, die het recht
+der auteurs buiten twijfel stelt; daartoe heeft tot nu toe nog geen
+enkele staat willen overgaan. Nu echter op de Conferentie van Berlijn
+van 1908 eene bepaling in de internationale Conventie is opgenomen,
+die de bescherming der auteurs in dit opzicht, althans binnen zekere
+grenzen, verplichtend stelt, is het te verwachten, dat aan dezen
+toestand spoedig een einde zal komen.
+
+
+
+De vraag, of volgens onze wet op het auteursrecht het gebruik van
+muziekstukken en geschriften voor de vervaardiging van rollen of
+platen van muziekinstrumenten en phonografen zonder toestemming van
+den auteur verboden is, zal men ontkennend moeten beantwoorden. Het
+vervaardigen en verspreiden van deze rollen of platen kan men moeilijk
+noemen een "door den druk gemeen maken", al worden misschien bij de
+verveelvoudiging ervan procédé's gevolgd, die groote verwantschap
+met den druk vertoonen.
+
+Volgens de algemeene beginselen echter, die bij de voorbereiding der
+wet werden gevolgd, moesten de auteurs ongetwijfeld tegen dit gebruik
+hunner werken beschermd zijn. "Wat is het wezen van het regt dat
+men aan de auteurs toekent?" wordt in de M. v. T. onzer wet (p. 2)
+gevraagd. En als antwoord wordt gegeven: "Het is de uitsluitende
+bevoegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek. Indien nu
+een werk zich tot verschillende soorten van reproductie leent, moet
+op alle, voor zoover zij inderdaad van beteekenis zijn, worden acht
+geslagen. Al die soorten van reproductie geven toch eerst te zamen
+de materiele waarde aan van het werk." Men kan aannemen, dat voor
+de reproductie, waarover ik hier spreek, geene uitzondering zou zijn
+gemaakt, indien zij toen reeds--wat nu ongetwijfeld het geval is--had
+behoord tot diegene, welke "inderdaad van beteekenis zijn". Had men
+het in het voorloopig verslag (p. 5) geopperde voorstel gevolgd, om
+in plaats van: "door den druk gemeen te maken" in de wet te lezen:
+"langs mechanischen weg te vermenigvuldigen en in den handel te
+brengen" of: "door den druk of op andere wijze gemeen te maken",
+dan zou de bedoelde bescherming nu reeds in ons land bestaan. Men
+achtte echter--met het oog op de reproductiemiddelen van dien tijd--de
+oorspronkelijk gekozen uitdrukking voldoende, en het gevolg hiervan
+is, dat thans slechts door eene wetswijziging de toepassing van het
+juiste beginsel op dit punt zal kunnen worden verzekerd.
+
+
+
+
+IV Reproductie door den kinematograaf
+
+Een ander reproductiemiddel, dat eerst in den jongsten tijd in
+toepassing is gebracht, is de kinematograaf. Er is reeds gesproken
+over de pantomimes of dramaatjes, die aan de kinematograaf hun
+ontstaan te danken hebben. Hier hebben wij uitsluitend te maken
+met den kinematograaf als reproductie-middel. De vraag is dus, of
+de vervaardiging van kinematographische afbeeldingen van balletten,
+pantomimes of tooneelstukken als exploitatie van die werken en dus,
+indien het zonder toestemming van den auteur geschiedt, als inbreuk
+op diens recht is te beschouwen. M. i. bestaat er geen reden, deze
+vraag in ontkennenden zin te beantwoorden. In de meeste gevallen
+zal de kinematographische reproductie worden gemaakt met het doel
+de films te gebruiken voor openbare vertooningen in zoogenaamde
+bioscope-theaters. Hierin is ongetwijfeld eene exploitatie van de
+gereproduceerde werken te zien en wel eene die hoe langer hoe meer
+algemeen begint te worden. Doch ook afgezien van openbare vertooningen
+(waarop ik hieronder bij de bespreking van op- en uitvoeringsrecht
+nog terugkom) meen ik, dat in het vervaardigen en verspreiden van
+de films reeds alle kenmerken eener exploitatie zijn gelegen. De
+ondernemers van bioscope-voorstellingen behoeven volstrekt niet de
+eenige koopers der kinematographische films te zijn. Met betrekkelijk
+weinig kosten kan men zich tegenwoordig toestelletjes aanschaffen,
+die de kinematographische beelden op de vereischte wijze projecteeren;
+waardoor men dus in staat wordt gesteld alle mogelijke pantomimes,
+balletten enz. in den huiselijken kring te vertoonen. Deze toepassing
+van den kinematograaf is--het moet worden toegegeven--tot nu toe nog
+weinig algemeen, doch de voorspelling is m. i. niet te gewaagd, dat
+zij dit in de eerstkomende jaren meer en meer zal worden. Men bedenke,
+binnen hoe korten tijd de phonograaf zich eene plaats in bijna ieder
+huis heeft veroverd!
+
+Hoewel het uitsluitend reproductie-recht van tooneelstukken en
+pantomimes door middel van den kinematograaf nog in geen enkele
+wet uitdrukkelijk den auteurs wordt toegekend (wél in de herziene
+Berner Conventie art. 14), heeft het toch reeds in enkele gevallen
+voor den rechter erkenning gevonden. Zoo o.a. in een vonnis van de
+Seine-rechtbank van 7 Juli 1908, waarvan een der overwegingen luidt:
+"Attendu que la bande cinématographique, ou film, sur laquelle sont
+reproduites à l'aide d'une succession de photographies les diverses
+péripéties, soit d'une oeuvre dramatique, soit d'une féeerie, d'une
+pantomime ou d'un opéra, et qui est par elle-même, en dehors de
+l'adaption à un mécanisme quelconque, lisible et compréhensible pour
+tous, doit être considérée comme une édition tombant sous l'application
+de la loi des 19-24 juillet 1793;... etc." [448]
+
+In ons land bestaat weinig kans dat, onder vigueur van de tegenwoordige
+wet, ooit eene beslissing in dezen zin zal worden gewezen. Ik kan
+hier verwijzen naar wat boven over de beteekenis van de uitdrukking
+"door den druk gemeen maken" is gezegd in verband met de mechanische
+muziekinstrumenten. Weliswaar werd bij de voorbereiding der wet ook
+de photographie genoemd onder de reproductie-middelen waarmede inbreuk
+op het auteursrecht zou kunnen worden gepleegd, doch men had hiermede
+klaarblijkelijk alleen op het oog de photographische reproductie van
+plaat- en kaartwerken of van bladzijden muziek- of letterschrift. Het
+behoeft niet te worden gezegd, dat de kinematographische reproductie
+van tafereelen van een ballet of drama geheel iets anders is. Ik meen
+daarom, dat ook hier slechts eene herziening der wet uitkomst kan
+brengen; doch ook hier zal men daarbij slechts het beginsel hebben te
+volgen, dat reeds in de memorie van toelichting der tegenwoordige
+wet duidelijk is uitgesproken, dat nl. elk reproductie-middel,
+waartoe een werk zich leent, en dat van genoegzame beteekenis is,
+den auteur uitsluitend moet zijn voorbehouden.
+
+
+
+
+V Op- en uitvoering
+
+De beteekenis van op- of uitvoering van tooneelwerken en muziekstukken
+behoeft wel niet afzonderlijk in het licht te worden gesteld. Evenmin
+zal het eenig betoog behoeven, dat de op- of uitvoering, voor zoover
+zij in het openbaar geschiedt, eene exploitatie uitmaakt van het
+tooneel- of muziekstuk. Men kan zeggen, dat zij in de meeste gevallen
+het eenige middel is, waardoor het publiek in staat wordt gesteld
+het werk volkomen te genieten.
+
+Met evenveel grond als het door den druk gemeen maken behoort dus
+het in het openbaar uit- of opvoeren uitsluitend den auteur te zijn
+voorbehouden. In verreweg de meeste landen is dit ook het geval;
+slechts in enkele wetten treft men nog bepalingen aan, die het uit-
+of opvoeringsrecht aan bijzondere voorwaarden verbinden of het in
+tijdsduur bij het kopierecht achterstellen.
+
+Onze wet is op dit punt nog zeer achterlijk: een uitvoeringsrecht voor
+muziekstukken bestaat in het geheel niet, terwijl het opvoeringsrecht
+van dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken vervalt bij de uitgave,
+tenzij het uitdrukkelijk wordt voorbehouden. Wordt aan deze voorwaarde
+voldaan, dan duurt het nog slechts tien jaar (art. 15).
+
+De argumenten, die voor eene dergelijke besnoeiing van het auteursrecht
+worden aangevoerd, berusten grootendeels op de verkeerde voorstelling,
+alsof het auteursrecht in wezen eigenlijk niets anders zou zijn
+dan kopierecht (recht om uitsluitend door den druk gemeen te
+maken). Hierover is reeds, naar ik meen, genoeg gezegd; de bewering
+b.v. dat schrijvers van tooneelstukken en componisten, indien hun uit-
+en opvoeringsrecht erkend wordt, een dubbel recht zouden genieten,
+hetgeen dan eene onbillijkheid zou zijn tegenover schrijvers van
+stukken, die niet voor opvoering vatbaar zijn [449], vindt in het
+voorgaande reeds voldoende weerlegging. Op dezen grond zou men ook
+kunnen beweren, dat de eigenaar van een paard, hetwelk én als rij-
+én als koetspaard gebruikt kan worden, een dubbel recht geniet, en
+dat hij op onbillijke wijze is bevoorrecht boven andere eigenaren,
+wier paarden alleen kunnen trekken!
+
+Men heeft ook beweerd--en dit betreft in het bijzonder het uit- en
+opvoeringsrecht van stukken die in druk zijn uitgekomen--dat juist
+datgene wat de kooper van gedrukte muziek ermee voor heeft is: ze
+te spelen, uit te voeren. Het zou dus geen zin hebben, dat voor elke
+uitvoering nog eens de toestemming van den auteur moet worden gevraagd,
+daar deze verondersteld kan worden met het feit der uitgave gegeven
+te zijn. Doch zij die zoo redeneeren zien blijkbaar over het hoofd,
+dat het uitvoeringsrecht alleen betrekking heeft op de uitvoering in
+het openbaar. Wie b.v. een wals koopt voor piano mag deze zooveel
+hij wil voor zich en zijne huisgenooten spelen; niemand zal hierin
+een inbreuk op het auteursrecht zien. Doch het is wat anders, wanneer
+men het stuk op een openbaar concert gaat voordragen. Dan wordt het
+eene exploitatie, waarvoor de auteur niet geacht kan worden bij de
+uitgave zijne toestemming te hebben gegeven.
+
+
+
+Dat de auteur alleen openbare uit- en opvoeringen kan verbieden,
+geldt in alle landen. Niet overal worden daarvoor echter dezelfde
+kenmerken aangenomen. Het beste schijnt mij het door Kohler gestelde,
+die eene op- of uitvoering openbaar noemt, "wenn sie über das Häusliche
+hinausgeht." Dit kan dus b.v. ook in een particulier huis het geval
+zijn, indien nl. zooveel gasten zijn gevraagd "dasz die Gesellschaft
+die häusliche Wesenheit einbüszt" [450].
+
+Geen vereischte voor eene openbare uit- of opvoering is, dat de toegang
+voor ieder, al of niet tegen betaling, vrijstaat. Dit wordt vrijwel
+algemeen, in wetenschap en practijk aangenomen [451]. Op een feest,
+dat toegankelijk is voor leden en genoodigden van eene sociëteit of
+andere vereeniging, zal dus de uitvoering eene openbare kunnen zijn
+[452].
+
+Onze wet stelt met uit- of opvoering in het openbaar gelijk: "elke
+uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen,
+toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd
+wordt" (art. 1 tweede lid). Men zal m. i. ook dan kunnen aannemen,
+dat eene uitvoering toegankelijk is tegen betaling in den zin van deze
+bepaling, indien de betaling geschiedt in den vorm eener jaarlijksche
+contributie van de leden der vereeniging; terwijl dan het lidmaatschap
+recht geeft op een of meer plaatsen bij de voorstelling.
+
+Of de op- of uitvoering geschiedt door musici of tooneelspelers
+van beroep dan wel door dilettanten maakt geen verschil; evenmin
+mag het doel, waarvoor de opbrengst is bestemd, in aanmerking
+worden genomen. Zoo bestaat er b. v. geen reden, om het vrij
+gebruik van stukken zonder toestemming des auteurs toe te laten voor
+weldadigheidsvoorstellingen, zooals eenigen tijd geleden in Frankrijk
+is voorgesteld. Terecht is hiertegen opgemerkt, dat niemand tegen
+wil en dank gedwongen moet kunnen worden, aan een weldadig doel mede
+te werken. Men zou dan evengoed kunnen verlangen, dat de eigenaars
+van zalen gedwongen werden deze gratis voor zulke voorstellingen af
+te staan [453]. Hetzelfde geldt voor voorstellingen of concerten,
+waarvan de toegang vrij is, en waarbij ook overigens elk winstbejag
+is uitgesloten. Het moge een loffelijke daad zijn, dat iemand zijnen
+medeburgers een avond van genoegen of kunstgenot wil verschaffen
+en daarvoor eene gratis-voorstelling organiseert, dit geeft hem
+nog geen recht, om voor dit doel ongevraagd over andermans goed te
+beschikken. De bepaling van de Zwitsersche wet (art. 11 no. 10) die
+het gebruik van stukken vrijlaat voor op- en uitvoeringen, waarvan
+het doel niet is winst te behalen, verdient daarom afkeuring [454].
+
+De op- of uitvoering behoeft niet, om een inbreuk op het auteursrecht
+uit te maken, aan zekere artistieke eischen te voldoen. Ook gebrekkige
+opvoeringen moet de auteur kunnen verbieden [455]. Daarom zal men
+ook als op- of uitvoering hebben aan te merken vertooningen van den
+kinematograaf en "concerten", waar zich phonograaf, grammophoon,
+pianola en dergelijken laten hooren. Dat door middel van deze
+instrumenten inbreuk op het reproductie-recht kan worden gepleegd
+(nl. door de vervaardiging en verspreiding van kinematograaf-films en
+van rollen en platen, die bij de mechanische muziekinstrumenten en
+phonografen behooren) is hierboven reeds betoogd. Er bestaat zeker
+niet minder reden, om ook de op- en uitvoeringen door middel van
+deze instrumenten, voorzoover zij in het openbaar plaats hebben in
+den bovenaangegeven zin, als inbreuk op het op- of uitvoeringsrecht
+aan te merken. Wat de kinematographische voorstelling betreft,
+heeft een Engelsch rechter onlangs uitgemaakt, dat zij wel degelijk
+eene "voorstelling" is in den zin der wet, omdat de figuren, die
+de kinematograaf laat zien, volkomen den indruk maken van levende
+personen [456]. M. i. zal men ook volgens onze wet hetzelfde mogen
+aannemen. Dat men bij het tot standkomen der wet aan kinematographische
+voorstellingen niet heeft gedacht, kan geen grond zijn voor het
+tegendeel. Wij hebben hier te doen met eene "opvoering", die in die
+jaren nog niet bekend was, doch die thans evengoed dezen naam verdient
+als die, waarbij tooneelspelers of dansers in levenden lijve optreden.
+
+Het in het openbaar ten gehoore brengen van muziekstukken door
+muziekinstrumenten en phonografen wordt in de meeste landen, voorzoover
+de bijzondere wetsbepalingen niet uitdrukkelijk het tegendeel inhouden
+(zooals b. v. in Oostenrijk), door de jurisprudentie met eene openbare
+uitvoering gelijk gesteld [457]. In België werd ook als inbreuk op
+het uitvoeringsrecht aangemerkt het gebruik maken van theatrophonen,
+eene soort van telephoon-toestellen, die verbonden met schouwburgen of
+concertzalen, de muziek die aldaar gespeeld wordt op andere plaatsen
+doen hooren. De vrede-rechter te Brussel besliste (2 October 1899),
+dat het niet geoorloofd was eene grootere publiciteit aan het werk te
+geven dan door den auteur was voorzien en goedgekeurd. Al was dus van
+den auteur toestemming verkregen om zijne muziek in den schouwburg
+ten gehoore te brengen, dit gaf nog niet de bevoegdheid om die met
+behulp der genoemde instrumenten ook elders te doen weerklinken [458].
+
+In het algemeen kan nog over het ten gehoore brengen van muziek
+in het openbaar worden gezegd, dat niet alleen formeele concerten,
+waar men uitsluitend komt (althans geacht wordt te komen) om naar de
+muziek te luisteren, als openbare uitvoeringen zijn te beschouwen,
+waardoor inbreuk kan worden gemaakt op het auteursrecht; maar dat ook
+hiertoe te rekenen zijn de zoogenaamde "strijkjes" in koffiehuizen
+en hotels, op publieke bals en op tentoonstellingen, sportfeesten
+en dergelijke. Hierbij doet zich dan nog de vraag voor, of de
+muzikanten dan wel degeen die ze laat spelen de overtreders zijn
+van het uitvoeringsrecht, ingeval er stukken zijn gespeeld zonder
+toestemming van den auteur. Meestal wordt door de jurisprudentie het
+laatste aangenomen; de eigenaar van het hotel of koffiehuis en de
+verhuurder der concertzaal worden dus als de eigenlijke ondernemers
+der verboden uitvoering aangemerkt [459]. Dit schijnt mij ook juist,
+al kan niet worden ontkend, dat eene strenge toepassing van dezen
+regel in sommige gevallen tot onbillijkheden kan leiden. Voor hotel-
+of koffiehuis-houders is het b.v. hoogst moeilijk ervoor te zorgen,
+dat geen verboden stukken worden gespeeld in hunne zalen en het
+is daarom wel te verklaren, dat van de zijde van deze personen,
+die zich vroeger nooit om eenig auteursrecht hadden te bekommeren,
+hier en daar protesten zijn gehoord. Ik meen echter dat conflicten,
+zooals die zich b.v. in Duitschland hebben voorgedaan [460], in de
+meeste gevallen wel zullen kunnen worden vermeden door een bezadigd
+en tactvol optreden van de vereenigingen van componisten, die zich
+met het innen der tantièmes voor hunne leden belasten.
+
+
+
+
+VI Voordracht
+
+Terwijl op- en uitvoeringsrecht van muziek- en tooneelwerken bijna
+overal erkend wordt, wordt het recht om letterkundige werken in
+het openbaar voor te dragen, nog slechts door enkele wetten aan de
+auteurs verleend [461]. De reden zal men waarschijnlijk grootendeels
+hierin moeten zoeken, dat men het gebruik, dat op deze wijze van de
+letterkundige producten wordt gemaakt, van te weinig belang achtte
+voor de auteurs, om het te verbieden.
+
+Ik meen echter, dat er wel reden zou bestaan om dit recht te
+erkennen. De voordracht moge een niet zoo gewone en veelvuldig
+voorkomende vorm van exploitatie zijn als b.v. de uitvoering van
+muziekstukken; evengoed als deze kan zij toch het karakter hebben van
+eene exploitatie. Naar hetgeen trouwens in de laatste jaren--in het
+bijzonder hier te lande--kan worden waargenomen, behooren openbare
+voordracht-avonden geenszins tot de groote zeldzaamheden. De kunst van
+declameeren en verzen-"zeggen" is--naar het mij voorkomt--tegenwoordig
+weer meer in eere dan eenigen tijd geleden het geval was. (Ik denk
+hier b.v. aan de voordracht-avonden van Willem Royaards, Albert
+Vogel e. a.) Ook dramatische werken worden wel--hetzij geheel, hetzij
+gedeeltelijk--door één persoon voorgedragen. Het is m. i. eene groote
+onbillijkheid dat een declamator, die dikwijls even volle zalen trekt,
+elk tooneelstuk zonder toestemming des schrijvers mag gebruiken,
+terwijl een tooneelgezelschap verplicht is het opvoeringsrecht te
+eerbiedigen.
+
+Practische bezwaren tegen de invoering van een uitsluitend recht van
+voordracht zijn m. i. niet in te brengen. Natuurlijk dient alleen de
+openbare voordracht verboden te zijn; de kenmerken der openbaarheid
+kunnen hier dezelfde zijn als bij de op- en uitvoering.
+
+
+
+
+VII Reproductie van werken van beeldende kunst
+
+Over het recht van den beeldenden kunstenaar behoeft na het
+voorgaande niet lang gesproken te worden. De exploitatie van een
+werk van beeldende kunst kan slechts plaats hebben door nieuwe
+"verwerkelijkingen". In het vorige hoofdstuk is betoogd, dat daaronder
+te verstaan zijn alle reproducties, ook die in een anderen kunstvorm,
+mits daarin de persoonlijke innerlijke voorstelling, welke aan
+het oorspronkelijke werk ten grondslag heeft gelegen, kan worden
+teruggevonden.
+
+Het uitsluitend recht van den auteur bestaat nu hierin, dat hij alleen
+dergelijke reproducties mag vervaardigen en verspreiden. Hiervoor
+gelden dezelfde regels, die hierboven ten aanzien van de vervaardiging
+en verspreiding van gedrukte exemplaren van geschriften en muziekwerken
+zijn genoemd, zoodat daarover niet meer gesproken behoeft te worden.
+
+In het Ontw. B. K. wordt het auteursrecht van den beeldenden kunstenaar
+omschreven als "het recht om ... te copieeren, na te bootsen, af te
+beelden en te verveelvoudigen, of dit door anderen te laten doen"
+(art. 1). Dit ziet dus oogenschijnlijk op elke vervaardiging; ook
+die, waarbij geene verspreiding of "gemeen making" het doel is. Het
+Ontwerp laat echter in een ander artikel het maken van eene kopie voor
+eigen studie, mits dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch
+winstbejag geschiedt, geheel vrij (art. 3, b) en door deze bepaling
+wordt aan het beginsel, dat door de vervaardiging eener reproductie
+op zichzelf geen inbreuk op het auteursrecht wordt gepleegd, weer
+voldoende eer bewezen. Immers bij de mechanische verveelvoudiging
+kan de bedoeling om te verspreiden steeds gepraesumeerd worden [462].
+
+Onder reproductie (ook volgens het Ontw. B. K.) zal men ook moeten
+rekenen die door middel van lichtbeelden. Eene uitdrukkelijke bepaling
+hierover zooals de nieuwe Duitsche wet bevat (wet van 9 Jan. 1907
+art. 15) zou m. i. in het Ontw. B. K. onnoodig zijn, nu dit o.a. het
+"afbeelden langs mechanischen weg" zonder toestemming van den auteur
+verbiedt.
+
+Daarentegen is niet als een inbreuk op het auteursrecht te beschouwen
+het tentoonstellen van een kunstwerk, voor zoover daarvoor geen
+ongeoorloofde reproductie heeft plaats gehad. In sommige gevallen
+zou men weliswaar in de tentoonstelling eene exploitatie kunnen zien;
+het zou echter te ver gaan den auteur hiervoor een uitsluitend recht
+te verleenen, daar hierdoor te zeer zou worden ingegrepen in het
+recht van den eigenaar van het voorwerp, waarin het kunstwerk is
+belichaamd (origineel of reproductie). Ook hier kan dus als regel
+worden gesteld, dat wanneer eenmaal een door of met toestemming
+van den auteur vervaardigd exemplaar (en hier is onder "exemplaar"
+ook te verstaan het origineel) een kooper heeft gevonden, de verdere
+verspreiding of vertooning daarvan geoorloofd is.
+
+Het kan vrijwel overbodig worden geacht er nog op te wijzen, dat de
+waardevermeerdering van een kunstwerk (d. w. z. van de materieele
+verwerkelijking ervan), nadat het in andere handen is overgegaan,
+nooit eenigen grond kan opleveren voor eene actie van den auteur,
+om daarvan zijn deel te krijgen. Het moge onbillijk zijn, dat
+speculanten in schilderijen soms groote winsten kunnen maken als
+gevolg van prijsverhoogingen, die meestal wel uitsluitend zullen
+zijn te danken aan den lateren arbeid van den schilder, waardoor
+zijn naam meer in aanzien is gekomen; een recht van den schilder op
+een deel van die winst bestaat niet en in geen geval als uitvloeisel
+van het auteursrecht, dat niet het lichamelijke voorwerp, maar de
+onlichamelijke kunstschepping tot object heeft [463].
+
+
+
+Wat van de reproductie van werken van beeldende kunst is gezegd, geldt
+m. m. ook voor photographieën, voortbrengselen der kunstnijverheid en
+werken der bouwkunst. Photographieën zijn in dit opzicht volkomen met
+de werken van beeldende kunst gelijk te stellen. De voortbrengselen
+der kunstnijverheid worden weliswaar in den regel op eenigszins
+andere wijze gereproduceerd, dit maakt met betrekking tot het
+uitsluitend reproductierecht toch geen overwegend verschil uit. Ten
+aanzien van eene nagemaakte vaas b.v. gelden dezelfde regels als ten
+aanzien van een gekopieerd schilderij. Wat eindelijk de werken der
+bouwkunst betreft, de verschillende reproductiemiddelen, welke den
+auteur dienen te zijn voorbehouden, werden bij de bespreking dezer
+werken reeds genoemd. Daaraan kan hier nog worden toegevoegd, dat
+het bouwen steeds als eene exploitatie is te beschouwen, ook indien
+het geschiedt voor eigen gebruik; hierdoor toch wordt de schepping
+van den kunstenaar altijd min of meer openbaar gemaakt.
+
+
+
+
+§ 2 Duur
+
+Eene eigenaardigheid van het auteursrecht is, dat het in tijdsduur
+beperkt is. Na verloop van een aantal jaren neemt het een einde. Een
+eeuwigdurend auteursrecht, zooals o. a. volgens de eerste regelingen
+in ons land bestond (Publicatie van het provinciaal bestuur van
+Holland van 1796 en Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche
+Republiek van 3 Juli 1803), vindt men nu nog slechts in vier landen,
+te weten: Guatemala, Mexico, Nicaragua en Venezuela. Overal elders
+is het auteursrecht aan een bepaalden termijn gebonden.
+
+Men heeft deze tijdelijkheid van het recht wel als argument aangevoerd
+om de rechtmatigheid van de auteursbescherming te betwisten. Een
+recht--zoo wordt soms geredeneerd--dat de wetgever op een gegeven
+oogenblik laat vervallen zonder daarvoor eene schadeloosstelling in
+de plaats te stellen, verdient eigenlijk den naam van "recht" niet
+te dragen [464].
+
+Deze redeneering gaat op tegen degenen, die het auteursrecht volkomen
+met den eigendom op lichamelijke zaken willen gelijkstellen. Eigendom
+is naar zijn aard altijddurend, d. w. z. hij gaat niet teniet
+zoolang de zaak, welke er het voorwerp van is, blijft bestaan;
+een eigendomsrecht, dat de wet slechts voor een beperkten tijd zou
+verleenen, zou inderdaad een van de essentieele kenmerken van den
+eigendom missen.
+
+Wij hebben echter gezien, dat het auteursrecht geen eigendom is,
+maar dat het als recht op een onlichamelijk goed een van de rechten
+op lichamelijke zaken ver afwijkend karakter vertoont. Tot die
+eigenaardigheden, waardoor het auteursrecht zich van laatstgenoemde
+rechten onderscheidt en die voortkomen uit den verschillenden aard
+van lichamelijke en onlichamelijke goederen, behoort nu ook de
+tijdelijkheid van het recht. De aard der onlichamelijke goederen
+(geschriften en kunstwerken) brengt mede, dat zij na verloop van een
+aantal jaren gemeengoed worden. In den eersten tijd na hun ontstaan
+bestaat er geen bezwaar tegen, dat de vraag òf en zoo ja hòe zij
+geëxploiteerd zullen worden aan een persoon staat te beantwoorden, en
+dat dus hun lot min of meer van dien éénen persoon afhankelijk is. Men
+kan zelfs zeggen, dat het in de natuur der dingen ligt, dat de auteur
+of zijne rechtverkrijgenden alleen over het werk te zeggen hebben.
+
+Na verloop van tijd wordt dit echter anders. Of het werk is vergeten,
+zoodat er van eene exploitatie geen sprake meer is; òf het blijkt
+een werk van blijvende waarde te zijn, en in dat geval is het,
+zooals Kohler het uitdrukt, zóózeer "zum Eigengut des ganzen Volkes,
+ja zum Kulturgut der ganzen Menschheit" [465] geworden, dat men het
+aan deze bestemming niet mag onttrekken door de beschikking erover
+aan één persoon te laten.
+
+Door de eerstgenoemde werken, die nl. welke b.v. een eeuw na hun
+ontstaan totaal vergeten zijn, nog voorwerp van een privaatrecht te
+doen zijn, zou men onnoodige verwikkelingen teweegbrengen; een recht
+waar niemand iets om geeft en dat niet kan worden uitgeoefend heeft
+trouwens geen reden van bestaan.
+
+Doch voor de tweede categorie, de meesterstukken, waarop de tijd
+geen invloed heeft gehad, zouden de gevolgen van een voortdurend
+auteursrecht veel bedenkelijker zijn. Het is niet alleen wenschelijk,
+maar tevens bepaald noodzakelijk, dat werken van b.v. Shakespeare,
+Goethe, Vondel enz. door iedereen vrij kunnen benut worden. Men
+behoeft, om dit in te zien, zich slechts even in te denken, dat
+b.v. op den Faust of op Hamlet nu nog auteursrecht bestond, zoodat
+dus geen enkele uitgave, vertaling, bewerking of opvoering zou mogen
+worden ondernomen zonder toestemming van den rechthebbende. Wat men
+van--op zichzelf misschien even waardevolle--werken van tijdgenooten
+niet kan zeggen, geldt voor deze werken: geen beschaafd mensch kan er
+meer buiten. Een erop gevestigd auteursrecht zou--wat het anders niet
+heeft--hier het karakter krijgen van een monopolie van de ergste soort.
+
+Men stelt nu echter de zaak verkeerd voor door te zeggen, dat het
+recht der auteurs moet wijken voor rechten en belangen van anderen;
+dat het--wat bij een ander recht niet dan met toekenning van
+schadeloosstelling geschiedt--na verloop van zekeren tijd eenvoudig
+"in het algemeen belang" wordt opgeheven. De tijdelijkheid van het
+recht berust wel, zoo men wil, op overwegingen van "algemeen belang",
+doch zij is niet het resultaat van een compromis tusschen een van
+nature eeuwigdurend recht aan den eenen kant en het algemeen belang,
+dat zich tegen de voortdurendheid van het recht verzet, aan den
+anderen kant. Die zoo redeneeren, zien voorbij, dat "das öffentliche
+Interesse die Natur des Rechtsgutes und damit den Charakter des Rechts
+mitbestimmt" [466].
+
+
+
+Het is--eenmaal het beginsel van de tijdelijkheid van het auteursrecht
+aangenomen--terwille der rechtszekerheid noodzakelijk, dat de duur
+door de wet eens voor al wordt vastgesteld. Daarbij kan natuurlijk
+geen rekening worden gehouden met afzonderlijke werken, ten aanzien
+waarvan zich het hierboven beschreven proces langzamer of wel sneller
+voltrekt dan gewoonlijk. Er zijn werken, die niet langer duren dan een
+maand of zelfs dan één enkelen dag (b.v. dagblad-artikelen), andere
+die het veertig, vijftig jaar uithouden zonder tot de meesterwerken te
+behooren die de eeuwen trotseeren en verder bestaan er meesterwerken
+die terstond, andere die eerst na honderden jaren als zoodanig
+erkend worden.
+
+Het is daarom onmogelijk, dat de wettelijke termijn in alle gevallen
+volkomen aan den eisch voldoet; nu eens zal men hem te kort, dan weer
+te lang achten. Het is zaak, een gemiddelde te vinden, dat niet al
+te willekeurig gekozen schijnt.
+
+Gaat men de verschillende wetgevingen op dit punt na, dan vindt
+men--behalve dan het altijddurend auteursrecht, dat in de vier
+hierboven reeds genoemde staten geldt--dat er twee hoofdsystemen
+hierbij voornamelijk worden gevolgd. Volgens het eerste systeem
+duurt het auteursrecht een aantal jaren na den dood des auteurs,
+volgens het tweede een aantal jaren na de eerste uitgave van het
+werk. Het eerste systeem wordt verreweg het meest gevolgd; men vindt
+het in: België, Bolivia, Chili, Columbia, Costa-Rica, Denemarken,
+Duitschland, Ecuador, Frankrijk, Haïti, Hongarije, Japan, Luxemburg,
+Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Roemenië, Rusland, Salvador,
+Spanje, Tunis, Zweden en Zwitserland. Daarentegen hebben slechts
+enkele landen het tweede systeem nl.: Griekenland, Brazilië, Turkije
+en ons land. Engeland, Italië en de Vereenigde Staten volgen een
+gemengd stelsel.
+
+De voor- en nadeelen van elk dezer twee stelsels zijn reeds
+dikwijls--ook in ons land--uitvoerig besproken [467]; ik meen daarom
+daarover kort te kunnen zijn.
+
+Het tijdstip der eerste uitgave als aanvangspunt heeft op dat
+van den dood des auteurs dit voor, dat het terstond bekend is,
+terwijl natuurlijk niet van tevoren kan gezegd worden, wanneer
+de auteur zal sterven. Verder is een voordeel van dit stelsel dat
+alle werken evenlang beschermd zijn, en niet--zooals volgens het
+andere stelsel--de jeugdwerken, die meestal van minder beteekenis
+zijn, langer dan degene die enkele jaren vóór den dood des auteurs
+zijn ontstaan. Andere voordeelen zijn nog: De auteur met groote
+sterfte-kans heeft een even duurzaam recht als zijn jonger of physiek
+krachtiger kunstgenoot. Voor anonieme en pseudonieme werken behoeft
+geen afzonderlijke regeling te worden gemaakt; evenmin voor werken
+waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt. Het feit, dat
+een werk meerdere auteurs heeft, oefent geen invloed uit op den duur
+der bescherming. Ook behoeft men niet bang te zijn voor de kunstgreep,
+waarmede volgens het andere stelsel een bejaard auteur den duur van
+zijn recht zou kunnen verlengen, door nl. een jeugdig persoon als
+zijn mede-auteur te laten optreden.
+
+Deze overwegingen waren het voornamelijk, die in ons land bij de keus
+tusschen de twee stelsels den doorslag hebben gegeven ten gunste van
+het nu gevolgde. Tegenover deze voordeelen--waarvan ik de beteekenis
+niet wil ontkennen--zijn echter ook enkele nadeelen te stellen,
+die het andere stelsel niet heeft.
+
+Als men den duur van het auteursrecht laat afhangen van het tijdstip
+der eerste publicatie, is het gewenscht dat dit tijdstip voor
+elk werk--liefst volgens officieele gegevens--vaststa. Onze wet
+(art. 13) neemt daarvoor aan de dagteekening van het bewijs van
+ontvangst door het Departement van Justitie afgegeven aan hem,
+die de voor de vestiging van het auteursrecht voorgeschreven
+formaliteiten heeft vervuld (artt. 10 en 11); eene soortgelijke
+regeling geeft het Ontw. B. K. (artt. 8 en 9). Het gevolgde stelsel
+van tijdsduurberekening is op deze wijze samengekoppeld met dat van
+verplichte inzending van exemplaren, verklaringen, beschrijvingen
+en dergelijke. Dit schijnt mij een niet onbelangrijk bezwaar van
+het stelsel, daar--zooals ik in een volgend hoofdstuk hoop aan te
+toonen--voor deze verplichte (d. w. z. op straffe van tenietgaan
+van het auteursrecht) inzendingen geen grond bestaat en afschaffing
+daarvan zeer gewenscht is.
+
+Een tweede nadeel van het stelsel is, dat van elk werk het auteursrecht
+op een ander tijdstip een einde neemt. Duurt het recht echter een
+bepaald aantal jaren na den dood van den auteur, dan is het voor
+ieder, die er belang bij heeft, zeer gemakkelijk na te gaan, tot hoe
+lang voor elk werk de bescherming duurt. Men heeft dan niet meer te
+maken met de verschillende tijdstippen van de uitgave van elk werk
+maar met slechts één: het sterfjaar van den auteur.
+
+Ten slotte is er nog een argument, dat hier m. i. den doorslag moet
+geven, al betreft het niet de waarde van het stelsel, maar alleen
+het feit, dat het in de meeste landen wordt gevolgd. Met het oog op
+de internationale regeling van het auteursrecht is uniformiteit der
+verschillende wetgevingen, waar dit maar eenigszins mogelijk is, van
+het grootste belang. Daar in alle tot de Berner Conventie toegetreden
+landen behalve Engeland de duur van het auteursrecht wordt berekend
+naar het tijdstip van overlijden des auteurs, zou het bij toetreding
+van Nederland zeer gewenscht zijn, dat het zich op dit punt bij de
+groote meerderheid aansloot. Hiervoor bestaat des te meer reden,
+nu het hier geen vraagstuk betreft, waar belangrijke beginselen bij
+zijn betrokken; maar waar het eenvoudig op het maken van eene zoo
+practisch en doeltreffend mogelijke regeling aankomt.
+
+In meerdere bijzonderheden omtrent den duur van het auteursrecht zal
+ik niet treden; ik laat dus de afzonderlijke regelingen, die gemaakt
+kunnen worden ten aanzien van pseudonieme of anonieme werken of van
+die werken, waarvan een rechtspersoon als auteur wordt aangemerkt,
+onbesproken [468]. Evenmin zal ik mij ophouden met de afzonderlijke
+termijnen, die in sommige wetten nog ten aanzien van enkele
+bevoegdheden als: vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht enz. worden
+gesteld. Hier kan slechts worden herhaald, wat bij de bespreking van
+elk dezer rechten is gezegd, dat nl. voor bijzondere beperkingen,
+hetzij in tijdsduur, hetzij in ander opzicht, geen grond bestaat.
+
+Ten slotte nog eene opmerking van algemeenen aard over den tijdsduur
+van het auteursrecht. Er valt hier en daar een streven op te merken
+om dien duur steeds weer te verlengen. In de allerlaatste jaren
+is dit eenigszins tot stilstand gekomen. Men kan zeggen, dat de
+normale termijn tegenwoordig is die van vijftig jaar na den dood
+des auteurs; in de nieuwere wetten op het auteursrecht wordt deze
+het meest aangetroffen en ook in de herziene Berner Conventie is
+hij opgenomen (art. 7). Volgens sommigen is dit echter nog niet lang
+genoeg; naar hunne meening is elke verlenging als eene verbetering te
+beschouwen. Dit schijnt b.v. in de Association de heerschende opvatting
+te zijn; in de model-wet van deze vereeniging is als termijn gekozen:
+tachtig jaren na den dood des auteurs (art. 3), waarbij dan nog in het
+oog moet worden gehouden, dat bij het vaststellen hiervan rekening
+is gehouden met hetgeen voorloopig bereikbaar scheen. In beginsel
+zou men wellicht nog verder willen gaan.
+
+Naar mijne meening is echter een termijn van vijftig jaar na den
+dood des auteurs ruimschoots voldoende. Indien hierin in de toekomst
+verandering moet worden gebracht, dan zou ik zelfs eerder eene
+verkorting dan eene verlenging raadzaam achten. Men heeft hierbij
+m. i. rekening te houden met het niet te loochenen feit, dat het
+verkeer, ook op letterkundig- en kunstgebied, tusschen alle volken
+der aarde zich steeds meer ontwikkelt en steeds sneller wordt. Het
+gevolg is, dat geschriften en kunstwerken hoe langer hoe minder tijd
+noodig hebben om over de geheele wereld bekend te worden. Men kan
+er zeker van zijn, dat een boek dat in Europa eenigen opgang maakt,
+binnen enkele maanden of zelfs weken ook in Amerika door ieder zal
+worden gelezen. Het leven van geschriften en kunstwerken wordt daardoor
+steeds korter, d. w. z. zij zijn veel eerder algemeen bekend maar ook
+weer veel eerder vergeten dan vroeger. Waar nu in verband hiermede de
+exploitatie steeds intensiever wordt en tegelijkertijd binnen veel
+korter tijd moet geschieden, daar is het m. i. redelijk en billijk,
+dat het uitsluitend recht van exploitatie, dus het auteursrecht,
+hiermede gelijken tred houde. Men streve ernaar den auteur een zoo
+volledig mogelijke bescherming te verleenen tegen alle exploitanten,
+eene bescherming, die hij ook in de meest afgelegen landen moge
+genieten; in dit opzicht is elke versterking der bescherming als eene
+verbetering te beschouwen. Doch wat het auteursrecht zoo in omvang
+en uitgebreidheid wint, kan het desnoods in tijdsduur verliezen. Een
+vol auteursrecht, dat b.v. zou duren twintig jaar na den dood des
+auteurs, maar dan ook in de geheele wereld geëerbiedigd zou worden,
+schijnt mij redelijker en beter dan een recht, dat tot tachtig of
+honderd jaar na den dood des auteurs duurt, doch dat slechts in een
+enkelen staat erkenning vindt.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V
+
+VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN
+
+
+Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat het auteursrecht,
+zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object van is,
+op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een
+auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt
+vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde recht.
+
+Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen de
+nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij
+het ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van
+het auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van
+bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in
+meerdere landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen
+is gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde
+stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig
+als andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen aard
+door den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan den anderen
+kant werd door degenen, die de formaliteiten in bescherming namen, dit
+meestal gedaan met een beroep op het feit, dat geen rechtsregels den
+wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen vrij was het auteursrecht,
+dat louter op gronden van utiliteit den auteurs werd ingeruimd,
+afhankelijk te stellen van de voorwaarden, die hij daarvoor dienstig
+achtte.
+
+Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of doelmatigheid
+bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor beheerscht
+wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het 't meest deugdelijke en meest
+eerbiedwaardige recht geldt, kunnen er redenen zijn, die formaliteiten
+als de hier bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie staat het
+tenietgaan van het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk maken. Dat
+dergelijke redenen echter voor het auteursrecht niet aanwezig zijn,
+hoop ik in dit hoofdstuk aan te toonen.
+
+
+
+Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden
+(formaliteiten) en materieele voorwaarden [469].
+
+Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren
+aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende
+tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het
+werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen alles
+kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht vereischt
+wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan een werk moet
+voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen zijn. Zoo ruim moet
+de uitdrukking hier echter niet worden opgevat. Alleen de uiterlijke
+voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde handelingen, die
+de auteur in sommige gevallen moet verrichten om zijn recht niet te
+verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het vertalings- en op-
+en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk verschijnen van
+een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard.
+
+Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna
+alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd
+of hernieuwd is, de formaliteiten afgeschaft of tot een minimum
+beperkt. In Zweden, Noorwegen en Duitschland ontbreken zij geheel, in
+België, Zwitserland, Denemarken e. a. blijven zij tot enkele gevallen
+beperkt [470]. Daar waar zij nog bestaan, zooals b.v. in Italië, geven
+zij voortdurend aanleiding tot klachten van belanghebbenden; ook is
+het wel merkwaardig, dat in laatstgenoemd land door statistische
+gegevens is uitgewezen, dat voor de overgroote meerderheid van
+de aldaar verschijnende werken de voorgeschreven formaliteiten
+verzuimd worden. In de jaren 1887 tot 1891 werden van de in druk
+verschenen werken gemiddeld slechts 5-1/2% behoorlijk ingezonden,
+met het gevolg, dat dus alle overige 94-1/2% van de bescherming
+der wet verstoken bleven [471]. Zooals te verwachten was, zijn in
+het door eene commissie uitgewerkte Wetsontwerp ter vervanging van
+de tegenwoordige Italiaansche wet op het auteursrecht de lastige en
+ingewikkelde formaliteiten-voorschriften aanmerkelijk vereenvoudigd:
+wel zijn daarin verscheidene formaliteiten behouden, maar behoudens
+enkele uitzonderingen zijn zij alle facultatief, zoodat verzuim geen
+invloed heeft op het voortbestaan van het auteursrecht.
+
+Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls een
+klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, soms zonder
+schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft als het geheele
+of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In de internationale
+verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het is voor een auteur
+bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, om in alle landen,
+waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, de voorgeschreven
+formaliteiten in acht te nemen; eene internationale regeling van het
+auteursrecht, die de verplichting daartoe laat bestaan, zal daarom
+in de practijk slechts ten halve aan haar doel beantwoorden.
+
+Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de
+belanghebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te
+stellen. Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of
+van eene omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de
+identiteit van dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving
+in een openbaar register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid
+opent zich ervan te vergewissen of op een bepaald werk al dan niet
+auteursrecht bestaat. Daar waar de duur van het auteursrecht naar het
+tijdstip der eerste uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving
+in het register steeds de juiste datum daarvan geconstateerd worden.
+
+Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in elk
+geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere
+sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij de
+bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. B. K.,
+die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden worden
+aangetoond.
+
+
+
+Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze
+wet geen enkele formaliteit voor. Hieronder vallen ook mondelinge
+voordrachten, tooneelstukken, die zijn opgevoerd en muziekwerken, die
+zijn uitgevoerd. Voor al deze werken, waarvan juist het vaststellen
+der identiteit en de oplossing van de vraag, wie auteur is, de
+meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft de wetgever blijkbaar
+geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon geschieden. Weliswaar
+zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de wet (pp. 9 en 11) wordt
+opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende bepalingen voor deze
+werken practische moeilijkheden meebrengen; onmogelijk was het echter
+niet. In elk geval geeft het feit, dat het auteursrecht op niet door
+den druk gemeen gemaakte werken onafhankelijk is van formaliteiten,
+weder een doorslaand bewijs, dat deze niet onmisbaar zijn.
+
+Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet (art. 10),
+dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand na de uitgave
+worden ingezonden aan het Departement van Justitie:
+
+a) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij gebreke
+daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of drukker
+onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der uitgave,
+
+b) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op
+zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt.
+
+Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het
+reeds genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld
+het weglaten van de woonplaats des auteurs op één der ingezonden
+exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand
+enz. onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt.
+
+Bovendien is voor de verplichte inzending van twee exemplaren geen
+enkele grond aan te voeren; om de identiteit van een werk vast te
+stellen is natuurlijk één exemplaar voldoende; het tweede wordt dan
+ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het auteursrecht
+in geenerlei verband staat, nl. completeering van de Koninklijke
+Bibliotheek te 's Gravenhage.
+
+Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons land
+uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd
+worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze
+verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van een
+exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel te vinden,
+dat beter met het doel van den maatregel in overeenstemming is dan het
+doen tenietgaan van het auteursrecht. Zoo bestaat b.v. in Engeland de
+bepaling, dat van elk daar uitkomend geschrift een exemplaar aan het
+Britsch Museum moet worden aangeboden op boete van ten hoogste vijf
+pond, vermeerderd met de waarde van het niet-ingezonden exemplaar
+(Wet van 1 Juli 1842).
+
+Het onder b genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met de
+materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat
+het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die
+aan de werking der wet een territoriale grens stellen en die onder
+internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede
+hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet
+nu ook nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan:
+inzending van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al is
+dus het werk in Nederland gedrukt en al zijn de andere formaliteiten
+in acht genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, indien
+de drukker nalaat eene door hem onderteekende verklaring tijdig in te
+zenden. Alweer een noodeloos en door niets gewettigd gevaar, waaraan
+het auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te hatelijker is,
+omdat het hier eene formaliteit geldt, die verricht moet worden door
+(of in ieder geval met medewerking van) den drukker, die in de meeste
+gevallen wel niet de rechthebbende op het auteursrecht zal zijn. Ook
+al wenschte men het vereischte van in Nederland gedrukt te zijn
+te behouden (wat, zooals ik later hoop aan te toonen, in geen enkel
+opzicht is aan te bevelen), dan nog is het niet te verdedigen, de hier
+bedoelde verklaring op straffe van tenietgaan van het auteursrecht
+te eischen. Door haar facultatief te stellen en dus, wanneer zij
+achterwege blijft, ook langs anderen weg het bewijs toe te laten,
+dat aan het vereischte van art. 27 is voldaan, zou men het beoogde
+doel even goed kunnen bereiken.
+
+Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit,
+dat wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving
+geschiedt, het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, of
+voor een bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht
+genomen. Meer kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het stelsel,
+dat hier is gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 B. W. ten
+aanzien van vestiging en overdracht van zakelijke rechten op onroerende
+goederen, het zoogenaamde negatieve stelsel van openbaarheid. Ook daar
+is de inschrijving in de daartoe aangewezen openbare registers eene
+onmisbare voorwaarde voor de geldige vestiging van het recht. Doch
+of het recht werkelijk bestaat en wie rechthebbende is, kan niet met
+zekerheid uit de registers worden opgemaakt. Wat de laatstgenoemde
+vraag betreft heeft men uit de registers van het auteursrecht nog
+minder kans juist te worden ingelicht, omdat overdracht van het recht,
+op welke wijze die ook plaats heeft, niet in de registers wordt
+aangeteekend. Doch ook ten opzichte van het al of niet bestaan van
+het auteursrecht kan niet met zekerheid op hetgeen in de registers
+staat ingeschreven worden afgegaan; het is b.v. zeer wel mogelijk,
+dat een geschrift is ingezonden en dientengevolge ingeschreven,
+hoewel het geen aanspraak kan maken op wettelijke bescherming omdat
+het een nadruk is van een vroeger verschenen werk. De ambtenaar van
+het departement van Justitie, die met de inschrijving is belast,
+heeft zich, evenmin als de bewaarder der hypotheken, in te laten met
+de vraag, welke rechtsgevolgen uit de inschrijving voortvloeien.
+
+Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden
+bij de uitoefening van hun recht van de door onze wet voorgeschreven
+formaliteiten slechts last en geen nut hebben. Alleen derden zijn door
+deze bepalingen gebaat, doch slechts betrekkelijk; evenals van het
+stelsel van artt. 1224 sqq. B. W. over de inschrijving der hypotheken
+kan ervan gezegd worden: "de openbaarheid geeft aan iedereen het
+middel, althans den leiddraad om zich op vrij voldoende wijze van
+den stand van zaken op de hoogte te stellen" [472]. Een vrij pover
+resultaat, als men bedenkt ten koste waarvan het verkregen wordt [473].
+
+De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig
+bewijs ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten
+als de bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere
+onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken heerscht
+dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, dat op elk
+werk auteursrecht bestaat, behalve natuurlijk op diegene, waarvan de
+beschermingstermijn is verloopen. Daar, zooals wij gezien hebben, de
+meeste wetgevingen het auteursrecht laten voortduren een bepaald aantal
+jaren na den dood des auteurs, is het tijdstip waarop de bescherming
+ophoudt in de meeste gevallen voor ieder gemakkelijk na te gaan. Ook
+heeft men te bedenken, dat het niet voor het geheele publiek, maar
+slechts voor eene bepaalde klasse van personen (uitgevers, schouwburg-
+en orkest-directeuren enz.) van belang is, over auteursrecht-zaken te
+zijn ingelicht. Men kan dus verwachten dat deze personen maatregelen
+nemen om zich geregeld op de hoogte te houden van hetgeen met hun vak
+zoo nauw samenhangt. In de practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door
+de, in bijna alle landen bestaande, vereenigingen van uitgevers en
+niet minder door de vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars,
+die zich ten doel stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken
+en te administreeren.
+
+Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam kunnen zijn
+zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander mee te deelen;
+in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij--mits met kennis
+van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden omvattend--in
+staat zijn meer volledige en betrouwbare inlichtingen te verschaffen
+dan hier de officieele openbare registers kunnen doen. Van alle
+werken harer leden moet in de boeken eener dergelijke vereeniging
+nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het tijdstip, waarop het
+auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook of, en zoo ja aan
+wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en of toestemmingen
+zijn verleend om er vertalingen of arrangementen van uit te geven,
+op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. Iemand, die dus op
+eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk wil exploiteeren,
+vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij noodig heeft te
+weten en kan aldaar tevens de noodige contracten afsluiten.
+
+Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in
+art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. Art. 11
+bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van Justitie een
+gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de dagteekening van
+dit bewijs geldt bij de berekening van den duur van het auteursrecht
+als punt van aanvang voor de verschillende termijnen (artt. 13,
+15 2o en 16 2o).
+
+Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele
+gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum
+te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal
+staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de
+dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten of--hoewel
+dit wel zelden zal voorkomen--opzettelijk er een verkeerd jaartal
+op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het tijdstip waarop het
+auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou kunnen voortvloeien,
+wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet van het werkelijke
+tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het Departement van
+Justitie het bewijs van ontvangst der inzending afgeeft, begint het
+auteursrecht te loopen.
+
+Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet van
+zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending,
+dat er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. De
+voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de
+duur van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave;
+laat men het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den dood
+des auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve macht
+uitgaande vaststelling van den datum, waarop het recht een aanvang
+neemt, onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs uit
+de registers van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals wij
+gezien hebben is laatstgemeld stelsel voor de berekening van den
+duur van het auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts
+in enkele gevallen komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als
+aanvangspunt in aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en voor
+die welke zonder naam van auteur of onder een verdichten auteursnaam
+verschijnen. Volgens de Duitsche wet, die overigens den duur van
+het auteursrecht vaststelt op dertig jaar na den dood des auteurs,
+bedraagt deze voor de bovengenoemde drie categorieën werken dertig
+jaar na de eerste uitgave; de termijn begint echter niet te loopen op
+den dag der uitgave, doch op den 1sten Januari daaropvolgende. Deze
+bepaling heeft het voordeel, dat men den juisten datum der eerste
+uitgave nu niet behoeft te kennen; als men maar weet in welk jaar
+het boek is verschenen, is dit voldoende om nauwkeurig den dag te
+kunnen bepalen, waarop het auteursrecht een einde neemt. Dat op de
+meeste boeken alleen het jaar der verschijning staat aangegeven,
+is dus volgens dit stelsel geen bezwaar. Ik meen dan ook, dat de
+Duitsche wet op dit punt alleszins navolging verdient, ook zelfs
+in het geval men er hier niet toe zou willen overgaan het systeem
+voor de berekening van den duur van het auteursrecht te wijzigen en
+dus de uitgave van het werk als aanvangspunt van het recht niet als
+uitzondering maar als regel in onze wet bleef bestaan.
+
+
+
+Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als auteur
+willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich als
+rechthebbenden moeten doen kennen "op den voet in de artikelen 10 en
+11 bepaald". Het is niet duidelijk, of een eenvoudige opgaaf van naam
+en woonplaats hiervoor voldoende is, dan wel of hier wederom twee
+exemplaren moeten worden ingezonden met opgaaf van het tijdstip der
+uitgave en verklaring van den drukker. Mr. Veegens [474] neemt het
+laatste aan, op grond dat art. 3 voor dit geval alleen ontheffing van
+den gewonen termijn van inzending verleent, en ik geloof ook wel, dat
+dit de beteekenis is, die men aan dit artikel zal moeten geven, al laat
+m.i. de uitdrukking "op den voet van" eenige ruimte tot twijfel. Hoe
+dit zij, in ieder geval ben ik het volkomen met Mr. Veegens eens,
+dat deze vereischten hier "doelloos" zijn te achten.
+
+De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de overige
+formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is gebonden,
+blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen geschieden. Ook
+zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft geen tenietgaan
+van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts aan den
+toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur zelf,
+de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een enkel
+geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van het recht
+van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig jaar
+na de eerste uitgave. Heeft daarvóór de voorgeschreven inzending
+niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming van
+het anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval
+behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een
+ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13).
+
+Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel zeer
+zelden zal voordoen, kan gezegd worden dat de voorgeschreven inzending
+om zich als auteur te doen erkennen zoo niet noodzakelijk, dan toch
+niet volkomen doelloos is. Want voor derden is het slechts daarom van
+belang te weten wie als auteur wordt aangemerkt, omdat de mogelijkheid
+bestaat, dat dit den duur van het recht beïnvloedt. Dit zal, zooals
+gezegd, onder het stelsel onzer wet eene uitzondering blijven, doch
+als regel gelden daar waar de duur van het auteursrecht steeds naar
+den leeftijd, dien de auteur bereikt, wordt afgemeten. Opheffing van
+de anoniemiteit of pseudoniemiteit heeft daar steeds wijziging in
+den duur van het auteursrecht tengevolge en daarom is het gewenscht,
+dat zij in zoodanigen vorm moet geschieden, dat ieder er kennis
+van kan nemen. Ook op dit punt bevat de Duitsche wet van 19 Juni
+1901 bepalingen, die m. i. zeer doeltreffend zijn te noemen. Het
+auteursrecht op anonieme en pseudonieme werken duurt daar slechts
+dertig jaren na de eerste uitgave, tenzij de ware naam van den
+auteur vóór dien tijd bekend is gemaakt, in welk geval de gewone
+beschermingstermijn geldt, nl. dertig jaren na den dood van den
+auteur. Deze bekendmaking van den naam des auteurs kan op twee wijzen
+geschieden, om het genoemde gevolg te hebben: 1o. door eene latere
+uitgave of openbare op- of uitvoering van het werk onder den waren
+naam des auteurs; en 2o. door eene verklaring, in te zenden door den
+auteur aan den Stadtrath te Leipzig, die voor de inschrijving dezer
+verklaringen in een openbaar register zorg draagt (§§ 7, 31, 56-58).
+
+Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de
+belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der verklaring
+is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen andere
+wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit kennis
+had kunnen krijgen.
+
+
+
+Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze
+wet in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan van
+het auteursrecht het voorbehoud. Dit komt te pas bij vertalings-,
+opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte
+werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen.
+
+Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft:
+neemt men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan,
+dat deze rechten integreerende bestanddeelen van het auteursrecht
+uitmaken, die evenveel reden van bestaan hebben als het kopierecht,
+dan zal men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit laatste
+recht, den auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk door
+hem voorbehouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft
+de wetgever eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze
+bevoegdheden in normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat
+zij slechts als uitzondering door eene bijzondere handeling van den
+auteur kunnen ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting
+bestaat, zooals ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte
+van het uitsluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen
+grondige reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn
+werk in druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft,
+tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaart.
+
+Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat het
+publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al of
+niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen,
+dat de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten,
+worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door
+de instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn
+werk zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij zonder
+toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang kan gaan.
+
+Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de auteurs
+zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne werken wenschen
+te vertalen, op- of uit te voeren, het verkrijgen hunner toestemming
+gemakkelijk te maken. Zoo heeft in Engeland in de tweede helft der
+vorige eeuw het aldaar bestaande uitvoeringsrecht zonder voorbehoud
+tot bedenkelijke gevolgen geleid. Een zekere Wall te Londen had
+zich het uitvoeringsrecht van een groot aantal muziekstukken weten
+te verschaffen en maakte daarvan gebruik om allerlei personen,
+die--meestal te goeder trouw--deze werken in het openbaar uitvoerden,
+voor schadevergoeding aan te spreken. Het ergste was, dat hij
+weigerde inlichtingen te verschaffen over het al of niet bestaan van
+een uitvoeringsrecht op bepaalde liederen en muziekstukken, tenzij
+men hem daarvoor een bedrag van 21 guineas (± f268) betaalde. Om aan
+deze wijze van "exploitatie", waarbij natuurlijk ook de belangen der
+componisten werden geschaad, een einde te maken, werd in de wet van
+10 Augustus 1882, gewoonlijk genoemd de Wall Act, bepaald, dat de
+auteur slechts dan zich tegen de uitvoering zijner muziekwerken kan
+verzetten, wanneer hij op elk exemplaar een voorbehoud van zijn recht
+heeft laten drukken [475].
+
+In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische
+maatregel om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de
+noodzakelijkheid of wenschelijkheid van het voorbehoud-stelsel
+is er niet mee bewezen. Immers de auteurs hebben het altijd in de
+hand misbruiken als deze te voorkomen, daar zij bij het overdragen
+hunner rechten aan anderen hieromtrent in het contract de noodige
+voorwaarden kunnen bedingen. En daar het vooral hun eigen belang is,
+dat hierbij op het spel staat, is van hen te verwachten dat zij dit
+in de meeste gevallen ook werkelijk zullen doen, vooral indien zij
+tijdig op de gevaren worden gewezen waaraan zij zich blootstellen,
+door hunne rechten zonder voorwaarden aan den eersten den besten
+over te doen. Hier zijn het weer de vereenigingen van auteurs, die,
+zooals in het buitenland is gebleken, uitstekende diensten kunnen
+bewijzen. Een tooneel- of muziekvereeniging behoeft nu niet voor
+elk nieuw stuk, dat zij op haar répertoire wenscht te plaatsen,
+daarover met den auteur in onderhandeling te treden; zij heeft zich
+slechts te wenden tot het bureau der auteurs-vereeniging, dat namens
+den auteur toestemming tot op- of uitvoering verleent en zich ook met
+het innen der tantièmes belast. De Belgische Regeering heeft getoond,
+het nut van de auteursvereenigingen in dit opzicht in te zien en
+zij heeft er ook op doelmatige wijze partij van weten te trekken. De
+"Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique" heeft zich
+verbonden, aan de Belgische Regeering eene volledige lijst te geven
+van al hare leden, voor wie zij in auteursrecht-zaken bevoegd is in
+rechten op te treden, terwijl de Belgische Regeering van haar kant
+op zich heeft genomen, deze lijst in de Moniteur Belge te publiceeren
+[476]. Waar het belanghebbenden op deze wijze gemakkelijk wordt gemaakt
+over nog beschermde werken de gewenschte beschikking te krijgen,
+daar is het vereischte van een voorbehoud volmaakt onnoodig; wil de
+auteur de exploitatie van zijn werk op een of meer wijzen vrijlaten,
+dan kan ieder dit met weinig moeite te weten komen, zonder dat de
+auteur gedwongen is, dadelijk bij de verschijning van zijn werk eene
+beslissing te nemen, waarop nooit meer kan worden teruggekomen.
+
+Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-, opvoerings-
+en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van het
+overnemen van berichten en artikelen uit dag- of weekbladen kan het
+nog goede diensten bewijzen. De journalistieke gebruiken brengen mee,
+dat dagbladen op ruime schaal artikelen van elkander overnemen. Hierin
+is niets onrechtmatigs te zien, daar in het algemeen kan worden
+aangenomen, dat het met wederzijdsch goedvinden geschiedt. Eene strenge
+toepassing van de algemeene regels van het auteursrecht zou dus hier
+misplaatst zijn. Wat anders eene uitzondering is kan hier als regel
+worden aangenomen: de auteur wenscht het overnemen van zijn stuk door
+andere bladen vrij te laten, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel
+verklaart [477].
+
+
+
+Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het
+Ontw. B. K. voorschrijft.
+
+Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet vóór of uiterlijk
+dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is geleverd,
+tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden
+door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K. B. aan te
+wijzen Departement van algemeen bestuur is ingezonden:
+
+a) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe
+gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens
+door K. B. vast te stellen model;
+
+b) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels, gravures,
+photographieën of andere verveelvuldigde exemplaren, tegelijk met de
+beschrijving een exemplaar van het werk.
+
+De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending
+zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate.
+
+Wel is hier, voor de onder b genoemde werken, inzending van één
+exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor geschriften er
+twee eischt, doch de financieele last is er niet minder om, daar
+bij werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een grootere
+waarde vertegenwoordigt.
+
+Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal wet,
+waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, daar van
+schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen reproducties
+worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering of
+tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of
+ter bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden
+volstaan met het inzenden der "beschrijving". Of hiervan nu een druk
+gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen. Zoolang
+geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht inbreuk
+zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet aan denken
+hun kunstwerk door het in den handel brengen van reproducties te
+exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich de moeite zullen
+getroosten om de voorgeschreven beschrijving op te maken en in te
+zenden. En laten zij eenmaal den termijn verstrijken, dan is het te
+laat: het werk blijft voor altijd van bescherming verstoken.
+
+Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien zij
+wél wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet anders
+dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van het kunstwerk
+kunnen zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI
+
+EENIGE MET HET AUTEURSRECHT IN VERBAND STAANDE RECHTEN
+
+
+Reeds meer dan eens heb ik erop kunnen wijzen, dat op het
+gebied van het auteursrecht verschillende bevoegdheden bestaan,
+die zich niet laten verklaren als een uitvloeisel van het
+recht op het geestesproduct, maar die te rekenen zijn tot de
+persoonlijkheidsrechten, omdat zij tot bescherming strekken van een
+goed, dat niet van den persoon kan worden losgemaakt.
+
+Eerst in de laatste jaren wordt de onderscheiding tusschen auteursrecht
+en persoonlijkheidsrecht algemeen gemaakt. De Fransche schrijvers
+spreken daarbij meestal van "le droit moral", dat dan gesteld
+wordt tegenover "le droit pécuniaire" [478]. Deze termen komen mij
+echter minder juist voor, omdat zij de gedachte wekken, dat het
+verschil uitsluitend ligt in het al of niet op geld waardeerbaar
+zijn. Wel zullen dikwijls bij de persoonlijkheidsrechten alleen
+moreele of ideëele belangen betrokken zijn, doch een vaste regel
+is dit niet. Het gebruikmaken van een bepaalden auteursnaam zou
+b.v. in sommige gevallen heel goed eene geldelijke waarde kunnen
+vertegenwoordigen. Evenmin is het waar, dat een vermogensrecht (in dit
+geval dus het auteursrecht) uitsluitend ter bescherming van geldelijke
+belangen dient [479]. Overigens hebben de bedoelde Fransche schrijvers
+met hunne "droits moraux" in hoofdzaak dezelfde rechten op het oog, die
+de Duitsche rechtsgeleerden Individualrechte of Persönlichkeitsrechte
+noemen en die hier onder den naam van persoonlijkheidsrechten worden
+behandeld.
+
+Naar eene opzettelijke regeling van deze rechten zal men in de meeste
+wetgevingen vergeefs zoeken. Hiermede is echter niet gezegd, dat zij
+geene erkenning vinden. Onder den naam van auteursrecht verleent de
+wet soms bevoegdheden, die feitelijk niet tot het auteursrecht, maar
+tot het persoonlijkheidsrecht behooren. Dit is natuurlijk allerminst
+een reden, om de onderscheiding te laten vallen; voor juridische
+constructies behoeft men niet bij den wetgever te rade te gaan. Ook
+worden enkele der hier bedoelde rechten in verschillende landen,
+hoewel de wet ze niet uitdrukkelijk verleent, toch door den rechter
+op grond van algemeene rechtsbeginselen erkend.
+
+In het algemeen kan trouwens worden opgemerkt dat niet alleen in
+theorie maar ook in de practijk de leer der persoonlijkheidsrechten
+in verband met het auteursrecht meer en meer erkenning vindt. Waar het
+positieve recht op dit punt nog tekort schiet, kan men uit de eischen
+en verlangens der belanghebbenden opmaken, dat dit als een gemis
+wordt gevoeld. Zoo zijn b.v. op meer dan een congres der Association
+over het "droit moral" rapporten uitgebracht; de volgende stellingen
+werden o. a. op het Congres van Heidelberg van 1899 aangenomen:
+
+"De auteur van elk geestesproduct heeft het recht zijne hoedanigheid
+van auteur te doen erkennen en kan in rechten optreden tegen ieder,
+die zich deze hoedanigheid zou willen aanmatigen.
+
+"Ook als de auteur zijn werk heeft vervreemd, behoudt hij de
+bevoegdheid zijne hoedanigheid van auteur door derden te doen
+eerbiedigen. Overigens kan hij er zich tegen verzetten, dat hij aan
+wien het is overgedragen, het werk in gewijzigden vorm verveelvoudigt
+of tentoonstelt, of er een gebruik van maakt dat het contract niet
+voorziet" [480].
+
+In overeenstemming hiermede zijn ook enkele bepalingen der loi-type
+(artt. 10, 11, 12 en 14).
+
+Wenschen als de bovengenoemde, die ook op congressen en vergaderingen
+van andere vereenigingen van uitgevers en auteurs werden geuit [481],
+bewijzen dat de persoonlijkheidsrechten, voor zoover zij nog niet
+in het positieve recht zijn opgenomen, niet alleen bestaan als de
+vruchten van wetenschappelijke theorieën, maar dat de belanghebbenden
+er evenzeer aanspraak op maken, als op de vermogensrechtelijke
+bescherming.
+
+Op verschillende wijzen kunnen de bedoelde rechten met het
+auteursrecht in verband staan. Het recht b.v. om zich te verzetten
+tegen openbaarmaking van niet daarvoor bestemde stukken zal
+meestal samengaan, d. w. z. in één hand vereenigd zijn, met het
+auteursrecht. Slechts in enkele gevallen zal het een zelfstandig
+bestaan toonen, b.v. indien het geschriften betreft, die niet tot de
+auteurs-scheppingen zijn te rekenen (zooals b.v. brieven) of wanneer
+het auteursrecht aan eene gedwongen vervreemding zou blootstaan
+(b.v. bij faillissement van den auteur). In het laatste geval is het
+'t persoonlijkheidsrecht van den auteur, dat het in beslagnemen van
+het auteursrecht tegenhoudt; dit laatste wordt, zooals Kohler het
+uitdrukt, krachtens het persoonlijkheidsrecht "verklammert" [482].
+
+Het persoonlijkheidsrecht brengt echter ook bevoegdheden mee, die
+het auteursrecht niet geeft, zooals b.v. het recht, zich ertegen
+te verzetten dat de auteursnaam van het werk wordt weggelaten
+of door een anderen vervangen, en het zoogenaamde recht op de
+integriteit van het werk, d. w. z. het recht te verlangen, dat het
+werk ongeschonden, zonder wijzigingen, toevoegsels of afkortingen,
+publiek wordt gemaakt. Zoolang het met het auteursrecht in ééne hand
+vereenigd blijft, kunnen beide rechten elkander dus aanvullen; heeft
+de auteur het auteursrecht vervreemd, dan blijven hem krachtens zijn
+persoonlijkheidsrecht nog enkele bevoegdheden over, zoodat dán de
+twee rechten tegenover elkander staan.
+
+Ook kan het auteursrecht in betrekking staan met
+persoonlijkheidsrechten van anderen dan de auteurs; dit is bijvoorbeeld
+het geval ten aanzien van portretten: het den auteur toekomend
+uitsluitend reproductierecht kan op sommige punten in botsing komen
+met het recht van den geportretteerde, om zich tegen openbaarmaking
+zijner beeltenis onder bepaalde omstandigheden te verzetten. Iets
+dergelijks kan zich voordoen, indien in een roman of tooneelstuk
+hetzij door den naam, hetzij door de karakterteekening, bestaande
+personen worden aangeduid, in het bijzonder wanneer zij daardoor in
+een minder gunstig daglicht komen te staan.
+
+In de afzonderlijke bespreking, die ik van de verschillende hierboven
+genoemde rechten laat volgen, zal het een en ander, voorzoover het
+in verband met het auteursrecht van belang is te achten, meer in
+bijzonderheden worden nagegaan.
+
+
+
+
+I Recht op brieven
+
+Volgens Kohler heeft ieder mensch het recht te verlangen, "dasz
+das Internum (seines) Lebens geschont wird"; dat de intieme zijden
+der persoonlijkheid "nicht in einer der menschlichen Lebensführung
+widersprechenden Weise an die Oeffentlichkeit gezogen werden"
+[483]. Hieruit vloeien verschillende met het auteursrecht in verband
+staande bevoegdheden voort, die in het algemeen bestaan in een recht
+op geheimhouding (althans niet publiek-making) van hetgeen niet voor
+openbaarmaking is bestemd.
+
+Dit is vooral van belang met het oog op brieven [484]. In de meeste
+gevallen zullen deze niet voldoen aan de vereischten, die aan een
+auteursproduct moeten worden gesteld. Het zijn dikwijls niet anders
+dan op schrift gestelde mededeelingen en ontboezemingen, die evenmin
+aanspraak kunnen maken op den naam van scheppingen als soortgelijke
+mededeelingen en ontboezemingen, die niet schriftelijk, maar mondeling
+in een gesprek tot uiting zijn gekomen. Liet men dus de vraag, of de
+schrijver van een brief het uitsluitend recht van publicatie heeft,
+afhangen van het al of niet bestaan van auteursrecht, dan zou in de
+meeste gevallen zulk een recht moeten worden ontzegd, en wel in de
+eerste plaats voor die brieven, waarvan juist wegens hun vertrouwelijk
+of intiem karakter eene ongewenschte openbaarmaking het pijnlijkst
+kan zijn.
+
+Slechts in enkele wetgevingen zijn de rechten op brieven uitdrukkelijk
+genoemd; doch eene duidelijke regeling, waarin het hier besproken
+persoonlijkheidsrecht onafhankelijk van het auteursrecht wordt
+toegekend vindt men, zoover mij bekend is, in geen enkele wet. Wel
+is dit recht in verschillende landen door de jurisprudentie erkend
+[485], doch dit neemt niet weg, dat eene wettelijke regeling op dit
+punt gewenscht blijft.
+
+Vooral met het oog op den duur van dit recht is het wenschelijk een
+vasten regel te hebben; de meesten zijn het er over eens, dat het in
+elk geval voortduurt tot aan den dood van den briefschrijver; doch
+daar men meestal eerst na iemands overlijden tot het uitgeven zijner
+brieven overgaat, is het van groot belang te weten òf, en zoo ja hoe
+lang, het daarna nog ten bate der erfgenamen blijft voortduren. Hier
+is behoefte aan een vasten termijn, die natuurlijk alleen door de
+wet kan worden gegeven [486].
+
+Neemt het persoonlijkheidsrecht met den dood een einde? De vraag wordt
+dikwijls bevestigend beantwoord; o. a. werd dit in Duitschland gedaan
+door het Reichsgericht in een, hierboven reeds ter sprake gebracht,
+arrest van 28 Februari 1898 [487]. Het betrof een aantal brieven van
+Richard Wagner, die in een ongeveer negen jaren na diens overlijden
+uitgekomen boek waren opgenomen. Wel werd aangenomen, dat er een
+persoonlijk recht bestaat van den briefschrijver om zich tegen de
+publicatie te verzetten, doch in dit geval kon men zich daarop niet
+beroepen, daar de aard van dit recht meebrengt, dat het met den dood
+van den rechthebbende te niet gaat. Zoolang geen uitdrukkelijke
+wetsbepaling het tegendeel inhoudt, valt er voor deze opvatting
+m. i. wel iets te zeggen [488]; in jure constituendo echter ben ik
+van de meening van Kohler, die dit recht niet met het overlijden,
+maar eenigen tijd daarna, wil doen ophouden. Lang behoeft de termijn
+niet te zijn; vijf jaar, zooals Kohler voorstelt [489], of hoogstens
+tien schijnt daarvoor voldoende; het is er slechts om te doen de
+algeheele vrijheid van publicatie zoolang op te schorten, totdat
+de beoordeeling van den overledene objectief kan geschieden, buiten
+invloed van persoonlijke gevoelens van haat, vriendschap, jaloezie
+enz. die hij bij zijn leven heeft opgewekt; het overgangstijdperk, zou
+men kunnen zeggen, tusschen het tijdstip, waarop de persoon nog in het
+volle leven staat en dat waarop hij geheel tot de geschiedenis behoort.
+
+Uit het bovenstaande volgt, dat het hier besproken recht, hoewel met
+het auteursrecht eenige punten van overeenkomst vertoonend, toch van
+eene andere strekking is. Het beoogt niet, zooals het auteursrecht, de
+uitsluitende exploitatie van een immaterieel goed aan den voortbrenger
+te verzekeren; doch het beschermt de tot het private leven behoorende,
+vertrouwelijke uitingen tegen ongewenschte openbaarmaking. Hieruit
+volgt, dat wanneer de briefschrijver eenmaal zelf tot de uitgave zijner
+brieven is overgegaan, hij zich niet tegen nadruk meer kan verzetten;
+tenzij natuurlijk zijne uitgave, hetzij door den bijzonderen aard der
+brieven, hetzij door de wijze waarop zij tot een geheel zijn geschikt,
+als auteursproduct is te beschouwen en als zoodanig bescherming geniet.
+
+De heerschende opvatting hier te lande, volgens welke alle mogelijke
+schrifturen als door de wet beschermde geestesproducten zijn te
+beschouwen, zou ongetwijfeld ook meebrengen, dat op alle brieven
+auteursrecht wordt erkend. Zoo zou toch, al is het dan langs een
+anderen weg, hetzelfde doel worden bereikt en dit zou wellicht
+voor sommigen een reden kunnen zijn, om de onderscheiding tusschen
+auteursrecht en persoonlijkheidsrecht op dit punt onnoodig en doelloos
+te achten. Ik meen echter dat uit hetgeen voorafgaat genoegzaam
+blijkt, dat de leer, die ik hier voorsta, ook wat de practische
+gevolgtrekkingen betreft, niet geheel zonder belang is. Een recht
+op publicatie van onuitgegeven brieven, dat met, of korten tijd na,
+den dood van den schrijver een einde neemt, is toch iets anders dan
+een uitsluitend exploitatierecht, dat de erfgenamen van den schrijver
+nog dertig jaren na diens dood zouden kunnen uitoefenen. Het lijdt
+m. i. geen twijfel, of het eerste is met het oog op het doel dat met de
+bescherming hier moet worden bereikt, te verkiezen boven het laatste.
+
+
+
+
+II Persoonlijkheidsrecht in verband met beslag op auteursrecht
+
+Is het bij brieven, die meestal niet als auteursproducten zijn te
+beschouwen, vooral het vertrouwelijk karakter dat de bescherming
+tegen openbaarmaking rechtvaardigt, bij geschriften van anderen aard,
+die daartoe wél gerekend moeten worden, en ook voor kunstwerken,
+komt hier nog eene andere overweging bij.
+
+Schrijvers en kunstenaars worden voornamelijk, zoo niet uitsluitend,
+beoordeeld naar de werken, die van hen in het licht komen. Bij elke
+nieuwe publicatie die van hen uitgaat is hun naam als geleerde of
+kunstenaar gemoeid. De beslissing of een werk al dan niet openbaar
+zal worden gemaakt is dus eene zaak van het grootste gewicht voor
+den auteur: besluit hij tot openbaarmaking, dan zal hij daarvoor de
+volle verantwoordelijkheid hebben te dragen. Maar daarom moet hij ook
+in zijne beslissing volkomen vrij worden gelaten en niet gedwongen
+kunnen worden tot publicaties, waarvoor hij die verantwoordelijkheid
+niet op zich durft nemen. Elk auteur, die zijne taak ernstig opvat,
+hij zij schilder, letterkundige, componist of geleerde, zal wel
+eens werken in portefeuille hebben waarover hij niet tevreden is,
+al maken zij ook overigens den indruk "af" te zijn. Men hoort soms
+van schrijvers die jarenlang een manuscript onder zich houden, totdat
+zij eindelijk het zoo hebben weten om te werken, dat het naar hun
+zin is. Hetzelfde is het geval met voortbrengers op het gebied van
+beeldende kunst en muziek.
+
+Het is dus voor auteurs van het grootste gewicht en tevens een eisch
+van rechtvaardigheid, dat zij zelf kunnen bepalen, óf, en zoo ja
+wanneer en op welke wijze, hun werk publiek wordt gemaakt. Meestal
+zullen zij hiervoor in het auteursrecht of in het eigendomsrecht
+op hunne manuscripten, schetsen enz. voldoende bescherming vinden;
+er zijn echter gevallen, waarin deze rechten niet baten, indien zij
+nl., als andere vermogensrechten, ter beschikking moeten staan van
+des auteurs schuldeischers, om hunne vorderingen tegen hem daaruit
+te verhalen. Want ook van werken, die de auteur niet voor publicatie
+geschikt acht en die hij daarom ongeëxploiteerd heeft gelaten, kan
+het auteursrecht eene geldelijke waarde vertegenwoordigen. Stond het
+nu den schuldeischers vrij, dit recht, evenals elk ander deel van
+het vermogen van hunnen debiteur, in beslag te doen nemen, dan zou
+daarmede tevens den auteur uit handen worden genomen het bovenbesproken
+persoonlijkheidsrecht om over de eerste openbaarmaking te beslissen.
+
+Hier dienen--en dit is eene vrijwel algemeen gedeelde opinie,
+die na het voorgaande m. i. geen toelichting meer behoeft--de
+belangen der schuldeischers te wijken voor die van den auteur. Geen
+beslag op auteursrecht mag dus worden toegelaten, indien het
+persoonlijkheidsrecht daardoor zou worden aangetast.
+
+De bepaling in onze wet (art. 9 derde lid), welke elk beslag op
+auteursrecht uitsluit, gaat echter te ver. Het blijkt trouwens niet,
+dat zij haar bestaan dankt aan het boven gestelde beginsel. Het eerst
+komt zij voor in het ontwerp van minister Modderman. Naar aanleiding
+van eene in het voorloopig verslag (p. 8) gemaakte opmerking,
+verklaarde de Regeering in de memorie van antwoord (ad art. 9, p. 4)
+zich te kunnen vereenigen met het gevoelen der "meeste leden", dat
+het niet wenschelijk was, beslag op het auteursrecht toe te laten. Van
+geen van beide zijden werd dit echter nader gemotiveerd.
+
+Ook in het Ontw. B. K. werd eene analoge bepaling opgenomen (art. 5
+derde lid). In de memorie van toelichting (p. 4) vindt men daaromtrent
+opgemerkt: "Het toelaten van beslag zou bij de uitvoering tot tal van
+moeilijkheden leiden. Deze overweging schijnt ook bij de wet van 1881
+tot eene bepaling als de hier bedoelde te hebben geleid."
+
+Waarschijnlijk was het dus niet zoozeer de overweging, dat hier voor
+een bijzonder recht van den auteur moest worden gewaakt, dan wel vrees
+voor de moeilijkheden, die de uitvoering van het beslag op auteursrecht
+mee zou brengen, die de bepaling in de wet heeft doen opnemen.
+
+Hiermede is zij echter allerminst gerechtvaardigd. De "moeilijkheden",
+waarvan wordt gesproken, mogen niet geheel denkbeeldig zijn,
+onoverkomelijk zijn zij niet, zooals in andere landen, waar het beslag
+in sommige gevallen wel is toegelaten, is bewezen. Hierop kom ik zoo
+aanstonds nog terug.
+
+De groote bedenking, die tegen een algemeen verbod van beslag, zooals
+de wet van 1881 en het Ontw. B. K. inhouden, is te maken, bestaat
+hierin, dat met de rechten der schuldeischers in 't geheel geen
+rekening wordt gehouden. Betreft het een werk, dat reeds eerder door
+den auteur gepubliceerd en in exploitatie gebracht was, dan bestaat
+er volstrekt geen reden, waarom het uitsluitend recht om het verder op
+dezelfde wijze te exploiteeren niet aan zijn schuldeischers zou mogen
+worden toegewezen. Nog sterker komt de onbillijkheid der bepaling uit,
+als men denkt aan het geval, dat het auteursrecht niet meer in handen
+is van den auteur. In den boedel van eene uitgeverszaak bijvoorbeeld
+zullen juist de auteursrechten dikwijls een belangrijk aandeel vormen
+van de aanwezige baten en het gaat niet aan dat bij faillissement de
+schuldeischers hierover niet zouden kunnen beschikken [490].
+
+Het verbod van beslag dient derhalve te worden beperkt tot die
+gevallen, waarin eene gedwongen vervreemding van het auteursrecht
+tevens eene krenking van het persoonlijkheidsrecht zou meebrengen. Als
+algemeene regel kan men stellen, dat beslag moet zijn toegelaten
+wanneer het auteursrecht niet meer den auteur toebehoort, of wanneer
+het een werk betreft, dat reeds vroeger door den auteur was publiek
+gemaakt. Er doen zich echter in verband hiermee nog enkele vragen voor.
+
+In de eerste plaats is door verschillende schrijvers gestreden
+over de kwestie, of beslag moet zijn toegelaten, indien het werk
+nog niet is uitgegeven, maar wel door den auteur definitief voor
+openbaarmaking bestemd, b. v. in het geval een auteur zijn manuscript
+naar een uitgever heeft gezonden of ter plaatsing aan een tijdschrift
+aangeboden. Dit geval heeft zich o. a. voorgedaan in Duitschland (onder
+de vroegere wet o. h. auteursrecht, die geen speciale bepalingen
+over beslag inhield); het Landgericht van Berlijn liet het leggen
+van beslag toe op een onuitgegeven roman, die door den auteur aan een
+uitgevershuis was toegezonden [491]. In Frankrijk werd evenzoo beslist
+door het Tribunal civil van Troyes (31 Jan. 1900); hier betrof het
+kopie van een journalist, die reeds in handen van den drukker was
+[492]. Deze beide beslissingen komen mij juist en billijk voor:
+in beide gevallen stond vast, dat de auteur tot publicatie van zijn
+werk wenschte over te gaan en aan zijn voornemen reeds een begin van
+uitvoering had gegeven; in deze omstandigheden ware een beroep op zijn
+persoonlijkheidsrecht, dat door de publicatie zou worden gekrenkt,
+misplaatst. Met het oog hierop zou het m. i. aanbeveling verdienen
+bij eene wijziging van art. 9 derde lid onzer wet het beslag, behalve
+bij uitgegeven werken, ook toe te laten, indien het blijkt, dat de
+auteur op het oogenblik dat het beslag wordt gelegd, zijn werk voor
+publicatie heeft bestemd. Wat werken van beeldende kunst betreft geeft
+o. a. de Belgische wet (art. 9) eene regeling, die navolging verdient:
+geen beslag kan worden gelegd, zoolang een werk niet voor verkoop of
+publicatie gereed is.
+
+Een andere vraag is, of het persoonlijkheidsrecht, waarvan hier sprake
+is, ook na den dood van den auteur moet blijven voortduren. Indien
+deze het auteursrecht bij zijn leven heeft vervreemd, komt de vraag
+niet te pas; het recht om te beslissen, of iets al dan niet openbaar
+zal worden gemaakt, kan de auteur niet aan een ander overdragen. Maar
+wél zou kunnen gevraagd worden, of niet zijne erfgenamen, en in 't
+bijzonder zijne naaste verwanten, nog na den dood des auteurs eene
+publicatie moeten kunnen beletten, waartoe deze bij zijn leven niet
+heeft willen overgaan. Ik meen dat er reden is deze vraag bevestigend
+te beantwoorden, op soortgelijken grond als hierboven bij de bespreking
+van het recht op brieven is aangevoerd. Op de naastbestaanden van den
+auteur gaat bij diens overlijden de verantwoordelijkheid van hetgeen
+er van hem uitkomt min of meer over; zij hebben er, althans in de
+eerste jaren na het overlijden, voor te waken, dat de naam, dien
+hij zich bij zijn leven heeft gemaakt, ongeschonden blijft. Doch ook
+hier bestaat er geen grond, dit recht der erfgenamen lang te laten
+voortduren. De bescherming van de persoonlijkheid des overledenen
+krijgt na verloop van tijd een ander karakter; zij behoeft dan niet
+meer aan één persoon, of aan een kleine groep van personen te worden
+overgelaten. De zuiver persoonlijke elementen, die het oordeel
+over den nog in leven zijnden schrijver of kunstenaar mee hielpen
+vormen, doen zich dan niet meer gelden; de auteur en zijn werk worden
+slechts beoordeeld naar de beteekenis, die zij als verschijnsel in de
+beschavingsgeschiedenis hebben gehad en er bestaat geen reden voor
+om hun, die deze beteekenis hebben te bepalen, de hulpmiddelen die
+daarover licht kunnen verspreiden, te onthouden.
+
+De bepaling der Duitsche wet, die beslag van auteursrecht op
+onuitgegeven werken ook tegenover de erfgenamen geheel uitsluit [493],
+zoodat dertig jaren lang de onuitgegeven werken van den erflater
+in hunne handen onaantastbaar zijn, gaat daarom m. i. te ver. Een
+termijn van vijf jaar, zooals ik hierboven in navolging van Kohler
+voor het publicatierecht van brieven van een overledene heb genoemd,
+schijnt mij ook voor dit geval meer passend.
+
+Na bovenstaande beschouwingen komen wij dus tot de conclusie,
+dat beslag op auteursrecht dient te worden toegelaten: tegenover
+den auteur, voorzoover het werken betreft, die reeds met zijn
+goedvinden zijn gepubliceerd of die door hem tot publicatie zijn
+bestemd; tegenover zijne erfgenamen bovendien op het auteursrecht
+van niet-gepubliceerde werken, wanneer eenige (bijvoorbeeld vijf)
+jaren na het overlijden zijn verloopen; tegenover zijne overige
+rechtverkrijgenden in alle gevallen.
+
+Hierbij dient echter nog onderscheid te worden gemaakt tusschen de
+verschillende wijzen, waarop de publicatie kan plaats hebben. Heeft een
+auteur b.v. zijn tooneelstuk in druk uitgegeven, dan volgt daaruit nog
+niet, dat hij het ook voor opvoering geschikt acht. Er zijn stukken,
+wier kenmerkende eigenschappen, waardoor zij bij de lezing juist
+zoozeer bekoorden, op het tooneel niet tot hun recht komen; andere,
+die hoewel naar den vorm tooneelstukken, in 't geheel niet op eene
+vertooning in de schouwburg berekend zijn. Ook bij andere werken kan
+het een groot verschil maken, op welke wijze en in welken vorm het
+publiek er mede in aanraking wordt gebracht; men denke b.v. aan een
+rede, die op degenen die haar hooren uitspreken grooten indruk maakt,
+doch later, wanneer men haar gedrukt voor zich krijgt, bij de lezing
+niet bevredigt. Daarom moet met het oog op de al of niet vatbaarheid
+voor beslag elke wijze van reproductie afzonderlijk worden beschouwd;
+en moet als beginsel aangenomen worden, dat het beslag slechts die
+middelen van exploitatie mag betreffen, welke de auteur zelf reeds
+heeft aangewend.
+
+In het algemeen moet trouwens in het oog worden gehouden,
+dat het beslag niet tot gevolg kan hebben, dat de executant
+een onbepaald beschikkingsrecht krijgt over het geschrift of
+kunstwerk. Naast de reeds behandelde bestaan er nog verschillende
+andere persoonlijkheidsrechten van den auteur, die bij de exploitatie
+van zijn werk door anderen gekrenkt kunnen worden, en het behoeft
+geen betoog dat deze rechten ook na een gedwongen vervreemding van
+het auteursrecht geëerbiedigd dienen te worden. Zoo zal b.v. de in
+beslagneming van het auteursrecht er niet toe mogen leiden, dat
+het werk met wijzigingen, zonder medeweten van den auteur daarin
+aangebracht, wordt gepubliceerd, of dat bij de exploitatie middelen
+worden gebruikt, die met het karakter of de kunstwaarde van het werk
+niet in overeenstemming zijn: b.v. opvoering van een tooneelstuk
+door daartoe ontoereikende krachten; reproductie van een werk van
+beeldende kunst in een daarvoor ongeschikt procédé enz. enz. Ook
+zal de nieuwe rechthebbende op het auteursrecht c.q. de anoniemiteit
+hebben te eerbiedigen en zich in het algemeen bij het in den handel
+brengen van exemplaren moeten houden aan de--hieronder nog nader te
+bespreken--beginselen betreffende het gebruik van den auteursnaam.
+
+Deze en andere rechten en belangen van den auteur kunnen uit den aard
+der zaak bij executie van het auteursrecht in gevaar komen, en het is
+wel gewenscht dat bij de uitvoering van het beslag hiermede rekening
+wordt gehouden. Het exploitatie-recht van een geestesproduct is nu
+eenmaal, juist wegens de persoonlijkheidsrechten, die er zoo nauw
+mee zijn verbonden, niet geheel op eene lijn te stellen met andere
+vermogensrechten, en het zijn wellicht de moeilijkheden die hieruit
+voortspruiten, welke onze wetgever op het oog had, toen hij de absolute
+onvatbaarheid voor beslag van het auteursrecht voorschreef. Met het
+oog hierop kan het zijn nut hebben, hierbij nog een oogenblik stil te
+staan en enkele opmerkingen te wijden aan de wijze, waarop aan deze
+moeilijkheden zou kunnen worden tegemoet gekomen in verband met de
+algemeene regeling van het beslag in onze wetgeving.
+
+Hierbij moet onderscheiden worden tusschen de twee soorten van
+gerechtelijk beslag, die ons recht kent: het beslag door een of
+meer schuldeischers op bepaalde goederen gelegd (geregeld in het
+Wetb. v. B. Rechtsv. artt. 439 sqq.); en het faillissement, waarbij
+op het geheele vermogen ten behoeve van alle schuldeischers beslag
+wordt gelegd (geregeld in de Faillissementswet). Beide soorten
+van beslag hebben ten doel uit het vermogen van den schuldenaar de
+vorderingen zijner schuldeischers te verhalen, en bij beide wordt dit
+doel bereikt door eene gedwongen vervreemding der goederen, waarop
+het beslag gericht is. Er bestaat echter verschil in de wijze waarop
+deze realiseering der goederen tot stand komt.
+
+Bij het individueele beslag schrijft de wet voor (artt. 463
+sqq. B. Rv.), dat de goederen in het openbaar zullen worden verkocht en
+aan den meestbiedende toegewezen (art. 469 Rv.). De toepassing dezer
+bepaling op het auteursrecht zou m. i. niet geheel zonder bedenking
+zijn, daar hier elke waarborg ontbreekt, dat de meestbiedende, wanneer
+hem eenmaal het auteursrecht toebehoort, de persoonlijkheidsrechten
+van den auteur zal ontzien. Wel moet natuurlijk worden aangenomen,
+dat met het recht ook de daarmede verband houdende verplichtingen op
+den nieuwen verkrijger overgaan, en dat deze in geen geval het recht
+krijgt, om alles met het auteursproduct te doen wat hij wil. Neemt men
+het bestaan van persoonlijkheidsrechten in den zin zooals ik het hier
+heb gedaan aan, dan volgt daaruit, dat de auteur tegen elken inbreuk,
+door wien ook gepleegd, in rechten kan optreden. Theoretisch maakt
+het dus geen verschil, aan wien het auteursrecht wordt toegewezen;
+in de practijk komt het er echter zeer veel op aan. De auteur zal
+er niet zoo spoedig toe overgaan eene actie wegens inbreuk op het
+persoonlijkheidsrecht in te stellen, vooral indien hij, zooals na een
+beslag of faillissement wel steeds het geval zal zijn, in financieele
+moeilijkheden zit; de uitkomst zal dikwijls zeer onzeker zijn en de
+schadevergoeding, die hem in het gunstigste geval ten deel valt,
+zal toch nooit de gevolgen van den inbreuk geheel kunnen te niet
+doen. Het verdient daarom verre de voorkeur, waar dit maar eenigszins
+mogelijk is, preventief tegen dergelijke inbreuken op te treden,
+en dit zou ook bij de gerechtelijke verkoop van het auteursrecht
+kunnen geschieden, indien het mogelijk was, toewijziging van het
+auteursrecht te weigeren aan personen, in wier handen men het in dit
+opzicht niet veilig acht. Zoo zal het b.v. niet kunnen geschieden,
+dat een derderangs operette-gezelschap het uitsluitend exploitatierecht
+van een ernstig en bij de uitvoering vele eischen stellend muziekdrama
+krijgt, of een uitgever van prentbriefkaarten het reproductierecht
+van een schilderij of teekening, wier karakter met zulk eene wijze
+van verspreiding niet in overeenstemming is. Ook kan hierdoor worden
+voorkomen, dat het auteursrecht wordt aangekocht met het doel alle
+verdere exploitatie van het werk te verhinderen.
+
+Indien men er hier toe overgaat beslag op auteursrecht in sommige
+gevallen toe te laten, zal het derhalve wenschelijk zijn, dat bij de
+uitvoering ervan van de bepalingen omtrent den gerechtelijken koop kan
+worden afgeweken. De wijze waarop het auteursrecht te gelde gemaakt
+moet worden, zou dan b.v. ter beslissing aan de Rechtbank kunnen worden
+gelaten, indien schuldenaar en schuldeischer het daarover niet eens
+kunnen worden.
+
+Voor het geval van faillissement zou een dergelijke uitzondering op
+den algemeenen regel m. i. niet noodig zijn. Aan den curator en den
+rechter-commissaris wordt door de Faillissementswet voldoende vrijheid
+van beweging gelaten, om de rechten en belangen, die hier op het spel
+staan, behoorlijk te bewaken (men zie o. a. de bepaling van art. 174
+F. W.), en men mag aannemen, dat hiervan in den regel een juist
+gebruik zal worden gemaakt, waarbij dan natuurlijk zooveel mogelijk
+met de wenschen van den faillieten auteur rekening zal worden gehouden.
+
+
+
+
+III Het recht van den auteur dat zijn werk in ongeschonden staat
+wordt publiek gemaakt
+
+Niet alleen dat zijn werk zonder zijne toestemming niet openbaar
+mag worden gemaakt is voor den auteur van groot belang, doch ook
+dat de openbaarmaking, wanneer hij daartoe eenmaal besloten heeft,
+zóó geschiede, dat zijn werk daardoor niet gewijzigd of verminkt
+aan het oordeel van het publiek wordt blootgesteld. Dat ook in
+dit opzicht eene krenking der persoonlijkheid mogelijk is, zal na
+het voorgaande gemakkelijk zijn in te zien. De bescherming tegen
+ongewenschte openbaarmaking zou maar weinig baten, indien de auteur,
+na eenmaal zijne toestemming tot de publicatie te hebben gegeven,
+lijdelijk moest toezien, dat aan zijn werk wijzigingen, afkortingen
+of toevoegsels werden aangebracht, waardoor het geheel van aanzien
+verandert; zijn streven, om alleen voldragen werk, waarover hijzelf
+volkomen tevreden is, het licht te doen zien, zou in dat geval veelal
+zonder gevolg blijven: want het publiek vormt natuurlijk zijn oordeel
+naar het werk, niet zooals de auteur het heeft afgeleverd, maar zooals
+de exploitanten het gelieven te publiceeren.
+
+Het is dan ook een in de laatste jaren vrijwel algemeen aangenomen
+beginsel, dat den auteur het recht toekomt--ook als het uitsluitend
+reproductie-recht in andere handen is of in 't geheel niet bestaat--om
+zich er in rechte tegen te verzetten, dat zijn werk zonder zijne
+toestemming met wijzigingen, afkortingen of toevoegsels aan het
+publiek wordt voorgezet.
+
+In Frankrijk zijn herhaaldelijk beslissingen gewezen, waaruit de
+erkenning van dit recht blijkt. Zoo werd b.v. aangenomen dat een
+schilder er zich tegen kan verzetten, dat door degeen aan wien hij
+het auteursrecht had overgedragen reproducties van zijn schilderij
+in den handel werden gebracht waarbij de achtergrond was gewijzigd
+[494]; evenzoo de teekenaar voor een geïllustreerd tijdschrift, wiens
+teekeningen met onderschriften met veranderingen werden weergegeven
+[495].
+
+In een ander geval was van een schilderij in een der Rijksmusea,
+voorstellende de Heilige Maagd, eene reproductie op email gemaakt,
+alleen van het hoofd. De Seine-Rechtbank overwoog o.a. dat gedaagde "en
+faisant reproduire sur émail la tête seule de la Vierge consolatrice
+qu'il a mise en vente chez Ferrand, a dépassé les limites de son droit;
+qu'il a en effet, isolé la tête de la vierge de l'ensemble de l'oeuvre
+de Bouguereau; que, par suite de cette séparation, qui ne permet plus
+de comprendre l'attitude ni l'expression qu'explique d'une manière
+complète le reste du tableau représentant une mère affligée pleurant
+la mort de son enfant, la pensée de l'auteur se trouve complètement
+dénaturée, qu'elle devient absolument incompréhensible pour celui
+qui n'aura sous les yeux que la reproduction partielle effectuée sur
+l'émail saisi." En verder dat de auteur, ook als het reproductierecht
+niet meer bestaat: "peut exiger que sa pensée et son oeuvre qui
+n'en est que la traduction ne soient pas altérées; qu'elles soient
+reproduites comme il les a lui-même enfantées; qu'il a, en dehors de
+tout avantage matériel auquel il a renoncé, le droit de sauvegarder sa
+réputation artistique et qu'il est fondé à réclamer la réparation du
+préjudice à lui causé par toute atteinte qui y est portée ..." [496].
+
+De Seine-Rechtbank veroordeelde voorts 18 Febr. 1902 tot betaling van
+vijfhonderd francs schadevergoeding iemand die een tijdschriftartikel,
+dat zonder voorbehoud van auteursrecht was verschenen en derhalve
+nagedrukt mocht worden, zoodanig gewijzigd had overgenomen, dat
+de denkbeelden van den oorspronkelijken auteur daarin onjuist
+en onvolledig waren weergegeven [497]. Vier jaar later werd door
+hetzelfde college aan iemand, die het uitsluitend vertalingsrecht
+van een Engelsch werk in Frankrijk had verkregen, duizend francs
+schadevergoeding opgelegd omdat hij bij de uitgave der Fransche
+vertaling zonder toestemming des auteurs een nieuw hoofdstuk van
+eigen maaksel aan het werk had toegevoegd [498].
+
+Ook zijn mij eenige Fransche beslissingen bekend, die niet het geval
+betroffen dat wijzigingen in het werk waren aangebracht, maar waar
+de auteur zich beklaagde, dat zijn werk was weergegeven door middel
+van een procédé, waarvoor het niet was berekend. Een beeldhouwer had
+het reproductierecht van een buste vervreemd zonder eenige voorwaarde
+daarbij te maken. Het beeld werd eerst, zooals de bedoeling van den
+auteur was, in marmer uitgevoerd, doch later zonder zijne toestemming
+ook in brons. De Seine-Rechtbank verklaarde dit laatste voor
+onrechtmatig [499]. In een analoog geval, dat zich enkele jaren later
+voordeed (hier gold het beeldhouwwerk, waarvan het reproductierecht
+aan een fabrikant van bronzen verlichtings-artikelen was overgedragen,
+die enkele ervan ook in marmer had laten reproduceeren), werd de eisch,
+voorzoover deze het aangewende reproductie-middel betrof, afgewezen, op
+grond dat de reproductie in marmer, waartegen de auteur zich verzette,
+het origineel volkomen zuiver weergaf. Ook het feit, dat de naar het
+origineel vervaardigde bronzen beelden als lampen ingericht in den
+handel werden gebracht, leverde volgens de Seine-Rechtbank geen inbreuk
+op het recht des auteurs op, omdat degeen aan wien het reproductierecht
+was overgedragen, als fabrikant van dergelijke artikelen bekend stond
+en de auteur dus geacht kon worden met deze wijze van exploitatie
+genoegen te hebben genomen. Doch bovendien was bij de reproductie
+van een dezer beelden eenigszins van het origineel afgeweken en de
+naam, dien de auteur er aan had gegeven ("Gloria") was zonder zijne
+toestemming vervangen door een anderen ("la Renommée"); op deze beide
+punten werd de auteur ontvankelijk verklaard in zijn eisch [500].
+
+De genoemde voorbeelden hebben eenig denkbeeld kunnen geven van
+de verschillende vormen, waarin krenking van het hier behandelde
+recht plaats kan hebben [501] en van de wijze, waarop daartegen in
+Frankrijk, waar geen speciale wetsbepalingen op dit punt bestaan, recht
+wordt verschaft. Of eene dergelijke op het gemeene recht berustende
+bescherming met hetzelfde succes voor den Nederlandschen rechter zou
+kunnen worden ingeroepen, staat nog te bezien; alles hangt hier weer
+af van de uitlegging van het woord "onrechtmatige daad" in art. 1401
+B. W. Het ware daarom misschien gewenscht, om in dezen het voorbeeld
+te volgen, door de meeste moderne wetten op het auteursrecht gegeven,
+waarin den auteur het bedoelde recht uitdrukkelijk wordt toegekend
+[502].
+
+
+
+
+IV Het recht met betrekking tot den auteursnaam
+
+De vraag, in hoeverre een recht bestaat op den naam, is met betrekking
+tot het auteursrecht in verschillende opzichten van belang. Ik zal
+mij er hier toe bepalen te onderzoeken, hoever het recht van den
+auteur gaat, om anderen te verbieden, zijn naam aan hunne werken te
+verbinden of om te eischen, dat zijn werk niet zonder zijn naam of
+onder een anderen naam gepubliceerd wordt.
+
+Dit vraagstuk heeft veel overeenkomst met dat van het gebruik van
+den handels- of firma-naam. De naam strekt in beide gevallen niet
+zoozeer ter onderscheiding van de personen, dan wel ter aanduiding
+van de herkomst der producten. Niet minder dan voor den handelaar en
+den fabrikant is het voor den schrijver en kunstenaar van belang, dat
+hunne producten niet met die van anderen verwisseld kunnen worden;
+de band tusschen producent en product is bij de laatsten in het
+algemeen nog veel nauwer; dit komt door het persoonlijke, hetwelk het
+kenmerk van elk kunstwerk is: een kunstenaar legt meer van zichzelf
+in zijn werk, is meer één met zijn werk dan b.v. een vervaardiger van
+naaimachines of een handelaar in wijn. En evenals voor producten van de
+laatstgenoemde soort,--in het algemeen: voor alle handelswaren--geldt
+voor werken van kunst en letterkunde, dat het publiek er belang bij
+heeft omtrent hunne herkomst juist te worden ingelicht: wie een
+schilderij valschelijk voorziet van den naam Jozef Israëls maakt
+niet alleen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den schilder,
+maar maakt zich tevens schuldig aan misleiding van het publiek.
+
+Bescherming van den auteursnaam heeft dus geen mindere reden van
+bestaan dan de, door onze jurisprudentie dikwijls verleende [503],
+bescherming van den handelsnaam. De beginselen waarop beide berusten,
+zijn ook grootendeels dezelfde.
+
+Vooropgesteld moet worden dat een uitsluitend recht op den naam in
+dien zin, dat men elke gebruikmaking ervan, tot welk doeleinde ook,
+zou kunnen tegengaan, niet alleen onnoodig en ongewenscht, maar zelfs
+onbestaanbaar is te achten. Dit is door verschillende schrijvers ten
+aanzien van den burgerlijken naam in het maatschappelijk verkeer en
+ten aanzien van den handelsnaam reeds voldoende aangetoond, en geldt
+ook voor den auteursnaam [504].
+
+De naam is niet een goed, dat afgescheiden van den drager bestaat
+en object van een recht kan zijn; hij is niets anders dan een
+onderscheidingsteeken, een middel om den eenen persoon van den anderen,
+en zijne uitingen van die van anderen, te onderscheiden [505]. Daarom
+is niet elk gebruik van den naam, maar slechts een zoodanig gebruik,
+waardoor verwarring mogelijk wordt gemaakt, een inbreuk op het
+persoonlijkheidsrecht. Dit beginsel wordt o. a. ook door de Fransche
+jurisprudentie gevolgd, hoewel daarin steeds wordt gesproken van
+"eigendom op den naam." De Seine-Rechtbank wees b.v. een eisch af, die
+strekte om aan twee schrijvers, die onder het pseudoniem "J. R. Rosny"
+artikelen publiceerden, dit te beletten, omdat de eischer, Léon de
+Rosny, het uitsluitend recht op dien naam zou hebben. Wel werd erkend
+"... qu'en principe, une revendication de cette nature est légitime,
+et qu'un tiers ne peut s'approprier le nom d'autrui,..." doch slechts
+onder voorwaarde "... que cette usurpation aura eu pour résultat de
+créer une confusion qui serait, soit moralement, soit matériellement,
+préjudiciable au propriétaire du nom" [506]. Dat mogelijke verwarring
+in dit geval uitgesloten was, werd o. a. hiermede gemotiveerd, dat
+de geschriften van Léon de Rosny van zuiver wetenschappelijken aard
+waren, terwijl de artikelen welke onder het pseudoniem J. H. Rosny
+verschenen, een meer "litterair" karakter hadden. Dit vonnis werd
+bekrachtigd door het Hof van Appèl te Parijs, waarin o. m. wordt
+overwogen: "que la confusion entre "Léon de Rosny" et "J. H. Rosny"
+ne s'est pas produite dans le monde des sciences et des lettres" [507].
+
+In eene zaak, die volkomen aan de bovengenoemde gelijk was, alleen met
+dit verschil, dat hier eischer en gedaagde zich met hunne geschriften
+wel op hetzelfde gebied bewogen, werd de eisch toegewezen, o.a. op
+dezen grond; dat: "... les demandeurs ont intérêt à revendiquer le
+droit à la propriété exclusive de leur nom, ne fût-ce que pour éviter
+la confusion qui pourrait naître de la création de travaux similaires"
+[508].
+
+Waar het dus voornamelijk op aankomt, is dat er geen verwisseling
+mogelijk worde gemaakt, zoodat iemand een werk wordt toegeschreven
+dat niet van hem is, of omgekeerd dat van een werk dat wél het
+zijne is, een ander als auteur wordt aangemerkt. Of dit geschiedt
+door gebruikmaking van den waren naam van een auteur of van den
+schuilnaam, waaronder hij gewoon is te publiceeren, maakt geen
+verschil. Het kiezen van een "nom de plume" is eene gewoonte, die zoo
+lang reeds in zwang is en zoo algemeen doorgedrongen, dat daartegen
+geen bezwaar kan bestaan. Niemand zal daarin eene misleiding van
+het publiek zien. Trouwens ook in het handelsverkeer treft men iets
+soortgelijks aan: de naam waaronder iemand handelt is dikwijls een
+andere dan die waaronder de persoon bij den burgerlijken stand
+staat ingeschreven. Neemt men dus aan, dat het een schrijver of
+kunstenaar vrijstaat zich een naam te kiezen, waaronder hij zijne
+werken publiceert, dan bestaat er geen reden om dien gekozen naam
+niet geheel op dezelfde wijze te behandelen als den gewonen (familie-)
+naam. Immers de rol, die beide in het verkeer vervullen, is volkomen
+dezelfde; ook de schuilnaam dient om de werken van een bepaalden
+(al of niet bij het publiek onder zijn werkelijken naam bekenden)
+auteur van die van anderen te onderscheiden. Hoe de auteur in het
+dagelijksch leven heet, is hierbij onverschillig; het is zooals Kohler
+het eigenaardig uitdrukt: "der Autor kann als unbekanntes X gelten;
+aber es musz eben dieses X als der Träger schriftstellerischer Werke
+von den übrigen Schriftstellern unterschieden werden; es ist ein
+Versteckspiel, ein Maskenspiel, wobei die eine Maske von allen anderen
+unterschieden bleiben soll und das Recht hat, unterschieden zu bleiben"
+[509].
+
+De auteur heeft niet alleen het recht te verhinderen, dat werken van
+een ander met zijn naam worden getooid; hij moet er zich ook tegen
+kunnen verzetten, dat zijne eigen werken zonder zijn naam of onder
+een anderen naam voor het publiek worden gebracht. Hierbij is het
+beginsel te volgen, waarvoor, zooals hierboven vermeld werd, o.a. de
+Association ijvert, dat nl. de auteur recht heeft op erkenning van
+zijn auteurschap.
+
+Eene toepassing van dit beginsel vindt men in de meeste wetten in
+verband met de bepalingen op het aanhalen van andere schrijvers
+en het overnemen van artikelen uit dagbladen. Deze aanhalingen en
+overnemingen zijn geoorloofd, mits de bron daarbij wordt genoemd. Ook
+in Frankrijk, waar de wet hierover zwijgt, wordt deze verplichting
+door de jurisprudentie aangenomen [510].
+
+In onze wet (art. 7 tweede lid) wordt alleen het noemen van de bron
+voorgeschreven bij het overnemen van berichten of opstellen uit dag-
+en weekbladen; m. i. bestaat er geen reden, waarom dit bij aanhalingen
+uit andere werken, waarover het eerste lid van het artikel handelt,
+niet eveneens zou behoeven te geschieden. De Duitsche wet is in dit
+opzicht veel beter; daar wordt het noemen van de bron verplichtend
+gesteld bij elk geoorloofd (d.i. niet op het auteursrecht inbreuk
+makend) gebruik, dat van eens anders werk wordt gemaakt (§ 25); wie
+tegen dit verbod handelt, maakt zich, afgezien natuurlijk van zijne
+civielrechtelijke aansprakelijkheid, schuldig aan eene overtreding,
+waarop eene boete van hoogstens honderd vijftig mark staat (§ 44).
+
+Deze regeling schijnt mij in alle opzichten navolging te verdienen.
+
+Wat de bepaling van onze wet betreft wil ik er nog op wijzen, dat men
+hier een voorbeeld heeft van een door de wet toegekend recht, dat niet
+als een uitvloeisel van het auteursrecht is te verklaren. Het noemen
+van de bron komt alleen te pas bij het overnemen van berichten of
+opstellen, waarvan het auteursrecht niet uitdrukkelijk is voorbehouden,
+waarop dus geen auteursrecht bestaat. Toch kan de auteur eischen,
+dat zijn naam of die van zijn dagblad worde genoemd. Hier wordt dus
+ook in onze wet het persoonlijkheidsrecht als een zelfstandig recht
+erkend, dat standhoudt, ook als het auteursrecht teniet is gegaan.
+
+Een andere toepassing van het beginsel, dat de auteur recht heeft op
+de erkenning van zijn auteurschap, kan men vinden in de bepalingen,
+die gericht zijn tegen de vervalsching van auteursnamen op schilderijen
+en andere werken van beeldende kunst.
+
+In de meeste landen is het opzettelijk misbruik maken of vervalschen
+van auteursnamen strafbaar gesteld. Deze strafbepalingen strekken
+echter niet uitsluitend tot bescherming van de rechten der auteurs,
+doch tevens tot bescherming van het publiek, dat van dergelijke
+bedriegelijke handelingen het slachtoffer kan worden. Het stellen van
+een valschen auteursnaam op een schilderij b.v. kan, behalve inbreuk
+op het persoonlijkheidsrecht van den schilder, ook zijn een middel om
+bedrog te plegen, indien n.l. deze vervalsching, wat wel meestal het
+geval zal zijn, is geschied met het doel het schilderij voor een echt
+stuk van den meester, wiens naam het draagt, te laten doorgaan en er
+op deze wijze den kooper meer voor te laten betalen dan het waard is.
+
+In de Belgische wet op het auteursrecht (art. 25) wordt b.v. strafbaar
+gesteld: "... l'application méchante ou frauduleuse sur un objet d'art,
+un ouvrage de littérature ou de musique, du nom d'un auteur, ou de
+tout signe distinctif adopté par lui pour désigner son oeuvre." Ook
+is strafbaar het verkoopen, ten verkoop uitstallen, in een magazijn
+in voorraad hebben of binnen België invoeren van werken waarvan men
+weet, dat zij van een valschen naam of een valsch merk zijn voorzien
+(art. 25 3de lid).
+
+In Frankrijk bevat eene afzonderlijke wet van 9 Febr. 1895 (Loi sur
+les fraudes en matière artistique) vrijwel gelijkluidende bepalingen.
+
+Het is duidelijk, dat de handelingen, waartegen deze bepalingen zijn
+gericht, hare strafwaardigheid grootendeels ontleenen aan het feit, dat
+zij met bedrog in verband staan of tot het plegen van bedrog aanleiding
+kunnen geven. Toch heeft men met deze bepalingen voornamelijk bedoeld
+eene strafrechtelijke bescherming van de rechten der auteurs. Dit
+blijkt o.a. voor de Belgische bepaling hieruit, dat zij in de wet
+op het auteursrecht is opgenomen; wat de Fransche wet betreft,
+is deze bedoeling door de voorstellers duidelijk uitgesproken; men
+ging zelfs zoover van te beweren, dat er geen strafbaar feit in den
+zin van deze wet kon worden gepleegd, wanneer het auteursrecht een
+einde had genomen, en op dien grond werd ook de bepaling van art. 4
+dezer wet verdedigd, volgens welk artikel de wet alleen toepasselijk
+is op werken, waarop nog auteursrecht bestaat [511]. Deze laatste
+bepaling heeft het (zeker niet door de voorstellers gewilde) gevolg,
+dat nu een auteur zich niet op deze wet zal kunnen beroepen, indien
+men zijn naam op een oud schilderij heeft gezet [512].
+
+Het is m.i. wenschelijk, dat hier goed worde onderscheiden tusschen de
+tweeërlei belangen, ter bescherming waarvan dergelijke strafbepalingen
+moeten dienen. Wenscht men alleen vervalsching of verwisseling van
+den auteursnaam strafbaar te stellen, voor zoover daarin is te zien
+een inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van den auteur, dan dient in
+de eerste plaats vast te staan, hoe lang dit recht na den dood van
+den auteur ten behoeve zijner erfgenamen voortduurt. De bedoeling
+van den Franschen wetgever, die in het bovengenoemd artikel 4 van
+de wet van 1895 onhandig tot uitdrukking is gekomen, is duidelijk:
+het recht met betrekking tot den auteursnaam duurt even lang als
+het auteursrecht. In de Belgische bepaling wordt alleen gesproken
+van vervalschingen enz. met den naam "van een auteur". Verstaat men
+hieronder ieder auteur, dus ook b.v. een schrijver of kunstenaar, die
+tweehonderd jaar geleden heeft geleefd, dan is hiermede tevens gezegd,
+dat de strafbare handelingen, die in het artikel worden omschreven,
+niet behoeven te zijn gericht tegen rechten van bijzondere personen,
+niemand zal immers willen beweren, dat er ten behoeve van bijzondere
+personen nog een recht kan bestaan b.v. ten aanzien van den naam
+Rembrandt. Indien dus het artikel alleen strafbaar stelt inbreuk op
+een subjectief recht, dan zal het begrip "auteur" hier enger dienen
+te worden opgevat en het meest rationeele is dan zeker om er onder
+te verstaan: een auteur, die ook overigens van de bescherming der
+wet kan genieten. Op deze wijze komen wij dus ook tot de slotsom,
+dat het persoonlijkheidsrecht even lang duurt als het auteursrecht.
+
+Welke van deze twee uitleggingen van het artikel de juiste is, wil
+ik in het midden laten en doet hier ook minder ter zake. Ik heb het
+hier slechts als voorbeeld genoemd, om op de moeilijkheden te wijzen,
+die aan het formuleeren van strafbepalingen als de hier bedoelde
+zijn verbonden, indien niet uitdrukkelijk in de wet is omschreven
+hoever het recht van den auteur op eerbiediging van den auteursnaam
+gaat en hoelang het na zijn dood ten behoeve zijner erfgenamen
+standhoudt. Dat de termijnen, welke voor het auteursrecht gelden, in
+het algemeen voor de persoonlijkheidsrechten te lang moeten worden
+geacht, heb ik hierboven reeds opgemerkt; ook ten aanzien van het
+recht op eerbiediging van den auteursnaam zou het wenschelijk zijn,
+eene wetsbepaling te hebben, welke een vasten termijn van niet te
+langen duur na het overlijden van den auteur voorschreef [513].
+
+Doch het behoeft geen betoog, dat na afloop van dezen termijn
+het bedriegelijk gebruik maken van den auteursnaam nog niet
+straffeloos behoort te kunnen geschieden. Daarbij is dan echter geen
+subjectief recht van den auteur meer betrokken; eerbiediging van de
+persoonlijkheid des auteurs heeft dan opgehouden een rechtsbelang te
+zijn, ter beveiliging waarvan eene strafbepaling noodzakelijk is.
+
+Hebben wij in dit geval dus te doen met handelingen, die wel
+als bedrog strafbaar zijn, maar die geen inbreuk maken op het
+persoonlijkheidsrecht van den auteur; ook het omgekeerde is mogelijk:
+dat nl. inbreuk op het persoonlijkheidsrecht wordt gemaakt, zonder
+dat daarbij het plegen van bedrog in het spel is. Dit laatste zal
+echter wel zeer zelden voorkomen; het motief bij het wijzigen of
+weglaten van den auteursnaam op een werk zal wel meestal zijn,
+den onwaren naam voor echt te laten doorgaan om op deze wijze voor
+zich of voor anderen een vermogensvoordeel te behalen. Opzettelijke
+inbreuk op het recht van den auteur ten aanzien van den auteursnaam
+uit een ander motief, b.v. uit lust om den auteur in zijne reputatie
+te schaden, of om zichzelf als auteur van een werk van een ander te
+laten aanmerken, is weliswaar niet geheel uitgesloten, maar daarvoor is
+toch m. i. geene afzonderlijke strafbepaling noodig, vooral indien men
+ten aanzien der bedriegelijke handelingen zulke volledige bepalingen
+heeft als de boven besproken Belgische en Fransche.
+
+Onze strafwet is op dit punt niet zoo volledig. De bepalingen welke
+hierop betrekking hebben zijn te vinden in art. 337. Dit artikel
+stelt o. m. strafbaar het opzettelijk invoeren, verkoopen, te koop
+aanbieden, afleveren, uitdeelen of ten verkoop of ter uitdeeling in
+voorraad hebben van waren, voorzien van den naam of het merk waarop een
+ander recht heeft. Onder "waren" zijn volgens de M. v. T. [514] alle
+roerende goederen begrepen, dus ook boeken, platen, schilderijen enz.
+
+Het opzettelijk voorzien van waren van een valschen naam of een
+valsch merk is hier dus niet, zooals in Frankrijk en België,
+strafbaar gesteld; het kan echter naar gelang van omstandigheden
+medeplichtigheid zijn aan de door de wet strafbaar gestelde handelingen
+[515]. Hoofdzaak is, volgens de M. v. T.: "het bedrog, gepleegd door
+het in den handel brengen en verder verhandelen van met een valsch
+certificaat van oorsprong gemerkte goederen". Hiermede is echter niet
+in overeenstemming het vereischte, dat een ander op den naam of het
+merk waarvan misbruik gemaakt wordt, recht moet hebben, m. a. w. dat
+een subjectief recht moet zijn geschonden. Ook zonder dat dit het
+geval is kan, zooals ik hierboven al heb opgemerkt, bedrog worden
+gepleegd. Overigens heeft deze verwijzing naar een recht, waarvan
+de omvang en in het bijzonder de tijdsduur niet wettelijk vaststaat,
+de bezwaren, waarop reeds is gewezen.
+
+Het Ontw. B. K. bevat nog eene bijzondere strafbepaling betrekking
+hebbend op den auteursnaam in art. 18. Daarin wordt strafbaar gesteld
+overtreding van het verbod, vervat in art. 3b tweede zinsnede van
+het Ontwerp, nl. het namaken van den naam of het naamteeken of
+eenig ander merkteeken van den oorspronkelijken vervaardiger van
+een kunstwerk op eene daarvan gemaakte copie. Bedriegelijk oogmerk
+of opzet wordt hierbij niet gevorderd. De namaak is ook strafbaar,
+indien de copie aan niemand wordt vertoond. In dit geval kan men
+m. i. in deze handeling geen inbreuk op het persoonlijkheidsrecht van
+den auteur zien; hoogstens bestaat er gevaar, dat men vroeg of laat
+deze copie voor een origineel werk van den schilder zal aanzien. Doch
+juist omdat dit gevaar voor verwisseling bij copieën zoo groot is,
+schijnt mij deze strafbepaling wel gerechtvaardigd.
+
+
+
+
+V Recht van den afgebeelden persoon
+
+In het voorgaande was alleen sprake van rechten die den auteur, al
+of niet in vereeniging met het auteursrecht toekomen. Van zijn kant
+heeft echter ook de auteur met rechten van andere personen rekening
+te houden, waarmede hij bij de uitoefening van het auteursrecht in
+botsing kan komen.
+
+Dit is in het bijzonder het geval bij portretten. Vrij algemeen wordt
+aangenomen, dat iemands beeltenis niet zonder zijne uitdrukkelijke of
+stilzwijgende toestemming mag worden gepubliceerd. Sommigen spreken
+zelfs in dit verband van een eigendom op de gelaatstrekken, van
+een Recht am eigenen Bilde. Dit schijnt mij, zooals hieronder nog
+zal worden aangetoond, minder juist toe; wat echter wel kan worden
+toegegeven, is dat er gevallen zijn, waarin de afgebeelde persoon
+het recht moet hebben, de publicatie van zijne beeltenis te verbieden.
+
+Daar waar dit recht door wettelijke bepalingen is erkend, vindt men
+deze meestal in de wet op het auteursrecht; het nauwe verband dat
+tusschen beide rechten bestaat, springt dan ook in het oog. Beide
+toch hebben de strekking, de reproductie en verspreiding aan één
+persoon voor te behouden; aan den eenen kant staat het recht van den
+auteur-portrettist, dat hier evenveel reden van bestaan heeft als bij
+andere kunstwerken, aan den anderen kant dat van den geportretteerde.
+
+Op verschillende wijzen heeft men de moeilijkheid, die hieruit
+voortspruit, trachten op te lossen. Volgens de vroegere Duitsche wet op
+het auteursrecht van werken van beeldende kunst (van 9 Januari 1876)
+en die tot bescherming der photographieën (van 10 Januari 1876) ging
+het auteursrecht van portretten en busten van rechtswege over op den
+besteller. Deze bepalingen werden door Kohler [516] verklaard, door den
+auteur als handelende in naam van den geportretteerde voor te stellen,
+zoodat het auteursrecht ten behoeve van dezen gevestigd wordt. Doch
+zoowel de bepaling zelf als de daaraan gegeven constructie komen mij
+verwerpelijk voor. Het moge waar zijn, dat ik bij het laten maken van
+mijn portret "dem Maler das Internum meiner Person in Gestalt der ihm
+stundenlang zugekehrten Gesichtszüge darbiete", dit geeft m. i. nog
+geen grond om mij in de rechten van den auteur te laten treden,
+waaronder dan b.v. ook valt het genieten van de materieele voordeelen,
+die de exploitatie zijner schepping kan opleveren. De rechten van
+den geportretteerde worden op deze wijze onnoodig en onredelijk ten
+koste van die des auteurs op den voorgrond geschoven. Een practisch
+bezwaar van dit stelsel is ook, dat de duur der bescherming niet
+in overeenstemming is met het doel, waarvoor zij dient. Volgens de
+bovengenoemde Duitsche wetten duurde het auteursrecht voor werken
+van beeldende kunst dertig jaar na den dood des auteurs en dat voor
+photographieën vijf jaar na het verschijnen of vervaardigen; de
+reproductie van iemands gelaatstrekken naar eene schilderij konden
+dus zijne erfgenamen nog dertig jaren na zijn dood verhinderen,
+terwijl een photographisch portret reeds na vijf jaar straffeloos
+verveelvoudigd en verspreid kon worden. Doch het is duidelijk dat de
+duur van het hier bedoelde recht van den geportretteerde onafhankelijk
+dient te zijn van de wijze, waarop de afbeelding is tot stand gekomen.
+
+Het verdient dus aanbeveling, ook hier het persoonlijkheidsrecht
+van het auteursrecht goed te onderscheiden; acht men het noodig den
+geportretteerde bij de wet een recht toe te kennen, dan dient dit
+afzonderlijk te worden omschreven, opdat het zoowel wat strekking
+als wat tijdsduur betreft in de grenzen worde gehouden, die door het
+beginsel, waarop deze bescherming berust, worden aangegeven.
+
+In de wetten op het auteursrecht van den lateren tijd komt deze
+samensmelting van auteursrecht en persoonlijkheidsrecht dan ook niet
+meer voor. De Belgische wet bijvoorbeeld heeft de bepaling (artikel 20)
+dat noch de auteur, noch de eigenaar van het portret het recht hebben,
+dit te reproduceeren of openlijk ten toon te stellen zonder toestemming
+van den persoon, dien het voorstelt, of die zijner rechtverkrijgenden
+tot twintig jaar na zijn overlijden. Het auteursrecht blijft dus aan
+den auteur; deze laatste wordt slechts in de uitoefening van zijn
+recht beperkt door het recht van den persoon, dien hij heeft afgebeeld.
+
+Ook in de nieuwe Duitsche wet op het auteursrecht van werken
+van beeldende kunst en photographieën (van 9 Januari 1907) is dit
+beginsel in hoofdzaak gevolgd. Het recht van den afgebeelden persoon
+om verspreiding of tentoonstelling van zijn portret tegen te gaan
+wordt hem, behoudens in enkele door de wet genoemde gevallen,
+gedurende zijn leven toegekend en blijft nog ten behoeve zijner
+naaste verwanten tien jaar na het overlijden voortduren (§§ 18, 22,
+23 en 24). Ook hier hebben wij dus met een afzonderlijk, wel van het
+auteursrecht te onderscheiden, recht te doen.
+
+In landen waar de wet dit recht niet uitdrukkelijk verleent, vindt
+men het toch vaak door de jurisprudentie erkend. In Frankrijk is
+herhaalde malen door den rechter uitgemaakt, dat ieder het recht
+toekomt, zich tegen de publicatie van zijn portret te verzetten,
+ook al geschiedt dit zonder kwaadwillige bedoelingen [517]. Ook na
+den dood blijft het voor de bloedverwanten bestaan [518].
+
+Hoe staat het met dit recht hier te lande? Wetsbepalingen ontbreken
+op dit stuk en ook het Ontw. B. K. zwijgt erover. Ook hier zou dus
+art. 1401 B. W. de eenige bepaling zijn, waarop deze bescherming zou
+kunnen worden gesteund. Het behoeft echter nauwelijks te worden gezegd,
+dat zoolang de ruime opvatting van de woorden "onrechtmatige daad"
+en "schade", welke in dit artikel gebezigd worden, nog niet algemeen
+wordt gedeeld, de bedoelde bescherming nog op zeer losse schroeven
+staat. Om die reden ware wellicht eene opzettelijke regeling van dit
+vraagstuk in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. niet ongeraden.
+
+Het is m. i. niet wenschelijk, dat men daarbij deze bescherming
+zoover uitstrekke als in Duitschland, Frankrijk en België wordt
+gedaan, waar--behoudens dan enkele uitzonderingen--een uitsluitend
+beschikkingsrecht van ieder op zijne gelaatstrekken wordt erkend. Eene
+uitspraak als de volgende, afkomstig van den Turijnschen hoogleeraar
+Amar en door Rosmini aangehaald: "ieder mensch heeft een vol
+eigendomsrecht op zichzelf, bij gevolg heeft hij het ook op zijne
+beeltenis ... enz."--komt mij onjuist voor. Evenmin als op den
+naam, is een uitsluitend recht op de gelaatstrekken gewenscht
+of zelfs maar mogelijk. Niet door elke gebruikmaking van iemands
+afbeelding wordt zijn persoonlijkheidsrecht gekrenkt. Zoo kan men
+m. i. moeilijk aannemen, dat dit het geval is, wanneer een portret
+wordt gereproduceerd, waarvan reeds vele exemplaren met toestemming
+van den afgebeelden persoon in omloop zijn [519]. Slechts dan moet
+men zich tegen reproductie of tentoonstelling kunnen verzetten,
+wanneer deze plaats heeft onder omstandigheden of in eene omgeving,
+welke met de ongereptheid of waardigheid van den afgebeelden persoon
+niet in overeenstemming zijn. Als voorbeelden hiervan noemt Kohler
+[520] b.v. het zetten van het portret eener dame op een doosje met
+was-lucifers en het beschilderen van een bierpul met de gelaatstrekken
+van een professor. Ook acht hij het onrechtmatig: "wenn etwa eine
+Beleibte Dame als Reklamebild für ein kräftiges Nahrungsmittel
+verwendet wird" [521].
+
+Indien de verspreiding of tentoonstelling tevens de kenmerken
+draagt van beleediging, kan zij natuurlijk als zoodanig ook onder de
+termen der strafwet vallen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ons
+Wetboek van Strafrecht (artt. 261 en 266) beleediging door middel van
+afbeeldingen alleen kent in den vorm van smaadschrift (telastlegging
+van een bepaald feit); eenvoudige beleediging door middel van
+afbeeldingen gepleegd is hier te lande dus niet strafbaar. Op de
+wenschelijkheid om deze leemte in ons Straf-wetboek aan te vullen,
+werd reeds door enkele schrijvers gewezen [522].
+
+Afgezien van het boven behandelde persoonlijkheidsrecht zal het
+in vele gevallen nog op andere wijze mogelijk zijn de reproductie
+van zijn portret te beletten, wanneer nl. hij die het portret heeft
+vervaardigd contractueel verbonden is er geen exemplaren van in omloop
+te brengen. Dit zal bijna altijd het geval zijn bij op bestelling
+gemaakte photographische portretten. Wanneer men bij een photograaf
+zijn portret laat maken, behoudt deze weliswaar in den regel het
+negatieve cliché, doch men kan aannemen dat het in de bedoeling
+van partijen heeft gelegen, dat behalve de bestelde exemplaren
+geen andere afdrukken worden gemaakt en in den handel gebracht. De
+gebruiken zijn vrijwel overal zoo, dat de overeenkomst in dezen zin
+moet worden uitgelegd, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk is bedongen
+of op andere wijze blijkt, dat partijen van den gewonen regel hebben
+willen afwijken. Dit laatste kan b.v. het geval zijn, wanneer voor de
+levering der portretten niets in rekening is gebracht of wanneer de
+prijs volgens het zoogenaamde "artiesten-tarief" is berekend. Eene
+afzonderlijke wettelijke regeling hiervan, zooals men in sommige
+landen aantreft, komt mij echter overbodig voor.
+
+Op soortgelijke wijze als bij portretten het geval is, kan het
+auteursrecht nog met andere rechten in botsing komen. Zoo leidt
+het door sommigen erkende recht op den naam ertoe, dat ieder zich
+kunne verzetten tegen de uitgave of vertooning van een roman of
+tooneelstuk, indien zijn naam aan een der daarin optredende personen
+is verleend. Dit recht is herhaaldelijk door buitenlandsche rechters,
+met name in Frankrijk, erkend [523]; hetgeen zelfs een Fransch
+schrijver er eens toe geleid heeft de personen in een zijner stukken
+uitsluitend naar geguillotineerden te noemen! [524] Eveneens hebben
+schrijvers er zich volgens sommigen van te onthouden, voorvallen
+uit het particuliere leven van bestaande personen in hunne werken te
+pas te brengen of zoodanige beschrijvingen en karakterteekeningen te
+leveren, dat uit de helden van roman of tooneelstuk personen uit de
+omgeving van den schrijver kunnen worden herkend. Hoever in al deze
+gevallen de bescherming der persoonlijkheid dient te gaan, zal ik
+hier niet verder trachten te onderzoeken [525]. Nog minder dan de
+rechten der geportretteerden leent zich deze materie voor speciale
+wettelijke regeling; in ieder geval zou een wet op het auteursrecht
+hiervoor m. i. niet de plaats zijn.
+
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII
+
+INTERNATIONAAL AUTEURSRECHT
+
+
+§ 1 Algemeene opmerkingen
+
+Zooals op bijna elk gebied van het privaatrecht brengt ook voor het
+auteursrecht het drukke en steeds toenemende verkeer tusschen de
+verschillende volkeren zijne eigenaardige moeilijkheden mede. Doch
+bestaan op andere punten van internationaal privaatrecht deze
+moeilijkheden voornamelijk hierin, dat een antwoord moet worden
+gevonden op de vraag, welk recht in elk geval moet worden toegepast;
+ten opzichte van het auteursrecht dient men eerst eene andere
+vraag te stellen, nl. óf de vreemdeling zich wel op eenig recht kan
+beroepen. Geldt het een recht op een lichamelijke zaak, dan kan er
+strijd bestaan over de vraag, of de wet van het land, waartoe de
+rechthebbende behoort, dan wel die van het land waar het goed zich
+bevindt of die van het land, waar de zaak voor den rechter wordt
+gebracht moet worden toegepast; doch hoe de uitkomst hiervan ook zij,
+nergens, in geen enkelen beschaafden staat, zal volkomen rechteloosheid
+ten opzichte van zulk een goed blijken te heerschen. Anders is het
+gesteld met immaterieele goederen. De bescherming der auteurs berust
+op bijzondere wetten, die, behoudens enkele uitzonderingen, alleen
+op inlandsche werken toepasselijk zijn. Naast deze wetten wordt geen
+ander auteursrecht erkend tenzij dit bij tractaat zij bedongen.
+
+Wij hebben hier dus met een abnormalen toestand te doen, waarvan
+het bedenkelijke zelfs wordt ingezien door een beslist tegenstander
+van alle auteursrecht als Mr. J. A. Levy. Deze toch schreef over
+de artt. 27 en 28 van onze wet, die de territoriale grens van hare
+geldigheid vaststellen: "Zoodra ons privaatrecht het auteursrecht
+stempelt tot een absoluut vermogensrecht, moet iedere territoriale
+grens vallen en moet ieder, wie hij zijn moge, ook de niet-Nederlander,
+ook de ingezetene van een land zonder tractaat, door dit ons
+privaatrecht worden beschermd. Dit schijnt mij zonneklaar. Of, wat
+dunkt u, zal men een Oostenrijker, die, gesteld, in Amsterdam wandelt,
+straffeloos zijn horloge mogen ontnemen? Zoodanig vreemdeling,
+zegt onze wet allervriendelijkst, kan op eene Nederlandsche
+drukkerij doen drukken en hij is gevrijwaard. Het is het toppunt
+van goedgeefschheid. Edoch, zullen wij den Oostenrijker van zooeven
+alleen dan tegen diefstal beschermen, indien zijn horloge in een
+Nederlandsche keurkamer is gemerkt? .... maak u niet de geringste
+illusie, gij, die leek zijn mocht op rechtsgebied: inbreuk op een
+absoluut vermogensrecht is diefstal. Wie dit betwijfelen mocht,
+cijfere mij voor, wat het anders zijn zou. Bestelen nu moogt gij
+niemand, noch binnen noch buiten de landpalen" [526].
+
+Afgezien van het woord "diefstal", dat den "leek op rechtsgebied"
+misschien op een dwaalspoor zou kunnen brengen, valt er tegen deze
+beschouwing m. i. niets in te brengen. De artikelen 27 en 28 onzer
+wet, die ik hieronder nog nader zal bespreken, bevatten inderdaad
+eene stuitende uitzondering op den algemeenen regel, die terecht
+een grondbeginsel onzer hedendaagsche samenleving is genoemd [527],
+dat nl. voor den Nederlandschen rechter vreemdelingen met evengoed
+gevolg als Nederlanders een beroep moeten kunnen doen, waar het geldt
+de bescherming en handhaving van privaatrechtelijke bevoegdheden.
+
+Men weet, dat voor de bestendiging van dezen toestand wordt aangevoerd
+het belang, dat ons volk erbij heeft, dat hier de buitenlandsche
+werken vrijelijk geëxploiteerd kunnen worden. Dit belang wordt--ik
+heb er al met een enkel woord op gewezen (pp. 183, 184)--door degenen
+die zich erop beroepen doorgaans veel te breed uitgemeten; bovendien
+vergeet men dikwijls daarbij te denken aan de schade, die door een
+groot aantal andere Nederlanders wordt geleden tengevolge van het
+stelsel van "vrijheid", dat hier tot nu toe gehuldigd is. Ik meen
+mij echter in den strijd, die op dit terrein wordt gevoerd, niet te
+moeten mengen [528]. Stelt men zich op het standpunt, dat ik gepoogd
+heb te verdedigen, dat het auteursrecht (en het vertalingsrecht als
+integreerend bestanddeel daarvan) niet uitsluitend een product is
+van utiliteit, een doelmatig middel om de beoefening van kunsten
+en wetenschappen aan te wakkeren, maar een recht, niet minder
+eerbiedwaardig dan elk ander vermogensrecht, dan mag het belang van
+sommigen (laat het er ook velen zijn) om dit recht niet te erkennen,
+niet in aanmerking worden genomen. Tegenover rechten leggen belangen
+geen gewicht in de schaal.
+
+Indien het waar mocht zijn (wat ik betwijfel), dat de bescherming
+van buitenlandsche werken in Nederland tot gevolg zou hebben, dat
+vele dier werken daardoor voor ons volk ontoegankelijk zouden worden,
+daar voor de uitgave eener Nederlandsche vertaling te veel geld zou
+worden gevraagd, dan zal men zich daarbij hebben neer te leggen. Er
+zijn nog wel meer buitenlandsche producten, die te duur zijn om
+in Nederland te worden ingevoerd; zoolang men er meer voor vraagt,
+dan wij er hier voor kunnen of willen betalen, zullen wij er ons van
+moeten onthouden. Meer dan honderd jaar geleden werd dit door Fichte
+ook reeds zoo ingezien; zijne meening over buitenlandschen nadruk
+illustreerde hij met de volgende vergelijking:
+
+"Joseph II hatte allerdings das vollkommene Recht, die Einfuhr der
+holländischen Häringe in seine Staaten zu verbieten: wer könnte ihm
+dies abstreiten? Aber hätte er darum auch wohl das Recht gehabt--da
+holländische Häringe sich nun einmal nicht nachdrucken lassen--Kaper
+auszusenden, welche den Holländern aufpassen und ihnen ihre Häringe
+abnähmen?" [529]
+
+De naam "roofstaat", dien men ons land met het oog op het gemis aan
+bescherming voor buitenlandsche auteurs wel heeft gegeven, schijnt
+in dit licht beschouwd maar al te verdiend. Dat deze toestand nog tot
+onzen tijd heeft kunnen voortduren kan, zoo al niet verontschuldigd,
+dan toch verklaard worden uit het feit, dat het mijn en dijn op
+het gebied van kunst en letteren nog niet zóó algemeen erkend is
+en nog niet zóó diep in het volksrechtsbewustzijn is doorgedrongen
+dan waar het stoffelijke goederen geldt. De ons omringende volken
+zijn ons daarin verre vooruit en het beste bewijs hiervoor is wel
+het internationale Verbond ter bescherming van het auteursrecht,
+dat vrijwel alle staten omvat, met wie ons geestelijk ruilverkeer
+van eenige beteekenis is.
+
+Van allen, die het met het boven aangegeven beginsel eens zijn, zou
+met reden kunnen worden verwacht, dat zij met alle kracht voor onze
+toetreding tot de Berner Conventie ijverden. Vooral de aangehaalde
+woorden van Mr. J. A. Levy, die voorkomen in een artikel getiteld
+"Nederland en de Berner-Conventie", zouden moeilijk kunnen doen
+vermoeden, dat zij afkomstig zijn van een fel tegenstander van
+onze aansluiting. Toch is dit het geval; wat trouwens niet ál te
+zeer behoeft te verwonderen na de vele onverwachte uitspraken in
+hetzelfde artikel, waarop reeds hierboven (pp. 143 sqq.) de aandacht
+is gevestigd.
+
+Daar Mr. Levy, voorzoover mij bekend, de eenige is, die onze
+aansluiting bij de Berner Conventie op juridische gronden bestrijdt,
+wil ik zijne argumenten niet geheel voorbijgaan. Zij zijn twee
+in getal.
+
+In de eerste plaats acht Mr. Levy het een bezwaar tegen de Berner
+Conventie, dat zij op wederkeerigheid berust. "Het ontzien van een
+anders eigendom of vermogensrecht is niet, en mag niet afhankelijk
+zijn van wederkeerigheid." In beginsel is hier weinig tegen te zeggen,
+en de mooiste en tevens eenvoudigste oplossing van het vraagstuk der
+internationale auteursbescherming zou zeker hierin bestaan, dat in de
+wetten van alle landen eene bepaling werd opgenomen als die van art. 16
+van de loi-type der Association: "Deze wet is toepasselijk op alle
+auteurs, onverschillig tot welke nationaliteit zij behooren en waar ook
+het werk voor het eerst verschenen zij." Misschien, dat het eenmaal
+nog zoover komt en in dat geval zal de Berner Conventie overbodig
+zijn geworden; doch voorloopig blijft er één groot bezwaar tegen dit
+stelsel bestaan, dat het ook begrijpelijk maakt, dat zoo weinig staten
+het tot nog toe hebben willen aanvaarden [530], nl. de belangrijke
+verschilpunten tusschen de verschillende wetgevingen. Mr. Levy merkt
+op, dat het gebod: gij zult niet stelen, in gansch de beschaafde wereld
+geldt en in de helft der onbeschaafde wereld. Dit moge waar zijn ten
+opzichte van den eigendom van lichamelijke goederen; met betrekking
+tot auteursrecht is hiermede echter te veel gezegd. Het auteursrecht
+verkeert te dien opzichte nog in een toestand, die te vergelijken is
+met dien van den privaten eigendom voor een paar duizend jaar. In de
+"beschaafde wereld", d.i. binnen het gebied der Berner Conventie,
+vindt de auteur voldoende bescherming, zij het dan ook niet overal in
+volkomen gelijke mate. Doch daarbuiten laat die bescherming soms nog
+veel te wenschen over en treft men nog de zonderlingste opvattingen
+over het recht der auteurs aan. Het is daarom niet te verwonderen,
+dat tot toetreding tot de Berner Conventie alleen die staten worden
+toegelaten, die althans een minimum van bescherming aan hun eigen
+onderdanen verleenen, en dat van hen geëischt wordt, hiervan ook de
+onderdanen der andere aangesloten rijken te doen genieten.
+
+Het tweede argument van Mr. Levy tegen onze toetreding betreft
+het vertalingsrecht, waarvan deze schrijver niets wil weten, op
+grond van de bewering, dat de vertaler zelfstandigen arbeid heeft
+voortgebracht. Op de onjuistheid dezer redeneering behoef ik hier
+niet meer in te gaan; het is hier genoeg er aan te herinneren,
+dat de vertaling de gewone reproductievorm is voor geschriften uit
+andere landen en dat het uitsluitend vertalingsrecht in de groote
+meerderheid der beschaafde staten als een integreerend bestanddeel van
+het auteursrecht wordt beschouwd. Onder de "zonderlinge opvattingen"
+over het auteursrecht, waarvan ik zooeven sprak, behoort dan ook
+in de eerste plaats die van Mr. Levy over het vertalingsrecht,
+want aan auteursrecht zonder vertalingsrecht heeft een auteur
+van een buitenlandsch geschrift in ons land zoo goed als niets,
+evenmin trouwens als een Nederlandsch schrijver in den vreemde. Den
+Oostenrijker, die in Amsterdam wandelt, zal men niet straffeloos
+zijn horloge mogen ontnemen, maar gaat hij in een winkel om het te
+laten repareeren, zal dan de horlogemaker hem mogen toevoegen: wij
+erkennen hier wel uw eigendomsrechten, maar uw horloge krijgt u niet
+meer terug; door de "zelfstandige arbeid", die ik er aan verricht heb,
+is het het mijne geworden? En wat te zeggen van iemand, die met een
+dusdanig begrip van eigendom nog den moed zou hebben te verklaren:
+in mijn land wordt elke eigendom geëerbiedigd, en daarom ben ik tegen
+het sluiten van een tractaat, dat wederkeerigheid eischt?
+
+Tot zoover de denkbeelden van Mr. Levy. Om nu weer op het punt van
+uitgang terug te komen: de eenige en aangewezen weg om op het gebied
+van het auteursrecht te komen tot verwezenlijking van het beginsel,
+dat het geheele internationale privaatrecht van onzen tijd beheerscht
+en dat kort uitgedrukt aldus luidt: gelijk recht voor vreemdelingen als
+voor Nederlanders, is: toetreding tot de Berner Conventie. Dat deze weg
+vroeg of laat zal worden ingeslagen, is mijne vaste overtuiging. Nu
+eene dergelijke krachtige internationale organisatie eenmaal bestaat
+en nu daarmede resultaten zijn bereikt, waartoe men langs anderen
+weg waarschijnlijk nooit had kunnen komen, is het voor een klein land
+als het onze op den duur niet mogelijk, zich daar verre van te houden.
+
+De geschiedenis van het internationaal auteursrecht heeft het
+geleerd, dat slechts door samenwerking van de verschillende staten
+eene bevredigende oplossing kan worden gevonden. De groote beteekenis
+van de Berner Conventie ligt dan ook voornamelijk hierin, dat zij de
+vrucht is van deze samenwerking. Zoolang elke staat slechts voor zich
+en op zijne wijze het auteursrecht regelde kon er van gelijkvormigheid
+der verschillende wetgevingen geen sprake zijn; eerst toen zij zich
+hadden vereenigd om gezamenlijk de moeilijkheden, die zich in deze
+materie voordoen, onder de oogen te zien, was verandering hierin
+mogelijk. Hierdoor werd het mogelijk de beginselen op te sporen, die
+onafhankelijk van plaatselijke inzichten aan het auteursrecht ten
+grondslag kunnen worden gelegd; van de toepassing dezer beginselen
+zijn de bepalingen der Berner Conventie het positief resultaat. Nog
+is bij lange na niet bereikt wat men zich bij de voorbereiding en
+later bij herzieningen der Conventie tot ideaal heeft gesteld, en het
+zal waarschijnlijk nog jarenlange inspanning kosten, alvorens in alle
+aangesloten landen voor alle auteurs en alle werken een gelijk recht
+bestaat. Maar hierin ligt juist voor ons land een reden te meer,
+om zich zoo spoedig mogelijk aan te sluiten. Zoolang dit niet is
+geschied, loopen wij de kans dat het auteursrecht hier te lande zich
+in andere richting ontwikkelt dan in de overige beschaafde staten,
+zoodat ons deelnemen aan eene internationale regeling hoe langer hoe
+moeilijker wordt. Bovendien ontnemen wij onszelven de mogelijkheid, om
+invloed uit te oefenen op den ontwikkelingsgang van het internationaal
+auteursrecht.
+
+Ik meen, ook met het oog op de toetreding van ons land, die na de
+jongste verklaringen der Regeering voor aanstaande mag worden gehouden,
+mijn aandacht in het volgende voornamelijk aan de Berner Conventie
+te kunnen wijden. Onze tractaten met Frankrijk en België, waarvan
+de algemeene strekking in de historische inleiding is weergegeven,
+kunnen verder buiten bespreking blijven. Wanneer Nederland eenmaal deel
+uitmaakt van het Internationale Verbond, zal van hunne toch al geringe
+beteekenis ongeveer niets meer zijn overgebleven. Voorzoover zij nog
+op een enkel punt toepassing zullen kunnen vinden, zal dit bij de
+bespreking van de desbetreffende bepaling der Conventie worden vermeld.
+
+Alvorens echter tot bespreking van de Berner Conventie over te gaan,
+is het noodig een oogenblik stil te staan bij de wijze waarop onze
+wet zelve de grenzen harer geldigheid vaststelt.
+
+
+
+Er zijn twee hoofd-systemen, volgens welke de grenzen der
+toepasselijkheid van eene wet op het auteursrecht getrokken kunnen
+worden.
+
+Het eerste systeem, het nationaliteits-stelsel, neemt als criterium
+aan de nationaliteit of woonplaats van den auteur. De wet beschermt
+dus alleen werken van auteurs die tot het Rijk behooren of in het
+Rijk woonachtig zijn.
+
+Het tweede systeem richt zich niet naar de subjecten, maar naar
+de objecten van het recht; het vraagt niet naar de nationaliteit
+of woonplaats van den auteur, maar naar wat de Franschen noemen la
+nationalité de l'oeuvre. De "nationaliteit van het werk" kan weer
+op verschillende wijzen worden vastgesteld; men kan deze laten
+afhangen van:
+
+a) de plaats waar het werk voor het eerst in druk is verschenen;
+
+b) de plaats, waar het werk is ontstaan;
+
+c) de plaats, waar een tooneel- of muziekstuk voor het eerst is op-
+of uitgevoerd of eene mondelinge voordracht voor het eerst is gehouden.
+
+Van elk dezer stelsels zijn in onze wet en in het Ontw. B. K. sporen
+te vinden. Beschouwen wij eerst de wet van 1881.
+
+Het beginsel van de "nationaliteit van het werk" geldt in de eerste
+plaats voor alle door den druk gemeen gemaakte werken. De wet is
+alleen toepasselijk op de werken, die in Nederland zijn gedrukt en
+door den druk gemeen gemaakt; nationaliteit of woonplaats van den
+auteur doet dus niet ter zake.
+
+Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken is het andere stelsel
+gevolgd; deze vallen onder de bescherming der wet, indien zij afkomstig
+zijn van in Nederland woonachtige auteurs.
+
+Ten aanzien der mondelinge voordrachten bestaat eene afzonderlijke
+regeling; deze worden, ook als zij van niet in Nederland woonachtige
+auteurs afkomstig zijn, door de wet beschermd voor zoo ver zij in
+Nederland zijn gehouden. Op de weinig duidelijke redactie van het slot
+van art. 27, waaruit dit moet worden opgemaakt, is o.a. reeds door
+Mr. Veegens gewezen [531]. Met dezen schrijver ben ik van oordeel,
+dat de uitdrukking "daaronder begrepen" niet tot de opvatting mag
+leiden, dat mondelinge voordrachten slechts dan begrepen worden onder
+de beschermde niet door den druk gemeen gemaakte werken, wanneer zij
+aan beide genoemde vereischten voldoen, dus behalve afkomstig van
+een in Nederland woonachtig auteur, bovendien in Nederland gehouden
+zijn. M. i. zal het voldoende zijn, dat het werk aan één der beide
+vereischten voldoet, dus óf afkomstig van een in Nederland wonend
+auteur, óf binnen Nederland gehouden. Uit hetgeen Mr. Veegens over
+deze bepalingen opmerkt, meen ik op te maken, dat deze schrijver
+alleen het laatstgenoemd vereischte hier in aanmerking wil laten
+komen. Volgens deze opvatting zou dus b.v. een te Londen gehouden
+voordracht, van iemand die in Nederland woont, niet beschermd zijn
+door onze wet. Naar mijne meening is echter de andere, boven gegeven
+interpretatie juister: is de voordracht in het buitenland gehouden,
+dan wordt zij behandeld als alle andere niet door den druk gemeen
+gemaakte werken. Zoo verkrijgt ook de uitdrukking "daaronder begrepen"
+althans eenigen zin.
+
+Ten opzichte der voordrachten gelden dus de criteria van beide
+bovengenoemde stelsels, zoowel de woonplaats van den auteur als de
+plaats waar zij zijn uitgesproken. Voor tooneel- en muziekwerken
+bestaat echter geen afzonderlijke regeling, hoewel er alle reden
+bestond, de op- of uitvoering hiervan in dit opzicht met het
+uitspreken eener voordracht gelijk te stellen. De plaats der eerste
+op- en of uitvoering is dus ten aanzien der toepasselijkheid onzer
+wet van geene beteekenis. Uit het voorgaande volgt, dat zoodra een
+voordracht, tooneel- of muziekwerk in druk uitkomt, uitsluitend de
+plaats waar dit is geschied beslissend wordt, daar het werk hierdoor
+gaat behooren tot de groep "door den druk gemeen gemaakte werken".
+
+Er doet zich hier nog eene--ook door Mr. Veegens
+besproken--moeilijkheid voor ten aanzien van het op- en
+uitvoeringsrecht. Een onuitgegeven tooneelstuk b.v. van een niet in
+Nederland woonachtig auteur valt niet onder de bescherming onzer
+wet. Wordt het stuk echter in Nederland gedrukt en uitgegeven,
+dan beschouwt onze wet het wel als een Nederlandsch werk. Volgens
+Mr. Veegens zal nu een dergelijk werk wél tegen nadruk, maar niet tegen
+opvoering beschermd zijn, omdat volgens art. 12 het opvoeringsrecht
+bij het in druk uitkomen verloren gaat, tenzij het uitdrukkelijk
+wordt voorbehouden. "Dat voorbehoud dient om het verloren gaan van die
+uitsluitende bevoegheid waar zij bestaat, te voorkomen, maar vermag
+haar niet te scheppen voor een auteur, die haar niet bezit" [532].
+
+Mij komt het voor, dat de woorden van art. 12 deze interpretatie, die
+een door niets gemotiveerd verschil tusschen kopie- en opvoeringsrecht
+zou scheppen, niet noodzakelijk maken. Zoodra een tooneelstuk
+behoort tot de werken, waarop de wet van toepassing is, geniet het
+ook de volle bescherming der wet. Dat voor het opvoeringsrecht een
+voorbehoud geëischt wordt, verandert hieraan niets; ook het uitsluitend
+vertalingsrecht moet bij het in druk uitkomen worden voorbehouden,
+en dat de auteur dit in het hier besproken geval met vrucht zou kunnen
+doen, schijnt door Mr. Veegens niet te worden betwist. Het voorbehoud
+schept het opvoeringsrecht niet; door de uitgave in Nederland wordt
+het werk gerangschikt onder de beschermde auteursproducten en daardoor
+alleen ontstaan alle den auteur bij de wet toegekende rechten, dus ook
+het opvoeringsrecht; het voorbehoud strekt hier alleen om dit recht,
+hetwelk in dit geval tegelijk met zijn ontstaan weer zou te niet gaan,
+het voortbestaan mogelijk te maken.
+
+Nog dient op enkele andere vragen te worden gewezen, waarop in de
+wet wel geen stellig antwoord is te vinden, doch waarover verschil
+van meening moeilijk denkbaar is. De wet spreekt van "in Nederland
+of in Nederlandsch-Indië gedrukte en door den druk gemeen gemaakte
+werken". Dit moet natuurlijk zóó worden verstaan, dat de eerste uitgave
+in Nederland of Nederlandsch-Indië plaats heeft gehad. Is een boek in
+het buitenland uitgekomen, dan kan eene volgende uitgave in Nederland
+geen auteursrecht meer vestigen. Omgekeerd zal eene tweede uitgave
+in het buitenland van een hier verschenen werk het auteursrecht
+niet opheffen.
+
+De eerste uitgave beslist dus over de "nationaliteit" van het werk
+en wel de eerste uitgave, die vanwege den rechthebbende op het
+auteursrecht geschiedt. Ook dit vindt men in onze wet niet bepaald
+[533]; eene andere uitlegging zal echter wel door niemand worden
+voorgestaan. Het spreekt vanzelf, dat eene uitgave tegen den zin
+van den auteur of van zijne rechtverkrijgenden (een nadruk dus)
+geen auteursrecht kan vestigen of doen te nietgaan.
+
+Artikel 28 verklaart de wet ook verbindend voor Nederlandsch-Indië;
+waar ik in het voorgaande kortheidshalve alleen van "Nederland"
+heb gesproken, moet daaronder ook steeds Nederlandsch-Indië
+worden begrepen. Het Rijk in Europa en de Oost-Indische koloniën
+vormen dus ten opzichte van het auteursrecht één rechtsgebied;
+het eenige onderscheid tusschen de twee deelen bestaat hierin, dat
+de formaliteiten in het moederland bij het departement van Justitie
+moeten worden vervuld en die in Indië bij den directeur van Justitie
+te Batavia.
+
+In Suriname en Curaçao bestaat eene afzonderlijke regeling van het
+auteursrecht, vrijwel met die van onze wet overeenkomende (K. Ben. van
+11 Mei 1883 nos. 39 en 40). Doch daar het niet één en dezelfde wet
+is, die het onderwerp regelt, is de betrekking niet zoo nauw als
+met Oost-Indië. Auteursrecht volgens de Nederlandsche wet wordt in
+West-Indië wel erkend, doch volgens onze wet staan Suriname en Curaçao
+gelijk met het buitenland.
+
+
+
+De bepalingen van het Ontw. B. K. wijken eenigszins van die der wet
+van 1881 af. Het ontwerp maakt in dit opzicht geen onderscheid tusschen
+gepubliceerde (door den druk gemeen gemaakt of tentoongesteld) en niet
+gepubliceerde werken. Het is toepasselijk op alle werken van beeldende
+kunst, die vervaardigd zijn door in Nederland of in Nederlandsch-Indië
+woonachtige kunstenaars; het stelsel dus, dat de wet van 1881 alleen
+voor niet door den druk gemeen gemaakte werken huldigt.
+
+Bovendien houdt het Ontw. ook rekening met de nationaliteit van
+het werk; het is nl. eveneens van toepassing op alle werken, die in
+Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigd zijn.
+
+Ten slotte huldigt het dezelfde volkomen gelijkstelling van de
+Oost-Indische koloniën met het moederland.
+
+
+
+Na bovenstaande uiteenzetting van het stelsel onzer wet is het
+duidelijk, dat het voor vreemdelingen feitelijk onmogelijk is in ons
+land bescherming te vinden, tenzij dan in die gevallen, waarin onze
+tractaten met Frankrijk en België van toepassing zijn. Sluit men deze
+tractaten uit, dan wordt hier te lande geen ander auteursrecht erkend
+dan wat de wet van 1881 verleent. Terecht is door Mr. J. P. Moltzer
+[534] opgemerkt, dat wij hier te doen hebben met eene uitzondering
+op het beginsel, dat in art. 9 W. A. B. is neergelegd; want al is de
+nationaliteit op zichzelf geen beletsel om auteursrecht volgens onze
+wet te hebben, de vereischten die de wet stelt zijn toch van dien aard,
+dat vreemdelingen feitelijk van de bescherming zijn uitgesloten. Ik heb
+er reeds op gewezen, dat de loi-type van de Association eene regeling
+geeft, die beter met de thans geldende beginselen van internationaal
+privaatrecht in overeenstemming is [535], doch dat deze regeling in het
+stadium van ontwikkeling, waarin het auteursrecht thans nog verkeert,
+weinig kans heeft algemeen te worden toegepast. Verreweg de meeste
+wetgevingen zijn, evenals de onze, nog in hare werking beperkt tot
+een bepaalden, van nationaliteit of woonplaats van den auteur of van
+de plaats van verschijnen van het werk afhankelijken kring; en zoolang
+de volkomen gelijkstelling voor de wet van alle werken, onverschillig
+waar zij zijn uitgekomen of tot welk land de auteur behoort, voorloopig
+tot de onbereikbare idealen blijft behooren, zal men met dit stelsel
+genoegen moeten nemen. Doch afgezien van dit principieele bezwaar,
+hetwelk trouwens door internationale overeenkomsten grootendeels
+kan worden opgeheven, geeft het stelsel onzer wet nog aanleiding tot
+enkele kritische opmerkingen, die ik hier wil laten volgen.
+
+In de eerste plaats is aan bedenking onderhevig de bepaling, dat
+voor de nationaliteit van het werk niet alleen de plaats waar het
+uitkomt, doch ook die, waar het gedrukt is, beslissend is. Deze
+bepaling kwam niet in het oorspronkelijk Regeeringsontwerp, wél in
+het Ontw. Boekh. (art. 5a) en in de wet van 1817 (art. 6a) voor. In
+laatstgenoemde wet was zelfs bovendien nog als eisch gesteld, dat
+de uitgever Nederlander was (art. 6b). Men nam de bepaling tenslotte
+nog in de nieuwe wet op, omdat men vreesde, dat de uitdrukking "door
+den druk gemeen gemaakt" tot verwarring en onzekerheid aanleiding
+zou geven. Door er bij te voegen, dat het werk in Nederland moet
+zijn gedrukt, wilde men verhinderen, dat een buitenlandsch schrijver
+of uitgever hier auteursrecht zou kunnen verwerven, alleen door een
+gedeelte der oplage op het titelblad van den naam van een Nederlandsch
+uitgever te voorzien; waardoor immers het werk in Nederland zou zijn
+uitgegeven of "door den druk gemeen gemaakt." [536]
+
+De angst, dat een buitenlander in ons land auteursrecht zou kunnen
+genieten, schijnt dus wel erg zwaar te hebben gewogen. Het komt mij
+echter voor, dat het "gevaar", dat hier dreigde, vrijwel denkbeeldig
+was. Immers indien de Nederlandsche uitgever, wiens naam op het
+titelblad zou worden gezet, in een gegeven geval een strooman bleek
+te zijn, zou niets den rechter hebben verhinderd om in een dergelijk
+boek een in het buitenland door den druk gemeen gemaakt werk te zien;
+indien men echter met een werk te doen heeft, dat, zooals meermalen
+voorkomt, door de samenwerking van verschillende uitgevers werkelijk
+tegelijk in verschillende landen verschijnt, zie ik niet in waarom
+zulk een werk, waarin ook een Nederlandsch uitgever zijn aandeel zou
+hebben genomen en waarvoor hij hier op eigen risico adverteerkosten
+zou hebben gemaakt, hier te lande volgens het aangenomen stelsel der
+wet niet onder de bescherming der wet zou mogen vallen.
+
+Het middel was hier in ieder geval erger dan de kwaal. Door de
+vereischten "in Nederland of Nederlandsch-Indië door den druk gemeen
+gemaakt" en "gedrukt" beide te stellen sloot men onherroepelijk
+van de bescherming uit alle werken, die om de een of andere reden
+niet gedrukt kunnen worden in het land waar zij verschijnen. Men
+stelle zich eens voor, dat ook in andere landen hetzelfde stelsel zou
+worden gevolgd, dan zouden boeken, waarmee dit het geval was, nergens
+bescherming kunnen vinden. Dat de bepaling niet verdedigd kan worden
+als een maatregel ter bescherming der nationale industrie, springt in
+het oog. Onthouding van auteursrecht mag niet als een straf worden
+aangewend tegen dengeen die zich liever door een buitenlandschen
+dan door een Nederlandschen drukker laat bedienen. In deze lijn
+voortgaande zou men evengoed als vereischte kunnen stellen, dat de
+letters en cliché's, waarvan men zich bij het drukken bedient, in
+het land moeten zijn vervaardigd, zooals in de Vereenigde Staten
+is voorgeschreven. Deze Amerikaansche bepaling, de zoogenaamde
+manufacturing clause, wordt echter terecht door bijna alle schrijvers
+over auteursrecht ten scherpste afgekeurd.
+
+Wil men dus het stelsel van de "nationaliteit van het werk" voor
+door den druk gemeen gemaakte werken blijven behouden, dan dient
+deze alleen bepaald te worden door de plaats van verschijnen,
+d. i. de plaats waar het boek in den handel wordt gebracht. Waar
+het boek is gedrukt moet daarop van geen invloed zijn. "Het feit der
+vermenigvuldiging door den druk", schreef Mr. de Ridder reeds zeer
+terecht, "is slechts de gewichtigste der voorbereidende handelingen,
+die tot het "in het licht verschijnen" leiden kunnen" [537].
+
+Waar onze wet (en ook het Ontw. B. K.) de bescherming afhankelijk
+stelt van den staat des auteurs, wordt diens woonplaats als criterium
+genomen. Het ware m. i. beter geweest, in plaats van de woonplaats
+hier de nationaliteit te laten beslissen. Ten eerste pleit hiervoor,
+dat dit in bijna alle landen zoo is, zoodat nu in sommige gevallen
+Nederlanders in den vreemde volgens geen enkele wet bescherming
+vinden, terwijl omgekeerd vreemdelingen, die in Nederland verblijf
+houden, zoowel in hun eigen land als in Nederland auteursrecht kunnen
+hebben. Vooral ook met het oog op eene toekomstige aansluiting bij de
+Berner Conventie zou deze wijziging in onze wet aanbeveling verdienen,
+zooals hieronder nader zal worden uiteengezet.
+
+Het nationaliteitsstelsel heeft buitendien nog boven het in onze wet
+gevolgde het voordeel, dat het een meer standvastig en betrouwbaar
+criterium biedt. Het komt meer voor dat men zijne woonplaats
+tijdelijk in een ander land kiest, dan dat men van nationaliteit
+verandert. Schilders, schrijvers en kunstenaars zijn meestal niet
+aan eene bepaalde plaats gebonden en brengen dikwijls een geruimen
+tijd van hun leven buiten hun vaderland door, zonder daarom hunne
+nationaliteit prijs te geven. Het behoeft geen betoog, dat dit volgens
+het stelsel onzer wet tot allerlei moeilijkheden aanleiding kan geven.
+
+
+
+Soortgelijke bezwaren zijn ook in te brengen tegen de bepaling van
+het Ontw. B. K., volgens welke dit ontwerp van toepassing is op in
+Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken. Waar een
+kunstwerk vervaardigd is (de terminologie is ook niet gelukkig) zal
+dikwijls niet gemakkelijk zijn uit te maken; het is niet onmogelijk
+dat een schilder b.v. aan hetzelfde doek in meer dan één land heeft
+gearbeid. Het is trouwens moeilijk in te zien, waarom een in ons land
+ontstaan kunstwerk daarom als een Nederlandsch werk zou moeten worden
+beschouwd; de plaats waar de kunstenaar heeft gearbeid komt mij voor
+in dit opzicht van geene beteekenis te zijn.
+
+Een beter criterium zou, ook voor de werken van beeldende kunst, zijn
+de plaats waar het werk in het licht is verschenen. Etsen, houtsneden,
+photographieën, teekeningen voor geïllustreerde tijdschriften--in
+één woord: werken die bestemd zijn voor verveelvoudiging--zijn in
+dit opzicht volkomen met geschriften gelijk te stellen.
+
+Voor de werken die niet in de eerste plaats voor reproductie
+zijn bestemd, waartoe de meeste schilderijen en beelden zullen
+zijn te rekenen, heeft de uitgave weliswaar eene eenigszins andere
+beteekenis. Omdat van een schilderij voor het eerst eene reproductie
+is openbaar gemaakt in een Nederlandsch tijdschrift, zal men nog niet
+kunnen zeggen, dat het schilderij hier thuisbehoort, dat het een
+Nederlandsch werk is. Toch schijnt mij dit geen overwegend bezwaar
+tegen het bedoelde stelsel, dat, zooals hieronder zal blijken,
+ook in de Berner Conventie wordt toegepast. In elk geval heeft het
+boven dat van het Ontw. B. K. voor, dat de plaats waar voor het eerst
+reproducties zijn verschenen, voor belanghebbenden gemakkelijker zal
+zijn na te speuren dan die, waar het werk is ontstaan.
+
+
+
+
+§ 2 De Berner Conventie
+
+Zooals reeds in het historisch overzicht is opgemerkt, heeft de laatste
+herzienings-conferentie te Berlijn wél één enkelen tekst in de plaats
+gesteld van de oude Berner Conventie met de Additionneele Acte en de
+Verklaring van Parijs, doch zonder aan deze oude Conventie-bepalingen
+alle kracht te ontnemen.
+
+De staten, die vóór de herziening van Berlijn reeds tot het
+Verbond behoorden en den aldaar vastgestelden tekst niet wenschen te
+bekrachtigen, behoeven om die reden niet uit het Verbond te treden. Zij
+kunnen, krachtens art. 27 lid 1, tweede zinsnede, daarvan deel blijven
+uitmaken onder de oude voorwaarden. Ten aanzien van deze staten blijft
+de oude Conventie dus haar volle kracht behouden. Bovendien kunnen
+alle staten--ook degenen die zich eerst ná de Berlijnsche conferentie
+aansluiten--bij de bekrachtiging der nieuwe Conventie verklaren, dat
+zij op bepaalde punten niet door de nieuwe maar door de oude bepalingen
+gebonden wenschen te zijn. Voor de nieuw-toetredende staten bestaat dus
+ook de mogelijkheid om géén der Berlijnsche bepalingen te aanvaarden
+en uitsluitend krachtens de Berner Conventie van 1886 (al dan niet
+met de wijzigingen die zij in 1896 te Parijs heeft ondergegaan) lid
+te worden van het Verbond. Ik wil hier echter dadelijk bijvoegen,
+dat eene dergelijke handelwijze, hoewel formeel geoorloofd, toch in
+strijd zou zijn met de bedoeling van de voorstellers der bepaling
+in Berlijn: "il faut espérer que les États adhérants n'abuseront pas
+de ce pouvoir de faire des réserves" wordt in het commissie-rapport
+[538] dienaangaande opgemerkt; eene verwachting, die men zeker niet
+onredelijk kan noemen.
+
+Één ding staat intusschen vast: de bepalingen van Bern en Parijs
+zijn geen van alle onherroepelijk afgeschaft; en daarom verdienen
+zij evenzeer te worden besproken als die van de herziene Conventie.
+
+Wij hebben dus te onderscheiden:
+
+
+ I De Berner Conventie van 9 September 1886, bestaande uit:
+
+ a) de eigenlijke Conventie, verdeeld in 21 artikelen;
+ b) een additionneel artikel;
+ c) het Slotprotocol, dat van enkele in de Conventie behandelde
+ onderwerpen eene nadere regeling inhoudt;
+
+ II De Additionneele Acte van Parijs van 4 Mei 1896, verdeeld in
+ vier artikelen:
+
+ art. 1 brengt wijzigingen in de artt. 2, 3, 5, 7, 12 en 20
+ der Berner Conventie;
+ art. 2 wijzigt het Slotprotocol (nos. 1 en 4);
+ artt. 3 en 4 geven overgangs- en uitvoerings-bepalingen;
+
+ III De Verklaring (Déclaration) van Parijs, die eene uitlegging
+ geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der
+ Additionneele Acte van Parijs;
+ IV De herziene Berner Conventie van 13 November 1908, bestaande
+ uit dertig artikelen.
+
+
+Bij de bespreking, die hier volgt, zal ik mij houden aan de volgorde
+der artikelen van den onder IV genoemden, herzienen tekst, welken ik
+verder kortheidshalve zal noemen: Conventie 1908. De bepalingen uit
+de andere stukken (Conventie 1886 met add. art. en Slotprotocol,
+Add. Acte 1896 en Verklaring 1896) zullen dan telkens ter sprake
+komen bij het onderwerp, waarop zij betrekking hebben.
+
+Om het overzicht te vergemakkelijken heb ik de bepalingen der Conventie
+1908, met behoud van de volgorde der artikelen, in een viertal groepen
+verdeeld, als volgt:
+
+
+
+a Algemeene beginselen betreffende het internationale auteursrecht in
+het Verbond (doel en strekking van het Verbond art. 1; de werken waarop
+de Conventie toepasselijk is artt. 2 en 3; het stelsel, volgens hetwelk
+omvang en duur der bescherming zijn geregeld artt. 4, 5, 6 en 7);
+b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeden (vertalingsrecht
+art. 8; journalistiek auteursrecht art. 9; bloemlezingen art. 10;
+op- en uitvoeringsrecht art. 11; bewerkingsrecht art. 12; mechanische
+muziekinstrumenten art. 13; kinematograaf art. 14);
+c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht (legitimatie
+voor den rechter art. 15; beslag op nadruk art. 16);
+d Uitvoerings- en overgangsbepalingen (erkenning van het recht van
+iederen staat om verspreiding en uitstalling van geschriften of
+kunstwerken te verbieden art. 17; overgangsbepalingen art. 18; de
+geldigheid van wetten en bijzondere tractaten tegenover de Conventie
+artt. 19 en 20; huishoudelijke inrichting van het Verbond artt. 21-24;
+toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën artt. 25 en 26;
+bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging artt. 27-30).
+
+
+
+
+a Algemeene regelen betreffende het internationaal auteursrecht in
+het Verbond
+
+
+I Doel en strekking van het Verbond (Conv. 1908 art. 1; Conv. 1886
+art. 1)
+
+Over het eerste artikel der Conventie, dat sinds 1886 onveranderd is
+gebleven, behoeft weinig te worden gezegd. Het is te beschouwen als
+een korte inleiding van hetgeen volgt; in hoofdtrekken geeft het het
+doel aan der Conventie en het terrein, waarop zij zich beweegt.
+
+Met de vorming van een internationaal Verbond (Union) meende men eene
+hechtere aaneensluiting te vestigen, dan eene eenvoudige Conventie zou
+geven [539]. Als voorbeelden werden daarbij verscheidene malen genoemd
+de Post-Unie en het Verbond tot bescherming van den industrieelen
+eigendom.
+
+Over den naam van het recht, dat de Conventie den auteurs verleent,
+is men het op de Berner Conferentiën niet dan na lange beraadslaging
+eens geworden. In den titel der Conventie 1886 wordt gesproken van de
+"bescherming van de werken van letterkunde en kunst." De term droits
+d'auteur werd verworpen, omdat men daaronder in Frankrijk verstaat
+het recht op tantièmes van een dramatisch schrijver bij de vertooning
+van zijn stuk, en propriété littéraire et artistique, de in Frankrijk
+gebruikelijke benaming voor auteursrecht, omdat dit juridisch minder
+juist werd geacht en tot verkeerde gevolgtrekkingen (aanvaarding van
+de theorie van den letterkundigen eigendom) aanleiding zou kunnen
+geven. Doch er werd uitdrukkelijk geconstateerd, dat de gekozen
+uitdrukking (protection des oeuvres littéraires et artistiques)
+dezelfde beteekenis heeft als propriété littéraire et artistique
+bij Fransche schrijvers en als b.v. het Duitsche Urheberrecht en het
+Engelsche copyright, dus ook als ons auteursrecht.
+
+In den considerans en in artikel 1 wordt gesproken van "protection des
+droits des auteurs sur leurs oeuvres... etc." dus: van de verschillende
+den auteurs toekomende rechten op hunne werken. Hier geeft dus ook
+ons woord auteursrecht de juiste vertaling.
+
+
+
+
+II De werken, waarop de Conventie van toepassing is (Conv. 1908 artt. 2
+en 3; Conv. 1886 artt. 4 en 6, Slotpr. nos. 1 en 2; Add. Acte 1896
+art. 2, I)
+
+De algemeene uitdrukking "werken van letterkunde en kunst", waarmede
+in het eerste artikel der Conventie de beschermde producten worden
+aangeduid, zou zonder nadere omschrijving natuurlijk voor zeer
+verschillende uitleggingen vatbaar zijn. Deze nadere omschrijving,
+die de Conventie 1886 eerst in het vierde artikel gaf, is bij
+de Berlijnsche herziening m. i. terecht terstond na artikel 1
+geplaatst. Wij krijgen dus eerst de vraag te behandelen, op welke
+categorieën van werken de Conventie toepasselijk is.
+
+De vraag heeft reeds op de Conferentie van Bern velerlei besprekingen
+uitgelokt. De verschillende wetgevingen zijn op dit punt niet alle
+even volledig; wat in het eene land als object van auteursrecht wordt
+beschouwd, vindt soms in het andere land geen bescherming, of wel is
+aldaar als industrieproduct beschermd. Waar men het altijd over eens
+is geweest, dat zijn:
+
+1o. de geschriften (in de ruime beteekenis, waarin ik dezen term ook
+hierboven heb gebruikt);
+
+2o. de platen en kaarten van wetenschappelijken of technischen aard;
+
+3o. de muziekwerken, zoowel met als zonder tekst;
+
+4o. de werken van beeldende kunst (teekeningen, schilderijen,
+beeldhouwwerk enz.).
+
+Al deze categorieën van werken worden reeds in art. 4 der Conventie
+1886 met name genoemd en hebben sinds dien onder goedkeuring van
+alle aangesloten staten behoord tot degenen, waarop de Conventie
+onvoorwaardelijk toepasselijk was.
+
+Daarentegen gaven vooral vier categorieën van werken aanleiding
+tot verschil van meening, te weten: de photographieën, de werken
+der bouwkunst, de choregraphische werken en de producten van
+kunstnijverheid. Volgens de Conventie 1886 genoten deze werken, deels
+in 't geheel niet, deels slechts voorwaardelijk de internationale
+bescherming; door de herzieningen van Parijs en Berlijn zijn zij
+geleidelijk met de overige beschermde werken gelijkgesteld.
+
+In de Conventie 1908 (artikel 2 tweede lid) zijn voor het eerst ook
+bij de beschermde werken genoemd de vertalingen en andere bewerkingen
+alsmede de verzamelwerken. Het recht van den vertaler was weliswaar
+reeds in de Conventie 1886 uitdrukkelijk erkend, doch onder de
+opsomming van art. 4 kwamen de vertalingen niet voor. Er was hieraan
+een afzonderlijk artikel gewijd (art. 6), waartegen, afgezien van
+de stelsellooze plaatsing die er aan was gegeven, nog enkele andere
+bedenkingen zijn te maken, waarop ik zoo aanstonds terugkom.
+
+De Conventie 1908 heeft ten slotte nog eene andere nieuwe rubriek
+auteursproducten ingevoerd nl. de door den kinematograaf vertoonde
+stukken. Strikt genomen hadden deze ook in artikel 2 moeten zijn
+vermeld; de betreffende bepaling is echter opgenomen in het tweede
+lid van artikel 14, in welk artikel alles wat met den kinematograaf
+in verband staat bijeen is gebracht. Ik zal ze daarom niet hier,
+maar onder artikel 14 bespreken.
+
+
+
+Thans mogen de verschillende werken, en de wijzigingen, die de
+Conventie te hunnen opzichte heeft ondergaan, meer in bijzonderheden
+worden beschouwd.
+
+In de eerste plaats de werken, die van den aanvang af tot de beschermde
+producten zijn gerekend, dus:
+
+
+
+Geschriften, platen en kaarten, werken der toonkunst en werken van
+beeldende kunst--Artikel 4 Conventie 1886 geeft dienaangaande de
+volgende opsomming, die ook in artikel 2 Conventie 1908 is overgenomen:
+
+
+ De uitdrukking "werken van letterkunde en kunst" omvat:
+ boeken, brochures en alle andere geschriften; dramatische
+ of dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder
+ tekst; teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken en gavures;
+ lithographieën, illustraties, landkaarten; geographische,
+ topographische, bouwkundige of in het algemeen wetenschappelijke
+ ontwerpen, schetsen en plastische modellen; ...
+
+
+Na deze opsomming komt dan nog de volgende algemeene aanduiding:
+
+
+ "... ten slotte elk product op letterkundig, wetenschappelijk of
+ kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk
+ of van eenige andere wijze van reproductie.
+
+
+De belangrijkste vraag, waartoe artikel 4 Conventie 1886 aanleiding
+heeft gegeven is, of het al dan niet dwingend recht schept, m. a. w. of
+de verschillende categorieën van geschriften en kunstwerken, welke er
+in genoemd worden, onafhankelijk van de bepalingen der landswetten
+beschermd moeten worden, dan wel of de internationale bescherming
+voor deze werken alleen geldt, voorzoover zij ook door de landswetten
+onder de beschermde auteursproducten moeten gerekend worden. De eerste
+meening werd dikwijls, ook van gezaghebbende zijde [540], vernomen;
+er is o.a. voor aan te voeren dat die categorieën van werken, waarvan
+de bescherming niet in het geheele Verbond verplichtend was gesteld,
+nl. photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken,
+niet in het artikel zijn genoemd, maar dat de Conventie daarvoor
+afzonderlijke bepalingen heeft. Daaruit heeft men afgeleid, dat
+artikel 4 alleen die werken noemt, welke beschermd moeten zijn. Andere
+schrijvers nemen aan, dat dit voor het minst het geval is ten aanzien
+van de met name in het artikel genoemde werken; niet ten aanzien
+van die werken, welke met meer algemeene termen aan het slot van het
+artikel worden aangeduid [541].
+
+Naar mijne meening is echter ook deze opvatting niet de juiste. Zij is
+niet overeen te brengen met het systeem der Conventie 1886, zooals dat
+in de bepalingen van de twee voorgaande artikelen omschreven is. Immers
+indien men aanneemt, dat alle werken, welke in art. 4 worden opgesomd,
+in het Verbond beschermd moeten zijn, ook al zijn zij niet beschermd
+volgens de wetgeving van het land van herkomst of van die van het land,
+waar de bescherming wordt ingeroepen, dan blijft er van de bepalingen
+van artikel 2 niet veel meer over. In het eerste lid van dit artikel
+staat uitdrukkelijk voorgeschreven dat in elk der verbondslanden de
+bescherming wordt genoten "welke de betreffende wetten den inlandschen
+auteurs nu verleenen of in het vervolg verleenen zullen". Voor de
+vervulling der voorwaarden en formaliteiten en voor de berekening
+van den duur van het auteursrecht verwijst het tweede lid van genoemd
+artikel naar "de wetgeving van het land, waaruit het werk herkomstig
+is". Het stelsel der Conventie 1886 is dus wel, zooals ook hieronder
+nog zal worden uiteengezet, dat geen bescherming wordt verleend voor
+werken, die niet zoowel in het land van herkomst als in het land, waar
+men het auteursrecht wenscht uit te oefenen, onder de beschermende
+bepaling der inlandsche wetgeving vallen. Natuurlijk zijn op dezen
+algemeenen regel uitzonderingen mogelijk, en men treft deze dan ook in
+sommige artikelen der Conventie aan (o. a. wat betreft het uitsluitend
+vertalingsrecht, geregeld in art. 5); doch uit niets blijkt, dat ook
+met artikel 4 van den algemeenen regel is afgeweken, en er bestaat nog
+des te minder grond om dit aan te nemen, nu dit artikel niet op een
+bepaald onderdeel der bescherming of op eene bepaalde categorie van
+auteursproducten betrekking heeft, maar integendeel op alle werken,
+die voor bescherming door de Conventie in aanmerking komen. Ik meen
+dus, dat in de opsomming van art. 4 Conventie 1886 niet anders moet
+worden gezien dan eene nadere omlijning van het, min of meer vage,
+begrip dat de woorden "werken van letterkunde en kunst" in den titel
+en het eerste artikel der Conventie aangeven. Het artikel leert ons,
+welke de werken zijn die--volgens de regelen en onder de voorwaarden,
+welke de twee voorgaande artikelen stellen--in het Verbond beschermd
+zullen worden.
+
+Volgens deze meening is dus voor een werk het feit dat het behoort tot
+degenen die in artikel 4 worden opgenoemd, op zichzelf nog niet genoeg
+om het de bescherming der Conventie 1886 deelachtig te doen worden;
+het moet daarenboven zoowel in het land, dat door de Conventie als
+land van herkomst wordt beschouwd, als in het land waar de bescherming
+wordt ingeroepen, beschermd zijn.
+
+Hiermede is echter niet gezegd, dat het artikel alle beteekenis mist,
+en dat het evengoed had weggelaten kunnen worden. Voor de reeds bij
+de Conventie aangesloten staten geeft het, zoo al niet eene stellige
+verplichting, dan toch in ieder geval eene aanwijzing, die moeilijk
+kon worden voorbijgezien, dat zij hunne wetgevingen met dit artikel
+in overeenstemming dienen te brengen of te houden. En in het algemeen
+kan worden gezegd, dat deze overeenstemming ook steeds heeft bestaan.
+
+Voor de nog niet aangesloten staten, die zich op dit stuk aan de
+Conventie 1886 zouden willen houden, is het besproken artikel
+van niet minder gewicht, en wel in verband met de bepaling van
+artikel 25 eerste lid Conventie 1908 (art. 18 eerste lid Conventie
+1886). Hier staat, dat alle staten tot het Verbond kunnen toetreden,
+"die (op hun gebied) wettelijke bescherming verleenen aan de rechten,
+die het onderwerp dezer Overeenkomst uitmaken." De toetreding kan dus
+worden geweigerd aan die staten, wier wetgeving niet op de hoogte is,
+welke de Conventie eischt, en waar dus b.v. sommige van de in artikel
+4 genoemde werken niet beschermd zijn.
+
+Dat in dit opzicht aan artikel 4 eene uitlegging in strengen zin zou
+worden gegeven, is zoo goed als zeker, vooral waar geoordeeld zou
+moeten worden over eene onvolledige wetgeving als de Nederlandsche,
+die de geheele rubriek "werken van beeldende kunst" onbeschermd
+laat. Professor Röthlisberger, zeker een vertrouwbare autoriteit op
+dit gebied, schreef hierover (vóór de herziening van Berlijn) o. a:
+
+"So ist est auch communis opinio, dass ein Land, das der Berner Union
+beitreten will, den Schutz, den die K(onvention) bietet, bei sich
+verwirklichen muss. Ohne Zaudern nimmt jedermann an ...., dass vor dem
+Eintritt in die Union zur Vermeidung von Konflicten die Landesgesetze
+auf die Höhe des Schutzmasses speziell von Art. 4 zu bringen seien."
+
+Speciaal wat ons land betreft voegt de schrijver er nog bij:
+
+"Man erachtet es in Holland als selbstverständlich, dass die dortige
+Gesetzgebung zuerst im Sinne des Schutzes der Künstler zu revidieren
+sei, bevor dieses Land in die Union trete. Eine Stellung, wie sie
+Holland in der gewerblichen Union einnimmt, der es angehört, ohne
+Erfindungsschutz zu besitzen, wäre in der Literarunion nicht denkbar"
+[542].
+
+Het kan dus als vaststaande worden aangenomen, dat aan ons land het
+toetreden tot het Verbond geweigerd zal worden, zoolang de werken
+van beeldende kunst bij ons onbeschermd zijn. Wat de overige werken
+betreft, is onze wet vrijwel op de hoogte van art. 4 der Conventie
+1886. De "boeken, brochures en alle andere geschriften" van dit
+artikel zouden alle vallen onder de "geschriften" van artikel 1
+onzer wet. Verder zijn ook in onze wet beschermd: "dramatische of
+dramatisch-muzikale werken, muziekstukken met of zonder tekst" [543].
+
+Nemen wij aan, dat het Ontw. B. K. vóór onze toetreding tot wet is
+verheven, dan zou ook de uitdrukking "werk van beeldende kunst" in
+artikel 1 van dit ontwerp alles omvatten, wat in de Conventie wordt
+aangeduid met de woorden: "teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerken
+en gravures" en waarschijnlijk ook de "lithographieën" (waaronder
+ook gerekend moeten worden de chromo-lithographieën) [544] en
+"illustraties", die de Conventie daarna nog noemt. Alleen de
+"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het
+algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen"
+zouden eenige moeilijkheid opleveren. Deze werken behooren, zooals ik
+in hoofdstuk III heb uiteengezet, niet tot de werken van beeldende
+kunst. In de memorie van toelichting van het Ontw. B. K. (§ 2 p. 4)
+wordt wel gezegd: "Het spreekt echter van zelf, dat de namaak van
+bouwkundige teekeningen wel in de termen van de wet valt; immers
+bouwkundige teekeningen zijn teekeningen enz." Doch dit is eene
+verklaring van niet veel beteekenis; men kan evengoed zeggen (al gaat
+natuurlijk overigens de vergelijking niet op): "een huisschilder is
+een schilder enz." Platte gronden, doorsneden en dergelijke moge
+men teekeningen kunnen noemen, werken van beeldende kunst zijn
+zij zeker niet. Vonden zij als zoodanig dus geen bescherming, dan
+zouden zij nog kunnen behooren tot de "plaat- en kaartwerken" van
+art. 1 W. A. R. Over deze ongelukkig gekozen uitdrukking onzer wet
+is te zijner plaatse (pp. 196 sqq.) reeds genoeg gezegd. Indien men
+haar, wat te verwachten is, vóór onze toetreding tot de Conventie
+uit de wet verwijdert, dan zou het m. i. aanbeveling verdienen, in
+de plaats daarvan de--misschien wat omslachtige, maar in elk geval
+duidelijke en volledige--termen der Conventie over te nemen, dus:
+"landkaarten, geographische, topographische, bouwkundige of in het
+algemeen wetenschappelijke ontwerpen, schetsen en plastische modellen".
+
+Men ziet uit het bovenstaande, dat de Conventie 1886 van de staten
+die wenschen toe te treden eischt, dat zij den besproken werken in
+hunne wetgeving bescherming verleenen. In artikel 2 der Conventie
+1908 is deze verplichting, om allen twijfel onmogelijk te maken,
+uitdrukkelijk voorgeschreven. Het derde lid van dit artikel luidt:
+
+
+ De contracteerende Landen zijn verplicht de bescherming der
+ bovengenoemde werken te verzekeren.
+
+
+Door deze nieuwe bepaling, welke elke nieuw-toetredende staat wel
+zal dienen te aanvaarden, valt aan de genoemde verplichting in het
+geheel niet meer te ontkomen. Want terwijl het vroeger nog mogelijk
+was, dat een staat met eene onvolledige wetgeving op dit punt met
+goedkeuring der aangesloten staten lid werd van het Verbond, zou nú
+een dergelijke staat de Conventie schenden, indien niet ten spoedigste
+in zijne wetgeving de noodige aanvulling werd gebracht.
+
+Nog dient er hier op te worden gewezen, dat de verschillende soorten
+van werken, welke artikel 2 (nieuw) en artikel 4 (oud) opsommen,
+slechts als voorbeelden zijn genoemd van "producten op letterkundig,
+wetenschappelijk of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze
+gepubliceerd kunnen worden." Kan dus een werk tot de laatstgenoemde
+producten gerekend worden, dan geniet het ook de bescherming der
+Conventie, al is het niet onder een van de met name genoemde rubrieken
+onder te brengen. Door eene redactiewijziging heeft men deze bedoeling
+(die men trouwens van den aanvang af ook met het oude artikel 4 gehad
+heeft) in het nieuwe artikel 2 duidelijker uitgesproken. Van groot
+practisch belang is dit echter niet, want in de eerste plaats blijft
+er na de vrij volledige opsomming niet veel meer over, dat gerekend
+zou kunnen worden tot de producten op letterkundig, wetenschappelijk
+of kunstgebied, die door den druk of op andere wijze gereproduceerd
+kunnen worden [545] (behoudens natuurlijk de werken, die hierboven
+afzonderlijk zijn genoemd en die zoo aanstonds besproken zullen
+worden: photographieën, choregraphische werken, werken der bouwkunst
+en producten van kunstnijverheid); en in de tweede plaats zou uit deze
+min of meer vage en voor subjectieve uitlegging vatbare aanduiding
+m. i. moeilijk eene stellige verplichting zijn te halen, nóch voor
+een staat (om zijne wetgeving te veranderen) nóch voor den rechter (om
+tegen de wet van zijn land in de bescherming van een werk te erkennen).
+
+
+
+Photographieën--Tegen het opnemen der photographieën in artikel 4
+Conventie 1886 werd destijds door sommige staten bezwaar gemaakt, omdat
+zij een auteursrecht van photografen in hunne wet niet kenden. Daar men
+echter de internationale bescherming van dit recht, daar waar het wél
+door de inlandsche wetgeving erkend werd, niet onmogelijk wenschte te
+maken, werd in het Slotprotocol no. 1 de volgende bepaling opgenomen:
+
+
+ Ten opzichte van artikel 4 is men overeengekomen, dat de
+ verbondslanden, die aan photographieën het karakter van kunstwerken
+ niet ontzeggen, zich verbinden aan deze werken de bepalingen der
+ heden gesloten overeenkomst van haar in werking treden af ten goede
+ te doen komen. Zij zijn overigens, afgezien van bestaande of nog
+ te sluiten internationale verdragen, slechts gehouden de genoemde
+ werken te beschermen in die mate als hunne wetgeving dit toelaat.
+
+
+Men ziet, dat deze bepaling niet de verplichting oplegt,
+om auteursrecht op photographieën in te voeren, daar waar het
+niet bestaat. Doch de staten, die dit recht wél erkennen en die
+aan photographieën het karakter van kunstwerken niet ontzeggen,
+worden gedwongen dit recht, volgens de bepalingen der Conventie,
+ook aan de photografen van andere Verbondslanden te verleenen,
+zelfs aan degenen, die in hun eigen land onbeschermd zijn. Dit
+laatste is eene uitzondering op het stelsel der Conventie 1886,
+volgens hetwelk de internationale bescherming slechts aan die werken
+ten goede komt, welke in hun eigen land (d. w. z. het land waar
+zij het eerst gepubliceerd zijn of dat, waartoe de auteur behoort)
+tot de beschermde producten worden gerekend. Voor het overige is
+echter de photographie-bescherming aan dezelfde regels gebonden,
+die de Conventie 1886 ten aanzien van alle andere werken inhoudt
+(b.v. wat betreft de vervulling der voorwaarden en formaliteiten in
+het land van herkomst en de berekening van den duur van het recht);
+daar er niet een speciaal recht ten behoeve der photografen is in
+het leven geroepen, doch slechts de verplichting gestipuleerd om hun
+"de bepalingen der Overeenkomst ... ten goede te doen komen" [546].
+
+De Additionneele Acte van Parijs (art. 2, I) bracht in deze bepaling
+van het Bernsche Slotprotocol eene kleine wijziging. Volgens den ouden
+tekst zijn alleen die staten verplicht de photographieën uit andere
+Verbondslanden te beschermen, die daaraan "het karakter van kunstwerken
+niet ontzeggen". Volgens deze bepaling was dus b.v. Duitschland, waar
+vóór de wet van 9 Jan. 1907 de photographieën wel beschermd waren,
+doch in eene afzonderlijke wet, niet als werken van beeldende kunst
+(dus niet als "kunstwerken"), niet verplicht aan de photographieën uit
+andere Verbondslanden bescherming te verleenen. In Parijs werd nu de
+bepaling zoodanig gewijzigd, dat de verplichting wordt opgelegd aan
+alle staten die de photographieën beschermen, onverschillig of deze
+al dan niet als kunstwerken worden beschouwd.
+
+Dit was de eenige wijziging, welke de regeling der photographieën
+op de Parijzer Conferentie onderging. Wel werd nog in de Verklaring
+(onder no. 1) uitdrukkelijk geconstateerd, dat de algemeene regel,
+dat vervulling van voorwaarden en formaliteiten uitsluitend in het
+land van herkomst kan geëischt worden, ook op de photographieën
+toepasselijk is, doch men kan aannemen, dat dit ook zonder deze
+uitdrukkelijke verklaring het geval was. Men nam haar slechts op,
+om allen twijfel hieromtrent onmogelijk te maken.
+
+Het Berner Slotprotocol no. 1 bevat nog een tweede lid, dat ook in
+de Add. Acte van Parijs is blijven staan. Het houdt de bepaling in,
+dat photographieën van beschermde kunstwerken, die met toestemming
+van den rechthebbende zijn vervaardigd, even lang beschermd zijn in
+het Verbond als deze kunstwerken zelve. Deze bepaling strekte dus
+niet ter bescherming der photographie als auteursproduct, maar ter
+bescherming van het kunstwerk tegen indirecte reproductie. Immers
+het recht, dat de photograaf in het bedoelde geval zou kunnen doen
+gelden, is niet het door hemzelf gevestigd auteursrecht, maar dat van
+den schilder, teekenaar, beeldhouwer enz. hetwelk hem door dezen is
+overgedragen. In dit nummer van het Slotprotocol, waar het auteursrecht
+van den photograaf was geregeld, was de bepaling daarom niet op hare
+plaats. Bovendien was zij volkomen overbodig; ook indien zij niet
+bestond zou het verspreiden van eene reproductie van eene dergelijke
+photographie tegen de bepalingen der Conventie strijden, als inbreuk
+nl. op het recht van den auteur van het oorspronkelijke kunstwerk. Want
+men is het er algemeen over eens, dat eene reproductie--van een
+schilderij b.v.--ook dan inbreuk op het auteursrecht uitmaakt, wanneer
+zij niet direct naar het origineel is vervaardigd, maar gemaakt is
+met behulp van eene andere, reeds bestaande reproductie.
+
+De Conventie 1908 behandelt de photographieën in artikel 3, dat
+aldus luidt:
+
+
+ De tegenwoordige Overeenkomst is toepasselijk op photographieën en
+ op werken met een soortgelijk procédé verkregen. De contracteerende
+ Landen zijn gehouden de bescherming ervan te verzekeren.
+
+
+De laatstbesproken bepaling van Slotprotocol no. 1 tweede lid en
+Add. Acte 1896 art. 2 I, B tweede lid is dus, zeer terecht, weggelaten.
+
+Van meer belang is, dat het nieuwe artikel de bescherming der
+photographieën in alle landen verplichtend stelt. In dit opzicht
+zijn zij dus gelijkgesteld met die werken, welke in het eerste lid
+van artikel 2 zijn genoemd. Men heeft ze echter niet onder de daar
+opgesomde "werken van kunst en letterkunde" willen noemen, omdat
+men de vraag, of de photographieën al dan niet tot de kunstwerken
+gerekend moeten worden geheel in het midden wilde laten. Elke staat
+wordt vrijgelaten de photographieën te qualificeeren zooals hij wil,
+mits hij ze maar beschermt.
+
+De invoering van de verplichte bescherming der photographieën hield
+de vervulling in van een der "wenschen" welke op de Conferentie van
+Parijs waren uitgesproken, nl.: "dat in alle Verbondslanden de wet
+bescherming moge verleenen aan photographieën en aan werken, die met
+een soortgelijk procédé zijn verkregen." [547] Doch het tweede deel
+van dezen wensch: "dat de duur dezer bescherming minstens vijftien
+jaren moge bedragen", heeft men op de Berlijnsche Conferentie niet
+kunnen verwezenlijken. Hoezeer men ook het nut inzag van een uniformen
+termijn, heeft men zich toch genoodzaakt gezien de beslissing over
+den duur der bescherming aan de wet van elk land over te laten. De
+desbetreffende bepaling vindt men in artikel 7 derde lid Conventie
+1908; ik laat haar daarom hier verder onbesproken.
+
+De eischen, welke de Conventie aan een nieuw-toetredenden staat stelt
+ten aanzien der photographieën, kunnen na het voorgaande in het kort
+aldus worden samengevat.
+
+Indien geen reserves worden gemaakt, indien men dus de Conventie
+1908 op dit stuk onvoorwaardelijk aanvaardt, is de toetredende
+staat krachtens artikel 3 verplicht de photographieën bij zich te
+beschermen. Nederland zou dus in dit geval óf in eene speciale wet,
+óf in het tot wet te verheffen Ontw. B. K. deze bescherming moeten
+invoeren; deze bescherming zou krachtens de Conventie voor de
+photographieën uit alle andere Verbondslanden gelden.
+
+Wenscht men de nieuwe Conventie op dit punt niet te volgen, dan is de
+eenige mogelijkheid: aanvaarding van de bepaling der Add. Acte van
+Parijs (art. 2, I B eerste lid). Men neemt dan niet de verplichting
+op zich de bescherming der photographieën onmiddellijk in te voeren,
+doch gaat men hier later eenmaal toe over, dan zal evenals in het
+vorige geval die bescherming ook voor de photographieën uit de andere
+Verbondslanden gelden.
+
+Een beroep op de bepaling van het Berner Slotprotocol, zonder de
+wijziging die daarin te Parijs is gebracht, is hier uitgesloten. Die
+wijziging strekte, zooals wij zooeven hebben gezien, alleen, om de
+internationale bescherming ook te doen gelden in die landen, waar
+de photographieën wél beschermd worden, maar niet tot de kunstwerken
+worden gerekend. Uitsluitend dus voor een land, waar dit het geval is
+of waar men van plan is eene wet in dezen zin in te voeren, zou het bij
+toetreding tot de Conventie eenigen zin hebben, de oude bepaling van
+het Berner Slotprotocol boven die van de Add. Acte te verkiezen. Doch
+wat zou men hiermede bereiken? Dat men in dat land de eigen photografen
+zou kunnen beschermen, zonder die uit de andere Verbondslanden van die
+bescherming te laten genieten, terwijl omgekeerd in die andere landen
+de eigen photografen wél beschermd zouden zijn. Een systeem dus van
+niets geven en alles ontvangen, dat elke beschaafde staat zich zou
+schamen te aanvaarden. Dit zou met recht een misbruik maken genoemd
+kunnen worden van de vrijheid, die art. 25 lid 3 der Conventie 1908
+aan de staten die wenschen toe te treden, laat!
+
+Er mag echter wel op worden gewezen, dat een staat, die zich aan de
+Add. Acte van Parijs houdt, eveneens de voordeelen geniet, welke de
+Conventie op dit punt verschaft, zonder daarvoor iets in de plaats
+te geven. In geen enkel der Verbondslanden zijn de photographieën
+van alle bescherming verstoken; in de meeste landen worden zij in
+de wet uitdrukkelijk onder de beschermde auteursproducten genoemd
+(Zweden, Noorwegen en Denemarken hebben eene afzonderlijke wet; in
+Duitschland, Japan en Zwitserland bevat de wet op het auteursrecht
+daarover speciale bepalingen; in Engeland, Luxemburg, Monaco en
+Spanje worden zij in de wet met name onder de kunstwerken genoemd);
+terwijl b.v. in Frankrijk, Italië en België, ondanks het ontbreken van
+uitdrukkelijke wetsbepalingen, door de jurisprudentie een auteursrecht
+op photographieën wordt erkend [548]. Hoogstwaarschijnlijk zullen
+dus alle staten, die op dit oogenblik deel uitmaken van het Verbond,
+het nieuwe artikel 3 aanvaarden (uit de verslagen van de Berlijner
+Conferentie blijkt niet, dat één staat zich er tegen heeft verklaard)
+[549]; voor een nieuw toetredenden staat, wiens onderdanen dus in
+de geheele Unie de photographie-bescherming zullen kunnen inroepen,
+brengt deze omstandigheid m. i. wel eenigszins de moreele verplichting
+mee om, zoo dit eenigszins mogelijk schijnt, die bescherming ook bij
+zich in te voeren.
+
+
+
+Choregraphische werken--Ten aanzien der choregraphische werken
+bestond in de Conventie 1886 eene soortgelijke regeling als ten
+aanzien der photographieën. Evenals deze laatsten waren zij niet in
+de opsomming van artikel 4 opgenomen, doch volgens Slotprotocol no. 2
+waren de Verbondslanden "wier wetgeving onder de dramatisch-muzikale
+werken ook de choregraphische werken begrijpt" gehouden ze van "de
+voordeelen der bepalingen der heden gesloten Overeenkomst" te laten
+genieten. Vooral Italië, waar balletten in de schouwburgzaal eene
+groote plaats innemen, deed telkens moeite eene algemeene bescherming
+in het geheele Verbond voor deze werken te verkrijgen; doch zoowel
+te Bern [550] als te Parijs [551] stuitten deze pogingen op bezwaren
+af van de andere mogendheden. Het begrip "choregraphisch werk" stond
+nog te weinig vast en er bestond niet eene gevestigde opinie over de
+grenzen, waarbinnen de bescherming van deze soort werken diende te
+worden gehouden. Men bleef dus, tot aan de herziening van Berlijn,
+bij de bovengenoemde bepaling van het Berner Slotprotocol, dat de
+verplichting tot internationale bescherming alleen oplegt aan de
+landen, waar deze werken reeds beschermd zijn, terwijl nog in een
+tweede lid aan de rechters, die deze bepaling zouden hebben toe
+te passen, de meest mogelijke vrijheid bij hunne uitlegging werd
+verzekerd.
+
+Op de Conferentie van Berlijn kwam Italië weer met het oude voorstel:
+choregraphische werken en pantomimes op te nemen onder de beschermde
+producten. De Duitsche Regeering wenschte ook de bepalingen der
+Conventie algemeen op deze werken toepasselijk te verklaren, doch
+alleen op diegenen, "waarvan de dramatische actie schriftelijk was
+vastgelegd"; de balletten en pantomimes, die dezen tastbaren vorm
+ontbeerden, kwamen naar de meening dezer Regeering wegens hun al te
+vluchtig bestaan niet voor bescherming in aanmerking [552].
+
+Met elk dezer beide voorstellen is bij het redigeeren der nieuwe
+bepaling rekening gehouden. De bedoelde werken werden in artikel
+2 opgenomen, (waardoor men dus de verplichte bescherming in alle
+landen voor hen had verkregen, wat door beide bovengenoemde staten
+was verlangd), terwijl de door Duitschland voorgestelde voorwaarde in
+overleg met de Italiaansche gedelegeerden zoodanig werd aangevuld,
+dat niet alleen de schriftelijke vorm, maar ook elke andere vorm
+van fixeering (b.v. door middel van teekeningen) voldoende zal
+zijn, om voor een werk de bescherming te verzekeren. Tusschen de
+"dramatisch-muzikale werken" en de "muziekstukken" prijken dus nu in
+het nieuwe artikel de "choregraphische werken en pantomimes, waarvan
+de mise-en-scène door schrift of op andere wijze is vastgelegd."
+
+Indien derhalve een staat, welke tot de Conventie toetreedt, niet
+de verplichting wil op zich nemen deze werken te beschermen, zal
+hieromtrent eene uitdrukkelijke verklaring moeten worden afgelegd. In
+plaats van de dwingende bepaling der Conventie 1908 (art. 2 lid 1
+jo lid 3) zal dan de oude regeling van het Berner Slotprotocol no. 2
+ten aanzien van dien staat van kracht blijven.
+
+
+
+Werken der bouwkunst--In een vorig hoofdstuk is reeds uiteengezet
+(p. 232), wat men te verstaan heeft onder het auteursrecht op werken
+der bouwkunst en waarin het verschil bestaat tusschen dit recht en
+dat op bouwkundige plannen en teekeningen. Dit laatste behoeft hier
+niet te worden besproken; wij hebben alleen te maken met het recht
+op de bouwkundige werken zelf, onafhankelijk van den vorm, waarin
+zij zijn openbaar gemaakt.
+
+De Conventie 1886 bevat geen bepaling over deze werken; eerst op
+de Conferentie van Parijs is de bescherming ervan in het Verbond
+ingevoerd. Dit geschiedde door de volgende bepaling, opgenomen in de
+Add. Acte art. 2, I, A.:
+
+
+ In de landen van het Verbond, waar bescherming wordt verleend
+ niet alleen aan bouwkundige plannen, maar ook aan de bouwkundige
+ werken zelf, genieten deze werken de voordeelen der bepalingen van
+ de Berner Overeenkomst en van de tegenwoordige Additionneele Acte.
+
+
+Hierdoor waren de bouwkundige werken gelijkgesteld met de
+photographieën en de choregraphische werken. Geen verplichting dus
+om de bouwkundige werken uit andere Verbondslanden te beschermen dan
+alleen in die landen, waar deze bescherming reeds voor de inlandsche
+auteurs bestond.
+
+Hoewel deze bescherming lang niet zoo algemeen in de verschillende
+Verbondslanden erkend is als b.v. die der photographieën, is men
+er toch op de Conferentie van Berlijn in geslaagd, ook hierop den
+algemeenen regel (verplichte bescherming in alle Verbondslanden)
+toepasselijk te verklaren. Zonder dat iemand er zich tegen
+verzette zijn de bouwkundige werken in artikel 2 onder de beschermde
+auteursproducten opgenomen. Alleen door Zweden werden reserves gemaakt
+[553].
+
+Daar in ons land op werken der bouwkunst geen auteursrecht bestaat,
+terwijl ook het Ontw. B. K. ze uitdrukkelijk van de bescherming
+uitsluit (art. 1 lid 2), zal men bij onze toetreding tot de Conventie
+óf de wetgeving op dit punt moeten aanvullen óf uitdrukkelijk
+verklaren, dat men de nieuwe Berlijnsche regeling niet aanvaardt.
+
+
+
+Producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst--Deze werken bieden
+voor eene internationale regeling van het auteursrecht nog groote
+moeilijkheden. In het algemeen is wel, zoowel bij de schrijvers als
+in de wetgevingen van verschillende landen, een streven merkbaar,
+om met de kunstwerken in het auteursrecht gelijk te stellen die
+werken, welke als nijverheidsproducten ook aan andere dan zuivere
+kunst-doeleinden dienstbaar zijn gemaakt. Doch over de vraag, welke
+werken van kunstnijverheid of van toegepaste kunst het dan zijn,
+die voor deze gelijkstelling in aanmerking komen, wordt nog zeer
+verschillend gedacht.
+
+Het is daarom verklaarbaar, dat men nóch op de Conferenties van Bern,
+nóch op de herzienings-conferentie van Parijs, er in geslaagd is,
+eene bepaling over deze werken in de Conventie te doen opnemen. In
+de Conventie 1908 worden zij voor het eerst met name genoemd, en wel
+in het laatste lid van artikel 2, dat aldus luidt:
+
+
+ De producten van kunstnijverheid en toegepaste kunst (oeuvres d'art
+ appliqué à l'industrie) zijn beschermd voor zoover de inlandsche
+ wetgeving van elk land dit toelaat.
+
+
+Ondanks de pogingen van verschillende staten (o. a. Frankrijk,
+Duitschland, België en Italië) die voor de volkomen gelijkstelling
+met de kunstwerken in engeren zin pleitten, heeft men zich ten
+slotte moeten tevreden stellen met de bovengenoemde bepaling, die
+alleen dwingend is voor de staten, waar auteursrecht op werken der
+kunstnijverheid bestaat, en voor het overige alles aan de inlandsche
+wetgeving overlaat.
+
+Eene groote hervorming is hiermede niet bereikt. Want ook onder de
+oude Conventie, die deze werken in 't geheel niet noemde, waren zij
+niet geheel onbeschermd. Het laatste gedeelte van artikel 4 Conventie
+1886 noemt onder de werken, waarop de Conventie toepasselijk is:
+"... ten slotte ("enfin") elk product op letterkundig, wetenschappelijk
+of kunstgebied, dat gepubliceerd kan worden door middel van den druk
+of van eenige andere wijze van reproductie".
+
+Het woord "enfin" waarmede deze zin wordt ingeleid, heb ik gemeend
+te moeten vertalen door "ten slotte" en niet door "kortom", zooals
+door anderen is gedaan. Oorspronkelijk stond in den Franschen tekst:
+"et en général"; dit is veranderd in "enfin" uitsluitend terwille
+der welluidendheid, omdat nl. anders wegens eene wijziging in het
+voorafgaande woord, de uitdrukking "en général" tweemaal kort achtereen
+in dezelfde zin zou zijn komen te staan. Het staat trouwens vast,
+dat met het Fransche woord "enfin" niet is bedoeld de opsomming, die
+eraan voorafgaat, af te sluiten, zoodat het daaropvolgende slechts eene
+resumptie zou zijn van hetgeen voorafgaat. Het Fransche synoniem is,
+zooals o. a. uitdrukkelijk door Numa Droz is verklaard [554], niet
+"en somme" maar "en outre".
+
+Met de laatste woorden van artikel 4 Conventie 1886 worden dus
+weer andere producten bedoeld dan de reeds genoemde. En daar voor
+photographieën, werken der bouwkunst en choregraphische werken elders
+in de Conventie afzonderlijke bepalingen voorkomen, blijft er niet
+veel meer over, waarop zij toepasselijk kunnen zijn, dan juist de
+werken der kunstnijverheid.
+
+Doch hiermede was de internationale bescherming van deze werken nog
+niet op een hechten grondslag gevestigd. Want in de eerste plaats
+is over de boven gegeven uitlegging van artikel 4 niet alle twijfel
+uitgesloten; en bovendien kon verschil van meening bestaan over
+den invloed, die in dezen aan de inlandsche wetgevingen moet worden
+toegekend. Volgens het stelsel der Conventie 1886 moet een werk in
+het land, waaruit het afkomstig is, tot de beschermde producten
+behooren, wil het in een der andere Verbondslanden op de aldaar
+geldende bescherming aanspraak maken. Dikwijls was dit ten aanzien
+der hier bedoelde werken niet het geval; dan was dus de internationale
+bescherming volgens de Conventie uitgesloten. Het kwam ook voor, dat
+zekere categorieën van kunstnijverheids-producten in het ééne land
+als kunstwerken, en in het andere land als objecten van industrieelen
+eigendom werden beschermd. Men stond dan voor de moeilijke vraag,
+of een dergelijk werk al dan niet als een "kunstwerk" in den zin der
+Conventie was te beschouwen. Hierbij deed zich dan nog eene bijzondere
+moeilijkheid voor in verband met de te vervullen voorwaarden en
+formaliteiten, die in verscheidene landen voor industrie-producten wél,
+doch voor kunstwerken niet werden geëischt. Had men eenmaal in zijn
+eigen land de formaliteiten voor de industrieele bescherming vervuld,
+dan was dit soms oorzaak dat in een ander land, waar hetzelfde werk
+alleen als kunstwerk beschermd was, de bescherming werd geweigerd
+[555].
+
+Dit alles maakte, dat tot nu toe de bescherming der kunstnijverheid in
+het Verbond--al was zij door de Conventie niet geheel uitgesloten--toch
+van twijfelachtigen aard is geweest; met volkomen zekerheid viel er
+in de meeste gevallen niet op te rekenen.
+
+Hierin nu heeft de Conferentie van Berlijn wel eenige verbetering
+gebracht. Het staat nu althans vast, dat zoodra de Conventie 1908 in
+werking zal zijn getreden, in alle landen de bescherming volgens de
+inlandsche wet zal kunnen worden ingeroepen, ook voor die werken,
+waarvoor in hun eigen land geene bescherming bestaat. Voor de
+rechters moge deze nieuwe regeling zeer eenvoudig zijn, daar zij nu
+ten aanzien van alle producten van kunstnijverheid uit het geheele
+Verbond slechts de wet van hun eigen land hebben toe te passen; voor
+de belanghebbenden is zij dit zeer zeker niet. Immers om te weten,
+waar voor een bepaald werk op bescherming kan worden gerekend en waar
+niet, zal men de betreffende wetsbepalingen en de uitlegging, die er
+aan wordt gegeven, in alle landen moeten kennen. Dat dit--vooral waar
+het hier eene materie betreft waarover nog zooveel verschil van inzicht
+bestaat--niet altijd even gemakkelijk zal vallen, springt in het oog.
+
+
+
+Vertalingen, bewerkingen en verzamelwerken--Het tweede lid van artikel
+2 Conventie 1908 is als volgt geredigeerd:
+
+
+ Als oorspronkelijke werken worden beschermd, onverminderd de
+ rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk: vertalingen,
+ bewerkingen (adaptations), muziek-arrangementen en andere
+ reproducties in veranderden vorm (reproductions transformées)
+ van een geschrift of kunstwerk, alsmede verzamelingen van
+ verschillende werken.
+
+
+Het noemen van deze werken onder degenen die door de Conventie
+beschermd worden is iets nieuws. En al mag worden aangenomen,
+dat de bedoelde rechten ook onder de oude Conventie bestonden,
+kan de uitdrukkelijke vermelding op deze plaats uit een oogpunt van
+volledigheid en stelselmatigheid als eene verbetering worden beschouwd.
+
+De bescherming der vertalingen is in de Conventie 1886 wel
+geregeld, doch het betreffende artikel (art. 6), is niet gelukkig
+uitgevallen. Het luidt als volgt:
+
+
+ Geoorloofde vertalingen worden als oorspronkelijke werken
+ beschermd. Zij genieten derhalve, wat de onbevoegde reproductie
+ ervan in de Verbondslanden betreft, de bescherming, vastgesteld
+ in de artikelen 2 en 3.
+
+ Wanneer het echter een werk betreft, waarvan de bevoegdheid
+ tot vertalen gemeengoed is, kan de vertaler zich er niet tegen
+ verzetten, dat hetzelfde werk ook door andere schrijvers vertaald
+ wordt.
+
+
+Uit alles blijkt, dat men bij de opstelling van dit artikel--wat
+zoo dikwijls geschiedt--niet scherp genoeg van elkander heeft
+weten te onderscheiden het uitsluitend vertalingsrecht van den
+auteur van het oorspronkelijk werk en het recht van den vertaler op
+zijne vertaling. De plaats, die men aan het artikel heeft gegeven
+(nl. terstond ná de bepalingen over het uitsluitend vertalingsrecht
+in art. 5) wijst dit reeds aan. Doch meer nog de bepalingen zelf.
+
+Het artikel spreekt van geoorloofde vertalingen (traductions licites),
+waarmede bedoeld zijn vertalingen, waarvan de verspreiding niet in
+strijd is met het uitsluitend vertalingsrecht van den oorspronkelijken
+auteur. Er bestaat echter, zooals reeds in dit proefschrift is
+opgemerkt (pp. 179, 180), geen grond om den vertaler het recht op zijne
+vertaling te onthouden in de gevallen, dat hij door de uitoefening
+van dat recht met het uitsluitend vertalingsrecht van den auteur van
+het werk in botsing zou komen. Beide rechten dienen onafhankelijk van
+elkander erkend te worden. Niet alleen uit doctrinair oogpunt is het
+woordje "licite" af te keuren; het bracht ook practische bezwaren bij
+de toepassing. Tot de "geoorloofde" vertalingen behooren natuurlijk
+ook degenen, die gemaakt zijn van werken, waarop geen uitsluitend
+vertalingsrecht meer bestaat, daar in dat geval van den schrijver geene
+toestemming behoeft gevraagd te worden. Doch volgens de Conventie 1886
+is de duur van het vertalingsrecht niet in alle landen noodzakelijk
+dezelfde. Daardoor kon het gebeuren, dat eene vertaling, waarin de
+auteur van het oorspronkelijke werk niet was gekend, in het ééne land
+"geoorloofd" was (omdat daar de termijn voor het vertalingsrecht
+was verstreken) en in het andere land, waar het vertalingsrecht nog
+voortduurde, en dus de toestemming van den auteur gevraagd had moeten
+worden, "ongeoorloofd". Was zulke eene vertaling nu in het Verbond
+beschermd? Hoe deze vraag moet worden opgelost komt er hier weinig
+op aan; ik noemde haar slechts om ook op een der practische bezwaren
+van het besproken artikel de aandacht te vestigen [556].
+
+Een ander bezwaar tegen artikel 6 Conventie 1886 is, dat het door
+uitsluitend naar de artikelen 2 en 3 te verwijzen, aan den vertaler
+alleen bescherming tegen nadruk verleent en niet tegen onbevoegde
+opvoering, voor 't geval het een tooneelstuk betreft. Het op- en
+uitvoeringsrecht is in de Conventie 1886 geregeld in artikel 9;
+hier wordt wel gesproken van het recht van den schrijver van een
+tooneelstuk om zich tegen onbevoegde opvoering van vertalingen van
+het stuk te verzetten, maar niet van het opvoeringsrecht van den
+vertaler. Laatstgenoemd recht bestond dus niet onder de oude Conventie.
+
+Het tweede lid van artikel 6 is volkomen overbodig. Op de
+Conferentie van Berlijn stelde de Duitsche Regeering voor het te
+laten vervallen. Als motief hiervoor werd opgegeven, dat het geval,
+waarop de bepaling betrekking heeft, zich niet meer zou kunnen
+voordoen, wanneer--wat deze Regeering eveneens voorstelde--het
+uitsluitend vertalingsrecht met het reproductierecht in duur zou
+zijn gelijkgesteld. Het was dan immers niet meer mogelijk, dat op een
+werk wél auteursrecht en geen vertalingsrecht bestond [557]. Doch ook
+al was deze laatste wijziging in de nieuwe Conventie niet tot stand
+gekomen, bestond er alle reden om de bepaling te doen verdwijnen. Het
+spreekt vanzelf dat een vertaler geen recht heeft, zich tegen het
+uitgeven van andere vertalingen te verzetten, daar het object van
+zijn recht is: de door hemzelf gemaakte vertaling. Het recht om
+zich tegen de uitgave van andere vertalingen te verzetten (dus: het
+uitsluitend vertalingsrecht) komt natuurlijk alleen den auteur van het
+oorspronkelijke werk toe. Deze kan dat recht aan een vertaler hebben
+overgedragen; maar met dit geval behoefde de Conventie zich niet in te
+laten, en allerminst in een artikel dat het recht van den vertaler op
+zijne vertaling regelt. Men ziet hier weer dezelfde dooreenhaspeling
+van de beide rechten, als waarvan hierboven sprake was.
+
+Na het voorgaande zal men inzien, dat de Conferentie van Berlijn
+een goed werk deed, door het oude artikel 6 geheel te schrappen. In
+de plaats daarvan is nu de eenvoudige vermelding gekomen, op de
+plaats waar dit behoort, dat de vertalingen tot de door de Conventie
+beschermde producten behooren. En daarmede is ook alles gezegd, wat
+noodig was. Ten overvloede staat nog in het artikel: "onverminderd de
+rechten van den auteur van het oorspronkelijk werk", hetgeen evengoed
+had kunnen wegblijven. Verkeerde gevolgtrekkingen zijn uit deze
+woorden echter niet te maken, en daarom kan men er vrede mede hebben.
+
+Volgens de nieuwe bepaling zijn dus alle vertalingen in het geheele
+Verbond beschermd (artikel 2 lid 2 jo lid 3 Conventie 1908). Onze
+wet, die, zeer juist, "vertalers ten opzichte van hunne vertaling"
+met auteurs gelijkstelt, is hiermede volkomen in overeenstemming. Op
+dit punt bestaan dus niet de minste moeilijkheden met het oog op het
+toetreden van ons land tot de Conventie.
+
+Behalve de vertalingen noemt artikel 2 tweede lid nog: bewerkingen
+en verzamelwerken.
+
+Bewerkingen kunnen worden gemaakt van werken der toonkunst
+(muziek-arrangementen), van geschriften (b.v. de omwerking van roman
+tot toneelstuk) en ook van werken van beeldende kunst (b.v. een
+ets naar eene schilderij). Op al deze soorten is de bepaling
+toepasselijk. De bedoeling is natuurlijk, dat alleen die bewerkingen
+beschermd worden, welke het resultaat zijn van eigen scheppenden
+arbeid; en niet min of meer vermomde namaken of nadrukken van het
+origineel. Aan dit laatste moet, zooals dat hierboven is uiteengezet,
+een nieuwe uiterlijke of innerlijke vorm zijn gegeven, wil de bewerker
+op auteursrecht aanspraak kunnen maken.
+
+De bepaling laat echter--wat trouwens in deze materie niet anders
+kan--eene groote vrijheid van beweging over aan wetenschap en
+jurisprudentie, en het is daarom te voorzien, dat zij niet overal
+in het Verbond precies op dezelfde wijze zal worden uitgelegd. De
+inlandsche wetten kunnen ook op dit stuk bijzondere--min of meer
+van elkaar afwijkende--bepalingen bevatten, die voorzoover zij met
+het beginsel der Conventie niet in strijd zijn, ook op de werken uit
+andere Verbondslanden toepassing zullen blijven vinden.
+
+Een staat, die de bepaling zonder reserve aanvaardt, verbindt zich
+(krachtens lid 3 van hetzelfde artikel), de genoemde werken bij zich te
+beschermen. Eene uitdrukkelijke wetsbepaling is hiervoor niet noodig,
+mits er eenige waarborg zij, dat die bescherming in voorkomende
+gevallen werkelijk zal worden verleend. Of dit in ons land bij de
+bestaande wetgeving het geval is, mag worden betwijfeld. De wet
+zwijgt op dit punt en de rechtspraak heeft zich zoover mij bekend,
+nog nooit duidelijk hierover uitgesproken [558]. Wil derhalve ons
+land de verplichting, welke de bepaling oplegt, getrouw nakomen,
+dan zal eene uitdrukkelijke vermelding van de genoemde werken in
+onze wet (waartegen waarschijnlijk niemand eenig bezwaar zal hebben)
+gewenscht zijn.
+
+Wat de werken van beeldende kunst betreft bevat het Ontw. B. K. in
+artikel 4 eene bepaling, die--eenmaal tot wet verheven--volkomen
+aan de eischen der Conventie zou voldoen. Aan hem, die een werk
+van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, door eene andere
+beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt, wordt
+daarbij het auteursrecht op dien namaak verleend. Dit recht wordt
+door het Ontwerp (art. 11) in tijdsduur achtergesteld bij het overige
+auteursrecht; dat deze bepaling afkeuring verdient heb ik reeds pogen
+aan te toonen (p. 228); met de bepalingen der Conventie is dit echter,
+zooals hieronder nog zal blijken, niet in strijd.
+
+Ten slotte noemt het tweede lid van artikel 2 der Conventie nog:
+verzamelingen van verschillende werken. In het rapport van Renault
+wordt hierover o. a. opgemerkt: "Ce que l'on veut protéger, c'est
+le travail qui a consisté à réunir divers oeuvres suivant un plan
+déterminé, d'après un mode de groupement plus ou moins ingénieux"
+[559]. Wat hierboven van de bewerkingen is gezegd, geldt ook voor
+de verzamelwerken. Niet elke verzameling van losse stukken is een
+auteurs-product. Aan den rechter, voorgelicht door de wetenschap,
+blijft het te beslissen, wanneer dit al dan niet het geval is, en
+men kan verwachten, dat daarbij niet in alle landen dezelfde maatstaf
+zal worden gebruikt.
+
+Onze wet verleent auteursrecht aan ondernemers van werken "gevormd
+door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders" (art. 2, a). Geen
+bescherming wordt dus verleend voor verzamelingen van verschillende
+werken van eenzelfden auteur. De Conventie spreekt echter van
+"verzamelingen van verschillende werken"; met opzet zijn de woorden
+"van verschillende auteurs" die in het Duitsche voorstel, waaraan
+de bepaling is ontleend, daarop volgden, weggelaten, omdat men ook
+verzamelingen van werken, die van een en denzelfden auteur afkomstig
+zijn, onder de bepaling wilde begrijpen [560]. Op dit--trouwens niet
+zeer belangrijke--punt stemt onze wet dus niet geheel overeen met
+de Conventie.
+
+
+
+
+III Aard en omvang der bescherming (Conv. 1908 artt. 4, 5 en 6;
+Conv. 1886 artt. 2 en 3; Add. Acte 1896 art. 1, I en II; Verklaring
+1896 1o en 2o)
+
+De drie artikelen, die nu volgen, bevatten in hoofdzaak het geheele
+systeem, waarop de internationale bescherming in het Verbond berust.
+
+Men vindt hier in de eerste plaats een antwoord op de vraag, welke
+werken van deze bescherming genieten. De verschillende soorten
+van werken, waarop de Conventie toepasselijk is, zijn in de twee
+voorgaande artikelen genoemd; doch dit beteekent niet, dat alle
+geschriften, muziekwerken, werken van beeldende kunst enz. enz. uit
+de geheele wereld in het Verbond beschermd zijn. De Conventie trekt
+zich alleen het lot van die werken aan, welke, hetzij door de plaats
+van verschijnen, hetzij door de nationaliteit van den auteur, in een
+van de Verbondslanden thuis behooren.
+
+De tweede vraag, waarop deze artikelen een antwoord geven, betreft
+den aard en omvang der bescherming, welke aan de genoemde werken
+ten deel valt, dus: wáár men de bepalingen heeft te zoeken die in de
+internationale betrekkingen moeten worden toegepast.
+
+Als hoofdregel is hierbij aangenomen, dat de wet toepasselijk is
+van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen (de lex fori). Dit
+beginsel heeft men gevolgd, voornamelijk om de rechters niet te dwingen
+het, voor hen dikwijls moeilijk verstaanbare, buitenlandsche recht
+toe te passen. Doch tegen eene zuivere toepassing van dezen regel
+bestond het bezwaar, dat het daardoor mogelijk werd voor een auteur,
+om in een ander land rechten van wijder strekking te genieten dan die
+hem door de wet van zijn eigen land werden verleend. Om dit zooveel
+mogelijk te voorkomen heeft men de bepaling opgenomen, dat naast de
+lex fori op sommige punten ook eene andere wet zou meetellen en wel de
+wet van het land waaruit het werk afkomstig is. Bij de herziening van
+Berlijn is de invloed die aan deze laatste wet door de Conventie 1886
+was toegekend weliswaar weer eenigermate ingekort, doch niet geheel
+weggenomen. Ook volgens de Conventie 1908 moet de rechter dus behalve
+met de wet van zijn eigen land rekening houden met die van het land,
+waaruit het werk afkomstig is.
+
+Uit het bovenstaande volgt, dat de vraag, welk land moet beschouwd
+worden als dat waaruit het werk afkomstig is, in verschillende
+opzichten van belang is. Het "land van herkomst" (pays d'origine) moet,
+wil de Conventie van toepassing zijn, behooren tot de toegetreden
+staten; en bovendien is zijne wetgeving van invloed op de mate van
+bescherming, die het werk in de andere Verbondslanden geniet.
+
+Het is daarom noodig, dat het begrip "land van herkomst" nauwkeurig
+vaststa. De Conventie (C. 1908 art. 4 lid 3, C. 1886 art. 2 lid 3
+en 4) maakt te dien opzichte onderscheid tusschen gepubliceerde en
+niet-gepubliceerde werken: voor de eerste geldt als land van herkomst
+dat waarin de publicatie heeft plaats gehad (het stelsel dus van de
+nationaliteit van het werk), voor de laatste dat waartoe de auteur
+behoort (nationaliteit van den auteur). Over de beteekenis van deze
+beide uitdrukkingen: "tot een land van het Verbond behoorend auteur" en
+"gepubliceerde werken" dient eerst het een en ander te worden gezegd.
+
+
+
+1 "Tot een Verbondsland behoorend auteur"--Deze uitdrukking (auteur
+ressortissant à l'un des pays de l'Union) werd gekozen door de
+Commissie van de Berner Conferentie van 1884 in plaats van de woorden
+"sujets ou citoyens", die niet overeenkwamen met de in de verschillende
+wetgevingen gebruikte termen [561]. Zoowel de Commissie van 1884
+als die van 1885 [562] verklaarden uitdrukkelijk, dat de uitdrukking
+"ressortissant", die in de Conventie herhaaldelijk voorkomt (Conventie
+1886 art. 2 lid 1 en 4, art. 5 lid 1; Conventie 1908 art. 4 lid 1,
+art. 5, art. 6, art. 8), en de daaraan synonieme "appartenant"
+(C. 1886 art. 3; C. 1908 art. 4 lid 3) hetzelfde beteekenen als:
+"qui ont l'indigénat".
+
+Hoewel de opsomming van al deze verschillende termen geen duidelijke
+verklaring mag heeten van de beteekenis van het begrip, dat men
+wilde uitdrukken, is twijfel hierover toch volkomen uitgesloten. De
+band, die hier wordt bedoeld, is die van de nationaliteit of van het
+onderdaanschap [563]. Bij Duitsche schrijvers vindt men hiervoor de
+termen: staatszugehörig en angehörig, en ook wel: heimatberechtigt
+[564]; de Fransche spreken ook van: nationaux [565]. Dat men zich aan
+eene definitie van dit begrip niet heeft gewaagd, is begrijpelijk,
+daar elke staat op zijne wijze vaststelt, welke personen daartoe
+behooren en welke daarvan de gevolgen zijn.
+
+De Conventie neemt dus de nationaliteit van den auteur tot
+criterium, en niet, zooals de Nederlandsche wet, de woonplaats;
+op de moeilijkheden, die uit dit verschil van stelsel bij onze
+aansluiting zouden voortspruiten, kom ik zoo aanstonds nog terug. Ik
+wil er hier slechts even op wijzen, dat wanneer ons land bij de
+Conventie zal zijn aangesloten, onder de "tot den Nederlandschen
+staat behoorende auteurs" gerekend zullen moeten worden niet alleen
+de "Nederlanders" volgens de wet van 12 December 1892 (Stbl. 268),
+maar daarenboven zij, die sommige schrijvers "onderdanen" noemen,
+hoewel zij volgens art. 12 van de wet van 1892 tot de "vreemdelingen"
+behooren, en waartoe o. a. gerekend moet worden de geheele inlandsche
+en daarmede gelijkgestelde bevolking van Nederlandsch-Indië [566]. In
+een onlangs (16 April 1909) bij de Tweede Kamer ingediend wetsontwerp
+wordt het Nederlandsch-onderdaanschap van de eigen bevolking van
+Nederlandsch-Indië uitdrukkelijk erkend [567]. Indien dit ontwerp vóór
+onze toetreding tot de Conventie wet is geworden, zal men het woord
+"ressortissants" met betrekking tot ons land kunnen vertalen met
+"Nederlandsche onderdanen", wat dan zal beteekenen: allen, die naar
+ons recht niet tot de vreemdelingen behooren.
+
+
+
+2 Publiceeren--Over de beteekenis van het woord "publier" in de
+Conventie heerschte vóór 1896 eenige onzekerheid. Door sommigen werd de
+uitdrukking in ruimen zin opgevat, zoodat er elke openbaarmaking onder
+verstaan moest worden, niet alleen die door den druk, maar b.v. ook
+door op- of uitvoering, voorlezing, tentoonstelling, enz. Deze ruime
+opvatting van het woord vond eenigen steun in eene opmerking van den
+afgevaardigde Lavollée op de Conferentie van 1884 naar aanleiding
+van het woord éditeur in art. 3, waaronder deze afgevaardigde meende
+te moeten verstaan niet alleen een uitgever in den gewonen zin van
+het woord, maar ook b.v. een schouwburg-ondernemer [568]. Hoewel deze
+opvatting niet werd weersproken, mag toch worden betwijfeld, of zij in
+1884 algemeen werd gedeeld. Reichardt verklaarde dienaangaande op de
+Conferentie van Parijs: "On tenait avant tout à aboutir, c'est pourquoi
+aucune voix ne s'éleva pour réclamer contre cette interprétation"
+[569]; en deze zelfde afgevaardigde had reeds in 1885 bij de bespreking
+van artikel 2 opgemerkt, dat de Duitsche wetenschap en jurisprudentie
+eene mondelinge publicatie (par la parole) van een letterkundig werk
+niet erkent [570]. Ik meen daarom, dat ook vóór 1896 de uitdrukking
+"publier" in de Conventie de beteekenis had van "in druk verschijnen"
+en dat daaronder niet viel op- en uitvoering en tentoonstelling [571].
+
+In Parijs is echter voor de staten, die de Verklaring hebben
+geteekend, alle twijfel weggenomen. Zoowel de Fransche als de
+Duitsche afgevaardigden hadden eene speciale memorie opgesteld,
+waarin de wenschelijkheid werd uitgesproken, het begrip "publication"
+nauwkeuriger vast te stellen [572]. In aansluiting hiermede werd in
+de Verklaring (sub 2o) de interpretatie opgenomen, die hierboven is
+weergegeven. Dezelfde bepaling werd later opgenomen in de Conventie
+1908 (art. 4 laatste lid).
+
+Een gepubliceerd werk volgens de Conventie is dus een werk dat in
+druk is verschenen, of volgens de terminologie van onze wet: een
+"door den druk gemeen gemaakt" werk; tot de niet gepubliceerde
+(door den druk gemeen gemaakte) werken behooren dus b.v. tooneel-
+en muziekstukken, ook al zijn zij op- of uitgevoerd; mondelinge
+voordrachten, teekeningen, schilderijen, beeldhouwwerk, zoolang
+zij niet verveelvoudigd en exemplaren ervan in den handel zijn
+gebracht. Ten aanzien van werken der bouwkunst kan eene publicatie
+in den zin der Conventie alleen plaats hebben door de uitgave van
+plannen en teekeningen; in de Conventie 1908 is nog de uitdrukkelijke
+vermelding opgenomen (die in de Verklaring 1896 ontbrak) dat de bouw
+geene publicatie uitmaakt.
+
+
+
+Wat als "land van herkomst" van een werk wordt beschouwd is na
+bovenstaande uitlegging duidelijk. Voor onuitgegeven werken is het
+het land, waartoe de auteur volgens zijne nationaliteit behoort;
+voor uitgegeven werken datgene waar de eerste uitgave heeft plaats
+gehad. Indien de eerste uitgave tegelijkertijd in twee of meer landen,
+die tot het Verbond behooren, plaats heeft gehad, dan wordt datgene
+als land van herkomst beschouwd, dat den kortsten beschermingstermijn
+heeft. De beteekenis van deze bepaling zal hieronder bij de
+behandeling van artikel 7 blijken. De Conventie voorziet eindelijk
+nog een ander geval: gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in en
+buiten het Verbond. Alsdan wordt alleen het Verbondsland, waarin
+de uitgave heeft plaats gehad, als land van herkomst beschouwd;
+de gelijktijdige uitgave buiten het Verbond heft dus de bescherming
+daarbinnen niet op. Deze laatste bepaling komt voor het eerst voor
+in de Conventie 1908; er bestaat echter geen reden om aan te nemen,
+dat volgens de oude Conventie anders zou moeten worden beslist.
+
+Het spreekt vanzelf (al wordt het in de Conventie niet uitdrukkelijk
+gezegd), dat waar van uitgave of publicatie wordt gesproken,
+alleen wordt bedoeld de uitgave, welke van den rechthebbende op het
+auteursrecht uitgaat [573].
+
+Het systeem der Conventie kan nu in het kort als volgt worden
+samengevat.
+
+De Conventie is toepasselijk op: 1o De niet door den druk gemeen
+gemaakte werken van auteurs, die tot een van de landen van het Verbond
+behooren, en
+
+2o De door den druk gemeen gemaakte werken, onverschillig van welke
+nationaliteit de auteur is, waarvan de eerste uitgave in een van de
+landen van het Verbond heeft plaats gehad.
+
+Buiten de bescherming der Conventie vallen dus: de niet door den
+druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die niet tot een der landen
+van het Verbond behooren en de door den druk gemeen gemaakte werken,
+waarvan de eerste uitgave buiten het Verbond heeft plaats gehad.
+
+De bescherming, welke aan de auteurs van een werk waarop de Conventie
+van toepassing is, ten deel valt, bestaat in het algemeen in het
+volgende: in het land van herkomst genieten zij de rechten, die de
+wet aldaar verleent;
+
+in de overige Verbondslanden de rechten, die door de betreffende wetten
+voor de inlandsche werken verleend worden, doch met inachtneming van
+enkele bepalingen van de wet van het land van herkomst; en bovendien
+de rechten, die in de Conventie zelve zijn omschreven (zooals b.v. het
+vertalingsrecht).
+
+In hoofdtrekken is hiermede het stelsel der Conventie (zoowel vóór als
+ná de herziening van Berlijn) weergegeven. Het is nu echter noodig
+enkele punten eenigszins nauwkeuriger te bezien, waarbij dan tevens
+gewezen kan worden op hetgeen te Parijs en te Berlijn gewijzigd is.
+
+
+
+Een punt van groot belang, waarmede ik mij het eerst wil bezighouden,
+is: de invloed van de wet van het land van herkomst van een werk op
+de bescherming, die dat werk in de overige Verbondslanden geniet.
+
+Die invloed bestaat volgens de Conventie 1886 hieruit, dat: 1o geen
+bescherming in de overige Verbondslanden wordt verleend, wanneer
+niet in het land van herkomst de voorwaarden en formaliteiten, die
+de wet aldaar voorschrijft, zijn vervuld, en 2o dat de duur van het
+auteursrecht in de andere Verbondslanden dien van de wet van het land
+van herkomst niet kan overschrijden (Conventie 1886 art. 2 tweede lid).
+
+Over de beteekenis van de woorden "voorwaarden en formaliteiten"
+(conditions et formalités) kan geen verschil van meening bestaan. Met
+"conditions" zijn bedoeld de materieele voorwaarden als b.v. het
+voorbehoud van auteursrecht of vertalingsrecht, dat in sommige
+gevallen door de wetten wordt geëischt; "formalités" zijn de formeele
+voorwaarden, zooals inzending van exemplaren of verklaringen [574].
+
+Artikel 2 tweede lid Conventie 1886 bepaalt, dat de bescherming in de
+andere landen afhankelijk is van het vervullen dezer voorwaarden en
+formaliteiten in het land van herkomst. Dit beteekent, dat alleen in
+het land van herkomst het vervullen van voorwaarden en formaliteiten
+mag worden geëischt; op zeer enkele uitzonderingen na is men het steeds
+over deze uitlegging der bepaling eens geweest; van den aanvang af
+heeft het in de bedoeling gelegen de auteurs vrij te stellen van het
+vervullen van voorwaarden en formaliteiten in alle Verbondslanden,
+hetgeen in de practijk immers slechts door zeer weinigen zou worden
+gedaan. De afgevaardigde Reichardt noemde dit zelfs op de Conferentie
+van Parijs: "le point de départ et le but principal de la Convention
+de Berne" [575].
+
+Toch heeft men het, om elke verkeerde uitlegging op dit punt onmogelijk
+te maken, gewenscht geacht in de Parijzer Verklaring (1o) nog eens
+uitdrukkelijk te zeggen, dat de Conventie alleen in het land van
+herkomst de vervulling eischt van de door de wet gevorderde voorwaarden
+en formaliteiten.
+
+Op dit punt heeft de rechter dus in elk geval de wet van het land
+van herkomst te raadplegen. Bovendien heeft hij dit te doen voor
+de berekening van den duur der bescherming. Volgens art. 2 lid 2
+Conventie 1886 kan de bescherming niet langer duren ("ne peut excéder")
+dan in het land van herkomst. Er is gestreden over de vraag, of door
+deze woorden aan de Verbondsstaten de verplichting wordt opgelegd,
+geen bescherming te verleenen, wanneer deze in het land van herkomst
+heeft opgehouden, dan wel of de binnenlandsche wetgeving, indien
+deze ook voor vreemde werken een langeren termijn van bescherming
+stelt dan die van het land van herkomst, mocht worden toegepast. Het
+lijdt m. i. geen twijfel of de laatste opvatting is de juiste. Het,
+meermalen uitgesproken, beginsel van de Conventie is altijd geweest,
+dat zij slechts een minimum van bescherming waarborgt; het staat den
+Verbondsstaten steeds vrij, hetzij door hunne inlandsche wetgeving,
+hetzij door afzonderlijke tractaten, deze bescherming verder uit te
+breiden. Dit was ook de algemeene opinie op de Conferentie van Parijs,
+van welker juistheid men toen zoozeer overtuigd was, dat het opnemen
+van eene uitdrukkelijke verklaring in dezen zin in de Déclaration,
+waartoe de Zwitsersche delegatie een voorstel had gedaan, onnoodig
+werd geacht [576].
+
+De beteekenis der bepaling is dus duidelijk. De bescherming,
+d. w. z. de bescherming die het werk krachtens de Conventie toekomt,
+kan niet langer duren dan die, welke de wet van het land van herkomst
+verleent. Volgens de Conventie 1886 is dus een werk, dat tot land van
+herkomst heeft Duitschland (waar de wet bescherming verleent dertig
+jaar na den dood des auteurs) in Frankrijk (waar het auteursrecht
+vijftig jaar na den dood des auteurs blijft bestaan) toch maar dertig
+jaar beschermd, doch in Luxemburg, waar de interne wetgeving ook
+buiten de Conventie om toepasselijk zou zijn, vijftig jaar.
+
+De boven besproken bepalingen van de Conventie 1886 brengen mede,
+dat voor een werk, hetwelk in het land van herkomst niet beschermd
+is, ook in de andere Verbondslanden geene bescherming (krachtens de
+Conventie) is te vinden. Dit is niet alleen het geval, wanneer het
+ontbreken van bescherming in het land van herkomst een gevolg is van
+het niet vervullen der aldaar gevorderde voorwaarden en formaliteiten
+(dat alsdan in de andere landen geen bescherming kan worden verleend
+is volgens de besproken bepaling niet twijfelachtig) maar ook indien
+men met een werk te doen heeft, dat in het land van herkomst absoluut
+van de bescherming is uitgesloten, omdat het volgens de daar geldende
+wet niet tot de beschermde producten wordt gerekend. Dit laatste
+wordt niet algemeen aangenomen; toch schijnt het mij niet mogelijk
+eene andere oplossing aan de vraag te geven. De bescherming mag
+in de andere Verbondslanden niet langer duren dan in het land van
+herkomst: dit sluit m. i. in, dat wanneer in laatstgenoemd land
+geen bescherming wordt verleend, deze ook in de andere landen moet
+ontbreken. De tegenovergestelde meening zou o. a. tot de zonderlinge
+gevolgtrekking moeten voeren, dat een werk, afkomstig uit een land met
+een korten beschermingstermijn (b.v. Duitschland met 30 j. p. m. a.),
+in de landen met een langeren termijn er beter aan toe zijn indien
+het in het land van herkomst niet, dan indien het er wél beschermd
+is. In het eerste geval toch zou het den vollen duur der bescherming
+genieten, terwijl in het tweede geval volgens den korteren termijn
+van het land van herkomst zou moeten gerekend worden.
+
+Een vereischte voor de toepasselijkheid der Conventie 1886 is dus, dat
+er in het land van herkomst op het werk auteursrecht bestaat. Indien
+de rechter zich eenmaal hiervan overtuigd heeft, dan heeft hij voor
+het overige uitsluitend de wet van zijn eigen land toe te passen,
+behoudens natuurlijk erkenning van de rechten, welke in de Conventie
+zelve omschreven zijn. Het geval is daarom niet uitgesloten, dat een
+auteur in een ander land rechten van wijder strekking geniet dan die
+de wet van zijn eigen land verleent. Wat den omvang der bescherming
+betreft (dus: de verschillende den auteur toekomende bevoegdheden)
+en de rechtsmiddelen welke hem ter handhaving van het recht ten
+dienst staan behoeft geene vergelijking te worden gemaakt tusschen
+de wetten van het land van herkomst en van dat, waar de bescherming
+wordt ingeroepen; in deze opzichten zijn uitsluitend de bepalingen
+van de laatstgenoemde wet van toepassing.
+
+
+
+De herziening van Berlijn heeft in het bovenbesproken stelsel
+eene gewichtige verandering gebracht. Het tweede lid van artikel 4
+Conventie 1908, dat in de plaats is gekomen van het tweede lid van
+art. 2 Conventie 1886, luidt als volgt:
+
+
+ Het genot en de uitoefening dezer (d. w. z. in het eerste lid
+ van het artikel genoemde) rechten is aan geen enkele formaliteit
+ onderworpen; dit genot en deze uitoefening zijn onafhankelijk
+ van het bestaan van bescherming in het land van herkomst van het
+ werk. Bijgevolg worden, behoudens de bepalingen dezer Overeenkomst,
+ de uitgebreidheid der bescherming alsmede de middelen, welke den
+ auteur zijn verzekerd tot handhaving zijner rechten, uitsluitend
+ bepaald door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt
+ ingeroepen.
+
+
+Deze nieuwe bepaling komt in hoofdzaak overeen met hetgeen op
+dit punt door de Duitsche Regeering op de Conferentie van Berlijn
+was voorgesteld. Het Duitsche voorstel ging echter nog verder en
+strekte om ook den duur der bescherming in de andere Verbondslanden
+niet langer afhankelijk te doen zijn van de wet van het land van
+herkomst. Dit punt is in de Conventie 1908 afzonderlijk geregeld,
+en wel in artikel 7. Ik stel dus de bespreking tot later uit, maar
+wensch hier reeds te vermelden, dat er, wat den duur der bescherming
+betreft, aan den ouden toestand feitelijk niets is veranderd. Volkomen
+onafhankelijkheid van de wet van het land van herkomst heeft dus de
+Conventie 1908 niet gebracht. Wél echter houdt het nieuwe artikel,
+zooals men ziet, de uitdrukkelijke bepaling in, dat het ontbreken
+van bescherming--om welke reden dan ook--in het land van herkomst
+geen beletsel is voor de bescherming in de andere landen.
+
+De bescherming is nu aan geen enkele formaliteit meer onderworpen,
+nóch in het land van herkomst, nóch in dat waar de bescherming
+wordt ingeroepen. Het artikel spreekt alleen van "formaliteiten",
+niet, zooals vroeger van "voorwaarden en formaliteiten"; doch in
+het commissie-rapport wordt dienaangaande opgemerkt, dat men met
+"formalités" hetzelfde bedoelde als wat de Conventie 1886 noemde:
+"conditions et formalités" [577]. Welke reden men had om de
+oude uitdrukking niet meer in haar geheel over te nemen, wordt
+niet meegedeeld; waarschijnlijk was het de vrees, dat het woord
+"condition" misschien wat ál te ruim mocht worden opgevat. Op de
+mogelijkheid hiervan had ook de Duitsche Regeering bij de toelichting
+harer voorstellen gewezen; volgens haar moesten er niet toe gerekend
+worden de "innerlijke voorwaarden" die als het ware tot het recht
+zelve behooren, zooals b.v. de voorwaarde van nog niet in druk te zijn
+verschenen, die sommige wetten verbinden aan het uitsluitend recht om
+een werk in het openbaar voor te dragen. Om dit goed te doen uitkomen,
+had de Duitsche Regeering in plaats van "voorwaarden en formaliteiten"
+willen lezen "formaliteiten en uiterlijke voorwaarden" (conditions
+extrinsèques) [578]. Tot die uiterlijke voorwaarden behooren dan
+b.v. het voorbehoud, de vermelding van den naam des auteurs en andere
+verklaringen of mededeelingen van dien aard op de gedrukte exemplaren
+van het werk.
+
+Over de zaak zelve is men het blijkbaar steeds--en ook op de
+Conferentie van Berlijn--eens geweest; de moeilijkheid lag slechts in
+het vinden van de juiste uitdrukking. Nu de Conventie alleen spreekt
+van "formaliteiten" zijn daaronder zonder twijfel ook de "uiterlijke
+voorwaarden", welke de Duitsche Regeering bedoelde, begrepen. Voor
+een verkeerde uitlegging bestaat trouwens weinig kans. Dat men zich in
+het land van herkomst aan geen enkele voorwaarde of formaliteit meer
+heeft te storen om in de overige landen beschermd te zijn, is aan geen
+twijfel onderhevig, daar immers het bestaan van bescherming aldaar
+niet eens meer wordt geëischt. En van het vervullen van voorwaarden
+en formaliteiten in de andere landen was men--zooals hierboven is
+medegedeeld--reeds krachtens de Conventie 1886 vrijgesteld. Dat de
+Conventie 1908 hierin verandering zou hebben gebracht en dus eene
+belemmering voor de bescherming zou hebben ingevoerd, die vroeger
+niet bestond, zal wel niemand, die zich van de beteekenis en het doel
+der Berlijnsche herziening eenigermate op de hoogte heeft gesteld,
+durven beweren.
+
+Uit het bovenstaande mag echter niet worden afgeleid, dat de
+Conventie 1908 aan alle voorwaarden en formaliteiten in het Verbond
+een einde heeft gemaakt. De bepaling van het tweede lid van artikel
+4, dat ik hierboven heb afgeschreven, slaat alleen op de rechten,
+die in het eerste lid van hetzelfde artikel worden genoemd en daar is
+alleen sprake van de bescherming, die de tot een der Verbondslanden
+behoorende auteurs genieten in alle landen van het Verbond, behalve
+in het land van herkomst van het werk. Artikel 4 beslist dus niets
+ten aanzien van de bescherming die de tot een der Verbondslanden
+behoorende auteurs genieten in het land van herkomst van het werk;
+en evenmin ten aanzien der bescherming, die de auteurs, welke niet
+tot een der landen van het Verbond behooren, zoowel in het land
+van herkomst als in de andere landen genieten. De desbetreffende
+bepalingen vindt men in de artt. 5 en 6 Conventie 1908, welke beide
+artikelen nu nog een oogenblik afzonderlijk besproken dienen te worden.
+
+Artikel 5 is als volgt geredigeerd:
+
+
+ Zij die tot een der landen van het Verbond behooren, en hunne
+ werken voor de eerste maal publiceeren in een ander Verbondsland,
+ hebben in laatstgenoemd land dezelfde rechten als de inlandsche
+ auteurs.
+
+
+Eene dergelijke bepaling kwam in de Conventie 1886 niet voor. Men
+achtte het blijkbaar vanzelf sprekend, dat een werk in zijn eigen land
+van herkomst onder de bepalingen der wet viel en vond het onnoodig,
+dat de Conventie dit uitdrukkelijk vaststelde.
+
+De Duitsche Regeering, van wie het voorstel tot het opnemen der
+bepaling op de Conferentie van Berlijn is uitgegaan, merkte bij de
+motiveering ervan op, dat het niet redelijk is, dat de Conventie, welke
+de eerste uitgave binnen het Verbond als eene onmisbare voorwaarde
+stelt voor elke bescherming, zich niets zou aantrekken van het lot, dat
+aan het werk is beschoren juist in het land, waar dit werk om zoo te
+zeggen genationaliseerd zou zijn [579]. Met deze overweging hebben alle
+Berlijnsche gedelegeerden zich, blijkens het Commissieverslag [580],
+kunnen vereenigen en het voorstel der Duitsche Regeering werd, nadat
+de redactie eenigszins was gewijzigd, in de nieuwe Conventie opgenomen.
+
+Het verdient opmerking, dat het artikel alleen die gevallen op
+het oog heeft, waarin het land van herkomst van het werk niet dat
+is, waartoe de auteur behoort. De Conventie bemoeit zich dus niet
+met de bescherming, die een auteur geniet in zijn eigen land voor
+zijne onuitgegeven werken of voor zijne werken, die hij in het land
+zelf heeft doen uitgeven. Dit is eene zaak die, naar het oordeel
+der Commissie, uitsluitend den inlandschen wetgever aangaat. Eene
+bepaling in de Conventie, die de toepasselijkheid der inlandsche wet
+op de bedoelde werken vaststelt, kon trouwens overbodig worden geacht,
+daar in geen der landen, die nu deel uitmaken van het Verbond, door
+de wet aan deze werken bescherming wordt onthouden. In ons land is
+dit echter ten aanzien van enkele dezer werken wél het geval; reden
+waarom ik zoo aanstonds nog op deze kwestie terugkom.
+
+De strekking van art. 5 Conventie 1908 is overigens duidelijk. Er wordt
+eenvoudig bepaald, dat voor de genoemde werken dezelfde rechten als
+voor die der inlandsche auteurs zullen gelden. Geen vrijstelling dus
+van voorwaarden of formaliteiten, indien de wet deze van de inlandsche
+auteurs eischt; evenmin toekenning van de bijzondere rechten, die in
+de Conventie zelve omschreven zijn.
+
+
+
+De bescherming der auteurs, die niet tot een der landen van het
+Verbond behooren, is geregeld in artikel 6. Hunne werken zijn alleen
+dán in het Verbond beschermd, indien zij voor het eerst daarbinnen
+zijn uitgegeven. Dit was ook reeds zoo onder de Conventie 1886,
+met dit belangrijke verschil echter, dat volgens de oude bepaling
+(Conventie 1886 art. 3) het auteursrecht toekwam niet aan den auteur,
+maar aan den uitgever. Het motief voor deze zonderlinge bepaling was
+vooral geweest, dat men het den auteurs van landen, die nog niet tot
+het Verbond zouden zijn toegetreden, niet te gemakkelijk wilde maken,
+daar hierdoor het belang, dat die landen erbij zouden hebben om alsnog
+toe te treden, aanzienlijk zou verminderen; de werken dezer auteurs
+zouden wel in het Verbond beschermd zijn, maar niet zij, doch de
+uitgevers, die dan toch in elk geval binnen het Verbond gedomicilieerd
+zouden zijn, zouden van die bescherming mogen genieten [581].
+
+De bepaling, welke men, door deze overwegingen geleid, vaststelde,
+is uit doctrinair oogpunt niet te verdedigen en gaf bovendien bij
+de uitlegging vele moeilijkheden. Door het feit der uitgave binnen
+het Verbond kreeg niet de auteur van het werk, maar de uitgever
+het auteursrecht. Moest men dit zóó verstaan, dat de uitgever dit
+recht kreeg, onverschillig op welke wijze hij zich van het werk had
+meester gemaakt, dus ook indien de uitgave tegen den zin van den
+auteur had plaats gehad? Op deze wijze uitgelegd zou de bepaling met
+de allereerste beginselen, welke aan het auteursrecht ten grondslag
+liggen, in strijd zijn. Men moest dus aannemen, dat de bepaling
+alleen sloeg op de uitgaven, waartoe de auteur zijne toestemming had
+verleend. Het auteursrecht kon deze echter niet aan den uitgever
+overdragen, daar hij dit zelf niet bezat. Vandaar de vraag, of de
+auteur, wanneer hij zijn werk ter publicatie afstond, voorwaarden
+kon stellen ten aanzien van het opvoeringsrecht en vertalingsrecht
+dan wel of de uitgever ook hierover, onafhankelijk van den auteur,
+kon beschikken. Neemt men het eerste aan (dat dus de auteur den
+uitgever bij contract kon verplichten slechts enkele der uit het
+auteursrecht voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen, terwijl
+hij de overige aan zich kon houden), dan zou de bepaling practisch
+ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, als indien het auteursrecht
+direct aan den auteur ware verleend. De eenige moeilijkheid, welke
+hem door de bepaling in den weg werd gelegd, zou dan zijn, dat hij,
+om aan zijn auteursrecht iets te hebben, een vrij ingewikkeld contract
+met een binnen het Verbond gevestigd uitgever had te sluiten. In elk
+geval kon m. i. de auteur, gesteld dat een uitgever hiertoe bereid
+was, met dezen contracteeren, dat na de uitgave aan hem, den auteur,
+het volle auteursrecht weer zou worden overgedragen. Doch hoe dit ook
+moge geweest zijn, te verdedigen was de bepaling in geen enkel opzicht.
+
+Op de Conferentie van Parijs werden de bezwaren ertegen helder
+uiteengezet in eene memorie van de Duitsche afgevaardigden
+[582]. Hieraan was het zeker voor een goed deel te danken, dat er
+aldaar niemand meer werd gevonden, die de bepaling in bescherming nam;
+de verschillende wijzigingen, die werden voorgesteld, strekten alle,
+om de bescherming niet aan de uitgevers, maar direct aan de auteurs
+te verleenen [583]. In dezen zin werd ook besloten. De Add. Acte 1896
+bracht nu de volgende lezing van het oude art. 3:
+
+
+ Auteurs, die niet tot een der landen van het Verbond behooren,
+ maar die hunne werken van letterkunde en kunst voor het eerst
+ in een van deze landen hebben gepubliceerd of doen publiceeren,
+ genieten voor deze werken de door de Berner Overeenkomst en de
+ tegenwoordige Additionneele Acte toegekende bescherming.
+
+
+De Berlijnsche Conferentie heeft hierin geene principieele
+veranderingen gebracht. Alleen werd--evenals ten aanzien van de tot het
+Verbond behoorende auteurs was geschied--onderscheid gemaakt tusschen
+de bescherming in het land van herkomst (in dit geval dus het land
+waar de vreemde auteur zijn werk voor de eerste maal gepubliceerd
+heeft) en die in de overige Verbondslanden. De bepaling werd als
+volgt geredigeerd (art. 6 Conventie 1908):
+
+
+ De niet tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs, die
+ hunne werken voor de eerste maal in een dezer landen publiceeren,
+ genieten, in dat land, dezelfde rechten als de inlandsche auteurs,
+ en in de overige Verbondslanden de rechten, welke de tegenwoordige
+ Overeenkomst verleent.
+
+
+De vreemde auteurs zijn dus, indien de eerste uitgave hunner werken
+binnen het Verbond geschiedt, volkomen met de auteurs, die tot een
+der Verbondslanden behooren, gelijkgesteld. Evenals deze hebben
+zij in het land van herkomst "dezelfde rechten als de inlandsche
+auteurs"--eene uitdrukking, die na het bovenstaande geene toelichting
+meer behoeft--en in de overige Verbondslanden "de rechten, welke de
+tegenwoordige Overeenkomst verleent", hetgeen dus insluit: behandeling
+in elk land volgens de inlandsche wet met vrijstelling van eventueel
+voorgeschreven voorwaarden en formaliteiten (art. 4 lid 1 en 2)
+benevens het genot van de rechten, welke de Conventie zelve omschrijft.
+
+
+
+Er blijft nu nog over de beteekenis van de besproken artikelen na
+te gaan speciaal met het oog op eene toekomstige aansluiting van
+ons land bij het Verbond. Ik zal mij hierbij uitsluitend bepalen
+tot de Conventie 1908, en de bepalingen van de Conventie 1886 en
+van de Add. Acte en Verklaring 1896 buiten bespreking laten. Dit
+kan m. i. veilig geschieden, daar er nóch uit practisch, nóch uit
+theoretisch oogpunt eenige reden voor ons land kan bestaan, om een
+of meer van die oude bepalingen te verkiezen boven de nieuwe, zooals
+zij in Berlijn zijn gewijzigd. De eenige wijziging van beteekenis,
+die de Conferentie van Berlijn heeft gebracht, bestaat hierin, dat
+de bescherming in de andere Verbondslanden onafhankelijk is gemaakt
+van die van het land van herkomst en dat met name de voorwaarden
+en formaliteiten in laatstgenoemd land niet meer vervuld behoeven
+te worden.
+
+Indien--wat te hopen is--de formaliteiten, die onze wet nu nog eischt,
+vóór onze toetreding tot het Verbond zullen zijn afgeschaft, zal tegen
+aanvaarding van dit gewijzigde stelsel der Conventie wel door niemand
+bezwaar worden gemaakt. Mocht dit niet zijn geschied, dan bestaat er
+evenmin eenige reden, om aan het stelsel der Conventie 1886 boven het
+gewijzigde de voorkeur te geven, daar men hiermede toch niet zou kunnen
+verhinderen, dat hier te lande bescherming zou moeten worden verleend
+aan werken waarvoor geen formaliteiten zijn vervuld (de werken nl. uit
+de Verbondslanden, waar de wet ze niet eischt, welke landen verreweg
+de meerderheid vormen); terwijl voor de auteurs van uit Nederland
+herkomstige werken het gevolg zou zijn, dat zij bij verzuim van de
+door onze wet gestelde voorwaarden en formaliteiten niet alleen hier,
+maar ook in het geheele Verbond, bescherming zouden moeten missen.
+
+Wat de andere wijzigingen betreft, die de Conventie 1908 heeft
+gebracht, deze strekken, zooals uit de bovenstaande bespreking
+reeds gedeeltelijk heeft kunnen blijken, meer tot verbetering en
+verduidelijking van de oude bepalingen dan tot het vervangen van deze
+door nieuwe, daarvan afwijkende regels. Volledigheidshalve wil ik ze
+nog even opsommen:
+
+1 In de Conventie 1908 wordt eene duidelijke onderscheiding gemaakt
+tusschen de bescherming in het land van herkomst van het werk en die
+in de andere Verbondslanden (art. 4 lid 1, art. 5, art. 6); terwijl de
+Conventie 1886 twijfel liet bestaan omtrent het al of niet beschermd
+zijn in het land van herkomst (art. 2 lid 1, art. 3).
+
+2 De Conventie 1908 noemt onder de rechten, waarop in de andere
+Verbondslanden, behalve het land van herkomst, aanspraak kan worden
+gemaakt, ook: "de rechten welke uitdrukkelijk door de tegenwoordige
+Overeenkomst worden toegekend" (art. 4 lid 1). Dit is uitsluitend
+terwille der duidelijkheid geschied; ook onder de Conventie 1886
+konden de bedoelde rechten worden ingeroepen, al werden zij niet in
+art. 2 genoemd.
+
+3 Terwijl de Conventie 1886 sprak van "auteurs of hunne
+rechtverkrijgenden" is dit in de Conventie 1908 overal (niet alleen
+in de hier besproken artikelen) veranderd in "auteurs". De toevoeging
+"of hunne rechtverkrijgenden" werd overbodig geacht, daar immers de
+vervreemdbaarheid van het auteursrecht nergens ter wereld betwist wordt
+[584].
+
+4 Het geval, dat een werk tegelijkertijd in een land van het Verbond
+en in een land daarbuiten in druk verschijnt, was in de Conventie
+1886 niet voorzien. De Conventie 1908 beslist, dat dan het land van
+het Verbond alleen als land van herkomst geldt.
+
+Zooals men ziet kan er voor geen enkelen staat eenige reden bestaan,
+om een of meer dezer wijzigingen niet te aanvaarden; nog minder kan
+dit het geval zijn ten aanzien der wijziging, die de Add. Acte 1896 in
+de Conventie 1886 heeft gebracht in zake de bescherming der buiten het
+Verbond staande auteurs, welke bescherming de oude Conventie (art. 3)
+aan de uitgevers verleende. Dit behoeft na, hetgeen hierover reeds
+is gezegd, geene toelichting meer.
+
+Ik meen dus te kunnen veronderstellen, dat ons land, bij toetreding
+tot het Verbond, de bepalingen der artikelen 4, 5 en 6 Conventie 1908
+zonder reserve zal aanvaarden. Gaan wij thans na, welke gevolgen dit
+zal hebben in verband met het stelsel van onze wet en dat van het
+Ontw. B. K. Daar zoowel de Conventie als onze wet onderscheid maakt
+tusschen door den druk gemeen gemaakte en niet door den druk gemeen
+gemaakte werken (oeuvres publiées en oeuvres non publiées), kunnen deze
+twee categorieën ook bij dit onderzoek afzonderlijk worden beschouwd.
+
+
+
+1 Niet door den druk gemeen gemaakte werken--Artikel 27 van de
+W. A. R. zegt, dat deze wet toepasselijk is op de niet door den
+druk gemeen gemaakte werken, afkomstig van in Nederland of in
+Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs. Gesteld dat deze bepaling
+bij onze toetreding behouden blijft, dan zal zij door de Conventie
+in zooverre worden aangevuld, dat onze wet ook toepasselijk wordt op
+alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot
+een der andere Verbondslanden behooren (art. 4 eerste lid). Derhalve
+zullen in dat geval uitgesloten blijven van de bescherming in Nederland
+de onuitgegeven werken van auteurs, die niet in het Rijk woonachtig
+zijn, en evenmin behooren tot een van de andere staten, die tot de
+Conventie zijn toegetreden. Hieronder zullen dus ook vallen de niet
+door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche onderdanen, die
+in een ander land (onverschillig of dit een Verbondsland is of niet)
+woonachtig zijn. Onze wet, die het domicilie als criterium neemt,
+beschermt deze werken niet en de Conventie laat het, zooals wij boven
+gezien hebben, geheel aan den inlandschen wetgever over, de bescherming
+van de onderdanen in hun eigen land te regelen. Zoo zou b.v. in het
+gestelde geval het niet door den druk gemeen gemaakte werk van een in
+Duitschland woonachtig Nederlander hier te lande niet beschermd zijn,
+terwijl datzelfde werk overal in het Verbond als een uit Nederland
+herkomstig werk (art. 4 lid 3) wél bescherming zou vinden. Daarentegen
+zou het werk ook in Nederland beschermd zijn, indien de in Duitschland
+wonende auteur niet Nederlander maar Duitscher was, daar in dat geval
+niet Nederland, maar Duitschland het "land van herkomst" zou wezen en
+dus hier te lande art. 4 lid 1 der Conventie erop toepasselijk zou
+zijn. Men ziet hieruit, dat behoud van het domicilie-stelsel onzer
+wet bij aansluiting tot de Conventie tot onredelijke gevolgen zou
+leiden en dat het dus beter ware daarbij--of in de plaats daarvan--het
+nationaliteitsstelsel in te voeren, temeer daar dit laatste ook om
+andere, reeds door mij genoemde redenen, de voorkeur verdient.
+
+De bijzondere bepaling, welke art. 27 W. A. R. nog inhoudt ten aanzien
+der mondelinge voordrachten (waarop zij toepasselijk is indien de
+voordracht in Nederland of Nederlandsch-Indië is gehouden) [585] kan
+hier buiten beschouwing blijven. Wáár eene voordracht gehouden is, is
+op de al of niet toepasselijkheid der Conventie van geen invloed. Is
+een Nederlander de auteur, dan is de voordracht volgens de Conventie
+eene Nederlandsche (d. w. z. Nederland is het land van herkomst),
+al werd zij ook uitgesproken in China; terwijl eene in Nederland
+gehouden voordracht van een Engelschman of Franschman volgens de
+Conventie resp. Engeland of Frankrijk als land van herkomst heeft.
+
+Wat den omvang der bescherming betreft, welke voor den Nederlandschen
+rechter zou kunnen worden ingeroepen, moet onderscheid worden gemaakt
+tusschen twee gevallen:
+
+a) Nederland is volgens de Conventie het "land van herkomst". De
+Conventie trekt zich in dat geval het lot van het werk in Nederland
+zelf niet aan; de bescherming berust derhalve uitsluitend op de
+Nederlandsche wet.
+
+b) Het werk heeft een van de andere Verbondslanden tot "land van
+herkomst". In dat geval kan de auteur krachtens art. 4 lid 1 der
+Conventie voor den Nederlandschen rechter aanspraak maken op:
+
+1o alle rechten, die onze wet toekent, en
+
+2o de rechten, welke de Conventie zelve uitdrukkelijk toekent
+(vertalingsrecht, op- en uitvoeringsrecht, enz.). Alleen moet hierbij
+in het oog worden gehouden, dat wat de sub 1o genoemde rechten betreft,
+de duur daarvan niet langer kan zijn dan die, welke in het land
+van herkomst van het werk geldt. Meerdere bijzonderheden hierover
+zullen nog hieronder, bij de behandeling van art. 7 der Conventie,
+worden medegedeeld.
+
+
+
+2 Door den druk gemeen gemaakte werken--Deze werken vinden volgens
+onze tegenwoordige wet (art. 27) hier te lande bescherming, indien
+zij in Nederland of Nederlandsch-Indië zijn gedrukt en door den druk
+gemeen gemaakt. Om de beteekenis, die deze bepaling, gesteld dat men
+haar onveranderd liet, na onze toetreding tot de Conventie zou hebben,
+goed in te zien, is het weer noodig van elkander te onderscheiden
+het geval dat Nederland het land van herkomst van het werk is volgens
+de Conventie en dát, waarin het werk een ander Verbondsland tot land
+van herkomst heeft.
+
+Alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk gemeen
+gemaakt zijn, zouden volgens artikel 4 lid 3 der Conventie uit
+Nederland herkomstige werken zijn en als zoodanig in alle andere
+Verbondslanden bescherming vinden. Met de bescherming in Nederland
+zelf bemoeit de Conventie zich slechts, voorzoover de auteurs geen
+Nederlandsche onderdanen zijn. De Nederlandsche onderdanen blijven
+dus, ook als hun werk in Nederland door den druk gemeen gemaakt is,
+wat de bescherming aldaar betreft, uitsluitend aangewezen op de
+Nederlandsche wet. Bij handhaving van de bovengenoemde bepaling van
+art. 27 W. A. R. zullen dus hunne werken, om in Nederland beschermd te
+zijn, niet alleen aldaar door den druk gemeen gemaakt, maar ook gedrukt
+moeten worden; bovendien zullen de formaliteiten, die de wet eischt
+(inzending van twee exemplaren van het werk bij het Departement van
+Justitie benevens van eene verklaring van den drukker, dat het werk op
+zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt, W. A. R. art. 10)
+vervuld moeten worden.
+
+De Conventie bevat echter wél bepalingen, die betrekking hebben op de
+bescherming in het land van herkomst van door den druk gemeen gemaakte
+werken, afkomstig van niet tot dat land behoorende auteurs. Zoowel
+de auteurs, die tot een der andere Verbondslanden behooren (art. 5)
+als die, welke tot geen der landen van het Verbond behooren (art. 6)
+genieten in het Verbondsland, waar hun werk voor de eerste maal door
+den druk wordt gemeen gemaakt, "dezelfde rechten als de inlandsche
+auteurs." Men ziet, dat deze bepaling in het gestelde geval ten
+aanzien van ons land geene uitwerking zou hebben. Wat de Conventie
+eischt is niet meer dan: gelijke behandeling van vreemdelingen en
+eigen onderdanen; en deze gelijkheid bestaat reeds volgens onze wet,
+daar zij ten aanzien der door den druk gemeen gemaakte werken geen
+onderscheid maakt tusschen Nederlanders en vreemdelingen. Derhalve
+zouden ook de vreemde auteurs, die hunne werken alhier deden uitgeven,
+aan de bovengenoemde voorwaarden en formaliteiten van onze wet
+gebonden blijven.
+
+Daarentegen zouden de auteurs van werken, die elders in het Verbond
+door den druk gemeen zijn gemaakt, en waarvan dus een der andere
+Verbondslanden het land van herkomst is, in Nederland niet alleen de
+volle bescherming genieten (d. w. z. de rechten die onze wet toekent
+en daarenboven de uitdrukkelijk door de Conventie verleende rechten),
+maar ook alhier van alle voorwaarden en formaliteiten vrijgesteld zijn
+(art. 4 lid 2, art. 6).
+
+Wat dit laatste betreft zouden dus de bepalingen onzer wet (de eisch,
+dat het werk in Nederland gedrukt zij en de verplichte inzending
+bij het Departement van Justitie) door onze aansluiting bij de
+Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld, waardoor de,
+toch al twijfelachtige [586], reden van bestaan dezer bepalingen nog
+aanmerkelijk zou verminderen. Zonder eenige formaliteit zouden hier
+beschermd zijn alle werken, die in een der andere Verbondslanden
+zijn uitgekomen; alleen degenen, die hunne werken in Nederland zelf
+laten verschijnen, zouden--voor de bescherming in Nederland--zich
+de vervulling der formaliteiten hebben te getroosten. En wat het
+vereischte betreft, dat het werk in Nederland moet zijn gedrukt, dit
+zou bijna alle beteekenis verliezen. Gesteld dat er tegen het laten
+drukken van een werk in Nederland eenig bezwaar bestaat en men toch op
+bescherming van het werk in ons land prijsstelt, dan zal de aangewezen
+weg zijn, ook de uitgave in het buitenland (mits binnen het Verbond)
+te doen plaats hebben. Een boek, dat b.v. in Duitschland is gedrukt,
+zou, indien het bij een Nederlandschen uitgever uitkwam, in Nederland
+niet beschermd zijn; wél echter, indien het ook in Duitschland werd
+uitgegeven. Uitgave in Duitschland in plaats van in Nederland zou
+bovendien nog het voordeel opleveren, dat de bescherming--ook die
+in Nederland--van geene formaliteiten afhankelijk zou zijn; terwijl
+ook de uitgebreidheid der bescherming in Nederland erdoor zou winnen,
+daar het werk dan als "uit een ander Verbondsland herkomstig", ook de
+uitdrukkelijk door de Conventie toegekende rechten zou genieten. Reeds
+nu, terwijl ons land nog geen deel uitmaakt van het Verbond, zijn
+er Nederlandsche auteurs, die hunne werken niet in hun vaderland,
+maar in een der Verbondslanden laten verschijnen, om daardoor de
+bescherming in het Verbond te krijgen. Wat velen waarschijnlijk nog
+hiervan weerhoudt, is dat zij daardoor de bescherming in Nederland
+zelf verbeuren. Dit laatste zal echter, wanneer ons land bij het
+Verbond zal zijn aangesloten, niet meer het geval zijn; integendeel:
+hun werk zal, zooals wij gezien hebben, als buitenlandsch werk,
+d.w.z. uit een ander Verbondsland afkomstig, in Nederland nog beter
+beschermd zijn dan indien het in Nederland was uitgegeven.
+
+Wat de bescherming in de overige landen van het Verbond betreft,
+deze zal natuurlijk, wanneer ons land is aangesloten, ook aan de
+in Nederland uitgekomen werken niet onthouden worden, en daar de
+bescherming overal verleend wordt onafhankelijk van die in het land
+van herkomst, zou men zelfs kunnen meenen, dat het in dit opzicht geen
+verschil maakt, of een werk Nederland dan wel een ander Verbondsland
+als land van herkomst heeft. Toch zou men zich hierin vergissen. Indien
+ons land op het punt van het vertalingsrecht zich houdt aan de oude
+regeling van de Conventie 1886, dan zal het gevolg zijn, dat een
+uit Nederland herkomstig werk in alle andere Verbondslanden slechts
+tien jaar tegen vertalingen is beschermd, terwijl een werk, afkomstig
+uit een land dat de Conventie 1908 onvoorwaardelijk heeft aanvaard,
+zoolang het auteursrecht duurt tegen vertalingen beschermd is. En
+behalve deze zullen er, zooals hieronder zal blijken, nog meer redenen
+kunnen zijn, waarom de auteurs ons land niet als het meest gewenschte
+"land van herkomst" van hunne werken zullen beschouwen.
+
+Hieronder kom ik nog op deze kwestie terug. Wat ik echter met het
+bovenstaande reeds meen duidelijk te hebben gemaakt is, dat indien
+ons land tot de Conventie toetreedt met behoud van de bovengenoemde
+bepalingen onzer wet, onze auteurs in verschillende opzichten beter
+beschermd zullen zijn indien zij hunne werken niet, dan indien zij ze
+wél binnen ons land laten verschijnen. Of dit nu voor velen een reden
+zal zijn, om zich den last te getroosten een uitgever in een der andere
+Verbondslanden te zoeken, wil ik in het midden laten; de kans bestaat
+in ieder geval dat dit zal geschieden en ik meen dat men deze kans
+reeds aanmerkelijk zou verminderen, door de hinderlijke formaliteit
+van inzending van twee exemplaren van elk werk en de voorwaarde,
+dat een in Nederland uitgegeven werk ook alhier gedrukt moet zijn,
+te laten vervallen. Voor handhaving van de laatste bepaling bestaat
+des te minder reden, daar met zekerheid kan worden aangenomen, dat er
+na onze aansluiting tot de Conventie niet één werk meer in Nederland
+om zal worden gedrukt.
+
+Een uitvoerige bespreking van het stelsel van het Ontw. B. K. in
+verband met de artt. 4, 5 en 6 der Conventie schijnt mij na het
+bovenstaande overbodig. Dit ontwerp is, nog minder dan de wet van 1881,
+met het door de Conventie gevolgde systeem in overeenstemming. Er
+wordt geen onderscheid gemaakt tusschen wél en niet door den druk
+gemeen gemaakte werken. Het ontwerp is toepasselijk op:
+
+a) de werken van in Nederland of Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs
+(hiervoor geldt hetzelfde wat boven reeds is opgemerkt ten aanzien
+der analoge bepaling in W. A. R.);
+
+b) de in Nederland of Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken.
+
+Na toetreding tot de Conventie zouden in ons land beschermd zijn:
+
+a) de niet door den druk gemeen gemaakte werken van auteurs, die tot
+een der Verbondslanden behooren;
+
+b) de werken, die in een der andere Verbondslanden voor het eerst
+door den druk zijn gemeen gemaakt.
+
+Met de Nederlandsche auteurs zouden gelijkgesteld zijn:
+
+c) de vreemde auteurs, die hunne werken voor de eerste maal in
+Nederland door den druk gemeen lieten maken.
+
+De onder a en b genoemde werken zouden hier beschermd zijn zonder
+eenige voorwaarde of formaliteit; niet echter de werken der onder c
+genoemde auteurs.
+
+Het zijn ook hier weer de formaliteiten, die aanleiding geven
+tot bedenkingen. Het Ontwerp eischt (art. 7) inzending van eene
+beschrijving of van eene reproductie van het kunstwerk uiterlijk
+dertig dagen nadat dit voor de eerste maal geleverd of tentoongesteld,
+of wel openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden, op straffe
+van tenietgaan van het auteursrecht. Na wat hierover reeds gezegd is
+(pp. 273 en 274), meen ik over de onredelijkheid en nutteloosheid
+dezer bepaling niet lang te behoeven uit te weiden. Een enkel
+voorbeeld slechts, om te doen zien wat het gevolg zou zijn van hare
+handhaving in het tot wet te verheffen Ontwerp na onze toetreding
+tot de Conventie. Een Nederlander verkoopt zijn schilderij in het
+land en verzuimt binnen dertig dagen eene beschrijving ervan in te
+zenden. Gevolg: verlies van het auteursrecht in Nederland. In alle
+andere Verbondslanden echter is het schilderij als een Nederlandsch
+werk (nl. een niet door den druk gemeen gemaakt werk van een
+Nederlandsch auteur) wél beschermd. Gesteld nu, dat daarna van
+hetzelfde schilderij in Berlijn eene reproductie in het licht wordt
+gegeven, dan is het geworden een door den druk gemeen gemaakt werk
+met Duitschland als land van herkomst, en geniet het derhalve weer de
+bescherming in Nederland, zonder dat daarvoor eenige voorwaarde of
+formaliteit mag worden gesteld. Een Franschman echter, die precies
+hetzelfde doet, zou ook vóór de publicatie in Nederland beschermd
+zijn, daar men in dat geval te doen zou hebben met een niet door den
+druk gemeen gemaakt werk met Frankrijk als land van herkomst. Doch
+stellen wij nu, dat deze Franschman zijn werk niet in Berlijn, maar
+in Amsterdam door den druk gemeen maakt, dan zou hij daardoor de
+bescherming in Nederland wederom verliezen. Immers dan zou Nederland
+het land van herkomst zijn geworden en de Fransche auteur zou krachtens
+art. 5 der Conventie slechts aanspraak kunnen maken in Nederland
+op dezelfde behandeling die de Nederlandsche auteurs er genieten,
+hetgeen in dit geval zou beteekenen: van alle bescherming verstoken
+te zijn. Uitgave in het land zelf zou dus hier tengevolge hebben
+verlies van het auteursrecht, terwijl in het eerstgenoemde geval door
+de uitgave in het buitenland het auteursrecht alhier zou ontstaan!
+
+
+
+De slotsom, waartoe de voorafgaande beschouwingen leiden, is de
+volgende.
+
+De Conventie houdt geene bepaling in, die ons land na toetreding tot
+het Verbond zou dwingen, een van de bepalingen onzer wet (of van het
+Ontw. B. K., gesteld dat dit tot wet zou zijn verheven,) te wijzigen
+of te doen vervallen. Ons land kan dus lid worden van het Verbond met
+bepalingen in hare wetgeving als die van de artt. 10 en 27 W. A. R. en
+7 en 19 Ontw. B. K. Deze bepalingen zouden echter door die der
+Conventie gedeeltelijk buiten werking worden gesteld (nl. ten aanzien
+van alle werken, die uit een der andere Verbondslanden herkomstig zijn)
+terwijl zij, voorzoover zij nog toepassing zouden kunnen vinden, aan
+de bescherming hier te lande onredelijke en onnoodige belemmeringen in
+den weg zouden leggen, waarvan voornamelijk de Nederlandsche auteurs
+en uitgevers de slachtoffers zouden worden.
+
+Om laatstgenoemde bezwaren te voorkomen, zouden de volgende wijzigingen
+in onze wetgeving zijn aan te brengen, die ook overigens in alle
+opzichten als verbeteringen zouden zijn te beschouwen:
+
+1o Afschaffing van de verplichte inzending van exemplaren en
+beschrijvingen (art. 10 W. A. R., art. 7 Ontw. B. K.); toekenning
+dus van het auteursrecht zoowel op niet als wél door den druk gemeen
+gemaakte werken zonder eenige formaliteit;
+
+2o Uitbreiding van de grenzen, die aan de geldigheid onzer wet zijn
+gesteld, zoodanig, dat zij tenminste toepasselijk is op:
+
+a) alle niet door den druk gemeen gemaakte werken van Nederlandsche
+onderdanen;
+
+b) alle werken, die voor het eerst in Nederland door den druk zijn
+gemeen gemaakt, onverschillig waar zij zijn gedrukt. Hierdoor zou
+ook vanzelf vervallen de formaliteit, welke art. 10 tweede lid
+W. A. R. voorschrijft, nl. de inzending van eene door den drukker
+onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde
+drukkerij is gedrukt.
+
+
+
+
+IV Duur der bescherming (Conv. 1908 art. 7; Conv. 1886 art. 2 lid 2)
+
+De regeling van den duur der bescherming volgens de Conventie 1886
+is al besproken (pp. 349 sqq.). Zij vormt een van de punten, waarop
+de bepalingen van de wet van het land van herkomst van een werk van
+invloed zijn bij de toemeting van rechten op dat werk in de andere
+landen. De rechter heeft eene vergelijking te maken tusschen de wet
+van zijn eigen land en die van het land van herkomst; de wet die den
+kortsten beschermingstermijn heeft moet bij de berekening van den
+duur van het auteursrecht door hem worden toegepast.
+
+Op de Berlijnsche Conferentie stelde Duitschland voor, de
+bescherming voortaan te verleenen in elk land volgens de aldaar
+geldende wet, geheel onafhankelijk van de wetsbepalingen van het
+land van herkomst. Hierop werd door de Fransche afgevaardigden een
+amendement ingediend, strekkende om wat den duur van het auteursrecht
+betreft één termijn vast te stellen, die in het geheele Verbond
+zou gelden. Bij de toelichting van dit amendement werd opgemerkt,
+dat het Duitsche voorstel, indien het ongewijzigd werd aangenomen,
+eene onbillijkheid in het leven zou roepen. De auteurs van een land
+met een korten beschermingstermijn zouden in andere landen van den
+langeren duur der bescherming genieten en dus aldaar nog beschermd
+zijn, wanneer het auteursrecht in hun eigen land reeds een einde had
+genomen, terwijl daartegenover in het eerstgenoemde land de vreemde
+auteurs zich met de bescherming van korten duur tevreden zouden moeten
+stellen. Dit zou--zoo meende de Fransche delegatie--voor sommige landen
+eene aanleiding kunnen zijn om in hunne wetgeving een auteursrecht van
+korten duur in te voeren of te bestendigen, daar dit immers van hun
+nationaal standpunt alleen voordeelen en geen nadeelen zou opleveren
+[587].
+
+De Berlijnsche Conferentie koos tenslotte een middenweg tusschen het
+Duitsche en het Fransche voorstel.
+
+In beginsel werd een uniforme termijn voor het geheele Verbond
+aangenomen, zooals het Fransche amendement beoogde. Het eerste lid
+van het nieuwe artikel 7 luidt als volgt:
+
+
+ De duur der bescherming, die door de tegenwoordige Overeenkomst
+ wordt verleend, omvat het leven van den auteur en vijftig jaren
+ na zijn dood.
+
+
+Dit is echter niet meer dan eene beginselverklaring, want het tweede
+lid van het artikel luidt:
+
+
+ Doch voor het geval dat deze duur niet gelijkelijk door alle landen
+ van het Verbond mocht worden ingevoerd, zal de duur geregeld worden
+ door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen
+ en zal hij den duur, vastgesteld in het land van herkomst, niet
+ mogen overschrijden. De contracteerende Landen zijn bijgevolg
+ slechts gehouden de bepaling van het vorige lid toe te passen
+ voor zoover zij met hun inlandsch recht in overeenstemming is.
+
+
+De termijn voor de internationale bescherming in het Verbond van
+vijftig jaar na den dood des auteurs bestaat dus, zooals men ziet,
+slechts in naam. Zoolang er nog staten zijn, die den duur van het
+auteursrecht in hunne wetgeving anders regelen, zal de bepaling van
+deze inlandsche wet en niet die van art. 7 eerste lid der Conventie
+worden toegepast, ook zonder dat dit door den betrokken staat bij
+de bekrachtiging der Conventie uitdrukkelijk behoeft te worden
+voorbehouden. Het eerste lid van artikel 7 is--zooals ik reeds
+opmerkte--niet meer dan eene beginselverklaring. Het beteekent, dat
+de Verbondsstaten in het algemeen een duur van vijftig jaren na den
+dood des auteurs wenschelijk achten, doch het houdt voor hen niet
+de verplichting in, hunne wetgeving daarmede in overeenstemming te
+brengen. De Engelsche Regeering heeft zich zelfs op de Berlijnsche
+Conferentie, bij monde van den gedelegeerde Askwith, hare volle
+vrijheid van handelen op dit punt uitdrukkelijk voorbehouden [588].
+
+Men zou misschien kunnen geneigd zijn in verband hiermede het geheele
+eerste lid van het artikel voor onnoodig en zonder zin te houden
+en het liever geheel weggelaten te zien. Ik meen echter, dat de
+bepaling, ook al mist zij bindende kracht, wel haar nut heeft. Nu
+men het eenmaal in beginsel over één termijn eens bleek te kunnen
+worden, was het m. i. zeer goed gezien daarvan ook in den tekst
+der Conventie te doen blijken. De termijn van vijftig jaar na den
+dood des auteurs, die al in de meeste Verbondslanden gold, is nu de
+officieele geworden. Door hem bij zich in te voeren volgt een staat
+niet meer eene toevallige meerderheid, maar hij richt zich naar een
+door gemeen overleg vastgestelden maatregel, iets waar de meeste
+staten ongetwijfeld eerder toe zullen overgaan.
+
+Het bovenstaande heeft alleen betrekking op den zoogenaamden
+hoofdtermijn. De afzonderlijke termijnen, die in sommige landen voor
+enkele onderdeelen van het auteursrecht gelden (zoo b.v. de termijn
+van drie jaar na de uitgave, die de Noorsche wet heeft gesteld aan het
+recht om een geschrift in het openbaar voor te lezen [589]), zijn met
+het uitgesproken beginsel niet in strijd. Verder is de algemeene regel
+van het eerste lid van artikel 7 niet toepasselijk op: photographieën
+en daarmede gelijksoortige werken, nagelaten werken en anonieme of
+pseudonieme werken. De duur van het recht op deze werken zal geregeld
+worden door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen,
+doch zal niet langer kunnen zijn dan die, welke de wet van het land
+van herkomst vaststelt (art. 7 lid 3).
+
+Deze laatste regel zal dus feitelijk, evenals vroeger onder de
+Conventie 1886, op alle werken toepasselijk zijn. Wat hierboven
+(p. 350) is gezegd over de beteekenis van de bepaling, dat de duur
+der bescherming dien van het land van herkomst "niet kan overtreffen"
+(ne peut excéder) geldt ook voor het nieuwe artikel 7 der Conventie
+1908. Er is niet mede bedoeld een absoluut verbod om langer bescherming
+te verleenen; doch het is slechts de tijdsgrens, welke de Conventie aan
+de bescherming, die volgens hare bepalingen wordt verleend, stelt. Op
+rechten, die buiten de Conventie om kunnen worden ingeroepen, is de
+bepaling dus niet toepasselijk [590].
+
+De wet van het land van herkomst blijft dus op dit ééne punt: de
+berekening van den duur der bescherming, haar invloed op de bescherming
+in de andere Verbondslanden behouden. Indien echter een werk in het
+land van herkomst in het geheel niet beschermd is--hetgeen trouwens
+ingevolge de bepalingen van art. 2 lid 3 Conventie 1908 wel niet
+dikwijls meer zal voorkomen--dan kan dit niet meer, zooals onder
+de oude Conventie, een reden zijn om er ook in de andere landen
+bescherming aan te weigeren. De uitdrukkelijke bepaling van het
+tweede lid van artikel 4, dat de bescherming in de andere landen
+"onafhankelijk is van het bestaan van bescherming in het land van
+herkomst van het werk" laat in dit opzicht geen ruimte voor eenigen
+twijfel over.
+
+
+
+Bij de toetreding van ons land tot de Conventie zal ongetwijfeld naar
+aanleiding van het eerste lid van art. 7 Conventie 1908 in ernstige
+overweging worden genomen, ook in onze wet den termijn van vijftig jaar
+na den dood des auteurs in te voeren. Al bestaat hiertoe, zooals uit
+het voorafgaande blijkt, geenerlei verplichting, toch schijnt het mij
+ten zeerste wenschelijk, dat dit geschiedt. Het stelsel van onze wet,
+waarbij het tijdstip der uitgave als uitgangspunt wordt genomen voor
+de berekening van den duur van het auteursrecht moge boven dat van de
+Conventie eenige voordeelen hebben, daar staan ontegenzeggelijk ook
+nadeelen tegenover. Het pro en contra van beide stelsels is in een
+vorig hoofdstuk reeds besproken (pp. 257 sqq.), en de slotsom was,
+dat er in abstracto geen overwegende reden bestaat om aan het een
+boven het ander de voorkeur te geven. Nu de Conventie echter tusschen
+de twee systemen eene keus heeft gedaan, dienen alle staten, zoowel
+die reeds aangesloten waren als die zich later aansluiten, zich ter
+bevordering van de eenheid in het Verbond daarbij neer te leggen. Dat
+trouwens ons land, door het stelsel van onze wet prijs te geven,
+een groot offer zou brengen, zal wel niemand willen beweren. Het zal
+integendeel, wanneer ons land deel uitmaakt van het Verbond, ook uit
+zuiver nationaal standpunt gewenscht zijn, dat het auteursrecht van
+onze wet even lang duurt als in de andere Verbondslanden. Behoud van
+ons systeem (vijftig jaar na de uitgave en ten minste tot den dood
+des auteurs, indien deze zijn recht nooit heeft overgedragen) na onze
+aansluiting zou tot gevolg hebben, dat in het grootste gedeelte van
+het Verbond de uit Nederland afkomstige werken veel korter beschermd
+zouden zijn dan die uit andere landen. Dit zou dus alweer een reden
+kunnen zijn voor Nederlandsche auteurs, om hunne werken niet hier,
+maar in een der andere Verbondslanden te doen uitgeven waardoor zij
+aan deze werken een beter "land van herkomst" zouden kunnen bezorgen.
+
+
+
+
+b Bijzondere regelen omtrent sommige onderdeelen
+
+
+I Het uitsluitend vertalingsrecht (Conv. 1908 art. 8; Conv. 1886
+art. 5; Add. Acte 1896 art. 1, III)
+
+Op het groote practische gewicht van het vraagstuk van het uitsluitend
+vertalingsrecht in de internationale betrekkingen behoeft niet meer
+gewezen te worden. Bij de voorbereiding der Berner Conventie was men
+hiervan ook doordrongen. Renault noemde dit punt: "la disposition
+capitale et essentielle du projet" [591] en later, op de Conferentie
+van Parijs: "la question internationale par excellence" [592], en dat
+dit gevoelen algemeen werd gedeeld kan o. a. blijken uit de lange
+beraadslagingen, zoowel te Bern als te Parijs en Berlijn over deze
+kwestie gehouden.
+
+In het ontwerp der Association was het uitsluitend vertalingsrecht
+met het auteursrecht volkomen gelijkgesteld (art. 5); evenzoo in
+art. 7 van het ontwerp van den Zwitserschen Bondsraad, waarbij echter
+subsidiair als beperkende voorwaarde was voorgesteld: "indien van
+dit recht binnen een termijn van tien jaar wordt gebruik gemaakt."
+
+Op de Conferentie van 1884 kwam de kwestie het eerst ter sprake
+bij de behandeling van de door de Duitsche delegatie opgestelde
+vraagpunten. Een dezer vragen luidde:
+
+"Moet de duur van het uitsluitend vertalingsrecht gelijk zijn aan die
+van het auteursrecht op het oorspronkelijke werk? Zoo neen, moet dan
+die duur niet voor het geheele Verbond eenvormig worden vastgesteld?"
+
+De Scandinavische afgevaardigden verklaarden, dat aanneming van een
+vertalingsrecht van gelijken duur als het auteursrecht voor Zweden
+en Noorwegen waarschijnlijk de toetreding tot het Verbond onmogelijk
+zou maken; Duitschland zou er voor te vinden zijn, op voorwaarde van
+eenstemmigheid van alle staten op dit punt [593].
+
+Uit het rapport der Commissie bleek, dat er, behalve het voorstel
+van den Zwitserschen Bondsraad, nog drie andere oplossingen waren
+geformuleerd:
+
+1o. Een voorstel van de Duitsche delegatie, waarin een uniforme termijn
+van tien jaar voor het uitsluitend vertalingsrecht was aangenomen, te
+beginnen op het tijdstip van de uitgave eener geautoriseerde vertaling,
+en onder voorwaarde dat deze binnen drie jaar na de uitgave van het
+oorspronkelijke werk plaats heeft. Een maximumtermijn derhalve van
+dertien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk.
+
+2o. Een van den Zweedschen afgevaardigde Lagerheim afkomstig
+voorstel: het vertalingsrecht duurt tien jaar na de uitgave van het
+oorspronkelijk werk, mits eene geautoriseerde vertaling in de taal,
+waarvoor de bescherming verlangd wordt, binnen drie jaar na die
+uitgave verschijnt.
+
+3o. Een Fransch voorstel, waarin de volkomen gelijkstelling van
+vertalingsrecht met auteursrecht op het origineel was uitgesproken.
+
+Nadat dit laatste voorstel met drie tegen zes stemmen (en drie
+onthoudingen) was verworpen, werd ten slotte het voorstel der Commissie
+aangenomen, waarin de berekening van den duur van het vertalingsrecht
+uit het Duitsche voorstel was overgenomen (tien jaar na de uitgave
+der vertaling, mits deze binnen drie jaar na het oorspronkelijk
+werk het licht ziet), terwijl evenals in het Zweedsche voorstel deze
+voorwaarde voor elke taal afzonderlijk geldt. Bij de verdediging van
+haar voorstel verklaarde de Commissie eenstemmig te zijn in haar
+oordeel, dat "la tendance de l'époque est à l'assimilation de la
+durée du droit exclusif de traduction à celle du droit sur l'oeuvre
+originale" [594], doch dat de voorgestelde redactie alleen gekozen
+was, om de toetreding van sommige staten, wier wetgeving nog niet
+zoover gevorderd was, mogelijk te maken.
+
+In 1885 werd opnieuw over het artikel gestreden. Weer werd van Fransche
+zijde (Lavollée en Renault) op volkomen gelijkstelling aangedrongen,
+terwijl weer door Zweden en Noorwegen de onmogelijkheid werd verklaard
+om met den toenmaligen stand hunner wetgeving meer te verleenen dan
+een vertalingsrecht van tien jaar [595].
+
+Er was nu ook een Engelsch voorstel, om geen termijn in de Conventie
+vast te stellen, maar de regeling hiervan aan de inlandsche
+wetgevingen over te laten. Voorts was door de Zwitsersche en
+Italiaansche afgevaardigden voorgesteld, de bepaling dat eene door
+den auteur goedgekeurde vertaling binnen drie jaar moet verschijnen,
+weg te laten, óf--indien men hiertoe niet kon besluiten--in elk
+geval de termijnen van drie jaar (binnen welke de vertaling moest
+verschijnen) en van tien jaar (den duur van het vertalingsrecht) te
+verlengen. In het rapport der Commissie worden al deze voorstellen
+kortelijk besproken. Door aanneming van het Engelsche voorstel zou
+volgens de meerderheid der Commissie te veel speelruimte worden
+gelaten aan de inlandsche wetgevingen en de werking der Conventie
+te zeer beperkt worden; tegen het Zwitsersch-Italiaansche voorstel
+werden ook eenige bezwaren ingebracht, terwijl het Fransche voorstel
+werd verworpen (met zes tegen vijf stemmen), niet omdat men het met
+het beginsel der gelijkstelling niet eens was, maar omdat de aanneming
+hiervan tengevolge zou hebben, dat enkele landen niet tot de Conventie
+zouden kunnen toetreden. Men achtte trouwens deze verwerping niet van
+overwegend practisch belang, daar er alle reden bestond te verwachten,
+dat vóór de verstrijking van den tienjarigen termijn de Conventie
+reeds in den gewenschten zin zou zijn gewijzigd.
+
+Het artikel werd ten slotte, zooals de Commissie het had voorgesteld,
+in de Conventie opgenomen: het vertalingsrecht duurt tien jaren na
+de uitgave van het oorspronkelijke werk, hetzij de auteur al of niet
+binnen dien tijd eene vertaling laat verschijnen.
+
+Uit het bovenstaande moge de beteekenis, welke aan art. 5 Conventie
+1886 is te hechten, eenigermate duidelijk zijn geworden. De termijn
+van tien jaren werd door de groote meerderheid min of meer als
+een overgangsmaatregel beschouwd; men stelde zich ermede tevreden,
+omdat nu eenmaal op het oogenblik niet meer was te bereiken, en in de
+stellige verwachting, dat het slechts eene kwestie van tijd was, het
+juiste beginsel in zijn geheel doorgevoerd te krijgen. Dat hierover
+alle Berner gedelegeerden het eens waren, blijkt wel uit den wensch,
+zoowel in 1884 als in 1885 uitgesproken:
+
+"Il y aurait lieu de favoriser autant que possible la tendance vers
+l'assimilation complète du droit de traduction au droit de reproduction
+en général" [596].
+
+Het werd daarom als vanzelf sprekend beschouwd, dat op de Conferentie
+van Parijs de kwestie van het vertalingsrecht niet onbesproken
+zou blijven. Frankrijk stond hier weer vooraan met den eisch van
+"assimilation complète". Doch ook toen bleek de tijd daarvoor nog
+niet volkomen rijp te zijn en daarom werd, vooral ten gerieve van
+Engeland en Italië, weer een middenweg gekozen nl. gelijkstelling
+in duur, doch op voorwaarde dat binnen tien jaar na de uitgave van
+het oorspronkelijke werk eene door den auteur goedgekeurde vertaling
+verschijnt in de taal, waarvoor de bescherming wordt ingeroepen.
+
+Dat de meeste staten ook hiermede nog niet alles bereikt achtten wat
+zij wenschten, kan blijken uit de dienaangaande afgelegde verklaringen
+[597]. Zelfs werd, om het den toekomstigen herzieners der Conventie
+gemakkelijk te maken, de redactie van de nieuwe bepaling zoodanig
+gekozen, dat in den eersten zin het gewenschte beginsel (volkomen
+gelijkstelling van vertalingsrecht met auteursrecht) zonder meer is
+vooropgesteld, terwijl daarna een nieuwe zin de beperkende voorwaarde
+inhoudt, welke men later hoopte te zien verdwijnen. "Nos successeurs
+n'auront qu'à supprimer tout ce qui suit cette phrase", merkte Renault
+in zijn rapport daarbij op [598].
+
+En zoo is ook werkelijk te Berlijn geschied. Renault, die weer
+de opsteller van het commissie-rapport was, kon na aanhaling van
+zijne in 1896 geschreven woorden zelf de verwezenlijking van den lang
+gekoesterden wensch constateeren [599]. Het voorstel was uitgegaan van
+Duitschland, welks Regeering in samenwerking met het Berner Bureau
+de werkzaamheden der Conferentie had voorbereid. Het nieuwe artikel
+(art. 8 Conventie 1908) luidt nu als volgt:
+
+
+ De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs van
+ niet-gepubliceerde werken en de auteurs van werken, welke voor
+ de eerste maal in een dezer landen gepubliceerd zijn, genieten in
+ de overige Verbondslanden, tijdens den vollen duur van het recht
+ op het oorspronkelijke werk, het uitsluitend recht hunne werken
+ te vertalen of tot de vertaling toestemming te verleenen.
+
+
+Eene ernstige bestrijding heeft deze bepaling op de Conferentie van
+Berlijn niet gevonden. Alleen van den kant van Japan was een voorstel
+ingediend dat er lijnrecht mede in strijd was, nl. om het uitsluitend
+vertalingsrecht--doch alleen in de betrekkingen tusschen Japan en
+de overige Verbondslanden--geheel te doen vervallen. Als argument
+voor deze exceptionneele bepaling werd aangevoerd, dat de Japansche
+taal aanmerkelijk in karakter verschilt met de Europeesche talen,
+dat daarom het vertalen in en uit het Japansch hoogst moeilijk is en
+zelden voorkomt, en dat het belang zoowel van Japan zelf als van de
+andere beschaafde staten meebracht, dat aan dit toch al gebrekkig
+letterkundig ruilverkeer zoo min mogelijk hinderpalen in den weg
+werden gelegd. Tot deze hinderpalen meende de Japansche delegatie nu
+ook het uitsluitend vertalingsrecht te moeten rekenen [600].
+
+Het was te voorzien, dat de Berlijnsche Conferentie op dit voorstel
+niet in zou gaan. In het rapport van Renault wordt er met hoffelijke
+termen gewag van gemaakt, doch toch zóó, dat wel blijkt, dat van
+aannemen van het voorstel geen kwestie is geweest. Duidelijk wordt
+te kennen gegeven, dat ten gerieve van één staat niet van een van de
+grondbeginselen der Conventie kon worden afgeweken. Bovendien werd
+opgemerkt, dat de ervaring met het uitsluitend vertalingsrecht in
+Europa opgedaan juist het tegenovergestelde had geleerd van hetgeen de
+Japansche delegatie vreesde. Nergens worden ernstige vertalers door
+onredelijke eischen der auteurs tegengehouden; zij komen er juist
+eerder toe eene vertaling te ondernemen, wanneer zij de zekerheid
+hebben, tegen andere vertalingen beschermd te zullen zijn [601].
+
+Japan zag dus zijn voorstel geheel terzijde gesteld en moest zich
+bij dit besluit der Conferentie wel neerleggen. Daar het reeds
+toegetreden is tot de Add. Acte van Parijs, blijft er--tenzij het
+geheel uit de Unie wil treden--geen andere weg voor dit land over,
+dan zich te blijven vasthouden aan hetgeen te Parijs ten aanzien van
+het vertalingsrecht is bepaald (gelijkstelling in duur met het overige
+auteursrecht, mits binnen tien jaar eene vertaling met goedkeuring
+van den auteur verschijnt). Op de zitting van 13 November 1908
+werd bij de behandeling van het nieuwe artikel 8 dan ook door den
+Japanschen gedelegeerde Horiguchi Kumaichi eene verklaring in dien
+zin afgelegd. Eenzelfde verklaring werd daar ook namens Spanje gedaan
+[602]. Deze twee staten zullen dus bij de bekrachtiging der Conventie
+1908 artikel 8 niet aanvaarden, maar zich houden aan de bepaling van
+art. 5 Conventie 1886, gewijzigd door de Add. Acte van Parijs.
+
+Daarentegen bestaat er alle kans dat Zweden en Noorwegen, de
+twee eenige Verbondsstaten, die de Add. Acte nog niet hebben
+bekrachtigd en die dus in de internationale betrekkingen nog
+slechts een vertalingsrecht van tien jaar erkennen krachtens het
+ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, het nieuwe art. 8 Conventie 1908
+onvoorwaardelijk zullen aanvaarden, zoodat zij van de achterhoede
+plotseling in de voorste rij zullen komen te staan [603].
+
+
+
+Men ziet uit het bovenstaande, hoe het beginsel van een uitsluitend
+vertalingsrecht van even langen duur als het overige auteursrecht,
+dat reeds door de ontwerpers der Conventie van Bern als het juiste
+werd erkend, gestadig in het Verbond veld heeft gewonnen. De Conventie
+1886 verleende een vertalingsrecht van slechts tien jaar; de Add. Acte
+maakte den duur gelijk aan dien van het overige auteursrecht, doch
+onder voorwaarde, dat binnen tien jaar eene geautoriseerde vertaling
+verscheen; totdat eindelijk de Conventie 1908 ook deze beperking
+wegnam en het juiste beginsel in zijn vollen omvang invoerde.
+
+Tusschen deze drie verschillende regelingen zal dus een staat, die
+zich bij het Verbond wenscht aan te sluiten, hebben te kiezen. Over
+deze keus--speciaal in verband met de toetreding van ons land--zal
+zoo aanstonds nog het een en ander worden gezegd. Ik wensch echter
+eerst nog een oogenblik stil te staan bij de beteekenis der genoemde
+Conventie-bepalingen. Daar ons land hoogstwaarschijnlijk niet--of
+tenminste niet terstond bij de aansluiting--het nieuwe art. 8
+onvoorwaardelijk zal aanvaarden, kunnen daarbij de bepalingen van
+1886 en 1896 niet geheel voorbij worden gegaan.
+
+Het vertalingsrecht--en dit geldt voor alle drie de regelingen--behoort
+tot die rechten, welke in de Conventie zelve gecodificeerd zijn; of
+zooals de Conventie 1908 (art. 4 lid 1) ze, in tegenstelling met de
+rechten die op de landswetten berusten, noemt: "droits spécialement
+accordés par la présente Convention". De bedoelde bepalingen houden
+dus--zooals het door sommige schrijvers is uitgedrukt--dwingend
+materieel recht in; d. w. z. het vertalingsrecht geldt in het geheele
+Verbond binnen de grenzen, welke de Conventie zelve daarvoor gesteld
+heeft, onafhankelijk van de bepalingen, welke de inlandsche wetten
+op dit punt mochten bevatten. Deze wetten zijn slechts toepasselijk,
+voorzoover dit uit de bepalingen der Conventie valt op te maken. Art. 8
+Conventie 1908 bepaalt b.v. dat het vertalingsrecht evenlang duurt als
+"het recht op het oorspronkelijke werk"; middellijk is dus ook de
+inlandsche wet van het betreffende land van invloed, daar deze den
+duur van het recht op het oorspronkelijke werk bepaalt of althans
+meehelpt bepalen. De bijzondere bepalingen, die de landswetten op
+het vertalingsrecht mochten bevatten, worden echter door de Conventie
+geheel terzijde gesteld. Dit sluit natuurlijk ook in, dat eventueel
+door deze wetten voorgeschreven bijzondere voorwaarden of formaliteiten
+voor het vertalingsrecht niet in acht behoeven te worden genomen [604].
+
+Hierbij dient men echter te bedenken, dat de Conventie slechts een
+minimum van bescherming waarborgt, d. w. z. dat hare bepalingen nooit
+de strekking kunnen hebben, om rechten, die, indien zij niet bestond,
+zouden kunnen worden ingeroepen, geheel of gedeeltelijk te doen
+vervallen. Over dezen algemeenen regel, die nu in de Conventie 1908
+(art. 19) eene stellige uitdrukking heeft gevonden, is hierboven, bij
+de behandeling van art. 7 Conventie 1908 en art. 2 lid 2 Conventie
+1886 gesproken. In dit verband is hij alleen van practisch belang
+ten aanzien van de bepalingen der Conventie 1886 en der Add. Acte,
+daar deze, in tegenstelling met het nieuwe art. 8 Conventie 1908,
+het vertalingsrecht nog beperkingen in den weg leggen.
+
+De strekking van den bedoelden regel, waarover vroeger nog wel
+getwist werd, doch die nu in art. 19 Conventie 1908 duidelijk staat
+aangegeven, is deze, dat de rechten van wijdere strekking of langeren
+duur der inlandsche wetten alleen dán ondanks de voor de auteurs
+minder gunstige bepalingen der Conventie kunnen worden ingeroepen,
+indien die rechten geheel buiten de Conventie om bestaan. De
+grond van den regel heeft men hierin te zoeken, dat de Conventie
+in geen enkel opzicht de auteurs, die onder hare bepalingen staan,
+in slechter conditie wil brengen dan zij zonder de Conventie zouden
+zijn. Indien de wet van een land--zooals b.v. in Luxemburg het geval
+is--op alle werken toepasselijk is, onverschillig wie auteur is
+en waar het werk is uitgekomen, dan zullen dus ook voor de werken
+uit de andere Verbondslanden de bepalingen dezer wet, voorzoover
+zij meer bescherming verleenen dan de Conventie, voor den rechter
+van dit land kunnen worden ingeroepen. Als men zich echter op de
+Conventie moet beroepen, dan moet met den beschermingstermijn, dien de
+Conventie stelt, genoegen worden genomen. Gesteld dus, dat Nederland
+tot de Conventie toetrad zonder het nieuwe art. 8 Conventie 1908 te
+bekrachtigen, doch op den voet van het oude art. 5 Conventie 1886, dan
+zou b.v. in Duitschland, waar de Nederlandsche werken nú onbeschermd
+zijn, het uitsluitend vertalingsrecht van deze werken slechts tien
+jaren duren, hoewel volgens de Duitsche wet het vertalingsrecht met
+het auteursrecht in tijdsduur is gelijkgesteld. Daarentegen zou het
+uitsluitend vertalingsrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs,
+dat nú krachtens de Luxemburgsche wet in dat land de Nederlandsche
+auteurs genieten, door de toetreding van ons land bij het Verbond
+niet worden opgeheven of verkort.
+
+Er zijn nu nog enkele opmerkingen te maken, die uitsluitend het oude
+art. 5 Conventie 1886 en Add. Acte 1896 raken.
+
+Het artikel--zoowel in zijne oorspronkelijke gedaante als na de
+wijziging die er te Parijs in is gebracht--begint aldus:
+
+
+ De tot een der landen van het Verbond behoorende auteurs of hunne
+ rechtverkrijgenden genieten in de andere landen het uitsluitend
+ recht hunne werken te vertalen, enz.
+
+
+Alleen dus de werken van "tot een der landen van het Verbond behoorende
+auteurs" worden genoemd. Dit beteekent echter niet, dat de bepaling
+niet toepasselijk zou zijn op de binnen het Verbond uitgegeven werken
+van vreemde auteurs, die genoemd worden in art. 6 Conventie 1908
+en art. 3 Conventie 1886. In laatstgenoemd artikel worden eenvoudig
+"de bepalingen dezer Conventie" op de bedoelde werken toepasselijk
+verklaard en artikel 1, II Add. Acte, waardoor dit artikel gewijzigd
+wordt, houdt in, dat de auteurs van deze werken "de bescherming door de
+Conventie en de Additionneele Acte verleend" zullen genieten. Hieronder
+is dus ook het uitsluitend vertalingsrecht begrepen. Art. 6 Conventie
+1908 is nog duidelijker en spreekt van "de rechten, die door de
+tegenwoordige Conventie worden toegekend". Deze rechten kunnen echter
+alleen in de andere landen, niet in het land van herkomst worden
+ingeroepen (cf. art. 4 lid 1, artt. 5 en 6 Conventie 1908).
+
+De termijn van tien jaar (zoowel die voor den duur van het
+vertalingsrecht van het ongewijzigde art. 5 Conventie 1886, als de
+zoogenaamde "Benützungsfrist" van de Add. Acte) wordt berekend naar
+het tijdstip der uitgave; hieruit volgt, dat het vertalingsrecht van
+onuitgegeven werken niet aan een bepaalden termijn wordt gebonden
+en derhalve evenlang duurt als het auteursrecht in het algemeen. De
+redactie van het gewijzigde artikel laat geen ruimte over voor eene
+andere uitlegging [605]; wat het artikel in zijne oude gedaante betreft
+zou men nog kunnen twijfelen, daar hierin niet de gelijkstelling
+in duur van vertalings- en auteursrecht als algemeene regel is
+vooropgesteld. Eene andere uitlegging dan de bovengenoemde is echter
+moeilijk denkbaar en zou hoogstwaarschijnlijk ook met de bedoeling van
+de ontwerpers der bepaling in strijd zijn. Er bestaat geen grond voor
+de onderstelling, dat het artikel in het geheel niet op onuitgegeven
+werken toepasselijk zou zijn; en daar het alleen voor uitgegeven werken
+een bepaalden tijdsduur vaststelt, ligt het voor de hand, dat voor
+de andere (dus de niet-uitgegeven) werken het vertalingsrecht duurt,
+zoolang het werk overigens van de bescherming der Conventie geniet.
+
+In het tweede, derde en vierde lid van art. 5 Conventie 1886, waarin
+de Add. Acte van Parijs geene veranderingen heeft aangebracht, worden
+nog eenige detail-regelingen gegeven betreffende de berekening van den
+termijn, welke geene nadere verklaring behoeven. Alleen kan het zijn
+nut hebben, te wijzen op de beteekenis, welke men heeft willen hechten
+aan de woorden "aflevering" (livraison) en "verslagen of tijdschriften"
+(bulletins ou cahiers). Onder "livraison" verstond de Commissie van
+1885, die het artikel geredigeerd heeft: "une partie d'un ouvrage
+paraissant par fascicules successifs, qui ne forme pas en elle même
+une publication séparée, mais est si indissolublement liée au reste de
+l'ouvrage, soit par la pagination, soit par son ensemble typographique,
+que le défaut d'une seule livraison rendrait l'ensemble de l'ouvrage
+incomplet et défectueux" [606]. Het Nederlandsche woord "aflevering"
+geeft hier m.i. het juiste aequivalent; men spreekt hier echter
+ook van afleveringen van een tijdschrift: deze zullen niet onder de
+"livraisons" maar onder de "cahiers ou bulletins" vallen.
+
+Het nieuwe art. 8 Conventie 1908 geeft, dank zij ook de
+meer nauwkeurige redactie, geen aanleiding tot verschillende
+interpretatie. Afzonderlijk worden erin genoemd de onuitgegeven werken
+van auteurs die tot een der Verbondslanden behooren, en de uitgegeven
+werken, waarvan de eerste uitgave binnen het Verbond heeft plaats
+gehad; terwijl voorts--in overeenstemming met de bepalingen van art. 4
+lid 1, art. 5 en art. 6 Conventie 1908--onderscheid wordt gemaakt
+tusschen de bescherming in het land van herkomst en die in de overige
+Verbondslanden. Alleen in de laatste kunnen de auteurs krachtens het
+artikel aanspraak maken op het vertalingsrecht der Conventie. Daar
+het artikel geen bijzonderen termijn voor het vertalingsrecht stelt,
+konden de bepalingen van lid 2, 3 en 4 van art. 5 Conventie 1886
+geheel vervallen.
+
+Ten slotte nog enkele opmerkingen over het uitsluitend vertalingsrecht
+der Conventie in verband met eene toekomstige aansluiting van ons
+land bij het Verbond. Zooals bekend hebben de tegenstanders van
+onze aansluiting het juist op het vertalingsrecht gemunt; indien dit
+slechts uit de Conventie kon worden geschrapt, of indien er een nòg
+korteren duur dan tien jaar (art. 5 Conventie 1886) aan kon gegeven
+worden, zou waarschijnlijk bijna niemand meer eenig bezwaar tegen
+het toetreden van ons land maken.
+
+Het behoeft echter na het voorgaande nauwelijks te worden gezegd,
+dat er niet de allerminste kans bestaat dat de Verbondsstaten
+eerlang tot eene inkrimping of afschaffing van het vertalingsrecht
+zullen overgaan. Langzaam maar zeker heeft dit recht, dat in de
+internationale betrekkingen van zooveel gewicht is, in het Verbond de
+erkenning gevonden, die het naar recht en billijkheid verdient. Van
+eene kentering der gevoelens op dit punt is niets te bespeuren. Alleen
+de houding van Japan op de Berlijnsche Conferentie zou hieraan kunnen
+doen denken; doch het onthaal, dat het Japansche voorstel aldaar vond,
+bewijst wel dat er aan een teruggang op den afgelegden weg niet valt
+te denken.
+
+Ons land zal dus, wil het niet voor altijd buiten het Verbond
+blijven, op zijn minst de regeling van art. 5 Conventie 1886,
+een vertalingsrecht dus van tien jaar, dienen te aanvaarden. Dat
+toetreding op deze voorwaarde nog mogelijk is, is een gevolg van de
+tegemoetkomende houding, welke door de Verbondslanden op de Berlijnsche
+Conferentie is aangenomen tegenover landen als het onze, die nog geen
+deel uitmaken van het Verbond en die voor de invoering eener volledige
+internationale auteursbescherming nog eenigszins huiverig zijn. Men
+heeft dezen landen--en hierbij had men vooral Rusland en Nederland
+op het oog--het toetreden tot het Verbond gemakkelijk willen maken,
+door hen niet te dwingen terstond alle bepalingen te aanvaarden,
+waartoe nu eerst de landen, die van den aanvang af lid van het
+Verbond zijn geweest, na een tijdperk van geleidelijke ontwikkeling,
+waren gekomen. Ook aan de landen, die zich tot nu toe buiten de
+internationale auteursrechts-regeling hadden gehouden, wilde men de
+gelegenheid geven denzelfden geleidelijken weg te volgen en dezelfde
+ervaringen op te doen, niet twijfelende, of ook zij zouden, wanneer
+eenmaal de eerste stap zou zijn gezet, de noodzakelijkheid inzien om
+in dezelfde richting verder te gaan.
+
+Afgaande op de verklaring, welke door den Nederlandschen gedelegeerde
+Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke op de Berlijnsche Conferentie
+is afgelegd [607], mag men aannemen, dat het in het voornemen
+onzer Regeering ligt, van deze aangeboden gelegenheid om met een
+vertalingsrecht van slechts tien jaar (het oude art. 5 Conventie
+1886) toe te treden, gebruik te maken. Hoogstwaarschijnlijk zal ook
+onze volksvertegenwoordiging, gegeven de sterke oppositie die hier
+nog tegen een vertalingsrecht van eenigszins langen duur bestaat,
+slechts onder die voorwaarde de voor onze toetreding vereischte
+goedkeuring verleenen.
+
+Het behoeft geen verder betoog, dat onze toetreding tot het Verbond in
+dat geval niet meer zal zijn dan een eerste stap op den goeden weg. Wij
+zullen dan nog altijd op het meest belangrijke punt van internationaal
+auteursrecht ongeveer twintig jaar ten achter zijn bij bijna alle
+andere beschaafde staten. Men zou kunnen aanvoeren, dat het niet goed
+is te hard van stapel te loopen en dat het beter is, evenals de andere
+landen vóór ons hebben gedaan, te beginnen met een vertalingsrecht
+van tien jaar bij wijze van overgangsmaatregel. Later--wellicht
+nog vóórdat de eerste tien jaren verstreken zijn--zou men dan tot
+invoering van den langeren termijn kunnen overgaan.
+
+Met eene dergelijke redeneering zou men echter blijk geven van te
+groote voorzichtigheid. Indien men inziet, dat het op den duur toch
+eens zoover zal komen, dat in ons land een vertalingsrecht van even
+langen duur als het overige auteursrecht wordt erkend, dan bestaat
+er geen reden om dit tijdstip nog langer te willen verschuiven. Want,
+ook afgezien van alle overwegingen van principieel-juridischen aard,
+zou een onvoorwaardelijk aanvaarden van het nieuwe artikel 8 Conventie
+1908 verre de voorkeur verdienen boven het zich vastklampen aan de
+oude bepaling der Conventie 1886. Wat toch zou het gevolg zijn van dit
+laatste? Niet alleen, dat de werken uit de andere landen in ons land
+slechts tien jaar tegen vertalingen beschermd zouden zijn, maar ook dat
+voor alle Nederlandsche werken in het geheele Verbond diezelfde korte
+termijn zou gelden. De Nederlandsche werken (d.w.z. de in Nederland
+uitgegeven werken en de onuitgegeven werken van Nederlandsche auteurs)
+zouden dus overal aanmerkelijk minder goed beschermd zijn dan de werken
+uit andere landen. Dit zou waarschijnlijk het, reeds door mij genoemde,
+gevolg hebben, dat Nederlandsche auteurs, die ook in het buitenland
+(en dan natuurlijk alleen in vertaling) gelezen en opgevoerd worden,
+hunne werken niet hier, maar in een ander Verbondsland (b.v. België
+of Duitschland) zouden uitgeven. Des te eerder zouden zij hiertoe
+kunnen overgaan, daar de uitgave in een ander Verbondsland, zooals wij
+hierboven gezien hebben, na onze toetreding tot de Conventie niet meer
+het gevolg zou hebben, dat de bescherming in Nederland zelf ophield.
+
+Er zijn zeer zeker nog andere en sterkere argumenten, die ervoor
+pleiten om bij onze aansluiting terstond art. 8 Conventie 1908
+onvoorwaardelijk te bekrachtigen, doch ik heb op het bovenstaande
+den nadruk willen leggen, omdat een vertalingsrecht van tien jaar
+"om mee te beginnen" waarschijnlijk zal worden aangeprezen juist als
+een maatregel in het belang der uitgevers en drukkers. Men ziet nu,
+dat hij in sommige opzichten juist het tegenovergestelde gevolg zou
+kunnen hebben.
+
+
+
+Het vertalingsrecht van onze wet is nog beperkter dan dat van de
+Conventie 1886. Voor onuitgegeven werken staat het met het overige
+auteursrecht in tijdsduur gelijk (art. 5a jo art. 16, 1o); voor
+uitgegeven werken echter (en deze vormen natuurlijk verreweg de
+belangrijkste categorie) duurt het slechts vijf jaar na de uitgave
+en dan nog onder voorwaarde, dat het op de voorgeschreven wijze zij
+voorbehouden en dat de vertaling binnen drie jaar verschenen zij
+(art. 5b). Deze bepalingen hebben echter, zooals reeds is opgemerkt,
+geene practische beteekenis, daar onze wet alleen toepasselijk is op
+in het Rijk door den druk gemeen gemaakte werken. Zij zouden ook geen
+beletsel zijn voor de toetreding van ons land tot de Conventie. Er
+zijn meer voorbeelden van Verbondslanden, die in hunne binnenlandsche
+wetgeving onder het minimum bleven, dat de Conventie voor het
+vertalingsrecht vaststelt (Duitschland vóór de wet van 19 Juni 1901;
+Denemarken, dat in 1902 tot de Conventie met de Add. Acte toetrad en
+eerst in 1904 zijne wetgeving in overeenstemming hiermede wijzigde;
+Italië met een vertalingsrecht van tien jaar en Zwitserland met een
+"Benützungsfrist" van vijf jaar, hoewel beide staten de Additionneele
+Acte hebben bekrachtigd).
+
+Het vertalingsrecht der Conventie bestaat, zooals hierboven is
+uiteengezet, onafhankelijk van de bijzondere bepalingen der inlandsche
+wetten op dit punt. Deze wetten blijven dus in de gevallen, waar de
+Conventie toepasselijk is, buiten toepassing en behoeven daarom ook
+niet aan zekere, door de Conventie te stellen, eischen te voldoen
+[608]. Ter wille der rechtseenheid is het echter gewenscht, dat de
+inlandsche wet ook op dit punt met de Conventie in overeenstemming
+zij. Daarom kan worden verwacht, dat wanneer Nederland tot het Verbond
+toetreedt, in onze wet dezelfde regeling zal worden overgenomen,
+die krachtens ons lidmaatschap van het Verbond in de internationale
+betrekkingen zullen gelden, dus: óf een vertalingsrecht van tien jaar
+(ongewijzigd art. 5 Conventie 1886); óf een vertalingsrecht van even
+langen duur als het overige auteursrecht, mits binnen tien jaar eene
+geautoriseerde vertaling verschijnt (art. 5 Conventie 1886 gewijzigd
+door Add. Acte 1896); óf eindelijk de volkomen gelijkstelling van het
+vertalingsrecht met het overige auteursrecht (art. 8 Conventie 1908).
+
+
+
+
+II Dagbladen en tijdschriften (Conv. 1908 art. 9; Conv. 1886 art. 7;
+Add. Acte 1896 art. 1, IV)
+
+De omstandigheden, die tot het vaststellen van bijzondere bepalingen
+voor het auteursrecht op in tijdschriften en dagbladen gepubliceerde
+stukken aanleiding geven, doen zich ook in de internationale
+verhoudingen voor. Bijna geen courant kan het zonder aanhalingen en
+ontleeningen uit toonaangevende buitenlandsche bladen stellen. Het
+van elkander overnemen van berichten en artikelen behoort tot de
+internationale persgebruiken, die evenmin als de binnenlandsche bij
+de regeling van het auteursrecht over het hoofd mogen worden gezien.
+
+Hoewel nóch in het ontwerp der Association, nóch in dat van den
+Zwitserschen Bondsraad, eene afzonderlijke bepaling hierover voorkwam,
+werd toch de kwestie op de Conferenties te Bern van 1884 en 1885
+aan de orde gesteld en langdurig besproken. In 1884 zegevierde een
+Duitsch voorstel (art. 9 Ontw. 1884), volgens hetwelk ontleeningen
+aan tijdschriften en dagbladen zouden worden vrijgelaten, behalve
+wat betreft feuilleton-romans en artikelen over eenig onderwerp
+van wetenschap of kunst, terwijl het auteursrecht zou kunnen worden
+voorbehouden van andere opstellen van eenigen omvang (articles de
+quelque étendue), onder welke laatste echter niet zouden worden
+gerekend die over de politiek [609].
+
+In 1885 kwam de Commissie, na verschillende andere oplossingen
+verworpen te hebben, met een nieuw voorstel, dat behoudens eene kleine
+redactie-wijziging, het volgend jaar onveranderd in de Conventie
+is opgenomen.
+
+Het artikel (art. 7 Conventie 1886) strekt de vrijheid, om uit
+dagbladen en tijdschriften over te nemen, uit tot bijdragen van
+elken aard, tenzij de auteur of uitgever dit uitdrukkelijk heeft
+verboden. Doch voor twee categorieën, nl. nieuwtjes (nouvelles du jour)
+en gemengde berichten (faits divers) is zelfs het stellen van een
+verbod uitgesloten; deze kunnen dus in elk geval zonder toestemming
+van auteur of uitgever worden overgenomen.
+
+Deze bepalingen vonden al dadelijk van verschillende zijden afkeuring;
+het gevolg was, dat op de Conferentie van Parijs niet minder dan vijf
+verschillende wijzigingsvoorstellen werden ingediend, resp. afkomstig
+van: Frankrijk, Duitschland, België, Noorwegen en Monaco [610]. De
+Commissie kwam na lange beraadslaging ten slotte tot eene redactie,
+waarin zooveel mogelijk met de verschillende wenschen was rekening
+gehouden, doch waarbij zich België en Italië slechts noodgedrongen
+neerlegden [611].
+
+Het gewijzigde artikel 7 onderscheidt drie categorieën pers-bijdragen:
+
+a) feuilleton-romans en novellen, die onvoorwaardelijk beschermd zijn;
+
+b) andere artikelen in dagbladen of tijdschriften, die niet mogen
+worden overgenomen, mits auteur of uitgever uitdrukkelijk verklaren,
+dat zij den nadruk (waaronder natuurlijk ook te verstaan is overnemen
+in eene andere taal) verbieden. Ontbreekt deze verklaring, dan mag het
+artikel worden overgenomen, doch slechts met vermelding van de bron;
+
+c) artikelen over de politiek, nieuwtjes en gemengde berichten,
+waarvan het auteursrecht niet kan worden voorbehouden.
+
+Op de Conferentie van Berlijn heerschte weer evenveel verdeeldheid
+over dit vraagstuk als op de vorige Conferentiën. Er waren wederom
+verschillende wijzigings voorstellen, nl. van: Duitschland,
+België, Engeland en Italië [612]. Ook duurde het lang, voordat
+men in den boezem der Commissie, die dit alles te verwerken had,
+tot eenstemmigheid was gekomen [613]. Het resultaat was in 't kort
+het volgende.
+
+In het nieuwe artikel (art. 9 Conventie 1908) wordt als algemeene
+regel vooropgesteld, dat de inhoud van dagbladen en tijdschriften
+("feuilleton-romans, novellen en alle andere, hetzij letterkundige,
+wetenschappelijke of kunstwerken, onverschillig wat het onderwerp ervan
+is") niet zonder toestemming der auteurs gereproduceerd mag worden.
+
+Het staat echter aan een dagblad vrij, uit een ander dagblad (van
+tijdschriften wordt dus niet meer gesproken) die artikelen (geen
+feuilleton-romans en novellen) over te nemen, waarvan de reproductie
+niet uitdrukkelijk is verboden. De bron moet daarbij worden genoemd.
+
+Verder bepaalt het artikel, dat de Conventie niet toepasselijk is
+op nieuwtjes of gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige
+persinformaties dragen.
+
+
+
+De beteekenis der wijzigingen, die de Conventie in deze materie
+achtereenvolgens heeft ondergaan, zal duidelijker worden, indien men
+de verschillende vragen, waarop een antwoord moest worden gevonden,
+een oogenblik afzonderlijk beschouwt.
+
+Wat in het algemeen de strekking is van bijzondere bepalingen op
+het auteursrecht der journalisten behoeft geen lange uiteenzetting:
+het is het waarborgen eener zekere vrijheid in het van elkander
+overnemen van artikelen en berichten; dus het geoorloofd verklaren
+van handelingen, die anders volgens den algemeenen regel inbreuk op
+het auteursrecht zouden uitmaken. Er zijn dus vragen van tweeërlei
+aard te beantwoorden. In de eerste plaats: voor welke soorten van
+werken en bijdragen behoort deze vrijheid verleend te worden?--en ten
+tweede: waarin bestaat deze vrijheid; hoever moet zij in elk geval
+worden uitgestrekt?
+
+Ten aanzien der eerste vraag kan al dadelijk worden opgemerkt, dat
+de inhoud van een dagblad gedeeltelijk gevormd wordt door berichten
+en mededeelingen, die geen auteurs-scheppingen zijn en waarvan dus de
+reproductie nooit een inbreuk op het auteursrecht kan uitmaken. Deze
+werken zouden dus in eene regeling, die alleen het auteursrecht
+betreft, geheel buiten beschouwing kunnen blijven. Zeer juist is, wat
+hierover op de Parijsche Conferentie de gedelegeerde de Borchgrave in
+het midden bracht: "Le régime spécial adopté pour les nouvelles du jour
+et les faits divers pourrait échapper à toute critique sérieuse. On
+ne conçoit pas de droit d'auteur là où il n'y a ni oeuvre littéraire,
+ni création de l'esprit dans le sens élevé du mot. Si donc il y a lieu
+de protéger les informations et les faits divers contre les emprunts
+peu scrupuleux de certains journaux, c'est dans une loi spéciale, et
+non pas dans une loi relative au droit d'auteur, qu'il faut réaliser
+cette protection. Elle échappe à l'objet propre de notre matière"
+[614].
+
+Deze zienswijze is pas in de Conventie 1908 duidelijk tot uitdrukking
+gekomen. Het laatste lid van art. 9 bepaalt, dat "de bescherming der
+Conventie" niet van toepassing is op nieuwtjes en gemengde berichten,
+die het karakter van eenvoudige pers-informaties dragen. Er is op de
+Conferentie van Berlijn nog sprake van geweest, eene bepaling op te
+nemen tegen het overnemen van telegraphische berichten uit dagbladen
+[615]. Doch men heeft ingezien, dat men daarmede buiten het gebied van
+het auteursrecht zou treden. Daarom is ook de bovengenoemde redactie
+gekozen van art. 9 laatste lid, waarin duidelijk staat uitgedrukt, dat
+de Conventie zich met de bedoelde berichten in het geheel niet inlaat
+en zich over het al of niet rechtmatige van het overnemen ervan niet
+uitspreekt [616]. Dit is juister dan hetgeen de Conventie 1886 en de
+Add. Acte 1896 op dit punt bepaalden, dat nl. op de bedoelde berichten
+(en ook op politieke artikelen, waarover straks) het verbod van nadruk,
+dat de auteur of uitgever krachtens de voorafgaande bepaling kon
+stellen, niet toepasselijk was (art. 7 laatste lid). Hieruit zou de
+verkeerde gevolgtrekking kunnen worden gemaakt, dat het krachtens de
+Conventie in alle gevallen vrijstond, berichten uit dagbladen zonder
+toestemming van schrijver of uitgever over te nemen, ook indien daarin
+b.v. een daad van deloyale concurrentie was te zien. In hoofdzaak
+echter komen de bepalingen van art. 7 laatste lid Conventie 1886 en
+Add. Acte en van art. 9 laatste lid Conventie 1908 op hetzelfde neer
+hierin nl. dat er van auteursrecht op de bedoelde berichten in geen
+geval sprake kan zijn. Om die reden kunnen zij ook verder buiten
+beschouwing blijven.
+
+Wij staan dus nu nog voor de vraag, welke de producten van
+journalistieken arbeid zijn, waarvoor afzonderlijke bepalingen
+noodig zijn.
+
+Er valt in de eerste plaats te wijzen op een belangrijk verschilpunt
+tusschen de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 eenerzijds en
+de Conventie 1908 anderzijds. Volgens de oude regeling worden in
+het algemeen als journalistiek werk beschouwd de stukken, die in
+tijdschriften en dagbladen zijn verschenen, terwijl de Conventie
+1908 uitsluitend daartoe rekent wat in dagbladen is verschenen. Ten
+aanzien der tijdschriften meende men op de Conferentie van Berlijn,
+dat voor bijzondere bepalingen geen grond bestond; eene opvatting,
+waarmede het niet moeilijk valt zich te vereenigen, indien men zich
+rekenschap geeft van de redenen, die eene afzonderlijke behandeling
+der journalistieke producten in het auteursrecht noodig maken. Van een
+publicist in een tijdschrift kan niet, zooals van een dagbladschrijver,
+het verlangen worden verondersteld, om zooveel mogelijk in andere
+bladen gereproduceerd te worden. Aan den anderen kant bestaat ook
+voor een tijdschrift niet de noodzakelijkheid, die de directie van
+een dagblad, die hare lezers volledig wil inlichten, wél zal gevoelen,
+om stukken uit andere bladen over te nemen.
+
+De kring der journalistieke werken werd dus door deze nieuwe bepaling
+der Conventie 1908 reeds vrij aanmerkelijk vernauwd.
+
+Gaan wij thans de verschillende soorten pers-bijdragen afzonderlijk
+na, waarbij in verband met het voorgaande in het oog dient te worden
+gehouden, dat de nieuwsberichten, die geen auteursproducten zijn,
+geheel buiten beschouwing blijven en dat de bepalingen der Conventie
+1886 en der Add. Acte op stukken in tijdschriften en dagbladen,
+die der Conventie 1908 alleen op die in dagbladen slaan.
+
+Wij hebben dan te onderscheiden:
+
+1) feuilleton-romans en novellen,
+
+2) artikelen over de politiek,
+
+3) alle andere artikelen.
+
+De eerste categorie wordt in het oude art. 7 Conventie 1886
+niet genoemd; doch daar deze geschriften eigenlijk niet tot de
+journalistieke bijdragen gerekend kunnen worden [617], wordt veelal
+aangenomen, dat zij niet onder de bepalingen van het artikel vielen en
+dat dus ook vóór de herziening van Parijs de romans en novellen geen
+voorbehoud behoefden om niet te worden nagedrukt. Zonder twijfel is dit
+ook te Bern de bedoeling geweest van degenen, die het artikel hebben
+geredigeerd; hetgeen ook hieruit zou zijn af te leiden, dat eene op
+de Conferentie van 1886 door de Fransche gedelegeerden voorgestelde,
+doch later weer ingetrokken "Verklaring", waarin deze interpretatie
+uitdrukkelijk was uitgesproken, door degenen die er het woord over
+voerden voor overbodig werd gehouden, daar zij geen wijziging, maar
+slechts eene uitlegging der bepaling bracht [618].
+
+Intusschen heeft men het te Parijs noodig geacht eene uitdrukkelijke
+bepaling in den genoemden zin op te nemen, hoewel men ook daar van
+oordeel was, dat hiermede slechts eene verduidelijking, en geene
+wijziging van het oude artikel tot stand werd gebracht; "... il n'y
+a pas vraiment innovation; la disposition est seulement explicative",
+merkte Renault dienaangaande in het Commissie-rapport op [619].
+
+Ook de Conventie 1908 houdt de uitdrukkelijke bepaling in, dat
+feuilleton-romans en novellen niet tot de dagblad-artikelen behooren,
+waarvan het overnemen onder bepaalde voorwaarden vrij is gelaten
+(art. 9 lid 2).
+
+Wat onder romans en novellen moet worden verstaan, zal in de meeste
+gevallen wel zonder moeite zijn uit te maken. In het Commissie-rapport
+van 1896 worden de novellen ("nouvelles") omschreven als: "de petits
+romans, de petits contes, des oeuvres de fantasie concentrées souvent
+dans un seul article de journal ou de revue" [620]. De Engelsche
+vertaling is "works of fiction" en de Duitsche "Novellen". Hier
+is dus ook ons woord "novellen" op zijne plaats. De rapporteur van
+1908 verklaart, met aanhaling van de in 1896 gegeven omschrijving,
+dat de Commissie nog dezelfde zienswijze heeft. Ook worden daar
+als tot deze soort werken behoorende genoemd: "de petits dialogues,
+de petits récits historiques, etc." [621].
+
+
+
+Onder artikelen over de politiek (articles de discussion politique),
+die afzonderlijk worden genoemd in art. 7 laatste lid Conventie 1886
+en Add. Acte 1896, heeft men alleen die geschriften te verstaan,
+welke de politiek van den dag betreffen; niet bijvoorbeeld opstellen
+over staatkundige of sociaal-economische vraagstukken. In dezen zin
+heeft men zich op de Conferentie van Bern van 1885 in overeenstemming
+met een wensch der Duitsche delegatie uitdrukkelijk uitgesproken [622].
+
+Deze artikelen werden op ééne lijn gesteld met de nieuwtjes en
+gemengde berichten, d. w. z. het overnemen werd in alle gevallen,
+ook indien schrijver of uitgever het uitdrukkelijk verboden had,
+vrijgelaten. Het motief hiervoor was ongetwijfeld dit, dat juist ten
+aanzien van artikelen over de politiek het overnemen uit buitenlandsche
+bladen veelvuldig geschiedt en dikwijls zelfs onvermijdelijk is. Op
+de Conferentie van Berlijn heeft men echter ingezien, dat het niet
+aangaat, geschriften, die overigens aan alle eischen die men aan een
+auteursproduct kan stellen, voldoen, om die reden onvoorwaardelijk
+van alle bescherming uit te sluiten. Daarom heeft de Conventie 1908
+de onderscheiding tusschen de politieke en niet-politieke artikelen
+laten vallen.
+
+
+
+De, hierboven in de derde plaats genoemde, "alle andere artikelen",
+waarvoor de bijzondere journalistieke bepalingen gelden, zijn
+dus volgens de Conventie 1886 en de Add. Acte 1896: alle stukken
+in tijdschriften en dagbladen, uitgezonderd: nieuwtjes en gemengde
+berichten, feuilleton-romans en novellen en artikelen over de politiek,
+en volgens de Conventie 1908: alle stukken in dagbladen, uitgezonderd:
+"nieuwtjes en gemengde berichten, die het karakter van eenvoudige
+pers-informaties dragen", feuilleton-romans en novellen.
+
+Door de Belgische delegatie was op de Conferentie van Berlijn nog
+voorgesteld ook op de in dagbladen geplaatste teekeningen de bepalingen
+voor de dagblad-artikelen toepasselijk te verklaren; doch dit voorstel,
+dat alleen van den kant van Zweden ondersteund werd, werd later weer
+ingetrokken [623].
+
+
+
+Wij komen nu tot de tweede vraag, nl.: waarin bestaat de vrijheid,
+die voor de genoemde werken wordt verleend?
+
+In het algemeen kan hierop het antwoord zijn, dat het overnemen
+van deze artikelen vrijstaat, tenzij schrijver of uitgever dit
+uitdrukkelijk heeft verboden. Het beginsel is dus (en hierin
+stemmen de regelingen van 1886, 1896 en 1908 met elkander overeen),
+dat het auteursrecht wordt erkend, doch dat de toestemming van den
+rechthebbende om het stuk over te nemen wordt verondersteld gegeven
+te zijn, tenzij deze uitdrukkelijk het tegendeel te kennen geeft door
+het stellen van een verbod.
+
+Er valt hierbij echter nog op enkele punten de aandacht te vestigen,
+ten aanzien waarvan de herzieningen van Parijs en Berlijn wijzigingen
+of verduidelijkingen hebben gebracht.
+
+In de eerste plaats betreft dit de vraag, wat verstaan moet
+worden onder het overnemen of "reproduceeren" van een artikel
+in dit verband. Het behoeft geen betoog, dat daaronder ook valt
+het reproduceeren in een anderen vorm of eene andere taal; de
+uitdrukkelijke vermelding hiervan, wat het vertalen betreft, in de
+Conventie 1886 en de Add. Acte 1896 kan overbodig worden geacht, daar
+er geen grond bestaat om in dit opzicht van de gewone regelen van het
+auteursrecht af te wijken. De vraag is echter deze, of de vrijheid van
+reproductie, indien het stuk zonder voorbehoud verschijnt, geldt voor
+iedereen, dan wel alleen voor andere dagbladen of tijdschriften. De
+Conventie 1908 is op dit punt duidelijk en beslist: het overnemen is
+alleen toegestaan aan andere dagbladen (art 9 lid 2). De oude bepaling
+(Conventie 1886 art. 7 lid 1 en Add. Acte 1896 art. 1, IV lid 1)
+liet het overnemen toe "in de andere Verbondslanden"; vrij algemeen
+wordt echter aangenomen, dat dit ook alleen slaat op het overnemen in
+andere dagbladen of tijdschriften, en dat dus het artikel in geen geval
+toestaat, de overgenomen stukken ook in boekvorm te publiceeren. Zoowel
+op de Berner Conferentie van 1885 als op de Parijzer Conferentie
+van 1896 was men het over deze uitlegging der bepaling eens [624],
+en op grond hiervan kon van de redactie-wijziging, die in Berlijn
+werd aangebracht, in het Commissie-rapport worden gezegd: "C'est une
+précision, et non une innovation" [625].
+
+Eene andere vraag, die nog even besproken dient te worden, is die
+betreffende het vermelden van de bron. De verplichting hiertoe werd
+voor het eerst bij de herziening van Parijs in 1896 in de Conventie
+opgenomen; men kwam daarbij overeen, dat niet alleen de naam van
+het blad, waaruit het stuk is overgenomen, maar ook de naam van
+den auteur, indien het stuk onderteekend was, moet worden vermeld
+[626]. Volgens deze bepaling der Add. Acte was het echter niet geheel
+duidelijk, welke de rechtsgevolgen waren van de overtreding van het
+voorschrift. Het recht, dat daardoor wordt geschonden, is volgens
+de theorie, die ik in de voorgaande hoofdstukken heb ontwikkeld,
+geen auteursrecht maar persoonlijkheidsrecht. Strikt genomen kwam
+de Conventie daarom met deze bepaling buiten de grenzen, die zij
+zich gesteld heeft. In art. 1 wordt immers alleen gesproken van
+"de bescherming van het auteursrecht op werken van letterkunde
+en kunst"; daaronder behoort niet het recht op eerbiediging van
+den auteursnaam. Nu echter de Conventie bepaalt, dat het overnemen
+van stukken, die zonder voorbehoud verschenen zijn, is toegestaan,
+"mits de bron wordt genoemd", kan men aannemen dat het overnemen van
+dergelijke stukken zonder aan de gestelde voorwaarde te voldoen, als
+inbreuk op het auteursrecht moet worden aangemerkt. Uit doctrinair
+oogpunt blijft dan alleen tegen de bepaling de bedenking te maken,
+dat zij auteursrecht en persoonlijkheidsrecht niet goed onderscheidt.
+
+Op de Berlijnsche Conferentie is deze fout hersteld. Het voorschrift
+betreffende bron-vermelding is gebleven; doch er staat nu uitdrukkelijk
+bij, dat de sanctie op het niet nakomen dezer verplichting bepaald
+wordt door de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen
+(Conventie 1908 art. 9 lid 2).
+
+De bepalingen van onze wet in deze materie komen met geen der besproken
+regelingen der Conventie geheel overeen; het verschil is nog het
+minst met die van het oorspronkelijke art. 7 Conventie 1886. Het
+volgend staatje diene om de vergelijking gemakkelijk te maken.
+
+
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+ |Van alle bescherming |Voorwaardelijk beschermd |Onvoorwaardelijk
+ |uitgesloten: |d. w. z. mits door uitgever |beschermd:
+ | |of schrijver een verbod van |
+ | |nadruk is gesteld: |
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+Conventie |artikelen over de |dagblad- en |(feuilleton-romans
+1886 |politiek, nieuwtjes en |tijdschriftartikelen |en novellen)[627]
+art. 7 |gemengde berichten. | |
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+Add. Acte | id. |id. behalve feuilleton- |feuilleton-romans
+1896 | |romans en novellen. |en novellen.
+art. 1, IV| |De bron moet worden genoemd.|
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+Conventie |nieuwtjes en gemengde |dagblad-artikelen, behalve | id.
+1908 |berichten, die het |feuilleton-romans en |benevens alle
+art. 9 |karakter van eenvoudige|novellen. |artikelen in
+ |pers-informatie dragen.|De bron moet worden genoemd.|tijdschriften.
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+W. A. R. | [628] |berichten en opstellen uit |
+art. 7 | |dag- en weekbladen. |
+lid 2 | |De bron moet worden genoemd.|
+----------+-----------------------+----------------------------+------------------
+
+
+De verschilpunten zijn, zooals men ziet, nogal belangrijk, vooral met
+den nieuwen tekst der Conventie. Dit zou echter bij de toetreding
+van ons land geen practische bezwaren meebrengen, tenminste indien
+in onze wet het stelsel van art. 27 behouden blijft. Wij hebben hier
+uit den aard der zaak uitsluitend met door den druk gemeen gemaakte
+werken te doen, waarop onze wet alleen toepasselijk is, indien dit
+"door den druk gemeen maken" in Nederland of Nederlandsch-Indië is
+geschied. De besproken bepalingen der Conventie daarentegen zijn,
+in overeenstemming met de regeling van art. 4 Conventie 1908, alleen
+toepasselijk op het overnemen van stukken uit dagbladen, die in andere
+Verbondslanden verschijnen. De zaak zou dus voor den Nederlandschen
+rechter vrij eenvoudig zijn: overnemingen uit een buitenlandsch
+(d. w. z. in een der Verbondslanden verschijnend) blad zouden te
+beoordeelen zijn naar de bepalingen der Conventie; die uit een hier
+te lande (of in Ned.-Indië) verschijnend blad naar art. 7 tweede
+lid van onze wet. Eene vergelijking tusschen de twee bepalingen zou
+hierbij derhalve niet te pas komen. De vraag, tot welke nationaliteit
+de auteur behoort, zou geheel buiten beschouwing kunnen blijven,
+daar zoowel volgens de Conventie als volgens onze wet uitsluitend de
+plaats van het door den druk gemeen maken (in dit geval dus: de plaats
+waar het blad verschijnt) over de al of niet toepasselijkheid beslist.
+
+Tot nu toe heb ik steeds den stelregel bepleit, dat bij onze
+toetreding tot het Verbond ons inlandsch recht zooveel mogelijk in
+overeenstemming worde gebracht met dat der Conventie, ook waar dit
+niet strikt geboden is. In verband met het voorgaande meen ik echter,
+dat ten aanzien van het journalistieke auteursrecht zonder bezwaar van
+dien regel kan worden afgeweken. Indien de regeling der Conventie niet
+volkomen strookt met de toestanden en gebruiken van de Nederlandsche
+pers--eene vraag waarop ik hier niet verder wil ingaan--dan bestaat
+er m. i. niet de minste reden om die regeling, welke natuurlijk ten
+aanzien der internationale persverhoudingen moet worden aanvaard,
+ook nog in onze wet onveranderd over te nemen. Het recht dient zich
+aan de bestaande verhoudingen en toestanden aan te passen, en deze
+verhoudingen en toestanden zijn allicht niet dezelfde tusschen de
+Nederlandsche persorganen onderling dan tusschen de Nederlandsche en
+de buitenlandsche. Verschilpunten tusschen onze wet en de Conventie
+behoeven--zooals wij gezien hebben--geen aanleiding te geven tot
+verwarring. Wél zou daarvoor eenig gevaar kunnen ontstaan, indien bij
+eene herziening van onze wet ook in het stelsel van art. 27 wijziging
+werd gebracht; indien b.v. de wet toepasselijk werd verklaard op
+alle werken van Nederlanders, ook die welke in het buitenland in
+druk uitkomen. In dat geval zou b.v. een Nederlander, die in een
+Fransch blad een artikel plaatst, hier te lande zoowel krachtens
+de Conventie als krachtens de Nederlandsche wet beschermd zijn, en
+de rechter zou tusschen het Nederlandsche recht en de Conventie eene
+vergelijking moeten maken, om de voor den auteur gunstigste bepalingen
+te kunnen toepassen. Doch deze moeilijkheden zouden gemakkelijk
+zijn te voorkomen, door de bijzondere bepalingen voor dagbladen en
+tijdschriften in de wet uitsluitend toepasselijk te verklaren op het
+overnemen van stukken uit de binnen het Rijk verschijnende bladen.
+
+Bestaat er dus op dit punt geen reden om in ons inlandsch recht de
+Conventie geheel na te volgen, wél is het gewenscht, dat bij onze
+aansluiting tot het Verbond art. 9 Conventie 1908 onvoorwaardelijk
+worde aanvaard. In de eerste plaats kan hiervoor worden aangevoerd,
+dat de bepaling in alle opzichten beter is dan die der Conventie
+1886 en der Add. Acte 1896. De vrijheid, die deze laatste bepalingen
+laten, om artikelen over de politiek over te nemen zelfs tegen
+den uitdrukkelijken wil van den schrijver of uitgever, is met de
+beginselen van het auteursrecht moeilijk te rijmen. Ook op het stuk
+van feuilletons, nieuwsberichten, verplichte bron vermelding, is de
+Conventie 1908 juister en duidelijker dan die van 1886 en 1896.
+
+Doch behalve wegens deze innerlijke eigenschappen verdient
+het nieuwe art. 9 ook boven het oude art. 7 de voorkeur, omdat
+hoogstwaarschijnlijk alle staten, die nu deel uitmaken van het Verbond,
+het onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen.
+
+Men kan dus verwachten, dat wanneer de Conventie 1908 in werking zal
+zijn getreden, er op dit punt eenheid zal heerschen in het geheele
+Verbond en m. i. mogen alleen zeer gewichtige redenen een nieuw
+toetredenden staat doen besluiten, deze eenheid te verstoren. Dat
+dergelijke redenen voor ons land zouden bestaan, zal niemand willen
+beweren.
+
+Ten slotte nog eene opmerking naar aanleiding van de nieuwe bepaling,
+volgens welke de sanctie op het niet nakomen der verplichting, de
+bron te vermelden, bepaald moet worden door de wet van het land, waar
+de bescherming wordt ingeroepen (Conventie 1908 art. 9 lid 3). Eene
+bepaling als de hier bedoelde ontbreekt in onze wet. Er staat daar
+(art. 7 lid 2) alleen, dat het verder door den druk gemeen maken van
+berichten enz. vrijstaat "mits de bron genoemd worde", doch de wet laat
+zich niet uit over de gevolgen van de overtreding van dit verbod. Het
+ware wellicht wenschelijk om--zooals ik reeds eerder (p. 295) betoogd
+heb--op dit punt de Duitsche wet tot voorbeeld te nemen, die het niet
+noemen van de bron, waar dit vereischt wordt, tot een strafbaar feit
+(eene overtreding met maximum boete van 150 Mark) verklaart.
+
+
+
+
+III Bloemlezingen (Conv. 1908 art. 10; Conv. 1886 art. 8)
+
+Op de Berner Conferentie van 1884 was op voorstel van Duitschland
+een artikel aangenomen (art. 8), dat een aantal gevallen opsomde,
+waarin geheele of gedeeltelijke reproductie was toegelaten in het
+belang van onderwijs en wetenschap. Dit artikel vond echter het volgend
+jaar van verschillende zijde bestrijding [629] en werd tenslotte in de
+Commissie met zeven tegen vijf stemmen verworpen [630]. Toen de poging,
+om op dit punt eene eenvormige regeling voor het geheele Verbond tot
+stand te brengen, hiermede was mislukt, stelde de Commissie van 1885
+in de plaats van het afgestemde artikel de volgende bepaling voor,
+die werd aangenomen en sindsdien ongewijzigd is blijven bestaan
+(art. 8 C. 1886, art. 10 C. 1908):
+
+
+ Ten opzichte van het geoorloofde overnemen uit letter- of
+ kunstwerken in voor het onderwijs bestemde of een wetenschappelijk
+ karakter dragende uitgaven of in bloemlezingen, blijven de
+ bepalingen van de wetgeving der Verbondslanden en van de tusschen
+ dezen bestaande of nog te sluiten bijzondere overeenkomsten
+ gehandhaafd.
+
+
+Deze bepaling was noodig, omdat als algemeene regel slechts die
+bepalingen van wetten en tractaten hare kracht behouden, welke meer
+bescherming geven dan de Conventie (art. 15 en Add. Artikel Conventie
+1886; artt. 19 en 20 Conventie 1908); op dien regel vormt de bepaling
+nu eene uitzondering. De strekking ervan is dus, om aan wetten en
+bijzondere tractaten volledige vrijheid te laten op dit punt, zoodat
+ook die bepalingen, welke het auteursrecht beperken of aan voorwaarden
+verbinden, door de Conventie niet buiten werking worden gesteld.
+
+
+
+Onze wet heeft op dit punt geene speciale bepalingen; alleen wordt
+in artikel 7 eerste lid het opnemen van aanhalingen "ter aankondiging
+of beoordeeling" uit andere werken vrijgelaten. Dit is dus feitelijk
+iets anders dan waarop artikel 10 der Conventie betrekking heeft. Bij
+de bespreking van de bepaling te Bern werd echter ook de vrijheid van
+citeeren ter sprake gebracht. Door de gedelegeerden van alle landen
+werd de verklaring afgelegd, dat deze vrijheid door hunne wetgeving
+binnen zekere grenzen wordt erkend [631]. Aan deze verklaringen werd in
+het rapport van 1908 nog eens nadrukkelijk herinnerd [632]. Het mag dus
+als vaststaande worden aangenomen, dat deze vrijheid door de Conventie
+in geenen deele wordt beperkt en dat de desbetreffende bepalingen
+der landswetten ook tegenover werken uit andere Verbondslanden van
+kracht blijven.
+
+Daar onze wet voor bloemlezingen en school-uitgaven (het eigenlijke
+onderwerp van art. 10 Conventie) geen afzonderlijke bepalingen heeft,
+gelden voor deze werken de gewone regels, die dus na onze toetreding
+tot de Conventie ook zouden moeten worden toegepast, indien uit werken
+van andere Verbondslanden stukken waren overgenomen.
+
+Tegenover werken van Fransche auteurs zou moeten worden toegepast
+artikel 2 van de Additioneele Overeenkomst van 27 April 1860 tusschen
+Frankrijk en Nederland, waarvan de tekst luidt:
+
+
+ De uitgave in het Koninkrijk der Nederlanden van chrestomathieën,
+ samengesteld uit fragmenten of uittreksels van Fransche schrijvers,
+ zal veroorloofd zijn, mits die verzamelingen inzonderheid bestemd
+ zijn voor het onderwijs, en uitlegkundige aanteekeningen of
+ vertalingen in de Nederlandsche taal bevatten.
+
+
+Daar verzamelingen als de hier bedoelde in ons land zeer talrijk zijn
+[633], en voor het onderwijs niet alleen van het Fransch, maar ook
+b.v. van Duitsch en Engelsch vrijwel onmisbaar kunnen worden geacht,
+zou het wellicht met het oog op eene toekomstige toetreding van ons
+land tot de Berner Conventie aanbeveling verdienen, van de vrijheid die
+artikel 10 der Conventie op dit punt aan de wetten en afzonderlijke
+tractaten laat, een ruimer gebruik te maken, dan volgens de thans
+bestaande bepalingen zou geschieden. Door b.v. eene bepaling, in den
+zin van de bovengenoemde uit ons tractaat met Frankrijk, in onze wet
+op te nemen, zouden wij volkomen binnen de grenzen blijven, welke
+art. 10 der Conventie stelt. Deze bepaling zou dus toepasselijk zijn
+op alle bloemlezingen, die in Nederland zouden worden verspreid,
+waarin werken van auteurs uit andere Verbondslanden zouden zijn
+opgenomen. Het behoeft geen betoog dat, zoolang art. 10 der Conventie
+zijne tegenwoordige gedaante blijft behouden, eene oplossing langs
+dezen weg (nl. door eene bepaling in de binnenlandsche wet op te nemen,
+die voor alle Verbondsauteurs zou gelden) gemakkelijker en eenvoudiger
+is, dan door met elken staat hierover een afzonderlijke overeenkomst
+te sluiten.
+
+Onze wetgever heeft het dus in zijne macht, de vrijheid die hier
+nu bestaat, om van de werken van buitenlandsche schrijvers voor
+schoolboeken gebruik te maken, ook na onze toetreding tot de Conventie,
+althans binnen redelijke perken, te bestendigen. Dit is wel eens door
+tegenstanders van onze aansluiting betwijfeld. In Het Vaderland van
+17 December 1898 werd hierover b.v. opgemerkt: "Bij toetreding tot
+de Berner-Conventie--wij herhalen het--zal het mogelijk zijn het
+bewerken van dergelijke schoolboeken" (boeken nl. waarin stukken
+van buitenlandsche auteurs zijn opgenomen) "te weren. Dit schijnt de
+bedoeling der voorstanders. Wij weten wel, dat de Conventie zegt":
+(volgt de tekst van het artikel). "Maar 't spreekt van zelf, dat het
+geheel van de interpretatie van de uitdrukking "op geoorloofde wijze"
+en van "te sluiten overeenkomsten" afhangt, hoever de hier welwillend
+verleende bevoegdheid gaat. Wee den dwerg, die te contracteeren heeft
+met den reus!" [634]
+
+Van een contract, en nog wel een dat gesloten wordt tusschen een dwerg
+en een reus, behoeft hier, zooals uit mijne uiteenzetting volgt, in
+'t geheel geen sprake te zijn. Het is voldoende, eene bepaling in de
+wet op te nemen, en uitsluitend naar die bepaling zal de Nederlandsche
+rechter hebben te beslissen, wat al of niet geoorloofd is. Natuurlijk
+moet de wet blijven binnen de grenzen die door art. 10 der Conventie
+worden gesteld (eene bepaling b.v. die het overnemen van geschriften
+in alle mogelijke verzamelingen vrij liet, zou tegenover auteurs van
+andere Verbondslanden niet mogen worden toegepast); doch deze grenzen
+zijn ruim genoeg. De wetgevingen van bijna alle Verbondslanden bevatten
+bepalingen in den bedoelden zin, waarvan sommige zelfs de vrijheid
+van ontleeningen nog verder uitstrekken dan de bovengenoemde bepaling
+van ons tractaat met Frankrijk. In dit opzicht kunnen dus de uitgevers
+gerust zijn.
+
+
+
+
+IV Op- en uitvoeringsrecht (Conv. 1908 art. 11; Conv. 1886 art. 9)
+
+Evenals voor het vertalingsrecht, heeft men het ook voor op- en
+uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken noodig geacht, eene
+afzonderlijke bepaling in de Conventie op te nemen. In de Conventie
+1886 was het artikel 9, dat deze regeling inhield, welk artikel
+reeds in 1884 uit een voorstel der Duitsche delegatie was tot stand
+gekomen en tot 1908 toe ongewijzigd is gebleven. In laatstgenoemd jaar
+werden deze bepalingen, na eenige veranderingen te hebben ondergaan,
+in art. 11 van de nieuwe Conventie overgebracht.
+
+Het oude artikel (art. 9 Conventie 1886) maakt onderscheid tusschen
+het opvoeringsrecht van tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken
+en het uitvoeringsrecht van muziekstukken. Op beide rechten werden
+de bepalingen van art. 2 der Conventie 1886 toepasselijk verklaard;
+het uitvoeringsrecht van muziekwerken moest echter, indien zij in druk
+waren uitgekomen, door den auteur uitdrukkelijk zijn voorbehouden,
+eene voorwaarde die voor de tooneel- en dramatisch-muzikale werken
+niet gold.
+
+Deze beperking van het uitsluitend uitvoeringsrecht van muziekwerken
+was met het oog op sommige wetgevingen, in het bijzonder die van
+Engeland en Duitschland, in de Conventie opgenomen en in Parijs,
+ondanks de pogingen van Frankrijk, dat daarbij door België werd
+ondersteund [635], niet weggenomen. De Parijsche Conferentie bracht het
+niet verder dan tot het uitspreken van den wensch: "dat de wetgevingen
+der Verbondslanden de grenzen zullen vaststellen binnen welke de
+volgende Conferentie het beginsel zou kunnen aanvaarden, dat uitgegeven
+werken der toonkunst beschermd moeten zijn tegen ongeoorloofde
+uitvoering, zonder dat de auteur gedwongen zij tot het stellen van
+een voorbehoud" [636]. Met die door de wetgevingen der Verbondslanden
+vast te stellen grenzen had men voornamelijk eene regeling op het oog
+van die gevallen, waarin een onvoorwaardelijk verbod van uitvoering
+zonder toestemming des auteurs niet algemeen gewenscht schijnt,
+zooals b.v. bij volksfeesten, weldadigheidsconcerten, uitvoeringen
+door dilettanten, en dergelijke.
+
+Op de Conferentie van Berlijn heeft men de bepaling overeenkomstig
+den in Parijs uitgesproken wensch kunnen wijzigen. Alleen door Zweden
+en Zwitserland werd hiertegen aanvankelijk eenig bezwaar gemaakt,
+dat echter om de eenheid niet te verstoren, werd opgegeven [637]. De
+wijziging was voorgesteld door Duitschland, dat vroeger zich tegen
+een uitvoeringsrecht zonder voorbehoud had verzet, doch dat inmiddels
+in zijne wetgeving eenige beperkingen als de bovenbedoelde had kunnen
+opnemen (wet v. 19 Juni 1901 art. 27) waardoor de vroegere bezwaren
+hun grond hadden verloren.
+
+Artikel 11 Conventie 1908 stelt dus het uitvoeringsrecht van
+muziekwerken op ééne lijn met het opvoeringsrecht van tooneelstukken
+en dramatisch-muzikale werken. Op dit ééne punt wijkt het van de
+oude bepaling der Conventie 1886 af. Wél zijn in Berlijn nog enkele
+andere wijzigingen aangebracht, doch deze zijn van weinig beteekenis,
+zooals hieronder zal blijken.
+
+In hoeverre is nu de bescherming tegen ongeoorloofde op- en uitvoering
+door de bepaling der Conventie verzekerd? Bij de beantwooding dezer
+vraag stuiten wij al dadelijk op een van de bedoelde verschilpunten
+van ondergeschikten aard tusschen de Conventie 1886 en die van
+1908. Volgens art. 9 Conventie 1886 zijn: "de bepalingen van art. 2"
+hier van toepassing; op de Berlijnsche Conferentie heeft men hiervan
+gemaakt: "de bepalingen der tegenwoordige Overeenkomst". Dit maakt in
+wezen geen verschil uit. De beteekenis van beide artikelen is deze,
+dat het op- en uitvoeringsrecht in het Verbond erkend moet worden,
+volgens de algemeene regelen, die de Conventie voor de internationale
+bescherming stelt (in art. 2 Conventie 1886 en artt. 4, 5, 6 en 7
+Conventie 1908). De regeling is dus niet dezelfde als die van het
+uitsluitend vertalingsrecht. Dit laatste wordt--zooals wij gezien
+hebben--direct door de Conventie verleend, onafhankelijk van de
+landswetten; het uit- en opvoeringsrecht daarentegen--al wordt het
+afzonderlijk genoemd--is niet in de Conventie zelve gecodificeerd,
+maar valt onder de bepalingen, die de Conventie over de bescherming
+in het algemeen inhoudt. Na hetgeen over deze bepalingen (nl. die
+van artt. 4-7 Conventie 1908) reeds is gezegd, behoeft de beteekenis
+hiervan niet nader te worden toegelicht. Het komt in hoofdzaak hierop
+neer, dat in elk Verbondsland het op- en uitvoeringsrecht, dat de
+wet aldaar verleent, kan worden ingeroepen voor de werken die uit
+een der andere Verbondslanden afkomstig zijn, met vrijstelling van
+eventueel voorgeschreven voorwaarden of formaliteiten. Wat den duur
+van het op- en uitvoeringsrecht betreft, deze zal, volgens art. 7 lid
+2 Conventie 1908 "den duur, vastgesteld in het land van herkomst niet
+mogen overschrijden". Hierbij dient echter te worden aangeteekend,
+dat met den "duur" in het land van herkomst wordt bedoeld de duur van
+het auteursrecht in het algemeen, de zoogenaamde "hoofdtermijn",
+en dat dus niet in aanmerking komt de bijzondere termijn van
+korteren duur, die de wet van het land van herkomst voor het op-
+of uitvoeringsrecht mocht stellen. Gesteld dus de wet van een land
+verleent een auteursrecht van vijftig jaar na den dood des auteurs,
+doch slechts een opvoeringsrecht van tien jaar na de uitgave, dan zal
+het opvoeringsrecht van uit dat land afkomstige werken in de andere
+landen van het Verbond niet gebonden zijn aan laatstgenoemden korten
+termijn; doch het zal alleen niet langer kunnen duren dan vijftig
+jaar na den dood des auteurs [638].
+
+Het tweede lid van artikel 11 Conventie 1908 en art. 9 Conventie
+1886 houdt eene bepaling in van eenigszins andere strekking dan de
+boven behandelde. Daarin is sprake van het recht, vertalingen van
+tooneelstukken en dramatisch-muzikale werken op te voeren. Hier
+valt weer op een klein verschil tusschen de oude en de nieuwe
+bepaling te wijzen. Art. 9 Conventie 1886 bepaalt, dat zoolang
+het vertalingsrecht duurt, de auteurs ook beschermd zijn tegen
+ongeoorloofde opvoering van de vertaling hunner werken, m. a. w. het
+uitsluitend vertalingsrecht (dat in art. 5 Conventie 1886 was geregeld)
+omvat ook het opvoeringsrecht. Dit is in art. 11 Conventie 1908
+hetzelfde gebleven; doch daar te Berlijn het vertalingsrecht met het
+recht op het oorspronkelijke werk in duur volkomen is gelijkgesteld
+(art. 8 Conventie 1908), kon in aansluiting daarmede ook ten aanzien
+van het opvoeringsrecht van vertalingen worden bepaald, dat het
+evenlang duurt als het recht op het oorspronkelijke werk. Het verschil
+is dus uitsluitend het gevolg van de wijziging, die de Conventie ten
+opzichte van het uitsluitend vertalingsrecht in 1908 heeft ondergaan.
+
+Ook in dit opzicht is dus door de Conventie het opvoeren op ééne
+lijn gesteld met het "door den druk gemeen maken"; indien het in
+dezelfde taal geschiedt zijn daarop de algemeene regels van de
+artt. 4-7 toepasselijk; heeft men echter te doen met de opvoering
+eener vertaling, dan valt dit onder den bijzonderen regel van art. 8.
+
+
+
+Onze wet is op het punt van op- en uitvoeringsrecht nog zeer karig. Op
+onuitgegeven dramatisch-muzikale en tooneelwerken bestaat op- en
+uitvoeringsrecht tot dertig jaar na den dood des auteurs (art. 15,
+1o); op door den druk gemeen gemaakte werken echter slechts gedurende
+tien jaren na de uitgave, mits het door den auteur uitdrukkelijk
+wordt voorbehouden (art. 15, 2o jo art. 12).
+
+Uitvoeringsrecht op muziekwerken bestaat in het geheel niet.
+
+Deze laatste omstandigheid zou op zich zelve al een reden kunnen zijn
+om ons land krachtens art. 25 Conventie 1908 de toetreding tot het
+Verbond te ontzeggen. Ongetwijfeld behoort het uitvoeringsrecht van
+muziekwerken tot "de rechten, die het onderwerp dezer Overeenkomst
+uitmaken"; het ontbreekt ook in geen der wetgevingen van de tot op
+heden toegetreden staten; en al wegen de belangen hier niet zoo zwaar
+als die b.v. bij het auteursrecht op werken van beeldende kunst zijn
+betrokken, zonder beteekenis zijn zij niet, vooral ten aanzien van een
+land als het onze, waar veel muziek van buitenlandsche componisten ten
+gehoore wordt gebracht. De mogelijkheid is dus geenszins uitgesloten,
+dat de Verbondsstaten op grond van art. 25 als een van de voorwaarden
+om te mogen toetreden, zouden stellen, dat het bedoelde recht in de
+wet worde erkend.
+
+Mocht ons land, zonder de wet op dit punt aangevuld te hebben,
+toch tot het Verbond worden toegelaten, dan zou het gevolg zijn,
+dat Nederlandsche muziek in de andere Verbondslanden wél tegen
+uitvoering beschermd zou zijn, terwijl in Nederland deze bescherming
+nóch voor Nederlandsche, nóch voor buitenlandsche werken zou worden
+verleend. Het mag echter verwacht worden, dat men, ook van onze
+zijde, het hiertoe niet zal willen laten komen, en dat dus vóór onze
+toetreding tot de Conventie het uitvoeringsrecht van muziekwerken
+in de wet zal geregeld worden. Het is te hopen, dat men daarbij niet
+te angstvallig te werk zal gaan en dat dit recht dus verschoond zal
+blijven van beperkingen en voorwaarden, zooals hier nog ten aanzien
+van opvoerings- en vertalingsrecht bestaan. In het bijzonder is
+het te wenschen, dat hier geen bezwaar zal worden gemaakt tegen de
+erkenning van een uitvoeringsrecht, dat niet bij de uitgave van het
+muziekstuk uitdrukkelijk door den auteur is voorbehouden. Mocht dit
+wel het geval zijn, dan zal bij de bekrachtiging der Conventie 1908
+art. 11 niet onvoorwaardelijk aanvaard kunnen worden, maar zullen
+wij ons moeten houden aan art. 9 Conventie 1886.
+
+Wat het opvoeringsrecht van tooneelwerken en dramatisch-muzikale
+werken betreft, dit ontbreekt wel niet geheel in onze wet, maar
+in tijdsduur staat het toch--tenminste voor de door den druk gemeen
+gemaakte werken--verre bij dat van alle wetgevingen der Verbondslanden
+ten achter. Slechts twee landen hebben voor het opvoeringsrecht
+een bijzonderen termijn, nl. Zweden (dertig jaar na den dood des
+auteurs art. 14 gewijzigd door de wet van 29 April 1904) en Italië
+(tachtig jaar na de eerste uitgave of opvoering art. 10; volgens
+het Ontwerp voor eene nieuwe wet duurt het evenals het overige
+auteursrecht, vijftig jaar na den dood des auteurs). Men ziet
+dat deze termijn nog niet eens bijzonder kort is. In alle andere
+Verbondslanden staat het opvoeren met het door den druk gemeen
+maken volkomen gelijk. Zooals uit de voorgaande bespreking volgt,
+zou onze kortere termijn, zoo deze bij onze aansluiting gehandhaafd
+bleef, geen invloed hebben op den duur van het opvoeringsrecht van
+Nederlandsche werken in de andere Verbondslanden. Zoolang volgens
+onze wet nog kopierecht bestaat op deze werken, zouden zij van
+den langeren beschermingstermijn voor het opvoeringsrecht in het
+buitenland kunnen genieten. Hetzelfde geldt voor het voorbehoud,
+dat art. 12 W. A. R. eischt. Een in Nederland uitgekomen tooneelstuk
+zou in alle Verbondslanden opvoeringsrecht genieten, ook al was dit
+niet bij de uitgave uitdrukkelijk voorbehouden.
+
+Ook hier te lande zou voor werken uit andere Verbondslanden geen
+voorbehoud kunnen worden geëischt; de duur van het opvoeringsrecht
+zou echter ook voor deze werken naar Nederlandsch recht moeten
+worden berekend (dus slechts tien jaar na de uitgave bedragen). In
+dit opzicht zouden wij dus, indien de tegenwoordige bepalingen op het
+opvoeringsrecht in onze wet gehandhaafd blijven, door onze toetreding
+tot de Conventie meer ontvangen dan geven. Het behoeft nauwelijks te
+worden gezegd dat dit allerminst een reden mag zijn, om de gebrekkige
+bescherming tegen opvoeringen in onze wet maar te laten, zooals zij is.
+
+Van meer practisch belang dan het recht van opvoeren in dezelfde taal
+(waarop het voorgaande alleen betrekking heeft) is het uitsluitend
+recht van opvoeren in andere talen. Op dit laatste zijn, zooals wij
+gezien hebben, zoowel volgens de Conventie 1886 als de Conventie 1908,
+de bijzondere bepalingen omtrent het uitsluitend vertalingsrecht
+van toepassing. Op dit punt worden dus de speciale bepalingen
+over opvoeringsrecht van alle landswetten door de Conventie buiten
+toepassing gesteld. Hoe lang het opvoeringsrecht van vertalingen
+van Nederlandsche stukken in de andere landen en van die uit andere
+landen in Nederland na onze aansluiting zal duren, hangt derhalve
+uitsluitend af van de houding, die ons land bij de bekrachtiging der
+Conventie op het stuk van het vertalingsrecht zal aannemen.
+
+
+
+
+V Bewerkingsrecht (Conv. 1908 art. 12; Conv. 1886 art. 10; Verklaring
+van Parijs 3o)
+
+De moeilijkheid, om een juisten regel te formuleeren op het stuk
+van het bewerkingsrecht, doet zich natuurlijk vooral bij het
+samenstellen van eene internationale regeling gevoelen, waarbij
+met wetsbepalingen en opvattingen van meerdere staten rekening moet
+worden gehouden. Het valt daarom niet te verwonderen, dat men het
+op de Berner Conferenties niet dan na lange beraadslagingen over dit
+vraagstuk eens is geworden. De redactie van art. 10 Conventie 1886,
+dat in Parijs niet, in Berlijn slechts op ondergeschikte punten
+gewijzigd is, is te danken aan de Commissie van 1885, die uit niet
+minder dan vier verschillende voorstellen te kiezen had gehad [639].
+
+Het hoofdbeginsel, waarover alle staten het eens waren, is dat de
+min of meer vermomde reproductie, waarbij b.v. de naam van het
+werk veranderd is, kleine wijzigingen in het werk zijn gemaakt,
+stukken zijn weggelaten of wel nieuwe erbij gevoegd, als inbreuk
+op het auteursrecht zou gelden en dus verboden zou zijn. Daar de
+bedoelde practijken niet met één woord waren aan te duiden en in het
+bijzonder het Fransche woord adaptation (dat eigenlijk beteekent:
+"pasklaarmaking" dus: omwerking voor een ander doel of eene andere
+smaak) tot verschillende uitleggingen en verwarring aanleiding
+zou geven, nam men zijne toevlucht tot eene omschrijving, waarbij
+"omwerkingen" (adaptations) en "muziek-arrangementen" slechts als
+voorbeelden zijn genoemd, zonder dus andere wijzen van nabootsing in
+veranderden vorm uit te sluiten.
+
+Vóór 1896 bestond er nog twijfel over de vraag, of ook het zoogenaamde
+"dramatiseeren" (omwerking van roman in tooneelstuk) onder de bepaling
+van dit artikel viel. In de Parijsche Verklaring werd deze vraag
+bevestigend beantwoord (3o); op de Conferentie van Berlijn heeft
+men eene uitdrukkelijke bepaling in dezen zin in den tekst van het
+artikel ingelascht. Het artikel luidt nu als volgt:
+
+
+ Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige
+ Overeenkomst van toepassing is, behooren in het bijzonder
+ de indirecte, niet toegestane toeëigeningen van een werk
+ van letterkunde of kunst, die met verschillende namen worden
+ aangeduid als: omwerkingen, muziek-arrangementen; vervorming
+ van een roman, novelle of gedicht tot tooneelstuk en omgekeerd,
+ enz., wanneer zij niets anders zijn dan de reproductie van een
+ dergelijk werk in denzelfden of in anderen vorm, met wijzigingen,
+ toevoegsels of afkortingen, die tot het wezen van het werk niets
+ afdoen, zonder overigens het karakter te hebben van een nieuw,
+ oorspronkelijk werk.
+
+
+In art. 10 Conventie 1886 volgde hierna nog een tweede lid van
+dezen inhoud:
+
+
+ Bij de toepassing van dit artikel zullen de rechtbanken der
+ verschillende Verbondslanden casu quo rekening houden met de
+ bijzondere bepalingen hunner respectieve wetten.
+
+
+Reeds in 1896 was er op aangedrongen deze laatste bepaling te
+schrappen, doch zonder succes, daar Engeland er zich tegen verzette
+[640]. Op de Conferentie van Berlijn werd echter hetzelfde voorstel
+zonder bestrijding te ontmoeten aangenomen. De beteekenis van het
+artikel is naar mijne meening door het weglaten van het laatste
+lid niet eene andere geworden. Ook nu zullen de rechters nog met
+de bijzondere bepalingen van de wet van hun land rekening moeten
+houden bij de toepassing van dit artikel, voorzoover nl. in die wetten
+punten zijn geregeld, waarover het Conventie-artikel zich niet stellig
+uitspreekt [641]. Evenals ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht
+blijft de wet van het land, waar de bescherming wordt ingeroepen, ook
+in dit opzicht al hare kracht behouden. Dit volgt uit de redactie,
+die aan art. 12 is gegeven. Er staat niet: "de auteurs hebben het
+recht enz." zooals in art. 8 ten aanzien van het vertalingsrecht,
+maar: "Tot de ongeoorloofde reproducties, waarop de tegenwoordige
+Overeenkomst van toepassing is, behooren .. enz." De Conventie schept
+hier dus geen zelfstandig recht tot exploitatie van bewerkingen,
+arrangementen enz. buiten de landswetten om; doch het artikel geeft,
+evenals het vorige, slechts enkele nadere bepalingen van den omvang
+der bescherming, die krachtens de artt. 4-7 der Conventie in de
+verschillende landen van het Verbond genoten wordt. Door de weglating
+van het tweede lid van art. 10 Conventie 1886 uit het nieuwe art. 12
+Conventie 1908 zijn dus niet de bepalingen der inlandsche wetten op
+dit stuk geheel buiten werking gesteld. Men had er alleen de bedoeling
+mede te verhinderen, dat de rechter, steunende op de wet van zijn
+land, tegen de uitdrukkelijke bepalingen van het eerste lid van het
+artikel in, in sommige gevallen bescherming zou kunnen weigeren [642].
+
+
+
+In ons land komen bijzondere wetsbepalingen als de bovenbedoelde niet
+voor. Men zou daarom de vraag, die ons zoo juist bezighield, over
+de al of niet toepasselijkheid der inlandsche wetten op dit punt,
+ten aanzien van ons land zonder practisch belang kunnen achten,
+ware het niet, dat aan het stilzwijgen onzer wet door sommigen
+eene uitlegging wordt gegeven, die lijnrecht in strijd is met
+de bepalingen der Conventie. Volgens deze uitlegging zou nl. een
+uitsluitend bewerkingsrecht in ons land in het geheel niet bestaan;
+het auteursrecht van onze wet zou alleen betrekking hebben op het
+reproduceeren in denzelfden vorm. In een vorig hoofdstuk heb ik over
+deze uitlegging, die aan onze wet wordt gegeven, gesproken en de
+redenen opgegeven, waarom ik mij er niet mede kan vereenigen (pp. 189
+sqq.). Het gaat hier echter niet over hare juistheid of onjuistheid;
+met terzijdestelling van deze vraag wenschte ik er hier slechts aan
+te herinneren, dat deze opvatting bestaat en ook door den rechter
+bij voorkomende gevallen zou kunnen worden in toepassing gebracht
+[643]. In verband met het vorige zal het duidelijk zijn, dat dit na
+onze toetreding tot de Conventie tot moeilijkheden aanleiding zou
+kunnen geven. Door aanvaarding van art. 12 Conventie 1908 zou ons land
+zich verbinden, aan de werken uit andere Verbondslanden bescherming te
+verleenen tegen de exploitatie van bewerkingen (o. a. arrangementen
+van muziekstukken en dramatiseeringen van romans, novellen en
+dichtstukken); blijft onze wet echter op dit stuk zooals zij is, dan
+kan het geval zich voordoen, dat door den Nederlandschen rechter eene
+dergelijke bescherming wordt geweigerd. Ik meen daarom, dat het lid
+worden van het Verbond voor ons land de verplichting meebrengt, eene
+uitdrukkelijke bepaling in de wet op te nemen, die de bovengenoemde
+interpretatie te niet doet en waardoor de bescherming, die art. 2
+Conventie 1908 eischt, in ons land buiten twijfel wordt gesteld.
+
+
+
+
+VI Mechanische muziek-instrumenten (Conv. 1908 art. 13; Conv. 1886
+Slotpr. no. 3)
+
+In de jaren, dat de Berner Conventie tot stand kwam (1884-1886)
+had de industrie der mechanische muziek-instrumenten nog niet den
+graad van volmaaktheid bereikt, die haar later voor het auteursrecht
+der componisten zoo gevaarlijk zou maken. Men kende toen nog maar
+hoofdzakelijk de muziek- of speeldoozen, die vooral in Zwitserland veel
+worden vervaardigd en verder draaiorgels: instrumenten dus, die slechts
+een zeer beperkt aantal muziekstukjes kunnen ten gehoore brengen en
+die als exploitatiemiddel van muziekwerken een hoogst bescheiden rol
+vervullen. Hierdoor laat zich de weinige belangstelling verklaren,
+die aan dit vraagstuk op de Berner Conferenties werd gewijd. In het
+verslag der handelingen van geen der drie Conferenties is er iets
+over te vinden; men kan dus aannemen, dat de bepaling, die erover in
+de Conventie 1886 werd opgenomen, geene bestrijding had ontmoet. De
+bepaling, te vinden in het Slotprotocol (no. 3) luidt als volgt:
+
+
+ Men is overeengekomen, dat de vervaardiging en de verkoop van
+ instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
+ weer te geven, die tot de beschermde producten behooren, niet
+ wordt beschouwd als nadruk van muziekwerken.
+
+
+Bij deze bepaling, die tot 1908 ongewijzigd in stand is gebleven,
+wensch ik eerst een oogenblik stil te staan, om daarna de regeling,
+welke in 1908 te Berlijn daarvoor in de plaats kwam, afzonderlijk
+te bespreken.
+
+Over de uitlegging, die aan Slotprotocol no. 3 Conventie 1886
+moet worden gegeven, loopen de meeningen uiteen. Door velen wordt
+aangenomen, dat het alleen toepasselijk is op speeldoozen en
+draaiorgels, omdat deze de eenige instrumenten zijn, die men bij
+het vaststellen der bepaling kan hebben bedoeld. De vrijheid van
+reproductie, die het artikel verleent, zou dus niet gelden voor de
+later in exploitatie gebrachte instrumenten als pianola, pianista,
+phonograaf, grammophoon, herophoon, symphonion enz. enz., waarmede wél
+inbreuk op het auteursrecht der componisten kan worden gepleegd. Zij,
+die deze interpretatie huldigen, kunnen zich op de autoriteit van
+Numa Droz beroepen, den voorzitter der drie Berner Conferenties,
+die zich op eene letterkundige en artistieke Conferentie te Bern in
+1889 in dezen zin uitliet [644].
+
+Doch hoewel men deze interpretatie, afkomstig van den voorzitter
+der Conferenties, "presque authentique" heeft genoemd, schijnt mij
+toch de tegenovergestelde meening, volgens welke alle mechanische
+muziek-instrumenten onder de bepaling vallen, de juiste. Het moge waar
+zijn, dat men te Bern in 1885 niet voorzag, welke vlucht de techniek
+zou nemen in zake automatische muziek-instrumenten, en dat men slechts
+het oog had op de speeldoozen en straat-orgels, dit neemt niet weg,
+dat men eene bepaling heeft vastgesteld, die zoodanig is geredigeerd,
+dat er van een te maken onderscheid tusschen de eene en de andere soort
+instrumenten niets is te bespeuren. In Parijs heeft men bovendien in
+1896 gelegenheid gehad de vrijheid van reproductie in te trekken voor
+de inmiddels op de markt gebrachte nieuwe instrumenten door wijziging
+van de betreffende bepaling. Een Fransch voorstel van deze strekking
+werd aldaar echter verworpen. Ik meen dus dat er geen reden is om de
+bepaling niet woordelijk uit te leggen. Zij is dus toepasselijk op
+alle "instrumenten, dienende om langs mechanischen weg muziekstukken
+weer te geven" [645].
+
+Hiertoe behooren echter niet phonografen, voorzoover deze
+geen muziekstukken, maar voordrachten of tooneelstukken
+reproduceeren. Zeer juist is in dit opzicht het bovengenoemde vonnis
+van het Trib. de la paix van Brussel, waarin geoordeeld moest worden
+over phonograaf-rollen, die fragmenten van Sardou's tooneelstuk
+Madame Sans-Gêne reproduceerden. Terecht werd overwogen: "... que
+les termes employés (nl. die van Slotprotocol no. 3 Conventie 1886)
+marquent l'intention formelle de favoriser uniquement des instruments
+de musique ...; qu'on ne peut, dès lors, étendre cette disposition
+aux instruments reproduisant mécaniquement des oeuvres littéraires."
+
+De bepaling spreekt overigens alleen van het "vervaardigen en
+verkoopen" en heeft geen betrekking op het ten gehoore brengen van
+muziekstukken door middel van mechanische instrumenten. Of dit, naar
+omstandigheden, als openbare uitvoering is aan te merken, moet dus
+in elk Verbondsland naar het inlandsche recht worden uitgemaakt [646].
+
+Tot zoover de oude regeling van 1886. Op de Conferentie van Parijs
+in 1896, werd, zooals reeds gezegd, eene poging gedaan om haar te
+herzien, die echter op niets uitliep [647]. Intusschen breidde zich de
+handel in de bedoelde instrumenten, vooral phonografen en pianola's,
+elk jaar meer uit, zóó zelfs, dat in enkele landen de reproductie van
+muziekstukken door middel van deze zingende en spelende instrumenten
+reeds van meer belang wordt geacht dan die door middel van den gewonen
+notendruk. Dit had tot gevolg, dat componisten en uitgevers steeds
+luider begonnen te klagen over de vrijheid, die door de Conventie aan
+de fabrikanten dier instrumenten werd gelaten om zonder toestemming
+te vragen, en dus natuurlijk ook zonder ervoor te betalen, van alle
+muziekstukken gebruik te maken. Van verschillende zijden werd er op
+aangedrongen, de bepaling geheel te laten vervallen [648], of haar te
+vervangen door eene regeling, die met de sinds 1886 zoozeer gewijzigde
+toestanden en verhoudingen beter in overeenstemming was.
+
+Het was daarom te voorzien, dat het vraagstuk op de Berlijner
+Conferentie weer aan de orde zou worden gebracht, wat dan ook
+geschiedde. Uit de verschillende voorstellen, die hierover inkwamen
+(nl. van: Duitschland, Spanje, Frankrijk, Engeland, Italië en
+Zwitserland) bleek dat men het in beginsel er vrijwel over eens
+was, dat de tot dusverre bestaande vrijheid voor de mechanische
+muziek-instrumenten voor de rechten der auteurs behoorde te wijken;
+alleen het voorstel van Zwitserland strekte, om de bepaling van
+no. 3 Slotprotocol 1886 ongewijzigd in stand te houden. Wegens de
+bijzondere moeilijkheden, die het vraagstuk opleverde, werd het
+onderzoek opgedragen aan eene sub-commissie, die bij het door haar
+overgeleverd rapport een nieuw voorstel aanbood, waaruit tenslotte,
+nadat er nog eenige wijzigingen in waren aangebracht, artikel 13
+Conventie 1908 is voortgekomen.
+
+De inhoud van dit artikel is in het kort deze: Het recht der
+componisten wordt erkend om uitsluitend toestemming te verleenen,
+zoowel voor het vervaardigen van instrumenten, die hunne stukken
+spelen, als tot de openbare uitvoering hunner werken door middel van
+die instrumenten (lid 1); aan dit recht zullen echter de inlandsche
+wetten beperkingen en voorwaarden kunnen stellen (lid 2). Het derde
+lid bevat eene overgangsbepaling; terwijl het vierde en laatste eene
+bijzondere bepaling bevat over het in beslagnemen van instrumenten,
+waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd.
+
+Over de eerstgenoemde bepaling behoeft weinig te worden gezegd. Zij
+houdt--en hierover waren alle staten uitgezonderd Zwitserland het
+terstond eens geweest--de erkenning in van het recht der componisten
+op dit stuk; juist het tegenovergestelde dus van hetgeen no. 3
+Slotprotocol 1886 inhield. Er dient echter op gewezen te worden, dat
+dit laatste alleen betrekking had op het vervaardigen der bedoelde
+instrumenten, terwijl het nieuwe artikel ook de openbare uitvoering
+noemt.
+
+De algemeene regel, die hiermede was gesteld, zouden echter de meeste
+staten niet onvoorwaardelijk en zonder eenige restrictie in toepassing
+hebben willen brengen. Behalve met de belangen der auteurs, had men
+ook met die der fabrikanten van muziek-instrumenten en phonografen
+rekening te houden. Gewapend met het hun verleende recht zouden de
+auteurs te hooge prijzen kunnen vragen voor het gebruikmaken hunner
+werken, waardoor deze nieuwe tak van industrie ernstig getroffen zou
+kunnen worden. Ook bestond de vrees, dat zich monopolies zouden vormen
+ten bate van enkele groot-industrieelen met veel kapitaal, zoodat er
+voor de ondernemingen op kleinere schaal geen kans zou bestaan om over
+nog beschermde muziekstukken zich de beschikking te verzekeren. Om aan
+deze bezwaren te ontkomen was in het Duitsche voorstel eene bepaling
+opgenomen, volgens welke een auteur, die eenmaal zijn werk had laten
+gebruiken voor mechanische reproductie, gedwongen zou zijn aan ieder
+derde hetzelfde gebruik toe te staan tegen behoorlijke--ingeval van
+strijd door de inlandsche wet vast te stellen--vergoeding [649]. Het
+bleek echter dat vele staten tegen de invoering van dit systeem
+bezwaren hadden, en daarom besloot men, op voorstel van Engeland,
+het stellen van voorwaarden of beperkingen, die elke staat noodig
+mocht achten, liever aan den inlandschen wetgever over te laten. Zoo
+kwam men tot de bepaling van het tweede lid van artikel 13. Elke
+Verbondsstaat behoudt dus de vrijheid, om bepalingen vast te stellen,
+waardoor het auteursrecht der componisten, dat in het eerste lid van
+art. 13 Conventie 1908 is omschreven, aan voorwaarden wordt gebonden
+of binnen bepaalde grenzen wordt gehouden.
+
+Hoever men hierin zal mogen gaan, zonder met de Conventie in strijd
+te komen, is natuurlijk moeilijk te zeggen. Het blijkt echter uit
+het verslag der beraadslagingen, dat men ook de mogelijkheid heeft
+voorzien, dat een staat eene regeling maakt, welke de fabrikanten
+van muziek-instrumenten op voor hen zeer gunstige en voor de auteurs
+zeer ongunstige voorwaarden in staat stelt van muziekwerken gebruik
+te maken. Speciaal met het oog hierop heeft men het noodig geacht nog
+uitdrukkelijk te bepalen, dat de beperkingen en voorwaarden, die een
+staat zal hebben ingesteld, uitsluitend in dat land zelf van kracht
+zullen zijn. Andere staten, die het auteursrecht der componisten
+minder beperkingen in den weg zullen leggen, zullen dus krachtens
+deze bepaling vrij zijn, om b.v. bij zich den invoer te verbieden van
+instrumenten, platen of rollen, die op hun grondgebied slechts onder
+voor de fabrikanten minder gunstige voorwaarden vervaardigd hadden
+mogen worden [650].
+
+Daar door den regel van het eerste lid van art. 13 rechten worden
+erkend, die vroeger niet bestonden of hoogstens twijfelachtig waren
+(cf. wat boven over de uitlegging van no. 3 Slotprotocol 1886 is
+gezegd), heeft men het wenschelijk geacht voor deze materie een
+bijzonderen overgangsmaatregel vast te stellen. Deze maatregel
+bestaat hierin, dat in elk Verbondsland de bepaling van het eerste
+lid niet toepasselijk is op de werken, die vóór het in werking treden
+der nieuwe Conventie reeds in dat land op geoorloofde wijze voor
+mechanische muziekinstrumenten gebruikt zullen zijn (art. 13 lid
+3). De vervaardigers van muziek-instrumenten zullen dus door mogen
+gaan met het zonder toestemming van den componist exploiteeren van die
+muziekstukken, die onder de vroeger bestaande vrijheid reeds op die
+wijze door henzelven of door anderen geëxploiteerd werden. Overigens
+zal de wet van elk land dit meer in bijzonderheden kunnen regelen; de
+beperkingen en voorwaarden, die krachtens art. 13 lid 2 mogen worden
+vastgesteld kunnen--zooals nog uitdrukkelijk in het Commissie-rapport
+wordt opgemerkt--ook de regeling van de terugwerkende kracht van dit
+artikel betreffen [651].
+
+Krachtens de besproken bepalingen van het tweede en derde lid
+van art. 13 zal het geval zich kunnen voordoen, dat in het eene
+Verbondsland het vervaardigen en verspreiden van instrumenten,
+rollen en platen geoorloofd is, terwijl de verspreiding van diezelfde
+voorwerpen in een ander land als inbreuk op het auteursrecht van den
+componist zou moeten worden aangemerkt. Op verzoek van Italië heeft
+men met het oog op deze mogelijkheid nog een vierde lid aan art. 13
+toegevoegd, waarin bepaald is, dat op dergelijke voorwerpen in de
+landen waar de verspreiding ervan niet geoorloofd is, beslag zal kunnen
+gelegd worden. Daar de Conventie 1908 in art. 16 tweede lid een regel
+van volkomen dezelfde strekking inhoudt, die op alle in strijd met het
+auteursrecht vervaardigde voorwerpen toepasselijk is, was deze laatste
+bepaling van art. 13 geheel overbodig. Dit werd ook door de Commissie,
+die haar voorstelde, zeer goed ingezien; zij zwichtte echter voor den
+aandrang der Italiaansche delegatie, welke er bijzonder op gesteld
+schijnt te zijn geweest, dat de bepaling werd opgenomen [652].
+
+
+
+De verplichtingen, die een staat door de aanvaarding van art. 13
+Conventie 1908 op zich neemt, behoeven na het voorgaande weinig
+toelichting meer. De regel van het eerste lid moet worden erkend; door
+eene tegenovergestelde bepaling (b.v. zooals die van no. 3 Slotprotocol
+1886) in de wetgeving op te nemen, zou men met de Conventie in strijd
+komen. Het beginsel, dat de auteurs in dit opzicht beschermd zijn,
+moet dus worden erkend; er mogen echter uitzonderingen (voorwaarden
+en beperkingen) op worden gemaakt. Wordt dit verzuimd, dan moet de
+bescherming onvoorwaardelijk en in haar vollen omvang verleend worden,
+tenzij natuurlijk men zich aan de oude bepaling van no. 3 Slotprotocol
+1886 wil houden, die geenerlei verplichting oplegt.
+
+Hoe men in ons land over dit vraagstuk denkt, is mij niet
+bekend. Wellicht zal door sommigen de erkenning van het recht der
+componisten op dit punt als een ongewenschte uitbreiding van het
+auteursrecht worden beschouwd, waaraan zij ons land liever niet zagen
+meedoen. In elk geval zal er wel eenige oppositie worden gemaakt tegen
+eene onvoorwaardelijke aanvaarding van art. 13 bij onze toetreding
+tot de Conventie.
+
+Ik meen, dat hierover niet veel meer behoeft gezegd te worden. Mijne
+meening over de gegrondheid van dit recht in het algemeen heb ik
+reeds kenbaar gemaakt (pp. 240 sqq., 249 en 250); door het hier te
+lande in te voeren zou men, zooals ik poogde aan te toonen, slechts
+voortbouwen op de beginselen, die aan onze tegenwoordige wet op het
+auteursrecht ten grondslag hebben gelegen.
+
+Als maatregel ter bescherming onzer nationale industrie op het gebied
+van muziek-instrumenten en phonografen, die voorzoover mij bekend
+tot nu toe niet van groote beteekenis is, zou het niet-aanvaarden
+van art. 13 Conventie 1908 weinig baten. Weliswaar zou men hierdoor
+bereiken, dat de vervaardiging van deze artikelen hier onder
+gunstiger voorwaarden zou kunnen geschieden dan in andere landen,
+waar voor het gebruikmaken van nog beschermde muziekstukken betaald
+zou moeten worden; doch het zou moeilijk zijn voor deze artikelen een
+afzetgebied te vinden buiten ons land. De staten die deel uitmaken
+van het Verbond zullen tenminste hoogstwaarschijnlijk alle hunne
+grenzen ervoor gesloten houden.
+
+
+
+
+VII Kinematograaf (Conv. 1908 art. 14)
+
+De kinematograaf wordt het eerst met name genoemd in de Conventie 1908;
+het is dan ook eerst in de laatste jaren, dat kinematographische
+voorstellingen tot de gewone publieke vermakelijkheden zijn gaan
+behooren, zoodat het geen verwondering kan wekken, dat nóch op de
+Conferenties van Bern, nóch op de Parijzer Conferentie over dit
+reproductie-middel is gesproken.
+
+De bepalingen van art. 14 zijn van tweeërlei aard. In de eerste plaats
+betreffen zij den kinematograaf als reproductie-middel van andermans
+werken (eerste lid); in de tweede plaats hebben zij betrekking op de
+bescherming, die voor werken wordt verleend, welke met behulp van den
+kinematograaf tot stand zijn gekomen (lid 2 en 3). Een vierde lid van
+het artikel houdt nog de bepaling in, dat wat omtrent den kinematograaf
+is vastgesteld ook geldt voor elk procédé van soortgelijken aard. Deze
+bepaling ziet voornamelijk op uitvindingen, die de toekomst misschien
+nog kan brengen; in de eerstvolgende jaren zal zij waarschijnlijk nog
+wel geen practische toepassing vinden. Ik meen haar hier ook verder
+buiten beschouwing te kunnen laten.
+
+Wat het eerstgenoemde punt betreft, het uitsluitend recht dus om
+werken door middel van den kinematograaf te exploiteeren, dit vervalt
+weer in twee onderdeelen, nl. 1o het recht van reproductie door den
+kinematograaf, waaronder men te verstaan zal hebben de vervaardiging
+van kinematographische beelden; en 2o het recht van openbare opvoering
+met den kinematograaf dus: de vertooning der beelden. Beide rechten
+worden in het eerste lid van het artikel verleend aan de auteurs van
+"letterkundige, wetenschappelijke of kunstwerken". Het zijn dus niet
+alleen tooneelstukken, opera's, balletten enz. waarvan de exploitatie
+op deze wijze den auteur uitsluitend wordt voorbehouden, doch ook
+de schrijver van een roman b.v. zal kunnen verbieden, dat tafereelen
+uit zijn werk op de kinematograaf-films worden gebracht en daarmede
+vertoond worden. Dit zou--ook al werd het geval niet uitdrukkelijk in
+het Commissie-verslag genoemd [653]--reeds volgen uit het zoogenaamde
+dramatiseeringsrecht, dat den schrijvers van romans, novellen en
+gedichten in art. 12 Conventie wordt toegekend.
+
+Hoe men zich echter een inbreuk op het auteursrecht van
+wetenschappelijke werken door middel van den kinematograaf heeft
+kunnen denken, is mij een raadsel. Daar elke toelichting op dit punt
+in het verslag der Commissie ontbreekt, zou men geneigd zijn hier aan
+eene vergissing of ondoordachtheid bij het redigeeren der bepaling
+te denken. In elk geval mag worden aangenomen, dat hier niet bedoeld
+is den chirurg te beschermen als "auteur" van de door hem verrichte
+operatie tegen de kinematographische reproductie van het tafereel,
+dat deze aanbiedt. Voor eene dergelijke bescherming bestaat, zooals
+reeds is aangetoond (p. 217) niet de minste grond. Er blijft derhalve
+m. i. niets anders over dan de woorden "wetenschappelijke werken"
+in art. 14 als niet geschreven te beschouwen.
+
+Ik kom nu tot het tweede punt: de bescherming der werken, die door
+middel van den kinematograaf zijn tot stand gekomen. Er is reeds
+opgemerkt, dat deze bepalingen eigenlijk niet in dit artikel, maar
+in artikel 2, dat de werken, waarop de Conventie van toepassing is,
+opsomt, thuis behooren. Men meende echter, dat het voor belanghebbenden
+gemak zou opleveren, alles wat op den kinematograaf betrekking heeft
+in een artikel bijeen te vinden; vandaar deze afwijking van den
+systematischen weg.
+
+De werken, die in het tweede en derde lid van art. 14 aan de in
+art. 2 genoemde worden toegevoegd, zijn: 1o de kinematographische
+voortbrengselen ("productions cinématographiques") voorzoover "de
+auteur door de schikking der tooneelen of door de combinatie der
+voorgestelde tafereelen aan het werk een persoonlijk en oorspronkelijk
+karakter zal hebben verleend"; en 2o "de reproductie door middel
+van den kinematograaf van een letterkundig, wetenschappelijk of
+kunst-werk".
+
+Welke werken men tot de eerstgenoemde categorie zal hebben te rekenen
+zal, na hetgeen over dit onderwerp reeds is gezegd (pp. 216 sqq.),
+geene toelichting meer behoeven. Het zijn in het algemeen de uit
+een of meer tafereelen bestaande pantomimes, die speciaal voor
+kinematographische opneming in elkander worden gezet en onder bereik
+van het toestel worden afgespeeld. De toevoeging, dat de auteur een
+oorspronkelijk en persoonlijk karakter aan het werk moet hebben
+verleend, kan overbodig worden geacht, daar deze regel op alle
+"werken van kunst en letterkunde" toepasselijk is.
+
+Wat met de in de tweede plaats genoemde omschrijving is bedoeld,
+is op het eerste gezicht minder gemakkelijk te doorgronden. Doch
+de korte toelichting in het Commissie-rapport maakt het duidelijk
+[654]. Men heeft hier het oog gehad op het geval, dat de verschillende
+tafereelen, welke voor de kinematographische opneming hebben gediend,
+ontleend waren aan het werk (b.v. den roman) van een ander. Met
+betrekking tot het oorspronkelijke werk is dus het vervaardigen der
+kinematographische afbeeldingen eene reproductie, die naar gelang
+van omstandigheden ongeoorloofd kan zijn. Doch aan den anderen kant
+is er ook eene nieuwe schepping tot stand gekomen, nl. de bewerking,
+welke de roman moest ondergaan om in beeld te worden gebracht. Deze
+bewerking nu, die men als eene bijzondere soort van "dramatiseering"
+kan beschouwen, wordt door de besproken bepaling onder de beschermde
+auteursproducten gerangschikt; zij is, "onverminderd de rechten van
+den auteur van het oorspronkelijke werk ... als een oorspronkelijk
+werk beschermd." Wij hebben hier dus met eene bepaling te doen,
+analoog aan die van het tweede lid van art. 2; wat hier erkend wordt
+is het recht van den bewerker op zijne bewerking.
+
+Uit het bovenstaande volgt, dat het voorwerp van het door deze bepaling
+verleende recht niet bestaat in de kinematographische afbeeldingen
+zelf, maar in het uit een roman, novelle, gedicht enz. getrokken,
+d. w. z. voor kinematographische reproductie pasklaar gemaakte,
+"stuk". De in het artikel gebezigde uitdrukking "reproductie door
+middel van den kinematograaf" zou misschien het tegendeel kunnen doen
+denken en schijnt mij daarom ook minder gelukkig gekozen. Ik meen
+echter, dat er hier van een recht op de kinematographische afbeelding
+geen sprake kan zijn; daarvoor was hier geene bijzondere bepaling
+noodig, daar dit onder de bepalingen over het recht op photographieën
+valt. Het verschil tusschen het recht op de afbeelding en dat op het
+afgebeelde komt vooral hierin uit, dat het tweede betrekking heeft op
+meer exploitatie-middelen. Het hier behandelde recht omvat dus niet
+alleen de reproductie door middel van kinematograaf of photographie,
+maar ook b.v. de opvoering in een schouwburg, zelfs door andere
+acteurs dan die bij de oorspronkelijke vertooning hebben meegewerkt.
+
+Over de draagkracht der besproken bepalingen in verband met de
+inlandsche wetten nog het volgende. Het artikel legt de verplichting
+op aan de staten, die het aanvaarden, om de bescherming, welke het
+omschrijft, bij zich aan de werken uit andere Verbondslanden te
+verzekeren, voorzoover nl. die werken overigens volgens de algemeene
+regels der Conventie aldaar voor bescherming in aanmerking komen. Aan
+de inlandsche wetten wordt niet, zooals in het voorgaande artikel,
+de vrijheid gelaten voorwaarden en beperkingen aan het recht te
+verbinden. Dit neemt niet weg, dat toch de bijzondere bepalingen,
+die zij op dit punt mochten bevatten, toepassing zullen kunnen
+vinden. Het recht van uitsluitende exploitatie door middel van den
+kinematograaf zou b.v. in de wet van een Verbondsland tot een zeer
+korten tijdsduur beperkt kunnen worden; in dat geval zouden ook de
+auteurs van de volgens de Conventie beschermde werken uit andere landen
+aldaar met dien korten termijn genoegen moeten nemen. Verder blijven
+natuurlijk ook bijzonderheden als b.v. de nauwkeurige vaststelling van
+het begrip "openbare uitvoering door middel van den kinematograaf"
+aan den inlandschen wetgever overgelaten. Indien echter in de wet
+voorwaarden aan dit recht zijn gesteld (b.v. dat het bij de uitgave
+van een roman of tooneelstuk uitdrukkelijk moet zijn voorbehouden),
+zullen de auteurs van uit andere Verbondslanden afkomstige werken
+van de vervulling daarvan krachtens de Conventie (art. 4 lid 2)
+vrijgesteld zijn.
+
+
+
+
+c Rechtsmiddelen tot handhaving van het auteursrecht
+
+In de twee artikelen, die nu volgen (artt. 15 en 16 Conventie 1908)
+geeft de Conventie eenige bepalingen over de rechtsmiddelen, welke
+dengeen op wiens auteursrecht is inbreuk gemaakt, ten dienste staan. In
+de eerste plaats betreft dit de wijze waarop de rechthebbende op het
+auteursrecht zich voor den rechter als zoodanig kan legitimeeren
+(art. 15); in de tweede plaats de bevoegdheid om beslag te laten
+leggen op voorwerpen, waarmede inbreuk op het auteursrecht is gepleegd
+(art. 16).
+
+
+
+
+I Legitimatie voor den rechter (Conv. 1908 art. 15; Conv. 1886 art. 11)
+
+Artikel 15 Conventie 1908 is volkomen gelijk aan artikel 11 Conventie
+1886, met uitzondering hiervan, dat in laatstgenoemd artikel nog
+eene bepaling voorkomt, die betrekking heeft op het vervullen van
+voorwaarden en formaliteiten in het land van herkomst. Daar dit
+door de nieuwe Conventie (art. 4 lid 2) niet meer wordt geëischt,
+kon deze bepaling in 1908 vervallen. Ik laat haar daarom ook verder
+onbesproken en bepaal mij dus tot het artikel in zijne nieuwe gedaante.
+
+De regeling, die het artikel geeft, is hoogst eenvoudig. Twee
+categorieën van werken worden onderscheiden: 1o zij die den naam van
+den auteur dragen, en 2o de pseudonieme en anonieme werken, die den
+naam van den uitgever dragen.
+
+Hij wiens naam op de gebruikelijke wijze op het werk als auteur
+vermeld staat, wordt, zoolang niet het tegendeel is aangetoond, ook
+als zoodanig door den rechter aangemerkt (lid 1). Eene praesumptio
+juris dus, die de bewijslast ten gunste van den eischer omkeert. Niet
+hij zal hebben te bewijzen, dat hij werkelijk de auteur is, maar de
+tegenpartij, die dit betwist, dat hij het niet is.
+
+Het tweede lid van het artikel betreft de anonieme en pseudonieme
+werken, voorzoover zij voorzien zijn van den naam des uitgevers. Er
+worden hier twee gevallen onderscheiden [655]. In de eerste plaats dat
+de auteur zijn recht nog niet heeft vervreemd, dus zelf rechthebbende
+is op het auteursrecht. Opdat hij nu niet gedwongen worde zich bekend
+te maken, wanneer op zijn recht inbreuk is gemaakt, is bepaald, dat de
+uitgever bevoegd is voor hem op te treden (lid 2 eerste zinsnede). Doch
+het is ook mogelijk, dat de auteur zijn recht aan den uitgever heeft
+overgedragen en dat deze dus voor zijn eigen recht opkomt. Voor dat
+geval schrijft het artikel voor, dat de uitgever zonder nader bewijs
+als rechtverkrijgende van den anoniemen of pseudoniemen auteur zal
+worden beschouwd, (lid 2 tweede zinsnede), zoodat ook dán de ware
+naam van den auteur in het proces niet genoemd behoeft te worden.
+
+Het artikel heeft dus alleen betrekking op werken, die den naam dragen
+van den auteur of van den uitgever. Hieruit mag echter niet--zooals in
+enkele rechterlijke uitspraken werd gedaan [656]--worden afgeleid, dat
+werken, waarop geen naam vermeld staat, onbeschermd zouden zijn. Ware
+dit zoo, dan zou de Conventie hier voor eene bepaalde categorie
+van werken (nl. door den druk gemeen gemaakte geschriften) eene
+afzonderlijke voorwaarde voor de bescherming hebben voorgeschreven;
+iets wat allerminst in de bedoeling lag en wat ook met het beginsel,
+dat voorwaarden en formaliteiten buiten het land van herkomst niet
+vervuld behoeven te worden (art. 4 lid 2 Conventie 1908, art. 2 lid
+2 Conventie 1886) in strijd zou zijn. Het doel van het artikel is,
+zooals duidelijk uit de daarover gehouden beraadslagingen blijkt
+[657], den rechthebbenden het ageeren tegen de nadrukkers gemakkelijk
+te maken. Met de vraag, of zekere werken al dan niet beschermd zijn,
+hebben deze bepalingen dus niet te maken; zij hebben uitsluitend
+betrekking op de rechtsmiddelen die dengene, op wiens recht inbreuk
+is gemaakt, voor de rechtbanken der Verbondslanden ten dienste
+staan. [658]
+
+
+
+Aan de bepalingen van art. 15 kan niet anders dan een imperatief
+karakter worden toegekend [659], in dien zin, dat zij moeten worden
+toegepast, ook al bevat de binnenlandsche wetgeving geenerlei bepaling
+van dezelfde strekking. Eene andere uitlegging zou aan het artikel
+allen zin ontnemen.
+
+Hieruit volgt, dat na de toetreding van ons land tot de Conventie de
+auteurs van werken uit andere Verbondslanden in elk geval de voordeelen
+van art. 15 Conventie 1908 voor den Nederlandschen rechter onverkort
+zullen genieten. Hierdoor zouden zij in één opzicht eenigermate
+bevoorrecht worden boven de auteurs van in het land zelf uitgekomen
+werken, daar onze wet het rechtsvermoeden van art. 15 eerste lid niet
+kent. De auteur van een in Nederland uitgekomen werk zou dus gedwongen
+kunnen worden het bewijs te leveren, dat hij werkelijk auteur is,
+terwijl dit bewijs van den buitenlandschen auteur, wiens naam op
+het werk voorkomt, niet gevorderd zou kunnen worden. Het zou daarom
+m. i. aanbeveling verdienen eene bepaling als die van art. 15 eerste
+lid der Conventie in onze wet op te nemen, waardoor de auteur van
+een in het land uitgekomen werk op dit punt met den buitenlandschen
+gelijkgesteld zou worden.
+
+In artikel 3 W. A. R. hebben wij eene bepaling, die in strekking
+vrijwel overeenkomt met die van het tweede lid van artikel 15 der
+Conventie. Bij pseudonieme en anonieme werken "wordt de uitgever,
+en zoo ook diens naam niet op het titelblad of bij gebreke daarvan
+op den omslag vermeld is, de drukker als auteur aangemerkt". In dit
+opzicht zouden dus Nederlanders en vreemdelingen gelijkstaan; beiden
+zouden tegen inbreuk op hun recht kunnen laten ageeren, zonder hun
+naam bekend te maken. In de memorie van toelichting voor onze wet
+worden de bevoegdheden van den uitgever of drukker, die als auteur
+aangemerkt wordt, nader uiteengezet: hij kan "het werk inzenden bij het
+departement van justitie, het recht tot vertalen zich voorbehouden en
+doen gelden, de vordering tot schadeloosstelling instellen, nagedrukte
+exemplaren in beslag nemen, kortom al datgene verrichten, waartoe de
+auteur zelf bevoegd is". Hiertoe behoort ongetwijfeld ook het indienen
+van de klacht volgens artikel 349 quater Wetb. van Strafrecht, in de
+M. v. T. begrijpelijkerwijze niet genoemd, daar opzettelijke inbreuk
+op het auteursrecht volgens het ontwerp geen klachtdelict was. Al
+deze handelingen (behalve natuurlijk het vervullen van voorwaarden of
+formaliteiten, waarvan zij volgens de Conventie zijn vrijgesteld),
+zullen nu krachtens art. 15 lid 2 Conventie 1908 met hetzelfde
+rechtsgevolg door de uitgevers uit andere Verbondslanden verricht
+kunnen worden.
+
+
+
+
+II Beslag op nadruk (Conv. 1908 art. 16; Conv. 1886 art. 12; Add. Acte
+1896 art. 1, V)
+
+Evenals het vorige artikel dient artikel 16 Conventie 1908 (dat in
+de plaats is gekomen van het oude art. 12 Conventie 1886) om den
+auteurs den strijd tegen de nadrukkers in het Verbond gemakkelijker
+te maken. De hoofdbepaling is, dat in elk Verbondsland op door
+ongeoorloofde reproductie verkregen exemplaren beslag kan worden
+gelegd.
+
+Er is gestreden over de vraag, of door deze bepaling aan de
+Verbondslanden de verplichting wordt opgelegd, het recht tot het leggen
+van beslag aan de auteurs van werken uit andere Verbondslanden te
+verleenen, dan wel of zij slechts de mogelijkheid daartoe opent [660].
+
+De geschiedenis van het artikel geeft wel eenigen grond voor
+de laatstgenoemde interpretatie. Op de Conferentie van 1885, waar
+de tekst werd vastgesteld, werd door den Zweedschen afgevaardigde
+Lagerheim uitdrukkelijk geconstateerd, dat hij de bepaling als eene
+louter facultatieve opvatte, en dat hij dus daarin voor zijn land niet
+de verplichting opgesloten zag, om bij toetreding tot het Verbond
+het beslag, dat de Zweedsche wetgeving voor dit geval niet kent,
+bij zich in te voeren [661]. Tegen deze verklaring werd door geen der
+andere gedelegeerden eenige bedenking ingebracht, en Zweden is tot het
+Verbond toegetreden (hoewel eerst in 1904), zonder zijne wetgeving op
+dit punt aan te vullen. Toen in 1896 te Parijs aan het artikel eene
+eenigszins wijdere strekking werd verleend door schrapping van de
+woorden "bij den invoer", zoodat het ook toepasselijk werd op beslag
+in het land zelf gelegd, heeft Engeland deze wijziging aanvaard,
+doch niet zonder uitdrukkelijk verklaard te hebben, dat zoo ergens
+in het Engelsche Rijk de wetgeving dit beslag niet toeliet (gedoeld
+werd op sommige koloniën), de voorgenomen wijziging daartoe niet de
+verplichting oplegt [662]. Men heeft er zich dus bij neergelegd, dat
+ten aanzien van Zweden en Engeland de bepaling facultatief is; hieruit
+is, niet geheel ten onrechte, de conclusie getrokken, dat zij het dan
+ook ten aanzien van alle andere staten is. Dat dezelfde bepaling den
+eenen staat zou binden en den anderen niet, schijnt niet wel mogelijk.
+
+Hier kan echter tegenovergesteld worden de stellige verklaring in
+het Commissie-rapport van de Conferentie van Parijs, die in dat van
+de Berlijner Conferentie nog eens is herhaald, dat het artikel wel
+degelijk de verplichting oplegt aan de Verbondsstaten, het recht van
+beslaglegging bij zich te erkennen [663]. Speciaal wordt er daar nog
+op gewezen, dat men uit de in het artikel gebezigde uitdrukkingen
+ten onrechte het tegendeel heeft willen afleiden. Het artikel zegt,
+dat beslag gelegd kan worden; doch dit maakt de bepaling niet tot
+eene facultatieve. Zij is slechts facultatief in dien zin, dat aan
+de belanghebbenden wordt overgelaten er al dan niet gebruik van te
+maken; doch aan de Verbondsstaten legt het de verplichting op, te
+zorgen dat deze mogelijkheid werkelijk voor hen bestaat.
+
+Het komt mij voor dat na deze duidelijke en zeer besliste verklaring,
+die op de Conferentie van Berlijn, voorzoover uit de gepubliceerde
+handelingen is na te gaan, zonder eenige tegenspraak uit te lokken is
+aanvaard, voor de tegenovergestelde meening weinig grond meer bestaat.
+
+De Verbondsstaten zijn derhalve verplicht, aan de auteurs van werken
+uit andere Verbondslanden, behalve de andere hun toekomende rechten,
+ook het bijzondere recht tot het leggen van beslag toe te kennen. Aan
+deze verplichting kan niet op andere wijze worden voldaan dan door eene
+wettelijke regeling. Het beslag moet in elk Verbondsland geschieden
+door de daartoe "bevoegde autoriteiten" (art. 16 eerste lid) en
+"overeenkomstig de bepalingen van de binnenlandsche wetgeving van elk
+land" (art. 16 derde lid). Waar de wet geen bepaling hierover inhoudt
+en dus ook geen bevoegde autoriteit aanwijst, zal derhalve van de
+naleving dezer Conventiebepaling weinig terecht komen. Trouwens op
+een punt van formeel recht als dit, waar "de wijze waarop" van zoo
+groot belang is, is eene eenvoudige bepaling als die van de Conventie:
+"... Er kan beslag gelegd worden ... enz." niet voldoende om zonder
+nadere regeling eenig effect te kunnen hebben.
+
+In elk Verbondsland moet dus volgens dit artikel eene wettelijke
+regeling van het beslag bestaan. Bijzondere eischen, waaraan deze
+regeling moet beantwoorden, worden verder niet gesteld. In het oude
+artikel werd, zooals reeds gezegd, alleen gesproken van het beslag
+bij invoer in een der Verbondslanden. Men dacht daarbij voornamelijk
+aan het geval, dat een werk in een land, waar de bescherming heeft
+opgehouden te bestaan, wordt nagedrukt en dat deze nadruk in een
+ander land, waar de beschermingstermijn nog niet is verstreken, wordt
+ingevoerd. De op geoorloofde wijze vervaardigde exemplaren zouden
+daardoor op een gebied komen, waar de verspreiding ervan inbreuk op het
+auteursrecht zou zijn. Hiertegen nu wilde men den auteur beschermen
+door hem een bijzonder wapen in de hand te geven, waardoor reeds
+aan de grenzen deze nadruk geweerd zou kunnen worden. Doch daar de
+woorden "bij den invoer" tot de, niet gewilde, gevolgtrekking zouden
+kunnen leiden, dat beslag later in het binnenland niet meer mogelijk
+was, werden zij in 1896 op voorstel van Frankrijk weggelaten. Op de
+Conferentie van Berlijn werd eene nieuwe zinsnede in het artikel
+ingelascht (art. 16 lid 2 Conventie 1908) die uitdrukkelijk het
+beslag weer toepasselijk verklaart op het geval, dat men bij het
+redigeeren van de oude bepaling op het oog had, nl. op exemplaren,
+die afkomstig zijn uit een land, waar het oorspronkelijke werk niet
+beschermd is. Eigenlijke wijzigingen heeft het artikel dus niet
+ondergaan; doch slechts verduidelijkingen op enkele--overigens weinig
+twijfelachtige--punten.
+
+
+
+Met de bepalingen van de artt. 22 en 23 van onze wet zou ons land
+bij toetreding tot het Verbond desnoods kunnen volstaan. Evenals in
+deze artikelen is ook in artikel 16 der Conventie het woord "beslag"
+("saisie") gebruikt in den zin van provisioneele maatregel tot bewaring
+van het recht, conservatoir beslag dus [664]. Art. 22 W. A. R. verleent
+aan de auteurs of aan hunne rechtverkrijgenden de bevoegdheid om beslag
+te laten leggen op "exemplaren, die in strijd met hun uitsluitend recht
+door den druk zijn gemeen gemaakt". Hieronder zijn ongetwijfeld ook
+begrepen de exemplaren, die in een ander land, waar dit geen inbreuk
+op het auteursrecht was, zijn gedrukt en die in Nederland, in strijd
+met het aldaar bestaande auteursrecht, worden "gemeen gemaakt". In
+dit opzicht voldoet dus onze regeling wel aan hetgeen door art. 16
+der Conventie wordt geëischt. Hetzelfde kan worden gezegd van de
+bijna gelijkluidende bepalingen in het Ontw. B. K. (art. 16).
+
+Er dient echter te worden opgemerkt, dat onze wet alleen beslag
+toelaat op gedrukte exemplaren, terwijl volgens de Conventie ook
+door de vervaardiging en verspreiding van voorwerpen van anderen
+aard, (rollen en platen van mechanische muziek-instrumenten en
+phonografen, kinematograaf-films) inbreuk op het auteursrecht
+kan worden gepleegd. Artikel 16 der Conventie, dat het recht van
+beslag toekent op "toute oeuvre contrefaite", is zonder eenigen
+twijfel ook op al deze voorwerpen toepasselijk. Over het beslag op
+muziek-instrumenten, phonografen enz. houdt art. 13 lid 4 Conventie
+1908 reeds eene bijzondere bepaling in; doch ik heb er reeds op
+gewezen, dat deze naast de bepalingen van art. 16 lid 2 volkomen
+overbodig was. Om dus geheel te voldoen aan de verplichting, die
+art. 16 der Conventie oplegt, zouden de bepalingen van artt. 22 en 23
+W. A. R. ook toepasselijk moeten worden verklaard op alle voorwerpen,
+waarvan de vervaardiging of verspreiding na de toetreding van ons
+land tot de Conventie in strijd zou zijn met het auteursrecht.
+
+
+
+
+d Uitvoerings- en overgangsbepalingen
+
+
+I Maatregelen der Verbondsstaten tegen verspreiding of uitstalling
+van geschriften en kunstwerken (Conv. 1908 art. 17; Conv. 1886 art. 13)
+
+De erkenning van het auteursrecht op werken uit andere Verbondslanden
+sluit natuurlijk niet in, dat de uitoefening van dit recht onder alle
+omstandigheden onvoorwaardelijk zal worden toegelaten, ook dan wanneer
+hierdoor andere rechten worden geschonden of politie-maatregelen worden
+overtreden. Elke staat behoudt daarom het recht, maatregelen te nemen
+tegen de verspreiding, opvoering of uitstalling van sommige werken,
+wanneer hem dit noodig voorkomt. Dit wordt in art. 17 Conventie 1908
+uitdrukkelijk erkend; men mag echter aannemen, dat ook zonder deze
+bepaling niemand het bestaan van dit recht in twijfel zou trekken.
+
+
+
+
+II Overgangsbepalingen (Conv. 1908 art. 18; Conv. 1886 art. 14 en
+Slotpr. no. 4; Add. Acte 1896 art. 2, II)
+
+Het systeem der Conventie, volgens hetwelk de bescherming in
+de verschillende Verbondslanden berust, deels op de bepalingen
+der Conventie zelve, deels op die van de inlandsche wet, deels
+ook (nl. wat den duur aangaat) op die van de wet van het land,
+waaruit het werk afkomstig is, maakte het bijzonder moeilijk eene
+geschikte overgangsregeling vast te stellen. In de eerste plaats was
+de vraag te beantwoorden, of de Conventie bij hare in werkingtreding
+toepasselijk zou zijn ook op die werken, welke vóór dat tijdstip reeds
+bestonden. Deze vraag werd reeds in het Voorontwerp der Association
+en later op alle volgende diplomatieke Conferenties in bevestigenden
+zin beantwoord. Doch daarmede was de grootste moeilijkheid nog niet
+uit den weg geruimd. Er moest ook rekening worden gehouden met de
+belangen dergenenen, die van de vrijheid van reproductie, waaraan door
+het in werking treden der Conventie een einde zou komen, reeds gebruik
+gemaakt zouden hebben. Indien men deze personen niet wilde dwingen,
+de door hen, op volkomen geoorloofde wijze, ondernomen exploitatie
+plotseling te staken, waardoor zij onverdiend schade zouden kunnen
+lijden, dan moesten daarvoor bijzondere bepalingen worden gemaakt. Doch
+in de Conventie zelve konden dergelijke bepalingen moeilijk worden
+opgenomen, daar zij dan noodzakelijkerwijze voor het geheele Verbond
+zouden moeten gelden.
+
+Men bepaalde zich er daarom toe, in de Conventie den hoofdregel op
+te nemen, dat zij op alle werken toepasselijk is, die op het tijdstip
+van haar in werking treden in het land van herkomst geen gemeen goed
+zijn geworden (art. 14 Conventie 1886, art. 18 lid 1 en 2 Conventie
+1908), terwijl aan wetten en bijzondere tractaten wordt overgelaten
+het vaststellen van eigenlijke overgangsbepalingen (Conventie 1886
+Slotprotocol no. 4, Conventie 1908 art. 18 lid 3).
+
+De regel, welke de Conventie zelf inhoudt, kan geen overgangsbepaling
+worden genoemd, d. w. z. hij schept geen overgangstijdperk, waarin de
+bepalingen der Conventie geleidelijk geldigheid verkrijgen. Alleen die
+werken worden van de bescherming uitgesloten, die wegens het ontbreken
+van bescherming in het land van herkomst toch in de overige landen
+volgens het stelsel der Conventie onbeschermd zouden zijn. Hierbij
+kan worden gewezen op een klein verschil tusschen de bepaling van
+art. 18 eerste lid Conventie 1908 en die van art. 14 Conventie 1886,
+dat in verband staat met de wijziging, die het systeem der Conventie in
+1908 heeft ondergaan. Volgens de Conventie 1886 was de bescherming in
+de andere Verbondslanden afhankelijk van het bestaan van bescherming
+in het land van herkomst (art. 2), terwijl volgens de Conventie 1908
+het ontbreken van bescherming in het land van herkomst geen beletsel
+meer is, dat het werk in de andere Verbondslanden bescherming vindt
+(art. 4 lid 2), behalve wat betreft den duur van het recht, die dien
+van het land van herkomst niet kan overschrijden (art. 7 lid 2). In
+verband hiermede is nu ook art. 18 Conventie 1908 eenigszins anders
+geredigeerd dan art. 14 Conventie 1886. Terwijl volgens laatstgenoemd
+artikel de Conventie bij hare inwerkingtreding toepasselijk zou zijn op
+alle werken, die op dat tijdstip "nog geen gemeengoed waren geworden
+in hun land van herkomst", is in de Conventie 1908 daarbij gevoegd:
+"als gevolg van het verstrijken van den beschermingstermijn". Immers
+het verstrijken van den beschermingstermijn in het land van herkomst
+is het eenige, wat volgens de nieuwe Conventie aan de bescherming in
+de andere Verbondslanden nog een einde kan maken; niet meer zooals
+vroeger, ook het "gemeengoed worden" door een andere reden, b.v. omdat
+de voorwaarden of formaliteiten niet zijn vervuld.
+
+Het tweede lid van art. 18 is er in 1908 nieuw bij gemaakt. Het luidt:
+
+
+ Indien echter een werk wegens het verstrijken van den
+ beschermingstermijn, die er vroeger voor was vastgesteld,
+ gemeengoed is geworden in het land waar de bescherming wordt
+ ingeroepen, zal dat werk daar niet opnieuw beschermd worden.
+
+
+Deze bepaling heeft niet betrekking op de eerste invoering van nieuwe
+Conventie-bepalingen; maar zij ziet op het geval, dat in de wet van
+een der Verbondslanden de beschermingstermijn wordt verlengd (een
+geval waarop art. 18 krachtens de bepaling van het laatste lid ook
+toepasselijk is). Gesteld b.v. een staat met een beschermingstermijn
+van dertig jaar na den dood des auteurs verlengt dezen tot vijftig
+jaar. Het gevolg hiervan is, dat de uit dat land afkomstige werken
+nu ook in de andere landen, waar de termijn van vijftig jaar geldt,
+twintig jaar langer bescherming vinden dan voorheen. De strekking der
+hierboven afgeschreven bepaling is nu deze, dat in zulk een geval
+de bescherming in die andere landen niet herleeft, indien zij daar
+reeds, doordat de auteur voor meer dan dertig jaar gestorven was,
+had opgehouden te bestaan.
+
+Men ziet dus, dat deze bepaling geen uitzondering vormt op den
+algemeenen regel van het eerste lid van het artikel, daar ook zij
+betrekking heeft op werken, die bij de inwerkingtreding der nieuwe
+regeling "gemeengoed zijn geworden in hun land van herkomst als gevolg
+van het verstrijken van den beschermingstermijn".
+
+Uitzonderingen op den regel worden, zooals gezegd, door de Conventie
+zelve niet gesteld, doch aan de Verbondsstaten wordt overgelaten ze
+onder elkander of ieder voor zich vast te stellen.
+
+In de eerste plaats komen hier in aanmerking de overgangsbepalingen
+van reeds bestaande of nog te sluiten bijzondere verdragen; deze
+bepalingen worden zonder meer toepasselijk verklaard op de Conventie
+(art. 18 derde lid eerste zinsnede).
+
+Ontbreken zoodanige verdragen, dan staat het den Verbondsstaten vrij,
+over de invoering der Conventie op hun gebied in de binnenlandsche
+wetgeving eene regeling vast te stellen. Uit de wijze, waarop deze
+laatste bepaling (art. 18 Conventie 1908 derde lid laatste zinsnede;
+Conventie 1886 Slotprotocol no. 4 derde lid) is geredigeerd, en ook
+uit hetgeen bij de daarover gehouden beraadslagingen is opgemerkt,
+moet worden afgeleid, dat hier alleen die wettelijke bepalingen
+worden bedoeld, welke ná het tot standkomen der Conventie, speciaal
+met het oog op dit artikel, zouden worden gemaakt, en dat dus niet
+(zooals ten opzichte der verdragen) de in de wetgevingen voorkomende
+overgangsbepalingen bij analogie toepasselijk worden verklaard
+[665]. Tevens, dat deze wetten wél de wijze waarop het beginsel van
+art. 18 zal worden toegepast, mogen regelen, hetgeen ook insluit
+beperkingen of voorwaarden voor sommige categorieën van werken, maar
+dat zij dit beginsel als hoofdregel moet eerbiedigen; dat dus de
+staten zich verbinden geene regeling te maken, die met dit beginsel
+in strijd is [666].
+
+Op verschillende wijzen hebben de Verbondsstaten deze materie, binnen
+de grenzen, die de Conventie hun stelt, geregeld en dit heeft een
+toestand in het leven geroepen, die vrij ingewikkeld is en in de
+verhoudingen tusschen sommige Verbondsstaten tot allerlei moeilijk
+op te lossen vragen aanleiding heeft gegeven [667].
+
+Ik laat deze vragen hier echter rusten en bepaal mij tot hetgeen met
+het oog op de toetreding van ons land bij het Verbond van belang kan
+worden geacht. Terloops zij hier opgemerkt, dat in het laatste lid van
+art. 18 de bepalingen van dit artikel ook uitdrukkelijk van toepassing
+worden verklaard op het geval, dat een nieuwe staat zich aansluit. Deze
+bepaling dagteekent van 1896. Het plan heeft toen nog bestaan, eraan
+toe te voegen, dat de staten, welke binnen twee jaar geene regeling
+zouden hebben vastgesteld, geacht zouden worden den regel van art. 18
+(toen art. 14) zonder uitzondering en onvoorwaardelijk te hebben
+aanvaard. Men heeft echter dit plan laten varen, omdat men vreesde,
+dat sommige staten daardoor van het toetreden van het Verbond zouden
+worden afgeschrikt [668]. Er bestaat dus nu geen termijn, binnen welken
+van de bevoegdheid om bijzondere overgangsbepalingen vast te stellen,
+moet worden gebruik gemaakt.
+
+Bij de toetreding van ons land tot het Verbond zal dus de bepaling van
+art. 18 eerste lid der Conventie toepasselijk zijn: d. w. z. van het
+oogenblik, dat de Conventie ten aanzien van ons land in werking treedt,
+zullen alle werken die volgens hare bepalingen daarvoor in aanmerking
+komen, zoowel Nederlandsche in de andere landen als die uit andere
+landen in Nederland, terstond de volle bescherming genieten. Wat
+de beperkingen betreft bij de toepassing van dezen regel, deze
+zullen, behalve tegenover Frankrijk en België, waarmede wij reeds
+een tractaat hebben gesloten, kunnen worden vastgesteld deels door
+den Nederlandschen wetgever (nl. ten aanzien van de bescherming,
+die vreemde werken hier zullen genieten); deels door de wetgevers
+der verschillende Verbondslanden (ten aanzien der bescherming van de
+Nederlandsche werken aldaar).
+
+Artikel 7 van onze tractaten met Frankrijk en België bepaalt, dat
+vrij verkocht mogen worden nadrukken, die vóór het in werking treden
+dier tractaten mochten zijn uitgekomen. Het is echter verboden nieuwe
+uitgaven daarvan in het licht te geven, of exemplaren van buiten in te
+voeren, tenzij deze bestemd zijn om vroeger aangevangen bestellingen
+of inteekeningen aan te vullen. Deze bepaling zal dus krachtens het
+derde lid van art. 18 ook toepasselijk zijn op de, onder de bepalingen
+der Berner Conventie vallende, Nederlandsche werken in Frankrijk en
+België en op de Fransche en Belgische werken alhier. Dit zal b.v. ook
+gelden voor vertalingen, die wél volgens de Berner Conventie, doch
+niet volgens de bovengenoemde twee tractaten een inbreuk op het
+auteursrecht uitmaken. De vóór het in werking treden der Conventie
+alhier zonder toestemming des auteurs uitgekomen vertaling van een
+Fransch boek zal ook daarna verspreid mogen worden; doch het zal niet
+geoorloofd zijn er een nieuwe druk van te laten verschijnen.
+
+Tegenover de andere Verbondsstaten, waarmede Nederland geen
+tractaten heeft gesloten, zullen beperkingen als de bovengenoemde op
+afzonderlijke wetten moeten berusten.
+
+Gaan wij eerst na, wat Nederland op dit punt van de andere staten heeft
+te verwachten, wat dus de toestand zal zijn van de Nederlandsche werken
+in het overige gedeelte van het Verbond. Slechts in vier dezer landen,
+te weten: Denemarken, Duitschland, Engeland en Zweden bestaat eene
+wettelijke regeling, zooals in art. 18 derde lid wordt bedoeld. Alle
+overige staten passen dus bij zich de bepaling van artikel 18
+eerste lid der Conventie onbeperkt en onvoorwaardelijk toe [669]. De
+Nederlandsche auteurs zullen er dus, zoodra de Conventie ten aanzien
+van ons land in werking is getreden, de volle bescherming genieten.
+
+Wat nu de vier genoemde staten betreft, daarvan heeft Duitschland een
+stel zeer uitvoerige bepalingen, vervat in eene Keizerlijke Verordening
+van 11 Juli 1888 en eene Bekanntmachung van 7 Augustus 1888 [670],
+die ook toepasselijk zijn voor het geval zich nieuwe staten bij de
+Conventie aansluiten. In hoofdzaak komen deze bepalingen hierop neer,
+dat reproducties, die vóórdat de Conventie in het nieuwe Verbondsland
+verbindend is geworden, van werken uit dat land afkomstig zijn gemaakt,
+verder vrij verspreid mogen worden, mits men de exemplaren binnen
+drie maanden door de politie heeft laten afstempelen. Hetzelfde moet
+geschieden met cliché's van platen, gravures, etsen enz., waarvan
+dan gedurende vier jaar nog afdrukken mogen worden gemaakt. Zijn
+vertalingen van een werk in Duitschland uitgekomen, dan mogen deze
+verder geëxploiteerd worden; tegen alle nieuwe vertalingen is de
+auteur echter beschermd. Is een tooneelstuk of dramatisch-muzikaal
+werk eenmaal, hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij vertaald,
+opgevoerd, dan is verdere opvoering voor iedereen vrij. Deze laatste
+bepaling wordt verschillend geïnterpreteerd. Kohler meent, dat ook
+eene van den auteur uitgaande uit- of opvoering vóór den datum der
+inwerkingtreding het opvoeringsrecht doet vervallen [671]. Volgens
+deze opvatting, die trouwens niet algemeen wordt gedeeld [672], zou
+dus geen der Nederlandsche tooneelstukken, die nu reeds in Duitschland
+vertoond zijn (zooals b.v. met verscheidene stukken van Heyermans het
+geval is) na onze toetreding tot de Conventie in Duitschland tegen
+opvoering beschermd zijn.
+
+In Denemarken zijn twee Koninklijke Besluiten van 19 Juni 1903
+en 2 April 1904, die de Deensche wet op het auteursrecht en dus
+ook hare overgangsbepalingen op werken uit andere Verbondslanden
+toepasselijk verklaren. In het algemeen mag elke reproductie, vóór de
+inwerkingtreding begonnen, voleindigd worden; doch het zal b.v. niet
+geoorloofd zijn later eene tweede uitgave zonder toestemming des
+auteurs te verspreiden [673].
+
+Zweden heeft den 8sten Juli 1904 in een K. B. bepalingen gemaakt
+op den overgangstoestand, door de toetreding tot het Verbond in
+het leven getreden. In Zweden verschenen vertalingen mogen verder
+verspreid en herdrukt worden; muziek- en tooneelwerken mogen door
+degenen, die ze reeds hebben uit- of opgevoerd, ook in het vervolg
+op deze wijze geëxploiteerd worden; ook van cliché's, die gediend
+hebben tot reproductie van kunst- of letterwerken mogen nog afdrukken
+worden gemaakt.
+
+In Engeland eindelijk zijn de overgangsbepalingen van de wet van
+25 Juni 1886 betreffende de internationale bescherming van het
+auteursrecht van toepassing op de Conventie (volgens een Kon. Besluit
+van 28 November 1887), terwijl tot nu toe, telkens wanneer een nieuwe
+staat tot het Verbond toetrad, deze bepalingen door een afzonderlijk
+besluit op de daardoor ontstane verhoudingen toepasselijk zijn
+verklaard. Dit zal dus hoogstwaarschijnlijk ook geschieden, wanneer
+ons land zich aansluit.
+
+De algemeene strekking van deze bepalingen is, dat buitenlandsche
+werken, die voordat de nieuwe internationale regeling van kracht
+was reeds bestonden, dezelfde bescherming genieten, alsof de
+desbetreffende Engelsche wetten reeds bij de eerste uitgave ervan
+daarop van toepassing waren (dezelfde regel dus als die van artikel
+18 der Conventie). Deze bescherming kan echter in geen geval met
+rechten of belangen in strijd zijn van degenen, die vóór dien tijd de
+bedoelde werken reeds gereproduceerd hadden. Hoever die rechten en
+belangen gaan, staat niet volkomen vast. Ik meen mij echter van een
+nader onderzoek over deze vraag, die reeds tot velerlei beschouwingen
+aanleiding heeft gegeven, te moeten onthouden [674].
+
+Dit vluchtig overzicht moge eenig denkbeeld hebben gegeven van
+hetgeen na onze aansluiting bij de Conventie den auteurs van reeds
+vóór dit tijdstip verschenen Nederlandsche werken in de verschillende
+Verbondslanden te wachten staat.
+
+Nu blijft nog de andere vraag ter beantwoording over, nl. wat hier
+te lande zal gelden ten aanzien van de werken uit andere landen.
+
+Tegenover Frankrijk en België zal, zooals reeds is opgemerkt, de
+bepaling van de met deze staten gesloten tractaten hier toepasselijk
+zijn. Tegenover de andere staten zal, indien men de volle bescherming
+niet terstond wil laten intreden, eene afzonderlijke regeling gemaakt
+moeten worden.
+
+Het vaststellen van enkele beperkingen, zooals de vier bovengenoemde
+staten hebben gedaan, schijnt mij niet ongewenscht toe. Het hierbij te
+volgen beginsel moet m. i. zijn, dat zij, die zich met de exploitatie
+van (tot dusver onbeschermde) werken hebben beziggehouden, in staat
+worden gesteld hunne zaken af te wikkelen, zoodat de kosten, die voor
+een dergelijke onderneming zijn gemaakt, kunnen worden goedgemaakt. Is
+dus een nadruk of vertaling reeds gedrukt, dan moet de verkoop der
+exemplaren vrij worden gelaten; zijn voor de monteering van een
+tooneelstuk costuums, decoratief en andere requisieten aangeschaft,
+dan moeten deze ook voor het beoogde doel gebruikt kunnen worden; zijn
+ter reproductie van werken van beeldende kunst cliché's vervaardigd,
+dan moeten daarvan ook afdrukken genomen kunnen worden. Het Duitsche
+systeem van afstempeling der cliché's en gedrukte exemplaren verdient
+hierbij wellicht navolging.
+
+De vrijheid, om met de reeds aangevangen exploitatie voort te gaan,
+mag echter niet langer worden uitgestrekt dan voor het beoogde
+doel noodzakelijk is. De bevoegdheid om een tooneelstuk nog te
+blijven vertoonen, moet b.v. m. i. niet langer duren dan twee of drie
+jaren. In elk geval verdient het afkeuring, de opvoering van een stuk
+aan ieder vrij te laten, indien daarvan, ook al is het maar éénmaal,
+eene vertooning heeft plaats gehad. Eene dergelijke vrijheid die,
+zooals wij gezien hebben, in de Duitsche wet wordt verleend, gaat
+m. i. veel te ver. De overgangsbepalingen hebben alleen reden van
+bestaan als middel tot bescherming der belangen van degenen, die
+reeds met de exploitatie waren begonnen; voor personen, die nog geen
+moeiten en kosten hebben aangewend, zijn dergelijke exceptionneele
+maatregelen niet noodig.
+
+
+
+De toetreding van ons land tot de Conventie zal--zooals uit het
+voorgaande herhaaldelijk is gebleken--gepaard moeten gaan met eene
+herziening van onze inlandsche wetgeving; de auteursbescherming zal
+hier eene belangrijke uitbreiding moeten ondergaan, wil ons land aan
+de verplichtingen der Conventie voldoen. Voorzoover deze uitbreiding
+mocht bestaan in eene verlenging van den duur van het auteursrecht,
+(een maatregel, die weliswaar niet strikt noodig maar toch ingevolge
+art 7 Conventie 1908 gewenscht is) zal volgens de bepaling van het
+laatste lid art. 18 der Conventie toepasselijk zijn. Indien--wat het
+waarschijnlijkst is--de wijziging in onze wet wordt aangebracht vóórdat
+de Conventie ten aanzien van ons land in werking is getreden, zou over
+de al of niet toepasselijkheid van de bepaling van het tweede lid van
+art. 18 der Conventie kunnen worden getwijfeld. Gesteld b.v. dat ons
+land tot de Conventie toetreedt, nadat eerst de beschermingstermijn
+in onze wet gebracht is op vijftig jaar na den dood des auteurs:
+dit zal dan tengevolge hebben, dat in elk ander Verbondsland,
+waar deze zelfde termijn geldt, de uit Nederland afkomstige werken
+vijftig jaar na den dood des auteurs beschermd zullen zijn. Maar
+hoe zal in dat geval beslist moeten worden ten aanzien van die
+Nederlandsche werken, welke vóór de herziening onzer wet door het
+verstrijken van den ouden termijn van korteren duur reeds gemeengoed
+waren geworden? Men kan niet zeggen, dat deze werken daardoor ook in
+de andere Verbondslanden gemeengoed waren geworden, daar zij op het
+tijdstip, dat dit dan zou moeten hebben geschieden, aldaar nog in het
+geheel niet beschermd waren. Toch meen ik, dat men in dat geval de
+bepaling van het tweede lid van art. 18 der Conventie bij analogie
+toepasselijk zal moeten achten. De bedoelde werken zullen dus in de
+andere Verbondslanden geen bescherming meer vinden, even alsof de
+verlenging van den termijn ná het in werking treden der Conventie
+had plaats gehad. Neemt men het tegenovergestelde aan, dan zou de
+bepaling eene onredelijke bevoorrechting inhouden voor de staten,
+die zich eerst later bij de Conventie aansluiten. Want stellen wij
+b.v. het geval dat in Duitschland, dat sinds de oprichting lid is
+van het Verbond, de termijn van het auteursrecht op vijftig jaar
+na den dood des auteurs wordt gebracht (hij is nu van dertig jaar)
+op hetzelfde tijdstip dat dit in Nederland, dat nog geen lid van het
+Verbond is, ook wordt gedaan. Het gevolg zou zijn, dat de Duitsche
+werken, waarvan de auteur reeds meer dan dertig jaar dood is, niet
+meer in de andere Verbondslanden van die langere bescherming zouden
+genieten; doch indien Nederland zich een jaar later bij het Verbond
+aansloot, dan zouden, volgens deze opvatting, de Nederlandsche werken,
+die onder volkomen dezelfde omstandigheden verkeeren, in diezelfde
+landen wél bescherming vinden. Een voordeel dus voor het land, dat
+zich het laatst bij de Conventie heeft aangesloten.
+
+Ten slotte nog enkele opmerkingen met betrekking tot de invoering
+in ons land van auteursrecht op werken van beeldende kunst, welke,
+zooals wij gezien hebben, eene voorwaarde is voor onze toetreding
+tot het Verbond.
+
+Het Ontw. B. K., dat geen overgangsbepalingen bevat, zou, eenmaal wet
+geworden, niet toepasselijk zijn op de werken, die meer dan dertig
+dagen vóór het inwerkingtreden ervan geleverd, tentoongesteld of
+openlijk te koop of ter bezichtiging zouden zijn gesteld, daar ten
+aanzien van deze werken niet zou kunnen zijn voldaan aan de voorwaarde,
+in art. 7 van het Ontwerp voor de bescherming gesteld. Het gevolg
+zou dus zijn, dat verreweg de meeste werken van beeldende kunst,
+die vóór het inwerkingtreden van de wet bestonden, onbeschermd zouden
+blijven. Deze werken zouden echter na onze toetreding tot het Verbond
+wél beschermd zijn in de andere Verbondslanden, daar volgens het
+nieuwe systeem der Conventie het ontbreken van bescherming in het
+land van herkomst alleen dán het auteursrecht in de andere landen
+doet te nietgaan, indien het het gevolg is van het verstrijken van
+den beschermingstermijn.
+
+Aan den anderen kant zouden ook de reeds bestaande werken uit andere
+Verbondslanden, voorzoover zij daartoe overigens in aanmerking komen,
+in Nederland wél beschermd zijn.
+
+Het zal daarom m. i. aanbeveling verdienen, in het Ontwerp eene
+bepaling op te nemen in den geest van die van artikel 18 eerste
+lid der Conventie. Als regel worde dus gesteld, dat het Ontwerp
+ook toepasselijk is op de werken, die vóór het tijdstip van het
+inwerkingtreden reeds bestonden. De beperkingen van dit auteursrecht
+ten bate van degenen, die reeds van deze werken reproducties in
+omloop hebben gebracht, kunnen dan dezelfde zijn, als die, welke
+ingevolge de bepaling van art. 18 derde lid der Conventie zullen
+worden vastgesteld. Zoodoende zou men de tegenwoordige generatie van
+Nederlandsche kunstenaars nog van de bescherming in hun eigen land
+doen genieten en wel binnen dezelfde grenzen als hunne tijdgenooten
+uit andere landen.
+
+
+
+
+III De wetten en afzonderlijke tractaten in verband met de Conventie
+(Conv. 1908 artt. 19 en 20; Conv. 1886 art. 15 en add. art.)
+
+Er is hierboven (pp. 349, 350, 366, 367 en 377) meer dan eens sprake
+geweest van het, op de Conferenties van Bern reeds uitgesproken
+beginsel, dat de Conventie slechts een minimum van bescherming
+waarborgt, d. w. z. dat zij er zich niet tegen verzet, dat buiten
+haar om rechten van wijder strekking worden genoten. Deze rechten
+kunnen berusten, hetzij op de inlandsche wetten, hetzij op bijzondere
+tractaten tusschen twee of meer Verbondsstaten.
+
+Wat de eerstgenoemde, dus op de wetten berustende, rechten betreft,
+daarover kwam vóór 1908 in de Conventie geen afzonderlijke bepaling
+voor. Het was echter zóó dikwijls en met zooveel nadruk op de
+Conferenties van Bern uitgesproken, dat de Conventie slechts een
+minimum van bescherming beoogt te geven [675], dat nooit door iemand
+is beweerd, dat het toekennen van eene ruimere bescherming volgens
+de inlandsche wetten in strijd met de Conventie zou zijn. Op de
+Conferentie van Parijs achtte men het daarom ook niet noodig eene
+uitdrukkelijke bepaling in de Conventie daarover op te nemen [676].
+
+Twijfelde dus niemand aan de bevoegdheid van elken Verbondsstaat, om
+aan de auteurs uit andere landen eene meer uitgebreide wettelijke
+bescherming te verleenen dan die welke uit de bepalingen der
+Conventie voortvloeide; sommigen gingen nog verder en beweerden dat
+de Verbondsstaten verplicht waren de rechten van de inlandsche wet,
+voorzoover zij boven het minimum der Conventie uitkwamen, ook aan de
+auteurs der andere landen te verleenen. Deze meening, die o. a. door
+de redactie van het officieele orgaan van het Verbond werd voorgestaan
+[677], werd verdedigd met een beroep op het bovengenoemde beginsel van
+de minimum-bescherming der Conventie in verband met den hoofdregel
+(art. 2 Conventie 1886), dat in elk Verbondsland op de werken uit
+andere landen de inlandsche wet toepasselijk is. Wanneer dus deze
+inlandsche wet meer gaf dan de Conventie, moest de omvang der
+bescherming worden berekend naar de eerste en niet naar de laatste.
+
+Uit hetgeen voorafgaat kan reeds zijn gebleken, dat ik deze meening
+niet deel. M. i. bedoelde men met de minimum-bescherming der Conventie
+alleen dit, dat eene ruimere bescherming buiten haar om bestaanbaar
+zou zijn; men wilde niet, dat rechten, die uit anderen hoofde konden
+worden ingeroepen, door de Conventie verkort zouden worden. Iets anders
+is uit hetgeen over deze vraag in de handelingen der verschillende
+Conferenties voorkomt, niet op te maken. Het zou trouwens min of meer
+ongerijmd zijn, dat rechten, die in de Conventie nauwkeurig zijn
+omschreven, zooals b.v. het uitsluitend vertalingsrecht, krachtens
+diezelfde Conventie in sommige landen naar een anderen, ruimeren,
+maatstaf zouden moeten worden toegemeten.
+
+Beroept men zich op de Conventie, dan moet men, voorzoover deze den
+omvang en den duur van het recht zelf vaststelt, zich daarmee tevreden
+stellen; meer kan redelijkerwijze niet worden verlangd [678]. Zoo
+heeft men het blijkbaar ook op de Conferentie van Berlijn ingezien. Er
+waren verschillende voorstellen, waarin meer of minder duidelijk
+de verhouding der Conventie tot de verder gaande (d. w. z. meer
+bescherming gevende) landswetten was aangegeven. De Commissie kwam
+tenslotte met de volgende redactie, die ongewijzigd is aanvaard
+(art. 19 Conventie 1908):
+
+
+ De bepalingen der tegenwoordige overeenkomst verhinderen niet de
+ toepassing te eischen van bepalingen van wijder strekking die in
+ de wetgeving van een Verbondsland mochten zijn vastgesteld ten
+ gunste van vreemdelingen in het algemeen.
+
+
+Uit de laatste woorden blijkt duidelijk, dat er geen sprake kan zijn
+van toepassing van alle voor de auteurs gunstigere wetsbepalingen
+zonder meer; slechts die bepalingen komen in aanmerking, die zijn
+vastgesteld "ten gunste van vreemdelingen in het algemeen". Alleen dus,
+als de wet uit zichzelf reeds toepasselijk is, kan de buitenlandsche
+auteur zich op hare bepalingen beroepen in plaats van op die der
+Conventie.
+
+Ten aanzien der afzonderlijke tractaten is hetzelfde beginsel
+gevolgd. Hierover bevatte de Conventie 1886 reeds bepalingen, nl. in
+art. 15 (t. a. v. nog te sluiten tractaten) en in het additionneel
+artikel (t. a. v. reeds gesloten tractaten). Beide bepalingen zijn nu
+in art. 20 Conventie 1908 samengebracht. De Verbondsstaten behouden
+zich het recht voor, bijzondere overeenkomsten onder elkander te
+sluiten, voorzoover deze aan de auteurs rechten van wijder strekking
+verleenen dan de Conventie, of overigens daarmede niet in strijd
+zijn. De bepalingen der bestaande overeenkomsten, die aan deze
+voorwaarde beantwoorden, blijven van toepassing.
+
+Een strijdvraag als die over de al of niet toepasselijkheid der
+wetten heeft zich ten aanzien der tractaten uit den aard der zaak
+nooit voorgedaan.
+
+Met betrekking tot ons land zijn de bovenbesproken bepalingen van
+weinig practisch belang, daar nóch onze wet, nóch onze tractaten met
+Frankrijk en België zich op punten van eenige beteekenis boven het
+minimum der Conventie verheffen.
+
+
+
+
+IV Huishoudelijke inrichting van het Verbond (Conv. 1908 artt. 21-24;
+Conv. 1886 artt. 16 en 17 en Slotpr. nos. 5 en 6)
+
+De vier artikelen, die nu volgen, betreffen de huishoudelijke
+inrichting van het Verbond: de inrichting en werkkring van
+het internationale Bureau te Bern, de wijze waarop dit wordt
+geadministreerd en de verdeeling van de kosten over de verschillende
+Verbondsstaten; verder de regeling der herzieningsconferenties.
+
+Voor den tekst dezer bepalingen verwijs ik naar de hierachter opgenomen
+bijlagen; tot bijzondere bespreking geven zij mij geen aanleiding.
+
+
+
+
+V Toetreding van nieuwe staten en hunne koloniën (Conv. 1908 artt. 25
+en 26; Conv. 1886 artt. 18 en 19)
+
+Reeds op de Conferentie van 1884 werd, op voorstel van den Duitschen
+afgevaardigde Reichardt, besloten, de bepaling in de Conventie op te
+nemen, dat slechts die staten zouden worden toegelaten er zich bij
+aan te sluiten, die in hunne wetgeving het auteursrecht erkennen
+[679]. Natuurlijk is het niet voldoende, dat er eene wet op het
+auteursrecht bestaat in het land dat wenscht toe te treden; deze wet
+moet ook aan zekere eischen voldoen.
+
+Dat onze tegenwoordige wetgeving aan deze eischen niet voldoet, is
+hierboven reeds meer dan eens opgemerkt. De belangrijkste leemte is wel
+het ontbreken van auteursrecht op werken van beeldende kunst en van
+uitvoeringsrecht van muziekwerken. Ook zou misschien bezwaar kunnen
+worden gemaakt tegen den korten termijn, dien onze wet voor het op-
+en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken
+en dramatisch-muzikale werken stelt, hoewel daarin opzichzelf
+waarschijnlijk geen reden zou worden gezien, om ons het toetreden tot
+het Verbond te beletten. Doch naast de hier genoemde zijn er nog vele
+andere punten, waarop onze wetgeving aanvulling en verbetering behoeft,
+voordat zij het gemiddeld peil van die der andere Verbondslanden zal
+hebben bereikt: zoo b.v. in zake het vertalingsrecht, de formaliteiten,
+het auteursrecht van photographieën, werken van kunstnijverheid en
+van bouwkunst, enz. enz. Al deze punten zijn hierboven afzonderlijk
+besproken en er is daarbij ook op gewezen, wat de gevolgen zouden
+zijn, indien deze hervormingen, die bij onze toetreding tot het
+Verbond weliswaar niet geëischt, maar toch wel min of meer van een
+toetredenden staat verwacht worden, achterwege zouden blijven.
+
+In het algemeen kan hierover nog worden gezegd, dat, indien men er
+prijs op stelt dat ons land niet alleen lid wordt van het Verbond, maar
+ook onder de goede leden ervan gerangschikt zal kunnen worden, onze
+wet zooveel mogelijk op de hoogte zal moeten worden gebracht van de
+Conventie, en dat men zich niet zal moeten bepalen tot het aanbrengen
+van die wijzigingen, welke krachtens artikel 25 strikt geboden zijn.
+
+Dit geldt ook voor de vrijheid, die art. 25 (laatste zinsnede) aan
+de toetredende staten laat, om op sommige punten in plaats van de
+bepalingen der Conventie 1908 die van de Conventie 1886 of van de
+Add. Acte van 1896 te aanvaarden. Herhaaldelijk heb ik er reeds
+op gewezen, dat het niet de bedoeling is, dat van deze vrijheid
+een ruim gebruik worde gemaakt. Men is tot dezen maatregel niet
+dan noodgedrongen overgegaan. Wat erdoor wordt opgeofferd is niet
+zonder belang, nl. de eenheid in het Verbond: "si nous avons l'Union,
+nous n'avons pas l'unité" wordt spijtig in het rapport van Renault
+opgemerkt [680]. Van de staten, die het brengen van dit offer noodig
+maken door den achterlijken stand hunner wetgeving op dit gebied,
+waardoor zij anders voor langen tijd buiten het Verbond zouden moeten
+blijven, kan daarom worden verwacht, dat zij van hun kant ook tot
+eenige concessies geneigd zullen zijn. De eenheid in het Verbond,
+zonder welke het slechts ten deele aan zijn doel kan beantwoorden,
+mag m. i. niet dan om zeer belangrijke redenen door een zijner leden
+worden verstoord.
+
+
+
+Artikel 26 regelt de wijze waarop de koloniën in de toetreding kunnen
+worden begrepen. De bepalingen hierover zijn duidelijk en behoeven
+geene nadere verklaring.
+
+Ik wil alleen, in verband hiermede, herinneren aan de eigenaardige
+verhouding tusschen ons land en de koloniën Suriname en Curaçao
+ten opzichte van het auteursrecht. Zooals reeds is vermeld wordt
+het in Nederland volgens de wet van 1881 bestaande auteursrecht wél
+in Suriname en Curaçao erkend; niet echter omgekeerd dat van deze
+koloniën in het moederland.
+
+Indien Nederland, zooals te verwachten is, zich met alle koloniën
+bij de Conventie aansluit, zou het onredelijke van dezen toestand
+nog meer uitkomen dan nu het geval is. Volgens de Conventie wordt een
+land met zijne koloniën (voorzoover deze natuurlijk in de toetreding
+zijn begrepen) als een geheel beschouwd [681]; in het gestelde geval
+zou dus b.v. een te Paramaribo uitgekomen boek in het Verbond als
+een Nederlandsch werk gelden; Nederland zou volgens art. 4 lid 3
+der Conventie het land van herkomst zijn. In Nederland zelf zou het
+echter niet beschermd zijn, behalve in het geval, dat de schrijver
+een vreemdeling was, want dan zou art. 5 of art. 6 der Conventie erop
+toepasselijk zijn. De toetreding van ons land tot de Conventie moge
+daarom eene aanleiding zijn, om ook de Nederlandsche wet toepasselijk
+te verklaren op werken uit Curaçao en Suriname.
+
+Het behoeft verder nauwelijks te worden gezegd, dat ook in de koloniën,
+die in de toetreding begrepen worden, de wet moet beantwoorden aan
+de eischen der Conventie. Invoering van auteursrecht op werken van
+beeldende kunst, van uitvoeringsrecht van muziekwerken enz. enz. zal
+dus ook in Suriname en Curaçao moeten geschieden.
+
+
+
+
+VI Bekrachtiging, inwerkingtreding en opzegging (Conv. 1908
+artt. 27-30; Conv. 1886 artt. 20 en 21 en Slotpr. no. 7; Add. Acte
+1896 art. 20)
+
+De vier laatste artikelen der Conventie hebben geen lange bespreking
+noodig; de bepalingen die zij inhouden zijn meest van formeelen aard.
+
+Artikel 27 bepaalt, dat de Conventie 1908 in de plaats treedt van de
+Conventie 1886 en de Add. Acte van Parijs. Het laat echter aan de
+staten, die nu deel uitmaken van het Verbond, de vrijheid, om lid
+te blijven zonder de nieuwe Conventie te aanvaarden. In dat geval
+blijven dus de oude bepalingen in de betrekkingen met die staten
+van kracht. Bovendien kunnen de staten, die de nieuwe Conventie wél
+aanvaarden, evenals de nieuw toetredende staten op sommige punten
+verklaren, door de vroegere verdragsbepalingen gebonden te blijven.
+
+Artikel 28 regelt de bekrachtiging, artikel 29 de inwerkingtreding
+en de opzegging.
+
+Artikel 30 eindelijk houdt eene bepaling in, die in verband
+staat met het systeem der facultatieve aanvaarding, dat in
+1908 is ingevoerd. Volgens dit systeem is het--zooals wij gezien
+hebben--mogelijk, dat de internationale bescherming in het Verbond
+wijzigingen ondergaat, zonder dat er iets aan de bepalingen der
+Conventie wordt veranderd.
+
+Dit kan nl. het geval zijn, wanneer een staat in zijne wetgeving
+den beschermingstermijn verlengt, daar dit tengevolge heeft, dat de
+uit dat land afkomstige werken ook in andere landen langer beschermd
+kunnen zijn.
+
+In de tweede plaats kan dit het geval zijn, wanneer een staat,
+die eerst krachtens een van de artt. 25, 26 of 27 bedongen had op
+een of meer punten door de oude verdragsbepalingen van 1886 of 1896
+gebonden te zijn, hiervan afstand doet. Ook dit brengt natuurlijk
+een nieuwen rechtstoestand teweeg voor de werken uit dat land in de
+andere Verbondslanden.
+
+Voor deze beide gevallen nu bepaalt art. 30, dat de betreffende staat
+van den stap, dien hij heeft gedaan, eene schriftelijke mededeeling
+aan de Zwitsersche Regeering moet doen, die dan op hare beurt de
+andere staten daarmede in kennis stelt.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGEN
+
+
+BIJLAGE I
+
+
+Wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad no. 124) tot regeling van het
+auteursrecht
+
+
+
+
+§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht
+
+
+Artikel 1
+
+Het recht om geschriften, plaat-, kaart-, muziek-, tooneelwerken en
+mondelinge voordrachten door den druk gemeen te maken, alsmede om
+dramatisch-muzikale werken en tooneelwerken in het openbaar uit- of
+op te voeren, komt uitsluitend den auteur en zijnen rechtverkrijgenden
+toe.
+
+Met eene uit- of opvoering in het openbaar wordt gelijkgesteld elke
+uit- of opvoering, die tegen betaling, voor eens of voor meermalen,
+toegankelijk is, zelfs dan wanneer bovendien eene ballotage gevorderd
+wordt.
+
+
+
+Artikel 2
+
+Met auteurs worden gelijkgesteld:
+
+a. ondernemers van in artikel 1 vermelde werken, gevormd door bijdragen
+van onderscheidene mede-arbeiders;
+
+b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en
+vennootschappen, ten opzichte van de door hen bezorgde werken;
+
+c. vertalers ten opzichte van hunne vertaling.
+
+Bij werken gevormd door bijdragen van onderscheidene mede-arbeiders
+behoudt bovendien ieder mede-arbeider het auteursrecht op de door
+hem geleverde bijdrage, voorzoover niet anders is bedongen.
+
+Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden
+blijft het tweede lid van art. 13 buiten toepassing.
+
+
+
+Artikel 3
+
+Bij werken, zonder naam van auteur of onder een verdichten naam door
+den druk gemeen gemaakt, wordt de uitgever en, zoo ook diens naam niet
+op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag vermeld is, de
+drukker als auteur aangemerkt, totdat een ander zich als rechthebbende
+heeft doen kennen op den voet in de artikelen 10 en 11 bepaald,
+met uitzondering van den in art. 10 gestelden termijn van inzending.
+
+
+
+Artikel 4
+
+Behalve in de door Ons te bepalen gevallen, bestaat er geen
+auteursrecht van wetten, besluiten, verordeningen en van hetgeen
+verder in woord of schrift, door of van wege eenige openbare macht
+ter algemeene kennis gebracht is [682].
+
+
+
+Artikel 5
+
+Tot het recht van den auteur behoort het uitsluitend recht om door
+den druk gemeen te maken vertalingen van:
+
+a. zijne niet door den druk gemeen gemaakte werken, daaronder begrepen
+zijne mondelinge voordrachten;
+
+b. zijne door den druk gemeen gemaakte werken, indien hij zich bij
+de oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan
+op den omslag van het werk, dit uitsluitend recht voor een of meer
+bepaald genoemde talen uitdrukkelijk voorbehoudt, en zijne vertaling
+binnen drie jaren na de oorspronkelijke uitgave door den druk heeft
+gemeen gemaakt.
+
+Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan,
+wordt deze termijn voor elk deel of elke afdeeling afzonderlijk
+berekend.
+
+
+
+Artikel 6
+
+Bij gelijktijdige uitgave van hetzelfde werk in onderscheidene talen
+wordt slechts ééne uitgave als de oorspronkelijke aangemerkt en gelden
+de overige als vertalingen.
+
+De auteur is bevoegd op het titelblad of bij gebreke daarvan op
+den omslag aan te wijzen, welke uitgave hij als de oorspronkelijke
+beschouwt.
+
+Bij gebreke van zoodanige aanwijzing wordt de uitgave in de moedertaal
+des auteurs als de oorspronkelijke aangemerkt.
+
+
+
+Artikel 7
+
+Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken belet niet,
+dat daaruit ter aankondiging of beoordeeling, aanhalingen in andere
+werken worden opgenomen.
+
+Mits de bron genoemd worde, staat het vrij, berichten of opstellen uit
+dag- en weekbladen verder door den druk gemeen te maken, tenzij het
+auteursrecht aan het hoofd van zoodanig bericht of opstel uitdrukkelijk
+is voorbehouden en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10.
+
+
+
+Artikel 8
+
+Het auteursrecht wordt beschouwd als eene roerende zaak.
+
+Het is vatbaar voor geheele of gedeeltelijke overdracht en gaat over
+bij erfopvolging.
+
+Het is niet vatbaar voor beslag.
+
+
+
+
+§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op door den druk
+gemeen gemaakte werken
+
+
+Artikel 10
+
+Het auteursrecht op een door den druk gemeen gemaakt werk vervalt,
+zoo niet de auteur, uitgever of drukker twee exemplaren van dat werk,
+op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig
+onderteekend, met opgaaf van zijne woonplaats en van het tijdstip der
+uitgave, binnen eene maand na de uitgave inzendt bij het Departement
+van Justitie, voor zooveel vertalingen betreft met inachtneming van
+den in art. 5b gestelden termijn.
+
+Bij de inzending moet worden overgelegd eene door den drukker
+onderteekende verklaring, dat het werk op zijne in het Rijk gevestigde
+drukkerij is gedrukt.
+
+
+
+Artikel 11
+
+Het Departement van Justitie geeft aan de inzenders een gedagteekend
+bewijs van ontvangst af.
+
+Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
+een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen.
+
+Van de ingezonden werken en vertalingen wordt maandelijks eene opgaaf
+gedaan in de Nederlandsche Staatscourant.
+
+
+
+Artikel 12
+
+De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of
+tooneelwerken uit- of op te voeren, gaat verloren zoodra die
+werken door den druk zijn gemeen gemaakt, tenzij de auteur bij de
+oorspronkelijke uitgave, op het titelblad of bij gebreke daarvan op den
+omslag van het werk, zich die bevoegdheid uitdrukkelijk voorbehoudt.
+
+
+
+
+§ 3 Duur van het auteursrecht
+
+
+Artikel 13
+
+Het auteursrecht van door den druk gemeen gemaakte werken duurt
+vijftig jaren na de eerste uitgave, te rekenen van de dagteekening
+van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 11.
+
+Indien de auteur dezen termijn overleeft en zijn recht nooit aan een
+ander heeft overgedragen, behoudt hij dat recht levenslang.
+
+
+
+Artikel 14
+
+Het auteursrecht van niet door den druk gemeen gemaakte werken,
+mondelinge voordrachten daaronder begrepen, duurt tijdens het leven
+van den auteur en dertig jaren na zijn dood.
+
+
+
+Artikel 15
+
+De uitsluitende bevoegdheid om dramatisch-muzikale werken of
+tooneelwerken uit- of op te voeren duurt:
+
+1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken tijdens het leven
+van den auteur en dertig jaren na zijn dood;
+
+2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken, waarbij die uitsluitende
+bevoegdheid wordt voorbehouden, gedurende tien jaren sedert de
+dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van ontvangst.
+
+
+
+Artikel 16
+
+De uitsluitende bevoegdheid tot het door den druk gemeen maken van
+vertalingen duurt:
+
+1o. voor niet door den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge
+voordrachten daaronder begrepen, zoolang daarop auteursrecht bestaat;
+
+2o. voor door den druk gemeen gemaakte werken gedurende vijf jaren
+sedert de dagteekening van het in art. 11 vermelde bewijs van
+ontvangst.
+
+
+
+Artikel 17
+
+Bij werken, die uit onderscheidene deelen of afleveringen bestaan,
+wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering
+afzonderlijk berekend.
+
+
+
+
+§ 4 Handhaving van het auteursrecht
+
+
+Artikel 18
+
+Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering, voortvloeiende uit elke
+inbreuk op het auteursrecht, wordt hij, die opzettelijk inbreuk maakt
+op eens anders auteursrecht, gestraft met geldboete van ten minste
+vijftig cents en ten hoogste tweeduizend gulden.
+
+De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de
+den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen, die tot het
+plegen van het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den
+Staat verbeurd verklaard.
+
+
+ Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
+ 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349 bis van het Wetboek
+ van Strafrecht:
+
+ Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht,
+ wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tweeduizend gulden.
+
+ De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede
+ de den schuldige toebehoorende platen, vormen en matrijzen,
+ die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben, worden
+ verbeurdverklaard.
+
+
+
+Artikel 19
+
+Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op
+eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt,
+wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten
+hoogste zeshonderd gulden.
+
+De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren
+worden ten behoeve van den Staat verbeurdverklaard.
+
+
+ Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
+ 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349ter van het Wetboek
+ van Strafrecht:
+
+ Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op
+ eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt,
+ wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
+
+ De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren
+ worden verbeurdverklaard.
+
+
+
+Artikel 20
+
+De misdrijven, in de artt. 18 en 19 bedoeld, worden niet vervolgd
+dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.
+
+
+ Voor het rijk in Europa krachtens art. 7 der wet van 15 Januari
+ 1886 (Stbl. no. 6) vervangen door artikel 349 quater van het
+ Wetboek van Strafrecht:
+
+ De misdrijven in de beide voorgaande artikelen omschreven, worden
+ niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.
+
+
+
+Artikel 21
+
+De ingevolge de artt. 18 en 19 verbeurdverklaarde exemplaren worden
+aan den auteur of zijne rechtverkrijgenden afgegeven, indien deze
+zich daartoe ter griffie aanmelden binnen acht dagen nadat het vonnis
+in kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke daarvan worden deze
+exemplaren vernietigd.
+
+Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering
+tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den
+rechthebbende afgegeven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.
+
+
+
+Artikel 22
+
+Auteurs of hunne rechtverkrijgenden kunnen in beslag nemen en
+afgifte of vernietiging vorderen van exemplaren, die in strijd met
+hun uitsluitend recht door den druk zijn gemeen gemaakt.
+
+Dit beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen
+berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze
+tot eigen gebruik hebben verkregen.
+
+De artt. 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke
+Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.
+
+
+
+Artikel 23
+
+Bij opheffing van het beslag kan de arrestant worden veroordeeld tot
+vergoeding van kosten, schaden en interessen.
+
+
+
+
+§ 5 Overgangsbepalingen
+
+
+Artikel 24
+
+Kopijrecht of eenig ander recht van dezen aard verkregen onder eene
+vroegere wetgeving blijft gehandhaafd, mits de gerechtigde, binnen één
+jaar na het in werking treden dezer wet, daaromtrent eene verklaring
+inzendt bij het Departement van Justitie.
+
+De artt. 18-23 dezer wet zijn op dat recht van toepassing.
+
+
+
+Artikel 25
+
+Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet door
+den druk gemeen gemaakt werk, dat volgens de vroegere wetgeving niet
+voor recht van kopij vatbaar was of omtrent hetwelk de destijds
+vereischte formaliteiten niet behoorlijk zijn in acht genomen,
+kan worden uitgeoefend, tenzij de auteur, uitgever of drukker
+binnen één jaar na het in werking treden dezer wet twee exemplaren,
+op het titelblad of bij gebreke daarvan op den omslag eigenhandig
+onderteekend, inzendt bij het Departement van Justitie, met opgaaf
+van zijne woonplaats en van het tijdstip der oorspronkelijke uitgave.
+
+Dit tijdstip strekt tot aanvangspunt bij de berekening van den duur
+van het auteursrecht, behoudens tegenbewijs.
+
+Het in dit artikel bedoelde auteursrecht kan niet worden ingeroepen
+tegen werken, die reeds vóór het in werking treden dezer wet zijn
+aangevangen of voltooid en destijds geoorloofd waren.
+
+
+
+Artikel 26
+
+Het Departement van Justitie geeft aan de in de artikelen 24 en 25
+bedoelde inzenders een gedagteekend bewijs van ontvangst af.
+
+Van deze bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
+een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen.
+
+Van de ingezonden verklaringen en werken wordt maandelijks eene opgave
+gedaan in de Nederlandsche Staatscourant, met vermelding van het door
+den inzender opgegeven tijdstip der oorspronkelijke uitgave van de
+ingezonden werken.
+
+
+
+
+§ 6 Slotbepalingen
+
+
+Artikel 27
+
+Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië
+gedrukte en door den druk gemeen gemaakte werken, op niet door
+den druk gemeen gemaakte werken afkomstig van in Nederland of
+in Nederlandsch-Indië woonachtige auteurs, daaronder begrepen in
+Nederland of in Nederlandsch-Indië gehouden mondelinge voordrachten.
+
+
+
+Artikel 28
+
+Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië.
+
+De aldaar door den druk gemeen gemaakte werken behooren te worden
+ingezonden aan den directeur van justitie, door wiens zorg daarvan
+opgaaf gedaan wordt in de Javasche Courant, en op wien verder de
+verplichtingen rusten, bij deze Wet aan het Departement van Justitie
+opgedragen.
+
+De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig
+de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.
+
+In het geval, bedoeld in art. 22 zijn voor Nederlandsch-Indië van
+toepassing de gelijksoortige bepalingen van de aldaar geldende
+reglementen, met inachtneming van het verschil dat bestaat tusschen
+de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die
+voor de inlanders en met deze gelijkgestelden.
+
+Geen auteursrecht op een vóór het in werking treden dezer wet in
+Nederlandsch-Indië door den druk gemeen gemaakt werk kan worden
+uitgeoefend, tenzij ten opzichte van dat werk gehandeld wordt
+overeenkomstig art. 25.
+
+
+
+Artikel 29
+
+Alle vroegere wettelijke bepalingen betreffende het recht van kopij,
+van vertaling, van uit- en opvoering zijn ingetrokken.
+
+
+
+Artikel 30
+
+Deze wet treedt in werking den 1sten Januari 1882.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGE II
+
+
+Gewijzigd ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht op werken
+van beeldende kunst
+
+(Handelingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1884-1855 tweede
+zitting 72-5.)
+
+
+
+§ 1 Begrip en omvang van het auteursrecht op werken van beeldende kunst
+
+
+Artikel 1
+
+Het recht om een werk van beeldende kunst op oorspronkelijke grootte,
+op grooter of op verkleinde schaal, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk
+te copieeren, na te bootsen, af te beelden en te verveelvoudigen
+of dit door anderen te laten doen, hetzij door middel van dezelfde
+of door eene andere beeldende kunst, of langs mechanischen weg,
+komt uitsluitend toe aan den oorspronkelijken vervaardiger van het
+kunstwerk en zijne rechtverkrijgenden.
+
+Op werken der bouwkunst is deze bepaling niet toepasselijk, behalve
+op bouwkundige teekeningen en modellen.
+
+
+
+Artikel 2
+
+Met den oorspronkelijken vervaardiger worden gelijkgesteld:
+
+a. uitgevers en andere ondernemers van verzamelingen van in art. 1
+bedoelde kunstwerken, bijeengebracht door bijdragen van onderscheidene
+kunstenaars, ten opzichte van die verzamelingen;
+
+b. openbare instellingen, vereenigingen, stichtingen en vennootschappen
+ten opzichte van de door hunne zorg openbaar gemaakte kunstwerken.
+
+Bij verzamelingen onder a bedoeld, behoudt echter ieder mede-arbeider
+het auteursrecht op de door hem geleverde bijdrage afzonderlijk,
+voor zoover niet het tegendeel is bedongen.
+
+Ten aanzien van de onder a en b van dit artikel vermelde rechthebbenden
+blijft het tweede lid van art. 9 dezer wet buiten toepassing.
+
+
+
+Artikel 3
+
+Als nabootsing wordt niet beschouwd:
+
+a. de vrije navolging van eens anders kunstwerk tot het scheppen van
+een nieuw kunstwerk;
+
+b. het maken van eene copie voor eigen studie van een kunstwerk, mits
+dit zonder eenig rechtstreeksch of zijdelingsch doel van winstbejag
+geschiedt, en op de copie duidelijk vermeld staat, dat het eene
+copie is.
+
+In ieder geval is het verboden den naam of het naamteeken of eenig
+ander merkteeken des oorspronkelijken vervaardigers, op een kunstwerk
+voorkomende, na te maken;
+
+c. het plaatsen in een drukwerk van gegraveerde of andere afbeeldingen
+van kunstwerken, uitsluitend tot opheldering van den tekst dienende, en
+
+d. het maken van afbeeldingen van openbare monumenten.
+
+
+
+Artikel 4
+
+Hij, die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd,
+op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door
+eene mechanische bewerking namaakt, heeft op dien namaak het recht
+bij art. 1 aan den oorspronkelijken vervaardiger van een kunstwerk
+toegekend, hetzij van het oorspronkelijke kunstwerk een bij art. 1
+bedoeld uitsluitend recht bestaat of niet.
+
+
+
+Artikel 5
+
+Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst wordt beschouwd als
+eene onlichamelijke roerende zaak.
+
+Het is vatbaar voor geheele overdracht, alsmede voor beperkte
+overdracht ten aanzien van eene of meer kunstvormen; het gaat over
+bij erfopvolging. Het is niet vatbaar voor beslag.
+
+
+
+Artikel 6
+
+De levering van een kunstwerk, waarvan het auteursrecht is gewaarborgd
+volgens § 2 dezer wet, geldt niet als eigendomsverkrijging van
+het auteursrecht voor den bezitter, die niet de oorspronkelijke
+vervaardiger is, tenzij hij door een schriftelijk bewijs kan
+aantoonen, het auteursrecht met het kunstwerk te hebben verkregen
+van den oorspronkelijken vervaardiger of diens rechtverkrijgende.
+
+Bijaldien de oorspronkelijke vervaardiger of diens rechtverkrijgende
+zich heeft verbonden geene copie, nabootsing of afbeelding van een
+kunstwerk, waarop hij het auteursrecht heeft, te maken of te laten
+maken, geldt deze overeenkomst tusschen partijen, maar doet, ten
+aanzien van derden, het auteursrecht niet vervallen.
+
+Al heeft de bezitter van het kunstwerk het auteursrecht niet verkregen,
+kan hij echter niet worden gedwongen toe te laten, dat in zijne
+woning, magazijn of kunstverzameling, iemand copieën, nabootsingen
+of afbeeldingen van het kunstwerk komt maken, tenzij het tegendeel
+is overeengekomen.
+
+
+
+
+§ 2 Voorwaarden tot uitoefening van het auteursrecht op werken van
+beeldende kunst
+
+
+Artikel 7
+
+Het auteursrecht op een werk van beeldende kunst vervalt, indien
+de oorspronkelijke vervaardiger of zijn rechtverkrijgende niet
+vóór of uiterlijk dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste
+maal geleverd of tentoongesteld, of wel openlijk te koop of ter
+bezichtiging is aangeboden, eene geschrevene en door hem of eenen bij
+authentieke akte daartoe gemachtigde onderteekende beschrijving van
+het kunstwerk, volgens door Ons vast te stellen model, inzendt bij een
+der Departementen van algemeen bestuur, door Ons aan te wijzen. Bestaat
+het kunstwerk in platen, afgietsels, gravures, photografieën of andere
+verveelvuldigde exemplaren, dan wordt tegelijk met de beschrijving
+een exemplaar ingezonden.
+
+
+
+Artikel 8
+
+De betrokken Minister geeft aan den inzender een gedagteekend bewijs
+van ontvangst van de beschrijving en van het exemplaar af.
+
+De beschrijving en het exemplaar worden vermoed tijdig te zijn
+ingezonden, behoudens bewijs van het tegendeel.
+
+Van de bewijzen wordt aan het Departement een dubbel gehouden in
+een register, waarvan ieder kosteloos inzage en voor zijne rekening
+uittreksel of afschrift kan ontvangen.
+
+De ingezondene exemplaren van kunstwerken kunnen in Rijksverzamelingen
+worden geplaatst, mits voorzien van eene etiquette, aanduidende
+dat daarvoor op de aangeduide dagteekening een bewijs van ontvangst
+is afgegeven.
+
+Van de ingezonden beschrijvingen wordt maandelijks eene opgave gedaan
+in de Nederlandsche Staatscourant.
+
+
+
+
+§ 3 Duur van het auteursrecht op werken van beeldende kunst
+
+
+Artikel 9
+
+Het auteursrecht op een kunstwerk duurt vijftig jaren, te rekenen
+van de dagteekening van het bewijs van ontvangst, vermeld in art. 8.
+
+Indien de vervaardiger dezen termijn overleeft, en zijn recht niet aan
+een ander heeft overgedragen, behoudt hij het auteursrecht levenslang.
+
+
+
+Artikel 10
+
+Bij kunstwerken die uit onderscheiden deelen of afleveringen bestaan,
+wordt de duur van het auteursrecht voor elk deel of elke aflevering
+afzonderlijk berekend.
+
+
+
+Artikel 11
+
+Op het beperkte auteursrecht, bedoeld in art. 4, zijn de artt. 7 en
+8 toepasselijk. Het duurt, na de dagteekening van het bewijs van
+ontvangst in art. 8 vermeld, tien jaren of zooveel langer als het
+auteursrecht op het oorspronkelijke kunstwerk nog van kracht blijft.
+
+
+
+
+§ 4 Handhaving van het auteursrecht op werken van beeldende kunst
+
+
+Artikel 12
+
+Onverminderd de burgerlijke rechtsvordering tot vergoeding van
+door inbreuk op het auteursrecht toegebrachte schade, wordt hij die
+opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, bedoeld in
+art. 1 of 4, gestraft met geldboete van tenminste vijftig cents en
+ten hoogste vijf duizend gulden.
+
+De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren, die bij de
+ontdekking van het misdrijf in het bezit van den schuldige zijn,
+alsmede de den schuldige toebehoorende platen, steenen, vormen
+en andere werktuigen en gereedschappen, die tot het plegen van
+het misdrijf gediend hebben, worden ten behoeve van den Staat
+verbeurdverklaard.
+
+
+
+Artikel 13
+
+Hij, die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens
+anders auteursrecht, bedoeld in art. 1 of 4, verkoopt, verspreidt of
+openlijk te koop stelt, wordt gestraft met geldboete van ten minste
+vijftig cents en ten hoogste twee duizend gulden.
+
+De door middel van het misdrijf verkregen exemplaren worden ten
+behoeve van den Staat verbeurdverklaard.
+
+
+
+Artikel 14
+
+De misdrijven, in de artt. 12 en 13 bedoeld, worden niet vervolgd, dan
+op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn. Gaan die misdrijven
+gepaard met een volgens het Wetboek van Strafrecht strafbaar bedrog,
+dan gelden omtrent dit laatste de algemeene regelen ten aanzien der
+strafvervolging.
+
+
+
+Artikel 15
+
+De ingevolge artt. 12 en 13 verbeurdverklaarde exemplaren, platen,
+steenen, vormen en andere werktuigen en gereedschappen worden
+aan hem, op wiens auteursrecht inbreuk is gemaakt, of aan zijn
+rechtverkrijgende afgegeven, indien deze zich daartoe ter griffie
+aanmeldt binnen veertien dagen, nadat het veroordeelend vonnis in
+kracht van gewijsde is gegaan. Bij gebreke van zoodanige aanmelding
+worden deze exemplaren, platen, steenen, vormen en andere werktuigen
+en gereedschappen vernietigd.
+
+Heeft de rechter te beslissen over eene burgerlijke rechtsvordering
+tot schadevergoeding, zoo brengt hij daarbij de waarde der aan den
+rechthebbende af te geven exemplaren zooveel mogelijk in rekening.
+
+
+
+Artikel 16
+
+Hij aan wien het auteursrecht op een kunstwerk, in art. 1 of 4 bedoeld,
+toekomt, kan in beslag nemen en afgifte of vernietiging vorderen van
+exemplaren welke in strijd met zijn uitsluitend recht zijn vervaardigd,
+ook zelfs wanneer die exemplaren aan een onroerend goed aard- of
+nagelvast zijn gemaakt of door bestemming onder onroerende zaken
+worden begrepen.
+
+Hij, die het beslag legt, moet de schade vergoeden, door het losmaken
+der exemplaren, aan het onroerend goed waaraan zij waren vastgehecht,
+toegebracht.
+
+Het beslag kan niet worden gelegd op enkele exemplaren, onder personen
+berustende, die in zoodanige voorwerpen geen handel drijven en deze
+tot eigen gebruik hebben verkregen.
+
+De artikelen 722 tot en met 726 van het Wetboek van Burgerlijke
+Rechtsvordering zijn op dit beslag van toepassing.
+
+
+
+Artikel 17
+
+Bij opheffing van het beslag kan hij, die het gelegd heeft, worden
+veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen.
+
+
+
+Artikel 18
+
+Overtreding van het verbod, vervat in art. 3b, tweede zinsnede,
+wordt gestraft met geldboete van ten minste vijftig cents en ten
+hoogste duizend gulden.
+
+
+
+
+§ 5 Slotbepalingen
+
+
+Artikel 19
+
+Deze wet is van toepassing op in Nederland of in Nederlandsch-Indië
+vervaardigde kunstwerken en op kunstwerken vervaardigd door in
+Nederland of in Nederlandsch-Indië woonachtige kunstenaars.
+
+
+
+Artikel 20
+
+Deze wet is ook verbindend voor Nederlandsch-Indië.
+
+De in art. 7 bedoelde beschrijving en het in dat artikel mede
+bedoelde exemplaar van het kunstwerk worden wanneer zij in
+Nederlandsch-Indië vervaardigde kunstwerken of die waarvan de
+oorspronkelijke vervaardigers in Nederlandsch-Indië woonachtig
+zijn, betreffen, ingezonden aan den hoofdambtenaar, daartoe door
+den Gouverneur-Generaal aan te wijzen; door de zorg van dezen
+hoofdambtenaar wordt daarvan opgave gedaan in de Javasche Courant,
+en op hem rusten de verplichtingen, bij art. 8 dezer wet aan den
+betrokken Minister in Nederland opgedragen.
+
+De Nederlandsche Staatscourant en de Javasche Courant nemen wederkeerig
+de opgaven zoo spoedig mogelijk van elkander over.
+
+In het geval, bedoeld in artikel 16, zijn voor Nederlandsch-Indië
+van toepassing de overeenkomstige bepalingen van de aldaar geldende
+reglementen, met inachtneming van het verschil, dat bestaat tusschen
+de wetgeving voor de Europeanen en met deze gelijkgestelden en die
+voor de inlanders en met deze gelijkgestelden.
+
+
+
+Artikel 21
+
+Deze wet treedt in werking ........
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGE III
+
+
+A
+
+Convention de Berne du 9 Septembre 1886 concernant la création d'une
+Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires
+et artistiques
+
+
+
+Article premier
+
+Les pays contractants sont constitués à l'état d'Union pour la
+protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires
+et artistiques.
+
+
+
+Article 2
+
+Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
+ayants cause, jouissent, dans les autres pays, pour leurs oeuvres,
+soit publiées dans un de ces pays, soit non publiées, des droits que
+les lois respectives accordent actuellement ou accorderont par la
+suite aux nationaux.
+
+La jouissance de ces droits est subordonnée à l'accomplissement
+des conditions et formalités prescrites par la législation du pays
+d'origine de l'oeuvre; elle ne peut excéder, dans les autres pays,
+la durée de la protection accordée dans ledit pays d'origine.
+
+Est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre, celui de la première
+publication, ou, si cette publication a lieu simultanément dans
+plusieurs pays de l'Union, celui d'entre eux dont la législation
+accorde la durée de protection la plus courte.
+
+Pour les oeuvres non publiées, le pays auquel appartient l'auteur
+est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre.
+
+
+
+Article 3
+
+Les stipulations de la présente Convention s'appliquent également
+aux éditeurs d'oeuvres littéraires ou artistiques publiées dans un
+des pays de l'Union, et dont l'auteur appartient à un pays qui n'en
+fait pas partie.
+
+
+
+Article 4
+
+L'expression "oeuvres littéraires et artistiques" comprend les
+livres, brochures ou tous autres écrits; les oeuvres dramatiques ou
+dramatico-musicales, les compositions musicales avec ou sans paroles;
+les oeuvres de dessin, de peinture, de sculpture, de gravure; les
+lithographies, les illustrations, les cartes géographiques; les
+plans, croquis et ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à
+la topographie, à l'architecture ou aux sciences en général; enfin
+toute production quelconque du domaine littéraire, scientifique
+ou artistique, qui pourrait être publiée par n'importe quel mode
+d'impression ou de reproduction.
+
+
+
+Article 5
+
+Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs ayants
+cause, jouissent, dans les autres pays, du droit exclusif de faire
+ou d'autoriser la traduction de leurs ouvrages jusqu'à l'expiration
+de dix années à partir de la publication de l'oeuvre originale dans
+l'un des pays de l'Union.
+
+Pour les ouvrages publiés par livraisons, le délai de dix années
+ne compte qu'à dater de la publication de la dernière livraison de
+l'oeuvre originale.
+
+Pour les oeuvres composées de plusieurs volumes publiés par
+intervalles, ainsi que pour les bulletins ou cahiers publiés par
+des sociétés littéraires ou savantes ou par des particuliers, chaque
+volume, bulletin ou cahier est, en ce qui concerne le délai de dix
+années, considéré comme ouvrage séparé.
+
+Dans les cas prévus au présent article, est admis comme date de
+publication, pour le calcul des délais de protection, le 31 décembre
+de l'année dans laquelle l'ouvrage a été publié.
+
+
+
+Article 6
+
+Les traductions licites sont protégées comme des ouvrages
+originaux. Elles jouissent, en conséquence, de la protection stipulée
+aux articles 2 et 3 en ce qui concerne leur reproduction non autorisée
+dans les pays de l'Union.
+
+Il est entendu que, s'il s'agit d'une oeuvre pour laquelle le droit
+de traduction est dans le domaine public, le traducteur ne peut pas
+s'opposer à ce que la même oeuvre soit traduite par d'autres écrivains.
+
+
+
+Article 7
+
+Les articles de journaux ou de recueils périodiques publiés dans
+l'un des pays de l'Union peuvent être reproduits, en original ou en
+traduction, dans les autres pays de l'Union, à moins que les auteurs
+ou éditeurs ne l'aient expressément interdit. Pour les recueils, il
+peut suffire que l'interdiction soit faite d'une manière générale en
+tête de chaque numéro du recueil.
+
+En aucun cas, cette interdiction ne peut s'appliquer aux articles de
+discussion politique ou à la reproduction des nouvelles du jour et
+des faits divers.
+
+
+
+Article 8
+
+En ce qui concerne la faculté de faire licitement des emprunts à des
+oeuvres littéraires ou artistiques pour des publications destinées
+à l'enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour des
+chrestomathies, est réservé l'effet de la législation des pays de
+l'Union et des arrangements particuliers existants ou à conclure
+entre eux.
+
+
+
+Article 9
+
+Les stipulations de l'article 2 s'appliquent à la représentation
+publique des oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, que ces
+oeuvres soient publiées ou non.
+
+Les auteurs d'oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales, ou leurs
+ayants cause, sont, pendant la durée de leur droit exclusif de
+traduction, réciproquement protégés contre la représentation publique
+non autorisée de la traduction de leurs ouvrages.
+
+Les stipulations de l'article 2 s'appliquent également à l'exécution
+publique des oeuvres musicales non publiées ou de celles qui ont été
+publiées, mais dont l'auteur a expressément déclaré sur le titre ou
+en tête de l'ouvrage qu'il en interdit l'exécution publique.
+
+
+
+Article 10
+
+Sont spécialement comprises parmi les reproductions illicites
+auxquelles s'applique la présente Convention, les appropriations
+indirectes non autorisées d'un ouvrage littéraire ou artistique,
+désignées sous des noms divers, tels que: adaptations, arrangements
+de musique, etc., lorsqu'elles ne sont que la reproduction d'un
+tel ouvrage, dans la même forme ou sous une autre forme, avec des
+changements, additions ou retranchements, non essentiels, sans
+présenter d'ailleurs le caractère d'une nouvelle oeuvre originale.
+
+Il est entendu que, dans l'application du présent article, les
+tribunaux des divers pays de l'Union tiendront compte, s'il y a lieu,
+des réserves de leurs lois respectives.
+
+
+
+Article 11
+
+Pour que les auteurs des ouvrages protégés par la présente Convention
+soient, jusqu'à preuve contraire, considérés comme tels et admis,
+en conséquence, devant les tribunaux des divers pays de l'Union à
+exercer des poursuites contre les contrefaçons, il suffit que leur
+nom soit indiqué sur l'ouvrage en la manière usitée.
+
+Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l'éditeur dont le nom est
+indiqué sur l'ouvrage est fondé à sauvegarder les droits appartenant à
+l'auteur. Il est, sans autres preuves, réputé ayant cause de l'auteur
+anonyme ou pseudonyme.
+
+Il est entendu, toutefois, que les tribunaux peuvent exiger, le
+cas échéant, la production d'un certificat délivré par l'autorité
+compétente, constatant que les formalités prescrites, dans le sens
+de l'article 2, par la législation du pays d'origine ont été remplies.
+
+
+
+Article 12
+
+Toute oeuvre contrefaite peut être saisie à l'importation dans ceux des
+pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à la protection légale.
+
+La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de chaque
+pays.
+
+
+
+Article 13
+
+Il est entendu que les dispositions de la présente Convention ne
+peuvent porter préjudice, en quoi que ce soit, au droit qui appartient
+au Gouvernement de chacun des pays de l'Union de permettre, de
+surveiller, d'interdire, par des mesures de législation ou de police
+intérieure, la circulation, la représentation, l'exposition de tout
+ouvrage ou production à l'égard desquels l'autorité compétente aurait
+à exercer ce droit.
+
+
+
+Article 14
+
+La présente Convention, sous les réserves et conditions à déterminer
+d'un commun accord, s'applique à toutes les oeuvres qui, au moment
+de son entrée en vigueur, ne sont pas encore tombées dans le domaine
+public dans leur pays d'origine.
+
+
+
+Article 15
+
+Il est entendu que les Gouvernements des pays de l'Union se réservent
+respectivement le droit de prendre séparément, entre eux, des
+arrangements particuliers, en tant que ces arrangements conféreraient
+aux auteurs ou à leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux
+accordés par l'Union, ou qu'ils renfermeraient d'autres stipulations
+non contraires à la présente Convention.
+
+
+
+Article 16
+
+Un office international est institué sous le nom de Bureau de
+l'Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires
+et artistiques.
+
+Ce Bureau, dont les frais sont supportés par les Administrations
+de tous les pays de l'Union, est placé sous la haute autorité de
+l'Administration supérieure de la Confédération Suisse, et fonctionne
+sous sa surveillance. Les attributions en sont déterminées d'un commun
+accord entre les pays de l'Union.
+
+
+
+Article 17
+
+La présente Convention peut être soumise à des revisions en vue d'y
+introduire les améliorations de nature à perfectionner le système
+de l'Union.
+
+Les questions de cette nature, ainsi que celles qui intéressent à
+d'autres points de vue le développement de l'Union, seront traitées
+dans des Conférences qui auront lieu successivement dans les pays de
+l'Union entre les délégués desdits pays.
+
+Il est entendu qu'aucun changement à la présente Convention ne sera
+valable pour l'Union que moyennant l'assentiment unanime des pays
+qui la composent.
+
+
+
+Article 18
+
+Les pays qui n'ont point pris part à la présente Convention et qui
+assurent chez eux la protection légale des droits faisant l'objet de
+cette Convention, seront admis à y accéder sur leur demande.
+
+Cette accession sera notifiée par écrit au Gouvernement de la
+Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres.
+
+Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les clauses et
+admission à tous les avantages stipulés dans la présente Convention.
+
+
+
+Article 19
+
+Les pays accédant à la présente Convention ont aussi le droit d'y
+accéder en tout temps pour leurs colonies ou possessions étrangères.
+
+Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration générale par
+laquelle toutes leurs colonies ou possessions sont comprises dans
+l'accession, soit nommer expressément celles qui y sont comprises,
+soit se borner à indiquer celles qui en sont exclues.
+
+
+
+Article 20
+
+La présente Convention sera mise à exécution trois mois après
+l'échange des ratifications, et demeurera en vigueur pendant un temps
+indéterminé, jusqu'à l'expiration d'une année à partir du jour où la
+dénonciation en aura été faite.
+
+Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement chargé de recevoir
+les accessions. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du pays qui
+l'aura faite, la Convention restant exécutoire pour les autres pays
+de l'Union.
+
+
+
+Article 21
+
+La présente Convention sera ratifiée, et les ratifications en seront
+échangées à Berne, dans le délai d'un an au plus tard.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+Article additionnel
+
+La Convention conclue à la date de ce jour n'affecte en rien le
+maintien des Conventions actuellement existantes entre les pays
+contractants, en tant que ces Conventions confèrent aux auteurs ou
+à leurs ayants cause des droits plus étendus que ceux accordés par
+l'Union, ou qu'elles renferment d'autres stipulations qui ne sont
+pas contraires à cette Convention.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+Protocole de clôture
+
+1 Au sujet de l'article 4, il est convenu que ceux des pays de l'Union
+où le caractère d'oeuvres artistiques n'est pas refusé aux oeuvres
+photographiques s'engagent à les admettre, à partir de la mise en
+vigueur de la Convention conclue en date de ce jour, au bénéfice de ses
+dispositions. Ils ne sont, d'ailleurs, tenus de protéger les auteurs
+desdites oeuvres, sauf les arrangements internationaux existants ou
+à conclure, que dans la mesure où leur législation permet de le faire.
+
+Il est entendu que la photographie autorisée d'une oeuvre d'art
+protégée jouit, dans tous les pays de l'Union, de la protection
+légale, au sens de ladite Convention, aussi longtemps que dure le
+droit principal de reproduction de cette oeuvre même, et dans les
+limites des conventions privées entre les ayants droit.
+
+
+2 Au sujet de l'article 9, il est convenu que ceux des pays de
+l'Union dont la législation comprend implicitement, parmi les
+oeuvres dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques, admettent
+expressément lesdites oeuvres au bénéfice des dispositions de la
+Convention conclue en date de ce jour.
+
+Il est d'ailleurs entendu que les contestations qui s'élèveraient sur
+l'application de cette clause demeurent réservées à l'appréciation
+des tribunaux respectifs.
+
+
+3 Il est entendu que la fabrication et la vente des instruments
+servant à reproduire mécaniquement des airs de musique empruntés au
+domaine privé ne sont pas considérées comme constituant le fait de
+contrefaçon musicale.
+
+
+4 L'accord commun prévu à l'article 14 de la Convention est déterminé
+ainsi qu'il suit:
+
+L'application de la Convention aux oeuvres non tombées dans le
+domaine public au moment de sa mise en vigueur aura lieu suivant les
+stipulations y relatives contenues dans les conventions spéciales
+existantes ou à conclure à cet effet.
+
+A défaut de semblables stipulations entre pays de l'Union, les
+pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, par la
+législation intérieure, les modalités relatives à l'application du
+principe contenu à l'article 14.
+
+
+5 L'organisation du Bureau international prévu à l'article 16 de
+la Convention sera fixée par un règlement que le Gouvernement de la
+Confédération Suisse est chargé d'élaborer.
+
+La langue officielle etc. [683]
+
+
+6 La prochaine Conférence aura lieu à Paris, dans le délai de quatre
+à six ans à partir de l'entrée en vigueur de la Convention.
+
+Le Gouvernement français en fixera la date dans ces limites, après
+avoir pris l'avis du Bureau international.
+
+
+7 Il est convenu que, pour l'échange des ratifications prévu
+à l'article 21, chaque Partie contractante remettra un seul
+instrument, qui sera déposé, avec ceux des autres pays, aux archives
+du Gouvernement de la Confédération Suisse. Chaque Partie recevra en
+retour un exemplaire du procès-verbal d'échange des ratifications,
+signé par les Plénipotentiaires qui y auront pris part.
+
+Le présent Protocole de clôture, qui sera ratifié en même temps que
+la Convention conclue à la date de ce jour, sera considéré comme
+faisant partie intégrante de cette Convention, et aura même force,
+valeur et durée.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+
+B
+
+Acte addittionnel du 4 Mai 1896 modifiant les articles 2, 3, 5, 7,
+12, 20 de la Convention du 9 Septembre 1886 et les numéros 1 et 4 du
+Protocole de clôture y annexé
+
+
+
+Article premier
+
+La Convention internationale du 9 Septembre 1886 est modifiée ainsi
+qu'il suit:
+
+I--Article 2--Le premier alinéa de l'article 2 aura la teneur suivante:
+
+
+ "Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
+ ayants cause, jouissent, dans les autres pays, pour leurs oeuvres,
+ soit non publiées, soit publiées pour la première fois dans
+ un de ces pays, des droits que les lois respectives accordent
+ actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux."
+
+
+Il est, en outre, ajouté un cinquième alinéa ainsi conçu:
+
+
+ "Les oeuvres posthumes sont comprises parmi les oeuvres protégées."
+
+
+II--Article 3--L'article 3 aura la teneur suivante:
+
+
+ "Les auteurs ne ressortissant pas à l'un des pays de l'Union,
+ mais qui auront publié ou fait publier, pour la première fois,
+ leurs oeuvres littéraires ou artistiques dans l'un de ces pays,
+ jouiront, pour ces oeuvres, de la protection accordée par la
+ Convention de Berne et par le présent Acte additionnel."
+
+
+III--Article 5--Le premier alinéa de l'article 5 aura la teneur
+suivante:
+
+
+ "Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union, ou leurs
+ ayants cause, jouissent, dans les autres pays, du droit exclusif
+ de faire ou d'autoriser la traduction de leurs oeuvres pendant
+ toute la durée du droit sur l'oeuvre originale. Toutefois, le
+ droit exclusif de traduction cessera d'exister lorsque l'auteur
+ n'en aura pas fait usage dans un délai de dix ans à partir de
+ la première publication de l'oeuvre originale, en publiant ou en
+ faisant publier, dans un des pays de l'Union, une traduction dans
+ la langue pour laquelle la protection sera réclamée."
+
+
+IV--Article 7--L'article 7 aura la teneur suivante:
+
+
+ "Les romans-feuilletons, y compris les nouvelles, publiés dans
+ les journaux ou recueils périodiques d'un des pays de l'Union,
+ ne pourront être reproduits, en original ou en traduction, dans
+ les autres pays, sans l'autorisation des auteurs ou de leurs
+ ayants cause.
+
+ "Il en sera de même pour les autres articles de journaux ou
+ de recueils périodiques, lorsque les auteurs ou éditeurs auront
+ expressément déclaré, dans le journal ou le recueil même où ils les
+ auront fait paraître, qu'ils en interdisent la reproduction. Pour
+ les recueils, il suffit que l'interdiction soit faite d'une
+ manière générale en tête de chaque numéro.
+
+ "A défaut d'interdiction, la reproduction sera permise à la
+ condition d'indiquer la source.
+
+ "En aucun cas, l'interdiction ne pourra s'appliquer aux articles de
+ discussion politique, aux nouvelles du jour et aux faits divers."
+
+
+V--Article 12--L'article 12 aura la teneur suivante:
+
+
+ "Toute oeuvre contrefaite peut être saisie par les autorités
+ compétentes des pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à
+ la protection légale.
+
+ "La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de
+ chaque pays."
+
+
+VI--Article 20--Le deuxième alinéa de l'article 20 aura la teneur
+suivante:
+
+
+ "Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement de la
+ Confédération Suisse. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du
+ pays qui l'aura faite, la Convention restant exécutoire pour les
+ autres pays de l'Union."
+
+
+
+Article 2
+
+Le Protocole de Clôture annexé à la Convention du 9 Septembre 1886
+est modifié ainsi qu'il suit:
+
+I--Numéro 1--Ce numéro aura la teneur suivante:
+
+
+ "1 Au sujet de l'article 4, il est convenu ce qui suit:
+
+ "A--Dans les pays de l'Union où la protection est accordée non
+ seulement aux plans d'architecture, mais encore aux oeuvres
+ d'architecture elles-mêmes, ces oeuvres sont admises au bénéfice
+ des dispositions de la Convention de Berne et du présent Acte
+ additionnel.
+
+ "B--Les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un
+ procédé analogue sont admises au bénéfice des dispositions de ces
+ actes, en tant que la législation intérieure permet de le faire,
+ et dans la mesure de la protection qu'elle accorde aux oeuvres
+ nationales similaires.
+
+ "Il est entendu que la photographie autorisée d'une oeuvre d'art
+ protégée jouit, dans tous les pays de l'Union, de la protection
+ légale, au sens de la Convention de Berne et du présent Acte
+ additionnel, aussi longtemps que dure le droit principal de
+ reproduction de cette oeuvre même, et dans les limites des
+ conventions privées entre les ayants droit."
+
+
+II--Numéro 4--Ce numéro aura la teneur suivante:
+
+
+ "4 L'accord commun prévu à l'article 14 de la Convention est
+ déterminé ainsi qu'il suit:
+
+ "L'application de la Convention de Berne et du présent Acte
+ additionnel aux oeuvres non tombées dans le domaine public dans
+ leur pays d'origine au moment de la mise en vigueur de ces actes,
+ aura lieu suivant les stipulations y relatives contenues dans
+ les Conventions spéciales existantes ou à conclure à cet effet.
+
+ "A défaut de semblables stipulations entre pays de l'Union, les
+ pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, par la
+ législation intérieure, les modalités relatives à l'application
+ du principe contenu dans l'article 14.
+
+ "Les stipulations de l'article 14 de la Convention de Berne et du
+ présent numéro du Protocole de clôture s'appliquent également au
+ droit exclusif de traduction, tel qu'il est assuré par le présent
+ Acte additionnel.
+
+ "Les dispositions transitoires mentionnées ci-dessus sont
+ applicables en cas de nouvelles accessions à l'Union."
+
+
+
+Article 3
+
+Les pays de l'Union qui n'ont point participé au présent Acte
+additionnel seront admis à y accéder en tout temps sur leur demande. Il
+en sera de même pour les Pays qui accéderont ultérieurement à la
+Convention du 9 Septembre 1886. Il suffira, à cet effet, d'une
+notification adressée par écrit au Conseil fédéral Suisse, qui
+notifiera à son tour cette accession aux autres Gouvernements.
+
+
+
+Article 4
+
+Le présent Acte additionnel aura même valeur et durée que la Convention
+du 9 Septembre 1886.
+
+Il sera ratifié et les ratifications en seront échangées à Paris dans
+la forme adoptée pour cette Convention, aussitôt que faire se pourra,
+et au plus tard dans le délai d'une année.
+
+Il entrera en vigueur, trois mois après cet échange, entre les Pays
+qui l'auront ratifié.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+Déclaration du 4 Mai 1896 interprétant certaines dispositions de
+la Convention de Berne du 9 Septembre 1886 et de l'Acte additionnel
+signé à Paris le 4 Mai 1896
+
+Les Plénipotentiaires soussignés de l'Allemagne, de la Belgique,
+de l'Espagne, de la France, de l'Italie, du Luxembourg, de Monaco,
+du Monténégro, de la Norvège, de la Suisse et de la Tunisie, dûment
+autorisés à cet effet par leurs Gouvernements respectifs, sont convenu
+de ce qui suit, en ce qui concerne l'interprétation de la Convention
+de Berne du 9 Septembre 1886 et de l'Acte additionnel de ce jour:
+
+
+ 1o Aux termes de l'article 2, alinéa 2, de la Convention, la
+ protection assurée par les actes précités dépend uniquement
+ de l'accomplissement, dans le pays d'origine de l'oeuvre, des
+ conditions et formalités qui peuvent être prescrites par la
+ législation de ce pays. Il en sera de même pour la protection
+ des oeuvres photographiques mentionnées dans le no. 1, lettre B,
+ du Protocole de clôture modifié.
+
+ 2o Par oeuvres publiées il faut entendre les oeuvres éditées
+ dans un des pays de l'Union. En conséquence, la représentation
+ d'une oeuvre dramatique ou dramatico-musicale, l'exécution d'une
+ oeuvre musicale, l'exposition d'une oeuvre d'art, ne constituent
+ pas une publication dans le sens des actes précités.
+
+ 3o La transformation d'un roman en pièce de théâtre, ou d'une pièce
+ de théâtre en roman, rentre dans les stipulations de l'article 10.
+
+
+Les pays de l'Union qui n'ont point participé à la présente Déclaration
+seront admis à y accéder en tout temps, sur leur demande. Il en
+sera de même pour les Pays qui accéderont, soit à la Convention du
+9 Septembre 1886, soit à cette Convention et à l'Acte additionnel
+du 4 Mai 1896. Il suffira, à cet effet, d'une notification adressée
+par écrit au Conseil fédéral Suisse, qui notifiera à son tour cette
+accession aux autres Gouvernements.
+
+La présente Déclaration aura même valeur et durée que les actes
+auxquels elle se rapporte.
+
+Elle sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Paris
+dans la forme adoptée pour ces actes, aussitôt que faire se pourra,
+et au plus tard dans le délai d'une année.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+
+C
+
+Convention de Berne revisée pour la protection des oeuvres littéraires
+et artistiques du 13 Novembre 1908
+
+
+
+Article premier
+
+Les pays contractants sont constitués à l'état d'Union pour la
+protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres littéraires
+et artistiques.
+
+
+
+Article 2
+
+L'expression "oeuvres littéraires et artistiques" comprend toute
+production du domaine littéraire, scientifique ou artistique,
+quel qu'en soit le mode ou la forme de reproduction, telle que:
+les livres, brochures, et autres écrits; les oeuvres dramatiques ou
+dramatico-musicales, les oeuvres chorégraphiques et les pantomimes,
+dont la mise en scène est fixée par écrit ou autrement; les
+compositions musicales avec ou sans paroles; les oeuvres de dessin, de
+peinture, d'architecture, de sculpture, de gravure et de lithographie;
+les illustrations, les cartes géographiques; les plans, croquis et
+ouvrages plastiques, relatifs à la géographie, à la topographie,
+à l'architecture ou aux sciences.
+
+Sont protégés comme des ouvrages originaux, sans préjudice des droits
+de l'auteur de l'oeuvre originale, les traductions, adaptations,
+arrangements de musique et autres reproductions transformées d'une
+oeuvre littéraire ou artistique, ainsi que les recueils de différentes
+oeuvres.
+
+Les Pays contractants sont tenus d'assurer la protection des oeuvres
+mentionnées ci-dessus.
+
+Les oeuvres d'art appliqué à l'industrie sont protégées autant que
+permet de le faire la législation intérieure de chaque pays.
+
+
+
+Article 3
+
+La présente Convention s'applique aux oeuvres photographiques et aux
+oeuvres obtenues par un procédé analogue à la photographie. Les Pays
+contractants sont tenus d'en assurer la protection.
+
+
+
+Article 4
+
+Les auteurs ressortissant à l'un des pays de l'Union jouissent,
+dans les pays autres que le pays d'origine de l'oeuvre, pour leurs
+oeuvres, soit non publiées, soit publiées pour la première fois dans
+un pays de l'Union, des droits que les lois respectives accordent
+actuellement ou accorderont par la suite aux nationaux, ainsi que
+des droits spécialement accordés par la présente Convention.
+
+La jouissance et l'exercice de ces droits ne sont subordonnés à aucune
+formalité; cette jouissance et cet exercice sont indépendants de
+l'existence de la protection dans le pays d'origine de l'oeuvre. Par
+suite, en dehors des stipulations de la présente Convention, l'étendue
+de la protection ainsi que les moyens de recours garantis à l'auteur
+pour sauvegarder ses droits se règlent exclusivement d'après la
+législation du pays où la protection est réclamée.
+
+Est considéré comme pays d'origine de l'oeuvre: pour les oeuvres non
+publiées, celui auquel appartient l'auteur; pour les oeuvres publiées,
+celui de la première publication, et pour les oeuvres publiées
+simultanément dans plusieurs pays de l'Union, celui d'entre eux dont
+la législation accorde la durée de protection la plus courte. Pour
+les oeuvres publiées simultanément dans un pays étranger à l'Union et
+dans un pays de l'Union, c'est ce dernier pays qui est exclusivement
+considéré comme pays d'origine.
+
+Par oeuvres publiées, il faut, dans le sens de la présente Convention,
+entendre les oeuvres éditées. La représentation d'une oeuvre dramatique
+ou dramatico-musicale, l'exécution d'une oeuvre musicale, l'exposition
+d'une oeuvre d'art et la construction d'une oeuvre d'architecture ne
+constituent pas une publication.
+
+
+
+Article 5
+
+Les ressortissants de l'un des pays de l'Union, qui publient pour
+la première fois leurs oeuvres dans un autre pays de l'Union, ont,
+dans ce dernier pays, les mêmes droits que les auteurs nationaux.
+
+
+
+Article 6
+
+Les auteurs ne ressortissant pas à l'un des pays de l'Union, qui
+publient pour la première fois leurs oeuvres dans l'un de ces pays,
+jouissent, dans ce pays, des mêmes droits que les auteurs nationaux,
+et dans les autres pays de l'Union, des droits accordés par la
+présente Convention.
+
+
+
+Article 7
+
+La durée de la protection accordée par la présente Convention comprend
+la vie de l'auteur et cinquante ans après sa mort.
+
+Toutefois, dans le cas où cette durée ne serait pas uniformément
+adoptée par tous les pays de l'Union, la durée sera réglée par la loi
+du pays où la protection sera réclamée et elle ne pourra excéder la
+durée fixée dans le pays d'origine de l'oeuvre. Les Pays contractants
+ne seront, en conséquence, tenus d'appliquer la disposition de
+l'alinéa précédent que dans la mesure où elle se concilie avec leur
+droit interne.
+
+Pour les oeuvres photographiques et les oeuvres obtenues par un
+procédé analogue à la photographie, pour les oeuvres posthumes, pour
+les oeuvres anonymes ou pseudonymes, la durée de la protection est
+réglée par la loi du pays où la protection est réclamée, sans que cette
+durée puisse excéder la durée fixée dans le pays d'origine de l'oeuvre.
+
+
+
+Article 8
+
+Les auteurs d'oeuvres non publiées, ressortissant à l'un des pays de
+l'Union, et les auteurs d'oeuvres publiées pour la première fois dans
+un de ces pays jouissent, dans les autres pays de l'Union, pendant
+toute la durée du droit sur l'oeuvre originale, du droit exclusif de
+faire ou d'autoriser la traduction de leurs oeuvres.
+
+
+
+Article 9
+
+Les romans-feuilletons, les nouvelles et toutes autres oeuvres,
+soit littéraires, soit scientifiques, soit artistiques, quel qu'en
+soit l'objet, publiés dans les journaux ou recueils périodiques d'un
+des pays de l'Union, ne peuvent être reproduits dans les autres pays
+sans le consentement des auteurs.
+
+A l'exclusion des romans-feuilletons et des nouvelles, tout article de
+journal peut être reproduit par un autre journal, si la reproduction
+n'en est pas expressément interdite. Toutefois, la source doit être
+indiquée; la sanction de cette obligation est déterminée par la
+législation du pays où la protection est réclamée.
+
+La protection de la présente Convention ne s'applique pas aux
+nouvelles du jour ou aux faits divers qui ont le caractère de simples
+informations de presse.
+
+
+
+Article 10
+
+En ce qui concerne la faculté de faire licitement des emprunts à des
+oeuvres littéraires ou artistiques pour des publications destinées
+à l'enseignement ou ayant un caractère scientifique, ou pour des
+chrestomathies, est réservé l'effet de la législation des pays de
+l'Union et des arrangements particuliers existants ou à conclure
+entre eux.
+
+
+
+Article 11
+
+Les stipulations de la présente Convention s'appliquent à la
+représentation publique des oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales,
+et à l'exécution publique des oeuvres musicales, que ces oeuvres
+soient publiées ou non.
+
+Les auteurs d'oeuvres dramatiques ou dramatico-musicales sont,
+pendant la durée de leur droit sur l'oeuvre originale, protégés
+contre la représentation publique non autorisée de la traduction de
+leurs ouvrages.
+
+Pour jouir de la protection du présent article, les auteurs,
+en publiant leurs oeuvres, ne sont pas tenus d'en interdire la
+représentation ou l'exécution publique.
+
+
+
+Article 12
+
+Sont spécialement comprises parmi les reproductions illicites
+auxquelles s'applique la présente Convention, les appropriations
+indirectes non autorisées d'un ouvrage littéraire ou artistique,
+telles que adaptations, arrangements de musique, transformations
+d'un roman, d'une nouvelle ou d'une poésie en pièce de théâtre et
+réciproquement, etc., lorsqu'elles ne sont que la reproduction de
+cet ouvrage, dans la même forme ou sous une autre forme, avec des
+changements, additions ou retranchements, non essentiels, et sans
+présenter le caractère d'une nouvelle oeuvre originale.
+
+
+
+Article 13
+
+Les auteurs d'oeuvres musicales ont le droit exclusif d'autoriser: 1o
+l'adaptation de ces oeuvres à des instruments servant à les reproduire
+mécaniquement; 2o l'exécution publique des mêmes oeuvres au moyen de
+ces instruments.
+
+Des réserves et conditions relatives à l'application de cet article
+pourront être déterminées par la législation intérieure de chaque
+pays, en ce qui le concerne; mais toutes réserves et conditions de
+cette nature n'auront qu'un effet strictement limité au pays qui les
+aurait établies.
+
+La disposition de l'alinéa 1er n'a pas d'effet rétroactif et, par
+suite, n'est pas applicable, dans un pays de l'Union, aux oeuvres
+qui, dans ce pays, auront été adaptées licitement aux instruments
+mécaniques avant la mise en vigueur de la présente Convention.
+
+Les adaptations faites en vertu des alinéas 2 et 3 du présent article
+et importées, sans autorisation des parties intéressées, dans un pays
+où elles ne seraient pas licites, pourront y être saisies.
+
+
+
+Article 14
+
+Les auteurs d'oeuvres littéraires, scientifiques ou artistiques ont
+le droit exclusif d'autoriser la reproduction et la représentation
+publique de leurs oeuvres par la cinématographie.
+
+Sont protégées comme oeuvres littéraires ou artistiques les productions
+cinématographiques lorsque, par les dispositifs de la mise en scène
+ou les combinaisons des incidents représentés, l'auteur aura donné
+à l'oeuvre un caractère personnel et original.
+
+Sans préjudice des droits de l'auteur de l'oeuvre originale,
+la reproduction par la cinématographie d'une oeuvre littéraire,
+scientifique ou artistique est protégée comme une oeuvre originale.
+
+Les dispositions qui précèdent s'appliquent à la reproduction
+ou production obtenue par tout autre procédé analogue à la
+cinématographie.
+
+
+
+Article 15
+
+Pour que les auteurs des ouvrages protégés par la présente Convention
+soient, jusqu'à preuve contraire, considérés comme tels et admis,
+en conséquence, devant les tribunaux des divers pays de l'Union,
+à exercer des poursuites contre les contrefacteurs, il suffit que
+leur nom soit indiqué sur l'ouvrage en la manière usitée.
+
+Pour les oeuvres anonymes ou pseudonymes, l'éditeur dont le nom est
+indiqué sur l'ouvrage est fondé à sauvegarder les droits appartenant à
+l'auteur. Il est, sans autres preuves, réputé ayant cause de l'auteur
+anonyme ou pseudonyme.
+
+
+
+Article 16
+
+Toute oeuvre contrefaite peut être saisie par les autorités compétentes
+des pays de l'Union où l'oeuvre originale a droit à la protection
+légale.
+
+Dans ces pays, la saisie peut aussi s'appliquer aux reproductions
+provenant d'un pays où l'oeuvre n'est pas protégée ou a cessé de
+l'être.
+
+La saisie a lieu conformément à la législation intérieure de chaque
+pays.
+
+
+
+Article 17
+
+Les dispositions de la présente Convention ne peuvent porter préjudice,
+en quoi que ce soit, au droit qui appartient au Gouvernement de chacun
+des pays de l'Union de permettre, de surveiller, d'interdire, par des
+mesures de législation ou de police intérieure, la circulation, la
+représentation, l'exposition de tout ouvrage ou production à l'égard
+desquels l'autorité compétente aurait à exercer ce droit.
+
+
+
+Article 18
+
+La présente Convention s'applique à toutes les oeuvres qui, au
+moment de son entrée en vigueur, ne sont pas encore tombées dans le
+domaine public de leur pays d'origine par l'expiration de la durée
+de la protection.
+
+Cependant, si une oeuvre, par l'expiration de la durée de protection
+qui lui était antérieurement reconnue, est tombée dans le domaine
+public du pays où la protection est réclamée, cette oeuvre n'y sera
+pas protégée à nouveau.
+
+L'application de ce principe aura lieu suivant les stipulations
+contenues dans les conventions spéciales existantes ou à conclure à
+cet effet entre pays de l'Union. A défaut de semblables stipulations,
+les pays respectifs régleront, chacun pour ce qui le concerne, les
+modalités relatives à cette application.
+
+Les dispositions qui précèdent s'appliquent également en cas de
+nouvelles accessions à l'Union et dans le cas où la durée de la
+protection serait étendue par application de l'article 7.
+
+
+
+Article 19
+
+Les dispositions de la présente Convention n'empêchent pas de
+revendiquer l'application de dispositions plus larges qui seraient
+édictées par la législation d'un pays de l'Union en faveur des
+étrangers en général.
+
+
+
+Article 20
+
+Les Gouvernements des pays de l'Union se réservent le droit de prendre
+entre eux des arrangements particuliers, en tant que ces arrangements
+conféreraient aux auteurs des droits plus étendus que ceux accordés par
+l'Union, ou qu'ils renfermeraient d'autres stipulations non contraires
+à la présente Convention. Les dispositions des arrangements existants
+qui répondent aux conditions précitées restent applicables.
+
+
+
+Article 21
+
+Est maintenu l'office international institué sous le nom de "Bureau
+de l'Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires
+et artistiques".
+
+Ce Bureau est placé sous la haute autorité du Gouvernement de la
+Confédération Suisse, qui en règle l'organisation et en surveille
+le fonctionnement.
+
+La langue officielle du Bureau est la langue française.
+
+
+
+Article 22
+
+Le Bureau international centralise les renseignements de toute nature
+relatifs à la protection des droits des auteurs sur leurs oeuvres
+littéraires et artistiques. Il les coordonne et les publie. Il
+procède aux études d'utilité commune intéressant l'Union et rédige,
+à l'aide des documents qui sont mis à sa disposition par les diverses
+Administrations, une feuille périodique, en langue française, sur
+les questions concernant l'objet de l'Union. Les Gouvernements des
+pays de l'Union se réservent d'autoriser, d'un commun accord, le
+Bureau à publier une édition dans une ou plusieurs autres langues,
+pour le cas où l'expérience en aurait démontré le besoin.
+
+Le Bureau international doit se tenir en tout temps à la disposition
+des membres de l'Union pour leur fournir, sur les questions
+relatives à la protection des oeuvres littéraires et artistiques,
+les renseignements spéciaux dont ils pourraient avoir besoin.
+
+Le Directeur du Bureau international fait sur sa gestion un rapport
+annuel qui est communiqué à tous les membres de l'Union.
+
+
+
+Article 23
+
+Les dépenses du Bureau de l'Union internationale sont supportées
+en commun par les Pays contractants. Jusqu'à nouvelle décision,
+elles ne pourront pas dépasser la somme de soixante mille francs par
+année. Cette somme pourra être augmentée au besoin par simple décision
+d'une des Conférences prévues à l'article 24.
+
+Pour déterminer la part contributive de chacun des pays dans cette
+somme totale des frais, les Pays contractants et ceux qui adhéreront
+ultérieurement à l'Union sont divisés en six classes contribuant
+chacune dans la proportion d'un certain nombre d'unités, savoir:
+
+
+ 1re classe .... 25 unités
+ 2me classe .... 20 unités
+ 3me classe .... 15 unités
+ 4me classe .... 10 unités
+ 5me classe .... 5 unités
+ 6me classe .... 3 unités
+
+
+Ces coefficients sont multipliés par le nombre des pays de chaque
+classe, et la somme des produits ainsi obtenus fournit le nombre
+d'unités par lequel la dépense totale doit être divisée. Le quotient
+donne le montant de l'unité de dépense.
+
+Chaque pays déclarera, au moment de son accession, dans laquelle des
+susdites classes il demande à être rangé.
+
+L'Administration suisse prépare le budget du Bureau et en surveille
+les dépenses, fait les avances nécessaires et établit le compte annuel
+qui sera communiqué à toutes les autres Administrations.
+
+
+
+Article 24
+
+La présente Convention peut être soumise à des revisions en vue d'y
+introduire les améliorations de nature à perfectionner le système
+de l'Union.
+
+Les questions de cette nature, ainsi que celles qui intéressent à
+d'autres points de vue le développement de l'Union, sont traitées
+dans des Conférences qui auront lieu successivement dans les pays de
+l'Union entre les délégués desdits pays. L'Administration du pays
+où doit siéger une Conférence prépare, avec le concours du Bureau
+international, les travaux de celle-ci. Le Directeur du Bureau assiste
+aux séances des Conférences et prend part aux discussions sans voix
+délibérative.
+
+Aucun changement à la présente Convention n'est valable pour l'Union
+que moyennant l'assentiment unanime des pays qui la composent.
+
+
+
+Article 25
+
+Les États étrangers à l'Union et qui assurent la protection légale des
+droits faisant l'objet de la présente Convention, peuvent y accéder
+sur leur demande.
+
+Cette accession sera notifiée par écrit au Gouvernement de la
+Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres.
+
+Elle emportera, de plein droit, adhésion à toutes les clauses
+et admission à tous les avantages stipulés dans la présente
+Convention. Toutefois, elle pourra contenir l'indication des
+dispositions de la Convention du 9 septembre 1886 ou de l'Acte
+additionnel du 4 mai 1896 qu'ils jugeraient nécessaire de substituer,
+provisoirement au moins, aux dispositions correspondantes de la
+présente Convention.
+
+
+
+Article 26
+
+Les Pays contractants ont le droit d'accéder en tout temps à la
+présente Convention pour leurs colonies ou possessions étrangères.
+
+Ils peuvent, à cet effet, soit faire une déclaration générale par
+laquelle toutes leurs colonies ou possessions sont comprises dans
+l'accession, soit nommer expressément celles qui y sont comprises,
+soit se borner à indiquer celles qui en sont exclues.
+
+Cette déclaration sera notifiée par écrit au Gouvernement de la
+Confédération Suisse, et par celui-ci à tous les autres.
+
+
+
+Article 27
+
+La présente Convention remplacera, dans les rapports entre les
+États contractants, la Convention de Berne du 9 septembre 1886,
+y compris l'Article additionnel et le Protocole de clôture du même
+jour, ainsi que l'Acte additionnel et la Déclaration interprétative
+du 4 mai 1896. Les actes conventionnels précités resteront en vigueur
+dans les rapports avec les États qui ne ratifieraient pas la présente
+Convention.
+
+Les États signataires de la présente Convention pourront, lors de
+l'échange des ratifications, déclarer qu'ils entendent, sur tel ou
+tel point, rester encore liés par les dispositions des Conventions
+auxquelles ils ont souscrit antérieurement.
+
+
+
+Article 28
+
+La présente Convention sera ratifiée, et les ratifications en seront
+échangées à Berlin au plus tard le 1er juillet 1910.
+
+Chaque Partie contractante remettra, pour l'échange des ratifications,
+un seul instrument, qui sera déposé, avec ceux des autres pays, aux
+archives du Gouvernement de la Confédération Suisse. Chaque Partie
+recevra en retour un exemplaire du procès-verbal d'échange des
+ratifications, signé par les Plénipotentiaires qui y auront pris part.
+
+
+
+Article 29
+
+La présente Convention sera mise à exécution trois mois après l'échange
+des ratifications et demeurera en vigueur pendant un temps indéterminé,
+jusqu'à l'expiration d'une année à partir du jour où la dénonciation
+en aura été faite.
+
+Cette dénonciation sera adressée au Gouvernement de la Confédération
+Suisse. Elle ne produira son effet qu'à l'égard du pays qui l'aura
+faite, la Convention restant exécutoire pour les autres pays de
+l'Union.
+
+
+
+Article 30
+
+Les États qui introduiront dans leur législation la durée de protection
+de cinquante ans prévue par l'article 7, alinéa 1er, de la présente
+Convention, le feront connaître au Gouvernement de la Confédération
+Suisse par une notification écrite qui sera communiquée aussitôt par
+ce Gouvernement à tous les autres États de l'Union.
+
+Il en sera de même pour les États qui renonceront aux réserves faites
+par eux en vertu des articles 25, 26 et 27.
+
+En foi de quoi, etc.
+
+
+
+
+
+
+
+BIJLAGE IV
+
+Association littéraire et artistique internationale
+
+Projet de Loi-Type adopté par le Congrès de Paris, 16-21 Juillet 1900
+
+
+
+Article Premier
+
+L'auteur d'une oeuvre de l'intelligence a le droit exclusif de la
+rendre publique et de la reproduire par quelque procédé, sous quelque
+forme et pour quelque destination que ce soit.
+
+Sont ainsi protégées toutes manifestations de la pensée écrites
+ou orales, les oeuvres dramatiques, musicales et chorégraphiques et
+toutes les oeuvres des arts graphiques et plastiques, quels que soient
+leur mérite, leur emploi et leur destination. Il en est de même des
+oeuvres qui ont paru dans les journaux ou recueils périodiques.
+
+Les actes officiels des autorités publiques et les décisions
+judiciaires ne peuvent faire l'objet d'un droit privatif.
+
+
+
+Article 2
+
+L'exercice du droit de l'auteur n'est subordonné à l'accomplissement
+d'aucunes conditions ni formalités.
+
+
+
+Article 3
+
+Le droit exclusif prévu à l'article 1er se continue pendant
+quatre-vingts ans à dater de la première publication licite de
+l'oeuvre. Il est exercé par l'éditeur tant que l'auteur véritable ne
+s'est pas fait connaître.
+
+Lorsque l'auteur s'est fait connaître avant l'expiration de ce
+délai, la durée du droit se continue pendant la vie de l'auteur et
+quatre-vingts ans après sa mort.
+
+Les oeuvres qui paraissent sous le nom d'une personne morale sont
+assimilées aux oeuvres anonymes.
+
+
+
+Article 5
+
+Les collaborateurs ont des droits égaux sur l'oeuvre commune, à moins
+de stipulations contraires.
+
+Les droits des ayants cause d'un collaborateur prédécédé subsistent
+jusqu'à l'expiration du délai de quatre-vingts ans après la mort du
+dernier survivant des collaborateurs.
+
+A défaut d'ayants cause d'un des collaborateurs sa part accroît aux
+autres collaborateurs ou à leurs ayants cause.
+
+
+
+Article 6
+
+Quiconque fait éditer une oeuvre posthume dont il est en droit
+de disposer, jouit d'un droit exclusif de reproduction pendant
+quatre-vingts ans à dater de cette première publication.
+
+Sont considérées comme oeuvres posthumes les oeuvres qui, du vivant
+de l'auteur, n'ont pas reçu, avec le consentement de l'auteur, la
+publicité normale que leur nature comporte.
+
+
+
+Article 7
+
+Toute reproduction, intégrale ou partielle, faite sans le consentement
+de l'auteur ou de ses ayants cause, est illicite.
+
+Il en est ainsi de la traduction et aussi de la représentation et de
+l'exécution publiques.
+
+Sont également illicites: les reproductions qui comportent des
+retranchements, additions et remaniements, telles que: adaptations,
+transformations de pièces de théâtre en romans et, réciproquement,
+de romans en pièces de théâtre, arrangements de musique, reproduction
+par un autre art, illustration d'un ouvrage.
+
+Il en est de même des reproductions d'oeuvres musicales par les
+instruments de musique mécaniques.
+
+
+
+Article 8
+
+L'auteur, une fois son oeuvre publiée, ne peut interdire les analyses
+et courtes citations qui, faites dans un but de critique, de polémique
+ou d'enseignement, portent l'indication du nom de l'auteur et de
+la source.
+
+Les discours prononcés dans les assemblées délibérantes ou dans les
+réunions publiques peuvent être reproduits dans un but d'information
+ou de discussion.
+
+
+
+Article 9
+
+Le droit de reproduction est indépendant du droit de propriété sur
+l'objet matériel (manuscrit ou original); la cession de l'objet
+matériel n'emporte donc pas, par elle même, cession des droits de
+reproduction et réciproquement.
+
+La cession des droits appartenant à l'auteur (droit de publier,
+de représenter, d'exécuter, de traduire, d'illustrer, etc.) doit
+toujours être interprétée restrictivement.
+
+
+
+Article 10
+
+L'auteur de toute oeuvre de l'intelligence a le droit de faire
+reconnaître sa qualité d'auteur et d'agir en justice contre quiconque
+s'attribuerait cette qualité.
+
+L'auteur qui a cédé ses droits de reproduction conserve le droit
+de poursuivre les contrefacteurs, de surveiller la reproduction de
+son oeuvre et de s'opposer à toutes modifications faites sans son
+consentement.
+
+
+
+Article 11
+
+Après la mort de l'auteur, c'est à ses héritiers, à défaut d'un
+mandataire spécial désigné par lui, qu'il appartient de faire respecter
+les droits prévus à l'article 10.
+
+
+
+Article 12
+
+Aucune modification ne doit être faite à l'oeuvre, même par les
+héritiers ou ayants droits de l'auteur, sans que cette modification
+soit portée, d'une façon apparente, à la connaissance du public.
+
+
+
+Article 13
+
+Toute atteinte portée au droit de l'auteur, tel qu'il est défini
+par le présent projet de loi-type, donne ouverture à une action en
+dommages-intérêts; si l'atteinte a été portée sciemment, elle peut
+donner ouverture à une action pénale.
+
+
+
+Article 14
+
+Il en est de même de l'usurpation du nom d'un auteur, ainsi que de
+l'imitation frauduleuse de sa signature ou de tout signe distinctif,
+monogramme ou autre, adopté par lui.
+
+
+
+Article 15
+
+L'auteur ou ses ayants cause peuvent requérir les agents de police
+judiciaire pour procéder à la saisie des objets argués de contrefaçon
+et à celle des planches, moules ou matrices et autres ustensiles
+ayant servi ou destinés à servir spécialement à la fabrication
+desdits objets.
+
+S'il s'agit d'une représentation ou exécution, les auteurs peuvent
+fair procéder, dans les mêmes formes, à la saisie de la totalité de
+la recette.
+
+L'éditeur ou l'entrepreneur de spectacles doit justifier par écrit
+du consentement préalable de l'auteur ou de ses ayants cause.
+
+La confiscation des objets contrefaits, de même que celle des planches,
+moules ou matrices et autres ustensiles ayant servi ou destinés à
+servir spécialement à la fabrication desdits objets, sera prononcée
+au profit de l'auteur ou de ses ayants cause.
+
+En cas d'exécution ou de représentation illicite, les recettes saisies
+seront allouées au plaignant.
+
+
+
+Article 16
+
+La loi s'applique à tous les auteurs, quelle que soit leur nationalité
+et en quelque lieu que l'ouvrage ait paru pour la première fois.
+
+
+
+
+
+
+
+STELLINGEN
+
+
+I
+
+Onjuist is de meening, dat de boekdrukkers-privilegiën, die in ons
+land in de zeventiende en achttiende eeuw werden verleend, niet voor
+overdracht vatbaar waren en met den dood van den bevoorrechten persoon
+tenietgingen. (Proefschr. pp. 20 sqq.)
+
+
+II
+
+In het verleenen dezer boekdrukkers-privilegiën heeft men ten
+onrechte gezien eene erkenning van den letterkundigen eigendom der
+schrijvers. (Proefschr. pp. 24 sqq.).
+
+
+III
+
+Het auteursrecht is te beschouwen als een vermogensrecht, dat tot
+object heeft een onlichamelijk goed, nl. de geestelijke schepping
+van den schrijver of kunstenaar. (Proefschr. pp. 108 sqq.)
+
+
+IV
+
+Het K. B. van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van het
+auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor
+den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen
+en Telegrafie, Staatsblad no. 213, berust op eene onjuiste opvatting
+van den aard van het auteursrecht.
+
+
+V
+
+Het uitsluitend vertalingsrecht moet als een integreerend bestanddeel
+van het auteursrecht worden beschouwd. (Proefschr. pp. 143 sqq. en
+180 sqq.)
+
+
+VI
+
+Om tot eene bevredigende regeling van het auteursrecht te komen is
+het noodig, dat Nederland toetreedt tot de herziene Berner Conventie
+ter bescherming van de werken van letterkunde en kunst.
+
+
+VII
+
+Het in 1899 ingediende Ontwerp-Comptabiliteitswet voldeed niet aan
+den eisch, die door art. 126 der Grondwet aan eene dergelijke wet
+wordt gesteld.
+
+
+VIII
+
+De parlementaire goedkeuring van tractaten bij eene wet is in strijd
+met de Grondwet.
+
+
+IX
+
+Krachtens art. 89 eerste lid der Kieswet zijn stembiljetten, die
+volgens een vroeger model zijn gedrukt, van onwaarde.
+
+
+X
+
+Het recht van preferentie, toegekend door de artt. 1185 3o en 1190
+B. W. vervalt niet, doordat de onbetaalde goederen, die zich in handen
+van den kooper bevinden, eene dusdanige bewerking hebben ondergaan,
+dat zij zich niet meer in denzelfden staat bevinden.
+
+
+XI
+
+Het is voor de totstandkoming van een geldige hypotheek krachtens
+art. 1214 B. W. niet voldoende, dat de hypotheekgever op het oogenblik
+der inschrijving de bevoegdheid heeft het goed te vervreemden. Het
+artikel eischt, dat deze bevoegdheid besta op het tijdstip dat de
+hypotheek verleend wordt.
+
+
+XII
+
+Om "getuige" te zijn ingevolge art. 50 B. W. bij het opmaken van eene
+akte van overlijden is niet noodig, dat men de vereischten bezit,
+die in art. 20 B. W. voor de getuigen, van welke men bij de akten
+van den burgerlijken stand gebruik maakt, worden gesteld.
+
+
+XIII
+
+De ontbinding eener wederkeerige overeenkomst ingevolge art. 37 der
+Faillissementswet heft het voorrecht, dat aan de wederpartij van den
+gefailleerde mocht toekomen, niet op.
+
+
+XIV
+
+De uitdrukking "te berde brengen" in het eerste lid van art. 41
+R. O. is niet in dien beperkten zin op te vatten, dat het schriftelijk
+bewijs van huur aan den kantonrechter zou moeten worden overgelegd
+om diens bevoegdheid uit te sluiten.
+
+
+XV
+
+Van de beschikking van den president der Rechtbank ingevolge art. 821
+Wetb. v. Burg. Rechtsv. staat hooger beroep bij het Hof open.
+
+
+XVI
+
+Majesteitsbeleediging volgens art. 111 Wetb. v. Strafr. kan gepleegd
+worden door middel eener afbeelding, zonder telastlegging van een
+bepaald feit.
+
+
+XVII
+
+Diefstal van electrische energie is mogelijk.
+
+
+XVIII
+
+Eene overtreding van art. 1 en art. 6 sub 2o der Leerplichtwet
+wordt niet strafbaar, doordat zij gepleegd is binnen een jaar na
+eene andere overtreding, hetzelfde kind betreffende, waarvoor de
+overtreder ingevolge art. 23 § 1 sub 4o onherroepelijk is veroordeeld
+of de boete vrijwillig heeft betaald.
+
+
+XIX
+
+Het is onjuist als beginsel te stellen, dat de Overheid bij de
+bepaling der prijzen van de door haar geleverde goederen en diensten,
+rekening moet houden met de ongelijke koopkracht van hare verschillende
+afnemers.
+
+
+XX
+
+Er bestaat reden om mede te gaan met de meening van hen, die in Lex
+7 § 1 D. 13, 1 willen lezen: "habet actionem furti et condictionem
+aut vindicationem".
+
+
+
+
+
+
+
+NOTEN
+
+
+[1] Op verschillende plaatsen vindt men bij de oude Romeinsche
+schrijvers van verveelvoudiging van boeken, soms in duizend en
+meer exemplaren, gewag gemaakt, o. a.: Cicero Pro Sulla XV, 42, 43;
+Suetonius Div. Aug. c. 31; Plinius Epistolae IV, 7. Ook werden soms
+hooge prijzen geboden aan de schrijvers voor hunne manuscripten. Men
+zie hierover: Dr. J. Kohler, Das Autorrecht, Jahrbücher f. d. Dogmatik
+XVIII, pp. 448 sqq.; en van denzelfden schrijver: Urheberrecht an
+Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906 pp. 27 sqq.
+
+[2] Men zie voor de vervaardiging en verspreiding van boeken vóór de
+uitvinding der boekdrukkunst o. a.: Zur Erinnerung an die Erfindung
+der Buchdruckerkunst van Georg Steinhausen in die Nation van 2 Juni
+1900, p. 492.
+
+[3] Dit privilegie is in zijn geheel afgedrukt in: Over het kopy-regt
+in Nederland door Mr. B. van den Velden, 1835. p. 290.
+
+[4] Privilegiën door Karel V verleend: in 1538 voor Dye Cronijcke van
+Hollat, Zeelant en Vrieslant etc. (misschien een overdruk of vervolg
+van het zooeven genoemde boek) in: De Amsterdamsche boekdrukkers en
+uitgevers in de zestiende eeuw door E. W. Moes, I p. 136. Privilegiën
+van 1546 en 1547 in: Memoriael Boeck van den Hove van Holland (het
+eerste door den Griffier Jan van Dam gehouden) 1543-1548 fol. 231
+en 287.
+
+Privilegiën van Philips II: bij Moes t. a. p. I p. 352, waar melding
+wordt gemaakt van een kaart, uitgegeven in 1575 en beschermd door
+"Coe. Mats. Octroije" en ibidem II p. 58, waar een werk wordt genoemd
+voorzien van "privileg. Reg. Matis. // et Cancellarie Brabantie". In
+de Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde van dr. Jan ten Brink
+vindt men van verschillende boeken uit dien tijd het titelblad
+gereproduceerd, waarvan sommigen met privilegie. Men zie o. a. de
+afbeeldingen tegenover de pp. 234, 272, 280 en 282.
+
+[5] Lieuwe van Aitzema, Saken van Staet en Oorlogh in ende omtrent
+de Vereenigde Nederlanden (1633-1644) (fol. uitg. bij Joh. Veely,
+Joh. Tongerloo ende Jasper Doll 1669) IIde deel p. 552.
+
+[6] Ibid. p. 660.
+
+[7] Men zie hierover: Resolutiën Staten van Holland 1639 pp. 38, 105,
+144, 152, 195 en 1641 pp. 160 en 641; Resolutiën Staten-Generaal 23
+dec. 1639.
+
+[8] B.v. in een privilegie van 6 Nov. 1656, Resolutiën Staten-Generaal
+1656 fol. 719.
+
+[9] T. a. p. p. 552.
+
+[10] Cau en Scheltus, Groot Placaatboek IV p. 361.
+
+[11] Men zie b.v. de Resolutiën der Staten van Holland 23 Sept. 1734
+pp. 628, 629 en 29 April 1740 pp. 261, 262. Van de Staten-Generaal
+Res. van 29 Oct. en 24 Dec. 1614 in het Archief voor kerkelijke en
+wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, uitgegeven door
+J. J. Dodt van Flensburg VI pp. 360, 361.
+
+[12] Voorbeelden hiervan o.a. in Dodt V pp. 235, 251, 258, 274,
+VII p. 2 en Resolutiën Staten van Holland, 18 Jan. 1737 p. 48.
+
+[13] Resolutiën Staten van Holland 13 Maart 1749 p. 163.
+
+[14] Men zie hierover: Robert Fruin, Hugo de Groot's Inleidinge tot
+de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften deel VIII
+pp. 21 sqq.
+
+[15] Resolutie der Staten-Generaal van 15 Aug. 1614. Dodt VI p. 359.
+
+[16] Dodt V. p. 15. Een dergelijk geval in: Resolutiën Staten van
+Holland 17 Jan. 1585 p. 46.
+
+[17] Resolutie der Staten van Holland van 5 Dec. 1679, geamplieerd
+door die van 30 April 1728 (Groot Placaetboek III p. 552 en VI p. 598.)
+
+[18] Groot Geldersch Placaet-boek III p. 644.
+
+[19] Medegedeeld door mr. N. de Ridder in diens proefschrift: Eenige
+beschouwingen over kopierecht, Utrecht 1875 p. 31.
+
+[20] Cf. hierover: A. C. Kruseman, Aanteekeningen betr. den Boekhandel
+van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw p. 317.
+
+[21] Resolutiën Staten van Holland 21 Jan. 1580 p. 8 en 9 April 1580
+p. 59.
+
+[22] De tekst der Resolutie is te vinden in het Groot Placcaatboek
+van Cau en Scheltus V p. 603 en: Wiltens Kerkelijk Placcaat-Boek III
+p. 262.
+
+[23] In Venetië, waar de boekdrukkunst al vroeg een hoogen bloei
+bereikte, in het jaar 1517 (de Senaat besloot in dat jaar, dat voortaan
+uitsluitend privilegiën zouden worden gegeven "pro libris et operibus
+novis, nunquam antea impressis, et non pro aliis". D. A. 1889 p. 8),
+in Frankrijk sedert 1578; Cf. Kohler Autorrecht p. 85.
+
+[24] Het privilegie is afgedrukt in Groot Placcaatboek I p. 190.
+
+[25] Men zie hierover het placcaat van de Staten van Holland van 19
+Maart 1655 in het Groot Placcaatboek II p. 3029.
+
+[26] Res. Staten van Holland 1724 p. 944.
+
+[27] Res. Staten van Holland 29 Sept. 1752 p. 1378.
+
+[28] Amsterdam in de 17de eeuw, Het Muziekleven door D. F. Scheurleer
+p. 83.
+
+[29] Res. Staten van Holland 2 April 1746 pp. 217, 218.
+
+[30] Zie o.a. de octrooien der Staten-Generaal van 2 Sept. en 4
+Nov. 1615 bij Dodt VI pp. 374 en 380.
+
+[31] Dodt VII p. 22.
+
+[32] Res. St. v. Holl. 3 Sept. 1585 p. 531.
+
+[33] Dodt VI p. 393.
+
+[34] Dodt V p. 2. Zie ook: l'Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff par
+D. Franken Dz. Amst. 1872 pp. 9, 10.
+
+[35] Dodt V p. 17.
+
+[36] Dodt IV p. 11.
+
+[37] Medegedeeld door dr. A. Bredius in Oud Holland 1890 pp. 75 sqq.
+
+[38] Dodt VII p. 53.
+
+[39] Dodt VII p. 13.
+
+[40] Dodt VII p. 66.
+
+[41] Dodt IV p. 110.
+
+[42] Dodt VI p. 380.
+
+[43] Dodt VII pp. 10, 11.
+
+[44] Res. Staten van Holl. 23 Sept. 1734 pp. 628, 629. Een analoog
+geval: ibid 1740 pp. 261, 262.
+
+[45] Resolutie van 15 Mei 1619, Dodt VII p. 64.
+
+[46] Zoo ging het reeds in het oude Rome en later ook o.a. in Engeland
+ten tijde van Shakespeare en in Spanje, Frankrijk en Duitschland tot
+in de 18de eeuw toe. Cf. Kohler, Autorrecht pp. 463 sqq.
+
+[47] Cf. Dr. J. A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel
+in Nederland I p. 172.
+
+[48] Dr. G. Kalff, Literatuur en tooneel te Amsterdam in de zeventiende
+eeuw p. 29. Cf. dezelfde schrijver in Amsterdam in de 17de eeuw. De
+Letterkunde en het Tooneel p. 16.
+
+[49] Cf. Worp t. a. p. II p. 228.
+
+[50] J. Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, enz. II p. 400.
+
+[51] In: Waerschouwingen aen de... Regenten van de respective
+Godshuyzen,... wegens de tegenwoordige directie over den Schouwburg,
+enz. van 1699, medegedeeld door Worp t. a. p. II p. 89.
+
+[52] Wagenaar t. a. p. p. 404.
+
+[53] Men zie hierover: D. F. Scheurleer t. a. p. pp. 7 sqq. en 79
+sqq. en: Worp t. a. p. II p. 270.
+
+[54] Men zie b.v. in de Res. Staten van Holl. 1580 pp. 79, 113, 146,
+166, 197 en 1581 pp. 414 en 570.
+
+[55] Zie speciaal voor de Deventer Almanak: Dodt IV p. 124, VI p. 358,
+VII pag. 71; Res. Staten v. Holl. 1749 pp. 122, 123, 1750 pp. 888,
+976. Het is duidelijk, dat de privilegiën waarvan hier sprake is, nog
+iets anders gaven dan alleen het kopierecht. Het was er niet zoozeer om
+te doen, dat zulk een almanak niet werd nagedrukt, dan wel dat anderen
+niet eene onderneming in denzelfden geest op touw zouden zetten.
+
+[56] Res. Staten v. Holl. 1582 p. 575.
+
+[57] Ress. St. v. Holl. 6 Juli 1585 pp. 339, 340.
+
+[58] Dodt V p. 262.
+
+[59] Resolutie der Staten-Generaal van 7 Maart 1619, Dodt VII p. 57.
+
+[60] Of dit, ten aanzien van het privilegie der Staten-Generaal, een
+goed voorbeeld is van geldige overdracht moet ik betwijfelen, daar
+onder het hier bedoelde octrooi in de Resolutiën der Staten-Generaal
+staat bijgeschreven: "Bij resolutie van den 23 Febr. 1657" (dus vóór
+de overdracht aan Blaauw) "is het octroy in dese resolutie genoemd
+ingetrocken." (Res. St.-Gen. 6 Nov. 1656 fol. 719.)
+
+[61] Dodt V pp. 22, 23.
+
+[62] Res. Staten v. Holl. 16 Juli 1749 pp. 537 sqq.
+
+[63] Het privilegie staat afgedrukt in: Oeuvres de Nicolas Boileau
+Despréaux avec des Eclaircissemens historiques donnez par lui-même,
+à Amsterdam chez François Chanquion MDCCXXIX, Tome Ier.
+
+[64] Hollandse Consultatien en Advysen III p. 509, Consult CLXXXVII, 1
+
+[65] Voorbeelden hiervan: Res. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191,
+192, 4 Aug. 1746 p. 452, 20 Nov. 1750 p. 887.
+
+[66] T. a. p. p. 16. Dezelfde onjuiste meening bij de Ridder
+t. a. p. p. 29; J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie. Rotterdam
+1905 p. 18.
+
+[67] Men zie de hierboven (p. 17) genoemde privilegiën voor den
+Deventer almanak en dat voor de staatstukken aan den drukker der
+Staten van Holland.
+
+[68] Cf. J. H. W. Unger, Bibliographie van Vondels
+werken. Amst. Fred. Muller 1888 pp. 10, 11.
+
+[69] Cf. L'Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff p. 12.
+
+[70] J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel
+in de Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw, (vertaling
+van: Dissertatio historico-juridica de juribus typographorum et
+bibliopolarum in regno Belgico, Leid. 1819), p.2.
+
+[71] Uit het reeds genoemde privilegie van Karel V.
+
+[72] Res. St. v. Holl. 1612 p. 192.
+
+[73] Priv. v. d. St. v. Holl, voor G. Brandts Historie der Reformatie.
+
+[74] Priv. v. d. Staten v. Holl. van 1687 voor D. R. Kamphuyzens
+Stichtelijke Rijmen.
+
+[75] Cf. de voorrede van den uitgever Lodewyx van der Plasse in het
+Groot Liedboeck van G. A. Bredero (uitg. 1622).
+
+[76] T. a. p. p. 53.
+
+[77] T. a. p. p. 33.
+
+[78] Zie o.a.: dr. Kalff in Amsterdam in de 17de eeuw, t. a. p. p. 17.
+
+[79] De gedichten van Constantyn Huygens, uitgeg. door dr. J. A. Worp
+1892 p. XXII. Huygens zelf schijnt ook den nadruk geen zeldzaam
+verschijnsel te hebben gevonden; in een "Aen den Drucker" vóór zijn
+"Hofwyck" zegt hij:
+
+
+ "Van dusend tegen een
+ De nadruck sal ons beurt zijn."
+
+
+[80] Cf. Scheurleer in Amsterdam in de 17de eeuw t. a. p. p. 85.
+
+[81] Zie het bovengenoemde voorbericht van zijn Groot Liedboeck.
+
+[82] Men zie het "Berecht aen den Lezer" in: Gedichten van Hubert
+Kornelisz. Poot, 2de druk 1724 (te Delf bij Reinier Boitet).
+
+[83] Dr. J. ten Brink t. a. p. p. 478.
+
+[84] Men zie b.v. over de herhaalde nadrukken van H. de Groot's
+Inleidinge tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid: Rob. Fruin, Verspreide
+Geschriften VIII pp. 26 sqq.
+
+[85] Kruseman t. a. p. p. 526. Zie ook voor andere gevallen van nadruk:
+ibid. pp. 346, 80 sqq.
+
+[86] T. a. p. p. 63.
+
+[87] Men vindt den tekst dezer overeenkomst in: Bouwstoffen voor een
+geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel door A. C. Kruseman
+I p. 821.
+
+[88] Kruseman, Aanteekeningen etc. p. 471.
+
+[89] Medegedeeld door: Kruseman, Aanteekeningen etc. p. 86.
+
+[90] "Scripsit ad me Trajecto Jacobus Petitius... volare per manus
+multorum nostras Institutiones Juris Batavici; in exquirendo eius
+plagii fonte ... se tibi adiutorem fore... etc." Cf. hierover:
+R. Fruin, Hugo de Groot's Inleidinge tot de Hollandsche
+Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften VIII pp. 16 sqq. In
+denzelfden bundel (p. 272) maakt Fruin melding van een soortgelijk
+geval ruim honderd jaar vroeger aan Erasmus overkomen. In het
+voorbericht van zijn De contemptu mundi schreef deze: "Typographi
+palam minitabantur sese edituros, nisi ederem ipse."
+
+[91] Scheurleer t. a. p. p. 85.
+
+[92] Gedichten van Hubert Kornelisz. Poot, 2de druk 1724, bij Reinier
+Boitet te Delf, "Berecht aen den Lezer."
+
+[93] Res. St. van Holland 1728 pp. 438 sqq. Het placcaat is ook te
+vinden in: Kerkelijk Placaatboek II pp. 522 sqq.
+
+[94] J. v. Vondel tegens de valsche druckmunt gangbaer op zijnen naem,
+gestelt voor den Hollantschen Parnas. (De werken van Vondel in verband
+gebracht met zijn leven door mr. J. v. Lennep IX p. 143.)
+
+[95] Medegedeeld door dr. Hermann Ortloff, Das Autor- und Verlagsrecht
+als strafrechtlich zu schützendes Recht. Jahrbücher für die Dogmatik
+V p. 295.
+
+[96] Zie hierover en over de ontwikkeling van het begrip "geestelijke
+eigendom" in Duitschland: "Die Idee des geistigen Eigenthums" door
+dr. J. Kohler in Archiv für die civilistische Praxis, Band 82 pp. 166
+sqq. Men zie ook: Paul Laboulaye, Etude sur le droit de propriété
+littéraire en Allemagne. Paris 1855 pp. 9 sqq.
+
+[97] O.a. in een bekend arrest van het Conseil du roi van 14
+Sept. 1761, waarbij aan de kleindochters van La Fontaine het kopierecht
+op de werken van hun grootvader werd toegekend. Men zie hierover o.a.:
+mr. J. Heemskerk, Voordragten over den eigendom van voortbrengselen
+van den geest. Haarlem 1856 p. 53.
+
+[98] Hollands Rykdom door mr. Elias Luzac (de Nederl. vertaling,
+Leiden 1781) II p. 530.
+
+[99] T. a. p. p. 529.
+
+[100] Scheurleer t. a. p. p. 75.
+
+[101] Te vinden in: Fruin, Verspreide Geschriften VII p. 401.
+
+[102] Max Rooses, Christophe Plantin, Imprimeur Anversois, 2me
+ed. Anvers 1890, pp. 228 sqq.
+
+[103] Brieven van Maria van Reigersbergh, uitg. door mr. H. Vollenhoven
+en dr. G. D. J. Schotel. Middelburg 1857 p. 35.
+
+[104] T. a. p. p. 42.
+
+[105] In: Amsterdam in de XVIIde eeuw, t. a. p. pp. 14 en 16, alwaar
+ook het bovengeciteerde vers van de Decker wordt vermeld.
+
+[106] Cf. Max Rooses, Christophe Plantin, imprimeur Anversois, 2me
+ed. p. 133.
+
+[107] T. a. p. p. 27 noot 2.
+
+[108] Dodt V p. 15.
+
+[109] Res. der Staten-Generaal 1703 deel II fol. 244 en 361. Zie ook
+Res. Staten v. Holl. 1703 p. 472.
+
+[110] Res. St. v. Holl. 20 Nov. 1745 pp. 937, 938.
+
+[111] Res. Staten v. Holl. 18 Maart 1722 pp. 131, 132.
+
+[112] Res. St. v. Holl. 17 Aug. 1730 p. 718.
+
+[113] Res. St. v. Holl. 5 Oct. 1735 p. 572.
+
+[114] Res. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191, 192.
+
+[115] Res. St. v. Holl. 17 Dec. 1738 p. 704.
+
+[116] Ik doorzocht o.a. zonder resultaat de correspondentie der
+Nederlandsche gedelegeerden met de Staten-Generaal en den Stadhouder
+en die tusschen den Nederlandschen gedelegeerde Bentinck en den
+griffier Fagel, berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage
+(Legatie-archief nos. 85, 86, 87). De oudste bron, die ik ervoor
+genoemd vond, is: Pütter, Der Büchernachdruck, Göttingen 1774 p. 117.
+
+[117] De tekst is te vinden in: Decreeten van de vergadering van het
+provinciaal bestuur van Holland, 6 Dec. 1796-6 Jan. 1797 p. 21. Ook
+bij van den Velden t. a. p. p. 294.
+
+[118] T. a. p. 47 noot 1.
+
+[119] De wet is in haar geheel afgedrukt bij van den Velden
+t. a. p. pp. 308 sqq. en de Ridder t. a. p. pp. 266 sqq.
+
+[120] Consideransen tot de wet van 3 Junij 1803, geopperd door het
+Staatsbewind der Bataafsche Republiek bij missive van 10 Januarij
+1803 aan het wetgevend Ligchaam van het Bataafsch Gemeenebest. Te
+vinden bij Bodel Nyenhuis t. a. p. pp. 353 sqq.
+
+[121] Men zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 83 sqq.
+
+[122] Zie hierover ook de juiste uitspraak van de
+Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 27 December 1843. In:
+Het Letterkundig Eigendomsregt in Nederland, wetten, traktaten,
+regtspraak enz. 's Gravenhage 1865 pp. 135 sqq.
+
+[123] Cf.: Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van
+schrijvers en kunstenaars op hunne werken. Utrecht 1853 pp. 83 sqq.
+
+[124] O.a. door: Evertsen de Jonge t. a. p. pp. 168 sqq., de Ridder
+t. a. p. p. 125, mr. J. Heemskerk t. a. p. p. 56 en in een arrest
+van den Hoogen Raad van 22 Mei 1850 (Weekbl. v. h. Recht no. 1136).
+
+[125] W. v. h. R. no. 122.
+
+[126] Men zie hierover de beslissingen van de Arr. Rechtb. te Tiel
+van 13 Febr. 1840 en van het Hof van Gelderland van 12 Maart 1840,
+alsmede de adviezen van de rechtsgeleerden Mrs. Dirk Donker Curtius,
+W. C. B. Wintgens en S. P. Lipman in: Het Letterkundig Eigendomsregt
+in Nederland II pp. 73 sqq. Voorts een geschrift van mr. S. P. Lipman,
+Onderzoek omtrent de wettigheid der koninklijke besluiten van 2 en
+30 Juli 1822 en 18 Juni 1829. Cf. ook: G. K. van Hogendorp, Bijdragen
+tot de Huishouding van Staat, 2de uitg. VIII pp. 282, 283.
+
+[127] Het belangrijkste hiervan is medegedeeld in: Het Letterkundig
+Eigendomsregt in Nederland II pp. 138 sqq.
+
+[128] Men zie hierover o.a. het advies van de advocaten mrs. J. van der
+Linden, M. C. van Hall, N. Sinderam, S. A. E. Verburg en F. A. van Hall
+van 31 Maart 1817 in: Het Letterk. Eigendomsregt pp. 83 sqq. en een
+arrest van den Hoogen Raad van 10 December 1839 in W. v. h. R. no. 67.
+
+[129] Zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 94 sqq.
+
+[130] Cf. Kruseman, Bouwstoffen enz. II pp. 578 sqq.
+
+[131] Beiden te vinden in: Het Letterk. Eigendomsregt pp. 247 sqq.
+
+[132] Hand. Staten-Generaal 1876-1877. Bijlage 202.
+
+[133] Hand. Tweede Kamer der St.-Gen. 1877-1878. Bijlage 25.
+
+[134] Handel. Tweede Kamer 1880-1881. Bijlage 15.
+
+[135] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1627 sqq.
+
+[136] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1637 sqq.
+
+[137] Handel. Tweede Kamer 1883-1884. Bijlage 166.
+
+[138] Handel. Tweede Kamer 1884-1885. Bijlage 72 no. 3.
+
+[139] Handel. Tweede Kamer 1884-1885. Bijlage 72 no. 4.
+
+[140] Men zie o.a. de redevoeringen der Tweede Kamerleden van der
+Vlugt en Bos bij de behandeling van de begrooting van Justitie in 1904,
+Hand. Tweede Kamer 1904/05 pp. 831-833, 880.
+
+[141] Eene uitvoerige beschrijving van den nadruk in België in die
+jaren vindt men bij: Kruseman, Bouwstoffen enz. I pp. 526 sqq.
+
+[142] Men zie hierover de uitspraken van het Tribunal civil de la
+Seine (28 Maart 1884) en van het Cour de Cassation (25 Juli 1887)
+in Droit d'Auteur 1888 p. 126 en 1889 pp. 8 sqq. en de meening van
+Darras en Pouillet in hetzelfde tijdschrift 1902 p. 51.
+
+[143] Cf. hierover o.a.: de Martens, Traité de Droit international
+(traduit du Russe par Alfred Léo), Paris 1886 II pp. 222 sqq.
+
+[144] Actes de la Conférence internationale pour la protection des
+droits d'auteur, Berne 1884 pp. 28, 29.
+
+[145] Actes p. 77.
+
+[146] Actes p. 89.
+
+[147] Men zie o.a. het rapport der Commissie in 1884, Actes
+pp. 47 sqq. en de verklaringen van den Zweedschen en den Franschen
+afgevaardigde, ibid. pp. 31, 32.
+
+[148] Montenegro is echter 1 April 1900 weer uit het Verbond getreden.
+
+[149] De tekst dezer stukken is te vinden in: Actes de la Conférence
+de Paris 1896 pp. 36 sqq. en 51 sqq.
+
+[150] Cf. het door Renault opgestelde rapport van de werkzaamheden
+der Commissie, Actes p. 179.
+
+[151] Te vinden: Actes p. 229.
+
+[152] Actes p. 229.
+
+[153] Actes p. 146.
+
+[154] Actes de la Conférence de Berlin de 1908 p. 153.
+
+[155] Actes pp. 37 sqq.
+
+[156] Actes pp. 71 sqq.
+
+[157] Actes pp. 77 en 78.
+
+[158] Men zie: D. A. 1907 pp. 113 sqq.
+
+[159] Tableau des voeux émis par divers congrès et assemblées en vue du
+développement de la protection des oeuvres littéraires et artistiques,
+deuxième série 1896-1907. Berne 1908. Ook te vinden: Actes pp. 79 sqq.
+
+[160] Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la
+propriété littéraire et artistique, Revue des deux mondes 15 Dec. 1908
+p. 905.
+
+[161] Droit d'Auteur 1900 pp. 98 sqq.
+
+[162] Dit is ook ingezien door de Commissie, belast met de
+voorbereiding van eene nieuwe wet op het auteursrecht in
+Italië. D. A. 1907 p. 72.
+
+[163] Het werd goedgekeurd door de Wet van 22 Juli 1855 (Staatsblad
+no. 101) en in het Staatsblad geplaatst bij K. B. van 22 Juli 1855
+(Staatsblad no. 107).
+
+[164] Men vindt den tekst van de Additionneele Overeenkomst en van
+de Verklaring resp. in: K. B. van 22 Mei 1860 (Staatsblad no. 19)
+en K. B. van 16 Augustus 1855 (Staatsblad no. 176).
+
+[165] Goedgekeurd door de Wet van 28 Dec. 1858 (Staatsblad no. 119);
+in het Staatsblad geplaatst door het K. B. van 4 Maart 1859 (Staatsblad
+no. 11).
+
+[166] Goedgekeurd door de Wet van 27 Juni 1863(Staatsblad no. 86);
+in het Staatsblad geplaatst door het K. B. van 9 Juli 1863 (Staatsblad
+no. 115).
+
+[167] Staatscourant 1880 nos. 30 en 180, 1881 no. 194, 1882 nos. 30
+en 264. In het werkje van mr. Veegens, Het auteursrecht volgens de
+Nederlandsche wetgeving, dat in 1895 uitkwam, wordt het tractaat met
+Spanje abusievelijk als nog van kracht zijnde behandeld. pp. 178 sqq.
+
+[168] Cf.: Droit d'Auteur 1895 pp. 50, 51.
+
+[169] Men zie de: Memorie van Beantwoording van den minister van Hall,
+Bijlagen Tweede Kamer 1854-1855 p. 795; en zijne rede in de vergadering
+van 22 Juni 1855, Bijblad Tweede Kamer 1854-1855 p. 1012. Cf. ook:
+Bijblad Eerste Kamer 1854-1855 p. 1909 en Bijblad Tweede Kamer
+1855-1859 pp. 468 en 470. Een overzicht hiervan is te vinden in:
+Het letterkundig eigendomsregt in Nederland I pp. 67 sqq.
+
+[170] Actes 1885 p. 81.
+
+[171] Men zie o.a. het Rapport der Commissie, benoemd door de
+vergadering van 15 Februari 1905, om van voorlichting en raad te
+dienen inzake de Berner Conventie, aan de algemeene vergadering der
+Vereeniging van Letterkundigen, gehouden 5 Juni 1905. Opgenomen in
+het Nieuwsblad voor den Boekhandel 1905 nos. 87, 88 en 89 en in de
+Kroniek 1905 nos 564, 565 en 566.
+
+[172] Handel. Tweede Kamer 1905-1906 p. 1070.
+
+[173] Actes 1908 pp. 150, 151 en 217.
+
+[174] Overzicht der voornaamste van 1 Januari-15 September 1909
+door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor
+openbaarmaking geschikte aangelegenheden p. 68.
+
+[175] Cf. Kohler, Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für
+civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq.
+
+[176] Cf. Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur,
+Genève 1869 pp. 38 sqq.
+
+[177] Cf. o.a. Charreyron, De la propriété littéraire et artistique,
+Thèse pour le doctorat. Paris 1904 p. 29: "Toutefois, malgré
+les arguments juridiques invoqués par le second système (dat den
+letterkundigen eigendom bestrijdt), il ne peut être contesté à notre
+avis, que l'auteur ait sur son oeuvre un véritable droit de propriété."
+
+[178] Men zie hierover o.a.: Dr. H. Ortloff, Das Autor- und
+Verlagsrecht als strafrechtlich zu stützendes Recht in Jahrbücher
+für die Dogmatik V pp. 323 sqq.
+
+[179] Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, 1. Theil,
+II Haupst., 3 Abschn., § 31 II.
+
+[180] Men zie o.a. Otto Gierke, Deutsches Privatrecht I (systematisches
+Handbuch der Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding,
+2de afd. 3de deel) pp. 702 sqq.
+
+[181] Von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und
+Verlegers in: Jahrbücher f. d. Dogmatik II pp. 359 sqq.
+
+[182] Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck nach den Beschlüssen
+des deutschen Bundes dargestellt. Beilageheft zum Archiv für
+civ. Praxis Bnd. XXXV (1852) p. 91.
+
+[183] Macaulay, Speeches (Tauchnitz Edition) vol. 1 p. 277.
+
+[184] Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
+Wetenschappen. Afd. Letterkunde, deel VI p. 349.
+
+[185] Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en
+Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie II) pp. 1 sqq. en
+113 sqq.
+
+[186] Hand. Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 35.
+
+[187] Hand. Ned. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 97.
+
+[188] Handelingen Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 II pp. 70, 71.
+
+[189] De verschillende opstellen van den heer de Savornin Lohman,
+waarin zijne theorie is ontwikkeld, zijn te vinden in: Themis
+1862 pp. 213 sqq., Rechtsgeleerde Bijdragen 1864 pp. 140 sqq.,
+Bijdragen tot de kennis van Staats-, Provinciaal en Gemeentebestuur in
+Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 6 sqq. en 72 sqq. Men zie ook:
+Weekbl. v. h. Recht, no. 2916 en Hand. Ned. Jur.-Ver. 1877 II pp. 5
+sqq. en 43 sqq.
+
+[190] Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur. Themis 1877
+pp. 204a sqq.
+
+[191] Men zie hiervoor, behalve de reeds genoemde geschriften van
+mrs. de Ridder en Freseman Viëtor, nog van den laatste: Kantteekeningen
+op het ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht. Utrecht
+1877 pp. 6 sqq.
+
+[192] Mr. S. Katz, Het Auteursrecht. Rechtsgeleerd Magazijn I
+pp. 311 sqq.
+
+[193] T. a. p. p. 328.
+
+[194] Mr. J. D. Veegens, Nederland en de Berner Conventie. De Gids
+1896 III pp. 411 sqq.
+
+[195] T. a. p. p. 413.
+
+[196] Handelingen Tweede Kamer 1880/81 pp. 1628, 1644.
+
+[197] Ibid. pp. 1628, 1642.
+
+[198] Men zie o.a.: mr. Henry Viotta, Het auteursrecht van den
+componist. Amst. 1877 pp. 8 sqq.; Mr. J. van de Kasteele, Het
+auteursrecht in Nederland. Leiden 1885 pp. 8 sqq.; Mr. A. G. N. Swart,
+Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van beeldende
+kunst. Leiden 1891 pp. 27 sqq.
+
+[199] Men zie b.v.: Opzoomer, Het Burgerlijke Wetboek verklaard III
+p. 205; Asser en van Heusde, Handleiding tot de beoefening van het
+Nederl. Burg. Recht II p. 57; Land, Verklaring van het Burgerlijk
+Wetboek II p. 2 (2de druk).
+
+[200] Edouard Laboulaye, geciteerd door Fern. Renouard t. a. p. p. 29.
+
+[201] Zoo o.a. Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het
+auteursrecht volgens de Nederlandsche wet in Verslagen en Mededeelingen
+der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde 3de reeks,
+deel XII pp. 5 sqq.; de Ridder t. a. p. p. 92; Land t. a. p. p. 2.
+
+[202] Autorrecht p. 98.
+
+[203] Men zie het reeds genoemde artikel van Mr. Freseman Viëtor in
+Bijdr. tot de kennis v. h. Staats-, prov. en gem.-best. in Nederl. XV
+(nieuwe serie II) pp. 1 sqq.
+
+[204] T. a. p. p. 6.
+
+[205] T. a. p. p. 9.
+
+[206] T. a. p. p. 22.
+
+[207] T. a. p. pp. 22, 23.
+
+[208] T. a. p. p. 23.
+
+[209] In: Themis IX pp. 213 sqq.
+
+[210] H. J. Hamaker, Het rechtsbewustzijn en de rechtsfilosofie in:
+Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen,
+Afd. Letterkunde, vierde reeks, deel IX p. 33.
+
+[211] Cf. Hamaker t. a. p. p. 36.
+
+[212] Heinrich Heine, Ideen. Das Buch le Grand. Kap. XIV.
+
+[213] Cf. Kohler, Autorrecht pp. 209, 210.
+
+[214] Autorrecht p. 211.
+
+[215] Autorrecht pp. 212 sqq.
+
+[216] Archiv für civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq. Cf. ook: Jolly,
+Die Lehre vom Nachdruck pp. 7 sqq. p. 87.
+
+[217] Amsterdamsch Schetsboek door S. Falkland, Handelsblad 19 Jan,
+1907, Avondblad, 3de blad.
+
+[218] Freseman Viëtor t. a. p. p. 112.
+
+[219] Freseman Viëtor, Hand. Nederl. Jur. Vereeniging 1877 I p. 14.
+
+[220] Hand. Jur. Ver. 1877 I pp. 96, 97.
+
+[221] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 20.
+
+[222] Prof. W. L. P. A. Molengraaff in: Rechtsgeleerd Magazijn 1887
+p. 386.
+
+[223] O.a. mr. G. Belinfante in Themis 1865 p. 341.
+
+[224] Bijdragen enz. XV p. 20.
+
+[225] Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 390.
+
+[226] Otto Gierke, Deutsches Privatrecht t. a. p. p. 756.
+
+[227] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 57.
+
+[228] Nederland en de Berner Conventie door mr. J. A. Levy in: Het
+Paleis van Justitie 9 Aug. 1898.
+
+[229] Hand. Jur. Ver. 1877 I p. 68.
+
+[230] P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires (Oeuvres complètes,
+tome XVI) p. 11.
+
+[231] T. a. p. p. 13.
+
+[232] T. a. p. p. 17.
+
+[233] Behalve zijne economische beschouwingen gaf Proudhon over het
+auteursrechtvraagstuk nog: "Considérations morales et esthétiques"
+en "conséquences sociales".
+
+[234] Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du travail,
+5me ed. Paris 1848 pp. 234, 235.
+
+[235] De door mij geraadpleegde werken van Schaeffle zijn:
+Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer Rücksicht auf
+litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster- und Markenschuz
+in Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft 1867 (Band 23)
+pp. 113-218 en 291-476, en: Ueber die volkswirtschaftliche Natur der
+Güter der Darstellung und der Mittheilung in hetzelfde tijdschrift 1873
+(Band 29) pp. 1-70.
+
+[236] Ik heb gemeend het woord "Unternehmer-Rente" dat Schaeffle
+hier gebruikt, te moeten vertalen door "ondernemerspremie"
+en niet door "ondernemersrente", zooals b.v. mr. de Ridder
+deed. Cf. mr. N. G. Pierson, Leerboek der Staathuishoudkunde I
+pp. 230 sqq.
+
+[237] T. a. p. Band 23 p. 346.
+
+[238] T. a. p. Band 23 p. 347.
+
+[239] Archiv für civilistische Praxis Band 82 p. 208.
+
+[240] Cf. hierboven pp. 85 sqq.
+
+[241] Men zie: Hand. Ned. Jur. Vereeniging 1877 I pp. 75 sqq. en:
+Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 96 sqq.
+
+[242] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 8.
+
+[243] Men zie o.a.: Freseman Viëtor in Bijdr. enz. XV pp. 27 sqq. en
+Mr. J. A. Levy in Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II pp. 16 sqq.
+
+[244] Bijdragen enz. XVI p. 58.
+
+[245] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 47.
+
+[246] T. a. p. p. 10.
+
+[247] Bijdragen enz. XVI p. 51.
+
+[248] T. a. p. p. 10.
+
+[249] T. a. p. 11.
+
+[250] In dezen zin o.a. reeds: Edouard Laboulaye, Etudes sur
+la propriété littéraire en France et en Angleterre, aangehaald
+door Fernand Renouard, t. a. p. pp. 42 sqq. Hier te lande werd de
+eigendomstheorie in dezen vorm voorgedragen door mr. G. Belinfante, Het
+recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq. Eenigszins afwijkend is
+de leer, door dr. O. Bähr verkondigd in Archiv für Bürgerliches Recht
+VII pp. 150 sqq.; hij beschouwt niet het auteursrecht als uitvloeisel
+van het eigendomsrecht op het materieele voorwerp, maar hij betoogt,
+dat daar waar geen auteursrecht bestaat (b.v. bij een handschrift van
+een reeds lang gestorven schrijver), den eigenaar van het handschrift
+het recht toekomt, uitsluitend over de verveelvuldiging te beschikken.
+
+[251] Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Sämmtliche
+Werke 8 pp. 224 sqq.
+
+[252] Hegel's Grundlinien der Philosophie des Rechts § 43; men zie
+ook §§ 68 en 69.
+
+[253] Zoo b.v. mr. J. A. Levy in Paleis van Justitie 9 Aug. 1898 p. 2:
+"Genoeg, dat gij met uw ellendig auteursrecht, benepen gewrocht van
+kleinzielige opvatting, er in geslaagd zijt haar, de gedachte, ten
+halve te kortwieken..." enz.
+
+[254] Zoo b.v. mr. J. A. Levy, t. a. p. pp. 1 en 2; mr. J. D. Veegens,
+De Gids 1896 III p. 416; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht
+verdedigd (Leiden 1885) p. 9; J. H. Kok, Auteursrecht en de Berner
+Conventie (Rotterdam 1905) p. 41.
+
+[255] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 p. 1629.
+
+[256] Cf. in dezen zin: Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff,
+Rechtsgeleerd Magazijn VI pp. 376, 377.
+
+[257] Men zie b.v. in dezen zin: Evertsen de Jonge t. a. p. p. 23;
+Freseman Viëtor, Bijdr. enz. XV p. 16; mr. J. A. Levy in
+Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II p. 15.
+
+[258] Urheberrecht p. 24. Men zie ook: Archiv für civilistische Praxis
+82 pp. 141 sqq.
+
+[259] Die Lehre vom Nachdruck pp. 37, 38.
+
+[260] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 77.
+
+[261] Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de wijsbegeerte 2de druk
+'s Gravenhage 1900 p. 109.
+
+[262] Men heeft ook in anderen zin het auteursrecht genoemd een
+recht op een onlichamelijke zaak, door niet het geestesproduct zelf
+als object aan te nemen, maar "het recht van reproduceeren" of "de
+reproductie". Zoo b.v. mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het
+auteursrecht volgens de Nederlandsche wet, Versl. en Mededeelingen der
+Kon. Akademie van Wetensch. Afd. Letterk. 3de reeks 12de deel p. 17,
+die schrijft:
+
+"Tot die rechten" (n.l. rechten op onlichamelijke zaken) "behoort nu
+ongetwijfeld... het auteursrecht, waarvan het object, de reproductie
+van een werk, is onlichamelijk, immaterieel, onverschillig of dat werk
+zelf reeds een materieel bestaan heeft." Juister en duidelijker is
+het m. i. in plaats van "de reproductie van het werk" het werk zelf
+als object te beschouwen. De reproductie is de handeling, waartoe het
+recht de uitsluitende bevoegdheid geeft, dus: de inhoud van het recht.
+
+[263] O.a. Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff, Rechtsgeleerd Magazijn
+1887 p. 393; Prof. mr. D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche
+Strafrecht II p. 65.
+
+[264] O. Gierke, Deutsches Privatrecht I t. a. p. pp. 260 sqq.
+
+[265] Urheberrecht p. 5, cf. ook p. 1.
+
+[266] T. a. p. p. 765.
+
+[267] T. a. p. p. 767.
+
+[268] Tegen de leer van Gierke zijn door Kohler nog verschillende
+andere bezwaren ingebracht. Men zie: Urheberrecht pp. 1 sqq., Archiv
+für bürgerliches Recht X pp. 246 sqq.
+
+[269] Cf. Kohler, Urheberrecht p. 16.
+
+[270] Ik blijf mij van den gebruikelijken term "industrieele eigendom"
+bedienen, hoewel daartegen dezelfde bedenking is te maken als tegen
+de uitdrukking "letterkundige eigendom".
+
+[271] Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in
+Oesterreich, Deutschland und andern europäischen Staaten p. 1.
+
+[272] Hier en in het vervolg gebruik ik het woord woordkunst in
+den ruimen zin van de kunst, die het woord als uitdrukkingsmiddel
+gebruikt. Cf. hierover: Dr. J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der
+Nederlandsche Letterkunde Haarlem 1907 Inleiding p. XLII.
+
+[273] Urheberrecht p. 131.
+
+[274] Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 74 sqq. en 241 sqq.
+
+[275] Men zie over de beteekenis, die de uitvinding van den phonograaf
+in verschillende opzichten voor het recht kan hebben: J. Wolterbeek
+Muller, De Phonograaf in het rechtsleven, Proefschr. Leiden 1895.
+
+[276] Droit d'Auteur 1901 p. 128.
+
+[277] Men zie: D. A. 1900 p. 111.
+
+[278] Congres van Vevey, Aug. 1901, D. A. 1901 p. 104. Op het congres
+van Neuchatel in het jaar 1907 werd het vraagstuk van de bescherming
+der uitvoerende kunstenaars wederom door Osterrieth ter sprake gebracht
+en werd tot nadere bestudeering ervan besloten. D. A. 1907 p. 117.
+
+[279] De reproductie was in dit geval geschied door de
+photographie. Een geïllustreerd tijdschrift had afbeeldingen opgenomen
+van enkele tafereelen uit het stuk.
+
+[280] D. A. 1899 p. 20.
+
+[281] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
+p. 61 noot.
+
+[282] Dat een gecostumeerde optocht geen object van auteursrecht kan
+zijn volgens het Zwitsersche recht, werd uitgemaakt door het Hof van
+Cassatie te Zürich 27 Aug. 1890, D. A. 1890 pp. 136 sqq. Cf. ook:
+Kohler, Kunstwerkrecht pp. 31 en 32.
+
+[283] Urheberrecht p. 137.
+
+[284] Urheberrecht p. 128.
+
+[285] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
+p. 7.
+
+[286] Urheberrecht p. 138.
+
+[287] De onderscheiding is niet alleen met het oog op het auteursrecht
+van belang. Men zie b.v. Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst,
+2e Aufl. Berlin 1885 I p. 48, waar onderscheiden wordt tusschen:
+"die Sprache des Bedürfnisses" en "die der freien Darstellung". Van
+de eerstgenoemde zegt Gerber: "Diese Sprache des Bedürfnisses, die
+Prosa der Sprachkunst, gehört aber gar nicht in der Litteratur: sie
+wird, wenn nicht scharf, doch genügend, als Sprache des gewöhnlichen
+Lebens bezeichnet."
+
+[288] Gierke t. a. p. p. 770.
+
+[289] Men zie b.v.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts
+p. 13; Mandry, Kritische Vierteljahrschrift VII pp. 40 sqq.; Jolly
+t. a. p. pp. 115 sqq.; Beseler, System des gemeinen deutschen
+Privatrechts III p. 335.
+
+[290] N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 95, 96.
+
+[291] T. a. p. pp. 102 sqq.
+
+[292] J. G. Robbers Jr., Het Auteursrecht, Opmerkingen en
+beschouwingen, Amsterdam 1896 p. 13.
+
+[293] Als voorbeeld hiervan moge dienen de volgende zin uit een
+brief van een krankzinnige, medegedeeld door dr. J. P. N. Land,
+Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk p. 460 noot 1: "Aangezien ik
+tot heden geene constitutioneele honig ontving, vermeen ik, dat de
+gevolgtrekking niet gewaagd mag genoemd worden, te veronderstellen,
+dat er eene honige constitutie bestaat." Eene dergelijke zin, of
+eene aaneenschakeling van zinnen van dezen aard, kan geen voorwerp
+van auteursrecht zijn, ook al komen er geen fouten in voor tegen de
+taal- en stelregels. Men heeft hier te doen, niet met eene gebrekkige,
+maar met eene mislukte uiting in woordvorm.
+
+[294] Mr. Robbers zegt wel (t. a p. p. 14), dat hij opzettelijk niet
+spreekt van letterkundige waarde, daar hij dit een te subjectief
+begrip acht; het is mij echter uit zijne toelichting niet volkomen
+duidelijk geworden, welke eigenschappen van vorm of inhoud hij hier
+dan wél in aanmerking wenscht te zien genomen.
+
+[295] Nederland en de Berner Conventie in: Het Paleis van Justitie
+9 Aug. 1898 pp. 1 en 2. Mr. Levy nam ook deel aan het debat op de
+bovenbesproken vergadering der Nederl. Juristenvereeniging. Cf.
+hierboven pp. 88 sqq.
+
+[296] Men zie b.v.: J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie,
+Rotterdam 1905 p. 42.
+
+[297] Men zie b.v.: Ludwig Noiré, Max Müller und die
+Sprach-Philosophie, Mainz 1879 pp. 36 en 81.
+
+[298] Dr. H. Steinthal, Abriss der Sprachwissenschaft (erster Teil,
+Die Sprache im Allgemeinen) 2e Aufl. Berlin 1881 pp. 47 sqq.
+
+[299] T. a. p. p. 51.
+
+[300] Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk. 's
+Gravenhage 1900 p. 457.
+
+[301] T. a. p. p. 459.
+
+[302] Het woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging. Rede gehouden bij
+de overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit 20 October
+1908 door Dr. J. Woltjer, Hoogleeraar in de faculteit der Letteren
+en Wijsbegeerte. Amsterdam 1908 p. 14.
+
+[303] T. a. p. p. 15.
+
+[304] T. a. p. p. 62.
+
+[305] T. a. p. p. 54.
+
+[306] Ueber Sprache und Worte, Parerga und Paralipomena II (Arthur
+Schopenhauer's sämmtliche Werke, herausg. v. Eduard Grisebach V
+p. 602, variante).
+
+[307] Willem Kloos, Nieuwere Literatuur-Geschiedenis I p. 197.
+
+[308] L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen 4de Bundel p. 260.
+
+[309] Frederik van Eeden in de Nieuwe Gids (Tweemaandelijksch
+tijdschrift voor letteren, kunst, politiek en wetenschap) 4de Jaargang,
+1889 deel II p. 118.
+
+[310] F. van der Goes, De opleiding van Tooneelspelers in: de Nieuwe
+Gids enz. Jaarg. 5 (1890) deel II p. 279.
+
+[311] Dat met name het begrip "klankexpressie" niet eene uitvinding
+was van Kloos en Verwey, werd nog onlangs aangetoond door Dr. Is. van
+Dijk in eene voordracht getiteld "Stijl", opgenomen in: Handelingen
+en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
+te Leiden over het jaar 1907-1908, Leiden 1908 pp. 69, 70.
+
+[312] Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst II p. 345.
+
+[313] T. a. p. p. 346.
+
+[314] Cf.: L. v. Deyssel, Verzamelde Opstellen IV pp. 257, 258. Men
+zie ook: ibid. V pp. 5 sqq.
+
+[315] T. a. p. p. 259.
+
+[316] Cf. de boven (p. 151) aangehaalde woorden van Kloos.
+
+[317] Men zie het boven aangehaalde van L. van Deyssel (p. 152).
+
+[318] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
+pp. 33, 34.
+
+[319] De vertaling van Akëdysséril, L. van Deyssel, Verzamelde
+opstellen IV pp. 181 sqq. Het artikel van prof. van Hamel is te
+vinden in de Gids 1897 II pp. 139 sqq.; men zie ook in hetzelfde deel:
+"Aanteekeningen en opmerkingen" pp. 567 sqq.
+
+[320] T. a. p. p. 183.
+
+[321] T. a. p. p. 187.
+
+[322] Men vergelijke ook, wat Willem Kloos opmerkt naar aanleiding
+eener Virgilius-vertaling, Nieuwere Literatuur-geschiedenis IV
+pp. 12 sqq.
+
+[323] In eene Engelsche rechterlijke beslissing werd werkelijk
+uitgemaakt, dat iemand, die eene kaart teekent van een pas ontdekt
+eiland "... must go through the whole process of triangulation, just
+if he had never seen any former maps;..." etc., medegedeeld door:
+Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 12.
+
+[324] Louis Blanc, De la propriété littéraire t. a. p. p. 234.
+
+[325] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 83. Men zie ook
+de beschouwingen van Av. Henri Rosmini in denzelfden zin, D. A. 1895
+pp. 21 sqq.
+
+[326] Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 96, 97.
+
+[327] Alleen de voortbrengselen der lyrische poëzie, waarvan de inhoud
+bestaat ut eene bepaalde zielsgesteldheid (stemming) van den dichter,
+vallen hier buiten. Men zie daarover nog: Kohler t. a. p. pp. 122 sqq.
+
+[328] Men zie pp. 137 sqq.
+
+[329] Reichsgericht 28 Febr. 1898, D. A. 1903 pp. 29 en 30.
+
+[330] Reichsgericht 27 Nov. 1906, D. A. 1907 p. 49, Börsenblatt 12
+Dec. 1906 evenzoo: R. G. 19 Juni 1907, D. A. 1908 pp. 151, 152.
+
+[331] Hoog Gerechtshof van Hamburg 11 Nov. 1904, D. A. 1907 p. 140.
+
+[332] Hanseatisches Oberlandesgericht 12 Dec. 1898, D. A. 1899 p. 79.
+
+[333] Medegedeeld door: P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 73 en 1896
+p. 150. Men zie ook denzelfden schrijver: D. A. 1901 p. 121.
+
+[334] Hof van Parijs 2 April 1896 (Droit 2 Juni, Gazette du Palais
+16 Juni, Gazette des Tribunaux 18 Sept. '96), medegedeeld door:
+A. Darras D. A. 1897 p. 16.
+
+[335] D. A. 1894 p. 73.
+
+[336] D. A. 1908 p. 152.
+
+[337] Tribunal de Commerce de la Seine, medegedeeld (zonder datum)
+door A. Darras, D. A. 1892 p. 151.
+
+[338] Tribunal civil de la Seine 20 Dec 1895, D. A. 1896 pp. 42 en 84.
+
+[339] Tribunal de la Seine (9e ch.) 1 Aug. 1892, D. A. 1892 p. 130.
+
+[340] Oostenrijksch Hof van Cassatie 24 Sept. 1901. D. A. 1901 p. 123.
+
+[341] Oostenrijksch Hoog Gerechtshof 7 Nov. 1900, D. A. 1902 p. 64.
+
+[342] Hoog Gerechtshof Londen 2 Juni 1892, D. A. 1893 p. 98.
+
+[343] Hoog Gerechtshof van Schotland, Aberdeen 6 Maart 1892, D. A. 1892
+pp. 64 sqq.
+
+[344] Bondsrechtbank 30 Nov. 1894, D. A. 1895 pp. 37 en 38.
+
+[345] Bondsrechtbank 13 Jan. 1906, D. A. 1906 p. 61.
+
+[346] Hof van Appel van Milaan 10 Dec. 1895, D. A. 1896 p. 74.
+
+[347] Opgave van literatuur en jurisprudentie hierover vindt men
+nog bij: Kohler, Autorrecht pp. 160 sqq., Das literarische und
+artistische Kunstwerk etc. pp. 17 sqq., Urheberrecht pp. 155 sqq.;
+Gierke t. a. p. pp. 770 sqq.; A. Darras, D. A. 1892 p. 150, 1906 p. 22;
+Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété littéraire
+et artistique et du droit de représentation, Paris 1879 pp. 34, 37,
+39 en 46.
+
+[348] W. v. h. R. no. 624, Paleis van Justitie 1893 no. 6.
+
+[349] W. v. h. R. no. 5512.
+
+[350] W. v. h. R. nos. 6646 en 6647.
+
+[351] Men zie b.v.: Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. p. 27,
+Veegens, t. a. p. p. 70, van de Kasteele t. a. p. p. 61, mr. A. A. de
+Pinto t. a. p. pp. 22 sqq.
+
+[352] Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijlage 202.
+
+[353] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 p. 1648.
+
+[354] Jolly, Die Lehre vom Nachdruck p. 112.
+
+[355] Cf. boven p. 162.
+
+[356] Het auteursrecht vgl. de Nederl. wetgeving p. 112.
+
+[357] Men zie hierover de beslissing van de Rechtbank van Amsterdam
+van 27 Dec. 1843, W. v. h. R. no. 464.
+
+[358] Dit argument werd o.a. gebruikt bij eene bespreking van
+het bovengenoemde art. 6 der Berner Conventie op het Congres der
+Association te Neuchatel (26-29 Aug. 1907). D. A. 1907 pp. 115, 116.
+
+[359] Cf.: Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk
+enz. p. 183.
+
+[360] Zoo b.v.: mr. J. D. Veegens, de Gids 1896 III p. 4; J. H. Kok,
+Auteursrecht en Berner Conventie p. 41, en dezelfde schrijver in:
+"Pro en Contra" serie 1 no. 10 (Aansluiting bij de Berner Conventie)
+Baarn 1905 pp. 25 en 26; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht
+verdedigd Leiden 1885 p. 9.
+
+[361] Men zie b.v. in denzelfden zin: Mandry, Kritische
+Vierteljahrschrift VII p. 249.
+
+[362] Men zie b.v.: Doorman t. a. p. p. 10, Kok, t. a. p. resp. p. 43
+en p.27.
+
+[363] Cf.: Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum
+Schutze von Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen,
+Bern 1906 pp. 183, 184.
+
+[364] Men zie: Röthlisberger t. a. p. p. 184.
+
+[365] J. D. Doorman, t. a. p. p. 14.
+
+[366] D. A. 1899 pp. 52, 53.
+
+[367] D. A. 1899 pp. 53, 54.
+
+[368] D. A. 1900 p. 28.
+
+[369] Cf. hierboven pp. 166 sqq.
+
+[370] Cf. Rosmini, D. A. 1895 p. 22; Kohler, Urheberrecht pp. 152 sqq.;
+men zie voor Oostenrijk: D. A. 1901 p. 124.
+
+[371] D. A. 1888 pp. 87, 88; 1894 p. 80; Röthlisberger t. a. p. p. 235.
+
+[372] Actes 1896 p. 173.
+
+[373] Actes 1908 p. 257.
+
+[374] Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het
+auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq.
+
+[375] Men zie: Mr. Veegens t. a. p. pp. 90 sqq.
+
+[376] T. a. p. p. 6.
+
+[377] M. v. T. t. a. p. p. 8. Er wordt hier nog van de uitvoering van
+muziekwerken gesproken; het uitvoeringsrecht is echter later uit het
+Ontwerp geschrapt.
+
+[378] Rechtbank den Haag 3 Dec. 1883, W. v. h. R. no. 4970.
+
+[379] W. v. h. R. no. 5785.
+
+[380] W. v. h. R. no. 6019.
+
+[381] Cf. ook art. 2 der herziene Berner Conventie.
+
+[382] Cf.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts (Stuttgart 1888)
+p. 78.
+
+[383] M. v. T. t. a. p. § 2.
+
+[384] T. a. p. p. 79.
+
+[385] J. van de Kasteele, t. a. p. p. 80.
+
+[386] J. G. Robbers Jr. Het auteursrecht. Opmerkingen en
+beschouwingen. Proefschr. Amst. 1896 p. 19.
+
+[387] Ik denk hierbij aan albums van teekeningen met onderschriften,
+zooals door sommige teekenaars wel worden uitgegeven (b.v. Caran
+d'Ache, Gibson); in het algemeen aan die werken, waarvoor de auteur
+zoowel den tekst als de--opzettelijk daarvoor gemaakte--illustraties
+heeft geleverd. Hier is werkelijk het "plaatwerk" een auteursproduct
+in den waren zin van het woord, n.l. eene geestesschepping, die één
+geheel vormt.
+
+[388] T. a. p. p. 79.
+
+[389] Men zie ook de juiste opmerkingen hierover van mr. Swart
+t. a. p. p. 65. Op den laatsten regel van deze pag. moet echter in
+plaats van "vijfentwintigjarige" gelezen worden: "vijftigjarige".
+
+[390] Urheberrecht p. 132.
+
+[391] Autorrecht p. 189.
+
+[392] Men zie ook: Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst,
+enz. pp. 59 sqq.
+
+[393] Men zie boven pp. 149 sqq.
+
+[394] Cf.: Viotta, Het auteursrecht van den componist pp. 19 sqq.
+
+[395] Cf. Viotta t. a. p. pp. 21 sqq. waar de genoemde muziekstukken
+staan afgedrukt met een soortgelijk voorbeeld uit de Eroica-symphonie.
+
+[396] T. a. p. p. 80.
+
+[397] T. a. p. pp. 24 sqq.
+
+[398] Bedoeld zijn de negen eerste maten, die volgen op Wotans woorden:
+
+
+ "Denn so kehrt der Gott sich dir ab,
+ So küsst er die Gottheit von dir!"
+
+
+[399] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 148.
+
+[400] Men zie hierover de belangrijke beschouwingen van Kohler,
+Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 150 sqq.
+
+[401] Zij wordt o. a. door Schuster verkondigd t. a. p. p. 195.
+
+[402] T. a. p. p. 242. Cf. ook in dezen zin: Viotta pp. 55 sqq.
+
+[403] T. a. p. pp. 244 sqq.
+
+[404] Cf. in denzelfden zin: Kohler, Urheberrecht p. 198.
+
+[405] Zoo b.v. de vroegere Duitsche wet van 1876.
+
+[406] T. a. p. p. 228.
+
+[407] Autorrechtliche Studiën, Archiv für civilistische Praxis 85
+p. 397.
+
+[408] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 Bijl. 15 p. 2; men zie ook:
+Mr. J. D. Veegens t. a. p. p. 86.
+
+[409] Actes de la Conférence de Berne 1885 p. 21.
+
+[410] Cf.: D. A. 1899 p. 15; Kohler, Das literarische und artistische
+Kunstwerk pp. 167 sqq.
+
+[411] Tribunal civil de la Seine 3e ch. Audience du 10 février 1905,
+D. A. 1905 p. 76.
+
+[412] Cour d'appel de Pau ch. corr. 18 Nov. 1904, D. A. 1905 p. 76.
+
+[413] Tribunal de la Seine 3e ch. 9 Juni 1903, D. A. 1904 pp. 62, 63.
+
+[414] Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 45, 46.
+
+[415] Cf. Prof. Dr. W. Vogelsang, Aesthetiek en Kunstgeschiedenis
+aan de Universiteit. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het
+hoogleeraars-ambt aan de Rijks-Universiteit te Utrecht 23 Sept. 1907
+pp. 19, 20.
+
+[416] Cf. Swart t. a. p. p. 58.
+
+[417] Kunstwerkrecht p. 27.
+
+[418] Cf. boven pp. 133, 134.
+
+[419] Cf. ook: Swart t. a. p. pp. 58, 59.
+
+[420] Men zie boven p. 12.
+
+[421] Cf. Kohler. Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 38
+sqq.
+
+[422] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 48.
+
+[423] Cf. Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 47.
+
+[424] Cf. Prof. Dr. Vogelsang t. a. p. pp. 25, 26.
+
+[425] Eene stelselmatige bespreking van het Ontwerp geeft Mr. Swart
+in zijn reeds meermalen aangehaald proefschrift.
+
+[426] Swart t. a. p. p. 86.
+
+[427] Handel. Tweede Kamer 1883-1884. Bijlage 166-3 p. 5. Cf. ook:
+pp. 6 en 7 ad art. 11.
+
+[428] Eenigszins in denzelfden zin: Swart, t. a. p. pp. 69 sqq.
+
+[429] Men zie hierover o.a.: D. A. 1908 pp. 43 sqq.; 1909 pp. 113
+sqq. en 125 sqq.
+
+[430] Men kan hiervan een denkbeeld krijgen uit een: Verslag van de
+Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst over de
+namaak hier te lande (uitg. d. L. J. Veen, Amsterdam).
+
+[431] Men zie hierover o.a.: Is Fotografie kunst? door H. de Boer,
+Scheveningen z. j.; De Photographie in dienst der wetenschap en hare
+beteekenis als kunst, rede van W. H. Idzerda bij het aanvaarden van
+het ambt van privaat-docent voor het onderwijs in de photographie
+aan de Technische Hoogeschool, 29 Jan. 1908; Swart t. a. p. pp. 84 sqq.
+
+[432] Cf. boven p. 201.
+
+[433] Vóór het bestaan dezer wet nam de Fransche jurisprudentie meestal
+aan, dat deze bescherming uit de wet van 24 Juli 1793 voortvloeide;
+zie o.a.: Pouillet t. a. p. p. 90; Darras, D. A. 1892 p. 128 en p. 150.
+
+[434] Men zie b.v. Tribunal civil Brussel 26 Nov. 1890, D. A. 1891
+p. 21; Tribunal civil Antwerpen 25 Oct. 1893, medegedeeld door
+P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 25; Tribunal civil van Luik 7 Juni 1902,
+D. A. 1902 p. 118.
+
+[435] Men zie voor Italië: Amar in D. A. 1902 p. 62.
+
+[436] Cf. Kohler, Urheberrecht p. 209.
+
+[437] Urheberrecht p. 177 noot 10.
+
+[438] Men zie het juiste arrest van het Hof van Amsterdam van 29
+Sept. 1891 Paleis van Justitie 1891 no. 93.
+
+[439] Kohler, Urheberrecht pp. 181, 182.
+
+[440] Hof van Appel New York 8 Jan. 1903, D. A. 1904 p. 62.
+
+[441] Memorie van Toelichting W. A. R. t. a. p. p. 6.
+
+[442] Av. Rosmini, Lettre d'Italie, D. A. 1894 p. 74.
+
+[443] Medegedeeld door: Darras, D. A. 1890 p. 77.
+
+[444] Men zie: Darras, D. A. 1891 p. 8; 1893 p. 48; 1895 pp. 129, 130.
+
+[445] D. A. 1897 p. 45.
+
+[446] D. A. 1908 p. 107.
+
+[447] Men zie het overzicht hiervan in D. A. 1908 pp. 108 sqq. Cf. ook
+het arrest van het Hof van Cassatie van Turijn van 5 Dec. 1908,
+medegedeeld door Prof. M. Amar in D. A. 1909 p. 27.
+
+[448] Tribunal Civil de la Seine 1re ch. 7 Juli 1908, D. A. 1908
+p. 118.
+
+[449] Deze bewering, afkomstig van "vele leden", vindt men in het
+voorloopig verslag der Tweede Kamer over de W. A. R. t. a. p. p. 2.
+
+[450] Urheberrecht p. 185.
+
+[451] Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 224, 225; Wauwermans,
+D. A. 1893 p. 19; Rosmini, D. A. 1893 pp. 60 sqq.
+
+[452] In dezen zin o.a.: Rechtb. van Perpignan 30 Juni 1892,
+D. A. 1892 pp. 138, 139. De Fransche jurisprudentie rekent echter
+de muziek, die op gesloten bals wordt gemaakt, niet tot de openbare
+uitvoeringen. Cf. Darras, D. A. 1903 p. 46. Men zie over de Belgische
+jurisprudentie: Wauwermans, D. A. 1901 p. 122.
+
+[453] Men zie hierover: D. A. 1894 pp. 17 sqq. Cf. ook de juiste
+overwegingen van de Rechtbank van Vercelli over deze vraag in haar
+vonnis van 19 Juni 1889, D. A. 1890 p. 28.
+
+[454] Over deze bepaling en hare uitlegging zie men eene verhandeling
+van Prof. Alex Reichel in D. A. 1893 pp. 14 sqq. Cf. ook § 27 van de
+Duitsche wet v. 19 Juni 1901.
+
+[455] Cf. Rosmini, D. A. 1893 p. 61.
+
+[456] D. A. 1908 p. 110.
+
+[457] Cf. D. A. 1908 pp. 108 sqq.
+
+[458] D. A. 1901 p. 32.
+
+[459] In dezen zin o.a.: Reichsgericht 8, 18 en 29 Mei 1908, D. A. 1908
+p. 156; Gemengde Rechtb. van Caïro 26 Nov. 1892, D. A. 1894 p. 55;
+Hof van Lyon 14 Nov. 1901 (automatisch muziek-instrument in een
+koffiehuis), D. A. 1901 p. 16.
+
+[460] Men zie hierover: D. A. 1907 p. 102; 1908 pp. 24 en 156.
+
+[461] Een uitsluitend recht van voordracht bestaat in Spanje (Reglement
+van 3 Sept. 1880 art. 62); in Duitschland vóórdat het werk in druk
+is verschenen (Urheberrechtsgesetz § 11); terwijl het in Noorwegen
+(art. 1), Denemarken (art. 1)] en Zweden (art. 3) bij de uitgave in
+druk kan worden voorbehouden.
+
+[462] Cf. Swart t. a. p. p. 132 en de aldaar genoemde schrijvers.
+
+[463] In kunstenaarskringen schijnt in dit opzicht van het auteursrecht
+soms meer te worden verwacht, dan het kan geven; men zie b.v.:
+Het Land van Mauve (Bulletin van den Larenschen Kunsthandel) no. 6,
+5 Nov. 1906. Men zie echter ook de juiste opmerkingen van Mr. Louis
+Israëls hierover in hetzelfde blaadje no. 8, 5 Jan. 1907.
+
+[464] Zoo b.v.: J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner
+Conventie pp. 10, 11. Men zie ook het hierboven (p. 80) aangehaalde
+van Mr. Freseman Viëtor.
+
+[465] Urheberrecht p. 232.
+
+[466] Kohler, Autorrecht p. 51.
+
+[467] Men zie b.v.: de Ridder t. a. p. p. 248;
+M. v. T. W. A. R. Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijl. 202 § 4;
+Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. t. a. p. p. 44; Macaulay,
+Speeches t. a. p. pp. 273 sqq.
+
+[468] Men kan hierover in het volgende hoofdstuk (pp. 268 sqq.) nog
+enkele opmerkingen vinden in verband met de formaliteiten, die erbij
+te pas komen.
+
+[469] Cf. Röthlisberger t. a. p. p. 107.
+
+[470] Cf. ook art. 2 van de loi-type der Association: "De uitoefening
+van het auteursrecht is aan de vervulling van geenerlei voorwaarden
+of formaliteiten gebonden."
+
+[471] Cf. La question des formalités en Italie, D. A. 1897 p. 65.
+
+[472] Mr. C. Asser, Handleiding tot de beoefening
+v. h. Nederl. Burgerl. Recht II (3e druk) p. 347.
+
+[473] Dat de formaliteiten van onze wet door de betrokken personen als
+een drukkende last worden beschouwd kan o.a. blijken uit hetgeen de
+heer W. P. van Stockum Jr. daaromtrent mededeelt in: Kort overzicht der
+organisatie van den Nederlandschen Boekhandel, uitg. door de Ver. ter
+bevordering der belangen des Boekhandels, Amst. 1908 pp. 10 sqq.
+
+[474] T. a. p. p. 123.
+
+[475] Men zie hierover: D. A. 1908 p. 30.
+
+[476] D. A. 1900 p. 84. Cf. over de oorzaken die tot dezen maatregel
+hebben geleid: Wauwermans, D. A. 1898 p. 129.
+
+[477] Meerdere bijzonderheden over het journalistieke auteursrecht
+zullen hieronder bij het desbetreffende artikel der Berner Conventie
+nog ter sprake komen.
+
+[478] Men zie b.v.: A. Darras, D. A. 1897 pp. 79 sqq.; G. Huard,
+De divers droits qu'il ne faut pas confondre avec la propriété
+intellectuelle, D. A. 1899 pp. 102 sqq.; Jules Charreyron, De la
+propriété littéraire et artistique p. 38.
+
+[479] Cf. hierover: Mr. H. L. Drucker, Bescherming van rechten die
+niet op geld waardeerbaar zijn, Rechtsgeleerd Magazijn 1889 pp. 1 sqq.
+
+[480] Te vinden in: D. A. 1899 p. 127.
+
+[481] Men zie het door het Internationale Bureau te Bern uitgegeven:
+Tableau des Voeux etc. (2me série 1896-1907) pp. 33, 36, 37.
+
+[482] Urheberrecht p. 455.
+
+[483] Archiv für Bürgerliches Recht X p. 261.
+
+[484] Zie hierover vooral: Kohler, Das Recht an Briefen, Archiv für
+bürgerliches Recht VII pp. 94 sqq. en van denzelfden schrijver:
+Du droit sur les lettres missives ordinaires et confidentielles,
+D. A. 1906, p. 18, waarvan de Duitsche tekst is te vinden in:
+Deutsche Juristenzeitung XI 1906 No. 1 pp. 51 sqq.; Cf. ook:
+Gierke t. a. p. p. 772 en: Mr. Paul Scholten, Recht op brieven,
+Weekbl. v. Privaatr., Notaris-ambt en Reg. 22 Sept. 1906 no. 1917.
+
+[485] Een aantal rechterlijke beslissingen uit Frankrijk, Duitschland
+en Engeland worden door Kohler genoemd, Urheberrecht p. 442.
+
+[486] Cf. Kohler, D. A. 1906 p. 19.
+
+[487] D. A. 1903 pp. 28 sqq.
+
+[488] De Seine-Rechtbank nam het tegendeel aan in een zaak betreffende
+brieven van George Sand. Een der overwegingen was: "... que ce droit,
+tout personnel qu'il soit, passe aux héritiers représentants de la
+personne et des biens ... etc.", zitting van 11 Maart 1897, D. A. 1899
+p. 43; Annales de la Propr. ind., litt. et art. 1898 Nos. 9-10 p. 311,
+art. 4020.
+
+[489] D. A. 1906 p. 19.
+
+[490] Reeds door verschillende schrijvers werd de bepaling op
+soortgelijke gronden afgekeurd. Men zie: Mr. W. L. P. A. Molengraaff,
+De Faillissementswet verklaard pp. 243 sqq.; Swart t. a. p. pp. 122
+sqq.; Mr. B. M. de Vos, Rechtsgeleerd Magazijn 1908 p. 60.
+
+[491] Arrest van 1 Dec. 1892, besproken door Kohler, D. A. 1894 p. 82.
+
+[492] Medegedeeld door A. Darras, D. A. 1900 p, 41. De tekst is te
+vinden in: Gazette des Tribunaux 14 Febr. 1900.
+
+[493] Art. 10 wet van 1901.
+
+[494] Tribunal civil de la Seine 29 Dec. 1896, Gazette du Palais
+3 Febr. 1897, Annales de la propriété industrielle 1897 p. 126,
+D. A. 1897 p. 80.
+
+[495] Trib. civ. de la Seine 1e ch. 16 Dec. 1899, D. A. 1900 p. 42.
+
+[496] Trib. de la Seine 4 Mei 1903, D. A. 1903 p. 105, France
+judiciaire No. 17 van 9 Mei 1903.
+
+[497] D. A. 1902 p. 136.
+
+[498] Trib. civ. de la Seine 3me ch. 17 Dec. 1906, D. A. 1907 p. 100,
+La Loi 30 Mei 1907.
+
+[499] Trib. de la Seine 3 April 1897 (Le Droit 5 en 6 April 1897)
+medegedeeld door A. Darras, D. A. 1897 p. 80.
+
+[500] Trib. de la Seine 13 Dec. 1901 en 2 Juni 1904, D. A. 1905 p. 7;
+men zie ook de bespreking van dit vonnis door A. Darras in D. A. 1904
+pp. 135, 136.
+
+[501] Ook tooneelspelers kunnen op het hier bedoelde recht inbreuk
+maken, door nl. stukken uit hunne rollen over te slaan of er woorden en
+zinnen in te lasschen, die er niet in hooren. Cf. hierover: H. Rosmini,
+D. A. 1891 p. 142.
+
+[502] Men zie b.v.: de Belgische wet van 1886 art. 8; de Duitsche
+wet van 1901 §§ 9 en 24 en die van 1907 §§ 12 en 21; voorts het
+Italiaansche Ontwerp art. 22 en de loi-type der Association art. 10
+lid 2 en 3.
+
+[503] Verschillende rechterlijke uitspraken worden medegedeeld en
+besproken door Prof. Molengraaff in Rechtsgeleerd Magazijn 1887
+pp. 375 sqq.
+
+[504] Cf. Molengraaff t. a. p. pp. 382 sqq.
+
+[505] Cf. Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. p. 77.
+
+[506] Trib. civil de la Seine 1 Aug. 1903, Gazette des Tribunaux 2
+Aug. 1903, La Loi 6, 7, 8 Aug. 1903, D. A. 1904 p. 63.
+
+[507] Cour d'Appel de Paris 24 Mei 1905, D. A. 1905 p. 132.
+
+[508] Trib. civ. de la Seine 18 Febr. 1905, D. A. 1905 pp. 100, 101.
+
+[509] Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. pp. 79, 80;
+Cf. ook: Av. Henri Rosmini, Droits des auteurs sur leur pseudonyme,
+D. A. 1888 pp. 16 sqq.
+
+[510] Cf.: Huard, D. A. 1899 p. 103, die zich echter zelf tegen deze
+verplichting verklaart.
+
+[511] Cf. hierover: A. Darras, D. A. 1895 p. 32, die op de verwarring
+tusschen persoonlijkheidsrecht (droit moral) en auteursrecht (droit
+pécuniaire), welke hier in het spel was, de aandacht vestigt.
+
+[512] Dit is althans de uitlegging, die de meeste schrijvers zich
+verplicht zien aan dit artikel te geven. Cf.: Darras, D. A. 1895 p. 32;
+Kohler is van eene andere opinie D. A. 1896 pp. 12, 13; men zie echter
+wat de redactie hierbij aanteekent, noot 2, p. 13.
+
+[513] Cf. ook: Kohler, D. A. 1896 p. 12.
+
+[514] Handel. Tweede Kamer 1879-1880, Bijlage 110 No. 3 p. 174.
+
+[515] M. v. T. p. 174.
+
+[516] Kohler, Archiv für bürgerliches Recht X p. 277.
+
+[517] O. a.: Tribunal civil de la Seine 30 April 1896, Droit 1 en 2
+Juni 1896, Gazette des Tribunaux 4 Juni 1896, Gazette du Palais 9 Juni
+1896; id. 31 Dec. 1896, Droit en Gazette des Tribunaux 1 Jan. 1897,
+D. A. 1897 p. 17; 3 Aug 1899, Loi 4 en 5 Aug. 1899; Cour de Paris 26
+Juli 1900, Loi 22 Nov. 1900, D. A. 1900 p. 154. Men zie ook: Darras,
+D. A. 1895 pp. 96, 168. Een aantal beslissingen van ouderen datum
+worden meegedeeld door: Rosmini, D. A. 1893 pp. 10 sqq. Cf. nog voor
+een recent geval: Journal des Débats (édition hebdomadaire) 17 April
+1908 p. 738.
+
+[518] Zoo werd reeds door de Seine-Rechtbank beslist 16 Juni 1858
+in eene destijds geruchtmakende zaak over een portret, dat van de
+beroemde tooneelspeelster Rachel op haar sterfbed was genomen. Men zie
+hierover: Rosmini, D. A. 1893 p. 10. Hetzelfde college gaf nog enkele
+jaren geleden eene beslissing in soortgelijken zin, 20 Jan. 1906,
+D. A. 1907 p. 136.
+
+[519] In eene Amerikaansche rechterlijke beslissing (Federal Court
+Boston 19 Nov. 1894) wordt te dien aanzien onderscheid gemaakt tusschen
+particulieren en publieke personen: "Terwijl een privaat persoon
+beschermd dient te zijn tegen elke publicatie van zijn portret, is dit
+ten aanzien van een publiek persoon niet het geval. Men kan aannemen
+dat een staatsman, een schrijver, een kunstenaar of een uitvinder
+die er op uit is en wenscht openlijk als zoodanig erkend te worden,
+dit recht aan het publiek heeft afgestaan." De grondgedachte dezer
+redeneering komt mij juist voor, al wordt de regel m. i. wel wat al
+te absoluut gesteld en verklaard. (D. A. 1895 p. 142).
+
+[520] Archiv für civ. Praxis 82 p. 206.
+
+[521] Kunstwerkrecht p. 164.
+
+[522] Men zie hierover in 't bijzonder: J. H. G. Cohen, Beleediging
+door Caricaturen, Proefschr. 1896 pp. 118 sqq.
+
+[523] Zoo b.v. Tribunal de la Seine 18 Febr. en 30 Maart 1882 en
+13 Nov. 1889. Men zie hierover: Rosmini, D. A. 1891 pp. 41 sqq.;
+men zie ook: D. A. 1907 p. 137.
+
+[524] Cf.: Darras, D. A. 1897 p. 80.
+
+[525] Men zie hierover de beschouwingen van Darras, D. A. 1897, pp. 17
+en 80; 1899 p. 66; 1903 p. 47, en de aldaar geciteerde Fransche
+jurisprudentie; en: Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht,
+Archiv für Bürgerliches Recht V. pp. 83 sqq.
+
+[526] Paleis van Justitie 9 Aug. 1898.
+
+[527] Mr. J. P. Moltzer, W. v. h. R. no. 7154.
+
+[528] De voornaamste argumenten kunnen trouwens, na al wat hierover
+reeds is geschreven, vrijwel algemeen bekend worden geacht. Men
+zie hierover o. a.: Mr. L. J. Plemp van Duiveland, de Gids 1896 III
+pp. 385 sqq. en Onze Eeuw 1909 I pp. 102 sqq.: Herman Robbers, Pro en
+Contra, serie 1 no. 10; en de Gids 1908 IV pp. 541 sqq.; J. G. Robbers
+Jr. t. a. p. pp. 84 sqq.; voorts de reeds genoemde geschriften van
+Mr. J. D. Veegens, J. H. Kok en J. Mosmans, en het, eveneens reeds
+genoemde, Rapport der Commissie aan de Vereeniging van Letterkundigen.
+
+[529] J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks
+t. a. p. p. 238.
+
+[530] Zonder eenige restrictie wordt het alleen in Luxemburg gehuldigd
+(art. 39).
+
+[531] T.a.p. p. 169.
+
+[532] T.a.p. p. 170.
+
+[533] Wél b.v. in de Duitsche wetten (wet van 1901 §35, wet van
+1907 §30).
+
+[534] W. v. h. R. no. 7154; de Redactie van het Weekblad was van eene
+andere opinie (no. 7149).
+
+[535] Reeds in 1853 noemde Bluntschli de volkomen gelijkstelling
+van vreemde auteurs en werken met de nationale "die einfachste
+und gerechteste Lösung" welke aan dit vraagstuk kan worden
+gegeven. Kritische Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und
+Rechtswissenschaft I p. 26.
+
+[536] Cf. het Voorloopig verslag, Handel. Tweede Kamer 1877-1878,
+Bijlage 25 no. 7 p. 9.
+
+[537] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 214.
+
+[538] Actes 1908 p. 273.
+
+[539] Cf.: Actes 1885 p. 20.
+
+[540] Cf. o.a.: A d'Orelli, D. A. 1889 p. 2; 1891 p. 15.
+
+[541] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 149 en de daar genoemde
+schrijvers. Men zie ook de verklaringen op de Conferentie van 1885 van
+de afgevaardigden Reichardt, d'Orelli, Renault, Lavollée en Lagerheim,
+Actes 1885 p. 22.
+
+[542] Röthlisberger t. a. p. p. 150.
+
+[543] Over het uitvoeringsrecht van muziekstukken, dat in onze
+wet onbreekt, wordt hieronder bij de behandeling van art. 11 der
+Conventie gesproken.
+
+[544] Dit werd vroeger wel eens betwijfeld (cf. D. A. 1899 pp. 130
+sqq.) maar kan toch als vaststaande worden aangenomen. Men zie b.v. de
+besliste uitlating dienaangaande in de motiveering der Duitsche
+herzieningsvoorstellen, Actes 1908 p. 41.
+
+[545] Het eenige zou misschien kunnen zijn: mondelinge voordrachten,
+voorzoover deze nl. niet door den auteur op schrift zijn gebracht. Is
+dit wel het geval, dan behooren zij ongetwijfeld tot de "geschriften",
+die in het artikel worden genoemd.
+
+[546] Men zie hierover: Röthlisberger t. a. p. pp. 150 en 169;
+D. A. 1895 p. 91 en 1899 pp. 1 en 65.
+
+[547] Actes 1896 p. 145.
+
+[548] Men zie voor Frankrijk: Pouillet t. a. p. pp. 91 sqq. en
+D. A. 1889 p. 54; Darras ibid. 1894 p. 88, 1895 p. 47; voor België:
+P. Wauwermans, D. A. 1892 p. 136; 1893 pp. 17 en 93; 1894 p. 24
+en o.a. eene beslissing van het Tribunal civil van Brussel van 3
+Febr. 1904, D. A. 1905 p. 61; voor Italië: Rosmini, D. A. 1889 pp. 19
+en 30, 1891 p. 114.
+
+[549] Het Rapport der Commissie merkt dienaangaande op: "On est tombé
+assez facilement d'accord que les photographies devaient être protégées
+dans tous les pays de l'Union". Actes 1908 p. 235.
+
+[550] Actes 1885 p. 43.
+
+[551] Actes 1896 pp. 114 en 166.
+
+[552] Men zie: Actes 1908 pp. 50, 51.
+
+[553] Men zie het verslag van Renault, Actes 1908 p. 232.
+
+[554] Men zie: D. A. 1895 p. 92.
+
+[555] In dezen zin besliste o. a. het Hof van Turijn over een Duitsch
+album met schrijfmodellen en typographische voorbeelden. Zie hierover:
+Röthlisberger t. a. p. p. 154; Darras, D. A. 1898 p. 43. Cf. over
+een soortgelijke vraag: D. A. 1899 pp. 130 sqq. en pp. 134 sqq.
+
+[556] De vraag werd o. a. besproken op het Congres der Association
+te Neuchatel (Aug. 1907); men zie: D. A. 1907 pp. 115, 116.
+
+[557] Actes 1908 p. 44.
+
+[558] Men zie echter mijne opmerking op p. 195 over de stilzwijgende
+erkenning van dit recht door de Rechtbank en het Hof van Amsterdam.
+
+[559] Actes 1908 p. 232.
+
+[560] Men zie het rapport van Renault, Actes 1908 p. 232.
+
+[561] Actes 1884 p. 41.
+
+[562] Actes 1885 p. 42.
+
+[563] Cf. voor het gebruik van de woorden nationaliteit en
+onderdaanschap als twee uitdrukkingen voor eenzelfde begrip: A. van
+de Sande Bakhuyzen, Nederlandsch onderdaanschap, Proefschr. Leiden
+1900 pp. 7 sqq.
+
+[564] Men zie b. v.: Röthlisberger t. a. p., p. 83; Kohler,
+Urheberrecht p. 403.
+
+[565] O. a.: d'Orelli, D. A. 1889 p. 2.
+
+[566] Cf.: van de Sande Bakhuyzen t. a. p. pp. 22 sqq.
+
+[567] Handel. Tweede Kamer 1908-1909 Bijlage 266.
+
+[568] Actes 1884 p. 44.
+
+[569] Actes 1896 p. 113.
+
+[570] Actes 1885 p. 21.
+
+[571] Anders: d'Orelli, D. A. 1899 p. 2.
+
+[572] Actes 1896 pp. 189 en 191.
+
+[573] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 92; D. A. 1902 p. 54.
+
+[574] Men zie de verklaring van Dr. Meyer dienaangaande op de
+Conferentie van 1884, Actes p. 43.
+
+[575] Actes 1896 p. 111.
+
+[576] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1896 p. 161; het Zwitsersche
+voorstel is te vinden ibid. p. 112.
+
+[577] Actes 1908 p. 237.
+
+[578] Actes 1908 p. 39.
+
+[579] Actes 1908 p. 39.
+
+[580] Actes 1908 p. 241.
+
+[581] Actes 1884 pp. 29, 43.
+
+[582] Actes 1896 pp. 195 sqq. Men zie ook de beschouwingen in
+D. A. 1896 pp. 36 sqq.
+
+[583] Cf. het rapport der Commissie Actes 1896 p. 164.
+
+[584] Cf. het rapport van Renault op de Conferentie van Berlijn Actes
+1908 p. 236.
+
+[585] Cf. hierboven p. 312.
+
+[586] Cf. boven pp. 264 sqq.
+
+[587] Actes 1908 p. 200.
+
+[588] Actes 1908 pp. 214, 215.
+
+[589] Cf. wat hierover in het Commissie-rapport wordt opgemerkt,
+Actes 1908 p. 244.
+
+[590] Men vergelijke ook de bepaling van art. 19 Conventie 1908.
+
+[591] Actes 1885 p. 28.
+
+[592] Actes 1896 p. 168.
+
+[593] Actes 1884 pp. 31, 32.
+
+[594] Actes 1884 p. 49.
+
+[595] Actes 1885 pp. 26 sqq.
+
+[596] Actes 1884 p. 65; 1885 p. 39. Men zie hierover ook de rede
+van den Franschen gedelegeerde Lavollée op de Conferentie van 1885,
+Actes pp. 62, 63.
+
+[597] Actes 1896 p. 133.
+
+[598] Actes 1896 p. 169.
+
+[599] Actes 1908 p. 246.
+
+[600] Men zie de toelichting van het voorstel: Actes 1908 pp. 201 sqq.
+
+[601] Actes 1908 pp. 247 en 248.
+
+[602] Actes 1908 p. 215.
+
+[603] Men zie de verklaringen van den Noorschen gedelegeerde Klaus
+Hoel, Actes 1908 pp. 213 en 214 en die van den Zweedschen gedelegeerde
+Graaf Taube ibid. p. 218.
+
+[604] Men zie hierover de zeer duidelijke uitlegging in het Rapport
+van Renault aan de Conferentie van Parijs, Actes 1896 pp. 168 sqq. De
+Rechtbank van Brussel (10 Jan. 1903) wees ten onrechte een eisch af,
+op grond dat aan de voorwaarden voor het vertalingsrecht, die de wet
+van het land van herkomst (in dit geval Duitschland) eischte, niet
+was voldaan. De Duitsche wet, waarnaar in dit vonnis verwezen werd,
+was bovendien toen al niet meer van kracht en vervangen door die van
+19 Juni 1901, welke in 't geheel geen voorwaarden of formaliteiten
+voorschrijft. (D. A. 1904 pp. 56 sqq.)
+
+[605] Men zie ook het rapport van Renault, Actes 1896 p. 170.
+
+[606] Actes 1885 p. 44.
+
+[607] Actes 1908 p. 217.
+
+[608] Niet geheel juist is wat dienaangaande wordt opgemerkt door
+Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Onze Eeuw 1909 I pp. 123 en 124.
+
+[609] Men zie hierover: Actes 1884 pp. 31 en 52 sqq.
+
+[610] Actes 1896 pp. 115, 116.
+
+[611] Actes 1896 pp. 136 sqq.
+
+[612] De tekst dezer voorstellen is te vinden: Actes 1908 pp. 287
+sqq. De toelichting van het Duitsche voorstel ibid. pp. 44 en 45 en
+die van het Belgische pp. 203 sqq.
+
+[613] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 249 sqq.
+
+[614] Actes 1896 p. 137.
+
+[615] Men zie het Duitsche voorstel, Actes 1908 pp. 44, 45 en het
+Belgische amendement daarop ibid. pp. 206, 207.
+
+[616] Cf. hierover het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 251, 252 en
+de verklaring van de Borchgrave op de vergadering van 13 Nov. 1908,
+Actes 1908 p. 215.
+
+[617] Men zie hierover o.a.: La reproduction des romans feuilletons
+dans les journaux, D. A. 1893 pp. 13 sqq., en: Du droit de reproduction
+en matière de journaux et de publications périodiques, D. A. 1896
+pp. 8 sqq.
+
+[618] Actes 1886 p. 16. Men zie ook over deze kwestie Röthlisberger
+t. a. p. p. 203.
+
+[619] Actes 1896 p. 171.
+
+[620] Actes 1896 p. 171.
+
+[621] Actes 1908 p. 251.
+
+[622] Actes 1885 p. 46.
+
+[623] Men zie het Commissie-rapport Actes 1908 p. 251.
+
+[624] Men zie: Actes 1885 p. 46 en Actes 1896 p. 171.
+
+[625] Actes 1908 p. 254.
+
+[626] Actes 1896 p. 171.
+
+[627] Zij werden echter niet afzonderlijk genoemd. Cf. boven p. 388.
+
+[628] Onze jurisprudentie erkent ook auteursrecht op eenvoudige
+nieuwsberichten. Cf. boven pp. 173 sqq.
+
+[629] Actes 1885 pp. 29, 30.
+
+[630] Actes 1885 p. 47.
+
+[631] Actes 1885 p. 47.
+
+[632] Actes 1908 p. 254.
+
+[633] In een ingezonden stuk van den heer A. de Jager in het Nieuwsblad
+voor den Boekhandel 1898 no. 100 worden een zestigtal titels van
+dergelijke uitgaven genoemd, die door den schrijver worden aangeduid
+als: "eenige, die mij het eerst voor de hand kwamen".
+
+[634] Deze woorden zijn, blijkbaar met instemming, door den schrijver
+van het bovengenoemde stuk in het Nieuwsblad voor den Boekhandel
+overgenomen. Het een en ander is opgenomen in: Nederland en de Berner
+Conventie door Mr. J. D. Veegens, met bijlagen, 2de vermeerderde druk,
+Groningen, P. Noordhoff 1898.
+
+[635] Actes 1896 p. 172.
+
+[636] Actes 1896 p. 229.
+
+[637] Actes 1908 p. 256.
+
+[638] Hetzelfde geldt ook volgens het oude art. 2. Cf. Röthlisberger
+t. a. p. p. 222.
+
+[639] Men zie: Actes 1885 pp. 48 sqq.
+
+[640] Actes 1896 pp. 172, 173.
+
+[641] Men zie b.v. in dit verband de bovenbesproken bepalingen van
+Duitschland, Spanje en Italië over het bewerkingsrecht van de auteurs
+van geschriften en muziekwerken pp. 187, 188, 210.
+
+[642] Cf. het Commissie-verslag Actes 1908 p. 258.
+
+[643] Tot nu toe heeft de jurisprudentie zich nog niet duidelijk over
+deze vraag uitgesproken. Zie boven pp. 191 sqq.
+
+[644] Evenzoo: Rosmini, D. A. 1890 pp. 93 sqq.; hoofdartikel
+in hetzelfde tijdschrift 1895 pp. 54 sqq. Voorts verscheidene
+rechterlijke beslissingen o. a. in Duitschland: Reichsgericht 31
+Jan. 1891: de bepaling slaat alleen op draaiorgels, speeldoozen en
+andere muziek-instrumenten, die een beperkt aantal muziekstukken spelen
+en ten tijde van het tot stand komen der Conventie algemeen bekend
+waren, D. A. 1891 pp. 82 sqq.; in denzelfden zin: Reichsgericht
+24 Febr. 1899, D. A. 1901 p. 5; Sächsisches Oberlandsgericht 29
+Oct. 1894. In België werd uitgemaakt, dat de bepaling niet toepasselijk
+is op phonograaf-rollen door: Tribunal de 1re instance te Brussel
+13 Juli 1904, D. A. 1904 pp. 93 sqq.; Tribunal de paix Brussel 10
+Aug. 1903, D. A. 1903 pp. 103 sqq. Men zie hieronder de beslissingen
+in tegengestelden zin.
+
+[645] Dit is ook de meening van Röthlisberger, die overigens
+de bepaling sterk afkeurde en ervan zeide: "dura lex sed lex"
+t. a. p. p. 246. Rechterlijke beslissingen in dezen zin: Landgericht
+Leipzig 31 Dec. 1891 (symphonion) en 10 Maart 1890 (phenix);
+Landgericht Gera 23 Mei 1890 (clariophone), D. A. 1890 pp. 119 sqq.,
+1895 pp. 59 sqq.; Cour d'Appel Brussel 29 Dec. 1905, D. A. 1906 p. 46.
+
+[646] Zoo deed ook terecht: Tribunal de paix van Laeken 5 Juli 1906,
+D. A. 1907 p. 7.
+
+[647] Men zie hierover: Actes 1896 pp. 46, 47, 199, 200.
+
+[648] Zoo o. a. door de Association op hare congressen van Monaco 1897,
+Vevey 1901, Napels 1902 en Weimar 1903; en door het internationale
+uitgevers-congres te Milaan 1906. Cf. Tableau des Voeux etc. 1896-1907
+pp. 14, 15.
+
+[649] Men zie het Duitsche voorstel met de toelichting Actes 1908
+pp. 51, 52.
+
+[650] Men zie hierover het verslag der Commissie Actes 1908 pp. 260,
+261.
+
+[651] Actes 1908 p. 262.
+
+[652] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 p. 262.
+
+[653] Actes 1908 p. 264.
+
+[654] Actes 1908 p. 266.
+
+[655] Cf.: Actes 1885 p. 50.
+
+[656] Hof van Brescia 20-22 Dec. 1897, D. A. 1898 p. 83; Hof van
+Appel Milaan 10 Jan. 1899, D. A. 1899 pp. 54, 55; Rechtbank Pisa 23
+Juni 1903, D. A. 1904 p. 98.
+
+[657] Actes 1884 p. 36; 1885 pp. 34, 35, 50.
+
+[658] Men zie ook: Des moyens de prouver l'existence du droit d'auteur
+d'après la Convention de Berne, D. A. 1899 pp. 50 sqq. en een arrest
+van het Hof van Cassatie van Rome van 7 Juni 1900, D. A. 1900 p. 145.
+
+[659] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 252.
+
+[660] Men zie over deze kwestie o.a.: d'Orelli, D. A. 1889 p. 14; een
+hoofdartikel in dit blad 1904 pp. 14 sqq. en 25 sqq.; Röthlisberger
+t. a. p. pp. 264, 265.
+
+[661] Actes 1885 p. 35.
+
+[662] Actes 1896 p. 139.
+
+[663] Actes 1896 p. 173; 1908 p. 267.
+
+[664] Cf.: D. A. 1904 p. 14.
+
+[665] Cf.: D. A. 1905 p. 94.
+
+[666] Cf.: Actes 1885 p. 52; D. A. 1905 pp. 93, 94; Actes 1908 p. 269.
+
+[667] Men zie in het bijzonder voor de betrekkingen tusschen
+Duitschland en Engeland: D. A. 1898 pp. 77 sqq. en voor die tusschen
+Duitschland en Frankrijk (waarbij ook het Duitsch worden van
+Elzas-Lotharingen complicaties heeft gebracht): D. A. 1894 pp. 61 sqq.
+
+[668] Actes 1896 pp. 174, 175.
+
+[669] Dit belet den rechter echter niet, met de belangen van degenen,
+die reeds reproducties in den handel hebben gebracht, rekening te
+houden. Cf., speciaal voor Italië: M. Amar, De l'application de la
+Convention de Berne revisée aux oeuvres publiées avant son entrée en
+vigueur, D. A. 1900 pp. 89 sqq.
+
+[670] De tekst is o.a. te vinden in D. A. 1888 pp. 76 en 90 en bij
+Röthlisberger t. a. p. pp. 348 sqq.
+
+[671] Zeitschrift für internationales Privat- und Strafrecht VI p. 388.
+
+[672] D. A. 1905 p. 94; Röthlisberger t. a. p. p. 273.
+
+[673] Men zie de verklaring der Deensche Regeering, D. A. 1905 p. 95.
+
+[674] Men zie hierover o.a.: J. F. Iselin, L'effet rétroactif de la
+Convention de Berne en Angleterre, D. A. 1899 p. 38; Röthlisberger
+t. a. p. p. 278; La question de la Rétroactivité devant les tribunaux
+Anglais, (hoofdartikel) D. A. 1891 pp. 49 sqq. en: D. A. 1905
+p. 96. Engelsche rechterlijke uitspraken zijn o. m. te vinden in:
+D. A. 1891 pp. 55 sqq., 129; 1892 pp. 52 sqq., 101; 1899 p. 39.
+
+[675] Men zie: Actes 1884 pp. 42, 47, 59 en 66; Actes 1885 pp. 27
+en 45.
+
+[676] Men zie het Commissie-rapport Actes 1896 pp. 160, 161.
+
+[677] D. A. 1895 p. 163.
+
+[678] Cf. ook in dezen zin: Röthlisberger t. a. p. pp. 29 sqq.
+
+[679] Actes 1884 p. 36.
+
+[680] Actes 1908 p. 277.
+
+[681] Cf.: Röthlisberger t. a. p. pp. 300, 301.
+
+[682] Koninklijk Besluit van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van
+het auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor
+den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen
+en Telegrafie, Staatsblad no. 213.
+
+
+ Wij Wilhelmina, enz.
+
+ Overwegende, dat het wenschelijk is het auteursrecht op de
+ Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur
+ der Posterijen en Telegrafie, voor te behouden;
+
+ Gelet op artikel 4 der wet van den 28sten Juni 1881 (Staatsblad
+ no. 124) tot regeling van het auteursrecht, gewijzigd bij de wet
+ van 15 April 1886 (Staatsblad no. 64);
+
+ Op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Waterstaat
+ en van Justitie van 18 Mei 1908, no. 1968, Afdeeling Posterijen
+ en Telegrafie en van 27 Juni 1908, no. 379, Afdeeling A. S.;
+
+ Hebben goedgevonden en verstaan:
+
+ te bepalen, dat er auteursrecht bestaat van de tweemaal per jaar
+ verschijnende Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door
+ het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie.
+
+ Onze Ministers van Waterstaat en van Justitie zijn belast met
+ de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
+ geplaatst.
+
+
+[683] De overige bepalingen voorkomende onder dit nummer, die
+voornamelijk de inrichting en den werkkring van het Internationale
+Bureau betreffen, stemmen overeen met die van art. 21 laatste lid en
+artt. 22 en 23 Conventie 1908.
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Het Auteursrecht, by Henri Louis de Beaufort
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK HET AUTEURSRECHT ***
+
+***** This file should be named 37500-8.txt or 37500-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/7/5/0/37500/
+
+Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
+https://www.pgdp.net (This file was produced from images
+generously made available by The Internet Archive)
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.